diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 19:48:27 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 19:48:27 -0800 |
| commit | 207e0621c7d6db1a4f446528adac1cb6bd08289c (patch) | |
| tree | 08272eaa702a6382080df4059e38f7b113bb6e74 | |
| parent | c5b4c39f7b3cf70887cb064f6e3af87a6b5b46ca (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/53857-8.txt | 5875 | ||||
| -rw-r--r-- | old/53857-8.zip | bin | 119587 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h.zip | bin | 1580203 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/53857-h.htm | 7857 | ||||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/bontekoe.jpg | bin | 115508 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/book.png | bin | 364 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/card.png | bin | 249 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/cover-cut.jpg | bin | 85739 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/cover.jpg | bin | 91331 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/external.png | bin | 172 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/hoorn.jpg | bin | 76127 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/logo.png | bin | 2947 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/original-titlepage.jpg | bin | 102579 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p040.jpg | bin | 93462 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p046.jpg | bin | 126572 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p050.jpg | bin | 100553 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p060.jpg | bin | 131376 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p064.jpg | bin | 130846 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p068.jpg | bin | 106910 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p122.jpg | bin | 110042 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/p128.jpg | bin | 115188 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53857-h/images/titlepage.jpg | bin | 47246 -> 0 bytes |
25 files changed, 17 insertions, 13732 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..4ab2d99 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #53857 (https://www.gutenberg.org/ebooks/53857) diff --git a/old/53857-8.txt b/old/53857-8.txt deleted file mode 100644 index db890cf..0000000 --- a/old/53857-8.txt +++ /dev/null @@ -1,5875 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige -beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -Author: Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -Editor: Godefridus Johannes Hoogewerff - -Release Date: January 1, 2017 [EBook #53857] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE - BESCHRIJVINGHE VAN DE - OOST-INDISCHE REIJSE VAN - WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE - - - - OPNIEUW UITGEGEVEN EN VAN AANTEEKENINGEN VOORZIEN DOOR - Dr. G. J. HOOGEWERFF - - - - UTRECHT - A. OOSTHOEK - 1915 - - - - - - - -INLEIDING. - - -Voor den schrijver van deze Inleiding is de nieuwe uitgave van het -Journael van Willem Ysbrantsz. Bontekoe het teruggrijpen tot een -voorliefde van voorheen, die hij zich nimmer zal ontveinzen dat een -voorliefde gebleven is. - -Wat hij met den herdruk van het eenmaal zoo populaire boekje vooral -hoopt te bereiken is dit: dat ook de gansche Nederlandsche Natie zich -tot die oude voorliefde zal terugwenden. - -Dat een boek, hetwelk door het voorgeslacht met ingenomenheid en -bewondering werd gelezen--niet om zijn schoonen vorm, maar om zijn -kloeken inhoud--blijvend in vergetelheid kon geraken, zou niet anders -dan een zeer slecht teeken wezen voor ons tegenwoordige menschen. Het -mag dan ook niet aangenomen worden. - -Zeer zeker zijn de merkwaardige lotgevallen van den manhaften Bontekoe -in Nederland feitelijk nooit of nimmer vergeten; waardoor anders is de -man en is zijn reis spreekwoordelijk geworden en gebleven? Dit boekje -wil daarom niet anders dan de herinnering aan man en reis levendig -houden. Terecht toch mag het "Journael ofte de Gedenckwaerdige -Beschrijvinghe" als een soort nationaal-goed worden beschouwd. - -Wanneer ons in het einde der 17de eeuw de inhoud van de scheepskist -van een kajuitsjongen wordt medegedeeld,--bevattende mede eenig goed, -dat door de bemanning van zijn schip voor hem werd achtergelaten, -op de onbewoonde kust waar hij zijns ondanks bleef,--dan wordt daar -mèt het Nieuwe Testament ook de reis van Willem Ysbrantsz. Bontekoe -vermeld [1]. - -Heeft Bontekoe zijn verhaal voor ouden van dagen geschreven of voor -jongen? Hij heeft het zeer zeker niet geschreven, opdat het gelezen -d. i. gedrukt zou worden. Het dagboek is opgesteld in de eigenaardige -trouwhartige taal van den zeeman, behelst de mededeeling van zijn -lotgevallen zonder opsmuk hoegenaamd, en is daardoor boeiend voor -iedereen. - -Zijn de daden van Bontekoe, gelijk die van een veroveraar der -Zilvervloot, "groot" geweest? Was hij een zeeheld?--In zijn daden -ligt niets buitengewoons. Wat hij ondernam was het bedrijf van den -gewonen Oostindievaarder. Wat hem overkwam, had een ander evengoed -kunnen overkomen. En tòch is hij een held om de wijze waarop hij het -bedrijf uitoefende en om de wijze waarop hij zich door de moeilijkheden -heensloeg. Schipper op zijn bodem, "naast God" zoo het heet, en vol -vertrouwen, dat hij met Gods hulp alles te boven kan komen;--om er -zich berustend in te schikken als geen middelen en niets mag baten; -tot het bitter einde toe. Zoo is menige zeeman een held. Ook nu nog. - -Dat is niet alleen moed, niet alleen volharding, taaiheid, maar -ook trouw en standvastigheid. Trouw aan een opdracht, trouw aan een -taak, trouw aan zich zelf; maar ook trouw aan den Allerhoogste, die -het immers leiden zal naar Zijn raad. Geloof maar, op het land, met -beide de voeten op de veilige moederaarde, wordt vaak genoeg met het -Eeuwige gespot en gespeeld, doch niet in een storm op de woedende zee: -daar wordt ook de meest oppervlakkige zich zelf wel indachtig.--Heeft -men wel eens opgemerkt, dat bij dreigend gevaar aan boord wèl bij de -passagiers (de menschen van het land) maar nooit bij de echte zeelui -een paniek voorkomt? De laatsten zijn gewend de verschrikking, ook -de verschrikking van den dood, onder de oogen te zien. - -Wordt dat in de praktijk tot fataliteit?--Zeelui zijn uiteraard -fatalisten, en altoos geweest. Doch het fatalisme van Bontekoe -voert niet tot een modern pessimisme en een zuchtend bij de pakken -neerzitten, maar tot een bijna blijmoedig vertrouwen in het welslagen, -zelfs in uitersten nood. De Voorzienigheid zit ook niet stil! Doe -dan wat je kunt om je er door te slaan! Al waar het op aankomt, is -dat de gang er in blijft, en daarmee de moed, tot het einde toe. De -rest zal zich wel vinden! Het eerste waarvoor een goed zeeman daarom -bidden zal, is dan ook: Geef wind Onze Lieve Heer; we hebben zeilen! - -Het werkwoord "volhouden" is niet voor niets een der tallooze -scheepstermen, die in onze spreektaal zijn overgegaan (--'t -geen de klemtoon al leert; in tegenstelling met het oudere -"volhárden"--). Eigenlijk zijn alle Hollanders, West-Friezen en -Zeeuwen krachtens hun geboorte reeds zeelui, en krachtens hun idioom. - -Bijna zou ik lust gevoelen van de zeemanswoorden, die wij zonder -het te weten onophoudelijk gebruiken, hier een lijstje te geven, -doch het zijn er zoo vele, dat het werk in een beknopte inleiding -als deze onbegonnen zou zijn. Zelfs Vader Vondel, om geen mindere -onzer oude schrijvers aan te halen, deed er al druk aan mee. In een -stuk als "Adam in Ballingschap", het treurspel aller treurspelen, -zal men het allerlaatst scheepstermen verwachten, en toch verklaart -Lucifer in het begin van het laatste bedrijf, Asmode toesprekende: -"Het gaet naer onzen wensch; wij zijn dien hoeck te boven",--zooals een -schipper, vergenoegd zich in de handen wrijvend, tot zijn stuurman zou -zeggen, als het gelukt was voorbij een lastig punt op te tornen. En -nog verrassender, als men er zich rekenschap van geeft, klinkt het -honderd regels verder Adam zelf aan Eva te hooren toevoegen: "Gij -smeet mij overstach";--alsof hij een pikbroek geweest ware, die zijn -betere helft het hartig verwijt toevoegde;--van den zondenval nog wel! - -En toch, indien men Vondel gevraagd had, wat er voor gelegenheid in -het Paradijs voor die twee geweest mocht zijn, om schuitje te varen en -zulke "vaktermen" op te doen, hij zou met verwondering het antwoord -zijn schuldig gebleven. Want stellig gebruikte hij de uitdrukkingen -geheel onwilkeurig, zonder er zich iets maritiems bij te denken. En -nu er precies 250 jaar verstreken zijn, sedert "Adam in Ballingschap" -verscheen, staat het met de Nederlandsche Taal minstens nog net eender -en wij achten haar--Vondels taal en de onze--er des te kernachtiger om. - - - -Zooals reeds werd gezegd, was de reis van Bontekoe de tocht van -den gewonen "Oostindie-vaerder", geen bijzondere zending, geen -ontdekkingsreis, of iets dergelijks. Wat aan Bontekoe overkwam, had -eigenlijk aan iederen schipper evengoed kunnen overkomen; alleen niet -iedere schipper zou er zich zóó doorheen hebben geslagen,--en zijn -wedervaren zóó hebben neergeschreven. Niet alleen immers door het -verbijsterende der lotgevallen, maar vooral ook door de wijze, waarop -ze verhaald worden, is deze op zich zelf gewone reis buitengewoon -geworden en beroemd. - -Reisbeschrijvingen uit de 17de eeuw, als volksboeken uitgegeven, -meestal in het eigenaardige klein 4o formaat, dat in dezen herdruk -ongeveer wordt nagevolgd, zijn er tallooze over. De exemplaren -zijn meestal zeldzaam geworden, doch in verschillende onzer groote -bibliotheken kan men er vinden. Uiteraard zijn deze verhalen zeer -verschillend van waarde en van stijl. Er worden er aangetroffen, die -in den pedanten rederijkerstrant zijn opgesteld, tot het eenvoudigweg -in onhandige zeemans-bewoordingen neergeschreven dagboek toe. Gelukkig -is het eerste een uitzondering en het laatste meer regel! - -Terecht wijst Prof. G. Kalff in zijn Geschied. der Nederl. Letterkunde -(Dl. V, blz. 11) op het "onmiddellijke, dat dezen reisverhalen eigen -is", en op den "kleinen afstand, die er blijkbaar ligt tusschen indruk -en uitdrukking;--niet zelden voelen wij er het leven nog trillen ...." - -Inderdaad, zelden zijn deze verhalen dor; want zelfs al wist de -ongeoefende hand de pen niet dan stroef te hanteeren, dan toch werd -een voorval, dat voor den schrijver een bijzondere waarde had, in -pittige taal neergeschreven; net zoo als het uit het hart kwam. Geen -wonder dat later zijn lotgevallen onder de verschillende lagen van -het volk vlijtige en aandachtige lezers vonden. - -Men moet niet vergeten, dat toenmaals de tochten naar die verre, -nauwelijks bekende gewesten en werelddeelen nog veel grooter -evenementen waren dan voor het tegenwoordig publiek de expedities van -Shackleton, Amundsen en Scott! Niet alleen de wonderverhalen over die -vreemde landen en volken trokken aan, maar men gevoelde ook zeer wel, -hoe met die langdurige en gevaarvolle reizen het algemeen belang en -de welvaart van het land gemoeid waren. Dat kan men van onze moderne -en gefilmde pool-expedities niet zeggen! Men leefde veel meer dan -nu van, maar ook voor de "negotie". Handel was voor den lande een -kwestie van bestaan en de oorlog werd door ieder begrepen als een -strijd om dat bestaan. Vandaar de groote en algemeene belangstelling -in deze dingen. Dat vechten daarginds, zoo goed als het vechten aan -de grenzen, had voor de bevolking heel wat meer te beteekenen dan -een Atjeh-oorlog of Lombok-expeditie: Het ging er om! - -Bontekoe is allerminst stroef in zijn vorm. Hij bezit de natuurlijke -gave, de dingen die hij beleeft op een pakkende manier neer te -schrijven als hij op de maandenlange reis--die ook veel dagen van mooi -en kalm weer had--rustig in zijn kajuit zich neerzette om zijn journaal -uit te werken. Een kenmerk, dat ons vooral voor dezen verdienstelijken -auteur inneemt, is wel dit: dat hij zich zijn verdienste nergens -bewust blijkt. Hij schrijft maar voor het vaderland weg; doch schrijft -voortreffelijk!--D. w. z. zijn stijl is allerminst wat men van proza -sprekende "fraai" en "gevormd" pleegt te noemen, maar hij vertelt -goed. En dat is een eigenschap, die wij Nederlanders druk bezig zijn -te verliezen. Het is nog onlangs van bevoegde zijde uitgesproken: -"een algemeen als goed erkend Hollandsch boek boeit zelden meer". - -Sommige der oude reisbeschrijvingen dragen het kenmerk door den -uitgever te zijn bij- en omgewerkt, men kan zeggen "persklaar" te -zijn gemaakt; doch met Bontekoe is dit niet het geval, hij had genoeg -aan eigen kracht. Zoo is zijn dagboek een der meest aantrekkelijke -voorbeelden geworden van het onopgesmukt, trouwhartig zeemans-verhaal, -in den trant dien wij boven beproefden te kenschetsen, en almee een -van de vroegste voorbeelden, als men bedenkt, dat de Nederlanders -eerst kort voor 1600 vasten voet in Indië gekregen hadden en dat de -Oost-Indische Compagnie pas in 1602 was opgericht. Wel opmerkelijk -is het, uit een journaal als dat van Bontekoe weer eens te zien, -hoe wij in 15 jaar ons gezag en onze relaties in de Oost reeds hadden -uitgebreid. En van een leien dakje was dat toch alles behalve gegaan!-- - -Zéér opmerkelijk is het bijv., dat Bontekoe na volbrenging van -zijn rampspoedige, vermaard geworden heenreis te Batavia aankwam, -toen die "stad" nog geen half jaar geleden door Jan Pietersz. Coen -op de puinhoopen van het veroverde Jacatra gesticht was. (Men zie -hierover nader den tekst.) De passage met de ontvangst bij den -Gouverneur-Generaal behoort tot de meest wetenswaardige gedeelten -van het journaal. - - - -Willem IJsbrantsz. Bontekoe, die in het jaar onzes Heeren 1618, den -28sten December voor schipper met het schip genaamd "Nieu-Hoorn" -van Tessel uitvoer, op zijn eerste reis naar Oost-Indië (zooals -uit een plaats van 't journaal zelf blijkt),--was in 1587 te Hoorn -geboren. Zijn naam is een van die kenmerkende "van's" die naar het -uithangteeken of naar den gevelsteen van het huis, waar de familie -woonde, zijn gegeven. Verder weten wij van hem alleen, dat hij twee -broeders had Pieter en Jacob IJsbrantsz. Bontekoe, die beiden ook als -schipper in dienst van de O. I. C. stonden. In 1623 waren alle drie de -broers in Indië aanwezig en het schip van Pieter kwam onze Bontekoe -in de Chineesche wateren toevallig te ontmoeten. Het wederzien wordt -ons uiterst laconiek medegedeeld. - -Het is niet onmogelijk, dat Bontekoe na zijn "avonturelijcke reyse" -nog meer tochten naar de Oost heeft gedaan, doch daarvan is ons niets -bekend geworden. In zijn tijd was hij geen vermaard man, vóórdat eerst -in 1646 zijn journaal door toedoen en op aandringen van den Hoornschen -uitgever Jan Jansz. Deutel het licht zag. Doch mèt dit verschijnen was -zijn populariteit dan ook op slag gevestigd, daar binnen verloop van -één jaar van zijn "Avonturelijcke Reyse" behalve de oorspronkelijke, -dubbele oplaag al drie nadrukken verschenen waren. Uit de opdracht, -die Deutel aan de eerste uitgave liet voorafgaan, valt op te maken dat -Bontekoe bij het verschijnen nog in leven was en te Hoorn, vermoedelijk -in ruste, woonde. Het jaar van zijn overlijden ligt in duister. - -Al was Bontekoe aan den vasten wal geen gewichtig personage, aan boord -van zijn schip was hij de man: de man waarop het aankwam, de bestuurder -op de lange en moeilijke reis. Als gezagvoerder had hij niet alleen de -"navigatie" te regelen, maar ook de tucht te handhaven. En dat ging -in de 17de eeuw gemeenlijk streng toe! - -Echter, juist als het op handhaven van orde en tucht aankwam, schoot -Bontekoe wel eens te kort en had hij het volk niet altijd geheel in -zijn hand. Dit kwam door zijn goedmoedige natuur, die hem er soms -toe bracht meer door overreding zich en zijn wil te doen gelden dan -door streng commando. Hij was aan boord meer geliefd dan geducht, -en dat heeft op zee nu eenmaal zijn bezwaren. Verschillende trekjes -uit het journaal bewijzen deze tekortkoming, die echter de schrijver, -naief als hij is, nergens tracht te verbergen. En toch was hij bij -zijn goedaardigheid iemand van beslisten durf, in gevaar niet alleen, -maar ook als hij zich niet ontziet kordaatweg te handelen zelfs -vlak tegen het gevoelen van den "koopman" in, die toch de eigenlijke -bestuurder was der onderneming en aan boord voor het welslagen der -"zaken" even verantwoordelijk als de schipper voor het behoud van -zijn bodem. Aan zijn goedmoedigheid en dapper zelfvertrouwen heeft -Bontekoe feitelijk dan ook zijn populariteit te danken en zijn -spreekwoordelijkheid. Een "reis van Bontekoe" is geen zaak die door -allerlei misère op een mislukking uitloopt, maar een die ondanks -alle zwarigheden en tegenspoed tot een goed einde wordt gebracht. En -Potgieter, toen hij de "Liedjes van Bontekoe" dichtte, gaf daarin -allesbehalve den gemoedstoestand weer van een sukkelaar en lafbek, -doch veeleer van een man van goedgemutste courage. - - - -Het doel van deze uitgave is, als gezegd, een populair Nederlandsch -werk populair te doen blijven. Daarom heb ik mij nóch in -deze Inleiding, nóch in de Aanteekeningen op wat men noemt -"wetenschappelijk" terrein begeven en ook niet op het terrein -van de "Linschoten-Vereeniging", wier werken--voorbeeldig naar -inhoud en naar vorm!--ten behoeve van een meer beperkten kring -van lezers verschijnen. Het journaal van Bontekoe, hoezeer ook -belangrijk om verschillende berichten die er in voorkomen, en om zijn -nauwgezetheid in het algemeen, is historisch en geografisch niet van -zoo buitengewoon groote beteekenis, dat het voor een onderneming als -de "Linschoten-Vereeniging" (naar wij weten) voor herdruk vooreerst -in aanmerking komt. - -Van geschiedkundig belang is in het Journaal van Bontekoe in de -eerste plaats de passage over den mislukten tocht van de Hollanders -om Macao op de Portugeezen te veroveren (in Juni 1622), en voorts -het relaas van de daarop volgende stelselmatige rooftochten op de -kusten van China, met beschrijving van de hardhandige en laat ons -maar zeggen vaak onmenschelijke middelen door de onzen aangewend, -om in die zeeën den toestand meester te blijven. Als er bij dit -alles een stelregel in toepassing werd gebracht, dan was het die van -Maarten van Rossum, want de absolute noodzaak van al dat branden en -plunderen kunnen wij thans kwalijk inzien. Maar wij weten ook van -elders, dat onze voorouders op zekere dingen nu eenmaal een ruwen -kijk hebben gehad. Te beter kunnen wij het daarom begrijpen, dat de -gekwelde Chineezen op wraak waren gezind en tot verraad hun toevlucht -namen, waarbij de commandeur Christiaan Fransz. met een schipper en -opper-koopman het leven lieten en voor ons een bodem verloren ging, -die, in brand geraakt, met alle man in de lucht vloog. - -Door Bontekoe wordt over al wat er aan de monding der Chincheuw- -of Kanton-rivier in November van 1623 is voorgevallen uitvoerig -en met van zijn kant begrijpelijke verontwaardiging gesproken, en -wat hij over het door hem in de jaren 1622-'25 beleefde verhaalt, -is vooral van gewicht, omdat bij Tiele, in zijn vervolg op De Jonge's -"Opkomst van het Nederl. Gezag in O. I." (2de reeks: Buitenbezittingen) -over deze Chineesche expedities geen berichten of documenten worden -gevonden [2].--Ook tien jaar vroeger was reeds door Cornelis Matelief -de Jonge getracht Macao te vermeesteren en aan de rivier de Chincheuw -(waar tegenwoordig ook Hongkong ligt) vasten voet te krijgen. In -later tijd hadden wij in de stad Kanton zelf een "kantoor"; maar -Macao bleef Portugeesch tot op dezen dag. - -Het laatste stuk van Bontekoe's Journaal ten slotte, handelend over -de thuisreis met het schip Hollandia, behoort niet tot de minst -onderhoudende gedeelten van het boek, dat tevens nog waarde bezit -wegens een aantal er in voorkomende "personalia". Zoo lezen wij over -den levensloop van Frederik Houtman verschillende bijzonderheden en -is van Willem Cornelisz. Schouten, stadgenoot en vriend van Bontekoe, -meermalen sprake. Wij worden aan het slot ingelicht, hoe deze laatste -in de Baai van Antongiel, op Madagascar, in het voorjaar van 1625 -kwam te overlijden, en vernemen den dood van den commandeur Cornelis -Reijersz. (10 April van dat jaar), onder wien Bontekoe aan den tocht -naar China had deelgenomen. - - - -Overeenkomstig het uiteengezette doel van deze uitgave, zijn de -voetnoten onder de bladzijden sober gesteld; niet geleerd of -taalkundig, maar enkel toelichtend. Nochtans mag hierbij niet -uit het oog worden verloren, dat journalen als dat van Bontekoe -ook in filologisch opzicht van de grootste beteekenis zijn: ten -eerste wegens hun woordkeus en verder wegens tal van grammaticale -eigenaardigheden. Uit dit soort volksboeken, evenals uit de -kluchtspelen, leert men de volkstaal der 17de eeuw, d. i. de echte, -levende taal het best kennen. Taalkundigen kunnen een tekst als deze -met veel vrucht tot terrein van onderzoek maken. - -De spelling is naar den eersten druk getrouw gevolgd, waarbij van -het eenig mij bekende exemplaar in de Universiteits-Bibliotheek te -Leiden een recht dankbaar gebruik werd gemaakt. Deze oorspronkelijke -spelling toch is al te kenschetsend om haar op te geven en voor -den lezer is zij eerder aantrekkelijk dan bezwaarlijk. Hier zou de -verminking te minder gerechtvaardigd zijn geweest, daar niet zelden -juist de spelling aanwijzingen geeft, die voor de geschiedenis -onzer taal van belang zijn. Zoo bijv. waar de Westfries Bontekoe -(of liever zijn Westfriesche zetter) met het onderscheiden van "y" -en "ij" een verschil in uitspraak schijnt aan te willen duiden. Door -moderniseering zou de tekst kleurloos en onbruikbaar zijn gemaakt. - -Hier en daar werd een drukfout verbeterd en de interpunctie moest, -terwille van de meerdere duidelijkheid, op vele plaatsen worden -gewijzigd. Behalve een nieuwe alinea af en toe, moest vooral de -punt-komma meermalen worden ingevoerd, om de al te lange zinnen, die -toch één volzin vormen, te breken. Er was geen reden de onbeholpen en -soms stellig verkeerd geplaatste leesteekens van het oude volksboek -over te nemen, zoomin als de door den zetter al even onregelmatig -gestrooide hoofdletters werden behouden; een en ander overeenkomstig -de regels welke voor het herdrukken van oude teksten als deze van -meest bevoegde zijde zijn vastgesteld. 't Kan toch kwalijk nut hebben -een journaal als dit z.g. diplomatisch te gaan afdrukken! Dan zou men -ook de vette en voor velen moeilijk leesbare gothische letter van het -origineel weer moeten gaan toepassen. Daar in dat "Duitsche" type, -zou dan meteen de kapitaal van de zelfstandige naamwoorden zich weer -in zijn element voelen; maar in onzen modernen druk is die alleen -leelijk en storend. - -Het journaal van den tocht door commandeur Dirk Albertsz. Raven in -1639 naar Spitsbergen gedaan, welk journaal door Deutel en latere -uitgevers achter de Reis van Bontekoe geregeld werd afgedrukt, -is hier weggelaten. De inhoud daarvan is zeer zeker de aandacht -waard, doch staat met de lotgevallen van den Hoornschen schipper -in geenerlei verband. De kleinere stukjes, welke hij op de laatste -bladzijden van zijn oplagen deed afdrukken (t. w. samenvattingen van -andere reisverhalen) zijn evenmin opgenomen. Zij dienden, behalve als -bladvulling (juister: "vel-vulling"), enkel om de aandacht van het -publiek op vroeger verschenen uitgaven te vestigen en de leesgierigheid -te prikkelen. Als zoodanig zijn zij alleen als boekaankondigingen -te beschouwen. Het voornaamste en uitvoerigste dezer stukjes is het -"Kort Verhael uyt het journael van de personen die op Spitsbergen -in het overwinteren ghestorven zijn; anno 1634". Dit aangrijpend -journaal verdient niet in extract maar, te zamen met de twee andere -dergelijke verhalen van overwinteringen, in zijn geheel te worden -uitgegeven. Mogelijk in deze serie. Hieraan zou dan het journaal van -Raven zeer geschikt kunnen worden toegevoegd. - -Ik eindig deze inleiding met mijn meest hartelijken dank uit te spreken -aan het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde -en in het bijzonder aan Prof. Dr. G. Kalff en Dr. G. J. Boekenoogen, -leden der Commissie voor Taal- en Letterkunde, voor alle ondervonden -steun en medewerking, waardoor mij het voorbereiden van deze uitgave -zooveel gemakkelijker werd gemaakt. Voor verschillende aanwijzingen -mij verstrekt blijf ik hun hoogst erkentelijk. De herdruk werd op -voorstel en op aanraden van Prof. Dr. J. W. Muller het eerst in -overweging genomen. - -In deze nieuwe uitgave zijn, behalve het portret van Bontekoe, ook -alle de platen, zooals zij in het oorspronkelijke journaal voorkomen, -op werkelijke grootte afgedrukt; terwijl evenzoo het titelblad van het -Leidsche exemplaar, waarvan de tekst aan dezen herdruk ten grondslag -is gelegd, hiertegenover in een even getrouwe weergave is afgebeeld. - -Een beknopt overzicht van de oude uitgaven, welke van Bontekoe's -"Avonturelijcke Reyse" bekend zijn, wordt achter in dit deeltje -gevonden. - - - G. J. H. - - - - - - - - IOVRNAEL - - OFTE - - Gedenckwaerdige beschrijvinghe - vande Oost-Indische Reyse van - Willem Ysbrandz. Bontekoe van Hoorn. - - Begrijpende veel wonderlijcke en gevaerlijcke saecken hem daer in - wedervaren. - - Begonnen den 18. December 1618. en vol-eynt den 16. November 1625. - - - Te Hoorn. Ghedruckt by Isaac Willemsz. - Voor Ian Iansz. Deutel, Boeck-verkooper op 't Oost in Biestkens - Testament / Anno 1646. - - - - - - - -TOE-EYGENINGE. - - -Achtbare, Erentfeste, Wijse, seer Voorsienige Heeren, de Heeren -BEWINT-HEBBERS van de OOST-INDISCHE Compagnie ter Camere van HOORN [3]. - -MYNE HEEREN. - - -Plato heeft (volghens 't ghetuygenisse Ciceronis in sijn Officiis, -Cap. 6.) heel suyverlijck geschreven, dat de mensch niet alleen voor -sich selfs gheboren is, maer dat het Vaderlandt, Ouders en Vrunden -yder een deel rechts tot hem heeft. Welcke spreucke soo klaer door -de Nature bekrachtight wordt, dat yder (soo hij maer gheen monster -of misdracht is) in sich selfs daer van de waerheydt kan bespeuren: -want wie voelt niet in sich een onwederstandelijcke drift en treck tot -sijn Vaderlandt, Ouders en Vrunden, 't welck hem op 't krachtighste -openbaert, als laster, smaet, hoon of lijden over deselfde wordt -uytgestort; soo dat onse geldt, onse goedt, jae, ons eyghen leven -ons soo lief niet en is als de eere en het welvaren van een der -selfder. 't Welck door veel exemplen tot allen tijden klaerlijck heeft -ghebleecken. Want wat sijnder al middelen aenghewent, om de eere des -Vaderlandts te bevorderen en te bewaren, en de geboortplaetse door een -soete gheheugenisse van dappere daden naemkundigh te maecken, tot het -welcke de beschrijvinghe der selver daden gheen kleyne behulpmiddel -is: overmidts alle loffelijcke en gedenckwaerdighe wercken, die door -yemandt worden uytgherecht, souden door de tijdt van geen geloof, -of t' eenemael uyt de gedachtenisse der menschen uytgewischt worden, -soo die door 't beschrijven niet en wierden bewaert en verbreydt. Om -gheen oude en langhvoorledene gheschiedenissen op te halen, wat souden -wy en onse nakomelinghen doch voor ontwijffelijcke waerheydt konnen -weten, hoe wonderlijck dat Godt dese Landen en Steden, jae besondere -inwoonders gheholpen en gereddet heeft uyt de verdruckende handen -haerder vyanden, indien hetselfde niet en was beschreven door de -vlijt van eenighe aenmerckende verstanden.--'t Is dan niet eene van -de minste waerteyckenen van danckbaerheydt en plichtsquijtingh aen -sijn gheboortplaetse, de wonderlijcke ende loffelijcke wercken en -bejegeningen, die sijne medeburgheren ghedaen of ontmoet zijn, door -'t beschrijven sorghvuldigh de nakomelingen nae te laten. Ick dan (die -van jonghs af ben genegen gheweest om op te speuren, te lesen en te -verstaen de gheschiedenissen, die door onse Hoornsche inboorlinghen -waren uytgherecht, of die haer of de hare zijn wedervaren) hebbe -niet konnen naelaten (om oock niet te vervallen inde faute van -ondanckbaerheydt tegens mijn geboortplaets) eenige der selfder (de -memorie waerdigh zijnde) aen te teeckenen, om die de vergetelheydt -als ontroovende, by gelegentheydt in 't licht te geven. - -Onder anderen is mij, die al eenighe jaren daer mede besich -ben gheweest, oock ter handt gekomen de beschrijvinge van dese -gedenckweerdighe Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe, -dewelcke by hem de vergetelheydt al scheen opgeoffert te wesen, maer -ick die doorlesende, bevondtse waerdigh te zijn, dat sy by ons en -onse naekomelingen in eeuwighe gedachtenisse behoorde te blijven. Ick -versocht daerom aen hem die te mogen laten drucken, tot het welcke -hy niet wel gesint was, eensdeels omdat het bynae als vergeten en -door de tijdt oudt gheworden waer, anderdeels omdat hy die niet -met sulcken stijl en hadde beschreven, bequaem, nae sijn meninghe, -om gedruckt te mogen worden. Eyndelijck, nae veel vriendelijcke -versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder goede vrienden, -bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick met eenighe -figuren verciert hebbende, datelijcken onder de parsse bracht. En -dewijle dat men in alle saecken een yder het sijne behoort te gheven, -kond' ik niet anders oordelen, als dat het billick was, dat ick uwe -E. E. dit selfde opdroegh en toe-eygende, door dien dat dese Reyse -meest onder uwe E. E. bewint en opsicht is gheschiedt, waer over -(indien daer uyt eenige geheugenisse tot eere van onse Vaderlijcke -Stadt op de nakomelinghen sal overblijven) voor vast te stellen -is, dat uwe E. E. daer van, naest Godt, een groot deel toebehoort, -zijnde maer als een thiende van 't gene op uwe E. E. acker ghewossen -is. Versoecke daerom eerbiedelijck uwe E. E. ghelieve dese mijne moeyte -en opdracht met een gunstigh oogh te ontmoeten, meer siende met den -coningh Artaxarxes (die van een huysman een dronck waters ontfingh) -op het herte als op de gave. - - - -'t Welck doende, sult my hooghelijck verplichten om altijdt te blijven -dien ick ben - - - Uwe E. E. Dienst-schuldigen - - JAN JANZ. DEUTEL. - -In Hoorn, den 16 Julij 1646. - - - - - - - -VOOR-REDEN AEN DEN LESER. - - -Gunstighe Leser, wy sien door ervarentheydt, dat, gelijck alle -menschen eenderhande kost niet even wel smaeckt, oock alle boecken een -yder niet even aengenaem zijn: d' een heeft vermaeck in dese, en d' -ander in die stoffe te lesen; elck heeft sijn besondere neygingh. En -gelijck de onderscheyde oeffeningh onghelijcke boecken ter wereldt -brenght, soo vinden sy oock altijdt haer ghelijcksinnige lesers. Ghy -dan, die vermaeck schept in 't lesen van gedenckweerdige reysen en -wonderlijcke gheschiedenissen ('t welck onder alle wel een van de -soetste tijdt-kortinghen is) leest dese naevolgende beschrijvinghe -van W. Y. Bontekoe. 'k Vertrouwe, dat ghy uw tijdt niet qualijck sult -besteet achten. 't Is juyst stoffe nae uw' lust. Want hebt ghy u oyt -vermaeckt of verwondert in 't lesen van de reysen van Linschoten, -Heemskerck, Olivier, Spilbergen, Schouten en andere, dese geschiedenis -sal u geen minder vernoeghen geven, overmidts die in sich begrijpt -veel verwonderenswaerdige saecken [4]. 't En zijn geen beuselen noch -droomen Luciani of Pantagorae [5], noch geen fabuleuse verhalinghen van -monsters, vreemde maecksels van menschen, als een-voetige, een-oogighe -en sulcke die sonder hooft de oogen en mondt in de borst hadden, -en anders, waermede onse voor-ouderen (door eenige licht-geloovige -schrijvers) verleydt zijnde tot verwonderinge wierden gebracht -[6]. Noch dese beschrijvinghe is niet van hooren segghen (ghelijck -men seydt), neen, maer komt uyt selfs-ondervindinghe, verhalende wat -wonderen dat Godt aen den autheur self, als oock aen dieghene die by -hem waren, bewesen heeft. Want wie en sal sich niet op het hoochste -verwonderen, wanneer hy leest, hoe dat een mensch (daer het dickwils -soo haest mede ghedaen is) door soo veel ghevaer en teghenspoedt, -jae soodanighe waerin het hopen nae eenighe uytkomste scheen te -zijn als wanhopen, door des Heeren genade is ter behouder plaets -ghebracht. Doch alsoo ick vertrouwe den leser meer lust te hebben nae -het verhael self, als langher van my met reden opghehouden te worden, -wil daerom hiermede afbreecken, alleen dit noch segghende: Dat soo den -leser in de stijl of maniere van segghen yets vindt, dat soo niet en is -als de volmaecktheydt wel soude vereysschen, bidde daerin den autheur -te verschoonen, want sijn oogh-wit in 't beschrijven van dese sijne -reys is meer op waerheydt als op cierelijckheydt van segghen geweest. - - - -Hier mede vaert wel. - - - - - - - - SONNET. - - Op de beschrijvinghe van de ghedenckweerdighe - OOST-INDISCHE REYSE - VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER - WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE. - - - Wanneer men somtijdts hoort verhalen wonder saecken, - Elck luystert met opmerck en 't klinckt ons vreemt in 't oor, - Doch twijffelingh verselt dickwils het goedt gehoor - Door dien des waerheydts glants gespaert werdt veel te vaecken; - Maer hier is d' eygen man, die selfs dit boeck gaet maecken, - En wat hem is gebeurt stelt hy hier klaerlijck voor, - Hoe Godt hem heeft bewaert, hoe hy sijn schip verloor, - Verbrande, vloogh omhoogh, door 't kruydt, met yslijck kraken. - Koopt, siet en leest dit boeck, wat p'rijckel, tegenspoed - Dees schipper op sijn reys soo dickwils is ontmoet, - Eer hy sijn Vaderlandt met lief mochte aenschouwen, - Hoe hy als Elias ghespijst is en gevoedt, - Hoe wonderbaer dat Godt op 't onvoorsienst behoedt, - Sijn goedigheydt bewijst al die op hem betrouwen, - Laet dit u spiegel zijn die d'Oceaen moet bouwen. - - - I. B. BERCKHOUT. [7] - - De waerheydt boven. - - - - - - - - KLINCK-DICHT. - - Op de wonderlijcke Reyse van W. Y. B. - - - Nieusgierigh volck, dat stof soeckt tot verwonderingh, - Waer toe te rugh gesien wat in voorleden jaren - Wtheemschen is gebeurt of vreemts is wedervaren! - Ziet hier hoe Bontekoe beschrijft hoe zonderlingh - Dat Godt hem heeft bewaert en in zijn hoede nam, - Toen 't scheen of 't water haer [8] al t' zamen zoud' vernielen; - Hoe wonderlijck, toen 't schip met meer als hondert zielen - Door 't vuur aen stucken sprongh, hy 't ongeval ontquam. - Hoe dat hy, met de boot, geberght wordt; hoe sy swerven - Alleen op Godts gena en 's levens noodtdruft derven; - Hoe Godts almogentheydt de visschen uyt de zee - Doet springhen in de boot, en vogels in haer handen - Doet vliegen; hoe dat sy by moordenaren landen - En hoe, nae veel gevaer, hy komt op Hoorens-Reê. - - - A. P. - - - - - - - - Op 't Journael van W. Y. BONTEKOE. - - - Hoe sonderlingh de Heer de menschen kan bewaren - In 't uyterste gevaer des levens over al, - Blijckt middagh-klaer aen 't geen dat Bontekoe weervaren - En andren is, soo u dit boeck vertoonen sal. - Komt hier die wonder-vreemd' histoorjen soeckt te lesen; - Leest dit Journael, 't magh wel geplaetst by d' andre wesen. - - - I. F. S. - - - - - - - - Op de beschrijvinghe van W. Y. BONTEKOE. - - - Wat voordeel geeftet aen 't gemeen, - Dat yemandt heeft veel ramps geleen, - Dat hy door allerley ghevaer - Heeft langh gesuckelt hier en daer, - En wonderlijck door Godts bestier - Geredt uyt water, moordt en vyer, - De doodt ontworstelt voor een tydt, - En noch in rust sijn jaren slijt; - Soo niet de pen tot meerder nut, - Noch vande druck-konst onderstut, - Dit aen de Werelt bracht in 't licht; - 't Welck yder met vermaecken sticht, - Waer uyt oock de nakomelingh - Mach weten sulck een wonder-dingh, - En leeren, dat des Heeren handt - Is krachtigh boven 't aerdtsch verstandt. - - - I. W. P. - - - - - - - - VERHAEL - - van de AVONTURELIJKE REYSE van - WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE - van HOORN. - - -In 't Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem -Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper, -met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot -ontrent 550 lasten, met een Oosten-Wint [9]. - -Den 29. dito sijn wy de Hoofden gepasseert. - -Den 30. dito 's avondts Poortlandt ghesien, de wint noch al -Oostelijck. Den 31. dito Pleymuyen ghepasseert [10]. - -Den eersten Januarij 1619 passeerden wy Enghelandts-End, de wint noch -als vooren, stelden onse koers S.W. ten S. in zee. - -Den 2. dito liep de wint S.O., stelden onse koers S.S.W. met stijve -koelte. - -Den 3. dito liep de wint Zuyden met stijve koelte, liepen W.S.W. aen. - -Den 4. dito liep de wint S.W. met een aennemende harde wint, soo dat wy -de marsseylen mosten innemen. 's Nachts begon het soo stijf te waeyen, -dat wy de fock innamen, en liepen al Westwaert over, met een seyl. - -Den 5. dito, 's nachts, kregen wy drie worpen waters in, dat het -bovenste boeve-net bykans half vol waters was; waer door het volck -begon te roepen: "wy sincken, wy sincken, de boegh-poorten sijn op" -[11]. Ick dat hoorende liep metter haest nae vooren in 't galjoen, -ende bevondt dat de boegh-poorten noch toe waren; riep derhalven: "wy -hebben gheen noodt", en sey: "knap-handigh een man nae d'urck [12] en -besiet of er geen water in 't ruym is". 't Welck datelijck gheschiede, -doch bevonden geen water in 't ruym; stelden daerom datelijck ordre om -het water uyt te baliën met leeren emmers. Maer het volck haer kisten, -door 't rumoer van 't water, schobbelden en dreven heen en weder, -dat men qualijck schrab konde komen om te baliën. Waren derhalven -genootsaeckt de kisten met koevoeten in stucken te smijten [13]; -kreghen als doen ruymte om te baliën en raeckten daardoor, met Godts -hulpe, het water quijt. Dreven doen sonder seylen, doch het schip -slingerden soo geweldigh, dat wy genootsaeckt waren het seyl weder -by te setten, om 't slingeren van 't schip wat te stutten. Leydent -al Westwaert over; het weer was heel onstuymigh, met reghen, dat het -scheen dat de lucht ende zee aan malcanderen vast en de gansche zee -brandende was [14]. - -Den 6. 7. en 8. dito wast noch al [15] quaedt weder, vermenght met -reghen; saghen dien dagh een groote menighte mieuwen, daer door ons -vermoeden was, dat wy by het Eylandt Brasil waren, soo der sulcken -Eylandt is; doch saghen het niet [16]. Halsden dien selfden dagh om en -leyden de steven Oost-waert over [17], de wint was ontrent W.S.W. al -met ongestuymigh weder, en alsoo de storm langh geduert hadde en noch -niet op en hiel, soo is eyndelijck door 't geweldigh slingeren van 't -schip en door 't recken van onse groote want (alhoewel wy het tot twee -plaetsen gheswicht hadden) onse groote mast gebroocken, ontrent vijf -vadem boven het boevenet [18]. Door deze breuck of krack vreesden wy, -dat wy de mast gheheel souden verlooren hebben; resolveerden daerom -onse groote stengh door te schieten [19] om, waert mogelijck, de mast -noch staende te houden, terwijl onse reys daer aen gheleghen was, want -indien de mast overboort geraeckt hadde, souden genootsaekt geweest -hebben wederom nae 't vaderlandt te loopen; doch kregen met groote -moeyten en ongelegentheyt de stengh door en lieten het onderste end -vande stengh door 't bovenste boevenet schieten, en woelden de stengh -alsoo tegen de mast aen, waer door hy (tot onser aller blijdtschap) -alsdoe vast stondt [20]. Dese storm duerde tot den 19. dito toe; leyden -'t dan West-waert dan Suyd-waert over, nae dat de wint schevielde [21]. - -Den 20. dito worden het moy stil weder, en terwijle wy in stilte dreven -woelden wy onse mast wel vast, en taliden onse groote want stijf aan -[22], en haelden het groote marsseyl uyt de mars, met de marsse-ree, -en stelden dat inde plaets van ons groot seyl, en setten de bramstengh -op, in plaets van onse groote stengh, en voerden het bramzeyl daer -aen, soo dat wy doen alle dingh weder klaer maeckten om te seylen en -onse reys te vervorderen [23]. Stelden onse koers nae de Canarische -Eylanden, S.S.W. aen; hadden de wint ontrent S.O. met moy weer en -raeckten door de bequaemheydt van 't weer te met weder op onse stel. - -Den 21. dito sagen wy, achter uyt, een zeyl, dat sijn best deed (soo -wy merckten) om by ons te komen; worpen het op de ly en wachten hem -in. By ons komende wast een Oostindisch vaerder, die den 29. December -1618 uyt Zeelandt was gheseylt, daeghs na dat wy uyt Tessel liepen. Sy -waren heel kant [24] en haperde niet; hadden door de storm gheen -schade gheleden. Het schip was genaemt Nieu-Zeelandt, des schippers -naem was Pieter Tijssz. van Amsterdam; hadden doen goed compagnij -aen malkander, wy seylden ten naesten by soo hard als hy, al schoon -'t ons aen de zeylen haperde, als verhaelt. De koers was als vooren. - -Den 23. dito saghen wy noch een zeyl aen stuerboort uyt; liepen daer -nae toe en vernamen dat het het schip Enchuysen was, dat met ons -was uytgeloopen, mede gedestineert om nae Oost-Indien te gaen. De -schipper was ghenaemt Jan Jansz. van Enchuysen. Waren als doe met -ons drie schepen in compagny; voeren malcanderen aen boort te gast, -en vertelden yder sijn wedervaren. Hielden de koers noch al nae -de Canarische Eylanden, die wy in 't gesicht kregen en passeerden; -hadden de wint S. O. met moy weer, voerden onse marsseyls in top, -sochten het eyland St. Anthoni aen te treffen om ververssinge te -bekomen [25], doch konden het niet in 't gesicht krijgen door de -groote mist en reghen; stelden derhalven om de seeckerheydt onse -koers nae het eylandt Ilje de May, of Ilje del Foege toe [26]. Daer -ontrent ghekomen sijnde wierd het stilletjes met variabele winden, -en mosten laveren eer wy daer aen quaemen; raeckten doe van onse twee -mackers af, alsoo sy aen Ilje de May en wy aen Ilje del Foege raeckten, -welcke eylanden niet verre van malkander leggen. - -By het eylandt komende konden geen anckergrondt vinden; liepen dicht -onder 't landt inde calmte. Wy hadden ettelijcke kleyne masten en -spieren uyt Hollandt mede ghenomen; haelden die voor den dagh, voerden -die achter tot de poort uyt, en haeldense in 't schip. Een spier van -14 palm saeghden wy middendoor [27], maeckten daer twee wanghen af, -leyden die (neven noch twee andere wanghen) op onse mast, 't welck onse -mast zoo sterck maeckten als hy te vooren geweest hadde. Ondertusschen -sonden wy onse sloep nae landt om te visschen; dicht onder 't landt -komende quamen de Spanjaerts met geladen musschetten op strand en -schoten nae onse sloep toe, te kennen gevende dat sy ons volck niet -aan landt begheerden te hebben; quamen alsoo met de sloep wederom aen -boort, mede brengende weynigh vis, die sy noch gevanghen hadden. Waren -ondertusschen noch al besich met woelen en wangen van onse mast. De -mast klaer sijnde, setten onse stengh daer weder op, en kregen alle -dingh weder klaer en kant, daer over wy al te samen seer verblijdt -waren, want onse mast stond weder soo fray dat het een lust was. Hy -was bynae soo dick als een pijlaer van een kerck. Raeckten dien avondt -wederom uit de calmte van 't voorschreven eylandt, stelden onse koers -om de Linie Aequinoctiael te passeren. - -'t Gebeurde terwijl wy onder dit eylandt lagen, dat sulcken stof van -'t landt quam, even gelijck oft as van vyer gheweest ware, en stoof -soo dicht aen 't want van 't schip, dat het want soo wit was of het -met witte as bestooven was. 's Anderen daeghs 's morgens, doen de -kock vroo-kost hadde geschaft [28], sagen wy twee seylen in ly achter -uyt, lieten onse marsseylen loopen [29] en hielden daer nae toe. Daer -bykomende warent onse twee mackers, te weten 't schip Nieuw-Zeelandt en -'t schip Nieuw-Enchuysen, die by de eylanden Ilje de May en Ilje del -Foege by nacht van ons gheraeckt waren; waren seer verblijdt, voeren -malkander aen boort, vertelden malcander ons wedervaren. Sy verhaelden -ons, dat sy aen landt hadden gheweest op Ilje de May om te verversen, -doch hadden niet konnen bekomen en hadden twee man verlooren, die -van de Spanjaerts doodt gheslaghen waren, waer van den eene van Hoorn -was, ghenaemt Ysbrant Dirckz. Hadden een S. O. wint; hielden noch al -koers nae de Linie Aequinoctiael. Onder de Linie komende werdt het -stil, hadden somtijdts oock harde travaden [30] met regen en wint, -hadden de wint altemet uyt alle boeghen, soo dat wy drie weecken t' -soeck brachten eer wy de Linie Aequinoctiael konden passeeren. Het -was by nacht altemet of de gantsche zee vyer was, soo pruysten de zee, -en schenen voncken vyers te zijn, die voor van de boegh van 't schip -af stoten, en by daegh hiel het op; waren over dat (meer als gemeen) -vyeren des zees altesamen seer verwondert. Stelden onse koers om boven -de Abriolhos te seylen [31]; hadden een S. O. wint. By de Abriolhos -komende stilde de wint; vreesden derhalven wy daer niet boven souden -mogen [32], doch te met naderende, ruymde de wint handt over handt, -liepen evenwel daer soo dicht by langhs dat wy de uytterste eylanden -sagen; raeckten alsoo (met Godts hulpe) daer boven, waren daer over -altesamen seer verblijdt, want hadden wy 't moeten wenden, soude een -langhe reys gevallen hebben, met perijckel om veel sieck volck te -krijgen. Wy gaven het volck dien dagh dubbelt rantsoen van eten en -aen yder bacx-volck een flap-kanne Spaensche wyn [33]. Setten doe onse -koers nae de eylanden van Tristandeconde [34]. En nae dat wy ettelijcke -dagen geseylt hadden, kregen wy de hooghte van de selfde eylanden, -doch en sagense niet. Kregen een N.W. wint, liepen doe Oostelijck aen -om de Caep de Bonesperanse aen te doen. En nae dat wy een tijdt langh -die koers hadden gehouwen, sagen wy swart ghesprenckelde mieuwen, -vinghender altemet, met houtjes, die wy met een velletje van een -reusel overtogen, met hoecken daer aen, en haeldense in 't schip -tot tijdt-kortinge. - -Het sien van deze voorschreven mieuwen is een teycken dat men de -Caep de Bonesperanse is naeckende, want sy volghden ons tot de Caep -toe. Maer dit is een onfeylbaer teycken om de Caep te sien, of om te -weten dat ghy daer ontrent zijt, te weten: Als ghy met de peylinghe -van 't compas bevindt, dat het compas recht Suyen en Noorden houdt -[35], siet dan uyt nae landt. Wy dit proevende sagen het landt, te -weten de Caep de Bonesperanse, doch waeyden soo stijf uytten Westen, -dat wy met een ghebolde fock liepen [36]; dorsten het landt niet -aendoen. Vergaderden derhalven de scheepsraedt en resolveerden, dat -wy de Caep verby souden seylen, door dien dat wy altemael noch gesont -volck hadden en geen water ghebreck; lietent daerom deur staen en -voort loopen. Dit was in 't laetste van de May, wesende vijf maenden -nae dat wy uyt Hollandt seylden. - -Wy hielden onse koers ontrent by de wal langhs tot het landt van -Terre de Natal toe. Daer verby seylende wast heel moy weer, voeren -malcander aen boort en maekten goet chier. En alsoo het schip Enchuysen -ghedestineert was om nae de kust van Cormandel te gaen, begeerden -ons te verlaten en een ander koers te stellen, om binnen het Eyland -St. Lourentius oft anders ghenaemt Madagascar door te loopen, en -voort nae de Mayottes om aldaer te ververschen [37]; namen afscheydt, -malcander behouden reys wenschende. Wy en het schip Nieu-Zeelandt -stelden onse koers om buyten St. Lourentius om te loopen, en terwijl -wy met het schip Nieu-Zeelandt in compagnie seylden, quamen malcander -altemet aen boord en voerden nacht om nacht het vyer [38], doch kreghen -achter nae differentie om de koers te stellen, konden niet accordeeren, -ja, liep soo verd', dat wy van malcander af scheyden en liepen elck die -koers die hem best docht. Nieu-Zeelandt liep 2 streecken Suydelijcker -als wy; sy hadden op die tijdt al veel sieck volck. - -Nae dat wy een langhe tijdt geseylt hadden sint wy van een scheyden, -hebbende de hooghte van 23 graden besuyen de Linie Aequinoctiael, -kreghen alle dagen veel siecken, uyt welcke oorsaeck de officiers -(uyt last van 't ghemeene volck) inde kejuyt quamen, versoeckende dat -wy nae het Eylandt Madagascar souden loopen om te ververschen: waren -bevreest dat al 't volck noch sieck soude worden, want daer lagender -ontrent 40 inde koy en veel andere van 't volck klaeghden van niet -wel te pas te zijn. Besloten daerom, met de gansche scheeps-raet, -dragent te houden [39] nae het Eylandt Madagascar toe, nae een -Bay genaemt Sancte Losie. By 't landt komende konden geen plaetse -bekennen om 't schip te berghen; setten onse boot uyt en ick ben met -de boot wel gemant na 't landt gevaren; het schip hielt af en aen by -'t landt. Met de boot by 't landt komende storte de zee soo tegen 't -landt, datter geen kans was aen te komen, saghen ettelijcke persoonen -op strant komen, en een van onse maets sprongh overboort en quam by -'t volck op 't landt, maer hy kond' haer niet verstaen; sy wesen met -de handen neerwaert aen, als of sy seggen wilden dat daer wel plaets -was om aen te komen. Sylieden en hadden geen vervarschinge by haer, -dat wy sien konden; mosten derhalven vruchteloos wederom nae boort -toe. Als wy nu sonder vervarschinghe aen boort quamen (hoewel het -ons altesamen heel moeyelijck was) soo waren de siecken daer in -boven maten bedroeft. Resolveerden weder zee te kiezen en liepen om -de Suyd' tot de hooghte van 29 graden, en wendent doe weder over en -liepen Oost ten Suyen aen, tot dat wy ons vonden op 17 graden suyder -breete van de Aequinoctiael. Doe versocht het volck wederom om het -landt aen te doen, om te sien of wy geen ververschingh konden becomen, -'t welck wy goedt vonden, want wy saghen, datter alle dagen noch meer -in vielen van ons volck, en eenige storven. Resolveerden daerom het -Eylandt Mouritius of het Eylandt de Maskarinas aen te doen en stelden -de koers tusschen beyden in, want dese eylanden legghen niet verd -van malcander [40]. Quamen alsoo op 't Oost-eynde van 't Eylandt de -Maskarinas te land, liepen dicht by de hoeck om, by de wal langhs, -vonden 40 vadem diepte dicht aen 't landt; lietent ancker vallen, -doch was een onbequame plaets om 't schip te legghen, door dien het -soo dicht aen 't landt was. Daer leggende quamen de siecken uyt haer -koyen kruypen en wouden gaern aen landt wesen; maer alsoo de zee vry -wat aenliep [41], waren wy schroomachtigh met de siecken aen landt te -varen; stuerden de boot nae landt toe, om te sien hoe of daer ghestelt -was; quamen aen landt en vonden hoop-werck van landt-schiltpadden, -quamen wederom scheep en de siecken stonden al aen, datmen haer aen -landt soude brengen, want sy de lucht in de neus hadden, seggende: -"Waren wy aen landt wy waren half ghesondt". Maer de koopman, Heyn Rol, -wilde het in geenderleye manieren consenteren; gaf voor reden dat het -daer schor was [42], dat wy licht mochten van 't landt afdrijven en van -al ons volk versteecken worden. Doch het volck hielt al aen en baden -my bynae met gevouwen handen, of ick haer aen landt wilde brengen, -soo dat sy my eyndelijck vermurruwden dat ick het consenteerde. Gingh -by de koopman Heyn Rol en vraeghde of hy het wilde toestaen. Gaf voor -antwoordt: "neen, in geender manieren". Doe seyde ick teghen hem: -"soo neem ick het dan over my, ick salse aen landt brenghen". Liep -boven by 't volck en seyde: "kom, t'sa mannen, helpt malcander inde -boot, ick sal u aen landt brengen". Doen holpen de maets de siecken -inde boot; ick liet haer een seyl geven om een tent af te maken, -oock oly en asijn, potten om in te koocken, nevens andere eetbare -waren; oock kox, die de siecken souden waernemen en bekoocken [43], -en voer datelijck met haer nae landt. - -Aan landt wesende kroopen sy by malcander in 't gras en seyden: "wy -voelen alreets beterschap"; en soo wy toesaghen vonden in de boomen -groote menighte van duyven, van die blauwe velt-vliegers; lieten haer -met de handen grijpen en met stockjens en rieten doodt slaen, sonder -dat sy het belul hadden wegh te vlieghen. Sloeghender op dien dagh wel -ontrent de twee hondert; trocken daer mede te vyer, aen 't sieden en -aen 't braden voor de siecken, en oock voor de gesonden. Vonden oock -menighte van landt-schiltpadden; koockten die met pruymen van Damast -[44], die wy uyt Hollandt genoegh hadden mede ghebrocht. Ick voer -eyndelijk weder aen boort, latende de siecken (die ontrent veertigh in -'t ghetal waren) met de kocx aen landt blijven. Scheep komende vonden -goet (alsoo het schip op een quade perijculoose plaets lagh), dat ick -met de ghemande boot 's nachts van boort soude varen, en seylen by de -wal langhs om te besien of wy gheen beter ree (om het schip te leggen) -konden bekomen. 't Welck ick dede en seylde met de boot by 't landt -langhs en vondt een fraye santbay om 't schip in te leggen, ontrent -vijf mijlen vande plaets daer 't schip lagh. Voeren in de bay aen -landt en bevonden dat aldaer een groot binne-water was, doch niet heel -vers en ontstont hier uyt, soo wy oordeelden, om dat het boven drie -schepen-langhte niet van de strand' was, waer door het soute zeewater -door 't sant heen lecte in 't binnewater en maeckte dit alsoo brack. - -Voort op het landt komende vonden menighte van gansen, duyven, grauwe -papegayen en ander ghevoghelte, oock menighte van landt-schiltpadden; -sagender wel 20 a 25 onder de schaduwe van een boom sitten, kondender -soo veel van krijghen als wy begheerden. De gansen waren soo wijs -niet datse opvloghen als wyse naliepen; smetense [45] met stocken -doodt, sonder dat se opvlogen. Daer waren oock eenige dod-eersen, -die kleyne vleugels hadden, maer konden niet vliegen; waren soo vet -dat se qualijck gaen konden, want als sy liepen sleepte haer de neers -langhs de aerde [46]. - -Maer dat meest te verwonderen was, de papegayen en ander gevoghelte, -als wy daer een of hadden en dat wat meulden [47] dat het kreet, -soo quamen alle de anderen, die daer ontrent waren, daer nae toe, -ghelijck of sy haer wilden ontsetten, en lieten haer mede grijpen; -kregen derhalven genoegh van dat goet om te eten. Dit alsoo gesien -hebbende keerden wederom met de boot nae 't schip, dat (als geseydt) -ontrent vijf mijlen daer van daen lagh. Aen boort komende vertelden -hoe wy ghevaren waren, hoe wy daer een goede reed' in een sandt-bay -ghevonden hadden en goede ancker-grondt om 't schip in verseeckertheydt -te legghen. Hier over waren sy altesamen seer verblijdt; voeren met de -boot en bootschapten ons volck, die wy tegen 't schip over aen landt -hadden geset, dat wy met het schip verseylen souden vijf mijlen van -daer, en souden weder by haer komen; die daerin wel tevreden waren. - -Aen boort komende lichten onse ancker op en liepen daer nae toe, en -setten 't [48] in de voornoemde sant-bay op 35 vadem en vertuydent -wel vast [49]; lieten doe al het volck meest aen landt loopen om te -bosscharen wat sy krijgen konden [50]; stelden oock ordre datter acht -mannen met de segen souden gaen visschen in het binne-water (daer van -verhaelt is), om te sien of sy voor 't volck de sood' souden konnen -vangen. Sy togen te werk en vingen schoone visschen, te weten harder -en ander vis, oock mede visschen van de groote gelijck salmen, die -delicaet en vet waren. - -Vonden mede vers water, sijnde een kleyn reviertje, dat vande bergen -quam afloopen nae de strand' toe, welck reviertje aen beye sijden heel -cierlijck met kleyne boompjes bewassen was daer 't water tusschen door -liep soo klaer als een kristal; brachten daerom al onse lege-leggers -[51] aen landt en vuldense uyt dat reviertje, en lietense staen ter -tijdt toe wyse tegen ons vertreck souden scheep halen, of alst ons -goet dochte. - -Hier by dit water vonden wy oock een seecker bort, daer in met -gehouwen of ghesneden letters gheschreven stont, dat de commandeur -Ariaen Maertsz Block daer hadde gheweest met een vloot van derthien -seylen; hadde aldaer ettelijcke sloepen verlooren met eenige van sijn -maets, alsoo de sloepen in 't landen sticken worden gesmeten waer door -eenige maets verdroncken [52]. Die tijdt dat wy daer lagen lieper de -zee noyt soo sterk aen. - -Op dit voorschreven Eylandt de Maskarinas en woont gheen volck. Ons -volck liep meest het geheele eylandt deur en deur, en boschkaerden -overal; geneerden haer al [53] met het gevogelte en visschen. Sy wisten -de vogelen soo fray te braden aen houten speeten en namen het smeer -uyt de schilt-padden en bedroopten in 't braden de voghels daer mede, -waer door sy soo delicaet worden [54] dat het een lust was om daer -van te eten. - -Vonden oock mede een afloopent water, daer groote aalen in waren. Het -volck trocken haer hemden uyt en hielen die soo open in 't afloopent -water, en vinghense alsoo in haer hemden; waren heel lecker van smaeck. - -Hier sagen wy oock een dingh, daer in wy alle verwondert waren, -te weten: hoe dat de zee-schiltpadden 's morgens uytter zee op -strant quamen loopen en schraepten een kuyl in 't sant en leyden hare -eyjeren daer in, in groot getal, wel tot hondert ja twee hondert toe, -en schraepten het sant dan weder over de eyjeren, welcke eyjeren -door de son, als die op de middagh en door den dagh heet scheen, -worden3 uytgebroet, datter jonge schiltpadden uyt quamen. Saghen -se met verwonderingh aen, want sy waren niet grooter als dat haer -schiltjes waren als groote neute-doppen. - -Vonden daer oock eenighe segewaer en palmede-boomen, daer wy dranck -uyt tapten, soo soet en van smaeck als soet-way [55]. - -Sagen daer oock eenighe bocken loopen, maer door haer groote -wildigheydt kostender gheen bekomen, als alleen eene, die soo oudt -was dat sijn hoornen hem van de wormen worden opge-eten. Was onbequaem -om van menschen ge-eten te worden. - -En dewijl wy alle dagen daer dus doende waren, quamen diegene die -wy sieck aen landt hadden geset (als verhaelt is) altemael wederom -by ons, ghesondt en fris zijnde, uytghenomen seven die noch sieck -bleven leggen, die wy noch daer nae (doe wy klaer waren) met de boot -wederom t' scheep haelden. - -Wy teerden het schip van binnen en buyten en setten de poorten altemael -op, datter de lucht in en door soude wayen, en besprenghden het schip -oock tot ettelijcke plaetsen met asijn; alles om een goede gesonde -lucht in 't schip te krijgen. - -Wy hadden tot ons gerijf een sonne-wijser aen landt gheordoneert, daer -aen wy altijdt konden sien hoe laet het op den dagh was. En na dien -wy alle dagen het gevogelte soo nae liepen, waren sy eyndelijck soo -schichtigh en schuw' van ons, dat sy wegh vlogen als wy haer ontrent -quamen; waer door dat het ghebeurde dat onse opper-stierman Jan Piet -van Hoorn met een voghel-roer aen landt gingh, om noch ettelijcke -gansen en andere voghels te schieten. En na veel of eenighe schoten -borst, in 't schieten, de loop uyt de laed van 't roer, dat de -broeck-schroef recht boven sijn oogh in 't hooft sprongh, waer door -hy sijn eene oogh verloor. - -Eyndelijck maeckten wy ons schip weder klaer om te vertrecken. Sloegen -onse zeylen weder aen, haelden onse water t' scheep, stuerden een -trommelslager aen landt, die sloegh ende riep het volck altemael by -malkander; namen ontrent hondert schildt-padden mede in de boot, die sy -scheep brochten. Hadden ons van alles wel versien, van schilt-padden, -gevogelte, gedrooghde vis, die het volck ghevangen en ghedrooght -hadden. Wy in de cajuyt hadden een heel vat vol gansen ingheleydt -met asijn, half gaer ghekoockt wesende; hadden oock mede een goedt -parthy vis ingheleydt, met asijn om goedt te blijven. - -En nae dat wy aldaer 21 dagen gelegen hadden en gereet waren, zijn -wy t' seyl ghegaen; staecken by de windt over, hoopten het eylandt -Mauritius te beseylen, maer quamen te laegh [56], konden het van -beneden moy sien doch niet aen komen. Want al schoon wy aen het -eylandt de Maskarinas soo langh ghelegen hadden, en van alles wat -op het eylandt was ghenoegh bekomen hadden, soo waren evenwel ons -volck noch altemael niet gesont geworden, want daer warender vele, -die noch klaeghden. Dit gaf de officiers oorsaecke, om uyt de naem van -'t volck in de cajuyt te komen en te vraghen, of het niet geraetsaem -was, dat wy noch een ander verversch-plaets souden aendoen, dewijl -het volck noch niet altemael ghesont was en wy noch langh om de Suydt -mosten loopen, aleer wy inde travande winden [57] souden komen, -om alsoo onse reys nae Batavia of Bantem te vervorderen, dat het -ons konde ontschieten en het volck wederom invallen [58]. Waer op wy -nae langhe deliberatie met de scheepsraedt goedt vonden draghent te -houden nae het eylandt Sancte Maria, leggende dicht aen 't landt van -Madagasker, recht voor de groote Bay van Antongiel. Steldender onse -kours nae toe, kreghent in 't gesicht en liepen boven 't West-eynd' -van 't eylandt om, op 6, 7 a 8 vadem waters; mochten de grondt soo -klaer sien als den dagh; liepen aen de binne-kant van 't eylandt en -settent op 12 a 13 vadem goede grondt. De inwoonders van 't landt ons -siende zijn datelijck met een prauwtjen (zijnde een schuytjen uyt een -boom ghehouwen) aen ons boordt ghekomen en brochten eenige appelen, -lemoenen, wat rijs en hoenderen met haer; bewesen ons dat sy sulck -goedt meer aen landt hadden, brachten dit tot een munster. Bewesen ons -oock door kennelijcke tekenen met de mondt, dat sy oock noch koeyen, -schapen, kalveren, hoenderen en ander goet hadden; riepen boe, bee, -koekleloeloe: dat waren koeyen, schapen en hoenderen. Wy sagen dit -volck met verwonderingh aen. Wy gaven haer wijn te drincken uyt een -silveren schael; sy waren soo wijs niet, dat sy daer te degen uyt -konden drincken, maer staken het hooft of aengesicht in de schael en -droncken ghelijck de beesten uyt een emmer drincken; en doen sy de -wijn in 't lijf hadden, tierden sy haer of sy geck waren. - -Dit volck was gantsch naeckt, uytgeseydt dat sy een kleetjen om de -middel hadden voor de schamelheydt; waren geelachtigh-swart van coleur. - -Wy voeren alle dagen aen landt en ruylden kalveren, schapen, rijs en -melck voor bellen, lepels, geel-hechte messen [59] en kralen. - -De melck brochten sy ter merckt in bladeren, die in malkander -gevlochten waren, van fatsoen als buysse-koolen [60]. Aen boort -komende sneden wy de bladen stucken, en soo quam de melck daer uyt -loopen. Ruylden oock appelen en lemoenen, doch weynigh. Resolveerden -derhalven met het schip een mijl 2 a 3 te verseylen; lichten ons -ancker en seylden op een ander plaets. Aen landt komende vonden daer -oock weynigh appelen; hier waren oock water-lemoenen en Spaens speck -[61]. Wy vonden goedt dat ick met de ghemande boot soude overvaren -aen 't landt van Madagaskar, om met wat koopmanschap te besien -of ick aldaer niet een party appelen en lemoenen konde bekomen; -'t welck ick dede en voer over. Quamen voor een revier, die wy wel -een mijl anderhalf oproeyden; souden hem verder opgeroeyt hebben, -maer de boomen, die aen beyde sijden van de revier stonden, hingen -soo nae malkander toe, jae, tegen malkander aen (so nau worden het -vaer-water van de revier op 't laetst), dat wij eyndelijck terugh -mosten keeren. Vernamen gants geen volck, noch vruchten; mosten also -vruchteloos wederom. Sliepen een nacht op 't landt; quamen (na dat wy -drie dagen uyt geweest hadden) weder behouden aen 't schip. Voeren des -anderen daeghs weder aen 't eylandt daer 't schip onder lagh; kregen -doen noch een deel lemoenen, appelen, melck, rijs en banannessen. - -Al ons volck worden in die tijdt dat wy daer lagen weder soo fris en -gesont, of wy eerst uyt Hollandt geseylt waren. Wy namen veeltijdts -als wy aen landt voeren een speelman mede, die op de fioel speelde, -waer in het volck van 't landt haer seer verwonderden, jae waren -daer soo nieu toe, dat sy niet wisten hoe sy 't hadden; ginghen daer -rondom sitten en staen, knipten op de duymen, dansten en sprongen, -en waren verheught en vrolijck. Wy en konden aen haer geen teycken -van kennisse Godts of godsdienst bespeuren, maer hadden aen sommighe -plaetsen buytens huys ossen-hoofden op staken opgerecht, daer voor sy -(soo wy bemercken konden) nedervielen en aenbaden; schenen heel vreemt -te wesen en sonder gevoel van den waren Godt. - -Den 9. dagh dat wy daer gelegen hadden, ons volck als geseyt fris en -gesont wesende, krengden [62] wy ons schip op zijd, soo veel als wy -konden, en maeckten 't onder schoon met verckenen en schrobben, en -gingen t' seyl; liepen om de Zuyd tot op de hooghte van 33 graden, -wenden als doen weder Oost-waert over en stelden onse koers doen -na de Straet van Sunda toe. En ghekomen sijnde op de hooghte van -vijf en een halve graed, sijnde de hooghte van de voorschreven -Straet van Sunda, wesende den 19. dagh van November 1619, soo is -door 't pompen van brandewijn de brandt in de brandewijn ghekomen; -want de botteliers-maet gingh (nae ouder gewoonte) met sijn vaetjen -'s achter-middaeghs in 't ruym en soude dat vol pompen, om alsoo -'s anderdaeghs 's morgens aen de gasten yder een half mutsjen uyt -te deelen [63]. Hy nam een keers mede en stack de steker inde boom -van een vat [64], dat een laegh hooger lagh alst vat daer hy uyt -pompte. Sijn vaetje vol gepompt hebbende soude hy de steker daer de -keers op stond uyt halen, en alsoo hy die wat vast hadde ghesteecken, -haelt hyser met een force uyt. Daer was een dief aende keers [65]; -die vielder doe of, en viel juyst inde spons [lees: spon] van 't -vat daer hy uyt gepompt hadde. Hier door ontfingh de brande-wijn en -vloogh terstondt op, tot het vat uyt; de booms borsten uyt het vat en -de brandende brandewijn liep beneden in 't schip, daer smits-koolen -laghen. Strackx wordender gheroepen: "brandt! brandt!" Ick lagh doen -ter tijdt op 't boevenet en keeck door de traliën [66]. Dat gherucht -hoorende liep datelijck beneden in 't ruym. Daer komende sagh gheen -brandt; vraeghde: "waer is de brandt?" Sy seyden: "Schipper sie daer, -in dat vat". Ick stack mijn arm in 't vat en konde geen brandt voelen. - -De botteliers-maet, daer de brandt deur quam, was van Hoorn, en was -genaemt Keelemeyn. Hy hadde twee kitten met water by hem gehadt; -die had hyder opgegooten, waer door het scheen dat de brandt uyt -was. Doch ick riep om water van boven, 't welck datelijck quam, met -leeren emmers, en goot so langh dat wy geen meer gewach van brandt -sagen. Gingen uyt het ruym; maer omtrent een half uer daernae begonnen -sy weder te roepen: "brandt! brandt!" waer door wy altesamen seer -verbaest [67] waren. Trokken nae 't ruym en saghen dat de brandt van -onderen opwaert sloegh, want de vaten stonden drie en vier hoogh, en -de brandt was door de brandewijn beneden inde smits-koolen gheraeckt; -trocken wederom te werck met leeren-emmers en gooten soo veel water dat -het te verwonderen was. Maer alweder een nieuwe swarigheydt, want door -'t water gieten in de smits-koolen gaf sulcken stinckende-swaveligen -roock op, datmen smooren en sticken wilde in 't ruym van bangigheydt -[68]. Ick was meest in 't ruym om order te stellen en liet altemet -ander volck in 't ruym komen tot ververschingh. Ick vermoede datter al -veel in 't ruym verstickt bleven leggen, die de luycken niet hebben -konnen vinden; ick self was menighmael het soecken schier bijster, -gingh met mijn hooft altemet op de vaten leggen om adem te scheppen, -het aengesicht na 't luyc toekeerende; lieper eyndelijc uyt; gingh -altemet by de coopman Heyn Rol en seyde: "maet, het is best dat wy -het kruyt over boord smijten"; maer de coopman Heyn Rol en konde -hier toe niet resolveeren, gaf voor antwoordt: "smijten wy het kruyt -over boort, wy mochten de brandt uyt krijghen en komen daernae in -'t gevecht teghen onse vyandt, en als wy dan (geen kruyt hebbende) -genomen wierden, hoe souden wy 't verantwoorden?" - -De brant en wilde niet slissen, en niemant konde in 't ruym schier -langer harden door den stinckenden roock (als verhaelt is). Wy hielden -achter nae gaeten inden overloop [69] en gooten gheweldigh met water -daer door, en door de luycken; mochte evenwel niet helpen. Onse groote -boot hadden wy wel drie weecken te voren uytgheset en sleepten hem -achter aen, en de sloep, die voor op 't boevenet stont, was oock -uytgeset, omdat hy ons in de weegh stont om 't water te mannen [70]; -en alsoo daer groote verbaestheydt [71] in 't schip was, ghelijck -men wel dencken mag, (want het vyer en het water was voor ooghen en -geen ontset van yemandt op aerden, door dien wy alleen waren sonder -eenigh landt, schip of schepen te sien) soo liepender veel van 't -volck te met over boort en kropen tersluyp met het hooft onder de -rusten [72], opdat men haer niet sien soude, en lieten haer dan in -'t water vallen en swommen alsoo aen de schuyt en boot, klommender -in en verburgen haer onder de doften en plechten totter tydt toe dat -haer dochte dat sy volckx genoegh in hadden. - -Heyn Rol, de coopman, quam by geval inde geldery [73]; was verwondert -datter soo veel volck inde boot en schuyt was. Het volk riep Heyn -Rol toe en seyden, dat sy wilden ofsteken en soo hy mee wilde soo -mochte hy hem op de val-reep neder laten. Heyn Rol liet hem overreden -en klom by de val-reep neer, en quam alsoo by haer in de boot. Heyn -Rol die seyde: "Mannen laet ons wachten tot dat de schipper komt", -maer hy en hadde daer geen commandement, want toen sy Heyn Rol hadden, -sneden sy de touwen sticken [74] en roeyden alsoo van 't schip of. En -alsoo ick doende was met het volck met order te stellen om de brandt, -waer 't mogelijck, te uytten, quamen andere van 't volck by my -gheloopen en seyden met groote verbaestheydt: "Och lieve schipper, -wat raedt! Wat sullen wy doen? De schuyt en boot zijn van 't schip -en roeyen wegh!" Ick seyde teghen haer: "Is de schuyt en boot wegh, -soo zijnse op sulcken conditie wegh gevaren, datse niet weer sullen -komen." Doe liep ick metter haest nae boven toe en sach dat sy wegh -roeyden. De seylen van 't schip laghen doe ter tijdt op de mast -[75]; het grootzeyl was opghegijt [76]. Ick riep teghen 't volck -knaphandigh: "Hael de seylen om! Wij sullen sien, of wyse konnen -beseylen en stroopense onder de kiel deur [77]. Dat haer dit en dat -hael!" Wy setten de seylen schrap en seylden daer nae toe. By haer -komende roeyden sy ontrent drie schepen-langhte voor 't schip over, -want sy wilden by ons niet wesen, maer roeyden in de windt op, van -'t schip af. Doe seyde ick: "Mannen, wy hebben (naest Godt) onse -hulpe nu by ons, ghelijck ghy siet. Een yegelijck steeck nu sijn -handen uyt de mouw om (soo veel als ghy kondt) de brandt te uytten, -en gaet datelijck nae de kruytkamer en smijt het kruyt overboort, -dat ons de brandt in 't kruyt niet en beloopt." 't Welck gedaen wierde. - -Ick met alle de timmer-luyden stracx overboort met dopgudsen en -navegers [78] om gaten in 't schip te boren, zijnde van voornemen -het water een vadem anderhalf in 't schip te laten loopen, om de -brandt alsoo van onderen te uytten; maer konden niet door 't schip -komen, overmidts datter soo veel yserwerck in de weegh was. Somma, -de benautheydt die in 't schip was kan ick niet wel uytspreecken; -het ghekerm en ghekrijt was boven maten groot. Vielen doen wederom -dapper aen 't water gieten, waer door het leeck dat de brandt -minderde; doch een weynigh tijdts daer nae quam de brandt inde oly; -doen was de moet gants verloren: want hoemen meer water goot, hoe -de brandt scheen grooter te worden, sóó vloogh de brandt op door -de oly. Hier door ontstont sulcken ghehuyl, ghekerm en gekrijt in -'t schip dat een mensche de hayren te berghen stonden; jae, de -bangigheydt en benautheydt was soo groot, dat het klamme sweet de -menschen afliep; waren evenwel noch al besich met water te gieten en -kruyt over boordt te smijten, tot het eynde toe dat de brandt ons in -'t kruyt beliep. Ontrent 60 half vaten kruyt hadden wy overboordt, -doch haddender noch wel ontrent 300 in, daer wy mede opvloghen, -met alle man. Het schip sprongh aen hondert duysent stucken; 119 -persoonen waren wy noch in 't schip doe het sprongh. - -Ick stonde doen 't aengingh by de groote hals boven op 't schip en -ontrent 60 persoonen stonden recht voor de groote mast, die 't water -overnamen [79]; die worden al te samen wegh genomen en aan hutspot -gheslaghen, datmen niet en wist waer een stuck bleef, als oock van -alle de anderen. En ick, Willem Ysbrantsz. Bontekoe, doe ter tijdt -schipper, vloogh mede inde lucht; wiste niet beter of ick most daer -mede sterven. Ick stack mijn handen en armen nae den Hemel en riep: -"Daer vaer ick heen, o Heer! weest my arme sondaer genadigh!" Meende -daermede mijn eynde te hebben; doch hadde evenwel in 't op-vlieghen -mijn volle verstant, en bemerckte een licht in mijn herte dat noch -met eenige vrolijckheydt vermenght was, soo 't scheen, en quam alsoo -wederom neer in 't water, manck de stucken en borden van 't schip, -dat heel aan stucken was [80]. In 't water leggende kreegh ick sulcke -nieuwe couragie gelijck of ick een nieu mensch hadde gheweest. Toe -siende soo lagh de groote mast aen mijn eene zijd' en de focke-mast -aen mijn ander zijd'; ick klom op de groote mast en gingh daer op -leggen en sagh het werck eens over, en seyd': "O Godt! hoe is dit -schoone schip vergaen, gelijck Sodoma en Gomorra." - -Hier dus legghende sagh gheen levendigh mensch, waer dat ick heen sagh; -en terwijl ick hier dus lagh in ghedachten, soo komter een jonghman by -mijn zijd' opborlen en smeet met handen en met voeten, en hy gheraeckte -aende knop vande steven (die weer was comen opdrijven) seggende: -"Ick ben al klaer." Doe keeck ick om en seyde: "O Godt! leefter noch -yemant?" Deze jonghman was genaemt Hermen van Kniphuysen, uyt de Eyder -van daen. Ick sagh by dese jonghman een spiertjen of kleyn-mastjen -drijven, en alsoo de groote mast (daer ick op lagh) vast om en wederom -walterde, dat ick daer niet wel op blijven kon, seyde ick tegen hem: -"schuyft my dat spiertjen toe, ick salder op gaen leggen en halen my -alsoo nae u toe, soo sullen wy by malkander gaen sitten," 't welck -hy dede, en quam alsoo by hem. Dat ick anders niet wel by hem soude -gekomen hebben, quam omdat ick in 't opvliegen soo geslagen was. Mijn -rugh was heel beschadicht, hadde oock twee gaten in 't hooft; want het -quam soo aen, dat ick dochte: "o Heer! noch een beetje, soo ben ick -doodt." Ja het scheen, dat my hooren en sien vergingh. Wy saten hier -by malkander, elck een inneckhout vande boegh in den arm hebbende -[81]. Ginghen staen en keken uyt na de schuyt en boot; wordense -eyndelijck gewaer, doch waren soo verd' henen dat wy qualijck sien -konden of de voor-steven of de achter-steven na ons toe lach. De -son was aen 't water om onder te gaen. Seyden doen tegen mijn maet: -"Harmen, het schijnt dat onse hoop hier verloren is, want het is laet, -de son gaet onder, de schuyt en boot zijn soo verd', datmen haer -qualijck sien kan; het schip is stucken, en wy moghen 't hier (op -'t wrack) niet langh harden; daerom laet ons God almachtich bidden -om een goede uytkomst." Wy deden soo en baden Godt seer ernstelijck -aen om een goede uytkomste; het welcke wy kregen, want als wy weder -opsagen, so was de schuyt met de boot dicht by ons, om het welcke wy -seer verblijt waren. Ick riep datelijck: "Bergh de schipper! bergh -de schipper!" Sy dat hoorende waren seer verblijt en riepen: "De -schipper leeft noch, de schipper leeft noch!" en roeyden daerop -dichte by 't wrack en bleven daer soo leggen met schuyt en boot; -dorsten niet by ons komen, vermits zy vreesden, dat een stuck van -'t wrack door de schuyt of boot soude stooten. - -De jonghman Harmen van Kniphuysen was noch soo moedich, dat hy hem van -'t wrack af begaf en swom aende boot. Hy hadde weynigh letsel gekregen -van 't opvliegen, maer ick riep: "Wilt ghy my hebben, soo moet ghy my -halen, want ick ben soo geslagen, dat ick niet swemmen kan". Doen -sprongh de trompetter uyt de boot overboort met een loodlijn, -(die sy noch hadden) en brocht my het end'. Ick maeckte die om mijn -middel vast en sy haelden my nae de boot toe, en quam alsoo (de Heer -sy gelooft!) inde boot. Inde boot wesende quam achter by Heyn Rol, -Willem van Galen en de onderstierman, genaemt Meyndert Krijnsz. van -Hoorn, die seer verwondert waren dat ick noch in 't leven was. Ick -hadde inde boot achter een roefjen laten maken, daer wel een paer -man in mocht, dwars over de boot; daer kroop ick in en dochte: ick -mocht wat overleggen; want ick giste niet langh te sullen leven, -door de slagh aen mijn rugh en de twee gaeten in mijn hooft; doch -seyde evenwel tegen Heyn Rol en de anderen: "Blijft te nacht by -'t wrack; wy sullen morgen alst dagh is wel eenige fictualie bergen, -en mogelijck noch wel een compas vinden om het landt te vinden." Want -daer was in de schuyt en boot noch compas, noch kaert, noch boogh, -noch geen of weynigh eten en gheen drincken; met sulcken haestigheyt -waren sy van 't schip ghevaren. Seyden oock, dat de opper-stierman, -Jan Piet van Hoorn, de compassen uyt het nachthuys hadde genomen; -'t scheen dat hy al vrees hadde, datse het schip souden verlaten, -'t welck evenwel noch geschiede. - -Nu terwijl ick alhier in dat gat of roefje lagh, soo liet de coopman -het volck de riemen uytleggen en stelde het volck aen 't roeyen, -gelijck of hy alst dagh was landt meende te hebben. Maer alst dagh -worde, waren wy van 't wrack versteken, en ooc mede van 't lant. Waren -heel mismoedigh; quamen en keken in 't gat, daer ick lagh, of ick -noch leefde, en siende dat ick noch leefde spraken: "Och lieve -schipper! Wat sullen wy doen? Wy sijn van 't wrack versteken en wy -sien geen landt; hebben eten noch drincken, noch boogh, noch kaert, -noch compas! Wat raedt gaet ons aen?" Daer op ick seyde: "Mannen, -men moste my ghehoort hebben als ick gister avondt seyde: dat ghy te -nacht by 't wrack sout blijven, dat wy wel fictualie souden krijgen, -want het vlees en speck en kaes dreef my om de beenen, dat ick er -qualijck door konde komen." Sy seyden: "Lieve schipper, komt daer -uyt." Ick sey: "Ick ben soo lam, dat ick my qualijck kan reppen; -wilt ghy my hier uyt hebben, soo moet ghy my helpen." Doe quamen sy -en holpen my daer uyt, en ick gingh sitten, keeck het volck over, -en sy roeyden. Ick vraeghde datelijck: "Mannen, wat eten hebt ghy in -de boot?" en sy brochten omtrent 7 a 8 pont broodt uyt, met alle man; -wy hadden twee lege vaetjes, daer leyden wy dat broot in. Ick seyde -vorder: "Mannen, legh de riemen in, het moet anders komen, want ghy -sult loof [82] worden, en wy hebben geen eten te geven. Legh in de -riemen." Doen seyden sy: "Wat sullen wy dan doen?" Maer seyd ick: -"Treckt uwe hemden uyt en maeckt daer seylen van." Sy seyden: "Wy -hebben geen seyl-garen." Ick seyde: "Neemt de willen van de boot [83] -en pluyst die aen werck en draeyt daer seyl-garen af; van de rest -leght plattingh tot schooten en geerden [84]." Daer op trock een yder -sijn hemt uyt, en flanstese aen malkander tot seylen, 't selfde deden -sy inde schuyt mede. Telden als doen ons volck en bevonden inde boot -46 en inde schuyt 26 persoonen; maeckt 72 persoonen in 't geheel. - -Daer was een blauwe bolckvanger [85] met een kussen inde boot; -die worde my gegeven. De bolckvanger trock ick aen en het kussen -sette ick op mijn hooft, door dien ick (als verhaelt) twee gaten -in 't hooft hadde. De barbier [86] hadden wy wel mede inde boot, -maer hy en hadde geen medicamenten; doch kaude evenwel wat broodt en -leyd' de kauwen also op de wonden; waer mede ick (door Godts genade) -genesen worde. Ick presenteerde mijn hemt mede uyt te trecken, maer sy -wildent niet hebben; droegen noch sorge voor my, om my in 't leven te -houden. Wy lietent de geheelen dagh voortdrijven; waren ondertusschen -besich met de seylen te maecken. 's Avondts warense klaer, settender -die by, en trocken aen 't seylen. Dit was den 20. dagh van November -1619. Begonnen koers te stellen aende sterren, want wy wisten goelijck -waer de sterren behoorden op ende onder te gaen; stelden 's nachts -alsoo onse koers. - -Het was by nacht soo kout, dat het volck klaptanden, en by daegh -soo heet, datmen vergaen wou van hetten; want de son was meest boven -'t hooft. - -Den 21, 22 en 23 dito practiseerden wy een graed-boogh, om hooghte -te nemen; sloegen een quadrant op de plecht en teeckenden een stock -met een cruys daer uyt. Wy hadden de kistemaecker Teunis Sybrantsz -van Hoorn in; die hadde een passer. Hy hadde oock ten deele eenighe -wetenschap om een stock te teyckenen, soo dat wy met malcander alsoo -een graed-boogh maeckten en formeerden, daer wy mede schooten [87]. Ick -sneed oock een paskaert achter op 't boort, en leyd' het eylandt van -Sumatra daer in, met het eylandt van Java, met de straet van Sunda, -die tusschen beyde eylanden in loopt. En die selfde dagh dat wy -'t schip verlooren, des middaeghs, hadde ick noch hooghte ghenomen -aen de son, en bevond' vijf en een halve graed Suyder-breete vande -Equinoctiael, en het besteck inde kaert stont omtrent 90 mijlen van -landt. Ick sneet ook een compas daer in; paste doe alle dagen met de -passer by gissingh of, en stelde de koers 70 mijlen besijen of boven -'t gat, om, als wy landt kreghen, te beter te weten wat heen dat wy -mosten. Seylden alsoo op het schieten met onse boogh en het passen aen. - -Ick gaf van de 7 a 8 pont broodt elck alle dagen sijn rantsoen, -soo langh alst dueren mocht; doch was wel haest op. Elck kreegh des -daeghs ontrent een stuckjen soo groot als een lit van een vinger. Wy -hadden geen drincken; daerom alst reghende, namen wy onse seylen -neer en schoorense [88] dwars over de boot heen, en vinghen het -water alsoo op 't seyl en gaerden dat in onse twee vaetjes; en als -die vol waren setten die uyt de weegh, tot alst een droge dagh was -dat het niet en regende. Ick sneed een neusje van een schoen en een -yder quam by 't vaetje en schepten het neusje vol en dronckent uyt, -en gingh weder aen sijn plaets, daer hy gheseten had. En alhoewel wy -in sulcke benautheydt waren, seydent volck: "Schipper, neemt ghy soo -veel als u lust, want het mach ons doch allegaer niet helpen." Doen ick -haer beleeftheydt sagh, wilde niet meer hebben als sy. Aldus seylende -met schuyt en boot, en dewijl de boot harder seylde als de schuyt, -en datter niemandt inde schuyt was die hem op navegatie verstondt, -soo baden dieghene die inde schuyt waren (als sy dicht by ons quamen) -of sy by ons inde boot mochten over komen en seyden: "Lieve schipper -neemt ons doch over, opdat wy by malcander moghen wesen"; vreesden -van ons af te dwalen. Maer het volck inde boot die waren daer teghen -en seyden: "Schipper, nemen wy haer over, soo sijn wy altemael om den -hals, want de boot kan al het volck niet voeren". Mosten derhalven -dan wederom vande boot afhouwen. - -De ellende was onder ons groot; wy hadden geen meer broodt en konden -gheen landt sien. Ick maekten het volck altijdt wijs, dat wy dicht aen -landt waren, datse goede moet souden houwen; maer sy murmereerden onder -malcander daer al teghen en seyden tegen malcander: "De schipper mach -seggen dat wy nae landt toe seylen, maer wy seylen moghelijck van landt -af." Op een dagh (alsoo het leeck dat wy 't niet langer konden harden -sonder eten) gaf Godt almachtigh datter mieuwen over de boot quamen -vlieghen, ghelijck oftse gevangen wilden wesen, want sy vlogen ons -bynae inde handen en lieten haer grijpen. Wy pluckten haer de veeren -af en snedense aen stickjes; gaven elck wat; atense soo rau op, en -het smaeckten my soo wel als ick mijn leven kost ghe-eten heb; jae, -smaeckte soo soet of ick honigh in mijn mondt en keel stack. Hadden -wy maer wat meer ghehadt; was pas of ter nauwer noodt soo veel dat -wy konden leven, en meer niet. - -En dewijl het landt hem noch niet op dee, soo wierden wy soo dwee -gemaeckt, dat het volck resolveerden (doen die vande schuyt ons weder -baden datse mochten overkomen) haer over te nemen; want daer en quam -geen uytkomste met het landt; vreesden dat wy van dorst en van honger -souden moeten sterven, en als wy mosten sterven, soo resolveerden wy -noch liever met en by malcander te sterven. Namen daerop het volck -uyt de schuyt over inde boot en namen al de riemen uyt de schuyt met -de seylen, die setten wy mede op de boot. Hadden doen op de boot een -blind, fock, groot-zeyl en besaen [89]. Wy hadden doe oock ontrent 30 -riemen, die leyden wy over de doften heen, als een overloop. De boot -was soo hol, dat het volck onder de riemen op haer neers moy mochten -sitten; setten alsoo de eene helft van 't volck onder de riemen -en de ander helft boven de riemen; mochten hiermede het volk moy -bergen. Waren doe met ons 72 personen inde boot; saghen malcanderen -met bedroefde ooghen aen, hebbende noch eten noch drincken. Daer en -was gheen meer broodt, noch de mieuwen quamen niet meer, en het wilde -niet regenen. - -Doen 't nu weder op het ongesienste was om 't leven te houden, -soo quamen (door des Heeren barmhertigheydt) oversiens uytter zee -op-barsten een perthy vliegende visschen, zijnde soo groot als een -groote spieringh, in maniere als een school musschen, en vlogen in -de boot. Daer wast doe aen 't grabbelen! Elck dee sijn best om wat -te krijghen. Wy deylden die om en aten die rau op, en smaeckten als -honigh; doch het mocht al weynigh helpen. Evenwel sterckte het min of -meer, en dee sooveel (met Godt) datter niemandt en sturf, 't welck -te verwonderen was, want het volck begon al sout water te drincken, -teghen mijn waerschuwingh aen. Ick seyde tegen haer: "Mannen, en -drinckt geen sout water, want het en sal u geen dorst verslaen; ghy -sult de loop daer van krijghen en daer af sterven". Andere kauden -bosse-klooten [90] en musquets-koegels; andere droncken haer eygen -water. Ick dronck mijn eyghen water soo langh alst goedt was; want -het worde achter nae onbequaem om gedroncken te worden. - -De benauwtheydt wierde hoe langher hoe swaerder en grooter, en het -volck begon soo wanhoopigh, mistroostigh en wreedt op malcanderen te -sien, dat het leeck datse malcander bykans souden aenghetast hebben -om te eten; jae, spraecken daer van onder malcander, en vonden goedt -de jongens eerst op te eten; die op zijnde, wilden sy daer om werpen, -wie men dan aentasten soud; waer over ick in mijn geest seer ontroert -wierde en uyt grooter benauwtheydt badt ick Godt almachtigh, dat -het sijn Vaderlijcke ontfermhertigheydt daer toe doch niet soude -laten komen, en ons niet versoecken boven 't vermoghen, wetende -wat maecksel dat wy waren. Ick kan niet wel seggen hoe bang dat my -was om dese voorslagh, te meer omdat icker (soo my docht) wel eenige -sach die 't begonnen souden hebben om de jonghens te dooden; doch ick -versprack haer [91] (met Godts hulpe) en bad voor de jongens en seyde: -"Mannen, laet ons dat niet doen. Godt sal wel een uytkomst geven, -want wy konnen niet ver van landt zijn, uytwijsende ons daghelijcx -afpassen en schieten." Sy gaven voor antwoordt: "Dat hebt ghy al -langh geseyt en wy krijgen geen landt; jae, seylen mogelijck van -'t landt af"; wesende geheel t' onvreden. Sy stelden my doe de tijdt -van drie dagen, om, indien wy in dien tijdt gheen landt beseylden, -de jongens te eten. Voorwaer een desperaet voornemen! Badt daerover -met een vyerighen ernst aen Godt, dat hy sijn genadighe ooghen op -ons soude nederslaen en gheleyden ons binnen die tijdt te lande, -opdat wy gheen grouwelen souden bedrijven voor sijn ooghen. - -Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy 't niet wel -langher harden konden. Wy dochten dickwils: waren wy aen landt dat wy -maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende het volck met soo -veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde bybrenghen. Seyde -dat sy doch goedts moedts souden wesen; dat de Heer het versien soude; -doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten en behoefde self -wel ghetroost te worden. Sprak menigh woordt boven 't hert. Verdroegen -en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe en mat wierden, dat wy -qualijck de macht hadden op te staen. Heyn Rol, de coopman, was soo -verd', daer hy sat daer sat hy; konde niet verder komen. Ick was -noch soo moedigh, dat ick van achteren tot voor inde boot konde -komen. Swarlden alsoo op Godts ghenade tot den 2. December 1619, -zijnde de 13. dagh dat wy het schip verloren; doen wast een grauwe -lucht met regen en stiltjes; maeckten de seylen los, schoren die dwars -over de boot en kropen al te samen onder de seylen, en gaerden onse -vaetjes vol water. Het volck hadden weynigh kleeren, door dien sy soo -haestigh waren vertrocken, en hare hemden waren tot seylen ghemaeckt, -als voor verhaelt is; hadden de meestendeel geen meer als een linnen -broeckjen aen, waren met de bovenlijven naeckt. Kropen alsoo (om de -warmte te scheppen) onder de seylen by malcander, en ick stont op -die tijdt aen 't roer en mijn gissingh was dicht by landt. Hoopte dat -het op soude klaeren, terwijl ick aen 't roer stondt, maer bleef even -mistigh sonder dat het op wilde klaren. Ick wierde door de doockighe -[92] lucht en regen soo kout, dat ick 't niet langher aen 't roer -konde harden, riep daerom een vande quartier-meesters en seyde: -"Komt en verlost my eens van 't roer, want ick macht niet langer -harden." Doe quam de quartier-meester en verloste my; ick kroop mede -manck het volck om de warmte weder te krijghen. - -De quartier-meester hadde gheen uur aen 't roer ghestaen, of het -begon al op te klaeren, en hy siet toe en siet terstondt landt. Hy -riep met groot verheugen: "Mannen komt uyt, het landt leydt dicht -voor ons! Landt! Landt!" Hadt ghy ghesien hoe dra wy onder het seyl -van daen waren en voor den dagh quamen. Settender de seylen weder -by en seylden nae 't landt toe; quamen dien selfden dagh noch aen -landt. De Heer almachtigh zy gelooft en gepresen, die onse bidden -en smeken heeft verhoort; want wy deden des morgens en 's avondts -het gebedt, met vyerigen aendacht tot Godt en songhen oock een psalm -voor en nae het ghebedt, want wy hadden noch eenighe psalm-boeckjes -by ons. De meeste tijdt was ick hierin voor-leser, doch daer nae, doe -de voor-leser uyt de schuyt in ons boot quam, deed hy 't selver [93]. - -Nu by 't landt komende, liep de zee soo aen het landt, dat wy niet -landen dorsten; doch vonden aende binnekant van 't eylandt (want het -een eylandt was) een inwijckjen; daer lieten wy de dregh [94] t' -zee vallen, en hadden noch een dreghjen, dat setten wy aen landt, -soo dat de boot vertuyt lagh [95], en spronghen (soo goedt als wy -konden) met alle man aen landt en trocken elck sijns weeghs aen 't -boschkaren2. Maer soo drae ick op 't landt quam, viel ick op mijn -knien en kuste de aerde van blijdtschap en danckte Godt voor sijn -genade en barmhertigheydt, dat hy ons niet en hadde versocht, of had -tot noch toe een uytkomst inde saeck gegeven; want dese dagh was de -laetste, nae welcke het volck gheresolveert waren de jonghens aen te -tasten en op te eten. Hier bleeckt dat de Heere de beste Stierman was, -die ons gheleyde en stierde dat wy het landt kreghen, als verhaelt is. - -Wy vonden op dit eylandt veel kokus-noten, maer konden (wat wy sochten) -geen versch water bekomen; doch geneerden ons met het sap uyt de -jonghe kokus-noten, dat een goede dranck was. En van de oude noten -(die 't pit hardt was) aten wy; maer wat te veel en onvoorsichtigh, -want wy wierden dien selfden nacht al te samen heel sieck, met -sulcke ellendighe pijn ende snyingh in 't lijf en inde buyck, dat -het scheen of wy barsten mosten. Kropen by malcander in 't sant, elck -klaeghde meer als d' aer; en achternae begon het purgatie te baren, -daer door wy datelijck verlichtingh gevoelden; waren 's anderendaeghs -weder fris en liepen dit eylandt bykans rondtom. Wy vonden daer geen -volck, maer saghen wel tekens datter volck op geweest hadde. Hier was -anders niet op om te eten als kokus-noten. Ons volck seyden tegen my -dat sy aldaer een slangh ghesien hadden, die wel een vaem dick was, -maer ick heb hem self niet ghesien. - -Dit eylandt leydt ontrent 14 a 15 mijl van 't landt van Sumatra. Wy -haelden sooveel kokus-noten in de boot als wy konden voeren, -tot victualie: de oude kokussen om te eten en de jonghe om uyt te -drincken. Staken 's avondts wederom van 't eylandt af nae het landt -van Sumatra; kregen het 's anderendaeghs in 't ghesicht. Quamen daer -by, liepen by 't landt langhs met een voor de windt, Oostelijck aen -of om de Oost, soo langh tot dat de noten weder op waren. Doen wilden -'t volck weder aen landt; seylden dicht by de barningen van 't landt -langhs [96], maer vonden geen gelegenheyt om te landen, door dien -dat de zee soo geweldigh aenliep. - -Doe resolveerden wy dat er 4 a 5 mannen overboort souden springen en -sien of sy door de barningh aan 't landt konden swemmen, en loopen -dan by de strandt langhs, om te sien of sy nerghens eenige openingh -konden sien, om met de boot in te komen. 