summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/52477-8.txt12973
-rw-r--r--old/52477-8.zipbin297801 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h.zipbin409634 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/52477-h.htm15856
-rw-r--r--old/52477-h/images/book.pngbin218 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/images/card.pngbin249 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/images/external.pngbin172 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/images/new-cover-tn.jpgbin10608 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/images/new-cover.jpgbin51341 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/images/rbrace2.pngbin236 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52477-h/images/titlepage.pngbin12662 -> 0 bytes
14 files changed, 17 insertions, 28829 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..beb729a
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #52477 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52477)
diff --git a/old/52477-8.txt b/old/52477-8.txt
deleted file mode 100644
index bc8051b..0000000
--- a/old/52477-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12973 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de
-Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
-
-Author: F. W. Junghuhn
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52477]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- LICHT- EN SCHADUWBEELDEN
- UIT DE
- BINNENLANDEN VAN JAVA.
-
- OVER HET KARAKTER, DE MATE VAN BESCHAVING,
- DE ZEDEN EN GEBRUIKEN DER JAVANEN;
- OVER DE INVOERING VAN HET CHRISTENDOM OP JAVA,
- HET BEZIGEN VAN VRIJEN ARBEID
- EN ANDERE VRAGEN VAN DEN DAG.
-
- VERHALEN EN GESPREKKEN
-
- VERZAMELD OP REIZEN DOOR GEBERGTEN EN BOSSCHEN,
- IN DE WONINGEN VAN ARMEN EN RIJKEN.
-
-
-
- DOOR DE GEBROEDERS
-
- DAG EN NACHT.
-
- MEDEGEDEELD DOOR DEN EERSTGENOEMDE.
-
-
-
- TE LEIDEN, BIJ
- JACS. HAZENBERG CORNS. ZOON.
- 1854.
-
-
-
-
-
-
-
-
- "Grau, theurer Freund, ist alle Theorie,
- Und grün des Lebens goldner Baum."
-
- Göthe.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORREDE.
-
-
-Ik ben kortelings met mijn broeder Nacht uit de binnenlanden van
-Java alhier aangekomen, en zie met genoegen, dat men zich ook hier
-te lande het lot aantrekt dier goede zielen, in wier midden wij in
-gehuchten, dorpen, steden en in de wildernissen bij het wachtvuur,
-zoo menig jaar hebben doorgebragt. De onderwerpen, welke wij destijds
-hebben behandeld, worden hier overwogen door staatsmannen, ministers,
-leden der tweede kamer, liefhebbers, spekulanten, presidenten van
-Zendeling-genootschappen, door ingewijden en leeken, door mannen van
-de theorie en van de praktijk; zij worden er door gewikt en gewogen,
-het voor en tegen er van in het licht gesteld, door dezen aangeprezen,
-door genen gelaakt. Het pleit is echter nog niet beslist. Toen ik dit
-alles zag, dacht ik nogmaals na over hetgeen ons in der tijd bezig
-hield en het scheen mij toe, dat onze verhalen en gesprekken--al dragen
-zij niet het gewaad van geleerdheid, al zijn zij niet gevoerd door
-mannen, ervaren in het staatsregt, de staathuishoudkunde, dogmatiek,
-christologie en in de hoogere en lagere politiek, maar toch, zoo als
-ik met bescheidenheid vermeen te durven hopen, met een weinig gezond
-verstand onder den groenen boom des levens ter neêr gesteld,--niet
-geheel onwaardig mogen beschouwd worden, om onder het oog van het
-publiek te worden gebragt.
-
-Eenige kleinigheden daargelaten, die ik er heb bijgevoegd, naar
-aanleiding van hetgeen ik na mijne aankomst in Europa vernam en
-ontwaarde, komen ze onveranderd in het licht.
-
-Wij hopen, dat onze verhalen en gesprekken goedgunstig door den lezer
-mogen worden ontvangen.
-
-Mijn broeder Nacht is reeds sedert lang door den dageraad verlicht
-geworden. Hij wenscht echter onbekend te blijven en heeft zijn
-naam veranderd. De Correspondenten van onze voormalige firma worden
-derhalve verzocht zich voortaan uitsluitend te wenden tot dengene,
-die van het navolgende is
-
-
- S.... Februarij, 1854. DE MEDEDEELER.
-
-
-
-
-
-
-
-
- VERHALEN EN GESPREKKEN
- UIT DE
- BINNENLANDEN VAN JAVA.
-
-1.
-
-
-Na een vermoeijenden dagmarsch over bergen en dalen, waren wij
-te Gnoerag aangekomen. Onze kleederen en overige reisbehoeften
-hadden wij in kleine lederen koffers gepakt, ligt genoeg om ze, met
-eene hand vastgehouden wordende, op den schouder of op het hoofd te
-dragen. Maar de Koeli's, die zich daarmede hadden belast--een tiental
-Javanen uit het dorp, dat wij des morgens hadden verlaten--waren
-achter gebleven. Twee uren vóór onze afreis uit Gnoetnig waren
-zij van daar vertrokken. Wij haalden hen echter in en vonden ze
-onderweg, in de schaduw van een Bamboesboschje, uitgestrekt op
-den grond liggen. Sommigen hielden hunne siesta en bezigden onze
-koffertjes, die daartoe juist groot genoeg waren, tot hoofdkussens;
-anderen, die reeds uitgeslapen waren, maakten kleine cigaren van fijn
-gesneden tabak en Djagongbladeren.--"Saja banjak tjapé, Toean!" (Ik
-ben dood moede, heer) zeide de een; "Terlaloe panas, korang koewat"
-('t is ondragelijk heet, ik kan niet meer) voegde een ander mij toe,
-en "Sakit prot" (ik heb pijn in 't lijf) was de jeremiade van een
-derde. Wij lieten eenigen onzer bedienden bij hen achter en zetteden
-onzen togt voort, nadat wij een der koffers hadden geopend om wat
-sigaren te krijgen en die onder hen te verdeelen. Wij beloofden ieder
-van hen een halven gulden boven het bedongen loon (dat wij reeds vooraf
-hadden betaald), benevens Koewé koewé (suikergebak) met Kopi (koffij)
-tot eene versnapering, indien zij zorg droegen vóór het vallen van
-den avond te Gnoerag te zijn. "Ja wel, beste heer!" riepen zij allen
-verheugd als uit eenen mond; "wat een goede heer is hij toch"--voegden
-anderen er bij. Hunne wil was inderdaad goed. Maar zij lagen daar zoo
-vrolijk bijeen! Hun goedig, slaperig oog, waarin de genoegelijkheid
-als het ware te lezen stond,--want zij waren zoo blij, zoo zonder
-zorgen,--hielden ze onafgebroken gerigt op den blaauwen rook hunner
-cigaren; zij schenen aldaar zoo regt gelukkig te zijn, beter nog
-dan het eerste menschenpaar in het Paradijs; een beekje murmelde in
-hunne nabijheid en Paradijsvijgen, die hun het groote blad bij wijze
-van bord voor hunnen medegevoerden rijstmaaltijd hadden opgeleverd,
-namelijk, Pisangboomen, spiegelden zich werkelijk in het effen vlak
-van het kristallijnen vocht der beek.
-
-Had ik mijn zin gevolgd, dan had ik ze vooruitgezonden, maar mijn
-broeder Nacht zeide "ze zullen wel achter aan komen" en wij gingen
-vooruit met een Loerah (een dorpshoofd), drie van onze bedienden
-en een paar andere Javanen, die onze instrumenten en jagtgeweren
-droegen.--Eindelijk werd het tijd naar een nachtkwartier om te zien
-en nog waren zij niet aangekomen.
-
-De avondzon wierp reeds hare roode stralen op de oostelijke dalhelling;
-weldra verlichtte zij nog slechts haren bovensten rand, deze heldere
-strook werd allengs smaller en bleeker; reusachtige vledermuizen
-(Kalong's) togen reeds over onze hoofden naar de oorden, waar zij
-hunne nachtelijke feesten vieren en het geschreeuw der paauwen in
-de naburige wouden klonk al luider en luider in ons oor, toen wij
-het eenzame dorpje naderden, dat slechts uit een vijf- of zestal
-hutten bestond. De donkere schaduwen, die op het breede dal waren
-nedergedaald, hadden ook het kleine dorp met zijne vruchtboomen
-reeds verzwolgen. Zoo even hadden de vrouwen op de houten blokken
-(Lesoeng) rijst voor het avondeten gestampt en reeds een kwartieruur
-vroeger had de regelmatige, heldere klank der neêrvallende stampers
-ons oor getroffen, toen wij ons nog op een verren afstand van hier
-bevonden.--Naauwelijks echter hadden zij ons in het oog gekregen of
-zij wierpen hare stampers (Aloe's) neder en vloden ijlings binnen hare
-hutten. Huilend werden zij achtervolgd door hare kinderen en de honden
-verscholen zich onder den vloer der woningen, die, zoo als gewoonlijk
-het geval is, aan de vier hoeken op palen of Bamboesstijlen waren
-gebouwd. Uit die schuilhoeken lieten zij hunne blaffende symphonie,
-fortissimo, hooren en stoorden de kippen in den slaap, die ter zelfder
-plaatse reeds sedert geruimen tijd op het roest zaten. In de hutten
-zelven werd niet de minste beweging vernomen. Allen, die zich er in
-bevonden, hielden zich zoo stil als een muis; slechts hier en daar
-liet zich een half gezigt, een oog, bespeuren, dat nieuwsgierig door
-eene reet der Bamboeswanden gluurde.
-
-Wij zetteden ons onder een klein afdak neder op een stampblok
-(Lesoeng), dat voor de hutten stond en benoemden den Loerah tot onzen
-ambassadeur en plenipotentiaris, ten einde met den waarschijnlijk
-levenden inhoud der geslotene vestingen--niet zoo als Prins Menzikoff
-met de Verheven Porte--neen, vriendschappelijk te onderhandelen.
-
-Onze diplomaat hield eene roerende aanspraak, gaf zijne smart te
-kennen, dat onze komst vensters en deuren had doen sluiten--en ter
-naauwernood had hij zijne sierlijke rede geëindigd of eerst werd
-eene, vervolgens eene tweede en weldra eene derde deur geopend,
-waarop, hoewel aarzelend, eenige mannen naar buiten traden met rijst
-en Pisang, welke levensmiddelen de Loerah verklaard had tegen goed
-geld te willen inruilen. Wij nuttigden nu ons eenvoudig avondmaal,
-dat ons op een Pisangblad werd toegediend. De honden kropen uit hunne
-schuilhoeken te voorschijn en kwamen al kwispelstaartend naar ons
-toe; weldra verschenen enkele rimpelige sybillen op het tooneel,
-die op eenigen afstand bleven staan en ons met luide, krijschende
-stemmen, maar niettemin met regt vriendelijke gebaren, een "welkom te
-Gnoerag!" toeriepen. Het duurde niet lang of eenige jongere vrouwen,
-met hare kinderen op den arm, traden op ons toe, ja, zelfs de jonge
-meisjes slopen de eene na de andere in den kring. Anderen verwijderden
-zich weder en bragten ons ongevraagd eenige lekkernijen, die zij
-in hunne hutten hadden bewaard. Deze bood ons een kleinen pot aan,
-gevuld met Sambal gòreng, gene bragt de helft van een gebraden hoen
-(Ajam panggang) te voorschijn, dat hij ons als lekker aanbeval, een
-ander gaf ons een paar gedroogde schildpadeijeren, of een stukje
-Dendeng; een vierde spreidde eene mat (Tikar), van Pandanbladeren
-gevlochten, op den Lesoeng uit en eindelijk--toen de overtuiging
-zich algemeen had gevestigd, dat wij geene zeeroovers waren,--zagen
-wij ons vertrouwelijk omringd door ouden en jongen, door mannen,
-vrouwen en kinderen, met al hun huisgedierte, in één woord, door al
-wat in het dorp leven ontvangen had.
-
-NACHT. Ziet ge wel, dat de Javanen beste menschen zijn?
-
-IK. Ziet ge wel, dat men goed en gastvrij zijn kan, zonder Christen
-te zijn? Maar ziet ge ook wel, dat onze Koeli's niet komen?
-
-NACHT. Hebt slechts geduld; het is nog niet volkomen avond en
-buitendien wij hebben maneschijn. Zij zullen wel komen.
-
-Intusschen hadden onze "jongens" (spreek uit: Javasche bedienden, die
-somtijds reeds vrij bejaard zijn) kennis gemaakt met de bewoners van
-het dorp en slaapplaatsen voor ons uitgezocht. Het laatste overblijfsel
-van het vooroordeel, dat de dorpelingen tegen ons "menschen met blanke
-gezigten" nog koesterden, was door hunne bemoeijingen weggenomen. Mijn
-jongen Sidin komt daar aanstappen met eene jeugdige vrouw, die haar
-kind op den arm heeft; zij biedt ons hare hut tot tijdelijk verblijf
-aan en wil ten onzen gevalle zoo lang bij hare buurvrouw haren intrek
-nemen.--Waar is dan uw man? "Ach, heer" gaf zij ten antwoord, "acht
-dagen geleden heeft een tijger hem opgegeten." Dit zeide zij met een
-lagchend gezigt als of zij een grap verhaalde. Op grond hiervan beelde
-de lezer zich niet in, dat de Javanen hardvochtig en gevoelloos zijn;
-dat is volstrekt niet het geval. De zaak is deze: in alle wisselingen
-van hun lot gedragen zij zich als geboren philosophen en weten zich
-spoedig naar alles te schikken. Zoodra het lijk aan de aarde is
-toevertrouwd, al heeft men den overledene bij zijn leven nog zoo lief
-gehad, dan wordt er niet meer om getreurd. "Het treuren helpt toch
-niet, en gedane zaken nemen daardoor geen keer! Waartoe zal men iemand
-lang beweenen, daar men elken dag zelf sterven kan?"--Op die wijze
-ongeveer beschouwen zij de zaken. Het heete klimaat, de verbazend
-snelle ontbinding en vergankelijkheid van al dat bewerktuigd is,
-zoodra het leven daaruit is geweken, de voortdurende gelijkvormigheid
-in alle verschijnselen der natuur, die hen omringt, waarin geene
-afwisseling van jaargetijden wordt waargenomen, dit alles oefent
-noodzakelijkerwijze invloed uit op hun karakter en hunne innerlijke
-gemoedstemming. Met gelatenheid dragen zij hun lot, dat door hen
-als iets onvermijdelijks wordt beschouwd. Het gevaar, waaraan zij
-voortdurend zijn blootgesteld, ontneemt hun alle vrees en maakt hen
-onverschillig omtrent hetgeen haar bij anderen doet ontstaan.
-
-Wij namen bezit van de hut, die op eenigen afstand van de overigen,
-tusschen ooft- en wilde boomen verscholen, was gebouwd. De rosse
-gloed eener lamp met Djarak- (Ricinus-) olie gevuld, wierp een flaauw
-licht op den vloer en de vier berookte wanden, van gevlochten Bamboes
-vervaardigd, waaruit het eenige vertrek der hut bestond. De vloer
-rustte op stijlen, ter hoogte van ongeveer vier voet boven den grond:
-de bank, die met eenige Tikar's was belegd en ons tot rustplaats
-moest dienen, bestond mede uit gespleten Bamboes.
-
-Wij verlangden zeer naar een bad;--wij wenschten ons te ontdoen
-van onze kleederen, die doornat van zweet en daarenboven met stof
-en vuil bedekt waren. Maar wat moesten wij aantrekken? De Koeli's,
-die onze koffers droegen, waren nog niet aangekomen. Een sigaar,
-een glas wijn konden wij wel ontberen, maar zouden wij ons nu ook
-genoodzaakt zien het tenue der inboorlingen aan te nemen, en in het
-kostuum van Adam rond te wandelen?--Al hetgeen de goede luitjes hier
-in het dorp in hunne garderobe overcompleet hadden en dit bestond
-uit een paar Selendang's (lange, smalle omslagdoeken) en Sarong's
-(een kleedingstuk, dat den vorm heeft van een vrouwenrok), werd ons
-ten gebruike afgestaan. Wij deden derhalve als of wij ons in het
-Paradijs bevonden en het kostte weinig moeite ons in te beelden,
-dat dit werkelijk het geval was. Ademden wij hier niet eene zuivere,
-zachte, geurige lucht in?--strekte zich hoog boven onze hoofden niet
-de schoonste blaauwe hemel uit?--stond hier nevens onze hutten niet de
-Musa "uit het Paradijs" (gelijk Linnaeus haar heeft genoemd), met hare
-reusachtige, reeds aanrijpende trosvormige vruchten?--blonken ginds
-niet goudkleurige Mangga's, roode Djamboe's, Doeren's en Nangka's,
-beide ter grootte van een menschenhoofd, benevens vele andere
-schoone vruchten in het oog, half verscholen tusschen het loof der
-boomen, die in en rondom het dorpje waren aangeplant?--verhief zich
-niet boven onze hoofden, zagen wij niet verre beneden ons in het
-lagere gedeelte van het dal, het loofgewelf der allerprachtigste,
-bloemrijke wouden?--geleken de bewoners van het eenzame dorpje, in
-de eenvoudigheid huns harten, niet op het eerste menschenpaar, toen
-het in onschuld het Paradijs tot woning had? en murmelde ginds achter
-ons, in de onmiddellijke nabijheid der hut, niet een beekje, waarvan
-het kristalheldere water ons uitlokte tot het verfrissend genot van
-een bad?--Een gedeelte van het water liep door eene Bamboesbuis naar
-eene plek, waar het terrein met een steilen wand 5 à 6 voet afdaalde
-en plaste van die hoogte bij wijze van stortbad (Pantòran) op den
-badende neder. Wij droogden ons in de lucht, sloegen den Sarong om
-onze lendenen en den Selendang over de schouders en begaven ons naar
-den nabij gelegen rand der kloof, van waar wij den ganschen, zooveel
-lager gelegenen bodem van het dal konden overzien. Aldaar vleiden wij
-ons neder in het gras onder het geboomte en lieten onzen geest ten
-speelbal van de indrukken, te weeg gebragt door de omringende schoone
-natuur, die zich meer en meer in haar schemerend avondkleed hulde.
-
-Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der westelijke
-dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten rand een
-zacht glooijend plat vormt en vervolgens steil in den eigenlijken
-bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons bevonden,
-verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte des
-dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht
-glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk
-als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van
-den westelijken rand welligt 1 1/2 à 2 Javasche palen [1] verwijderd
-was. Op den voorsprong lagen hier en daar kleine, drooge rijstvelden
-(Tipar en Oema) verstrooid in eene wildernis van Alang-alanggras,
-welke laatstgenoemde zelf de plaats weder had ingenomen van velden,
-in voormaligen tijd bebouwd. De bodem van het dal daarentegen, benevens
-de steile hellingen, die het ter wederzijde insloten, waren bedekt met
-een majestueus oorspronkelijk woud, met boomen wier zuilvormige stammen
-zich 100, ja, 120 voet hoog verhieven, alvorens zij hunne rondachtige
-loofkroonen vormden. Als wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven
-zij hunne kruinen de eene boven de andere aan den steilen dalwand en
-slechts enkele gedeelten, die volkomen loodregt oprezen, vielen hier
-en daar als kale plekjes tusschen het geboomte in het oog. [2]
-
-Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het dal
-overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht
-der maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht was zoo helder,
-dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen waarnemen,
-toen de dagtoorts [3] werd uitgebluscht. In het azuren uitspansel
-liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het zintuig
-van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon was
-gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het
-geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere
-algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet
-langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had
-te weeg gebragt,--de zonnestralen, welke er op neêrschoten,--stegen
-niet langer luchtstroomen loodregt opwaarts en werd de zijwaartsche
-voortplanting van het geluid niet meer verhinderd. De branding
-van de meer dan 20 palen van ons verwijderde zuider kust liet zich
-allengs duidelijker vernemen en het bruischen van den stroom, die,
-in zijn langen loop uit het binnenste van het hooggebergte tot aan
-de kust, zich al kronkelend door den bodem van het dal slingert,
-trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze algemeene,
-doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke mate
-verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke
-bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en
-kinderen, die zich met haar tam gedierte--hoenders, honden, geiten,
-een paar buffels en paarden--in dit dal had nedergezet en mijlen ver
-door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij lagen nu allen
-op hunne Balé balé's in de hutten uitgestrekt, waar zij zich, ieder
-in den kring van zijn gezin, geheel en al overgaven aan het zalige
-gevoel van een volkomen onbezorgd gemoed. Uit eenige hutten klonken
-ons nog de langgerekte toonen van een gezang te gemoet, dat noch eene
-bepaalde melodie, noch woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen
-wordt geïmproviseerd en gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen
-en zich gelukkig gevoelen. Ook dit eentoonige gezang hield allengs
-op; onze bedienden, die zich in gezelschap van eenige dorpelingen
-achter ons in het gras hadden nedergelegd, slopen de een voor en de
-andere na in stilte weg, om ook voor zich eene nachtelijke rustplaats
-op te zoeken; de eene deur werd na de andere gesloten; de lampjes,
-waarvan het schijnsel door de reten der wanden schemerde, werden de
-eene na de andere gebluscht; het geluid der huisdieren liet zich
-allengs zeldzamer hooren, en eindelijk verkondigde niets meer de
-nabijheid der menschelijke wezens, die met al hunne levende have,
-met al hun geluk en ongeluk, zich in onze onmiddellijke nabijheid
-bevonden en nu in diepen slaap verzonken waren.
-
-Wij alléén nog zaten daar--en langen tijd zwijgend--nevens
-elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu eens vestigden wij mijmerend
-de blikken op den tegenover gelegen dalwand, waarvan hier eene bogt,
-met donkere schaduwen bedekt, in een geheimzinnig duister verdween,
-terwijl elders eene voorwaarts springende rotspunt of de reusachtige
-zuil eens boomstams door het volle licht der maan werd beschenen;--dan
-weder rustten zij op het bladerengewelf, waarmede het woud den bodem
-van het diep beneden ons liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke
-duisternis liet zich hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als
-zagen wij door eene spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse
-waar in de diepe, met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog
-volkomen onzigtbaar, maar door den donder harer schuimende golven luid
-hoorbaar de Tji-Nagnéak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok,
-van rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop
-voort naar de kust. Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds,
-vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen,
-waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid
-gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen
-van den avond, de echo's van alle bergwanden had doen ontwaken, maar
-die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte zaten.--Van
-tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons voorbij; somtijds
-vloog een krassende uil langs de helling van het dal, doch dit was de
-eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde en verre lag de
-natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe geruisch van den
-snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het regelmatig
-geklep van een Caprimulgus, [4] dat als kletterende hamerslagen op
-een aanbeeld alom door het dal klonk, en slechts zelden vernamen wij
-uit het woud beneden ons een geluid als van loeijende buffels, maar
-fijner, meer schor en wilder van toon; het waren rhinocerossen, die
-zich slechts in den speeltijd laten hooren. Overigens was de dierlijke
-schepping dood stil en nergens was eenige beweging zigtbaar.--Maar met
-welke nachtelijke schoonheid was het omringende landschap getooid! welk
-een tooverachtigen schijn gaf daaraan de maan, die het als door een
-floers, door een zilverkleurig, half doorschijnend glas bescheen! Waar
-vind ik woorden om zoo veel schoonheid te beschrijven,--of kleuren om
-haar naar waarde af te malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo
-iets laat zich slechts gevoelen, waarnemen.
-
-NACHT. Beste broeder Dag; wanneer ik mijn oog laat gaan over dit
-vruchtbare, door de natuur zoo rijk gezegende landschap, dat een waar
-paradijs mag worden geheeten en in den schoonsten schemerschijn van
-het liefelijke maanlicht daar voor ons ligt, wanneer ik daarbij denk
-aan de goede Javanen, die, voor hooger ontwikkeling zoo vatbaar,
-in deze oorden gevestigd zijn, maar wier geest nog in de diepste
-duisternis der onwetendheid is gehuld, wier mate van intellectuele
-beschaving naauwelijks met dat schemerlicht der maan kan vergeleken
-worden,--wanneer ik mij dit alles voor den geest stel, dan vind ik
-het ten uiterste beklagenswaardig, dat zij de openbaring van het
-Evangelie, de zegeningen des Christendoms nog niet deelachtig zijn
-geworden, dat hun eeuwig heil, het heil hunner onsterfelijke ziel,
-zoo schromelijk wordt verwaarloosd!
-
-DAG. Beste Nacht, die klagt wordt door mij niet gedeeld. Voor ik
-den wensch kan koesteren om de "Javanen tot Christenen te bekeeren,"
-gelijk gij dat gewoon zijt te noemen, moet ik eerst leeren inzien,
-dat de Christelijke leer niets dan zuivere waarheid bevat, dat de
-kennis dier leer voor alle volken der aarde als eene zegening zij te
-beschouwen, en met den besten wil ter wereld heb ik mij hiervan nog
-niet de overtuiging kunnen verschaffen.
-
-NACHT. Hoe is het toch mogelijk, dat ge zoo kunt spreken! Bedenk
-eens tot welk een hoogen graad van beschaving, wij Christenvolken
-zijn opgeklommen; overweeg eens hoezeer wij Christenen door de
-meerdere ontwikkeling onzer verstandelijke vermogens, in handel en
-nijverheid, in het staatkundige en door onze zedelijke overmagt,
-boven alle niet-Christennatiën verheven zijn; denk toch aan het licht
-der wetenschappen dat zijne heldere stralen over Europa verspreidt,
-de hooge vlugt welke het geestesleven bij ons heeft genomen, de
-verbazende ontwikkeling aan alle nuttige kunsten, aan alle takken
-van nijverheid gegeven, waarin geen enkel niet-Christenvolk zich met
-ons meten kan,--waaraan hebben wij dat alles te danken? dan juist
-aan het Christendom, 't welk wij belijden, aan onze heilige Kerk,
-aan de leer des bijbels, zoo overvloeijende van menschenliefde,
-aan de zegeningen der geopenbaarde godsdienst, die de Heiland en
-Verlosser ons heeft geschonken?
-
-DAG. In geenen deele, broeder Nacht. Gij verkeert in dwaling,
-waarin trouwens eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn
-vervallen. Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren,
-dat gij het spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim
-achttien eeuwen verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer
-verkondigde en ongeveer 12 à 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop
-die leer onder de Germaansche volkstammen, in het hart van Europa
-gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer
-dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industriële
-ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een hoogeren
-trap hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde Heidensche volken
-staan, als de Japannezen, Chinezen, Hindoes?--Zij dagteekent ter
-naauwernood van vóór 200 jaren, en wat betreft de tegenwoordige hooge
-vlugt, de buitengewone vooruitgang, die in alle takken van nijverheid
-wordt waargenomen--het heldere licht, verspreid door de ontdekkingen,
-op het gebied der natuurlijke wetenschappen gemaakt, waardoor het
-leven en het verkeer der volken eene gansch andere, nieuwe, vroeger
-niet mogelijk geachte gedaante heeft verkregen, eene vlugt die nog
-dagelijks als met arendsvleugelen hooger stijgt,--deze dagteekent nog
-niet van vóór een honderd jaren! En op welken trap van intellectuele
-en industriële beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de
-voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms?
-
-De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag als een
-dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf à
-twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling des geestes;
-het geloof aan de openbaringen des bijbels, aan de onfeilbaarheid
-der kerkelijke orakelspreuken, verstikte alle zelfstandigheid van
-denken, weêrstreefde elk onderzoek der natuur en stelde wonderen in
-de plaats der natuurwet, verbreidde duisternis, waar het licht had
-moeten aanbrengen. Ge zult mij toch wel niet tegenspreken, dat de
-oude Grieken en Romeinen, lang vóór de geboorte van Christus, een
-veel hoogeren graad van beschaving bezaten, dan den Christenvolken
-gedurende de middeleeuwen eigen was?--En wee! die zeldzame mannen,
-die het durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te
-willen werpen! Was aan Galileï het treurige lot niet beschoren nog
-in de 17de eeuw door de priesters van Christus als ketter te worden
-vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en verdedigde,
-welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,--moest hij niet,
-nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te gelooven,
-dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het midden 18de
-eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters verbrand, heksen op de
-pijnbank der inquisitie gefolterd werden?--ja, wat zeg ik, heeft men
-niet nog vóór korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw,
-gezien dat deze priesters "van Christus," gelijk zij zich noemen, van
-Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid predikte--den vloek,
-den banvloek! uitspraken en menschen, die den bijbel hadden gelezen,
-tot de galeien doemden?--Ik wil hopen, dat Jesus niet andermaal zal
-geboren worden; want indien dit geschiedde en hij optrad tegen deze
-priesters, die zich naar zijnen naam noemen--en zeker zou hij zulks
-doen, gelijk hij reeds eenmaal te velde trok tegen de huichelarij der
-Joodsche priesters, der Pharizeën--dan zouden zij hem als een valschen
-Messias aanklagen, veroordeelen, en ten tweeden male kruisigen!
-
-NACHT. Het is zeer wel mogelijk. Ge weet, dat ik, wel is waar,
-in het Katholieke geloof ben opgevoed, echter geenszins behoor
-tot de vereerders der hierarchie, sedert ik zelfstandig heb leeren
-denken. Gij spreekt van de gruwelen door het Pausdom veroorzaakt, van
-de huichelende priesterschaar, die heerschen wil en gaarne in troebel
-water vischt; maar al hetgeen door u is aangevoerd strekt eigenlijk
-toch slechts ter verheerlijking van het Christendom! Want ge zult toch
-met mij bekennen, dat het licht der gezuiverde Christelijke leer,
-sedert den tijd dat Luther in 1520 de Pausselijke bul verbrandde,
-op eene zegevierende wijze al deze nevelen voor zich uit heeft
-gedreven en thans een groot gedeelte der oude en nieuwe wereld met
-zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en weldadige warmte
-kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en krachtdadigste
-ontwikkeling zijn gekomen?
-
-DAG. Broeder Nacht, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde
-gevolgtrekking. Het Christendom heeft niets gemeens met dezen bloei
-der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen
-ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in
-zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding
-en aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het
-navorschen van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en
-bovenal voorschrijft te gelooven aan wonderen, vast te gelooven aan
-het onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met
-alle ervaring, met alle bekende wetten der natuur.--Het is waar,
-de zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig,
-moet hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het
-kwade te onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt
-medelijden jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is
-de menschelijke natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan,
-en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in
-de laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industriële
-leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd
-aan de natuurlijke wetenschappen, aan de geniale en grondige studie
-der natuurwetten en der werken van den verheven Schepper,--aan de
-steeds in zekerheid toenemende kennis van hetgeen wij daar boven
-aan den hemel, hier beneden op de aarde ontwaren, en is bovenal in
-ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen, gedaan op het gebied der
-geologie, der sterre- en scheikunde, der physica en physiologie;
-hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den dag gebragt en alom
-verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof steeds binnen
-engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de Christelijke
-priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel gevoeld
-en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting der
-hierarchie tot op den tijd van Galileï en van Galileï tot op den
-huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken, de
-vatbaarheid daarvoor--door hunne wijze van onderrigt--in het kinderlijk
-gemoed te verstikken, den natuuronderzoeker in zijne navorschingen te
-breidelen of hem er om te vervolgen; want de natuurkundigen zijn het,
-die vijandig tegen hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke
-de priesterrok rondom zich werpt, door een steeds grooter wordend
-tal van lichtstralen in helderen dag dreigen te herscheppen. Zij,
-de obscuranten, leven en bewegen zich met welbehagen alleen in die
-met nevelen der onwetendheid bezwangerde lucht, waarin geen ander
-licht kan doordringen dan hetgeen door wonderen en bijgeloof, als
-door beschilderde vensterglazen, is verdonkerd en gebroken. Het is
-de pligt van den natuuronderzoeker tegenover hun geloof aan wonderen
-de natuurwet--de duidelijke verklaring--te stellen. Hij zou met zich
-zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei-
-of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien hij aan wonderen
-geloofde, indien hij in staat was zijn eerste axioma--zijn evangelie:
-de eeuwige onveranderlijkheid en regelmatigheid der natuurwetten,
-te verloochenen. Alle wetenschap houdt op, zoodra de mogelijkheid
-van het tegendeel wordt aangenomen.
-
-NACHT. Maar dewijl gij toch met mij gelooft, dat God almagtig
-is,--waarom zou hij dan niet ééne enkele maal de werking van eenige
-zijner natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een
-tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren
-zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te maken?
-
-DAG. Beste broeder, vergeef het mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn
-mond niet uitspreken, kan mijn verstand niet bevatten.
-
-Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27 zoogenaamde
-kleine planeten of asteroïden in kringen om de zon wentelen en die
-gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De zon zelve
-is slechts een van de duizende, insgelijks veel grootere zonnen,
-die--ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde vaste sterren
-zigtbaar--aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch niet aannemen, dat
-van al die duizende zonnen slechts om deze ééne--om de onze, die niet
-tot de grootsten behoort--planeten zich wentelen, en nog veel minder,
-dat onder al die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere
-zonnen behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen,
-met geest- en denkvermogen begaafd?--Zou het niet hoogst ongerijmd
-zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten
-en trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn geroepen om den wille
-der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven en dat deze
-schaar van zoo onvolkomene wezens,--gelijk de menschen inderdaad zijn,
-die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich op niets met zoo
-veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te vermoorden, te kwellen
-en te plunderen,--dat zij in het oog van den Schepper des heelals zoo
-hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille van hen en om hen alléén
-die verbazende menigte veel grootere hemelligchamen heeft geschapen,
-welke wij in de onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden
-ontdekken, tot waar ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij
-moeten derhalve noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat
-ook op al deze andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke,
-welke geschikt zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond)
-levende, met verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten
-dat zij welligt eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij.
-
-En wat heeft God nu gedaan, volgens de Christelijke geloofsleer?--Nadat
-de menschen reeds gedurende vijf duizend jaren of iets langer op
-de aarde hadden voortgestrompeld,--gedurende welk tijdperk reeds
-vele rijken ontstaan en weder te gronde waren gegaan, natiën op
-het schouwtooneel der wereld waren getreden en het hadden verlaten,
-waarbij veel bloed vergoten, veel gruwzaamheid gepleegd, vele zonden
-waren bedreven,--zag de Schepper ten laatste in, dat het zoo niet
-langer gaan kon; hij begreep eindelijk, dat hij zijn werk (den mensch)
-niet doelmatig genoeg had ingerigt en dat dit werk noodzakelijkerwijze
-eenige reparatien en verbeteringen moest ondergaan. "Hij had of schiep
-een zoon" en zond dezen op de aarde om het menschdom deugd en liefde
-tot den naaste te prediken en te doen beoefenen, hetgeen hij dan
-ook met zulk uitstekend gevolg in praktijk bragte, dat de dankbare
-tijdgenooten hem daarvoor bespotteden, hoonden, beschuldigden, ja,
-eindelijk tot den martelaarsdood veroordeelden en aan het kruishout
-nagelden!--Maar nu was God met zijne schepselen verzoend; nu mogten
-zij zondigen naar hartelust en zoolang zij verkozen, of nog zullen
-verkiezen, mits zij er te eeniger tijd slechts berouw over gevoelen,
-dan kunnen zij de zaligheid toch nog deelachtig worden; want heeft hij
-niet zijn eigen zoon--het lam [5] Gods--tot verzoening voor de zonde
-der menschen gegeven en hem--aan wien--daarvoor ten offer gebragt?--:
-aan zich zelven.