't Welk geschieden. Sprongen -overboort, raeckten door de barningh aen landt en liepen by 't strandt -langhs, en wy seylden oock met de boot al by de wal henen. - -Ten lesten vonden sy een revier. Doen trocken sy haer broecken uyt, -en wuyfden dat wy daer nae toe souden komen. Wy dat siende seylden -datelijck daer nae toe. Daer by komende lagh daer een banck recht -voor de mondt van de revier, daer de zee soo geweldigh op storte, dat -ick seyde: "Mannen, ick steeck hier niet in, of ghy moet het altemael -consenteren, want raeckt de boot om, dat ghy 't my dan niet hebt te -wijten." En vraeghden by de ry om, wat elck daer toe seyde. Gaven -voor antwoort: jae, en dat sy 't wel wilden avonturen. Doen seyd' -ick: "Ick avontuer mijn lijf by 't uwe". Ick stelde datelijck ordre, -datse achter aen beyde zijden een riem souden uytvoeren en aen yder -riem twee man. Ick stondt aen 't roer, om de boot alsoo recht voor -zee te houden. Doe staecken wy alsoo met de boot in de barningh. De -eerste zee, dieder quam, bonsde de boot wel half vol water. Ick riep: -"Mannen, hoos uyt! hoos uyt!" En sy hoosden uyt, met hoeden, met -schoenen en met de lege vaetjes, die wy in de boot hadden; en kreghen -het water meest uyt. Doe quam de tweede zee; die worp de boot bykans -tot de doften toe vol water, waer door de boot soo mal lagh, of hy -sincken wilde. En ick riep al: "Mannen, hou recht, hou recht! hoos -uyt, hoos uyt! of wy zijn altemael lijveloos!"--Wy hieldent noch -recht voor zee en hoosden 't water uyt, soo veel wy konden. - -Doe quam de derde zee en die storte te kort, soo dat wy daar -weynigh water van inkreghen; en doe wast datelijck slecht water -[97]. Raecktender alsoo met Godes hulp door. Wy proefden het water en -was datelijck versch, waer over wy al te samen seer verblijdt waren -en leyden de boot aen de rechterhandt vande revier aen de wal. - -Op 't landt komende was het met langh gras bewossen; toe siende, -soo laghender boonen in 't gras, ghelijck oft Eydersche boontjes -waren. Doe met alle man aen 't soecken en eten; ick self dede mede -mijn best, dachte: ick sal mijn part mede sien te krijgen, en ons -volck liepen een weynigh nae de hoek toe. Vonden daer vyer met eenighe -toeback legghen, waer door wy heel verblijdt waren. Het scheen datter -volck van 't landt hadden gheweest, die daer vyer aen geleydt hadden, -en toeback ghedroncken hebbende eenige toeback vergeten hadden, of -met wil legghen laten [98]. Wy hadden in de boot twee bijlen, daer -hackten wy boomen mede om en tacken mede af, en leyden wel tot 5 a -6 plaetsen vyer aen. Daer gingen ons volck by thienen en twaelven -om staen en sitten, en droncken toeback. Doen 't avondt was, leyden -wy lustighe vyeren aen en stelden tot drie plaetsen wachten uyt, -uyt vreese vande inwoonders van 't landt, want het was donckere maen. - -Nu dien selfden nacht wierden wy soo sieck vande boonen, die wy -ge-eten hadden, dattet was of wy barsten souden van pijn ende snyingh -inde buyck (gelijck wy te voren vande kokus-noten ghevaren waren.) En -terwijle dat elck vast klaeghde, soo quamen de inwoonders van 't landt, -en meenden ons daer al te samen doodt te slaen; ghelijck ghy hier nae -noch hooren sult. Onse uytgestelde wachten wordense juyst wijs [99]; -sy quamen nae ons toe ende seyden: "Mannen, wat sullen wy doen? Daer -komen sy aen!" Wy hadden geen geweer als twee bijlen met noch een -roestighe deeghen, en waren daer toe noch sieck (als verhaelt) vande -boonen. Resolveerden evenwel dat wy ons soo niet wilden laten doodt -smijten; namen derhalven ghebrande houten inde handt en trocken teghen -haer aen in het doncker; de voncken vyers vloghen over 't landt, 't -welck by het duyster een vreeslijck aensien gaf. Oock wisten sy niet -of wy gheweer by ons hadden of niet. Sy namen de vlucht van ons af, -achter 't bosch, en wy keerden weder te rugh nae onse vyeren; bleven -alsoo die gantsche nacht in sorge en vreese by 't vyer sitten en staen; -maer ick en de koopman Heyn Rol liepen in de boot, vertrouwden ons -niet op 't landt. - -'s Morgens doen het dagh was en de son opquam of was, quamen drie -vande inwoonders uyt 't bosch loopen op strand. Wy stuerden drie van -onse maets nae haer toe, die wat Maleys konden, want sy hadden voor -die tijdt al in Oost-Indien geweest, soo dat sy de spraeck ten deele -gheleert hadden. Die by haer komende, vraeghden die drie inwoonders -haer wat volck dat wy waren; seyden: "Wy zijn Hollanders en hebben -door ongheluck van brandt ons schip verloren, en zijn hier gekomen -om eenige ververschinghe te ruylen, soo ghy 't hebt." Sy antwoorden, -dat sy hoenderen en rijs hadden, daer wy heel graegh nae waren. Doe -quamen sy alsoo by ons ontrent de boot en vraeghden of wy oock gheweer -hadden. Wy gaven tot antwoordt: "jae, geweers genoegh, musschetten, -kruyt en koegels". Ick hadde de seylen over de boot laten halen, soo -datse inde boot niet kosten sien, watter in was. Doe brochten sy ons -rijs, die ghekoockt was, met ettelijcke hoenderen. Wy examineerden -ons onder malcanderen [100], wat gelt dat wy by ons hadden, en -brochtent by malkander. D' eene bracht 5, d' ander 6, dese 12, d' -eene min, d' ander meer rejaelen van achten te voorschijn [101], soo -dat wy in 't geheel ontrent 80 rejaelen van achten by een brochten, -van welck gheldt wy die hoenderen en rijs, die sy ghebrocht hadden, -betaelden. Die hebbende seyde ick tegen ons volck: "Nu mannen, set -jou nu by malcander, en laet ons nu de buyck voor eerst vol eten en -sien hoe 't dan is." 't Welck wy deden. De maeltijdt gedaen zijnde, -maeckten wy overlegh wat ons nu te doen stondt, om ons beter te -versien van 't gheen ons noodigh was. En alsoo wy niet wel verkent -waren, vraeghden haer, hoe dat landt hiete, maer konden 't niet wel -verstaen; doch konden anders niet verstaen of noemden Sumatra. Sy -wesen met de handen neerwaert aen, dat Java daer lagh, en noemden -Jan Coen, dat die onse Overste aldaer op Java was; 't welck waer -was, want Jan Pietersz. Coen van Hoorn was doen ter tijdt Generael, -soo dat wy doen ten deele verkent worden en vast ginghen [102], dat -wy boven windt van Java waren; want wy hadden geen compas, waren -altijdt twijffelmoedigh geweest, of onse dinghen al vast gingen; -stelden ons in die saeck doe vry wat gheruster. - -Maer alsoo wy meer victualie van doen hadden, om onse reys te -vervorderen, soo resolveerden wy, dat ick met vier vande maets met een -prauwtjen de revier op soude varen naer het dorp, dat een stuck weeghs -op lagh, met het gheldt dat wy doen noch hadden, om aldaer victualie -te koopen, sooveel wy krijghen konden. 't Welck ick dede en voeren op. - -In 't dorp komende kochten wy rijs ende hoenderen en stuerden 't -nae de boot by Heyn Rol, de koopman, ordre stellende dat elck sijn -part soude krijghen, op datse niet kijven souden, en ick met de vier -maets lieten in 't dorp 2 a 3 hoenderen koocken met wat rijs; ginghen -by malkander sitten en aten soo veel als ons luste. Daer was oock -dranck, die sy uyt boomen tappen [103], die soo sterck was datmen -daer wel droncken af konde worden. Droncken daer van mede eens om, -met malkander, doen wy ghe-eten hadden. Terwijl wy aten, saten de -inwoonders van 't dorp rondtom ons en keecken ons aen, als of sy ons -de beten uyt de mondt wilden kijcken. - -Nae de maeltijdt kocht ick een buffel voor vijf en een halve rejael -van achten en betaelden hem; maer de buffel betaelt wesende, konden -wy hem door de groote wildigheydt niet krijghen; spilden daer veel -tijdt mede, en alsoo het laet worde, wilde ick met de vier maets weer -nae de boot; souden, soo my dochte, de buffel 's anderendaeghs wel -krijgen. Hier over baden my de vier voorschreven maets, of ick wilde -toestaen, dat sy die nacht daer mochten blijven, inbrenghende dat sy -'s nachts, alst beest soude sitten, het wel souden krijghen. Hoewel -ick haer dit afriedt, soo consenteerde ik het ten langhen lesten, door -haer langh aenstaen. Ick nam mijn afscheyt, en seyden of wenschten -malkanderen goeden nacht. - -Aende kant vande revier komende, daer de prauw lagh, stond' daer een -hoop volcx vande inwoonders en haperden gheweldigh teghen malkander -[104]. Het scheen dat de eene wilde hebben dat ick voer en de andere -niet. Ick greeper een of twee (uyt den hoop) by den arm en stuwdese -nae de prauw toe, om te varen, gelijck of ick noch meester was, en -ick was boven half knecht niet. Sy saghender soo vreesselijck uyt als -bullemannen, doch lieten haer ghesegghen, en twee ginghen met my inde -prauw. De eene gingh achter sitten en de ander voor, elck met een -scheppertjen [105] in de handt, en staecken af. Sy hadden elck een -kris op haer zijd' steecken, zijnde een geweer oft een ponjaert was, -met vlammen [106]. - -Doen wy wat gevaren hadden, quam de achterste nae my toe, want -ick sat midden inde prauw, en wees dat hy gheldt wilde hebben. Ick -taste in mijn diessack [107], haelder een quaertjen uyt en gaf het -hem. Hy stondt en bekeeck het, en wiste niet wat hy doen wilde; doch -nam het ten lesten en wond' het in sijn kleetjen, dat hy om sijn -middel hadde. De voorste, siende dat sijn maet wat ghekregen hadde, -quam mede nae my toe en bewees my, dat hy oock wat hebben wilde. Ick -dat siende haelde weder een quaertjen uyt mijn diessack, en gaf het -hem. Hy stondt en bekeeck het mede; het leeck dat hy in twijffel was -of hy het geldt wilde nemen, dan of hy my wilde aentasten, 't welck -sy licht souden hebben konnen doen, want ick hadde geen gheweer en -sy hadden (als verhaelt) elck een kris op zijd'. - -Daer sat ick als een schaep tusschen twee wolven, met duysent -vreesen. Godt weet hoe ick te moede was. Voeren alsoo voor stroom af -(want daer gingh harde stroom). Ontrent ter halver weegh (aende boot) -zijnde, begonnen sy te tieren en te parlementen [108]; 't scheen -aen alle teyckenen dat sy my om den hals wilden brenghen. Ick dit -siende was soo benauwt, dat my het herte in 't lijf trilde en beefde -van vreese; keerde my derhalven tot Godt en badt hem om ghenade, en -dat hy my verstant wilde gheven, wat my best in die gheleghentheydt -stondt te doen. En het scheen of my inwendigh geseydt worde, dat ick -singen soude, 't welck ick dede, hoewel ick in sulcken benauwtheydt -was; en songh dat het door de boomen en bosschaedje klonck, want -de revier was aen beyde zijden met hooge boomen bewassen [109]. En -als sy sagen en hoorden dat ick soo begon te singen, begonnen sy te -lacchen en gaepten datmen haer inde keel sien kon, soo dat het leeck -dat sy meenden dat ick gheen swarigheydt van haer maeckte; doch ick -was heel anders in mijn herte gestelt als ick vertrouw dat sy meenden. - -Aldaer bevond' ick metter daedt, dat een mensche uyt vreese en -benauwtheydt noch singhen kan; en wy raeckten temet soo verde voort, -dat ick de boot sagh leggen. Doe gingh ick over eynd' staen en -wuyfde ons volck (die by de boot stonden) toe. Sy my gewaer wordende, -quamen datelijck nae my toe, by de kant vande revier langhs, en ick -wees teghen die twee die my afbrochten, dat sy met de prauw aen landt -souden sturen, 't welck sy deden, en wees haer dat sy voorheen loopen -souden, want ick dacht: soo sult ghy my altijdt van achteren niet -doorsteecken. Doe quamen wy alsoo by ons volck. - -Die perijckel en benautheydt (door Godts genade) ontkomen sijnde, by -de boot komende, vraeghden de twee inwoonders waer ons volck sliep. Wy -seyden: onder die tentjes; want ons volck hadden tentjes van bladeren -gemaeckt daer sy in kroopen. Sy vraeghden oock waer ick en Heyn Rol, -de coopman, sliepen; seyden: inde boot onder 't seyl. Doen ginghen sy -weder wegh nae het dorp. Doe vertelde ick Heyn Rol en het ander volck, -hoe ick ghevaren was, en dat ick een buffel in 't dorp ghekocht hadde, -die wy op dien avondt niet wel konden krijgen; dat de vier maets, -die ick mede genomen had, my gebeden hadden, of sy aldaer te nacht -mochten blijven, dat sy het beest alst lagh souden vanghen en aen boort -brengen, 't welck ick door langh aenstaen consenteerde, met conditie -dat sy morgen ochtent by tijdts aen boort mosten komen met het beest. - -Dit en wat ons meer was ontmoet vertelt hebbende, ginghen wy t' -samen legghen slapen, die nacht over. 's Morghens doen het dagh was, -jae de son al een groot stuck geresen was, vernamen wy noch geen -volck noch gheen beest. Doe begonnen wy twijffelmoedigh te worden, -dat het met die vier maets niet wel most staen, en noch nae een wijl -wachtens soo sagen wy twee vande inwoonders komen, die een beest voor -haer heen dreven na ons toe. By ons komende en ick het beest siende, -seyde dat het dat selfde beest niet en was, dat ick gekocht en betaelt -hadde. Onse bottelier konde haer ten deele verstaen; die vraeghde, -waerom dat sy dat selfde beest niet en brochten, dat ick gekocht hadde, -als oock waer ons volck bleef (te weten die vier man, die met my nae -'t dorp waren gevaren). Gaven tot antwoordt, dat sy dat beest niet en -hadden konnen krijghen, en dat ons volck met noch een beest aenquamen; -soo dat wy doen ten deele te vreden waren. En dewijle dat dit beest, -dat dese twee swarten gebrocht hadden, soo gheweldigh sprongh en -steygerde, seyde ick teghen Willem van Galen, de sarjant: "Neem de bijl -inde handt en hackt het beest in sijn hacken, opdat het ons niet en -ontloopt; want wy mogen tegen geen schaed' [110]." 't Welck hy dede; -nam de bijl en hield [111] het in sijn hacken dat het neerstorte. - -Doen begonnen die twee swarten te roepen en te schreeuwen dat het -wonder was, en op dat schreeuwen quamender wel 2 a 300 man (die 't -weten mocht) achter 't bosch uytgheloopen, en meenden ons alsoo de -boot af te snijden en ons al te samen doodt te slaen; maer worden haer -in tijdts ghewaer door drie van onse maets, die een kleyn vyertjen -hadden aengeleydt een weynigh van ons af, want die quamen nae ons -toe gheloopen en seyden: dat sy quamen. - -Ick stapte een weynigh buyten 't bos en sagh daer ontrent 40 uyt het -bosch komen; seyde teghen ons volck: "Stae vast, want wy hebben van -dat volck geen noodt, want wy zijn oock sterck van volck." Maar sy -vielen soo sterck uyt en duerde soo langh, dat 't scheen datter gheen -eynd' van komen sou, met schilden en swaerden, en saghen ghelijck -de bulleman, waer door ick verbaest [112] begon te roepen: "Mannen, -elck sijn best nae de boot toe, want snijden sy ons de boot af, -soo zijn wy lijveloos." - -Doe stelden wy 't op een loopen, met alleman nae de boot toe, die -de boot niet krijghen kon, die koos de revier en swom daer in. Sy -vervolghden ons tot de boot toe, en als wy inde boot quamen, was de -boot heel reddeloos [113] om daer met soo grooten haest in en mede -vande wal te komen, want de seylen waren over de boot heen gehaelt -tot een tent. Sy waren ons op onse hacken aende boot, terwijl wy -over klommen, en staecken ons volck met hesegeyjen [114] in 't lijf -(soose overklommen) dat haer de dermen tot het lijf uytliepen. Met -onse twee bijlen deden wy soo veel weer als wy konden en ons roestigh -deeghen dede mee sijn profijt, want achter inde boot stondt een groot -keerl van een man (sijnde een backer), die hem daer mede dapper weerde. - -Wy hadden een dregh achter uytleggen en een dregh t' zee. Ick -ontrent de mast over ghekomen wesende, riep teghen de backer: -"Hack het tou, hack het dregge-tou af," en hy hackte, hy hackte, -maer het wilde niet af. Ick dat siende raeckte nae achteren toe, -nam het tou en leyde het op de steven; doe seyde ick: "hack nu", en -hy hackte het ten eersten af. Doe stondender van ons volck voor inde -boot by 't dregge-tou en haelden de boot t' zee. De swarten liepen -ons in 't water wel nae, maer alsoo 't schor aen lant was [115], -waren sy datelijck grond af; mosten hier door onse boot verlaten, -en wy vischten ons volck op, die in de revier swommen en haeldense -in de boot. Met dat het volck inde boot was, gaf Godt almachtigh -dat de windt met een barst datelijck uyt de landt quam, die tot die -tijdt toe uytter zee ghewaeyt hadde. Voorwaer een merckelijck teycken -vande genadige handt Godts. Wy settender onse seylen by en seylden -eensloeghs [116] het gat uyt, tegen de hooge zee aen en over de banck -(daer op wy sulck een perijckel in 't in-komen hadden uytghestaen, -als verhaelt is) quamen wy nu datter weynigh water inde boot quam. - -De swarten of inwoonders van 't landt meenden dat wy daer niet uyt -souden komen en sy liepen op de hoeck van 't landt en dachten ons daer -aen waer te nemen en ons doodt te smijten; maer het scheen dat het -Godt alsoo niet en beliefde, want de boot was voor hoogh en vroom, -en sprongh tegen de zee op; raeckten alsoo met Godts hulpe het gat -uyt. Buyten wesende worde de backer (die achter inde boot hem soo wel -hadde geweert met de degen) gheheel blau om 't hooft, want hy was recht -boven sijn navel inde buyck gequetst en haer geweer was fenijnigh -geweest, waerdoor de wond' met een blauwigheydt omringht worde, 't -welck ick uytsnee om het fenijn van vorder voortloopinghe te stuyten, -maer mochte niet helpen, sturf evenwel voor onse oogen. Doodt sijnde -setten hem overboort en lieten hem drijven. Doe telden wy ons volck -en bevonden dat wy 16 man verlooren hadden, te weten elf diese aen -landt hadden doodt gesmeten en de backer die wy over boort setten, -met noch de andere vier maets die in 't dorp waren ghebleven; waer -over wy altesamen hartelijck bedroeft waren, haer beklagende, doch -danckten evenwel de Heere, dat wy daer altemael niet waren omgekomen. - -Ick voor mijn part late my voorstaen, dat die vier maets die in -'t dorp bleven de behoudenis, naest Godt, van mijn leven waren, -want hadden sy mede nae de boot ghewilt, doe ick voer, soo souden sy -(te weten de swarten) ons alle vijf doodt geslagen hebben, soo ick -vastelijck gheloove; want doen ick op de kant vande revier by al dat -volck stondt, twisten sy (als gheseydt) onder malkanderen over mijn -weghvaren, doch ick maeckten haer wijs en bewees het haer, dat ick -'s anderdaeghs met al het volck by haer wilde komen. Doe scheen 't dat -sy dachten: laet ons dan geen spel maecken, dan sullen wy haer met de -minste swarigheydt konnen houden en dooden. Hebben gemeent, dat ick die -vier maets niet verlaten sou, hebbende daer borgh en pant genoegh aen; -doch 't is haer niet gheluckt. Evenwel ist een beklaeghelijcke saeck, -dat wy die maets daer laten mosten; doch vermoede dat sy die al doodt -hadden gesmeten. - -Wy stelden onse koers voor wint langhs de wal henen; hadden noch -acht hoenderen met een weynigh rijs by ons inde boot en dat voor 56 -persoonen, die wy doen noch sterck waren. Voorwaer te weynigh voor soo -veel menschen. Wy deylden hiervan yder syn paert toe. Dat op wesende -spraecken met malcander dat het best was dat wy weder landt koosen, -hebbende alree grooten hongher en in zee was niet [117] voor ons op die -tijdt te krijgen om van te leven. Keerden daerom weder nae 't landt, -sagen een bay, seylden daer in. Wy saghen aen landt veel volckx by -malcander staen, daer wy nae toe liepen, doch sy verwachten ons niet, -maer liepen van ons af. Konden doe aldaer geen fictualie krijgen, -dan vonden vers water; daer droncken wy soo veel af als ons luste en -haelden onse twee vaetjes vol van dat water, en voeren by de klippen -om. Daer vonden wy kleyne oesterkens en alekruycken; pluckten daer van -elck sijn diessacken vol. Ick hadde op die plaets daer wy 't volck -verlooren ontrent een hoet vol peper ghekocht, die ons hier wel te -pas quam met de oesters te eten, want het gloeyde lustigh in de maegh. - -Seylden doe weder de bay uyt en koosen zee, om onse reys te -vervorderen. Een stuck weeghs buyten 't landt komende, begon het een -heele storm te waeyen, soo dat wy al onse seylen mosten innemen; -die haelden wy doe over de boot heen, en kropen met alleman onder -de seylen, en lietent op Godts genade drijven tot ontrent twee uren -voor den dagh; doe begon 't weer af te nemen en worde weder goet -weer; quamen voor den dagh, settender onse seylen weder by. Doe -kreghen wy inde wint, seylden van de wal af. 't Scheen of Godt ons -voor grooter ongeluck bevrijden wilde, want hadden wy dese storm en -dese contrarie-wint niet gekregen, souden by de wal langhs ghevaren -en wel licht op de water-plaets, die daer dicht by lagh, op Sumatra -aengheloopen hebben, daer de onse veel plachten aen te varen; en die -waren nu bittere vyanden vande Hollanders, want korts voor dese tijdt -waren daer noch veel Hollanders doodt gheslaghen, die daer ghekomen -waren om water te halen. En doen 't dagh worde, saghen wy drie eylanden -voor uyt leggen; resolveerden daer nae toe te seylen, vermoeden daer -geen volck op, hoopten daer wel yets te krijghen tot ons onderhoudt; -quamen daer dien selfden dagh noch aen. Wy vonden daer datelijck vers -water, en daer wossen oock groote rieden, soo dick als een man om sijn -been, die hackten wy met onse bijlen om. Dese rieden worden genaemt -bamboesen. Wij stieten de knockels met een stock door, behalven de -onderste knockel; daer gooten wy water in en stakender stoppen op, -en hier mede kregen wy wel een last vers water inde boot. Vonden -daer oock palmede-boomen, die boven inde top soo murwe sijn, als oft -rietspieren waren; die hackten wy mede om, en namen de boven-enden -die goedt waren tot onse fictualie. Het volck liepen het eylandt door -en door te boschkaren, doch konden anders niet vinden dat waert was. - -Ick liep eens van al ons volck af, en een bergh (sijnde de hooghste van -'t eylandt) siende, gingh daer op en sagh om ende wederom, wesende -heel bedroeft en moeyelijck in mijn gheest, door dien dat het (soo -my dochte) meest op my aen quam om de wech te vinden, en dewijl ick -noyt in Oostindien gheweest was, noch gheen stiermans-ghereetschap -hebbende, principael gheen compas (als verhaelt is), soo wist ick -niet wat my beter te doen stondt als my op den Heere te verlaten, -want mijn raedt was ick dickwils ten enden, als oock doe. Viel daerom -op mijn kniejen neder en bad de Heere, hem smeeckende, dewijl hy my -tot hiertoe hadde gheredt en bewaert onder sijn ghenadighe vleughelen -en verlost uyt vyer en water, van hongher en dorst, en vande quade -menschen, dat het sijn vaderlijcke goedtheydt doch soude ghelieven -my vorder te bewaren en my de ooghen des verstandts open te doen, -om den rechten wegh te vinden, opdat wy wederom by onse Natie en -Vrienden mochten komen. Ja, met diep versuchten bad ick: "O Heere, -wijst ons de wegh en geleydt my; doch of uwe wijsheyt voor goet en -best insagh my niet in salva by onse Natie te brengen, soo laet doch -(ist u Goddelijcke wil) eenighe van 't volck te recht komen, opdat -men weten mach, hoe dat het met ons en het schip ghegaen is". En -aldus met Godt ghesproocken hebbende stondt ick op, om weder af te -gaen, en sloegh mijn ooghen als voor, om en wederom, aen allen oorden -uyt, en siet: ick sagh aen mijn rechterhandt uyt, dat de wolcken van -'t landt dreven, waerdoor het inde kimmen klaer wierdt, en sagh doe -stracx twee hooge blauwe berghen legghen, en my schoot datelijck in -'t sin, dat ick tot Hoorn van Willem Cornelisz Schouten [118] wel -hadde hooren seggen (die wel 2 a 3 mael in Oostindien gheweest was), -dat op de hoeck van Java twee hooge blauwe berghen lagen; en wy waren -by Sumatra langhs gekomen, 't welck aen de slinckerhant lagh, en -dese sagh ick aende rechterhandt, en in 't midden was een glop [119], -daer ick gheen landt sien kond', en ick wiste dat de Straet van Sunda -tusschen Java en Sumatra in liep, beelde my derhalven vastelijck in, -dat wy wel te weegh waren, en liep doe alsoo verblijdt weder van den -bergh af nae de coopman en vertelden hem, dat ick sulcke twee bergen -ghesien hadde. Doe ick hem dit vertelde, waren de wolcken daer weder -overghedreven, datmense doe weer niet sien kon. Vertelde hem oock wat -ick van Willem Cornelisz Schouten hadde hooren vertellen, als oock -wat gissingh dat ick daer over maeckte, te weten: dat ick vastelijck -vertroude dat wy recht voor de Straet van Sunda waren. Doen seyde de -coopman: "Wel Schipper, hebt ghy sulcke moet, soo laet ons het volck -te hoop roepen en peuren daer nae toe [120], want u gissingh en reden -hebben mijns oordeels fondament." - -Doe riepen wy het volck by een, en sy droegen ons water in die -bamboesen en de top-enden vande palmeed-boomen tot fictualie, -die wy vergadert hadden inde boot en staecken af; kreghen de goede -wint, stelden de koers recht het glop in; s' nachts op de sterren -aen. Omtrent de middernacht sagen wy een vyer, dat wy in 't eerst -meenden het een schip was; maeckten daer een kraeck af [121]; maer -daer by komende was 't een kleyn eylantjen, dat in de Straet van Sunda -leydt, genaemt Dwars-inde-wegh, en passeerden dat eylandtjen. Een wijl -tijdts daer nae sagen wy noch een vyer aende ander zijd', te weten aen -stuerboort, passeerden dat oock, dochten my al goede tekens te wesen -van visschers. 's Morgens den dagh opkomende worden het stil; waren -doen aende binnekant van 't eylandt Java. Wy lieten een man aende mast -klimmen, die sagh uyt en riep: "Ick sie schepen legghen!" Teldender -tot 23 toe. Doen spronghen wy bykans op van blijdtschap. Wy stracx -met de riemen te boord en roeyden daer nae toe, want het was (als -verhaelt) stil. - -Hadden wy dese schepen hier niet ghevonden, daer wy aen voeren, wy -souden tot Bantem gevaren hebben, daer wy inde val souden gheloopen -hebben, want die waren doe met ons volck in oorlogh, 't welck mede -een mercklijck bewaringhe Godts voor ons was. Danckten daer over den -Heere voor sijn goetheydt. - -Dit waren altemael Hollandtsche schepen; die daer over commandeerde -was van Alckmaer, ghenaemt Frederick Houtman. Hy stont doen ter -tijdt en keeck met de kijcker of bril inde gelderye nae ons toe, -verwondert wesende over onse mirakuleuse seylen, niet wetende wie -het was [122]. Sondt sijn sloep uyt, die ons te gemoet roeyde, om te -besien wat voor volck dat wy waren. By malcander komende, sagen ons, -en kenden malcander terstondt, want wy waren met haer uyt Tessel -geseylt en waren inde Spaensche zee buyten de Kanael van malcander -gheraeckt. De coopman en ick stapten over in haer sloep en voeren -aen Houtmans schip, genaemt de Maeght van Dordrecht. De commandeur -Houtman riep ons achter inde kejuyt, heete ons wellekoom, liet ons -de tafel decken om met hem te eten. Maer als ick het broodt en ander -eten sagh, sloot my het herte en het lijf toe, en de tranen schooten -my van blijdtschap over de wangen, soo dat ick niet eten kon. Ons ander -volck, aen boort komende, worden datelijck op de schepen verdeelt. - -Houtman ordineerde terstondt een jacht [123], dat my met de coopman -nae Batavien soude voeren. En nae dat wy hem alle gelegentheydt hadden -vertelt van onse armoede en wedervaren, traden wy in 't jacht en gingen -t' seyl. Quamen 's morgens voor de stadt van Batavia. Het volck van -onse kennisse op de schepen hadden ons al vande Indiaensche kleeren by -geset [124], soo dat wy al inden dos waren, eer wy inde stadt quamen. - -Wy ginghen inde stadt; quamen voor 't Hof, daer de Generael Jan -Pietersz Coen van Hoorn sijn residentie hiel [125]. Wy vraeghden de -hellebaerdiers, of sy wilden vragen: of wy eens by de Generael mochten -komen, hadden hem te spreecken. Sy liepen heen, quamen weer, werden -binnen ghelaten, en quamen by hem. Hy wiste van onse komste niet, -maer ons bekent maeckende heete ons wellekoom. Doen most het groote -woordt daer uyt met ons en seyden: "Heer Generael, wy sijn op sulcken -tijt met het schip Nieu-Hoorn uyt Tessel gevaren, en op sulcken tijdt, -ontrent de Straet Sunda ghekomen, op sulcken hooghte, daer hebben wy -'t ongeluck gehadt dat ons schip in de brandt is geraeckt en wegh -ghespronghen." En verhaeldent hem al van stuck tot stuck, hoe en -waerdoor dat het gheschiedt was, wat volck dat wy verlooren hadden, -en dat ick self met het schip opgevlogen was, doch door Godts genade -met noch een jonghman ghesalveert; en ben tot heden toe bewaert, -de Heer zij gelooft. De Generael dit hoorende seyde: "Wat helpt het; -dat is een groot ongeluck." Hy vraeghde nae alle omstandigheden en -wy seydent hem al, ghelijck alst gheschiedt was. En hy seyde al: -"Wat helpt het; dat is een groot ongheluck." Ten laetsten seyde hy: -"Jonghen, brenght my de gouden kop [126] hier." Hy liet daer Spaensche -wijn in schencken en seyde: "Geluck schipper, ick brengh u eens! [127] -Ghy meught dencken dat u leven verlooren is gheweest, en dat het u van -Godt almachtigh weder is gheschoncken; blijft hier en eet aen mijn -tafel, want ick ben van meningh te nacht te vertrecken nae Bantem, -nae de schepen, om eenighe ordre te stellen. Blijft hier soo langh -tot dat ick u ontbiede, of dat ick hier weder koom." Doe brocht hy 't -de coopman oock eens; hadden noch verscheyden discoersen. Eyndelijck -vertrock hy, en wy bleven daer en aten aen sijn tafel, de tijt van -acht dagen. Doen ontboot hy ons weder by hem, voor Bantem, in 't schip -de Maeght van Dordrecht, daer wy te vooren aen gheweest waren, en hy -ontboot my eerst by hem en seyde: "Schipper Bontekoe, ghy meught by -provisie, tot naerder ordre, gaen op 't schip de Berger-Boot en nemen -aldaer het schipperschap waer, als ghy te vooren gedaen hebt." Ick -seyde: "Ick bedancke mijn Heer Generael voor die gunst." - -Twee of drie daghen daer nae ontboot hy de coopman Heyn Rol en seyde: -"Coopman, ghy meught by provisie, tot naerder ordre, gaen op 't -schip de Berger-Boot en nemen aldaer het coopmanschap waer, als ghy -te vooren ghedaen hebt." Doen waren wy weder by malcander en hadden -weder te commanderen. - -Het Berger-Boot was een kort schip met 32 stucken, en leeck of 't -vol geschut lagh, meest twee lagen hoogh. Wy voeren in 't voorste van -'t jaer 1620 na Ternaten; hadden ons schip met vleesch, speck en rijs -gheladen, als oock veel amonitie van oorlogh, om de forten aldaer te -versien; waren met ons drie schepen te weten: Het Berger-Boot, daer -ick op was, de Nephtunus en de Morghenstar; deden in passant Gresse -[128] aen. Een opper-koopman, Wolter Hudden van Rijga in Lijflandt, -die daer lagh, scheepten ons in menighte van koe-beesten, hoenderen, -gansen, arack, swarte suycker. Het voer voor de beesten was rijs, -die noch in de dop was, gelijck sy van 't landt afghesneden was, -ghenaemt paedje. Staecken doe weder van Gresse af; voeren al by 't -landt langhs, voorby de Straet van Baly, om de hooghte te krijghen, -tot het landt van Soloor toe, want het Mouson was verloopen; hoopten -daerdoor te beter Ambony aen te seylen; doch voor 't gat van Soloor -komende, quam den koopman van 't fort aen ons boordt, genaemt Raemburgh -van Enckhuysen, die sijn residentie aldaer hadde, ende seyde dat -daer een vleckjen ontrent lagh, ghenaemt Laritocken [129], waer uyt -de Specken en Mostiesen [130], daer woonende, grooten afbreuck deden -in onsen handel, en dat het nu den rechten tijdt was (dewijl wy daer -nu met ons drien waren) om 't voornoemde vleck af te loopen. Waer -over wy resolveerden het selfde te onderlegghen [131]. Voeren daer -nae toe, verselschapt met eenighe Corrakorren en een groote menighte -van vaertuygh daer van 't landt, die mede voeren om te sien hoe 't af -soude loopen, doch quamen niet om te helpen. Wy liepen onder 't fort -en 't vleckjen, schooten daer dapper in, en sy weer op ons. Onder -'t schieten landen wy ons volck, maer die van de stadt deden 2 a -3 uytvallen en dreven de onse terugh, soo datter omtrent 20 a 25 -van ons volck bleven leggen, en noch veel gequetst. Mosten daerom -vertrecken, sonder yets uytgherecht te hebben. Haelden ons water en -namen ons afscheydt van den opper-coopman Raemburgh en stelden onse -koers N.O. aen, om boven het eylandt Batamboer te seylen; kregen -het in gesicht; lietent aen bag-boert van ons leggen; stelden doen -den koers Noort-Oost ten Noorden, om de eylanden van Boero ende Blau -te beseylen, de welcke wy mede aen bag-boort lieten legghen. Liepen -doe nae het eylandt Ambony, doch konden het door verleydingh vande -stroom niet beseylen; raeckten daer beneden om, tusschen twee kleyne -eylandekens deur, in eene in-wijck genaemt Hieto, en Combello lagh -daer teghen over, alwaer veel nagelen vallen. - -Van Hieto kan men met een paert in korter tijt op Ambony rijden. Wy -vonden alhier 3 commandeurs, te weten: den governeur Houtman van -Alckmaer, den governeur 't Lam van Hoorn, met den governeur Speult. Het -Lam hadde sijn residente op Maleyen, die governeur Speult op Ambony, -en Houtman worde gedestineert met ons te gaen nae Baets Jan; alwaer -wy quamen [132]. En na dat wy aldaer 4 a 5 dagen gelegen hadden, -namen wy ons afscheyt. Den opper-coopman worde van 't fort gelicht -[133], alsoo sijn tijdt ge-expireert was, en onse coopman Heyn Rol -worde in sijn plaets gestelt. Voeren voort aen alle forten in de -Moluckes en versagense met vleys, speck, rijs, oly, asijn en andere -behoeftigheyden. Lagen aen 't eylandt Maleye (daer den governeur -Jan Dirckz. 't Lam sijn residentie hadde) omtrent 3 weecken; namen -ons afscheyt van 't Lam, voeren weder aen Baets Jan, daer wy (als -geseydt is) onse coopman Heyn Rol gelaten hadden, die het commande van -'t fort hadde. Hy gaf ons omtrent 100 lasten nagelen in. - -Hier nam ick mijn afscheydt van Heyn Rol, beyde met de tranen over -de wanghen; gingh ons beyde dapper ter herten, te meer omdat wy soo -veel ellenden en swarigheyden met malcanderen hadden uytgestaen, als -vooren verhaelt is. Sedert dese tijdt heb ick hem noyt weer ghesien, -dan heb verstaen dat hy eenighe tijdt hier nae op het eylandt Maleyen -gestorven en begraven is. De Heere wees sijn ziele genadigh, en de -mijne als ick na kome. - -Staecken doe dwars over nae die Boggeronis, ofte Straet van Boton toe -[134]. Liepen de Boggerones deur, al dwars over, om boven de gronden -te seylen, recht op Java Minor ofte Cleyn Java aen [135], en voort by -'t landt langhs nae Grisse. Wy hadden den governeur Houtman in 't schip -by ons. Op Grisse komende laden wy soo veel koe-beesten en hoenderen -als wy berghen konden, in 't getal omtrent 90 beesten en 16 hondert -hoenderen, met eenige gansen en eynden. Gavense padje tot voer. Men -kocht alhier 16 hoenderen voor een rejael van achten. Namen weder onse -afscheyt van den koopman Wolter Hudden en stelden onse kours langhs -Java. Seylden dicht by Japara langhs, doch en waren daer niet aen; -vorderden onse reyse en quamen geluckelijck voor Batavia. - -Spraecken daer wederom den Heer Generaal Coen van Hoorn. Losten daer -ons schip. Los wesende, worde ick met het selfde schip gesonden nae -Janbay [136], om daer een schip vol peper van daen te halen. Deden -in passant Palimbam aen. Brochten een schip vol peper op Batavia. - -Doe sond den Generael my aende eylanden die tusschen Bantem en -Batavia dwars af legghen, om steen te halen, die daer op de grondt -leydt. Men gaf my 40 laskares [137] mede, diese duycken en op de -gront vast maecken souden, 't welck ghedaen zijnde hijstense alsoo -inde boot. 't Zijn groote steenen, diese op Batavia weten viercant -te houwen, en maeckten daer de puncten van 't fort af. Die steen is -heel wit, veel witter als hart-steen in Hollandt. Het fort is meest -van sulcke steen gebouwt, heel uyt het water tot boven toe, een lust -om te sien. Deden sulcke drie tochten om steen. Doe quam het schip -Groeningen uyt het Vaderlandt, daer schipper op was Tobias Emden en -koopman Signeur van Neck, die schout op Texel hadde gheweest. En door -dien dat de schipper en coopman niet en hadden konnen accorderen, -wierden sy beyde, door ordre van den Generael Coen en de Raden van -dien, op 't Berger-boot gestelt, en ick op 't schip Groeningen, -met een onder-koopman by my, genaemt Jan Claesz. van Amsterdam. - -Ick dede gheen quade ruylingh, want op 't Berger-boot was te eten -noch te breecken (gelijck men seydt) en het schip Groeningen was -eerst uyt het Vaderlandt ghekomen, hadde van alles ghenoegh. Ick -wierde gedestineert daer mede te gaen na Janbay, weder om peper, met -twee kisten gheldt; souden Palimbam wederom in passant aendoen, het -welck wy deden en vonden aldaer een koopman van Alckmaer, ghenaemt -Hooghlandt. Setten hem een kist met gheldt by; vertrocken voort -nae Janbay. Daer lagh een koopman van Delft, genaemt Abraham van -der Dussen, dewelcke wy mede een kist met gheldt brochten. Laghen -daer langh op de reed'; de last worden ons met kleyne jachten aen -boort ghebrocht, nevens dat wy oock met onse boot alle daghen af -en aen voeren om peper uyt de revier te halen. Onse opper-stierman, -Sipke van Enchuysen, voer met de sloep heel op, by de koopman, ende -vond het jacht de Bruynvis by 't dorp leggen, daer schipper op was -Jaep Maertsz. van Hoorn, en nae dat hy daer in 's avondts goedt -chier ghemaeckt hadde, gingh 's nachts op de hut legghen slapen -[138] en rolde met de deecken om sijn lijf vande hut af in 't water -en verdronck, om welcke tijdingh ick seer droevigh was. Doen wy de -last in hadden, namen ons afscheydt van Signeur van der Dussen en -vertrocken wederom nae Batavia; losten daer datelijck ons schip; voer -weder twee tochten om steen aen de voornoemde eylanden. Dat ghedaen -zijnde voer wederom nae Janbay om peper, op welcke tocht onse koopman -Jan Claessz storf; quamen alsoo weder voor Batavia. - -Met dese reysen, soo met het Berger-boot als met het schip Groeningen, -bracht ick ontrent 2 jaren door. Doe wierter goedt gevonden, dat -ick met het selfde schip nae China soude gaen, in compagnie van noch -seven schepen, onder den Commandeur Cornelis Reyertsz. van der Gou, -om, soo 't mogelijck waer, Macou te incorpereren [139], of nae de -Piscadores te gaen [140], en door alle bequame middelen, indien het -mogelijck waer, den handel met die van China te stabileren, ghelijck -dat breeder inde instructie was uytghedruckt, die den Heer Generael -Koen ons mede gaf. De Generaal hadde tot dien eynde op veel plaetsen -gheschreven, dat de schepen haer al by ons souden vervoeghen, op sulck -en sulcke plaetsen daer wy voorby passeren mosten. Onder anderen oock -nae de Maniella, nae den Commandeur Willem Jansz, die neffens eenighe -Enghelsche daer op een tocht was [141]; dat eenige van sijn schepen -haer by ons souden vervoegen, gelijck onderwegen oock geschiede. - -Den 10. April, nae dat wy eenige tijdt voor Batavien gelegen hadden, -sijn wy met ons acht schepen t' seyl gegaen; stelden onse koers om -de Straet van Balimbam door te loopen. - -Den 11. dito saghen wy het landt van Sumatra. Wy vervielen hier -Suydelijcker als wy gisten, waer over wy oordeelden, dat de stroom -de Straet van Sunda uyt-liep. - -Den 12. 13. 14. en 15. hadden wy variabel weer en windt; passeerden -het eylandt Lucipara. - -Den 16. en 17. dito quamen wy by 't eylandt Bancka. - -Den 18. ontmoeten ons het schip Nieu-Zeelandt komende uyt Japon, met -twee Portugesche jachten by hem, die van onse schepen voor Malacca -genomen waren; willende nae Batavia. - -Den 19. tot den 25. dito konden wy weynigh avanceren, door dien wy -meest de wint en stroom tegen hadden, soo dat wy het dickwils mosten -setten [142]. - -Den 29. dito waren wy des middaeghs aen 't Noort-eynde vande Straet -van Balimbam, en het eylandt Bancka was S.O. van ons, ontrent een mijl; -liepen Noorden aen, nae het eylandt Polepon. - -Den 30. dito quamen wy aen 't S. O.-eynde van Polepon ten ancker op -12 vadem sandt-grondt. Het is hoogh landt. - -Den 1. Mayus laghen wy aende Westzijde van 't voornoemde eylandt ten -ancker op 19 vadem steckgrondt [143], tegen over de Noordelijcste -sant-bay, alwaer het vers water of water-plaets een weynigh in 't bos -is, in een vlacke put of dal. Van 't Noort-eynde van 't eylandt Bancka -tot dit voorghenoemde eylandt is de koers Noorden 19 mijlen [144]. - -Den selfden dito sijn wy weder t' seyl ghegaen; stelden onse koers -N.O. ende N.O. ten N. aen, om boven of beoosten het eylandt Linga -te seylen. - -Den 2. dito behouden 12 mijlen N.O. ten N. Des middaghs was de -Oost-hoeck van 't eylandt Linga S.W. ten W. van ons, 4 mijlen. Het -is een seer hoogh landt aen de Noort-sijde. Van de Westzijde van -Poelepon tot de Oost-zijde ofte hoeck van Linga is de koers N.N.O., -wel soo Noordelijck 9 mijlen, diep 18, 19, 20 vadem. - -Den 3. dito was het eylandt Poelepaniang West en W. ten S. van ons -[145]. - -Den 4. dito namen wy hooghte en bevonden 1 graed 48 minuyten benoorden -de Linie Equinoctiael. 's Achter-middaeghs saghen wy het eylandt Laur -N.W. van ons, naer gissingh 8 mijlen, hooghachtigh landt, doet hem -op als een hoogen bergh, diep 35 vadem. - -Den 6. dito was het eylandt Poele Timon W. van ons, ontrent 6 mijlen, -stelden onse koers N.N.O. nae 't eylandt Poele Candoor. - -Den 9. dito wierter geordonneert, dat wy met ons drie schepen voor -uyt souden loopen, nae het eylandt Poele Ceceer, te weten: 't schip -Groningen (daer ick op was), de Engelsche Beer en St. Niclaes. - -Den 18. dito, 's morghens, saghen wy het eylandt Poele Candoor -N.N.O. van ons, ontrent 9 mijlen; is hooghachtigh landt met kleyne -eylandtjes, meest legghende aende S.O.sijde van 't groote eylandt. De -water-plaets is aende S.W.sijde. Van 't eilandt Poele Timon tot dit -eylandt is de koers recht N.N.O., volghende de kaerten; diep in 't -vaerwater: 35, 40, 50, 60 vadem, weeckachtige grondt; maer als men -Poele Candoor begint te naderen, soo krijght men weder 30, 25, 20 -vadem harde sant-grondt [146]. Des avondts liepen wy dicht beoosten -het eylandt om, ontrent een groot half mijl van 't Oostelijckste -eylandeken; diep 18 en 20 vadem. Setten onse koers N.O. aen, nae de -kuste van Champey. - -Den 21. dito, 's avondts, konden wy Poele Candoor noch vande groote -stengh sien. - -Den 22. dito sagen wy het landt van Champey. Doet hem op oft eylanden -waren, wesende ontrent 7 a 8 mijlen van 't landt. - -Den 24. dito saghen wy onse andere schepen wederom, wesende op de -hooghte van 10 graden 35 minuten; waren ontrent 1 1/2 mijl van 't -landt: is hier leeghachtigh [147] voor-landt met witte sant-strant, -doch hoogh en heuvelachtigh binne-landt. Langhs het landt heen 1, -2, 3 mijlen t' zee; is diep 17, 16, 15, 14, 13 vadem sant-grondt -[148]. Des avondts sijn wy altesamen by malcanderen ten ancker gekomen -op 15 vadem, tegen een punt of hoeck, gheleghen op de hooghte van 10 -3/4 graden, genaemt Caep de Ceceer. Benoorden dese Caep heeft men een -groote in-wijck [149], daer het voort by de zee-kant langhs duynigh -landt, met hoog binne-landt is. Het landt streckt hem van desen hoeck -N.O. ten O. - -Den 25. waren wy nevens het eylandeken met de steen-klippen genaemt -Poele Ceseer de Terre [150]. Men siet hier benoorden het landt een -in-wijck tusschen het hoogh-landt, ghelijck een revier. Het duynigh -landt begint hier te eyndigen en men krijght dan voort hoogh dubbelt -landt, met dieper water van 30, 40 en 50 vadem. - -Den 26. dito quamen wy inde Malle Bay (by de inwoonders genoemt de -Bay van Panderan) ten ancker. Hier gingh onse opper-stierman Abram -Thijsz. van Vlissingen over op het schip St. Niclaes, ghedestineert na -de Mannieljes, om te sien of hy eenige schepen van Willem Jansz. vloot -kost vinden. Hier staen veel hooge klappes-boomen aen de strand' -by de huysjes. - -Des anderen daeghs gingen wy met ons vier schepen t'seyl nae een -ander bay, genaemt Canberijn, ontrent 6 mijlen verder; vonden hier -water en hout ghenoegh, als oock verversinge in abondantie. Kreghen -ontrent 17 beesten en een goede parthy hoenderen; maer een Speck -[151] van ons overloopende by de inwoonders, konden daernae geen -verversinge meer krijgen. - -Den 4. Juny trock ick met de boot nae onse mackers in de Bay Panderan, -om haer van ons wedervaren rapport te doen, en quam den 6. dito -wederom. Ondertusschen was het jacht St. Cruys by ons gekomen [152]. - -Des anderen daeghs gingen wy onder seyl; quamen by het jacht de Haen, -die een Japonsche jonck aengehaelt hadde [153], als oock by onse -andere schepen. - -Den 10. dito sagen wy een kleyn eylandt onder de wal leggen, van -gedaente oft Cockx Broodt [154] was onder Engelandt. - -Den 20. dito, verscheyden eylanden in onse wegh gesien hebbende, -sagen twee seylen dicht onder de wal. 's Avondts quamen wy by de -Manieljes-vaerders, de Hoop met de Bul, sijnde een Engelsman; hielden -den heelen nacht by. - -Den 22. dito quamen wy voor Macou, lieten ons ancker vallen op 4 vadem -weecke grondt; waren doe sterck 15 seylen, soo schepen als jachten, -daer onder 2 Engelsche schepen [155]. - -Wy monsterden ons volck; lieten haer optrecken [156] rondom de mast, -daer in sy onderrecht worden nae krijghs-gebruyck. Desgelijcx deden -sy op de andere schepen. - -Den 23. 's middaeghs ginghen wy met ons drie schepen, te weten -Groningen, de Galias en de Engelse Beer, dicht onder de stadt; -lieten ons ancker vallen op 3 vadem diepte, met laegh water, ontrent -een gotelinghs schoot vande wal; schooten dien avont noch 5 schooten -daer in. Des nachts liepen wy met ons tween, te weten Groningen en de -Galias, tot op een groote muskets-schoot onder de stadt, op 3 vadem, -met half vloet, weecke grondt. - -Daer was goet gevonden, dat ick en onsen coopman Bosschert van Delft -[157] met het volck aen landt souden varen en te lande de stadt helpen -bestormen; maer deze resolutie wierde verandert, om het schip niet -teffens van schipper en coopman te ontblooten: dat ick soude t'scheep -blijven en daer de saecken waarnemen en onse Commandeur voer voor -velt-overste aen landt. - -Des morghens, zijnde den 24. dito, soo drae den dagh aenbrack, -schoten wij met de gantsche laegh inde stadt dat het rammelde, -soo veel de stucken konden verdraghen. Weynigh tijdt daer nae is -den E. Heer Commandeur Cornelis Reyertsz. nae landt ghevaren, met -ontrent 600 weerbare mannen. Twee jachten liepen dicht by de wal, -daer den Commandeur lande, om oft [158] de onse te quaedt viel, -dat sy haer retreyt daer aen souden konnen nemen; oock om de -boots en kleyn vaer-tuygh te beschermen. De Portugijsen hadden een -borst-weer opgeworpen, daer de onsen mosten landen, daer van sy -eenige tegen-weer deden, doch de onsen daer op aendringende namen -sy de vlucht op de hooghte, nae een clooster. De onsen aen landt -wesende avanceerden dapper op de Portugijsen, dewelcke verscheyden -uytvallen op de onsen deden, maer t'elckens met een groote couragie -te rugh werden gedreven. Eyndelijck raeckte door ongeluck de brant -in eenige half vaten kruyt, 't welck de onse verlegen maeckte, want -daer soo drae geen ander kon gebracht worden, of de Portugijsen waren -daervan verwittight door eenige overloopers, sijnde Japoneesen. De -onse van voornemen sijnde om af te trecken, quamen de Portugijsen -op dat voorseyde rapport tot de onsen ingevallen, die door gebreck -van kruyt geen genoeghsame tegenstandt konden doen, en sloegen -vele vande onse doodt. De rest retireerde in groote confusie van -'t landt in de booten en voeren nae boort. Wy bevonden in als [159] -verloren te hebben 130 man; hadden ontrent oock soo veel gequetsten, -onder anderen den Commandeur Cornelis Reyertsz., die in 't eerste soo -de onze landen souden door sijn buyck geschoten wierde, doch wierdt -door Godts hulpe weder genesen. - -Het volck weder scheep komende seylden wy af, ontrent 3/4 van een mijl -en haelden daer water aen een eylandt besuyden Macou. Kreghen onse -opper-stierman wederom, die te vooren van ons schip was overgegaen. - -Den 27. vertrocken de twee Engelsche schepen met het schip de Trou -na Japon. 't Schip de Hoop wert mede onder onse vlagge gestelt. - -Den 28. dito is de Beer en St. Cruys nae het eylandt Lemon gheseylt, -en voort om de kust van China te besichtigen. - -Den 29. sijn wy voort altemael vertrocken nae de Piscadoris, -uytgesondert het schip de Hoop, 't jacht St. Niclaes en het kleyn -jachtje Palicatten, die daer souden blijven tot in 't laetste van -Augustus, om te passen op de schepen die van Malacca aldaer souden -moghen komen. - -Den 30. passeerden wy Idelemo, of anders de Hasen Ooren; liepen -Oost en O. ten S. aen, om boven Poele of Peter Blancke te loopen; -doet hem van veers op als een groot schip of kraeck [160]. - -Den 4. Julius sagen wy uyt de mars het Suyd-Westelijckste eylandt -van de Piscadoris. - -Den 6. dito is het schip de Beer weder by ons gekomen vande kust van -China; liepen met malcander buyten de eylanden om. - -Den 10. quamen wy ten ancker achter een vande eylanden; deed' -hem op als een tafel, was wel een vande hooghste eylanden vande -Piscadoris. Saghen tusschen de eylanden door eenighe Chinese visschers, -doch liepen voor ons wegh. - -'S anderdaeghs lichten wy weer ons ancker en liepen in een schoone -besloten bey, op 8 a 9 vadem steck-grondt [161]. Dit landt is vlack -en steenigh, heeft geen boomen om hout te hacken, is met langh gras -bewossen, heeft redelijck vers water, 't welck men uyt putjes haelt; -maer alst droogh weer is, soo ist brackachtigh. Men vindt het in twee -in-wijcken, daer men met de schepen leydt, anders en heeft men hier -geen verversinge, most daer altemael gebracht worden, en alsoo ons dese -plaets was belast te houden tot een rende-voes [162], soo deden wy op -het eynd' van Ilje Fromosa een haven aen, daer de Chinesen eenigen -handel hebben, Tayowan ghenaemt [163]. Daer haelden wy naderhandt -met onse jachten veel verversinghe van daen, leydt 13 mijlen vande -Piscadoris, heeft niet meer als 11 voet water in 't gat en is vry krom -in te komen, soo datmen met groote schepen daer niet in mach [164]. - -Den 19. gingen wy, te weten het schip Groningen en de Beer onder -seyl, om over nae de kust van China te loopen; ghemoeten het jacht -St. Cruys. 's Anderendaeghs brack de Beer sijn focke-ree, waer door wy -ghenootsaeckt waren minder seyl te voeren, om by malcander te blijven. - -Den 21. saghen het vaste landt van China; quamen voor de vermaerde -revier Chincheo [165]. Dese revier is zeer kenbaer, ghelijck Jan -Huygen van Linschoten daer van schrijft [166]: op de eene hoeck aen de -N.O. sijde staen twee heuvelen, waer van de eene is gelijck een pylaer -van een kerck, en aen de S.W. sijde vande revier ist leegh [167], -duynigh landt, en weynigh binnen de Suyd-Westhoeck sietmen een tooren -of ten minsten die ghelijckenisse. Souden daer aen de S.W. sijde onder -een kleyn rondt eylandeken geloopen hebben, maer door dien het schip -de Beer die reed' niet en kost beseylen, mosten weder zee kiezen, -want sijn ghebroocken ree was noch niet ghemaeckt. Begon hart te -waeyen, soo dat 's anderdaeghs onse fock uytte lijck waeyde [168]; -hielden doe af ende aen [169], doch dreven geweldigh om de Noort. - -Den 25. saghen wy een seer hackeligh landt op de hooghte van 27 graden -9 minuyten, 't welck wy vermoeden, soo door 't schrijven van Jan Huygen -als uytwijsende de kaert, het eylandt Lanquijn te wesen. Settent daer -onder op 15 vadem; sagen veel Chinese visschers, die omtrent 3, 4, -5, a 6 mijlen buyten landt hielden. - -Wy deden daghelijckx onse best om om de Zuyd te komen, maer dreven -ghestadigh om de Noordt, soo dat daer een harde stroom om de Noordt -schijnt te gaen. - -Den 27. kreghen wy een visscher aen ons boort, die ons wat ghedrooghde -vis verkocht. - -Den 9. Augustus bevonden wy ons by de eylanden van China, die seer -veel in 't getal zijn. Liepen ten ancker op 15 vadem; vermoeden ons, -uytwijsende de kaert en bevonden breete, ontrent de Caep de Somber te -wesen, doch konden geen vaste kust noch caep sien. Oordeelden daerom, -dat de caep Noordelijcker leyt als de kaerten aenwijsen. - -Den 11. lichten wy ons ancker en liepen onder het eylant Lanquijn, -leggende op 28 1/2 graden benoorden den Equinoctiael, op een tamelijcke -rede aende Noort-zijde, die wy met de boot hadden opgespeurt, om -nae water en verversinge te soecken, doch bequamen geen of weynigh -van eetwaren, maer daer was goet water. Hier leggende quamen daer -eenighe Chinesen aen ons boort met haer ciampan [170], die ons voor -elcke schip 5 korven witte suycker vereerden. Waren nae ons vermoeden -en soo veel wy uyt haer verstaen konden Chinese zee-roovers, die op -haer eygen natie vry-buyten. Des anderen daeghs haelden wy ons water -en gingen weder t' seyl, doch met weynigh spoets. - -Den 18. dito quamen wy wederom ten ancker aen de West-sijde van -'t selfde eylandt, op een beter rede als de voorgaende; was een -haven daermen meest voor alle winden beschut lagh. Hier hielden de -voornoemde zee-roovers haer haven-plaets, die ons altemet eenige -verversinge brachten, die sy van elders wisten te halen, doch kon -weynigh helpen voor 't geheele scheepsvolck. Sy presenteerden ons -dickwils, soo wy met haer wilden seylen na de vaste kust, dat sy onder -ons mochten schuylen, sy wilden ons verversingh, ja ladingh genoegh -beschicken; dan wy vondent niet geraden. Sy setten Prince-vlaggen op -hare scheepkens en roofden onder de selfde op haer eygen Natie. - -Wy ginghen weder onder seyl, om ons by onse andere schepen te voegen -in de Piscadoris, daer wy na veel variabel weder den 22. September -quamen. Sagen ons volck daer doende om een fort of sterckte op te -werpen [171]. Vonden daer oock twee schepen met een jacht meer als wy -daer gelaten hadden, die van Batavien sedert aldaer ghekomen waren, te -weten: het schip de Gouden Leeuw, de Sampson en het jacht Sincke-Pure -[172]. - -Des ander daeghs sijnder twee jachten vande kust van China gekomen, -hebbende eene achter gelaten, dat op de voorschreven kust gebleven was -[173], maer het volck en geschut hadden sy geberght, waer in haer de -Chinesen seer behulpigh hadden geweest. Dese jachten waren uytgesonden -om met de Chinesen vande handel te spreken, de welcke haer met groote -hoope wederom sonden en beloofden met een ambassadeur by ons te sullen -komen inde Piscadoris, om nader met malcander te spreken; 't welck -sy den 29. dito deden. Quamen met vyer joncken met haren ambassadeur, -om met onsen commandeur en raet over den handel te accorderen, maer en -wiert niet [174] uytgherecht; want in al wat sy beloofden en hielden sy -geen woordt, soeckende ons door die middel vande Piscadoris te krijgen, -'t welck streedt tegen de ordre ons vanden Heer Generael mede gegeven. - -Den 10. October is de Gouwe Leeuw t'seyl ghegaen nae Janby. - -Den 18. dito sijn wy met ons acht seylen, drie schepen en vijf jachten, -gecommandeert te gaen nae de revier Chincheo en de kust van China, om -te sien of wy haer door vreese van onse vyantschap en gewelt tot den -handel mochten beweghen; doch quamen ontrent 10 mijlen te laegh. Drie -van onse schepen dwaelden van ons, bleven doe noch met ons vijven, -settent in een bay, daer wy door onse jachten wel 60 a 70 joncken, -soo kleyn als groot, verbranden [175]. - -Hier ghebeurden een sake verhalens waerdigh, want alsoo ons volck -doende was om twee joncken (die sy genomen hadden) aen ons boort te -brengen en door harde wint het mosten setten, by haer hebbende den -boot met onse sloep, soo sijn sy inde voor-nacht van haer anckers -ghespilt en dreven wegh, de eene inhebbende 23 van onse maets met -twee Chinesen. Het jacht Fictoria, dat by haer geset lagh om haer te -helpen, en kost door het harde weer en donckerheyt geen hulp doen. De -eene jonck wegh drijvende, begaven die uyt de ander jonck, die met -haer sessen waren, haer inde boot en staken de jonck in brandt, -doch alsoo sy met de boot qualijck seyl konden voeren en op een -lager wal sijnde, wierpen de dregh uyt. Maer ontrent twee uren voor -de dregh gelegen hebbende brack het dreggetou; dreven teghen de wal -aen, in perijckel van haer leven, te meer om dat haer lonten in 't -stranden waren uytgeblust en uytgegaen, en niet als vyandt aan landt te -verwachten hadden; en om gewelt tegen te staen waren sy al te weynigh -in ghetal, wesende niet meer als 4 mannen en 2 jongens. Gaven daerom -Godt de saecke op en baden dat hem beliefde een ghenadighe uytkomst -te verlenen. Saten alsoo in grooten anghst en vreese inde boot en -verwachten den dagh. Stracx quamender een parthy Chinesen nae de -boot. Ons volck grepen de sabels inde vuyst en riepen en schreuden, -als of sy naer haer wilden toekomen. De Chinesen dat hoorende, die -door de duysterheydt des nachts niet en kosten zien, hoe sterck de -onse waren, keerden wederom en schenen van den verveerden verveert te -wesen. De onse namen dat voor een seker waer-teken, dat de huld [176] -en bescherminge Gods over haer was. Den dagh aenkomende resolveerden -sy de boot te verlaten (alsoo die voor haer onmogelijck was van 't -landt te water te brenghen) met musketten op de hals, de sabels op -zy, om alsoo, waert mogelijck, te lande te reysen nae de revier van -Sammitju, daer onse twee jachten voor lagen. De 23 man, die met de -ander jonck waren wegh gedreven, wierden gevangen. Eenige jaren daer -nae is een van de 23 man te recht gekomen, soo ick verstaen heb. Doch -dese [177] kosten noch jonck, noch tael noch teken van haer stranden -sien; sijn derhalven voort gemarceert. - -Een party Chinesen haer siende, quamen na haer toe en stierden twee -mannen voor uyt, om met de onsen te spreken; maer onse maets betrouden -haer niet, leyden de musketten op haer toe, als oftse schieten wilden, -waer door sy haer lieten passeren. - -Onder weegh een huysken vindende, daer een man met een vrou in was, -gingen daer in; staecken haer lonten op en maeckten haer geweer -(dat geheel onklaer was, doordat het nat geweest had' in 't landen -met de boot) weder klaer. Hier kreghen sy oock te eten, want desen -man gaf haer wat rijs; hem bedanckt hebbende, spoeden haer wegh. In -'t gaen saghen sy wel 6 of 7 Chinesen doodt leggen op strant, ten -proye voor de honden en vogelen, die vande onsen waren doodt gesmeten -[178]. Hier uyt hadden sy licht af te nemen, wat men haer doen sou, -soo se ghekreghen worden; resolveerden daerom haer soo langh te weren -als sy een sabel inde vuyst souden konnen voeren. - -Haer ghemoeten daer nae een groote menighte Chinesen, meenen wel van 2 -hondert, die altemael voor haer vluchten. Des achtermiddaeghs quamen -sy by onse jachten; schoten met haer musketten een deel schoten om -ghehoort en ghehaelt te worden van die inde jachten. Maer door dat -schieten quamender wel 7 a 8 hondert Chinesen (naer haer gissingh) -op de been, uyt een groot by-gelegen dorp; ginghen nae onse maets toe, -ghemonteert met messen en piecken. De onse die niet als de doodt (soo -'t scheen) te verwachten hadden, schoten eenighe schoten tot haer -in. Sy siende dat de onze gheresolveert waren al vechtende te sterven, -liepen te rugh; eenige bleven van verre staen en wierpen met steenen; -'t scheen, dat sy niet veel schieten moeten ghehoort hebben, want sy -warender geweldigh verveert voor, seyden de maets. Boden eyndelijck -de onse alle vriendtschap aen; nooden haer in haer dorp. - -In 't dorp komende stonden wel duysent Chinesen, nae gissingh, en sagen -haer met verwonderinghe aen; schenen haer leven geen Hollanders gesien -te hebben. Brachten ons volck in haer tempel; gaven haer daer te eten -en te drincken, en wat toeback. De onse gingen by malcander sitten, -haer geweer gestadigh gereet houdende, want sy niemandt vertrouden, -vreesende dat sy haer overvallen souden. Hier sittende is haer lont -verbrandt; scheurden stucken van haer hembden, dat drayende tot -een lont, soo sy best konden. Trocken doe weer uyt het dorp, haer -bedanckende vande ontfanghene weldaedt; waren blijde dat sy daer -soo geluckigh waren uytghekomen en dat niemandt haer naevolghde; -want sy hadden geen vier schoten kruyt meer in haer bandeliers. - -Quamen op strant, vonden een scampan [179], setten het vande wal. In -'t water komende ist terstondt gesoncken, soo leck wast. Gingen doe -in een visschers-huys, daer eenige haer tot slapen leyden, maer de -andere en kosten of durfden niet slapen, alsoo sy des nachts een party -Chinesen om het huys hoorden. Des morgens maeckten sy twee vlotjes van -'t geen sy best vonden; voeren daer mede nae de jachten, die terstondt -t'seyl gingen, soo dat het niet langer diende geduert te hebben, of -hadden daer licht moeten blijven. Soo datmen aen dese gheschiedenisse -gants klaer kan speuren, wat den mensch al voor perijckel kan door -komen, als des Heeren bewaringe ghenadelijck medewerckt; want sonder -dat wast schier miraeckel, dat soo weynigh volck uyt der Chinesen -handen sijn ontkomen, daer sy haer vyanden waren. - -Den 2. November is het jacht St. Niclaes gheseylt nae de plaets daer de -boot op strand lagh, die vande Chinesen gans gheplundert was, van seyl, -mast, swaerden, roer, twee steen-stucken [180] en de yseren schijf -voor uyt de steven. Setten hem te water en brachten 10 bocken en 3 a 4 -verckens tot revensie [181] mede, en quamen soo met de boot aen boort. - -Den 4. dito nam de boot van de Beer twee joncken met 25 mannen, staken -de joncken inde brandt; het volck brachten sy aen 't jacht St. Niclaes. - -Den 9. November is onse opper-stierman ghestorven aen 't water, -begroeven hem op een eylandt op de hooghte van 23 graden. - -Den selfden dito is de boot vande Beer nae een deel joncken gevaren, -maer begost soo hard te waeyen, dat de voorschreven boot met achtien -man, daer onder de schipper Jan Jansz. wegh dreef, tot groote -droefheydt van ons alle. Sonden het jacht Fictoria om nae haer te -soecken, dan deden niet op. Hadden hier legghende met onse twee -schepen 40 mannen van het beste bevaren volck verlooren, 't welck -ons dapper smarte. - -Den 25. dito quamen wy te samen voor de reviere Chincheu. Setten -'t onder een eylandt by een dorp, daer de inwoonders uyt -vluchten. Bequamen daer ontrent 40 beesten, daer onder eenighe -verckens; oock een parthy hoenderen, het welck ons wel quam tot -verversingh, alsoo veel van ons volck sieck en aan 't water laghen, -die haer hier mede heel verquickten. - -Sonden drie jachten de revier in, die 't by een dorp setten, daer -sy landen en dapper teghen de Chinesen schermutseerden. De Chinesen -maeckten 9 joncken aen malcander vast en stakense inde brandt en lieten -die nae onse jachten toe drijven, van meninge om die inde brandt te -krijgen; dan dreven mis. Wy met ons twee schepen quamen den 28. dito -by haer, schooten met ons grof gheschut op een plaetse, daer van sy -met seven bassen [182] op het volck vande jachten gheschooten hadden, -die wacker stant tegen haer hielden, hoewel die maer 50 in 't getal -waren, daer sy eenighe duysenden sterck waren. Droeghen haer bassen -wegh, een stuck weeghs van haer dorp. De onse staecken 4 joncken voor -haer dorp inde brandt en quamen 's avondts weder aen boort. - -Den 29. dito quam een Chinees overloopen, doch scheen half geck te -wesen. Wy lichten ons ancker en liepen voor een stadt; schooten daer -in, en sy weer met bassen op ons; raeckten ons tweemael. Staken een -jonck inde brandt. De Beer met een jacht liepen aen de andere sijd' van -'t eylandt; sagen daer twee groote dorpen, daer neven het eene twee -groote joncken op stapel stonden. Resolveerden om dat af te loopen; -'t welck wy den 30. dito onderleyden, met ontrent 70 musquetiers. - -De inwoonders waren altemael ghevlucht op een seecker fort; -wy vervolghden haer tot onder 't fort. Sy deden twee uytvallen, -met sulcken afgrijsselijck gheroep en gheschreu, als of de werelt -vergingh; quamen lustigh op ons aen en wy niet willende wijcken -sloeghen malcander met de sabels om de ooren. Maer als wy met onse -musquetten een deel vande haren onder de voet gheschoten hadden, sijn -sy geretireert en stelden 't op 't loopen. Sy hadden onse sarjant en -de seylemaecker van de Beer onder de voet; ten waer wy haer ontset -hadden, sy hadden doodt geweest. De sarjant hadden sy de bandelier -van 't lijf gehouwen. Dreven haer al doodtslaende weder in haer -fort. Wy verlooren een man, sijnde de barbier vande Beer, doch weten -niet of hy doodt gheslagen of ghevangen is geworden. Wy staecken de -twee joncken als oock haer gantsche dorp inde brandt; quamen alsoo -'s avondts weder aen boort, met goeden buyt van verckens, bocken, -hoenderen en andere plunderaedje, van huysraedt en andere saecken. De -beesten bereyden wy des nachts, om 's anderen daeghs onse hart (voor -dese moeyelijcke landt-tocht) weder eens op te halen. - -Den 2. December voeren wy weder nae landt, plunderden noch een ander -dorp uyt, en staecken 't alst voorgaende mede in brandt. Wy kreghen -hier een-en-twintigh canassers ghetweernde sijde uyt een pack-huys, -en brachten het nevens de andere buyt weder aen boort [183]. - -Des anderen daeghs seylden wy nae een ander eylandt, daer een groote -tooren op staet. Vonden daer gheen volck op; settent met hoogh water -op vijf-te-half vadem, en inde voor-nacht met het lage water saten wy -vast: 't scheen dat hier een gheweldige stroom in ende uyt gaet. Inde -selfde nacht met de vloet sonden de Chinesen twee brandende joncken -op ons af, die dicht by de Beer (die boven ons gheset lagh) langhs -dreven. De eene scheen of hy ons recht voor de boegh soude komen, -waer door een groote verbaestheyt [184] in ons schip ontstondt. Wy -stonden met alleman boven, en den een sey dit, den ander dat. Doch -ick my versekerende, dat hy mis soude drijven, maeckten soo groote -swarigheydt niet. De coopman Nieuwenroode by my staende seyde: -"Schipper, laet het tou af houwen". Ick onderrechte hem, dat het -niet gheraden was het tou af te houwen, terwijl wy op de wal lagen, -en nootsaeckelijck het schip souden moeten verliesen, en dat de -jonck ons niet begaen kon. Maer den jonck ons naderende, die nae des -coopmans oordeel niet mis en kond, riep hy: "Hou af het tou! Hou af -het tou!" Ick daer-en-teghen riep: "Hou niet af! want hou jy het tou -af, soo sijn wy het schip quijt! 't Is mis! hou niet!" Doe de coopman -sagh dat de maets, die alreede een hou in 't tou hadden ghegheven, -ophielden en my hierin ghehoor gaven, riep hy teghen my (meenende -dat de jonck alsoo goedt als aen boord was): "Schipper Bontekoe, sie -daer, dats u schuldt; dat sal ick op u verhalen!" Doch ick al bevreest -wesende, dat de maets het tou souden afhouden, riep al: "'t Is mis! 't -is mis! hou niet! hou niet!" 't Welck oock waer was, want dreef noch -soo verre mis dat hy onse groote ree, die in 't cruys stondt [185], -noch mis dreef, hoewel sijn mast veel hoogher was als onse ree. Alleen -onse scampan, die wy achter aen hadden legghen, raeckte inde brandt, -die wy doe drijven lieten, soo dat het oock niet veel nader diende; -stondt gheweldigh ysselijck [186], want het branden soo gheweldigh of -het vol swavel gheweest was en soude met ons wel haest korte mijlen -(als men seydt) ghemaeckt hebben [187]. Ick hadde het roer van 't -eene boort aen 't ander laten legghen, waer door het schip een gier -maeckten [188], 't welck (naest Godt) de eenighste oorsaecke was van -'t misdrijven. - -Den 4. dito lichten wy ons ancker en liepen nae het eylandt voor inde -mondt vande revier, daer wy de 40 beesten van ghehaelt hadden, als -voor verhaelt is. Haelden daer water en gingen den 7. dito van daer -t'seyl, om weder over nae de Piscadoris te loopen. Mits water sijnde -[189] waeyde ons voor-marsseyl wegh; setten het 's anderen daeghs -(door dien wy door 't hard weer geen seyl en kosten gebruycken, om 't -gat daer wy recht voor waren in te loopen) onder het naeste eylandt, -dat bewesten het gat leyt, op 15 vadem. - -Den 9. dito sijn wy van ons ancker gespilt; lieten een ander toegaen, -welck tou, na vier uur leggens, oock brack. Dreven doe vande eylanden -af, en dat met een harde storm uytten N.O. en N.N.O. - -Den 10. dito wierdt ons schip soo leck, dat wy met twee pompen soo -veel te doen hadden als wy konden om boven te houden; hadden wel -seven voeten water in 't schip en onse achterste pomp was staegh -onklaer. Wy hadden achter inde kamer een party paedje, en een gat -inde kamer raeckende liep de paedje daer door by de pomp, 't welck -onse pomp, als gheseydt, bynae onbruyckbaer maeckten. Waren derhalven -gedrongen om de paedje overboort te werpen, want wy vreesden dat sy -al de lock-gaten [190] verstoppen en onklaer maken sou. - -Den 13. en 14. is het vaerbaer weer geworden; bevonden ons dicht -onder de kust van China; quamen daer by het schip Haerlem, daer mijn -broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe schipper op was, dat mede garen -aende Piscadoris hadde gheweest, en was door dese voorgaende storm -oock verdreven; quam van Japon. Wy hielden met malcander wel vier -dagen by, maer dreven meer overstuer als wy wonnen [191]; liepen -daerom met malcander te ree aen de kust van China. - -De 20. nam het schip Haerlem wel 7 scampannen, daer in 36 Chinesen -met 3 joncken, die met sout, gesouten vis en anders geladen waren. Den -selfden dito wierde goet ghevonden, dat wy de ladingh, die het schip -Haerlem uyt Japon ghebracht had, souden overnemen, om dat het schip -Haerlem swack en soo ghestelt was, dat het niet langher dorst uyt -blijven en nootsakelijck verdubbelt most [192], en daer en teghen ons -schip noch sterck en goedt. Waren oock weder dicht [193]. Ruymden -daerom ons schip op en begosten des anderen daeghs te laden. Doe -quamen daer twee Chinesen van landt met een scampantjen aen 't schip -Haerlem; brachten een deel appelen, hoenderen en verckens aen boort, -voor welcke daet sy hem sijn jonck weer gaven. Haelden hier voort ons -water; maeckten ons weder klaer om t'seyl te gaen; leyden een wangh -[194] op onse focke-mast en ree. - -Den eersten Januarij [1623] wierter goedt ghevonden, dat den -opper-stierman Jan Gerritsz. de Naeyer met ontrent tsestigh persoonen -van 't schip Haerlem op ons schip souden komen. En onse onder-stierman -Geleyn Cornelisz. is, nevens andere, weder overgegaen op 't schip -Haerlem, om alsoo nae Batavia en voort nae 't Vaderlandt te gaan. De -coop-luyden waren ten dien eynde besich om brieven te schrijven, -de eene nae Batavia en de ander nae de Piscadoris. - -Wij setten wel 84 Chinesen over aen 't schip Haerlem, dat den 4. dito -van ons t'seyl gingh nae Batavia. Des nachts haelden de Chinesen -een jonck dicht by ons schip van daen, hoewel wy na haer schooten; -ginghender evenwel mee deur; wy hadden gheen sloep om haer nae -te jagen. - -Den 5. dito quamen de Chinesen om en by ons visschen. 't Scheen dat -sy wisten, dat wy gheen sloep hadden, daer onse timmer-luy daghelijckx -mee besich waren om een te maecken. Wy hadden een half sleten seyl van -'t schip Haerlem gekregen; daer af maeckten wy tot de schuyt [195] -en ons schip wat ons noodigh docht. Hielden des nachts goede wacht; -vreesden voor branders, die de Chinesen ons souden konnen toestueren. - -Den 7. dito ginghen wy t'seyl om zee te kiesen; maer door -contrarie-wint mosten weder te rugh. Liepen op onse oude ree; namen -in 't seylen een jonck, daer wy die kabels nevens ander tou-werck uyt -kregen, en staken de jonck inde brandt. Het volck wasser uytgevlucht; -welck tou-werck ons heel wel te pas quam. - -Den 9. en 10. dito kregen wy onse schuyts seyl, mast, sweerden en -ander tuygh weder klaer; bleven noch al door onbequame wint leggen. - -Den 11. dito sagen wy tegen den avondt twee joncken onder wal. De -coopman wilde dat men met de boot daer nae toe soude varen, maer -het docht my ongheraden, omdat het tegen den avondt was en gantsch -leelijck weer, en stondt gheschapen noch harder te sullen waeyen, -want sacher gans onweerigh uyt. Oock seyde ick, dat men het volck -soo licht niet behoorde te waghen; bleef daerom achter [196]. Begon -teghen de nacht oock soo te waeyen, dat wy blijd' waren dat de boot -aen boort was gebleven. - -Des anderen daeghs, 's morghens, sijn wy met de boot nae een jonck -gevaren, die de bay oplaveerde; doch eer wy daer by waren quamen -vier oorlooghs-joncken hem te hulp, die geweldigh na ons schooten, -en alsoo 't dicht aen landt was, daer wel duysent menschen, soo 't -scheen, op strand stonden met geweer, mosten hem verlaten en voeren -weer nae boort. - -Den 14. dito 's nachts, inde eerste wacht, ben ick met de boot nae -een ander jonck ghevaren, die haer te weer stelden; schooten wel twee -glasen teghen ons [197], en alsoo wy te verd van 't schip dwaelden -en weynigh aparentie was haer te krijghen, quamen wy inde dagh-wacht -weder aen boort [198]. - -Den 15. dito was de stierman met de boot weer by een jonck, die van -Teysing quam [199], daer sy heftigh tegen doende waren, maer mosten -hem verlaten. Hadden drie gequetsten, daer onder een gants dootelijck, -want was met fenijnigh geweer doorschooten. - -Den 18. dito ben ick met de boot ghevaren nae vijf joncken; eene -gingh sijn gangh en de ander vier korten malcander op zy [200] en -stelden haer schrap met schilden, swaerden, pijlen en bassen, want -'t waren oorlooghs-joncken; soo dat wy nae een kleyn ghevecht wederom -keerden. De joncken peurden ons nae [201]. Ons volck in 't schip dit -siende en vresende dat sy de boot souden aentasten, maeckten de twee -achterstucken klaer, om nae haer te schieten, want het was dicht by -'t schip; wy waren geen duysent treden van 't schip af. Wy gijden -het seyl op [202] en streken de de fock neer en roeyden vlack inde -wint op. Sy inde joncken dit siende keerden van ons af. 's Avondts -quamen wy weer aen boort en gingen den selfden nacht noch onder seyl; -hadden de wint N.W. - -Den 19. dito, 's morghens, waren wy ontrent een mijl buyten de wal, -of vande hoeck van Teysing; hadden Peter Blanca S. O. van ons ontrent -5 mijlen, 't welck leyt op de hooghte van 22 graden 20 minuyten; -seylden langhs de wal. Op den selfden dagh kreghen ons volck rantsoen: -een flap-kan water daeghs. - -Den 20. dito liepen door contrarie-wint met de sonnen-ondergangh weder -ten ancker op 17 vadem, ontrent 6 mijl buyten lant, N. ten O. van -Catsje, alsoo wy gheen vordel saghen te doen met seylen. Hier brack -ons tou stucken [203], mosten daerom de seylen daer weer bysetten, -doch quamen door hard weer des anderen daeghs weder te reed' ontrent -8 mijlen beoosten Teysing. - -Den 22. sonden wy de boot uyt, bet nae landt toe [204], om te vernemen -[205] ofter geen beter reed was te vinden; seylden op haer rapoort -tot ontrent een half kartous schoot vande wal, op een goede rede. - -Den 23. 's morghens, noch al contrarie-wint uytten N.O. met koel weer. - -Den 24. dito storf die persoon, die 9 dagen te vooren soo deerlijck -gequetst was; was genaemt Hendrick Bruys van Bremen. - -Den 25. dito kregen onse timmerluy de sloep meest klaer. - -Den 27. dito is onse coopman Nieuwenroode met de sloep en boot na -landt gevaren, om te sien of wy geen water souden konnen krijgen, -dan en dee niet op. Sagen eenighe joncken in de revier leggen, daer -wy 's achtermiddaeghs een cherge met musquetten tegen hadden; maer -sy schooten met bassen en ginghen onder seyl, soo dat wy vruchteloos -wederom quamen. - -Den 28. nam onse stierman een kleyn jonckjen met ghedrooghde en -gesouten vis geladen, met acht Chinesen, die het datelijck op gaven. - -Den 29 en 30. dito hebben wy verscheyden tochten soo nae joncken als -visschers gedaen, maer niet bekomen als een visscher met vijf man, -en water gesocht, 't welck ick den 31. dito vont, dat heel goet was -en gemackelijck om halen. - -De navolghende daghen tot den 7. Februarij haelden wy ons water; -was alle daghen lelijck variabel weer en contrarie-wint om onse reys -te vervorderen. - -Den 8. dito voeren wy met boot en sloep nae landt met 27 musketiers om -een landt-tocht te doen. Quamen in een dorp, daer het volck uytgevlucht -was; marcheerden een weynigh lantwaert in; vonden een troep buffels, -daer wyder 17 van t' scheep brochten met 4 verckens en ettelijcke -hoenderen. Was alle dagen lelijck weer. - -Den 10. dito is de coopman Nieuwenroode met schuyt en boot weder -aen lant gevaren, met 25 musketiers; trocken landtwaert in; quamen -in twee dorpen, daer het volck alle uytgevlucht was; staken beyde -dorpen inde brandt, en quamen weer aen boort. - -Den 11. dito is onse eene jonckjen omgevallen en gesoncken; doch de -mast (die 14 palmen dick en 59 voeten langh was) kregen wyder noch -uyt. Onse boot voer weder nae landt om stroo voor de buffels te halen. - -Den 12. deden wy weer een landt-tocht, met 50 gewapende mannen. Liepen -twee dorpen af; saghen eenige buffels, maer kosten die niet vangen; -kregen eenige sacken met loock en uyen, en quamen, nadat sy wel twee -mijlen in 't landt geweest hadden, weer aen boort. - -Den 15. dito is onse opper-stierman inde boeyen gheset, om datter -brant in sijn kamertje geweest was [206], doch wierder 's avonts weder -uytgelaten. Onse timmerluy maeckten een wangh op onse groote mast. - -Den 18. setten wy een man over boort, die de voorgaende nacht -ghestorven was. Wy deden meest alle dagen tochten, soo met ons -jonckjen, schuyt als boot, nae visschers en joncken, maer konden niet -bekomen. Was meest alle dagen kout lelijck weer. - -Den 20. dito namen wy een jonck met 14 Chinesen. Seyden ons, dat sy -uyt de revier Chinchieu quamen, als oock dat den Heer Commandeur -Cornelis Reyersz. met die van Chinchieu verdragen was [207]; doch -namen hem evenwel mee en losten sijn waren in ons schip. Verstelden -met wangen en anders onse masten en boeghspriet. - -Den 10. Meert deden noch alle dagen, alst weer was, een tocht om -water. Op desen dagh wierde uyt ons schip een vogel (soo hy inde -lucht vloogh) geschooten. - -Den 14. dito voeren wy meest met alleman aen lant, haelden onse boot -op 't strandt om hem te calfaeten en schoon te maecken; quamen des -avondts wederom. - -Den 17. dito sterf een vande boots-gesellen, genaemt Claes Cornelisz -van Middelburgh. - -Den 18. dito onghestadigh weer, met donder, blicxsem en regen. Des -nachts sterf de onder-stierman, Jan Gerritsz. Brouwer van Haerlem, -die ontrent vijf-te-half weeck gheleden onder-stierman gemaeckt was. - -Den 20. dito, des nachts, sprongender drie Chinesen overboort; meenden -met de boot door te gaen, maer alsoo de wacht het het gewaer worden, -kregen de eene weder, maer de ander twee verdroncken. - -Den 30. dito kregen wy twee joncken met een visscher met 27 man. - -Den 2. April setten wy twee Chinesen aen landt, die ons beloofden -verversingh te brenghen voor haer rantsoen [208]: den eene was -ghequetst en den ander heel oudt. - -Die 5. dito sagen wy twee Chinesen in onse hout-jonck staen en riepen -datmen haer aen boort halen sou. Sonden onse scampan na haer toe; -bevonden dat de eene een vande selfde was, die wy op den 2. deses -aen landt hadden geset. Sy waren 's nachts van andere Chinesen aen -onse hout-jonck gebrocht; brachten met haer hoenders, eyjeren, een -vercken, sitroenen, appelen, suycker-riet en toeback, van elcx wat; -tot danckbaerheydt van hare gheschoncken vryheydt. Voorwaer een groote -deught, beschamende veele Christenen, die als sy uyt de knip zijn, -dicwils weynigh om haer beloften dencken. - -Den 6. dito resolveerden wy de eene jonck te sloopen, het hout daervan -in de ander te laden, en die mee na de Piscadoris te nemen, alsoo sy -daer wel brant-hout van doen hadden. - -Den 7. setten wy de voorsz. twee Chinesen weder aen landt. - -Den 8. dito quammer een prautjen met twee andere Chinesen aen ons -schip en brachten ons (als de voorgaende) eenighe ververschingh, als -appelen, eyeren, eenighe potten met arack, waer voor wy haer beloofden -twee mannen te sullen vry geven, eene die ghequetst was en een ander, -op voorwaerde dat sy ons meer ververschinge souden brenghen. Gaven -haer oock 25 rejalen aen gelt, om daer verckens voor te brenghen, -en lietense daer op nae landt toe varen. Des nachts is onse jonck -(daer wy mede doende waren te sloopen) gesoncken. - -Den 9. en 10. dito haelden wy water, soo voor de jonck als ons schip, -en setten 17 man van ons volck op de jonck om met malcander na de -Piscadoris te seylen, soo drae het wint en weer was. - -Den 11. dito quamen de laetste twee Chinesen weder van landt met -haer brengende 5 verckens, een parthy eyeren, vijgen, appelen, en -ander goet. - -Den 12. waeydent een gheheele storm; streecken onse rees neer. Een -Chinees prautjen dreef van ons wegh, met een van onse maets; sonden de -sloep daer na toe, haelden hem daer uyt; maer het prautjen kosten sy -door de harde wint niet op-roeyen; haddent achter de sloep gebonden; -lieten het eyndelijck drijven en quamen weer aen boort. - -Den 13. dito lieten wy de Chinesen, die ons de ververschinghe ghebracht -hadden weder nae landt varen, met haer beloofde twee landtsluy. - -Den 15. dito waren die maets inde jonck doende om een bas te beproeven, -die sy op een nieu roopaertje gheleydt hadden [209]. Laden het met -dubbel scherp; settent met de mondt nae de deur vande jonck. Met soo -komter een jonghman uyt een vande ruymen, gaet inde deur staen om sijn -water te maecken, niet wetende van de anderen haer doen. Daer op komt -een met de lont-stock vande ander kant (de jonghman niet siende) en -steeckter de brandt in, en schiet de jonghman door sijn been. Voorwaer -een droevigh ongeluck en groote onvoorsichtigheydt van den aensteecker. - -Wy slachten in ons schip des achter-middaeghs een buffel met een -vercken, om alsoo des anderen daeghs onse Paesch-Feest daer mede -te houden. - -Terwijl de maets doende waren, plock-haerden onse Domine met een -assistent, die beyde in de boeyen geset worden. - -Den 16. dito, sijnde Paesch-dagh, wierden sy beyde daer weder uyt -ghelaten. Doe quam het volck uyt de jonck altemael in ons schip, -om de predicatie te hooren [210], en bleven voort onse gast op de -buffel. Des ander daeghs quamen sy weder om predicatie te hooren; -was alle daghen onghestuymigh weder en variabele winden. - -Den 19. dito werdt de jonghman, die in sijn been gheschoten was, -het been afgheset, die ontrent een uer daer nae sturf. - -Den 20. dito ongestuymigh weder uyt den O.N.O. Schooten onse stenghen -[211], lieten noch een ancker vallen; sacher uyt, oft al stucken -waeyen sou wat om en an was. De twee Chinesen, die den 13. van ons -schip waren ghescheyden, quamen weder aen boort, brochten ons weder -eenighe verversingh, seyden ons, datter wel twee hondert joncken -gelijck souden komen om ons te vernestelen [212]. Maeckten ons daerom -(op die waerschouwinghe) van alles klaer, om haer, soo sy quamen, -te begroeten. - -Den 27. dito setten wy onse scampan in 't schip en twee -visschers-prauwen daer uyt, die de jonck in sette. Verlanghden om -t'seyl te gaen, want dorsten daer niet wel langer blijven. Doch door -dien dat het alle dagen soo sterck waeyde en stormde, kosten niet -wel t'seyl komen, te meer omdat de wint ons tegen was. - -Den 28. brachten wy 20 Chinesen in de jonck, om die nevens de onse -aen de Piscadoris te brengen. - -Den 29. dito, 's morgens met redelijck weer, de wint O.N.O., gingen -wy t'seyl met onse jonck, doch hadden veel omswervens in zee door -harde contrarie-wint en anders. - -Den 1. May ongestadigh weder. Des morgens sagen wy dat onse jonck -van ons gedwaelt was, doch ten laetsten saghen wy hem een groot -stuck in ly van ons; lagh heel in onmacht: sijn seyl was wegh -ghewaeyt. Vonden daerom goedt, alsoo het heel hard begon te waeyen, -het volck daer uyt te lichten. Ick voer ten dien eynde met de boot -heen; namen het volck over, doch konden nevens ons volck, die 16 in -'t getal waren, niet meer als thien Chinesen over krijgen; de andere -waren schuyl ghekropen. De wint begon oock hard op te steken, soo -datter noch thien Chinesen inde jonck bleven en wegh dreven. Quamen -des middaeghs weder aen boort; gisten ons ontrent 8 mijlen buyten de -Oostelijckste eylanden van Macou te wesen. En alsoo hier een gestadige -wint waeyt, ontrent half jaer om half jaer, dat men het Moson noemt, -soo kan die gheene die te laegh vervalt, 't zy aen de eene of ander -kant vande Piscadoris niet wel opwaert aen komen, voordat dat Moson -weder verloopen is. Swurven om die oorsaeck hier lange tijdt, dan eens -settende dan eens seylende, eer wy inde Piscadoris quamen. Leden oock -veel ongemack van storm en sieckte, by gebreck van verversinge; jae, -waren op het laetste van 90 mannen boven 50 gesonde mannen niet van -ons eygen volck. In onse wegh ontmoeten wy noch een Chinesche jonck, -kostelijck geladen, eenighe duysenden waerdigh, die nae de Manieljes -wilde. Namen hem; hadde wel 250 sielen in. Nam het volck meest over, -op ontrent 20 a 25 man nae, en stelden 15 a 16 man van ons volck daer -by, en bonden de jonck achter aen ons schip en sleepten hem. - -Wy hadden doe ettelijcke hondert Chinesen in ons schip; waren -bevreest dat sy ons overweldighen souden, want wy, als verhaelt, -maer 50 gesonden mannen sterck waren. Lieten al ons volck met geweer -op zijd' gaen, even oft altemael officieren waren. - -Des nachts lieten wy al de Chinesen in 't ruym loopen, setten dan -een stut boven op 't luyck en behingen het overal met lampen, dat -het onder 't verdeck licht was, en by 't luyck hielden 5 a 6 man -met bloote sabels de wacht, en des morghens deden wy het luyck op en -lieten de Chinesen boven komen, om haer gevoegh en anders te doen, -waer door het krielde van menschen op 't schip. Ick was dickwils inde -kejuyt ghegaen om te slapen, maer konde niet. Als ick boven quam, -soo maeckten de Chinesen datelijck ruymte, gingen aen beyde sijden op -haer kniejen leggen, met de handen t' samen, soo dat sy als lammeren -waren. Daer wierde verhaelt, dat onder haer een prophetye was, -dat haer landt ingenomen soude worden van mannen met roo baerden, -en alsoo ick een rood' baert had, schenen sy dieshalven my met meer -vreese te aenschouwen. Doch dit was soo het seggen; hoe het is, -is Godt bekent. Wy dorsten haer evenwel niet vertrouwen. - -Sy gingen 's morgens langhs de boorden van 't schip en inde rusten -[213] sitten; reynighden en kemden haer. Sy hadden sulck langh hayr, -dat het veele, als sy over eynde stonden, tot de waden [214] vande -benen hingh, 't welck sy met een dray, vlechts-gewijs, op haer hooft -leggen; steecken daer een pen door die 't vast houdt, met de kam daer -teghen aen. Wy brachtense alle inde Piscadoris; daer worden sy alle, -nevens de andere Chinesen, die wy en andere schepen en jachten daer -ghebrocht hadden, twee aen twee aen malcanderen ghesloten. Mosten aerd' -aendragen tot het fort; jae, doe het fort ghemaeckt was, warender wel -14 hondert in 't getal, die doe meest nae Batavien wierden gebracht -en aldaer verkocht. De Piscadoris was ons rende-voes plaets, als -verhaelt is [215], daer wy stee hielden; en voeren daer van af en aen, -en namen alle Chinesen, die wy krijghen konden en brachten die daer -by een. Terwijl wy hier inde Piscadoris laghen, kreghen wy sulcken -oorkaen, dat al de schepen bykans op 't droogh waeyden; onder alle -onse jonck waeyde geheel op 't landt. - -Inde Piscadoris leggende kreegh ick een brief van Batavia, door -Christiaen Fransz., van mijn broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe, -die, als voor verhaelt is, schipper op 't schip Haerlem was, die den -4. Januarij, op de kust van China, van ons nae Batavien gingh. Schreef -my, dat onsen broeder Jacob Ysbrantsz. 