-
-Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der hemelen komen,
-en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat de overige
-705 millioen menschen betreft--Joden, Mohammedanen en zoogenaamde
-Heidenen,--die behalve de zoo even genoemden op de aarde wonen,
-hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in Jezus
-bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen
-Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters
-(die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke
-magt van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer "der
-alleen zaligmakende heilige kerk," geen haar breed beter gesteld dan
-met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen
-bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen
-(Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke
-zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.--En wat
-zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden
-van planeten en zonnen, welke in het heelal zweven en zich in
-elliptische banen bewegen?--dat kan niemand bepalen, indien zij,
-namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn
-gevormd dan wij--of indien zij geene Christenen zijn,--indien de zoon
-Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,--niet den oneindig
-langen togt door het heelal heeft ondernomen,--indien hij niet van
-trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen naar
-melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk zijns
-vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te
-herstellen en te verbeteren!--Waarachtig, broeder Nacht, wat zou
-ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat hebben van den alwijzen
-Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen kon gelooven,--indien
-ik zoo iets dacht van den oneindigen, eeuwigen Maker van het heelal,
-die niets onvolkomen heeft daargesteld, die het kleinste wormpje, het
-onbeduidendste plantje en hoe veel te meer niet den mensch! van den
-aanvang af zoodanig heeft gevormd, dat, door de krachten waarmede
-Hij hem heeft begiftigd en die Hij aan eeuwig onveranderlijke,
-onverbreekbare wetten onderwierp, alles wat leeft en zich beweegt en
-door zijnen adem wordt bezield, door zich zelven en uit zich zelven
-zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke bestemming onfeilbaar te
-gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de wetten, de eenmaal in
-het leven geroepen krachten, herstelling of verbetering behoeven.--En,
-aangenomen dat zulks denkbaar, dat zulks mogelijk was, dan vraag
-ik u: wat heeft dan dat buitengewone gezantschap van God op aarde
-uitgerigt? Wat heeft het geholpen?--zoudt ge durven beweren, dat de
-menschen sedert dien tijd beter en gelukkiger zijn geworden?
-
-Wend uwe blikken om u heen, sla Europa gade! Wat ziet ge? Ellende,
-armoede, hongersnood, gevangenissen en andere dergelijke
-strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel, die onder
-de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt gedreven;
-diefstal, moord,--ontevredenheid door de volken gevoed jegens hunne
-regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers voor hunne
-volken,--oorlog!--schepen en vestingen laat men in de lucht springen en
-duizenden van menschen vallen in één enkelen oogenblik als een offer
-des doods; hier ontwaart gij wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen
-de onderscheidene Christensekten, ginds aanmatiging der priesters,
-kuiperijen der Jesuïten; van godsdienst vindt gij buiten de kerken
-zelfs geen spoor, in de kerken veel huichelarij en schijnheiligheid.
-
-Werp uwe blikken achter u. Daar ontwaart gij een vreesselijk
-schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De aanbidders
-der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan; bloedig
-vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels
-besluiten het, waarop Christenen Christenen--tot vreugde van
-Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het ijzingwekkende
-cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en bloedige
-kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald. Langzaam
-ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij niets
-dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der middeleeuwen,
-zoo vol gruwelen;--te vergeefs tracht gij eenig schemerlicht van
-geestesleven te ontdekken;--dikke wolken verduisteren den hemel,
-zij rusten op de aarde, het schrikbewind der hierarchie bespiedt
-der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan den oogenblik van
-zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden gekluisterd;--het
-vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder alle volken van Europa
-en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens, die in hen sluimeren,
-wordt zorgvuldig onderdrukt;--rijke kloosters zweven bij duizenden
-aan uwe blikken voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in
-het zweet zijns aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne
-poorten neder, en, onder de bescherming des kruises, worden zij door
-weelderige monniken en nonnen verbrasd;--processiën trekken voorbij
-met reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer
-wordt bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen
-kan, de knieën ootmoedig buigt;--hier hoort gij het aflaatgeld,
-betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven,
-in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de
-stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch geëxcommuniceerd
-of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk drukt; zelfs de
-lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot der aarde
-worden toevertrouwd;--maar eensklaps wordt de stikdonkere duisternis
-door een helder licht vervangen, de hooge hemel is met een rooden
-gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich boven den
-horizon, Auto da Fé's worden gehouden! en--een en dertig duizend
-menschen, beschuldigd of slechts verdacht van af te zijn geweken
-van het eenig ware geloof der Pausselijke kerk, worden de een na
-den anderen, somtijds een half dozijn te gelijk, levend voor uwe
-oogen verbrand!--Welk somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd,
-en welke jammertoonen treffen van daar uw oor?--Het zijn de kerkers,
-casa santa, der inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren,
-die het voorvaderlijk geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen
-doen rammelen;--uit gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van
-onschuldige heksen op, die door de priesters van Christus verdacht
-zijn geworden, dat zij met booze geesten in betrekking stonden; zij
-worden gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu hun gekerm,
-dat te vergeefs om "erbarming" smeekt, uw oor doorklieft en uw hart
-doet bloeden!--en zie hier--een schavot is opgerigt en ge ontwaart
-zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd van getwijfeld te hebben
-aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de hand der "heilige
-Christelijke beulsknechten" levend worden geradbraakt!--Het panorama
-ontrolt zich verder; zal het dan nimmer eenige verblijdende, eenige
-lichttooneelen opleveren?--Een koene monnik staat daar te Wittenberg;
-hij heeft zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk
-aangeplakt en werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter
-vervloekt en in den ban doet, in het flikkerende vuur;--maar dit vuur
-verbreidt zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en
-dorpen staan in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, dertig jaren
-lang, in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!--De heerschzucht van
-Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen
-anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en
-bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het
-licht der Hervorming;--de schoonste gewesten van Duitschland worden
-verwoest, ontvolkt;--in de Nederlanden neemt een Hertog van Alba het
-ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000 bewoners
-vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd gedurende den
-Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met afgrijzen; uwe
-haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome staat de "Stedehouder
-van Christus"; hij viert een plegtig Te Deum en schrijft een jubileum
-uit voor den welgelukten moord van 35000 Hugenooten!--Maar nog is
-de schilderij vol jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt
-eindeloos te zijn en ontplooit zich voortdurend verder en verder
-voor uwe blikken;--in Spanje zet het "heilig officie" zijn woeden
-voort;--in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken en aldaar
-worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk geloof
-(dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt, verbrand!
-
-Eindelijk,--eindelijk schijnt het eenigzins rustiger, lichter te willen
-worden op het tooneel waar 't Christelijk treurspel wordt vertoond. In
-de plaats van het blind gelooven begint een meer bevruchtend weten te
-treden, en de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden
-allengs zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het
-geval was, geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;--ja, in
-plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te
-ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur
-daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen--voor
-het papendom ware banstralen--meer en meer naar alle zijden heen;
-de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder vooruit
-gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de hierarchie
-zich zoo gaarne bediende tot "bekeering of uitroeijing" van degenen,
-die zij "ketters" noemde, 't geen meestal slechts geschiedde uit
-gouddorst, uit heersch- of hebzucht, wordt met elken dag meer en
-meer onmogelijk;--maar in plaats van hel en vagevuur, in plaats van
-interdikt, vergift, dolk, kerker, pijnbank, galg, rad en brandstapel
-sluipen nu Jezuïten rond, Jezuïten!--die overal en nergens zijn,
-die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de lucht vliegen,
-dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond heenwroeten,
-maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig zijn om
-het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden,
-zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne BRON te verstoppen, het
-kinderlijk gemoed zoodanig te verstompen, dat het de vatbaarheid
-verliest voor de indrukken van waarheid en licht, den geest in de
-kiem te verstikken:--zich het onderrigt der jeugd in de handen te
-spelen!--Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag geheel en
-al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die den naam er
-van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen, zwart als de raven,
-die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn achtergebleven;
-want Jezuïten in grondstellingen en daden zijn zij allen, ALLEN, die
-trouw hebben gezworen aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong
-zijne woorden te herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde.
-
-Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het voor uwe
-blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich allengs
-ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar 1853
-de verzuchtingen nog hooren van twee "ketters", die door de inquisitie
-tot levenslange kerkering waren gedoemd!
-
-Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke geloofsleer tot heden
-slechts onwetendheid en bijgeloof heeft bevorderd, slechts misleiding
-des geestes, tot heersch- en hebzuchtige doeleinden, heeft begunstigd,
-niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat, oorlog en vervolgingzucht,
-met alle gruwelen, waartoe hardvochtige priesters in staat zijn,
-heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk sedert een of anderhalf
-honderd jaar in den nacht van waangeloof en bedrog--doch in verre na
-nog niet algemeen genoeg--is begonnen te gloren, zijn oorsprong is
-verschuldigd aan de beoefening der natuurlijke wetenschappen.
-
-NACHT. Gij hebt in uwe rede bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke
-kerk gedoeld....
-
-DAG. Eenvoudig hierom: de gevolgen, welke uit het geloof aan wonderen
-voortspruiten, laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen;
-daarenboven bevat zij in haren schoot de groote meerderheid der
-Christenen, want met inbegrip der Grieksch-Katholieken telt zij,
-volgens de laatste berekeningen, 185 millioen zielen, en de
-gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen slechts ongeveer 60 millioen.
-
-NACHT. Maar gij zijt toch niet onbillijk genoeg om de misbruiken en
-gruwelen, die gij hebt opgesomd, aan de Christelijke leer te willen
-wijten; gij zult toch de schuld van al de jammeren, welke eene
-sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht over de Christenwereld
-heeft uitgestort, niet op Hem willen werpen, die de zuiverste
-menschenliefde predikte, die om onzentwille den marteldood aan het
-kruishout stierf,--namelijk, op Jezus Christus van Nazareth?
-
-DAG. Verre van daar. Hij was ontwijfelbaar een best mensch en zijn
-handel en wandel was overeenkomstig met de voorschriften zijner
-leer. Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door
-zijne aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de
-wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin
-gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met
-het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als "regtstreeksche
-hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon, opstanding uit
-den doode ten derden dage, hemelvaart" en andere wonderen, door
-nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd, wij zouden
-welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove verbastering des
-Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de aanbidding
-van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele secten, van de
-vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de Christelijke
-leer het geloof aan wonderen, aan het onmogelijke en onnatuurlijke
-op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met een wonder en wel het
-allergrootste wonder begint, waarop het gansche gebouw steunt en
-rust--de "bevruchting door een heiligen geest" en de geboorte eener
-"Godheid uit eene sterfelijke vrouw",--zoo kan het Christendom, gelijk
-wij het hier voor ons zien, aan de menschheid nimmer geluk of vrede
-aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de eerste grondslag,
-waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan één wonder, dan
-kunt gij even gemakkelijk honderd, ja, honderd duizend wonderen als
-mogelijk aannemen, dan is niets meer onmogelijk. Het eene wonder
-brengt het andere voort. Ieder geloovige kiest uit de massa dat
-wonder of dogma tot zijn palladium, hetwelk hij het meest gepast
-acht voor zijne bijzondere behoeften, of dat het meest overeenkomt
-met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar dit is eene ware bron
-van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in verschillende, van
-elkander afwijkende meeningen en dit is de eigenlijke oorzaak van
-de verdeeling der Kerk in verschillende sekten. Het duurt vervolgens
-niet lang of sektegeest wordt in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid,
-welke allengs ontaardt in haat, nijd en vervolgingszucht.
-
-Dewijl toch een wonder geene waarheid is en voor de juistheid van een
-blind gelooven geen bewijs kan worden gegeven, missen de aanhangers der
-godsdienstige secten (belijdenissen) die kalme, rustige gelatenheid
-des geestes, welke alleen kan geboren worden uit de overtuiging van
-de waarheid, uit een helder inzigt in de natuurwet. Bewijzen, welke
-mystieke godgeleerden willen ontleenen uit zoogenaamde "openbaringen
-en goddelijke ingevingen", welke mannen uit den Joodschen volksstam
-voor meer dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in
-de zoogenaamde "heilige schriften" moeten geboekstaafd zijn, deze
-zal geen natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn
-in lijnregte tegenspraak met alles, dat in de groote schepping
-Gods leeft en zich beweegt. In de natuur alleen openbaart God zich
-aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in
-staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij,
-tot een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen
-eindelijk tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen
-krenkt de ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo
-gaarne als onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is,
-komt laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere
-den spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat
-zij,--in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne leer
-is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk te
-koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch
-die zij uit het oog hebben verloren,--dat zij zich steeds verder
-van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen elkander
-voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te dwingen,
-ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800 jaren is dáár
-om zulks te bewijzen, en nog op den huidigen dag kan men daarvan de
-treurigste ondervinding opdoen. Het geloof aan wonderen werd gezaaid,
-en het onkruid schoot op als eene duizendhoofdige hydra, waarvan elke
-afgehouwen kop telkens op nieuw door een anderen wordt vervangen. Maar
-zelfs dan, wanneer de Christelijke leer van al dat onkruid,--het geloof
-aan wonderen, aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken
-des bijbels, en andere dergelijke zaken,--werd gezuiverd, wanneer al
-de nadeelige vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het
-nog voortdurend tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden
-verbannen, weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der
-Christelijke leer, hare schoone, verhevene, hare lichtzijde,--ik heb
-hierbij het oog op hare zedeleer--van menige overdrijving ontdaan
-worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in
-de kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords,
-in het maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden.
-
-NACHT. Gij spreekt toch niet in ernst? O! ongeloovige Dag; zoudt gij
-het wagen, zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het
-overige gedeelte van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong
-verraadt, namelijk, zijne voorschriften omtrent de menschenliefde,
-de liefde tot den naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken
-of het als onverdedigbaar willen doen voorkomen?
-
-DAG. Zoo iets komt niet, ja, kan niet in mij opkomen. De liefde tot
-onze natuurgenooten, het sympathetische gevoel, dat zich voor het
-geluk of ongeluk van anderen van ons meester maakt, het medelijden,
-hetwelk wij ondervinden met behoeftigen en lijdenden, de zucht die
-zulks bij ons doet ontwaken om te helpen en wel te doen, ik koester
-daarvoor de grootste vereering, ik beschouw zulks als de schoonste
-bloem in den tuin van ons gemoed geplant, die meer en meer aangekweekt,
-uitgebreid en op alle mogelijke wijze verdient te worden veredeld. Ik
-zal u echter bewijzen, dat de menschenliefde, gelijk Jezus die leerde
-[6] in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij anderen alles,
-zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan worden gebragt,
-dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de persoonlijke
-regten, de waarde van het eigene ik, er door worden miskend.
-
-De bijbel leert: "Hebt uwen naaste lief gelijk u zelven." Dat doet
-niemand en kan niemand doen, dewijl het volstrekt onmogelijk is. De
-aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt ieder om zich zelven iets meer
-lief te hebben dan anderen. Om die reden behoorde het voorschrift
-aldus vervat te zijn: indien hongersnood u en anderen aangrijnst
-en gij kunt u voedsel verschaffen, nuttig er dan zoo veel van als
-noodig is om niet van honger te sterven; blijft er dan nog iets over,
-geef dit aan de anderen en behoudt het niet voor u zelven; spaar het
-uwe niet, wanneer anderen gebrek hebben; help anderen, wanneer gij
-u zelven niet in gevaar stelt er door om te komen.
-
-Er staat geschreven: "Hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u
-vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor hen, die u geweld
-doen en u vervolgen." Dat klinkt alles zeer verheven, goddelijk,
-en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar niet dan engelen
-wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet verbrand of
-gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de maatschappij,
-waarin wij leven, op te volgen.--Zij, die zich priesters "van Christus"
-noemen, van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg
-in 1854, hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt
-meesterlijke wijze vervloekt, geradbraakt en verbrand. De hemel behoede
-mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet vertrapt, niet
-naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als grondregel aan:
-tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd heeft gehandeld,
-beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo mogelijk tot vriend
-te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden zien, en houd hem
-op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort aanslagen tegen
-u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk in gevaar gebragt, neem
-dan de wapenen ter hand en verdelg hem.
-
-Op eene andere plaats wordt gelezen: "Indien iemand u op de regterwang
-slaat, keer hem ook de andere toe." Neen zeg ik; indien gij niet
-voor een dwaas, een lafaard of een gek wilt doorgaan, geef hem dan
-een ferme klap terug.
-
-De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van zinnelijke begeerte,
-het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij zondig noemt; gij zult
-u losmaken van al wat aardsch is en het vleesch verloochenen, opdat
-"uwe onsterfelijke ziel aan God meer gelijk worde, tot den Vader in
-den hemel opklimme en de eeuwige zaligheid beërve."--God echter heeft
-den mensch, gelijk alle andere levende wezens, tot genot geschapen en
-alle organen en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste
-doelmatigheid zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van
-spijs en drank, maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij
-dienen, met een aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen
-genieten dagelijks en duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige
-bedoelingen des Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn;
-maar anatomici en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen,
-de wet aan, waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.--De Schepper
-heeft aan het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle
-andere schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog
-behaagt, het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam
-niet in die schoone gedaante, opdat het onopgemerkt zou blijven,
-de organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich
-van alle genot zou onthouden!--Het is niet mogelijk het vleesch te
-verloochenen. Maar het Christendom eischt verloochening, kastijding des
-vleesches, onderdrukking der zinnelijke lusten, eene liefde tot zijn
-naaste als tot zich zelven, onbeperkte weldadigheid, mededeeling van
-hetgeen men bezit aan hen, die minder met aardsche goederen gezegend
-zijn (naar grondstellingen van het echte communismus); het schrijft
-voor zijne vijanden te vergeven, voor zijnen beleediger en vervolger
-te bidden, hen wel te doen, en wanneer men op de eene wang geslagen
-wordt, ook de andere toe te keeren,--al te maal leerstellingen, die
-men elken zondag met veel zalving van den kansel in alle kerken hoort
-verkondigen, maar die, daar buiten, door niemand kunnen betracht en
-uitgeoefend worden. Welke zijn nu de gevolgen, die uit dezen valschen
-toestand, uit deze onevenredigheid tusschen godsdienstleer en de
-physieke mogelijkheid, de betrachting er van, noodzakelijkerwijze
-voortspruiten?--: HUICHELARIJ, SCHIJNHEILIGHEID, welke ondeugden bij
-de belijders van niet één geloofstelsel in zulk eene buitengewone
-mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de Christenen het geval
-is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij, huichelarij,--op zich zelf
-beschouwd reeds diep te verachten, gelijk alle leugen en bedrog--is een
-verdoovend, langzaam werkend vergift, waardoor de mensch zich in zijn
-eigen oogen verlaagt, zijn karakter bedorven en de grond wordt gelegd
-tot velerlei kwaad in de maatschappij, die daardoor ten deele geheel
-ontzedelijkt wordt. Al ware het slechts om den wille der huichelarij,
-dat noodzakelijke gevolg van het aankleven der Christelijke leer,
-dit alleen zou mij reeds nopen het Christendom, zoo als het thans is,
-te verwerpen.
-
-Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken der Christelijke
-volkszeden onder de aandacht breng, welke als het gevolg mogen worden
-beschouwd van den valschen toestand, waarin de belijders tegenover
-deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn geplaatst. In vele
-oorden van ons vaderland is het, zoo als ge weet, gebruikelijk in de
-huisgezinnen een jaar lang over een gestorvene rouw te dragen, zich
-een jaar lang van alle gezellige vreugde te onthouden, geen concert
-bij te wonen, geen schouwburg te bezoeken en gedurende dien tijd
-op geene openbare plaats van vermaak te komen. Gij zult mij toch
-wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat men zich gedurende
-datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen de vier muren
-zijner woning, niet onthoudt van het genot, dat men aldaar smaken
-kan; wat is nu die eenjarige rouw anders dan eene gehuichelde rouw,
-eene ceremonieuse pralerij met de smart, die men veinst gedurende een
-geheel jaar te gevoelen, en al dien tijd schijnheilig in het openbaar
-vertoont?--Zoudt gij vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare
-hut heeft afgestaan en ons heden avond verhaalde, dat haar man acht
-dagen geleden door een tijger was opgevreten, geen smart daarover
-gevoelt, nu zij met haar kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld
-doet zulks haar leed, maar zij kent de Christelijke huichelarij nog
-niet. Ja, wat meer zegt, indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i.,
-in het gevoel bestond, indien het gemoed zóó lang met smart ware
-vervuld, ik zou mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen,
-zulks te meer laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn
-onverstandig, onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het
-geluk zoo der bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij.
-
-Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij gelegenheid
-van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der drie
-academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar
-behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de
-buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door
-langdurige oefening in staat is te bereiken, insgelijks zoogenaamde
-tableaux vivants werden gegeven. De voorstellingen waren, wat betreft
-de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer der Grieken en
-Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen ten voorbeeld
-genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij moesten
-bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij werden
-voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java nooit
-gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen van
-het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en houding
-op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het gracieuse
-behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid der
-vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige
-bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen dominé, geen professor
-in de theologie en vooral geene dames. Men zei den ondernemer,
-dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en dominésgezinde)
-L...sche dames den mensch, zoo als God hem levend heeft geschapen,
-en zoo als de beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit
-marmer beitelden, voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden
-en dat de kleermaker komen en hem "fatsoenlijk" moest maken.--De
-kleermaker kwam; de bloote tricotkleeding der levende standbeelden
-werd met lintjes, doeken en andere gewaden omhangen en--wat gebeurt
-er!--de oude goden en godinnen van Griekenland verschenen, geheel
-onverwacht, met hoeden, mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons,
-geduchte schorten! en omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van
-iedereen, te L....n op het tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier
-kwam een gedeelte van eene naakte knie onder het schort eener Venus
-te voorschijn en ginds werd een vleeschkleurigen schouder onder een
-opgeslagen tip van den groenen sjaal der Psyche zigtbaar.--"Foei,
-foei!" zeiden de Christelijke dames en--gingen heen. De heeren
-echter, die een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden
-van Kr.... vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu insgelijks
-weg; want zijden omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers
-in elken modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en--de
-ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder Nacht, dat is het
-gevolg van uwe Christelijke leer, die u voorschrijft den ouden Adam,
-welke in u is, te desavoueren, het zondige vleesch te verloochenen en
-uwe onsterfelijke ziel niet met aardsche lusten te bevlekken, neen,
-haar voortdurend te louteren en tot den smaak van de eeuwige zaligheid
-te dresseren. Deze leer heeft den goeden, aardschen smaak bedorven en
-de menschen tot huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de
-oogen af te wenden van dat beeld, hetwelk God als de schoonste bloem
-uit het beste gedeelte van het paradijs nam en als zijn meesterstuk
-op deze aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants
-niet wilden zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben
-toch vijf zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen
-slechts in het geheim, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner
-kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen,
-o! hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving,
-hoe vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke
-lust veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer
-zoo als de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig
-op nieuw weder aangroeit).
-
-Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan alle
-menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten
-aanbevelen: welk kwaad moet in de Christen-maatschappij als de oorzaak
-worden beschouwd van die kindermoorden, die zich in ons vaderland
-op zulk eene schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks,
-jaar in jaar uit, de treurigste berigten daarvan in de couranten
-worden medegedeeld?!--Hebt gij gedurende het verloop van meer dan
-een tiental jaren wel van een enkelen kindermoord! onder de Javanen
-(die geen Christenen zijn) hooren spreken?
-
-NACHT. Het is inderdaad zoo als gij zegt.--Wat nu het overige betreft,
-uwe aantijgingen tegen het Christendom zijn zeer talrijk en in
-verscheidene opzigten, ik moet zulks bekennen, maar al te gegrond;
-anderen zal ik later, zoo ik hoop, bondig wederleggen. Voorshands
-zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover uwe beschuldigingen nogmaals
-die groote waarheid te stellen, die ik reeds vroeger heb aangevoerd,
-en waarvan de kracht nog in geenen deele door u is ontzenuwd. Wij
-zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van vervlogen eeuwen,
-maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat ons de mate
-van beschaving, welke bij de Christennatiën thans wordt opgemerkt,
-vergelijken met die, welke andere volken des aardbols in dat
-opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten duidelijkste blijken,
-dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap van beschaving
-staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de dwalingen en
-misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in lateren
-tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots, buitengewoon
-verheffends moet gelegen zijn!--Het is waar, gij hebt dat vroeger
-tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende wijze aan te toonen
-welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden hebben te weeg gebragt,
-en zoo lang gij daartoe niet in staat zijt, moet ik het Christendom,
-in spijt van al de beschuldigingen, welke gij er op hebt geworpen,
-blijven beschouwen als den grondslag, als de bron, waaruit de hoogere
-Europesche beschaving is voortgevloeid. Gij zult toch wel toestemmen,
-dat het thans juist de Christelijke natiën zijn, die zich door hare
-beschaving het meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de
-eenigen zijn, die door hunne intellectuele, industriële en politieke
-ontwikkeling boven alle andere volken uitblinken en alle anderen de
-wet voorschrijven?!--Dat is toch een onloochenbaar feit!
-
-DAG. Ongetwijfeld. Maar de grondslag daarvan ligt niet in het
-Christendom. In tegendeel; ik heb reeds vroeger met een woord gezegd,
-dat het Christendom, verre van zulks te bevorderen, daaraan de hand
-te leenen, zulks te bespoedigen, die hoogere ontwikkeling heeft
-tegengehouden en vertraagd. Wat zeg ik, tegengehouden heeft? Neen,
-het Christendom gelijk het thans bestaat,--en hiermede bedoel ik
-niet uitsluitend de Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle
-andere Christelijke kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne
-duistere, geheimzinnige dogma's van het eene geslacht op het andere
-overplanten (hoewel deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de
-eerstgenoemde),--het Christendom gaat nog op den huidigen dag voort de
-vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen of te stremmen,
-blijft nog voortdurend de erkenning weêrstreven der eenvoudigste, maar
-groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs het geval in landen,
-die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan, indien, namelijk,
-deze waarheden met het overgeërfde, blinde geloof of met de woorden des
-bijbels in strijd zijn. Het zou mij gemakkelijk vallen duizenden van
-voorbeelden, uit den tegenwoordigen tijd ontleend, tot staving van mijn
-gezegde aan te voeren; dit zal wel niet noodig zijn, dewijl zij u even
-goed als mij voor den geest moeten staan. De hoogere beschaving der
-Europesche volkstammen is uit eene gansch andere bron voortgevloeid.
-
-Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras, waartoe de
-volken behooren, die den aardbol bewonen. Een groot natuuronderzoeker
-heeft, wel is waar, gezegd, dat het niet zeer "verblijdend" mag
-worden genoemd te beweren, dat het eene ras, ten opzigte van zijne
-werktuigelijke zamenstelling, aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling,
-boven anderen is bevoorregt; ik stem dit in zoo verre toe, als zij
-allen gelijke regten hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw
-het bewijs als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den
-slavenhandel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of minder
-volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar van
-de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig
-onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm
-en de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken
-dragen van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het
-hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren--en niet
-ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europeërs in dat opzigt
-minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden dan de
-Papoea's, de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Amerikaansche
-wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk ooit tot een
-hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij thans hebben
-bereikt. Alle volken echter, die de leer van het Christendom belijden,
-enkele uitzonderingen hier en daar niet medegerekend, behooren tot
-het Kaukasische menschenras.
-
-De hooge trap van beschaving, de bloei der wetenschappen, de
-uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van nijverheid gegeven,
-gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles moet als een
-natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken: als de
-eerste komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch te warme,
-noch te koude klimaat des lands, dat zij bewonen, hetwelk eene
-jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en winter, van lente en
-herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een zeer opwekkenden,
-verheffenden, bezielenden invloed uit op 's menschen geest;--ten
-tweede de geographische ligging van Europa, in welk opzigt het boven
-andere werelddeelen verre is bevoorregt, dewijl het, verdeeld in
-zoo vele verschillende deelen of leden, doorsneden door uitgestrekte
-binnenzeeën, in het bezit zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen,
-eene veel gunstiger gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en
-scheepvaart als eenig ander land ter wereld, en--ten derde de betere
-physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van
-geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg
-hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en
-zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om
-tot eene veel hoogere intellectuele en industriële ontwikkeling op
-te klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende
-menschenrassen.--Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de hoogere
-ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende vermeerdering der
-bevolking, welke laatste weldra in overbevolking ontaardde, zoodat de
-bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van onderhoud moesten omzien,
-de bestaande meer en meer verbeteren, en zich eindelijk gedwongen zagen
-naar andere oorden heen te trekken, kolonien of nieuwe rijken aan
-gene zijde des oceaans te stichten, waar de landverhuizers de reeds
-verkregen beschaving overplantten. Diezelfde mate van beschaving zou
-echter in het moederland reeds veel vroeger zijn verkregen geworden,
-indien het Christendom daarop zijn nadeeligen invloed niet had
-uitgeoefend.
-
-NACHT. Uwe wijze van beschouwing kan ik, in al hare deelen, niet de
-mijne noemen. Ik wil voor den oogenblik toegeven, dat het Christendom
-misvormd, miskend, en door duizenden van menschen is misbruikt geworden
-tot het bereiken van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel
-en al vreemd zijn, waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard;
-maar aan de andere zijde moet niet uit het oog worden verloren,
-dat er door alle eeuwen heen duizend anderen werden gevonden, die de
-leer der menschenliefde in al hare zuiverheid hebben betracht. Dit
-moest natuurlijkerwijze een weldadigen invloed uitoefenen op den
-toestand der maatschappij in het algemeen. De vroegere ruwheid
-van zeden, de barbaarschheid moest langzamerhand plaats maken voor
-zachtere wetten; hierdoor moest het gemoed veredeld, de veiligheid
-van personen en goederen beter gewaarborgd en de snelle aanwas der
-bevolking begunstigd worden, welke laatste, gelijk gij vroeger reeds
-en te regt hebt aangemerkt, steeds gepaard gaat met de hoogere vlugt
-zoowel der industriële als intellectuele ontwikkeling.
-
-DAG. Zeer zeker. Maar ook des te grooter waren de verwoestingen
-door het Christendom op andere tijden en in andere oorden aangerigt,
-terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat het allerwege den vooruitgang
-tegenhield, dewijl het den geest aan banden legt. In vergelijking
-van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige invloed,
-uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering,
-ja, hoogst onbeduidend te heeten.--En deze menschenliefde, deze
-belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk
-van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat
-het menschdom is verschuldigd aan het Christendom? Is zij eene deugd,
-welke slechts Christenen bezitten? Het is waar, luid en heerlijk is
-zij door Jezus van Nazareth ter beoefening aangeprezen,--maar zij
-bestaat sedert de mensch deze aarde bewoont; bij alle volken, bij de
-belijders der verschillendste godsdiensten, bij Mohammedanen en bij
-zoogenaamde Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken,
-overal zult gij dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een
-ruwen, ginds in een meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan
-weder onzuiver, ja, zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk
-geheel verstikt,--maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in
-alle deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken,
-dat de beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van
-niemand geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te
-kennen. Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier
-onder de bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen
-zijn? Het is zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant,
-op aarde wordt gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en
-het kwade, de liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds
-bij de schepping des menschen werd de kiem van dit gevoel door den
-Almagtigen zelven in 's menschen borst geplant.
-
-Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk het
-bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig weefsel
-vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen? werd hun
-dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet bij hunne
-schepping toebedeeld?--in wiens borst echter heeft zich het gevoel van
-menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate geopenbaard,
-dan juist in de borst dier priesters des Christendoms, die de leer van
-Jezus predikten, maar godsdienst- en verdelgingsoorlogen aanstookten
-en honderd duizenden hunner medemenschen op de pijnbank folterden,
-naar galg en rad verwezen of levend in de vlammen van den brandstapel
-wierpen, dewijl--deze honderd duizenden niet blindelings wilden of
-konden gelooven, hetgeen heersch- en hebzucht hadden voorschreven.
-
-NACHT. De gruwelen dier dagen zijn lang voorbij. Verlies toch het goede
-niet uit het oog, dat de tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet
-erkennen, dat de Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet
-naar de letter kan worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent
-op het karakter der menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?--Ga
-eens na welk een groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn
-daargesteld, alwaar onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele
-genootschappen ter ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt,
-als vondelingshuizen, armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze
-Hollandsche hofjes,--in een woord, aan de menigte inrigtingen van
-weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van
-het Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten
-van den boom der Christelijke liefde?
-
-DAG. Zeg dan liever menschenliefde. Ik geloof echter niet, dat
-loutere menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen
-van weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij
-melding hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware
-het niet, dat de ijzeren noodzakelijkheid allengs luider aan de deur
-had geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking
-en van het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des
-lands, hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen
-beantwoorden. Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio
-in elk land van Europa. Willen de rijken zich zelven niet laten
-verslinden door degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets
-anders te eten geven en hen verzorgen.--Wat nu betreft de veredeling
-des menschen door de Christelijke zedeleer, gij hebt toch even als ik
-in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle
-volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten,
-Joden en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en
-zoogenaamde Heidenen, vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks
-hebben bespeurd, dat het geloof dier verschillende volken niet den
-geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en handelen;
-wijders dat onder een gelijk aantal Christenen even vele slechte
-menschen werden gevonden als onder de overigen, ja, dat de zedelijk
-goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer dikwijls
-geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt van
-hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving
-en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de
-anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel
-van hen te behalen.
-
-NACHT. Hoedanig ik over uwe anti-christelijke beschouwingen oordeel,
-zal ik u later mededeelen; ik wensch zulks uit te stellen, totdat
-wij onze reis door Java afgelegd en vermogende, zoowel als behoeftige
-inlanders zullen bezocht hebben. Alsdan zal ik meer ervaring hebben
-opgedaan en beter in staat zijn om eene vergelijking te maken tusschen
-de inboorlingen van dit eiland en de Christenen in Europa.--Maar
-zeg mij eens, indien gij volstrekt niet gelooft noch aan wonderen,
-noch aan eene hoogere openbaring in den innerlijken mensch, dan kunt
-gij immers ook geene bevrediging, geen troost vinden in de beloften,
-vervat in den bijbel waarop, als zijnde Gods heilig woord, zoo vele
-millioenen menschen hunne hoop bouwen en--hoe verklaart gij dan den
-oorsprong der wereld en de verschijnselen in de natuur?