't voorgaende jaer oock voor -schipper in Indien was ghekomen uyt Hollandt, wesende doe met ons drie -gebroeders in 't lant, alle drie schippers. Verhaelde dat Jacob met -het schip Mauritius, in compagnie van 't Wapen van Rotterdam, heel -miserabel aen quam: hadden onder weegh yder ontrent 275 man verloren -[216]. Het Wapen van Rotterdam had soo veel gesont volck niet behouden, -dat het sijn seylen kost gebruycken. Jacob quam in de Straet van Sunda -by twee jachten, die Jacob voor Batavia brochten, maer 't ander schip -had Jacob gelaten aende Suyt-sijde van Java, daer hy met jachten en -vaer-tuygh na toe wierde gesonden, om het te soecken; vonden hem, en -hy wierter schipper op gemaeckt. Wiert nae Ambona ghesonden. Schreef -oock, dat den Heer Generael Koen met het schip, daer Jacob mede in -'t landt quam, te weten Mauritius, uyt Oost-Indien nae Hollandt was -vertrocken den 2. Februarij 1623, in compagnie van noch drie schepen, -en dat den Heer Pieter de Carpentier daeghs voor het vertreck van den -Heer Koen tot Generael over Indien gestelt was, etc. [217]. Daer quamen -doe oock veel huysgesinnen uyt Hollandt op Batavia, soo met het Wapen -van Hoorn, daer schipper op was Pieter Gerritsz. Bieren-Broots-Pot, en -andere schepen. Daer trouwden oock veel Hollanders op Batavia, soo dat -vele haer hier vast maeckten, om soo licht niet te vertrecken [218]. - -Den 25. October isser by den E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. en -sijne Raden gheordonneert, dat wy met ons vijf schepen (te weten het -schip Groningen, Samson, Muyden, Erasmus en Victoria, welck laetste om -reden niet mede gingh) onder den Commandeur Christiaen Fransz. souden -gaen nae de reviere van Chinchieu, om de selfde beset te houden, datter -geen joncken na de Manieljes of andere onser vyanden plaetsen souden -varen, en aen haer te versoecken, gelijck wy dickwils en gestadigh -ghedaen hadden, den vryen handel met haer op Tajouan, en haer als -dan alle vreed' en vriendtschap aan te bieden; doch indien sy hier -in niet wilden consenteren, haer den oorloogh aen te doen, te water -en te land', waer het selfde met avontagie en tot voordeel vande -Compagnie kon geschieden; gelijck dat selfde breeder was uytgedruckt -inde instructie ons vanden E. Heer Commandeur en sijne Raden mede -ghegeven. Gingen dien selfden dagh noch t' seyl. - -Den 28. dito quamen wy voor de voornoemde revier; setten het onder het -eylandt met de pagoden, daer al 't volck was afgevlucht, behalven een -oudt man, die wy vonden. Lieten, ghelijck onse ordre was, een witte -vlagge waeyen, hopende datter yemand van Aymuy by ons soude komen, -om ons te verspreecken [219]. - -Den 29. dito wierdt onder ons goedt ghevonden, dat men op yder schip -30 a 40 swabbers soude maecken en 8 a 9 balijs [220] met water, -als oock een deel leeren emmers langhs 't schip souden stellen, -om (of de Chinesen ons met branders toequamen) de brant te uytten; -als oock, dat men scherpe wacht soude houden en dat twee schuyten -een derden deel van een mijl vande schepen alle nachten op de wacht -souden leggen, oock om water te halen. Roeyden de stucken op [221] -en waren wel op onse hoede. En alsoo niemandt van Aymuy by ons quam, -schreven den 30. dito een brief aenden totock van Aymuy [222] en -bestelden die met die oude Chinees, die wy op 't eylandt vonden. Wy -schreven, dat wy aldaer gekomen waren, om met haer den handel en vrede -te versoecken, gelijck wy inde voorige conferentie tusschen haer en -ons gehouden gedaen hadden, en voort eenighe complementen tot sulck -schrijven wel voeghende. Publiceerden oock dien selfden dagh dese -navolgende Ordonnantie, op alle de schepen. - - - ORDONNANTIE, - - WAER NAER SICH HET VOLCK VANDE SCHEPEN, LEGGENDE IN DE REVIERE - VAN CHINCHIEU, SULLEN HEBBEN TE REGULEREN. - - Alsoo wy met ons vier schepen alhier in de Reviere van Chinchieuw - legghen, om soo veel als moghelijck is die van China 't uytvaren - naer Manilha ofte eenige andere onser vyanden plaetsen te beletten; - derhalven wel te vermoeden is, dat de Chineesen niet sullen naer - laten hun uytterste devoir te doen, om ('t zy met openbaer gewelt, - onder schijn van vrede, ofte andere bedrieghelijcke middelen) met - haer brandt-schepen, (diese mette stroom souden mogen afseynden) - ons van hier te drijven; waeromme hoogh-noodigh is, datter vooral - in alle de schepen ofte boots en de chaloupen ('t zy datse aen - boort ofte een stuck boven stroom vande schepen als uytleggers - mochten leggen) goede, scharpe ende behoorelijcke wacht wordt - ghehouden. Ende alsoo bevinden, dat deselve dickmalen by de - matroosen seer slechtelijck werden waer genomen, sonder acht te - nemen wat schade ende onheil daer door te verwachten hebben; - werdt hier mede by den E. Commandeur Christiaen Francxz ende - Raet gheordonneert ende bevoolen, ghelijck wy ordonneren ende - beveelen midts desen, aen alle scheeps-officieren ende matroosen, - niemant uytgesondert: dat yder sijn wachte ter plaetse daer hy - soude mogen gestelt werden, behoorlijck sal waernemen, op pene dat - de gene, die slapende ofte ter contrarie doende bevonden werdt, - driemael vande rhaa sal vallen, ende met hondert slaghen voor - de mast gheleerst werden [223]. Ider wacht sich voor schade, - alsoo dese voorsz. Ordonnantie, sonder eenige dissimulatie aende - contraventeurs, naer behooren sal ghe-executeert werden, want 't - selve in aequiete ende naer gelegenheit der saken alsoo bevinden - te behooren. Actum in 't schip Groningen, legghende inde Reviere - van Chinchieuw, desen 30. October 1623. - - -Den 1 November quammer met een scampan een Chinees, ghenaemt Cipzuan, -aen ons boort. Sey, soo wy om vrede en den handel te versoecken quamen, -dat het aen haer sijde niet en soude manqueren, alsoo de ingesetenen -daer alle wel toe genegen waren, en gaf ons voort goede hoope van een -goet succes. Seyde oock, datter wel 300 Chinese coop-luyden vergadert -waren gheweest, en hadden besloten een request aenden Combon [224] -van Hockzien te presenteren en te versoecken, om met ons te mogen -handelen, alsoo sy (soo hy seyde) door den oorlogh haer goet verloren, -en soo den oorlogh continueerden, geschapen stont om t' eenemael te -verarmen; resolveerden daerom instantelijck den handel en vrede met -ons aenden voorschreven Combon te versoecken. - -Desen Cipzuan seyde vorder, datter ter plaetse daer hy woonachtigh -was een kluysenaer of Eremijt in 't geberghte woonde, die van grooten -afcomste was, en hadde machtigh rijck (meene oock Banderijn [225] -over die provincie) geweest, hebbende hem nae 't overlijden van sijn -huysvrou, die hy seer lief hadde, tot dese eensaemheydt begheven; dede -nu niet anders (soo hy seyde) als arme luyden, die gheen middelen -en hadden, haer saecken by de grooten uyt te rechten [226]. Was -alsoo by de grooten en by de kleynen in hooge achtinghe en aensien; -jae, hy wierde voor een propheet en sijn woorden voor prophetien -ghehouden. Seyde oock, dat hy desen cluysenaer het verschil [227] -tusschen ons en haer te kennen had ghegheven, en hy oock verstaende, -dat de grooten preperatie maeckten om ons te beoorloghen, was hy -(seyde Cipzuan) by haer gegaen, hun voorseggende, dat (soo sy ons den -oorloogh aen deden) sy haer staet in perijckel souden stellen. Waer -over Christiaen Fransz. den voornoemden Cipzuan vraeghde, ofmen -die cluysenaer niet te spraeck en soude konnen komen, om hem ons -oprecht en eerelijck versoeck met alle omstandigheyden te vertoonen; -'t welck Cipzuan beloofde te sullen beschicken en twijffelde niet, -of soude dat wel verwerven by hem, en seyde: "Dit sal ick doen, om dat -[228] ghy ghelooven sult, dat ick het goedt met u meene." Daer op is -hy vertrocken; verklaerde steels-gewijs by ons gekomen te zijn. - -Den 3. dito is Cipzuan met de geseyde cluysenaer, nevens noch een -Chinees, aen ons boort ghekomen. Wy verklaerden hem de oorsaecke van -onse komst en wat onse meninge en versoeck was. Die (nae datter eenige -reden weder-sijds waren ghevallen) ons beloofde sijn uytterste devoor -te sullen doen, om de saeck tot een goet eynde te brenghen. Gaven hem -een brief (van den selfden inhoudt als die wy met den ouden Chinees -ghesonden hadden) aen den Totock. Hy beloofde die self den Totock te -behandigen. Twee a drie daghen daer nae quam Cipzuan weder by ons -en bracht antwoordt op de onsen, waer in den Totock schreef, dat -hy verstaen hadde, dat wy met onse schepen onder 't eylandt met de -Pagoden gearriveert waren, den vrede en handel met haer versochten, -'t welck hem lief was, soo wy het met goeder herten meenden en niet -ghelijck wy voor desen met valschheydt en bedroch (ghelijck hem -beliefde te schrijven) gedaen hadden. Soude dan wel mogelijck zijn om -een goet accoort te maecken. Hadde ons, inde laetste conferentie met -ons ghehouden, twee weghen gewesen, te weten: De gevanghen Chinesen -in vryheydt te stellen en Pehoe, by ons genaemt de Piscadoris te -verlaten, en hadden gheen van beyden willen accepteeren, waer door -de handelinghe doe vruchteloos afliep. - -Wy antwoorden, dat onse meninge goedt was en altijdt geweest hadde. Hy -schreef wederom, dat hy verstaen hadde, dat wy ghekomen waren om de -Chinesen te berooven, en gheen gelt of coopmanschap mede brochten -om te handelen; waer op hy versocht, dat wy onse meninge souden -verklaren. Waer op wy weder aen hem antwoorden, dat onse meninghe -goedt was, en niet anders als vooren den handel versochten. Hy schreef -wederom, de wijle wy persisteerden by onse goede meninge dat wy dan een -capiteyn by hem souden senden, om van alles met hem te handelen en een -vrede of bestant tusschen malcanderen te sluyten, voor een deel jaren -of voor eeuwigh. Wy versochten daer op aenden voorschreven Totock, -dat hem soude gelieven toe te laten, dat wy met een jacht voor Aymuy -mochten komen, om dicht byder handt te zijn, want dese sake beter van -naeby als van verre konde afgehandelt worden. Hier toe kreghen wy -met den naesten licentie, om met 1 a 2 schepen voor Aymuy te mogen -komen. Hebben eyndelijck den 13. dito met malcander goet gevonden, -dat onsen Commandeur Christiaen Fransz. met de jachten Muyden en -Erasmus naer Aymuy soude seylen. - -Den 14. dito vertrocken de jachten, die des anderen daeghs voor Aymuy -quamen, en wy met de twee schepen bleven onder het eylandt legghen. - -Tusschen den 17. en 18., in den nae-nacht, ben ick met de boot nae -onse jachten gevaren, om eens tijdingh te hebben, hoe de sake met -haer gheleghen was, want het begon ons te verdrieten, dat het soo -langh duerde, daer het voor haer vertreck soo naeby scheen. Maer -onder weegh sijnde, dicht by de jachten, saghen wy dat het eene jacht -inde brandt stondt, en het ander hadde oock drie branders aen boort; -en voeren in groot perijckel door een groote menighte vaer-tuygh -van scampantjes en eenige oorlooghs-joncken, en sagen ontrent 50 -branders. Voeren aen 't jacht Erasmus, dat door kloeckmoedigheydt de -eene brander hadde uytgheblust en de andere twee van haer ghekreghen, -soo dat sy miraculeusselijck van dat perijckel verlost wierden. Maer -het jacht Muyden raeckten sijn fock en voor-marsseyl stracx in brant en -scheen niet te helpen; verbranden en sprongh voort met volck met al, -sijnde een deerelijcke sake. Wy ginghen terstondt nae onse schepen, -met het jacht Erasmus. - -De vrienden van Erasmus verhaelden ons, hoe sich de saecke tot soo -verd hadde toe gedragen. Seyden: Met dat sy voor Aymuy ghecomen waren, -kregen sy terstont eenige gedeputeerden aen boort, versoeckende dat -eenighe vande hoofden aen landt by den Totock souden komen, om van -de saecke mondelingh met malcander te spreecken; 't welck by den -Commandeur beleefdelijck wierde afgheslagen, hem excuserende gheen -bequame tolcken daer toe te hebben. Maer soo 't den Totock geliefde, -soude eenige vande sijne senden, met volle macht, om met ons een -accoort te sluyten. Daer op voeren sy weder nae landt. - -Weder komende seyden: Dat den Totock haer volkomen hadde geauthoriseert -en volle macht ten dien eynde gegeven, en dat alles wat van haer -met ons gesloten sou worden, vast en onverbreeckelijck van hem soude -ghehouden en van waerden ghekent worden. Sijn daerop met malcander in -handelingh getreden, en geaccordeert en besloten, dat sy in Teyowan -met ons souden komen handelen [229], en aldaer soo veel sijde waren -brenghen als ons capitael soude strecken: Datse op de Manilha, -Cambodia, Siam, Patany, Jamby, Andrigerry, ofte op eenige andere -plaetsen niet en souden varen, als met pas van ons: datse oock 4 a 6 -joncken nae Batavia souden senden, om aldaer met den Heer Generael -te spreecken wegen de saecke vande Piscadoris, daer sy ons garen -af hadden. - -Dit accoort solemneel ghemaeckt sijnde voeren sy aen landt; quamen -daer nae wederom aen boort; versochten, dat eenighe capiteynen by den -Totock aen landt geliefden te komen: dat het accoort op de eene sijde -in 't Chinees en op de ander sijd' in Duyts [230] soude geschreven -en beswooren worden, opdat den Totock den Combon van Hockzieuw mocht -schrijven alsoo in sijn presentie geschiedt te zijn. Brachten met -haer drie Manderijns tot ostagiers [231], en (nae haer gewoonte) -drie pijlen tot verseeckerheydt. - -De Commandeur Christiaen Fransz. met de Raden vande jachten hebben -daerop goet gevonden, dat hy Commandeur self met Doede Florisz. Craegh, -schipper op Muyden, en Willem van Houdaen [232], opper-coopman op -Erasmus, haer aen landt souden vervoeghen, om het boven geschreven -te verrechten. Aen landt ghekomen sijnde, met ontrent 30 man, onder -ander oock de schipper van Erasmus, Jan Pietersz. Reus, wierden daer -(soo 't scheen) heel wel ontfanghen. Sy stelden tafels op strand' -voort bootsvolck; disten wacker op. Den Commandeur belasten Jan -Pietersz. Reus, dat hy op de maets passen zou, om die stracx weer -nae boort te schicken, en sy [233] wierden geleyt na 't huys van den -Totock. 't Scheen dat sy de boots-gesellen sochten droncken te maecken; -de Mandorijns dienden de tafel; wilden dat schipper Jan Pietersz. Reus -mede opwaerts nae de Totock soude gaen. Hy geliet hem of hy noch volgen -sou, maer siende (soo hy hem inbeelde) dat het gheen klaer-schapen -werck was, dede de maets opstaen en datelijck inde boot vallen, -en voer met haer nae boort. - -'s Avondts (ghelijck het besproocken was) gingh de stierman Moses -Claesz. van 't jacht Muyden, met een ghemande sloep nae landt, om -onse drie voornoemde Raden te halen. Aen landt komende wierden vande -Chinesen ghehouden. 't Volck inde jachten wisten niet wat sy dencken -souden, waerom dat de sloep en onse Raden soo langh aen landt bleven; -vraeghden daerom de ostagiers, waerom de onse niet weder en quamen; -antwoorden: Sy sijn vrolijck. Maar die vrolijckheydt is wel af te -meten, want inde selfde nacht, ontrent vier uren voor daegh, quamen -sy (als voor verhaelt is) wel met vijftigh branders, om de jachten -te vernielen; gelijck sy 't eene deden, etc. De Chinesen hadden oock -eenigh Chinees bier aende jachten gesonden, daer sy vergif in ghedaen -hadden, om alsoo ons volck te vergeven, maer wierde sonder schade by -ons bekent [234]; 't scheen dat Godt het niet beliefde. Dese tijdinghe -smarten ons alle dapper, want was een groot verlies voor ons en een -goddeloos schelm-stuck vande Chinesen; dan Godt sal alles te sijnder -tijdt oordeelen. - - - Ter wereldt en is geen booser fenijn: - Dan Vriendt te schijnen en Vyandt te zijn. - - -Den 18. dito haelden wy eenigh brandt-hout uyt de huysen op 't eylandt -met de Pagoden, daer wy onder laghen, dan resolveerden te verseylen -aen de Noort-sijde vande revier, om aldaer te vryer voor de branders -te legghen, want wy sagen nu wel, datse gheen vriendtschap maer -vyandtschap met ons sochten. - -Den 19. dito quam het schip de Engelsche Beer uyt Jappon by ons, -die wy alle ghelegentheydt van ons wedervaren verhaelden, en om dese -en meer andere oorsaecken is den Raedt van de schepen vergadert in -het schip de Beer, en besloten 't gene uyt dese navolgende resolutie -verstaen kan worden. - - - RESOLUTIE - - GHENOMEN BY DE OVER-HOOFDEN VANDE SCHEPEN DEN ENGELSCHE BEER, - [GRONINGEN] [235], SAMSON EN ERASMUS OP DEN 24. NOVEMBER, VOOR - DE REVIER VAN CHINCHIEUW, 1623. - - Alsoo (op den 11. November uyt Jappon vertreckende, tot meerder - verseeckeringe van onze reyse nae de Piscadoris) goet gevonden - was de kuste van China aen te doen, soo sijn wy God lof op den - 19. deses voor de reviere van Chinchieu ghekomen, en aldaer - ghevonden de schepen Groningen, Samson en Erasmus, waer van wy - tot ons groot leetwesen hebben verstaen het deerlijck verbranden - van het jacht Muyden, als oock de gevanckenisse vanden Commandeur - Christiaen Fransz. en de andere gecommitteerde, welcke van onse - sijde ghegaen waren, om de vrede met haer te bevestigen. En - alsoo de Instructie van den Heer Commandeur Cornelis Reyersz. is - vermeldende, datmen 't zy oorloogh of vrede de revier van Chinchieu - met schepen beset sal houden, soo ist dat de vrienden vande - boven-genoemde schepen klaghen seer van sieck volck overladen - te zijn, voornamentlijck de Samson, hebbende qualijck soo veel - gesont volck, dat hy sijn ancker konde lichten, en dien volgens - ghenootsaeckt soude wesen de kust te verlaten, of sijne siecken - andere over te geven, om nae de Piscadoris te brengen. - - Is derhalven goet gevonden en geresolveert (nademael de vrienden - voornoemt rapporteerden, dat de E. Heer Commandeur Cornelis - Reyersz. met de meeste siecken van de Piscadoris nae Teyowan - vertrocken is [236], soo dat weynigh siecken inde Piscadoris zijn) - vande ververschinge, die wy voor de vloote sijn hebbende, aende - boven-genoemde drie schepen over te geven: Tien duysent groote - appelen, tien duysent mikans [237], 20 verckens, 200 pompoenen en - drie koe-beesten, op dat door noot van ververschinghe, tot ondienst - vande Compagnie, de revier van Chinchieu niet onbeset blijve. - - En alsoo door de ghevanghenis van den Commandeur Christiaen - Fransz. de vloote van een over-hooft ontbloot is, soo - heeft den Raedt provisioneel tot nader ordre van den E. Heer - Commandeur Cornelis Reyersz. ghestelt en stelt by desen Willem - Ysbrantsz. Bontekoe, om in alle voorvallende saecken den raedt - te beroepen, daer in te presideren, ende als vooren de vlagge - vande groote stengh te voeren etc. - - Aldus ghedaen en gearresteert in 't schip den Engelsche Beer - datum en jare als voren. Was onderteyckent by - - Isaac vande Wercken. - Frans Leendersz. Valck. - Herman de Coningh. - Pieter Fransz. - Jan Pietersz. Reus. - - -Dese ververschinge verquickten onse siecken uyttermaten; hielden de -reviere soo veel doenlijck was beset en onvry, volghens onse ordre, -soo dat de Chinesen niet vry op de Manieljes en elders mochten varen; -namen verscheyden van haer joncken en ander vaertuygh [238]. - -Eyndelijck ben ick weder verseylt nae de Piscadoris, en alsoo mijn -tijdt ghe-expireert was, en niet ghesint wesende my weder op nieu -te verbinden, hoe wel den E. Heer Cornelis Reyersz. my daer sterck -op aensocht, my presenterende veele goede en beter conditien als -ick gehadt hadde, nevens merckelijcke verhooginghe van gagie, -verwurf eyndelijck nae veel versoeckens, dat ick mochte overgaen -op een ander schip dat ghereet lagh om nae Batavia te vertrecken, -genaemt de Goede Hope. De E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. gaf -ons in 't lange mede een resolutie, waer nae wy ons in de voyagie en -ontmoetinghe van andere onse schepen souden reguleren, onder anderen -oock dese korte instructie: - - - INSTRUCTIE - - VOOR DE RAEDTS-PERSOONEN VAN'T SCHIP DE GOEDE HOPE UYT PEHOE NAER - BATAVIA VARENDE. - - Alsoo onse Heeren Meesters ende d' Edele Heer Generaels begeerten - is, datter in alle schepen een persoon gestelt wort, om in alle - voorvallende saecken den raedt te beroepen, ende over den selvige - te presideren, - - Soo ist dat wy daertoe goedt ghekent hebben Willem - Ysbrantsz. Bontekoe, schipper op dito schip, om [lees: die] in - alle voorvallende saecken den dienst der Compagnie betreffende - den raedt sal beroepen, oock daer over presideren, ende de eerste - stemme hebben. - - Jan de Moor, coopman. - Jan de Nayer, stierman. - Hoogh-bootsman. - Onder-stierman,--de 5de stemme. - - Dese voorsz. raedts-persoonen wordt de volvoeringhe vande voyagie - ten hooghsten bevolen, oock 't ghene den dienst der Compagnie - is betreffende soecken te vorderen, en alle vlijt aenwenden om - naer te komen, 't gene ampel inde mede-ghegheven resolutie van - dato 19. Februarij, Anno 1624, verhaalt staet. In 't Fort in de - Piscadoris, desen 20. Februarij 1624. - - Cornelis Reyersz. - - -Den 21. Februarij ben ick met het schip de Goede Hope uyt de Piscadoris -t'seyl ghegaen nae Batavia, doch met instructie eerst dwars over te -loopen nae de kust van China, 't welck wy deden; maer kreghen een -harde storm, doe wy by de kust waren, en bevonden dat ons schip soo -onbeniert [239] was, dat wy het met de fock qualijck voor wint om -konden krijghen. Waren oock soo leck, dat wy staegh aende pomp mosten -staen; vonden daerom ongheraden daer langher by te houden, maer onse -reyse nae Batavia te vervorderen. Hielden voor wint af, passeerden -den 24. a 25. dito de eylanden van Macou; hadden veel variabel weder. - -Den 6. Meert quamen wy by de Engelsche Beer, daer coopman op was Isaac -vande Wercken en schipper Frans Leendertsz. van Rotterdam. Quamen ons -aen boordt; verhaelden dat sy aen de Chineesche kust wel hondert en -tsestigh Chinesen (soo mans, vrouwen en kinderen) ghekregen hadden, -die wy volgens onse ontfanghen instructie van haer wilden overnemen -en hem belasten by te houden, maer sy verklaerden ons, dat haer schip -soo swack en leck was, dat sy 't qualijck boven water konden houden -en daerom ghenootsaekt waren dragent te houden nae Batavia [240]. - -Den 8. dito bracht de schipper van de Beer ons twee kleyne beesten -tot verversinghe. - -Den 9. dito voeren wy de Beer aen boordt; kregen weder twee beesten, -een perthy boonen, eenighe potten met oly, en andere saecken. - -Den 17. dito liepen wy onder Poelepon ten ancker, haelden hier water -en namen 64 Chinesen van de Beer over. Voeren oock om brandthout -te hacken. - -Den 20. dito ginghen wy weder onder seyl. - -Tusschen den 25. en 26. dito is de Beer van ons gedwaelt. - -Den 30. dito quamen wy onder 't Mensch-eters eylandt ten ancker. - -Den eersten April lichten wy ons ancker en quamen des anderen daeghs, -zijnde den 2. April, op de rede voor Batavia. - -Dede doe wederom eenige tochten om steen aende voorgenoemde eylanden -tusschen Bantem en Batavia [241]. - -Ick van voornemen zijnde om my met de eerste gelegentheyt nae -Hollandt te transporteren, bevindende dat het spreeck-woordt waer en -uyt de ervarentheydt bekrachtight is: yder voghel is gaern daer hy -uyt-ghebroedt is; want wat schoone landen, kusten en rijcken, datmen -beseylt en besiet, wat conditien, profijten en vermakelijckheyden -datmen gheniet, 't soude ons maer pijn wesen, soo die hope ons niet -onderhiel van dat selfde eens nae te vertellen in ons Vaderlandt; -want om die hope heten onse reysen "Reysen", anders soude tusschen -de ballinghschap en sulck hopeloos reysen niet veel verschil zijn. - -Terwijle ick hier van Batavien af en aen voer om steen (als verhaelt) -wierdender drie schepen, te weten het schip Hollandia, Gouda en -'t schip Middelburgh ghereet gemaeckt om nae Patria te gaen; welcke -ghelegentheydt ick waer nam: Versocht aen den E. E. Heer Generael -Carpentier en sijne Raden, om daer mede te moghen vertrecken, 't welck -ick verwurf. Stelden my tot schipper op het schip Hollandia, zijnde een -treffelijck ghemonteert schip. Den Commandeur Cornelis Reyersz. was -ondertusschen oock uyt de Piscadoris op Batavia ghekomen, om mede -nae huys te vertrecken; wierde ghestelt tot Commandeur over de drie -voornoemde schepen; kreghen hem in ons schip; was een gauw, ervaren -man, die de Compagnie in veel saecken groote diensten ghedaen hadde. - -Hier op Batavia zijnde, sprack ick mijn landtsman Willem -Cornelisz. Schouten, hadde veel ommegangh met hem [242]. Hy gingh op -het schip Middelburgh, om mede met ons in compagnie nae 't Vaderlandt -te gaen. - -Den 6. Februarij 1625 zijn wy met ons drie voornoemde schepen van -Batavia vertrocken, om, soo Godt wilde, nae huys te gaen. Deden in -passant Bantem aen, daer eenighe van onse schepen laghen; lichten -daer een grof touw met een marsseyl uyt; namen doe ons afscheydt -vande vrienden, met een Westelijcke windt, dat voor ons inde wint -was. Laveerden daerom tot onder 't eylandt Sebbesée, 't welck aende -binnekant vande Straet van Sunda leydt, Sumatra naest. Bleven aldaer -3 a 4 daghen legghen, nae de goede windt wachtende, oock omdat de -stroom soo hard de Straet inviel. - -Den 15. dito zijn wy weder t' seyl ghegaen met de landt-windt; -kreghen een slagh-boegh [243] en raeckten den 16. dito buyten de -Straet van Sunda, hebbende den windt Westelijck. Liepen om de Suyd, -met weynigh koelte, doch de windt wackerde van dagh tot dagh; liepen -al Suydwaert over; verhoopten een Suydelijcke windt te krijghen. - -Den 27. dito kreghen wy de windt uyt de Suydelijcker handt; hadden de -hooghte van 17 graden Suyder-breete. Wenden als doen Westwaert over en -stelden onse cours Westelijck aen, nae de Caep de Bonesperance toe, -tot dat wy kreghen de hooghte van 19 graden Suyder-breete. Hadden -een S.O. windt en hy oostelijckte noch al op de handt; ginghen al -Westelijck aen met stijve koelte, soo veel als wy gaende konden houden. - -Den 15 Maert, 's morghens de son in 't opgaen ghepeylt hebbende, -bevonden 22 graden, afgaende Noord-westeringh van 't compas [244]. Den -selfden dito wierdt onsen Commandeur Cornelis Reyersz. heel sieck. - -Den 16. 17. 18. dito begon het soo stijf te waeyen, dat wy 't -voor een schoovers-fock met de blind op gheen 8 streecken konden -gaende houwen [245]; vreesden dat wy 's nachts van malkander souden -raecken. En alsoo wy het vyer 's nachts voerden [246], soo liep ick -by den commandeur in de cajuyt en ontboodt daer de scheeps-raedt; -seyde teghen den commandeur, die (als verhaelt) heel sieck lagh: "Soo -wy dus te nacht seylende blijven, soo vrees ick, dat wy morgen van -malcander sullen wesen, want het volck konnen 't op gheen 8 streecken -gaende houden. Oordeel daerom best te wesen de seylen by daegh in te -nemen en schieten onder zee [247], want als onse mackers dat sien, -sullen van ghelijcke doen; dan heb ick wel moet, dat wy malkander in -dese nacht soo verde niet sullen ontdrijven, of wy sullen malkander -morghen wel sien." Daer op seyde den commandeur: "Dunckt u dat goedt -te wesen, schipper, soo laet ons soo doen." Het welck wy deden. Namen -onse fock met de blind by daegh in, besloeghense wel dicht [248], -en schoten onder zee. - -Onse twee ander maets, te weten het schip Gouda en Middelburgh, dat -siende, deden van ghelijcken; namen haer seylen in, en schoten mede -onder zee. Leyden 't met de steven Suydwaert over. Ses glasen in de -nacht [249] begon het soo schrickelijck te waeyen, dat het dieghene -die 't noyt ghehoort noch gesien heeft onmooghlijck sou schijnen -dat de windt sulcken kracht kan by-brengen. De windt was rondtom -de compassen, want de compassen dreyden rondtom, dat wy niet konden -sien hoe wy wendt lagen. Het schip sackte door de windt soo laegh in -'t water als of de windt recht van boven neer quam, dat het scheen -dat de anckers, die op de boegh stonden, by 't water quamen; jae, -meende dat het schip sonck. Ten lesten waeyde onse groote mast over -boordt en brack ontrent drie vadem boven 't boevenet [250], waer door -het schip doen weder rees. Wy stonden by malkander met de hoofden -teghen malkander aen, maer konden niet roepen noch spreecken dat wy -malkander konden verstaen, te weten die boven waren. - -Dese onstuymighe harde windt, die men een orkaen noemt, duerde ontrent -6 a 8 glasen; doen begon den windt weder te minderen. Doen het op -sijn hartste waeyde, was het water soo slecht [251] als een taeffel, -dat het hem niet konde verheffen; maer toen die wint af nam, verhief -hem de zee soo gheweldigh, dat het scheen dat het schip het onderste -boven soude rollen [252]. Het slingerde altemet het boordt los onder -water, waer door wy soo veel water van boven in kreghen, dat het ons -heel verlegen maeckte [253], want het water liep in 't ruym, soo dat -wy al seven voet water in 't schip hadden eer wy 't wijs wierden, -waer door wy meenden dat het schip al sonck. Pompten met alle pompen, -maer het water scheen daer al teghen aen te wassen. Hier stonden wy -verslaghen, want was een versufte kans. Daer op raeckten de pompen -noch onklaer, dat wy niet pompen konden; want de wranghen raeckten vol -peper, 't welck de pompen verstopte [254]. Wij hadden 60 stucken, soo -metalen als ijseren, in 't ruym onder de peper op 't genier leggen; -die raeckten door 't slingeren gaende, braecken met de ooren door -'t genier, waer door de peper door 't genier op de buyckdenningh -liep; en door het water waren de vullinghen van de buyckdenningh -opghedreven, doe spoelde de peper altemael in de wranghen [255]. Doch -alsoo wy hoopten en vertrouden, dat het schip onder noch goedt was, -deden onse best om alles te doen dat wy konden: setten de pompen -uyt en wonden stucken van oude vlaggen beneden om de eynden van de -pompen, en setten de selfde eynden op de buyckdenningh neer, yder -in een mande [256]. Vielen doen weder met alle macht aen 't pompen; -doe bleven de pompen klaer. Sagen datelijck dat het water minderde, -waer door wy weder moet kregen. - -Onse afgewayde groote mast lagh de heele nacht en rinck-ranckte onder -'t vlack en op zijd' van 't schip, dat wy vreesden dat hy ons onder -leck soude maecken. Het volck uyt het ruym riepen: "Hack alles af dat -hem vast houdt en laet hem drijven!" Doch wy deden onse best; hieuwen -het groote wandt te loevert [257] stucken, maer in ly, dewijl het schip -soo schrickelijck rolde en slingerde, konden wy niet schrab raecken; -most hem inde nacht soo behelpen, maer met den dagh hackten wy alles -af dat wy konden sien en raeckten soo van de vleet ontslagen [258]. - -'s Morgens sagen wy rontom nae onse twee mackers, maer mistender -een, te weten het schip Gouda, maer 't schip Middelburgh lagh te -loefwaert van ons. Was alle sijn masten quijt, met boeghspriet, -gallioen en al, uytgesondert sijn besaens-mast. Waren alsoo beyde -in een soberen staet. Goeden raedt was dier. Het schip Gouda deed' -hem niet op, vreesden dat het ghesoncken was; ghelijck het oock is, -soo naest te ghelooven is: want 's nachts waren wy door een plaets -gedreven daer het water heel bruyn, en slechter [259] was als anders; -eenighe schepten met de puds daer in, seyden dat sy peper schepten; -viel ons doe al op de leden, dat het met een of beyde onse mackers -niet wel gestelt most wesen. Hoewel wy 't niet op 't beste hadden, -soo gaf ons dit verlies van 't schip Gouda een groote herten-wee. - -Het worde 's anderen-daeghs goedt weder. Het schip Middelburgh lagh -(als geseydt) te loefwaert van ons, maer konden by malkander niet -komen; lagen beyde gaer als in onmacht. Voor dagh schoof Middelburgh -sijn sloep over boordt en roeyden naer ons toe; quamen metten dagh -achter ons schip, onder de geldery, en riepen aen ons, waer door wy -verschoten [260] dat het te wonder was, want wy waren daer niet op -verdacht datter volck ontrent ons was. Saghen uyt de geldery, hoorden -dat het de sloep van Middelburgh was, lieten de val-reep achter -uyt hanghen, daer de schipper by over quam, ghenaemt Jan Dijcke van -Vlissingen, met noch een ander. Vertelden ons haer wedervaren en hoe -dat sy gestelt waren, en wy haer het onse. Klaeghden ons, dat sy alle -haer masten en gereetschap quijt waren, en soo wy haer niet konden -ontsetten, dat sy geen landt souden konnen krijgen. Wy hadden onse -focke-mast en boegh-spriet met de besaens-mast noch behouden, als mede -onse groote ree, door dien ick onse rees om laegh hadde doen strijcken -weynigh te voren eer de windt aen quam, en sy hadden haer rees omhoogh -laten staen; waren daerdoor al de vleet quijt. Doch de beste boegh -most voor. Resolveerden daerom dat wy Middelburgh souden overgheven -onse groote ree, met onse voor-stengh, met een spier van 14 palm, -die wy noch in 't schip hadden. Dan hadden sy moet soo veel stompen te -rechten [261], dat sy hoopten landt te krijgen. Wierdt oock besloten: -dat, als wy haer dit souden overgheven, dat elck dan sijn best soude -doen om het eerste landt te krijghen datmen kond'; hadden het ghemunt -op de Bay van Sancte Losie [262], aen 't eylandt Madagascar. - -Dit wierde alsoo ghearresteert by den breeden raedt inde kejuyt; -en dewijl ick schipper was, most het commanderen aen het volck. Als -ick boven quam om te commanderen, stond het volck tegen my op, -en hadden daer veel tegen; seyden: "Wy hebben meerder noodt als -Middelburgh; wy willen 't niet overgeven." Daer stond ick doe en -keeck. Doch seyde met soete woorden: "Mannen, siet toe wat ghy doet, -want laten wy Middelburgh hier leggen in onmacht, 't is seker dat -sy haer niet redden konnen, soo moeten sy vergaen, want sy konnen -geen seyl maecken. Wy zijn immer Christen-menschen, laten wy ons -oock Christelijck toonen. Denckt eens, wat wy wel souden willen, -als wy in haer plaets waren; laet ons dan oock dat selfde aen onse -even-naesten doen". Gingh haer met soo veel moye woorden aen als ick -konde bybrengen. - -Ten laetsten schoolden sy by malkander, begonnen de hoofden t'samen -te steecken en seyden tegen malkander: "Wat sullen wy doen? Wy zijn -allijckewel [263] Christen-menschen, gelijck de schipper seydt, -en of [264] Middelburgh dan niet te recht quam, wat hadden wy te -seggen?" Quamen daer op wederom by my voor de groote mast en seyden: -"Wel schipper, als wy Middelburgh dit goedt bygheset hebben, moghen -wy dan van hem scheyen?" Waer op ick antwoorde: jae, dat het soo inde -kajuyt besloten was. Doen lieten sy het glijen; setten de stengh af, -smackten die met de groote ree met de 14 palms spier over boordt. Hier -op namen die van Middelburgh haer afscheydt en roeyden nae boort met -het goedt achter aen; souden malkander vinden inde Bay Sancte Losie, -soo 't Godt gheliefde. Doe vraeghden ons volck wederom: "Mogen wy nu -van haer scheyden?" Ick seyde: "Jae". Onse focke-ree lagh neer; ick -seyde: "Vat aen 't cardeel vande fock, en hijs de fock om hoogh". 't -Welck sy datelijck deden en liepen de fock ten eersten om hoogh, tot -voor 't hommer. Te voren scheen het schier onmogelijck de focke-ree -te hijssen, maer doen 't een willige wegh was, quam het niet eens aen. - -Den 22. dito zijn wy van Middelburgh ghescheyden, stelden onse -kours naer het eylandt Madagascar, dat ons het naeste was, en -kregen den 30. dito het landt in 't gesicht. Seylden dicht by -'t landt; saghen wel eenighe drooghten branden [265], doch waren -onverkent. Waren ontrent nae onse gissinge 8 a 9 mijlen beoosten de -Bay van Sancte Losie; wilden ons niet gaern vande wal af begheven, -om dat wy soo schaloos waren [266]; hebben daerom gheresolveert het -ancker te laten vallen, was ontrent 25 vadem diep, en de sloep uyt -te setten en by de wal langhs te roeyen of te seylen, nae 't te pas -quam, om te sien of wy de voorsz. Bay niet konden aentreffen. Hier -op ben ick met de gemande sloep van 't schip afghesteecken. Vonden -de voornoemde Bay ontrent 8 a 10 mijlen van daer 't schip lagh; -peylden de eylandtjes en de hoecken en diepten met het diep-loot, -over en weer over, en vonden dat het een bequame plaets was voor 't -schip. Dat ghedaen zijnde voeren verblijdt weder nae 't schip. Quamen -'s anderdaeghs wederom aen boort en vertelden alle gelegentheydt -wat ons wedervaren was. Lichten ons ancker en seylden daer nae toe; -brochten het schip met Gods hulp daer in, waer door wy altemael vol -vreucht waren; danckten Godt voor sijn ghenade. - -Den eersten April hebben wy goedt gevonden het schip te lossen en -tenten op 't landt te maecken, om 't goedt te berghen en de lockgaten -[267] te klaren. En alsoo ick met de sloep aen landt voer, sach ick -dat de zee vrij wat aenliep; docht my daerom dat het niet gheraden -was om 't goedt aen landt brenghen, want sou sijn perijckel loopen -om schuyt ende boot stucken te krijgen. Hebben hierom besloten het -ruym te lossen en het goedt in 't schip te houden; het welck wy -deden. Droeghen het goedt voor uyt het schip met sacken, en storten -de constapels kamer vol in 't boevenet; kregen het voor-schip met der -haest heel leegh. Maeckten een beschot dwars over teghen de groote -mast aen, dat het goedt ons van achter niet konde toekomen; namen -doe de vullingen op, klaerden de wrangen en de lockgaten; schoren -doe touwen van voren na achteren door de lockgaten, om die klaer -te houden, of sy by ongeluck weer verstopten. Doe brochten wy het -goedt uyt de constapels-kamer en boevenet weder voor in. Dat ghedaen -zijnde namen het goedt achter uyt, en berghdent weder in de kamer -en boevenet; klaerden daer de vullingen en lockgaten oock. Schoren -doe de touwen voort vande mast af door de lockgaten, tot achter toe, -soo dat wy by ghelegentheydt de touwen heen ende weer konden halen -door de lockgaten. Ondertusschen spraecken wy met de inwoonders -van 't landt. Wy wesen haer dat onse mast en onse doent [268] soo -onklaer was, en vraeghden offer geen raedt was om een ander mast te -krijgen. Sy konden onse meeninghe verstaen; wesen ons landtwaert in; -gingen met ons en toonden ons daer toe bequame boomen. Seyden, dat sy -ons souden helpen in alles wat wy van doen hadden. Ick trock met volck, -lijnen, taekels, bijlen en saghen daer nae toe; kreghen ons gherijf -[269]; sleepten en brochten de houten met groote moeyten ontrent -'t schip. Stelden de timmerluy te werck; maeckten van 't swaerste -eynd van 't hout, dat ontrent 18 palm dick en 28 voeten langh was, -een eynd' op de stomp van onse ghebroocken mast; saeghden een swaelf -[270] uit het dickste eynd' en hieuwen onse stomp, die ontrent, als -gheseydt, drie en een half vaem boven 't boevenet hoogh was, scherp -toe en settender het nieuwe eynd op, in malkander sluytende. Leyden -doe vier wanghen daer op en woelden dat soo te samen, waer door het -een sterck hecht werck worde. Namen doe onse besaens-mars, saeghden -die midden door en setten de zijden soo verde van malkander als wy -de mars [271] wilden wijt hebben, en vulden de gaten toe met deelen -[272], soo dat de mars goedt werde. - -Waren alle daghen besich om onse dinghen weder te repareren, soo wel -in 't schip als aen landt. Wy hadden eenige ysers, gelijck sy inde -lijnbanen ghebruycken om tou-werck te slaen. Stelden een lijnbaen op 't -landt toe; hackten een van onse sware-touwen meest aen enden, dedense -los en sloeghen al ons loopende wandt daer af [273]. Verbesinghden -[274] ten naesten by een geheel tou. Voort namen wy onse cabel-touwen, -hacktense stucken en maeckten daer onse groote wandt van. Sochten -ons self alsoo te behelpen, het best dat wy konden. - -Het geruchte gingh daer wijt en breet door 't landt, dat wy daer waren; -daer op quamen d' inwoonders van wijt en zijt, dreven haer beesten voor -haer henen tot by ons, daer sy haer neer sloeghen. Stelden haer tenten -op, brochten ons alles wat sy hadden: appelen, lemoenen, ceteroenen -en melck, die sy eerst opwelden, eer sy die aen ons vercochten, -om dat sy niet mochte deuren, want was datelijck goor. Ruylden en -kochten oock van haer eenighe beesten. Haer visschers voeren t'zee en -brochten ons die vis, die wy van haer ruylden of kochten. Dit volck -waren ons heel toeghedaan; wesen ons, dat sy vyanden hadden op 't -selfde landt. Versochten door beduydinge, of wy haer wilden helpen, -soo souden sy ons alles doen wat sy konden. Hier viel oock was en -honigh; verkochten een deel aen ons. - -Wy verstonden uyt haer, dat haar coningh Spaens sprack, die een dagh -reysen 5 a 6 van daer woonde. Wy stuerden twee van onse maets nae -den coningh toe, om te vragen of hy ons eenige rijs wilde verkoopen; -de een was ghenaemt Abraham Stevensz. van Vlissingen, die goedt Spaens -sprack, met noch een ander jongh-man. Sy quamen by den coningh, wierden -van hem wel ontfangen. Sy deden haer boodtschap, versochten eenige -rijs te koop. Maer den coningh seyde, dat sy dat jaer seer ghequelt -hadden geweest vande sprinck-hanen, die de rijs meest opge-eten hadden; -het welcke voor my wel te gelooven was, want ick heb self gesien (nae -dat ick een stuck landtwaert in was geloopen), dat de sprinck-hanen -op quamen rijsen uyt het landt, offer een wolck quam aendrijven; -vloghen my op 't lijf en op de borst, soo dick by een dat ick mijn -aessem qualijck konde krijgen. Sy hadden vleugelen om te vliegen, en -op 't landt staende hiptense als andere hip-hanen. De coningh seyd', -datse altemet wel 3 a 400 mannen konden stellen, om de rijs te bewaren -en de sprinck-hanen daer van te houwen, maer hulp weynigh. Konden -daerom geen rijs krijgen. Wy saghen dat de inwoonders de sprinck-hanen -namen en streecken daer de vleugels af, leydense op 't vyer te braden -en atense op. Wesen ons dat wy 't mede doen souden, doch wy hadden -daer geen lust toe. De coningh quam nevens onse twee maets by ons by -'t schip; schonck ons vier beesten, daer voor wy hem twee musquetten -gaven. Seyde ons doe oock, dat hy gheen rijs missen mocht. - -Nae dat wy hier 11 dagen gelegen hadden, soo is den Heer Commandeur -Cornelis Reyersz. gestorven en inden Heer gerust. Begroeven hem op -een eylandt (dat voor inde Bay leydt) vol geboomte, onder een lustigen -groenen boom, de beste die wy vonden [275]. - -Op dit over-lijden is dit Veersken gepast: - - - De doodt die volght ons over al - En niemandt weet den tydt wanneer, - Noch waer dat hy ons treffen sal, - 't Zy Oost of West, dan Godt den Heer, - Maer wie hem met Godts wil vernoeght - Die is te vreen, hoe hy het voeght. - - -Onse musquettiers schooten driemael af over de begraeffenis, en uyt -het schip worden 5 schooten geschooten; namen doe onse afscheyt van -het graf. Trocken wederom aen 't werck, om onse scheeps-saecken klaer -te maecken. En alsoo het volck dickwils uytwegen en meerder wellust -als werck socht, en ick wetende in wat staet wy waren, vermaende het -volck alle daghen met soete woorden: "Mannen, laten wy doch ons beste -doen om klaer te worden, op dat wy onsen tijt hier niet versuymen, -want wy sijn maer voor 8 maenden ghevictalieert, en versuymen wy -hier onsen tijdt ende eten die victualie op, soo moeten wy weerom nae -Batavia"; en daer (wist ick wel) hadden sy geen sin aen. Sprack haer -derhalven een moet aen, en in plaets van gebieden most ick smeecken; -gelijck in sulcke gelegentheydt meermalen gheschiedt: Want wy hadden -noch veel werckx te doen. Hier wast met my gelijck alst met Scipio -Affricanus was, die (nae ick wel gehoort heb) dickwils plagh te -seggen: "ick ben nimmermeer min ledigh, dan als ick ledigh ben, en -nimmermeer min alleen, dan als ick alleenigh ben." Want ick hadde -'s nachts ghenoegh te doen met te practiseren, hoe wy 't des daeghs -souden aenleggen met maecken en toe-stellen, en om met vrede een yder -op sijn werck te stellen, soo dat de maets in 't eynde als overtuyght -wierden in haer gemoet, dat een yder sijn best dede, tot den 22. April -toe; doen waren wy wederom klaer en lagen, met de rees in 't cruys -[276], gereet om onse reyse te vervorderen. Haelden onse water-vaten -vol water, en ons volck kreghen soo veel appelen en lemoenen als een -yder in sijn koy konde bergen. - -D' inwoonders van dit landt waren meest heel swart; sommige hadden het -hayr by 't hooft hangen, sommighen ghekrult als schaeps-wol. De vrouwen -hadden 't hayr rontom 't hooft met kleyne vlechtjens ghevlucht en dat -smeerden sy met traen, dat het glom tegen de son, 't welck de mannen -meest mede deden. De meesten-deel hadden geen meer als een kleetjen -om de middel, om haer schaemte te bedecken, en sommige gingen heel -naeckt sonder schaemte. - -Den 23. dito besloten wy, om des anderdaeghs morgens met de landt-windt -t'seyl te gaen, maer inde selfde nacht sijnder twee van onse maets, -die de wacht hadden, met onse kleyne schuytjen aen landt ghevaren -en liepen wegh by de Swarten, dat wy haer niet konden vinden. Waren -daer in heel verwondert, want sy hadden het gantsche schip mede helpen -klaer maecken en liepen juyst den lesten nacht wegh, en dat by sulck -barbarisch volck, daer ick niet konde mercken datse van Godt of sijn -gebodt wisten. Eenen van dese wegh-loopers was genaemt Hilke Jopkis -uyt Vrieslandt, en den ander Gerrit Harmesz. van Norden. Wy maeckten -gissingh, datse haer te veel vermenght hadden met de vrouwen, die -door schoon-schijnende beloften haer herten ghetrocken hadden om daer -te blijven; want de vrouwen krachtige instrumenten sijn om de mannen -te verleyden: waer toe de exempelen onnoodigh sijn op te halen. Siet -alleen op Samson, David en Salomon. Wy saghen alhier veel kinderen -loopen, die bykans blanck waren, met blanckachtigh hayr by 't hooft -hangen; maeckten gissinge die van Hollanders toe ghestelt te wesen, die -voor ons wel meer in die Bay gheweest hadden. Die vrouwen waren heel -graegh om by ons volck te converseren, want hadder op dese plaets soo -wel wijn ofte bier te koop gheweest alsser vrouwen waren te krijgen, -wy hadden ons werck soo dra niet uytgherecht. Maer nu als sy by die -vrouwen hadden gheweest, quamen als lammeren mack weerom aen haer -werck. Dit segh ick van veele, de vromen uytgesondert [277]. - -Door 't wegh-loopen van dese twee maets is ons vertreck noch een dagh -langer getardeert, want wy liepen die dagh noch aen landt om haer -te soecken; kreghense wel in 't ghesicht, maer sy ons wijs wordende -liepen van ons af, soo dat wy haer daer mosten laten. - -Doe sijn wy den 25. April met de landt-windt t'seyl ghegaen; liepen -om de Suyd met redelijck weer, tot den 10. May, met een westelijcken -windt; kreghen veranderingh van wint en weer, met regen, den wint -heel ongestuymigh uyt den W.S.W. Wendent als doen Noordtwaert over; -vernamen dat wy noch soo veel dwangh van seyl achter niet en hadden, -dat wy aende windt konden over wenden [278]; liepen voor de windt -om en staecken by de windt over, om boven 't eylandt Madagascar te -seylen. Het weer nam alle daghen aen, met stercken W.S.W. wint, soo -dat wy onse marsseylen mosten in-nemen en lietent al deur staen [279] -boven Madagascar heen, tot dat wy het vaste landt den 28. May in 't -gesicht kregen, ghenaemt Terra de Natal. By 't landt komende wierdt -het moey weer met een klare lucht, maer de dijningen heel hol, die -vande Caep de Bonesperanse quamen afschieten. Wendent alsdoen van de -wal af, vernamen datter een harde stroom by de wal uyt-liep, die ons -nae de Caep toe trock; was een wonder om sien, dat het landt soo hart -vertierde [280], 't welck ons goede moet gaf om boven de Caep te komen. - -Kregen 's nachts weder onstuymigh weder met mist en regen, waer -door wy 3 a 4 daghen vande wal afliepen, met schovers-seylen [281]; -hadden den windt al westelijck met holle dijningen uyt alle oorden, -soo dat het schip sijn leden dickwils versette dat het kraeckte. Had -het geen sterck schip geweest, het had niet mogelijck gheweest om heel -te blijven. Doen het weer wat bedaerde, leyden wy 't weer Noordt-waert -over, nae de wal toe; konden door 't onstuymigh weer geen hooghte -nemen, doch lietent soo langh deurstaen dat wy 't landt sagen; -doen klaerdent weder op. Namen de hooghte en bevonden 35 graden, -waer uyt wy saghen, dat het het landt van de Caep Augueles was, -die op de hooghte van 35 graden leydt [282]. Wendent van de wal af; -kregen een W.S.W. windt met reghen; begon weder soo stijf te waeyen -en de zee liep soo teghen malcander aen en sloegh in 't schip, dat -het scheen het schip inde zee soude versmoren; doch door Godts genade -worstelden wy daer noch deur, dat geheel onghesien scheen. - -Dit duerde 4 dagen; lagen nu met een seyl en dan met twee -schovers-seylen by. Ons schip was soo stijf [283], dat wy sonder seyl -niet wel konden drijven. - -Den 6. Junij begon het water slecht [284] te worden en kreghen heel -goet weer. Namen de hooghte; bevonden 32 graden en 16 minuten, waer -uyt wy bevonden, dat wy boven of binnen de Caep de Bonesperance waren -[285], want de Caep leydt op 34 en een halve graad. Doe wierd' het -handt over handt sulck vast moy weer, dat het scheen dat wy inden -Hemel waren, daer wy te voren schenen inde Hel te wesen. En daer wy -te voren versuft en schier hopeloos waren, om boven de Caep te komen, -waren wy met de stroom tegen de windt aen met dat vreeselijck weer -daer boven gedrongen, tot onser aller verwonderinge; en daer wy te -vooren schier gheen of weynigh seyl konden voeren, konden wy nu wel -alwaert twee marsseylen hoogh voeren. Setten onse koers nae 't eylandt -Sancte Helena; kregen een S.O. en O.S.O. windt, met moye koelte. - -Den 14. Junij kregen wy het selfde in 't gesicht, daer in wy altesamen -seer verblijdt waren. Liepen dicht by de wal langhs. Om de hoeck -komende, alsmen na de Kerck-vley [286] toe komt, daer de waterplaets -is, saghen wy een Spaensche kraeck recht voor de Kerck-vley leggen. Soo -haest sy ons gewaer wierden, brochten sy een worp uyt [287] nae -'t landt toe, en korten met het achter gat dicht aen landt met sijn -ancker t'zee, en voerden datelijck eenigh geschut met de boots aen -landt en maeckten een batery op 't landt. Wy met het schip Hollandia, -hem te met naeckende, kreghen een dwarrel-windt, dewijl het landt seer -hoogh is en de winden over 't landt dwarrelden; konden hem daerom -niet beseylen of by hem komen, want ons voornemen was hem datelijck -aen boordt te legghen, sijn touwen af te hacken, en met hem in zee te -gaen. Haddent genoegh konnen doen, want sijn geschut lagh soo hoogh, -dat wy met ons schip wel onder sijn geschut konden legghen. Hadde onse -aenslagh geluckt, wy twijffelen niet of souden hem vermeestert hebben; -doch door de selfde dwarlinge quamen op een musquets schoot by hem. - -Wy manden onse sloep; stuerden den onder-coopman Harmen de Coningh -(was uyt den Haegh van daen) met een vreed-vaentje nae haer toe. Sy -dat siende manden haer boot metter haest en quamen ons volck inde moet -tusschen bey de schepen. Verpreyden malcander [288]. Vraeghden ons -waer wy van daen quamen. De onsen seyden van Java, en dat wy van ons -compagnie [289] verdwaelt waren, die wy alle uren verwachten. De onse -vraeghden waer sy van daen quamen; seyden: van Goa. Vraeghden vorder -(alsoo sy de waterplaets in hadden) of sy wilden toelaten, dat wy -quamen en haelden water, 't welck wy noodigh van doen hadden, en dat -hebbende soo wilden wy datelijck vertrecken. Waer op sy riepen: "Anda -pero, anda canaly," met veel smadighe woorden meer. Doe keerden ons -volck met de sloep weder nae 't schip; vertelden ons haer wedervaren. - -Daer op hebben wy datelijck den scheeps-raedt vergadert, overlegghende -wat ons hier te doen stondt. Vonden goedt dat de sloep datelijck weder -nae haer toe soude varen, om te vraghen hoe of sy haer beraden hadden: -of wy souden komen water halen ofte niet, en soo sy als vooren dat -niet wilden toestaen, soo souden sy wederom t'scheep komen, en men -soud' haer noch soo veel tijdt gheven om haer te bedencken, datmen een -glas [290] soude omkeeren, en soo sy eer 't uytgeloopen was quamen en -stonden ons versoeck toe, soo souden wy haer met vreden laten, en soo -niet, souden daer datelijck in branden [291]. Met dese resolutie is -de sloep weder met een vreed-vaen naer haer toe gheroeyt. Sy quamen -ons volck weder met haer boot in 't ghemoet. Daar stondt een munnick -met een kap op 't hooft in haer boot, die ons volck verpreyde. Onsen -onder-coopman De Coningh sijn reden ghedaen hebbende, kreegh verkeert -antwoordt als vooren: "Anda pero, anda canali! Wy willen jou hier -niet sien; wegh van hier!" Onse volck aen boort komende hebben dit -rapport aen ons gedaen. Doe lieten wy datelijck de klock luyden, -deden 't gebedt, setten een glas van een half uer op de spil, en soo -dra het selfde glas uyt was gheloopen en wy haer niet saghen komen, -hebben wy datelijck vyer op haer ghegheven met halve cartouwen [292], -daer van wyder elf hadden, en schoten inde kraeck dat het rammelde, -want hij goet te raecken was; sijn voor-schip ofte casteel was soo -'t scheen soo hoogh als ons voor-mars, alhoewel wy een schip hadden -van vijf hondert lasten. Wy schooten daer soo langh op, tot dat sy -weynigh meer uyt de kraeck schooten, maer met het gheschut, dat sy uyt -de kraeck op 't landt hadden ghehaelt en op haer ghemaeckte batery -hadden ghestelt, schooten sy ghestadigh in ons schip of syter met -handen in-leyden. Want elcke schoot wasser een, dat raeckte, 2, 3 a -4 voeten boven 't water, soodat wy vreesden, dat sy ons inde grondt -souden schieten; kregen oock eenige ghequetsten. Onder alle worde -onse onder-timmerman, ghenaemt Bokjen van Dort, beyde sijn beenen -afgeschoten; leefde noch een weynigh tijdts, maer storf datelijck; -waerdoor wy daer niet konden blijven leggen. Resolveerden een worp uyt -te brengen nae de wal toe, daer eenige klippen lagen. Korten achter -die klippen, tot dat wy vry van haer schieten waren vande batery. - -Wy lagen doen soo dicht aen 't landt, datmen met een steen konde op 't -landt smacken. Doen wert het nacht. Wy ontboden alle de officieren inde -kejuyt, met de bottelier daer by; vraeghden hem hoe veel water wy noch -hadden, en reeckenden het over hoe veel water dat wy van doen hadden, -wetende dat wy de Linie Equinoctiael noch mosten passeren, en dan kond' -het noch langh dueren eer wy in Hollandt quamen. Bevonden derhalven dat -wy niet meer als vier mutskens water daeghs konden geven. Over sulckx -vraeghden wy de officieren, ende d' officieren spraecken met het volck, -wat haer daer van docht: of sy wilden vechten als den desperaten tegen -de vyandt om 't water, die de water-plaets in hadde, dan of wy onse -reyse souden vervorderen nae 't Vaderlandt en te vreden wesen met -vier mutskens water 's daeghs. Dit aldus rontom gevraeght zijnde, soo -wierde eenstemmigh met alle officieren en boots-volck goedt ghevonden -onse reyse te vervorderen, te vreden wesende met 4 mutskens water -'s daeghs. Lichten datelijck ons ancker om t'seyl te gaen. - -Maer metten dagh, alsoo wy doende waren om van 't landt te boechseerden -[293], quamen de Specken boven op 't landt met musquetten en schoten -van boven neer in 't schip en nae de boot, datmen qualijck dueren -kond'; doch raeckten noch (met Godts hulp) vande wal af. Hadden wy daer -een uer langher gebleven, het soud sijn perijckel gheloopen hebben, -of wy niet veel volck verlooren souden hebben. - -Dese voorgemelde kraeck is (soo my naderhandt onderrecht is), door -dat wy hem soo ghetreft hadden, daer legghende, ghesoncken. Want daer -nae quamender noch ses Hollandtsche schepen aen om te ververschen, die -sagen hem inde grondt legghen en de Portugijsen hadden het goedt, soo -veel sy konden, op 't landt gheberght, nevens het geschut, 't welcke sy -op een batery hadden gestelt, die sy opgheworpen hadden. Daer schooten -sy soo gheweldigh van nae dese ses schepen, dat sy niet landen kosten; -mosten daerom, ghelyck als wy, sonder te ververschen vertrecken. - -Wy stelden onse koers N.W. aen, nae het eylandt Ascention toe, met -een goede wint en stijve voortgangh; doch sagen het niet. Alleen -sagen wy, doe wy vermoeden daer ontrent te wesen, een groote menighte -van zee-gevogelte. De wint begon al handt over handt aen te nemen, -soo veel als wy voeren mochten; met welcke stijve windt wy de Linie -Equinoctiael sonder hinder passeerden, daer wy op onse uytreyse wel -ses weecken over doende waren eer wy die passeeren kosten, meest met -stilte en dan altemet harde travaden [294], soo dat het scheen dat -het al stucken waeyen en reghenen sou, wat om en aen was. - -Den 12. September, nae dat wy drie daghen min als drie maenden van -St. Helena gheweest waren, quamen wy op de hooghte van 24 graden 34 -minuten benoorden de Linie Equinoctiael. Hier kregen wy oock beter -weer, dreven doe in stilte, trocken 's morgens na 't schaffen van -de vroo-kost te werck, gijden onse seylen op [295], schraepten en -boenden onse schip buyten om de groente af, want het was gheweldigh -ruygh bewossen [296]; hoopten dat het in 't seylen te beter veerd -soude maecken. - -Den 13. dito wast moy weer met een labber koelte uyt den O.S.O.; -gingen Noord-Oost ten Noorden aen. - -Den 15. dito S.S.W. windt, de koers als voren; namen 's middaeghs -hooghte en bevonden 28 graden Noorder-breete. Sloegen onse fock af -en sloegen een ander weder aen. - -Den 16. dito veranderden wy oock van voor-marsseyl; saghen veel -steen-kroos drijven; de koers als voren, met een moye doorgaende -S.W. windt. - -Den 17. dito namen wy de hooghte van 30 graden 48 minuten; veranderden -oock van groot marsseyl; met variable winden. Des nachts liep de windt -Noord Oost en Oost, met donder en blixem; namen onse marsseyls in. - -Den 18. dito setten wy onse marsseylen daer weder by, met onse blind'; -de koers N.O. Was mistigh en somtijdts regen; konden geen hooghte -bekomen. - -Den 19. dito begon het soo stijf te waeyen uyt den S.S.W. en S.W. dat -wy de marsseyls in-namen en onse blinde waeyde wegh. Onse groot seyl, -'t welck wy oock wilden in-nemen, sloegh oock stucken. Lietent met -de fock die nacht door-staen; teghen den dagh nam het weer af; setten -onse marsseyls daer weder by. - -Den 20. dito sloeghen wy een ander groot-seyl aen en een blind'; -namen hooghte, bevonden 35 graden 13 minuten Noorder-breete. - -Den 24. dito was een donckere lucht met reghen-kaken [297]; namen -onse bram-stengh af. - -Den 26. dito hadden wy de hooghte van 43 graden 12 minuten. - -Den 27. dito de windt S.W., de koers N.O. ten N. Des voormiddaeghs -quammer een duyf op ons schip vlieghen, doch door dat het volck soo -begeerigh waren hem te krijgen is hy op-gevlogen en viel in 't water -neer. Namen hooghte en bevonden 44 graden 53 minuten. - -Den 1. October wast moy weer, de wint O.S.O., de koers by de wint -over, N.O. ten N. aen. Namen 's middaeghs de hooghte van 48 graden -30 minuten, 't welck de hooghte is van Heysant [298]. - -Den 2. dito, 's morgens, sagen wy een seyl Noordt-West van ons, -ontrent 3 mijlen; gijden onse seylen op en wachten hem in. Recht -op de middagh quam hy by ons, verspraecken hem, was een Engelsman -dicht by Pleymuyden van daen, quam van Terneuf [299]. Wy kochten -twee duysent visschen van hem; haelden de schipper aen ons boord, -was genaemt Mr. Smal-Water. Gingen O. en O. ten Suyen aen; worde -reghenachtigh mottigh weer. - -Den 4. dito quam de Engelsman weer aen ons boort, die wy nae vermoghen -tracteerden; hadden de hooghte van 49 graden 46 minuten. - -Den 5. dito begon 't stijf te waeyen; onse fock waeyde stucken. Doe -dwaelde de Engelsman oock van ons. De windt was S.S.W. - -Den 6. dito sagen wy twee seylen, een dwars van ons en een achter -uyt. Gingen S.O. aen, om de Canael weder open te seylen. Hadden de -hooghte van 50 graden 20 minuten. - -Den 7. dito wast moy weer, de windt Suyen, de koers O.S.O.; sagen -geen schepen. Sloegen wederom een ander seyl aen. - -Den 8. dito hadden wy hooghte van 49 graden 42 minuten, de windt als -voren, doch liep welhaest West. De koers stelden wy S.O. ten O., worpen -doe, gelijck wy al eenige daghen van te vooren gedaen hadden, het loot, -maer konden gheen grondt bekomen. Recht nae de middagh sturf capiteyn -Strijcker; was capiteyn over de soldaten geweest, zijnde een vroom -[300] en uytnement persoon, wel geoeffent inde crijghs-handelingh; -was van de Rijn-kant van Wesel of daer ontrent van daen. - -Den 10. dito, des avondts, wierpen wy grondt op ontrent 70 vadem. - -Den 11. dito, des morgens, wierpen wy wederom grondt op 70 vadem en -des avondts op 60 vadem, met grau-achtigh sant. Hadden de hooghte -van 49 graden en 55 minuten, de wint Suyen; stelden de koers O. ten -N. en N.O. aen. - -Den 12. dito wierpen wy op 50 vadem grondt en continueerden alle vier -glasen met het loot te werpen. Hadden doorgaens 50, 52 a 53 vadem, -en des nachts wierpen wy 56 a 60 vadem, al wit grau en somtijdts wat -swarte sant-gront. Sagen doe oock een schip teghen ons overkomen, -doch worde soo mistigh dat wy hem weder verlooren. - -Des anderen daeghs was de windt Oost met nevelachtigh mistigh weer -en stilletjes. Een dagh 2 a 3 daer nae sagen wy landt, 't welck wy -bevonden Yerlandt te wesen. Liepen in Kin-Sael [301], daer een Engels -coninghs-schip lagh met twee laghen gheschut, en alsoo ick wist, -dat de Hollantsche Compagny, onse Heeren Meesters, met de Engelsche -in geen goede vriendtschap stondt, soo was ick beducht het volck -soo overvloedigh aen landt te laten gaen, vreesende voor eenigh -onghemack van dit coninghs-schip. Ick setten 't [302] zee-waert van -hem, dacht: soo hy eenigh spel maeckt, soo konnen wy de zee kiesen, -en soo hy ons daer vervolght soo sijn wy hem getroost. Ick voer dat -selfde aen boort, nooden de Overste in ons schip, die quam; vraeghde -hem nae alle ghelegentheydt, onder anderen oock of hy oock eenighe -last had om ons eenigh leet te doen. Hy antwoorde van neen; was met -ons vrolijck en wel. Ick was noch niet gherust, liet aen landt een -maeltijdt bereyden, nooden hem daer op, droncken malcander eens toe, -en onder de vrolijckheydt des maeltijdts her-vraeghde ick: of hy geen -last had om ons aen te tasten. Seyde wederom van neen; verhaelde dat -hy, terwijl wy daer ghelegen hadden, nae Engelandt geschreven had, -maer had geen last tot sulckx ghekregen; doch ick dorst daer op niet -veel vertrouwen. - -Ondertusschen quamen daer by ons twee Convoyers, die op ons kruysten, -die verstaen hadden dat wy daer laghen [303]. De eene was capiteyn -Jacob Jansz. van Edam en de ander was Pieter Gijsen van Rotterdam. Doe -was de rugh wat beter bewaert, oft het ten quaetsten wilde afloopen. - -Hier dus leggende liep het volck soo gheweldigh aen landt, dat ick -niet veel kans sagh om haer scheep te krijgen. Vermaendese, als ick -by de sommige was, dat sy doch scheep souden komen, dat wy onse reyse -dienden te vervorderen, dat het herfstdagh was, dat de winter op handen -quam en dat wy een vuyl, onbeniert schip hadden [304]. Vertoonden -haer de perijckel die daer was om met sulcken swaren schip soo laet -in de tijdt voor 't landt te komen; maer mochte weynigh helpen: het -volck bleef aen landt; 't scheen of sy al in 't Vaderlandt waren, -sy aten en droncken daer op aen. - -Ick gingh eyndelijck by den Meyer [305] vande stadt, vraeghden hem -offer gheen raedt soude wesen om ons volck aen boort te krijghen. Hy -seyde neen, dat hy geen en wist; maer doe ick sijn vrou gesproocken had -en die een stuckje fijn lijn-waet vereert had, doe seyde hy, als ick -hem andermael vraeghde, dat hy daertoe wel raet schaffen sou. Hy liet -datelijck een parthy trommels de stadt door-slaen en overal uytroepen, -dat yder soude gewaerschout wesen, wie eenige vande Hollanders vande -Oost-Indisch-vaerder meer als 7 schellinghen borghde, die soude dat -quijt wesen. Op dit roepen wierden de meeste part (alsoo haer schuit -al meer beliep) ter deuren uytgestooten; quamen by my. Ick wildese al -nae boord hebben, maer sy souden daer liever noch wat ghebleven hebben. - -Ick liet daer op de anckers op-winden, de seylen los maecken en begost -het gat uytwaert aen te seylen. Doe vielen sy in schuyten en ander -vaer-tuygh als mieren, en quamen aen boort. De waerden en waerdinnen -quamen oock aen boordt, spraken om haer gelt, 't welck ick haer dede -geven en op yders reeckeningh te boeck aen-teeckenen. Hadden doe al -ons volck weder scheep, behalven 3 a 4 man, die haer met vrou-volck -verlooft hadden, die sy daer nae trouden; die lieten wy daer -blijven. Gingen nevens de twee convoyers van daer t'seyl en quamen -met redelijcke spoet den 16. November Zeelandt in. De Heere heb lof -en danck, die my tot dus verre uyt soo veel perijckelen gheholpen -heeft, hebbende in 't geheel uyt geweest ontrent een maendt minder -als seven jaer. - - - -Hiermede hadde ick gemeent van schrijven op te houden, dewijle mijn -reyse voltrocken was. Maer alsoo ick voor verhaelt heb, dat het -schip Middelburgh den 22. Meert 1625 seer schadeloos [306] van ons -scheyden, met voornemen malcander inde Bay van St. Losie te vinden, -daer wy den 31. dito quamen en den 25. April weder van daen ginghen, -sonder in die tijdt noch op onse gheheele t' huys-reys hem gesien -noch van hem gehoort te hebben, noch naderhandt oyt te recht is -gekomen, soo moet ick (hoewel het juyst niet nootsaeckelijck aen -mijn reyse behoort, doch evenwel daer soo vreemt niet van en is, -dat den Leser my sal kunnen berispen mijn Journael met yets vreemts -en onbetamelijcx vergroot te hebben) den Leser mede-deelen het -gene hem t'sedert onse vaneen scheyden is weder-varen, nae de -seeckerste tijdingh en waer-schijnelijckste presumptie [307]. Te -liever aenveerd ick dese moeyten, om dat ick daer door oorsake sal -hebben om den naekomelinghen het eynde van onsen by yder vermaerde -Hoorense Willem Cornelisz. Schouten, mijnen bysonderen vriendt, mede -te deelen, dat tot yders ooren niet gekomen is, want hy (als geseydt -is) op dit schip Middelburgh was gegaen. De saecke dan is sulckx: -Terwijle wy inde Bay de St. Losie lagen, hoorden wy vande inwoonders, -datter een schip inde Bay van Antongiel lagh, doch wisten doe niet -seecker of het Middelburgh was of niet. Wy daer van daen gaende, -hoopten hem aen St. Helena te vinden of te verwachten, en daer door -de Spaensche kraeck (als verhaelt) niet aen konnende komen, voeren wy -voort om onse reyse te vervorderen. Naderhandt komt schipper Pieter -Gerritsz. Bieren-Broodts-Pot van Hoorn uit Oost-Indien aen de Caep de -Bonesperance, vindt daer brieven, die 't schip Middelburgh daer (nae -ghewoonte) ghelaten hadde, waer in verhaelt stondt, dat sy ghemeent -hadden de Bay van St. Losie te beseylen, als tusschen ons beslooten -was, maer waren soo veel te laegh gekomen, dat sy de Bay van Antongiel -aentroffen en in-liepen en haer daer weder van alles prepareerden -dat noodigh was, en dat daer eenige vande hare waren gestorven, -onder anderen oock die boven-ghenoemde Willem Cornelisz. Schouten, -die sy daer begroeven. - -Op welcks overlijden dit volghende vers gemaeckt is: - - - T'wijl Schouten in dees wer'lt, daer hy was op ghevoedt, - Geen rust en vond', maer staegh door inn'ge drift en lust - In d' and're wereldt was, met 't lijf of met 't ghemoedt; - 't Is billick, dat hij dan in d' and're wereldt rust - Van al sijn woelery. Rust dan, vermaerde Ziel, - In vreed' tot saligheydt; doch soo u groote gheest - Niet kan besloten zijn in d' enght van Antongiel, - Soo reyst (gelijck ghy hier in 't leven onbevreest - Van 't Oost nae 't Westen seyld' door een verborgen vaert [308] - De son een dagh en nacht verby in sijnen loop) - En stijght oock boven hem ten hooghen Hemel-waert - En rust in d' eeuw'ge rust by Godt en d' Heiige Hoop. - - -Hier was het eynde van desen waerden man. Dese brieven verhaelden -vorder van haer weder-varen, in 't particulier hoe sy gestelt waren -daer komende, daer leggende, en hoe en wanneer sy daer weder van daen -scheyden. Naderhandt en isser uyt haer noyt tijdinge gekomen, soo dat -het hier mede soud' opghehouden hebben, maer uyt de Portugijsen en uyt -Portugael is noch jonger tijdingh van haer gekomen, te weten: hoe dat -het schip Middelburgh voornoemt, komende by het eylandt St. Helena, -van twee kraecken omcingelt worde, waer teghen het wacker slaeghs -was, en schoot eyndelijck de eene kraeck inde brandt. De ander dat -siende quam sijn macker te hulp om de brandt te uytten, die sy, soo -verhaelt wordt, uyt kreghen, maer alsoo de Portugijsen vreesden door -dit krabbelen van het eylandt versteecken te worden en alsoo de nacht -aen quam, raeckten sy van malcanderen en lieten Middelburgh varen. - -Dit is de laetste tijdinge die van dit schip gekomen is; vermoede -sy onder wegen ghebleven of door dese slagh met de kraecken soo veel -ghekreghen hadden, dat sy daer van gesoncken zijn. Men soude oock wel -konnen vermoeden, dat sy door ghebreck van fictualie en ververschinghe -vergaen zijn, maer alsoo sy aen de Caep hadden aen geweest en haer -daer ververst, soo kan ick hier geen geloof in stellen. Het is hoe -'t is, altijdt ist een beklaeghelijcke saecke, dat sy niet te recht -sijn gekomen en verplicht my tot eeuwige danckbaerheydt, om dat Godt -my, te weten met het schip Hollandia, soo genadelijck uyt sulcke -ooghen-schijnelijcke perijckelen geredt en geholpen heeft. Bidde -hem dat sijn goetheyt over my mach continueren, van nu tot inder -eeuwigheydt. Amen. - - - EINDE. - - - - - - - -BIBLIOGRAFISCH OVERZICHT DER VROEGERE UITGAVEN, WELKE VAN BONTEKOE'S -"AVONTURELIJCKE REIJS" BEKEND ZIJN [309]. - - -Geordend naar de uitgevers. Voor de verschillen in titels, -tekst en illustratie van al deze drukken vergelijke men Tiele, -Mémoire bibliographique sur les Journaux des Navigateurs néerlandais -(Amsterdam, 1867), blz. 213 vgg., en Nederl. Bibliographie van Land- -en Volkenkunde (Amsterdam, 1889), blz. 40 vgg. De uitgaven welke bij -Tiele niet voorkomen zijn gemerkt met *. - - - -I. Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe etc. te Hoorn, voor -Jan Jansz. Deutel: 1646. - -id. tweede druk: 1648. - -Voor in dezen druk van 1648 wordt door Deutel een klacht gericht aan -zijn gildebroeders naar aanleiding van de hieronder vermelde nadrukken -(roofdrukken), te Utrecht en Rotterdam verschenen. De uitgaven van -Deutel zelf hebben op den titel het adres: Tot Hoorn, Ghedruckt by -Isaac Willemsz. Voor Jan Jansz. Deutel etc. Er bestaan echter ook -uitgaven van 1646 en 1648 met ditzelfde adres, doch bovendien achterin -de vermelding: t' Haerlem, Gedruckt by Thomas Fonteyn. Ik heb geen -exemplaar van deze herdrukken gezien en kan dus niet uitmaken of het -roofdrukken zijn, dan wel nieuwe uitgaven op last van Deutel te Haarlem -ter perse gelegd. Voor dit laatste schijnt te pleiten de mededeeling -van Tiele dat gebruik gemaakt is van dezelfde kopergravuren; maar -misschien is dit niet juist en zijn het nauwkeurige kopieën. - -II. te Utrecht, voor Esdras Willemsz. Snellaert: 1647 (twee -verschillende drukken). - -ald., voor de Wed. van Esdras Snellaert: 1651. - -III. te Rotterdam, bij Isaack van Waesberghe: 1647. - -IV. te Rotterdam, bij Jan Philipsz. van Steenwegen (zonder Raven): -1647*. - -V. te Amsterdam, voor Joost Hartgers: 1648 (twee verschillende drukken) -en 1650. - -VI. te Sardam, bij Willem Willemsz.: 1648. - -Misschien dezelfde editie als die van Hartgers, met ander adres. - -VII. te Amsterdam, bij Lucas de Vries: 1648*. - -te Utrecht, bij denzelfden: 1649 en 1655. - -VIII. te Amsterdam, bij Jan Jacobsz. Bouman: 1651 en 1659. - -IX. te Amsterdam, bij Michiel de Groot: 1654, 1667, 1672 en nog eens -zonder jaartal. - -X. te Dordrecht, bij A. Andriesz: 1655. - -XI. te Amsterdam, bij Abraham de Wees: 1656 en 1659. - -XII. te Amsterdam, bij de Wed. van Theunis Jacobsz. in de Lootsman: -1660, 1664 en 1681. - -ald., bij Casp. Lootsman: 1694. - -XIII. te Amsterdam, bij Gillis Joosten Saeghman: zonder jaar -(omstr. 1660-70); verschillende drukken. - -Met nieuwen titel: Journael van de acht-jarige avontuerlijcke reyse -van W. Yz. Bontekoe. Tekst bekort en zonder Raven. In deze uitgave -van Saeghman komt de afbeelding voor van den vogel Dodo (vgl. boven -blz. 34), welke houtsnede de bekende uitgever van reisjournalen ook -in de Tweede Reis van Spilbergen liet afdrukken. - -XIV. te Amsterdam, bij de Wed. van Gijsbert de Groot: 1692, 1696, -1700, 1708, 1716, 1730, benevens een paar herdrukken zonder jaartal. - -XV. te Utrecht, bij de Wed. van J. van Poolsum: 1701 en 1708*. - -XVI. te Amsterdam, bij J. Brouwer: 1722. - -XVII. te Rotterdam, bij H. van Bezooye: 1738. - -XVIII. te Dordrecht, bij Hendrik Walpot: 1740. - -ald., bij Adr. Walpot: 1766. - -ald., bij Adr. Walpot en Zoon: 1780. - -XIX. te Amsterdam, bij Isaac van der Putte: zonder jaar. - -ald., bij d'Erve Van der Putte: 1789. - -XX. te Amsterdam, bij J. Kannewet: 1756 en 1778. - -XXI. te Amsterdam, bij de Erven de Wed. Jacobus van Egmont: zonder -jaartal (tenminste twee drukken). - -XXII. te Amsterdam, bij Barent Koene: 1777 (?). - -ald., bij S. en W. Koene: zonder jaar (omstr. 1800). - -ald., bij B. Koene: zonder jaar (omstr. 1810). - - - -Behalve deze oude, nu meestal zeer zeldzame volksdrukken zijn er in -het begin der 19de eeuw nog een paar uitgaven verschenen. De laatste -volkseditie is die van J. H. van Lennep in Jan Davids Boekekraam: -"Journaal of Gedenkwaardige Beschrijving van de achtjarige en zeer -avontuurlijke reize van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe van Hoorn, -gedaan naar Oost-Indiën, bevattende vele wonderlijke gevaarlijke -zaken hem op genoemde reize wedervaren. Het alles door hem zelven -beschreven". Haarlem, J. J. Weeveringh. 1860 (in kl. 4o.). - -In het geheel is de "Avonturelijcke Reys" van Bontekoe tot 1800 dus -meer dan 50 maal uitgegeven. - -Ook in het buitenland maakte het boek opgang: zoowel een Fransche als -een Duitsche vertaling zijn er van bekend. Verder verscheen o.a. een -Soendaneesche bewerking van het journaal door Raden Kartawinata -(te Batavia, 1874). - -Vier fragmenten werden door P. L. van Eck Jr. opgenomen in het deeltje -der "Zwolsche Herdrukken" No. 26: Van Janmaat en Jan-Compagnie (z. j.), -blz. 71-86.--Een uittreksel vindt men in de verdienstelijke uitgave -van Dr. M. G. de Boer: Van oude Voyagiën, Dl. III ("met Tasman en -Bontekoe"), Amsterdam 1913, blz. 1-39. - -Het eerste gedeelte van het journaal werd ook, met een bekorting, -bij wijze van inleiding op de "Liedjes van Bontekoe", afgedrukt -in de bloemlezing Gedichten van E. J. Potgieter, uitgegeven -door Th. J. Bosman (2e bundel, Klassiek Letterkundig Pantheon -no. 141.--Zutphen z. j.).--Wat aangaat de "Liedjes van Bontekoe" -moet nog opgemerkt worden: Bij no. 1 ("'t Passeren der Linie"), -dat in de dagen van onzen schipper het optreden van Neptunus bij het -passeeren van den Evenaar, met bijbehoorenden "doop" der nieuwelingen, -nog geen gewoonte was.--Bij no. 2 ("Roeltjen uit de Bonte Koe"), dat -het huis, waarin Willem Ysbrantsz. te Hoorn geboren werd en opgroeide, -geen herberg behoeft geweest te zijn. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Een Nederl. bron voor den Robinson Crusoë, Onze Eeuw, Oct. 1909. - -[2] Voor bronnen aangaande onze koloniale geschiedenis in de jaren -1621-'23 vgl. men ook: Kronijk van het Historisch Genootschap, -IX (1853): "Stukken van Jan Pietersz. Coen over den handel in -Indië".--XXVII (1871): "Grondig Verhaal van Amboyna, 1621", en -"Verhaal van eenige oorlogen in Indië, 1622". - -[3] Er wordt aan herinnerd, dat het bestuur der O. I. C. berustte bij -zes kamers, t. w. die van Amsterdam (waar 1/2 van het maatschappelijk -kapitaal gevestigd was), Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en -Hoorn.--De aanhef met een citaat uit de "klassijken", is naar de -gewoonte en naar den smaak van dien tijd, toen ook de gemeene man -zich gaarne door zulke geleerdheid liet imponeeren,--mits die niet -verder ging dan het eerste begin. De Edel Erentfeste Heeren krijgen -er hier bovendien nog een fraai slot bij! - -[4] Jan Huygen van Linschoten deed zijn vermaarde reis naar Indië -in Portugeeschen dienst in 1583-'92. Zijn "Itinerario, voyage ofte -schipvaert", welke in 1596 voor 't eerst in druk verscheen, werd door -Prof. Dr. H. Kern in de werken der Linschoten-vereeniging opnieuw -uitgegeven (2 dln., 's-Gravenhage 1910).--De tocht van Jacob van -Heemskerck en Willem Barentsz., om een weg naar Indië "benoorden om" -te zoeken, is door de overwintering op Nova Zembla (1596-'97) bekend -genoeg geworden. Het merkwaardige verhaal, dat Gerrit de Veer van -deze onderneming en van de twee tochten, die er aan voorafgingen, -opstelde, zag het licht onder den titel: "Waerachtige Beschrijvinghe -van drie seylagiën ter werelt noyt soo vreemt gehoort" (t' Amsterdam, -Ao. 1598).--Olivier van Noort is de eerste Nederlander, die de aarde -omzeilde. 12 Aug. 1598 passeerde hij met zijn vier schepen Straat -Magellaen en kwam in 1601 in het vaderland terug. ("Wonderlicke -Voyagie bij de Hollanders ghedaen", enz. Rotterdam 1602.)--Joris van -Spilbergen volbracht zijn beide tochten, nadat een eerste mislukt -was, in de jaren 1601-'04 en 1614-'17. Zijn tweede expeditie, met -zes schepen, is de tweede reis der Nederlanders om de wereld. Beide -reisbeschrijvingen zijn voor de eerste maal te zamen uitgegeven onder -den titel: "Oost- en West-Indische Spieghel der Nieuwe Navigatiën", -te Leiden 1619.--Willem Cornelisz. Schouten was de derde Hollander, -die met Jacob le Maire in 1615-'17 de wereld omzeilde. Over hem is -in het journaal van Bontekoe nog nader sprake. - -[5] Lucianus, Grieksch prozaschrijver uit de 2de eeuw n. Chr., gaf aan -zijn satirische tweegesprekken den titel "Droomen". Met Pantagoras -is de wijsgeer Pythagoras bedoeld; niet de echte wel te verstaan, -maar de verdichte, om wiens persoon zich in de middeleeuwen tal van -fabeltjes hadden gevormd. - -[6] Niet alleen in den loop der 17de eeuw, maar ook vroeger en -later, waren de verzonnen reisbeschrijvingen, waarin van de meest -onmogelijke wonderwezens sprake was, druk in omloop. Het genre begint -in onze letterkunde al met "Sinte Brandaen", en vooral de reis van -Mandevyl bracht het tot groote populariteit. Daarop wordt hier dan -ook gezinspeeld, blijkens de opsomming der gedrochten. Voor en na -was het steeds de pseudo-ontdekking van het z.g. Zuidland, waarop de -wonderverhalen zich gaarne baseerden, hetzij met hetzij zonder een -utopistische strekking. De geest van Bontekoe's oprecht verhaal verzet -zich inderdaad tegen dit boerenbedrog en tegen de prikkelliteratuur, -die ook toen al bestond. - -[7] "D'oceaan bouwen"; vgl. de uitdrukking "zee bouwen".--De profeet -Elia werd op bevel van God in de woestijn door raven gevoed (1 -Kon. 17: 2-6). - -De schrijver van dit klinkdicht behoorde tot een Hoornsche -zeemansfamilie en is vermoedelijk een bloedverwant van den schipper -Evert Cornelisz. Berckhout van Hoorn, wiens bodem "de Omval" in de -dagen van Bontekoe door den beruchten zeeroover Claes Compaen van -Oostsanen bij de Kaapverdische eilanden werd buit gemaakt. - -[8] Hen. - -[9] De maat van een volslagen Oostindievaarder van die dagen. Een -last is twee van onze tonnen. Men zou zich nu wel tien maal bedenken, -om op een schip van 1100 ton de reis naar Indië te ondernemen, en -dan om de Kaap nog wel! - -[10] "Hoofden": Heads.--"Noch al": nog steeds.--"Pleymuyen": -Plymouth. Onze visschers en veel van onze varenslui zijn nog steeds -gewoon van "Pleimuiden" en "Jarmuiden" te spreken. - -[11] Het "galjoen" is de ranke uitbouwing voor aan den boeg der -toenmalige schepen.--Met "boevenet" is hier niet het traliewerk -bedoeld, dat dit galjoen van onderen afsluit, doch blijkbaar het -hoogste verdek achter in het schip, eigenlijk "bovenet" geheeten. Over -het "boevenet" zie elders.--De "boegpoorten" zijn de twee voorste -geschutpoorten ter weerszijden van het schip. - -[12] De ruimte beneden het onderste plankier van het schip. - -[13] Te slaan. - -[14] "Brandende": in branding; wat men een "kokende zee" noemt. - -[15] Nog steeds. Vgl. boven, en voorts passim. - -[16] Brazilië was reeds in 1500 door den Portugees Cabral ontdekt -en werd in 1580 (na de verovering van Portugal onder Philips II) -Spaansch. Van 1624 tot 1654 was het in onze handen, doch werd -prijsgegeven. Het vaste land wordt hier echter niet bedoeld, doch het -eiland dat op oude kaarten als liggende tusschen Afrika en Z. Amerika -voorkwam. Dat Bontekoe aan dit denkbeeldige eiland "Atlantis", zij -het dan ook onder voorbehoud, nog geloofde, of het met den vasten -wal van Brazilië vereenzelvigde, is wel opmerkelijk. - -[17] De "halzen" zijn de touwen waarmede de onderzeilen worden -omgetrokken. - -[18] Dat is dus: boven het verdek. Vgl. de voorgaande bladz. - -[19] D.w.z. de steng, die anders boven op de groote mast gelascht is, -daarvan los te maken en door het marsgat naar beneden te laten zakken. - -[20] "Woelen": met touwwerk omwinden.--"Bovenste boevenet" -vgl. hiervoor. - -[21] "Schevielen": omloopen van den wind. - -[22] "Taliën" is takelen: met takels of katrollen aanhalen. Een talie -is een klein katrol. - -[23] Het grootzeil is het onderste razeil aan de groote, d.i. de -middelste mast. Het razeil daarboven heet het grootmarszeil; het -bramzeil is het bovenste razeil. Het bovenbramzeil werd in de eerste -helft van de 17de eeuw nog niet gevoerd; topzeilen komen eerst -in de 18de eeuw voor.--De masten die in het schip staan heeten de -ondermasten, kortweg masten; zij worden verlengd door de marsstengen, -die voor den grooten mast "groote steng" en voor den fokkemast -"fokkesteng" worden genoemd. Op de marsstengen staan dan weder de -bramstengen.--"Ree" = ra. - -[24] Vgl. de uitdrukking "kant en klaar". - -[25] Onder "verversinge" versta men: frisch water, maar vooral ook -groenten en ooft, waaraan op de lange reizen steeds behoefte was, -om scheurbuik onder het volk te voorkomen. - -[26] "Ilje de May" en "Ilje del Foege" zijn twee der Kaapverdische -eilanden. - -[27] Versta: overlangs, zoodat de beide helften plat tegen den mast -gebonden konden worden, als "wanghen". - -[28] "Vroo-kost", d. i. vroeg-kost: het eerste schaften aan boord. - -[29] Zetten onze marszeilen bij. - -[30] Buien, valwinden. - -[31] Abriolhos of Abrolhos: kaap en groep van lage rotsachtige -eilanden, op de kust van Brazilië, op 18° Z. br. - -[32] Boven, te boven. Versta: boven den wind, zoodat men de eilanden -te loevert kon passeeren. - -[33] "Yder bacx-volck": het volk van iederen bak, 6 a 10 man, waren -gehouden aan denzelfden bak te eten.--Spaansche wijn was de gewone -drank, die aan boord van onze schepen in de 17de eeuw bij extra -gelegenheden en 's Zondags geschaft werd. Het "oorlam" was in dezen -tijd wel reeds bekend, maar nog lang geen regel. Nog in 1793 leest -men in een officieel bericht, dat op de schepen der O. I. C. een -voorraad van 9 aam "genever" genoeg werd geacht voor 22 weken: -"doordien veele haar randsoen niet gebruyken". - -[34] Tristan d'Acunhe: voornaamste van een groep kleine eilandjes in -den Z. Atlantischen Oceaan. - -[35] Dus zonder miswijzing hoegenaamd. - -[36] "Ghebolde fock" is een gereefde fok met gevierde schooten. De fok -is het onderste razeil van den voorsten mast, die daarnaar fokkemast -genoemd wordt. Bij zwaar stormweer was men gewoon enkel voor de fok -te loopen, omdat in de 17de eeuw de driehoekige kluiver- en stagzeilen -nog niet voor de driemasters gebruikt werden. Zoo loopt op het bekende -storm-schilderij van Willem van de Velde in het Rijksmuseum het schip -voor een "gebolde fok", waarvan beide de schooten zijn losgeslagen. Dat -een schip op weg naar Oost-Indië de Kaap de Goede Hoop niet aandeed -is een uitzondering; meestal ging men in de Tafelbaai een paar dagen -voor anker om te "ververschen". - -[37] "Mayottes". De moderne naam van deze groep is: Comorische -eilanden, of kortweg Comoren. Zij liggen in het kanaal van Mozambique. - -[38] Het seinlicht, waarnaar het andere schip zich had te richten. - -[39] "Dragende houden": bestendige koers houden. - -[40] Het eiland Mauritius, in 1598 door de Nederlanders op de -Portugeezen veroverd en naar Prins Maurits genoemd, werd in 1710 door -ons verlaten en in 1715 door de Franschen bezet, die het Isle de France -noemden. In 1810 werd het door de Engelschen veroverd en draagt nu -weer zijn ouden naam.--'t Eiland de Mascarinas is het tegenwoordige -Réunion. In 1505 werd dit eiland, met Mauritius, door den Portugees -Mascarenhas ontdekt en naar dezen genoemd. Sedert 1649 is het Fransch. - -[41] Onstuimig was; doordat er vrij wat "zee ging". - -[42] "Schor": steil afloopend. Van een kust gezegd; waar men dus op -geringen afstand van den wal geen ankergrond meer kan vinden. - -[43] "Waernemen en bekooken": verzorgen en van warm eten voorzien. - -[44] D.i.: "van Damascus". Gedroogde pruimen werden, ook als -voorbehoedmiddel tegen scheurbuik, steeds in genoegzame hoeveelheid -meegenomen: volgens voorschrift tenminste één pond per man en per -maand. - -[45] Sloegen ze. - -[46] "Dod-eersen": geen pinguins, zooals men uit de beschrijving -geneigd zou zijn op te maken, doch de daarmee verwante tropische -vogel "dod" of "dodo", welke thans geheel is uitgestorven en zelfs -een poos lang voor mythisch werd gehouden. De vermelding te dezer -plaatse is merkwaardig. - -[47] "Meulen": knijpen, drukken. - -[48] Lieten het anker vallen. - -[49] "Vertuyen": voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het -eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker) -aan den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip -met stroom of getij niet afzwaaien.--Men denke aan het slotkoor van -Hooft's Granida: "Liefd' en Min aen een vertuyt"; of waar hij elders -spreekt van "welige vlechten", die met "veel strickjens soo dertel -sijn vertuit". Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief, -toesprekende): "Want aen uw oogen is zij vast vertuyt". - -[50] "Boscharen" of "boschkaren": verzamelen, fourageeren. - -[51] "Lege-leggers": ledige watervaten. - -[52] Adriaan Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw, -een van de schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar -O. I. deed. In Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel -in zee, bestemd naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake -is, ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche -oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de -tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht -ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning -te brengen. - -[53] Voedden zich. - -[54] "Worden" voor "werden"; ook elders. - -[55] Portugeesch "sagueiro" is zoowel palmwijn als de boom, die den -palmwijn levert (suikerpalm). Elders: "sageweer".--"Way" of "wei" is -de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft's tweespraak tusschen Cephalus -en Amaryllis: - - C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!-- - A. Wel neemt het soete weij van geijten inne. - -[56] D. i.: onder den wind. - -[57] Moesson-winden. - -[58] "Ontschieten": te machtig worden. In eigenlijke beteekenis -van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand -schiet.--"Invallen", n.l. de zieken. - -[59] Messen met koper hecht. - -[60] Savoyekoolen. - -[61] Dit moet eveneens een vrucht zijn. - -[62] "Krengen": het schip bij de masten overtakelen, zoodat het scheef -en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna men -het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als -dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene -zijde te verplaatsen. - -[63] "Mutsje": nap van bepaalden inhoud. - -[64] "Steker": kandelaar met een punt, die in het hout kon vastgezet -worden.--"Boom" = bodem. Vgl. Vondel's: "Het is al boter tot den boôm". - -[65] "Dief": scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het vet -gaat afdruipen. - -[66] Nl. van de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste -verdek achteruit. - -[67] Ontsteld. - -[68] Van benauwdheid. - -[69] Wij hieuwen daarna gaten in het tusschendek. - -[70] "Het water mannen" d.i.: de wateremmers van man tot man doorgeven. - -[71] Ontsteltenis. - -[72] "Rusten": dwarshouten buiten boord, waaraan het staande want, -dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is. - -[73] "Gelderij": de open gaanderij achter aan den spiegel van het -schip, waar de kajuit op uitkwam. - -[74] "Sticken": stuk, aan stuk. - -[75] D.w.z. tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten -bijdraaien, om het vuur beter te kunnen blusschen. - -[76] In vanglijnen ("gijtouwen") opgenomen. - -[77] Overzeilen en in den grond varen. - -[78] "Naveger"; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote houtboor, -waaraan van boven een kruk of dwarsstang is bevestigd.--Een "dopguds" -is een holle beitel. - -[79] D.i.: de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven, -bij het blusschingswerk. Vgl. boven. - -[80] "Manck": tusschen, onder.--"Borden": planken. - -[81] "Inneckhouten": inhouten of ribben. - -[82] "Loof": vermoeid, afgemat. - -[83] "Willen": zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met werk -(of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden bevestigd -of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door stooten -tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd wordt. - -[84] "Platting": van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had te -dienen; "platting" genoemd, omdat het plat was en niet (als touw) -gedraaid.--"Geerden": de touwen waarmede de gaffel in zijn stand -wordt gehouden. - -[85] Een bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die -door zeelieden bij ruw weer gedragen werd.--"Bolk": hevige regenbui -of vlaag. - -[86] Zoowel op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: "meester". - -[87] Zonshoogte namen. Op den "stock" was de graadverdeeling -aangebracht. "Cruys": verstelbaar dwarshout. - -[88] "Scheren": uitspannen. Vgl. den term "schering en inslag" bij -het weefgetouw. - -[89] "Blinde": het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder den -boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.--"Bezaen" is, zooals bekend, -het zeil van den achtermast. - -[90] Geweerkogels. - -[91] Overreedde hen, bracht hen daarvan af. - -[92] "Dookig" of "dijzig" = mistig; een "dikke" lucht, zooals de -zeelui nu gewoonlijk zeggen, hoewel de woorden dookig en dijzig nog -bekend zijn. Bogaers gebruikt het laatste in zijn "Schipper de Zwart." - -[93] De "voorlezer" was de godsdienstonderwijzer of wat iets later -"ziekentrooster" heet. De koopvaarders hadden meestal zulk een persoon -aan boord, om "het woord te bedienen"; grootere oorlogsschepen of -eskaders voerden doorgaans een "dominee". Was er geen predikant of -voorlezer aan boord, dan was de schipper, of bij het schaften de -stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed voor te gaan en -'s Zondags de preek te lezen uit een "predicatie-boeck". Van welk -gehalte de zee-dominees soms waren, daarover kan een plaats verder -in dit journaal verrassend inlichten! - -[94] Klein anker, bootanker. - -[95] Vgl. boven blz. 35. - -[96] "Barning": branding. - -[97] Effen, kalm water. - -[98] "Toeback drincken": zooals men weet in de 17de eeuw de gewone -term voor "rooken". - -[99] Gewaar. - -[100] Wij ondervroegen elkaar. - -[101] Een "rejael" is een kleine Spaansche zilveren munt, -oorspronkelijk ter waarde van 3 1/2 stuiver. Behalve dubbele en -vierdubbele waren vooral de achtdubbele rejaelen in de Nederlanden druk -in omloop. Ze werden gewoonlijk "stukken van achten" genoemd en zijn -als "Spaansche matten" befaamd geworden! Vooral in O. Indië waren deze -stukken bij de inlanders zeer gewilde munt, zoodat de "Compagnie van -Verre" te Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken, -met eigen stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden -in 1602 te Middelburg eveneens "rejaelen van achten" geslagen. In de -eerste helft der 17de eeuw deden de "stukken van achten" of z.g. "heele -rejaelen" 47, later 48 of 50 stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in -het Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, -XIV, 1906.) - -[102] Zekerheid hadden, er op vertrouwden. - -[103] De bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy. - -[104] "Haperen": druk en verward spreken. - -[105] Pagaai, schepriem. - -[106] Met gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals -bekend is, ook heden nog dikwijls vertoonen. - -[107] Oorspronkelijk wellicht "diefsack": binnenzak in een -mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk. - -[108] Druk te spreken. - -[109] Op deze passage dichtte Potgieter zijn tiental "Liedjes van -Bontekoe". - -[110] Wij kunnen geen schade, verlies verduren. - -[111] Voor hieuw; vgl. boven blz. 42. - -[112] Ontsteld. - -[113] Onklaar. - -[114] Assegaaien. - -[115] Vgl. boven blz. 32. - -[116] In één slag; zonder dat het noodig was te laveeren. - -[117] Niets. - -[118] Willem Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le -Maire deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in 1615--'17, -waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. Het zeer merkwaardige -journaal van deze reis werd in 1618 reeds driemaal uitgegeven en voorts -in de 17de eeuw nog meer dan 15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling -verscheen eveneens reeds in 1618 en twee Fransche in hetzelfde -jaar. Een derde Fransche en een Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles -wel een bewijs, dat reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard -werden gevonden! Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het -Vaderland, in de "Baai van Antongiel" op de Oostkust van Madagascar, -zooals wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien. - -[119] "Glop": een open ruimte, doorgang. - -[120] "Peuren": trekken, gaan, zich begeven. - -[121] Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig -Spaansch en Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude -wijze gebouwd met een "kasteel" voor en achter. - -[122] Men zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman van Alkmaar, -die in Bontekoe's journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als de -broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen -handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide -diens tochten in 1595--'97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 door -den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere jaren -diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland terug -en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op diens -Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op Amboina, -toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was veroverd -(Amboina is, zooals bekend, onze eerste bepaalde nederzetting in -de Oost).--Het lijkt haast uitgesloten, dat twee De Houtman's van -gelijken voornaam, tegelijkertijd in O. I. geweest zouden zijn, -beide met een zelfde gezag bekleed, zonder dat wij daarvan iets -zouden weten. Hoogstens zou men kunnen aannemen, dat Cornelis de -Houtman van Gouda en Frederik Houtman van Alkmaar geen broeders -doch neven waren. Echter noemt Frederik (Pietersz.) de Houtman van -Gouda in de voorrede van zijn werk "Spraeck ende Woordboeck inde -Maleysche en de Madagaskarsche Talen" (Amsterdam 1603) zich zelf den -broeder van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als sterrekundige -naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met Vroutje -Cornelisd. van Alkmaar. In 1625 legde hij zijn post in Indië voor -goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds vroeger was hij -te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als schepen der stad -(blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: "Frederick Pietersz. Houtman, -in syn leven geweest Gouverneur van Amboine .... etc." Sedert 1614 -was hij in de vroedschap gebracht.--Men merke op, dat een "kijcker -of bril" in de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de -Houtman zeer goed past. Zulke instrumenten waren in het eerste -kwartaal der 17de eeuw nog hoogst zeldzaam en hoofdzakelijk voor -sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de -laatste jaren der 16de eeuw te Middelburg door Zacharias Jansen en -Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is dit de -allervroegste vermelding van een verrekijker, die in de journalen -voorkomt. Het woord "bril" behoeft niet op een dubbelen kijker te -slaan.--"Gelderije": vgl. blz. 43. - -[123] Geen pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat, -zooals er aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk -werden meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz. - -[124] "By-setten": voorzien van. - -[125] Jan Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als -Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van -Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes -maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. Den -30en Mei van datzelfde jaar toch had de inneming plaats gehad, onder -de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op het beleg van -Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java betrekking hebben, -bij J. K. J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. Gezag in O. Indië, -Dl. IV, blz. 138 vgg. - -[126] Beker. - -[127] Drink u toe. Ook in het volkslied: "Ick brenght u, haveloos -meyske". - -[128] Gresse of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera. - -[129] Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland -Solor. - -[130] "Specken": het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in die -dagen.--"Mostiesen" voor mestiezen: kleurlingen. - -[131] Dit te ondernemen. - -[132] "Baets Jan". Bedoeld is het eiland Batjan, een der Molukken, -ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira). - -[133] Afgelost. - -[134] Het eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes. - -[135] "Java Minor": Madoera. - -[136] Djambi. - -[137] Koelies. - -[138] Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het jacht. - -[139] Macao: de Portugeesche nederzetting aan den mond van de -Canton-rivier; vgl. nader de Inleiding hiervoor.--"Incorpereren": -inlijven, bezetten. - -[140] Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal -van China, door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig -van groot gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen, -van welk eiland--door den heldendood van den predikant Anth. van -Hambroeck vermaard geworden--wij, zooals bekend is, in 1662 werden -verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te vestigen. - -[141] Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het -verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons -nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver, -weldra weer worden. - -[142] Voor anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35. - -[143] Ankergrond; grond waar men "het steken" kan. - -[144] De mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten -dienste van mogelijke "nakomers". Men ziet, hoe de journalen ook in -dit opzicht bestemd waren van nut te zijn. - -[145] Het heeft geen zin de ligging van elk der hier en in 't vervolg -genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. "Poele" beteekent: -eiland. 't Land van Champay is het vaste land van Achter-Indië -(Cochinchina). - -[146] Deze zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der -aanwijzingen, gecursiveerd. - -[147] Laagachtig. - -[148] Ook deze zin is in het journaal gecursiveerd. - -[149] Inham, baai. - -[150] Het eiland Ceceer de Tor ("met de steen-klippen") is nog heden -ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden -uitgevoerd. - -[151] Portugees of Spanjaard. - -[152] Naar den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het -schip (jacht) St. Nicolaas. - -[153] "Aenhalen": enteren en buitmaken. - -[154] Coxbroad. - -[155] Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. beneden. - -[156] Exerceeren. - -[157] In den tekst staat "onsen commandeur Nieuwenroode", doch voor in -het journaal wordt den lezer verzocht "deze faut te verbeteren". Een -koopman Nieuwenroode was nochtans bij de onderneming inderdaad aanwezig -en diende in December van ditzelfde jaar (1622) en gedurende 1623 op -het schip van Bontekoe; zooals beneden op blz. 94 en 99 vg. blijkt. - -[158] Indien het. - -[159] In het geheel. - -[160] Pedro Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China -(22°, 22' N.br.). - -[161] "Bey": baai.--"Steck-grondt" vgl. boven blz. 79. - -[162] Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die -af te spreken. - -[163] Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche -naam voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78, -noot 2. - -[164] Kan. - -[165] Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog -bekend als de beste matrozen en kooplui van China. - -[166] Vgl. het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging, -I, blz. 48 vgg. - -[167] Laag. - -[168] De "lijk" is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het -voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30. - -[169] "Af en aan houden": laveeren. - -[170] Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk. - -[171] Uit deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking -der handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. 78. - -[172] Singapoor. - -[173] Vergaan was. - -[174] Niets. - -[175] "Setten": voor anker gaan. "Geset": geankerd. - -[176] 't Is opmerkelijk, dat het woord "hulde" hier nog in de oude, -middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, genade. - -[177] Nl. de zes andere van de boot. - -[178] Geslagen. - -[179] "Scampan" of "ciampan" (zie boven blz. 86): inlandsch schuitje. - -[180] Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land -en voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt, -maar voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van -de 17de eeuw sprake van. - -[181] Revanche. - -[182] Kleine kanonnen. - -[183] Een en twintig balen gedubbeld zijden garen. Van "fijn getweernd -linnen" is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als in -'t boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel worden -gegeven. Tegenwoordig meest "twijnen".--Een "kanasser" of "kanaster" -is een mat of korf van gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt -voor emballage van tabak, suiker en thee. - -[184] Ontsteltenis. - -[185] Dwars met het boord. - -[186] T.w. de in vlammen staande jonk. - -[187] Een aardige "volksetymologie" van schipper Bontekoe voor: -"korte metten". Hij heeft er elders meer van die kracht. - -[188] Versta: voor het anker afzwaaide. - -[189] In 't midden van het water; versta: halfweg, in open zee. - -[190] Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip -wordt verwijderd. - -[191] Dreven meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden -winnen.--"Overstuur zijn" en zich of anderen "overstuur maken" -behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, die in onze dagelijksche -omgangstaal zijn overgegaan. - -[192] "Verdubbelen": met een betimmering het schip van binnen onder -de waterlijn versterken. - -[193] D. i. waterdicht. - -[194] Over het leggen van een "wang" zie boven blz. 27. - -[195] Nl. de sloep, waaraan men werkte. - -[196] Werd nagelaten. - -[197] D.w.z. twee glazen lang, dus een uur. - -[198] Aan boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van -omstreeks zes uur: - -de eerste- of morgenwacht, van het vroegschaften tot den middag; - -de tweede- of dagwacht, van den middag (tweede schaften) tot 't -vallen van 't donker (in noordelijke en tropische zeeën tot zoolang -de schipper het gelast); - -de eerste nachtwacht of voormiddernachtwacht, van het afloopen der -dagwacht tot middernacht; - -de tweede nachtwacht of hondenwacht, van middernacht tot den morgen. - -Later werden zes wachten elk van vier uur ingevoerd. Het tellen en -afroepen der "glazen" begon met elke wacht opnieuw. Het "glas" was -oorspronkelijk de zandlooper, die achter op de campagne stond en elk -half uur gekeerd werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid. - -[199] "Teysing" niet voor Taischöng, d. i. Formosa, doch een punt op -den vasten wal; vgl. de volgende blz. - -[200] Sloten zich boord aan boord aaneen. - -[201] "Napeuren": achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot 3. - -[202] "Opgijen"; vgl. boven blz. 44. - -[203] T.w. de ankertros.--"Catsje" is Kiatsu, op 22° 53' N.br. - -[204] Meer naar land toe. - -[205] Te onderzoeken. - -[206] Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. "Toeback -drincken" was alleen boven op het verdek geoorloofd. - -[207] Een verdrag gesloten had. - -[208] Losprijs. - -[209] "Roopaert": affuit van een kanon.--"Bas": zie blz. 92. - -[210] Dat zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de -ijzers werd voorbereid!--Wij lezen anno 1671: "Het is de eenighe taek -van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De -raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in 't bijzijn van -het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer."--Dat Bontekoe op -15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in de boeien -laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon zijn. - -[211] Vgl. boven blz. 25. - -[212] In 't nauw brengen; insluiten en overvallen. - -[213] Zie boven blz. 43, noot 3. - -[214] Kuiten. - -[215] Boven blz. 85; over het fort vgl. blz. 87. - -[216] Dit is niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot, -gezien dat Bontekoe zelf met 206 "eters" uitvoer; misschien hadden -de beide schepen samen zooveel volk verloren. - -[217] In een brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers -der Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare -berichten vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip -Dordrecht. Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland -binnen. Alleen de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op -19.000 balen, die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar -van 1627 zeilde Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en -overleed 20 Sept. 1629. - -[218] Over deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend. - -[219] Om met ons te spreken. "Verspreken" beteekent in de scheepstaal -der 17de eeuw ook "praaien". - -[220] "Balie": tobbe. - -[221] Maakten de stukken vaardig. - -[222] Een "totock" is een door de Chineesche overheid aangesteld -commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een -andere beteekenis, zooals bekend is. - -[223] Op 's lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden -waren, volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd, -d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve -"leerzen" of "laarzen" kende men ook "britsen", 't geen met een dunner -touw geschiedde, zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens -werden niet gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of -twijgen gekastijd. De Ruyter "condemneerde" eens (in 1664, op 't schip -"de Spieghel") vier man, "die haer wacht verslapen hadden, om drie -weken lang voor het gantsche scheepsvolck stockvis te beucken"!--Van -de ra vallen of loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een -tot zes malen: de veroordeelde moest in de groote mars klimmen en -vandaar de ra afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd -opgehaald.--Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te -beschouwen, waarbij de "delinquent" onder de kiel van 't schip door, -aan 't andere uiteinde der ra weder werd opgetrokken. Openlijke -insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus gestraft, of naar -omstandigheden ook strenger. Voor mindere ongehoorzaamheid, evenals -voor diefstal, werd na ondergane geeseling van de ree geloopen, doch -op het stelen van vivres stond als regel 't hangen ("executie met -den koorde"). Wie aan boord het mes trok, "in evelen moede", werd, -na meestal eerst te zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de -hand aan den mast gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het -er zelf uittrok. Nog in 1667 werd deze straf op "de Zeven Provinciën" -toegepast. Wie "plockhaerde" of dronken was, werd geleersd en in de -ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning bij den -doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd ook -"gearquebuseerd". Niet zelden ging een lijfstraf met korting der -soldij gepaard.--Aldus leeren de artikel-brieven en journalen. - -[224] Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een district. - -[225] Voor "Mandarijn". - -[226] "Uytrechten": beslechten. - -[227] Geschil. - -[228] Opdat. - -[229] Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa -(vgl. blz. 78). Dit had aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij -daar reeds in 1623 een factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals -men weet. - -[230] Versta: Nederlandsch. - -[231] "Ostagiers": gijzelaars.--In margine staat hierbij de volgende -aanteekening: "Manderijns zijn gouverneurs of oversten; dan daer -sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van de -Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn." De -eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer, -minister. Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot. - -[232] Aan de Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een -oud kasteeltje Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is -welbekend. - -[233] T.w. de Commandeur met de andere afgevaardigden. - -[234] Bemerkt. - -[235] In het opschrift is de naam van 't schip van Bontekoe zelf -vergeten. - -[236] Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer -vestiging op Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk -voorloopig. - -[237] Een tropische vrucht. - -[238] Hier schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op -20 Febr. 1624. - -[239] Onhandelbaar, bij het overstag loopen. - -[240] "Dragende houden": rechtstreekschen, bestendigen koers houden. - -[241] Vgl. boven blz. 76.--Hier is weder een bekorting op te merken. - -[242] Vgl. boven blz. 69 vg. - -[243] Maakten een "slag" of "gang", bij het laveeren. - -[244] Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing -van het kompas; vgl. boven blz. 30. - -[245] "Voor een schoovers-fock met de blind", d.w.z.: voor een sterk -gereefde fok en voor de blinde (het kleine zeil onder de boegspriet -der toenmalige schepen; vgl. boven blz. 51).--Door den hevigen en -ongestadigen wind was het niet mogelijk op een vaste kompas-streek -koers te houden. - -[246] T.w.: het seinlicht (als "admiraalschip"), waarnaar de beide -andere schepen hun koers hadden te regelen. Vgl. boven blz. 31. - -[247] "Onder zee schieten", d. i.: met alle zeilen ingenomen zich op -wind en golven laten drijven. Dit geschiedde, als het schip door het -al te zware weer niet meer te hanteeren was, of als men bevreesd was -tuig te verliezen. - -[248] Nl.: stijf tegen de raas. - -[249] Dus te drie uur; vgl. boven blz. 98. - -[250] Boven het verdek; vgl. boven blz. 24 vg. - -[251] Vlak, effen. - -[252] "Rollen" van een schip: slingeren. - -[253] In verlegenheid bracht. - -[254] Om dit en het volgende te verstaan is een uitlegging noodig: -Onder op den bodem of "'t vlack" van het schip liggen dwarsbalken, -"liggers" genaamd, en daarover een planken vloer, die nog heden -"buikdenning" wordt genoemd en die den bodem van het ruim uitmaakt. De -ruimten tusschen de liggers, onder de buikdenning, heeten "wrangen" -en daarin monden de ondereinden van de pompen uit.--Omdat peper een -kostbare lading was, had men die niet onder in het ruim gestuwd, -maar boven een tusschenvloer ("genier"), waar de specerij, ook als -het schip water maakte, niet door het vocht kon worden aangetast. Op -dit genier lagen ook de van hun affuiten genomen kanonnen, die door -het slingeren van 't schip "gaende", d. i. aan het rollen raakten en -met hun "ooren" het plankier stuk stootten. - -[255] De "vullingen" zijn de losse schotten, die beneden in 't -schip scheef, langs de zijden, tusschen de inhouten of ribben zijn -aangebracht, om die tusschenruimten aan te vullen. Toen nu deze -"drijvende" werden, was het mogelijk, dat de door het plankier beneden -in 't ruim neerlekkende peper, langs de wanden van het schip, in de -wrangen raakte en daar de mondingen van de pompen verstopte. - -[256] Men verhielp dus het euvel door de pompen eenvoudig uit de -wrangen te trekken en op de buikdenning, dus op den bodem van het -ruim zelf te plaatsen. De benedeneinden werden in manden gezet, -om te beletten, dat de in het ruim omdrijvende peper de mondingen -opnieuw zou verstoppen. - -[257] Boven den wind. "In lij": onder den wind. - -[258] "De vleet" is alles wat achter een vaartuig, drijvende, wordt -meegetrokken. Thans nog in het bijzonder de naam van het sleepnet -dat ter haringvangst gebruikt wordt. - -[259] Effener. - -[260] Verschrikten. - -[261] Stompen op te richten. De noodmasten worden door Bontekoe hier -"stompen" genoemd. - -[262] Tegenwoordig Port St. Louis, ten Z. van de Baai van Antongiel. - -[263] Vgl. het Noorsch-Deensche "alligevel": alevenwel. - -[264] Indien. - -[265] Branding op eenige ondiepten. - -[266] "Schadeloos": met schade, averij. Een in de scheepstaal gewoon -woord. - -[267] De spuigaten, waardoor het water uit 't schip wordt verwijderd. - -[268] Gedoente. - -[269] Gerief, wat wij behoefden. - -[270] Een zwaluw. - -[271] Die dus voor den grooten mast pasklaar werd gemaakt. - -[272] Planken. - -[273] Stelden ons geheele loopende want daaruit samen (touw slaande). - -[274] Bezigden, verbruikten. - -[275] In latere drukken is toegevoegd: "'t Was een goet -man".--Prof. G. Kalff (Gesch. d. Nederl. Letterk. V, blz. 3) merkt -naar aanleiding van deze woorden met bewondering op: "Hoe treft ons -door hartelijken eenvoud dat uitzoeken van den besten boom; hoe sober -is dat trouwhartig slot!" - -[276] Vgl. boven blz. 94. - -[277] "Vroom": flink, van goed gedrag. - -[278] Versta: wij bemerkten, dat wij (met het herstelde tuig) achter -nog niet zooveel zeil voerden, dat wij bekwaam waren om door den wind -over, d. i. over stag te loopen. - -[279] "Het laten deurstaan": een koers vervolgen; vgl. boven blz. 30, -regel 9. - -[280] Aan ons voorbij schoot.--"Vernemen": bemerken. - -[281] "Schovers-seylen": dicht gereefde zeilen. Vgl. blz. 121: -"schovers-fock". - -[282] Kaap Agulhas; oostelijk van Kaap de Goede Hoop. - -[283] "Stijf schip": zwaar geladen, vast op 't water. - -[284] Effen, kalm. - -[285] De Kaap te boven; dus voorbij, omgezeild. Vgl. ook de voorgaande -blz. - -[286] Kerk-vallei. - -[287] D. i.: brachten (met een boot) een anker uit op eenigen afstand -van het schip, waardoor dit, door met het spil het ankertouw te winden -en in te korten, dichter onder den wal kon worden getrokken. - -[288] "Verpreyen", elders ook "verspreken": praaien. - -[289] Over het "in compagnie varen" van meerdere schepen vgl. hiervoor. - -[290] Versta: een zandlooper. De bedenktijd was dus een half -uur. Vgl. boven blz. 98. - -[291] "Branden": losbranden, vuur geven. Het werkwoord "vuyren" of -"vyeren" beteekent in de 17de eeuw nooit "schieten", doch "met lichten -seinen geven". - -[292] Stukken van gemiddelde zwaarte. - -[293] "Boegseeren": een schip, dat 't zij door windstilte, 't zij bij -gebrek aan ruimte geen zeil kan maken, met behulp van een roeiboot -in open vaarwater brengen. In dit geval was het boegseeren noodig, -omdat men lag onder de hooge klippen, in de luwte van het land. - -[294] Buien, rukwinden.--Vgl. over de uitreis blz. 28. - -[295] Over het "opgijen" der zeilen vgl. boven blz. 44.--"Vrookost" -blz. 28. - -[296] De "groente" is de plantaardige aanwas, die zich (met weekdieren) -onder aan de houten schepen vasthechtte en ze "vuil" maakte. - -[297] "Kaeck": bui. - -[298] Bedoeld schijnt Ouessant, schoon dit wat noordelijker ligt. - -[299] Terre Neuve, Terra Nova: New Foundland. - -[300] Dapper. - -[301] Kinsale, havenstad op de kust van Ierland, enkele uren ten -Z.W. van Cork; thans vervallen. - -[302] Ging voor anker. - -[303] "Convoyers" zijn schepen van oorlog, die gewoon waren de -koopvaarders tot voorbij de Spaansche kusten te vergezellen en op -de thuisreis weder in te wachten, om hen zoo noodig te beschermen en -te geleiden. - -[304] "Onbeniert": onhandelbaar bij het laveeren. Vgl. boven blz. 139. - -[305] "Mayor": burgemeester. - -[306] Beschadigd, met averij. Vgl. boven blz. 127, noot 2. - -[307] Uit dezen zin en den volgenden is merkbaar, dat wij niet met -den stijl van Bontekoe, doch met dien van Jan Jansz. Deutel te maken -hebben! Vgl. "Toe-eygeninghe" en "Voor-reden". Echter strekt het den -uitgever tot eer Bontekoe te hebben bewogen deze berichten aangaande -het schip Middelburgh aan het journael toe te voegen, dat zoodoende -een historisch slot bekwam. - -[308] Ziet op de ontdekking van de Straat le Maire; vgl. boven blz. 17. - -[309] Dit overzicht is met medewerking van Dr. G. J. Boekenoogen -samengesteld, wien ik verschillende aanwijzingen aangaande de oude -drukken te danken heb. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige -beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL *** - -***** This file should be named 53857-8.txt or 53857-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/8/5/53857/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/53857-8.zip b/old/53857-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 3d4800f..0000000 --- a/old/53857-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h.zip b/old/53857-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 75462de..0000000 --- a/old/53857-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/53857-h.htm b/old/53857-h/53857-h.htm deleted file mode 100644 index de981ec..0000000 --- a/old/53857-h/53857-h.htm +++ /dev/null @@ -1,7857 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2017-01-01T13:04:14Z. --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta name="generator" content= -"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> -<title>Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe van de -Oost-indische Reijse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe</title> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> -<meta name="generator" content= -"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content= -"Willem Ysbrantsz. Bontekoe (1587–1657)"> -<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href= -"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content= -"Willem Ysbrantsz. Bontekoe (1587–1657)"> -<meta name="DC.Title" content= -"Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe van de Oost-indische Reijse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0% .5em 0%; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0% 0 0%; -} -span.hemistich { -color: white; -} -.versenum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -}body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -.signed { -text-align: right; -} -.dateline { -text-align: inherit; -padding-left: 2em; -} -.bibEntry { -padding-left: 1em; -text-indent: -1em; -} -.bibDesc { -padding-left: 2em; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd24e103width -{ -width:578px; -} -.xd24e146width -{ -width:530px; -} -.xd24e168width -{ -width:125px; -} -.xd24e373width -{ -width:506px; -} -.xd24e396width -{ -width:512px; -} -.xd24e558 -{ -text-indent:2em; -} -.xd24e713width -{ -width:533px; -} -.xd24e1050width -{ -width:720px; -} -.xd24e1139width -{ -width:720px; -} -.xd24e1183width -{ -width:720px; -} -.xd24e1307width -{ -width:720px; -} -.xd24e1361width -{ -width:720px; -} -.xd24e1406width -{ -width:720px; -} -.xd24e2208 -{ -text-align:center;font-size:large; font-weight:bold; -} -.xd24e2210 -{ -text-align:center;font-size:large; -} -.xd24e2456width -{ -width:720px; -} -.xd24e2557width -{ -width:720px; -} -.xd24e2889 -{ -text-align:center; -} -@media handheld -{ -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige -beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -Author: Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -Editor: Godefridus Johannes Hoogewerff - -Release Date: January 1, 2017 [EBook #53857] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e103width"><img src="images/cover.jpg" alt= -"Oorspronkelijke voorkant." width="578" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">HERDRUKKEN VAN DE MAATSCHAPPIJ<br> -DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE</div> -<br> -<div class="seriesTitle">N<sup>o</sup>. 1</div> -<div class="mainTitle">JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE<br> -BESCHRIJVINGHE VAN DE OOST-INDISCHE REIJSE<br> -VAN WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE</div> -</div> -<div class="byline">UITGEGEVEN DOOR<br> -<span class="docAuthor">Dr. <i>G. J. HOOGEWERFF</i></span></div> -<div class="docImprint">UTRECHT<br> -A. OOSTHOEK<br> -<span class="docDate">1915</span></div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e146width"><img src="images/titlepage.jpg" alt= -"Oorspronkelijke titelpagina." width="530" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE<br> -BESCHRIJVINGHE VAN DE<br> -OOST-INDISCHE REIJSE VAN<br> -WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE</div> -</div> -<div class="byline">OPNIEUW UITGEGEVEN EN VAN AANTEEKENINGEN VOORZIEN -DOOR<br> -<span class="docAuthor">Dr. G. J. HOOGEWERFF</span> -<div class="figure xd24e168width"><img src="images/logo.png" alt="" -width="125" height="125"></div> -<p class="par"></p> -</div> -<div class="docImprint">UTRECHT<br> -A. OOSTHOEK<br> -<span class="docDate">1915</span></div> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name= -"pb1">1</a>]</span></p> -<div id="inleiding" class="div1 introduction"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">INLEIDING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Voor den schrijver van deze Inleiding is de nieuwe -uitgave van het Journael van Willem Ysbrantsz. Bontekoe het -teruggrijpen tot een voorliefde van voorheen, die hij zich nimmer zal -ontveinzen dat een voorliefde gebleven is.</p> -<p class="par">Wat hij met den herdruk van het eenmaal zoo populaire -boekje vooral hoopt te bereiken is dit: dat ook de gansche -Nederlandsche Natie zich tot die oude voorliefde zal terugwenden.</p> -<p class="par">Dat een boek, hetwelk door het voorgeslacht met -ingenomenheid en bewondering werd gelezen—niet om zijn schoonen -vorm, maar om zijn kloeken inhoud—blijvend in vergetelheid kon -geraken, zou niet anders dan een zeer slecht teeken wezen voor ons -tegenwoordige menschen. Het mag dan ook niet aangenomen worden.</p> -<p class="par">Zeer zeker zijn de merkwaardige lotgevallen van den -manhaften Bontekoe in Nederland feitelijk nooit of nimmer vergeten; -waardoor anders is de man en is zijn reis spreekwoordelijk geworden en -gebleven? Dit boekje wil daarom niet anders dan de herinnering aan man -en reis levendig houden. Terecht toch mag het „Journael ofte de -Gedenckwaerdige Beschrijvinghe” als een soort nationaal-goed -worden beschouwd.</p> -<p class="par">Wanneer ons in het einde der 17<sup>de</sup> eeuw de -inhoud van de scheepskist van een kajuitsjongen wordt -medegedeeld,—bevattende mede eenig goed, dat door de bemanning -van zijn schip voor hem werd achtergelaten, op de onbewoonde kust waar -hij zijns ondanks bleef,—dan wordt daar mèt het Nieuwe -Testament ook de reis van Willem Ysbrantsz. Bontekoe vermeld<a class= -"noteref" id="xd24e195src" href="#xd24e195" name="xd24e195src">1</a>. -<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name= -"pb2">2</a>]</span></p> -<p class="par">Heeft Bontekoe zijn verhaal voor ouden van dagen -geschreven of voor jongen? Hij heeft het zeer zeker niet geschreven, -opdat het gelezen d. i. gedrukt zou worden. Het dagboek is opgesteld in -de eigenaardige trouwhartige taal van den zeeman, behelst de -mededeeling van zijn lotgevallen zonder opsmuk hoegenaamd, en is -daardoor boeiend voor <span class="ex">iedereen</span>.</p> -<p class="par">Zijn de daden van Bontekoe, gelijk die van een -veroveraar der Zilvervloot, „groot” geweest? Was hij een -zeeheld?—In zijn daden ligt niets buitengewoons. Wat hij ondernam -was het bedrijf van den gewonen Oostindievaarder. Wat hem overkwam, had -een ander evengoed kunnen overkomen. En tòch is hij een held om -de wijze waarop hij het bedrijf uitoefende en om de wijze waarop hij -zich door de moeilijkheden heensloeg. Schipper op zijn bodem, -„naast God” zoo het heet, en vol vertrouwen, dat hij met -Gods hulp alles te boven kan komen;—om er zich berustend in te -schikken als geen middelen en niets mag baten; tot het bitter einde -toe. Zoo is menige zeeman een held. Ook nu nog.</p> -<p class="par">Dat is niet alleen moed, niet alleen volharding, -taaiheid, maar ook trouw en standvastigheid. Trouw aan een opdracht, -trouw aan een taak, trouw aan zich zelf; maar ook trouw aan den -Allerhoogste, die het immers leiden zal naar Zijn raad. Geloof maar, op -het land, met beide de voeten op de veilige moederaarde, wordt vaak -genoeg met het Eeuwige gespot en gespeeld, doch niet in een storm op de -woedende zee: daar wordt ook de meest oppervlakkige zich zelf wel -indachtig.—Heeft men wel eens opgemerkt, dat bij dreigend gevaar -aan boord wèl bij de passagiers (de menschen van het land) maar -nooit bij de echte zeelui een paniek voorkomt? De laatsten zijn gewend -de verschrikking, ook de verschrikking van den dood, onder de oogen te -zien.</p> -<p class="par">Wordt dat in de praktijk tot fataliteit?—Zeelui -zijn uiteraard fatalisten, en altoos geweest. Doch het fatalisme van -Bontekoe voert niet tot een modern pessimisme en een zuchtend bij de -<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name= -"pb3">3</a>]</span>pakken neerzitten, maar tot een bijna blijmoedig -vertrouwen in het welslagen, zelfs in uitersten nood. De Voorzienigheid -zit ook niet stil! Doe dan wat je kunt om je er door te slaan! Al waar -het op aankomt, is dat de <span class="ex">gang</span> er in blijft, en -daarmee de moed, tot het einde toe. De rest zal zich wel vinden! Het -eerste waarvoor een goed zeeman daarom bidden zal, is dan ook: Geef -wind Onze Lieve Heer; we hebben zeilen!</p> -<p class="par">Het werkwoord „volhouden” is niet voor niets -een der tallooze scheepstermen, die in onze spreektaal zijn overgegaan -(—’t geen de klemtoon al leert; in tegenstelling met het -oudere „volhárden”—). Eigenlijk zijn alle -Hollanders, West-Friezen en Zeeuwen krachtens hun geboorte reeds -zeelui, en krachtens hun idioom.</p> -<p class="par">Bijna zou ik lust gevoelen van de zeemanswoorden, die -wij zonder het te weten onophoudelijk gebruiken, hier een lijstje te -geven, doch het zijn er zoo vele, dat het werk in een beknopte -inleiding als deze onbegonnen zou zijn. Zelfs Vader Vondel, om geen -mindere onzer oude schrijvers aan te halen, deed er al druk aan mee. In -een stuk als „Adam in Ballingschap”, het treurspel aller -treurspelen, zal men het allerlaatst scheepstermen verwachten, en toch -verklaart Lucifer in het begin van het laatste bedrijf, Asmode -toesprekende: „Het gaet naer onzen wensch; <span class="ex">wij -zijn dien hoeck te boven</span>”,—zooals een schipper, -vergenoegd zich in de handen wrijvend, tot zijn stuurman zou zeggen, -als het gelukt was voorbij een lastig punt op te tornen. En nog -verrassender, als men er zich rekenschap van geeft, klinkt het honderd -regels verder Adam zelf aan Eva te hooren toevoegen: -„<span class="ex">Gij smeet mij -overstach</span>”;—alsof hij een pikbroek geweest ware, die -zijn betere helft het hartig verwijt toevoegde;—van den zondenval -nog wel!</p> -<p class="par">En toch, indien men Vondel gevraagd had, wat er voor -gelegenheid in het Paradijs voor die twee geweest mocht zijn, om -schuitje te varen en zulke „vaktermen” op te doen, hij zou -met verwondering het antwoord zijn schuldig gebleven. Want stellig -gebruikte hij de uitdrukkingen geheel onwilkeurig, zonder er zich -<span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" name= -"pb4">4</a>]</span>iets maritiems bij te denken. En nu er precies 250 -jaar verstreken zijn, sedert „Adam in Ballingschap” -verscheen, staat het met de Nederlandsche Taal minstens nog net eender -en wij achten haar—Vondels taal en de onze—er des te -kernachtiger om.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">Zooals reeds werd gezegd, was de reis van Bontekoe de -tocht van den gewonen „Oostindie-vaerder”, geen bijzondere -zending, geen ontdekkingsreis, of iets dergelijks. Wat aan Bontekoe -overkwam, had eigenlijk aan iederen schipper evengoed kunnen overkomen; -alleen niet iedere schipper zou er zich zóó doorheen -hebben geslagen,—en zijn wedervaren zóó hebben -neergeschreven. Niet alleen immers door het verbijsterende der -lotgevallen, maar vooral ook door de wijze, waarop ze verhaald worden, -is deze op zich zelf gewone reis <span class="ex">buiten</span>gewoon -geworden en beroemd.</p> -<p class="par">Reisbeschrijvingen uit de 17<sup>de</sup> eeuw, als -volksboeken uitgegeven, meestal in het eigenaardige klein 4<sup>o</sup> -formaat, dat in dezen herdruk ongeveer wordt nagevolgd, zijn er -tallooze over. De exemplaren zijn meestal zeldzaam geworden, doch in -verschillende onzer groote bibliotheken kan men er vinden. Uiteraard -zijn deze verhalen zeer verschillend van waarde en van stijl. Er worden -er aangetroffen, die in den pedanten rederijkerstrant zijn opgesteld, -tot het <span class="corr" id="xd24e248" title= -"Bron: eenvoudig weg">eenvoudigweg</span> in onhandige -zeemans-bewoordingen neergeschreven dagboek toe. Gelukkig is het eerste -een uitzondering en het laatste meer regel!</p> -<p class="par">Terecht wijst Prof. G. Kalff in zijn <i>Geschied. der -Nederl. Letterkunde</i> (Dl. V, blz. 11) op het „onmiddellijke, -dat dezen reisverhalen eigen is”, en op den „kleinen -afstand, die er blijkbaar ligt tusschen indruk en -uitdrukking;—niet zelden voelen wij er het leven nog trillen -....”</p> -<p class="par">Inderdaad, zelden zijn deze verhalen dor; want zelfs al -wist de ongeoefende hand de pen niet dan stroef te hanteeren, dan toch -werd een voorval, dat voor den schrijver een bijzondere waarde had, in -pittige taal neergeschreven; net zoo als het uit het hart kwam. Geen -wonder dat later zijn lotgevallen onder de verschillende lagen van het -volk vlijtige en aandachtige lezers vonden. <span class= -"pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p> -<p class="par">Men moet niet vergeten, dat toenmaals de tochten naar -die verre, nauwelijks bekende gewesten en werelddeelen nog veel grooter -evenementen waren dan voor het tegenwoordig publiek de expedities van -Shackleton, Amundsen en Scott! Niet alleen de wonderverhalen over die -vreemde landen en volken trokken aan, maar men gevoelde ook zeer wel, -hoe met die langdurige en gevaarvolle reizen het algemeen belang en de -welvaart van het land gemoeid waren. Dat kan men van onze moderne en -gefilmde pool-expedities niet zeggen! Men leefde veel meer dan nu van, -maar ook voor de „negotie”. Handel was voor den lande een -kwestie van bestaan en de oorlog werd door ieder begrepen als een -strijd <span class="ex">om</span> dat bestaan. Vandaar de groote en -algemeene belangstelling in deze dingen. Dat vechten daarginds, zoo -goed als het vechten aan de grenzen, had voor de bevolking heel wat -meer te beteekenen dan een Atjeh-oorlog of Lombok-expeditie: Het ging -er om!</p> -<p class="par">Bontekoe is allerminst stroef in zijn vorm. Hij bezit de -natuurlijke gave, de dingen die hij beleeft op een pakkende manier neer -te schrijven als hij op de maandenlange reis—die ook veel dagen -van mooi en kalm weer had—rustig in zijn kajuit zich neerzette om -zijn journaal uit te werken. Een kenmerk, dat ons vooral voor dezen -verdienstelijken auteur inneemt, is wel dit: dat hij zich zijn -verdienste nergens bewust blijkt. Hij schrijft maar voor het vaderland -weg; doch schrijft voortreffelijk!—D. w. z. zijn stijl is -allerminst wat men van proza sprekende „fraai” en -„gevormd” pleegt te noemen, maar hij <span class= -"ex">vertelt</span> goed. En dat is een eigenschap, die wij -Nederlanders druk bezig zijn te verliezen. Het is nog onlangs van -bevoegde zijde uitgesproken: „een algemeen als goed erkend -Hollandsch boek <span class="ex">boeit</span> zelden meer”.</p> -<p class="par">Sommige der oude reisbeschrijvingen dragen het kenmerk -door den uitgever te zijn bij- en omgewerkt, men kan zeggen -„persklaar” te zijn gemaakt; doch met Bontekoe is dit niet -het geval, hij had genoeg aan eigen kracht. Zoo is zijn dagboek een der -meest aantrekkelijke voorbeelden geworden van het onopgesmukt, -<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name= -"pb6">6</a>]</span>trouwhartig zeemans-verhaal, in den trant dien wij -boven beproefden te kenschetsen, en almee een van de vroegste -voorbeelden, als men bedenkt, dat de Nederlanders eerst kort voor 1600 -vasten voet in Indië gekregen hadden en dat de Oost-Indische -Compagnie pas in 1602 was opgericht. Wel opmerkelijk is het, uit een -journaal als dat van Bontekoe weer eens te zien, hoe wij in 15 jaar ons -gezag en onze relaties in de Oost reeds hadden uitgebreid. En van een -leien dakje was dat toch alles behalve gegaan!—</p> -<p class="par">Zéér opmerkelijk is het bijv., dat -Bontekoe na volbrenging van zijn rampspoedige, vermaard geworden -heenreis te Batavia aankwam, toen die „stad” <span class= -"ex">nog geen half jaar geleden</span> door Jan Pietersz. Coen op de -puinhoopen van het veroverde Jacatra gesticht was. (Men zie hierover -nader den tekst.) De passage met de ontvangst bij den -Gouverneur-Generaal behoort tot de meest wetenswaardige gedeelten van -het journaal.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">Willem IJsbrantsz. Bontekoe, die in het jaar onzes -Heeren 1618, den 28<sup>sten</sup> December voor schipper met het schip -genaamd „Nieu-Hoorn” van Tessel uitvoer, op zijn -<span class="ex">eerste</span> reis naar Oost-Indië (zooals uit -een plaats van ’t journaal zelf blijkt),—was in 1587 te -Hoorn geboren. Zijn naam is een van die kenmerkende -„van’s” die naar het uithangteeken of naar den -gevelsteen van het huis, waar de familie woonde, zijn gegeven. Verder -weten wij van hem alleen, dat hij twee broeders had Pieter en Jacob -IJsbrantsz. Bontekoe, die beiden ook als schipper in dienst van de O. -I. C. stonden. In 1623 waren alle drie de broers in Indië aanwezig -en het schip van Pieter kwam onze Bontekoe in de Chineesche wateren -toevallig te ontmoeten. Het wederzien wordt ons uiterst laconiek -medegedeeld.</p> -<p class="par">Het is niet onmogelijk, dat Bontekoe na zijn -„avonturelijcke reyse” nog meer tochten naar de Oost heeft -gedaan, doch daarvan is ons niets bekend geworden. In zijn tijd was hij -geen vermaard man, vóórdat eerst in 1646 zijn journaal -door toedoen en op <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= -"pb7">7</a>]</span>aandringen van den Hoornschen uitgever Jan Jansz. -Deutel het licht zag. Doch mèt dit verschijnen was zijn -populariteit dan ook op slag gevestigd, daar binnen verloop van -één jaar van zijn „Avonturelijcke Reyse” -behalve de oorspronkelijke, <span class="ex">dubbele</span> oplaag al -<span class="ex">drie</span> nadrukken verschenen waren. Uit de -opdracht, die Deutel aan de eerste uitgave liet voorafgaan, valt op te -maken dat Bontekoe bij het verschijnen nog in leven was en te Hoorn, -vermoedelijk in ruste, woonde. Het jaar van zijn overlijden ligt in -duister.</p> -<p class="par">Al was Bontekoe aan den vasten wal geen gewichtig -personage, aan boord van zijn schip was hij <span class="ex">de</span> -man: de man waarop het aankwam, de bestuurder op de lange en moeilijke -reis. Als gezagvoerder had hij niet alleen de „navigatie” -te regelen, maar ook de tucht te handhaven. En dat ging in de -17<sup>de</sup> eeuw gemeenlijk streng toe!</p> -<p class="par">Echter, juist als het op handhaven van orde en tucht -aankwam, schoot Bontekoe wel eens te kort en had hij het volk niet -altijd geheel in zijn hand. Dit kwam door zijn goedmoedige natuur, die -hem er soms toe bracht meer door overreding zich en zijn wil te doen -gelden dan door streng commando. Hij was aan boord meer geliefd dan -geducht, en dat heeft op zee nu eenmaal zijn bezwaren. Verschillende -trekjes uit het journaal bewijzen deze tekortkoming, die echter de -schrijver, naief als hij is, nergens tracht te verbergen. En toch was -hij bij zijn goedaardigheid iemand van beslisten durf, in gevaar niet -alleen, maar ook als hij zich niet ontziet kordaatweg te handelen zelfs -vlak tegen het gevoelen van den „koopman” in, die toch de -eigenlijke bestuurder was der onderneming en aan boord voor het -welslagen der „zaken” even verantwoordelijk als de schipper -voor het behoud van zijn bodem. Aan zijn goedmoedigheid en dapper -zelfvertrouwen heeft Bontekoe feitelijk dan ook zijn populariteit te -danken en zijn spreekwoordelijkheid. Een „reis van -Bontekoe” is geen zaak die door allerlei misère op een -mislukking uitloopt, maar een die ondanks alle zwarigheden en -tegenspoed tot een goed einde <span class="pagenum">[<a id="pb8" href= -"#pb8" name="pb8">8</a>]</span>wordt gebracht. En Potgieter, toen hij -de „Liedjes van Bontekoe” dichtte, gaf daarin allesbehalve -den gemoedstoestand weer van een sukkelaar en lafbek, doch veeleer van -een man van goedgemutste courage.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">Het doel van deze uitgave is, als gezegd, een populair -Nederlandsch werk populair te doen blijven. Daarom heb ik mij -nóch in deze Inleiding, nóch in de Aanteekeningen op wat -men noemt „wetenschappelijk” terrein begeven en ook niet op -het terrein van de „Linschoten-Vereeniging”, wier -werken—voorbeeldig naar inhoud en naar vorm!—ten behoeve -van een meer beperkten kring van lezers verschijnen. Het journaal van -Bontekoe, hoezeer ook belangrijk om verschillende berichten die er in -voorkomen, en om zijn nauwgezetheid in het algemeen, is historisch en -geografisch niet van zoo buitengewoon groote beteekenis, dat het voor -een onderneming als de „Linschoten-Vereeniging” (naar wij -weten) voor herdruk vooreerst in aanmerking komt.</p> -<p class="par">Van geschiedkundig belang is in het Journaal van -Bontekoe in de eerste plaats de passage over den mislukten tocht van de -Hollanders om Macao op de Portugeezen te veroveren (in Juni 1622), en -voorts het relaas van de daarop volgende stelselmatige rooftochten op -de kusten van China, met beschrijving van de hardhandige en laat ons -maar zeggen vaak onmenschelijke middelen door de onzen aangewend, om in -die zeeën den toestand meester te blijven. Als er bij dit alles -een stelregel in toepassing werd gebracht, dan was het die van Maarten -van Rossum, want de absolute noodzaak van al dat branden en plunderen -kunnen wij thans kwalijk inzien. Maar wij weten ook van elders, dat -onze voorouders op zekere dingen nu eenmaal een ruwen kijk hebben -gehad. Te beter kunnen wij het daarom begrijpen, dat de gekwelde -Chineezen op wraak waren gezind en tot verraad hun toevlucht namen, -waarbij de commandeur Christiaan Fransz. met een schipper en -opper-koopman het leven lieten en voor ons een bodem verloren ging, -die, in brand geraakt, met alle man in de lucht vloog. <span class= -"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p> -<p class="par">Door Bontekoe wordt over al wat er aan de monding der -Chincheuw- of Kanton-rivier in November van 1623 is voorgevallen -uitvoerig en met van zijn kant begrijpelijke verontwaardiging -gesproken, en wat hij over het door hem in de jaren 1622-’25 -beleefde verhaalt, is vooral van gewicht, omdat bij Tiele, in zijn -vervolg op De Jonge’s „Opkomst van het Nederl. Gezag in O. -I.” (2<sup>de</sup> reeks: Buitenbezittingen) over deze -Chineesche expedities geen berichten of documenten worden -gevonden<a class="noteref" id="xd24e326src" href="#xd24e326" name= -"xd24e326src">2</a>.—Ook tien jaar vroeger was reeds door -Cornelis Matelief de Jonge getracht Macao te vermeesteren en aan de -rivier de Chincheuw (waar tegenwoordig ook Hongkong ligt) vasten voet -te krijgen. In later tijd hadden wij in de stad Kanton zelf een -„kantoor”; maar Macao bleef Portugeesch tot op dezen -dag.</p> -<p class="par">Het laatste stuk van Bontekoe’s Journaal ten -slotte, handelend over de thuisreis met het schip Hollandia, behoort -niet tot de minst onderhoudende gedeelten van het boek, dat tevens nog -waarde bezit wegens een aantal er in voorkomende -„personalia”. Zoo lezen wij over den levensloop van -Frederik Houtman verschillende bijzonderheden en is van Willem -Cornelisz. Schouten, stadgenoot en vriend van Bontekoe, meermalen -sprake. Wij worden aan het slot ingelicht, hoe deze laatste in de Baai -van Antongiel, op Madagascar, in het voorjaar van 1625 kwam te -overlijden, en vernemen den dood van den commandeur Cornelis Reijersz. -(10 April van dat jaar), onder wien Bontekoe aan den tocht naar China -had deelgenomen.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">Overeenkomstig het uiteengezette doel van deze uitgave, -zijn de voetnoten onder de bladzijden sober gesteld; niet geleerd of -taalkundig, maar enkel toelichtend. Nochtans mag hierbij niet uit -<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name= -"pb10">10</a>]</span>het oog worden verloren, dat journalen als dat van -Bontekoe ook in filologisch opzicht van de grootste beteekenis zijn: -ten eerste wegens hun woordkeus en verder wegens tal van grammaticale -eigenaardigheden. Uit dit soort volksboeken, evenals uit de -kluchtspelen, leert men de volkstaal der 17<sup>de</sup> eeuw, d. i. de -echte, <i>levende</i> taal het best kennen. Taalkundigen kunnen een -tekst als deze met veel vrucht tot terrein van onderzoek maken.</p> -<p class="par">De spelling is naar den eersten druk getrouw gevolgd, -waarbij van het eenig mij bekende exemplaar in de -Universiteits-Bibliotheek te Leiden een recht dankbaar gebruik werd -gemaakt. Deze oorspronkelijke spelling toch is al te kenschetsend om -haar op te geven en voor den lezer is zij eerder aantrekkelijk dan -bezwaarlijk. Hier zou de verminking te minder gerechtvaardigd zijn -geweest, daar niet zelden juist de spelling aanwijzingen geeft, die -voor de geschiedenis onzer taal van belang zijn. Zoo bijv. waar de -Westfries Bontekoe (of liever zijn Westfriesche zetter) met het -onderscheiden van „y” en „ij” een verschil in -uitspraak schijnt aan te willen duiden. Door moderniseering zou de -tekst kleurloos en onbruikbaar zijn gemaakt.</p> -<p class="par">Hier en daar werd een drukfout verbeterd en de -interpunctie moest, terwille van de meerdere duidelijkheid, op vele -plaatsen worden gewijzigd. Behalve een nieuwe alinea af en toe, moest -vooral de punt-komma meermalen worden ingevoerd, om de al te lange -zinnen, die toch één volzin vormen, te breken. Er was -geen reden de onbeholpen en soms stellig verkeerd geplaatste -leesteekens van het oude volksboek over te nemen, zoomin als de door -den zetter al even onregelmatig gestrooide hoofdletters werden -behouden; een en ander overeenkomstig de regels welke voor het -herdrukken van oude teksten als deze van meest bevoegde zijde zijn -vastgesteld. ’t Kan toch kwalijk nut hebben een journaal als dit -z.g. diplomatisch te gaan afdrukken! Dan zou men ook de vette en voor -velen moeilijk leesbare gothische letter van het origineel weer moeten -gaan toepassen. Daar in dat „Duitsche” type, zou dan meteen -de kapitaal van de zelfstandige naamwoorden <span class= -"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span>zich -weer in zijn element voelen; maar in onzen modernen druk is die alleen -leelijk en storend.</p> -<p class="par">Het journaal van den tocht door commandeur Dirk -Albertsz. Raven in 1639 naar Spitsbergen gedaan, welk journaal door -Deutel en latere uitgevers achter de Reis van Bontekoe geregeld werd -afgedrukt, is hier weggelaten. De inhoud daarvan is zeer zeker de -aandacht waard, doch staat met de lotgevallen van den Hoornschen -schipper in geenerlei verband. De kleinere stukjes, welke hij op de -laatste bladzijden van zijn oplagen deed afdrukken (t. w. -samenvattingen van andere reisverhalen) zijn evenmin opgenomen. Zij -dienden, behalve als bladvulling (juister: „vel-vulling”), -enkel om de aandacht van het publiek op vroeger verschenen uitgaven te -vestigen en de leesgierigheid te prikkelen. Als zoodanig zijn zij -alleen als boekaankondigingen te beschouwen. Het voornaamste en -uitvoerigste dezer stukjes is het „Kort Verhael uyt het journael -van de personen die op Spitsbergen in het overwinteren ghestorven zijn; -anno 1634”. Dit aangrijpend journaal verdient <span class= -"ex">niet</span> in extract maar, te zamen met de twee andere -dergelijke verhalen van overwinteringen, <span class="ex">in zijn -geheel</span> te worden uitgegeven. Mogelijk in deze serie. Hieraan zou -dan het journaal van Raven zeer geschikt kunnen worden toegevoegd.</p> -<p class="par">Ik eindig deze inleiding met mijn meest hartelijken dank -uit te spreken aan het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche -Letterkunde en in het bijzonder aan Prof. Dr. G. Kalff en Dr. G. J. -Boekenoogen, leden der Commissie voor Taal- en Letterkunde, voor alle -ondervonden steun en medewerking, waardoor mij het voorbereiden van -deze uitgave zooveel gemakkelijker werd gemaakt. Voor verschillende -aanwijzingen mij verstrekt blijf ik hun hoogst erkentelijk. De herdruk -werd op voorstel en op aanraden van Prof. Dr. J. W. Muller het eerst in -overweging genomen.</p> -<p class="par">In deze nieuwe uitgave zijn, behalve het portret van -Bontekoe, ook alle de platen, zooals zij in het oorspronkelijke -journaal voorkomen, op werkelijke grootte afgedrukt; terwijl evenzoo -<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= -"pb12">12</a>]</span>het titelblad van het Leidsche exemplaar, waarvan -de tekst aan dezen herdruk ten grondslag is gelegd, hiertegenover in -een even getrouwe weergave is afgebeeld.</p> -<p class="par">Een beknopt overzicht van de oude uitgaven, welke van -Bontekoe’s „Avonturelijcke Reyse” bekend zijn, wordt -achter in dit deeltje gevonden.</p> -<p class="par signed">G. J. H.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e373width"><img src= -"images/original-titlepage.jpg" alt= -"Oorspronkelijke titelpagina van de eerste druk uit 1646." width="506" -height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e195" href="#xd24e195src" name="xd24e195">1</a></span> Een Nederl. -bron voor den Robinson Crusoë, <i>Onze Eeuw</i>, Oct. -1909. <a class="fnarrow" href="#xd24e195src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e326" href="#xd24e326src" name="xd24e326">2</a></span> Voor -bronnen aangaande onze koloniale geschiedenis in de jaren -1621-’23 vgl. men ook: <i>Kronijk van het Historisch -Genootschap</i>, IX (1853): „Stukken van Jan Pietersz. Coen over -den handel in Indië”.—XXVII (1871): „Grondig -Verhaal van Amboyna, 1621”, en „Verhaal van eenige oorlogen -in Indië, 1622”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e326src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">IOVRNAEL<br> -OFTE<br> -Gedenckwaerdige beschrijvinghe<br> -vande Oost-Indische Reyse van<br> -Willem Ysbrandz. Bontekoe van Hoorn.</div> -<br> -<div class="subTitle">Begrijpende veel wonderlijcke en gevaerlijcke -saecken hem daer in wedervaren.<br> -Begonnen den 18. December 1618. en vol-eynt den 16. November -1625.</div> -</div> -<div class="docImprint"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e396width"><span class="epigraph"><img src= -"images/hoorn.jpg" alt="" width="512" height="415"></span></div> -<p class="par">Te <span class="ex">Hoorn</span>. Ghedruckt by Isaac -Willemsz.<br> -Voor Ian Iansz. Deutel, Boeck-verkooper op ’t Oost in Biestkens -Testament / Anno <span class="ex">1646</span>.</p> -</div> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name= -"pb13">13</a>]</span></p> -<div id="toeeygeninge" class="div1 dedication"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">TOE-EYGENINGE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first salute"><span class="sc">Achtbare, Erentfeste, -Wijse, seer Voorsienige Heeren, de Heeren BEWINT-HEBBERS van de -OOST-INDISCHE Compagnie ter Camere van HOORN</span><a class="noteref" -id="xd24e415src" href="#xd24e415" name="xd24e415src">1</a>.</p> -<p class="par salute">MYNE HEEREN.</p> -<p class="par">Plato heeft (volghens ’t ghetuygenisse Ciceronis -in sijn Officiis, Cap. 6.) heel suyverlijck geschreven, dat de mensch -niet alleen voor sich selfs gheboren is, maer dat het Vaderlandt, -Ouders en Vrunden yder een deel rechts tot hem heeft. Welcke spreucke -soo klaer door de Nature bekrachtight wordt, dat yder (soo hij maer -gheen monster of misdracht is) in sich selfs daer van de waerheydt kan -bespeuren: want wie voelt niet in sich een onwederstandelijcke drift en -treck tot sijn Vaderlandt, Ouders en Vrunden, ’t welck hem op -’t krachtighste openbaert, als laster, smaet, hoon of lijden over -deselfde wordt uytgestort; soo dat onse geldt, onse <span class= -"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span>goedt, -jae, ons eyghen leven ons soo lief niet en is als de eere en het -welvaren van een der selfder. ’t Welck door veel exemplen tot -allen tijden klaerlijck heeft ghebleecken. Want wat sijnder al middelen -aenghewent, om de eere des Vaderlandts te bevorderen en te bewaren, en -de geboortplaetse door een soete gheheugenisse van dappere daden -naemkundigh te maecken, tot het welcke de beschrijvinghe der selver -daden gheen kleyne behulpmiddel is: overmidts alle loffelijcke en -gedenckwaerdighe wercken, die door yemandt worden uytgherecht, souden -door de tijdt van geen geloof, of t’ eenemael uyt de -gedachtenisse der menschen uytgewischt worden, soo die door ’t -beschrijven niet en wierden bewaert en verbreydt. Om gheen oude en -langhvoorledene gheschiedenissen op te halen, wat souden wy en onse -nakomelinghen doch voor ontwijffelijcke waerheydt konnen weten, hoe -wonderlijck dat Godt dese Landen en Steden, jae besondere inwoonders -gheholpen en gereddet heeft uyt de verdruckende handen haerder vyanden, -indien hetselfde niet en was beschreven door de vlijt van eenighe -aenmerckende verstanden.—’t Is dan niet eene van de minste -waerteyckenen van danckbaerheydt en plichtsquijtingh aen sijn -gheboortplaetse, de wonderlijcke ende loffelijcke wercken en -bejegeningen, die sijne medeburgheren ghedaen of ontmoet zijn, door -’t beschrijven sorghvuldigh de nakomelingen nae te laten. Ick dan -(die van jonghs af ben genegen gheweest om op te speuren, te lesen en -te verstaen de gheschiedenissen, die door onse Hoornsche inboorlinghen -waren uytgherecht, of die haer of de hare zijn wedervaren) hebbe niet -konnen naelaten (om oock niet te vervallen inde faute van -ondanckbaerheydt tegens mijn geboortplaets) eenige der selfder (de -memorie waerdigh zijnde) aen te teeckenen, om die de vergetelheydt als -ontroovende, by gelegentheydt in ’t licht te geven.</p> -<p class="par">Onder anderen is mij, die al eenighe jaren daer mede -besich ben gheweest, oock ter handt gekomen de beschrijvinge van dese -gedenckweerdighe Oost-Indische Reyse van <span class="sc">Willem -Ysbrandtsz. Bontekoe</span>, dewelcke by hem de vergetelheydt al scheen -opgeoffert <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name= -"pb15">15</a>]</span>te wesen, maer ick die doorlesende, bevondtse -waerdigh te zijn, dat sy by ons en onse naekomelingen in eeuwighe -gedachtenisse behoorde te blijven. Ick versocht daerom aen hem die te -mogen laten drucken, tot het welcke hy niet wel gesint was, eensdeels -omdat het bynae als vergeten en door de tijdt oudt gheworden waer, -anderdeels omdat hy die niet met sulcken stijl en hadde beschreven, -bequaem, nae sijn meninghe, om gedruckt te mogen worden. Eyndelijck, -nae veel vriendelijcke versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder -goede vrienden, bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick -met eenighe figuren verciert hebbende, datelijcken onder de parsse -bracht. En dewijle dat men in alle saecken een yder het sijne behoort -te gheven, kond’ ik niet anders oordelen, als dat het billick -was, dat ick uwe E. E. dit selfde opdroegh en toe-eygende, door dien -dat dese Reyse meest onder uwe E. E. bewint en opsicht is gheschiedt, -waer over (indien daer uyt eenige geheugenisse tot eere van onse -Vaderlijcke Stadt op de nakomelinghen sal overblijven) voor vast te -stellen is, dat uwe E. E. daer van, naest Godt, een groot deel -toebehoort, zijnde maer als een thiende van ’t gene op uwe E. E. -acker ghewossen is. Versoecke daerom eerbiedelijck uwe E. E. ghelieve -dese mijne moeyte en opdracht met een gunstigh oogh te ontmoeten, meer -siende met den coningh Artaxarxes (die van een huysman een dronck -waters ontfingh) op het herte als op de gave.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">’t Welck doende, sult my hooghelijck verplichten -om altijdt te blijven dien ick ben</p> -<p class="par signed"><i>Uwe E. E. Dienst-schuldigen</i></p> -<p class="par signed">JAN JANZ. DEUTEL.</p> -<p class="par dateline">In <span class="ex">Hoorn</span>, den 16 Julij -1646. <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= -"pb16">16</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e415" href="#xd24e415src" name="xd24e415">1</a></span> Er wordt -aan herinnerd, dat het bestuur der O. I. C. berustte bij zes kamers, t. -w. die van Amsterdam (waar ½ van het maatschappelijk kapitaal -gevestigd was), Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en Hoorn.—De -aanhef met een citaat uit de „klassijken”, is naar de -gewoonte en naar den smaak van dien tijd, toen ook de gemeene man zich -gaarne door zulke geleerdheid liet imponeeren,—mits die niet -verder ging dan het eerste begin. De Edel Erentfeste Heeren krijgen er -hier bovendien nog een fraai slot bij! <a class="fnarrow" href= -"#xd24e415src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="voorreden" class="div1 introduction"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VOOR-REDEN AEN DEN LESER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Gunstighe Leser, wy sien door ervarentheydt, dat, -gelijck alle menschen eenderhande kost niet even wel smaeckt, oock alle -boecken een yder niet even aengenaem zijn: d’ een heeft vermaeck -in dese, en d’ ander in die stoffe te lesen; elck heeft sijn -besondere neygingh. En gelijck de onderscheyde oeffeningh onghelijcke -boecken ter wereldt brenght, soo vinden sy oock altijdt haer -ghelijcksinnige lesers. Ghy dan, die vermaeck schept in ’t lesen -van gedenckweerdige reysen en wonderlijcke gheschiedenissen (’t -welck onder alle wel een van de soetste tijdt-kortinghen is) leest dese -naevolgende beschrijvinghe van <span class="sc">W. Y. Bontekoe</span>. -’k Vertrouwe, dat ghy uw tijdt niet qualijck sult besteet achten. -’t Is juyst stoffe nae uw’ lust. Want hebt ghy u oyt -vermaeckt of verwondert in ’t lesen van de reysen van -<span class="sc">Linschoten</span>, <span class="sc">Heemskerck</span>, -<span class="sc">Olivier</span>, <span class="sc">Spilbergen</span>, -<span class="sc">Schouten</span> en andere, dese geschiedenis sal u -geen minder vernoeghen geven, overmidts die in sich begrijpt veel -verwonderenswaerdige saecken<a class="noteref" id="xd24e471src" href= -"#xd24e471" name="xd24e471src">1</a>. ’t En zijn geen beuselen -<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= -"pb17">17</a>]</span>noch droomen <span class="sc">Luciani</span> of -<span class="sc">Pantagorae</span><a class="noteref" id="xd24e516src" -href="#xd24e516" name="xd24e516src">2</a>, noch geen fabuleuse -verhalinghen van monsters, vreemde maecksels van menschen, als -een-voetige, een-oogighe en sulcke die sonder hooft de oogen en mondt -in de borst hadden, en anders, waermede onse voor-ouderen (door eenige -licht-geloovige schrijvers) verleydt zijnde tot verwonderinge wierden -gebracht<a class="noteref" id="xd24e529src" href="#xd24e529" name= -"xd24e529src">3</a>. Noch dese beschrijvinghe is niet van hooren -segghen (ghelijck men seydt), neen, maer komt uyt selfs-ondervindinghe, -verhalende wat wonderen dat Godt aen den autheur self, als oock aen -dieghene die by hem waren, bewesen heeft. Want wie en sal sich niet op -het hoochste verwonderen, wanneer hy leest, hoe dat een mensch (daer -het dickwils soo haest mede ghedaen is) door soo veel <span class= -"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>ghevaer -en teghenspoedt, jae soodanighe waerin het hopen nae eenighe uytkomste -scheen te zijn als wanhopen, door des Heeren genade is ter behouder -plaets ghebracht. Doch alsoo ick vertrouwe den leser meer lust te -hebben nae het verhael self, als langher van my met reden opghehouden -te worden, wil daerom hiermede afbreecken, alleen dit noch segghende: -Dat soo den leser in de stijl of maniere van segghen yets vindt, dat -soo niet en is als de volmaecktheydt wel soude vereysschen, bidde -daerin den autheur te verschoonen, want sijn oogh-wit in ’t -beschrijven van dese sijne reys is meer op waerheydt als op -cierelijckheydt van segghen geweest.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">Hier mede vaert wel. <span class="pagenum">[<a id="pb19" -href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e471" href="#xd24e471src" name="xd24e471">1</a></span> -<span class="sc">Jan Huygen van Linschoten</span> deed zijn vermaarde -reis naar Indië in Portugeeschen dienst in 1583–’92. -Zijn „Itinerario, voyage ofte schipvaert”, welke in 1596 -voor ’t eerst in druk verscheen, werd door Prof. Dr. H. Kern in -de werken der Linschoten-vereeniging opnieuw uitgegeven (2 dln., -’s-Gravenhage 1910).—De tocht van <span class="sc">Jacob -van Heemskerck</span> en <span class="sc">Willem Barentsz.</span>, om -een weg naar Indië „benoorden om” te zoeken, is door -de overwintering op Nova Zembla (1596–’97) bekend genoeg -geworden. Het merkwaardige verhaal, dat <span class="sc">Gerrit de -Veer</span> van deze onderneming en van de twee tochten, die er aan -voorafgingen, opstelde, zag het licht onder den titel: -„Waerachtige Beschrijvinghe van drie seylagiën ter werelt -noyt soo vreemt gehoort” (t’ Amsterdam, A<sup>o</sup>. -1598).—<span class="sc">Olivier van Noort</span> is de eerste -Nederlander, die de aarde omzeilde. 12 Aug. 1598 passeerde hij met zijn -vier schepen Straat Magellaen en kwam in 1601 in het vaderland terug. -(„Wonderlicke Voyagie bij de Hollanders ghedaen”, enz. -Rotterdam 1602.)—<span class="sc">Joris van Spilbergen</span> -volbracht zijn beide tochten, nadat een eerste mislukt was, in de jaren -1601–’04 en 1614–’17. Zijn tweede expeditie, -met zes schepen, is de tweede reis der Nederlanders om de wereld. Beide -reisbeschrijvingen zijn voor de eerste maal <i>te zamen</i> uitgegeven -onder den titel: „Oost- en West-Indische Spieghel der Nieuwe -Navigatiën”, te Leiden 1619.—<span class="sc">Willem -Cornelisz. Schouten</span> was de derde Hollander, die met <span class= -"sc">Jacob le Maire</span> in 1615–’17 de wereld omzeilde. -Over hem is in het journaal van <span class="sc">Bontekoe</span> nog -nader sprake. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e471src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e516" href="#xd24e516src" name="xd24e516">2</a></span> Lucianus, -Grieksch prozaschrijver uit de 2<sup>de</sup> eeuw n. Chr., gaf aan -zijn satirische tweegesprekken den titel „Droomen”. Met -Pantagoras is de wijsgeer Pythagoras bedoeld; niet de <i>echte</i> wel -te verstaan, maar de <i>verdichte</i>, om wiens persoon zich in de -middeleeuwen tal van fabeltjes hadden gevormd. <a class="fnarrow" -href="#xd24e516src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e529" href="#xd24e529src" name="xd24e529">3</a></span> Niet alleen -in den loop der 17<sup>de</sup> eeuw, maar ook vroeger en later, waren -de verzonnen reisbeschrijvingen, waarin van de meest onmogelijke -wonderwezens sprake was, druk in omloop. Het genre begint in onze -letterkunde al met „Sinte Brandaen”, en vooral de reis van -Mandevyl bracht het tot groote populariteit. Daarop wordt hier dan ook -gezinspeeld, blijkens de opsomming der gedrochten. Voor en na was het -steeds de pseudo-ontdekking van het z.g. Zuidland, waarop de -wonderverhalen zich gaarne baseerden, hetzij met hetzij zonder een -utopistische strekking. De geest van Bontekoe’s oprecht verhaal -verzet zich inderdaad tegen dit boerenbedrog en tegen de -prikkelliteratuur, die ook toen al bestond. <a class="fnarrow" -href="#xd24e529src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="sonnet" class="div1 introduction"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">SONNET.</h2> -<h2 class="sub"><span class="sc">Op de beschrijvinghe van de -ghedenckweerdighe</span><br> -OOST-INDISCHE REYSE<br> -VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER<br> -WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE.</h2> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wanneer men somtijdts hoort verhalen wonder -saecken,</p> -<p class="line xd24e558">Elck luystert met opmerck en ’t klinckt -ons vreemt in ’t oor,</p> -<p class="line xd24e558">Doch twijffelingh verselt dickwils het goedt -gehoor</p> -<p class="line">Door dien des waerheydts glants gespaert werdt veel te -vaecken;</p> -<p class="line">Maer hier is d’ eygen man, die selfs dit boeck -gaet maecken,</p> -<p class="line xd24e558">En wat hem is gebeurt stelt hy hier klaerlijck -voor,</p> -<p class="line xd24e558">Hoe Godt hem heeft bewaert, hoe hy sijn schip -verloor,</p> -<p class="line">Verbrande, vloogh omhoogh, door ’t kruydt, met -yslijck kraken.</p> -<p class="line xd24e558">Koopt, siet en leest dit boeck, wat -p’rijckel, tegenspoed</p> -<p class="line xd24e558">Dees schipper op sijn reys soo dickwils is -ontmoet,</p> -<p class="line">Eer hy sijn Vaderlandt met lief mochte aenschouwen,</p> -<p class="line xd24e558">Hoe hy als Elias ghespijst is en gevoedt,</p> -<p class="line xd24e558">Hoe wonderbaer dat Godt op ’t -onvoorsienst behoedt,</p> -<p class="line">Sijn goedigheydt bewijst al die op hem betrouwen,</p> -<p class="line">Laet dit u spiegel zijn die d’Oceaen moet -bouwen.</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first signed">I. B. BERCKHOUT.<a class="noteref" id= -"xd24e589src" href="#xd24e589" name="xd24e589src">1</a></p> -<p class="par signed">De waerheydt boven. <span class="pagenum">[<a id= -"pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e589" href="#xd24e589src" name="xd24e589">1</a></span> -„D’oceaan bouwen”; vgl. de uitdrukking „zee -bouwen”.—De profeet Elia werd op bevel van God in de -woestijn door raven gevoed (1 Kon. 17: 2–6).</p> -<p class="par footnote cont">De schrijver van dit klinkdicht behoorde -tot een Hoornsche zeemansfamilie en is vermoedelijk een bloedverwant -van den schipper Evert Cornelisz. Berckhout van Hoorn, wiens bodem -„de Omval” in de dagen van Bontekoe door den beruchten -zeeroover Claes Compaen van Oostsanen bij de Kaapverdische eilanden -werd buit gemaakt. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e589src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="klinckdicht" class="div1 introduction"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">KLINCK-DICHT.</h2> -<h2 class="sub"><span class="sc">Op de wonderlijcke Reyse van W. Y. -B.</span></h2> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Nieusgierigh volck, dat stof soeckt tot -verwonderingh,</p> -<p class="line xd24e558">Waer toe te rugh gesien wat in voorleden -jaren</p> -<p class="line xd24e558">Wtheemschen is gebeurt of vreemts is -wedervaren!</p> -<p class="line">Ziet hier hoe <span class="sc">Bontekoe</span> -beschrijft hoe zonderlingh</p> -<p class="line xd24e558">Dat Godt hem heeft bewaert en in zijn hoede -nam,</p> -<p class="line">Toen ’t scheen of ’t water haer<a class= -"noteref" id="xd24e620src" href="#xd24e620" name="xd24e620src">1</a> al -t’ zamen zoud’ vernielen;</p> -<p class="line">Hoe wonderlijck, toen ’t schip met meer als -hondert zielen</p> -<p class="line xd24e558">Door ’t vuur aen stucken sprongh, hy -’t ongeval ontquam.</p> -<p class="line">Hoe dat hy, met de boot, geberght wordt; hoe sy -swerven</p> -<p class="line">Alleen op Godts gena en ’s levens noodtdruft -derven;</p> -<p class="line xd24e558">Hoe Godts almogentheydt de visschen uyt de -zee</p> -<p class="line">Doet springhen in de boot, en vogels in haer handen</p> -<p class="line">Doet vliegen; hoe dat sy by moordenaren landen</p> -<p class="line xd24e558">En hoe, nae veel gevaer, hy komt op -<span class="ex">Hoorens-Reê</span>.</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first signed">A. P. <span class="pagenum">[<a id="pb21" -href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e620" href="#xd24e620src" name="xd24e620">1</a></span> -Hen. <a class="fnarrow" href="#xd24e620src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="optjournael" class="div1 introduction"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="sc">Op ’t Journael van W. Y. -BONTEKOE.</span></h2> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Hoe sonderlingh de Heer de menschen kan bewaren</p> -<p class="line xd24e558">In ’t uyterste gevaer des levens over -al,</p> -<p class="line">Blijckt middagh-klaer aen ’t geen dat -<span class="sc">Bontekoe</span> weervaren</p> -<p class="line xd24e558">En andren is, soo u dit boeck vertoonen -sal.</p> -<p class="line">Komt hier die wonder-vreemd’ histoorjen soeckt te -lesen;</p> -<p class="line">Leest dit Journael, ’t magh wel geplaetst by -d’ andre wesen.</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first signed">I. F. S. <span class="pagenum">[<a id= -"pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="beschrijvinghe" class="div1 introduction"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="sc">Op de beschrijvinghe van</span> W. Y. -BONTEKOE.</h2> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wat voordeel geeftet aen ’t gemeen,</p> -<p class="line">Dat yemandt heeft veel ramps geleen,</p> -<p class="line">Dat hy door allerley ghevaer</p> -<p class="line">Heeft langh gesuckelt hier en daer,</p> -<p class="line">En wonderlijck door Godts bestier</p> -<p class="line">Geredt uyt water, moordt en vyer,</p> -<p class="line">De doodt ontworstelt voor een tydt,</p> -<p class="line">En noch in rust sijn jaren slijt;</p> -<p class="line">Soo niet de pen tot meerder nut,</p> -<p class="line">Noch vande druck-konst onderstut,</p> -<p class="line">Dit aen de Werelt bracht in ’t licht;</p> -<p class="line">’t Welck yder met vermaecken sticht,</p> -<p class="line">Waer uyt oock de nakomelingh</p> -<p class="line">Mach weten sulck een wonder-dingh,</p> -<p class="line">En leeren, dat des Heeren handt</p> -<p class="line">Is krachtigh boven ’t aerdtsch verstandt.</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first signed">I. W. P.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e713width"><img src="images/bontekoe.jpg" alt="" -width="533" height="720"></div> -<p class="par"></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Dits ’t beelt van Bonte-koe dien Godt, op syne -vaert</p> -<p class="line">Tot elckx verwonderingh, heeft wonderlijk bewaert;</p> -<p class="line">Mits hij de Doodt ontgingh, self midden inde Doodt;</p> -<p class="line">In ’t water, Vuer in Moordt in Dorst en -Hongersnoodt.</p> -</div> -<p class="par first signed">ggd. <span class="pagenum">[<a id="pb23" -href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="verhael" class="div1 frontispiece"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VERHAEL</h2> -<h2 class="sub">van de AVONTURELIJKE REYSE van WILLEM YSBRANTSZ. -BONTEKOE van HOORN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">In ’t Jaer ons Heeren 1618, den 28. -December, ben ick, Willem Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel -uytghevaren voor schipper, met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant -met 206 eters, groot ontrent 550 lasten, met een Oosten-Wint<a class= -"noteref" id="xd24e735src" href="#xd24e735" name= -"xd24e735src">1</a>.</p> -<p class="par">Den 29. dito sijn wy de Hoofden gepasseert.</p> -<p class="par">Den 30. dito ’s avondts Poortlandt ghesien, de -wint noch al Oostelijck. Den 31. dito Pleymuyen ghepasseert<a class= -"noteref" id="xd24e742src" href="#xd24e742" name= -"xd24e742src">2</a>.</p> -<p class="par">Den eersten Januarij 1619 passeerden wy Enghelandts-End, -de wint noch als vooren, stelden onse koers S.W. ten S. in zee.</p> -<p class="par">Den 2. dito liep de wint S.O., stelden onse koers S.S.W. -met stijve koelte.</p> -<p class="par">Den 3. dito liep de wint Zuyden met stijve koelte, -liepen W.S.W. aen.</p> -<p class="par">Den 4. dito liep de wint S.W. met een aennemende harde -wint, soo dat wy de marsseylen mosten innemen. ’s Nachts begon -het soo stijf te waeyen, dat wy de fock innamen, en liepen al Westwaert -over, met een seyl. <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" -name="pb24">24</a>]</span></p> -<p class="par">Den 5. dito, ’s nachts, kregen wy drie worpen -waters in, dat het bovenste boeve-net bykans half vol waters was; waer -door het volck begon te roepen: „wy sincken, wy sincken, de -boegh-poorten sijn op”<a class="noteref" id="xd24e756src" href= -"#xd24e756" name="xd24e756src">3</a>. Ick dat hoorende liep metter -haest nae vooren in ’t galjoen, ende bevondt dat de boegh-poorten -noch toe waren; riep derhalven: „wy hebben gheen noodt”, en -sey: „knap-handigh een man nae d’urck<a class="noteref" id= -"xd24e762src" href="#xd24e762" name="xd24e762src">4</a> en besiet of er -geen water in ’t ruym is”. ’t Welck datelijck -gheschiede, doch bevonden geen water in ’t ruym; stelden daerom -datelijck ordre om het water uyt te baliën met leeren emmers. Maer -het volck haer kisten, door ’t rumoer van ’t water, -schobbelden en dreven heen en weder, dat men qualijck schrab konde -komen om te baliën. Waren derhalven genootsaeckt de kisten met -koevoeten in stucken te smijten<a class="noteref" id="xd24e765src" -href="#xd24e765" name="xd24e765src">5</a>; kreghen als doen ruymte om -te baliën en raeckten daardoor, met Godts hulpe, het water quijt. -Dreven doen sonder seylen, doch het schip slingerden soo geweldigh, dat -wy genootsaeckt waren het seyl weder by te setten, om ’t -slingeren van ’t schip wat te stutten. Leydent al Westwaert over; -het weer was heel onstuymigh, met reghen, dat het scheen dat de lucht -ende zee aan malcanderen vast en de gansche zee brandende was<a class= -"noteref" id="xd24e768src" href="#xd24e768" name= -"xd24e768src">6</a>.</p> -<p class="par">Den 6. 7. en 8. dito wast noch al<a class="noteref" id= -"xd24e773src" href="#xd24e773" name="xd24e773src">7</a> quaedt weder, -vermenght met reghen; saghen dien dagh een groote menighte mieuwen, -daer door ons vermoeden was, dat wy by het Eylandt Brasil waren, soo -der sulcken Eylandt is; doch saghen het niet<a class="noteref" id= -"xd24e776src" href="#xd24e776" name="xd24e776src">8</a>. <span class= -"pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>Halsden -dien selfden dagh om en leyden de steven Oost-waert over<a class= -"noteref" id="xd24e783src" href="#xd24e783" name="xd24e783src">9</a>, -de wint was ontrent W.S.W. al met ongestuymigh weder, en alsoo de storm -langh geduert hadde en noch niet op en hiel, soo is eyndelijck door -’t geweldigh slingeren van ’t schip en door ’t recken -van onse groote want (alhoewel wy het tot twee plaetsen gheswicht -hadden) onse groote mast gebroocken, ontrent vijf vadem boven het -boevenet<a class="noteref" id="xd24e786src" href="#xd24e786" name= -"xd24e786src">10</a>. Door deze breuck of krack vreesden wy, dat wy de -mast gheheel souden verlooren hebben; resolveerden daerom onse groote -stengh door te schieten<a class="noteref" id="xd24e790src" href= -"#xd24e790" name="xd24e790src">11</a> om, waert mogelijck, de mast noch -staende te houden, terwijl onse reys daer aen gheleghen was, want -indien de mast overboort geraeckt hadde, souden genootsaekt geweest -hebben wederom nae ’t vaderlandt te loopen; doch kregen met -groote moeyten en ongelegentheyt de stengh door en lieten het onderste -end vande stengh door ’t bovenste boevenet schieten, en woelden -de stengh alsoo tegen de mast aen, waer door hy (tot onser aller -blijdtschap) alsdoe vast stondt<a class="noteref" id="xd24e793src" -href="#xd24e793" name="xd24e793src">12</a>. Dese storm duerde tot den -19. dito toe; leyden ’t dan West-waert dan Suyd-waert over, nae -dat de wint schevielde<a class="noteref" id="xd24e796src" href= -"#xd24e796" name="xd24e796src">13</a>.