-
-DAG. De bijbel bevat menig schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen,
-waarvan de lezing niet slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij
-is echter zoodanig doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat
-het hoogst gevaarlijk is den bijbel als iets anders te beschouwen,
-dan als een boek, geschreven door zwakke, feilbare menschen, of
-hem te willen doen doorgaan als het "onmiddellijk woord van God,"
-als eene "uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen
-van Christus."--Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied- en
-taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den oorsprong
-van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin het is te
-boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde Apostelen
-zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden en
-derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw
-onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici
-daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar na Christus, in den
-vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers, wier
-namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen, welke
-destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op die
-wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de meest onbevooroordeelde,
-de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn het, die tot dit
-laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog lateren tijd werden
-de verschillende gedeelten en brieven bijeengevoegd tot dat geheel,
-hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe Testament te noemen. Het is derhalve
-niet eens mogelijk, om uit te maken of Jezus van Nazareth, al hetgeen
-in dit Nieuwe Testament staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft
-en of hij het zoo, gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken.
-
-Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men, gelijk vele
-godgeleerden ("Christelijke schriftgeleerden en pharizeën") doen,
-indien men groote waarheden der natuur wil bestrijden met de woorden
-van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar volksverhalen en zulks
-in een tijd, toen nog geen Kopernicus en Galileï, nog geen Newton
-en Francklin geleefd hadden, toen nog geene enkele der gewigtige
-sterrekundige en physiek-chemische ontdekkingen was gedaan, waaraan
-onze eeuw haar licht, hare hooge vlugt moet dank wijten,--in een
-tijd toen men de magnetische kracht, de electriciteit niet kende,
-niet wist wat de bliksem was; toen men nog waande, dat de aarde in
-het hemelruim stil stond, en men zon, maan, benevens alle sterren,
-nog dagelijks om dezen kleinen aardbol liet ronddraaijen!--Waren de
-verschillende gedeelten des bijbels naar hoogere ingeving ter neder
-gesteld geworden, dan zou men toch billijkerwijze mogen verwachten,
-dat hier of daar eene natuurkundige waarheid, eene juiste verklaring
-van verschijnselen in de natuur er in werd aangetroffen; zoowel in
-het Oude als in het Nieuwe Testament zult gij niet alleen te vergeefs
-er naar zoeken, maar allerwege het tegendeel vinden.
-
-Er is slechts eene openbaring, en dat is de natuur; slechts eene
-waarheid, namelijk die, welke geput wordt uit de grondige studie
-dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al hetgeen in het
-heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze verklaren uit
-de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren kennen
-en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de
-werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven-
-en ondermaansche verschijnselen, eene enkele uitgezonderd:--het
-innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de geest, die haar
-bezielt, benevens de millioenen van verschillende gestalten,
-waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en te
-verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel
-ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in
-steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij
-in den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch
-gelijk in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid,
-alwijsheid en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende
-wezens zijn geschapen, is: genot en geluk. Al moge het mij nu niet
-gegeven zijn dit wezen der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die
-alles onderhoudt, te bevatten,--ik gevoel zijn aanwezen, ik gevoel,
-dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in vereering
-en in aanbidding noem ik hem--God.
-
-Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen: "er is geen God
-dan God", zoo zeg ik: er is geen wonder dan Hij. Want terwijl alles
-bestaat en zich beweegt naar wetten, terwijl alles uit wetten kan
-worden verklaard, waarvan nog nimmer, sedert duizenden van jaren,
-sedert de mensch die wetten navorscht, het geringste uit zijne baan
-is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs om Hem te begrijpen,
-die voor ons verstand onbegrijpelijk is, dewijl ook wij een deel
-uitmaken van hetgeen door hem is geschapen. Gij zult mij gereedelijk
-moeten toestemmen, dat gij met al uwe godgeleerde kennis niet meer
-er van begrijpt dan ik, en dat van den anderen kant de goede Javanen
-er juist even veel van weten als wij beide, maar ook niets minder;
-want ook zij en zelfs die, welke niet tot de Mohammedanen behooren
-of dit slechts in naam zijn, gelooven aan God en aan dien naam
-verbinden zij, even als wij, diezelfde eigenschappen van alwijsheid
-en algoedheid. Dit geloof behoort, even als het gevoel van liefde tot
-den naaste, onafscheidbaar tot den mensch; bij zijne schepping werd
-hem dit ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd
-dit geloof luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben
-het uit geene andere bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste,
-in een woord, bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten
-geest, aan een almagtigen Schepper aller dingen.
-
-NACHT. Maar bij de meeste wilde volken is het begrip van God zoo
-onduidelijk, zoo onbepaald,--de zwakke lichtstraal des geloofs aan
-een hoogsten geest is bij hen achter zoo vele bijgeloovigheden,
-vooroordeelen en geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware
-God wordt bij deze volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene
-groote menigte ondergeschikte geesten, Sétan's, Dewa's, Begoe's, enz.,
-enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond gesteld, als het ware
-verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog slechts een flaauw
-spoor van te ontdekken is?!
-
-DAG. Broeder Nacht, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan
-den eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,--te
-midden der allerchristelijkste staten,--niet veel beter gesteld is,
-dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar
-wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld
-verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem
-welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken;
-ik gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar
-in een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat,
-waar alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan
-geene kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf ook ik
-voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van
-mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de eenige aanhanger er van ware.
-
-Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch Mohammedaan,
-noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-, Roomsch- of
-Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent, Puriteinsch,
-Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, Mährisch, Wederdoopend, Kwakend
-of Afgescheiden Christen, maar behoor tot de hooggewelfde kerk,
-waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de kerk der regtzinnige
-natuurkundigen, die GOD aanbidden, die Hem in zijne werken en in de
-krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen.
-
-Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden, waar Hij
-of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij bijna
-onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche
-kerk. Wat aanschouwt gij daar?--Op den achtergrond ziet gij een
-kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth;
-de priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge
-gebaren en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem
-liggen biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield;
-ginds worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen
-aangebeden en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch
-zich nedergezet op den troon van God, om (tegen betaling)--bedreven
-zonden te vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt
-gij dan? Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser,
-Zaligmaker, Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige
-moeder, Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen
-van de kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen
-u menigmaal te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden,
-heilige biecht, aflaat en vagevuur,--maar van God, den alwijzen,
-algoeden, die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven
-gaf en geeft, van Hem zult gij daar niet veel te zien of te hooren
-krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Battaërs, Alfoerezen en
-Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan
-in de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de Mesigit's op Java,
-den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen.
-
-En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze goede
-menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet?
-
-NACHT. Reeds vroeger heb ik u gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks
-in het Katholieke geloof ben opgevoed, maar, even min als gij,
-mijn gemoed gesloten heb gehouden voor beter licht, in tegendeel
-steeds geneigd ben geweest deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan
-te hooren. Daar gij het gezuiverde, door de Hervorming gelouterde
-Christendom reeds vroeger hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet
-spreken en bovendien mijn oordeel over de vraag nopens de invoering
-des Christendoms onder de Javanen opschorten tot tijd en wijle dat
-wij onze reize door Java hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan
-daaromtrent ook zal mogen koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik
-het nimmer zou durven wagen, dergelijke beschouwingen als de uwe,
-omtrent de Christelijke leer en kerk, althans niet in Europa, openlijk
-te verkondigen.--Zij zouden ons in den ban doen, excommuniceren!
-
-DAG. Laten zij het doen. Gij behoeft niet in hunne kerken te gaan,
-waar van den waren God toch niet veel te vinden is. Van hen behoeft gij
-geen troost te ontvangen.--Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van
-waar de zon, de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring
-u te gemoet schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt:
-God, Alwijze, Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in
-de bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde
-ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring
-verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het
-lot, dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd;
-ik heb afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb
-mijnen naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel
-in mijn vermogen is,--dan bezit gij de ware godsdienst, dan hebt gij
-hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten;
-dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder
-opstaan van uwe legerstede, want God is met u. De waarheid, het regt,
-hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk maken
-tegen alle wederpartijders.
-
-NACHT. Hetgeen gij daar zegt, heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De
-vrees echter, die ik koester om mij openlijk te verklaren tegen de
-leerbegrippen der gevestigde kerk, kunt gij niet weg redeneren. Ik kan
-dit niet zoo ligt tillen als gij. Hierop zal ik welligt later nogmaals
-terugkomen. Maar nu wenschte ik wel van u te vernemen,--dewijl gij
-de invoering van het Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt:
-wat wilt gij dan de Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder
-eenig onderrigt, blijven zoo als zij zijn?
-
-DAG. Het is beter, dat zij blijven, 't geen zij zijn, dan dat er
-Christenen van hen worden gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet,
-om hen te laten blijven, zoo als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne
-denkbeelden mededeel omtrent de wijze, waarop de Javanen behooren
-onderwezen te worden, wil ik nogmaals met korte woorden herhalen,
-hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en hetgeen ik ten allen tijde
-bereid ben uitvoeriger en grondiger te bewijzen, namelijk: 1o. dat de
-hoogere trap van maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet
-het gevolg is der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel
-dat het Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen
-heeft tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover
-staat;--2o. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van de beoefening
-der natuurlijke wetenschappen, welke langzamerhand licht en kennis in
-den langen nacht van het Christendom verbreidden, en dat de hoogere
-vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de oorspronkelijk
-grootere geschiktheid, welke de volken van het Kaukasische ras voor
-geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen hersengestel en in
-hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen, waarbij vooral niet
-over het hoofd mag worden gezien de opwekkende invloed, uitgeoefend
-door het gematigde luchtgestel en de bij uitnemendheid gunstige
-geographische ligging;--3o. dat het Christendom de menschheid geen
-duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van
-waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan
-wonderen aankweekt;--4o. dat zelfs de lichtzijde van het Christendom,
-de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde tot den naaste,
-de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding van aardsch
-genot--in die mate als dit wordt geleerd, niet betracht kan worden,
-wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve gemeenlijk slechts
-huichelarij en schijnheiligheid doet rijpen;--5o. dat het geloof
-aan eenen grooten, algoeden God alreeds in het gemoed der Javanen
-levendig is;--en 6o. dat zij menschenliefde bezitten en beoefenen,
-ja, beter en met zuiverder bedoelingen beoefenen dan duizenden dier
-Christenpriesters in Europa gedaan hebben.
-
-De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve geene waarheid
-leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven, dat zij niet
-reeds bezitten. En nu vraag ik: waarom wilt gij het Christendom
-invoeren onder deze goede, nog onbedorven menschen?--Wilt gij tweedragt
-onder hen zaaijen, het onvermijdelijk gevolg eener godsdienst,
-welke met het geloof aan een wonder aanvangt en met wonderen eindigt;
-wilt gij sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen
-opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het
-onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te
-houden over dogmatische spitsvindigheden?--Wilt gij hen dan volstrekt
-onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame hutten,
-velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol en Gòlok
-wegwerpen en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen
-naar razende kerkvergaderingen,--opdat onder dezen zoo gelukkigen,
-Oost-Indischen hemel het eerste bedrijf van gindsche geschiedenis
-des Christendoms op nieuw worde aangevangen,--opdat hier op Java
-dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten tooneele worde
-gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang voorbereide bedrijf
-in Europa nog niet vertoond is geworden?
-
-Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u zelven,
-niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of, wilt
-gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter aankweeking
-der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen reeds meer,
-bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is; leer
-hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper
-en onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen
-de gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden
-regen doet neêrstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de
-innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur,
-maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit
-hen zelven moet opwellen,--dat zij de goddelijke kiem, die in hen
-ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren
-(niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als
-hun schoonste erfdeel moeten beschouwen,--maar, kwel hen niet met
-evangeliën en dogma's, hoe één is drie en drie is één, met de leer
-van gemeenschap en transsubstantiatie; verschoon hen van hostiën,
-wierookvaten en andere dergelijke "heilige" gereedschappen; voer de
-biecht, de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java
-(waar het buitendien reeds heet genoeg is);--laat toch den priesterrok
-weg en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil,
-het schrikkelijke--kruis! niet op hunne vreedzame bergen,--verspreid
-geene wondersproken, geene bijbels onder hen!--want dergelijk zaad zou
-onvermijdelijk, hetzij vroeger of later, een monster doen opwassen,
-dat zijne woede tegen zich zelven zou keeren en u allen zou verslinden.
-
-Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste geruststelling
-omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging, die bij
-mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn zal de
-Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.--Het verlossingsproces
-des menschen van de zonden en de verzoening met God door het zenden
-en opofferen "van den levenden God, zijnen zoon, dien Maria van den
-Heiligen geest heeft ontvangen" (!) of, gelijk anderen zeggen van den
-"Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest door
-het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken,
-gevoelen, willen en handelen in God," (!) enz., de opstandings- en
-hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en dergelijke
-fraaijigheden meer,--dit alles hebben de meest ervaren, diepzinnigste
-godgeleerden in Europa nimmer kunnen begrijpen, om welke reden zij
-het juist gelooven (dat is, hun verstand tegen wil en dank opdringen)
-moesten; het eenvoudige gezond verstand der Javanen zal het nog veel
-minder begrijpen; op het vernemen van dergelijke leerstellingen, zullen
-zij elkander verwonderd aanzien en het hoofd schudden. Stel voor den
-oogenblik, dat het u gelukt zij den Javanen dit geloof op te dringen,
-wat zult gij daarmede gewonnen hebben?--Vroeger heb ik de tallooze
-en schrikbarende onheilen opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft
-berokkend. Het geringste van al die onheilen was, dat het de menschen
-tot schijnheiligen en huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java
-niet blijven. De inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in
-vele deelen en residentiën van het eiland oefenen de Mohammedaansche
-priesters een grooten invloed uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een
-gedeelte van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren; anderen
-zouden Mohammedanen blijven--en daardoor zoudt gij al dadelijk en
-van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile zwangere
-tweedragt gezaaid en de kloof tusschen andersdenkenden gedolven hebben,
-die zich allengs verwijdt en met haat gevuld wordt,--daargelaten de
-kiem van oneenigheid, welke de Christelijke leer (gelijk elke leer,
-die het geloof aan wonderen voorschrijft) in zich zelve bevat.
-
-NACHT. Mag er niet worden gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor
-de gevolgen van de invoering van het Christendom, van het geloof aan
-wonderen, gelijk gij het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft
-tot eenige overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze
-zoo goede, zoo zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan
-om den wille van geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden
-zijn daarom krijg te voeren?--Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en
-gehoorzaamheid, ja, de vredelievendheid in eigen persoon?
-
-DAG. Och, broeder Nacht, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet
-kent. Gij zult het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot
-wilt blijven vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de
-lagchende vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de
-eenzame hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam's
-en Kraton's hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige
-van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat,
-waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van
-Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om
-hen in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en--geef acht op
-de uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen,
-indien gij, voor wij onze reis door de binnenlanden hebben afgelegd,
-niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen zijn. Op gelijke
-wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen arbeid, van het
-volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander, waar omtrent gij
-reeds op den huidigen dag eene niet onaardige ervaring, hoewel nog
-slechts zeer in het klein, hebt opgedaan!
-
-Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende geschiktheid tot
-velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor alle kunsten en
-handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij beminnen den vrede en
-de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult tevens de vonk, die de
-hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe geringer de zedelijke en
-intellectuele ontwikkeling van een volk is, hoe minder het zich door
-beschaving boven den oorspronkelijken, eenvoudigen natuurstaat heeft
-verheven, des te gevaarlijker zijn zijne hartstogten, wanneer zij
-ontvlammen. Wacht u daarvoor--zie toe, dat gij den slapenden leeuw
-niet wekt. Denk aan het Amok en de woede, die zich van hen meester
-maakt, wanneer zij later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn
-bedrogen geworden. Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen
-dergelijk gebak te eten, dat even als Koewé koewé, met Ketjoeboeng
-aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later
-beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat
-zij vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen
-zij zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u
-allen verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de Klok:--"jedoch das
-Schrecklichste der Schrecken, das ist der Mensch in seinem Wahn!". [7]
-
-NACHT. Nog nimmer heb ik hen door drift vervoerd gezien en zou......
-
-
-
-"Toean, toean!--Lakas, lakas! Matjan, matjan!"- - - Onder het uiten
-dezer noodkreten ijlde een onzer jongens naar ons toe en deed ons
-verschrikt opspringen van de plaats, waar wij digt bij den rand
-der kloof op ons gemak lagen te praten. Het middernachtsuur was
-nabij. Achter Sidin kwamen twee andere Javanen aanstormen, die met
-knuppels en een brandend stuk hout woedend in het rond zwaaiden. "Een
-tijger, een tijger!--Holla, ho! Val aan, val aan, een tijger!"--Deze
-noodkreten deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik
-ontwaken en in één oogenblik was alles op de been;--in de hutten
-hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw
-aan,--de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden zij
-naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken,
-hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste
-ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar
-onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den
-stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit,
-die hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter,
-dat hij door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op
-eenigen afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van
-onze kogels, die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat
-hij op den grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong
-en andermaal over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op
-hem, zoodat een paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren,
-het eindelijk durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en
-hem--door hunne pieken zoo diep in zijn lijf te steken, dat hij, als
-ware het aan den grond werd vastgespiest--voor goed te dooden. Deze
-pieken waren, behalve de hakmessen (Gòlok) en enkele dolken (Kris)
-de eenige wapenen in het gansche dorp.
-
-De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar het
-dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels
-schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna
-stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij
-bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had
-ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den
-vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons
-nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen
-liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten
-Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het
-inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan
-de klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander
-zij zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen,
-had hen uit den slaap gewekt.
-
-De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den dalwand genaderd
-en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine rigting, al
-sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar haar licht
-scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te kunnen zien,
-dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag. Het was een
-koningstijger van de grootste soort, stellig even lang, maar slanker
-dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de scherp en
-dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk gebit,
-de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog teekende,
-boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied, eene
-schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken,
-waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid was bezoedeld,
-niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en kinderen scheen de
-angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode dier niet dan
-op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe alleen,
-voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings nader
-en hield vlak voor den tijger stil.--Haar lang, zwart haar had zich
-ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste vrouwen,
-die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood verschrikt
-van hare Ambèn (rustbank) waren opgesprongen. Haar bovenlijf was,
-zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den Sarong, welke om
-de lendenen was geslagen en van daar in breede plooijen hare verdere
-ledematen bedekte.--De jeugdige weduwe stond daar met opgeheven armen,
-voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt hoofd en staarde met
-fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der wildernis, die daar
-voor haar lag. "Dat is de tijger, die mijn armen man heeft verscheurd
-en nu ook mijne geit heeft geroofd!" riep zij op snerpend luiden,
-huilenden toon en wierp zich met eene soort van gebrul op het doode
-dier. Zij wroette met beide handen in zijne wonden, verwde zich
-met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg hem op de oogen, beet
-hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen bloed op, sprong
-tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich andermaal onder
-het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op den tijger, dien
-zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde hare onstuimige
-drift zich mede aan de overige vrouwen, de ééne verdrong de andere,
-ja, zelfs de kinderen kwamen eindelijk toesnellen om den tijger te
-schoppen, te slaan, uiteen te rukken of althans hunne voeten in des
-tijgers bloed te baden. De mannen hielden zich stiller, bedaarder;
-maar naauwelijks ontstond er eene opening tusschen de vrouwen en
-kinderen, kwam er eene vrije plaats, en kregen zij de gelegenheid
-om het dier te naderen, dan staken zij hunne lange dolken (Kris)
-tot aan het hecht in zijn lijf,--herhaalden dit met onmiskenbaren
-wellust zoo vele honderde malen en doorsneden en doorboorden den dooden
-tijger zoodanig, dat hij eindelijk eene zeef geleek;--daar lag nu het
-Koninklijke roofdier uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den
-dolk in de hand op hunne knieën er nevens; de kinderen baadden hunne
-voeten in zijn bloed--en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf,
-met heur loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt,
-dreigend en huilend daarbij--in groepen, waarop het wegstervend licht
-der maan nog eenige laatste stralen wierp.
-
-Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder Nacht eenigzins
-achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij Javanen in drift ontstoken
-gezien en het scheen, dat hij op dezen oogenblik grooter vrees
-koesterde voor deze menschen dan vroeger voor den levenden tijger. En
-toch was deze vrees geheel en al ongegrond; wij hadden hen immers
-volstrekt geen leed gedaan; wij hadden hunne rust, hunnen vrede
-niet gestoord, hun stil geluk niet verwoest!--Langzamerhand scheen
-hunne wraaklust zich te bekoelen; zij hadden uitgewoed en kwamen tot
-bedaring. De maan ging onder en de een na den anderen verliet den
-kring, keerde naar zijne hut terug, waarvan de deur zorgvuldig van
-binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog slechts een paar mannen over,
-die op hunne knieën naast den tijger lagen en zich oefenden in het
-gebruik van de Kris. Door woorden en gebaren gaf de weduwe ons nu te
-kennen, dat het haar "goed deed aan het hart, wraak te hebben kunnen
-nemen aan den tijger, dat wij beste heeren waren, dat zij ons ten
-zeerste bedankte, want wij hadden den tijger neêrgeschoten, wij hadden
-zegen in haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als
-ons eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven als wij wenschten,
-hetgeen haar hoogst aangenaam zou zijn."--"Banjak tabé, toean! Slamat
-tidor, toean!" (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!)
-
-Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken, waarbij
-twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te
-onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine
-Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons
-en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar,
-zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen
-op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten
-uit alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Balé balé),
-die van nevens elkander gelegde strooken gespleten Bamboes vervaardigd
-was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie gevuld, was uitgebrand en
-slechts het schijnsel der wachtvuren, dat door de reten der gevlochten
-Bamboeswanden binnen drong, verlichtte eenigzins het kleine vertrek.
-
-Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want al was de
-temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70° Fahrenheit
-gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den loop
-des daags aan een veel hoogeren hittegraad,--van 85 à 90° en in
-den zonneschijn nog veel meer,--waren blootgesteld geweest. Maar
-onze Koeli's waren niet aangekomen, en nu konden wij hen ook niet
-meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven reizen door
-wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.--Wij vouwden onze
-reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot een
-hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den Selendang, bedekten
-ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid zijnde,
-zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap.
-
-
- (Vervolg hierna.)
-
-
-
-
-
-
-
-
- VERHALEN EN GESPREKKEN
- UIT DE
- BINNENLANDEN VAN JAVA.
-
-2.
-
-
-Ik droomde.
-
-Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, waar geen leek
-mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in Spanje of in
-een ander land was. Een jonge geestelijke zou de priesterlijke wijding
-ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, naar een verwijderd
-land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad gedost waren aldaar
-vereenigd, ter bijwoning van de heilige plegtigheid. Verscheidene
-kardinalen, met de breede hoeden en prachtige purperen mantels, zaten
-in het gestoelte aan de eene zijde der hooggewelfde kapel, benevens
-eene menigte bisschoppen met hunne hooge mutsen en van goud blinkende
-herderstaven en kruisen, en hierop volgde eene lange rij priesters
-van minderen rang. Allen waren in prachtige, schitterende gewaden
-gedost. En--hetgeen ten hoogste mijne verwondering wekte--tegenover
-hen zat een gelijk aantal dominé's, die met hunne driekante hoeden en
-zwarte kleedij eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange
-rij vormden. Ik en mijn broeder Nacht waren de eenige oningewijden
-aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was gekomen, dit
-wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar ik was er en
-stond met mijn broeder Nacht in een der verwijderde hoeken van de kapel
-achter een pilaar verborgen. Hoog verhieven zich in de beide zijgevels
-der kapel de spits toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen
-het invallend daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den
-vloer in het midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en
-nissen in een tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters
-ontwaarde men allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw,
-waarop verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat
-en stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op
-eene dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest
-op de Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der
-dooden. De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste
-schilderij was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts
-een kruis verhief zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na
-zijne opstanding uit het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij
-verlaat hij onze aarde, keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader,
-nadat hij zijn verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is
-verheerlijkt, zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is,
-heeft hij overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht,
-welke hij doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de
-aarde, staren hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking
-na. Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en tusschen gulden
-wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, de plaats
-der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van heilige
-engelen hem begeleiden.
-
-Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; een zwaar
-gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. Vóór deze
-nis stond eene tafel met een purperen kleed bedekt; op een opengeslagen
-Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, lag een groot zilveren kruis.
-
-Een der oudste dominé's stond van zijnen zetel op en sprak deze
-woorden: "Katholieke broeders! Wij zijn alhier gekomen om, na
-het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult vieren, met u te
-beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen worden afgekeerd,
-die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde bedreigen. Het kille
-ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, verbreidt zich allerwege
-meer en meer in het rond; de leeringen der natuuronderzoekers komen,
-als een verblindend weerlicht, al nader en nader tot ons, ten einde
-door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige Woord der Openbaring
-in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van natuurwetten,
-in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen zich in
-staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de natuur,
-dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift--in den bijbel--ons
-daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het vetste land
-des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld zoo zeer
-door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al het aanzien,
-dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die eeuwen
-lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet meer
-aan wonderen gelooft. Dit moet worden verhoed, deze goddelooze zucht
-moet worden tegengegaan. Maar, mijne waarde Katholieke ambtgenooten,
-slechts dan wanneer wij met vereende krachten te werk gaan, kunnen
-wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den stroom der
-verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider kerken
-zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig
-tegen elkander over. Wordt de zaak echter van naderbij onderzocht,
-dan blijkt dat het onderscheid inderdaad niet groot is. Gij draagt
-een ronden, wij een driekanten hoed, maar toch gelooven wij beide
-aan het driemaal een is een, en bovendien wanneer het eene zaak geldt
-zoo hoog gewigtig als deze, dan zouden wij de punten onzer hoeden wel
-wat kunnen laten bijronden. Gij vereert, het is waar, de moeder Gods
-bijna meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen,
-want de scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en
-vrouwelijk tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de
-tafereelen, die wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,--zijn
-het niet allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke
-leert? Welnu, datzelfde leeren wij insgelijks.--Jezus Christus is Gods
-Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte
-maagd Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd
-geworden; hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel;
-dat leert gij en dat leeren wij insgelijks.--Gij acht het noodzakelijk
-ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan wonderen gelooft;
-wij insgelijks.--Gij vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood,
-of in de hostie het ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te
-nuttigen, en wij denken slechts daarbij aan zijn gebroken vleesch
-en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als
-een der heiligste sacramenten, en wij insgelijks.--Gij houdt het
-omsluijerde beeld in de nis voor het oog der menigte verborgen;
-wij insgelijks.--Welk onderscheid bestaat nu tusschen uwe en onze
-leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, waarin zij
-van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, het zijn
-niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, ten einde
-de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij de steeds
-dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte negentiende
-eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld zijn gebleven,
-vereenigen, opdat het gansche gebouw, waarop uwe zoo wel als onze
-magt steunt, niet instorte. Gij hebt, wel is waar, een opperhoofd
-der kerk, waaraan gij onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er
-geen en ieder onzer is liever zelf, elk in zijn eigen kring--een
-paus. Bij de gevaren echter, welke het heilige orthodoxe geloof
-aangrimmen, zou het niet dan verderfelijk voor ons beide zijn, indien
-de bestaande verdeeldheid en versnippering onzer krachten langer bleef
-voortduren. Door dergelijke kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het
-geval is, waar een verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting
-ons steeds heftiger toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt,
-naar een hechten pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is
-aan geen twijfel onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd
-en wij door een hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen,
-tienmaal meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder
-afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst
-uwe dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In
-den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen."
-
-De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de volgende
-woorden tot hem: "Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om het hoofd der
-kerk den eed van onverbrekelijke gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt
-onderwezen in onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen
-hier niet te herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het
-geheugen roepen. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijt gij aan de kerk
-verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een blind geloof. Daarover
-na te denken is zonde, twijfel te voeden is ketterij. Ketters worden
-gestraft met den ligchamelijken dood en de eeuwige verdoemenis. Allen
-hopen wij met God, onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd
-weder zal aanbreken, waarop wij magt zullen hebben alle twijfelaars
-en ketters te verdelgen en u, mijn zoon, hebben wij uitverkoren
-en waardig gekeurd om een medearbeider en ons werktuig te zijn,
-ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het hoofd onzer kerk,
-de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de ingewijden, die hij
-zijn vertrouwen waardig keurt, alléén het regt de stellingen onzer
-heilige godsdienst te onderzoeken en te beoordeelen. Gij en alle
-anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort slechts te gelooven en
-te gehoorzamen en dit geloof moet gij door alle mogelijke middelen
-uitbreiden en tegen de ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter
-verdelgen, zoo moogt gij geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door
-God vervloekt. Verlies nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat
-de kerk u leert en gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God--meer moet
-gehoorzamen dan aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van
-jaren, u waarlijk getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht
-u de heerlijkste belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden
-overladen en onder het tal van ingewijden opgenomen worden. Hef
-uwe oogen op naar het tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet
-en aanschouw het voorhangsel, dat het binnenste der nis beneden de
-schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het
-ware beeld. Maar hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk zou het voor onze
-belangen zijn, indien wij dat beeld den volke vertoonden, want zagen
-zij het of konden zij het zien, dan ware het met onze heerschappij
-gedaan. Om die reden moet de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim
-gehouden worden. Het volk mag niet verlicht zijn, maar moet gelooven,
-hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan
-laat het zich 't gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij
-ons aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is,
-wij houden die zelven daardoor in bedwang en heerschen over haar. Dat
-het groote doel der hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij
-over alle volken der aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit
-het oog worde verloren, en vergeet niet, dat het zekerste middel
-om daartoe te geraken, is: het onderrigt der jeugd. Prent derhalve
-de grondstellingen onzer leer vooral diep in het kinderlijk gemoed;
-want hetgeen het kind gewoon is als heilig te vereeren--al was het
-louter onzin, dwaling of bedrog--de vereering daarvan zal hem eene
-behoefte worden, welke in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk
-ontbeerd, waaraan het geloof ter naauwernood geschokt zal kunnen
-worden. De jeugd zij derhalve bij voorkeur het voorwerp uwer zorg,
-en stel u steeds levendig voor den geest, dat een van onze eerste en
-krachtigste middelen, om ons tot het beoogde doel te voeren, is: het
-schoolonderwijs te leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen. En
-gij, mijn zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de
-uitoefening uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk,
-onwankelbaar getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn
-het voorhangsel ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt
-en gij zult een onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen
-eed te zweren. Benedicite!"
-
-Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het orgel hooren;
-zijne krachtige toonen wekten de echo's van het hooge gothische
-gewelf en een koor van priesters hief geestelijke liederen aan,
-waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich paarde aan het
-orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar en in het
-wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier welriekende
-dampwolken al hooger en hooger opstegen.
-
-De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste mijner ziel
-geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich van mij meester
-om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het ware beeld
-had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet mogelijk dit verlangen
-te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder Nacht mij bij den arm
-vasthield en mij toefluisterde: "Om Gods wil, Dag! houdt u toch stil;
-wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier bevinden,
-is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, indien
-zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn weg,
-dat gindsche nis bedekt, dan zou het u 't leven kunnen kosten! Ik bid
-u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in stilte van
-hier vlieden." Ik werd echter door de sterkste begeerte geprikkeld
-om dat beeld in de nis te ontsluijeren,--ik trad nader en rukte het
-gordijn weg.
-
-Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der schilderij, welke
-boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van Christus omgaf,
-verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel zweeg en het
-maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De wierookwolken werden
-snel als door een storm weggevaagd en al de kardinalen, bisschoppen,
-pastoors en dominé's vloden ontsteld, verschrikt, in de grootste
-verwarring uit de kerk.--En wat zag ik nu?--Wat geschiedde aldaar?
-
-De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich bevond in de
-nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich te bewegen,
-zij werd levend en--voor mij stond een mensch,--een man met joodsche
-gelaatstrekken, zwart van baard en van hoofdhaar,--met een bleek,
-door lijden vermagerd gelaat; hij was gekleed in een eenvoudig,
-grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag zeggen, treurig was de blik,
-dien hij op mij wierp. Aan zijne handen bespeurde ik blaauwe, dik
-opgezwollene lidteekenen.
-
-Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te gevoelen over de
-daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van medelijden op
-het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had gevestigd. Zij
-was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger omgaf, om
-haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen uiterlijken
-glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, mishandelde
-mensch!--ja, mensch.--En toch boeide mij die verschijning, stond ik
-als vastgenageld op de plek, waar ik mij bevond, was het mij niet
-mogelijk eene schrede voor- of achterwaarts te doen. De blik, welken
-deze mensch op mij sloeg, was zoo wonderbaarlijk zacht en teeder, dat
-mijne oogen aan de zijnen als gekluisterd waren en de menschenliefde,
-die hij zoo bij uitnemendheid schoon en luide heeft gepredikt, het
-medegevoel, de sympathie met onze natuurgenooten, werd in mijn boezem
-steeds levendiger en warmer, hoe langer ik hem aanzag. Zijn verhevene,
-rustige blik was op mij gerigt, op mij, die met vermetele hand hem
-had ontdaan van den stralenkrans en kerkelijken luister, waarmede
-de priesters hem vroeger hadden versierd; en toch was zijn blik zoo
-zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, ja, tot op den bodem
-des harten door, en deze ziel volle blik, de glans der oogen, welke
-steeds helderder werd, hoe langer men hem aanzag, wekte zulk eene
-geestvervoering in mij op, dat ook mijne oogen vochtig werden;--hij
-bemerkte het, hij verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar,
-deed zijne lippen trillen,--hij strekte de hand naar mij uit en--ik
-viel neder op mijne knieën om haar te kussen.
-
-Nu sprak hij: "Laat af, mijn vriend. Ik ben, gelijk gij, eens menschen
-zoon. Voor God alleen zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij
-eerst mishandeld en gekruisigd,--druk mijne handen niet zoo sterk,
-de wonden, die zij mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,--duizend
-anderen, die na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen
-ik beleed, hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne
-leer vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In
-de plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop
-hunne magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden
-te verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te
-meer zekerheid te doen, hebben zij mij God den eeuwige genoemd en
-zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op
-aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei
-in het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge
-van bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;--later moest ik
-mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de
-gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden,
-die mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede
-zaak te bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te
-sieren. Zij verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren,
-maar helaas! door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt
-aan de menschheid als juist door deze sprookjes, die zij hebben
-uitgestrooid. Wij allen zijn kinderen Gods, want de Heer heeft ons
-boven het gedierte, dat in de wildernis leeft, begiftigd met eene
-redelijke ziel;--maar zij zeiden: dat ik Gods ligchamelijke zoon
-was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk verstand waar en juist ten
-opzigte van de schepping en haren maker erkend en geleerd had, dat
-alles gaven zij nu uit voor "het geopenbaarde woord Gods." Niet altijd
-hadden zij mij begrepen, menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne
-woorden opgevat; veel hadden zij vergeten van 't geen ik hen geleerd
-had, en andere dingen er bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd;
-maar niettegenstaande dat stelden zij dit alles later te boek gelijk
-zij zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu
-werd dit doode woord als "heilige schrift of bijbel," onveranderlijk
-van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats van in het
-ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij dag en
-bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich te
-laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in
-de diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van
-het bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit,
-zij verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan
-aan de regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt;
-zij vonden er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene,
-hetwelk hun verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche
-geloofstelsels en stelden den mensch het aanbidden van hunnen
-waan ten heiligen plagt; zij grondvestten hierarchien, rigtten
-brandstapels op en offerden ketters in de vlammen; zij begonnen
-te twijfelen, oneenigheid ontstond onder hen, zij scheidden zich
-van één, stichtten eene oneindige menigte sekten en op die wijze
-dwaalde een groot gedeelte der menschheid in de duisternis voort,--het
-weldadige licht der waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte
-geloofswaan allen vooruitgang belette en dewijl zij datgene, hetwelk
-niet anders is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk
-verstand--mijne leer, en zelfs deze niet dan vervalscht,--voor Gods
-woord uitgaven.--Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw
-hoofd is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles
-naar wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en
-steeds voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast
-bepaalde wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al
-deze wetten te doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder
-zeker, dat de mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te
-gemoet gaat als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou
-dan het volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de Eeuwige,
-Onvergankelijke een deel zijner kracht, het verstand, de redelijke,
-van zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel schonk, zou dit buiten
-de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt verzekerd, de
-mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in den toestand
-van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door het licht
-van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene in de
-natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te vergeefs
-trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de waarheid te
-omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen gereed zijn
-om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg te rukken,
-opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een diergenen, en
-gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld bedekte. Ik dank u
-daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, het bijgeloof en
-het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De voortgang des
-tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der ontwikkeling en
-de magt der boozen is reeds in eene groote mate geknakt. Zij zullen u
-beschimpen, belasteren, zij zullen pogingen aanwenden om uwe bedoeling
-in een verkeerd daglicht te stellen. Maar vrees niet, want Groot is
-de waarheid en zij zal zegevieren. Zij echter, die de waarheid kennen
-en haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt,
-die op hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het,
-die de onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij
-ontrooven den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga
-voort op den weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen
-gevoelt, maar doe zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de
-boozen en huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn."
-
-Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken als de
-heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik dezelven
-op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel geleden
-heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat teekende
-vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.--Ja, ik erken u,
-gij zijt het--Jezus van Nazareth! die tot mij spreekt en u vereer
-ik. Ook ik wil mijn penningske bijdragen en eene poging doen om
-de aanbidding Gods in zuiverder, warer vorm te doen stand grijpen,
-om het verkeerde, het bijgeloof er uit te verwijderen, opdat sluwe
-menschen niet langer misbruik maken van de behoefte aan godsdienst
-hunner medebroederen,--ik wil mij scharen aan de zijde dergenen,
-die pogingen aanwenden om de voorschriften der zedeleer zoodanig in
-te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen worden opgevolgd,
-opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te bestaan.
-
-Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde hij onverwacht
-eenig voorwerp achter mij,--ik keerde mij om en zag twee pastoors
-en drie dominé's, die teruggekeerd waren,--zij hadden hunne ronde en
-driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met ontbloot hoofd,
-vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het ware beeld van
-Jezus heen;--ik stond verlegen, getroffen, doch tevens aangenaam
-verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter zijde,--daar klonk het
-geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de ooren; ik hoorde zachte
-en welluidende toonen als van slaginstrumenten en de schoone gestalte
-van Jezus, het ontsluijerde beeld verdween uit mijne oogen.
-
-
-
-Daar buiten in het dorp werd de Gamelan gespeeld, waarvan het
-geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder Nacht lag
-nog verzonken in den periodieken schijndood der ziel,--hij sliep nog
-nevens mij, toen ik in stilte opstond en de deur der hut opende.--Het
-oog des daags was nog niet geheel en al ontwaakt; het gebroken
-zonnelicht, dat de hoogere luchtlagen, door de zon reeds beschenen,
-terugkaatsten, de schemering, omhulde nog de natuur, toen ik van den
-ladder afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden
-adem toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje
-reeds was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor
-onze woning, onder het geboomte, rondom eene Gamelan gerangschikt was.
-
-Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, die niet weet
-wat eene Gamelan is. Dewijl het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks
-niet met alle lezers in Nederland het geval is, zal het navolgende
-ter verduidelijking kunnen dienen. Onder eene Gamelan verstaan de
-Javanen eene vereeniging van groote en kleine muziekinstrumenten,
-voornamelijk van metaal vervaardigd, welke meerendeels den vorm
-hebben van een bekken en wat betreft de grootere soorten (de Gong's)
-deels aan fraai bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang's
-en Kenong's) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den klank te
-verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen koorden
-liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool met
-twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bedoeg), vervolgens een
-aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven verscheidene
-in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene rij nevens
-elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen aan koorden
-(Gendèr), of zijn door middel van houten pennetjes op den rand der
-kist bevestigd en deels van metaal (Saron), deels van hout (Gambang
-kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten hamers geslagen,
-die met leder of garen omwonden zijn en geven, niettegenstaande de
-voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige Javasche melodien,
-een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke eenige overeenkomst
-heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die veel zachter van
-toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot een volledig
-orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de instrumenten te
-bespelen en eene of twee Ronggeng's, d. i. dans- of zangeressen. De
-Ronggeng's zijn eene navolging der Indische bajadèren, die op Java
-uit den voormohammedaanschen tijd--den tijd der Hindoerijken, der
-Brahma- en Boedhagodsdienst--zijn overgebleven; deze treden echter
-alleen bij plegtige gelegenheden op.
-
-Eene dergelijke Gamelan nu stond, met onze pakkaadje daaromheen,
-als het ware voor onze oogen nedergetooverd, terwijl eenige
-Javanen welluidende toonen aan de verschillende muziekinstrumenten
-ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings over elkander
-geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, met de
-speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij schenen
-slechts het oogenblik te verbeiden, dat de zon boven den horizon
-zou verschijnen,--het tijdstip waarop onder dezen tropischen hemel
-iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk verlaat,--om hunne
-instrumenten onder zwaardere slagen te doen klinken. Ik was vóór dien
-tijd ontwaakt, doch gaf hen te verstaan, dat mijn oudere broeder nog
-sliep en te gelijk roerden zij hunne handen sneller; zij speelden
-de melodie van Poetjoeng kanginan, een luid allegro werd gehoord,
-bim, bam, bim, en--boem klonk de zware basstem van den grooten
-Gong als een klok boven alles uit, en ziet, mijn broeder Nacht trad
-aangenaam verrast naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef
-van verwondering zijne oogen, toen hij de Gamelan en onze koffers
-gewaar werd.--Sluipend naderde zijn bediende Lapiah, die met een mijner
-jongens gisteren de Koeli's begeleid en reeds vóór het vallen van den
-avond hier had moeten zijn. Hij hinkte--en maakte een erbarmelijk
-figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij trad. Eindelijk vatte
-hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk compliment en begon
-nu met een "Banjak tabé Toean, djangan mara Toean" een en ander tot
-zijne verontschuldiging in te brengen. Deze redenering kwam ongeveer
-hierop neder: Ja, mijn heer, de Koeli's liepen zoo snel als mogelijk
-was en ik spoorde hen daarenboven voortdurend aan om nog grooteren
-spoed te maken, ten einde vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar
-aan de Tji-Roké genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die
-beet mij in mijn linkerbeen.
-
-NACHT. Eene slang, gebeten?
-
-LAPIAH. Ja, mijn heer, maar zij was niet vergiftig.--Mas Poetri
-heeft haar dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer Dag
-(bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging voor mij)
-medegebragt. Toen de Koeli's dit zagen, zeiden zij: dat is een kwaad
-teeken; op dezen weg durven wij niet verder voortgaan, want wij
-krijgen stellig een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een
-sloegen zij een zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt,
-zoodat wij door Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer,
-hoe toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist
-bruiloft gehouden en de Gameelan gespeeld, er waren Ronggeng's en ons
-werd thee en Koewé koewé aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli's,
-dat wij geluk hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers van
-hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pendopo en wat wij
-ook deden, wat wij hiertegen inbragten--wij baden, wij dreigden hen,
-wij stompten er op--maar 't was alles te vergeefs, eenigen vlijden
-zich neêr, aten Koewé koewé en luisterden naar de Gamelan, anderen
-tandakten (d. i. dansten) met de Ronggeng's en al onze pogingen waren
-vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen
-ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den
-weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den
-Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend,
-dat het beter was de gansche Gamelan maar mede te brengen. Ik weet
-immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel,
-dat het mijne schuld niet is.
-
-NACHT. Gij slimme vos! De klappen, die gij de Koeli's hebt gegeven,
-zullen wel niet veel pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak
-gezigt en eenige andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen
-te verbergen.) Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met
-de Ronggeng's getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt,
-hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; ten
-anderen hebt gij die arme menschen nog bovendien gedwongen midden in
-den nacht de Gamelan herwaarts te brengen en nu zoudt gij mij nog wel
-willen wijs maken, dat dit alles geschied is om mij te believen. Maar
-gij zult zelf de kosten er van dragen.
-
-LAPIAH. Baïk, Toean. Saja poenja oewang abis, kapan soeka pindjam
-sepoeloe roepia. (Zeer gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd;
-heb de goedheid mij tien gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.
-
-NACHT. (lagchend) 't Is wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat
-gij weg komt en breng koffij voor ons beiden.
-
-Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in zijn ijver
-om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong hij meer
-dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel vergeten,
-hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu kwam ook
-mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil achter
-de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang,
-die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij
-voor zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op
-gelijke manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer
-hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: "Ja, mijn
-Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar nu
-heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt,
-indien gij de slang op spiritus wilt zetten."
-
-IK. Ga heen! Gij weet zeer goed, dat het eene gemeene soort van slang
-is, die voor mijne verzameling hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil
-u niet berispen, omdat gij u een onschuldig genoegen hebt verschaft,
-door deel te nemen aan de bruiloft; maar zoudt ge u niet beter van
-uwen pligt hebben gekweten, indien gij ons vooraf eene matras, onze
-dekens, eenige cigaren en wijn had toegezonden?
-
-MAS POETRI. Ach, mij beste Heer! Ik dacht: wij jongens drinken nooit
-wijn en slapen alle dagen zonder dekens op den blooten grond; wat zal
-het nu voor kwaad doen, indien onze Heeren eens eenen enkelen nacht
-op die wijze doorbrengen?
-
-IK. Nu, pak u voort, help de koffij zetten en draag zorg, dat die
-gereed is, wanneer wij terugkomen. Wij gaan den Goenoeng-Soesoe
-beklimmen (zoo heeten de bewoners van Gnoerag een kleinen heuvel,
-achter hun dorp gelegen), om van daar de zon te zien opgaan.
-
-NACHT. Zeg eens broeder, hoe zou iemand op die menschen boos kunnen
-zijn?
-
-DAG. Het is mij niet mogelijk. Hun karakter is een zonderling weefsel
-van goedhartigheid en zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis
-naive sluwheid. Zij hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet
-om den dag van morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een
-jaar na heden is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om
-die reden genieten zij gaarne de vreugde van den oogenblik. Treft men
-hen aan, wanneer zij een onderwerp van eigen liefhebberij behandelen,
-bij voorbeeld, tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van
-boom tot boom, ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren,
-hoe behendig zijn zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of
-onverschilligheid bij hen bemerken;--welk eene kracht ontwikkelen
-zij dan, welk eene vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene
-volharding leggen zij aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij
-alles uit eigen beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.--Wenscht
-gij echter, dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang
-hebt, waaraan zij vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat
-zij zich bezig houden met dien arbeid, welke de producten, voor de
-Europesche markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel,
-ja, meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt
-gij, dat zij dien arbeid vrijwillig verrigten, wilt gij het wat en
-het hoeveel zij planten zullen geheel en al aan hun eigen goeddunken
-overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde behoeften,
-dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben verkregen
-als wij bezitten; dan zullen zij het doen, even goed als wij. Maar
-wenscht ge, dat zij het vroeger doen, reeds nu doen, dan behoort gij
-hen te leiden en toezigt te houden over hunnen arbeid. Ik wil gaarne
-gelooven, dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen
-van eenige groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn,
-met het toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het
-niet noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland
-echter,--en hiervan zult gij weldra de overtuiging erlangen,--heeft
-de inboorling (op weinige uitzondering na) nog zoo weinig behoefte,
-dat een arbeid van twee à drie uren daags voldoende is om ze allen
-te bevredigen, en dat binnen den omtrek van één of een half uur
-afstands van zijne woning alles gevonden wordt, wat hij behoeft en
-waarnaar hij verlangt. De rijkelijkste belooning, de duurste betaling
-is aldaar niet in staat hem te bewegen om meer te verrigten. Wat zal
-hij aanvangen met het vele geld? Europesche waren en producten heeft
-hij niet noodig, en rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er
-van, acht hij volstrekt niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de
-rust in het kleine Eden, dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de
-natuur zoo wonderschoon meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij
-van den arbeid, waartoe wij de Javanen verpligten, uit een materieel
-oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin eene
-onloochenbare waarheid, dat het houden van toezigt over dien arbeid
-ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een overtuigend bewijs
-daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en fabriekstreken des
-eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans vrijwillig verrigten,
-waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. Door ons leeren zij al
-het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid kennen; het doelmatig
-verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, en door hunnen
-omgang met de Europeërs vermeerderen hunne behoeften en worden zij
-van zelf beschaafder. Reeds gedurende den korten tijd van uw verblijf
-op Java is de beschaving der inboorlingen, zelfs in het binnenland,
-onmiskenbaar toegenomen.
-
-NACHT. Maar ook hun schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren,
-op het gebied van zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch
-iets leeren!
-
-DAG. Ongetwijfeld; mits het slechts geene zoogenaamde heilige
-openbaringen, geene abstracte dogmen zijn der leer: driemaal een is
-een. Deel hen nuttige kennis mede der stellige wetenschappen, die zij
-kunnen toepassen ter verbetering hunner huisselijke inrigting en van
-hun handwerk, waardoor zij hun materieel welzijn verhoogen. Wanneer
-zij zich toeleggen op de beschouwing der natuur, die in hun land zoo
-majestueus groot en schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis--van
-de wederkeerige werking der krachten, naar gelang van het onderling
-verband der verschijnselen--voor hen in elk opzigt niet dan nuttig zijn
-kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden veredeld en de ware,
-natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer bij hen ontluiken;
-want al dat in de natuur bestaat, ademt Gods wijzen geest.
-
-Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top des heuvels bereikt
-(benevens eenige Javanen, die achteraan waren gekomen),--toen de morgen
-aanving de openbaring Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het
-opgaan der zon is overal, in alle landen, in elk jaargetijde een
-heerlijk verschijnsel, het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig
-sluimerend gevoel in onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven,
-hoe prachtig en verkwikkend tevens lacht hij ons toe!
-
-Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de geringste
-ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt slechts
-eene toenemende verandering, namelijk, aan den hemel, vooral aan den
-oostelijken hemel, die tot hoog in het zenith allengs helderder wordt;
-gekleurde stralen schieten, in eene divergerende rigting even als
-de speeken van een wiel, opwaarts,--eenige dezer stralen, namelijk
-die deelen der atmospheer, welke door de zon worden beschenen,
-blinken in gulden gloor, anderen, namelijk die niet door de zon
-worden getroffen, waarop ver verwijderde oneffenheden des horizons,
-als boomen, bergen, hunne schaduw werpen, doen zich aan het oog voor
-als azuurblaauwe strepen tusschen de vorigen;--geen enkel wolkje is
-aan het gansche uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die
-juist op dezen oogenblik, nu de verwarmende zon het langst afwezig
-was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, in de
-lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en dauw,
-en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,--alles is vochtig en
-het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is gevallen; de
-bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water gekregen,--daar
-gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een prisma, blinkt in
-alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten fonkelen aan alle
-grashalmen, die zich buigen aan alle boomen en struiken. Tallooze
-vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en fladderen door het
-gebladerte een nieuw leven te gemoet;--de paauwen verlaten den tak,
-waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen gedurende den nacht
-stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid geschreeuw over het
-dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende vederdos, waarop de
-eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de apen, die zich
-tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te schreeuwen: oeh
-äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit 20, 50, ja, somtijds uit een grooter
-getal kelen te gelijk heffen zij, nu eens in zwellende, dan weder
-in dalende akkoorden, hun koraalgezang aan, waarvan de echo door de
-bergen terug wordt gekaatst, om op hunne wijze den levend makenden,
-verwarmenden straal der zon te begroeten en--de mensch?--De Javanen
-zitten op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht
-hebben zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het
-oosten gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen,
-waarvan wij een duidelijker bewustzijn omdragen,--want ik strekte mijne
-armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts een
-der werken van den Onvergankelijke, die met een enkelen slag duizend
-draden vlecht, maar ik begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat
-voor ons aardbewoners bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende
-openbaring Gods in de natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw
-straal elken morgen getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw
-weder alles in beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en
-zonder u kon zij niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder
-u ontbeerden wij jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het
-aardsche leven alles voor allen. In minder dan één oogenblik verspreidt
-uw straal het licht en maakt de dingen zigtbaar. Zonder u hadden wij
-geene oogen, want waartoe zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een
-tooverslag schept uw licht zijne half aardsche, half hemelsche dochter:
-de kleurenpracht, waardoor gij schoonheid geeft aan alle dingen. Ja,
-met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de warmte, en
-gij maakt het harde week en veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde
-mogelijk zijn zonder u? Hoe zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn,
-hoe zou een geluid kunnen gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf
-de ligchamen luchtvormig of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen
-ademhalen zonder lucht en tot welk einde zouden wij het gehoor hebben
-verkregen, indien er geen geluid was? Hoe zouden planten groeijen,
-beken vlieten, hoe zouden wolken zweven en winden waaijen zonder uwen
-verwarmenden straal, o schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar
-worden en alle beweging in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt,
-zoo mede in het luchtruim uitlokt. Ja, zelfs de electriciteit in de
-wolken gehoorzaamt u en gij gebiedt den donder.--Slechts éénen nacht
-waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is de dampkring zoodanig
-bekoeld, dat al het water, 't welk gisteren, door de warmte opgelost,
-als een onzigtbare damp in het luchtruim zweefde, nu als dauw op
-de aarde is nedergeploft. Nu paarlen nog millioenen druppels aan de
-boomen; nog staat de luchtzee stil, niet het geringste togtje laat
-zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit voortduren? Naauwelijks heeft
-de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit plekje der aarde naar
-uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft uw opgaand licht
-zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw schijn getroffen,
-begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk de mensch en de
-gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, zich op nieuw
-beginnen te bewegen,--gelijk in het plantenrijk millioenen knoppen
-ontluiken, zoo worden insgelijks het water en de lucht in beweging
-gebragt. Spoedig zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst
-nabij de aarde zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer
-warmte, zullen zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en
-vlak of lager gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen,
-die tot hooge bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee
-zal niet in die mate worden verwarmd als het land,--ten gevolge hiervan
-zal de lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land
-en zee ongelijkmatig uitgezet en verdund worden, de digtere en koudere
-lucht zal naar de meer verdunde streken des dampkrings heenstroomen,
-de stilte, die thans nog in het luchtruim heerscht, zal daardoor weldra
-gestoord worden en winden zullen door de toppen der boomen waaijen;--te
-gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede
-worden opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt
-nedergeploft tot mist en nevel,--wolken zullen dan worden gevormd;
-deze zullen steeds talrijker en grooter worden en eindelijk, bij het
-toenemen der warmte en snellere verdikking van den waterdamp, zal de
-electriciteit in de wolken ontwaken, de donder zal rollen, de regen zal
-nederstroomen op den verkwikten bodem, stortbeken zullen in sprongen
-van de rotswanden vallen en Bandjer's met onweerstaanbare kracht door
-de bergkloven bruisen--en van dit alles, van deze herscheppingen
-des dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op
-en boven de aarde, hiervan zult gij de eenige oorzaak geweest zijn,
-gij blinkende, zoo rustig stralende zon!--En zou uw straal, die met
-eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en
-nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge hebben,
-die echter allen gezamenlijk door zulk een harmonischen band verbonden
-en zoo innig met elkander zijn verknocht, dat geen enkele schakel der
-keten afzonderlijk kan bestaan en de gansche keten zelf niet denkbaar
-is, indien slechts één enkele schakel daaraan wordt ontnomen,--zou
-uw straal ook niet door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in
-het binnenste mijner ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die
-zegt: ik erken u, hoogste doelmatigheid in de natuur; geen ding,
-geene kracht staat op zich zelf; elk deel van het geschapene is
-daar om den wille van andere deelen van het geheel en alles is in
-onverbrekelijken zamenhang naar wijze wetten geordend;--wel weet ik
-niet, of mijn oog om het licht is geschapen of het licht om mijn oog,
-maar het eene is om het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij
-leeft, welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig
-wederkeerig verband staat met de gansche natuur, die mij omringt,
-dat ik mij het gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en
-geluid, en dat het geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn
-zonder oor en zonder oogen,--zou deze ziel ook niet om iets anders
-geschapen zijn, zou zij in geene betrekking tot iets anders staan?
-
-Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, mag ik nadenken,
-dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven bewust;--er was
-een tijd, dat ik niet bestond, thans ben ik;--gedurende langen tijd
-wist ik niet werwaarts ik kwam, van waar deze met denkvermogen,
-met rede begaafde ziel zijn oorsprong had; ik wist evenmin waarheen
-zij gaat;--uit mijzelven ontstond ik niet;--in de natuur schiep ik
-niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts
-een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in
-verband en wederkeerige werking staat;--een draad kan het slechts zijn
-van waar, als uit een brandpunt, die millioenen draden der schepping
-uitloopen; een eeuwige, onvergankelijke ziel, een wijze, volkomene
-geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven,
-mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,--die de natuur schiep en
-onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid,
-doelmatigheid en goedheid!--Ja, gij hebt u geopenbaard en openbaart
-u voortdurend in de gansche schepping gelijk in ieders boezem,--tot
-U sta ik in betrekking!--eeuwige en onvergankelijke God!
-
-Een dergelijk "morgengebed" zal wel zijn opgeweld in den boezem
-van mijn broeder Nacht, en in dien van de aanwezige Javanen, want
-zij waren verzonken in de beschouwing van het heerlijke schouwspel
-en bewonderden het opgaan der zon. En terwijl de vogelen floten,
-de insekten gonsden en alle andere dieren der wildernis, elk naar
-zijn aard en zijn bijzonder instinkt, het morgen- en loflied der
-schepping mede instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die
-van de gevolgen tot de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering,
-dankend en aanbiddend, onze blikken rigtten tot den Schepper.
-
-Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als behoefte, het
-ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van een verkoelend
-bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels weder te verlaten
-en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den Pantjòran te begeven,
-toen wij de bedienden gewaar werden, die onze terugkomst niet hadden
-willen verbeiden en ons de stoomende koffij te gemoet droegen. Zij
-hadden het vochtig element reeds bezocht en klommen druipend nat als
-Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang hoofdhaar los en vrij om hunne
-schouders zwierde en hun bovenlijf bedekte. Wij dronken onze koffij met
-wat geitenmelk, welke zij hadden medegebragt, hetgeen de spotlust der
-inboorlingen gaande maakte, die ons om deze reden met jonge kinderen,
-ja, met jonge geiten vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk,
-is hun volstrekt onbekend en in het binnenland van Java wordt die
-nooit gedronken.
-
-Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en kwamen tot het
-besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond verder te gaan,
-ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere dorpen te bereiken,
-alwaar ons verblijf aan de bewoners minder bezwarend zou zijn dan hier,
-in dit kleine gehucht, het geval was. Wij hadden het voornemen opgevat
-om dwars over het gebergte onzen togt in eene westelijke rigting voort
-te zetten tot aan het naastbij gelegene groote dal, van daar uit de
-zuidkust te bezoeken en vervolgens te trachten in het hoog gelegene
-binnenland door te dringen. Op een afstand van eene kleine dagreize
-van hier moest, aan de tegenovergestelde zijde van het gebergte, een
-groot dorp liggen; daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen
-koers te rigten. Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad
-te nemen, gaven wij aan onze jongens last intusschen de benoodigde
-Koeli's op te zoeken en te huren.
-
-Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden begeven, hadden
-wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten hadden na te
-komen: om in deze streken des eilands slechts vrijwillig hulpbetoon
-der inboorlingen, tegen goede betaling en welwillende behandeling,
-in te roepen,--ten einde eens te zien hoe ver wij op die wijze zouden
-komen. Wij hadden besloten alleen in zeer dringende omstandigheden onze
-toevlugt te nemen tot de bevelschriften der Residenten en Regenten,
-waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche
-taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend
-verlangen van Nacht, aan wien ik in dit opzigt had toegegeven, was
-dit tot regel aangenomen.
-
-Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende berigt:
-"Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli's vinden; de Koeli's, die te
-Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts tot aan Paréang
-medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door mannen uit die plaats
-hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij nog hier waren, maar
-zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, totdat zij betaling
-hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, dat zij nog verder
-zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen mensch te vinden,
-uitgenomen de vrouwen en een paar knapen."
-
-Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de tijgerjagt, was er
-meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu waren zij allen,
-op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: "mijn man is op
-den Oema" (het drooge rijstveld), "mijn man is gaan visschen, mijn
-man zoekt Rotan in het woud,"--de meesten echter hielden zich in hunne
-hutten verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij
-stelden den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand
-en verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde
-te beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden
-komen. Na lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige
-Javanen--wel is waar, schoorvoetend en langzaam--buiten hunne hutten
-traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging mede. De
-een spoorde den anderen aan en zei: "Kom! gaat gij mede; de Heer kan
-toch zelf zijn koffers niet dragen;"--de aangesprokene moedigde weder
-een derde aan om mede te gaan,--de derde een vierde en ieder van hen
-had gaarne gezien, dat een ander zich daartoe bereid had betoond,
-maar om het zelf te doen, daartoe gevoelde de eerste zoo min lust als
-de tweede, de derde of de vierde.--Onder de Gamelanspelers was er een,
-die een begeerig oog sloeg op de Spaansche matten, welke de Loerah hem
-voorhield; hij nam er een in de hand, draaide ze om, bekeek haar nu
-aan dezen, dan weder aan den anderen kant;--zij beviel hem uitmuntend,
-gaarne had hij ze behouden, maar--daaraan zijn gemak op te offeren,
-zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te gaan! ver
-van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te dragen! op
-het heetste van den dag!--neen, dat was te veel gevergd. Hij trok
-een bedenkelijk gezigt, gaf, met de blikken naar den grond gewend,
-den dollar aarzelend terug, zette zich neder, zweeg en--kaauwde Siri.
-
-Eindelijk naderden eenige knapen: "ik, mijn Heer! ik wil meê!" en een
-derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die de oudste van hen scheen
-te zijn, zeide: "indien ik de Spaansche mat krijg, ga ik meê." Maar
-wat zouden wij uitrigten met deze drie knapen, waarvan twee nog
-volslagen kinderen waren. Toen nu de Loerah uit Gnoetnig gewaar werd,
-dat onze zaken verkeerd liepen, verontschuldigde hij zich insgelijks
-zeer beleefdelijk en verzocht om onze toestemming, ten einde nu mede
-naar zijn dorp terug te keeren. Hoe ongaarne wij ons dezen laatsten
-troost zagen ontvallen, was zijn verlangen toch te billijk om van de
-hand gewezen te worden. Wij beloonden hem voor zijne moeite en hij
-vertrok. De weduwe, in welker hut wij onzen intrek hadden genomen,
-naderde nu en zeide: "Och, mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een
-haast! Bevindt gij u hier niet naar uw wensch? Gij kunt vertoeven,
-zoo lang gij verkiest,--morgen of overmorgen zullen er wel Koeli's te
-vinden zijn;--wij blijven immers voortdurend hier!"--en stellig houd ik
-mij overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden kunnen vertoeven,
-zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een onvriendelijk
-gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij deel hadden
-genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van leven
-hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest
-zijn. Maar--een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten,
-daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden
-zij hun gemak en--bleven arm, gelijk zij waren, te huis.
-
-Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte bevelschriften wilden
-wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik maken. Zouden wij
-derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het voortzetten van onzen
-togt kon althans heden, welligt ook morgen of overmorgen, niet
-worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam een brief aan
-het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons 12 Koeli's
-toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen pas, ten einde
-hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd waren om in de
-binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat gevouwen en
-met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij gaven
-nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief van
-'t hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd worden en
-dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief niet aan
-hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad van
-ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte het
-ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van 2
-1/2 gulden, waarvan wij er 1 1/2 vooruit moesten geven, te brengen
-naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), hetwelk
-ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.--Van eene voldoende
-hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in Pisangbladeren en
-schellen van den Pisangstam was gepakt--onze brief had hij behoorlijk
-in drooge bladscheeden van den Djambé-(of Penang-) palm gewikkeld,
-ten einde hem voor nat worden te bewaren,--stapte onze bode, met den
-Gòlok op zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn
-hoofd, alwaar hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak,
-omstreeks negen ure het dorp uit.
-
-Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, gaven eenigen
-onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in te rigten,
-en bevalen den kok--dit gewigtige ambt bekleedde een ander van hen--om
-voor een goeden maaltijd zorg te dragen.--Welgemoed behoort men zich
-te onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden
-wij derhalve alle verdriet van ons af, beraamden dadelijk een nieuw
-plan voor datgene, 't welk den bodem was ingeslagen en besloten
-om, met de helft onzer bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg
-te beklimmen. Wij voorzagen ons van eene kleine hoeveelheid Nasi,
-Pisang, Dendeng, eene kruik water (Gindi), namen een jagtgeweer,
-eenige natuurkundige instrumenten en dergelijken mede en joegen de
-drie dorpsjongens, die zich vroeger tot het verrigten van Koelidiensten
-hadden aangeboden, voor ons uit, om ons nu bij onzen togt bergopwaarts
-te begeleiden. Want zelfs tegen ruime betaling wilden zij vrijwillig
-"zulk een hoogen berg" niet beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt
-noodig om de vroeger opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl
-moeten een bitter kruid is, zoo--verschaften zij ons het genoegen van
-hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en stapten vrolijk naar
-den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder noordwaarts gelegen en
-wel het hoogste gedeelte der lange bergketen, welke het Tji-Nagnéakdal
-aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich in de opgenoemde rigting
-tot een hoog en steil bergjuk, dat met een somber, onafgebroken woud
-is bedekt; door dit woud wilden wij ons een weg naar den bergtop
-banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het luchtruim bespeuren.
-
-Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde en verre met
-hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs echter liet zich
-nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras golfde als een
-korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De omgebogen
-bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen terug
-en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, waarvan
-de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer toe,
-terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die zich
-voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin
-wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe
-verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan
-het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen--de alledaagsche
-kost der tijgers--sprongen allerwege op en verdwenen al knorrend even
-spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine Oema-velden aan,
-waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas (kleine katoenstruiken)
-groeiden en die als opene, van alle onkruid gezuiverde plekjes in de
-graswildernis verstrooid lagen.
-
-Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den voet van het
-gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende bergribben om
-het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs korter en
-geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen wordende,
-verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche weidevelden. Hier
-groeide tusschen het gras eene menigte prachtige purperroode bloemen,
-Onjé of Koening, waarvan de aromatische wortelen het hoofdbestanddeel
-vormen der Keri, aan welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele
-plaatsen verhieven zich afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter
-ter wederzijde van de bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld
-woud vormden. De wind ruischte allengs sterker door het loofgewelf;
-het ritselen van het fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze
-hoofden boogsgewijs vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts
-hing, nam hand over hand toe en het geknars der over elkander heen
-en weder bewogen wordende Bamboesbuizen,--de kolossale stengels dezer
-grassoort,--die de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider,
-naar mate wij hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten
-(Mendjangan) huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel)
-werden wij hier en daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne
-holen aan de zijwaarts gekeerde hellingen der bergrib trachtten te
-verschuilen. IJlings wierpen de Javasche knapen den last, welken zij
-droegen, neder, liepen deze kleine, volkomen onschadelijke dieren
-na om ze te vangen of te dooden, niettegenstaande zij oneetbaar
-zijn. Niet dan met moeite kon Nacht hen daar van terug houden; hij
-sprak hen op de volgende wijze toe: "wij moeten nimmer eenig dier
-mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen,
-mogen wij - - -" paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin,
-die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten
-had. Nacht had willen zeggen: - - - die ons geen nadeel toebrengen,
-mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in dier voege voltooid:
-wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en mogen dezulken
-onder de onschadelijke dieren wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten,
-dewijl plantenvoedsel alleen voor onze behoefte niet toereikend is.
-
-Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen wedervinden, waar
-het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak midden in den weg en
-zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder voort.--Langzamerhand
-verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats daarvan verhieven zich
-groepen fijn gebladerde acacia's (Djoendjingboomen); hun in de breedte
-uitgestrekt loofdak scheen een floers, dat tusschen ons oog en den
-hemel was uitgespannen en eene menigte grijze apen (Monjet) sprongen
-al schommelend, als het ware ons ten spot en met elkander spelende,
-over de lang uitgestrekte takken dezer boomen in het rond.