</p> -<p class="par">Den 20. dito worden het moy stil weder, en terwijle wy -in stilte dreven woelden wy onse mast wel vast, en taliden onse -<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= -"pb26">26</a>]</span>groote want stijf aan<a class="noteref" id= -"xd24e804src" href="#xd24e804" name="xd24e804src">14</a>, en haelden -het groote marsseyl uyt de mars, met de marsse-ree, en stelden dat inde -plaets van ons groot seyl, en setten de bramstengh op, in plaets van -onse groote stengh, en voerden het bramzeyl daer aen, soo dat wy doen -alle dingh weder klaer maeckten om te seylen en onse reys te -vervorderen<a class="noteref" id="xd24e807src" href="#xd24e807" name= -"xd24e807src">15</a>. Stelden onse koers nae de Canarische Eylanden, -S.S.W. aen; hadden de wint ontrent S.O. met moy weer en raeckten door -de bequaemheydt van ’t weer te met weder op onse stel.</p> -<p class="par">Den 21. dito sagen wy, achter uyt, een zeyl, dat sijn -best deed (soo wy merckten) om by ons te komen; worpen het op de ly en -wachten hem in. By ons komende wast een Oostindisch vaerder, die den -29. December 1618 uyt Zeelandt was gheseylt, daeghs na dat wy uyt -Tessel liepen. Sy waren heel kant<a class="noteref" id="xd24e831src" -href="#xd24e831" name="xd24e831src">16</a> en haperde niet; hadden door -de storm gheen schade gheleden. Het schip was genaemt Nieu-Zeelandt, -des schippers naem was Pieter Tijssz. van Amsterdam; hadden doen goed -compagnij aen malkander, wy seylden ten naesten by soo hard als hy, al -schoon ’t ons aen de zeylen haperde, als verhaelt. De koers was -als vooren.</p> -<p class="par">Den 23. dito saghen wy noch een zeyl aen stuerboort uyt; -liepen daer nae toe en vernamen dat het het schip Enchuysen was, dat -met ons was uytgeloopen, mede gedestineert om nae Oost-Indien te gaen. -De schipper was ghenaemt Jan Jansz. van Enchuysen. Waren als doe met -ons drie schepen in compagny; voeren malcanderen aen boort te gast, en -vertelden yder sijn <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" -name="pb27">27</a>]</span>wedervaren. Hielden de koers noch al nae de -Canarische Eylanden, die wy in ’t gesicht kregen en passeerden; -hadden de wint S. O. met moy weer, voerden onse marsseyls in top, -sochten het eyland St. Anthoni aen te treffen om ververssinge te -bekomen<a class="noteref" id="xd24e838src" href="#xd24e838" name= -"xd24e838src">17</a>, doch konden het niet in ’t gesicht krijgen -door de groote mist en reghen; stelden derhalven om de seeckerheydt -onse koers nae het eylandt Ilje de May, of Ilje del Foege toe<a class= -"noteref" id="xd24e841src" href="#xd24e841" name="xd24e841src">18</a>. -Daer ontrent ghekomen sijnde wierd het stilletjes met variabele winden, -en mosten laveren eer wy daer aen quaemen; raeckten doe van onse twee -mackers af, alsoo sy aen Ilje de May en wy aen Ilje del Foege raeckten, -welcke eylanden niet verre van malkander leggen.</p> -<p class="par">By het eylandt komende konden geen anckergrondt vinden; -liepen dicht onder ’t landt inde calmte. Wy hadden ettelijcke -kleyne masten en spieren uyt Hollandt mede ghenomen; haelden die voor -den dagh, voerden die achter tot de poort uyt, en haeldense in ’t -schip. Een spier van 14 palm saeghden wy middendoor<a class="noteref" -id="xd24e846src" href="#xd24e846" name="xd24e846src">19</a>, maeckten -daer twee wanghen af, leyden die (neven noch twee andere wanghen) op -onse mast, ’t welck onse mast zoo sterck maeckten als hy te -vooren geweest hadde. Ondertusschen sonden wy onse sloep nae landt om -te visschen; dicht onder ’t landt komende quamen de Spanjaerts -met geladen musschetten op strand en schoten nae onse sloep toe, te -kennen gevende dat sy ons volck niet aan landt begheerden te hebben; -quamen alsoo met de sloep wederom aen boort, mede brengende weynigh -vis, die sy noch gevanghen hadden. Waren ondertusschen noch al besich -met woelen en wangen van onse mast. De mast klaer sijnde, setten onse -stengh daer weder op, en kregen alle dingh <span class= -"pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>weder -klaer en kant, daer over wy al te samen seer verblijdt waren, want onse -mast stond weder soo fray dat het een lust was. Hy was bynae soo dick -als een pijlaer van een kerck. Raeckten dien avondt wederom uit de -calmte van ’t voorschreven eylandt, stelden onse koers om de -Linie Aequinoctiael te passeren.</p> -<p class="par">’t Gebeurde terwijl wy onder dit eylandt lagen, -dat sulcken stof van ’t landt quam, even gelijck oft as van vyer -gheweest ware, en stoof soo dicht aen ’t want van ’t schip, -dat het want soo wit was of het met witte as bestooven was. ’s -Anderen daeghs ’s morgens, doen de kock vroo-kost hadde -geschaft<a class="noteref" id="xd24e853src" href="#xd24e853" name= -"xd24e853src">20</a>, sagen wy twee seylen in ly achter uyt, lieten -onse marsseylen loopen<a class="noteref" id="xd24e856src" href= -"#xd24e856" name="xd24e856src">21</a> en hielden daer nae toe. Daer -bykomende warent onse twee mackers, te weten ’t schip -Nieuw-Zeelandt en ’t schip Nieuw-Enchuysen, die by de eylanden -Ilje de May en Ilje del Foege by nacht van ons gheraeckt waren; waren -seer verblijdt, voeren malkander aen boort, vertelden malcander ons -wedervaren. Sy verhaelden ons, dat sy aen landt hadden gheweest op Ilje -de May om te verversen, doch hadden niet konnen bekomen en hadden twee -man verlooren, die van de Spanjaerts doodt gheslaghen waren, waer van -den eene van Hoorn was, ghenaemt Ysbrant Dirckz. Hadden een S. O. wint; -hielden noch al koers nae de Linie Aequinoctiael. Onder de Linie -komende werdt het stil, hadden somtijdts oock harde travaden<a class= -"noteref" id="xd24e859src" href="#xd24e859" name="xd24e859src">22</a> -met regen en wint, hadden de wint altemet uyt alle boeghen, soo dat wy -drie weecken t’ soeck brachten eer wy de Linie Aequinoctiael -konden passeeren. Het was by nacht altemet of de gantsche zee vyer was, -soo pruysten de zee, en schenen voncken vyers te zijn, die voor van de -boegh van ’t schip af stoten, en by daegh hiel het op; waren over -dat (meer als gemeen) vyeren des zees altesamen seer <span class= -"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name= -"pb29">29</a>]</span>verwondert. Stelden onse koers om boven de -Abriolhos te seylen<a class="noteref" id="xd24e864src" href="#xd24e864" -name="xd24e864src">23</a>; hadden een S. O. wint. By de Abriolhos -komende stilde de wint; vreesden derhalven wy daer niet boven souden -mogen<a class="noteref" id="xd24e868src" href="#xd24e868" name= -"xd24e868src">24</a>, doch te met naderende, ruymde de wint handt over -handt, liepen evenwel daer soo dicht by langhs dat wy de uytterste -eylanden sagen; raeckten alsoo (met Godts hulpe) daer boven, waren daer -over altesamen seer verblijdt, want hadden wy ’t moeten wenden, -soude een langhe reys gevallen hebben, met perijckel om veel sieck -volck te krijgen. Wy gaven het volck dien dagh dubbelt rantsoen van -eten en aen yder bacx-volck een flap-kanne Spaensche wyn<a class= -"noteref" id="xd24e871src" href="#xd24e871" name="xd24e871src">25</a>. -Setten doe onse koers nae de eylanden van Tristandeconde<a class= -"noteref" id="xd24e877src" href="#xd24e877" name="xd24e877src">26</a>. -En nae dat wy ettelijcke dagen geseylt hadden, kregen wy de hooghte van -de selfde eylanden, doch en sagense niet. Kregen een N.W. wint, liepen -doe Oostelijck aen om de Caep de Bonesperanse aen te doen. En nae dat -wy een tijdt langh die koers hadden gehouwen, sagen wy swart -ghesprenckelde mieuwen, vinghender altemet, met houtjes, die wy met een -velletje van een reusel overtogen, met hoecken daer aen, en haeldense -in ’t schip tot tijdt-kortinge.</p> -<p class="par">Het sien van deze voorschreven mieuwen is een teycken -dat men de Caep de Bonesperanse is naeckende, want sy volghden ons tot -de Caep toe. Maer dit is een onfeylbaer teycken om de <span class= -"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span>Caep te -sien, of om te weten dat ghy daer ontrent zijt, te weten: Als ghy met -de peylinghe van ’t compas bevindt, dat het compas recht Suyen en -Noorden houdt<a class="noteref" id="xd24e884src" href="#xd24e884" name= -"xd24e884src">27</a>, siet dan uyt nae landt. Wy dit proevende sagen -het landt, te weten de Caep de Bonesperanse, doch waeyden soo stijf -uytten Westen, dat wy met een ghebolde fock liepen<a class="noteref" -id="xd24e887src" href="#xd24e887" name="xd24e887src">28</a>; dorsten -het landt niet aendoen. Vergaderden derhalven de scheepsraedt en -resolveerden, dat wy de Caep verby souden seylen, door dien dat wy -altemael noch gesont volck hadden en geen water ghebreck; lietent -daerom deur staen en voort loopen. Dit was in ’t laetste van de -May, wesende vijf maenden nae dat wy uyt Hollandt seylden.</p> -<p class="par">Wy hielden onse koers ontrent by de wal langhs tot het -landt van Terre de Natal toe. Daer verby seylende wast heel moy weer, -voeren malcander aen boort en maekten goet chier. En alsoo het schip -Enchuysen ghedestineert was om nae de kust van Cormandel te gaen, -begeerden ons te verlaten en een ander koers te stellen, om binnen het -Eyland St. Lourentius oft anders ghenaemt Madagascar door te loopen, en -voort nae de Mayottes om aldaer te ververschen<a class="noteref" id= -"xd24e898src" href="#xd24e898" name="xd24e898src">29</a>; namen -afscheydt, malcander behouden reys wenschende. Wy en het schip -Nieu-Zeelandt stelden onse koers om buyten St. Lourentius om te loopen, -en terwijl wy met het schip Nieu-Zeelandt in compagnie seylden, quamen -malcander altemet <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" -name="pb31">31</a>]</span>aen boord en voerden nacht om nacht het -vyer<a class="noteref" id="xd24e903src" href="#xd24e903" name= -"xd24e903src">30</a>, doch kreghen achter nae differentie om de koers -te stellen, konden niet accordeeren, ja, liep soo verd’, dat wy -van malcander af scheyden en liepen elck die koers die hem best docht. -Nieu-Zeelandt liep 2 streecken Suydelijcker als wy; sy hadden op die -tijdt al veel sieck volck.</p> -<p class="par">Nae dat wy een langhe tijdt geseylt hadden sint wy van -een scheyden, hebbende de hooghte van 23 graden besuyen de Linie -Aequinoctiael, kreghen alle dagen veel siecken, uyt welcke oorsaeck de -officiers (uyt last van ’t ghemeene volck) inde kejuyt quamen, -versoeckende dat wy nae het Eylandt Madagascar souden loopen om te -ververschen: waren bevreest dat al ’t volck noch sieck soude -worden, want daer lagender ontrent 40 inde koy en veel andere van -’t volck klaeghden van niet wel te pas te zijn. Besloten daerom, -met de gansche scheeps-raet, dragent te houden<a class="noteref" id= -"xd24e908src" href="#xd24e908" name="xd24e908src">31</a> nae het -Eylandt Madagascar toe, nae een Bay genaemt Sancte Losie. By ’t -landt komende konden geen plaetse bekennen om ’t schip te -berghen; setten onse boot uyt en ick ben met de boot wel gemant na -’t landt gevaren; het schip hielt af en aen by ’t landt. -Met de boot by ’t landt komende storte de zee soo tegen ’t -landt, datter geen kans was aen te komen, saghen ettelijcke persoonen -op strant komen, en een van onse maets sprongh overboort en quam by -’t volck op ’t landt, maer hy kond’ haer niet -verstaen; sy wesen met de handen neerwaert aen, als of sy seggen wilden -dat daer wel plaets was om aen te komen. Sylieden en hadden geen -vervarschinge by haer, dat wy sien konden; mosten derhalven vruchteloos -wederom nae boort toe. Als wy nu sonder vervarschinghe aen boort quamen -(hoewel het ons altesamen heel moeyelijck was) soo waren de siecken -daer in boven maten bedroeft. Resolveerden weder zee te kiezen en -liepen om de Suyd’ tot de hooghte van 29 graden, en wendent doe -weder <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name= -"pb32">32</a>]</span>over en liepen Oost ten Suyen aen, tot dat wy ons -vonden op 17 graden suyder breete van de Aequinoctiael. Doe versocht -het volck wederom om het landt aen te doen, om te sien of wy geen -ververschingh konden becomen, ’t welck wy goedt vonden, want wy -saghen, datter alle dagen noch meer in vielen van ons volck, en eenige -storven. Resolveerden daerom het Eylandt Mouritius of het Eylandt de -Maskarinas aen te doen en stelden de koers tusschen beyden in, want -dese eylanden legghen niet verd van malcander<a class="noteref" id= -"xd24e913src" href="#xd24e913" name="xd24e913src">32</a>. Quamen alsoo -op ’t Oost-eynde van ’t Eylandt de Maskarinas te land, -liepen dicht by de hoeck om, by de wal langhs, vonden 40 vadem diepte -dicht aen ’t landt; lietent ancker vallen, doch was een onbequame -plaets om ’t schip te legghen, door dien het soo dicht aen -’t landt was. Daer leggende quamen de siecken uyt haer koyen -kruypen en wouden gaern aen landt wesen; maer alsoo de zee vry wat -aenliep<a class="noteref" id="xd24e916src" href="#xd24e916" name= -"xd24e916src">33</a>, waren wy schroomachtigh met de siecken aen landt -te varen; stuerden de boot nae landt toe, om te sien hoe of daer -ghestelt was; quamen aen landt en vonden hoop-werck van -landt-schiltpadden, quamen wederom scheep en de siecken stonden al aen, -datmen haer aen landt soude brengen, want sy de lucht in de neus -hadden, seggende: „Waren wy aen landt wy waren half -ghesondt”. Maer de koopman, Heyn Rol, wilde het in geenderleye -manieren consenteren; gaf voor reden dat het daer schor was<a class= -"noteref" id="xd24e919src" href="#xd24e919" name="xd24e919src">34</a>, -dat wy licht mochten van ’t landt afdrijven en van al ons volk -versteecken worden. Doch het volck hielt al aen en baden my bynae met -<span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name= -"pb33">33</a>]</span>gevouwen handen, of ick haer aen landt wilde -brengen, soo dat sy my eyndelijck vermurruwden dat ick het -consenteerde. Gingh by de koopman Heyn Rol en vraeghde of hy het wilde -toestaen. Gaf voor antwoordt: „neen, in geender manieren”. -Doe seyde ick teghen hem: „soo neem ick het dan over my, ick -salse aen landt brenghen”. Liep boven by ’t volck en seyde: -„kom, t’sa mannen, helpt malcander inde boot, ick sal u aen -landt brengen”. Doen holpen de maets de siecken inde boot; ick -liet haer een seyl geven om een tent af te maken, oock oly en asijn, -potten om in te koocken, nevens andere eetbare waren; oock kox, die de -siecken souden waernemen en bekoocken<a class="noteref" id= -"xd24e925src" href="#xd24e925" name="xd24e925src">35</a>, en voer -datelijck met haer nae landt.</p> -<p class="par">Aan landt wesende kroopen sy by malcander in ’t -gras en seyden: „wy voelen alreets beterschap”; en soo wy -toesaghen vonden in de boomen groote menighte van duyven, van die -blauwe velt-vliegers; lieten haer met de handen grijpen en met -stockjens en rieten doodt slaen, sonder dat sy het belul hadden wegh te -vlieghen. Sloeghender op dien dagh wel ontrent de twee hondert; trocken -daer mede te vyer, aen ’t sieden en aen ’t braden voor de -siecken, en oock voor de gesonden. Vonden oock menighte van -landt-schiltpadden; koockten die met pruymen van Damast<a class= -"noteref" id="xd24e930src" href="#xd24e930" name="xd24e930src">36</a>, -die wy uyt Hollandt genoegh hadden mede ghebrocht. Ick voer eyndelijk -weder aen boort, latende de siecken (die ontrent veertigh in ’t -ghetal waren) met de kocx aen landt blijven. Scheep komende vonden goet -(alsoo het schip op een quade perijculoose plaets lagh), dat ick met de -ghemande boot ’s nachts van boort soude varen, en seylen by de -wal langhs om te besien of wy gheen beter ree (om het schip te leggen) -konden bekomen. ’t Welck ick dede en seylde met de boot by -’t landt langhs en <span class="pagenum">[<a id="pb34" href= -"#pb34" name="pb34">34</a>]</span>vondt een fraye santbay om ’t -schip in te leggen, ontrent vijf mijlen vande plaets daer ’t -schip lagh. Voeren in de bay aen landt en bevonden dat aldaer een groot -binne-water was, doch niet heel vers en ontstont hier uyt, soo wy -oordeelden, om dat het boven drie schepen-langhte niet van de -strand’ was, waer door het soute zeewater door ’t sant heen -lecte in ’t binnewater en maeckte dit alsoo brack.</p> -<p class="par">Voort op het landt komende vonden menighte van gansen, -duyven, grauwe papegayen en ander ghevoghelte, oock menighte van -landt-schiltpadden; sagender wel 20 a 25 onder de schaduwe van een boom -sitten, kondender soo veel van krijghen als wy begheerden. De gansen -waren soo wijs niet datse opvloghen als wyse naliepen; -smetense<a class="noteref" id="xd24e937src" href="#xd24e937" name= -"xd24e937src">37</a> met stocken doodt, sonder dat se opvlogen. Daer -waren oock eenige dod-eersen, die kleyne vleugels hadden, maer konden -niet vliegen; waren soo vet dat se qualijck gaen konden, want als sy -liepen sleepte haer de neers langhs de aerde<a class="noteref" id= -"xd24e940src" href="#xd24e940" name="xd24e940src">38</a>.</p> -<p class="par">Maer dat meest te verwonderen was, de papegayen en ander -gevoghelte, als wy daer een of hadden en dat wat meulden<a class= -"noteref" id="xd24e945src" href="#xd24e945" name="xd24e945src">39</a> -dat het kreet, soo quamen alle de anderen, die daer ontrent waren, daer -nae toe, ghelijck of sy haer wilden ontsetten, en lieten haer mede -grijpen; kregen derhalven genoegh van dat goet om te eten. Dit alsoo -gesien hebbende keerden wederom met de boot nae ’t schip, dat -(als geseydt) ontrent vijf mijlen daer van daen lagh. Aen boort komende -vertelden hoe wy ghevaren waren, hoe wy daer een goede reed’ in -een sandt-bay ghevonden hadden en goede ancker-grondt om ’t schip -in verseeckertheydt te legghen. Hier over waren sy altesamen seer -<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name= -"pb35">35</a>]</span>verblijdt; voeren met de boot en bootschapten ons -volck, die wy tegen ’t schip over aen landt hadden geset, dat wy -met het schip verseylen souden vijf mijlen van daer, en souden weder by -haer komen; die daerin wel tevreden waren.</p> -<p class="par">Aen boort komende lichten onse ancker op en liepen daer -nae toe, en setten ’t<a class="noteref" id="xd24e953src" href= -"#xd24e953" name="xd24e953src">40</a> in de voornoemde sant-bay op 35 -vadem en vertuydent wel vast<a class="noteref" id="xd24e956src" href= -"#xd24e956" name="xd24e956src">41</a>; lieten doe al het volck meest -aen landt loopen om te bosscharen wat sy krijgen konden<a class= -"noteref" id="xd24e959src" href="#xd24e959" name="xd24e959src">42</a>; -stelden oock ordre datter acht mannen met de segen souden gaen visschen -in het binne-water (daer van verhaelt is), om te sien of sy voor -’t volck de sood’ souden konnen vangen. Sy togen te werk en -vingen schoone visschen, te weten harder en ander vis, oock mede -visschen van de groote gelijck salmen, die delicaet en vet waren.</p> -<p class="par">Vonden mede vers water, sijnde een kleyn reviertje, dat -vande bergen quam afloopen nae de strand’ toe, welck reviertje -aen beye sijden heel cierlijck met kleyne boompjes bewassen was daer -’t water tusschen door liep soo klaer als een kristal; brachten -daerom al onse lege-leggers<a class="noteref" id="xd24e964src" href= -"#xd24e964" name="xd24e964src">43</a> aen landt en vuldense uyt dat -reviertje, en lietense staen ter tijdt toe wyse tegen ons vertreck -souden scheep halen, of alst ons goet dochte.</p> -<p class="par">Hier by dit water vonden wy oock een seecker bort, daer -in met gehouwen of ghesneden letters gheschreven stont, dat de -commandeur Ariaen Maertsz Block daer hadde gheweest met <span class= -"pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>een -vloot van derthien seylen; hadde aldaer ettelijcke sloepen verlooren -met eenige van sijn maets, alsoo de sloepen in ’t landen sticken -worden gesmeten waer door eenige maets verdroncken<a class="noteref" -id="xd24e971src" href="#xd24e971" name="xd24e971src">44</a>. Die tijdt -dat wy daer lagen lieper de zee noyt soo sterk aen.</p> -<p class="par">Op dit voorschreven Eylandt de Maskarinas en woont gheen -volck. Ons volck liep meest het geheele eylandt deur en deur, en -boschkaerden overal; geneerden haer al<a class="noteref" id= -"xd24e976src" href="#xd24e976" name="xd24e976src">45</a> met het -gevogelte en visschen. Sy wisten de vogelen soo fray te braden aen -houten speeten en namen het smeer uyt de schilt-padden en bedroopten in -’t braden de voghels daer mede, waer door sy soo delicaet -worden<a class="noteref" id="n36.3src" href="#n36.3" name= -"n36.3src">46</a> dat het een lust was om daer van te eten.</p> -<p class="par">Vonden oock mede een afloopent water, daer groote aalen -in waren. Het volck trocken haer hemden uyt en hielen die soo open in -’t afloopent water, en vinghense alsoo in haer hemden; waren heel -lecker van smaeck.</p> -<p class="par">Hier sagen wy oock een dingh, daer in wy alle verwondert -waren, te weten: hoe dat de zee-schiltpadden ’s morgens uytter -zee op strant quamen loopen en schraepten een kuyl in ’t sant en -leyden hare eyjeren daer in, in groot getal, wel tot hondert ja twee -hondert toe, en schraepten het sant dan weder over de eyjeren, welcke -eyjeren door de son, als die op de middagh en door den dagh heet -scheen, worden<a class="pseudonoteref" href="#n36.3">46</a> uytgebroet, -datter jonge schiltpadden uyt quamen. Saghen se met verwonderingh aen, -want sy waren niet grooter als dat haer schiltjes waren als groote -neute-doppen. <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= -"pb37">37</a>]</span></p> -<p class="par">Vonden daer oock eenighe segewaer en palmede-boomen, -daer wy dranck uyt tapten, soo soet en van smaeck als soet-way<a class= -"noteref" id="xd24e992src" href="#xd24e992" name= -"xd24e992src">47</a>.</p> -<p class="par">Sagen daer oock eenighe bocken loopen, maer door haer -groote wildigheydt kostender gheen bekomen, als alleen eene, die soo -oudt was dat sijn hoornen hem van de wormen worden opge-eten. Was -onbequaem om van menschen ge-eten te worden.</p> -<p class="par">En dewijl wy alle dagen daer dus doende waren, quamen -diegene die wy sieck aen landt hadden geset (als verhaelt is) altemael -wederom by ons, ghesondt en fris zijnde, uytghenomen seven die noch -sieck bleven leggen, die wy noch daer nae (doe wy klaer waren) met de -boot wederom t’ scheep haelden.</p> -<p class="par">Wy teerden het schip van binnen en buyten en setten de -poorten altemael op, datter de lucht in en door soude wayen, en -besprenghden het schip oock tot ettelijcke plaetsen met asijn; alles om -een goede gesonde lucht in ’t schip te krijgen.</p> -<p class="par">Wy hadden tot ons gerijf een sonne-wijser aen landt -gheordoneert, daer aen wy altijdt konden sien hoe laet het op den dagh -was. En na dien wy alle dagen het gevogelte soo nae liepen, waren sy -eyndelijck soo schichtigh en schuw’ van ons, dat sy wegh vlogen -als wy haer ontrent quamen; waer door dat het ghebeurde dat onse -opper-stierman Jan Piet van Hoorn met een voghel-roer aen landt gingh, -om noch ettelijcke gansen en andere voghels te schieten. En na veel of -eenighe schoten borst, in ’t schieten, de loop uyt de laed van -’t roer, dat de broeck-schroef recht boven sijn oogh in ’t -hooft sprongh, waer door hy sijn eene oogh verloor.</p> -<p class="par">Eyndelijck maeckten wy ons schip weder klaer om te -vertrecken. Sloegen onse zeylen weder aen, haelden onse water t’ -scheep, stuerden een trommelslager aen landt, die sloegh ende riep het -volck altemael by malkander; namen ontrent hondert schildt-padden -<span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name= -"pb38">38</a>]</span>mede in de boot, die sy scheep brochten. Hadden -ons van alles wel versien, van schilt-padden, gevogelte, gedrooghde -vis, die het volck ghevangen en ghedrooght hadden. Wy in de cajuyt -hadden een heel vat vol gansen ingheleydt met asijn, half gaer -ghekoockt wesende; hadden oock mede een goedt parthy vis ingheleydt, -met asijn om goedt te blijven.</p> -<p class="par">En nae dat wy aldaer 21 dagen gelegen hadden en gereet -waren, zijn wy t’ seyl ghegaen; staecken by de windt over, -hoopten het eylandt Mauritius te beseylen, maer quamen te -laegh<a class="noteref" id="xd24e1022src" href="#xd24e1022" name= -"xd24e1022src">48</a>, konden het van beneden moy sien doch niet aen -komen. Want al schoon wy aen het eylandt de Maskarinas soo langh -ghelegen hadden, en van alles wat op het eylandt was ghenoegh bekomen -hadden, soo waren evenwel ons volck noch altemael niet gesont geworden, -want daer warender vele, die noch klaeghden. Dit gaf de officiers -oorsaecke, om uyt de naem van ’t volck in de cajuyt te komen en -te vraghen, of het niet geraetsaem was, dat wy noch een ander -verversch-plaets souden aendoen, dewijl het volck noch niet altemael -ghesont was en wy noch langh om de Suydt mosten loopen, aleer wy inde -travande winden<a class="noteref" id="xd24e1025src" href="#xd24e1025" -name="xd24e1025src">49</a> souden komen, om alsoo onse reys nae Batavia -of Bantem te vervorderen, dat het ons konde ontschieten en het volck -wederom invallen<a class="noteref" id="xd24e1028src" href="#xd24e1028" -name="xd24e1028src">50</a>. Waer op wy nae langhe deliberatie met de -scheepsraedt goedt vonden draghent te houden nae het eylandt Sancte -Maria, leggende dicht aen ’t landt van Madagasker, recht voor de -groote Bay van Antongiel. Steldender onse kours nae toe, kreghent in -’t gesicht en liepen boven ’t West-eynd’ van ’t -eylandt om, op 6, 7 a 8 vadem waters; mochten de grondt soo klaer sien -als den dagh; liepen aen de binne-kant van ’t eylandt en settent -op 12 a 13 vadem goede grondt. De inwoonders van ’t landt ons -siende zijn <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name= -"pb39">39</a>]</span>datelijck met een prauwtjen (zijnde een schuytjen -uyt een boom ghehouwen) aen ons boordt ghekomen en brochten eenige -appelen, lemoenen, wat rijs en hoenderen met haer; bewesen ons dat sy -sulck goedt meer aen landt hadden, brachten dit tot een munster. -Bewesen ons oock door kennelijcke tekenen met de mondt, dat sy oock -noch koeyen, schapen, kalveren, hoenderen en ander goet hadden; riepen -boe, bee, koekleloeloe: dat waren koeyen, schapen en hoenderen. Wy -sagen dit volck met verwonderingh aen. Wy gaven haer wijn te drincken -uyt een silveren schael; sy waren soo wijs niet, dat sy daer te degen -uyt konden drincken, maer staken het hooft of aengesicht in de schael -en droncken ghelijck de beesten uyt een emmer drincken; en doen sy de -wijn in ’t lijf hadden, tierden sy haer of sy geck waren.</p> -<p class="par">Dit volck was gantsch naeckt, uytgeseydt dat sy een -kleetjen om de middel hadden voor de schamelheydt; waren -geelachtigh-swart van coleur.</p> -<p class="par">Wy voeren alle dagen aen landt en ruylden kalveren, -schapen, rijs en melck voor bellen, lepels, geel-hechte messen<a class= -"noteref" id="xd24e1037src" href="#xd24e1037" name= -"xd24e1037src">51</a> en kralen.</p> -<p class="par">De melck brochten sy ter merckt in bladeren, die in -malkander gevlochten waren, van fatsoen als buysse-koolen<a class= -"noteref" id="xd24e1042src" href="#xd24e1042" name= -"xd24e1042src">52</a>. Aen boort komende sneden wy de bladen stucken, -en soo quam de melck daer uyt loopen. Ruylden oock appelen en lemoenen, -doch weynigh. Resolveerden derhalven met het schip een mijl 2 a 3 te -verseylen; lichten ons ancker en seylden op een ander plaets. Aen landt -komende vonden daer oock weynigh appelen; hier waren oock -water-lemoenen en Spaens speck<a class="noteref" id="xd24e1045src" -href="#xd24e1045" name="xd24e1045src">53</a>. Wy vonden goedt dat ick -met de ghemande boot soude overvaren aen ’t landt van Madagaskar, -om met wat koopmanschap te besien of ick aldaer niet een party appelen -en lemoenen konde bekomen; ’t welck ick dede en voer over. Quamen -voor een revier, die wy wel een <span class="pagenum">[<a id="pb40" -href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>mijl anderhalf oproeyden; souden -hem verder opgeroeyt hebben, maer de boomen, die aen beyde sijden van -de revier stonden, hingen soo nae malkander toe, jae, tegen malkander -aen (so nau worden het vaer-water van de revier op ’t laetst), -dat wij eyndelijck terugh mosten keeren. Vernamen gants geen volck, -noch vruchten; mosten also vruchteloos wederom. Sliepen een nacht op -’t landt; quamen (na dat wy drie dagen uyt geweest hadden) weder -behouden aen ’t schip. Voeren des anderen daeghs weder aen -’t eylandt daer ’t schip onder lagh; kregen doen noch een -deel lemoenen, appelen, melck, rijs en banannessen.</p> -<div class="figure xd24e1050width"><img src="images/p040.jpg" alt="" -width="720" height="521"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Al ons volck worden in die tijdt dat wy daer lagen weder -soo fris en gesont, of wy eerst uyt Hollandt geseylt waren. Wy namen -veeltijdts als wy aen landt voeren een speelman mede, die op de fioel -speelde, waer in het volck van ’t landt haer seer verwonderden, -jae waren daer soo nieu toe, dat sy niet wisten hoe sy ’t hadden; -ginghen daer rondom sitten en staen, knipten op de duymen, dansten en -sprongen, en waren verheught en vrolijck. Wy en konden aen haer geen -teycken van kennisse Godts of godsdienst bespeuren, maer hadden aen -sommighe plaetsen buytens huys ossen-hoofden op staken opgerecht, daer -voor sy (soo wy bemercken konden) nedervielen en aenbaden; schenen heel -vreemt te wesen en sonder gevoel van den waren Godt.</p> -<p class="par">Den 9. dagh dat wy daer gelegen hadden, ons volck als -geseyt fris en gesont wesende, krengden<a class="noteref" id= -"xd24e1056src" href="#xd24e1056" name="xd24e1056src">54</a> wy ons -schip op zijd, soo veel als wy konden, en maeckten ’t onder -schoon met verckenen en schrobben, en gingen t’ seyl; liepen om -de Zuyd tot op de hooghte van 33 graden, wenden als doen weder -Oost-waert over en stelden onse koers doen na de Straet van Sunda toe. -En ghekomen sijnde op de hooghte van vijf en <span class= -"pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span>een -halve graed, sijnde de hooghte van de voorschreven Straet van Sunda, -wesende den 19. dagh van November 1619, soo is door ’t pompen van -brandewijn de brandt in de brandewijn ghekomen; want de botteliers-maet -gingh (nae ouder gewoonte) met sijn vaetjen ’s achter-middaeghs -in ’t ruym en soude dat vol pompen, om alsoo ’s anderdaeghs -’s morgens aen de gasten yder een half mutsjen uyt te -deelen<a class="noteref" id="xd24e1061src" href="#xd24e1061" name= -"xd24e1061src">55</a>. Hy nam een keers mede en stack de steker inde -boom van een vat<a class="noteref" id="xd24e1064src" href="#xd24e1064" -name="xd24e1064src">56</a>, dat een laegh hooger lagh alst vat daer hy -uyt pompte. Sijn vaetje vol gepompt hebbende soude hy de steker daer de -keers op stond uyt halen, en alsoo hy die wat vast hadde ghesteecken, -haelt hyser met een force uyt. Daer was een dief aende keers<a class= -"noteref" id="xd24e1067src" href="#xd24e1067" name= -"xd24e1067src">57</a>; die vielder doe of, en viel juyst inde spons -[<span class="ex">lees</span>: spon] van ’t vat daer hy uyt -gepompt hadde. Hier door ontfingh de brande-wijn en vloogh terstondt -op, tot het vat uyt; de booms borsten uyt het vat en de brandende -brandewijn liep beneden in ’t schip, daer smits-koolen laghen. -Strackx wordender gheroepen: „brandt! brandt!” Ick lagh -doen ter tijdt op ’t boevenet en keeck door de -traliën<a class="noteref" id="xd24e1074src" href="#xd24e1074" -name="xd24e1074src">58</a>. Dat gherucht hoorende liep datelijck -beneden in ’t ruym. Daer komende sagh gheen brandt; vraeghde: -„waer is de brandt?” Sy seyden: „Schipper sie daer, -in dat vat”. Ick stack mijn arm in ’t vat en konde geen -brandt voelen.</p> -<p class="par">De botteliers-maet, daer de brandt deur quam, was van -Hoorn, en was genaemt Keelemeyn. Hy hadde twee kitten met water by hem -gehadt; die had hyder opgegooten, waer door het scheen dat de brandt -uyt was. Doch ick riep om water van boven, ’t welck datelijck -quam, met leeren emmers, en goot so langh <span class="pagenum">[<a id= -"pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>dat wy geen meer gewach -van brandt sagen. Gingen uyt het ruym; maer omtrent een half uer -daernae begonnen sy weder te roepen: „brandt! brandt!” waer -door wy altesamen seer verbaest<a class="noteref" id="xd24e1081src" -href="#xd24e1081" name="xd24e1081src">59</a> waren. Trokken nae -’t ruym en saghen dat de brandt van onderen opwaert sloegh, want -de vaten stonden drie en vier hoogh, en de brandt was door de -brandewijn beneden inde smits-koolen gheraeckt; trocken wederom te -werck met leeren-emmers en gooten soo veel water dat het te verwonderen -was. Maer alweder een nieuwe swarigheydt, want door ’t water -gieten in de smits-koolen gaf sulcken stinckende-swaveligen roock op, -datmen smooren en sticken wilde in ’t ruym van -bangigheydt<a class="noteref" id="xd24e1084src" href="#xd24e1084" name= -"xd24e1084src">60</a>. Ick was meest in ’t ruym om order te -stellen en liet altemet ander volck in ’t ruym komen tot -ververschingh. Ick vermoede datter al veel in ’t ruym verstickt -bleven leggen, die de luycken niet hebben konnen vinden; ick self was -menighmael het soecken schier bijster, gingh met mijn hooft altemet op -de vaten leggen om adem te scheppen, het aengesicht na ’t luyc -toekeerende; lieper eyndelijc uyt; gingh altemet by de coopman Heyn Rol -en seyde: „maet, het is best dat wy het kruyt over boord -smijten”; maer de coopman Heyn Rol en konde hier toe niet -resolveeren, gaf voor antwoordt: „smijten wy het kruyt over -boort, wy mochten de brandt uyt krijghen en komen daernae in ’t -gevecht teghen onse vyandt, en als wy dan (geen kruyt hebbende) genomen -wierden, hoe souden wy ’t verantwoorden?”</p> -<p class="par">De brant en wilde niet slissen, en niemant konde in -’t ruym schier langer harden door den stinckenden roock (als -verhaelt is). Wy hielden achter nae gaeten inden overloop<a class= -"noteref" id="xd24e1089src" href="#xd24e1089" name= -"xd24e1089src">61</a> en gooten gheweldigh met water daer door, en door -de luycken; mochte evenwel niet helpen. Onse groote boot hadden wy wel -drie weecken te voren uytgheset en sleepten hem achter aen, en de -<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name= -"pb43">43</a>]</span>sloep, die voor op ’t boevenet stont, was -oock uytgeset, omdat hy ons in de weegh stont om ’t water te -mannen<a class="noteref" id="xd24e1094src" href="#xd24e1094" name= -"xd24e1094src">62</a>; en alsoo daer groote verbaestheydt<a class= -"noteref" id="xd24e1097src" href="#xd24e1097" name= -"xd24e1097src">63</a> in ’t schip was, ghelijck men wel dencken -mag, (want het vyer en het water was voor ooghen en geen ontset van -yemandt op aerden, door dien wy alleen waren sonder eenigh landt, schip -of schepen te sien) soo liepender veel van ’t volck te met over -boort en kropen tersluyp met het hooft onder de rusten<a class= -"noteref" id="xd24e1100src" href="#xd24e1100" name= -"xd24e1100src">64</a>, opdat men haer niet sien soude, en lieten haer -dan in ’t water vallen en swommen alsoo aen de schuyt en boot, -klommender in en verburgen haer onder de doften en plechten totter tydt -toe dat haer dochte dat sy volckx genoegh in hadden.</p> -<p class="par">Heyn Rol, de coopman, quam by geval inde -geldery<a class="noteref" id="xd24e1105src" href="#xd24e1105" name= -"xd24e1105src">65</a>; was verwondert datter soo veel volck inde boot -en schuyt was. Het volk riep Heyn Rol toe en seyden, dat sy wilden -ofsteken en soo hy mee wilde soo mochte hy hem op de val-reep neder -laten. Heyn Rol liet hem overreden en klom by de val-reep neer, en quam -alsoo by haer in de boot. Heyn Rol die seyde: „Mannen laet ons -wachten tot dat de schipper komt”, maer hy en hadde daer geen -commandement, want toen sy Heyn Rol hadden, sneden sy de touwen -sticken<a class="noteref" id="xd24e1108src" href="#xd24e1108" name= -"xd24e1108src">66</a> en roeyden alsoo van ’t schip of. En alsoo -ick doende was met het volck met order te stellen om de brandt, waer -’t mogelijck, te uytten, quamen andere van ’t volck by my -gheloopen en seyden met groote verbaestheydt: „Och lieve -schipper, wat raedt! Wat sullen wy doen? De schuyt en boot zijn van -’t schip en roeyen wegh!” Ick seyde teghen haer: „Is -de schuyt en boot wegh, soo zijnse <span class="pagenum">[<a id="pb44" -href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>op sulcken conditie wegh -gevaren, datse niet weer sullen komen.” Doe liep ick metter haest -nae boven toe en sach dat sy wegh roeyden. De seylen van ’t schip -laghen doe ter tijdt op de mast<a class="noteref" id="xd24e1113src" -href="#xd24e1113" name="xd24e1113src">67</a>; het grootzeyl was -opghegijt<a class="noteref" id="xd24e1116src" href="#xd24e1116" name= -"xd24e1116src">68</a>. Ick riep teghen ’t volck knaphandigh: -„Hael de seylen om! Wij sullen sien, of wyse konnen beseylen en -stroopense onder de kiel deur<a class="noteref" id="xd24e1120src" href= -"#xd24e1120" name="xd24e1120src">69</a>. Dat haer dit en dat -hael!” Wy setten de seylen schrap en seylden daer nae toe. By -haer komende roeyden sy ontrent drie schepen-langhte voor ’t -schip over, want sy wilden by ons niet wesen, maer roeyden in de windt -op, van ’t schip af. Doe seyde ick: „Mannen, wy hebben -(naest Godt) onse hulpe nu by ons, ghelijck ghy siet. Een yegelijck -steeck nu sijn handen uyt de mouw om (soo veel als ghy kondt) de brandt -te uytten, en gaet datelijck nae de kruytkamer en smijt het kruyt -overboort, dat ons de brandt in ’t kruyt niet en beloopt.” -’t Welck gedaen wierde.</p> -<p class="par">Ick met alle de timmer-luyden stracx overboort met -dopgudsen en navegers<a class="noteref" id="xd24e1125src" href= -"#xd24e1125" name="xd24e1125src">70</a> om gaten in ’t schip te -boren, zijnde van voornemen het water een vadem anderhalf in ’t -schip te laten loopen, om de brandt alsoo van onderen te uytten; maer -konden niet door ’t schip komen, overmidts datter soo veel -yserwerck in de weegh was. Somma, de benautheydt die in ’t schip -was kan ick niet wel uytspreecken; het ghekerm en ghekrijt was boven -maten groot. Vielen doen wederom dapper aen ’t water gieten, waer -door het leeck dat de brandt minderde; doch een weynigh tijdts daer nae -quam de brandt inde oly; doen was de moet gants verloren: want hoemen -meer water goot, hoe de brandt scheen grooter te worden, -sóó vloogh de brandt op door de oly. Hier <span class= -"pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>door -ontstont sulcken ghehuyl, ghekerm en gekrijt in ’t schip dat een -mensche de hayren te berghen stonden; jae, de bangigheydt en -benautheydt was soo groot, dat het klamme sweet de menschen afliep; -waren evenwel noch al besich met water te gieten en kruyt over boordt -te smijten, tot het eynde toe dat de brandt ons in ’t kruyt -beliep. Ontrent 60 half vaten kruyt hadden wy overboordt, doch -haddender noch wel ontrent 300 in, daer wy mede opvloghen, met alle -man. Het schip sprongh aen hondert duysent stucken; 119 persoonen waren -wy noch in ’t schip doe het sprongh.</p> -<p class="par">Ick stonde doen ’t aengingh by de groote hals -boven op ’t schip en ontrent 60 persoonen stonden recht voor de -groote mast, die ’t water overnamen<a class="noteref" id= -"xd24e1133src" href="#xd24e1133" name="xd24e1133src">71</a>; die worden -al te samen wegh genomen en aan hutspot gheslaghen, datmen niet en wist -waer een stuck bleef, als oock van alle de anderen. En ick, Willem -Ysbrantsz. Bontekoe, doe ter tijdt schipper, vloogh mede inde lucht; -wiste niet beter of ick most daer mede sterven. Ick stack mijn handen -en armen nae den Hemel en riep: „Daer vaer ick heen, o Heer! -weest my arme sondaer genadigh!” Meende daermede mijn eynde te -hebben; doch hadde evenwel in ’t op-vlieghen mijn volle verstant, -en bemerckte een licht in mijn herte dat noch met eenige vrolijckheydt -vermenght was, soo ’t scheen, en quam alsoo wederom neer in -’t water, manck de stucken en borden van ’t schip, dat heel -aan stucken was<a class="noteref" id="xd24e1136src" href="#xd24e1136" -name="xd24e1136src">72</a>. In ’t water leggende kreegh ick -sulcke nieuwe couragie gelijck of ick een nieu mensch hadde gheweest. -Toe siende soo lagh de groote mast aen mijn eene zijd’ en de -focke-mast aen mijn ander zijd’; ick klom op de groote mast en -gingh daer op leggen en sagh het werck eens over, en seyd’: -„O Godt! hoe is dit schoone schip vergaen, gelijck Sodoma en -Gomorra.”</p> -<div class="figure xd24e1139width"><img src="images/p046.jpg" alt="" -width="720" height="524"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= -"pb46">46</a>]</span></p> -<p class="par">Hier dus legghende sagh gheen levendigh mensch, waer dat -ick heen sagh; en terwijl ick hier dus lagh in ghedachten, soo komter -een jonghman by mijn zijd’ opborlen en smeet met handen en met -voeten, en hy gheraeckte aende knop vande steven (die weer was comen -opdrijven) seggende: „Ick ben al klaer.” Doe keeck ick om -en seyde: „O Godt! leefter noch yemant?” Deze jonghman was -genaemt Hermen van Kniphuysen, uyt de Eyder van daen. Ick sagh by dese -jonghman een spiertjen of kleyn-mastjen drijven, en alsoo de groote -mast (daer ick op lagh) vast om en wederom walterde, dat ick daer niet -wel op blijven kon, seyde ick tegen hem: „schuyft my dat -spiertjen toe, ick salder op gaen leggen en halen my alsoo nae u toe, -soo sullen wy by malkander gaen sitten,” ’t welck hy dede, -en quam alsoo by hem. Dat ick anders niet wel by hem soude gekomen -hebben, quam omdat ick in ’t opvliegen soo geslagen was. Mijn -rugh was heel beschadicht, hadde oock twee gaten in ’t hooft; -want het quam soo aen, dat ick dochte: „o Heer! noch een beetje, -soo ben ick doodt.” Ja het scheen, dat my hooren en sien -vergingh. Wy saten hier by malkander, elck een inneckhout vande boegh -in den arm hebbende<a class="noteref" id="xd24e1144src" href= -"#xd24e1144" name="xd24e1144src">73</a>. Ginghen staen en keken uyt na -de schuyt en boot; wordense eyndelijck gewaer, doch waren soo -verd’ henen dat wy qualijck sien konden of de voor-steven of de -achter-steven na ons toe lach. De son was aen ’t water om onder -te gaen. Seyden doen tegen mijn maet: „Harmen, het schijnt dat -onse hoop hier verloren is, want het is laet, de son gaet onder, de -schuyt en boot zijn soo verd’, datmen haer qualijck sien kan; het -schip is stucken, en wy moghen ’t hier (op ’t wrack) niet -langh harden; daerom laet ons God almachtich bidden om een goede -uytkomst.” Wy deden soo en baden Godt seer ernstelijck aen om een -goede uytkomste; het welcke wy kregen, want als wy weder opsagen, so -was de schuyt met de boot dicht by ons, om het welcke wy seer verblijt -waren. Ick <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name= -"pb47">47</a>]</span>riep datelijck: „Bergh de schipper! bergh de -schipper!” Sy dat hoorende waren seer verblijt en riepen: -„De schipper leeft noch, de schipper leeft noch!” en -roeyden daerop dichte by ’t wrack en bleven daer soo leggen met -schuyt en boot; dorsten niet by ons komen, vermits zy vreesden, dat een -stuck van ’t wrack door de schuyt of boot soude stooten.</p> -<p class="par">De jonghman Harmen van Kniphuysen was noch soo moedich, -dat hy hem van ’t wrack af begaf en swom aende boot. Hy hadde -weynigh letsel gekregen van ’t opvliegen, maer ick riep: -„Wilt ghy my hebben, soo moet ghy my halen, want ick ben soo -geslagen, dat ick niet swemmen kan”. Doen sprongh de trompetter -uyt de boot overboort met een loodlijn, (die sy noch hadden) en brocht -my het end’. Ick maeckte die om mijn middel vast en sy haelden my -nae de boot toe, en quam alsoo (de Heer sy gelooft!) inde boot. Inde -boot wesende quam achter by Heyn Rol, Willem van Galen en de -onderstierman, genaemt Meyndert Krijnsz. van Hoorn, die seer verwondert -waren dat ick noch in ’t leven was. Ick hadde inde boot achter -een roefjen laten maken, daer wel een paer man in mocht, dwars over de -boot; daer kroop ick in en dochte: ick mocht wat overleggen; want ick -giste niet langh te sullen leven, door de slagh aen mijn rugh en de -twee gaeten in mijn hooft; doch seyde evenwel tegen Heyn Rol en de -anderen: „Blijft te nacht by ’t wrack; wy sullen morgen -alst dagh is wel eenige fictualie bergen, en mogelijck noch wel een -compas vinden om het landt te vinden.” Want daer was in de schuyt -en boot noch compas, noch kaert, noch boogh, noch geen of weynigh eten -en gheen drincken; met sulcken haestigheyt waren sy van ’t schip -ghevaren. Seyden oock, dat de opper-stierman, Jan Piet van Hoorn, de -compassen uyt het nachthuys hadde genomen; ’t scheen dat hy al -vrees hadde, datse het schip souden verlaten, ’t welck evenwel -noch geschiede.</p> -<p class="par">Nu terwijl ick alhier in dat gat of roefje lagh, soo -liet de coopman het volck de riemen uytleggen en stelde het volck aen -’t roeyen, gelijck of hy alst dagh was landt meende te hebben. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= -"pb48">48</a>]</span>Maer alst dagh worde, waren wy van ’t wrack -versteken, en ooc mede van ’t lant. Waren heel mismoedigh; quamen -en keken in ’t gat, daer ick lagh, of ick noch leefde, en siende -dat ick noch leefde spraken: „Och lieve schipper! Wat sullen wy -doen? Wy sijn van ’t wrack versteken en wy sien geen landt; -hebben eten noch drincken, noch boogh, noch kaert, noch compas! Wat -raedt gaet ons aen?” Daer op ick seyde: „Mannen, men moste -my ghehoort hebben als ick gister avondt seyde: dat ghy te nacht by -’t wrack sout blijven, dat wy wel fictualie souden krijgen, want -het vlees en speck en kaes dreef my om de beenen, dat ick er qualijck -door konde komen.” Sy seyden: „Lieve schipper, komt daer -uyt.” Ick sey: „Ick ben soo lam, dat ick my qualijck kan -reppen; wilt ghy my hier uyt hebben, soo moet ghy my helpen.” Doe -quamen sy en holpen my daer uyt, en ick gingh sitten, keeck het volck -over, en sy roeyden. Ick vraeghde datelijck: „Mannen, wat eten -hebt ghy in de boot?” en sy brochten omtrent 7 a 8 pont broodt -uyt, met alle man; wy hadden twee lege vaetjes, daer leyden wy dat -broot in. Ick seyde vorder: „Mannen, legh de riemen in, het moet -anders komen, want ghy sult loof<a class="noteref" id="xd24e1155src" -href="#xd24e1155" name="xd24e1155src">74</a> worden, en wy hebben geen -eten te geven. Legh in de riemen.” Doen seyden sy: „Wat -sullen wy dan doen?” Maer seyd ick: „Treckt uwe hemden uyt -en maeckt daer seylen van.” Sy seyden: „Wy hebben geen -seyl-garen.” Ick seyde: „Neemt de willen van de -boot<a class="noteref" id="xd24e1158src" href="#xd24e1158" name= -"xd24e1158src">75</a> en pluyst die aen werck en draeyt daer seyl-garen -af; van de rest leght plattingh tot schooten en geerden<a class= -"noteref" id="xd24e1161src" href="#xd24e1161" name= -"xd24e1161src">76</a>.” Daer op trock een yder sijn hemt uyt, en -flanstese aen malkander tot <span class="pagenum">[<a id="pb49" href= -"#pb49" name="pb49">49</a>]</span>seylen, ’t selfde deden sy inde -schuyt mede. Telden als doen ons volck en bevonden inde boot 46 en inde -schuyt 26 persoonen; maeckt 72 persoonen in ’t geheel.</p> -<p class="par">Daer was een blauwe bolckvanger<a class="noteref" id= -"xd24e1168src" href="#xd24e1168" name="xd24e1168src">77</a> met een -kussen inde boot; die worde my gegeven. De bolckvanger trock ick aen en -het kussen sette ick op mijn hooft, door dien ick (als verhaelt) twee -gaten in ’t hooft hadde. De barbier<a class="noteref" id= -"xd24e1171src" href="#xd24e1171" name="xd24e1171src">78</a> hadden wy -wel mede inde boot, maer hy en hadde geen medicamenten; doch kaude -evenwel wat broodt en leyd’ de kauwen also op de wonden; waer -mede ick (door Godts genade) genesen worde. Ick presenteerde mijn hemt -mede uyt te trecken, maer sy wildent niet hebben; droegen noch sorge -voor my, om my in ’t leven te houden. Wy lietent de geheelen dagh -voortdrijven; waren ondertusschen besich met de seylen te maecken. -’s Avondts warense klaer, settender die by, en trocken aen -’t seylen. Dit was den 20. dagh van November 1619. Begonnen koers -te stellen aende sterren, want wy wisten goelijck waer de sterren -behoorden op ende onder te gaen; stelden ’s nachts alsoo onse -koers.</p> -<p class="par">Het was by nacht soo kout, dat het volck klaptanden, en -by daegh soo heet, datmen vergaen wou van hetten; want de son was meest -boven ’t hooft.</p> -<p class="par">Den 21, 22 en 23 dito practiseerden wy een graed-boogh, -om hooghte te nemen; sloegen een quadrant op de plecht en teeckenden -een stock met een cruys daer uyt. Wy hadden de kistemaecker Teunis -Sybrantsz van Hoorn in; die hadde een passer. Hy hadde oock ten deele -eenighe wetenschap om een stock te teyckenen, soo dat wy met malcander -alsoo een graed-boogh maeckten en formeerden, daer wy mede -schooten<a class="noteref" id="xd24e1178src" href="#xd24e1178" name= -"xd24e1178src">79</a>. Ick sneed oock een paskaert achter op ’t -boort, en leyd’ het eylandt van Sumatra <span class= -"pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span>daer in, -met het eylandt van Java, met de straet van Sunda, die tusschen beyde -eylanden in loopt. En die selfde dagh dat wy ’t schip verlooren, -des middaeghs, hadde ick noch hooghte ghenomen aen de son, en -bevond’ vijf en een halve graed Suyder-breete vande Equinoctiael, -en het besteck inde kaert stont omtrent 90 mijlen van landt. Ick sneet -ook een compas daer in; paste doe alle dagen met de passer by gissingh -of, en stelde de koers 70 mijlen besijen of boven ’t gat, om, als -wy landt kreghen, te beter te weten wat heen dat wy mosten. Seylden -alsoo op het schieten met onse boogh en het passen aen.</p> -<div class="figure xd24e1183width"><img src="images/p050.jpg" alt="" -width="720" height="525"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Ick gaf van de 7 a 8 pont broodt elck alle dagen sijn -rantsoen, soo langh alst dueren mocht; doch was wel haest op. Elck -kreegh des daeghs ontrent een stuckjen soo groot als een lit van een -vinger. Wy hadden geen drincken; daerom alst reghende, namen wy onse -seylen neer en schoorense<a class="noteref" id="xd24e1187src" href= -"#xd24e1187" name="xd24e1187src">80</a> dwars over de boot heen, en -vinghen het water alsoo op ’t seyl en gaerden dat in onse twee -vaetjes; en als die vol waren setten die uyt de weegh, tot alst een -droge dagh was dat het niet en regende. Ick sneed een neusje van een -schoen en een yder quam by ’t vaetje en schepten het neusje vol -en dronckent uyt, en gingh weder aen sijn plaets, daer hy gheseten had. -En alhoewel wy in sulcke benautheydt waren, seydent volck: -„Schipper, neemt ghy soo veel als u lust, want het mach ons doch -allegaer niet helpen.” Doen ick haer beleeftheydt sagh, wilde -niet meer hebben als sy. Aldus seylende met schuyt en boot, en dewijl -de boot harder seylde als de schuyt, en datter niemandt inde schuyt was -die hem op navegatie verstondt, soo baden dieghene die inde schuyt -waren (als sy dicht by ons quamen) of sy by ons inde boot mochten over -komen en seyden: „Lieve schipper neemt ons doch over, opdat wy by -malcander moghen wesen”; vreesden van ons af te dwalen. Maer het -volck inde boot die waren daer teghen en <span class="pagenum">[<a id= -"pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>seyden: „Schipper, -nemen wy haer over, soo sijn wy altemael om den hals, want de boot kan -al het volck niet voeren”. Mosten derhalven dan wederom vande -boot afhouwen.</p> -<p class="par">De ellende was onder ons groot; wy hadden geen meer -broodt en konden gheen landt sien. Ick maekten het volck altijdt wijs, -dat wy dicht aen landt waren, datse goede moet souden houwen; maer sy -murmereerden onder malcander daer al teghen en seyden tegen malcander: -„De schipper mach seggen dat wy nae landt toe seylen, maer wy -seylen moghelijck van landt af.” Op een dagh (alsoo het leeck dat -wy ’t niet langer konden harden sonder eten) gaf Godt almachtigh -datter mieuwen over de boot quamen vlieghen, ghelijck oftse gevangen -wilden wesen, want sy vlogen ons bynae inde handen en lieten haer -grijpen. Wy pluckten haer de veeren af en snedense aen stickjes; gaven -elck wat; atense soo rau op, en het smaeckten my soo wel als ick mijn -leven kost ghe-eten heb; jae, smaeckte soo soet of ick honigh in mijn -mondt en keel stack. Hadden wy maer wat meer ghehadt; was pas of ter -nauwer noodt soo veel dat wy konden leven, en meer niet.</p> -<p class="par">En dewijl het landt hem noch niet op dee, soo wierden wy -soo dwee gemaeckt, dat het volck resolveerden (doen die vande schuyt -ons weder baden datse mochten overkomen) haer over te nemen; want daer -en quam geen uytkomste met het landt; vreesden dat wy van dorst en van -honger souden moeten sterven, en als wy mosten sterven, soo -resolveerden wy noch liever met en by malcander te sterven. Namen -daerop het volck uyt de schuyt over inde boot en namen al de riemen uyt -de schuyt met de seylen, die setten wy mede op de boot. Hadden doen op -de boot een blind, fock, groot-zeyl en besaen<a class="noteref" id= -"xd24e1196src" href="#xd24e1196" name="xd24e1196src">81</a>. Wy hadden -doe oock ontrent 30 riemen, die leyden wy over de doften heen, als een -overloop. De boot was soo hol, dat het volck onder de <span class= -"pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>riemen -op haer neers moy mochten sitten; setten alsoo de eene helft van -’t volck onder de riemen en de ander helft boven de riemen; -mochten hiermede het volk moy bergen. Waren doe met ons 72 personen -inde boot; saghen malcanderen met bedroefde ooghen aen, hebbende noch -eten noch drincken. Daer en was gheen meer broodt, noch de mieuwen -quamen niet meer, en het wilde niet regenen.</p> -<p class="par">Doen ’t nu weder op het ongesienste was om -’t leven te houden, soo quamen (door des Heeren barmhertigheydt) -oversiens uytter zee op-barsten een perthy vliegende visschen, zijnde -soo groot als een groote spieringh, in maniere als een school musschen, -en vlogen in de boot. Daer wast doe aen ’t grabbelen! Elck dee -sijn best om wat te krijghen. Wy deylden die om en aten die rau op, en -smaeckten als honigh; doch het mocht al weynigh helpen. Evenwel -sterckte het min of meer, en dee sooveel (met Godt) datter niemandt en -sturf, ’t welck te verwonderen was, want het volck begon al sout -water te drincken, teghen mijn waerschuwingh aen. Ick seyde tegen haer: -„Mannen, en drinckt geen sout water, want het en sal u geen dorst -verslaen; ghy sult de loop daer van krijghen en daer af sterven”. -Andere kauden bosse-klooten<a class="noteref" id="xd24e1203src" href= -"#xd24e1203" name="xd24e1203src">82</a> en musquets-koegels; andere -droncken haer eygen water. Ick dronck mijn eyghen water soo langh alst -goedt was; want het worde achter nae onbequaem om gedroncken te -worden.</p> -<p class="par">De benauwtheydt wierde hoe langher hoe swaerder en -grooter, en het volck begon soo wanhoopigh, mistroostigh en wreedt op -malcanderen te sien, dat het leeck datse malcander bykans souden -aenghetast hebben om te eten; jae, spraecken daer van onder malcander, -en vonden goedt de jongens eerst op te eten; die op zijnde, wilden sy -daer om werpen, wie men dan aentasten soud; waer over ick in mijn geest -seer ontroert wierde en uyt grooter benauwtheydt badt ick Godt -almachtigh, dat het sijn Vaderlijcke ontfermhertigheydt daer toe doch -niet soude laten komen, en ons <span class="pagenum">[<a id="pb53" -href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>niet versoecken boven ’t -vermoghen, wetende wat maecksel dat wy waren. Ick kan niet wel seggen -hoe bang dat my was om dese voorslagh, te meer omdat icker (soo my -docht) wel eenige sach die ’t begonnen souden hebben om de -jonghens te dooden; doch ick versprack haer<a class="noteref" id= -"xd24e1211src" href="#xd24e1211" name="xd24e1211src">83</a> (met Godts -hulpe) en bad voor de jongens en seyde: „Mannen, laet ons dat -niet doen. Godt sal wel een uytkomst geven, want wy konnen niet ver van -landt zijn, uytwijsende ons daghelijcx afpassen en schieten.” Sy -gaven voor antwoordt: „Dat hebt ghy al langh geseyt en wy krijgen -geen landt; jae, seylen mogelijck van ’t landt af”; wesende -geheel t’ onvreden. Sy stelden my doe de tijdt van drie dagen, -om, indien wy in dien tijdt gheen landt beseylden, de jongens te eten. -Voorwaer een desperaet voornemen! Badt daerover met een vyerighen ernst -aen Godt, dat hy sijn genadighe ooghen op ons soude nederslaen en -gheleyden ons binnen die tijdt te lande, opdat wy gheen grouwelen -souden bedrijven voor sijn ooghen.</p> -<p class="par">Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy -’t niet wel langher harden konden. Wy dochten dickwils: waren wy -aen landt dat wy maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende -het volck met soo veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde -bybrenghen. Seyde dat sy doch goedts moedts souden wesen; dat de Heer -het versien soude; doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten -en behoefde self wel ghetroost te worden. Sprak menigh woordt boven -’t hert. Verdroegen en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe -en mat wierden, dat wy qualijck de macht hadden op te staen. Heyn Rol, -de coopman, was soo verd’, daer hy sat daer sat hy; konde niet -verder komen. Ick was noch soo moedigh, dat ick van achteren tot voor -inde boot konde komen. Swarlden alsoo op Godts ghenade tot den 2. -December 1619, zijnde de 13. dagh dat wy het schip verloren; doen wast -een grauwe lucht met regen en stiltjes; maeckten de seylen los, schoren -die dwars <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= -"pb54">54</a>]</span>over de boot en kropen al te samen onder de -seylen, en gaerden onse vaetjes vol water. Het volck hadden weynigh -kleeren, door dien sy soo haestigh waren vertrocken, en hare hemden -waren tot seylen ghemaeckt, als voor verhaelt is; hadden de meestendeel -geen meer als een linnen broeckjen aen, waren met de bovenlijven -naeckt. Kropen alsoo (om de warmte te scheppen) onder de seylen by -malcander, en ick stont op die tijdt aen ’t roer en mijn gissingh -was dicht by landt. Hoopte dat het op soude klaeren, terwijl ick aen -’t roer stondt, maer bleef even mistigh sonder dat het op wilde -klaren. Ick wierde door de doockighe<a class="noteref" id= -"xd24e1218src" href="#xd24e1218" name="xd24e1218src">84</a> lucht en -regen soo kout, dat ick ’t niet langher aen ’t roer konde -harden, riep daerom een vande quartier-meesters en seyde: „Komt -en verlost my eens van ’t roer, want ick macht niet langer -harden.<span class="corr" id="xd24e1221" title= -"Niet in bron">”</span> Doe quam de quartier-meester en verloste -my; ick kroop mede manck het volck om de warmte weder te krijghen.</p> -<p class="par">De quartier-meester hadde gheen uur aen ’t roer -ghestaen, of het begon al op te klaeren, en hy siet toe en siet -terstondt landt. Hy riep met groot verheugen: „Mannen komt uyt, -het landt leydt dicht voor ons! Landt! Landt!” Hadt ghy ghesien -hoe dra wy onder het seyl van daen waren en voor den dagh quamen. -Settender de seylen weder by en seylden nae ’t landt toe; quamen -dien selfden dagh noch aen landt. De Heer almachtigh zy gelooft en -gepresen, die onse bidden en smeken heeft verhoort; want wy deden des -morgens en ’s avondts het gebedt, met vyerigen aendacht tot Godt -en songhen oock een psalm voor en nae het ghebedt, want wy hadden noch -eenighe psalm-boeckjes by ons. De meeste tijdt was ick hierin -voor-leser, doch daer nae, doe de voor-leser uyt de schuyt in ons boot -quam, deed hy ’t selver<a class="noteref" id="xd24e1226src" href= -"#xd24e1226" name="xd24e1226src">85</a>. <span class="pagenum">[<a id= -"pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> -<p class="par">Nu by ’t landt komende, liep de zee soo aen het -landt, dat wy niet landen dorsten; doch vonden aende binnekant van -’t eylandt (want het een eylandt was) een inwijckjen; daer lieten -wy de dregh<a class="noteref" id="xd24e1234src" href="#xd24e1234" name= -"xd24e1234src">86</a> t’ zee vallen, en hadden noch een dreghjen, -dat setten wy aen landt, soo dat de boot vertuyt lagh<a class="noteref" -id="n55.2src" href="#n55.2" name="n55.2src">87</a>, en spronghen (soo -goedt als wy konden) met alle man aen landt en trocken elck sijns -weeghs aen ’t boschkaren<a class="pseudonoteref" href= -"#n55.2">87</a>. Maer soo drae ick op ’t landt quam, viel ick op -mijn knien en kuste de aerde van blijdtschap en danckte Godt voor sijn -genade en barmhertigheydt, dat hy ons niet en hadde versocht, of had -tot noch toe een uytkomst inde saeck gegeven; want dese dagh was de -laetste, nae welcke het volck gheresolveert waren de jonghens aen te -tasten en op te eten. Hier bleeckt dat de Heere de beste Stierman was, -die ons gheleyde en stierde dat wy het landt kreghen, als verhaelt -is.</p> -<p class="par">Wy vonden op dit eylandt veel kokus-noten, maer konden -(wat wy sochten) geen versch water bekomen; doch geneerden ons met het -sap uyt de jonghe kokus-noten, dat een goede dranck was. En van de oude -noten (die ’t pit hardt was) aten wy; maer wat te veel en -onvoorsichtigh, want wy wierden dien selfden nacht al te samen heel -sieck, met sulcke ellendighe pijn ende snyingh in ’t lijf en inde -buyck, dat het scheen of wy barsten mosten. Kropen by malcander in -’t sant, elck klaeghde meer als d’ aer; en achternae begon -het purgatie te baren, daer door wy datelijck verlichtingh gevoelden; -waren ’s anderendaeghs weder fris en liepen dit eylandt bykans -rondtom. Wy vonden <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" -name="pb56">56</a>]</span>daer geen volck, maer saghen wel tekens -datter volck op geweest hadde. Hier was anders niet op om te eten als -kokus-noten. Ons volck seyden tegen my dat sy aldaer een slangh ghesien -hadden, die wel een vaem dick was, maer ick heb hem self niet -ghesien.</p> -<p class="par">Dit eylandt leydt ontrent 14 a 15 mijl van ’t -landt van Sumatra. Wy haelden sooveel kokus-noten in de boot als wy -konden voeren, tot victualie: de oude kokussen om te eten en de jonghe -om uyt te drincken. Staken ’s avondts wederom van ’t -eylandt af nae het landt van Sumatra; kregen het ’s anderendaeghs -in ’t ghesicht. Quamen daer by, liepen by ’t landt langhs -met een voor de windt, Oostelijck aen of om de Oost, soo langh tot dat -de noten weder op waren. Doen wilden ’t volck weder aen landt; -seylden dicht by de barningen van ’t landt langhs<a class= -"noteref" id="xd24e1249src" href="#xd24e1249" name= -"xd24e1249src">88</a>, maer vonden geen gelegenheyt om te landen, door -dien dat de zee soo geweldigh aenliep.</p> -<p class="par">Doe resolveerden wy dat er 4 a 5 mannen overboort souden -springen en sien of sy door de barningh aan ’t landt konden -swemmen, en loopen dan by de strandt langhs, om te sien of sy nerghens -eenige openingh konden sien, om met de boot in te komen. ’t Welk -geschieden. Sprongen overboort, raeckten door de barningh aen landt en -liepen by ’t strandt langhs, en wy seylden oock met de boot al by -de wal henen.</p> -<p class="par">Ten lesten vonden sy een revier. Doen trocken sy haer -broecken uyt, en wuyfden dat wy daer nae toe souden komen. Wy dat -siende seylden datelijck daer nae toe. Daer by komende lagh daer een -banck recht voor de mondt van de revier, daer de zee soo geweldigh op -storte, dat ick seyde: „Mannen, ick steeck hier niet in, of ghy -moet het altemael consenteren, want raeckt de boot om, dat ghy ’t -my dan niet hebt te wijten.” En vraeghden by de ry om, wat elck -daer toe seyde. Gaven voor antwoort: jae, en dat sy ’t wel wilden -avonturen. Doen seyd’ ick: „Ick <span class= -"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span>avontuer -mijn lijf by ’t uwe”. Ick stelde datelijck ordre, datse -achter aen beyde zijden een riem souden uytvoeren en aen yder riem twee -man. Ick stondt aen ’t roer, om de boot alsoo recht voor zee te -houden. Doe staecken wy alsoo met de boot in de barningh. De eerste -zee, dieder quam, bonsde de boot wel half vol water. Ick riep: -„Mannen, hoos uyt! hoos uyt!” En sy hoosden uyt, met -hoeden, met schoenen en met de lege vaetjes, die wy in de boot hadden; -en kreghen het water meest uyt. Doe quam de tweede zee; die worp de -boot bykans tot de doften toe vol water, waer door de boot soo mal -lagh, of hy sincken wilde. En ick riep al: „Mannen, hou recht, -hou recht! hoos uyt, hoos uyt! of wy zijn altemael -lijveloos!”—Wy hieldent noch recht voor zee en hoosden -’t water uyt, soo veel wy konden.</p> -<p class="par">Doe quam de derde zee en die storte te kort, soo dat wy -daar weynigh water van inkreghen; en doe wast datelijck slecht -water<a class="noteref" id="xd24e1260src" href="#xd24e1260" name= -"xd24e1260src">89</a>. Raecktender alsoo met Godes hulp door. Wy -proefden het water en was datelijck versch, waer over wy al te samen -seer verblijdt waren en leyden de boot aen de rechterhandt vande revier -aen de wal.</p> -<p class="par">Op ’t landt komende was het met langh gras -bewossen; toe siende, soo laghender boonen in ’t gras, ghelijck -oft Eydersche boontjes waren. Doe met alle man aen ’t soecken en -eten; ick self dede mede mijn best, dachte: ick sal mijn part mede sien -te krijgen, en ons volck liepen een weynigh nae de hoek toe. Vonden -daer vyer met eenighe toeback legghen, waer door wy heel verblijdt -waren. Het scheen datter volck van ’t landt hadden gheweest, die -daer vyer aen geleydt hadden, en toeback ghedroncken hebbende eenige -toeback vergeten hadden, of met wil legghen laten<a class="noteref" id= -"xd24e1265src" href="#xd24e1265" name="xd24e1265src">90</a>. Wy hadden -in de boot twee bijlen, daer hackten wy boomen mede om en tacken mede -af, en leyden wel tot 5 a 6 <span class="pagenum">[<a id="pb58" href= -"#pb58" name="pb58">58</a>]</span>plaetsen vyer aen. Daer gingen ons -volck by thienen en twaelven om staen en sitten, en droncken toeback. -Doen ’t avondt was, leyden wy lustighe vyeren aen en stelden tot -drie plaetsen wachten uyt, uyt vreese vande inwoonders van ’t -landt, want het was donckere maen.</p> -<p class="par">Nu dien selfden nacht wierden wy soo sieck vande boonen, -die wy ge-eten hadden, dattet was of wy barsten souden van pijn ende -snyingh inde buyck (gelijck wy te voren vande kokus-noten ghevaren -waren.) En terwijle dat elck vast klaeghde, soo quamen de inwoonders -van ’t landt, en meenden ons daer al te samen doodt te slaen; -ghelijck ghy hier nae noch hooren sult. Onse uytgestelde wachten -wordense juyst wijs<a class="noteref" id="xd24e1275src" href= -"#xd24e1275" name="xd24e1275src">91</a>; sy quamen nae ons toe ende -seyden: „Mannen, wat sullen wy doen? Daer komen sy aen!” Wy -hadden geen geweer als twee bijlen met noch een roestighe deeghen, en -waren daer toe noch sieck (als verhaelt) vande boonen. Resolveerden -evenwel dat wy ons soo niet wilden laten doodt smijten; namen derhalven -ghebrande houten inde handt en trocken teghen haer aen in het doncker; -de voncken vyers vloghen over ’t landt, ’t welck by het -duyster een vreeslijck aensien gaf. Oock wisten sy niet of wy gheweer -by ons hadden of niet. Sy namen de vlucht van ons af, achter ’t -bosch, en wy keerden weder te rugh nae onse vyeren; bleven alsoo die -gantsche nacht in sorge en vreese by ’t vyer sitten en staen; -maer ick en de koopman Heyn Rol liepen in de boot, vertrouwden ons niet -op ’t landt.</p> -<p class="par">’s Morgens doen het dagh was en de son opquam of -was, quamen drie vande inwoonders uyt ’t bosch loopen op strand. -Wy stuerden drie van onse maets nae haer toe, die wat Maleys konden, -want sy hadden voor die tijdt al in Oost-Indien geweest, soo dat sy de -spraeck ten deele gheleert hadden. Die by haer komende, vraeghden die -drie inwoonders haer wat volck dat wy waren; seyden: „Wy zijn -Hollanders en hebben door ongheluck <span class="pagenum">[<a id="pb59" -href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>van brandt ons schip verloren, -en zijn hier gekomen om eenige ververschinghe te ruylen, soo ghy -’t hebt.” Sy antwoorden, dat sy hoenderen en rijs hadden, -daer wy heel graegh nae waren. Doe quamen sy alsoo by ons ontrent de -boot en vraeghden of wy oock gheweer hadden. Wy gaven tot antwoordt: -„jae, geweers genoegh, musschetten, kruyt en koegels”. Ick -hadde de seylen over de boot laten halen, soo datse inde boot niet -kosten sien, watter in was. Doe brochten sy ons rijs, die ghekoockt -was, met ettelijcke hoenderen. Wy examineerden ons onder -malcanderen<a class="noteref" id="xd24e1283src" href="#xd24e1283" name= -"xd24e1283src">92</a>, wat gelt dat wy by ons hadden, en brochtent by -malkander. D’ eene bracht 5, d’ ander 6, dese 12, d’ -eene min, d’ ander meer rejaelen van achten te -voorschijn<a class="noteref" id="xd24e1286src" href="#xd24e1286" name= -"xd24e1286src">93</a>, soo dat wy in ’t geheel ontrent 80 -rejaelen van achten by een brochten, van welck gheldt wy die hoenderen -en rijs, die sy ghebrocht hadden, betaelden. Die hebbende seyde ick -tegen ons volck: „Nu mannen, set jou nu by malcander, en laet ons -nu de buyck voor eerst vol eten en sien hoe ’t dan is.” -’t Welck wy deden. De maeltijdt gedaen zijnde, maeckten wy -overlegh wat ons nu te doen stondt, om ons beter te versien van -’t gheen ons noodigh was. En alsoo wy niet wel verkent waren, -vraeghden haer, hoe dat landt hiete, maer konden ’t niet wel -verstaen; doch konden anders niet verstaen of noemden Sumatra. Sy wesen -met de handen neerwaert aen, <span class="pagenum">[<a id="pb60" href= -"#pb60" name="pb60">60</a>]</span>dat Java daer lagh, en noemden Jan -Coen, dat die onse Overste aldaer op Java was; ’t welck waer was, -want Jan Pietersz. Coen van Hoorn was doen ter tijdt Generael, soo dat -wy doen ten deele verkent worden en vast ginghen<a class="noteref" id= -"xd24e1303src" href="#xd24e1303" name="xd24e1303src">94</a>, dat wy -boven windt van Java waren; want wy hadden geen compas, waren altijdt -twijffelmoedigh geweest, of onse dinghen al vast gingen; stelden ons in -die saeck doe vry wat gheruster.</p> -<div class="figure xd24e1307width"><img src="images/p060.jpg" alt="" -width="720" height="514"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Maer alsoo wy meer victualie van doen hadden, om onse -reys te vervorderen, soo resolveerden wy, dat ick met vier vande maets -met een prauwtjen de revier op soude varen naer het dorp, dat een stuck -weeghs op lagh, met het gheldt dat wy doen noch hadden, om aldaer -victualie te koopen, sooveel wy krijghen konden. ’t Welck ick -dede en voeren op.</p> -<p class="par">In ’t dorp komende kochten wy rijs ende hoenderen -en stuerden ’t nae de boot by Heyn Rol, de koopman, ordre -stellende dat elck sijn part soude krijghen, op datse niet kijven -souden, en ick met de vier maets lieten in ’t dorp 2 a 3 -hoenderen koocken met wat rijs; ginghen by malkander sitten en aten soo -veel als ons luste. Daer was oock dranck, die sy uyt boomen -tappen<a class="noteref" id="xd24e1313src" href="#xd24e1313" name= -"xd24e1313src">95</a>, die soo sterck was datmen daer wel droncken af -konde worden. Droncken daer van mede eens om, met malkander, doen wy -ghe-eten hadden. Terwijl wy aten, saten de inwoonders van ’t dorp -rondtom ons en keecken ons aen, als of sy ons de beten uyt de mondt -wilden kijcken.</p> -<p class="par">Nae de maeltijdt kocht ick een buffel voor vijf en een -halve rejael van achten en betaelden hem; maer de buffel betaelt -wesende, konden wy hem door de groote wildigheydt niet krijghen; -spilden daer veel tijdt mede, en alsoo het laet worde, wilde ick met de -vier maets weer nae de boot; souden, soo my dochte, de buffel ’s -anderendaeghs wel krijgen. Hier over baden my de vier voorschreven -maets, of ick wilde toestaen, dat sy die nacht daer <span class= -"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>mochten -blijven, inbrenghende dat sy ’s nachts, alst beest soude sitten, -het wel souden krijghen. Hoewel ick haer dit afriedt, soo consenteerde -ik het ten langhen lesten, door haer langh aenstaen. Ick nam mijn -afscheyt, en seyden of wenschten malkanderen goeden nacht.</p> -<p class="par">Aende kant vande revier komende, daer de prauw lagh, -stond’ daer een hoop volcx vande inwoonders en haperden -gheweldigh teghen malkander<a class="noteref" id="xd24e1322src" href= -"#xd24e1322" name="xd24e1322src">96</a>. Het scheen dat de eene wilde -hebben dat ick voer en de andere niet. Ick greeper een of twee (uyt den -hoop) by den arm en stuwdese nae de prauw toe, om te varen, gelijck of -ick noch meester was, en ick was boven half knecht niet. Sy saghender -soo vreesselijck uyt als bullemannen, doch lieten haer ghesegghen, en -twee ginghen met my inde prauw. De eene gingh achter sitten en de ander -voor, elck met een scheppertjen<a class="noteref" id="xd24e1325src" -href="#xd24e1325" name="xd24e1325src">97</a> in de handt, en staecken -af. Sy hadden elck een kris op haer zijd’ steecken, zijnde een -geweer oft een ponjaert was, met vlammen<a class="noteref" id= -"xd24e1328src" href="#xd24e1328" name="xd24e1328src">98</a>.</p> -<p class="par">Doen wy wat gevaren hadden, quam de achterste nae my -toe, want ick sat midden inde prauw, en wees dat hy gheldt wilde -hebben. Ick taste in mijn diessack<a class="noteref" id="xd24e1333src" -href="#xd24e1333" name="xd24e1333src">99</a>, haelder een quaertjen uyt -en gaf het hem. Hy stondt en bekeeck het, en wiste niet wat hy doen -wilde; doch nam het ten lesten en wond’ het in sijn kleetjen, dat -hy om sijn middel hadde. De voorste, siende dat sijn maet wat ghekregen -hadde, quam mede nae my toe en bewees my, dat hy oock wat hebben wilde. -Ick dat siende haelde weder een quaertjen uyt mijn diessack, en gaf het -hem. Hy stondt en bekeeck het mede; het leeck dat hy in twijffel was of -hy het geldt wilde <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" -name="pb62">62</a>]</span>nemen, dan of hy my wilde aentasten, ’t -welck sy licht souden hebben konnen doen, want ick hadde geen gheweer -en sy hadden (als verhaelt) elck een kris op zijd’.</p> -<p class="par">Daer sat ick als een schaep tusschen twee wolven, met -duysent vreesen. Godt weet hoe ick te moede was. Voeren alsoo voor -stroom af (want daer gingh harde stroom). Ontrent ter halver weegh -(aende boot) zijnde, begonnen sy te tieren en te parlementen<a class= -"noteref" id="xd24e1340src" href="#xd24e1340" name= -"xd24e1340src">100</a>; ’t scheen aen alle teyckenen dat sy my om -den hals wilden brenghen. Ick dit siende was soo benauwt, dat my het -herte in ’t lijf trilde en beefde van vreese; keerde my derhalven -tot Godt en badt hem om ghenade, en dat hy my verstant wilde gheven, -wat my best in die gheleghentheydt stondt te doen. En het scheen of my -inwendigh geseydt worde, dat ick singen soude, ’t welck ick dede, -hoewel ick in sulcken benauwtheydt was; en songh dat het door de boomen -en bosschaedje klonck, want de revier was aen beyde zijden met hooge -boomen bewassen<a class="noteref" id="xd24e1343src" href="#xd24e1343" -name="xd24e1343src">101</a>. En als sy sagen en hoorden dat ick soo -begon te singen, begonnen sy te lacchen en gaepten datmen haer inde -keel sien kon, soo dat het leeck dat sy meenden dat ick gheen -swarigheydt van haer maeckte; doch ick was heel anders in mijn herte -gestelt als ick vertrouw dat sy meenden.</p> -<p class="par">Aldaer bevond’ ick metter daedt, dat een mensche -uyt vreese en benauwtheydt noch singhen kan; en wy raeckten temet soo -verde voort, dat ick de boot sagh leggen. Doe gingh ick over -eynd’ staen en wuyfde ons volck (die by de boot stonden) toe. Sy -my gewaer wordende, quamen datelijck nae my toe, by de kant vande -revier langhs, en ick wees teghen die twee die my afbrochten, dat sy -met de prauw aen landt souden sturen, ’t welck sy deden, en wees -haer dat sy voorheen loopen souden, want ick dacht: soo sult ghy my -altijdt van achteren niet doorsteecken. Doe quamen wy alsoo by ons -volck. <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name= -"pb63">63</a>]</span></p> -<p class="par">Die perijckel en benautheydt (door Godts genade) -ontkomen sijnde, by de boot komende, vraeghden de twee inwoonders waer -ons volck sliep. Wy seyden: onder die tentjes; want ons volck hadden -tentjes van bladeren gemaeckt daer sy in kroopen. Sy vraeghden oock -waer ick en Heyn Rol, de coopman, sliepen; seyden: inde boot onder -’t seyl. Doen ginghen sy weder wegh nae het dorp. Doe vertelde -ick Heyn Rol en het ander volck, hoe ick ghevaren was, en dat ick een -buffel in ’t dorp ghekocht hadde, die wy op dien avondt niet wel -konden krijgen; dat de vier maets, die ick mede genomen had, my gebeden -hadden, of sy aldaer te nacht mochten blijven, dat sy het beest alst -lagh souden vanghen en aen boort brengen, ’t welck ick door langh -aenstaen consenteerde, met conditie dat sy morgen ochtent by tijdts aen -boort mosten komen met het beest.</p> -<p class="par">Dit en wat ons meer was ontmoet vertelt hebbende, -ginghen wy t’ samen legghen slapen, die nacht over. ’s -Morghens doen het dagh was, jae de son al een groot stuck geresen was, -vernamen wy noch geen volck noch gheen beest. Doe begonnen wy -twijffelmoedigh te worden, dat het met die vier maets niet wel most -staen, en noch nae een wijl wachtens soo sagen wy twee vande inwoonders -komen, die een beest voor haer heen dreven na ons toe. By ons komende -en ick het beest siende, seyde dat het dat selfde beest niet en was, -dat ick gekocht en betaelt hadde. Onse bottelier konde haer ten deele -verstaen; die vraeghde, waerom dat sy dat selfde beest niet en -brochten, dat ick gekocht hadde, als oock waer ons volck bleef (te -weten die vier man, die met my nae ’t dorp waren gevaren). Gaven -tot antwoordt, dat sy dat beest niet en hadden konnen krijghen, en dat -ons volck met noch een beest aenquamen; soo dat wy doen ten deele te -vreden waren. En dewijle dat dit beest, dat dese twee swarten gebrocht -hadden, soo gheweldigh sprongh en steygerde, seyde ick teghen Willem -van Galen, de sarjant: „Neem de bijl inde handt en hackt het -beest in sijn hacken, opdat het ons niet en ontloopt; want wy mogen -tegen geen <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name= -"pb64">64</a>]</span>schaed’<a class="noteref" id="xd24e1355src" -href="#xd24e1355" name="xd24e1355src">102</a>.” ’t Welck hy -dede; nam de bijl en hield<a class="noteref" id="xd24e1358src" href= -"#xd24e1358" name="xd24e1358src">103</a> het in sijn hacken dat het -neerstorte.</p> -<div class="figure xd24e1361width"><img src="images/p064.jpg" alt="" -width="720" height="530"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Doen begonnen die twee swarten te roepen en te -schreeuwen dat het wonder was, en op dat schreeuwen quamender wel 2 a -300 man (die ’t weten mocht) achter ’t bosch uytgheloopen, -en meenden ons alsoo de boot af te snijden en ons al te samen doodt te -slaen; maer worden haer in tijdts ghewaer door drie van onse maets, die -een kleyn vyertjen hadden aengeleydt een weynigh van ons af, want die -quamen nae ons toe gheloopen en seyden: dat sy quamen.</p> -<p class="par">Ick stapte een weynigh buyten ’t bos en sagh daer -ontrent 40 uyt het bosch komen; seyde teghen ons volck: „Stae -vast, want wy hebben van dat volck geen noodt, want wy zijn oock sterck -van volck.” Maar sy vielen soo sterck uyt en duerde soo langh, -dat ’t scheen datter gheen eynd’ van komen sou, met -schilden en swaerden, en saghen ghelijck de bulleman, waer door ick -verbaest<a class="noteref" id="xd24e1368src" href="#xd24e1368" name= -"xd24e1368src">104</a> begon te roepen: „Mannen, elck sijn best -nae de boot toe, want snijden sy ons de boot af, soo zijn wy -lijveloos.”</p> -<p class="par">Doe stelden wy ’t op een loopen, met alleman nae -de boot toe, die de boot niet krijghen kon, die koos de revier en swom -daer in. Sy vervolghden ons tot de boot toe, en als wy inde boot -quamen, was de boot heel reddeloos<a class="noteref" id="xd24e1373src" -href="#xd24e1373" name="xd24e1373src">105</a> om daer met soo grooten -haest in en mede vande wal te komen, want de seylen waren over de boot -heen gehaelt tot een tent. Sy waren ons op onse hacken aende boot, -terwijl wy over klommen, en staecken ons volck met hesegeyjen<a class= -"noteref" id="xd24e1376src" href="#xd24e1376" name= -"xd24e1376src">106</a> in ’t lijf (soose overklommen) dat haer de -dermen tot het lijf uytliepen. Met onse twee bijlen deden wy soo veel -weer als wy konden en ons roestigh deeghen dede <span class= -"pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>mee sijn -profijt, want achter inde boot stondt een groot keerl van een man -(sijnde een backer), die hem daer mede dapper weerde.</p> -<p class="par">Wy hadden een dregh achter uytleggen en een dregh -t’ zee. Ick ontrent de mast over ghekomen wesende, riep teghen de -backer: „Hack het tou, hack het dregge-tou af,” en hy -hackte, hy hackte, maer het wilde niet af. Ick dat siende raeckte nae -achteren toe, nam het tou en leyde het op de steven; doe seyde ick: -„hack nu”, en hy hackte het ten eersten af. Doe stondender -van ons volck voor inde boot by ’t dregge-tou en haelden de boot -t’ zee. De swarten liepen ons in ’t water wel nae, maer -alsoo ’t schor aen lant was<a class="noteref" id="xd24e1383src" -href="#xd24e1383" name="xd24e1383src">107</a>, waren sy datelijck grond -af; mosten hier door onse boot verlaten, en wy vischten ons volck op, -die in de revier swommen en haeldense in de boot. Met dat het volck -inde boot was, gaf Godt almachtigh dat de windt met een barst datelijck -uyt de landt quam, die tot die tijdt toe uytter zee ghewaeyt hadde. -Voorwaer een merckelijck teycken vande genadige handt Godts. Wy -settender onse seylen by en seylden eensloeghs<a class="noteref" id= -"xd24e1386src" href="#xd24e1386" name="xd24e1386src">108</a> het gat -uyt, tegen de hooge zee aen en over de banck (daer op wy sulck een -perijckel in ’t in-komen hadden uytghestaen, als verhaelt is) -quamen wy nu datter weynigh water inde boot quam.</p> -<p class="par">De swarten of inwoonders van ’t landt meenden dat -wy daer niet uyt souden komen en sy liepen op de hoeck van ’t -landt en dachten ons daer aen waer te nemen en ons doodt te smijten; -maer het scheen dat het Godt alsoo niet en beliefde, want de boot was -voor hoogh en vroom, en sprongh tegen de zee op; raeckten alsoo met -Godts hulpe het gat uyt. Buyten wesende worde de backer (die achter -inde boot hem soo wel hadde geweert met de degen) gheheel blau om -’t hooft, want hy was recht boven sijn navel inde buyck gequetst -en haer geweer was fenijnigh geweest, waerdoor de wond’ met een -blauwigheydt <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= -"pb66">66</a>]</span>omringht worde, ’t welck ick uytsnee om het -fenijn van vorder voortloopinghe te stuyten, maer mochte niet helpen, -sturf evenwel voor onse oogen. Doodt sijnde setten hem overboort en -lieten hem drijven. Doe telden wy ons volck en bevonden dat wy 16 man -verlooren hadden, te weten elf diese aen landt hadden doodt gesmeten en -de backer die wy over boort setten, met noch de andere vier maets die -in ’t dorp waren ghebleven; waer over wy altesamen hartelijck -bedroeft waren, haer beklagende, doch danckten evenwel de Heere, dat wy -daer altemael niet waren omgekomen.</p> -<p class="par">Ick voor mijn part late my voorstaen, dat die vier maets -die in ’t dorp bleven de behoudenis, naest Godt, van mijn leven -waren, want hadden sy mede nae de boot ghewilt, doe ick voer, soo -souden sy (te weten de swarten) ons alle vijf doodt geslagen hebben, -soo ick vastelijck gheloove; want doen ick op de kant vande revier by -al dat volck stondt, twisten sy (als gheseydt) onder malkanderen over -mijn weghvaren, doch ick maeckten haer wijs en bewees het haer, dat ick -’s anderdaeghs met al het volck by haer wilde komen. Doe scheen -’t dat sy dachten: laet ons dan geen spel maecken, dan sullen wy -haer met de minste swarigheydt konnen houden en dooden. Hebben gemeent, -dat ick die vier maets niet verlaten sou, hebbende daer borgh en pant -genoegh aen; doch ’t is haer niet gheluckt. Evenwel ist een -beklaeghelijcke saeck, dat wy die maets daer laten mosten; doch -vermoede dat sy die al doodt hadden gesmeten.</p> -<p class="par">Wy stelden onse koers voor wint langhs de wal henen; -hadden noch acht hoenderen met een weynigh rijs by ons inde boot en dat -voor 56 persoonen, die wy doen noch sterck waren. Voorwaer te weynigh -voor soo veel menschen. Wy deylden hiervan yder syn paert toe. Dat op -wesende spraecken met malcander dat het best was dat wy weder landt -koosen, hebbende alree grooten hongher en in zee was niet<a class= -"noteref" id="xd24e1397src" href="#xd24e1397" name= -"xd24e1397src">109</a> voor ons op die tijdt te krijgen <span class= -"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>om van -te leven. Keerden daerom weder nae ’t landt, sagen een bay, -seylden daer in. Wy saghen aen landt veel volckx by malcander staen, -daer wy nae toe liepen, doch sy verwachten ons niet, maer liepen van -ons af. Konden doe aldaer geen fictualie krijgen, dan vonden vers -water; daer droncken wy soo veel af als ons luste en haelden onse twee -vaetjes vol van dat water, en voeren by de klippen om. Daer vonden wy -kleyne oesterkens en alekruycken; pluckten daer van elck sijn -diessacken vol. Ick hadde op die plaets daer wy ’t volck -verlooren ontrent een hoet vol peper ghekocht, die ons hier wel te pas -quam met de oesters te eten, want het gloeyde lustigh in de maegh.</p> -<p class="par">Seylden doe weder de bay uyt en koosen zee, om onse reys -te vervorderen. Een stuck weeghs buyten ’t landt komende, begon -het een heele storm te waeyen, soo dat wy al onse seylen mosten -innemen; die haelden wy doe over de boot heen, en kropen met alleman -onder de seylen, en lietent op Godts genade drijven tot ontrent twee -uren voor den dagh; doe begon ’t weer af te nemen en worde weder -goet weer; quamen voor den dagh, settender onse seylen weder by. Doe -kreghen wy inde wint, seylden van de wal af. ’t Scheen of Godt -ons voor grooter ongeluck bevrijden wilde, want hadden wy dese storm en -dese contrarie-wint niet gekregen, souden by de wal langhs ghevaren en -wel licht op de water-plaets, die daer dicht by lagh, op Sumatra -aengheloopen hebben, daer de onse veel plachten aen te varen; en die -waren nu bittere vyanden vande Hollanders, want korts voor dese tijdt -waren daer noch veel Hollanders doodt gheslaghen, die daer ghekomen -waren om water te halen. En doen ’t dagh worde, saghen wy drie -eylanden voor uyt leggen; resolveerden daer nae toe te seylen, -vermoeden daer geen volck op, hoopten daer wel yets te krijghen tot ons -onderhoudt; quamen daer dien selfden dagh noch aen. Wy vonden daer -datelijck vers water, en daer wossen oock groote rieden, soo dick als -een man om sijn been, die hackten wy met onse bijlen om. Dese rieden -worden genaemt bamboesen. Wij stieten de knockels met een stock door, -behalven <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name= -"pb68">68</a>]</span>de onderste knockel; daer gooten wy water in en -stakender stoppen op, en hier mede kregen wy wel een last vers water -inde boot. Vonden daer oock palmede-boomen, die boven inde top soo -murwe sijn, als oft rietspieren waren; die hackten wy mede om, en namen -de boven-enden die goedt waren tot onse fictualie. Het volck liepen het -eylandt door en door te boschkaren, doch konden anders niet vinden dat -waert was.</p> -<div class="figure xd24e1406width"><img src="images/p068.jpg" alt="" -width="720" height="528"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Ick liep eens van al ons volck af, en een bergh (sijnde -de hooghste van ’t eylandt) siende, gingh daer op en sagh om ende -wederom, wesende heel bedroeft en moeyelijck in mijn gheest, door dien -dat het (soo my dochte) meest op my aen quam om de wech te vinden, en -dewijl ick noyt in Oostindien gheweest was, noch gheen -stiermans-ghereetschap hebbende, principael gheen compas (als verhaelt -is), soo wist ick niet wat my beter te doen stondt als my op den Heere -te verlaten, want mijn raedt was ick dickwils ten enden, als oock doe. -Viel daerom op mijn kniejen neder en bad de Heere, hem smeeckende, -dewijl hy my tot hiertoe hadde gheredt en bewaert onder sijn ghenadighe -vleughelen en verlost uyt vyer en water, van hongher en dorst, en vande -quade menschen, dat het sijn vaderlijcke goedtheydt doch soude -ghelieven my vorder te bewaren en my de ooghen des verstandts open te -doen, om den rechten wegh te vinden, opdat wy wederom by onse Natie en -Vrienden mochten komen. Ja, met diep versuchten bad ick: „O -Heere, wijst ons de wegh en geleydt my; doch of uwe wijsheyt voor goet -en best insagh my niet in salva by onse Natie te brengen, soo laet doch -(ist u Goddelijcke wil) eenighe van ’t volck te recht komen, -opdat men weten mach, hoe dat het met ons en het schip ghegaen -is”. En aldus met Godt ghesproocken hebbende stondt ick op, om -weder af te gaen, en sloegh mijn ooghen als voor, om en wederom, aen -allen oorden uyt, en siet: ick sagh aen mijn rechterhandt uyt, dat de -wolcken van ’t landt dreven, waerdoor het inde kimmen klaer -wierdt, en sagh doe stracx twee hooge blauwe berghen legghen, en my -schoot datelijck in ’t sin, dat ick tot <span class= -"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>Hoorn -van Willem Cornelisz Schouten<a class="noteref" id="xd24e1412src" href= -"#xd24e1412" name="xd24e1412src">110</a> wel hadde hooren seggen (die -wel 2 a 3 mael in Oostindien gheweest was), dat op de hoeck van Java -twee hooge blauwe berghen lagen; en wy waren by Sumatra langhs gekomen, -’t welck aen de slinckerhant lagh, en dese sagh ick aende -rechterhandt, en in ’t midden was een glop<a class="noteref" id= -"xd24e1418src" href="#xd24e1418" name="xd24e1418src">111</a>, daer ick -gheen landt sien kond’, en ick wiste dat de <span class="corr" -id="xd24e1421" title="Bron: Staet">Straet</span> van Sunda tusschen -Java en Sumatra in liep, beelde my derhalven vastelijck in, dat wy wel -te weegh waren, en liep doe alsoo verblijdt weder van den bergh af nae -de coopman en vertelden hem, dat ick sulcke twee bergen ghesien hadde. -Doe ick hem dit vertelde, waren de wolcken daer weder overghedreven, -datmense doe weer niet sien kon. Vertelde hem oock wat ick van Willem -Cornelisz Schouten hadde hooren vertellen, als oock wat gissingh dat -ick daer over maeckte, te weten: dat ick vastelijck vertroude dat wy -recht voor de Straet van Sunda waren. Doen seyde de coopman: „Wel -Schipper, hebt ghy sulcke moet, soo laet ons het volck te hoop roepen -en peuren daer nae toe<a class="noteref" id="xd24e1424src" href= -"#xd24e1424" name="xd24e1424src">112</a>, want u gissingh en reden -hebben mijns oordeels fondament.”</p> -<p class="par">Doe riepen wy het volck by een, en sy droegen ons water -in die bamboesen en de top-enden vande palmeed-boomen tot fictualie, -die wy vergadert hadden inde boot en staecken af; kreghen de goede -wint, stelden de koers recht het glop in; s’ nachts op -<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name= -"pb70">70</a>]</span>de sterren aen. Omtrent de middernacht sagen wy -een vyer, dat wy in ’t eerst meenden het een schip was; maeckten -daer een kraeck af<a class="noteref" id="xd24e1431src" href= -"#xd24e1431" name="xd24e1431src">113</a>; maer daer by komende was -’t een kleyn eylantjen, dat in de Straet van Sunda leydt, genaemt -Dwars-inde-wegh, en passeerden dat eylandtjen. Een wijl tijdts daer nae -sagen wy noch een vyer aende ander zijd’, te weten aen -stuerboort, passeerden dat oock, dochten my al goede tekens te wesen -van visschers. ’s Morgens den dagh opkomende worden het stil; -waren doen aende binnekant van ’t eylandt Java. Wy lieten een man -aende mast klimmen, die sagh uyt en riep: „Ick sie schepen -legghen!” Teldender tot 23 toe. Doen spronghen wy bykans op van -blijdtschap. Wy stracx met de riemen te boord en roeyden daer nae toe, -want het was (als verhaelt) stil.</p> -<p class="par">Hadden wy dese schepen hier niet ghevonden, daer wy aen -voeren, wy souden tot Bantem gevaren hebben, daer wy inde val souden -gheloopen hebben, want die waren doe met ons volck in oorlogh, ’t -welck mede een mercklijck bewaringhe Godts voor ons was. Danckten daer -over den Heere voor sijn goetheydt.</p> -<p class="par">Dit waren altemael Hollandtsche schepen; die daer over -commandeerde was van Alckmaer, ghenaemt Frederick Houtman. Hy stont -doen ter tijdt en keeck met de kijcker of bril inde gelderye nae ons -toe, verwondert wesende over onse mirakuleuse seylen, niet wetende wie -het was<a class="noteref" id="xd24e1438src" href="#xd24e1438" name= -"xd24e1438src">114</a>. Sondt sijn sloep uyt, die <span class= -"pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>ons te -gemoet roeyde, om te besien wat voor volck dat wy waren. By malcander -komende, sagen ons, en kenden malcander terstondt, want wy waren met -haer uyt Tessel geseylt en waren inde Spaensche zee buyten de Kanael -van malcander gheraeckt. De coopman en ick stapten over in haer sloep -en voeren aen Houtmans schip, genaemt de Maeght van Dordrecht. De -commandeur Houtman riep ons achter inde kejuyt, heete ons wellekoom, -liet ons de tafel decken om met hem te eten. Maer als ick het broodt en -ander eten sagh, sloot my het herte en het lijf toe, en de tranen -schooten my van blijdtschap over de wangen, soo dat ick niet eten kon. -Ons ander volck, aen boort komende, worden datelijck op de schepen -verdeelt. <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name= -"pb72">72</a>]</span></p> -<p class="par">Houtman ordineerde terstondt een jacht<a class="noteref" -id="xd24e1499src" href="#xd24e1499" name="xd24e1499src">115</a>, dat my -met de coopman nae Batavien soude voeren. En nae dat wy hem alle -gelegentheydt hadden vertelt van onse armoede en wedervaren, traden wy -in ’t jacht en gingen t’ seyl. Quamen ’s morgens voor -de stadt van Batavia. Het volck van onse kennisse op de schepen hadden -ons al vande Indiaensche kleeren by geset<a class="noteref" id= -"xd24e1502src" href="#xd24e1502" name="xd24e1502src">116</a>, soo dat -wy al inden dos waren, eer wy inde stadt quamen.</p> -<p class="par">Wy ginghen inde stadt; quamen voor ’t Hof, daer de -Generael Jan Pietersz Coen van Hoorn sijn residentie hiel<a class= -"noteref" id="xd24e1507src" href="#xd24e1507" name= -"xd24e1507src">117</a>. Wy vraeghden de hellebaerdiers, of sy wilden -vragen: of wy eens by de Generael mochten komen, hadden hem te -spreecken. Sy liepen heen, quamen weer, werden binnen ghelaten, en -quamen by hem. Hy wiste van onse komste niet, maer ons bekent maeckende -heete ons wellekoom. Doen most het groote woordt daer uyt met ons en -seyden: „Heer Generael, wy sijn op sulcken tijt met het schip -Nieu-Hoorn uyt Tessel gevaren, en op sulcken tijdt, ontrent de Straet -Sunda ghekomen, op sulcken hooghte, daer hebben wy ’t ongeluck -gehadt dat ons schip in de brandt is geraeckt en wegh -ghespronghen.” En verhaeldent hem al van stuck tot stuck, hoe en -waerdoor dat het gheschiedt was, wat volck dat wy verlooren hadden, en -dat ick self met het schip opgevlogen was, doch door Godts genade met -noch een jonghman ghesalveert; en ben tot heden toe bewaert, de Heer -zij <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= -"pb73">73</a>]</span>gelooft. De Generael dit hoorende seyde: -„Wat helpt het; dat is een groot ongeluck.” Hy vraeghde nae -alle omstandigheden en wy seydent hem al, ghelijck alst gheschiedt was. -En hy seyde al: „Wat helpt het; dat is een groot -ongheluck.” Ten laetsten seyde hy: „Jonghen, brenght my de -gouden kop<a class="noteref" id="xd24e1521src" href="#xd24e1521" name= -"xd24e1521src">118</a> hier.” Hy liet daer Spaensche wijn in -schencken en seyde: „Geluck schipper, ick brengh u eens!<a class= -"noteref" id="xd24e1524src" href="#xd24e1524" name= -"xd24e1524src">119</a> Ghy meught dencken dat u leven verlooren is -gheweest, en dat het u van Godt almachtigh weder is gheschoncken; -blijft hier en eet aen mijn tafel, want ick ben van meningh te nacht te -vertrecken nae Bantem, nae de schepen, om eenighe ordre te stellen. -Blijft hier soo langh tot dat ick u ontbiede, of dat ick hier weder -koom.” Doe brocht hy ’t de coopman oock eens; hadden noch -verscheyden discoersen. Eyndelijck vertrock hy, en wy bleven daer en -aten aen sijn tafel, de tijt van acht dagen. Doen ontboot hy ons weder -by hem, voor Bantem, in ’t schip de Maeght van Dordrecht, daer wy -te vooren aen gheweest waren, en hy ontboot my eerst by hem en seyde: -„Schipper Bontekoe, ghy meught by provisie, tot naerder ordre, -gaen op ’t schip de Berger-Boot en nemen aldaer het schipperschap -waer, als ghy te vooren gedaen hebt.” Ick seyde: „Ick -bedancke mijn Heer Generael voor die gunst.”</p> -<p class="par">Twee of drie daghen daer nae ontboot hy de coopman Heyn -Rol en seyde: „Coopman, ghy meught by provisie, tot naerder -ordre, gaen op ’t schip de Berger-Boot en nemen aldaer het -coopmanschap waer, als ghy te vooren ghedaen hebt.” Doen waren wy -weder by malcander en hadden weder te commanderen.</p> -<p class="par">Het Berger-Boot was een kort schip met 32 stucken, en -leeck of ’t vol geschut lagh, meest twee lagen hoogh. Wy voeren -in ’t voorste van ’t jaer 1620 na Ternaten; hadden ons -schip met vleesch, speck en rijs gheladen, als oock veel amonitie van -oorlogh, om de forten aldaer te versien; waren met ons drie -<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name= -"pb74">74</a>]</span>schepen te weten: Het Berger-Boot, daer ick op -was, de Nephtunus en de Morghenstar; deden in passant Gresse<a class= -"noteref" id="xd24e1533src" href="#xd24e1533" name= -"xd24e1533src">120</a> aen. Een opper-koopman, Wolter Hudden van Rijga -in Lijflandt, die daer lagh, scheepten ons in menighte van koe-beesten, -hoenderen, gansen, arack, swarte suycker. Het voer voor de beesten was -rijs, die noch in de dop was, gelijck sy van ’t landt afghesneden -was, ghenaemt paedje. Staecken doe weder van Gresse af; voeren al by -’t landt langhs, voorby de Straet van Baly, om de hooghte te -krijghen, tot het landt van Soloor toe, want het Mouson was verloopen; -hoopten daerdoor te beter Ambony aen te seylen; doch voor ’t gat -van Soloor komende, quam den koopman van ’t fort aen ons boordt, -genaemt Raemburgh van Enckhuysen, die sijn residentie aldaer hadde, -ende seyde dat daer een vleckjen ontrent lagh, ghenaemt -Laritocken<a class="noteref" id="xd24e1536src" href="#xd24e1536" name= -"xd24e1536src">121</a>, waer uyt de Specken en Mostiesen<a class= -"noteref" id="xd24e1539src" href="#xd24e1539" name= -"xd24e1539src">122</a>, daer woonende, grooten afbreuck deden in onsen -handel, en dat het nu den rechten tijdt was (dewijl wy daer nu met ons -drien waren) om ’t voornoemde vleck af te loopen. Waer over wy -resolveerden het selfde te onderlegghen<a class="noteref" id= -"xd24e1542src" href="#xd24e1542" name="xd24e1542src">123</a>. Voeren -daer nae toe, verselschapt met eenighe Corrakorren en een groote -menighte van vaertuygh daer van ’t landt, die mede voeren om te -sien hoe ’t af soude loopen, doch quamen niet om te helpen. Wy -liepen onder ’t fort en ’t vleckjen, schooten daer dapper -in, en sy weer op ons. Onder ’t schieten landen wy ons volck, -maer die van de stadt deden 2 a 3 uytvallen en dreven de onse terugh, -soo datter omtrent 20 a 25 van ons volck bleven leggen, en noch veel -gequetst. Mosten daerom vertrecken, sonder yets uytgherecht te hebben. -Haelden ons water en namen ons afscheydt van den opper-coopman -Raemburgh en stelden onse koers N.O. aen, om boven het eylandt -Batamboer te seylen; kregen het in <span class="pagenum">[<a id="pb75" -href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>gesicht; lietent aen bag-boert -van ons leggen; stelden doen den koers Noort-Oost ten Noorden, om de -eylanden van Boero ende Blau te beseylen, de welcke wy mede aen -bag-boort lieten legghen. Liepen doe nae het eylandt Ambony, doch -konden het door verleydingh vande stroom niet beseylen; raeckten daer -beneden om, tusschen twee kleyne eylandekens deur, in eene in-wijck -genaemt Hieto, en Combello lagh daer teghen over, alwaer veel nagelen -vallen.</p> -<p class="par">Van Hieto kan men met een paert in korter tijt op Ambony -rijden. Wy vonden alhier 3 commandeurs, te weten: den governeur Houtman -van Alckmaer, den governeur ’t Lam van Hoorn, met den governeur -Speult. Het Lam hadde sijn residente op Maleyen, die governeur Speult -op Ambony, en Houtman worde gedestineert met ons te gaen nae Baets Jan; -alwaer wy quamen<a class="noteref" id="xd24e1550src" href="#xd24e1550" -name="xd24e1550src">124</a>. En na dat wy aldaer 4 a 5 dagen gelegen -hadden, namen wy ons afscheyt. Den opper-coopman worde van ’t -fort gelicht<a class="noteref" id="xd24e1553src" href="#xd24e1553" -name="xd24e1553src">125</a>, alsoo sijn tijdt ge-expireert was, en onse -coopman Heyn Rol worde in sijn plaets gestelt. Voeren voort aen alle -forten in de Moluckes en versagense met vleys, speck, rijs, oly, asijn -en andere behoeftigheyden. Lagen aen ’t eylandt Maleye (daer den -governeur Jan Dirckz. ’t Lam sijn residentie hadde) omtrent 3 -weecken; namen ons afscheyt van ’t Lam, voeren weder aen Baets -Jan, daer wy (als geseydt is) onse coopman Heyn Rol gelaten hadden, die -het commande van ’t fort hadde. Hy gaf ons omtrent 100 lasten -nagelen in.</p> -<p class="par">Hier nam ick mijn afscheydt van Heyn Rol, beyde met de -tranen over de wanghen; gingh ons beyde dapper ter herten, te meer -omdat wy soo veel ellenden en swarigheyden met malcanderen hadden -uytgestaen, als vooren verhaelt is. Sedert dese tijdt heb ick hem noyt -weer ghesien, dan heb verstaen dat hy eenighe tijdt hier nae op het -eylandt Maleyen gestorven en <span class="pagenum">[<a id="pb76" href= -"#pb76" name="pb76">76</a>]</span>begraven is. De Heere wees sijn ziele -genadigh, en de mijne als ick na kome.</p> -<p class="par">Staecken doe dwars over nae die Boggeronis, ofte Straet -van Boton toe<a class="noteref" id="xd24e1562src" href="#xd24e1562" -name="xd24e1562src">126</a>. Liepen de Boggerones deur, al dwars over, -om boven de gronden te seylen, recht op Java Minor ofte Cleyn Java -aen<a class="noteref" id="xd24e1565src" href="#xd24e1565" name= -"xd24e1565src">127</a>, en voort by ’t landt langhs nae Grisse. -Wy hadden den governeur Houtman in ’t schip by ons. Op Grisse -komende laden wy soo veel koe-beesten en hoenderen als wy berghen -konden, in ’t getal omtrent 90 beesten en 16 hondert hoenderen, -met eenige gansen en eynden. Gavense padje tot voer. Men kocht alhier -16 hoenderen voor een rejael van achten. Namen weder onse afscheyt van -den koopman Wolter Hudden en stelden onse kours langhs Java. Seylden -dicht by Japara langhs, doch en waren daer niet aen; vorderden onse -reyse en quamen geluckelijck voor Batavia.</p> -<p class="par">Spraecken daer wederom den Heer Generaal Coen van Hoorn. -Losten daer ons schip. Los wesende, worde ick met het selfde schip -gesonden nae Janbay<a class="noteref" id="xd24e1570src" href= -"#xd24e1570" name="xd24e1570src">128</a>, om daer een schip vol peper -van daen te halen. Deden in passant Palimbam aen. Brochten een schip -vol peper op Batavia.</p> -<p class="par">Doe sond den Generael my aende eylanden die tusschen -Bantem en Batavia dwars af legghen, om steen te halen, die daer op de -grondt leydt. Men gaf my 40 laskares<a class="noteref" id= -"xd24e1575src" href="#xd24e1575" name="xd24e1575src">129</a> mede, -diese duycken en op de gront vast maecken souden, ’t welck -ghedaen zijnde hijstense alsoo inde boot. ’t Zijn groote steenen, -diese op Batavia weten viercant te houwen, en maeckten daer de puncten -van ’t fort af. Die steen is heel wit, veel witter als hart-steen -in Hollandt. Het fort is meest van sulcke steen gebouwt, heel uyt het -water tot boven toe, een lust om te sien. Deden sulcke drie tochten om -steen. Doe quam het schip Groeningen uyt het Vaderlandt, daer schipper -op was Tobias Emden en koopman Signeur van Neck, die schout -<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= -"pb77">77</a>]</span>op Texel hadde gheweest. En door dien dat de -schipper en coopman niet en hadden konnen accorderen, wierden sy beyde, -door ordre van den Generael Coen en de Raden van dien, op ’t -Berger-boot gestelt, en ick op ’t schip Groeningen, met een -onder-koopman by my, genaemt Jan Claesz. van Amsterdam.</p> -<p class="par">Ick dede gheen quade ruylingh, want op ’t -Berger-boot was te eten noch te breecken (gelijck men seydt) en het -schip Groeningen was eerst uyt het Vaderlandt ghekomen, hadde van alles -ghenoegh. Ick wierde gedestineert daer mede te gaen na Janbay, weder om -peper, met twee kisten gheldt; souden Palimbam wederom in passant -aendoen, het welck wy deden en vonden aldaer een koopman van Alckmaer, -ghenaemt Hooghlandt. Setten hem een kist met gheldt by; vertrocken -voort nae Janbay. Daer lagh een koopman van Delft, genaemt Abraham van -der Dussen, dewelcke wy mede een kist met gheldt brochten. Laghen daer -langh op de reed’; de last worden ons met kleyne jachten aen -boort ghebrocht, nevens dat wy oock met onse boot alle daghen af en aen -voeren om peper uyt de revier te halen. Onse opper-stierman, Sipke van -Enchuysen, voer met de sloep heel op, by de koopman, ende vond het -jacht de Bruynvis by ’t dorp leggen, daer schipper op was Jaep -Maertsz. van Hoorn, en nae dat hy daer in ’s avondts goedt chier -ghemaeckt hadde, gingh ’s nachts op de hut legghen -slapen<a class="noteref" id="xd24e1582src" href="#xd24e1582" name= -"xd24e1582src">130</a> en rolde met de deecken om sijn lijf vande hut -af in ’t water en verdronck, om welcke tijdingh ick seer droevigh -was. Doen wy de last in hadden, namen ons afscheydt van Signeur van der -Dussen en vertrocken wederom nae Batavia; losten daer datelijck ons -schip; voer weder twee tochten om steen aen de voornoemde eylanden. Dat -ghedaen zijnde voer wederom nae Janbay om peper, op welcke tocht onse -koopman Jan Claessz storf; quamen alsoo weder voor Batavia.</p> -<p class="par">Met dese reysen, soo met het Berger-boot als met het -schip Groeningen, bracht ick ontrent 2 jaren door. Doe wierter goedt -<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name= -"pb78">78</a>]</span>gevonden, dat ick met het selfde schip nae China -soude gaen, in compagnie van noch seven schepen, onder den Commandeur -Cornelis Reyertsz. van der Gou, om, soo ’t mogelijck waer, Macou -te incorpereren<a class="noteref" id="xd24e1589src" href="#xd24e1589" -name="xd24e1589src">131</a>, of nae de Piscadores te gaen<a class= -"noteref" id="xd24e1592src" href="#xd24e1592" name= -"xd24e1592src">132</a>, en door alle bequame middelen, indien het -mogelijck waer, den handel met die van China te stabileren, ghelijck -dat breeder inde instructie was uytghedruckt, die den Heer Generael -Koen ons mede gaf. De Generaal hadde tot dien eynde op veel plaetsen -gheschreven, dat de schepen haer al by ons souden vervoeghen, op sulck -en sulcke plaetsen daer wy voorby passeren mosten. Onder anderen oock -nae de Maniella, nae den Commandeur Willem Jansz, die neffens eenighe -Enghelsche daer op een tocht was<a class="noteref" id="xd24e1595src" -href="#xd24e1595" name="xd24e1595src">133</a>; dat eenige van sijn -schepen haer by ons souden vervoegen, gelijck onderwegen oock -geschiede.</p> -<p class="par">Den 10. April, nae dat wy eenige tijdt voor Batavien -gelegen hadden, sijn wy met ons acht schepen t’ seyl gegaen; -stelden onse koers om de Straet van Balimbam door te loopen.</p> -<p class="par">Den 11. dito saghen wy het landt van Sumatra. Wy -vervielen hier Suydelijcker als wy gisten, waer over wy oordeelden, dat -de stroom de Straet van Sunda uyt-liep.</p> -<p class="par">Den 12. 13. 14. en 15. hadden wy variabel weer en windt; -passeerden het eylandt Lucipara.</p> -<p class="par">Den 16. en 17. dito quamen wy by ’t eylandt -Bancka. <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= -"pb79">79</a>]</span></p> -<p class="par">Den 18. ontmoeten ons het schip Nieu-Zeelandt komende -uyt Japon, met twee Portugesche jachten by hem, die van onse schepen -voor Malacca genomen waren; willende nae Batavia.</p> -<p class="par">Den 19. tot den 25. dito konden wy weynigh avanceren, -door dien wy meest de wint en stroom tegen hadden, soo dat wy het -dickwils mosten setten<a class="noteref" id="xd24e1612src" href= -"#xd24e1612" name="xd24e1612src">134</a>.</p> -<p class="par">Den 29. dito waren wy des middaeghs aen ’t -Noort-eynde vande Straet van Balimbam, en het eylandt Bancka was S.O. -van ons, ontrent een mijl; liepen Noorden aen, nae het eylandt -Polepon.</p> -<p class="par">Den 30. dito quamen wy aen ’t S. O.-eynde van -Polepon ten ancker op 12 vadem sandt-grondt. Het is hoogh landt.</p> -<p class="par">Den 1. Mayus laghen wy aende Westzijde van ’t -voornoemde eylandt ten ancker op 19 vadem steckgrondt<a class="noteref" -id="xd24e1621src" href="#xd24e1621" name="xd24e1621src">135</a>, tegen -over de Noordelijcste sant-bay, alwaer het vers water of water-plaets -een weynigh in ’t bos is, in een vlacke put of dal. Van ’t -Noort-eynde van ’t eylandt Bancka tot dit voorghenoemde eylandt -is de koers Noorden 19 mijlen<a class="noteref" id="xd24e1624src" href= -"#xd24e1624" name="xd24e1624src">136</a>.</p> -<p class="par">Den selfden dito sijn wy weder t’ seyl ghegaen; -stelden onse koers N.O. ende N.O. ten N. aen, om boven of beoosten het -eylandt Linga te seylen.</p> -<p class="par">Den 2. dito behouden 12 mijlen N.O. ten N. Des middaghs -was de Oost-hoeck van ’t eylandt Linga S.W. ten W. van ons, 4 -mijlen. Het is een seer hoogh landt aen de Noort-sijde. Van de -Westzijde van Poelepon tot de Oost-zijde ofte hoeck van Linga is de -koers N.N.O., wel soo Noordelijck 9 mijlen, diep 18, 19, 20 vadem.</p> -<p class="par">Den 3. dito was het eylandt Poelepaniang West en W. ten -S. van ons<a class="noteref" id="xd24e1634src" href="#xd24e1634" name= -"xd24e1634src">137</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb80" href= -"#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p> -<p class="par">Den 4. dito namen wy hooghte en bevonden 1 graed 48 -minuyten benoorden de Linie Equinoctiael. ’s Achter-middaeghs -saghen wy het eylandt Laur N.W. van ons, naer gissingh 8 mijlen, -hooghachtigh landt, doet hem op als een hoogen bergh, diep 35 -vadem.</p> -<p class="par">Den 6. dito was het eylandt Poele Timon W. van ons, -ontrent 6 mijlen, stelden onse koers N.N.O. nae ’t eylandt Poele -Candoor.</p> -<p class="par">Den 9. dito wierter geordonneert, dat wy met ons drie -schepen voor uyt souden loopen, nae het eylandt Poele Ceceer, te weten: -’t schip Groningen (daer ick op was), de Engelsche Beer en St. -Niclaes.</p> -<p class="par">Den 18. dito, ’s morghens, saghen wy het eylandt -Poele Candoor N.N.O. van ons, ontrent 9 mijlen; is hooghachtigh landt -met kleyne eylandtjes, meest legghende aende S.O.sijde van ’t -groote eylandt. De water-plaets is aende S.W.sijde. Van ’t -eilandt Poele Timon tot dit eylandt is de koers recht N.N.O., volghende -de kaerten; diep in ’t vaerwater: 35, 40, 50, 60 vadem, -weeckachtige grondt; maer als men Poele Candoor begint te naderen, soo -krijght men weder 30, 25, 20 vadem harde sant-grondt<a class="noteref" -id="xd24e1646src" href="#xd24e1646" name="xd24e1646src">138</a>. Des -avondts liepen wy dicht beoosten het eylandt om, ontrent een groot half -mijl van ’t Oostelijckste eylandeken; diep 18 en 20 vadem. Setten -onse koers N.O. aen, nae de kuste van Champey.</p> -<p class="par">Den 21. dito, ’s avondts, konden wy Poele Candoor -noch vande groote stengh sien.</p> -<p class="par">Den 22. dito sagen wy het landt van Champey. Doet hem op -oft eylanden waren, wesende ontrent 7 a 8 mijlen van ’t -landt.</p> -<p class="par">Den 24. dito saghen wy onse andere schepen wederom, -wesende op de hooghte van 10 graden 35 minuten; waren ontrent 1½ -mijl van ’t landt: is hier leeghachtigh<a class="noteref" id= -"xd24e1655src" href="#xd24e1655" name="xd24e1655src">139</a> voor-landt -met witte sant-strant, doch hoogh en heuvelachtigh binne-landt. Langhs -het landt heen 1, 2, 3 mijlen t’ zee; is diep 17, 16, 15, 14, 13 -vadem <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= -"pb81">81</a>]</span>sant-grondt<a class="noteref" id="xd24e1660src" -href="#xd24e1660" name="xd24e1660src">140</a>. Des avondts sijn wy -altesamen by malcanderen ten ancker gekomen op 15 vadem, tegen een punt -of hoeck, gheleghen op de hooghte van 10¾ graden, genaemt Caep -de Ceceer. Benoorden dese Caep heeft men een groote in-wijck<a class= -"noteref" id="xd24e1663src" href="#xd24e1663" name= -"xd24e1663src">141</a>, daer het voort by de zee-kant langhs duynigh -landt, met hoog binne-landt is. Het landt streckt hem van desen hoeck -N.O. ten O.</p> -<p class="par">Den 25. waren wy nevens het eylandeken met de -steen-klippen genaemt Poele Ceseer de Terre<a class="noteref" id= -"xd24e1668src" href="#xd24e1668" name="xd24e1668src">142</a>. Men siet -hier benoorden het landt een in-wijck tusschen het hoogh-landt, -ghelijck een revier. Het duynigh landt begint hier te eyndigen en men -krijght dan voort hoogh dubbelt landt, met dieper water van 30, 40 en -50 vadem.</p> -<p class="par">Den 26. dito quamen wy inde Malle Bay (by de inwoonders -genoemt de Bay van Panderan) ten ancker. Hier gingh onse opper-stierman -Abram Thijsz. van Vlissingen over op het schip St. Niclaes, -ghedestineert na de Mannieljes, om te sien of hy eenige schepen van -Willem Jansz. vloot kost vinden. Hier staen veel hooge klappes-boomen -aen de strand’ by de huysjes.</p> -<p class="par">Des anderen daeghs gingen wy met ons vier schepen -t’seyl nae een ander bay, genaemt Canberijn, ontrent 6 mijlen -verder; vonden hier water en hout ghenoegh, als oock verversinge in -abondantie. Kreghen ontrent 17 beesten en een goede parthy hoenderen; -maer een Speck<a class="noteref" id="xd24e1675src" href="#xd24e1675" -name="xd24e1675src">143</a> van ons overloopende by de inwoonders, -konden daernae geen verversinge meer krijgen.</p> -<p class="par">Den 4. Juny trock ick met de boot nae onse mackers in de -Bay Panderan, om haer van ons wedervaren rapport te doen, en quam den -6. dito wederom. Ondertusschen was het jacht St. Cruys by ons -gekomen<a class="noteref" id="xd24e1681src" href="#xd24e1681" name= -"xd24e1681src">144</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb82" href= -"#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p> -<p class="par">Des anderen daeghs gingen wy onder seyl; quamen by het -jacht de Haen, die een Japonsche jonck aengehaelt hadde<a class= -"noteref" id="xd24e1687src" href="#xd24e1687" name= -"xd24e1687src">145</a>, als oock by onse andere schepen.</p> -<p class="par">Den 10. dito sagen wy een kleyn eylandt onder de wal -leggen, van gedaente oft Cockx Broodt<a class="noteref" id= -"xd24e1692src" href="#xd24e1692" name="xd24e1692src">146</a> was onder -Engelandt.</p> -<p class="par">Den 20. dito, verscheyden eylanden in onse wegh gesien -hebbende, sagen twee seylen dicht onder de wal. ’s Avondts quamen -wy by de Manieljes-vaerders, de Hoop met de Bul, sijnde een Engelsman; -hielden den heelen nacht by.</p> -<p class="par">Den 22. dito quamen wy voor Macou, lieten ons ancker -vallen op 4 vadem weecke grondt; waren doe sterck 15 seylen, soo -schepen als jachten, daer onder 2 Engelsche schepen<a class="noteref" -id="xd24e1699src" href="#xd24e1699" name="xd24e1699src">147</a>.</p> -<p class="par">Wy monsterden ons volck; lieten haer optrecken<a class= -"noteref" id="xd24e1704src" href="#xd24e1704" name= -"xd24e1704src">148</a> rondom de mast, daer in sy onderrecht worden nae -krijghs-gebruyck. Desgelijcx deden sy op de andere schepen.</p> -<p class="par">Den 23. ’s middaeghs ginghen wy met ons drie -schepen, te weten Groningen, de Galias en de Engelse Beer, dicht onder -de stadt; lieten ons ancker vallen op 3 vadem diepte, met laegh water, -ontrent een gotelinghs schoot vande wal; schooten dien avont noch 5 -schooten daer in. Des nachts liepen wy met ons tween, te weten -Groningen en de Galias, tot op een groote muskets-schoot onder de -stadt, op 3 vadem, met half vloet, weecke grondt.</p> -<p class="par">Daer was goet gevonden, dat ick en onsen coopman -Bosschert van Delft<a class="noteref" id="xd24e1711src" href= -"#xd24e1711" name="xd24e1711src">149</a> met het volck aen landt souden -varen en te lande de stadt helpen bestormen; maer deze resolutie wierde -verandert, <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name= -"pb83">83</a>]</span>om het schip niet teffens van schipper en coopman -te ontblooten: dat ick soude t’scheep blijven en daer de saecken -waarnemen en onse Commandeur voer voor velt-overste aen landt.</p> -<p class="par">Des morghens, zijnde den 24. dito, soo drae den dagh -aenbrack, schoten wij met de gantsche laegh inde stadt dat het -rammelde, soo veel de stucken konden verdraghen. Weynigh tijdt daer nae -is den E. Heer Commandeur Cornelis Reyertsz. nae landt ghevaren, met -ontrent 600 weerbare mannen. Twee jachten liepen dicht by de wal, daer -den Commandeur lande, om oft<a class="noteref" id="xd24e1721src" href= -"#xd24e1721" name="xd24e1721src">150</a> de onse te quaedt viel, dat sy -haer retreyt daer aen souden konnen nemen; oock om de boots en kleyn -vaer-tuygh te beschermen. De Portugijsen hadden een borst-weer -opgeworpen, daer de onsen mosten landen, daer van sy eenige tegen-weer -deden, doch de onsen daer op aendringende namen sy de vlucht op de -hooghte, nae een clooster. De onsen aen landt wesende avanceerden -dapper op de Portugijsen, dewelcke verscheyden uytvallen op de onsen -deden, maer t’elckens met een groote couragie te rugh werden -gedreven. Eyndelijck raeckte door ongeluck de brant in eenige half -vaten kruyt, ’t welck de onse verlegen maeckte, want daer soo -drae geen ander kon gebracht worden, of de Portugijsen waren daervan -verwittight door eenige overloopers, sijnde Japoneesen. De onse van -voornemen sijnde om af te trecken, quamen de Portugijsen op dat -voorseyde rapport tot de onsen ingevallen, die door gebreck van kruyt -geen genoeghsame tegenstandt konden doen, en sloegen vele vande onse -doodt. De rest retireerde in groote confusie van ’t landt in de -booten en voeren nae boort. Wy bevonden in als<a class="noteref" id= -"xd24e1724src" href="#xd24e1724" name="xd24e1724src">151</a> verloren -te hebben 130 man; hadden ontrent oock soo veel gequetsten, onder -anderen den Commandeur Cornelis Reyertsz., die in ’t eerste soo -de onze landen souden door sijn buyck geschoten wierde, doch wierdt -door Godts hulpe weder genesen. <span class="pagenum">[<a id="pb84" -href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span></p> -<p class="par">Het volck weder scheep komende seylden wy af, ontrent -¾ van een mijl en haelden daer water aen een eylandt besuyden -Macou. Kreghen onse opper-stierman wederom, die te vooren van ons schip -was overgegaen.</p> -<p class="par">Den 27. vertrocken de twee Engelsche schepen met het -schip de Trou na Japon. ’t Schip de Hoop wert mede onder onse -vlagge gestelt.</p> -<p class="par">Den 28. dito is de Beer en St. Cruys nae het eylandt -Lemon gheseylt, en voort om de kust van China te besichtigen.</p> -<p class="par">Den 29. sijn wy voort altemael vertrocken nae de -Piscadoris, uytgesondert het schip de Hoop, ’t jacht St. Niclaes -en het kleyn jachtje Palicatten, die daer souden blijven tot in -’t laetste van Augustus, om te passen op de schepen die van -Malacca aldaer souden moghen komen.</p> -<p class="par">Den 30. passeerden wy Idelemo, of anders de Hasen Ooren; -liepen Oost en O. ten S. aen, om boven Poele of Peter Blancke te -loopen; doet hem van veers op als een groot schip of kraeck<a class= -"noteref" id="xd24e1739src" href="#xd24e1739" name= -"xd24e1739src">152</a>.</p> -<p class="par">Den 4. Julius sagen wy uyt de mars het -Suyd-Westelijckste eylandt van de Piscadoris.</p> -<p class="par">Den 6. dito is het schip de Beer weder by ons gekomen -vande kust van China; liepen met malcander buyten de eylanden om.</p> -<p class="par">Den 10. quamen wy ten ancker achter een vande eylanden; -deed’ hem op als een tafel, was wel een vande hooghste eylanden -vande Piscadoris. Saghen tusschen de eylanden door eenighe Chinese -visschers, doch liepen voor ons wegh.</p> -<p class="par">’S anderdaeghs lichten wy weer ons ancker en -liepen in een schoone besloten bey, op 8 a 9 vadem -steck-grondt<a class="noteref" id="xd24e1750src" href="#xd24e1750" -name="xd24e1750src">153</a>. Dit landt is vlack en steenigh, heeft geen -boomen om hout te hacken, is met langh gras bewossen, heeft redelijck -vers water, ’t welck men uyt putjes haelt; maer alst droogh weer -is, soo ist <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name= -"pb85">85</a>]</span>brackachtigh. Men vindt het in twee in-wijcken, -daer men met de schepen leydt, anders en heeft men hier geen -verversinge, most daer altemael gebracht worden, en alsoo ons dese -plaets was belast te houden tot een rende-voes<a class="noteref" id= -"xd24e1755src" href="#xd24e1755" name="xd24e1755src">154</a>, soo deden -wy op het eynd’ van Ilje Fromosa een haven aen, daer de Chinesen -eenigen handel hebben, Tayowan ghenaemt<a class="noteref" id= -"xd24e1758src" href="#xd24e1758" name="xd24e1758src">155</a>. Daer -haelden wy naderhandt met onse jachten veel verversinghe van daen, -leydt 13 mijlen vande Piscadoris, heeft niet meer als 11 voet water in -’t gat en is vry krom in te komen, soo datmen met groote schepen -daer niet in mach<a class="noteref" id="xd24e1761src" href="#xd24e1761" -name="xd24e1761src">156</a>.</p> -<p class="par">Den 19. gingen wy, te weten het schip Groningen en de -Beer onder seyl, om over nae de kust van China te loopen; ghemoeten het -jacht St. Cruys. ’s Anderendaeghs brack de Beer sijn focke-ree, -waer door wy ghenootsaeckt waren minder seyl te voeren, om by malcander -te blijven.</p> -<p class="par">Den 21. saghen het vaste landt van China; quamen voor de -vermaerde revier Chincheo<a class="noteref" id="xd24e1768src" href= -"#xd24e1768" name="xd24e1768src">157</a>. Dese revier is zeer kenbaer, -ghelijck Jan Huygen van Linschoten daer van schrijft<a class="noteref" -id="xd24e1771src" href="#xd24e1771" name="xd24e1771src">158</a>: op de -eene hoeck aen de N.O. sijde staen twee heuvelen, waer van de eene is -gelijck een pylaer van een kerck, en aen de S.W. sijde vande revier ist -leegh<a class="noteref" id="xd24e1774src" href="#xd24e1774" name= -"xd24e1774src">159</a>, duynigh landt, en weynigh binnen de -Suyd-Westhoeck sietmen een tooren of ten minsten die ghelijckenisse. -Souden daer aen de S.W. sijde onder een kleyn rondt eylandeken geloopen -hebben, maer door dien het schip de Beer die reed’ niet en kost -beseylen, mosten weder zee kiezen, want sijn ghebroocken ree was noch -niet ghemaeckt. Begon hart te waeyen, <span class="pagenum">[<a id= -"pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>soo dat ’s -anderdaeghs onse fock uytte lijck waeyde<a class="noteref" id= -"xd24e1779src" href="#xd24e1779" name="xd24e1779src">160</a>; hielden -doe af ende aen<a class="noteref" id="xd24e1783src" href="#xd24e1783" -name="xd24e1783src">161</a>, doch dreven geweldigh om de Noort.</p> -<p class="par">Den 25. saghen wy een seer hackeligh landt op de hooghte -van 27 graden 9 minuyten, ’t welck wy vermoeden, soo door -’t schrijven van Jan Huygen als uytwijsende de kaert, het eylandt -Lanquijn te wesen. Settent daer onder op 15 vadem; sagen veel Chinese -visschers, die omtrent 3, 4, 5, a 6 mijlen buyten landt hielden.</p> -<p class="par">Wy deden daghelijckx onse best om om de Zuyd te komen, -maer dreven ghestadigh om de Noordt, soo dat daer een harde stroom om -de Noordt schijnt te gaen.</p> -<p class="par">Den 27. kreghen wy een visscher aen ons boort, die ons -wat ghedrooghde vis verkocht.</p> -<p class="par">Den 9. Augustus bevonden wy ons by de eylanden van -China, die seer veel in ’t getal zijn. Liepen ten ancker op 15 -vadem; vermoeden ons, uytwijsende de kaert en bevonden breete, ontrent -de Caep de Somber te wesen, doch konden geen vaste kust noch caep sien. -Oordeelden daerom, dat de caep Noordelijcker leyt als de kaerten -aenwijsen.</p> -<p class="par">Den 11. lichten wy ons ancker en liepen onder het eylant -Lanquijn, leggende op 28½ graden benoorden den Equinoctiael, op -een tamelijcke rede aende Noort-zijde, die wy met de boot hadden -opgespeurt, om nae water en verversinge te soecken, doch bequamen geen -of weynigh van eetwaren, maer daer was goet water. Hier leggende quamen -daer eenighe Chinesen aen ons boort met haer ciampan<a class="noteref" -id="xd24e1797src" href="#xd24e1797" name="xd24e1797src">162</a>, die -ons voor elcke schip 5 korven witte suycker vereerden. Waren nae ons -vermoeden en soo veel wy uyt haer verstaen konden Chinese zee-roovers, -die op haer eygen natie vry-buyten. Des anderen daeghs haelden wy ons -water en gingen weder t’ seyl, doch met weynigh spoets. -<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name= -"pb87">87</a>]</span></p> -<p class="par">Den 18. dito quamen wy wederom ten ancker aen de -West-sijde van ’t selfde eylandt, op een beter rede als de -voorgaende; was een haven daermen meest voor alle winden beschut lagh. -Hier hielden de voornoemde zee-roovers haer haven-plaets, die ons -altemet eenige verversinge brachten, die sy van elders wisten te halen, -doch kon weynigh helpen voor ’t geheele scheepsvolck. Sy -presenteerden ons dickwils, soo wy met haer wilden seylen na de vaste -kust, dat sy onder ons mochten schuylen, sy wilden ons verversingh, ja -ladingh genoegh beschicken; dan wy vondent niet geraden. Sy setten -Prince-vlaggen op hare scheepkens en roofden onder de selfde op haer -eygen Natie.</p> -<p class="par">Wy ginghen weder onder seyl, om ons by onse andere -schepen te voegen in de Piscadoris, daer wy na veel variabel weder den -22. September quamen. Sagen ons volck daer doende om een fort of -sterckte op te werpen<a class="noteref" id="xd24e1805src" href= -"#xd24e1805" name="xd24e1805src">163</a>. Vonden daer oock twee schepen -met een jacht meer als wy daer gelaten hadden, die van Batavien sedert -aldaer ghekomen waren, te weten: het schip de Gouden Leeuw, de Sampson -en het jacht Sincke-Pure<a class="noteref" id="xd24e1808src" href= -"#xd24e1808" name="xd24e1808src">164</a>.</p> -<p class="par">Des ander daeghs sijnder twee jachten vande kust van -China gekomen, hebbende eene achter gelaten, dat op de voorschreven -kust gebleven was<a class="noteref" id="xd24e1813src" href="#xd24e1813" -name="xd24e1813src">165</a>, maer het volck en geschut hadden sy -geberght, waer in haer de Chinesen seer behulpigh hadden geweest. Dese -jachten waren uytgesonden om met de Chinesen vande handel te spreken, -de welcke haer met groote hoope wederom sonden en beloofden met een -ambassadeur by ons te sullen komen inde Piscadoris, om nader met -malcander te spreken; ’t welck sy den 29. dito deden. Quamen met -vyer joncken met haren ambassadeur, om met onsen commandeur en raet -over den handel te accorderen, maer en wiert niet<a class="noteref" id= -"xd24e1816src" href="#xd24e1816" name="xd24e1816src">166</a> -<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= -"pb88">88</a>]</span>uytgherecht; want in al wat sy beloofden en -hielden sy geen woordt, soeckende ons door die middel vande Piscadoris -te krijgen, ’t welck streedt tegen de ordre ons vanden Heer -Generael mede gegeven.</p> -<p class="par">Den 10. October is de Gouwe Leeuw t’seyl ghegaen -nae Janby.</p> -<p class="par">Den 18. dito sijn wy met ons acht seylen, drie schepen -en vijf jachten, gecommandeert te gaen nae de revier Chincheo en de -kust van China, om te sien of wy haer door vreese van onse vyantschap -en gewelt tot den handel mochten beweghen; doch quamen ontrent 10 -mijlen te laegh. Drie van onse schepen dwaelden van ons, bleven doe -noch met ons vijven, settent in een bay, daer wy door onse jachten wel -60 a 70 joncken, soo kleyn als groot, verbranden<a class="noteref" id= -"xd24e1825src" href="#xd24e1825" name="xd24e1825src">167</a>.</p> -<p class="par">Hier ghebeurden een sake verhalens waerdigh, want alsoo -ons volck doende was om twee joncken (die sy genomen hadden) aen ons -boort te brengen en door harde wint het mosten setten, by haer hebbende -den boot met onse sloep, soo sijn sy inde voor-nacht van haer anckers -ghespilt en dreven wegh, de eene inhebbende 23 van onse maets met twee -Chinesen. Het jacht Fictoria, dat by haer geset lagh om haer te helpen, -en kost door het harde weer en donckerheyt geen hulp doen. De eene -jonck wegh drijvende, begaven die uyt de ander jonck, die met haer -sessen waren, haer inde boot en staken de jonck in brandt, doch alsoo -sy met de boot qualijck seyl konden voeren en op een lager wal sijnde, -wierpen de dregh uyt. Maer ontrent twee uren voor de dregh gelegen -hebbende brack het dreggetou; dreven teghen de wal aen, in perijckel -van haer leven, te meer om dat haer lonten in ’t stranden waren -uytgeblust en uytgegaen, en niet als vyandt aan landt te verwachten -hadden; en om gewelt tegen te staen waren sy al te weynigh in ghetal, -wesende niet meer als 4 mannen en 2 jongens. Gaven daerom Godt de -saecke op en baden dat hem beliefde een ghenadighe <span class= -"pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span>uytkomst -te verlenen. Saten alsoo in grooten anghst en vreese inde boot en -verwachten den dagh. Stracx quamender een parthy Chinesen nae de boot. -Ons volck grepen de sabels inde vuyst en riepen en schreuden, als of sy -naer haer wilden toekomen. De Chinesen dat hoorende, die door de -duysterheydt des nachts niet en kosten zien, hoe sterck de onse waren, -keerden wederom en schenen van den verveerden verveert te wesen. De -onse namen dat voor een seker waer-teken, dat de huld<a class="noteref" -id="xd24e1832src" href="#xd24e1832" name="xd24e1832src">168</a> en -bescherminge Gods over haer was. Den dagh aenkomende resolveerden sy de -boot te verlaten (alsoo die voor haer onmogelijck was van ’t -landt te water te brenghen) met musketten op de hals, de sabels op zy, -om alsoo, waert mogelijck, te lande te reysen nae de revier van -Sammitju, daer onse twee jachten voor lagen. De 23 man, die met de -ander jonck waren wegh gedreven, wierden gevangen. Eenige jaren daer -nae is een van de 23 man te recht gekomen, soo ick verstaen heb. Doch -dese<a class="noteref" id="xd24e1835src" href="#xd24e1835" name= -"xd24e1835src">169</a> kosten noch jonck, noch tael noch teken van haer -stranden sien; sijn derhalven voort gemarceert.</p> -<p class="par">Een party Chinesen haer siende, quamen na haer toe en -stierden twee mannen voor uyt, om met de onsen te spreken; maer onse -maets betrouden haer niet, leyden de musketten op haer toe, als oftse -schieten wilden, waer door sy haer lieten passeren.</p> -<p class="par">Onder weegh een huysken vindende, daer een man met een -vrou in was, gingen daer in; staecken haer lonten op en maeckten haer -geweer (dat geheel onklaer was, doordat het nat geweest had’ in -’t landen met de boot) weder klaer. Hier kreghen sy oock te eten, -want desen man gaf haer wat rijs; hem bedanckt hebbende, spoeden haer -wegh. In ’t gaen saghen sy wel 6 of 7 Chinesen doodt leggen op -strant, ten proye voor de honden en vogelen, die vande onsen waren -doodt gesmeten<a class="noteref" id="xd24e1842src" href="#xd24e1842" -name="xd24e1842src">170</a>. Hier uyt <span class="pagenum">[<a id= -"pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>hadden sy licht af te -nemen, wat men haer doen sou, soo se ghekreghen worden; resolveerden -daerom haer soo langh te weren als sy een sabel inde vuyst souden -konnen voeren.</p> -<p class="par">Haer ghemoeten daer nae een groote menighte Chinesen, -meenen wel van 2 hondert, die altemael voor haer vluchten. Des -achtermiddaeghs quamen sy by onse jachten; schoten met haer musketten -een deel schoten om ghehoort en ghehaelt te worden van die inde -jachten. Maer door dat schieten quamender wel 7 a 8 hondert Chinesen -(naer haer gissingh) op de been, uyt een groot by-gelegen dorp; ginghen -nae onse maets toe, ghemonteert met messen en piecken. De onse die niet -als de doodt (soo ’t scheen) te verwachten hadden, schoten -eenighe schoten tot haer in. Sy siende dat de onze gheresolveert waren -al vechtende te sterven, liepen te rugh; eenige bleven van verre staen -en wierpen met steenen; ’t scheen, dat sy niet veel schieten -moeten ghehoort hebben, want sy warender geweldigh verveert voor, -seyden de maets. Boden eyndelijck de onse alle vriendtschap aen; nooden -haer in haer dorp.</p> -<p class="par">In ’t dorp komende stonden wel duysent Chinesen, -nae gissingh, en sagen haer met verwonderinghe aen; schenen haer leven -geen Hollanders gesien te hebben. Brachten ons volck in haer tempel; -gaven haer daer te eten en te drincken, en wat toeback. De onse gingen -by malcander sitten, haer geweer gestadigh gereet houdende, want sy -niemandt vertrouden, vreesende dat sy haer overvallen souden. Hier -sittende is haer lont verbrandt; scheurden stucken van haer hembden, -dat drayende tot een lont, soo sy best konden. Trocken doe weer uyt het -dorp, haer bedanckende vande ontfanghene weldaedt; waren blijde dat sy -daer soo geluckigh waren uytghekomen en dat niemandt haer naevolghde; -want sy hadden geen vier schoten kruyt meer in haer bandeliers.</p> -<p class="par">Quamen op strant, vonden een scampan<a class="noteref" -id="xd24e1854src" href="#xd24e1854" name="xd24e1854src">171</a>, setten -het vande wal. In ’t water komende ist terstondt gesoncken, soo -leck wast. <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name= -"pb91">91</a>]</span>Gingen doe in een visschers-huys, daer eenige haer -tot slapen leyden, maer de andere en kosten of durfden niet slapen, -alsoo sy des nachts een party Chinesen om het huys hoorden. Des morgens -maeckten sy twee vlotjes van ’t geen sy best vonden; voeren daer -mede nae de jachten, die terstondt t’seyl gingen, soo dat het -niet langer diende geduert te hebben, of hadden daer licht moeten -blijven. Soo datmen aen dese gheschiedenisse gants klaer kan speuren, -wat den mensch al voor perijckel kan door komen, als des Heeren -bewaringe ghenadelijck medewerckt; want sonder dat wast schier -miraeckel, dat soo weynigh volck uyt der Chinesen handen sijn ontkomen, -daer sy haer vyanden waren.</p> -<p class="par">Den 2. November is het jacht St. Niclaes gheseylt nae de -plaets daer de boot op strand lagh, die vande Chinesen gans gheplundert -was, van seyl, mast, swaerden, roer, twee steen-stucken<a class= -"noteref" id="xd24e1861src" href="#xd24e1861" name= -"xd24e1861src">172</a> en de yseren schijf voor uyt de steven. Setten -hem te water en brachten 10 bocken en 3 a 4 verckens tot -revensie<a class="noteref" id="xd24e1867src" href="#xd24e1867" name= -"xd24e1867src">173</a> mede, en quamen soo met de boot aen boort.</p> -<p class="par">Den 4. dito nam de boot van de Beer twee joncken met 25 -mannen, staken de joncken inde brandt; het volck brachten sy aen -’t jacht St. Niclaes.</p> -<p class="par">Den 9. November is onse opper-stierman ghestorven aen -’t water, begroeven hem op een eylandt op de hooghte van 23 -graden.</p> -<p class="par">Den selfden dito is de boot vande Beer nae een deel -joncken gevaren, maer begost soo hard te waeyen, dat de voorschreven -boot met achtien man, daer onder de schipper Jan Jansz. wegh dreef, tot -groote droefheydt van ons alle. Sonden het jacht Fictoria om nae haer -te soecken, dan deden niet op. Hadden <span class="pagenum">[<a id= -"pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>hier legghende met onse -twee schepen 40 mannen van het beste bevaren volck verlooren, ’t -welck ons dapper smarte.</p> -<p class="par">Den 25. dito quamen wy te samen voor de reviere -Chincheu. Setten ’t onder een eylandt by een dorp, daer de -inwoonders uyt vluchten. Bequamen daer ontrent 40 beesten, daer onder -eenighe verckens; oock een parthy hoenderen, het welck ons wel quam tot -verversingh, alsoo veel van ons volck sieck en aan ’t water -laghen, die haer hier mede heel verquickten.</p> -<p class="par">Sonden drie jachten de revier in, die ’t by een -dorp setten, daer sy landen en dapper teghen de Chinesen -schermutseerden. De Chinesen maeckten 9 joncken aen malcander vast en -stakense inde brandt en lieten die nae onse jachten toe drijven, van -meninge om die inde brandt te krijgen; dan dreven mis. Wy met ons twee -schepen quamen den 28. dito by haer, schooten met ons grof gheschut op -een plaetse, daer van sy met seven bassen<a class="noteref" id= -"xd24e1882src" href="#xd24e1882" name="xd24e1882src">174</a> op het -volck vande jachten gheschooten hadden, die wacker stant tegen haer -hielden, hoewel die maer 50 in ’t getal waren, daer sy eenighe -duysenden sterck waren. Droeghen haer bassen wegh, een stuck weeghs van -haer dorp. De onse staecken 4 joncken voor haer dorp inde brandt en -quamen ’s avondts weder aen boort.</p> -<p class="par">Den 29. dito quam een Chinees overloopen, doch scheen -half geck te wesen. Wy lichten ons ancker en liepen voor een stadt; -schooten daer in, en sy weer met bassen op ons; raeckten ons tweemael. -Staken een jonck inde brandt. De Beer met een jacht liepen aen de -andere sijd’ van ’t eylandt; sagen daer twee groote dorpen, -daer neven het eene twee groote joncken op stapel stonden. Resolveerden -om dat af te loopen; ’t welck wy den 30. dito onderleyden, met -ontrent 70 musquetiers.</p> -<p class="par">De inwoonders waren altemael ghevlucht op een seecker -fort; wy vervolghden haer tot onder ’t fort. Sy deden twee -uytvallen, met sulcken afgrijsselijck gheroep en gheschreu, als of de -werelt <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= -"pb93">93</a>]</span>vergingh; quamen lustigh op ons aen en wy niet -willende wijcken sloeghen malcander met de sabels om de ooren. Maer als -wy met onse musquetten een deel vande haren onder de voet gheschoten -hadden, sijn sy geretireert en stelden ’t op ’t loopen. Sy -hadden onse sarjant en de seylemaecker van de Beer onder de voet; ten -waer wy haer ontset hadden, sy hadden doodt geweest. De sarjant hadden -sy de bandelier van ’t lijf gehouwen. Dreven haer al doodtslaende -weder in haer fort. Wy verlooren een man, sijnde de barbier vande Beer, -doch weten niet of hy doodt gheslagen of ghevangen is geworden. Wy -staecken de twee joncken als oock haer gantsche dorp inde brandt; -quamen alsoo ’s avondts weder aen boort, met goeden buyt van -verckens, bocken, hoenderen en andere plunderaedje, van huysraedt en -andere saecken. De beesten bereyden wy des nachts, om ’s anderen -daeghs onse hart (voor dese moeyelijcke landt-tocht) weder eens op te -halen.</p> -<p class="par">Den 2. December voeren wy weder nae landt, plunderden -noch een ander dorp uyt, en staecken ’t alst voorgaende mede in -brandt. Wy kreghen hier een-en-twintigh canassers ghetweernde sijde uyt -een pack-huys, en brachten het nevens de andere buyt weder aen -boort<a class="noteref" id="xd24e1894src" href="#xd24e1894" name= -"xd24e1894src">175</a>.</p> -<p class="par">Des anderen daeghs seylden wy nae een ander eylandt, -daer een groote tooren op staet. Vonden daer gheen volck op; settent -met hoogh water op vijf-te-half vadem, en inde voor-nacht met het lage -water saten wy vast: ’t scheen dat hier een gheweldige stroom in -ende uyt gaet. Inde selfde nacht met de vloet sonden de Chinesen twee -brandende joncken op ons af, die dicht by de Beer (die boven ons gheset -lagh) langhs dreven. De eene scheen <span class="pagenum">[<a id="pb94" -href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>of hy ons recht voor de boegh -soude komen, waer door een groote verbaestheyt<a class="noteref" id= -"xd24e1901src" href="#xd24e1901" name="xd24e1901src">176</a> in ons -schip ontstondt. Wy stonden met alleman boven, en den een sey dit, den -ander dat. Doch ick my versekerende, dat hy mis soude drijven, maeckten -soo groote swarigheydt niet. De coopman Nieuwenroode by my staende -seyde: „Schipper, laet het tou af houwen”. Ick onderrechte -hem, dat het niet gheraden was het tou af te houwen, terwijl wy op de -wal lagen, en nootsaeckelijck het schip souden moeten verliesen, en dat -de jonck ons niet begaen kon. Maer den jonck ons naderende, die nae des -coopmans oordeel niet mis en kond, riep hy: „Hou af het tou! Hou -af het tou!” Ick daer-en-teghen riep: „Hou niet af! want -hou jy het tou af, soo sijn wy het schip quijt! ’t Is mis! hou -niet!” Doe de coopman sagh dat de maets, die alreede een hou in -’t tou hadden ghegheven, ophielden en my hierin ghehoor gaven, -riep hy teghen my (meenende dat de jonck alsoo goedt als aen boord -was): „Schipper Bontekoe, sie daer, dats u schuldt; dat sal ick -op u verhalen!” Doch ick al bevreest wesende, dat de maets het -tou souden afhouden, riep al: „’t Is mis! ’t is mis! -hou niet! hou niet!” ’t Welck oock waer was, want dreef -noch soo verre mis dat hy onse groote ree, die in ’t cruys -stondt<a class="noteref" id="xd24e1904src" href="#xd24e1904" name= -"xd24e1904src">177</a>, noch mis dreef, hoewel sijn mast veel hoogher -was als onse ree. Alleen onse scampan, die wy achter aen hadden -legghen, raeckte inde brandt, die wy doe drijven lieten, soo dat het -oock niet veel nader diende; stondt gheweldigh ysselijck<a class= -"noteref" id="xd24e1907src" href="#xd24e1907" name= -"xd24e1907src">178</a>, want het branden soo gheweldigh of het vol -swavel gheweest was en soude met ons wel haest korte mijlen (als men -seydt) ghemaeckt hebben<a class="noteref" id="xd24e1910src" href= -"#xd24e1910" name="xd24e1910src">179</a>. Ick hadde het roer van -’t eene boort aen ’t ander laten legghen, waer door het -schip een gier maeckten<a class="noteref" id="xd24e1914src" href= -"#xd24e1914" name="xd24e1914src">180</a>, <span class="pagenum">[<a id= -"pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>’t welck (naest -Godt) de eenighste oorsaecke was van ’t misdrijven.</p> -<p class="par">Den 4. dito lichten wy ons ancker en liepen nae het -eylandt voor inde mondt vande revier, daer wy de 40 beesten van -ghehaelt hadden, als voor verhaelt is. Haelden daer water en gingen den -7. dito van daer t’seyl, om weder over nae de Piscadoris te -loopen. Mits water sijnde<a class="noteref" id="xd24e1921src" href= -"#xd24e1921" name="xd24e1921src">181</a> waeyde ons voor-marsseyl wegh; -setten het ’s anderen daeghs (door dien wy door ’t hard -weer geen seyl en kosten gebruycken, om ’t gat daer wy recht voor -waren in te loopen) onder het naeste eylandt, dat bewesten het gat -leyt, op 15 vadem.</p> -<p class="par">Den 9. dito sijn wy van ons ancker gespilt; lieten een -ander toegaen, welck tou, na vier uur leggens, oock brack. Dreven doe -vande eylanden af, en dat met een harde storm uytten N.O. en N.N.O.</p> -<p class="par">Den 10. dito wierdt ons schip soo leck, dat wy met twee -pompen soo veel te doen hadden als wy konden om boven te houden; hadden -wel seven voeten water in ’t schip en onse achterste pomp was -staegh onklaer. Wy hadden achter inde kamer een party paedje, en een -gat inde kamer raeckende liep de paedje daer door by de pomp, ’t -welck onse pomp, als gheseydt, bynae onbruyckbaer maeckten. Waren -derhalven gedrongen om de paedje overboort te werpen, want wy vreesden -dat sy al de lock-gaten<a class="noteref" id="xd24e1928src" href= -"#xd24e1928" name="xd24e1928src">182</a> verstoppen en onklaer maken -sou.</p> -<p class="par">Den 13. en 14. is het vaerbaer weer geworden; bevonden -ons dicht onder de kust van China; quamen daer by het schip Haerlem, -daer mijn broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe schipper op was, dat mede -garen aende Piscadoris hadde gheweest, en was door dese voorgaende -storm oock verdreven; quam van Japon. Wy hielden met malcander wel vier -dagen by, maer dreven <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" -name="pb96">96</a>]</span>meer overstuer als wy wonnen<a class= -"noteref" id="xd24e1935src" href="#xd24e1935" name= -"xd24e1935src">183</a>; liepen daerom met malcander te ree aen de kust -van China.</p> -<p class="par">De 20. nam het schip Haerlem wel 7 scampannen, daer in -36 Chinesen met 3 joncken, die met sout, gesouten vis en anders geladen -waren. Den selfden dito wierde goet ghevonden, dat wy de ladingh, die -het schip Haerlem uyt Japon ghebracht had, souden overnemen, om dat het -schip Haerlem swack en soo ghestelt was, dat het niet langher dorst uyt -blijven en nootsakelijck verdubbelt most<a class="noteref" id= -"xd24e1940src" href="#xd24e1940" name="xd24e1940src">184</a>, en daer -en teghen ons schip noch sterck en goedt. Waren oock weder -dicht<a class="noteref" id="xd24e1943src" href="#xd24e1943" name= -"xd24e1943src">185</a>. Ruymden daerom ons schip op en begosten des -anderen daeghs te laden. Doe quamen daer twee Chinesen van landt met -een scampantjen aen ’t schip Haerlem; brachten een deel appelen, -hoenderen en verckens aen boort, voor welcke daet sy hem sijn jonck -weer gaven. Haelden hier voort ons water; maeckten ons weder klaer om -t’seyl te gaen; leyden een wangh<a class="noteref" id= -"xd24e1946src" href="#xd24e1946" name="xd24e1946src">186</a> op onse -focke-mast en ree.</p> -<p class="par">Den eersten Januarij [1623] wierter goedt ghevonden, dat -den opper-stierman Jan Gerritsz. de Naeyer met ontrent tsestigh -persoonen van ’t schip Haerlem op ons schip souden komen. En onse -onder-stierman Geleyn Cornelisz. is, nevens andere, weder overgegaen op -’t schip Haerlem, om alsoo nae Batavia en voort nae ’t -Vaderlandt te gaan. De coop-luyden waren ten dien eynde besich om -brieven te schrijven, de eene nae Batavia en de ander nae de -Piscadoris.</p> -<p class="par">Wij setten wel 84 Chinesen over aen ’t schip -Haerlem, dat den 4. dito van ons t’seyl gingh nae Batavia. Des -nachts haelden <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name= -"pb97">97</a>]</span>de Chinesen een jonck dicht by ons schip van daen, -hoewel wy na haer schooten; ginghender evenwel mee deur; wy hadden -gheen sloep om haer nae te jagen.</p> -<p class="par">Den 5. dito quamen de Chinesen om en by ons visschen. -’t Scheen dat sy wisten, dat wy gheen sloep hadden, daer onse -timmer-luy daghelijckx mee besich waren om een te maecken. Wy hadden -een half sleten seyl van ’t schip Haerlem gekregen; daer af -maeckten wy tot de schuyt<a class="noteref" id="xd24e1957src" href= -"#xd24e1957" name="xd24e1957src">187</a> en ons schip wat ons noodigh -docht. Hielden des nachts goede wacht; vreesden voor branders, die de -Chinesen ons souden konnen toestueren.</p> -<p class="par">Den 7. dito ginghen wy t’seyl om zee te kiesen; -maer door contrarie-wint mosten weder te rugh. Liepen op onse oude ree; -namen in ’t seylen een jonck, daer wy die kabels nevens ander -tou-werck uyt kregen, en staken de jonck inde brandt. Het volck wasser -uytgevlucht; welck tou-werck ons heel wel te pas quam.</p> -<p class="par">Den 9. en 10. dito kregen wy onse schuyts seyl, mast, -sweerden en ander tuygh weder klaer; bleven noch al door onbequame wint -leggen.</p> -<p class="par">Den 11. dito sagen wy tegen den avondt twee joncken -onder wal. De coopman wilde dat men met de boot daer nae toe soude -varen, maer het docht my ongheraden, omdat het tegen den avondt was en -gantsch leelijck weer, en stondt gheschapen noch harder te sullen -waeyen, want sacher gans onweerigh uyt. Oock seyde ick, dat men het -volck soo licht niet behoorde te waghen; bleef daerom achter<a class= -"noteref" id="xd24e1967src" href="#xd24e1967" name= -"xd24e1967src">188</a>. Begon teghen de nacht oock soo te waeyen, dat -wy blijd’ waren dat de boot aen boort was gebleven.</p> -<p class="par">Des anderen daeghs, ’s morghens, sijn wy met de -boot nae een jonck gevaren, die de bay oplaveerde; doch eer wy daer by -waren quamen vier oorlooghs-joncken hem te hulp, die geweldigh na ons -schooten, en alsoo ’t dicht aen landt was, daer wel <span class= -"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>duysent -menschen, soo ’t scheen, op strand stonden met geweer, mosten hem -verlaten en voeren weer nae boort.</p> -<p class="par">Den 14. dito ’s nachts, inde eerste wacht, ben ick -met de boot nae een ander jonck ghevaren, die haer te weer stelden; -schooten wel twee glasen teghen ons<a class="noteref" id="xd24e1976src" -href="#xd24e1976" name="xd24e1976src">189</a>, en alsoo wy te verd van -’t schip dwaelden en weynigh aparentie was haer te krijghen, -quamen wy inde dagh-wacht weder aen boort<a class="noteref" id= -"xd24e1979src" href="#xd24e1979" name="xd24e1979src">190</a>.</p> -<p class="par">Den 15. dito was de stierman met de boot weer by een -jonck, die van Teysing quam<a class="noteref" id="xd24e1995src" href= -"#xd24e1995" name="xd24e1995src">191</a>, daer sy heftigh tegen doende -waren, maer mosten hem verlaten. Hadden drie gequetsten, daer onder een -gants dootelijck, want was met fenijnigh geweer doorschooten.</p> -<p class="par">Den 18. dito ben ick met de boot ghevaren nae vijf -joncken; eene gingh sijn gangh en de ander vier korten malcander op -zy<a class="noteref" id="xd24e2003src" href="#xd24e2003" name= -"xd24e2003src">192</a> en stelden haer schrap met schilden, swaerden, -pijlen en bassen, want ’t waren oorlooghs-joncken; soo dat wy nae -een kleyn ghevecht wederom keerden. De joncken peurden ons nae<a class= -"noteref" id="xd24e2006src" href="#xd24e2006" name= -"xd24e2006src">193</a>. Ons volck in ’t schip dit siende en -vresende dat sy de boot souden aentasten, maeckten de twee -achterstucken klaer, om nae haer te <span class="pagenum">[<a id="pb99" -href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>schieten, want het was dicht by -’t schip; wy waren geen duysent treden van ’t schip af. Wy -gijden het seyl op<a class="noteref" id="xd24e2011src" href= -"#xd24e2011" name="xd24e2011src">194</a> en streken de de fock neer en -roeyden vlack inde wint op. Sy inde joncken dit siende keerden van ons -af. ’s Avondts quamen wy weer aen boort en gingen den selfden -nacht noch onder seyl; hadden de wint N.W.</p> -<p class="par">Den 19. dito, ’s morghens, waren wy ontrent een -mijl buyten de wal, of vande hoeck van Teysing; hadden Peter Blanca S. -O. van ons ontrent 5 mijlen, ’t welck leyt op de hooghte van 22 -graden 20 minuyten; seylden langhs de wal. Op den selfden dagh kreghen -ons volck rantsoen: een flap-kan water daeghs.</p> -<p class="par">Den 20. dito liepen door contrarie-wint met de -sonnen-ondergangh weder ten ancker op 17 vadem, ontrent 6 mijl buyten -lant, N. ten O. van Catsje, alsoo wy gheen vordel saghen te doen met -seylen. Hier brack ons tou stucken<a class="noteref" id="xd24e2018src" -href="#xd24e2018" name="xd24e2018src">195</a>, mosten daerom de seylen -daer weer bysetten, doch quamen door hard weer des anderen daeghs weder -te reed’ ontrent 8 mijlen beoosten Teysing.</p> -<p class="par">Den 22. sonden wy de boot uyt, bet nae landt -toe<a class="noteref" id="xd24e2023src" href="#xd24e2023" name= -"xd24e2023src">196</a>, om te vernemen<a class="noteref" id= -"xd24e2026src" href="#xd24e2026" name="xd24e2026src">197</a> ofter geen -beter reed was te vinden; seylden op haer rapoort tot ontrent een half -kartous schoot vande wal, op een goede rede.</p> -<p class="par">Den 23. ’s morghens, noch al contrarie-wint uytten -N.O. met koel weer.</p> -<p class="par">Den 24. dito storf die persoon, die 9 dagen te vooren -soo deerlijck gequetst was; was genaemt Hendrick Bruys van Bremen.</p> -<p class="par">Den 25. dito kregen onse timmerluy de sloep meest -klaer.</p> -<p class="par">Den 27. dito is onse coopman Nieuwenroode met de sloep -en boot na landt gevaren, om te sien of wy geen water souden konnen -krijgen, dan en dee niet op. Sagen eenighe joncken in <span class= -"pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>de -revier leggen, daer wy ’s achtermiddaeghs een cherge met -musquetten tegen hadden; maer sy schooten met bassen en ginghen onder -seyl, soo dat wy vruchteloos wederom quamen.</p> -<p class="par">Den 28. nam onse stierman een kleyn jonckjen met -ghedrooghde en gesouten vis geladen, met acht Chinesen, die het -datelijck op gaven.</p> -<p class="par">Den 29 en 30. dito hebben wy verscheyden tochten soo nae -joncken als visschers gedaen, maer niet bekomen als een visscher met -vijf man, en water gesocht, ’t welck ick den 31. dito vont, dat -heel goet was en gemackelijck om halen<span class="corr" id="xd24e2044" -title="Bron: ,">.</span></p> -<p class="par">De navolghende daghen tot den 7. Februarij haelden wy -ons water; was alle daghen lelijck variabel weer en contrarie-wint om -onse reys te vervorderen.</p> -<p class="par">Den 8. dito voeren wy met boot en sloep nae landt met 27 -musketiers om een landt-tocht te doen. Quamen in een dorp, daer het -volck uytgevlucht was; marcheerden een weynigh lantwaert in; vonden een -troep buffels, daer wyder 17 van t’ scheep brochten met 4 -verckens en ettelijcke hoenderen. Was alle dagen lelijck weer.</p> -<p class="par">Den 10. dito is de coopman Nieuwenroode met schuyt en -boot weder aen lant gevaren, met 25 musketiers; trocken landtwaert in; -quamen in twee dorpen, daer het volck alle uytgevlucht was; staken -beyde dorpen inde brandt, en quamen weer aen boort.</p> -<p class="par">Den 11. dito is onse eene jonckjen omgevallen en -gesoncken; doch de mast (die 14 palmen dick en 59 voeten langh was) -kregen wyder noch uyt. Onse boot voer weder nae landt om stroo voor de -buffels te halen.</p> -<p class="par">Den 12. deden wy weer een landt-tocht, met 50 gewapende -mannen. Liepen twee dorpen af; saghen eenige buffels, maer kosten die -niet vangen; kregen eenige sacken met loock en uyen, en quamen, nadat -sy wel twee mijlen in ’t landt geweest hadden, weer aen -boort.</p> -<p class="par">Den 15. dito is onse opper-stierman inde boeyen gheset, -om <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name= -"pb101">101</a>]</span>datter brant in sijn kamertje geweest -was<a class="noteref" id="xd24e2061src" href="#xd24e2061" name= -"xd24e2061src">198</a>, doch wierder ’s avonts weder uytgelaten. -Onse timmerluy maeckten een wangh op onse groote mast.</p> -<p class="par">Den 18. setten wy een man over boort, die de voorgaende -nacht ghestorven was. Wy deden meest alle dagen tochten, soo met ons -jonckjen, schuyt als boot, nae visschers en joncken, maer konden niet -bekomen. Was meest alle dagen kout lelijck weer.</p> -<p class="par">Den 20. dito namen wy een jonck met 14 Chinesen. Seyden -ons, dat sy uyt de revier Chinchieu quamen, als oock dat den Heer -Commandeur Cornelis Reyersz. met die van Chinchieu verdragen -was<a class="noteref" id="xd24e2069src" href="#xd24e2069" name= -"xd24e2069src">199</a>; doch namen hem evenwel mee en losten sijn waren -in ons schip. Verstelden met wangen en anders onse masten en -boeghspriet.</p> -<p class="par">Den 10. Meert deden noch alle dagen, alst weer was, een -tocht om water. Op desen dagh wierde uyt ons schip een vogel (soo hy -inde lucht vloogh) geschooten.</p> -<p class="par">Den 14. dito voeren wy meest met alleman aen lant, -haelden onse boot op ’t strandt om hem te calfaeten en schoon te -maecken; quamen des avondts wederom.</p> -<p class="par">Den 17. dito sterf een vande boots-gesellen, genaemt -Claes Cornelisz van Middelburgh.</p> -<p class="par">Den 18. dito onghestadigh weer, met donder, blicxsem en -regen. Des nachts sterf de onder-stierman, Jan Gerritsz. Brouwer van -Haerlem, die ontrent vijf-te-half weeck gheleden onder-stierman -gemaeckt was.</p> -<p class="par">Den 20. dito, des nachts, sprongender drie Chinesen -overboort; meenden met de boot door te gaen, maer alsoo de wacht het -het gewaer worden, kregen de eene weder, maer de ander twee -verdroncken.</p> -<p class="par">Den 30. dito kregen wy twee joncken met een visscher met -27 man. <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= -"pb102">102</a>]</span></p> -<p class="par">Den 2. April setten wy twee Chinesen aen landt, die ons -beloofden verversingh te brenghen voor haer rantsoen<a class="noteref" -id="xd24e2087src" href="#xd24e2087" name="xd24e2087src">200</a>: den -eene was ghequetst en den ander heel oudt.</p> -<p class="par">Die 5. dito sagen wy twee Chinesen in onse hout-jonck -staen en riepen datmen haer aen boort halen sou. Sonden onse scampan na -haer toe; bevonden dat de eene een vande selfde was, die wy op den 2. -deses aen landt hadden geset. Sy waren ’s nachts van andere -Chinesen aen onse hout-jonck gebrocht; brachten met haer hoenders, -eyjeren, een vercken, sitroenen, appelen, suycker-riet en toeback, van -elcx wat; tot danckbaerheydt van hare gheschoncken vryheydt. Voorwaer -een groote deught, beschamende veele Christenen, die als sy uyt de knip -zijn, dicwils weynigh om haer beloften dencken.</p> -<p class="par">Den 6. dito resolveerden wy de eene jonck te sloopen, -het hout daervan in de ander te laden, en die mee na de Piscadoris te -nemen, alsoo sy daer wel brant-hout van doen hadden.</p> -<p class="par">Den 7. setten wy de voorsz. twee Chinesen weder aen -landt.</p> -<p class="par">Den 8. dito quammer een prautjen met twee andere -Chinesen aen ons schip en brachten ons (als de voorgaende) eenighe -ververschingh, als appelen, eyeren, eenighe potten met arack, waer voor -wy haer beloofden twee mannen te sullen vry geven, eene die ghequetst -was en een ander, op voorwaerde dat sy ons meer ververschinge souden -brenghen. Gaven haer oock 25 rejalen aen gelt, om daer verckens voor te -brenghen, en lietense daer op nae landt toe varen. Des nachts is onse -jonck (daer wy mede doende waren te sloopen) gesoncken.</p> -<p class="par">Den 9. en 10. dito haelden wy water, soo voor de jonck -als ons schip, en setten 17 man van ons volck op de jonck om met -malcander na de Piscadoris te seylen, soo drae het wint en weer -was.</p> -<p class="par">Den 11. dito quamen de laetste twee Chinesen weder van -landt met haer brengende 5 verckens, een parthy eyeren, vijgen, -appelen, en ander goet. <span class="pagenum">[<a id="pb103" href= -"#pb103" name="pb103">103</a>]</span></p> -<p class="par">Den 12. waeydent een gheheele storm; streecken onse rees -neer. Een Chinees prautjen dreef van ons wegh, met een van onse maets; -sonden de sloep daer na toe, haelden hem daer uyt; maer het prautjen -kosten sy door de harde wint niet op-roeyen; haddent achter de sloep -gebonden; lieten het eyndelijck drijven en quamen weer aen boort.</p> -<p class="par">Den 13. dito lieten wy de Chinesen, die ons de -ververschinghe ghebracht hadden weder nae landt varen, met haer -beloofde twee landtsluy.</p> -<p class="par">Den 15. dito waren die maets inde jonck doende om een -bas te beproeven, die sy op een nieu roopaertje gheleydt -hadden<a class="noteref" id="xd24e2110src" href="#xd24e2110" name= -"xd24e2110src">201</a>. Laden het met dubbel scherp; settent met de -mondt nae de deur vande jonck. Met soo komter een jonghman uyt een -vande ruymen, gaet inde deur staen om sijn water te maecken, niet -wetende van de anderen haer doen. Daer op komt een met de lont-stock -vande ander kant (de jonghman niet siende) en steeckter de brandt in, -en schiet de jonghman door sijn been. Voorwaer een droevigh ongeluck en -groote onvoorsichtigheydt van den aensteecker.</p> -<p class="par">Wy slachten in ons schip des achter-middaeghs een buffel -met een vercken, om alsoo des anderen daeghs onse Paesch-Feest daer -mede te houden.</p> -<p class="par">Terwijl de maets doende waren, plock-haerden onse Domine -met een assistent, die beyde in de boeyen geset worden.</p> -<p class="par">Den 16. dito, sijnde Paesch-dagh, wierden sy beyde daer -weder uyt ghelaten. Doe quam het volck uyt de jonck altemael in ons -schip, om de predicatie te hooren<a class="noteref" id="xd24e2119src" -href="#xd24e2119" name="xd24e2119src">202</a>, en bleven voort onse -gast <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= -"pb104">104</a>]</span>op de buffel. Des ander daeghs quamen sy weder -om predicatie te hooren; was alle daghen onghestuymigh weder en -variabele winden.</p> -<p class="par">Den 19. dito werdt de jonghman, die in sijn been -gheschoten was, het been afgheset, die ontrent een uer daer nae -sturf.</p> -<p class="par">Den 20. dito ongestuymigh weder uyt den O.N.O. Schooten -onse stenghen<a class="noteref" id="xd24e2128src" href="#xd24e2128" -name="xd24e2128src">203</a>, lieten noch een ancker vallen; sacher uyt, -oft al stucken waeyen sou wat om en an was. De twee Chinesen, die den -13. van ons schip waren ghescheyden, quamen weder aen boort, brochten -ons weder eenighe verversingh, seyden ons, datter wel twee hondert -joncken gelijck souden komen om ons te vernestelen<a class="noteref" -id="xd24e2131src" href="#xd24e2131" name="xd24e2131src">204</a>. -Maeckten ons daerom (op die waerschouwinghe) van alles klaer, om haer, -soo sy quamen, te begroeten.</p> -<p class="par">Den 27. dito setten wy onse scampan in ’t schip en -twee visschers-prauwen daer uyt, die de jonck in sette. Verlanghden om -t’seyl te gaen, want dorsten daer niet wel langer blijven. Doch -door dien dat het alle dagen soo sterck waeyde en stormde, kosten niet -wel t’seyl komen, te meer omdat de wint ons tegen was.</p> -<p class="par">Den 28. brachten wy 20 Chinesen in de jonck, om die -nevens de onse aen de Piscadoris te brengen.</p> -<p class="par">Den 29. dito, ’s morgens met redelijck weer, de -wint O.N.O., gingen wy t’seyl met onse jonck, doch hadden veel -omswervens in zee door harde contrarie-wint en anders.</p> -<p class="par">Den 1. May ongestadigh weder. Des morgens sagen wy dat -onse jonck van ons gedwaelt was, doch ten laetsten saghen wy hem een -groot stuck in ly van ons; lagh heel in onmacht: sijn seyl was wegh -ghewaeyt. Vonden daerom goedt, alsoo het heel hard begon te waeyen, het -volck daer uyt te lichten. Ick voer ten dien eynde met de boot heen; -namen het volck over, doch konden nevens ons volck, die 16 in ’t -getal waren, niet meer als thien Chinesen over krijgen; de andere waren -schuyl ghekropen. <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" -name="pb105">105</a>]</span>De wint begon oock hard op te steken, soo -datter noch thien Chinesen inde jonck bleven en wegh dreven. Quamen des -middaeghs weder aen boort; gisten ons ontrent 8 mijlen buyten de -Oostelijckste eylanden van Macou te wesen. En alsoo hier een gestadige -wint waeyt, ontrent half jaer om half jaer, dat men het Moson noemt, -soo kan die gheene die te laegh vervalt, ’t zy aen de eene of -ander kant vande Piscadoris niet wel opwaert aen komen, voordat dat -Moson weder verloopen is. Swurven om die oorsaeck hier lange tijdt, dan -eens settende dan eens seylende, eer wy inde Piscadoris quamen. Leden -oock veel ongemack van storm en sieckte, by gebreck van verversinge; -jae, waren op het laetste van 90 mannen boven 50 gesonde mannen niet -van ons eygen volck. In onse wegh ontmoeten wy noch een Chinesche -jonck, kostelijck geladen, eenighe duysenden waerdigh, die nae de -Manieljes wilde. Namen hem; hadde wel 250 sielen in. Nam het volck -meest over, op ontrent 20 a 25 man nae, en stelden 15 a 16 man van ons -volck daer by, en bonden de jonck achter aen ons schip en sleepten -hem.</p> -<p class="par">Wy hadden doe ettelijcke hondert Chinesen in ons schip; -waren bevreest dat sy ons overweldighen souden, want wy, als verhaelt, -maer 50 gesonden mannen sterck waren. Lieten al ons volck met geweer op -zijd’ gaen, even oft altemael officieren waren.</p> -<p class="par">Des nachts lieten wy al de Chinesen in ’t ruym -loopen, setten dan een stut boven op ’t luyck en behingen het -overal met lampen, dat het onder ’t verdeck licht was, en by -’t luyck hielden 5 a 6 man met bloote sabels de wacht, en des -morghens deden wy het luyck op en lieten de Chinesen boven komen, om -haer gevoegh en anders te doen, waer door het krielde van menschen op -’t schip. Ick was dickwils inde kejuyt ghegaen om te slapen, maer -konde niet. Als ick boven quam, soo maeckten de Chinesen datelijck -ruymte, gingen aen beyde sijden op haer kniejen leggen, met de handen -t’ samen, soo dat sy als lammeren waren. Daer wierde verhaelt, -dat onder haer een prophetye was, dat haer landt ingenomen soude worden -van mannen met roo <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" -name="pb106">106</a>]</span>baerden, en alsoo ick een rood’ baert -had, schenen sy dieshalven my met meer vreese te aenschouwen. Doch dit -was soo het seggen; hoe het is, is Godt bekent. Wy dorsten haer evenwel -niet vertrouwen.</p> -<p class="par">Sy gingen ’s morgens langhs de boorden van -’t schip en inde rusten<a class="noteref" id="xd24e2153src" href= -"#xd24e2153" name="xd24e2153src">205</a> sitten; reynighden en kemden -haer. Sy hadden sulck langh hayr, dat het veele, als sy over eynde -stonden, tot de waden<a class="noteref" id="xd24e2156src" href= -"#xd24e2156" name="xd24e2156src">206</a> vande benen hingh, ’t -welck sy met een dray, vlechts-gewijs, op haer hooft leggen; steecken -daer een pen door die ’t vast houdt, met de kam daer teghen aen. -Wy brachtense alle inde Piscadoris; daer worden sy alle, nevens de -andere Chinesen, die wy en andere schepen en jachten daer ghebrocht -hadden, twee aen twee aen malcanderen ghesloten. Mosten aerd’ -aendragen tot het fort; jae, doe het fort ghemaeckt was, warender wel -14 hondert in ’t getal, die doe meest nae Batavien wierden -gebracht en aldaer verkocht. De Piscadoris was ons rende-voes plaets, -als verhaelt is<a class="noteref" id="xd24e2159src" href="#xd24e2159" -name="xd24e2159src">207</a>, daer wy stee hielden; en voeren daer van -af en aen, en namen alle Chinesen, die wy krijghen konden en brachten -die daer by een. Terwijl wy hier inde Piscadoris laghen, kreghen wy -sulcken oorkaen, dat al de schepen bykans op ’t droogh waeyden; -onder alle onse jonck waeyde geheel op ’t landt.</p> -<p class="par">Inde Piscadoris leggende kreegh ick een brief van -Batavia, door Christiaen Fransz., van mijn broeder Pieter Ysbrantsz. -Bontekoe, die, als voor verhaelt is, schipper op ’t schip Haerlem -was, die den 4. Januarij, op de kust van China, van ons nae Batavien -gingh. Schreef my, dat onsen broeder Jacob Ysbrantsz. ’t -voorgaende jaer oock voor schipper in Indien was ghekomen uyt Hollandt, -wesende doe met ons drie gebroeders in ’t lant, alle drie -schippers. Verhaelde dat Jacob met het schip Mauritius, <span class= -"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>in -compagnie van ’t Wapen van Rotterdam, heel miserabel aen quam: -hadden onder weegh yder ontrent 275 man verloren<a class="noteref" id= -"xd24e2166src" href="#xd24e2166" name="xd24e2166src">208</a>. Het Wapen -van Rotterdam had soo veel gesont volck niet behouden, dat het sijn -seylen kost gebruycken. Jacob quam in de Straet van Sunda by twee -jachten, die Jacob voor Batavia brochten, maer ’t ander schip had -Jacob gelaten aende Suyt-sijde van Java, daer hy met jachten en -vaer-tuygh na toe wierde gesonden, om het te soecken; vonden hem, en hy -wierter schipper op gemaeckt. Wiert nae Ambona ghesonden. Schreef oock, -dat den Heer Generael Koen met het schip, daer Jacob mede in ’t -landt quam, te weten Mauritius, uyt Oost-Indien nae Hollandt was -vertrocken den 2. Februarij 1623, in compagnie van noch drie schepen, -en dat den Heer Pieter de Carpentier daeghs voor het vertreck van den -Heer Koen tot Generael over Indien gestelt was, etc.<a class="noteref" -id="xd24e2172src" href="#xd24e2172" name="xd24e2172src">209</a>. Daer -quamen doe oock veel huysgesinnen uyt Hollandt op Batavia, soo met het -Wapen van Hoorn, daer schipper op was Pieter Gerritsz. -Bieren-Broots-Pot, en andere schepen. Daer trouwden oock veel -Hollanders op Batavia, soo dat vele haer hier vast maeckten, om soo -licht niet te vertrecken<a class="noteref" id="xd24e2175src" href= -"#xd24e2175" name="xd24e2175src">210</a>.</p> -<p class="par">Den 25. October isser by den E. Heer Commandeur Cornelis -Reyersz. en sijne Raden gheordonneert, dat wy met ons vijf schepen (te -weten het schip Groningen, Samson, Muyden, Erasmus en Victoria, welck -laetste om reden niet mede gingh) onder den Commandeur Christiaen -Fransz. souden gaen nae de reviere van <span class="pagenum">[<a id= -"pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>Chinchieu, om de -selfde beset te houden, datter geen joncken na de Manieljes of andere -onser vyanden plaetsen souden varen, en aen haer te versoecken, gelijck -wy dickwils en gestadigh ghedaen hadden, den vryen handel met haer op -Tajouan, en haer als dan alle vreed’ en vriendtschap aan te -bieden; doch indien sy hier in niet wilden consenteren, haer den -oorloogh aen te doen, te water en te land’, waer het selfde met -avontagie en tot voordeel vande Compagnie kon geschieden; gelijck dat -selfde breeder was uytgedruckt inde instructie ons vanden E. Heer -Commandeur en sijne Raden mede ghegeven. Gingen dien selfden dagh noch -t’ seyl.</p> -<p class="par">Den 28. dito quamen wy voor de voornoemde revier; setten -het onder het eylandt met de pagoden, daer al ’t volck was -afgevlucht, behalven een oudt man, die wy vonden. Lieten, ghelijck onse -ordre was, een witte vlagge waeyen, hopende datter yemand van Aymuy by -ons soude komen, om ons te verspreecken<a class="noteref" id= -"xd24e2184src" href="#xd24e2184" name="xd24e2184src">211</a>.</p> -<p class="par">Den 29<span class="corr" id="xd24e2192" title= -"Niet in bron">.</span> dito wierdt onder ons goedt ghevonden, dat men -op yder schip 30 a 40 swabbers soude maecken en 8 a 9 balijs<a class= -"noteref" id="xd24e2195src" href="#xd24e2195" name= -"xd24e2195src">212</a> met water, als oock een deel leeren emmers -langhs ’t schip souden stellen, om (of de Chinesen ons met -branders toequamen) de brant te uytten; als oock, dat men scherpe wacht -soude houden en dat twee schuyten een derden deel van een mijl vande -schepen alle nachten op de wacht souden leggen, oock om water te halen. -Roeyden de stucken op<a class="noteref" id="xd24e2198src" href= -"#xd24e2198" name="xd24e2198src">213</a> en waren wel op onse hoede. En -alsoo niemandt van Aymuy by ons quam, schreven den 30. dito een brief -aenden totock van Aymuy<a class="noteref" id="xd24e2201src" href= -"#xd24e2201" name="xd24e2201src">214</a> en bestelden die met die -<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name= -"pb109">109</a>]</span>oude Chinees, die wy op ’t eylandt vonden. -Wy schreven, dat wy aldaer gekomen waren, om met haer den handel en -vrede te versoecken, gelijck wy inde voorige conferentie tusschen haer -en ons gehouden gedaen hadden, en voort eenighe complementen tot sulck -schrijven wel voeghende. Publiceerden oock dien selfden dagh dese -navolgende Ordonnantie, op alle de schepen.</p> -<div class="blockquote"> -<p class="par first xd24e2208">ORDONNANTIE,</p> -<p class="par xd24e2210">WAER NAER SICH HET VOLCK VANDE SCHEPEN, -LEGGENDE IN DE REVIERE VAN CHINCHIEU, SULLEN HEBBEN TE REGULEREN.</p> -<p class="par">Alsoo wy met ons vier schepen alhier in de Reviere van -Chinchieuw legghen, om soo veel als moghelijck is die van China -’t uytvaren naer Manilha ofte eenige andere onser vyanden -plaetsen te beletten; derhalven wel te vermoeden is, dat de Chineesen -niet sullen naer laten hun uytterste devoir te doen, om (’t zy -met openbaer gewelt, onder schijn van vrede, ofte andere -bedrieghelijcke middelen) met haer brandt-schepen, (diese mette stroom -souden mogen afseynden) ons van hier te drijven; waeromme hoogh-noodigh -is, datter vooral in alle de schepen ofte boots en de chaloupen -(’t zy datse aen boort ofte een stuck boven stroom vande schepen -als uytleggers mochten leggen) goede, scharpe ende behoorelijcke wacht -wordt ghehouden. Ende alsoo bevinden, dat deselve dickmalen by de -matroosen seer slechtelijck werden waer genomen, sonder acht te nemen -wat schade ende onheil daer door te verwachten hebben; werdt hier mede -by den E. Commandeur Christiaen Francxz ende Raet gheordonneert ende -bevoolen, ghelijck wy ordonneren ende beveelen midts desen, aen alle -scheeps-officieren ende matroosen, niemant uytgesondert: dat yder sijn -wachte ter plaetse daer hy soude mogen gestelt werden, behoorlijck sal -waernemen, op pene dat de gene, die slapende ofte ter contrarie doende -bevonden werdt, driemael vande rhaa sal vallen, ende met hondert -slaghen voor de mast gheleerst werden<a class="noteref" id= -"xd24e2214src" href="#xd24e2214" name="xd24e2214src">215</a>. Ider -wacht sich voor schade, alsoo dese voorsz. Ordonnantie, sonder eenige -dissimulatie aende contraventeurs, naer behooren sal ghe-executeert -werden, want ’t selve in aequiete ende naer gelegenheit der saken -alsoo bevinden te behooren. Actum in ’t schip Groningen, -legghende inde Reviere van Chinchieuw, desen 30. October 1623.</p> -</div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name= -"pb110">110</a>]</span></p> -<p class="par">Den 1 November quammer met een scampan een Chinees, -ghenaemt Cipzuan, aen ons boort. Sey, soo wy om vrede en den handel te -versoecken quamen, dat het aen haer sijde niet en soude manqueren, -alsoo de ingesetenen daer alle wel toe genegen waren, en gaf ons voort -goede hoope van een goet succes. Seyde oock, datter wel 300 Chinese -coop-luyden vergadert waren gheweest, en hadden besloten een request -aenden Combon<a class="noteref" id="xd24e2224src" href="#xd24e2224" -name="xd24e2224src">216</a> van Hockzien te presenteren en te -versoecken, om met ons te mogen handelen, alsoo sy (soo hy seyde) door -den oorlogh haer goet verloren, en soo den oorlogh continueerden, -geschapen stont om t’ eenemael te verarmen; resolveerden daerom -instantelijck <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name= -"pb111">111</a>]</span>den handel en vrede met ons aenden voorschreven -Combon te versoecken.