-
-Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het oorspronkelijke
-woud, dat zich voor onze blikken verhief als zuilenrijen met gangen
-tusschen de pilaren, waardoor men in het binnenste kon zien als in eene
-hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke afzonderlijke zuil met eene
-koepelvormig zich verheffende loofmassa als het ware met eene groene
-wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf binnen en nu veranderde
-het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij 200 voet hooger in
-dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was reeds verdwenen,
-en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. Slechts hier
-en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het loofdak, als
-door een geopend venster, nog een gedeelte van den blaauwen hemel;
-in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden wij nu eene
-koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, dat wij zoo
-straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan een groen met
-millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide kleinere boomen,
-struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem verhieven,
-aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts hingen,
-en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte tusschen de
-boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, ja, nog
-hooger, terwijl daarenboven wilde wijngaardtakken (Aroï ki barera)
-en andere slingerplanten, namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken
-menigwerf de dikte van een mansarm bereiken, tot in de toppen der
-boomen opklauterden, van daar weder naar den bodem afdaalden, zich op
-nieuw verhieven en het woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet
-de geringste adem des winds bragt de minste beweging voort in het
-binnenste van dit woud, maar hoog boven ons in de toppen der boomen
-ruischte de wind en veroorzaakte een voortdurend gesuis, 't welk
-zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en dof van toon was, dat men op
-het denkbeeld zou hebben kunnen geraken het gebruis te vernemen eener
-branding, klotsend tegen een ver verwijderd strand. Het waren Poespa-,
-Ki terong-, Bengang-, Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten,
-wier stammen zich hier allen onder elkander, in een woud, slank
-en hoog als kunstmatig gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen
-bloemen lagen op den bodem verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen
-rees hier en daar een reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts,
-die als het ware uit honderd andere ineengedraaide of door elkander
-gevlochtene stammen is gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen
-door hunne takken rond, terwijl groote vogelen (jaarvogels), die
-zich slechts door hun luid snuiven verrieden, hoog boven het woud
-heenvlogen. Eindelijk--wij naderden nu den top des bergs--ontwaarden
-wij eiken-, laurier- en Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs
-dunner werden en verder van elkander schenen op te groeijen. Het was
-nu ongeveer 12 ure. Onze togt door het woud had twee uren geduurd;
-een open plekje bereikt hebbende, zetteden wij ons neder om uit
-te rusten. Wij luisterden naar het gezang eens vogels, Manoek kaso
-geheeten, welks slagen verre door het woud klonken en waarvan wij
-in de lager gelegene streken des bergs niets hadden gehoord. Te
-oordeelen naar den stand des barometers, bevonden wij ons nu ter
-hoogte van ongeveer 4000 voet. Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree
-en valeriaan groeiden hier in het rond, benevens nog andere bloemen,
-die zooveel overeenkomst hadden met onze Hollandsche flora, dat mijn
-broeder Nacht er niet weinig van verrast stond.
-
-NACHT. Hoe wonderbaar toch!--Op onzen korten togt van het dorp tot aan
-deze woudgrens hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan
-tot voedsel, woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de
-schaduw van velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie
-opleverende vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en
-schenkt hem het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé),
-welke hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet,
-groeit niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen
-de velden, die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen
-opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang,
-dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger
-bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels
-(buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den
-vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit
-hij alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige
-schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen
-bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild
-wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen,
-dat de Javaan, te midden van eene zoo rijke, zoo vruchtbare natuur
-levende, die hem bijna alles, wat hij behoeft, reeds kant en klaar
-oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is.
-
-DAG. Dat is volkomen waar. De verscheidenheid der producten van
-het plantenrijk, zoo mede der dieren, welke daarvan afhangen,
-is buitengewoon groot in dit land, alwaar het gansche jaar door
-eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge bergen worden
-gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger bergopwaarts
-stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander land en
-klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op den het
-naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook weder,
-gelijk overal elders in de gansche schepping, eene enkele oorzaak--de
-afnemende warmte naar mate de aardoppervlakte hooger rijst--duizend
-andere werkingen te weeg. Eerst hebt ge, beneden in het heete land,
-Alang alanggras met wilde zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen,
-en tijgers welke zich hoofdzakelijk met wilde zwijnen (met in vleesch
-en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken ontwaard
-met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten voorkomen
-die gras eten, benevens Bioel's die op wormen en insekten azen,
-welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen vermolmde
-boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst voorkomen;--later hebt
-ge acacia's aangetroffen, waarin grijze apen rondsprongen, die zich
-voeden met de peulvruchten van dit geboomte; vervolgens kwaamt ge aan
-het hoogstammnige oorspronkelijke woud, dat met vijgenboomen aanving
-en hier met Ki mérakboomen eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit,
-dewijl hij zich met de bessen van deze boomen voedt.--Overal waarheen
-gij uwe vorschende blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur
-zult gij bevestigd zien, dat immer het eene van het andere afhangt
-en hieruit weder andere gevolgen voortspruiten, en dat een schoon,
-van het allerhoogste vernuft getuigende, consequent gevolgde plan in
-het gansche scheppingswerk zigtbaar is, waarvan de grondstelling is:
-door de eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid
-voort te brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren-
-en plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij
-brengt in tegendeel overal overeenkomstige--verwante en analoge--vormen
-voort, die echter, indien de bodem en het klimaat verschillen, toch
-niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze bloemen, deze
-frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het diepland van Java
-zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden wij ons bijna
-4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar ginds beneden
-ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, namelijk,
-dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer noordelijk gelegen
-vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, dan ziet ge, dat
-zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat het echter niet
-dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad zelfs hier
-op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer aanmerkelijk
-van het onze in Holland.
-
-Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich zaamgepakt
-en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten einde zoo
-spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu toe een
-naauw pad gevolgd, 't welk wij hadden beschouwd als een weg, door
-houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter begaanbaar, hoe
-hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een ure den hoogsten
-top bereikten, zagen wij met verwondering een Pendopo voor ons, dat
-is, een open gebouw met een op vier stijlen rustend dak en onder dit
-dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste steenen bedekt en omringd
-graf. Vóór den grafheuvel stond eene offerschaal met wierook en enkele
-nog niet geheel verwelkte bloemen.
-
-Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met schrik uit onze
-overpeinzing,--wij zagen om en bemerkten, dat de spaanders van een Ki
-mérakboom in het rond vlogen, die, op een geringen afstand beneden den
-bergtop staande, door den bliksem getroffen en geheel en al van zijne
-schors beroofd was geworden. Wit gelijk een spook stond nu daar, aan de
-helling, de ontzaggelijk hooge boomzuil, die een oogenblik te voren nog
-beladen was geweest met donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast
-vormde met de zwarte wolken, die zich steeds digter en dreigender
-rondom ons zamenpakten. Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij,
-door eene spleet tusschen de wolken, een klein gedeelte van het dal,
-dat, ver beneden ons door het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was,
-doch ook dit verdween weldra achter de steeds lager dalende en zich
-verder uitbreidende wolken.--Wij bevonden ons te midden van eene
-onweêrswolk.--Al onze begeleiders zaten stil nedergehurkt rondom het
-graf; zij durfden naauwelijks adem halen, terwijl de bliksemstralen
-uit hunne zwarte geboorteplaats voortgeschoten, blaauw van schijnsel,
-maar tevens even hel verlichtend, oogverblindend als het zonnelicht, in
-zikzak digt voorbij onze oogen de lucht doorkliefden, terwijl de donder
-ratelde, zoo vreesselijk luide, dat het ons gehoor verdoofde, dat wij
-verstomd ter aarde zonken,--terwijl tevens de regen in ontzaggelijk
-groote droppels begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de
-bliksemstralen, die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links,
-dan regts, dan van alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend,
-ratelend en oorverdoovend te gelijk,--terwijl de nagalm van den donder
-weerklonk daar boven in de wolken en beneden langs de berghellingen
-rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk eene basstem en zoo
-geweldig dreunend, dat de gansche berg onder onze voeten scheen te
-beven en het ons voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine
-aardbol boven ons hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts--en
-onder onze voeten langs het gebergte afwaarts gerold werden,--daar
-doorkliefde ratelend weder een straal de lucht,--een dof geschrei werd
-ter naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht
-in den grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,--wij namen hem in
-ons midden, wreven hem,--maar tot in het binnenste der ziel geschokt
-door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar
-digt nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot
-met hem te deelen,--terwijl de vreesselijkste plasregen neêrstroomde,
-die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te spoelen.
-
-Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde watervloeden en
-stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts stroomden,--maar
-de onweêrswolken begonnen te dalen en zich verder uit te breiden. De
-eerste en heftigste uitbarsting had plaats gehad digt boven en rondom
-den hoogsten bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich
-het meest en het eerst hadden verdikt. Nu daalde de onweêrsbui reeds
-lager langs de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen
-voor ons uit, terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken
-voortschoten.--De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg
-weldra zijne bezinning.
-
-NACHT. Zijt gij niet angstig, bevreesd?
-
-DAG. Neen; maar ik ben verbaasd en opgetogen tevens. Het schouwspel is
-vreesselijk schoon en prachtig. Het oogenblikkelijke van het gevaar
-echter, waaraan ik blootsta en dat ik niet kan ontvlieden,--het
-plotselinge van het lot, dat mij hier elken oogenblik kan treffen,
-maakt dat ik mij in mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor den
-donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal nemen
-en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt worden
-getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens het
-oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien
-de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den
-top eens bergs begraven zijn.
-
-NACHT. Gelooft gij aan de onsterfelijkheid der ziel?
-
-DAG. Zeer zeker.
-
-NACHT. Het is mij aangenaam die woorden van u te hooren. Voor mij
-is dit geloof eene behoefte; zonder dat zou ik niet gelukkig kunnen
-leven.--Maar zeg mij eens, indien gij daaraan gelooft, hoe verklaart
-gij dan het zoo allengs ontwaken van het bewustzijn in den mensch,
-de zoo langzame ontwikkeling van het verstand en van het denkvermogen,
-welk een en ander juist gelijken tred houdt met de voortgaande vorming
-der ligchamelijke organen, der hersenen, die van lieverlede volkomener
-worden?--Hoe brengt gij dat in overeenstemming met de zelfstandigheid
-en de onvergankelijkheid der ziel,--waar neemt zij haren aanvang in
-de embryo, in de foetus of in het pas geboren wicht en waar houdt
-zij op bij den kindsch geworden grijsaard!--waar is de grens tusschen
-dier en mensch?
-
-DAG. Die grens kan ik u niet aanwijzen; wanneer mijne ziel aanving,
-van zich zelve bewust te zijn, weet ik niet. Overal zie ik de kracht
-aan de stof gebonden en ik ken geene kracht zonder ligchamelijken
-grondslag, en even zoo is het omgekeerde het geval; de koorts kan
-mijnen geest verduisteren, kan mij onzamenhangende woorden doen
-spreken, ja, een slag op mijn hoofd, zonder aan het ligchamelijk
-leven noodwendig hinder toe te brengen, kan mijn bewustzijn doen
-ophouden.--Maar beschouw daarentegen het onweder, dat zich voor ons
-oog heeft ontlast. Wie zou dezen morgen bij het ontwaren der blinkende
-dauwdruppelen, die zoo rustig parelden aan grashalmen en struiken,
-wie zou er aan gedacht hebben, dat daarin zulk eene vreesselijke
-kracht sluimerde, eene kracht, welke de stem des donders verwekt, de
-duisternis der wolken verlicht, de boomen vaneensplijt, ja, die alle
-zenuwen van uw binnenste hevig schokt!--Toch is het niet anders dan
-de door warmte opgeloste, als waterdamp opgestegene, vervolgens snel
-bekoelde en verdikte, in millioenen van nevelblaasjes herschapene,
-wolkenvormende dauwdruppel, waaruit nu door wrijving en spanning
-de electriciteit te voorschijn treedt.--En wanneer nu morgen vroeg
-wederom de dauwdruppel, even stil glinsterend als heden morgen, gelijk
-een paarl aan grashalmen en struiken hangt, durft gij dan gelooven,
-dat de kracht, welke hij thans onder de teekenen van bliksem en
-donder voor uwe blikken heeft ontwikkeld, er aan is ontweken, niet
-meer voorhanden is, of dat zij er heden morgen vroeg niet in bestaan
-heeft?--Zeer zeker zult gij dat niet gelooven.
-
-Zoodanig is het ook gelegen met 's menschen geest.--De dauwdruppel
-is gelijk aan het nog ongeboren of het pas geboren kind; in
-zijn binnenste, hoewel nog stil en sluimerend, ligt de kracht
-verborgen,--gelijk de waterdamp rijst hij, zich ontwikkelend, opwaarts;
-in het onweêr lichtend staat hij daar, de volwassen mensch, wiens
-geest de gansche wereld omvat en--in de regenstroomen, de stortbeken,
-daalt hij neder naar de oneindige zee, die hem het eerst zijne wording
-schonk:--de grijsaard buigt het verzwakte hoofd neder in den schoot
-des Eeuwigen.
-
-Terwijl het onweder steeds lager afdaalde langs de berghellingen
-en wederom hier en daar blaauwe plekken boven onze hoofden zigtbaar
-werden tusschen de wolken, die zich meer en meer verdeelden, begon
-onze kleine karavaan zich te herstellen van de uitgestane angst en
-haalden de Javanen weder vrijer adem. Eindelijk zagen wij den bliksem
-ver beneden ons uit de wolken te voorschijn komen en de donder,
-die zich van daar voortplantte, maakte op ons, die op den bergtop
-stonden, juist zulk een indruk als kwam hij uit het binnenste van
-het gebergte voort. Waarschijnlijk stortregende het nu te Gnoerag,
-dat wij nog niet hadden kunnen zien; maar reeds ten 2 ure bescheen de
-vriendelijke zon weder den bergtop, zoo mede de oppervlakte der wolken
-die, zich meer en meer ontlastende, ver beneden ons waren gedaald.
-
-Wij, benevens onze begeleiders, nuttigden nu het door ons medegebragte
-ontbijt en besloten nog een uurtje op den bergtop te vertoeven en te
-wachten, totdat de Bandjer's, d. i., het zaamgevloeide water, dat nu
-alle kleine beken in bruisende stroomen herschapen had, hunne woede
-zouden hebben uitgeput. De Javanen wisten ons omtrent het grafgesticht
-niet veel meer te verhalen, dan dat aldaar iemand uit den "zeer ouden"
-(voormaligen) tijd begraven lag. Mohammedanen zijnde, gelooven zij,
-even als de Joden en Christenen, aan de wederopstandig des vleesches
-en hebben een grooten eerbied voor de graven der afgestorvenen. Het ter
-aarde bestellen op bergtoppen schijnt in de Soendalanden bij vorsten en
-voorname personen reeds eene gewoonte te zijn geweest voor den tijd van
-de Hindoerijken op Java,--de Brahma- en Boedhagodsdienst,--derhalve
-reeds tijdens het bestaan van het oorspronkelijke polytheismus der
-Soendanezen, en eerst sedert de invoering van den koran in onbruik
-te zijn geraakt. Op zeer vele, voornamelijk geïsoleerde bergtoppen
-vindt men dergelijke oude, met steenen omringde graven.
-
-NACHT. Dewijl het zich laat aanzien, dat wij het waarschijnlijk voor
-lief zullen moeten nemen om nog eenige dagen te Gnoerag te vertoeven,
-komt het mij voor, dat wij onzen tijd, vooral gedurende de lange
-avonden, op eene nuttige wijze zouden kunnen besteden door te beproeven
-om de Javanen in de zedeleer en de godsdienst te onderwijzen. Zoo
-gaarne zou ik hen bekend maken met den inhoud van het Christelijk
-evangelie; ik kan niet ontveinzen, mijn broeder, dat gij menigen
-twijfel bij mij hebt opgewekt, maar de zedelijke waarheden, welke
-de Christelijke leer bevat, hebt gij niet kunnen loochenen, ja, er
-zelfs bijgevoegd, dat dit denkbeeld nimmer bij u was opgekomen.--Het
-staat u echter niet vrij het geloof van anderen aan het wankelen te
-brengen en twijfel in hen gaande te maken, indien gij niet in staat
-zijt iets beters aan te bieden, in de plaats van hetgeen gij aan hen
-ontneemt of ontnemen wilt. Die de stormklok luidt en de menschen uit
-den slaap doet opspringen, moet hun de rust weêr hergeven.
-
-DAG. Laat ons de proef er van nemen. Geef heden avond aan de bewoners
-van dit dorpje, die wij in eene der ruimste hutten bijeen zullen
-doen komen, onderrigt in uw evangelie; morgen avond zal ik hun het
-mijne verkondigen. Gij kunt alsdan onder mijne toehoorders plaats
-nemen en wij zullen dan later zien welke der beide leerstellingen
-den voordeeligsten indruk op de Javanen heeft gemaakt, en of mijn
-evangelie in staat is geweest u tot overtuiging te brengen.
-
-NACHT. Met genoegen neem ik dit voorstel aan en ben bereid heden avond
-de zaak te beginnen. Ik zal hun de Christelijke geloofsbelijdenis
-juist zoodanig voordragen, en wel woordelijk, al is het dan ook
-verkort of, beter gezegd, ik zal hen met het wezenlijke er van, bij
-wijze van uittreksel, op die wijze bekend maken gelijk zij aan de
-jeugd in ons vaderland overal wordt geleerd. Ik zal daarbij een der
-meest gebruikelijke leerboeken tot leiddraad nemen en dit getrouw
-volgen, en zulks te eerder, dewijl het mij waarschijnlijk voorkomt,
-dat toekomstige zendelingen denzelfden of een dergelijken weg zullen
-inslaan. Ik ben zeer verlangend om den indruk na te gaan, welken
-deze leer op de Javanen zal maken. Het spreekt van zelf, dat deze
-leer voor u, indien gij onder mijne toehoorders plaats mogt nemen,
-niets nieuws zal behelzen.
-
-DAG. In mijn evangelie zult gij evenmin iets nieuws aantreffen;
-gij zult daarin slechts al de hoofdstellingen terugvinden omtrent
-godsdienst en zedeleer, die reeds door Jezus, ja, grootendeels door
-anderen als Mozes, Boedha en Confucius, langen tijd voor hem zijn
-geleerd en gepredikt geworden.--Het ligt niet in mijne bedoeling,
-de verdienste te willen verkleinen dezer voortreffelijke mannen,
-in wier gemoed het godsdienstig gevoel zoo luide en zuiver zich deed
-hooren. Ik geloof in tegendeel, dat hunne verdienste des te grooter is,
-naar gelang het tijdperk, waarin zij hebben geleefd, verder van ons
-verwijderd is en de trap van wetenschappelijke beschaving en kennis,
-waarop de maatschappij destijds stond, lager moet worden gesteld. Ik
-streef naar de bereiking van een dubbel doelwit: ten eersten om de
-geloofsleer te zuiveren, haar te ontdoen van al 't geen bepaaldelijk
-dwaling en bijgeloof moet worden geacht en ten anderen datgene,
-'t welk van de godsdienst en zedeleer overig blijft, nadat zij
-gezuiverd zullen zijn van de besmetting van bijgeloof en dwaling,
-uit de verschijnselen in de natuur en hare wetten, met inbegrip van
-den mensch en zijne geschiedenis, op te helderen, en er door te
-staven, ten einde op die wijze het verderfelijke geloof aan eene
-regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring voor goed uit te
-roeijen en den mensch te nopen zich aan de echte en onuitputtelijke
-bron van kennis, de natuur, te laven. Ik herhaal u nogmaals--en ik
-verzoek uitdrukkelijk, dat zulks niet worde over het hoofd gezien,
-ten einde de beschuldiging van ongepaste aanmatiging of onbillijkheid
-door u op mij niet worde geworpen,--ik geloof, dat een groot gedeelte
-der leer, welke mijn evangelie bevat nopens de hoedanigheden van God
-en de zedelijke wetten der menschen, reeds door Jezus, ja, langen
-tijd vóór hem door de vroeger genoemde leeraars in Egypte, Indië
-en China met dezelfde of meer of min verschillende bewoordingen is
-gepredikt geworden.
-
-NACHT. Maar indien gij dit erkent en te gelijk aanmerkt, dat de kennis
-der natuur en van hare wetten ten tijde van Jezus nog geheel en al
-in het duister lag, ja, dat het onderzoek der natuur, waaruit gij
-de bewijzen voor de waarheid uwer leerstellingen, naar uw beweren,
-wenscht af te leiden, toenmaals nog niet was aangevangen,--waaruit kan
-Jezus, waaruit kunnen zijne voorgangers Boedha, Mozes, de kennis dezer
-waarheden toch geput hebben, dan uit eene regtstreeksche goddelijke
-ingeving?--Gij erkent hierdoor immers met der daad de goddelijke
-openbaring, die gij wilt wederleggen!
-
-DAG. Neen, mijn geliefde broeder.--De ziel des menschen is zoo van
-nabij verwant met den geest, die het geschapene heeft daargesteld en
-onderhoudt; door middel zijner vijf zinnen staat de gezonde mensch
-in zulk eene innige betrekking tot de schakels van de oneindige
-keten der natuur, waarvan hij slechts eene kleine schakel is,--dat
-de verschijnselen, die hij rondom zich waarneemt, voor twee of drie
-duizend jaren onfeilbaar denzelfden indruk op hem moesten maken als
-thans het geval is. Destijds bespeurde hij de regelmatigheid, de
-harmonie in de verschijnselen, de doelmatigheid in alle inrigtingen
-der natuur even goed als thans,--hij zag hoe elk diertje zich
-verheugde in het genot zijns levens;--hij gevoelde zich tevens
-overtuigd van zijne eigene vergankelijkheid en onmagt; daardoor kwam
-hij tot de gevolgtrekking, dat er een hooger wezen moest bestaan,
-als de grondoorzaak aller dingen, wiens hoedanigheden hij afleidde
-uit de schepping, die noodzakelijker wijze indruk op hem moest
-maken, al kon hij de verschijnselen, door hem waargenomen, niet
-zoodanig verklaren als wij, die de wetten hebben nagespeurd. Ja,
-de beschouwing onzer eigene, redelijke ziel leidt reeds tot het
-denkbeeld van het bestaan eens redelijken scheppers: "ik ben, God is
-er," en dit moest vóór duizenden van jaren evenzeer het geval zijn
-als thans.--Deze bevattelijkheid is voor den met rede begaafden
-mensch een even eigendommelijk en onvervreemdbaar erfdeel als het
-instinct der bijen om cellen te bouwen of de kunstdrift der spin om een
-regelmatig weefsel te vlechten!--En lag niet reeds een groot gedeelte
-der wereldgeschiedenis, dat zich over vele duizende jaren uitstrekte,
-lag dat niet reeds achter Jezus? Was het godsdienstig bewustzijn in
-den Semitischen volkstam, waartoe Jezus behoorde, niet van oudsher
-en bij uitnemendheid, meer dan bij andere volken levendig geweest,
-en ontving hij van zijne voorvaderen niet een schat van wijsheid
-en kennis Gods ten erfdeel, welke, als kiem in den rijk begaafden
-knaap gelegd, tot een eigendommelijken bloei geraakte?--Uit welke
-bron hebben dan de oude Hindoes, Egyptiërs, Chinezen, Perzen hunne
-zedeleer geput,--wie heeft haar aan de Amerikaansche wilden verkondigd,
-die toch, in denzelfden stam, jegens elkander menschlievend, getrouw
-zijn en vele andere deugden beoefenen?--Waant gij, dat God ook aan
-hen een Messias gezonden, hun eene openbaring heeft geschonken?
-
-NACHT. Toegestaan voor den oogenblik, dat de Amerikaansche wilden
-in denzelfden bevrienden stam zich menschlievend jegens elkander
-gedroegen, zoo waren zij echter des te gruwzamer jegens andere stammen
-en tegen de blanken, die zij scalpeerden. Men behoort menschlievend
-te zijn jegens alle menschen, zelfs jegens zijne vijanden.--Hoe is
-het dan toch mogelijk, dat er, naar uw beweren, menschlievendheid
-wordt gevonden bij de Amerikaansche wilden?!
-
-DAG. Ik kan en durf beweren, dat zulks het geval is, mijn broeder; uit
-de geschiedenis kan ik u bewijzen, dat zij menschlievendheid bezaten,
-deugden beoefenden, waarvan bij de Jezuïten en andere blanken,
-die hen tot het Christendom wilden bekeeren, geen spoor te vinden
-was. Maar zij beschouwden de vreemde stammen en blanken als vijanden
-en scalpeerden hen. Of waren die blanken niet hunne vijanden? Wat deden
-zij dan? Overal waar zij kwamen, bragten zij hunne Christelijke liefde
-met zich, om--de roodhuiden, ware het mogelijk, van den aardbodem te
-verdelgen. En indien gij nu hier tegen aanvoert, dat de Amerikaansche
-wilden ook onderling, stam tegen stam, gruwzame oorlogen voerden, dan
-vraag ik u, hoedanig handelen in onze 19de eeuw, ja, te dezer stonde
-de Christenstammen, de groote mogendheden van Europa, hoe handelen
-die onderling?--Zij prediken op hunne schepen: "hebt uwe naasten lief
-gelijk u zelven, zijt vergevensgezind jegens uwe vijanden, zegent ze
-die u vervloeken, doet wel degenen die u haten,"--en hoe volgen zij
-deze leer op?--Zij bombarderen van diezelfde schepen de kuststeden van
-hunnen christenbroeder, steken zijne magazijnen in brand, boren zijne
-schepen in den grond, en vernietigen alles dat zij vernietigen kunnen.
-
-NACHT. Laat ons daarover niet verder uitweiden, - - - gij zult mij
-bij eene volgende gelegenheid wel eens ophelderen, waarom het geloof
-aan goddelijke openbaring door u verderfelijk wordt genoemd, - - zie
-daar ginds!--een regenboog, hoe prachtig! en wend uwe blikken naar
-beneden in het dal, dat door de zon wordt beschenen; hoe vriendelijk
-lacht het ons weder toe!
-
-Het onweder had zich nu ook in het dal geheel en al ontlast en voor ons
-geene zigtbare sporen nagelaten dan gindschen ontschorsten boom en het
-opgewoelde plekje aarde in de nabijheid van het graf. Slechts het dof
-geruisch der gezwollene bergstroomen getuigde nog van de omkeering,
-welke in het luchtruim had plaats gegrepen. De wolken echter waren
-uiteengestuwd en slechts hier en daar hing nog eene enkele aan de
-met woudgeboomte bedekte hellingen van het gebergte.
-
-Onze blikken gleden langs deze sombere wouden benedenwaarts en
-rustten op de velden en beemden, bedekt met Alang alanggras, die
-als een helderkleurig tapijt zich beneden de wouden uitstrekten,
-terwijl nog lager, te midden des dalbodems, op enkele plaatsen de
-Tji-Nagnéak zigtbaar was, die als een zilveren band zich door de vallei
-kronkelde. Gelijk de stralen der zon ons hier op nieuw beschenen, zoo
-lachte zijn vriendelijk schijnsel ons ook uit dit dal weder te gemoet,
-alwaar wij ons klein dorpje op den voorsprong des bergs ontwaarden;
-duidelijk viel het ons echter niet in het oog, want de bruinkleurige
-hutten kwamen slechts op enkele plaatsen en nog ter naauwernood uit het
-bosch van vruchtboomen te voorschijn. De natuur was op nieuw verkwikt,
-de lucht bekoeld en hare opstijgende, dampenopvoerende stroomen hadden
-opgehouden; de ongelijkmatigheid in de uitzetting des dampkrings boven
-de verschillende gedeelten des lands was weggenomen, de rust hersteld
-en geen togtje liet zich meer bespeuren.--Insektenkoren begonnen in
-het woud te snorren, te gonzen, te fluiten en te zingen; de Manoek
-kaso verhief weder zijne stem en het kontrast tusschen het vorige
-en het tegenwoordige tooneel schonk aan het groene en bloeijende
-landschap en aan den zonneschijn, die het zoo liefelijk bescheen,
-eene dubbele bekoorlijkheid.--Zoo wordt ook in het menschelijk leven
-elk genot verhoogd door de ontbering; zonder ongeluk, zonder ellende,
-zou geen geluk worden gesmaakt;--zonder leelijkheid zou de schoonheid
-niet erkend,--zonder de zekerheid des doods het leven niet gewaardeerd
-worden. De wederwaardigheden des levens moeten ons nimmer den moed
-doen verliezen, maar wij behooren te gelooven, dat ongeluk, ziekte,
-ellende, armoede en ontbering door den wijzen Schepper der natuur
-worden toegelaten, dewijl zij nuttig zijn voor het geheel en moeten uit
-het onweêr leeren, dat ook de ongelukken, die het leven van enkelen
-teisteren, zoo mede de stormen in de geschiedenis der menschheid tot
-het wijze plan behooren, waarnaar het geheel door Hem wordt geregeld,
-dat zonneschijn en bloesems veel schooner dan vroeger daarop zullen
-volgen, en dat dit alles slechts verschijnselen zijn eener groote,
-steeds voorwaarts strevende wet der ontwikkeling.
-
-Ten 3 ure begonnen wij den terugtogt;--wel bleek het gaan over
-den humusrijken woudbodem, die door den regen was opgelost, zeer
-bezwaarlijk te zijn, doch wij bereikten echter behouden het dorpje
-Gnoerag, van waar ons de toonen der Gamelan te gemoet klonken en ons
-een voortreffelijke maaltijd was bereid. Wij verhaalden de Javanen,
-dat wij een hert hadden geschoten, hetwelk wij niet in de gelegenheid
-waren geweest mede te brengen, en oogenblikkelijk was een half dozijn
-mannen--veel meer dan noodig was--op de been om het te gaan halen. Dat
-deden zij gaarne.
-
-Nu gaven wij aan de dorpsbewoners te kennen, dat wij hen een en ander
-omtrent onze godsdienst en zedeleer wenschten mede te deelen, en daar
-zij bereidwillig verklaarden ons gaarne te zullen hooren, zeiden wij
-hun, dat wij beide tot eene verschillende geloofsbelijdenis behoorden,
-omtrent welk onderwerp wij nog niet tot eenstemmigheid hadden kunnen
-geraken. Indien zij nu genegen mogten zijn, ons gedurende een of
-twee uren de noodige aandacht te verleenen, dan zou mijn broeder
-Nacht hun heden avond zijne leer ontvouwen, terwijl ik hun morgen
-avond mijne geloofsleer zou verklaren. Toen zij hiermede volgaarne
-instemden, rieden wij hen aan over hetgeen zij zouden hooren, later
-na te denken en dit te bepeinzen. Wij gaven hun de verzekering,
-dat wij zulks deden met de goede bedoeling om hun nuttig te zijn,
-dat het hun echter volkomen zou vrijstaan in hun tegenwoordig geloof
-te blijven, in geval geen van ons beide in staat zou zijn hen van
-iets beters te overtuigen.--Nadat dit alles voor goed was bepaald,
-werd de grootste hut in het dorp gekozen tot de plaats van zamenkomst;
-al het huisraad werd bijeen op den achtergrond gelegd en hiervoor een
-gordijn gespannen, ten einde zulks aan het oog te onttrekken.--Het
-was zes ure. De zon was ondergegaan en de gezamenlijke bewoners van
-het dorp, zoo mannen, vrouwen als kinderen, waren in de hut bijeen,
-alwaar Nacht de volgende voordragt hield.--De Javanen hadden zich,
-met de beenen kruisselings over elkander, op den grond nedergezet
-en Nacht zat op een stoel in de nabijheid van den wand, waaraan twee
-brandende lampen waren bevestigd.
-
-Voor zich op eene bank had hij den bijbel, benevens een vraagboekje tot
-onderwijzing in de Christelijke leer nedergelegd, en hier tusschen
-beide stond het zinnebeeld van het Christelijk geloof, een houten
-kruisbeeld.
-
-
-
-
-
-
-I. HET EVANGELIE VAN NACHT.
-
-GETROKKEN UIT HET
-
-"VRAAGBOEKJE TOT ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER."
-
-(Te Amsterdam, bij Mortier Covens en Zoon.)
-
-
-Alles wat wij weten en geleerd hebben, weten wij uit den Bijbel;
-p. 92. [8]
-
-In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook het oude
-testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd. De Bijbel
-is eene verzameling van Goddelijke,--door God ingegevene--boeken,
-waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en 95.
-
-Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der Goddelijke
-liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen regel van
-ons geloof en wandel aannemen; p. 95.
-
-Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel getrokken, die voor
-ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en onveranderd is gebleven,
-zoo als hij hier voor mij op de bank ligt.
-
-God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en goed; ik moet
-hem eeren en liefhebben; p. 1.
-
-God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene vrouw Eva, naar
-zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en gelukkig; p. 2.
-
-Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij aten van de
-vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in dwaze,
-verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen
-waren.--God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en 3.
-
-Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij luisterden niet naar
-hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo dat aan God geen
-ander middel overbleef, dan het geheele menschdom, behalve Noach en
-zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te verzuipen; p. 4.
-
-Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen werden, na den
-zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren; zij zondigden
-noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5.
-
-God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg Sinaï de tien
-geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene vreemde Goden
-nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk aanroepen,
-den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet doodslaan,
-geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis afleggen,
-uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren; p. 10.
-
-Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig voort
-zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde
-zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later
-openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou
-voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en 16.
-
-Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst, Afgoderij en
-allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens door buitengewone
-leeraars, Profeten, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook
-dit had weinig nut; p. 17 en 18.
-
-Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd te Bethlehem,
-door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte maagd Maria
-geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i. Zaligmaker
-genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd, daalde de
-Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den hemel riep:
-deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn welbehagen heb.--Wat
-kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen, dat Jezus, te Bethlehem
-geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser, de Christus is!? p. 26
-tot 29.
-
-Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen zijne
-leer alom verkondigden. De Farizeën en Schriftgeleerden waren zijne
-vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak gelijk "zijn
-Vader" (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid van zijne leer bleek
-vooral uit de wonderwerken, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34.
-
-Door den haat der Farizeën en Schriftgeleerden werd hij valschelijk
-beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en gekruisigd. Na zes
-uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee vrienden deftig en
-eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig was, leed en stierf
-hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40.
-
-Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan, gelijk hij te
-voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.--Dat was ten hoogste
-noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de Christus was,
-die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien Jezus in den
-dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p. 40 tot 42.
-
-Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen zijner
-discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is hij nu gezeten
-aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om al
-de zijnen volkomen zalig te maken.--En zijne discipelen werden,
-onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den
-Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42
-tot 45.--Deze leer luidt als volgt.
-
-God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren Zoon. De Heilige
-geest is de geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Deze drie
-Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige waarachtige God en
-wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid toekennen.--Want
-deze drie zijn een.--Dit begrijpen wij, wel is waar, niet, maar wij
-moeten ons verheugen, dat wij God dus uit zijn woord tot zaligheid
-hebben leeren kennen; p. 53 en 54.
-
-God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een overal
-tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, onafhankelijke
-en almagtige, goedertierende, barmhartige, lankmoedige, heilige,
-regtvaardige en eeuwige Geest.--Hij onderhoudt en bestuurt alles,
-ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 tot 57.
-
-Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog andere wezens, volkomener
-dan wij, namelijk goede en booze engelen. De goede engelen zijn
-voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der geloovigen. Maar de
-kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. 61.
-
-Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den eersten mensch Adam
-ellendige zondaren en worden uit onze ouders verdorven geboren. Door
-de zonde is de dood in de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle
-menschen onderworpen geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en
-uit het binnenste van ons hart komen voort kwade gedachten.--De zonde
-is snoode ondankbaarheid tegen God en zal zwaar gestraft worden in een
-onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.--Door de zonde worden wij
-dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade onherstelbaar verloren
-geweest zijn; p. 61 tot 63.--Want God was boos op ons en toornig.