</p> -<p class="par">Desen Cipzuan seyde vorder, datter ter plaetse daer hy -woonachtigh was een kluysenaer of Eremijt in ’t geberghte woonde, -die van grooten afcomste was, en hadde machtigh rijck (meene oock -Banderijn<a class="noteref" id="xd24e2231src" href="#xd24e2231" name= -"xd24e2231src">217</a> over die provincie) geweest, hebbende hem nae -’t overlijden van sijn huysvrou, die hy seer lief hadde, tot dese -eensaemheydt begheven; dede nu niet anders (soo hy seyde) als arme -luyden, die gheen middelen en hadden, haer saecken by de grooten uyt te -rechten<a class="noteref" id="xd24e2234src" href="#xd24e2234" name= -"xd24e2234src">218</a>. Was alsoo by de grooten en by de kleynen in -hooge achtinghe en aensien; jae, hy wierde voor een propheet en sijn -woorden voor prophetien ghehouden. Seyde oock, dat hy desen cluysenaer -het verschil<a class="noteref" id="xd24e2237src" href="#xd24e2237" -name="xd24e2237src">219</a> tusschen ons en haer te kennen had -ghegheven, en hy oock verstaende, dat de grooten preperatie maeckten om -ons te beoorloghen, was hy (seyde Cipzuan) by haer gegaen, hun -voorseggende, dat (soo sy ons den oorloogh aen deden) sy haer staet in -perijckel souden stellen. Waer over Christiaen Fransz. den voornoemden -Cipzuan vraeghde, ofmen die cluysenaer niet te spraeck en soude konnen -komen, om hem ons oprecht en eerelijck versoeck met alle -omstandigheyden te vertoonen; ’t welck Cipzuan beloofde te sullen -beschicken en twijffelde niet, of soude dat wel verwerven by hem, en -seyde: „Dit sal ick doen, om dat<a class="noteref" id= -"xd24e2240src" href="#xd24e2240" name="xd24e2240src">220</a> ghy -ghelooven sult, dat ick het goedt met u meene.” Daer op is hy -vertrocken; verklaerde steels-gewijs by ons gekomen te zijn.</p> -<p class="par">Den 3. dito is Cipzuan met de geseyde cluysenaer, nevens -noch een Chinees, aen ons boort ghekomen. Wy verklaerden hem de -oorsaecke van onse komst en wat onse meninge en versoeck was. Die (nae -datter eenige reden weder-sijds waren ghevallen) <span class= -"pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>ons -beloofde sijn uytterste devoor te sullen doen, om de saeck tot een goet -eynde te brenghen. Gaven hem een brief (van den selfden inhoudt als die -wy met den ouden Chinees ghesonden hadden) aen den Totock. Hy beloofde -die self den Totock te behandigen. Twee a drie daghen daer nae quam -Cipzuan weder by ons en bracht antwoordt op de onsen, waer in den -Totock schreef, dat hy verstaen hadde, dat wy met onse schepen onder -’t eylandt met de Pagoden gearriveert waren, den vrede en handel -met haer versochten, ’t welck hem lief was, soo wy het met goeder -herten meenden en niet ghelijck wy voor desen met valschheydt en -bedroch (ghelijck hem beliefde te schrijven) gedaen hadden. Soude dan -wel mogelijck zijn om een goet accoort te maecken. Hadde ons, inde -laetste conferentie met ons ghehouden, twee weghen gewesen, te weten: -De gevanghen Chinesen in vryheydt te stellen en Pehoe, by ons genaemt -de Piscadoris te verlaten, en hadden gheen van beyden willen -accepteeren, waer door de handelinghe doe vruchteloos afliep.</p> -<p class="par">Wy antwoorden, dat onse meninge goedt was en altijdt -geweest hadde. Hy schreef wederom, dat hy verstaen hadde, dat wy -ghekomen waren om de Chinesen te berooven, en gheen gelt of -coopmanschap mede brochten om te handelen; waer op hy versocht, dat wy -onse meninge souden verklaren. Waer op wy weder aen hem antwoorden, dat -onse meninghe goedt was, en niet anders als vooren den handel -versochten. Hy schreef wederom, de wijle wy persisteerden by onse goede -meninge dat wy dan een capiteyn by hem souden senden, om van alles met -hem te handelen en een vrede of bestant tusschen malcanderen te -sluyten, voor een deel jaren of voor eeuwigh. Wy versochten daer op -aenden voorschreven Totock, dat hem soude gelieven toe te laten, dat wy -met een jacht voor Aymuy mochten komen, om dicht byder handt te zijn, -want dese sake beter van naeby als van verre konde afgehandelt worden. -Hier toe kreghen wy met den naesten licentie, om met 1 a 2 schepen voor -Aymuy te mogen komen. Hebben eyndelijck den 13. dito met malcander -<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name= -"pb113">113</a>]</span>goet gevonden, dat onsen Commandeur Christiaen -Fransz. met de jachten Muyden en Erasmus naer Aymuy soude seylen.</p> -<p class="par">Den 14. dito vertrocken de jachten, die des anderen -daeghs voor Aymuy quamen, en wy met de twee schepen bleven onder het -eylandt legghen.</p> -<p class="par">Tusschen den 17. en 18., in den nae-nacht, ben ick met -de boot nae onse jachten gevaren, om eens tijdingh te hebben, hoe de -sake met haer gheleghen was, want het begon ons te verdrieten, dat het -soo langh duerde, daer het voor haer vertreck soo naeby scheen. Maer -onder weegh sijnde, dicht by de jachten, saghen wy dat het eene jacht -inde brandt stondt, en het ander hadde oock drie branders aen boort; en -voeren in groot perijckel door een groote menighte vaer-tuygh van -scampantjes en eenige oorlooghs-joncken, en sagen ontrent 50 branders. -Voeren aen ’t jacht Erasmus, dat door kloeckmoedigheydt de eene -brander hadde uytgheblust en de andere twee van haer ghekreghen, soo -dat sy miraculeusselijck van dat perijckel verlost wierden. Maer het -jacht Muyden raeckten sijn fock en voor-marsseyl stracx in brant en -scheen niet te helpen; verbranden en sprongh voort met volck met al, -sijnde een deerelijcke sake. Wy ginghen terstondt nae onse schepen, met -het jacht Erasmus.</p> -<p class="par">De vrienden van Erasmus verhaelden ons, hoe sich de -saecke tot soo verd hadde toe gedragen. Seyden: Met dat sy voor Aymuy -ghecomen waren, kregen sy terstont eenige gedeputeerden aen boort, -versoeckende dat eenighe vande hoofden aen landt by den Totock souden -komen, om van de saecke mondelingh met malcander te spreecken; ’t -welck by den Commandeur beleefdelijck wierde afgheslagen, hem -excuserende gheen bequame tolcken daer toe te hebben. Maer soo ’t -den Totock geliefde, soude eenige vande sijne senden, met volle macht, -om met ons een accoort te sluyten. Daer op voeren sy weder nae -landt.</p> -<p class="par">Weder komende seyden: Dat den Totock haer volkomen hadde -geauthoriseert en volle macht ten dien eynde gegeven, en dat alles wat -van haer met ons gesloten sou worden, vast en onverbreeckelijck -<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= -"pb114">114</a>]</span>van hem soude ghehouden en van waerden ghekent -worden. Sijn daerop met malcander in handelingh getreden, en -geaccordeert en besloten, dat sy in Teyowan met ons souden komen -handelen<a class="noteref" id="xd24e2261src" href="#xd24e2261" name= -"xd24e2261src">221</a>, en aldaer soo veel sijde waren brenghen als ons -capitael soude strecken: Datse op de Manilha, Cambodia, Siam, Patany, -Jamby, Andrigerry, ofte op eenige andere plaetsen niet en souden varen, -als met pas van ons: datse oock 4 a 6 joncken nae Batavia souden -senden, om aldaer met den Heer Generael te spreecken wegen de saecke -vande Piscadoris, daer sy ons garen af hadden.</p> -<p class="par">Dit accoort solemneel ghemaeckt sijnde voeren sy aen -landt; quamen daer nae wederom aen boort; versochten, dat eenighe -capiteynen by den Totock aen landt geliefden te komen: dat het accoort -op de eene sijde in ’t Chinees en op de ander sijd’ in -Duyts<a class="noteref" id="xd24e2266src" href="#xd24e2266" name= -"xd24e2266src">222</a> soude geschreven en beswooren worden, opdat den -Totock den Combon van Hockzieuw mocht schrijven alsoo in sijn presentie -geschiedt te zijn. Brachten met haer drie Manderijns tot -ostagiers<a class="noteref" id="xd24e2269src" href="#xd24e2269" name= -"xd24e2269src">223</a>, en (nae haer gewoonte) drie pijlen tot -verseeckerheydt.</p> -<p class="par">De Commandeur Christiaen Fransz. met de Raden vande -jachten hebben daerop goet gevonden, dat hy Commandeur self met Doede -Florisz. Craegh, schipper op Muyden, en Willem van Houdaen<a class= -"noteref" id="xd24e2274src" href="#xd24e2274" name= -"xd24e2274src">224</a>, opper-coopman op Erasmus, haer aen landt souden -<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name= -"pb115">115</a>]</span>vervoeghen, om het boven geschreven te -verrechten. Aen landt ghekomen sijnde, met ontrent 30 man, onder ander -oock de schipper van Erasmus, Jan Pietersz. Reus, wierden daer (soo -’t scheen) heel wel ontfanghen. Sy stelden tafels op -strand’ voort bootsvolck; disten wacker op. Den Commandeur -belasten Jan Pietersz. Reus, dat hy op de maets passen zou, om die -stracx weer nae boort te schicken, en sy<a class="noteref" id= -"xd24e2279src" href="#xd24e2279" name="xd24e2279src">225</a> wierden -geleyt na ’t huys van den Totock. ’t Scheen dat sy de -boots-gesellen sochten droncken te maecken; de Mandorijns dienden de -tafel; wilden dat schipper Jan Pietersz. Reus mede opwaerts nae de -Totock soude gaen. Hy geliet hem of hy noch volgen sou, maer siende -(soo hy hem inbeelde) dat het gheen klaer-schapen werck was, dede de -maets opstaen en datelijck inde boot vallen, en voer met haer nae -boort.</p> -<p class="par">’s Avondts (ghelijck het besproocken was) gingh de -stierman Moses Claesz. van ’t jacht Muyden, met een ghemande -sloep nae landt, om onse drie voornoemde Raden te halen. Aen landt -komende wierden vande Chinesen ghehouden. ’t Volck inde jachten -wisten niet wat sy dencken souden, waerom dat de sloep en onse Raden -soo langh aen landt bleven; vraeghden daerom de ostagiers, waerom de -onse niet weder en quamen; antwoorden: Sy sijn vrolijck. Maar die -vrolijckheydt is wel af te meten, want inde selfde nacht, ontrent vier -uren voor daegh, quamen sy (als voor verhaelt is) wel met vijftigh -branders, om de jachten te vernielen; gelijck sy ’t eene deden, -etc. De Chinesen hadden oock eenigh Chinees bier aende jachten -gesonden, daer sy vergif in ghedaen hadden, om alsoo ons volck te -vergeven, maer wierde sonder schade by ons bekent<a class="noteref" id= -"xd24e2284src" href="#xd24e2284" name="xd24e2284src">226</a>; ’t -scheen dat Godt het niet beliefde. Dese tijdinghe smarten ons alle -dapper, want was een groot verlies voor ons en een goddeloos -schelm-stuck vande Chinesen; dan Godt sal alles te sijnder tijdt -oordeelen. <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name= -"pb116">116</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Ter wereldt en is geen booser fenijn:</p> -<p class="line">Dan Vriendt te schijnen en Vyandt te zijn.</p> -</div> -<p class="par first">Den 18. dito haelden wy eenigh brandt-hout uyt de -huysen op ’t eylandt met de Pagoden, daer wy onder laghen, dan -resolveerden te verseylen aen de Noort-sijde vande revier, om aldaer te -vryer voor de branders te legghen, want wy sagen nu wel, datse gheen -vriendtschap maer vyandtschap met ons sochten.</p> -<p class="par">Den 19. dito quam het schip de Engelsche Beer uyt Jappon -by ons, die wy alle ghelegentheydt van ons wedervaren verhaelden, en om -dese en meer andere oorsaecken is den Raedt van de schepen vergadert in -het schip de Beer, en besloten ’t gene uyt dese navolgende -resolutie verstaen kan worden.</p> -<div class="blockquote"> -<p class="par first xd24e2208">RESOLUTIE</p> -<p class="par xd24e2210">GHENOMEN BY DE OVER-HOOFDEN VANDE SCHEPEN DEN -ENGELSCHE BEER, [GRONINGEN]<a class="noteref" id="xd24e2303src" href= -"#xd24e2303" name="xd24e2303src">227</a>, SAMSON EN ERASMUS OP DEN 24. -NOVEMBER, VOOR DE REVIER VAN CHINCHIEUW, 1623.</p> -<p class="par">Alsoo (op den 11. November uyt Jappon vertreckende, tot -meerder verseeckeringe van onze reyse nae de Piscadoris) goet gevonden -was de kuste van China aen te doen, soo sijn wy God lof op den 19. -deses voor de reviere van Chinchieu ghekomen, en aldaer ghevonden de -schepen Groningen, Samson en Erasmus, waer van wy tot ons groot -leetwesen hebben verstaen het deerlijck verbranden van het jacht -Muyden, als oock de gevanckenisse vanden Commandeur Christiaen Fransz. -en de andere gecommitteerde, welcke van onse sijde ghegaen waren, om de -vrede met haer te bevestigen. En alsoo de Instructie van den Heer -Commandeur Cornelis Reyersz. is vermeldende, datmen ’t zy -oorloogh of vrede de revier van Chinchieu met schepen beset sal houden, -soo ist dat de vrienden vande boven-genoemde schepen klaghen seer van -sieck volck overladen te zijn, voornamentlijck de Samson, hebbende -qualijck soo veel gesont volck, dat hy sijn ancker konde lichten, en -dien volgens ghenootsaeckt soude wesen de kust te verlaten, of sijne -siecken andere over te geven, om nae de Piscadoris te brengen. -<span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= -"pb117">117</a>]</span></p> -<p class="par">Is derhalven goet gevonden en geresolveert (nademael de -vrienden voornoemt rapporteerden, dat de E. Heer Commandeur Cornelis -Reyersz. met de meeste siecken van de Piscadoris nae Teyowan vertrocken -is<a class="noteref" id="xd24e2311src" href="#xd24e2311" name= -"xd24e2311src">228</a>, soo dat weynigh siecken inde Piscadoris zijn) -vande ververschinge, die wy voor de vloote sijn hebbende, aende -boven-genoemde drie schepen over te geven: Tien duysent groote appelen, -tien duysent mikans<a class="noteref" id="xd24e2314src" href= -"#xd24e2314" name="xd24e2314src">229</a>, 20 verckens, 200 pompoenen en -drie koe-beesten, op dat door noot van ververschinghe, tot ondienst -vande Compagnie, de revier van Chinchieu niet onbeset blijve.</p> -<p class="par">En alsoo door de ghevanghenis van den Commandeur -Christiaen Fransz. de vloote van een over-hooft ontbloot is, soo heeft -den Raedt provisioneel tot nader ordre van den E. Heer Commandeur -Cornelis Reyersz. ghestelt en stelt by desen Willem Ysbrantsz. -Bontekoe, om in alle voorvallende saecken den raedt te beroepen, daer -in te presideren, ende als vooren de vlagge vande groote stengh te -voeren etc.</p> -<p class="par">Aldus ghedaen en gearresteert in ’t schip den -Engelsche Beer datum en jare als voren. Was onderteyckent by</p> -<p class="par signed">Isaac vande Wercken.<br> -Frans Leendersz. Valck.<br> -Herman de Coningh.<br> -Pieter Fransz.<br> -Jan Pietersz. Reus.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Dese ververschinge verquickten onse siecken uyttermaten; -hielden de reviere soo veel doenlijck was beset en onvry, volghens onse -ordre, soo dat de Chinesen niet vry op de Manieljes en elders mochten -varen; namen verscheyden van haer joncken en ander vaertuygh<a class= -"noteref" id="xd24e2334src" href="#xd24e2334" name= -"xd24e2334src">230</a>.</p> -<p class="par">Eyndelijck ben ick weder verseylt nae de Piscadoris, en -alsoo mijn tijdt ghe-expireert was, en niet ghesint wesende my weder op -nieu te verbinden, hoe wel den E. Heer Cornelis Reyersz. my daer sterck -op aensocht, my presenterende veele goede en beter conditien als ick -gehadt hadde, nevens merckelijcke verhooginghe van gagie, verwurf -eyndelijck nae veel versoeckens, dat ick <span class="pagenum">[<a id= -"pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span>mochte overgaen op -een ander schip dat ghereet lagh om nae Batavia te vertrecken, genaemt -de Goede Hope. De E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. gaf ons in -’t lange mede een resolutie, waer nae wy ons in de voyagie en -ontmoetinghe van andere onse schepen souden reguleren, onder anderen -oock dese korte instructie:</p> -<div class="blockquote"> -<p class="par first xd24e2208">INSTRUCTIE</p> -<p class="par xd24e2210">VOOR DE RAEDTS-PERSOONEN VAN’T SCHIP -<span class="ex">DE GOEDE HOPE</span> UYT <span class="ex">PEHOE</span> -NAER <span class="ex">BATAVIA</span> VARENDE.</p> -<p class="par">Alsoo onse Heeren Meesters ende d’ Edele Heer -Generaels begeerten is, datter in alle schepen een persoon gestelt -wort, om in alle voorvallende saecken den raedt te beroepen, ende over -den selvige te presideren,</p> -<p class="par">Soo ist dat wy daertoe goedt ghekent hebben Willem -Ysbrantsz. Bontekoe, schipper op dito schip, om [<i>lees</i>: die] in -alle voorvallende saecken den dienst der Compagnie betreffende den -raedt sal beroepen, oock daer over presideren, ende de eerste stemme -hebben.</p> -<ul> -<li>Jan de Moor, coopman.</li> -<li>Jan de Nayer, stierman.</li> -<li>Hoogh-bootsman.</li> -<li>Onder-stierman,—de 5<sup>de</sup> stemme.</li> -</ul> -<p class="par"></p> -<p class="par">Dese voorsz. raedts-persoonen wordt de volvoeringhe -vande voyagie ten hooghsten bevolen, oock ’t ghene den dienst der -Compagnie is betreffende soecken te vorderen, en alle vlijt aenwenden -om naer te komen, ’t gene ampel inde mede-ghegheven resolutie van -dato 19. Februarij, Anno 1624, verhaalt staet. In ’t Fort in de -Piscadoris, desen 20. Februarij 1624.</p> -<p class="par signed">Cornelis Reyersz.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Den 21. Februarij ben ick met het schip de Goede Hope -uyt de Piscadoris t’seyl ghegaen nae Batavia, doch met instructie -eerst dwars over te loopen nae de kust van China, ’t welck wy -deden; maer kreghen een harde storm, doe wy by de kust waren, en -bevonden dat ons schip soo onbeniert<a class="noteref" id= -"xd24e2382src" href="#xd24e2382" name="xd24e2382src">231</a> was, dat -wy het met <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name= -"pb119">119</a>]</span>de fock qualijck voor wint om konden krijghen. -Waren oock soo leck, dat wy staegh aende pomp mosten staen; vonden -daerom ongheraden daer langher by te houden, maer onse reyse nae -Batavia te vervorderen. Hielden voor wint af, passeerden den 24. a 25. -dito de eylanden van Macou; hadden veel variabel weder.</p> -<p class="par">Den 6. Meert quamen wy by de Engelsche Beer, daer -coopman op was Isaac vande Wercken en schipper Frans Leendertsz. van -Rotterdam. Quamen ons aen boordt; verhaelden dat sy aen de Chineesche -kust wel hondert en tsestigh Chinesen (soo mans, vrouwen en kinderen) -ghekregen hadden, die wy volgens onse ontfanghen instructie van haer -wilden overnemen en hem belasten by te houden, maer sy verklaerden ons, -dat haer schip soo swack en leck was, dat sy ’t qualijck boven -water konden houden en daerom ghenootsaekt waren dragent te houden nae -Batavia<a class="noteref" id="xd24e2389src" href="#xd24e2389" name= -"xd24e2389src">232</a>.</p> -<p class="par">Den 8. dito bracht de schipper van de Beer ons twee -kleyne beesten tot verversinghe.</p> -<p class="par">Den 9. dito voeren wy de Beer aen boordt; kregen weder -twee beesten, een perthy boonen, eenighe potten met oly, en andere -saecken.</p> -<p class="par">Den 17. dito liepen wy onder Poelepon ten ancker, -haelden hier water en namen 64 Chinesen van de Beer over. Voeren oock -om brandthout te hacken.</p> -<p class="par">Den 20. dito ginghen wy weder onder seyl.</p> -<p class="par">Tusschen den 25. en 26. dito is de Beer van ons -gedwaelt.</p> -<p class="par">Den 30. dito quamen wy onder ’t Mensch-eters -eylandt ten ancker.</p> -<p class="par">Den eersten April lichten wy ons ancker en quamen des -anderen daeghs, zijnde den 2. April, op de rede voor Batavia.</p> -<p class="par">Dede doe wederom eenige tochten om steen aende -voorgenoemde eylanden tusschen Bantem en Batavia<a class="noteref" id= -"xd24e2409src" href="#xd24e2409" name="xd24e2409src">233</a>. -<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name= -"pb120">120</a>]</span></p> -<p class="par">Ick van voornemen zijnde om my met de eerste -gelegentheyt nae Hollandt te transporteren, bevindende dat het -spreeck-woordt waer en uyt de ervarentheydt bekrachtight is: yder -voghel is gaern daer hy uyt-ghebroedt is; want wat schoone landen, -kusten en rijcken, datmen beseylt en besiet, wat conditien, profijten -en vermakelijckheyden datmen gheniet, ’t soude ons maer pijn -wesen, soo die hope ons niet onderhiel van dat selfde eens nae te -vertellen in ons Vaderlandt; want om die hope heten onse reysen -„Reysen”, anders soude tusschen de ballinghschap en sulck -hopeloos reysen niet veel verschil zijn.</p> -<p class="par">Terwijle ick hier van Batavien af en aen voer om steen -(als verhaelt) wierdender drie schepen, te weten het schip Hollandia, -Gouda en ’t schip Middelburgh ghereet gemaeckt om nae Patria te -gaen; welcke ghelegentheydt ick waer nam: Versocht aen den E. E. Heer -Generael Carpentier en sijne Raden, om daer mede te moghen vertrecken, -’t welck ick verwurf. Stelden my tot schipper op het schip -Hollandia, zijnde een treffelijck ghemonteert schip. Den Commandeur -Cornelis Reyersz. was ondertusschen oock uyt de Piscadoris op Batavia -ghekomen, om mede nae huys te vertrecken; wierde ghestelt tot -Commandeur over de drie voornoemde schepen; kreghen hem in ons schip; -was een gauw, ervaren man, die de Compagnie in veel saecken groote -diensten ghedaen hadde.</p> -<p class="par">Hier op Batavia zijnde, sprack ick mijn landtsman Willem -Cornelisz. Schouten, hadde veel ommegangh met hem<a class="noteref" id= -"xd24e2419src" href="#xd24e2419" name="xd24e2419src">234</a>. Hy gingh -op het schip Middelburgh, om mede met ons in compagnie nae ’t -Vaderlandt te gaen.</p> -<p class="par">Den 6. Februarij 1625 zijn wy met ons drie voornoemde -schepen van Batavia vertrocken, om, soo Godt wilde, nae huys te gaen. -Deden in passant Bantem aen, daer eenighe van onse schepen laghen; -lichten daer een grof touw met een marsseyl uyt; namen doe ons -afscheydt vande vrienden, met een Westelijcke <span class= -"pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= -"pb121">121</a>]</span>windt, dat voor ons inde wint was. Laveerden -daerom tot onder ’t eylandt Sebbesée, ’t welck aende -binnekant vande Straet van Sunda leydt, Sumatra naest. Bleven aldaer 3 -a 4 daghen legghen, nae de goede windt wachtende, oock omdat de stroom -soo hard de Straet inviel.</p> -<p class="par">Den 15. dito zijn wy weder t’ seyl ghegaen met de -landt-windt; kreghen een slagh-boegh<a class="noteref" id= -"xd24e2428src" href="#xd24e2428" name="xd24e2428src">235</a> en -raeckten den 16. dito buyten de Straet van Sunda, hebbende den windt -Westelijck. Liepen om de Suyd, met weynigh koelte, doch de windt -wackerde van dagh tot dagh; liepen al Suydwaert over; verhoopten een -Suydelijcke windt te krijghen.</p> -<p class="par">Den 27. dito kreghen wy de windt uyt de Suydelijcker -handt; hadden de hooghte van 17 graden Suyder-breete. Wenden als doen -Westwaert over en stelden onse cours Westelijck aen, nae de Caep de -Bonesperance toe, tot dat wy kreghen de hooghte van 19 graden -Suyder-breete. Hadden een S.O. windt en hy oostelijckte noch al op de -handt; ginghen al Westelijck aen met stijve koelte, soo veel als wy -gaende konden houden.</p> -<p class="par">Den 15 Maert, ’s morghens de son in ’t -opgaen ghepeylt hebbende, bevonden 22 graden, afgaende Noord-westeringh -van ’t compas<a class="noteref" id="xd24e2435src" href= -"#xd24e2435" name="xd24e2435src">236</a>. Den selfden dito wierdt onsen -Commandeur Cornelis Reyersz. heel sieck.</p> -<p class="par">Den 16. 17. 18. dito begon het soo stijf te waeyen, dat -wy ’t voor een schoovers-fock met de blind op gheen 8 streecken -konden gaende houwen<a class="noteref" id="xd24e2441src" href= -"#xd24e2441" name="xd24e2441src">237</a>; vreesden dat wy ’s -nachts van malkander souden raecken. En alsoo wy het vyer ’s -nachts <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= -"pb122">122</a>]</span>voerden<a class="noteref" id="xd24e2446src" -href="#xd24e2446" name="xd24e2446src">238</a>, soo liep ick by den -commandeur in de cajuyt en ontboodt daer de scheeps-raedt; seyde teghen -den commandeur, die (als verhaelt) heel sieck lagh: „Soo wy dus -te nacht seylende blijven, soo vrees ick, dat wy morgen van malcander -sullen wesen, want het volck konnen ’t op gheen 8 streecken -gaende houden. Oordeel daerom best te wesen de seylen by daegh in te -nemen en schieten onder zee<a class="noteref" id="xd24e2449src" href= -"#xd24e2449" name="xd24e2449src">239</a>, want als onse mackers dat -sien, sullen van ghelijcke doen; dan heb ick wel moet, dat wy malkander -in dese nacht soo verde niet sullen ontdrijven, of wy sullen malkander -morghen wel sien.” Daer op seyde den commandeur: „Dunckt u -dat goedt te wesen, schipper, soo laet ons soo doen.” Het welck -wy deden. Namen onse fock met de blind by daegh in, besloeghense wel -dicht<a class="noteref" id="xd24e2452src" href="#xd24e2452" name= -"xd24e2452src">240</a>, en schoten onder zee.</p> -<div class="figure xd24e2456width"><img src="images/p122.jpg" alt="" -width="720" height="520"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Onse twee ander maets, te weten het schip Gouda en -Middelburgh, dat siende, deden van ghelijcken; namen haer seylen in, en -schoten mede onder zee. Leyden ’t met de steven Suydwaert over. -Ses glasen in de nacht<a class="noteref" id="xd24e2460src" href= -"#xd24e2460" name="xd24e2460src">241</a> begon het soo schrickelijck te -waeyen, dat het dieghene die ’t noyt ghehoort noch gesien heeft -onmooghlijck sou schijnen dat de windt sulcken kracht kan by-brengen. -De windt was rondtom de compassen, want de compassen dreyden rondtom, -dat wy niet konden sien hoe wy wendt lagen. Het schip sackte door de -windt soo laegh in ’t water als of de windt recht van boven neer -quam, dat het scheen dat de anckers, die op de boegh stonden, by -’t water quamen; jae, meende dat het schip sonck. Ten lesten -waeyde onse groote mast over boordt en brack ontrent drie vadem boven -’t boevenet<a class="noteref" id="xd24e2463src" href="#xd24e2463" -name="xd24e2463src">242</a>, <span class="pagenum">[<a id="pb123" href= -"#pb123" name="pb123">123</a>]</span>waer door het schip doen weder -rees. Wy stonden by malkander met de hoofden teghen malkander aen, maer -konden niet roepen noch spreecken dat wy malkander konden verstaen, te -weten die boven waren.</p> -<p class="par">Dese onstuymighe harde windt, die men een orkaen noemt, -duerde ontrent 6 a 8 glasen; doen begon den windt weder te minderen. -Doen het op sijn hartste waeyde, was het water soo slecht<a class= -"noteref" id="xd24e2470src" href="#xd24e2470" name= -"xd24e2470src">243</a> als een taeffel, dat het hem niet konde -verheffen; maer toen die wint af nam, verhief hem de zee soo -gheweldigh, dat het scheen dat het schip het onderste boven soude -rollen<a class="noteref" id="xd24e2473src" href="#xd24e2473" name= -"xd24e2473src">244</a>. Het slingerde altemet het boordt los onder -water, waer door wy soo veel water van boven in kreghen, dat het ons -heel verlegen maeckte<a class="noteref" id="xd24e2476src" href= -"#xd24e2476" name="xd24e2476src">245</a>, want het water liep in -’t ruym, soo dat wy al seven voet water in ’t schip hadden -eer wy ’t wijs wierden, waer door wy meenden dat het schip al -sonck. Pompten met alle pompen, maer het water scheen daer al teghen -aen te wassen. Hier stonden wy verslaghen, want was een versufte kans. -Daer op raeckten de pompen noch onklaer, dat wy niet pompen konden; -want de wranghen raeckten vol peper, ’t welck de pompen -verstopte<a class="noteref" id="xd24e2479src" href="#xd24e2479" name= -"xd24e2479src">246</a>. Wij hadden 60 stucken, soo metalen als ijseren, -in ’t ruym onder de peper op ’t genier leggen; die raeckten -door <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= -"pb124">124</a>]</span>’t slingeren gaende, braecken met de ooren -door ’t genier, waer door de peper door ’t genier op de -buyckdenningh liep; en door het water waren de vullinghen van de -buyckdenningh opghedreven<span class="corr" id="xd24e2488" title= -"Bron: .">,</span> doe spoelde de peper altemael in de -wranghen<a class="noteref" id="xd24e2491src" href="#xd24e2491" name= -"xd24e2491src">247</a>. Doch alsoo wy hoopten en vertrouden, dat het -schip onder noch goedt was, deden onse best om alles te doen dat wy -konden: setten de pompen uyt en wonden stucken van oude vlaggen beneden -om de eynden van de pompen, en setten de selfde eynden op de -buyckdenningh neer, yder in een mande<a class="noteref" id= -"xd24e2497src" href="#xd24e2497" name="xd24e2497src">248</a>. Vielen -doen weder met alle macht aen ’t pompen; doe bleven de pompen -klaer. Sagen datelijck dat het water minderde, waer door wy weder moet -kregen.</p> -<p class="par">Onse afgewayde groote mast lagh de heele nacht en -rinck-ranckte onder ’t vlack en op zijd’ van ’t -schip, dat wy vreesden dat hy ons onder leck soude maecken. Het volck -uyt het ruym riepen: „Hack alles af dat hem vast houdt en laet -hem drijven!” Doch wy deden onse best; hieuwen het groote wandt -te loevert<a class="noteref" id="xd24e2505src" href="#xd24e2505" name= -"xd24e2505src">249</a> stucken, maer in ly, dewijl het schip soo -schrickelijck rolde en slingerde, konden wy niet schrab raecken; most -hem inde nacht soo behelpen, maer met den dagh hackten wy alles af dat -wy konden sien en raeckten soo van de vleet ontslagen<a class="noteref" -id="xd24e2508src" href="#xd24e2508" name="xd24e2508src">250</a>. -<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name= -"pb125">125</a>]</span></p> -<p class="par">’s Morgens sagen wy rontom nae onse twee mackers, -maer mistender een, te weten het schip Gouda, maer ’t schip -Middelburgh lagh te loefwaert van ons. Was alle sijn masten quijt, met -boeghspriet, gallioen en al, uytgesondert sijn besaens-mast. Waren -alsoo beyde in een soberen staet. Goeden raedt was dier. Het schip -Gouda deed’ hem niet op, vreesden dat het ghesoncken was; -ghelijck het oock is, soo naest te ghelooven is: want ’s nachts -waren wy door een plaets gedreven daer het water heel bruyn, en -slechter<a class="noteref" id="xd24e2514src" href="#xd24e2514" name= -"xd24e2514src">251</a> was als anders; eenighe schepten met de puds -daer in, seyden dat sy peper schepten; viel ons doe al op de leden, dat -het met een of beyde onse mackers niet wel gestelt most wesen. Hoewel -wy ’t niet op ’t beste hadden, soo gaf ons dit verlies van -’t schip Gouda een groote herten-wee.</p> -<p class="par">Het worde ’s anderen-daeghs goedt weder. Het schip -Middelburgh lagh (als geseydt) te loefwaert van ons, maer konden by -malkander niet komen; lagen beyde gaer als in onmacht. Voor dagh schoof -Middelburgh sijn sloep over boordt en roeyden naer ons toe; quamen -metten dagh achter ons schip, onder de geldery, en riepen aen ons, waer -door wy verschoten<a class="noteref" id="xd24e2519src" href= -"#xd24e2519" name="xd24e2519src">252</a> dat het te wonder was, want wy -waren daer niet op verdacht datter volck ontrent ons was. Saghen uyt de -geldery, hoorden dat het de sloep van Middelburgh was, lieten de -val-reep achter uyt hanghen, daer de schipper by over quam, ghenaemt -Jan Dijcke van Vlissingen, met noch een ander. Vertelden ons haer -wedervaren en hoe dat sy gestelt waren, en wy haer het onse. Klaeghden -ons, dat sy alle haer masten en gereetschap quijt waren, en soo wy haer -niet konden ontsetten, dat sy geen landt souden konnen krijgen. Wy -hadden onse focke-mast en boegh-spriet met de besaens-mast noch -behouden, als mede onse groote ree, door dien ick onse rees om laegh -hadde doen strijcken weynigh te voren eer de windt aen quam, en sy -hadden haer rees omhoogh laten staen; <span class="pagenum">[<a id= -"pb126" href="#pb126" name="pb126">126</a>]</span>waren daerdoor al de -vleet quijt. Doch de beste boegh most voor. Resolveerden daerom dat wy -Middelburgh souden overgheven onse groote ree, met onse voor-stengh, -met een spier van 14 palm, die wy noch in ’t schip hadden. Dan -hadden sy moet soo veel stompen te rechten<a class="noteref" id= -"xd24e2524src" href="#xd24e2524" name="xd24e2524src">253</a>, dat sy -hoopten landt te krijgen. Wierdt oock besloten: dat, als wy haer dit -souden overgheven, dat elck dan sijn best soude doen om het eerste -landt te krijghen datmen kond’; hadden het ghemunt op de Bay van -Sancte Losie<a class="noteref" id="xd24e2527src" href="#xd24e2527" -name="xd24e2527src">254</a>, aen ’t eylandt Madagascar.</p> -<p class="par">Dit wierde alsoo ghearresteert by den breeden raedt inde -kejuyt; en dewijl ick schipper was, most het commanderen aen het volck. -Als ick boven quam om te commanderen, stond het volck tegen my op, en -hadden daer veel tegen; seyden: „Wy hebben meerder noodt als -Middelburgh; wy willen ’t niet overgeven.” Daer stond ick -doe en keeck. Doch seyde met soete woorden: „Mannen, siet toe wat -ghy doet, want laten wy Middelburgh hier leggen in onmacht, ’t is -seker dat sy haer niet redden konnen, soo moeten sy vergaen, want sy -konnen geen seyl maecken. Wy zijn immer Christen-menschen, laten wy ons -oock Christelijck toonen. Denckt eens, wat wy wel souden willen, als wy -in haer plaets waren; laet ons dan oock dat selfde aen onse -even-naesten doen”. Gingh haer met soo veel moye woorden aen als -ick konde bybrengen.</p> -<p class="par">Ten laetsten schoolden sy by malkander, begonnen de -hoofden t’samen te steecken en seyden tegen malkander: „Wat -sullen wy doen? Wy zijn allijckewel<a class="noteref" id="xd24e2534src" -href="#xd24e2534" name="xd24e2534src">255</a> Christen-menschen, -gelijck de schipper seydt, en of<a class="noteref" id="xd24e2537src" -href="#xd24e2537" name="xd24e2537src">256</a> Middelburgh dan niet te -recht quam, wat hadden wy te seggen?” Quamen daer op wederom by -my voor de groote mast en seyden: „Wel schipper, als wy -Middelburgh <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= -"pb127">127</a>]</span>dit goedt bygheset hebben, moghen wy dan van hem -scheyen?” Waer op ick antwoorde: jae, dat het soo inde kajuyt -besloten was. Doen lieten sy het glijen; setten de stengh af, smackten -die met de groote ree met de 14 palms spier over boordt. Hier op namen -die van Middelburgh haer afscheydt en roeyden nae boort met het goedt -achter aen; souden malkander vinden inde Bay Sancte Losie, soo ’t -Godt gheliefde. Doe vraeghden ons volck wederom: „Mogen wy nu van -haer scheyden?” Ick seyde: „Jae”. Onse focke-ree lagh -neer; ick seyde: „Vat aen ’t cardeel vande fock, en hijs de -fock om hoogh”. ’t Welck sy datelijck deden en liepen de -fock ten eersten om hoogh, tot voor ’t hommer. Te voren scheen -het schier onmogelijck de focke-ree te hijssen, maer doen ’t een -willige wegh was, quam het niet eens aen.</p> -<p class="par">Den 22. dito zijn wy van Middelburgh ghescheyden, -stelden onse kours naer het eylandt Madagascar, dat ons het naeste was, -en kregen den 30. dito het landt in ’t gesicht. Seylden dicht by -’t landt; saghen wel eenighe drooghten branden<a class="noteref" -id="xd24e2544src" href="#xd24e2544" name="xd24e2544src">257</a>, doch -waren onverkent. Waren ontrent nae onse gissinge 8 a 9 mijlen beoosten -de Bay van Sancte Losie; wilden ons niet gaern vande wal af begheven, -om dat wy soo schaloos waren<a class="noteref" id="xd24e2547src" href= -"#xd24e2547" name="xd24e2547src">258</a>; hebben daerom gheresolveert -het ancker te laten vallen, was ontrent 25 vadem diep, en de sloep uyt -te setten en by de wal langhs te roeyen of te seylen, nae ’t te -pas quam, om te sien of wy de voorsz. Bay niet konden aentreffen. Hier -op ben ick met de gemande sloep van ’t schip afghesteecken. -Vonden de voornoemde Bay ontrent 8 a 10 mijlen van daer ’t schip -lagh; peylden de eylandtjes en de hoecken en diepten met het diep-loot, -over en weer over, en vonden dat het een bequame plaets was voor -’t schip. Dat ghedaen zijnde voeren verblijdt weder nae ’t -schip. Quamen ’s anderdaeghs wederom aen boort en vertelden alle -gelegentheydt <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name= -"pb128">128</a>]</span>wat ons wedervaren was. Lichten ons ancker en -seylden daer nae toe; brochten het schip met Gods hulp daer in, waer -door wy altemael vol vreucht waren; danckten Godt voor sijn -ghenade.</p> -<div class="figure xd24e2557width"><img src="images/p128.jpg" alt="" -width="720" height="517"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Den eersten April hebben wy goedt gevonden het schip te -lossen en tenten op ’t landt te maecken, om ’t goedt te -berghen en de lockgaten<a class="noteref" id="xd24e2561src" href= -"#xd24e2561" name="xd24e2561src">259</a> te klaren. En alsoo ick met de -sloep aen landt voer, sach ick dat de zee vrij wat aenliep; docht my -daerom dat het niet gheraden was om ’t goedt aen landt brenghen, -want sou sijn perijckel loopen om schuyt ende boot stucken te krijgen. -Hebben hierom besloten het ruym te lossen en het goedt in ’t -schip te houden; het welck wy deden. Droeghen het goedt voor uyt het -schip met sacken, en storten de constapels kamer vol in ’t -boevenet; kregen het voor-schip met der haest heel leegh. Maeckten een -beschot dwars over teghen de groote mast aen, dat het goedt ons van -achter niet konde toekomen; namen doe de vullingen op, klaerden de -wrangen en de lockgaten; schoren doe touwen van voren na achteren door -de lockgaten, om die klaer te houden, of sy by ongeluck weer -verstopten. Doe brochten wy het goedt uyt de constapels-kamer en -boevenet weder voor in. Dat ghedaen zijnde namen het goedt achter uyt, -en berghdent weder in de kamer en boevenet; klaerden daer de vullingen -en lockgaten oock. Schoren doe de touwen voort vande mast af door de -lockgaten, tot achter toe, soo dat wy by ghelegentheydt de touwen heen -ende weer konden halen door de lockgaten. Ondertusschen spraecken wy -met de inwoonders van ’t landt. Wy wesen haer dat onse mast en -onse doent<a class="noteref" id="xd24e2564src" href="#xd24e2564" name= -"xd24e2564src">260</a> soo onklaer was, en vraeghden offer geen raedt -was om een ander mast te krijgen. Sy konden onse meeninghe verstaen; -wesen ons landtwaert in; gingen met ons en toonden ons daer toe bequame -boomen. Seyden, dat sy ons souden helpen in alles wat wy van doen -hadden. Ick trock met volck, lijnen, taekels, bijlen en saghen -<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name= -"pb129">129</a>]</span>daer nae toe; kreghen ons gherijf<a class= -"noteref" id="xd24e2569src" href="#xd24e2569" name= -"xd24e2569src">261</a>; sleepten en brochten de houten met groote -moeyten ontrent ’t schip. Stelden de timmerluy te werck; maeckten -van ’t swaerste eynd van ’t hout, dat ontrent 18 palm dick -en 28 voeten langh was, een eynd’ op de stomp van onse -ghebroocken mast; saeghden een swaelf<a class="noteref" id= -"xd24e2572src" href="#xd24e2572" name="xd24e2572src">262</a> uit het -dickste eynd’ en hieuwen onse stomp, die ontrent, als gheseydt, -drie en een half vaem boven ’t boevenet hoogh was, scherp toe en -settender het nieuwe eynd op, in malkander sluytende. Leyden doe vier -wanghen daer op en woelden dat soo te samen, waer door het een sterck -hecht werck worde. Namen doe onse besaens-mars, saeghden die midden -door en setten de zijden soo verde van malkander als wy de -mars<a class="noteref" id="xd24e2576src" href="#xd24e2576" name= -"xd24e2576src">263</a> wilden wijt hebben, en vulden de gaten toe met -deelen<a class="noteref" id="xd24e2579src" href="#xd24e2579" name= -"xd24e2579src">264</a>, soo dat de mars goedt werde.</p> -<p class="par">Waren alle daghen besich om onse dinghen weder te -repareren, soo wel in ’t schip als aen landt. Wy hadden eenige -ysers, gelijck sy inde lijnbanen ghebruycken om tou-werck te slaen. -Stelden een lijnbaen op ’t landt toe; hackten een van onse -sware-touwen meest aen enden, dedense los en sloeghen al ons loopende -wandt daer af<a class="noteref" id="xd24e2584src" href="#xd24e2584" -name="xd24e2584src">265</a>. Verbesinghden<a class="noteref" id= -"xd24e2587src" href="#xd24e2587" name="xd24e2587src">266</a> ten -naesten by een geheel tou. Voort namen wy onse cabel-touwen, hacktense -stucken en maeckten daer onse groote wandt van. Sochten ons self alsoo -te behelpen, het best dat wy konden.</p> -<p class="par">Het geruchte gingh daer wijt en breet door ’t -landt, dat wy daer waren; daer op quamen d’ inwoonders van wijt -en zijt, dreven haer beesten voor haer henen tot by ons, daer sy haer -neer sloeghen. Stelden haer tenten op, brochten ons alles wat sy -hadden: appelen, lemoenen, ceteroenen en melck, die sy eerst opwelden, -eer sy die aen ons vercochten, om dat sy niet mochte <span class= -"pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name= -"pb130">130</a>]</span>deuren, want was datelijck goor. Ruylden en -kochten oock van haer eenighe beesten. Haer visschers voeren -t’zee en brochten ons die vis, die wy van haer ruylden of -kochten. Dit volck waren ons heel toeghedaan; wesen ons, dat sy vyanden -hadden op ’t selfde landt. Versochten door beduydinge, of wy haer -wilden helpen, soo souden sy ons alles doen wat sy konden. Hier viel -oock was en honigh; verkochten een deel aen ons.</p> -<p class="par">Wy verstonden uyt haer, dat haar coningh Spaens sprack, -die een dagh reysen 5 a 6 van daer woonde. Wy stuerden twee van onse -maets nae den coningh toe, om te vragen of hy ons eenige rijs wilde -verkoopen; de een was ghenaemt Abraham Stevensz. van Vlissingen, die -goedt Spaens sprack, met noch een ander jongh-man. Sy quamen by den -coningh, wierden van hem wel ontfangen. Sy deden haer boodtschap, -versochten eenige rijs te koop. Maer den coningh seyde, dat sy dat jaer -seer ghequelt hadden geweest vande sprinck-hanen, die de rijs meest -opge-eten hadden; het welcke voor my wel te gelooven was, want ick heb -self gesien (nae dat ick een stuck landtwaert in was geloopen), dat de -sprinck-hanen op quamen rijsen uyt het landt, offer een wolck quam -aendrijven; vloghen my op ’t lijf en op de borst, soo dick by een -dat ick mijn aessem qualijck konde krijgen. Sy hadden vleugelen om te -vliegen, en op ’t landt staende hiptense als andere hip-hanen. De -coningh seyd’, datse altemet wel 3 a 400 mannen konden stellen, -om de rijs te bewaren en de sprinck-hanen daer van te houwen, maer hulp -weynigh. Konden daerom geen rijs krijgen. Wy saghen dat de inwoonders -de sprinck-hanen namen en streecken daer de vleugels af, leydense op -’t vyer te braden en atense op. Wesen ons dat wy ’t mede -doen souden, doch wy hadden daer geen lust toe. De coningh quam nevens -onse twee maets by ons by ’t schip; schonck ons vier beesten, -daer voor wy hem twee musquetten gaven. Seyde ons doe oock, dat hy -gheen rijs missen mocht.</p> -<p class="par">Nae dat wy hier 11 dagen gelegen hadden, soo is den Heer -Commandeur Cornelis Reyersz. gestorven en inden Heer gerust. -<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= -"pb131">131</a>]</span>Begroeven hem op een eylandt (dat voor inde Bay -leydt) vol geboomte, onder een lustigen groenen boom, de beste die wy -vonden<a class="noteref" id="xd24e2601src" href="#xd24e2601" name= -"xd24e2601src">267</a>.</p> -<p class="par">Op dit over-lijden is dit Veersken gepast:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">De doodt die volght ons over al</p> -<p class="line">En niemandt weet den tydt wanneer,</p> -<p class="line">Noch waer dat hy ons treffen sal,</p> -<p class="line">’t Zy Oost of West, dan Godt den Heer,</p> -<p class="line">Maer wie hem met Godts wil vernoeght</p> -<p class="line">Die is te vreen, hoe hy het voeght.</p> -</div> -<p class="par first">Onse musquettiers schooten driemael af over de -begraeffenis, en uyt het schip worden 5 schooten geschooten; namen doe -onse afscheyt van het graf. Trocken wederom aen ’t werck, om onse -scheeps-saecken klaer te maecken. En alsoo het volck dickwils uytwegen -en meerder wellust als werck socht, en ick wetende in wat staet wy -waren, vermaende het volck alle daghen met soete woorden: -„Mannen, laten wy doch ons beste doen om klaer te worden, op dat -wy onsen tijt hier niet versuymen, want wy sijn maer voor 8 maenden -ghevictalieert, en versuymen wy hier onsen tijdt ende eten die -victualie op, soo moeten wy weerom nae Batavia”; en daer (wist -ick wel) hadden sy geen sin aen. Sprack haer derhalven een moet aen, en -in plaets van gebieden most ick smeecken; gelijck in sulcke -gelegentheydt meermalen gheschiedt: Want wy hadden noch veel werckx te -doen. Hier wast met my gelijck alst met Scipio Affricanus was, die (nae -ick wel gehoort heb) dickwils plagh te seggen: „ick ben -nimmermeer min ledigh, dan als ick ledigh ben, en nimmermeer min -alleen, dan als ick alleenigh ben.” Want ick hadde ’s -nachts ghenoegh te doen met te practiseren, hoe wy ’t des -<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name= -"pb132">132</a>]</span>daeghs souden aenleggen met maecken en -toe-stellen, en om met vrede een yder op sijn werck te stellen, soo dat -de maets in ’t eynde als overtuyght wierden in haer gemoet, dat -een yder sijn best dede, tot den 22. April toe; doen waren wy wederom -klaer en lagen, met de rees in ’t cruys<a class="noteref" id= -"xd24e2626src" href="#xd24e2626" name="xd24e2626src">268</a>, gereet om -onse reyse te vervorderen. Haelden onse water-vaten vol water, en ons -volck kreghen soo veel appelen en lemoenen als een yder in sijn koy -konde bergen.</p> -<p class="par">D’ inwoonders van dit landt waren meest heel -swart; sommige hadden het hayr by ’t hooft hangen, sommighen -ghekrult als schaeps-wol. De vrouwen hadden ’t hayr rontom -’t hooft met kleyne vlechtjens ghevlucht en dat smeerden sy met -traen, dat het glom tegen de son, ’t welck de mannen meest mede -deden. De meesten-deel hadden geen meer als een kleetjen om de middel, -om haer schaemte te bedecken, en sommige gingen heel naeckt sonder -schaemte.</p> -<p class="par">Den 23. dito besloten wy, om des anderdaeghs morgens met -de landt-windt t’seyl te gaen, maer inde selfde nacht sijnder -twee van onse maets, die de wacht hadden, met onse kleyne schuytjen aen -landt ghevaren en liepen wegh by de Swarten, dat wy haer niet konden -vinden. Waren daer in heel verwondert, want sy hadden het gantsche -schip mede helpen klaer maecken en liepen juyst den lesten nacht wegh, -en dat by sulck barbarisch volck, daer ick niet konde mercken datse van -Godt of sijn gebodt wisten. Eenen van dese wegh-loopers was genaemt -Hilke Jopkis uyt Vrieslandt, en den ander Gerrit Harmesz. van Norden. -Wy maeckten gissingh, datse haer te veel vermenght hadden met de -vrouwen, die door schoon-schijnende beloften haer herten ghetrocken -hadden om daer te blijven; want de vrouwen krachtige instrumenten sijn -om de mannen te verleyden: waer toe de exempelen onnoodigh sijn op te -halen. Siet alleen op Samson, David en Salomon. Wy saghen alhier veel -kinderen loopen, die bykans <span class="pagenum">[<a id="pb133" href= -"#pb133" name="pb133">133</a>]</span>blanck waren, met blanckachtigh -hayr by ’t hooft hangen; maeckten gissinge die van Hollanders toe -ghestelt te wesen, die voor ons wel meer in die Bay gheweest hadden. -Die vrouwen waren heel graegh om by ons volck te converseren, want -hadder op dese plaets soo wel wijn ofte bier te koop gheweest alsser -vrouwen waren te krijgen, wy hadden ons werck soo dra niet uytgherecht. -Maer nu als sy by die vrouwen hadden gheweest, quamen als lammeren mack -weerom aen haer werck. Dit segh ick van veele, de vromen -uytgesondert<a class="noteref" id="xd24e2635src" href="#xd24e2635" -name="xd24e2635src">269</a>.</p> -<p class="par">Door ’t wegh-loopen van dese twee maets is ons -vertreck noch een dagh langer getardeert, want wy liepen die dagh noch -aen landt om haer te soecken; kreghense wel in ’t ghesicht, maer -sy ons wijs wordende liepen van ons af, soo dat wy haer daer mosten -laten.</p> -<p class="par">Doe sijn wy den 25. April met de landt-windt -t’seyl ghegaen; liepen om de Suyd met redelijck weer, tot den 10. -May, met een westelijcken windt; kreghen veranderingh van wint en weer, -met regen, den wint heel ongestuymigh uyt den W.S.W. Wendent als doen -Noordtwaert over; vernamen dat wy noch soo veel dwangh van seyl achter -niet en hadden, dat wy aende windt konden over wenden<a class="noteref" -id="xd24e2642src" href="#xd24e2642" name="xd24e2642src">270</a>; liepen -voor de windt om en staecken by de windt over, om boven ’t -eylandt Madagascar te seylen. Het weer nam alle daghen aen, met -stercken W.S.W. wint, soo dat wy onse marsseylen mosten in-nemen en -lietent al deur staen<a class="noteref" id="xd24e2648src" href= -"#xd24e2648" name="xd24e2648src">271</a> boven Madagascar heen, tot dat -wy het vaste landt den 28. May in ’t gesicht kregen, ghenaemt -Terra de Natal. By ’t landt komende wierdt het moey weer met een -klare lucht, maer de dijningen heel hol, die vande Caep de Bonesperanse -quamen afschieten. Wendent alsdoen van de wal af, vernamen datter een -harde <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name= -"pb134">134</a>]</span>stroom by de wal uyt-liep, die ons nae de Caep -toe trock; was een wonder om sien, dat het landt soo hart -vertierde<a class="noteref" id="xd24e2653src" href="#xd24e2653" name= -"xd24e2653src">272</a>, ’t welck ons goede moet gaf om boven de -Caep te komen.</p> -<p class="par">Kregen ’s nachts weder onstuymigh weder met mist -en regen, waer door wy 3 a 4 daghen vande wal afliepen, met -schovers-seylen<a class="noteref" id="xd24e2658src" href="#xd24e2658" -name="xd24e2658src">273</a>; hadden den windt al westelijck met holle -dijningen uyt alle oorden, soo dat het schip sijn leden dickwils -versette dat het kraeckte. Had het geen sterck schip geweest, het had -niet mogelijck gheweest om heel te blijven. Doen het weer wat bedaerde, -leyden wy ’t weer Noordt-waert over, nae de wal toe; konden door -’t onstuymigh weer geen hooghte nemen, doch lietent soo langh -deurstaen dat wy ’t landt sagen; doen klaerdent weder op. Namen -de hooghte en bevonden 35 graden, waer uyt wy saghen, dat het het landt -van de Caep Augueles was, die op de hooghte van 35 graden -leydt<a class="noteref" id="xd24e2663src" href="#xd24e2663" name= -"xd24e2663src">274</a>. Wendent van de wal af; kregen een W.S.W. windt -met reghen; begon weder soo stijf te waeyen en de zee liep soo teghen -malcander aen en sloegh in ’t schip, dat het scheen het schip -inde zee soude versmoren; doch door Godts genade worstelden wy daer -noch deur, dat geheel onghesien scheen.</p> -<p class="par">Dit duerde 4 dagen; lagen nu met een seyl en dan met -twee schovers-seylen by. Ons schip was soo stijf<a class="noteref" id= -"xd24e2669src" href="#xd24e2669" name="xd24e2669src">275</a>, dat wy -sonder seyl niet wel konden drijven.</p> -<p class="par">Den 6. Junij begon het water slecht<a class="noteref" -id="xd24e2674src" href="#xd24e2674" name="xd24e2674src">276</a> te -worden en kreghen heel goet weer. Namen de hooghte; bevonden 32 graden -en 16 minuten, waer uyt wy bevonden, dat wy boven of binnen de Caep de -Bonesperance waren<a class="noteref" id="xd24e2677src" href= -"#xd24e2677" name="xd24e2677src">277</a>, want de Caep leydt op 34 en -een halve graad. Doe wierd’ het handt over handt sulck vast -<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name= -"pb135">135</a>]</span>moy weer, dat het scheen dat wy inden Hemel -waren, daer wy te voren schenen inde Hel te wesen. En daer wy te voren -versuft en schier hopeloos waren, om boven de Caep te komen, waren wy -met de stroom tegen de windt aen met dat vreeselijck weer daer boven -gedrongen, tot onser aller verwonderinge; en daer wy te vooren schier -gheen of weynigh seyl konden voeren, konden wy nu wel alwaert twee -marsseylen hoogh voeren. Setten onse koers nae ’t eylandt Sancte -Helena; kregen een S.O. en O.S.O. windt, met moye koelte.</p> -<p class="par">Den 14. Junij kregen wy het selfde in ’t gesicht, -daer in wy altesamen seer verblijdt waren. Liepen dicht by de wal -langhs. Om de hoeck komende, alsmen na de Kerck-vley<a class="noteref" -id="xd24e2687src" href="#xd24e2687" name="xd24e2687src">278</a> toe -komt, daer de waterplaets is, saghen wy een Spaensche kraeck recht voor -de Kerck-vley leggen<span class="corr" id="xd24e2690" title= -"Bron: ,">.</span> Soo haest sy ons gewaer wierden, brochten sy een -worp uyt<a class="noteref" id="xd24e2693src" href="#xd24e2693" name= -"xd24e2693src">279</a> nae ’t landt toe, en korten met het achter -gat dicht aen landt met sijn ancker t’zee, en voerden datelijck -eenigh geschut met de boots aen landt en maeckten een batery op -’t landt. Wy met het schip Hollandia, hem te met naeckende, -kreghen een dwarrel-windt, dewijl het landt seer hoogh is en de winden -over ’t landt dwarrelden; konden hem daerom niet beseylen of by -hem komen, want ons voornemen was hem datelijck aen boordt te legghen, -sijn touwen af te hacken, en met hem in zee te gaen. Haddent genoegh -konnen doen, want sijn geschut lagh soo hoogh, dat wy met ons schip wel -onder sijn geschut konden legghen. Hadde onse aenslagh geluckt, wy -twijffelen niet of souden hem vermeestert hebben; doch door de selfde -dwarlinge quamen op een musquets schoot by hem.</p> -<p class="par">Wy manden onse sloep; stuerden den onder-coopman Harmen -de Coningh (was uyt den Haegh van daen) met een vreed-vaentje -<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name= -"pb136">136</a>]</span>nae haer toe. Sy dat siende manden haer boot -metter haest en quamen ons volck inde moet tusschen bey de schepen. -Verpreyden malcander<a class="noteref" id="xd24e2700src" href= -"#xd24e2700" name="xd24e2700src">280</a>. Vraeghden ons waer wy van -daen quamen. De onsen seyden van Java, en dat wy van ons -compagnie<a class="noteref" id="xd24e2703src" href="#xd24e2703" name= -"xd24e2703src">281</a> verdwaelt waren, die wy alle uren verwachten. De -onse vraeghden waer sy van daen quamen; seyden: van Goa. Vraeghden -vorder (alsoo sy de waterplaets in hadden) of sy wilden toelaten, dat -wy quamen en haelden water, ’t welck wy noodigh van doen hadden, -en dat hebbende soo wilden wy datelijck vertrecken. Waer op sy riepen: -„Anda pero, anda canaly,” met veel smadighe woorden meer. -Doe keerden ons volck met de sloep weder nae ’t schip; vertelden -ons haer wedervaren.</p> -<p class="par">Daer op hebben wy datelijck den scheeps-raedt vergadert, -overlegghende wat ons hier te doen stondt. Vonden goedt dat de sloep -datelijck weder nae haer toe soude varen, om te vraghen hoe of sy haer -beraden hadden: of wy souden komen water halen ofte niet, en soo sy als -vooren dat niet wilden toestaen, soo souden sy wederom t’scheep -komen, en men soud’ haer noch soo veel tijdt gheven om haer te -bedencken, datmen een glas<a class="noteref" id="xd24e2708src" href= -"#xd24e2708" name="xd24e2708src">282</a> soude omkeeren, en soo sy eer -’t uytgeloopen was quamen en stonden ons versoeck toe, soo souden -wy haer met vreden laten, en soo niet, souden daer datelijck in -branden<a class="noteref" id="xd24e2711src" href="#xd24e2711" name= -"xd24e2711src">283</a>. Met dese resolutie is de sloep weder met een -vreed-vaen naer haer toe gheroeyt. Sy quamen ons volck weder met haer -boot in ’t ghemoet. Daar stondt een munnick met een kap op -’t hooft in haer boot, die ons volck verpreyde. Onsen -onder-coopman De Coningh sijn reden ghedaen hebbende, kreegh verkeert -antwoordt als vooren: <span class="pagenum">[<a id="pb137" href= -"#pb137" name="pb137">137</a>]</span>„Anda pero, anda canali! Wy -willen jou hier niet sien; wegh van hier!” Onse volck aen boort -komende hebben dit rapport aen ons gedaen. Doe lieten wy datelijck de -klock luyden, deden ’t gebedt, setten een glas van een half uer -op de spil, en soo dra het selfde glas uyt was gheloopen en wy haer -niet saghen komen, hebben wy datelijck vyer op haer ghegheven met halve -cartouwen<a class="noteref" id="xd24e2719src" href="#xd24e2719" name= -"xd24e2719src">284</a>, daer van wyder elf hadden, en schoten inde -kraeck dat het rammelde, want hij goet te raecken was; sijn voor-schip -ofte casteel was soo ’t scheen soo hoogh als ons voor-mars, -alhoewel wy een schip hadden van vijf hondert lasten. Wy schooten daer -soo langh op, tot dat sy weynigh meer uyt de kraeck schooten, maer met -het gheschut, dat sy uyt de kraeck op ’t landt hadden ghehaelt en -op haer ghemaeckte batery hadden ghestelt, schooten sy ghestadigh in -ons schip of syter met handen in-leyden. Want elcke schoot wasser een, -dat raeckte, 2, 3 a 4 voeten boven ’t water, soodat wy vreesden, -dat sy ons inde grondt souden schieten; kregen oock eenige ghequetsten. -Onder alle worde onse onder-timmerman, ghenaemt Bokjen van Dort, beyde -sijn beenen afgeschoten; leefde noch een weynigh tijdts, maer storf -datelijck; waerdoor wy daer niet konden blijven leggen. Resolveerden -een worp uyt te brengen nae de wal toe, daer eenige klippen lagen. -Korten achter die klippen, tot dat wy vry van haer schieten waren vande -batery.</p> -<p class="par">Wy lagen doen soo dicht aen ’t landt, datmen met -een steen konde op ’t landt smacken. Doen wert het nacht. Wy -ontboden alle de officieren inde kejuyt, met de bottelier daer by; -vraeghden hem hoe veel water wy noch hadden, en reeckenden het over hoe -veel water dat wy van doen hadden, wetende dat wy <span class="corr" -id="xd24e2724" title="Bron: de de">de</span> Linie Equinoctiael noch -mosten passeren, en dan kond’ het noch langh dueren eer wy in -Hollandt quamen. Bevonden derhalven dat wy niet meer als vier mutskens -water daeghs konden geven. Over sulckx vraeghden wy de officieren, ende -d’ officieren spraecken met het volck, wat haer daer van docht: -of sy wilden <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= -"pb138">138</a>]</span>vechten als den desperaten tegen de vyandt om -’t water, die de water-plaets in hadde, dan of wy onse reyse -souden vervorderen nae ’t Vaderlandt en te vreden wesen met vier -mutskens water ’s daeghs. Dit aldus rontom gevraeght zijnde, soo -wierde eenstemmigh met alle officieren en boots-volck goedt ghevonden -onse reyse te vervorderen, te vreden wesende met 4 mutskens water -’s daeghs. Lichten datelijck ons ancker om t’seyl te -gaen.</p> -<p class="par">Maer metten dagh, alsoo wy doende waren om van ’t -landt te boechseerden<a class="noteref" id="xd24e2731src" href= -"#xd24e2731" name="xd24e2731src">285</a>, quamen de Specken boven op -’t landt met musquetten en schoten van boven neer in ’t -schip en nae de boot, datmen qualijck dueren kond’; doch raeckten -noch (met Godts hulp) vande wal af. Hadden wy daer een uer langher -gebleven, het soud sijn perijckel gheloopen hebben, of wy niet veel -volck verlooren souden hebben.</p> -<p class="par">Dese voorgemelde kraeck is (soo my naderhandt onderrecht -is), door dat wy hem soo ghetreft hadden, daer legghende, ghesoncken. -Want daer nae quamender noch ses Hollandtsche schepen aen om te -ververschen, die sagen hem inde grondt legghen en de Portugijsen hadden -het goedt, soo veel sy konden, op ’t landt gheberght, nevens het -geschut, ’t welcke sy op een batery hadden gestelt, die sy -opgheworpen hadden. Daer schooten sy soo gheweldigh van nae dese ses -schepen, dat sy niet landen kosten; mosten daerom, ghelyck als wy, -sonder te ververschen vertrecken.</p> -<p class="par">Wy stelden onse koers N.W. aen, nae het eylandt -Ascention toe, met een goede wint en stijve voortgangh; doch sagen het -niet. Alleen sagen wy, doe wy vermoeden daer ontrent te wesen, een -groote menighte van zee-gevogelte. De wint begon al handt over handt -aen te nemen, soo veel als wy voeren mochten; met welcke stijve windt -wy de Linie Equinoctiael sonder hinder passeerden, daer wy op onse -uytreyse wel ses weecken over <span class="pagenum">[<a id="pb139" -href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>doende waren eer wy die -passeeren kosten, meest met stilte en dan altemet harde -travaden<a class="noteref" id="xd24e2740src" href="#xd24e2740" name= -"xd24e2740src">286</a>, soo dat het scheen dat het al stucken waeyen en -reghenen sou, wat om en aen was.</p> -<p class="par">Den 12. September, nae dat wy drie daghen min als drie -maenden van St. Helena gheweest waren, quamen wy op de hooghte van 24 -graden 34 minuten benoorden de Linie Equinoctiael. Hier kregen wy oock -beter weer, dreven doe in stilte, trocken ’s morgens na ’t -schaffen van de vroo-kost te werck, gijden onse seylen op<a class= -"noteref" id="xd24e2745src" href="#xd24e2745" name= -"xd24e2745src">287</a>, schraepten en boenden onse schip buyten om de -groente af, want het was gheweldigh ruygh bewossen<a class="noteref" -id="xd24e2748src" href="#xd24e2748" name="xd24e2748src">288</a>; -hoopten dat het in ’t seylen te beter veerd soude maecken.</p> -<p class="par">Den 13. dito wast moy weer met een labber koelte uyt den -O.S.O.; gingen Noord-Oost ten Noorden aen.</p> -<p class="par">Den 15. dito S.S.W. windt, de koers als voren; namen -’s middaeghs hooghte en bevonden 28 graden Noorder-breete. -Sloegen onse fock af en sloegen een ander weder aen.</p> -<p class="par">Den 16. dito veranderden wy oock van voor-marsseyl; -saghen veel steen-kroos drijven; de koers als voren, met een moye -doorgaende S.W. windt.</p> -<p class="par">Den 17. dito namen wy de hooghte van 30 graden 48 -minuten; veranderden oock van groot marsseyl; met variable winden. Des -nachts liep de windt Noord Oost en Oost, met donder en blixem; namen -onse marsseyls in.</p> -<p class="par">Den 18. dito setten wy onse marsseylen daer weder by, -met onse blind’; de koers N.O. Was mistigh en somtijdts regen; -konden geen hooghte bekomen.</p> -<p class="par">Den 19. dito begon het soo stijf te waeyen uyt den -S.S.W. en S.W. dat wy de marsseyls in-namen en onse blinde waeyde wegh. -Onse groot seyl, ’t welck wy oock wilden in-nemen, sloegh oock -<span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name= -"pb140">140</a>]</span>stucken. Lietent met de fock die nacht -door-staen; teghen den dagh nam het weer af; setten onse marsseyls daer -weder by.</p> -<p class="par">Den 20. dito sloeghen wy een ander groot-seyl aen en een -blind’; namen hooghte, bevonden 35 graden 13 minuten -Noorder-breete.</p> -<p class="par">Den 24. dito was een donckere lucht met -reghen-kaken<a class="noteref" id="xd24e2770src" href="#xd24e2770" -name="xd24e2770src">289</a>; namen onse bram-stengh af.</p> -<p class="par">Den 26. dito hadden wy de hooghte van 43 graden 12 -minuten.</p> -<p class="par">Den 27. dito de windt S.W., de koers N.O. ten N. Des -voormiddaeghs quammer een duyf op ons schip vlieghen, doch door dat het -volck soo begeerigh waren hem te krijgen is hy op-gevlogen en viel in -’t water neer. Namen hooghte en bevonden 44 graden 53 -minuten.</p> -<p class="par">Den 1. October wast moy weer, de wint O.S.O., de koers -by de wint over, N.O. ten N. aen. Namen ’s middaeghs de hooghte -van 48 graden 30 minuten, ’t welck de hooghte is van -Heysant<a class="noteref" id="xd24e2779src" href="#xd24e2779" name= -"xd24e2779src">290</a>.</p> -<p class="par">Den 2. dito, ’s morgens, sagen wy een seyl -Noordt-West van ons, ontrent 3 mijlen; gijden onse seylen op en wachten -hem in. Recht op de middagh quam hy by ons, verspraecken hem, was een -Engelsman dicht by Pleymuyden van daen, quam van Terneuf<a class= -"noteref" id="xd24e2784src" href="#xd24e2784" name= -"xd24e2784src">291</a>. Wy kochten twee duysent visschen van hem; -haelden de schipper aen ons boord, was genaemt Mr. Smal-Water. Gingen -O. en O. ten Suyen aen; worde reghenachtigh mottigh weer.</p> -<p class="par">Den 4. dito quam de Engelsman weer aen ons boort, die wy -nae vermoghen tracteerden; hadden de hooghte van 49 graden 46 -minuten.</p> -<p class="par">Den 5. dito begon ’t stijf te waeyen; onse fock -waeyde stucken. Doe dwaelde de Engelsman oock van ons. De windt was -S.S.W. <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name= -"pb141">141</a>]</span></p> -<p class="par">Den 6. dito sagen wy twee seylen, een dwars van ons en -een achter uyt. Gingen S.O. aen, om de Canael weder open te seylen. -Hadden de hooghte van 50 graden 20 minuten.</p> -<p class="par">Den 7. dito wast moy weer, de windt Suyen, de koers -O.S.O.; sagen geen schepen. Sloegen wederom een ander seyl aen.</p> -<p class="par">Den 8. dito hadden wy hooghte van 49 graden 42 minuten, -de windt als voren, doch liep welhaest West. De koers stelden wy S.O. -ten O., worpen doe, gelijck wy al eenige daghen van te vooren gedaen -hadden, het loot, maer konden gheen grondt bekomen. Recht nae de -middagh sturf capiteyn Strijcker; was capiteyn over de soldaten -geweest, zijnde een vroom<a class="noteref" id="xd24e2799src" href= -"#xd24e2799" name="xd24e2799src">292</a> en uytnement persoon, wel -geoeffent inde crijghs-handelingh; was van de Rijn-kant van Wesel of -daer ontrent van daen.</p> -<p class="par">Den 10. dito, des avondts, wierpen wy grondt op ontrent -70 vadem.</p> -<p class="par">Den 11. dito, des morgens, wierpen wy wederom grondt op -70 vadem en des avondts op 60 vadem, met grau-achtigh sant. Hadden de -hooghte van 49 graden en 55 minuten, de wint Suyen; stelden de koers O. -ten N. en N.O. aen.</p> -<p class="par">Den 12. dito wierpen wy op 50 vadem grondt en -continueerden alle vier glasen met het loot te werpen. Hadden doorgaens -50, 52 a 53 vadem, en des nachts wierpen wy 56 a 60 vadem, al wit grau -en somtijdts wat swarte sant-gront. Sagen doe oock een schip teghen ons -overkomen, doch worde soo mistigh dat wy hem weder verlooren.</p> -<p class="par">Des anderen daeghs was de windt Oost met nevelachtigh -mistigh weer en stilletjes. Een dagh 2 a 3 daer nae sagen wy landt, -’t welck wy bevonden Yerlandt te wesen. Liepen in -Kin-Sael<a class="noteref" id="xd24e2810src" href="#xd24e2810" name= -"xd24e2810src">293</a>, daer een Engels coninghs-schip lagh met twee -laghen gheschut, en alsoo ick wist, dat de Hollantsche Compagny, onse -<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= -"pb142">142</a>]</span>Heeren Meesters, met de Engelsche in geen goede -vriendtschap stondt, soo was ick beducht het volck soo overvloedigh aen -landt te laten gaen, vreesende voor eenigh onghemack van dit -coninghs-schip. Ick setten ’t<a class="noteref" id="xd24e2815src" -href="#xd24e2815" name="xd24e2815src">294</a> zee-waert van hem, dacht: -soo hy eenigh spel maeckt, soo konnen wy de zee kiesen, en soo hy ons -daer vervolght soo sijn wy hem getroost. Ick voer dat selfde aen boort, -nooden de Overste in ons schip, die quam; vraeghde hem nae alle -ghelegentheydt, onder anderen oock of hy oock eenighe last had om ons -eenigh leet te doen. Hy antwoorde van neen; was met ons vrolijck en -wel. Ick was noch niet gherust, liet aen landt een maeltijdt bereyden, -nooden hem daer op, droncken malcander eens toe, en onder de -vrolijckheydt des maeltijdts her-vraeghde ick: of hy geen last had om -ons aen te tasten. Seyde wederom van neen; verhaelde dat hy, terwijl wy -daer ghelegen hadden, nae Engelandt geschreven had, maer had geen last -tot sulckx ghekregen; doch ick dorst daer op niet veel vertrouwen.</p> -<p class="par">Ondertusschen quamen daer by ons twee Convoyers, die op -ons kruysten, die verstaen hadden dat wy daer laghen<a class="noteref" -id="xd24e2820src" href="#xd24e2820" name="xd24e2820src">295</a>. De -eene was capiteyn Jacob Jansz. van Edam en de ander was Pieter Gijsen -van Rotterdam. Doe was de rugh wat beter bewaert, oft het ten quaetsten -wilde afloopen.</p> -<p class="par">Hier dus leggende liep het volck soo gheweldigh aen -landt, dat ick niet veel kans sagh om haer scheep te krijgen. -Vermaendese, als ick by de sommige was, dat sy doch scheep souden -komen, dat wy onse reyse dienden te vervorderen, dat het herfstdagh -was, dat de winter op handen quam en dat wy een vuyl, onbeniert schip -hadden<a class="noteref" id="xd24e2825src" href="#xd24e2825" name= -"xd24e2825src">296</a>. Vertoonden haer de perijckel die daer was om -met sulcken swaren schip soo laet in de tijdt voor ’t -<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name= -"pb143">143</a>]</span>landt te komen; maer mochte weynigh helpen: het -volck bleef aen landt; ’t scheen of sy al in ’t Vaderlandt -waren, sy aten en droncken daer op aen.</p> -<p class="par">Ick gingh eyndelijck by den Meyer<a class="noteref" id= -"xd24e2833src" href="#xd24e2833" name="xd24e2833src">297</a> vande -stadt, vraeghden hem offer gheen raedt soude wesen om ons volck aen -boort te krijghen. Hy seyde neen, dat hy geen en wist; maer doe ick -sijn vrou gesproocken had en die een stuckje fijn lijn-waet vereert -had, doe seyde hy, als ick hem andermael vraeghde, dat hy daertoe wel -raet schaffen sou. Hy liet datelijck een parthy trommels de stadt -door-slaen en overal uytroepen, dat yder soude gewaerschout wesen, wie -eenige vande Hollanders vande Oost-Indisch-vaerder meer als 7 -schellinghen borghde, die soude dat quijt wesen. Op dit roepen wierden -de meeste part (alsoo haer schuit al meer beliep) ter deuren -uytgestooten; quamen by my. Ick wildese al nae boord hebben, maer sy -souden daer liever noch wat ghebleven hebben.</p> -<p class="par">Ick liet daer op de anckers op-winden, de seylen los -maecken en begost het gat uytwaert aen te seylen. Doe vielen sy in -schuyten en ander vaer-tuygh als mieren, en quamen aen boort. De -waerden en waerdinnen quamen oock aen boordt, spraken om haer gelt, -’t welck ick haer dede geven en op yders reeckeningh te boeck -aen-teeckenen. Hadden doe al ons volck weder scheep, behalven 3 a 4 -man, die haer met vrou-volck verlooft hadden, die sy daer nae trouden; -die lieten wy daer blijven. Gingen nevens de twee convoyers van daer -t’seyl en quamen met redelijcke spoet den 16. November Zeelandt -in. De Heere heb lof en danck, die my tot dus verre uyt soo veel -perijckelen gheholpen heeft, hebbende in ’t geheel uyt geweest -ontrent een maendt minder als seven jaer.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Hiermede hadde ick gemeent van schrijven op te houden, -dewijle mijn reyse voltrocken was. Maer alsoo ick voor verhaelt -<span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= -"pb144">144</a>]</span>heb, dat het schip Middelburgh den 22. Meert -1625 seer schadeloos<a class="noteref" id="xd24e2844src" href= -"#xd24e2844" name="xd24e2844src">298</a> van ons scheyden, met -voornemen malcander inde Bay van St. Losie te vinden, daer wy den 31. -dito quamen en den 25. April weder van daen ginghen, sonder in die -tijdt noch op onse gheheele t’ huys-reys hem gesien noch van hem -gehoort te hebben, noch naderhandt oyt te recht is gekomen, soo moet -ick (hoewel het juyst niet nootsaeckelijck aen mijn reyse behoort, doch -evenwel daer soo vreemt niet van en is, dat den Leser my sal kunnen -berispen mijn Journael met yets vreemts en onbetamelijcx vergroot te -hebben) den Leser mede-deelen het gene hem t’sedert onse vaneen -scheyden is weder-varen, nae de seeckerste tijdingh en -waer-schijnelijckste presumptie<a class="noteref" id="xd24e2847src" -href="#xd24e2847" name="xd24e2847src">299</a>. Te liever aenveerd ick -dese moeyten, om dat ick daer door oorsake sal hebben om den -naekomelinghen het eynde van onsen by yder vermaerde Hoorense Willem -Cornelisz. Schouten, mijnen bysonderen vriendt, mede te deelen, dat tot -yders ooren niet gekomen is, want hy (als geseydt is) op dit schip -Middelburgh was gegaen. De saecke dan is sulckx: Terwijle wy inde Bay -de St. Losie lagen, hoorden wy vande inwoonders, datter een schip inde -Bay van Antongiel lagh, doch wisten doe niet seecker of het Middelburgh -was of niet. Wy daer van daen gaende, hoopten hem aen St. Helena te -vinden of te verwachten, en daer door de Spaensche kraeck (als -verhaelt) niet aen konnende komen, voeren wy voort om onse reyse te -vervorderen. Naderhandt komt schipper Pieter Gerritsz. -Bieren-Broodts-Pot van Hoorn uit Oost-Indien aen de Caep de -Bonesperance, vindt daer brieven, die ’t schip Middelburgh daer -(nae ghewoonte) ghelaten hadde, waer in verhaelt stondt, dat sy -<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name= -"pb145">145</a>]</span>ghemeent hadden de Bay van St. Losie te -beseylen, als tusschen ons beslooten was, maer waren soo veel te laegh -gekomen, dat sy de Bay van Antongiel aentroffen en in-liepen en haer -daer weder van alles prepareerden dat noodigh was, en dat daer eenige -vande hare waren gestorven, onder anderen oock die boven-ghenoemde -Willem Cornelisz. Schouten, die sy daer begroeven.</p> -<p class="par">Op welcks overlijden dit volghende vers gemaeckt is:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">T’wijl Schouten in dees wer’lt, daer hy was -op ghevoedt,</p> -<p class="line">Geen rust en vond’, maer staegh door inn’ge -drift en lust</p> -<p class="line">In d’ and’re wereldt was, met ’t lijf -of met ’t ghemoedt;</p> -<p class="line">’t Is billick, dat hij dan in d’ -and’re wereldt rust</p> -<p class="line">Van al sijn woelery. Rust dan, vermaerde Ziel,</p> -<p class="line">In vreed’ tot saligheydt; doch soo u groote -gheest</p> -<p class="line">Niet kan besloten zijn in d’ enght van -Antongiel,</p> -<p class="line">Soo reyst (gelijck ghy hier in ’t leven -onbevreest</p> -<p class="line">Van ’t Oost nae ’t Westen seyld’ door -een verborgen vaert<a class="noteref" id="xd24e2873src" href= -"#xd24e2873" name="xd24e2873src">300</a></p> -<p class="line">De son een dagh en nacht verby in sijnen loop)</p> -<p class="line">En stijght oock boven hem ten hooghen Hemel-waert</p> -<p class="line">En rust in d’ eeuw’ge rust by Godt en -d’ Heiige Hoop.</p> -</div> -<p class="par first">Hier was het eynde van desen waerden man. Dese -brieven verhaelden vorder van haer weder-varen, in ’t particulier -hoe sy gestelt waren daer komende, daer leggende, en hoe en wanneer sy -daer weder van daen scheyden. Naderhandt en isser uyt haer noyt -tijdinge gekomen, soo dat het hier mede soud’ opghehouden hebben, -maer uyt de Portugijsen en uyt Portugael is noch jonger tijdingh van -haer gekomen, te weten: hoe dat het schip Middelburgh voornoemt, -komende by het eylandt St. Helena, van twee kraecken omcingelt worde, -waer teghen het wacker slaeghs was, en schoot eyndelijck de eene kraeck -inde brandt. De ander dat siende quam sijn macker te hulp om de brandt -te uytten, die sy, soo verhaelt wordt, uyt kreghen, maer alsoo de -Portugijsen <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name= -"pb146">146</a>]</span>vreesden door dit krabbelen van het eylandt -versteecken te worden en alsoo de nacht aen quam, raeckten sy van -malcanderen en lieten Middelburgh varen.</p> -<p class="par">Dit is de laetste tijdinge die van dit schip gekomen is; -vermoede sy onder wegen ghebleven of door dese slagh met de kraecken -soo veel ghekreghen hadden, dat sy daer van gesoncken zijn. Men soude -oock wel konnen vermoeden, dat sy door ghebreck van fictualie en -ververschinghe vergaen zijn, maer alsoo sy aen de Caep hadden aen -geweest en haer daer ververst, soo kan ick hier geen geloof in stellen. -Het is hoe ’t is, altijdt ist een beklaeghelijcke saecke, dat sy -niet te recht sijn gekomen en verplicht my tot eeuwige danckbaerheydt, -om dat Godt my, te weten met het schip Hollandia, soo genadelijck uyt -sulcke ooghen-schijnelijcke perijckelen geredt en geholpen heeft. Bidde -hem dat sijn goetheyt over my mach continueren, van nu tot inder -eeuwigheydt. Amen.</p> -<p class="trailer xd24e2889">EINDE.</p> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= -"pb147">147</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e735" href="#xd24e735src" name="xd24e735">1</a></span> De maat van -een volslagen Oostindievaarder van die dagen. Een last is twee van onze -tonnen. Men zou zich nu wel tien maal bedenken, om op een schip van -1100 ton de reis naar Indië te ondernemen, en dan om de Kaap nog -wel! <a class="fnarrow" href="#xd24e735src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e742" href="#xd24e742src" name="xd24e742">2</a></span> -„Hoofden”: Heads.—„Noch al”: nog -steeds.—„Pleymuyen”: Plymouth. Onze visschers en veel -van onze varenslui zijn nog steeds gewoon van „Pleimuiden” -en „Jarmuiden” te spreken. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e742src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e756" href="#xd24e756src" name="xd24e756">3</a></span> Het -„galjoen” is de ranke uitbouwing voor aan den boeg der -toenmalige schepen.—Met „boevenet” is hier -<i>niet</i> het traliewerk bedoeld, dat dit galjoen van onderen -afsluit, doch blijkbaar het hoogste verdek achter in het schip, -eigenlijk „bovenet” geheeten. Over het -„boevenet” zie elders.—De „boegpoorten” -zijn de twee voorste geschutpoorten ter weerszijden van het -schip. <a class="fnarrow" href="#xd24e756src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e762" href="#xd24e762src" name="xd24e762">4</a></span> De ruimte -beneden het onderste plankier van het schip. <a class="fnarrow" -href="#xd24e762src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e765" href="#xd24e765src" name="xd24e765">5</a></span> Te -slaan. <a class="fnarrow" href="#xd24e765src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e768" href="#xd24e768src" name="xd24e768">6</a></span> -„Brandende”: in branding; wat men een „kokende -zee” noemt. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e768src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e773" href="#xd24e773src" name="xd24e773">7</a></span> Nog steeds. -Vgl. boven, en voorts passim. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e773src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e776" href="#xd24e776src" name="xd24e776">8</a></span> -Brazilië was reeds in 1500 door den Portugees Cabral ontdekt en -werd in 1580 (na de verovering van Portugal onder Philips II) Spaansch. -Van 1624 tot 1654 was het in onze handen, doch werd prijsgegeven. Het -vaste land wordt hier echter niet bedoeld, doch het eiland dat op oude -kaarten als liggende tusschen Afrika en Z. Amerika voorkwam. Dat -Bontekoe aan dit denkbeeldige eiland „Atlantis”, zij het -dan ook onder voorbehoud, nog geloofde, of het met den vasten wal van -Brazilië vereenzelvigde, is wel opmerkelijk. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e776src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e783" href="#xd24e783src" name="xd24e783">9</a></span> De -„halzen” zijn de touwen waarmede de onderzeilen worden -omgetrokken. <a class="fnarrow" href="#xd24e783src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e786" href="#xd24e786src" name="xd24e786">10</a></span> Dat is -dus: boven het verdek. Vgl. de voorgaande bladz. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e786src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e790" href="#xd24e790src" name="xd24e790">11</a></span> D.w.z. de -steng, die anders boven op de groote mast gelascht is, daarvan los te -maken en door het marsgat naar beneden te laten zakken. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e790src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e793" href="#xd24e793src" name="xd24e793">12</a></span> -„Woelen”: met touwwerk omwinden.—„Bovenste -boevenet” vgl. hiervoor. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e793src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e796" href="#xd24e796src" name="xd24e796">13</a></span> -„Schevielen”: omloopen van den wind. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e796src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e804" href="#xd24e804src" name="xd24e804">14</a></span> -„Taliën” is takelen: met takels of katrollen aanhalen. -Een talie is een klein katrol. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e804src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e807" href="#xd24e807src" name="xd24e807">15</a></span> Het -grootzeil is het onderste razeil aan de groote, d.i. de middelste mast. -Het razeil daarboven heet het grootmarszeil; het bramzeil is het -bovenste razeil. Het bovenbramzeil werd in de eerste helft van de -17<sup>de</sup> eeuw nog niet gevoerd; topzeilen komen eerst in de -18<sup>de</sup> eeuw voor.—De masten die <i>in</i> het schip -staan heeten de <i>onder</i>masten, kortweg <i>masten</i>; zij worden -verlengd door de marsstengen, die voor den grooten mast „groote -steng” en voor den fokkemast „fokkesteng” worden -genoemd. <i>Op</i> de marsstengen staan dan weder de -bramstengen.—„Ree” = ra. <a class="fnarrow" -href="#xd24e807src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e831" href="#xd24e831src" name="xd24e831">16</a></span> Vgl. de -uitdrukking „kant en klaar”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e831src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e838" href="#xd24e838src" name="xd24e838">17</a></span> Onder -„verversinge” versta men: frisch water, maar vooral ook -groenten en ooft, waaraan op de lange reizen steeds behoefte was, om -scheurbuik onder het volk te voorkomen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e838src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e841" href="#xd24e841src" name="xd24e841">18</a></span> -„Ilje de May” en „Ilje del Foege” zijn twee der -Kaapverdische eilanden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e841src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e846" href="#xd24e846src" name="xd24e846">19</a></span> Versta: -overlangs, zoodat de beide helften plat tegen den mast gebonden konden -worden, als „wanghen”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e846src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e853" href="#xd24e853src" name="xd24e853">20</a></span> -„Vroo-kost”, d. i. vroeg-kost: het eerste schaften aan -boord. <a class="fnarrow" href="#xd24e853src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e856" href="#xd24e856src" name="xd24e856">21</a></span> Zetten -onze marszeilen bij. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e856src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e859" href="#xd24e859src" name="xd24e859">22</a></span> Buien, -valwinden. <a class="fnarrow" href="#xd24e859src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e864" href="#xd24e864src" name="xd24e864">23</a></span> Abriolhos -of Abrolhos: kaap en groep van lage rotsachtige eilanden, op de kust -van Brazilië, op 18° Z. br. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e864src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e868" href="#xd24e868src" name="xd24e868">24</a></span> Boven, te -boven. Versta: boven den wind, zoodat men de eilanden te loevert kon -passeeren. <a class="fnarrow" href="#xd24e868src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e871" href="#xd24e871src" name="xd24e871">25</a></span> -„Yder bacx-volck”: het volk van iederen bak, 6 a 10 man, -waren gehouden aan denzelfden bak te eten.—Spaansche wijn was de -gewone drank, die aan boord van onze schepen in de 17<sup>de</sup> eeuw -bij extra gelegenheden en ’s Zondags geschaft werd. Het -„oorlam” was in dezen tijd wel reeds bekend, maar nog lang -geen regel. Nog in 1793 leest men in een officieel bericht, dat op de -schepen der O. I. C. een voorraad van 9 aam „genever” -genoeg werd geacht voor 22 weken: „doordien veele haar randsoen -niet gebruyken”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e871src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e877" href="#xd24e877src" name="xd24e877">26</a></span> Tristan -d’Acunhe: voornaamste van een groep kleine eilandjes in den Z. -Atlantischen Oceaan. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e877src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e884" href="#xd24e884src" name="xd24e884">27</a></span> Dus zonder -miswijzing hoegenaamd. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e884src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e887" href="#xd24e887src" name="xd24e887">28</a></span> -„Ghebolde fock” is een gereefde fok met gevierde schooten. -De fok is het onderste razeil van den voorsten mast, die daarnaar -fokkemast genoemd wordt. Bij zwaar stormweer was men gewoon enkel voor -de fok te loopen, omdat in de 17<sup>d</sup>e eeuw de driehoekige -kluiver- en stagzeilen nog niet voor de driemasters gebruikt werden. -Zoo loopt op het bekende storm-schilderij van Willem van de Velde in -het Rijksmuseum het schip voor een „gebolde fok”, waarvan -beide de schooten zijn losgeslagen. Dat een schip op weg naar -Oost-Indië de Kaap de Goede Hoop <i>niet</i> aandeed is een -uitzondering; meestal ging men in de Tafelbaai een paar dagen voor -anker om te „ververschen”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e887src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e898" href="#xd24e898src" name="xd24e898">29</a></span> -„Mayottes”. De moderne naam van deze groep is: Comorische -eilanden, of kortweg Comoren. Zij liggen in het kanaal van -Mozambique. <a class="fnarrow" href="#xd24e898src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e903" href="#xd24e903src" name="xd24e903">30</a></span> Het -seinlicht, waarnaar het andere schip zich had te -richten. <a class="fnarrow" href="#xd24e903src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e908" href="#xd24e908src" name="xd24e908">31</a></span> -„Dragende houden”: bestendige koers houden. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e908src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e913" href="#xd24e913src" name="xd24e913">32</a></span> Het eiland -Mauritius, in 1598 door de Nederlanders op de Portugeezen veroverd en -naar Prins Maurits genoemd, werd in 1710 door ons verlaten en in 1715 -door de Franschen bezet, die het Isle de France noemden. In 1810 werd -het door de Engelschen veroverd en draagt nu weer zijn ouden -naam.—’t Eiland de Mascarinas is het tegenwoordige -Réunion. In 1505 werd dit eiland, met Mauritius, door den -Portugees Mascarenhas ontdekt en naar dezen genoemd. Sedert 1649 is het -Fransch. <a class="fnarrow" href="#xd24e913src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e916" href="#xd24e916src" name="xd24e916">33</a></span> Onstuimig -was; doordat er vrij wat „zee ging”. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e916src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e919" href="#xd24e919src" name="xd24e919">34</a></span> -„Schor”: steil afloopend. Van een kust gezegd; waar men dus -op geringen afstand van den wal geen ankergrond meer kan -vinden. <a class="fnarrow" href="#xd24e919src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e925" href="#xd24e925src" name="xd24e925">35</a></span> -„Waernemen en bekooken”: verzorgen en van warm eten -voorzien. <a class="fnarrow" href="#xd24e925src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e930" href="#xd24e930src" name="xd24e930">36</a></span> D.i.: -„van Damascus”. Gedroogde pruimen werden, ook als -voorbehoedmiddel tegen scheurbuik, steeds in genoegzame hoeveelheid -meegenomen: volgens voorschrift tenminste één pond per -man en per maand. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e930src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e937" href="#xd24e937src" name="xd24e937">37</a></span> Sloegen -ze. <a class="fnarrow" href="#xd24e937src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e940" href="#xd24e940src" name="xd24e940">38</a></span> -„Dod-eersen”: geen pinguins, zooals men uit de beschrijving -geneigd zou zijn op te maken, doch de daarmee verwante tropische vogel -„dod” of „dodo”, welke thans geheel is -uitgestorven en zelfs een poos lang voor mythisch werd gehouden. De -vermelding te dezer plaatse is merkwaardig. <a class="fnarrow" -href="#xd24e940src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e945" href="#xd24e945src" name="xd24e945">39</a></span> -„Meulen”: knijpen, drukken. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e945src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e953" href="#xd24e953src" name="xd24e953">40</a></span> Lieten het -anker vallen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e953src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e956" href="#xd24e956src" name="xd24e956">41</a></span> -„Vertuyen”: voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het -eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker) aan -den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip met -stroom of getij niet afzwaaien.—Men denke aan het slotkoor van -Hooft’s Granida: „Liefd’ en Min aen een -vertuyt”; of waar hij elders spreekt van „welige -vlechten”, die met „veel strickjens soo dertel sijn -vertuit”. Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief, -toesprekende): „Want aen uw oogen is zij vast -vertuyt”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e956src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e959" href="#xd24e959src" name="xd24e959">42</a></span> -„Boscharen” of „boschkaren”: verzamelen, -fourageeren. <a class="fnarrow" href="#xd24e959src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e964" href="#xd24e964src" name="xd24e964">43</a></span> -„Lege-leggers”: ledige watervaten. <a class="fnarrow" -href="#xd24e964src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e971" href="#xd24e971src" name="xd24e971">44</a></span> Adriaan -Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw, een van de -schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar O. I. deed. In -Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel in zee, bestemd -naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake is, -ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche -oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de -tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht -ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning te -brengen. <a class="fnarrow" href="#xd24e971src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e976" href="#xd24e976src" name="xd24e976">45</a></span> Voedden -zich. <a class="fnarrow" href="#xd24e976src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"n36.3" href="#n36.3src" name="n36.3">46</a></span> -„Worden” voor „werden”; ook -elders. <a class="fnarrow" href="#n36.3src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e992" href="#xd24e992src" name="xd24e992">47</a></span> -Portugeesch „sagueiro” is zoowel palmwijn als de boom, die -den palmwijn levert (suikerpalm). Elders: -„sageweer”.—„Way” of „wei” is -de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft’s tweespraak tusschen -Cephalus en Amaryllis:</p> -<div class="q"> -<div class="nestedtext"> -<div class="nestedbody"> -<div class="lgouter footnote"> -<p class="line">C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!—</p> -<p class="line">A. Wel neemt het <i>soete weij</i> van geijten -inne.</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<p class="par"> <a class="fnarrow" href= -"#xd24e992src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1022" href="#xd24e1022src" name="xd24e1022">48</a></span> D. i.: -onder den wind. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1022src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1025" href="#xd24e1025src" name="xd24e1025">49</a></span> -Moesson-winden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1025src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1028" href="#xd24e1028src" name="xd24e1028">50</a></span> -„Ontschieten”: te machtig worden. In eigenlijke beteekenis -van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand -schiet.—„Invallen”, n.l. de zieken. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1028src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1037" href="#xd24e1037src" name="xd24e1037">51</a></span> Messen -met koper hecht. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1037src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1042" href="#xd24e1042src" name="xd24e1042">52</a></span> -Savoyekoolen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1042src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1045" href="#xd24e1045src" name="xd24e1045">53</a></span> Dit -moet eveneens een vrucht zijn. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1045src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1056" href="#xd24e1056src" name="xd24e1056">54</a></span> -„Krengen”: het schip bij de masten overtakelen, zoodat het -scheef en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna -men het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als -dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene -zijde te verplaatsen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1056src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1061" href="#xd24e1061src" name="xd24e1061">55</a></span> -„Mutsje”: nap van bepaalden inhoud. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1061src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1064" href="#xd24e1064src" name="xd24e1064">56</a></span> -„Steker”: kandelaar met een punt, die in het hout kon -vastgezet worden.—„Boom” = bodem. Vgl. -Vondel’s: „Het is al boter tot den -boôm”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1064src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1067" href="#xd24e1067src" name="xd24e1067">57</a></span> -„Dief”: scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het -vet gaat afdruipen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1067src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1074" href="#xd24e1074src" name="xd24e1074">58</a></span> Nl. van -de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste verdek -achteruit. <a class="fnarrow" href="#xd24e1074src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1081" href="#xd24e1081src" name="xd24e1081">59</a></span> -Ontsteld. <a class="fnarrow" href="#xd24e1081src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1084" href="#xd24e1084src" name="xd24e1084">60</a></span> Van -benauwdheid. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1084src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1089" href="#xd24e1089src" name="xd24e1089">61</a></span> Wij -hieuwen daarna gaten in het tusschendek. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1089src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1094" href="#xd24e1094src" name="xd24e1094">62</a></span> -„Het water mannen” d.i.: de wateremmers van man tot man -doorgeven. <a class="fnarrow" href="#xd24e1094src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1097" href="#xd24e1097src" name="xd24e1097">63</a></span> -Ontsteltenis. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1097src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1100" href="#xd24e1100src" name="xd24e1100">64</a></span> -„Rusten”: dwarshouten buiten boord, waaraan het staande -want, dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1100src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1105" href="#xd24e1105src" name="xd24e1105">65</a></span> -„Gelderij”: de open gaanderij achter aan den spiegel van -het schip, waar de kajuit op uitkwam. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1105src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1108" href="#xd24e1108src" name="xd24e1108">66</a></span> -„Sticken”: stuk, aan stuk. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1108src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1113" href="#xd24e1113src" name="xd24e1113">67</a></span> D.w.z. -tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten bijdraaien, om het -vuur beter te kunnen blusschen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1113src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1116" href="#xd24e1116src" name="xd24e1116">68</a></span> In -vanglijnen („gijtouwen”) opgenomen. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1116src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1120" href="#xd24e1120src" name="xd24e1120">69</a></span> -Overzeilen en in den grond varen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1120src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1125" href="#xd24e1125src" name="xd24e1125">70</a></span> -„Naveger”; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote -houtboor, waaraan van boven een kruk of dwarsstang is -bevestigd.—Een „dopguds” is een holle -beitel. <a class="fnarrow" href="#xd24e1125src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1133" href="#xd24e1133src" name="xd24e1133">71</a></span> D.i.: -de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven, bij het -blusschingswerk. Vgl. boven. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1133src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1136" href="#xd24e1136src" name="xd24e1136">72</a></span> -„Manck”: tusschen, onder.—„Borden”: -planken. <a class="fnarrow" href="#xd24e1136src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1144" href="#xd24e1144src" name="xd24e1144">73</a></span> -„Inneckhouten”: inhouten of ribben. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1144src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1155" href="#xd24e1155src" name="xd24e1155">74</a></span> -„Loof”: vermoeid, afgemat. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1155src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1158" href="#xd24e1158src" name="xd24e1158">75</a></span> -„Willen”: zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met -werk (of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden -bevestigd of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door -stooten tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd -wordt. <a class="fnarrow" href="#xd24e1158src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1161" href="#xd24e1161src" name="xd24e1161">76</a></span> -„Platting”: van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had -te dienen; „platting” genoemd, omdat het plat was en niet -(als touw) gedraaid.—„Geerden”: de touwen waarmede de -gaffel in zijn stand wordt gehouden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1161src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1168" href="#xd24e1168src" name="xd24e1168">77</a></span> Een -bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die door zeelieden -bij ruw weer gedragen werd.—„Bolk”: hevige regenbui -of vlaag. <a class="fnarrow" href="#xd24e1168src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1171" href="#xd24e1171src" name="xd24e1171">78</a></span> Zoowel -op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: -„meester”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1171src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1178" href="#xd24e1178src" name="xd24e1178">79</a></span> -Zonshoogte namen. Op den „stock” was de graadverdeeling -aangebracht. „Cruys”: verstelbaar dwarshout. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1178src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1187" href="#xd24e1187src" name="xd24e1187">80</a></span> -„Scheren”: uitspannen. Vgl. den term „schering en -inslag” bij het weefgetouw. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1187src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1196" href="#xd24e1196src" name="xd24e1196">81</a></span> -„Blinde”: het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder -den boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.—„Bezaen” -is, zooals bekend, het zeil van den achtermast. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1196src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1203" href="#xd24e1203src" name="xd24e1203">82</a></span> -Geweerkogels. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1203src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1211" href="#xd24e1211src" name="xd24e1211">83</a></span> -Overreedde hen, bracht hen daarvan af. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1211src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1218" href="#xd24e1218src" name="xd24e1218">84</a></span> -„Dookig” of „dijzig” = mistig; een -„dikke” lucht, zooals de zeelui nu gewoonlijk zeggen, -hoewel de woorden dookig en dijzig nog bekend zijn. Bogaers gebruikt -het laatste in zijn „Schipper de Zwart.” <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1218src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1226" href="#xd24e1226src" name="xd24e1226">85</a></span> De -„voorlezer” was de godsdienstonderwijzer of wat iets later -„ziekentrooster” heet. De koopvaarders hadden meestal zulk -een persoon aan boord, om „het woord te bedienen”; grootere -oorlogsschepen of eskaders voerden doorgaans een „dominee”. -Was er geen predikant of voorlezer aan boord, dan was de schipper, of -bij het schaften de stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed -voor te gaan en ’s Zondags de preek te lezen uit een -„predicatie-boeck”. Van welk gehalte de zee-dominees soms -waren, daarover kan een plaats verder in dit journaal verrassend -inlichten! <a class="fnarrow" href="#xd24e1226src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1234" href="#xd24e1234src" name="xd24e1234">86</a></span> Klein -anker, bootanker. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1234src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"n55.2" href="#n55.2src" name="n55.2">87</a></span> Vgl. boven blz. -35. <a class="fnarrow" href="#n55.2src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1249" href="#xd24e1249src" name="xd24e1249">88</a></span> -„Barning”: branding. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1249src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1260" href="#xd24e1260src" name="xd24e1260">89</a></span> Effen, -kalm water. <a class="fnarrow" href="#xd24e1260src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1265" href="#xd24e1265src" name="xd24e1265">90</a></span> -„Toeback drincken”: zooals men weet in de 17<sup>de</sup> -eeuw de gewone term voor „rooken”. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1265src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1275" href="#xd24e1275src" name="xd24e1275">91</a></span> -Gewaar. <a class="fnarrow" href="#xd24e1275src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1283" href="#xd24e1283src" name="xd24e1283">92</a></span> Wij -ondervroegen elkaar. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1283src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1286" href="#xd24e1286src" name="xd24e1286">93</a></span> Een -„rejael” is een kleine Spaansche zilveren munt, -oorspronkelijk ter waarde van 3½ stuiver. Behalve dubbele en -vierdubbele waren vooral de <span class="ex">acht</span>dubbele -rejaelen in de Nederlanden druk in omloop. Ze werden gewoonlijk -„stukken van achten” genoemd en zijn als -„<span class="ex">Spaansche matten</span>” befaamd -geworden! Vooral in O. Indië waren deze stukken bij de inlanders -zeer gewilde munt, zoodat de „Compagnie van Verre” te -Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken, met eigen -stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden in 1602 te -Middelburg eveneens „rejaelen van achten” geslagen. In de -eerste helft der 17<sup>de</sup> eeuw deden de „stukken van -achten” of z.g. „heele rejaelen” 47, later 48 of 50 -stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in het <i>Tijdschrift v. h. Kon. -Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde</i>, XIV, -1906.) <a class="fnarrow" href="#xd24e1286src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1303" href="#xd24e1303src" name="xd24e1303">94</a></span> -Zekerheid hadden, er op vertrouwden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1303src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1313" href="#xd24e1313src" name="xd24e1313">95</a></span> De -bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1313src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1322" href="#xd24e1322src" name="xd24e1322">96</a></span> -„Haperen”: druk en verward spreken. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1322src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1325" href="#xd24e1325src" name="xd24e1325">97</a></span> Pagaai, -schepriem. <a class="fnarrow" href="#xd24e1325src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1328" href="#xd24e1328src" name="xd24e1328">98</a></span> Met -gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals bekend is, -ook heden nog dikwijls vertoonen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1328src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1333" href="#xd24e1333src" name="xd24e1333">99</a></span> -Oorspronkelijk wellicht „diefsack”: binnenzak in een -mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1333src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1340" href="#xd24e1340src" name="xd24e1340">100</a></span> Druk -te spreken. <a class="fnarrow" href="#xd24e1340src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1343" href="#xd24e1343src" name="xd24e1343">101</a></span> Op -deze passage dichtte Potgieter zijn tiental „Liedjes van -Bontekoe”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1343src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1355" href="#xd24e1355src" name="xd24e1355">102</a></span> Wij -kunnen geen schade, verlies verduren. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1355src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1358" href="#xd24e1358src" name="xd24e1358">103</a></span> Voor -hieuw; vgl. boven blz. 42. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1358src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1368" href="#xd24e1368src" name="xd24e1368">104</a></span> -Ontsteld. <a class="fnarrow" href="#xd24e1368src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1373" href="#xd24e1373src" name="xd24e1373">105</a></span> -Onklaar. <a class="fnarrow" href="#xd24e1373src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1376" href="#xd24e1376src" name="xd24e1376">106</a></span> -Assegaaien. <a class="fnarrow" href="#xd24e1376src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1383" href="#xd24e1383src" name="xd24e1383">107</a></span> Vgl. -boven blz. 32. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1383src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1386" href="#xd24e1386src" name="xd24e1386">108</a></span> In -één slag; zonder dat het noodig was te -laveeren. <a class="fnarrow" href="#xd24e1386src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1397" href="#xd24e1397src" name="xd24e1397">109</a></span> -Niets. <a class="fnarrow" href="#xd24e1397src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1412" href="#xd24e1412src" name="xd24e1412">110</a></span> Willem -Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le Maire -deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in -1615—’17, waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. -Het zeer merkwaardige journaal van deze reis werd in 1618 reeds -driemaal uitgegeven en voorts in de 17<sup>de</sup> eeuw nog meer dan -15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling verscheen eveneens reeds in -1618 en twee Fransche in hetzelfde jaar. Een derde Fransche en een -Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles wel een bewijs, dat -reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard werden gevonden! -Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het Vaderland, in de -„Baai van Antongiel” op de Oostkust van Madagascar, zooals -wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1412src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1418" href="#xd24e1418src" name="xd24e1418">111</a></span> -„Glop”: een open ruimte, doorgang. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1418src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1424" href="#xd24e1424src" name="xd24e1424">112</a></span> -„Peuren”: trekken, gaan, zich begeven. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1424src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1431" href="#xd24e1431src" name="xd24e1431">113</a></span> -Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig Spaansch en -Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude wijze gebouwd -met een „kasteel” voor en achter. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1431src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1438" href="#xd24e1438src" name="xd24e1438">114</a></span> Men -zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman <i>van Alkmaar</i>, die -in Bontekoe’s journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als -de broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen -handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide -diens tochten in 1595—’97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 -door den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere -jaren diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland -terug en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op -diens Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op -Amboina, toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was -veroverd (Amboina is, zooals bekend, onze <i>eerste</i> bepaalde -nederzetting in de Oost).—Het lijkt haast uitgesloten, dat twee -De Houtman’s van <i>gelijken</i> voornaam, <i>tegelijkertijd</i> -in O. I. geweest zouden zijn, beide met een <i>zelfde</i> gezag -bekleed, zonder dat wij daarvan iets zouden weten. Hoogstens zou men -kunnen aannemen, dat Cornelis de Houtman van Gouda en Frederik Houtman -van Alkmaar <i>geen broeders</i> doch <i>neven</i> waren. Echter noemt -Frederik (Pietersz.) de Houtman van Gouda in de voorrede van zijn werk -„Spraeck ende Woordboeck inde Maleysche en de Madagaskarsche -Talen<span class="corr" id="xd24e1464" title= -"Niet in bron">”</span> (Amsterdam 1603) zich zelf den -<i>broeder</i> van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als -sterrekundige naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met -Vroutje Cornelisd. <i>van Alkmaar</i>. In 1625 legde hij zijn post in -Indië voor goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds -vroeger was hij te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als -schepen der stad (blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: -„Frederick Pietersz. Houtman, in syn leven geweest Gouverneur van -Amboine .... <i>etc.</i>” Sedert 1614 was hij in de vroedschap -gebracht.—Men merke op, dat een „kijcker of bril” in -de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de Houtman zeer goed -past. Zulke instrumenten waren in het eerste kwartaal der -17<sup>de</sup> eeuw nog <i>hoogst</i> zeldzaam en hoofdzakelijk voor -sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de -laatste jaren der 16<sup>de</sup> eeuw te Middelburg door Zacharias -Jansen en Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is -dit de <i>allervroegste</i> vermelding van een verrekijker, die in de -journalen voorkomt. Het woord „bril” <i>behoeft</i> niet op -een dubbelen kijker te slaan.—„Gelderije”: vgl. blz. -43. <a class="fnarrow" href="#xd24e1438src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1499" href="#xd24e1499src" name="xd24e1499">115</a></span> Geen -pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat, zooals er -aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk werden -meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1499src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1502" href="#xd24e1502src" name="xd24e1502">116</a></span> -„By-setten”: voorzien van. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1502src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1507" href="#xd24e1507src" name="xd24e1507">117</a></span> Jan -Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als -Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van -Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes -maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. -Den 30<sup>en</sup> Mei van <i>datzelfde</i> jaar toch had de inneming -plaats gehad, onder de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op -het beleg van Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java -betrekking hebben, bij J. K. J. de Jonge, <i>Opkomst van het Nederl. -Gezag in O. Indië</i>, Dl. IV, blz. 138 vgg. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1507src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1521" href="#xd24e1521src" name="xd24e1521">118</a></span> -Beker. <a class="fnarrow" href="#xd24e1521src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1524" href="#xd24e1524src" name="xd24e1524">119</a></span> Drink -u toe. Ook in het volkslied: „Ick brenght u, haveloos -meyske”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1524src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1533" href="#xd24e1533src" name="xd24e1533">120</a></span> Gresse -of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1533src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1536" href="#xd24e1536src" name="xd24e1536">121</a></span> -Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland -Solor. <a class="fnarrow" href="#xd24e1536src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1539" href="#xd24e1539src" name="xd24e1539">122</a></span> -„Specken”: het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in -die dagen.—„Mostiesen” voor mestiezen: -kleurlingen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1539src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1542" href="#xd24e1542src" name="xd24e1542">123</a></span> Dit te -ondernemen. <a class="fnarrow" href="#xd24e1542src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1550" href="#xd24e1550src" name="xd24e1550">124</a></span> -„Baets Jan”. Bedoeld is het eiland Batjan, een der -Molukken, ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira). <a class="fnarrow" -href="#xd24e1550src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1553" href="#xd24e1553src" name="xd24e1553">125</a></span> -Afgelost. <a class="fnarrow" href="#xd24e1553src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1562" href="#xd24e1562src" name="xd24e1562">126</a></span> Het -eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1562src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1565" href="#xd24e1565src" name="xd24e1565">127</a></span> -„Java Minor”: Madoera. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1565src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1570" href="#xd24e1570src" name="xd24e1570">128</a></span> -Djambi. <a class="fnarrow" href="#xd24e1570src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1575" href="#xd24e1575src" name="xd24e1575">129</a></span> -Koelies. <a class="fnarrow" href="#xd24e1575src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1582" href="#xd24e1582src" name="xd24e1582">130</a></span> -Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het -jacht. <a class="fnarrow" href="#xd24e1582src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1589" href="#xd24e1589src" name="xd24e1589">131</a></span> Macao: -de Portugeesche nederzetting aan den mond van de Canton-rivier; vgl. -nader de Inleiding hiervoor.—„Incorpereren”: -inlijven, bezetten. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1589src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1592" href="#xd24e1592src" name="xd24e1592">132</a></span> -Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal van China, -door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig van groot -gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen, van welk -eiland—door den heldendood van den predikant Anth. van Hambroeck -vermaard geworden—wij, zooals bekend is, in 1662 werden -verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te -vestigen. <a class="fnarrow" href="#xd24e1592src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1595" href="#xd24e1595src" name="xd24e1595">133</a></span> -Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het -verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons -nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver, -weldra weer worden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1595src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1612" href="#xd24e1612src" name="xd24e1612">134</a></span> Voor -anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1612src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1621" href="#xd24e1621src" name="xd24e1621">135</a></span> -Ankergrond; grond waar men „het steken” kan. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1621src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1624" href="#xd24e1624src" name="xd24e1624">136</a></span> De -mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten dienste van -mogelijke „nakomers”. Men ziet, hoe de journalen ook in dit -opzicht bestemd waren van nut te zijn. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1624src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1634" href="#xd24e1634src" name="xd24e1634">137</a></span> Het -heeft geen zin de ligging van elk der hier en in ’t vervolg -genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. „Poele” -beteekent: eiland. ’t Land van Champay is het vaste land van -Achter-Indië (Cochinchina). <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1634src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1646" href="#xd24e1646src" name="xd24e1646">138</a></span> Deze -zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der aanwijzingen, -gecursiveerd. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1646src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1655" href="#xd24e1655src" name="xd24e1655">139</a></span> -Laagachtig. <a class="fnarrow" href="#xd24e1655src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1660" href="#xd24e1660src" name="xd24e1660">140</a></span> Ook -deze zin is in het journaal gecursiveerd. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1660src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1663" href="#xd24e1663src" name="xd24e1663">141</a></span> Inham, -baai. <a class="fnarrow" href="#xd24e1663src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1668" href="#xd24e1668src" name="xd24e1668">142</a></span> Het -eiland Ceceer de Tor („met de steen-klippen”) is nog heden -ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden -uitgevoerd. <a class="fnarrow" href="#xd24e1668src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1675" href="#xd24e1675src" name="xd24e1675">143</a></span> -Portugees of Spanjaard. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1675src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1681" href="#xd24e1681src" name="xd24e1681">144</a></span> Naar -den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het schip (jacht) -St. Nicolaas. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1681src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1687" href="#xd24e1687src" name="xd24e1687">145</a></span> -„Aenhalen”: enteren en buitmaken. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1687src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1692" href="#xd24e1692src" name="xd24e1692">146</a></span> -Coxbroad. <a class="fnarrow" href="#xd24e1692src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1699" href="#xd24e1699src" name="xd24e1699">147</a></span> -Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. -beneden. <a class="fnarrow" href="#xd24e1699src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1704" href="#xd24e1704src" name="xd24e1704">148</a></span> -Exerceeren. <a class="fnarrow" href="#xd24e1704src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1711" href="#xd24e1711src" name="xd24e1711">149</a></span> In den -tekst staat „onsen commandeur Nieuwenroode”, doch voor in -het journaal wordt den lezer verzocht „deze faut te -verbeteren”. Een <i>koopman</i> Nieuwenroode was nochtans bij de -onderneming inderdaad aanwezig en diende in December van ditzelfde jaar -(1622) en gedurende 1623 op het schip van Bontekoe; zooals beneden op -blz. 94 en 99 vg. blijkt. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1711src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1721" href="#xd24e1721src" name="xd24e1721">150</a></span> Indien -het. <a class="fnarrow" href="#xd24e1721src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1724" href="#xd24e1724src" name="xd24e1724">151</a></span> In het -geheel. <a class="fnarrow" href="#xd24e1724src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1739" href="#xd24e1739src" name="xd24e1739">152</a></span> Pedro -Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China (22°, -22’ N.br.). <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1739src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1750" href="#xd24e1750src" name="xd24e1750">153</a></span> -„Bey”: baai.—„Steck-grondt” vgl. boven -blz. 79. <a class="fnarrow" href="#xd24e1750src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1755" href="#xd24e1755src" name="xd24e1755">154</a></span> -Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die af te -spreken. <a class="fnarrow" href="#xd24e1755src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1758" href="#xd24e1758src" name="xd24e1758">155</a></span> -Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche naam -voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78, noot -2. <a class="fnarrow" href="#xd24e1758src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1761" href="#xd24e1761src" name="xd24e1761">156</a></span> -Kan. <a class="fnarrow" href="#xd24e1761src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1768" href="#xd24e1768src" name="xd24e1768">157</a></span> -Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog bekend als -de beste matrozen en kooplui van China. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1768src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1771" href="#xd24e1771src" name="xd24e1771">158</a></span> Vgl. -het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging, I, blz. 48 -vgg. <a class="fnarrow" href="#xd24e1771src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1774" href="#xd24e1774src" name="xd24e1774">159</a></span> -Laag. <a class="fnarrow" href="#xd24e1774src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1779" href="#xd24e1779src" name="xd24e1779">160</a></span> De -„lijk” is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het -voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1779src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1783" href="#xd24e1783src" name="xd24e1783">161</a></span> -„Af en aan houden”: laveeren. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1783src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1797" href="#xd24e1797src" name="xd24e1797">162</a></span> -Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1797src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1805" href="#xd24e1805src" name="xd24e1805">163</a></span> Uit -deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking der -handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. -78. <a class="fnarrow" href="#xd24e1805src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1808" href="#xd24e1808src" name="xd24e1808">164</a></span> -Singapoor. <a class="fnarrow" href="#xd24e1808src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1813" href="#xd24e1813src" name="xd24e1813">165</a></span> -Vergaan was. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1813src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1816" href="#xd24e1816src" name="xd24e1816">166</a></span> -Niets. <a class="fnarrow" href="#xd24e1816src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1825" href="#xd24e1825src" name="xd24e1825">167</a></span> -„Setten”: voor anker gaan. „Geset”: -geankerd. <a class="fnarrow" href="#xd24e1825src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1832" href="#xd24e1832src" name="xd24e1832">168</a></span> -’t Is opmerkelijk, dat het woord „hulde” hier nog in -de oude, middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, -genade. <a class="fnarrow" href="#xd24e1832src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1835" href="#xd24e1835src" name="xd24e1835">169</a></span> Nl. de -zes andere van de boot. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1835src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1842" href="#xd24e1842src" name="xd24e1842">170</a></span> -Geslagen. <a class="fnarrow" href="#xd24e1842src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1854" href="#xd24e1854src" name="xd24e1854">171</a></span> -„Scampan” of „ciampan” (zie boven blz. 86): -inlandsch schuitje. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1854src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1861" href="#xd24e1861src" name="xd24e1861">172</a></span> -Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land en -voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt, maar -voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van de -17<sup>de</sup> eeuw sprake van. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1861src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1867" href="#xd24e1867src" name="xd24e1867">173</a></span> -Revanche. <a class="fnarrow" href="#xd24e1867src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1882" href="#xd24e1882src" name="xd24e1882">174</a></span> Kleine -kanonnen. <a class="fnarrow" href="#xd24e1882src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1894" href="#xd24e1894src" name="xd24e1894">175</a></span> Een en -twintig balen gedubbeld zijden garen. Van „fijn getweernd -linnen” is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als -in ’t boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel -worden gegeven. Tegenwoordig meest „twijnen”.—Een -„kanasser” of „kanaster” is een mat of korf van -gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt voor emballage van tabak, -suiker en thee. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1894src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1901" href="#xd24e1901src" name="xd24e1901">176</a></span> -Ontsteltenis. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1901src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1904" href="#xd24e1904src" name="xd24e1904">177</a></span> Dwars -met het boord. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1904src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1907" href="#xd24e1907src" name="xd24e1907">178</a></span> T.w. -de in vlammen staande jonk. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1907src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1910" href="#xd24e1910src" name="xd24e1910">179</a></span> Een -aardige „volksetymologie” van schipper Bontekoe voor: -„korte metten”. Hij heeft er elders meer van die -kracht. <a class="fnarrow" href="#xd24e1910src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1914" href="#xd24e1914src" name="xd24e1914">180</a></span> -Versta: voor het anker afzwaaide. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1914src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1921" href="#xd24e1921src" name="xd24e1921">181</a></span> In -’t midden van het water; versta: halfweg, in open -zee. <a class="fnarrow" href="#xd24e1921src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1928" href="#xd24e1928src" name="xd24e1928">182</a></span> -Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip wordt -verwijderd. <a class="fnarrow" href="#xd24e1928src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1935" href="#xd24e1935src" name="xd24e1935">183</a></span> Dreven -meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden -winnen.—„Overstuur zijn” en zich of anderen -„overstuur maken” behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, -die in onze dagelijksche omgangstaal zijn overgegaan. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1935src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1940" href="#xd24e1940src" name="xd24e1940">184</a></span> -„Verdubbelen”: met een betimmering het schip van binnen -onder de waterlijn versterken. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1940src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1943" href="#xd24e1943src" name="xd24e1943">185</a></span> D. i. -waterdicht. <a class="fnarrow" href="#xd24e1943src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1946" href="#xd24e1946src" name="xd24e1946">186</a></span> Over -het leggen van een „wang” zie boven blz. 27. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1946src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1957" href="#xd24e1957src" name="xd24e1957">187</a></span> Nl. de -sloep, waaraan men werkte. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1957src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1967" href="#xd24e1967src" name="xd24e1967">188</a></span> Werd -nagelaten. <a class="fnarrow" href="#xd24e1967src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1976" href="#xd24e1976src" name="xd24e1976">189</a></span> D.w.z. -twee glazen lang, dus een uur. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1976src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1979" href="#xd24e1979src" name="xd24e1979">190</a></span> Aan -boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van omstreeks zes -uur:</p> -<p class="par footnote cont">de eerste- of morgenwacht, van het -vroegschaften tot den middag;</p> -<p class="par footnote cont">de tweede- of dagwacht, van den middag -(tweede schaften) tot ’t vallen van ’t donker (in -noordelijke en tropische zeeën tot zoolang de schipper het -gelast);</p> -<p class="par footnote cont">de eerste nachtwacht of -voormiddernachtwacht, van het afloopen der dagwacht tot -middernacht;</p> -<p class="par footnote cont">de tweede nachtwacht of hondenwacht, van -middernacht tot den morgen.</p> -<p class="par footnote cont">Later werden zes wachten elk van vier uur -ingevoerd. Het tellen en afroepen der „glazen” begon met -elke wacht opnieuw. Het „glas” was oorspronkelijk de -zandlooper, die achter op de campagne stond en elk half uur gekeerd -werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid. <a class="fnarrow" -href="#xd24e1979src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1995" href="#xd24e1995src" name="xd24e1995">191</a></span> -„Teysing” <i>niet</i> voor Taischöng, d. i. Formosa, -doch een punt op den vasten wal; vgl. de volgende blz. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1995src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2003" href="#xd24e2003src" name="xd24e2003">192</a></span> Sloten -zich boord aan boord aaneen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2003src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2006" href="#xd24e2006src" name="xd24e2006">193</a></span> -„Napeuren”: achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot -3. <a class="fnarrow" href="#xd24e2006src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2011" href="#xd24e2011src" name="xd24e2011">194</a></span> -„Opgijen”; vgl. boven blz. 44. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2011src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2018" href="#xd24e2018src" name="xd24e2018">195</a></span> T.w. -de ankertros.—„Catsje” is Kiatsu, op 22° -53′ N.br. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2018src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2023" href="#xd24e2023src" name="xd24e2023">196</a></span> Meer -naar land toe. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2023src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2026" href="#xd24e2026src" name="xd24e2026">197</a></span> Te -onderzoeken. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2026src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2061" href="#xd24e2061src" name="xd24e2061">198</a></span> -Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. „Toeback -drincken” was alleen boven op het verdek -geoorloofd. <a class="fnarrow" href="#xd24e2061src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2069" href="#xd24e2069src" name="xd24e2069">199</a></span> Een -verdrag gesloten had. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2069src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2087" href="#xd24e2087src" name="xd24e2087">200</a></span> -Losprijs. <a class="fnarrow" href="#xd24e2087src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2110" href="#xd24e2110src" name="xd24e2110">201</a></span> -„Roopaert”: affuit van een kanon.—„Bas”: -zie blz. 92. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2110src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2119" href="#xd24e2119src" name="xd24e2119">202</a></span> Dat -zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de ijzers werd -voorbereid!—Wij lezen anno 1671: „Het is de eenighe taek -van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De -raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in ’t bijzijn -van het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer.”—Dat -Bontekoe op 15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in -de boeien laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon -zijn. <a class="fnarrow" href="#xd24e2119src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2128" href="#xd24e2128src" name="xd24e2128">203</a></span> Vgl. -boven blz. 25. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2128src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2131" href="#xd24e2131src" name="xd24e2131">204</a></span> In -’t nauw brengen; insluiten en overvallen. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2131src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2153" href="#xd24e2153src" name="xd24e2153">205</a></span> Zie -boven blz. 43, noot 3. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2153src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2156" href="#xd24e2156src" name="xd24e2156">206</a></span> -Kuiten. <a class="fnarrow" href="#xd24e2156src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2159" href="#xd24e2159src" name="xd24e2159">207</a></span> Boven -blz. 85; over het fort vgl. blz. 87. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2159src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2166" href="#xd24e2166src" name="xd24e2166">208</a></span> Dit is -niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot, gezien dat Bontekoe -zelf met 206 „eters” uitvoer; misschien hadden de beide -schepen <i>samen</i> zooveel volk verloren. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2166src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2172" href="#xd24e2172src" name="xd24e2172">209</a></span> In een -brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers der -Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare berichten -vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip Dordrecht. -Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland binnen. Alleen -de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op 19.000 balen, -die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar van 1627 zeilde -Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en overleed 20 -Sept. 1629. <a class="fnarrow" href="#xd24e2172src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2175" href="#xd24e2175src" name="xd24e2175">210</a></span> Over -deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2175src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2184" href="#xd24e2184src" name="xd24e2184">211</a></span> Om met -ons te spreken. „Verspreken” beteekent in de scheepstaal -der 17<sup>de</sup> eeuw ook „praaien”. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2184src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2195" href="#xd24e2195src" name="xd24e2195">212</a></span> -„Balie”: tobbe. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2195src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2198" href="#xd24e2198src" name="xd24e2198">213</a></span> -Maakten de stukken vaardig. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2198src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2201" href="#xd24e2201src" name="xd24e2201">214</a></span> Een -„totock” is een door de Chineesche overheid aangesteld -commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een -andere beteekenis, zooals bekend is. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2201src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2214" href="#xd24e2214src" name="xd24e2214">215</a></span> Op -’s lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden waren, -volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd, -d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve -„leerzen” of „laarzen” kende men ook -„britsen”, ’t geen met een dunner touw geschiedde, -zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens werden niet -gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of twijgen -gekastijd. De Ruyter „condemneerde” eens (in 1664, op -’t schip „de Spieghel”) vier man, „die haer -wacht verslapen hadden, om drie weken lang voor het gantsche -scheepsvolck stockvis te beucken”!—Van de ra vallen of -loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een tot zes malen: de -veroordeelde moest in de groote mars klimmen en vandaar de ra -afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd -opgehaald.—Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te -beschouwen, waarbij de „delinquent” onder de kiel van -’t schip door, aan ’t andere uiteinde der ra weder werd -opgetrokken. Openlijke insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus -gestraft, of naar omstandigheden ook strenger. Voor mindere -ongehoorzaamheid, evenals voor diefstal, werd na ondergane geeseling -van de ree geloopen, doch op het stelen van vivres stond als regel -’t hangen („executie met den koorde”). Wie aan boord -het mes trok, „in evelen moede”, werd, na meestal eerst te -zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de hand aan den mast -gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het er zelf uittrok. -Nog in 1667 werd deze straf op „de Zeven Provinciën” -toegepast. Wie „plockhaerde” of dronken was, werd geleersd -en in de ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning -bij den doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd -ook „gearquebuseerd”. Niet zelden ging een lijfstraf met -korting der soldij gepaard.—Aldus leeren de artikel-brieven en -journalen. <a class="fnarrow" href="#xd24e2214src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2224" href="#xd24e2224src" name="xd24e2224">216</a></span> -Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een -district. <a class="fnarrow" href="#xd24e2224src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2231" href="#xd24e2231src" name="xd24e2231">217</a></span> Voor -„Mandarijn”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2231src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2234" href="#xd24e2234src" name="xd24e2234">218</a></span> -„Uytrechten”: beslechten. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2234src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2237" href="#xd24e2237src" name="xd24e2237">219</a></span> -Geschil. <a class="fnarrow" href="#xd24e2237src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2240" href="#xd24e2240src" name="xd24e2240">220</a></span> -Opdat. <a class="fnarrow" href="#xd24e2240src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2261" href="#xd24e2261src" name="xd24e2261">221</a></span> -Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa (vgl. blz. 78). Dit had -aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij daar reeds in 1623 een -factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals men weet. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2261src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2266" href="#xd24e2266src" name="xd24e2266">222</a></span> -Versta: Nederlandsch. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2266src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2269" href="#xd24e2269src" name="xd24e2269">223</a></span> -„Ostagiers”: gijzelaars.—In margine staat hierbij de -volgende aanteekening: „Manderijns zijn gouverneurs of oversten; -dan daer sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van -de Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn.” De -eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer, minister. -Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2269src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2274" href="#xd24e2274src" name="xd24e2274">224</a></span> Aan de -Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een oud kasteeltje -Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is -welbekend. <a class="fnarrow" href="#xd24e2274src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2279" href="#xd24e2279src" name="xd24e2279">225</a></span> T.w. -de Commandeur met de andere afgevaardigden. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2279src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2284" href="#xd24e2284src" name="xd24e2284">226</a></span> -Bemerkt. <a class="fnarrow" href="#xd24e2284src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2303" href="#xd24e2303src" name="xd24e2303">227</a></span> In het -opschrift is de naam van ’t schip van Bontekoe zelf -vergeten. <a class="fnarrow" href="#xd24e2303src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2311" href="#xd24e2311src" name="xd24e2311">228</a></span> -Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer vestiging op -Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk -voorloopig. <a class="fnarrow" href="#xd24e2311src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2314" href="#xd24e2314src" name="xd24e2314">229</a></span> Een -tropische vrucht. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2314src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2334" href="#xd24e2334src" name="xd24e2334">230</a></span> Hier -schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op 20 Febr. -1624. <a class="fnarrow" href="#xd24e2334src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2382" href="#xd24e2382src" name="xd24e2382">231</a></span> -Onhandelbaar, bij het overstag loopen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2382src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2389" href="#xd24e2389src" name="xd24e2389">232</a></span> -„Dragende houden”: rechtstreekschen, bestendigen koers -houden. <a class="fnarrow" href="#xd24e2389src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2409" href="#xd24e2409src" name="xd24e2409">233</a></span> Vgl. -boven blz. 76.—Hier is weder een bekorting op te -merken. <a class="fnarrow" href="#xd24e2409src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2419" href="#xd24e2419src" name="xd24e2419">234</a></span> Vgl. -boven blz. 69 vg. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2419src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2428" href="#xd24e2428src" name="xd24e2428">235</a></span> -Maakten een „slag” of „gang”, bij het -laveeren. <a class="fnarrow" href="#xd24e2428src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2435" href="#xd24e2435src" name="xd24e2435">236</a></span> -Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing van -het kompas; vgl. boven blz. 30. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2435src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2441" href="#xd24e2441src" name="xd24e2441">237</a></span> -„Voor een schoovers-fock met de blind”, d.w.z.: voor een -sterk gereefde fok en voor de blinde (het kleine zeil onder de -boegspriet der toenmalige schepen; vgl. boven blz. 51).—Door den -hevigen en ongestadigen wind was het niet mogelijk op een vaste -kompas-streek koers te houden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2441src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2446" href="#xd24e2446src" name="xd24e2446">238</a></span> T.w.: -het seinlicht (als „admiraalschip”), waarnaar de beide -andere schepen hun koers hadden te regelen. Vgl. boven blz. -31. <a class="fnarrow" href="#xd24e2446src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2449" href="#xd24e2449src" name="xd24e2449">239</a></span> -„Onder zee schieten”, d. i.: met alle zeilen ingenomen zich -op wind en golven laten drijven. Dit geschiedde, als het schip door het -al te zware weer niet meer te hanteeren was, of als men bevreesd was -tuig te verliezen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2449src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2452" href="#xd24e2452src" name="xd24e2452">240</a></span> Nl.: -stijf tegen de raas. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2452src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2460" href="#xd24e2460src" name="xd24e2460">241</a></span> Dus te -drie uur; vgl. boven blz. 98. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2460src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2463" href="#xd24e2463src" name="xd24e2463">242</a></span> Boven -het verdek; vgl. boven blz. 24 vg. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2463src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2470" href="#xd24e2470src" name="xd24e2470">243</a></span> Vlak, -effen. <a class="fnarrow" href="#xd24e2470src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2473" href="#xd24e2473src" name="xd24e2473">244</a></span> -„Rollen” van een schip: slingeren. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2473src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2476" href="#xd24e2476src" name="xd24e2476">245</a></span> In -verlegenheid bracht. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2476src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2479" href="#xd24e2479src" name="xd24e2479">246</a></span> Om dit -en het volgende te verstaan is een uitlegging noodig: Onder op den -bodem of „’t vlack” van het schip liggen dwarsbalken, -„liggers” genaamd, en daarover een planken vloer, die nog -heden „buikdenning” wordt genoemd en die den bodem van het -ruim uitmaakt. De ruimten tusschen de liggers, onder de buikdenning, -heeten „wrangen” en <i>daarin</i> monden de ondereinden van -de pompen uit.—Omdat peper een kostbare lading was, had men die -niet onder in het ruim gestuwd, maar boven een tusschenvloer -(„genier”), waar de specerij, ook als het schip water -maakte, niet door het vocht kon worden aangetast. Op dit genier lagen -ook de van hun affuiten genomen kanonnen, die door het slingeren van -’t schip „gaende”, d. i. aan het rollen raakten en -met hun „ooren” het plankier stuk stootten. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2479src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2491" href="#xd24e2491src" name="xd24e2491">247</a></span> De -„vullingen” zijn de losse schotten, die beneden in ’t -schip scheef, langs de zijden, tusschen de inhouten of ribben zijn -aangebracht, om die tusschenruimten aan te vullen. Toen nu deze -„drijvende” werden, was het mogelijk, dat de door het -plankier beneden in ’t ruim neerlekkende peper, <i>langs</i> de -wanden van het schip, in de wrangen raakte en daar de mondingen van de -pompen verstopte. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2491src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2497" href="#xd24e2497src" name="xd24e2497">248</a></span> Men -verhielp dus het euvel door de pompen eenvoudig <i>uit</i> de wrangen -te trekken en op de buikdenning, dus op den bodem van het ruim zelf te -plaatsen. De benedeneinden werden in manden gezet, om te beletten, dat -de in het ruim omdrijvende peper de mondingen opnieuw zou -verstoppen. <a class="fnarrow" href="#xd24e2497src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2505" href="#xd24e2505src" name="xd24e2505">249</a></span> Boven -den wind. „In lij”: onder den wind. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2505src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2508" href="#xd24e2508src" name="xd24e2508">250</a></span> -„De vleet” is alles wat achter een vaartuig, drijvende, -wordt meegetrokken. Thans nog in het bijzonder de naam van het sleepnet -dat ter haringvangst gebruikt wordt. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2508src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2514" href="#xd24e2514src" name="xd24e2514">251</a></span> -Effener. <a class="fnarrow" href="#xd24e2514src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2519" href="#xd24e2519src" name="xd24e2519">252</a></span> -Verschrikten. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2519src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2524" href="#xd24e2524src" name="xd24e2524">253</a></span> -Stompen op te richten. De noodmasten worden door Bontekoe hier -„stompen” genoemd. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2524src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2527" href="#xd24e2527src" name="xd24e2527">254</a></span> -Tegenwoordig Port St. Louis, ten Z. van de Baai van -Antongiel. <a class="fnarrow" href="#xd24e2527src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2534" href="#xd24e2534src" name="xd24e2534">255</a></span> Vgl. -het Noorsch-Deensche „alligevel”: alevenwel. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2534src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2537" href="#xd24e2537src" name="xd24e2537">256</a></span> -Indien. <a class="fnarrow" href="#xd24e2537src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2544" href="#xd24e2544src" name="xd24e2544">257</a></span> -Branding op eenige ondiepten. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2544src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2547" href="#xd24e2547src" name="xd24e2547">258</a></span> -<span class="corr" id="xd24e2548" title= -"Niet in bron">„</span>Schadeloos”: <span class= -"ex">met</span> schade, averij. Een in de scheepstaal gewoon -woord. <a class="fnarrow" href="#xd24e2547src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2561" href="#xd24e2561src" name="xd24e2561">259</a></span> De -spuigaten, waardoor het water uit ’t schip wordt -verwijderd. <a class="fnarrow" href="#xd24e2561src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2564" href="#xd24e2564src" name="xd24e2564">260</a></span> -Gedoente. <a class="fnarrow" href="#xd24e2564src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2569" href="#xd24e2569src" name="xd24e2569">261</a></span> -Gerief, wat wij behoefden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2569src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2572" href="#xd24e2572src" name="xd24e2572">262</a></span> Een -zwaluw. <a class="fnarrow" href="#xd24e2572src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2576" href="#xd24e2576src" name="xd24e2576">263</a></span> Die -dus voor den grooten mast pasklaar werd gemaakt. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2576src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2579" href="#xd24e2579src" name="xd24e2579">264</a></span> -Planken. <a class="fnarrow" href="#xd24e2579src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2584" href="#xd24e2584src" name="xd24e2584">265</a></span> -Stelden ons geheele loopende want daaruit samen (touw -slaande). <a class="fnarrow" href="#xd24e2584src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2587" href="#xd24e2587src" name="xd24e2587">266</a></span> -Bezigden, verbruikten. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2587src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2601" href="#xd24e2601src" name="xd24e2601">267</a></span> In -latere drukken is toegevoegd: „’t Was een goet -man”.—Prof. G. Kalff (<i>Gesch. d. Nederl. Letterk.</i> V, -blz. 3) merkt naar aanleiding van deze woorden met bewondering op: -„Hoe treft ons door hartelijken eenvoud dat uitzoeken van den -besten boom; hoe sober is dat trouwhartig slot!” <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2601src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2626" href="#xd24e2626src" name="xd24e2626">268</a></span> Vgl. -boven blz. 94. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2626src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2635" href="#xd24e2635src" name="xd24e2635">269</a></span> -„Vroom”: flink, van goed gedrag. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2635src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2642" href="#xd24e2642src" name="xd24e2642">270</a></span> -Versta: wij bemerkten, dat wij (met het herstelde tuig) achter nog niet -zooveel zeil voerden, dat wij bekwaam waren om <i>door</i> den wind -over, d. i. over stag te loopen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2642src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2648" href="#xd24e2648src" name="xd24e2648">271</a></span> -„Het laten deurstaan”: een koers vervolgen; vgl. boven blz. -30, regel 9. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2648src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2653" href="#xd24e2653src" name="xd24e2653">272</a></span> Aan -ons voorbij schoot.—„Vernemen”: -bemerken. <a class="fnarrow" href="#xd24e2653src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2658" href="#xd24e2658src" name="xd24e2658">273</a></span> -„Schovers-seylen”: dicht gereefde zeilen. Vgl. blz. 121: -„schovers-fock”<span class="corr" id="xd24e2660" title= -"Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2658src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2663" href="#xd24e2663src" name="xd24e2663">274</a></span> Kaap -Agulhas; oostelijk van Kaap de Goede Hoop. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2663src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2669" href="#xd24e2669src" name="xd24e2669">275</a></span> -„Stijf schip”: zwaar geladen, vast op ’t -water. <a class="fnarrow" href="#xd24e2669src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2674" href="#xd24e2674src" name="xd24e2674">276</a></span> Effen, -kalm. <a class="fnarrow" href="#xd24e2674src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2677" href="#xd24e2677src" name="xd24e2677">277</a></span> De -Kaap <i>te boven</i>; dus voorbij, omgezeild. Vgl. ook de voorgaande -blz. <a class="fnarrow" href="#xd24e2677src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2687" href="#xd24e2687src" name="xd24e2687">278</a></span> -Kerk-vallei. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2687src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2693" href="#xd24e2693src" name="xd24e2693">279</a></span> D. i.: -brachten (met een boot) een anker uit op eenigen afstand van het schip, -waardoor dit, door met het spil het ankertouw te winden en in te -korten, dichter onder den wal kon worden getrokken. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2693src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2700" href="#xd24e2700src" name="xd24e2700">280</a></span> -„Verpreyen”, elders ook „verspreken”: -praaien. <a class="fnarrow" href="#xd24e2700src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2703" href="#xd24e2703src" name="xd24e2703">281</a></span> Over -het „in compagnie varen” van meerdere schepen vgl. -hiervoor. <a class="fnarrow" href="#xd24e2703src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2708" href="#xd24e2708src" name="xd24e2708">282</a></span> -Versta: een zandlooper. De bedenktijd was dus een half uur. Vgl. boven -blz. 98. <a class="fnarrow" href="#xd24e2708src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2711" href="#xd24e2711src" name="xd24e2711">283</a></span> -„Branden”: losbranden, vuur geven. Het werkwoord -„vuyren” of „vyeren” beteekent in de -17<sup>de</sup> eeuw nooit „schieten”, doch „met -lichten seinen geven”. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2711src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2719" href="#xd24e2719src" name="xd24e2719">284</a></span> -Stukken van gemiddelde zwaarte. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2719src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2731" href="#xd24e2731src" name="xd24e2731">285</a></span> -„Boegseeren”: een schip, dat ’t zij door windstilte, -’t zij bij gebrek aan ruimte geen zeil kan maken, met behulp van -een roeiboot in open vaarwater brengen. In dit geval was het boegseeren -noodig, omdat men lag onder de hooge klippen, in de luwte van het -land. <a class="fnarrow" href="#xd24e2731src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2740" href="#xd24e2740src" name="xd24e2740">286</a></span> Buien, -rukwinden.—Vgl. over de uitreis blz. 28. <a class="fnarrow" -href="#xd24e2740src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2745" href="#xd24e2745src" name="xd24e2745">287</a></span> Over -het „opgijen” der zeilen vgl. boven blz. -44.—„Vrookost” blz. 28. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2745src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2748" href="#xd24e2748src" name="xd24e2748">288</a></span> De -„groente” is de plantaardige aanwas, die zich (met -weekdieren) onder aan de houten schepen vasthechtte en ze -„vuil” maakte. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2748src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2770" href="#xd24e2770src" name="xd24e2770">289</a></span> -„Kaeck”: bui. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2770src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2779" href="#xd24e2779src" name="xd24e2779">290</a></span> -Bedoeld schijnt Ouessant, schoon dit wat noordelijker -ligt. <a class="fnarrow" href="#xd24e2779src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2784" href="#xd24e2784src" name="xd24e2784">291</a></span> Terre -Neuve, Terra Nova: New Foundland. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2784src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2799" href="#xd24e2799src" name="xd24e2799">292</a></span> -Dapper. <a class="fnarrow" href="#xd24e2799src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2810" href="#xd24e2810src" name="xd24e2810">293</a></span> -Kinsale, havenstad op de kust van Ierland, enkele uren ten Z.W. van -Cork; thans vervallen. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2810src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2815" href="#xd24e2815src" name="xd24e2815">294</a></span> Ging -voor anker. <a class="fnarrow" href="#xd24e2815src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2820" href="#xd24e2820src" name="xd24e2820">295</a></span> -„Convoyers” zijn schepen van oorlog, die gewoon waren de -koopvaarders tot voorbij de Spaansche kusten te vergezellen en op de -thuisreis weder in te wachten, om hen zoo noodig te beschermen en te -geleiden. <a class="fnarrow" href="#xd24e2820src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2825" href="#xd24e2825src" name="xd24e2825">296</a></span> -„Onbeniert”: onhandelbaar bij het laveeren. Vgl. boven blz. -139. <a class="fnarrow" href="#xd24e2825src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2833" href="#xd24e2833src" name="xd24e2833">297</a></span> -„Mayor”: burgemeester. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2833src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2844" href="#xd24e2844src" name="xd24e2844">298</a></span> -Beschadigd, met averij. Vgl. boven blz. 127, noot 2. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e2844src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2847" href="#xd24e2847src" name="xd24e2847">299</a></span> Uit -dezen zin en den volgenden is merkbaar, dat wij niet met den stijl van -Bontekoe, doch met dien van Jan Jansz. Deutel te maken hebben! Vgl. -„Toe-eygeninghe” en „Voor-reden”. Echter strekt -het den uitgever tot eer Bontekoe te hebben bewogen deze berichten -aangaande het schip Middelburgh aan het journael toe te voegen, dat -zoodoende een historisch slot bekwam. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2847src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2873" href="#xd24e2873src" name="xd24e2873">300</a></span> Ziet -op de ontdekking van de Straat le Maire; vgl. boven blz. -17. <a class="fnarrow" href="#xd24e2873src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="biblio" class="div1 bibliography"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">BIBLIOGRAFISCH OVERZICHT DER VROEGERE UITGAVEN, WELKE -VAN BONTEKOE’S „AVONTURELIJCKE REIJS” BEKEND -ZIJN<a class="noteref" id="xd24e2896src" href="#xd24e2896" name= -"xd24e2896src">1</a>.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Geordend naar de uitgevers. Voor de verschillen in -titels, tekst en illustratie van al deze drukken vergelijke men Tiele, -<i lang="fr">Mémoire bibliographique sur les Journaux des -Navigateurs néerlandais</i> (Amsterdam, 1867), blz. 213 vgg., en -<i>Nederl. Bibliographie van Land- en Volkenkunde</i> (Amsterdam, -1889), blz. 40 vgg. De uitgaven welke bij Tiele niet voorkomen zijn -gemerkt met *.</p> -<p class="par bibEntry">I. Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe -<i>etc.</i> te Hoorn, voor Jan Jansz. Deutel: 1646.</p> -<p class="par bibEntry">id. tweede druk: 1648.</p> -<p class="par bibDesc">Voor in dezen druk van 1648 wordt door Deutel -een klacht gericht aan zijn gildebroeders naar aanleiding van de -hieronder vermelde nadrukken (roofdrukken), te Utrecht en Rotterdam -verschenen. De uitgaven van Deutel zelf hebben op den titel het adres: -Tot Hoorn, Ghedruckt by Isaac Willemsz. Voor Jan Jansz. Deutel -<i>etc.</i> Er bestaan echter ook uitgaven van 1646 en 1648 met -ditzelfde adres, doch bovendien achterin de vermelding: t’ -Haerlem, Gedruckt by Thomas Fonteyn. Ik heb geen exemplaar van deze -herdrukken gezien en kan dus niet uitmaken of het roofdrukken zijn, dan -wel nieuwe uitgaven op last van Deutel te Haarlem ter perse gelegd. -Voor dit laatste schijnt te pleiten de mededeeling van Tiele dat -gebruik gemaakt is van dezelfde kopergravuren; maar misschien is dit -niet juist en zijn het nauwkeurige kopieën. <span class= -"pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p> -<p class="par bibEntry">II. te Utrecht, voor Esdras Willemsz. -Snellaert: 1647 (twee verschillende drukken).</p> -<p class="par bibDesc">ald., voor de Wed. van Esdras Snellaert: -1651.</p> -<p class="par bibEntry">III. te Rotterdam, bij Isaack van Waesberghe: -1647.</p> -<p class="par bibEntry">IV. te Rotterdam, bij Jan Philipsz. van -Steenwegen (zonder Raven): 1647*.</p> -<p class="par bibEntry">V. te Amsterdam, voor Joost Hartgers: 1648 -(twee verschillende drukken) en 1650.</p> -<p class="par bibEntry">VI. te Sardam, bij Willem Willemsz.: 1648.</p> -<p class="par bibDesc">Misschien dezelfde editie als die van Hartgers, -met ander adres.</p> -<p class="par bibEntry">VII. te Amsterdam, bij Lucas de Vries: -1648*.</p> -<p class="par bibDesc">te Utrecht, bij denzelfden: 1649 en 1655.</p> -<p class="par bibEntry">VIII. te Amsterdam, bij Jan Jacobsz. Bouman: -1651 en 1659.</p> -<p class="par bibEntry">IX. te Amsterdam, bij Michiel de Groot: 1654, -1667, 1672 en nog eens zonder jaartal.</p> -<p class="par bibEntry">X. te Dordrecht, bij A. Andriesz: 1655.</p> -<p class="par bibEntry">XI. te Amsterdam, bij Abraham de Wees: 1656 en -1659.</p> -<p class="par bibEntry">XII. te Amsterdam, bij de Wed. van Theunis -Jacobsz. in de Lootsman: 1660, 1664 en 1681.</p> -<p class="par bibDesc">ald., bij Casp. Lootsman: 1694.</p> -<p class="par bibEntry">XIII. te Amsterdam, bij Gillis Joosten -Saeghman: zonder jaar (omstr. 1660–70); verschillende -drukken.</p> -<p class="par bibDesc">Met nieuwen titel: Journael van de acht-jarige -avontuerlijcke reyse van W. Yz. Bontekoe. Tekst bekort en zonder -<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name= -"pb149">149</a>]</span>Raven. In deze uitgave van Saeghman komt de -afbeelding voor van den vogel Dodo (vgl. boven blz. 34), welke -houtsnede de bekende uitgever van reisjournalen ook in de Tweede Reis -van Spilbergen liet afdrukken.</p> -<p class="par bibEntry">XIV. te Amsterdam, bij de Wed. van Gijsbert de -Groot: 1692, 1696, 1700, 1708, 1716, 1730, benevens een paar herdrukken -zonder jaartal.</p> -<p class="par bibEntry">XV. te Utrecht, bij de Wed. van J. van Poolsum: -1701 en 1708*.</p> -<p class="par bibEntry">XVI. te Amsterdam, bij J. Brouwer: 1722.</p> -<p class="par bibEntry">XVII. te Rotterdam, bij H. van Bezooye: -1738.</p> -<p class="par bibEntry">XVIII. te Dordrecht, bij Hendrik Walpot: -1740.</p> -<p class="par bibDesc">ald., bij Adr. Walpot: 1766.</p> -<p class="par bibDesc">ald., bij Adr. Walpot en Zoon: 1780.</p> -<p class="par bibEntry">XIX. te Amsterdam, bij Isaac van der Putte: -zonder jaar.</p> -<p class="par bibDesc">ald., bij d’Erve Van der Putte: 1789.</p> -<p class="par bibEntry">XX. te Amsterdam, bij J. Kannewet: 1756 en -1778.</p> -<p class="par bibEntry">XXI. te Amsterdam, bij de Erven de Wed. Jacobus -van Egmont: zonder jaartal (tenminste twee drukken).</p> -<p class="par bibEntry">XXII. te Amsterdam, bij Barent Koene: 1777 -(?).</p> -<p class="par bibDesc">ald., bij S. en W. Koene: zonder jaar (omstr. -1800).</p> -<p class="par bibDesc">ald., bij B. Koene: zonder jaar (omstr. -1810).</p> -<p class="par">Behalve deze oude, nu meestal zeer zeldzame volksdrukken -zijn er in het begin der 19<sup>de</sup> eeuw nog een paar uitgaven -verschenen. De laatste volkseditie is die van J. H. van Lennep in -<i>Jan Davids <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name= -"pb150">150</a>]</span>Boekekraam</i>: „Journaal of -Gedenkwaardige Beschrijving van de achtjarige en zeer avontuurlijke -reize van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe van Hoorn, gedaan naar -Oost-Indiën, bevattende vele wonderlijke gevaarlijke zaken hem op -genoemde reize wedervaren. Het alles door hem zelven -beschreven<span class="corr" id="xd24e2997" title= -"Niet in bron">”</span>. Haarlem, J. J. Weeveringh. 1860 (in kl. -4<sup>o</sup>.).</p> -<p class="par">In het geheel is de „Avonturelijcke Reys” -van Bontekoe tot 1800 dus meer dan 50 maal uitgegeven.</p> -<p class="par">Ook in het buitenland maakte het boek opgang: zoowel een -Fransche als een Duitsche vertaling zijn er van bekend. Verder -verscheen o.a. een Soendaneesche bewerking van het journaal door Raden -Kartawinata (te Batavia, 1874).</p> -<p class="par">Vier fragmenten werden door P. L. van Eck Jr. opgenomen -in het deeltje der „Zwolsche Herdrukken” No. 26: <i>Van -Janmaat en Jan-Compagnie</i> (z. j.), blz. 71–86.—Een -uittreksel vindt men in de verdienstelijke uitgave van Dr. M. G. de -Boer: <i>Van oude Voyagiën</i>, Dl. III („met Tasman en -Bontekoe”), Amsterdam 1913, blz. 1–39.</p> -<p class="par">Het eerste gedeelte van het journaal werd ook, met een -bekorting, bij wijze van inleiding op de „Liedjes van -Bontekoe”, afgedrukt in de bloemlezing <i>Gedichten van E. J. -Potgieter</i>, uitgegeven door Th. J. Bosman (2<sup>e</sup> bundel, -Klassiek Letterkundig Pantheon n<sup>o</sup>. 141.—Zutphen z. -j.).—Wat aangaat de „Liedjes van Bontekoe” moet nog -opgemerkt worden: Bij n<sup>o</sup>. 1 (”’t Passeren der -Linie”), dat in de dagen van onzen schipper het optreden van -Neptunus bij het passeeren van den Evenaar, met bijbehoorenden -„doop” der nieuwelingen, nog <i>geen</i> gewoonte -was.—Bij n<sup>o</sup>. 2 („Roeltjen uit de Bonte -Koe”), dat het huis, waarin Willem Ysbrantsz. te Hoorn geboren -werd en opgroeide, <i>geen</i> herberg behoeft geweest te zijn.</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2896" href="#xd24e2896src" name="xd24e2896">1</a></span> Dit -overzicht is met medewerking van Dr. G. J. Boekenoogen samengesteld, -wien ik verschillende aanwijzingen aangaande de oude drukken te danken -heb. <a class="fnarrow" href="#xd24e2896src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href= -"#inleiding">INLEIDING.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#inleiding">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href= -"#toeeygeninge">TOE-EYGENINGE.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href= -"#toeeygeninge">13</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorreden">VOOR-REDEN AEN -DEN LESER.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorreden">16</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#sonnet">SONNET. -<span class="sc">Op de beschrijvinghe van de ghedenckweerdighe</span> -OOST-INDISCHE REYSE VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER WILLEM YSBRANTSZ. -BONTEKOE.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#sonnet">19</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href= -"#klinckdicht">KLINCK-DICHT. <span class="sc">Op de wonderlijcke Reyse -van W. Y. B.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href= -"#klinckdicht">20</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#optjournael"><span class= -"sc">Op ’t Journael van W. Y. BONTEKOE.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href= -"#optjournael">21</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href= -"#beschrijvinghe"><span class="sc">Op de beschrijvinghe van</span> W. -Y. BONTEKOE.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href= -"#beschrijvinghe">22</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#verhael">VERHAEL van de -AVONTURELIJKE REYSE van WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE van HOORN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#verhael">23</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#biblio">BIBLIOGRAFISCH -OVERZICHT DER VROEGERE UITGAVEN, WELKE VAN BONTEKOE’S -„AVONTURELIJCKE REIJS” BEKEND ZIJN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#biblio">147</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen -overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het -kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de -<a class="seclink xd24e45" title="Externe link" href= -"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg -Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd24e45" -title="Externe link" href= -"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> -<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line -gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd24e45" title= -"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe van de Oost-indische -Reijse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Willem Ysbrantsz. Bontekoe (1587–1657)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/290350854" class= -"seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Redacteur:</b></td> -<td>Godefridus Johannes Hoogewerff (1884–1963)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/39632681" class= -"seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Oude Spelling)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1915</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3>Catalogusvermeldingen</h3> -<table class="catalogEntries"> -<tr> -<td>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina:</td> -<td><a href="https://www.worldcat.org/oclc/71449484" class= -"seclink">71449484</a></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke -schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn -stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn -verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het -einde van dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2016-12-31 Begonnen.</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn -dat deze links voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary= -"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e248">4</a></td> -<td class="width40 bottom">eenvoudig weg</td> -<td class="width40 bottom">eenvoudigweg</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1221">54</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e1464">n.v.t.</a>, <a class="pageref" -href="#xd24e2997">150</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1421">69</a></td> -<td class="width40 bottom">Staet</td> -<td class="width40 bottom">Straet</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2044">100</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e2690">135</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2192">108</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e2660">134</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2488">124</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2548">127</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2724">137</a></td> -<td class="width40 bottom">de de</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige -beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL *** - -***** This file should be named 53857-h.htm or 53857-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/8/5/53857/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/53857-h/images/bontekoe.jpg b/old/53857-h/images/bontekoe.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index adb4a1f..0000000 --- a/old/53857-h/images/bontekoe.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/book.png b/old/53857-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 963d165..0000000 --- a/old/53857-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/card.png b/old/53857-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/53857-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/cover-cut.jpg b/old/53857-h/images/cover-cut.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d5e2eea..0000000 --- a/old/53857-h/images/cover-cut.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/cover.jpg b/old/53857-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b04b52b..0000000 --- a/old/53857-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/external.png b/old/53857-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ba4f205..0000000 --- a/old/53857-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/hoorn.jpg b/old/53857-h/images/hoorn.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d6ab662..0000000 --- a/old/53857-h/images/hoorn.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/logo.png b/old/53857-h/images/logo.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2aca529..0000000 --- a/old/53857-h/images/logo.png +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/original-titlepage.jpg b/old/53857-h/images/original-titlepage.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 98fda62..0000000 --- a/old/53857-h/images/original-titlepage.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p040.jpg b/old/53857-h/images/p040.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 50bfbb5..0000000 --- a/old/53857-h/images/p040.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p046.jpg b/old/53857-h/images/p046.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e935450..0000000 --- a/old/53857-h/images/p046.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p050.jpg b/old/53857-h/images/p050.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9f703c9..0000000 --- a/old/53857-h/images/p050.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p060.jpg b/old/53857-h/images/p060.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 66206f3..0000000 --- a/old/53857-h/images/p060.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p064.jpg b/old/53857-h/images/p064.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 839c79a..0000000 --- a/old/53857-h/images/p064.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p068.jpg b/old/53857-h/images/p068.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 76b5e5a..0000000 --- a/old/53857-h/images/p068.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p122.jpg b/old/53857-h/images/p122.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 86e348b..0000000 --- a/old/53857-h/images/p122.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/p128.jpg b/old/53857-h/images/p128.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8c27eb9..0000000 --- a/old/53857-h/images/p128.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53857-h/images/titlepage.jpg b/old/53857-h/images/titlepage.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 07ef4ef..0000000 --- a/old/53857-h/images/titlepage.jpg +++ /dev/null |