-
-Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig en zond ons
-in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen heiligen
-Verlosser; hij zond ons zijn eenigen Zoon!--Deze heeft door zijn
-gehoorzaam lijden en sterven de straf onzer zonden gedragen, en door
-dit lijden en sterven is God nu met ons zondaren verzoend en schenkt
-ons genade, vergeving der zonden. Gods zoon heeft zich voor ons ten
-offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.
-
-Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze belangen bij
-den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den Vader. Hij
-brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, zonder wien
-wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.
-
-Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer Jezus komen
-zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te houden.--De
-ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, zijne stem zullen
-hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de Opstanding
-des levens,--zij zullen zalig gesproken worden en eeuwig bij Christus
-en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan hebben, zij zullen
-uitgaan tot de Opstanding der verdoemenis! p. 67.
-
-Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons bekeeren;
-wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze
-eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij
-vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.
-
-Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven alles, zelfs
-boven ouders en kinderen, liefhebben; p. 73 en 74.
-
-Wij moeten alle menschen, zelfs onze vijanden liefhebben. Wij moeten
-het kwaad en de beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd
-gaarne vergeven; p. 74 en 75.
-
-Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze geringheid
-en onwaardigheid gevoelen, ons zelven verloochenen en onzen naaste
-liefhebben gelijk ons zelven; p. 76 tot 79.
-
-Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.
-
-Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, en wanneer
-wij in Jezus naam bidden, dan zal God onze gebeden verhooren; p. 83.
-
-De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om derzelver dwalingen
-afgescheiden; p. 80.
-
-Gij moet u laten doopen om christen te worden.--In den Doop leert
-en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar zij alleen
-worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen gedaan,
-geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd
-worden; p. 88.--De ontvangen Doop verpligt ons om christen te zijn,
-zelfs indien wij nog jonge kinderen waren, toen wij gedoopt werden.
-
-Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.--Want het gebroken brood en
-de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat Christus ligchaam
-gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonden, p. 90.
-
-
-
-Elk der vermelde stellingen had Nacht nader toegelicht door er langere
-of kortere verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de
-bijbelplaatsen, welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te
-deelen. Hoe dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden
-voor Javasche toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van
-hier in Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer bekend is. Geen
-enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne rede gestoord;
-allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam toegeluisterd; hunne op
-elkander gelegde handen rustten op hunnen schoot en velen verhieven
-ze van tijd tot tijd en bragten de vingertoppen eerbiedig aan het
-voorover gebogen voorhoofd (dat wil zeggen, zij maakten een Sembah),
-zoo menigwerf de naam Toean Allah (God) werd genoemd.--Nadat Nacht
-zijne rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen
-nog eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan
-zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:
-
-Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder Nacht u zoo even
-heeft voorgedragen, is de leer der Christelijk Hervormde kerk,
-gelijk zij in Negara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en
-gepredikt. Zij steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne
-beurt den bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte
-der bewoners van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel
-door de onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende
-wijze wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele
-sekten verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk,
-welke de Katholieke of Roomsch-Katholieke kerk wordt geheeten en deze
-telt het overige derde gedeelte der bewoners van Nederland tot hare
-belijders.--Naar de wijsselijk gestelde bepalingen onzer grondwet
-mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig wil aannemen; ditzelfde
-is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien Katholieke Christenen te
-worden, dan moet gij gelooven: dat in het brood en den wijn bij het
-avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van Jezus wordt genuttigd,
-die voor meer dan 1800 jaren is gestorven,--dat de Paus (zoo noemen
-de Katholieken hunnen opperpriester, die te Rome, dat is ver van
-Holland, woont) de stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken
-onfeilbaar zijn en wien gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja,
-die het regt heeft al uwe zonden te vergeven of te doen vergeven;--gij
-moet vlijtig ter biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de
-wonderdadige kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij
-God in den hemel uwe voorspraak zijn,--hoofdzakelijk echter moet gij,
-behalve God den VADER en den Zoon, ook de heilige Maria aanbidden;
-want zij was de--MOEDER--van--Gods--Zoon.
-
-Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of boven het lage
-gordijn, dat op den achtergrond der hut was uitgespannen, verhief
-zich een man, wiens hoofd met een witten tulband was omwonden. Wij
-waren beide, zoowel Nacht als ik, zeer verwonderd in dit kleine
-gehucht zulk eene verschijning te zien, maar loochenen konden wij
-het niet,--zijne kleederdragt toonde zulks duidelijk aan,--het was
-een Mohammedaansche priester. Hij hield eene Maleische overzetting
-van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een
-onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende,
-zoo dikwerf een der alhier cursief gedrukte woorden zijn mond ontrolde,
-riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half gillende stem:
-
-
-Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet van eene
-drieheid. Er is slechts een, eenige God.
-
- (Koran, 4de soera.)
-
-
-Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde ook mogen
-gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het oog
-verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen.
-
-
-De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk afgoden.
-
- (Koran, 12de soera.)
-
-
-Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen zoon; maar daarmede
-spreken zij godslastering, en weinig verschilde het, dat de hemel werd
-vaneengereten en de aarde zich opende, en de bergen instortten, dewijl
-zij het durfden wagen den Albarmhartige kinderen toe te schrijven,
-dien het niet voegzaam is kinderen te verwekken. Niemand in den hemel
-en op de aarde mag den Albarmhartige naderen, dan slechts om zijn
-dienaar te willen zijn.
-
- (Koran, 19de soera.)
-
-
-Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de hut; stil,
-bijna beangst slopen de Javanen weg. Nacht verkeerde blijkbaar in
-eene onaangename stemming en was met zich zelven in tweestrijd. Ik
-was nog minder bevredigd dan hij, ja, ik was treurig gestemd en
-gevoelde geene neiging om te slapen. Nacht trad onze hut binnen. Ik
-begaf mij naar den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn
-nederzette. Ik trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten
-uit de beschouwing der natuur, der levende schepping van den goeden
-God en--vond die. Terwijl, op mijn verzoek, de Gamelan de toonen van
-zachte melodiën in de verte deed hooren, die plegtig en droefgeestig
-schoon door het eenzame dal weêrklonken,--terwijl elk geruisch in de
-diepste nachtelijke stilte verzonken lag, viel ook ik eindelijk in
-slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij
-voor gevaren te hoeden, rondom mij en--zij sliepen nog, toen ik den
-volgenden morgen op dezelfde plaats ontwaakte.
-
-
-
-Gedurende den loop des daags hadden wij ons met kruidkundige en
-geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu weder
-bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar Nacht gisteren avond zijn
-evangelie gepredikt had. Het was reeds 6 ure en nog was onze bode
-niet teruggekeerd. Gisteren was ik een toehoorder van Nacht geweest,
-nu zag ik hem in de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks
-den Mohammedaanschen priester, die zijn incognito nu had afgelegd,
-onder de overige Javanen.--Ik deelde hierop den Javanen, deels bij
-wijze van korte uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen,
-het navolgende mede.
-
-Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, een sextant en
-kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer,
-een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet,
-een microscoop, een aräometer van Nicholson, een driezijdig prisma,
-eene draagbare camera obscura, een daguerréotypetoestel, een kastje met
-scheikundige reagentia en andere dergelijke werktuigen der toegepaste
-wetenschap, als zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld.
-
-
-
-
-
-
-II. HET EVANGELIE VAN DAG.
-
-KORTE ONTWIKKELING DER NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER. OF
-GELOOFSBELIJDENIS
-
-van den Regtzinnig Geloovigen Mensch.
-
-In 25 HOOFDSTELLINGEN.
-
-
-ALGEMEENE GRONDSTELLINGEN.
-
-
-"Wat ieder mensch moet gelooven, behoort ook voor ieder mensch
-begrijpelijk te zijn."
-
-"Van elke leerstelling moet, door mondelinge voordragt of in
-geschrifte nader ontwikkeld, het bewijs harer waarheid uit de natuur
-en de geschiedenis geleverd en zij door voorbeelden aanschouwelijk
-gemaakt worden."
-
-
- "Im Anfang war das Wort.
- Ich kann das Wort so hoch unmöglich schätzen,
- Ich muss es anders übersetzen.
- "Im Anfang war die That."
-
- (Göthe.)
-
-
-
-1.
-
-De levende mensch is aan de aarde verbonden door de zwaartekracht. Door
-de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn aanzijn verbonden aan
-de atmospherische lucht. Zijn spijsverteeringstoestel maakt hem
-afhankelijk van de gansche overige natuur. Hij bestaat en leeft slechts
-door omzetting van reeds aanwezige organische stoffen in het planten-
-en dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er
-weder uit verwijderd worden.--Van zijn aanwezen verkrijgt hij het
-bewustzijn door middel van zijne vijf zintuigen, door het vermogen,
-'t welk hij bezit, om te zien, te hooren, te ruiken, te smaken en
-te gevoelen. Door middel van deze vijf zinnen staat zijn innerlijk
-geestelijk wezen in verband met de hem omringende schepping. Berooft
-den mensch van het zintuig des gezigts, en voor hem heeft het licht
-opgehouden te zijn, ontneem hem het gehoor en het geluid bestaat voor
-hem niet meer. De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel,
-de schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als
-een alleen staand wezen niet denkbaar.
-
-
-
-2.
-
-Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons binnenste als vijf
-draden, die in eenen draad uitloopen, aan eenen inwendigen knoop
-zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk, dien wij door de
-zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een brandpunt van
-vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot voorstelling,
-tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of dikwerf
-worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij hebben
-geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de
-gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan
-andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken:
-wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij
-teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te
-brengen.--Op gelijke wijze als de verschijnselen in de buitenwereld
-komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en denken of
-(welligt reeds vóór duizende jaren) zich hebben voorgesteld en gedacht,
-op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door middel van ons gehoor
-en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is overgekomen of door
-overlevering is bewaard gebleven. Wij hebben voorstellingskracht,
-begripsvermogen. Wij kunnen denken.
-
-
-
-3.
-
-Al hetgeen wij weten, hebben wij aan deze vijf zinnen te danken. Alle
-kennis, die wij bezitten, is een gevolg der indrukken, welke de
-voorwerpen en verschijnselen in de buitenwereld door middel onzer
-vijf zintuigen op ons hebben voortgebragt. Andere eigenschappen der
-ligchamen, die zich niet door middel dezer vijf zinnen of door een of
-meer derzelven aan ons kenbaar maakten, kunnen wij ons niet voorstellen
-en een zesde zin is voor ons geheel ondenkbaar. Al hetgeen wij denken
-en weten, komt of is slechts door middel van onze vijf zinnen tot
-ons gekomen. Er bestaat geen andere weg langs welken voorstellingen,
-denkbeelden in ons binnenste zouden kunnen geraken.
-
-
-
-4.
-
-De zintuigen echter zijn lichamelijke organen, die bij alle individuën
-niet een gelijken graad van volkomene ontwikkeling bereiken. Buitendien
-kan aanhoudende oefening hunne verrigtingen bij eenige menschen in eene
-hooge mate scherpen, terwijl daarentegen gebrek aan oefening of ziekte
-hunne werkzaamheid bij anderen zeer kan verzwakken of wijzigen. Wij
-zijn derhalve menigwerf aan vergissing of dwaling onderhevig en mogen
-niets van hetgeen menschen leeren of leerden, onvoorwaardelijk als
-waarheid beschouwen, indien wij het niet vooraf getoetst hebben en het,
-na gedaan onderzoek, niet is gebleken proefhoudend te zijn.
-
-
-
-5.
-
-De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo als dit b. v. bij de
-doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan het innerlijk leven
-eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden van de werkzaamheid
-van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de mogelijkheid op
-te bestaan eener uiting van eene innerlijke voorstelling, en een
-dergelijke toestand kan niet lang blijven voortduren, zonder dat het
-ligchamelijk leven wordt uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft
-zijn ligchaam, wel is waar, voort; de longen, het hart, de lever, de
-maag, het darmkanaal en alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams
-houden niet op hunne gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf
-zinnen zijn als het ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet,
-ruikt niet, smaakt en gevoelt niet;--de vijf draden zijn afgesneden,
-de voortplanting der indrukken van buiten naar binnen en omgekeerd
-heeft opgehouden. Slechts onze vijf zinnen maken het ons mogelijk
-ons in betrekking te stellen met de buitenwereld en doen ons onze
-gewaarwordingen uitdrukken door gebaarmaking, door spreken en handelen.
-
-
-
-6.
-
-Maar de slapende kan droomen, in den droom denken, ja, zich op de
-levendigste en duidelijkste wijze voorstellen datgene, of wel iets
-daarmede overeenkomende, hetwelk hij vroeger in wakenden toestand
-heeft gedacht of zich voorgesteld. Hieruit volgt, dat de leiddraden
-gewoonlijk, wel is waar, den indruk van buiten, den prikkel
-overplanten, waardoor de inwendige knoop der gedachten ontvlamt,
-maar dat er echter in 's menschen binnenste iets aanwezig moet zijn,
-hetwelk ontstoken kan worden en dat, zelfs wanneer de voortplanting
-der indrukken van buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te
-bestaan, denkbeelden zich in ons binnenste kunnen ontwikkelen. Het
-denkvermogen kan geene eigenschap zijn noch der vijf zintuigen, noch
-van hunne gemeenschappelijke werking, maar moet tot eene bijzondere,
-zelfstandige kracht behooren, die werkzaam wordt, zoodra die prikkel
-zijnen invloed er op uitoefent.
-
-
-
-7.
-
-Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop dier vijf draden
-vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling te verbinden, te
-vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer van verschijnselen
-waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats grijpt, daaruit af;
-wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel afhangt van het andere
-en leeren de werking van de oorzaak onderscheiden; wij onderzoeken
-den bouw van ons eigen ligchaam en de krachten, welke het leven er
-van voortbrengen; wij streven er naar om al hetgeen wij waarnemen,
-te begrijpen;--wij bepeinzen dit alles,--lossen de moeijelijkste
-vragen op, berekenen en geven honderde jaren vooruit het tijdstip op,
-waarop natuurverschijnselen zullen plaats hebben, ja, wij trachten
-het wezen te doorgronden van datzelfde innerlijke denkvermogen,
-dat ons in staat stelt tot al de opgenoemde overwegingen; wij
-hebben het duidelijke bewustzijn van deze kracht, zoo als van ons
-gansche aanwezen;--en al zien wij ook, dat deze kracht aan aardsch,
-vergankelijk (spoedig wederom tot zijne elementen terugkeerend) stof,
-de hersenen, is verbonden, wij bezitten niet te min deze met verstand
-begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar geest of ziel.
-
-In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus, sluimert deze
-kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan begint te uiten,
-wanneer de ligchamelijke organen en zintuigen een hoogeren graad van
-ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan
-de stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht
-te uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het aanwezen dier
-kracht van den oogenblik af dat aan de voorwaarden, vereischt tot het
-doen ontstaan van een nieuw individu, voldaan is, mag evenmin worden
-betwijfeld als het geloochend kan worden, dat de slapende, die daar
-voor ons ligt, denkvermogen bezit, al is het dat hij gedurende den
-slapenden toestand niet het geringste bewijs er van geeft.
-
-Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder op. Daaruit
-volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het stoffelijke
-ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij kunnen niet
-meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de eenvoudige reden,
-dat wij niets anders kunnen waarnemen, dan hetgeen op onze vijf
-zinnen werkt. Een geestelijk wezen, of eene verrigting des geestes
-daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld, eene gedachte, welke bij
-een ander mensch opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts,
-des gevoels, noch onder dat van het gehoor, van den smaak en van het
-reukzintuig, uithoofde zulks onligchamelijk is.--En al brengen algemeen
-in de natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge
-van hare vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende
-omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke
-stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden,
-waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke
-in het doode ligchaam zeer spoedig weder uitéén gaan, zoo kunnen
-echter deze chemische en physische krachten de levenskracht zelve
-niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht,
-die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam
-bijeen te blijven en vereenigd te werken. Wij gelooven derhalve aan
-eene onvergankelijke kracht, die, als een met rede begaafde geest,
-als ziel in ons leeft.
-
-
-
-8.
-
-Door ons verstand weten wij al het overige tot ons doel te gebruiken,
-en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze heerschappij
-onderworpen.--Wij hebben ons echter niet zelf geschapen; eene
-geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee verschillende
-polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende oorzaak tot
-ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij namen toe in
-grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons bezielt, verkreeg
-eene steeds grooter wordende volkomenheid van uitingsvermogen;--maar
-weldra zullen wij weder terugzinken in het stof, waaruit wij zijn
-voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans levend ligchaam zal in
-zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na eenige tientallen van
-jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van ter plaatse zal zijn
-verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij zullen in aarde, water
-en lucht verspreid worden; andere planten en dieren zullen uit het
-stof ontstaan, dat thans de deelen van ons ligchaam uitmaakt en--tot
-dit alles zullen wij niet in het geringste hebben bijgedragen! Wij
-waren de oorzaak van ons worden niet, wij kunnen ons vergaan niet
-eene enkele seconde tegenhouden; wij gevoelen ons geheel afhankelijk
-van eene allergeduchtste kracht, die buiten ons is--en toch zijn wij
-van ons zelven bewust, eene redelijke ziel leeft en denkt in ons:
-er moet derhalve eene nog hoogere redelijke ziel zijn dan de onze,
-welke de oorzaak is van ons aanwezen, zoo mede van dat der gansche
-schepping. Wij gelooven aan een onzigtbaren, grooten en redelijken
-geest in de natuur en noemen dien God.
-
-
-
-9.
-
-Al hetgeen in de natuur aanwezig is, staat met elkander in het
-innigste harmonische verband. Hoe naauwkeuriger wij de verschijnselen
-onderzoeken, des te eenvoudiger worden zij en laten zij zich tot
-een steeds geringer wordend tal van krachten terugbrengen, die,
-gelijk de electrieke en magnetische kracht, ja, misschien het licht
-en de warmte daar onder begrepen, insgelijks weder zamenloopen in
-eene eeuwige, alom verbreide kracht.--In het uitspansel draaijen
-kleinere om grootere wereldbollen en deze grooteren om nog grooteren,
-maar ook deze grootsten kan men zich niet voorstellen als stil of in
-rust staande; ook zij moeten zich wederom draaijen om nog grootere
-bollen, - - - er moet een allereerst of allerlaatst middelpunt
-zijn, waarom alles zich wentelt en zich beweegt.--De opgaande zon
-doet dagelijks duizenden van werkingen ontstaan in het luchtruim,
-op de oppervlakte der aarde, in het dieren- en plantenrijk, welke
-toch allen gezamenlijk slechts kinderen zijn van een eenige oorzaak:
-der op de aarde vallende lichtstraal.--Alle planten en dieren zijn
-geschapen naar eene gelijkvormige type, naar een plan, dat de gansche
-schepping door is gevolgd. Ja, door alle tijdperken der aardvorming,
-door alle op elkander gevolgde, onderscheidene formatiën kan men, in de
-fossile fauna's, en flora's, aanvangende met het overgangsgebergte en
-voortgaande tot aan de hedendaagsche schepping, dezelfde harmonische
-wet naspeuren. Een alles omvattend plan van ontwikkeling is zigtbaar
-in al de onderscheidene plant- en diervormingen, waarvan de eene uit
-de andere is voortgesproten, totdat de mensch, het toppunt van al
-het bewerktuigde, in wiens ligchaam al die honderd duizend andere
-of vroegere uitgaven van die type tot een meer volkomen geheel
-zijn vereenigd, bezield met een vonkje van het goddelijke licht,
-op het tooneel trad.--De overeenkomst in geestelijken aanleg van alle
-menschen, de overeenstemming, welke wordt opgemerkt in de eigenschappen
-huns gemoeds, zij wijzen ons op eene oorzaak. Er bestaat slechts Eene
-grondoorzaak van alle dingen, slechts Een ondeelbare God.
-
-
-
-10.
-
-Dewijl God de grondoorzaak van al het bestaande is, de maker der
-oneindige schepping,--dewijl hij eenig is, kan zonder hem niets
-ontstaan, kan zonder hem niets zijn, niets worden. God is almagtig.
-
-
-
-11.
-
-Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer zintuigen waarnemen,
-dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke inrigting,
-dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier duur
-onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij
-het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij
-millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds
-voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en zonder
-iets te ontdekken, dat grond geeft om te zeggen: hier staan wij aan
-den aanvang der dingen.--In de hemelsche spheren bewegen zich, naar
-onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om
-planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van
-kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop
-1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt
-rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan
-kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten
-draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze
-aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende
-punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels
-volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte
-van andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige
-seconden in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten
-gevorderd worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om
-hare centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat
-zij in het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet
-millioenen malen af te leggen?--Waar ons ongewapend oog aan den hemel
-niets meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van
-telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog,
-met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te
-zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen,
-nog verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke
-zich op zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het
-licht, hetwelk van de 20 millioen mijlen van ons verwijderde zon toch
-binnen den tijd van 8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van
-jaren noodig heeft om van daar onze aarde te bereiken. Wij zouden,
-deze verwijderde hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien,
-indien zij niet reeds voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren
-geweest.--Even grenzenloos als ons de uitgestrektheid der ruimte
-aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks de
-verdeelbaarheid van de ruimte vullende stof in kleinere deelen voor,
-die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen om--zelfs met de sterkste
-vergrootingswerktuigen--de kleinste, de oorspronkelijke deeltjes,
-de atomen waar te nemen. Indien wij in de schepping noch aanvang,
-noch grenzen kunnen ontdekken, geen einde daarvan kunnen bedenken,
-moet hij, die de schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder
-aanvang, zonder einde--oneindig, eeuwig, onvergankelijk zijn.
-
-
-
-12.
-
-Maar een geest, die eenig, almagtig, zonder begin en einde, dat wil
-zeggen, eeuwig is, de maker van al dat aanzijn heeft, moet ook alom
-tegenwoordig zijn en voor hem kan niets verborgen wezen. God is alom
-tegenwoordig en alwetend.
-
-
-
-13.
-
-Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur voor de instandhouding
-zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens, als van de soorten
-(waartoe deze behooren), is de bewondering, welke ons vervult,
-niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons inboezemde,--de
-band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het een van het andere
-afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in betrekking stelt. Wij
-weten niet wat meer onze verbazing moet wekken, de eenvoudigheid
-der middelen, waardoor de menigvuldigste gevolgen te weeg gebragt
-worden, of de doelmatigheid van alle inrigtingen, die wij ontwaren,
-en die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel
-hebben.--Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk wezen,
-elke soort is zoodanig ingerigt en zoowel met de andere organen,
-afzonderlijke wezens en soorten, als met alle andere deelen van het
-geschapene in verband gebragt, dat het doel, dat is, de instandhouding
-der soort door levensgenot van elk afzonderlijk wezen, volkomen
-wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid, welke de ontleedkundige en
-physioloog bewondert bij de beschouwing van den inwendigen bouw van
-het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede van de wederkeerig op
-elkander invloed uitoefenende verrigtingen der verschillende organen,
-diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige in de hemelsche spheren;
-ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om de wet der doelmatigheid
-in de schepping aan te toonen, zijn even talloos als de dingen in de
-natuur, even onuitputtelijk als de natuur zelve, want elk plantje,
-elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en elk deel, elk orgaan
-des menschen levert daartoe de menigvuldigste bewijzen. Ten einde de
-waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij slechts een paar voorbeelden
-aanhalen uit de vele duizenden, die daarvan voorhanden zijn.
-
-In het planetenstelsel bewegen zich de vaste (digte) hemelligchamen,
-de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en op zoodanige afstanden
-van elkander om de zon, en in de ligging harer banen wordt zoo groote
-overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin zij zich elk afzonderlijk
-bewegen, helt niet te zeer naar dat van anderen), dat eene botsing
-dier ligchamen onderling niet mogelijk is.--De kometen echter bewegen
-zich in zoodanig in de lengte uitgestrekte parabolische ellipsen,
-zij doorkruisen het planetenstelsel in zoo vele verschillende, ja,
-in alle mogelijke rigtingen, dat zij de planetenbanen doorsnijden
-kunnen, of gelijk het geval was met de Bilasche komeet ten opzigte
-van den loopbaan der aarde, die zeer nabij kunnen komen. Dewijl nu
-het aantal kometen zoo groot is, dat nog voortdurend nieuwen zigtbaar
-worden, die men vroeger nimmer had gezien, zoo behoort eene botsing
-eener komeet met de aarde of met eene andere planeet niet tot de
-onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone grootte.--Welk eene
-vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien eene dergelijke botsing
-plaats greep! welke de vernieling van een der beide, welligt van
-beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou hebben,--namelijk,
-indien de komeet een digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar
-daarvoor is zorg gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte,
-besloten tusschen de zon en de banen der om de zon draaijende planeten,
-in zoo vele verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing
-met een derzelven plaats hebben kan, zijn de minst gevaarlijken
-van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan, verzwakt en
-breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster, is nog
-dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den staart
-of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in het
-minst te kunnen bespeuren.--Nog duidelijker bewijs voor de wet der
-doelmatigheid zien wij in die inrigting van het planetenstelsel, welke
-de massa der hemelligchamen in verhouding tot hunne afstanden en den
-tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare storingen (perturbatien),
-dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten gevolge der wederkeerige
-aantrekking, van de ware elliptische loopbaan maken, zich van zelf
-weder moeten herstellen. Dit is gebleken uit de onderzoekingen van
-Laplace, die de analyse van het oneindige (waarvan Newton en Leibnitz
-het eerst de regelen hebben vastgesteld) toepaste op de storingen
-der beide planeten, die het grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter
-en Saturnus. Deze, op zich zelf beschouwd, geringe storingen, nemen
-in den loop der eeuwen steeds toe en zouden eindelijk, indien zij,
-gelijk Newton geloofde, voortdurend grooter werden, op eene onfeilbare
-wijze de vernietiging der genoemde hemelligchamen, ja, van het gansche
-planetenstelsel ten gevolge hebben, of wel "de scheppende almagt moest
-door buitengewone maatregelen de begane fout verbeteren." Later echter
-bleek het uit de analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den
-aanvang af zoodanig had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde
-te worden en dat die storingen (de veranderingen der groote assen,
-derhalve de gemiddelde afstand dier planeten van de zon) niets anders
-zijn dan slingeringen binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal
-der seculaire veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat
-het instandblijven dezer hemelligchamen voor eeuwig verzekerd schijnt.
-
-De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke ligchaam
-in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze hoogste
-bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst zich,
-aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de spaakbeen-
-en ellepijpslagader (a. radialis & ulnaris). Zij ligt zeer oppervlakkig
-en kan--ook bij aderlatingen--ligtelijk gekwetst worden. Ver boven
-het punt van verdeeling zet zij echter dieper liggende neventakken
-af, die zich met terugloopende vertakkingen van de spaakbeen-
-en ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel
-loopt niet terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing
-van den hoofdtak, der brachialslagader, plaats of ontstaat er een
-slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam
-gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting
-te verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het
-helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche
-benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer
-moeten versterven,--nu echter heeft er eene langzame verwijding
-dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en
-ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve
-den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven.
-
-Deze bewonderenswaardige doelmatigheid, die wij in de gansche
-schepping, zoowel in het groote geheel als in elk afzonderlijk deel
-er van ontwaren, getuigt van een goed geordend, diep doordacht plan;
-zij bewijst, dat het verstand van het wezen, hetwelk deze schepping
-in het aanzijn riep, den hoogst mogelijken graad van volkomenheid
-heeft bereikt, zij bevestigt de Alwijsheid Gods.
-
-
-
-14.
-
-Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen onderzoekenden blik
-in de overige ruimte der schepping werpen, dan ontwaren wij, dat alle
-levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het aanzijn hun genoegen,
-geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank nuttigen, waarvan de
-instandhouding van het menschelijk leven afhangt, dan genieten wij. Aan
-elke andere natuurlijke verrigting onzes ligchaams is het behagelijke
-gevoel van genot verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in deze
-wet, maar het tal dergenen, dat gezond is, 't welk geniet, is oneindig
-grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het herstel der gezondheid,
-het ophouden der ellende is een nieuw genot. Het kontrast toch, dat
-tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel bestaat, verhoogt
-het genot van het laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen
-dikwijls meer dan de rijken, die in overvloed leven.--Wanneer wij,
-door inspanning uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van
-een koel bad verfrisschen of met een koelen drank laven, dan genieten
-wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze legerstede nederleggen,
-dan genieten wij, terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij
-gesterkt weder ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen
-ons tegenlacht, dan genieten wij. Elk dier, ja, zelfs het kleinste
-wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging, verheugt
-zich in zijn aanwezen, het geniet. De kikvorsch, die gedurende een
-warmen zomeravond in het water kwaakt, geniet; de nachtegaal ondervindt
-genot, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en zingt, en gij,
-die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den zilverklank zijner
-stem en geniet. De vogel, die zijne jongen voedert, het hondje, dat
-zijne kleinen zoogt, geniet en de moeder, die haren jeugdigen lieveling
-toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste genot.
-
-God schonk den mensch de heerschappij over al het gedierte en gaf aan
-zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de aanblik insgelijks
-genot verschaft. Ter voortplanting der soort koos Hij de scheiding
-des geslachts en verbond aan de zinnelijke drift, welker bevrediging
-aan het dier slechts eene aangename gewaarwording verschaft, in
-den mensch den band der vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk
-hij aan de stervelingen het edelste genot: de liefde. Wij kunnen
-den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden over
-de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en
-wouden, zonder te genieten, ja, wij weten niet aan welke der vele
-duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het woud en op het veld
-aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen vinden wij ze schoon,
-het aanschouwen er van geeft ons genot. Veel zeldzamer komt ons
-iets onder de oogen, hetwelk wij leelijk vinden of dat ons afschuw
-inboezemt. De overgroote meerderheid der dingen in de natuur is in
-harmonie met ons schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig
-heeft ingerigt, dat het beschouwen der natuur ons genot verschaft.
-
-En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de vreugde, welke de
-beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de goddelijke vonk, die
-in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn verstandsvermogen
-aankweekt en oefent;--de dichter verheugt zich, wanneer het hem
-mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te ontlokken, die, het
-schoone en ware bezingende, duizende harten roeren;--de sterrekundige
-gevoelt, dat de triomf der wetenschap zijn boezem doorgloeit,
-wanneer de komeet wordt gezien, welker verschijning vooraf door hem is
-aangekondigd of de planeet ontdekt wordt, waarvan hij door berekening
-de standplaats aan het hemelgewelf heeft aangewezen;--de geoloog,
-die licht verspreidt over de donkerste ruimten der aarde, ja, die
-het gansche ontwikkelingsverhaal des aardbols in het binnenste der
-gebergten leest,--gelijk mede de scheikundige, die een ligchaam in
-zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk vroeger steeds als enkelvoudig
-werd beschouwd, of die aantoont, dat twee ligchamen op gelijke wijze
-zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk zeer verschillend van elkander
-zijn, zij ondervinden genot, even als de physicus, die de identiteit
-der electrieke en magnetische kracht het eerst door proefnemingen
-aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf zweven
-en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan zonnen
-verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van deze
-aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,--want die mensch,
-die goed en regtvaardig was, draagt het bewustzijn met zich zijnen
-pligt te hebben vervuld en geeft zich op zijn sterfbed vol vertrouwen
-over aan den eeuwigen bestuurder der natuur, want van Hem toch alleen
-kan het licht, dat zijn aardsch omkleedsel zoo lang bezielde en het
-nu dreigt te verlaten, herkomstig wezen,--het ligchamelijk gevoel
-wordt bij het sterven meer verstompt, alle smarten verminderen,
-maar des te levendiger ontwaakt de zielehoop in zijn binnenste,
-en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur nog tot genot.
-
-Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat alle levende
-wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot genot, zoowel
-ligchamelijk als geestelijk genot. God is goed; uit alle deelen der
-schepping, boven en beneden ons, van verre en van nabij, straalt ons
-de goddelijke liefde te gemoet.
-
-
-
-15.
-
-Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen, kan men van een
-alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk aannemen. Wij,
-beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen, terwijl wij daardoor
-tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen. Schijnt het nu,
-dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is in het leven
-der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven, dat zulks met
-enkelen of tijdelijk het geval was of ons slechts zoodanig toescheen,
-dat zulks echter in het algemeen en op eene uitgebreide schaal niet
-zijn kan en dat het ons in enkele gevallen alléén om die reden zoo
-toescheen, dewijl wij de wet, waarnaar de ontwikkelingsgeschiedenis
-der menschheid zich regelt, nog niet konden doorgronden. In de
-schepping echter erlangt het eene door het andere zijne volkomenheid,
-en alle deelen van het groote heelal staan wederkeerig tot elkander
-in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed, regtschapen mensch,
-na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te hebben, van deze
-wereld scheidt met het bewustzijn het goede te hebben gewild,
-met een onwankelbaar vertrouwen op zich zelven en met het vaste
-geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam van den aanvang bezielde,
-slechts een straal van het eeuwige licht is,--hoe durven wij ons
-dan vermeten om te zeggen, dat God eene onregtvaardigheid jegens
-dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten, waartoe hij uitverkoren
-was? Wij zijn slechts schakels eener keten en een ieder van ons heeft
-zijne roeping!--En zien wij niet in de meeste gevallen, dat de goede
-beloond, de booze gestraft wordt door 's menschen hand? Draagt de
-heimelijke booswicht zijne straf niet in zijn boezem met zich? foltert
-hem niet de geheimzinnige innerlijke stem, die hij nimmer geheel het
-zwijgen kan opleggen, het geweten, dat vroeger of later ontwaakt, ja,
-hem menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde
-misdaden brengt?--Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast:
-dat, dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt,
-God ook regtvaardig is.
-
-
-
-16.
-
-Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt te zijn. [9]
-De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens opgaat; zij
-verspreidt licht en warmte, gelijk zij voormaals deed. De spijs, die
-wij nuttigen verkwikt ons, de koele drank laaft ons, gelijk wij zulks
-verwachten.--Alle verschijnselen in de natuur keeren regelmatig weder
-en de bewegingen der hemelligchamen herhalen zich met nimmer falende
-zekerheid. De maan draait zoo regelmatig om de aarde, de aarde om de
-zon, dat wij de standplaats dezer drie hemelligchamen, zoo mede van
-alle andere planeten en trawanten ten opzigte van elkander, voor elken
-dag, ja, voor elken oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen
-en opgeven kunnen. De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere
-verschijnselen wordt door ons natuurwet geheeten en de ervaring heeft
-ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter gezegd, sedert
-menschen aanwezig waren om de natuur waar te nemen, geen enkele dezer
-wetten ons bedrogen,--dat geen wereldligchaam ooit in het geringste
-van zijne baan afweek en geene enkele minuut vroeger of later kwam,
-dan de wet eischte. [10] Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard,
-geen insektje zijn instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit
-te botten en doet elk jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede
-zij velden en beemden reeds vóór eeuwen sierde.--De zee rijst bij
-het vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt zoo onveranderlijk
-getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de aantrekkingskracht der
-maan), dat voor elke plek des aardbols het uur, waarop dit verschijnsel
-zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met naauwkeurigheid kan berekend
-worden.--Geen ligchaam daalde ooit uit de lucht naar de aarde, dat
-ligter was dan de hoeveelheid van deze lucht, welke het verplaatst,
-en geen ligchaam, 't welk zwaarder was dan zij, rees ooit opwaarts
-in de lucht; nog nimmer bevroor het water bij eenen geringeren graad
-van koude dan die van nul graad Réaumur; nimmer verloor de kleiaarde
-de eigenschap om zich met zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen;
-ligtelijk wordt goud opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur;
-ten allen tijde smolt keukenzout in water,--maar nimmer heeft iemand
-gezien, dat goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie
-verbond. Godgeleerden hebben, wel is waar, aan "wonderen" van deze
-en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de
-geringste afwijking van eene natuurwet waargenomen.--Dezelfde fouten
-en gebreken, die den mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn
-nog heden zijn erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat onze
-blikken hemelwaarts trekt en ons heden aanspoort de hoedanigheden van
-den Schepper des heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons
-en ons maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel
-bezielde den mensch op gelijke wijze reeds vóór anderhalf duizend
-jaren.--Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den hemel
-en op aarde alles wat daar is,--in het water, in de lucht, in het
-planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,--bestaat en zich beweegt
-naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste afwijking
-toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug. God is
-eeuwiglijk dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig.
-
-
-
-17.
-
-Men moet zich God niet voorstellen als eene kracht, welke van de
-natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in tegendeel als eene
-kracht in haar aanwezig, als de algemeene geest in de natuur--als de
-wereldgeest. Op het eerste gezigt zal het velen kunnen toeschijnen,
-dat deze geestelijke kracht uitsluitend in 's menschen verbeelding
-bestaat, eene bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn--dat zij
-niets anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich
-heeft gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in
-de natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen
-verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog
-onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. "Deze oorzaak echter
-ligt," naar het beweren der atheisten, "in de natuur zelve en onze God
-is niets anders dan het abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in
-onzen geest." Naar deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even
-zeer een deel zijn der Godheid als de trouwe hond, die ons op onze
-wandeling vergezelt, of als de woeste, bloeddorstige wolf, die ons
-dreigt te verslinden,--even zeer als de koe, die in gindsche weide
-graast, of als de bliksem, die uit de wolken te voorschijn komt,
-of de planeet, die, door eene onzigtbare hand gedreven, rondom de
-zon draait.--Met andere woorden: "de natuur heeft hare oorzaak in
-zich zelve en er bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke
-daaraan onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot
-verschillende onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt."
-
-Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het verstand, dat
-zegt: "ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter niet geschapen, er moet
-derhalve een nog hooger verstand, eene nog hoogere, denkende kracht
-zijn dan ik"--er wordt buitendien nog een regtstreeksch bewijs gevonden
-voor het bestaan van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene
-oorspronkelijke kracht, welke zich aan ons op eene regtstreeksche
-wijze te kennen geeft.
-
-Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht zullen wij nu
-pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden Gods hebben
-opgenoemd, welke wij door gevolgtrekking uit de verschijnselen in de
-natuur afleiden.--Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als
-eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan
-al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken,
-ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs
-alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer
-wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld
-ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van ruimte eene voorwaarde om
-het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te maken, maar welke
-de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam, noch geest
-voorstellen zonder deze kracht.--Deze kracht is met den bliksem,
-welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het graf, zij
-kruipt vóór den worm op den bodem heen, zij ijlt den klank vooruit,
-ja, zij is sneller dan het licht en moge de lichtstraal, die van de
-zon uitgaat, 42000 mijlen in ééne seconde doorloopen om, zoo snel
-mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken, deze kracht echter is
-nog acht minuten voor hem aldaar.--Ofschoon deze magtigste van alle
-krachten zuiver geestelijk, ja, onligchamelijker is dan eene gedachte,
-wij zien niettemin elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is;
-zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde
-stil. Hoort gij de klok slaan?--Een,--twee. Tusschen beide slagen
-verliep tijd;--elke slag vordert tijd en de vlugtigste gedachte,
-die bij ons opkomt, doet nog tijd verloopen. Niets kan buiten den
-tijd treden en niemand kan zich zelfs het geringste gedeelte van
-een oogenblik aan den invloed des tijds onttrekken.--De tijd brengt
-alle krachten eerst aan het werken en stuwt alles, dat bestaat,
-onwederstaanbaar voort. Men kan zich hem niet anders voorstellen,
-dan voortijlend; hij beleeft en overleeft alles.
-
-De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de zigtbare schepping
-mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is het mogelijk,
-dat nog iets anders dan God bestaat. De tijd is de overgang Gods in
-de wereld.
-
-Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich voorstellen, dat God
-rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld heeft geschapen,
-dewijl hij, gelijk zij beweren, "de natuurkrachten en wetten in zijne
-plaats laat regeren";--deze krachten en wetten toch zijn geschapen,
-zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet kunnen blijven bestaan,
-indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet aanwezig ware,
-waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in de natuur,
-welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden, onophoudelijk
-voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en werkzaamheid op
-te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil. God rust nimmer. God
-is voortdurend werkzaam.
-
-
-
-Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de leer der
-kennis van God geput uit de natuur. Het volgende is de kennis van
-God toegepast op het menschelijk leven of de zedeleer, waarvan
-hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in algemeene korte
-bewoordingen medegedeeld kunnen worden.
-
-Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in den hemel,
-noch op de aarde.
-
-Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts eene waarheid,--slechts
-eene ware godsdienst en zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen,
-dan die uit de natuur en hare verschijnselen--de voortdurende
-openbaring Gods,--is afgeleid. Hierop berust het evangelie van den
-regtzinnig geloovigen mensch.
-
-
-
-18.
-
-Door de beschouwing van ons zelven en van de schepping, die ons
-omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene denkende, met rede
-begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons ligchaam woont, in staat
-om de taal der schepping te verstaan. De schepping sprak tot ons door
-middel onzer vijf zinnen, als door den mond van even zoo vele tolken;
-zij gaf ons te kennen, dat wij slechts een klein, van alle zijden
-afhankelijk lid in de groote, oneindige schepping zijn en dat de Maker
-dezer schepping één almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend,
-alwijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend
-werkzaam God is.--Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch
-een einde zal hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de
-natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een flaauw afschijnsel,
-als het ware een twijgje van den boom des levens, een straal van het
-algemeene, groote, geestelijke licht is.--Kunnen wij nu het eigenlijke
-wezen dezer goddelijke kracht, die wij ons onligchamelijk, als geest
-moeten voorstellen, niet begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat
-onze menschelijke geest met den goddelijken geest verwant moet zijn,
-dewijl wij overigens in de gansche schepping niets vinden, waarmede wij
-onze redelijke ziel zouden kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur
-staat derhalve in betrekking tot God, is met hem verwant en het streven
-van geheel ons leven moet daarheen zijn gerigt om op Hem te gelijken.
-
-
-
-19.
-
-Hij echter is almagtig; dat kunnen wij niet zijn, want wij zijn
-slechts eene kleine schakel in de groote keten der schepping,
-die hij aaneenverbindt. Hij is eeuwig en ons leven omvat eene zoo
-korte, ons vooraf zelfs geheel onbekende handbreedte tijds. Hij is
-alomtegenwoordig en wij zijn slechts op eene enkele plek te gelijk
-aanwezig en hebben maanden tijds noodig om slechts een vierde gedeelte
-van den omvang dezer kleine aarde te doorreizen. Hij is alwetend en
-wij weten slechts hetgeen wij door middel onzer vijf zinnen ervaren
-en in ons geheugen ingeprent hebben; hetgeen nevens ons voorvalt op
-eene plaats, die door een enkelen wand van ons is gescheiden, kunnen
-wij niet weten; den dag van gisteren kenden wij eergisteren niet;
-de dag van morgen is voor ons een geheim en hetgeen ons de dag van
-overmorgen baren zal, blijft ons heden en morgen nog onbekend.--Maar
-God is mede alwijs, algoed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en
-voortdurend werkzaam en deze vijf hoedanigheden zijn het, die ons den
-weg aanwijzen, dien wij behooren te bewandelen. Vijf woorden vatten
-den inhoud zamen der zedeleer, die wij behooren te volgen. Wij moeten
-er naar streven om wijs, goed, regtvaardig, getrouw en waarachtig en
-werkzaam te zijn.
-
-
-
-20.
-
-God is alwijs: Wij moeten er naar streven om wijs te zijn.
-
-Bij dit streven moeten wij vier algemeene grondstellingen tot rigtsnoer
-nemen.--1o. Wij moeten ons gewennen, over al hetgeen wij waarnemen,
-zelf na te denken en dit te onderzoeken.--2o. Wij moeten niets zeggen,
-niets bedrijven, zonder vooraf de gevolgen van hetgeen wij zeggen of
-doen zullen, naauwkeurig te hebben overwogen.--3o. Wij moeten elke
-zaak van hare beide zijden beschouwen. Wordt, b. v., iets goeds van
-iemand verhaald, wordt een geschrift als een voortreffelijk werk
-geprezen, dan behooren wij ons te verheugen, dewijl wij iets goeds
-hebben vernomen, zonder het daarom onvoorwaardelijk te gelooven;
-wij behooren het eerst dan als waar aan te nemen, wanneer de persoon
-of het boek ons een genoegzaam belang inboezemde, zoodat wij ons
-geneigd gevoelden door eigen onderzoek ons van de waarheid van het
-gezegde te overtuigen. Wordt echter iets kwaads van iemand verhaald,
-of wordt een geschrift als slecht en verderfelijk veroordeeld, dan
-moeten wij zulks niet gelooven, wij moeten eerst de verdediging van den
-beschuldigden persoon hooren, wij moeten het geschrift eerst lezen en
-dan besluiten.--4o. Wij moeten alle onvoorwaardelijk of blind geloof
-verwerpen, als zijnde zulks den redelijken mensch onwaardig. Wij
-moeten geene voorschriften en leerstellingen, onverschillig of zij
-gezegd worden te moeten doorgaan als goddelijke openbaring of niet,
-aannemen en opvolgen, indien zij niet vooraf, onder het voorzitterschap
-van het gezond verstand, zijn onderworpen geworden aan de vuurproef der
-natuurwet; komen zij ons, na dit onderzoek, redelijk, dat wil zeggen,
-begrijpelijk voor en in overeenstemming met de wetten der natuur,
-eerst dan moeten wij er geloof aan hechten, ze als waar aannemen
-en opvolgen.--Die deze vier grondregelen niet tot rigtsnoer zijner
-handelingen neemt, zal zijn gansche leven door een dwaas blijven,
-die aan den leiband zal loopen van ieder, die meer verstand heeft of
-sluwer is dan hij.
-
-Niet alle menschen bereiken een gelijken graad van volkomenheid, wat
-betreft hunne ligchamelijke en geestelijke ontwikkeling. Terwijl vele
-menschen dom voortleven en sterven, verheft zich bij anderen de kennis
-van het ware en schoone tot geestdrift; terwijl eenige menschen den
-tijd in eene logge rust doorbrengen, gevoelen anderen zich voortdurend
-aangespoord tot werkzaamheid; terwijl velen de uitgebreidste kennis,
-die zij bezitten, zelfs bij de beste bedoelingen, welke hen bezielen,
-niet kunnen mededeelen, hebben anderen de gaaf verkregen hetgeen zij
-weten zoodanig in te kleeden en voor te dragen, dat het snel den weg
-naar het hart der menschen vindt. De mededeelingen, door dergelijke
-begaafde personen gedaan, hetzij deze mondeling of in geschrifte
-geschieden, moeten wij in eere houden--onderzoeken en--indien zij
-blijken proefhoudend te zijn, als waarheid aannemen en opvolgen.
-
-Gij begaafden echter, die vermeent waarheden te hebben ontdekt, welke
-andere menschen niet algemeen genoeg kennen; zoo mede gij die door
-meerdere ervaring of door eene betere opvoeding meer kennis hebt
-vergaderd dan andere menschen, gij zijt verpligt van het uwe aan
-anderen mede te deelen. Dit is eene zedelijke wet, welke Jezus van
-Nazareth reeds voor meer dan 1800 jaren voor waar erkende en leerde,
-toen hij sprak: "Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat zij uwe
-goede werken zien en uwen vader, die in de hemelen is, verheerlijken."
-
-De redelijke geest, welke de mensch bezit, verheft hem boven alle
-dieren, doet hem op God gelijken. Nevens de zorg, welke wij voor ons
-ligchaam behooren te dragen, moeten wij derhalve er naar streven om
-onzen geest met kennis te verrijken en trachten om wetenschappelijke
-ontwikkeling onder alle standen der maatschappij te bevorderen. Wij
-behooren zorg te dragen, dat die wetenschappen, welke ons tot zekere
-(positive) kennis brengen, de natuurwetenschappen, na voorafgaande
-beoefening der taal- en wiskunde, benevens de geschiedenis der
-menschheid, bij voorkeur in alle scholen worden onderwezen en dat
-elke burger van den staat door de uit zijne godsdienst afgeleide
-wet verpligt zij, zich bekend te maken met den hoofdinhoud van de
-verschillende takken der natuurwetenschappen, opdat hij in de inrigting
-van het zonnestelsel even zeer als in de organen van het menschelijk
-ligchaam, gelijk mede in het planten- en dierenrijk de doelmatigheid
-van alle gemaakte inrigtingen leere bewonderen en daaruit de wijsheid
-en goedheid des Scheppers in zijne werken leere kennen. De eigenlijke
-natuuronderzoekers echter--de mineraloog, botanicus, zoöloog,
-de ontleedkundige, physioloog, geoloog, scheikundige, physicus,
-meteoroloog en de sterrekundige--zouden het niet beneden hunne
-waardigheid behooren te achten, met allen ijver er naar te streven
-om hunne wetenschap in eene steeds eenvoudiger en meer algemeen
-verstaanbaar wordende taal te verklaren en meer of minder volledige
-en grondig behandelde opstellen daaromtrent te leveren, op zulk eene
-leest geschoeid, dat zij onder het begrip vallen van de verschillende
-meer of min beschaafde klassen der maatschappij;--hierbij zou steeds
-het oog moeten worden gehouden op de voornaamste uitkomsten door het
-natuuronderzoek verkregen, met aanwijzing van het nut, 't welk uit de
-toepassing er van in het praktisch leven zij te trekken, opdat ook de
-minder ontwikkelden, de handwerksman en de daglooner, den weldadigen
-invloed der verlichting zouden gevoelen en niet langer, tot nadeel der
-meer verstandigen, bijgeloof en dwaalbegrippen zouden aankleven. Voor
-de verspreiding van dergelijke werken, zoo veel slechts immer mogelijk
-verrijkt met afbeeldingen ter opheldering der behandelde onderwerpen,
-behoorde de staat zorg te dragen.
-
-Gelijk elke wetenschap en elke tak van wetenschap zijne geestdriftvolle
-beoefenaars heeft gevonden, die meer dan anderen geschikt waren om
-den bloei er van te bevorderen, ditzelfde is insgelijks het geval
-geweest op het gebied der godsdienst en zedeleer. Abraham, die voor
-meer dan 3800 jaren, Mozes, die 400 jaren later in Egypte en Syrië,
-Zoroaster, die voor ongeveer 2700 jaren in noordoostelijk Persië en
-Gautama (Boedha), die voor 2400 jaren in Indië, zoo mede Kong foe tse,
-die slechts 100 jaren na dezen in China predikte, waren mannen die
-met geestdrift dit gebied van kennis hebben bewandeld, evenzeer als
-Jezus van Nazareth, die vóór 1830 jaren onder de Joden en Mohammed,
-die vóór 1240 jaren onder zijne landslieden in Arabië optrad en hen
-leerde. Vele andere minder algemeen beroemd gewordene mannen zijn
-na hen gekomen. Hetgeen van de leer dezer vroegste godsdienst-
-en zedeleeraren tot op ons is overgekomen, zult gij met vrucht
-lezen, indien gij den inhoud der vroeger medegedeelde, tot leiddraad
-strekkende grondstellingen niet uit het oog verliest en het kaf van
-het koorn weet te onderscheiden. Indien gij daartoe in staat zijt,
-zult gij zelfs in de oudste godsdienstige geschriften, even als in den
-bijbel, menige goede zedeles en voortreffelijke leefregelen vinden,
-die gij met voordeel kunt opvolgen. Jezus van Nazareth beval boven
-alles luide en schoon aan het betrachten der menschenliefde en hij
-ijverde tegen de schijnheiligheid der toenmalige priesters. Gij kunt
-deze leer met vrucht toepassen op de hedendaagsche priesters. Nadeelig
-echter is het voor uwe vorming, indien gij geen ander boek leest dan
-den bijbel; op die wijze wordt gij eenzijdig van oordeel, bijgeloovig,
-onverdraagzaam, schijnheilig-vroom, gij verliest zelfs den goeden smaak
-en in het gezellige leven wordt gij voor anderen onuitstaanbaar.--Is
-dan de wereld, sedert Jezus zijne leer verkondigde, niet meer dan
-1800 jaren ouder geworden? Bevat deze achttien honderd jaren lange
-geschiedenis van het menschelijke geslacht niet vele gewigtige lessen
-en ervaringen? Is de beschaving der menschheid sedert dien tijd niet
-vooruitgegaan en heeft het onderzoek der natuur niet tot ontdekkingen
-geleid, zijn niet waarheden aan het licht gebragt, waarvan destijds
-nog niemand zich eenig denkbeeld kon maken? En wat is nu het geval;
-van al deze uitkomsten en vruchten der nasporing, der beschaving en
-der gansche 1800 jaren lange geschiedenis vindt men in den bijbel
-niets.--Maar ook niet alle godsdienstleeraren, welke in verschillende
-tijden zijn opgetreden, of die nog heden bij duizenden leven, zijn
-mannen door de waarheid met geestdrift vervuld. De leer, welke velen
-belijden, wijkt zoodanig af van alle natuurwetten, zij druischt zoo
-zeer in tegen het gezond verstand, dat de verkondigers van dergelijke
-leerstellingen niet anders kunnen zijn dan a. dweepers, dat wil zeggen,
-kranken naar het gemoed en den geest, of b. bedriegers; meestal gaan
-zij aan beide kwalen te gelijk mank: of wel zij pleegden bij hun
-optreden reeds bedrog en de opgang, dien zij maakten, vervoerde hen
-tot geestdrijverij, of zij waren aanvankelijk dweepers, die zich later
-tot het plegen van bedrog lieten overhalen. Tot de eerstgenoemde soort
-behoorde onder anderen Joe Smith, de profeet der Mormonen.--Leest gij
-nu geen ander boek dan dien eenen bijbel en zwelgt gij buitendien
-nog met volle teugen fanatiek-narcotische dranken in, zoo als,
-bij voorbeeld: "de Opstanding der dooden, het Boek der toekomst,
-het Brood des levens, de Kruisiging, de Christusregering voltooid,
-het Visioen der opstanding, de Verschijning aan meer dan vijf honderd,
-de Slaande engel!" enz., enz.,--niets dan heldendichten, ingegeven
-door eene koortsachtige phantasie, die zich van alle banden heeft
-ontslagen, dan ontvlamt het koude vuur der dweepzucht in uwen boezem
-en uwe ziel verdroogt gelijk eene mummie, gelijk het groene veld,
-waarover de sirocco waait, door den droogen adem "van het woord,"
-dat gij eeuwiglijk en eeuwiglijk op nieuw op denzelfden oudjoodschen
-Prophetentoon verneemt;--gij zijt dan gelijk een schaap op de dorre
-heide; een booze geest, die u aan den leidband heeft gebonden en
-u tot zijn doel wil gebruiken, voert u gedurig rond in een kring
-en--aan alle kanten ligt de schoonste groene weide! namelijk,
-de schepping, de levende openbaring Gods, maar waarin gij o, arme
-schapen! nimmer zult grazen, indien een goede geest zich niet over u
-erbarmt en u haalt uit den kring op de dorre heide.--Ik zal u eenige
-der goede geesten opnoemen en raad u aan hunne geschriften te lezen;
-daarin zult gij zekere waarheden vinden, welke nuttig voor u zijn,
-u zullen verkwikken en die op elke bladzijde de hoedanigheden van den
-algoeden Schepper der natuur uit zijne werken verkondigen. Algemeen
-verstaanbare geschriften in onze taal zijn onder anderen de
-volgende.--De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen
-beschouwd, ter verheffing van God en tot bevordering van nuttige
-natuurkennis. Nieuw bewerkt door F. Kaiser, C. I. Matthes, J. van
-der Hoeven, H. C. van Hall en E. A. Beima. 1849-1852.--F. Kaiser,
-de sterrehemel. 1853.--F. Kaiser, populair sterrekundig jaarboek voor
-1854.--Album der Natuur, een werk ter verspreiding van natuurkennis
-onder beschaafde lezers van allerlei stand. 1852-1853.--Practische
-Volksalmanak of jaarboekje ter verspreiding van kennis der toegepaste
-wetenschappen onder allerlei standen der Maatschappij. 1854--P. van
-der Burg, eerste grondbeginselen der natuurkunde. 1853.--D. Lubach,
-eerste grondbeginselen der natuurkunde van den mensch (over het
-zamenstel des menschelijken ligchaams en de verrigtingen van zijne
-deelen). 1853.--C. I. Matthes, de lucht en de verschijnselen van
-onzen dampkring.--Handleiding tot de kennis der natuur; schoolboek;
-uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. 1851;
-benevens vele andere natuurkundige werken door diezelfde Maatschappij
-uitgegeven, bij voorbeeld, Volks wis- en werktuigkundig lees- en
-leerboek, Volks-meetkunde, Volks-scheikunde, het kind in zijne eerste
-levensjaren, enz.--P. Harting, de magt van het kleine, zigtbaar in
-de vorming van onze aarde. Utrecht, 1849.--Sommer, beschrijving
-van 't Heelal.--M. I. Schleiden, populaire voorlezingen over de
-plant en haar leven. Amsterdam, 1853.--Sporen van de natuurlijke
-Geschiedenis der Schepping. Uit het engelsch door van den Broek, met
-een voorwoord van G. I. Mulder. Utrecht, 1849.--J. L. de Bruijn Kops,
-Beginselen der Staathuishoudkunde. Leiden, 1850.--F. W. Hoffmann,
-overzigt der Algemeene Aardkunde, een leer- en leesboek voor alle
-standen. 1853. Buitendien bestaan er nog vele andere populaire,
-bevattelijk geschreven werken over de natuurwetenschappen, die
-elk geleerde, ieder in zijn vak, den onderzoeklievende gaarne zal
-opgeven. Leest die; zij zijn door goede geesten geschreven.
-
-Andere menschenvrienden leidden uit de geschiedenis en hunne eigene
-ervaring lessen van levenswijsheid af, en verzamelden zedespreuken,
-die zij in verschillende werken mededeelden. Ook dergelijke geschriften
-moeten wij in eere houden en hunnen inhoud in ons geheugen prenten. Ik
-zal uwe aandacht hier slechts op een derzelven bij uitnemendheid
-vestigen. Leest Benjamin Francklin's "spreekwoorden van den ouden
-Hendrik of de Wijsheid van den goeden Richard," die onder anderen
-in onze taal zijn uitgegeven als "Leerrijke keur uit B. Francklin's
-zedekundige schriften. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't
-Algemeen" (1843. Amsterdam), een boek, hetwelk in weinige bladzijden
-een schat van waarheid en levenswijsheid bevat.
-
-De beste en onuitputtelijke bron van wijsheid echter voor iedereen is
-zijn eigene geest en de levende schepping, die hem omringt en waarmede
-hij door middel zijner vijf zinnen in betrekking staat. Indien wij de
-vier eerste onzer algemeene grondstellingen aan het stuurrad plaatsen
-en de natuur gadeslaan met den mensch, die zich daarin rondom ons
-beweegt, dan zullen wij in korten tijd in staat zijn zelven de regelen
-vast te stellen, die wij op ons levenspad, in den omgang met andere
-menschen moeten opvolgen, ten einde ons voor struikelen te behoeden,
-ja, bij dit onderzoek kunnen vele dieren der wildernis ons leeren
-en ons beschamen, indien wij zondigden tegen de voorschriften der
-spaarzaamheid, der matigheid, der voorzigtigheid, der werkzaamheid
-en der vlijt, of indien het mogt gebeurd zijn, dat eene moeder de
-liefde jegens haar jong geboren kind uit het oog verloor.
-
-De roeping der priesters echter moet deze zijn: het ware, het schoone,
-dat de gezamenlijke krachten van alle menschen op het vereenigd gebied
-der natuurwetenschappen door onderzoek hebben ontdekt, den volke mede
-te deelen, op eene wijze, die voor ieder verstaanbaar is en daarbij
-zoowel in de onderdeelen als in het groote geheel de heerlijkheid
-des Scheppers aan te toonen; vervolgens te verklaren hoe in al
-het geschapene, in de verschijnselen en in de wetten der natuur, de
-hoedanigheden Gods--zijne oneindige wijsheid en goedheid--doorblinken,
-en hieruit af te leiden de deugden, naar welker bezit wij moeten
-streven, de zedelijke wet, die wij behooren op te volgen.--De levende
-natuur in al hare deelen, de geschiedenis der menschheid in al hare
-verschillende tijdperken, zijn zoo onuitputbaar rijk in bouwstoffen
-van dezen aard, dat een priester, die dagelijks twee voorbeelden
-er van wilde uitkiezen, om ze tot tekst voor zijne leerrede, als
-onderwerp zijner voordragt te bezigen, gelijk zulks thans met één
-per week het geval is, niet zou behoeven te vreezen, dat de stof zou
-worden uitgeput, al werd hij 500 jaar oud!
-
-Aan dit doel behoorde de eerste helft van elken zondag te zijn
-gewijd, en de kerken zouden steeds blijven, hetgeen de school was
-voor het kind, den jongeling: een tempel der wijsheid en der kennis
-voor iedereen, maar bovenal voor de middel- en lagere klassen des
-volks, die het meest behoefte hebben aan onderrigt. De priesters
-behoorden hunne eigenlijke, schoone roeping: "volksleeraren te zijn,"
-te beseffen en bovenal naar wijsheid en kennis te streven en die den
-volke leeren! Want God is alwijs!
-
-
-
-21.
-
-God is goed; uit alle deelen der schepping straalt ons de goddelijke
-liefde te gemoet: Wij moeten er naar streven om goed te zijn.
-
-Wij moeten geen dier kwellen, maar in tegendeel goedaardig zijn jegens
-alle levende wezens en elk diertje het genot zijns levens gunnen. Wij
-mogen geen onschadelijk dier dooden, welks bestanddeelen--gedood
-zijnde--ons geen nut aanbrengen.
-
-Wij moeten onze medemenschen liefhebben en welwillend zijn jegens
-iedereen. Wij moeten het lijden en de ellende, overal waar wij zulks
-ontwaren, pogen te verzachten en de armen ondersteunen. Wij behooren
-anderen, die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen
-van hetgeen wij meer hebben, dan wij behoeven.
-
-De stem van het goddelijk bewustzijn in ons binnenste,--het
-geweten,--zegt ons duidelijker, dan wij in leerstellingen kunnen
-zamenvatten, hetgeen regt en hetgeen onregt is; volgen wij de stem van
-het geweten, die reeds vóór duizende jaren, even goed als nog heden,
-den mensch toeriep: "Gij zult niet begeeren eens anderen goed, niet
-echtbreken, niet dooden, niet stelen, niet bedriegen, geen valsche
-getuigenis afleggen, het verhevene en heilige niet bespotten en
-u zelven, uw eigen, van God herkomstigen geest niet beschimpen en
-vernederen door afgoden te aanbidden."
-
-Menschenliefde jegens iedereen--indien zij werkelijk ons gemoed
-doorgloeit--verheft ons hoog boven de dieren; zij veredelt ons in onze
-eigene oogen en verschaft ons, wanneer wij haar beoefenen, de reinste
-vreugde, meer dan aan dengene, die het voorwerp er van is. Dat toch
-deze bloem geen enkel oogenblik van ons gansche leven in ons verwelke!
-
-Die ons het leven gaven, ons voedden, liefhadden en verzorgden,
-toen wij nog jong en hulpeloos waren,--onze ouders,--moeten wij
-beminnen tot aan hunnen dood en steeds blijven eeren. Zijn onze
-ouders behoeftig en hebben wij rijkdommen verworven, zijn wij tot
-waardigheden opgeklommen, dan behooren wij hen met ons gelijk te
-stellen, hen tot ons op te heffen en hen te ondersteunen. Hij is een
-verachtelijk mensch, die zich schaamt te belijden, wie zijne ouders
-zijn. "Een oog, dat den vader bespot en de moeder veracht, zal door
-de raven uitgehaald en door de jonge arenden verslonden worden." Dat
-leerde bijna negentien honderd jaren geleden de man uit Nazareth,
-wiens boezem zoo warm voor waarheid en deugd gloeide en datzelfde
-staat nog heden geschreven in het geweten van elken mensch.
-
-Wij zijn groot gebragt en opgevoed door onze ouders of, indien
-zij vroegtijdig zijn gestorven, door menschenvrienden, die hen
-vervingen. Wij zijn in zoo verre ons bestaan verschuldigd aan de
-liefde en zorg onzer ouders en behooren derhalve ook onze kinderen
-lief te hebben, te verzorgen en op te voeden.--Wanneer gij hoort,
-dat eene moeder haar jong geboren wicht van het leven heeft beroofd,
-houdt haar dan geen geschreven woord, bijbel, gebeden- of wetboek voor,
-spreekt niet van verloochening des vleesches,--want juist daardoor
-hebt gij haar tot zondares gemaakt; gij hebt haar huichelarij en
-schijnheiligheid geleerd, hetgeen haar bewoog hare zwangerschap voor
-het oog der wereld te verbergen, totdat zij eindelijk doof werd voor
-de stem der natuur;--neen, hangt een nest met jonge vogelen voor hare
-gevangenis op, dan zal de kindermoorderes zien met welk eene liefde de
-dieren der wildernis voor hunne jongen zorgen, hoe zij ijlend naar hen
-toevliegen, hoe zij zelfs de schuwheid voor den mensch hebben afgelegd
-en rondom de kooi fladderen, waarin hunne jongen zich bevinden,--hoe
-zij hun in den snavel voedsel toevoeren, dat zij in veld en beemd
-hebben bijeenvergaard:--welligt zijn zij zelven hongerig, maar zij
-voeden er zich niet mede, zij houden het onaangetast in den snavel en
-brengen het van eene verwijderde plek derwaarts om het hunne jongen te
-geven;--zij vliegen weg, maar ziet, zij komen weder,--zij verlaten
-hunne jongen niet, zelfs toen het nest door menschenhanden werd
-weggeroofd, zij hebben het toch gevolgd;--zij steken hunnen snavel
-tusschen de tralien door, ten einde hunne jongen te voederen, ja, zij
-zouden gaarne in de kooi trachten binnen te dringen om bij hunne jongen
-te blijven, die nog zoo naakt en hulpeloos zijn, - - heeft nu uwe leer
-der "heiligmaking, van de verloochening des vleesches, verloochening
-van de stem der natuur," nog niet het laatste overblijfsel van dit
-gevoel, dezer stem, in het gemoed der kindermoorderes verstikt,
-dan zal zij zich voor de vogelen schamen en--weenen.
-
-Heeft het dier aan de wet der liefde tot zijn gelijke voldaan, wanneer
-het voor zijne jongen zoo lang zorgde, totdat deze zelven in staat zijn
-voor hunne eigene instandhouding te waken, op den met rede begaafden
-mensch rust de meer gewigtige pligt om insgelijks voor de zedelijke
-opvoeding zijner kinderen, voor de ontwikkeling des geestes, zorg te
-dragen en hen in datgene te onderrigten, waarin de hoogste kracht
-des menschen ligt: in kunst en wetenschap.--Bij de opvoeding der
-kinderen moeten wij twee hoofdgrondregelen tot rigtsnoer nemen; ten
-eersten moeten wij door voldoende zorg, eenvoudige opvoedingsstoffen
-zonder prikkelende middelen, doelmatige wijde kleeding, zindelijkheid,
-later door allengs toenemende oefening van alle spieren door middel
-van de verschillendste ligchaamsbewegingen, door hen te gewennen aan
-de vrije lucht en de afwisseling van het weder--voor de krachtige
-ontwikkeling des ligchaams zorg dragen, en ten tweede moeten wij het
-kind, na voorafgaand onderrigt in de taal, datgene leeren, hetwelk als
-eene onbetwiste en zekere waarheid algemeen is aangenomen en erkend,
-namelijk: wiskunde en de verschillende takken der natuurwetenschappen,
-benevens de geschiedenis van het menschelijk geslacht; dit als de
-hoofdzaak behandeld wordende, mag gepaard gaan met het onderrigt
-in de algemeene zedeleer. Wij behooren echter zorgvuldig te waken,
-dat het kind, hetzij jongeling of meisje, geene vooroordeelen,
-geene godsdienstige begrippen of leerstellingen worden ingeprent,
-alvorens het zelfstandig denken en onderzoeken kan, en wij moeten
-derhalve elke handelwijze ten stelligste afkeuren, die, gelijk de
-doop en de besnijdenis, reeds het kind in de wieg met een kruis,
-een toekomstigen Messias of ander dogma stempelt, waardoor de geest
-van het kind reeds aan banden gelegd, in ketenen geklonken wordt,
-alvorens hij volkomen is ontwaakt, waardoor elke vrije ontwikkeling
-belet en de mensch gedwongen wordt zijn gansche leven door tot deze
-of gene bepaalde sekte te behooren. Aan den tot man opgewassen, met al
-de vereischte kennis der stellige wetenschappen toegerusten jongeling
-(zoo mede aan de jonge dochter) moet de keus worden overgelaten om
-zich voor eene der veelvuldige geloofsbelijdenissen te verklaren
-of, indien hem geene van allen bevredigend voorkomt, den Schepper
-der natuur op eigene wijze, naar eigene overtuiging, te aanbidden,
-maar nimmer moet men het kind geloofsstellingen leeren of inprenten,
-alvorens het rijp geworden is om zelf daarover te oordeelen.
-
-Het tegenover gestelde van dezen grondregel is sedert vele eeuwen en
-wordt nog op den huidigen dag in praktijk gebragt. Deze omstandigheid
-alleen maakt het verklaarbaar, dat op dezen oogenblik nog vele
-millioenen van menschen aan leerstellingen hechten, die als heilig
-vereeren, waarover de latere nakomelingschap zich in dier voege
-zal verwonderen, dat zij zal vragen: "Hoe toch was het mogelijk,
-dat millioenen van menschen gedurende duizende jaren konden gelooven,
-hetgeen tegen het gezond verstand, ja, volkomen in strijd is met alle
-wetten der natuur?--Waren zij, die vóór ons deze aarde bewoonden,
-nog niet met verstand begaafd?"--waarop welligt een bearbeider van
-de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zal antwoorden:
-
-"Wel degelijk waren zij met verstand begaafd of, juister gesproken,
-de kiem er van was in hen gelegd; maar op dezen kiem entten zij
-met geweld het onverstand, zij zetteden een stempel op het kind en
-prentten het weeke, voor elken indruk vatbare kinderlijke gemoed
-gedurende zestien of meer jaren dagelijks en onophoudelijk in:
-datgene als een onaanrandbaar heiligdom, zoowel voor het tijdelijke
-als eeuwige geluk te vereeren en te aanbidden, hetwelk wij heden, nu
-de komeet van 1807 wederom zigtbaar is, welks omloop Bessel, op een
-verschil van 25 jaren na, tamelijk juist berekende, reeds lang als
-eene groote dwaling hebben leeren beschouwen. Want slechts weinigen
-van onze toenmalig levende voorvaderen konden zich in hunnen rijperen
-leeftijd weder vrijmaken van de indrukken, ontvangen in hunne jeugd,
-die zoo lange jaren hadden geduurd; bij de meesten bleef de vorm des
-stempels, waarmede zij reeds bij den doop, even als jonge schapen,
-werden geteekend, hun gansche leven door zigtbaar, (al was die ook
-door verloop van tijd meer of min onduidelijk geworden). [11]--Danken
-wij derhalve den Heer der Schepping! dat wij de waarheid en den
-eersten en voornaamsten hefboom van alle ontwikkeling, van alle
-wetenschap, van alle maatschappelijk geluk, in zijne volle waarde
-hebben leeren erkennen en in zijn zuiveren vorm aangewend hebben:
-het schoolonderwijs, de opvoeding onzer jeugd."
-
-Ons zelven moeten wij echter het meest liefhebben,--meer dan andere
-menschen. Dit is niet alleen regtmatig, maar dit is onze pligt,
-namelijk, de pligt van zelfbehoud. Ons ligchaam toch, waarin de ziel
-woont, werd ons door den algoeden Schepper der natuur geschonken,
-opdat wij zouden leven, en geen ander mensch kan of zal in zulk eene
-mate--zoo goed--voor ons zorgen als wij zelven in staat zijn zulks
-te doen. Onze grondregel, met betrekking tot de liefde jegens onze
-naasten (zie vroeger bladz. 160), luidde aldus: Wij behooren anderen,
-die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen van hetgeen
-wij meer hebben dan wij behoeven.--Dezen grondregel moeten wij in
-overeenstemming trachten te brengen met de pligten jegens ons zelven.
-
-Wanneer wij zien, dat iemand in nood verkeert en er hoop bestaat,
-dat hij door ons kan geholpen worden, zonder dat wij zelven er door
-verloren gaan, dan moeten wij trachten hem hulp te verleenen, al is
-zulks van gevaar vergezeld.
-
-Wij moeten ons echter ook zelven in eere houden en ons door niemand
-laten beleedigen of beschimpen. Indien iemand u een slag in het
-aangezigt geeft en uw geweten u zegt, dat gij deze beleediging
-of deze bestraffing hebt verdiend, ga dan beschaamd heen naar eene
-afgezonderde plaats en--verbeter u. Draagt gij echter in uw binnenste
-het bewustzijn om, dat gij die oorveeg niet hebt verdiend, eisch dan
-van den beleediger, dat hij u vergiffenis vrage en weigert hij zulks:
-geef hem die oorveeg terug en een andere tot zijne straf er bij.
-
-Wij moeten alle menschen liefhebben en onze vijanden zelfs niet
-haten. Grootmoedigheid verheft en veredelt den mensch. Wij behooren
-pogingen aan te wenden om onzen vijand te overtuigen, dat hij
-onregtmatig heeft gehandeld. Ziet hij het begane onregt in, gevoelt hij
-er berouw over, dan moeten wij hem vergevensgezindheid betoonen en hem
-op die wijze tot vriend trachten te maken. Gelukt dit echter niet en
-gaat hij voort met ons te verontrusten, dan moeten wij hem onschadelijk
-trachten te maken. Kunnen wij dit niet, wordt hij gevaarlijk voor
-ons, dan behooren wij hem met alle magt te bestrijden en, indien hij
-ons dooden wil en wij niet in staat zijn ons leven op eene andere
-wijze te redden, dan hebben wij het regt hem te dooden. (Zie over de
-practische toepassing dezer grondstellingen in het midden der 19de
-eeuw, den krijg tusschen Rusland en de westersche mogendheden.)
-
-Veronachtzaming van ons eigen ligchaam is zonde, en zelfmoord de
-grootste zonde.
-
-Wij behooren zorg te dragen voor ons ligchaam, wij moeten het
-behoorlijk voeden met spijs en drank en wij moeten ons--op eene
-geoorloofde, deugdzame wijze--al dat genot pogen te verschaffen,
-hetwelk wij tot ons ligchamelijk welzijn behoeven en waartoe wij de
-middelen bezitten.
-
-Daar echter onmatigheid den mensch tot een dier verlaagt, en zij
-hare eigene straf medebrengt, namelijk, tegenzin, berouw, uitputting
-of ziekte, moeten wij in alles matig zijn. Het genot, dat wij door
-elk onzer zinnen kunnen smaken, verandert door onmatigheid in het
-tegendeel, ja, de toonen der welluidendste muziek zouden eindelijk ons
-oor vermoeijen, zelfs pijnlijk aandoen, indien wij ze den ganschen dag
-en onophoudelijk moesten hooren. Houden wij daarentegen de matigheid
-in het oog, dan oefenen alle ligchamelijke genietingen--het genot
-des gevoels, van het gehoor, des gezigts, van den reuk en van den
-smaak--niet slechts een weldadigen en bevredigenden invloed uit op het
-ligchaam, maar insgelijks op het gemoed; zij verzwakken den geest niet,
-maar versterken hem en stellen hem in staat nog edeler genot te smaken:
-om de diepzinnigste wetenschappelijke vraagstukken te kunnen bepeinzen.
-
-In een zwak of ziekelijk ligchaam kan geen sterke of gezonde geest
-wonen. Van onze vroegste jeugd af moeten wij ons derhalve er op
-toeleggen om het ligchaam te versterken en alle mogelijke zorg
-aanwenden om het volkomen te ontwikkelen. Het nuttigen van spijs en
-drank onderhoudt het leven, maar oefening der krachten maakt ons
-sterk. Aan elke school zonder onderscheid behoorde eene inrigting
-te worden verbonden voor ligchaamsoefening, alwaar de jeugd in de
-gelegenheid werd gesteld door loopen, springen, klauteren, schommelen,
-werpen, kaatsen, kegelen, worstelen, zwemmen, paardrijden--in één
-woord, door de verschillendste ligchaamsbeweging de spierkracht te
-oefenen. Deze ligchaamsbewegingen moeten op rijperen leeftijd op eene
-doelmatige wijze worden voortgezet. Wij behooren veel beweging te
-nemen in de vrije lucht, en niet voor elk windje of elke regenvlaag
-te gaan schuilen. Wij moeten pogingen in het werk stellen om eene
-meer doelmatige wijze van kleeden in te voeren, die de natuurlijke
-schoonheid van den ligchamelijken vorm voordeeliger doet uitkomen,
-zoomede om de naauw sluitende, stijve keurslijven bij de vrouwen in
-onbruik te doen geraken.--Reinheid des ligchaams is een der meest
-geschikte middelen ter bevordering van de gezondheid. In elke stad,
-in elk dorp behoorde een badhuis te zijn. Indien, bij voorbeeld, van
-een viertal kroegen, dat menigwerf in één klein dorp wordt gevonden,
-er twee gesloten en door een badhuis werden vervangen en het geld,
-daar vroeger aan genever verdronken, nu werd besteed tot het nemen
-van een koud of warm bad, dan zou zulks niet slechts nuttiger zijn
-voor de maatschappij, maar tevens aangenamer genot opleveren aan ieder
-afzonderlijk lid er van. Indien gij iemand ziet, die in een prachtig
-huis woont en fraai en zindelijk gekleed gaat, maar ten opzigte
-van zijn eigen ligchaam de reinheid uit het oog verliest, waarmede
-vergelijkt gij hem?--Wanneer het den Mohammedaan in zijn wetboek wordt
-voorgeschreven zich herhaaldelijk te wasschen, behoorden de bewoners
-van het koudere noorden, zelfs van den geringsten stand, hieraan
-een voorbeeld te nemen en het als een hunner godsdienstige pligten
-te beschouwen, minstens éénmaal per dag die deelen des ligchaams
-te wasschen, welke naar de voorschriften der zindelijkheid zulks
-het meest behoeven en zich althans eens per week te baden. Daardoor
-zouden vele ziekten voorgekomen worden en het opkomende geslacht een
-krachtigeren wasdom verkrijgen.
-
-Wij moeten ons ligchaam niet verloochenen, maar het in eere houden
-en God den Heer danken, dat hij het zoo fraai en doelmatig heeft
-gevormd. Wij mogen ons ligchamelijk genot verschaffen; want dat wij
-zouden genieten, lag in de bedoeling des Scheppers, toen hij ons
-het aanzijn schonk, dewijl hij alle organen onzes ligchaams zoodanig
-heeft zamengesteld, dat alle natuurlijke verrigtingen, welke strekken
-moeten tot instandhouding, zoowel der individuen als der soort,
-waartoe zij behooren, met een behagelijk gevoel gepaard gaan. Hij
-schiep ons tot het smaken van geluk en genot, zoowel naar het ligchaam
-als naar den geest. Degenen, die zeggen: "verloochent u zelven, doodt
-alle zinnelijke lusten en begeerten, arbeidt aan uwe heiligmaking,
-legt u ontberingen op, bestrijdt uw vleesch door onthouding, door
-vasten en kastijden, opdat uwe onsterfelijke ziel des te vlekkeloozer
-worde en het goddelijke licht des te helderder in u schijne"--zijn of
-huichelaars of dweepers, die zondigen tegen de weldadige bedoeling des
-Scheppers, want zij dienen toch te weten, dat in een door vasten en
-kastijden verzwakt ligchaam geen krachtige en gezonde geest kan wonen.
-
-Indien gij honger hebt, u voedsel kunt verschaffen en u toch er van
-onthoudt, dan zondigt gij. Alleen de arts, niet de priester, heeft
-het regt u de onthouding er van voor te schrijven.
-
-Het is de pligt der overheid om openlijke volksspelen en
-volksvermakelijkheden, gepaard met doelmatige ligchaamsoefeningen, met
-alle krachten aan te moedigen. Het volk zou dan tevredener zijn, zijne
-pligten met meer vreugde nakomen en niet zoo dikwerf, gelijk thans het
-geval is, verstrooijing zoeken in de geneverflesch, die, helaas, in
-vele oorden, onder vele klassen der maatschappij, zijn eenige troost,
-zijn eenig geluk is!--Wanneer toch de arme man zes dagen lang heeft
-gewerkt om zich "in het zweet zijns aanschijns zijn dagelijksch brood"
-te verschaffen en de zevende dag komt eindelijk aan, welke vreugde
-biedt hem deze dag?--Vooreerst de vreugde in de kerk te gaan, om
-treurige, droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën
-aan te hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke
-liefde; ten tweede de vreugde in de kerk te gaan, om treurige,
-droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te
-hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde;
-ten derde de vreugde om uit de kerk te gaan en--reeds bij de eerste
-schrede, die hij buiten de kerkdeur doet, de onmogelijkheid in te zien
-om eene enkele dier voorschriften na te komen en eindelijk--ten vierde,
-gedurende de vier of vijf uren van den dag, die nu nog overblijven,
-het genoegen om onbevredigd in zijn binnenste te zijn en nergens iets
-te vinden, dat het ledige in zijn gemoed vervullen en genoegdoening
-kan geven aan eene onbestemde, maar niettemin duidelijk gevoelde
-behoefte!--Zou die behoefte ook misschien de genever zijn?--Neen;
-waarheid is het in plaats van dwaling, natuurlijke godsdienst die
-voor het gezond verstand begrijpelijk is en het gemoed vervrolijkt,
-waaraan hij in de kerk behoefte heeft--en gezellige vreugde, openbaar
-vermaak, spel met ligchaamsoefening, genot is het, dat hij buiten de
-kerk wenscht te smaken, en aan het smaken van zulk maatschappelijk
-genoegen, vooral der lagere volksklassen, die dit het meest noodig
-hebben, behoorde minstens de tweede helft van elken zondag te worden
-gewijd.--De mensch is door God geschapen om te genieten en het volk
-heeft er behoefte aan. Gij, die de kermissen hebt afgeschaft, gij hebt
-het goede met het kwade te gelijk weggenomen en, indien gij het heil
-des volks werkelijk zoekt, dan zijt gij nu verpligt iets beters er voor
-in de plaats te stellen. Het ware te wenschen, dat het veelzijdig nut,
-'t welk de schouwburg kan verspreiden, meer algemeen werd erkend en
-gewaardeerd, en dat zelfs in de kleinere steden volksschouwburgen
-werden opgerigt. Of zou iemand durven beweren, dat er een krachtiger
-middel gevonden wordt tot verheffing van het zedelijke gevoel bij het
-volk, dan het opvoeren van tooneelstukken, waarin zedelijke waarheden
-worden ontwikkeld?--Want daarbij is toch het nuttige vereenigd met
-het vermakelijke, met een aangenaam tijdverdrijf!
-
-Het instinkt tot voortplanting zijner soort, dat elk dier is ingeplant,
-gaat bij den mensch gepaard met het veel edeler gevoel van liefde--en
-bindt op die wijze de beide geslachten zamen. Deze liefde, welke ons
-verheft boven het dier, dat slechts geslachtsdrift gevoelt, moeten
-wij rein bewaren en haar heiligen door eerbaarheid.
-
-De band, welke kinderen aan ouders, ouders aan kinderen, zoo mede
-zusters en broeders onderling verbindt, zou verbroken worden,
-de reinste vreugde, welke de mensch in den kring van zijn eigen
-huisgezin,--aan eigen haard,--geniet, zou verloren gaan, de teedere
-zorg voor de jeugd en hare opvoeding ontaarden in onverschilligheid,
-de band der trouw tusschen de verschillende geslachten en te gelijk
-daarmede vele van de schoonste bloemen der beschaving, der edelste
-deugden, zouden ophouden het menschelijk leven te sieren, zij zouden
-vervangen worden door zedelijke ruwheid, ja, de geslachtsliefde zou
-eindelijk worden verlaagd tot bloote dierlijke lust en de orde en tucht
-in de maatschappij worden vervangen door een woesten chaos,--indien wij
-het voorschrift der wet "een man en eene vrouw" niet in acht namen. Om
-die reden moet het genot der geslachtsliefde het geheim van twee
-personen zijn, de zaamgeknoopte band der liefde--het huwelijk--moet ons
-heilig blijven en de jeugd zal dezen band veredelen door kuischheid.
-
-Die staat echter zal het welzijn des volks bevorderen, die de wettige
-vereeniging ook onder de onvermogenden met alle onder zijn bereik
-staande middelen vergemakkelijkt, en die priester zijn pligt vervullen,
-die het niet beneden zijne waardigheid acht de waarschuwende stem te
-verheffen tegen de nadeelige gevolgen van te vroegtijdig geslotene
-huwelijken, indien de materiële middelen der beide partijen niet
-toereikend zijn voor hunne behoeften,--maar die, in plaats van de
-"verloochening des vleesches" te prediken, den armen liever toeroept,
-dat de mensch slechts door den band der trouw zich boven het dier
-kan verheffen en dat zij dezen band moeten aaneenhechten, alvorens
-het genot der liefde te smaken.
-
-Welligt zou op die wijze veel zedelijke ellende worden verhoed. Hebt
-uwen naaste lief! Want God is goed en alle deelen der schepping
-getuigen van zijne liefde.
-
-
-
-22.
-
-God is regtvaardig: wij moeten pogen regtvaardig te zijn.
-
-Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan
-goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te
-beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral
-van hen, die hoog geplaatst zijn--der magtigen en vorsten--onder
-de stervelingen.
-
-Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen, waar hij in
-de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt om later
-op nieuw zijn arbeid te hervatten--en tegenover hem zit een rijk
-man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten, gebraad
-en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden,
-waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te
-nuttigen, zegt dan niet: "dat is onregtvaardig;" want den arbeider
-smaakt welligt zijnen maaltijd beter dan gindschen rijkaard zijne
-pasteijen, en deze behoeftige man, die des avonds naar huis keert en
-in den kring der zijnen uitrust van de vermoeijenissen des daags,
-ondervindt stellig meer genot dan de rijke, die nog nooit vermoeid
-was. Ontneemt gij echter den rijke, die in overvloed is groot geworden,
-zijne schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als
-gindsche handwerksman, dan handelt gij onregtvaardiglijk; want dan
-zal de rijke zeer ongelukkig en beklagenswaardig zijn, dewijl hij
-niet gewoon is droog brood te eten,--en indien gij den handwerksman,
-die, ten gevolge van ziekte of duurte van levensmiddelen, minder
-verdient dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van
-hetgeen gij meer hebt dan gij behoeft, dan handelt gij insgelijks
-onregtvaardiglijk en zondigt tegen de wet der menschenliefde.
-
-Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om aan ieder te
-geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De mate nu van
-behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel, waarnaar wij
-ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is dezelfde die
-Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de navolgende woorden:
-"gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doe hun desgelijks."
-
-Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig toeschijnt. Wie
-zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van alle boom-
-en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de rottende
-overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de kolibri,
-welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den zoetsten
-honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen gehuld
-op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te vragen,
-ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des avonds
-huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet toebereid,
-nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft verkregen,
-zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag gaan
-bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem tot
-behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man daarentegen,
-die, met ridderorden behangen, daar ginds in dat groote huis woont,
-feesten aanrigt, waarop alle fijne wijnen paarlen, terwijl de tafel
-onder den last der spijzen buigt, zegt niet, dat hij gelukkiger is
-dan de bedelaar!--hij weet hoedanig hij de schatten heeft verworven,
-waarmede hij pronkt, hoe hij aan de veêren is gekomen, waarmede hij
-zich heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van
-pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den
-rijk voorzienen disch,--de wroeging van een boos geweten vervult
-zijnen boezem! God is regtvaardig!
-
-En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren op een grooten
-voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op een kantoor een
-sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk te beklagen;
-wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet, welke daden
-hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig voor hem,
-het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit hij,
-naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden
-en gelukkiger worden dan hij te voren was.
-
-Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer den moed
-behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt, dewijl wij
-niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten wij ons
-onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en werkzaam
-zijn, want "God helpt, die zich zelven helpt."--Heeft het ongeluk
-vooraf zijne komst niet aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht
-komen!
-
-Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar om voor hare
-instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des geregts de
-plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den staat.--Gelijk
-in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om een grooter scharen
-en vele planeten om eene zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles
-wat leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog
-oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar
-eene enkele grondoorzaak leiden, zoo heeft zich ook in de maatschappij
-reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen gelden. De beste
-regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel mogelijk is
-nagevolgd.--Een God, een Koning!--Maar God regeert de wereld niet
-willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten zijn de natuurkrachten,
-die hij schiep, en zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste
-wetten, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij moeten
-ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen
-koning eerbiedigen.
-
-Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder op eenige
-andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de getrouwe
-pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten.
-
-Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is, maar in
-tegendeel dikwerf door de menschen geëerd en met wereldsche goederen
-gezegend wordt.
-
-Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar geene straf zoo
-zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich zelve straft:
-een kwaad geweten.--Een kwaad geweten brengt de begane zonden aan
-den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft door den arm
-der wereldlijke geregtigheid.
-
-Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter zedelijk ik
-door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen geworden,
-indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd hebben, maar
-berouw gevoelen over onze overijling of slechte handelwijze, innig,
-waarachtig berouw er over gevoelen: dan is de zonde ons vergeven.
-
-Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons gepleegd en het
-vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te handelen, dan mogen
-wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet gaan, ook dan
-wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is toegepast. De
-orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken worde.
-
-Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet op het spel
-zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger genade schenken,
-en daardoor het schoonste bewijs geven van de magt, die hij
-bezit.--Dewijl alle misdaden deels haren grond hebben in aangeboren
-ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken, hoofdzakelijk echter in
-verkeerde opvoeding en gebrek aan beschaving en--bij een dergelijken
-aanleg--door ongelukkige uiterlijke omstandigheden ligt veroorzaakt
-worden, behooren wij medelijden te hebben met de misdadigers en
-trachten hen te verbeteren of te genezen.
-
-Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk wezen, al zet
-hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat is ons eene
-enkele zonde te vergeven.
-
-God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige plaatsbekleeder
-op aarde is: het geweten, dat in den boezem van elk mensch woont.
-
-De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel met zich
-om. Zij zullen hunnen hemel en hunne hel met zich nemen; want hunne
-ziel is onsterfelijk.
-
-Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene andere hel. Wat
-aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen. Stellen wij
-ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij hiervoor zorg:
-dat wij een hemel in onzen boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij
-voortdurend er naar gestreefd hebben om regtvaardig te zijn! Want
-God is volkomen regtvaardig.
-
-
-
-23.
-
-God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig:
-ons streven moet zijn in al onze handelingen getrouw en waarachtig
-te wezen.
-
-Wij moeten waarachtig zijn in woorden en daden, en nimmer
-huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren kunnen, en
-overeenkomstig onze leer behooren wij ook te handelen.
-
-Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te kleeden (behalve
-wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets schijnen te zijn,
-dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den schijn aan van iets,
-'t geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de menschen.
-
-Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet ligtvaardig te
-beloven, zonder vooraf te overleggen of wij onze belofte kunnen houden.
-
-Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben gesloten,
-behooren wij heilig te bewaren.
-
-Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste zonde, die ons in
-onze eigene oogen vernedert.
-
-Wij moeten niet leeren: andere menschen even lief te hebben als ons
-zelven; elken dag, ja, elken oogenblik zien wij, dat wij niet in staat
-zijn om zulks te doen; geven wij niettemin voor, dat wij dit doen,
-dan maken wij ons schuldig aan huichelarij.
-
-Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons zelven meer dan
-anderen. Leeren wij dit, dan kunnen wij zulks nakomen en wij zijn
-waarachtig.--Ik ken een bekwamen, braven man, die door ongelukken
-tot armoede en ellende is vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs
-alle pogingen heeft beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft
-echter kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn, behoeft hij 2000
-gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben in het bezit
-van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta, stort ik mij
-zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas of bezig
-het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet meer lief dan
-genen?--Indien iemand mij met de wapenen in de hand aantast, en ik
-mijn leven alléén redden kan door den aanvaller te dooden en ik redde
-mijn leven: heb ik mij zelven dan niet meer lief gehad dan genen?--Of
-wordt er iemand onder ons gevonden, die zich zelven in het verderf
-wil storten om een ander te helpen? die zich wil laten vermoorden,
-opdat een ander het leven zal behouden?--En indien zoo iemand onder
-ons werd gevonden, welk nut zou hij gesticht hebben door zich zelven
-op te offeren, dewijl toch één van beiden verloren gaat? Daardoor
-had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als zich
-zelven, maar in tegendeel dat hij zich zelven minder lief had dan
-genen! Zou hij op die wijze niet zondigen tegen den eersten pligt,
-die ieder mensch is voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud?
-
-Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen der liefde
-tot onze naasten opvolgen, maar de leer "onze naasten lief te hebben
-als ons zelven" verwerpen, omdat het opvolgen van dit voorschrift eene
-natuurlijke onmogelijkheid is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk
-van elken kansel gepredikt, in alle Christelijke geschriften wordt
-aanbevolen, maar die nog nimmer opgevolgd kon worden en ook nooit,
-zoo min nu als in het vervolg, nagekomen zal worden,--slechts leiden
-kan tot schijnheiligheid, huichelarij en valschheid.--Zijt waarachtig
-en getrouw aan u zelven!
-
-De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van huichelarij is
-de schijnheiligheid, welke iemand pleegt wanneer hij degenen, die
-hem zien, wil diets maken, dat hij in het gebed tot God spreekt,
-terwijl hij inderdaad aan niets hoegenaamd denkt of geheel andere
-gedachten koestert dan hij voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden
-is vervuld;--dit is eene soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij
-de Christenen veel algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van
-eenige andere godsdienst. De reden daarvan is: 1o. de zoo even genoemde
-omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid
-gevoelt (die zijn mond weigert te bekennen) om de eerste grondregelen
-des Christendoms in het leven na te komen, zoo als: zijn naaste lief
-te hebben als zich zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte
-te vergeven, zich op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten
-te dooden, zich zelven geheel en al te verloochenen, enz., en 2o. dat
-de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig bidden, bidden,
-bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering van tijdelijk en
-eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter eene uitgemaakte
-waarheid is, dat de mensch slechts zeer zelden zoo diep geroerd is, in
-zulk eene heilige stemming verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot
-God, en hij niettemin een half dozijn malen daags behoort te bidden,
-vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts,
-zet een onnoozel gezigt--en houdt zich als of hij bidt.
-
-Die een medebelijder is der natuurlijke godsdienst en zedeleer van
-den regtzinnig geloovigen mensch, moet het werktuigelijk aframmelen
-van vooraf geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en slechts dan
-God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken aandrang daartoe
-gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of menigwerf, elken dag,
-elke week of slechts eens in de veertien dagen openbaart.
-
-De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en wenschen en
-geen enkele onzer gebeden--ja, al baden wij op onze knieën drie weken
-lang zonder ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,--is in staat
-om te bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten,
-waarnaar hij de wereld regeert.
-
-Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende daartoe de
-aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den Eeuwige
-opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt. Bezielt
-hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook zal hij troost
-in het gebed vinden.
-
-Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft geleerd en die
-op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij voorbeeld,
-bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten, een
-dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht,
-waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in
-zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk,
-huichelarij, het aannemen van een valschen schijn. Dit wordt eene
-gewoonte en deze gewoonte spiegelt zich onwillekeurig in alle andere
-verrigtingen der menschen af.
-
-Handelt naar behooren, leidt een deugdzaam leven, maar waant niet,
-dat gij aan uwen pligt voldoet, indien gij menigwerf ter kerk gaat of
-uren lang op uwe knieën gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke
-uitspraken, kunt gij dan vrome menschen heeten, inderdaad echter
-misschien zeer slechte menschen zijn.
-
-De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter kerk gaan,
-het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de meest
-gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks alléén, dewijl
-zij weten, dat zij hunne ondeugden het zekerst achter schijnheiligheid
-kunnen verbergen, en anderen dewijl zij werkelijk gelooven, dat zij
-zich met God kunnen verzoenen, indien zij des zondags ter kerk gaan,
-vurig bidden, belijden dat zij ellendige, diep gezonken schepselen
-zijn, ja, van berouw vervuld zich ter aarde buigen, weeklagen en
-"genade! genade! erbarming! voor mij armen verworpen zondaar"
-roepen;--dan zijn hun (zoo wanen ze) de zonden, die zij in de
-afgeloopene week hebben begaan, kwijt gescholden; zij hebben immers
-"God gediend" en--zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne
-medemenschen des te slechter dienen en hen op alle mogelijke wijze
-bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden zondag door nieuwe
-en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon van berouw en
-herhaalde bekentenis, dat zij arme "onverbeterlijke" zondaars zijn,
-op nieuw vergeving vinden. Deze zullen zich stellig niet verbeteren,
-maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed scheppen
-tot vernieuwde slechte daden.
-
-Niet met bidden--slechts door goed te handelen kan men God dienen.
-
-Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u heilig, gelijk de
-eerbaarheid aan de jonge maagd. Ontheiligt het heilige niet, door
-het aan ieders oog bloot te stellen. Bidt in eenzaamheid.
-
-Wij moeten aan de bestendige onveranderlijkheid der natuurwetten
-gelooven en naar waarheid trachten. Deze waarheid moeten wij hoogachten
-en beminnen.
-
-Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en dwaling
-voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn, maar
-elk toeval, 't welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen doen
-ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de
-dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar
-te streven, om ons zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden
-der natuur bekend en vertrouwd te maken.
-
-Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het geloof aan
-goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan dergelijke
-(hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende) gebeurtenissen,
-die in strijd zijn met de natuurwetten. Er bestaat geene regtstreeksche
-goddelijke ingeving of openbaring in het binnenste des menschen.--Het
-is waar, somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong
-wij niet verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons toeschijnt,
-dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke, regtstreeksche bron
-van kennis, zonder in eenig verband te staan met de omringende
-natuur.--Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan zien wij,
-dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het ware de
-nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd door onze zinnen
-ervaren hebben,--onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben
-geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld
-bevat van een nog levend of vóór langen tijd door den dood van deze
-aarde gescheiden mensch.--Zeer zeldzaam echter kan iemand iets denken,
-dat niet reeds andere menschen vóór hem hebben gedacht.
-
-Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke openbaring is
-verderfelijk, dewijl het de kritiek van het gezond verstand uitsluit
-en de zoogenaamde geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor
-onfeilbaar worden gehouden.--Want gaat men uit van de mogelijkheid van
-eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook toegegeven worden,
-dat deze openbaring Gods in ieder mensch kan plaats hebben, dewijl wij
-niet weten kunnen welken sterveling--hetzij bedelaar of koning--God
-de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om zijne openbaring te
-ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide gedaan worden: of
-ieder moet op zijn woord worden geloofd, die voorgeeft goddelijke
-openbaringen te hebben ontvangen, welke nu door hem als "Gods word"
-worden verkondigd, aan wier heiligheid geen criticus de roekelooze
-hand mag slaan; doet gij dat, dan heeft Joe Smith--de stichter van
-de sekte der Heiligen van den jongsten dag (der Mormonen)--even goed
-als Mohammed of ieder ander mensch, die later welligt zal optreden,
-het regt om te zeggen: "ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan
-mijne woorden;" en gij moogt er niet aan twijfelen;--of gij moet de
-kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven openbaringen
-van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid (als
-Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen,
-welke door den mond eens menschen verkondigd of door 's menschen hand
-te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en gij
-bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het gezond
-verstand kunnen doorstaan.--Het is derhalve natuurlijk, dat dan ook
-de bijbel op dergelijke wijze moet worden onderzocht en zulks doende
-zult gij de overtuiging erlangen, dat de daarin vervatte leeringen
-niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar ook openbare en zeer groote
-dwalingen bevatten, waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet
-kunnen zijn.--De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben
-deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn
-gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet
-gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot
-rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg
-hiervan zou zijn, dat elke natuurkundige ontdekking, die deze proef
-glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de mensch ooit waars en goeds
-heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene goddelijke openbaring
-zou genoemd moeten worden!--Waarheen voert u dit geloof!
-
-Zegt derhalve niet: "Jezus van Nazareth was het, aan wien God zich
-heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen bijbel vervat
-en dit is Gods woord;"--want daarop kan ieder te regt antwoorden:
-"ook aan mij heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan
-genen en aan duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden
-om de openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te
-verstaan. Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,--vooral
-sedert uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan
-niet meer iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche
-leven kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden
-en niemand meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der
-schepping na te vorschen, de levende natuur te onderzoeken,--sedert
-dien tijd heeft God den mensch zaken geopenbaard, waarvan in uwen
-bijbel zelfs geen enkele letter wordt gevonden--zoo groot, zoo schoon,
-zoo heerlijk!--en waarvan gij tot heden niets zoudt vernomen hebben,
-indien er niet waarlijk godvruchtige mannen waren geweest, zoo als
-Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus,
-Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von
-Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday,
-Arago, Johannes Müller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder,
-Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien
-deze niet getracht hadden in het ware boek der openbaringen te lezen.
-
-De ontdekking van de ware beweging der planeten, der wetten van Kepler,
-van de drukking der dampkringslucht door Torricelli,--de ontdekking
-der undulatie-theorie van het licht, der waarschijnlijkheidsrekening,
-van de wet der zwaartekracht, welke de beweging der hemelligchamen
-aan vaste berekening onderwerpt,--de ontdekking der wet van Mariotte:
-dat de digtheid der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op
-drukt, of aan de zamenpersende kracht,--de ontdekking der elektrieke
-hoedanigheid des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande
-verband tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit
-der electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand
-tot het uitvinden der electrieke telegraphen,--de ontdekking der
-nieuwe classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen,
-der metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht,
-van de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn
-te brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus,
-der polarisatie van het licht,--de ontdekking der theorie van de
-opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken,
-van de gemeenschappelijke basis (van het proteïne) der eiwitachtige
-ligchamen,--de ontdekking der galvanoplastiek door Jacobi, even zeer
-als de ontleding van het witte licht in zijne kleuren, de berekening
-der loopbaan van kometen, de uitvinding der spiegelsextanten, of de
-leer over de gisting en over de metamorphosen in de bewerktuigde natuur
-in het algemeen,----al deze en andere gewigtige ontdekkingen moet gij
-dan (naar de grondregelen van uw geloof) beschouwen als waarheden,
-die God aan de opgenoemde mannen heeft geopenbaard,--even goed als gij
-aanneemt, dat God de zedelijke wet: "gij zult uwen naaste liefhebben,"
-aan Jezus van Nazareth--of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes
-openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte,
-dat het onregtvaardig is te stelen en te dooden.
-
-Dan moet gij insgelijks de werken, waarin de vroeger genoemde
-ontdekkingen zijn ter neder gesteld, bij voorbeeld, de Libri VI
-de orbium coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie
-natuurrijken, Blumenbach's werk de generis humani varietate nativa,
-het Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt's Kosmos, de Mécanique
-céleste van Laplace, Newton's philosophiae naturalis principia
-mathematica en duizend andere voortreffelijke geschriften even zeer
-als "Gods woord" beschouwen, als uw oud en nieuw testament--en dan
-behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als
-aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken
-en behoort hen "apostelen, door God bezielde en verlichte profeten"
-te noemen.--Er behoeft, waarlijk, geen engel uit den hemel te komen
-om ons te leeren, dat een goede God in de schepping leeft, en dat
-wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze medemenschen moeten
-liefhebben om gelukkig te kunnen leven,--die wet staat diep in ons
-gemoed gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg
-werden erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk,
-zuiver menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het
-vooroordeel aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt
-en met ijver er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping
-te ontcijferen.--Aan die dwazen echter, die hun gezond verstand aan het
-blind geloof ten offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren.
-
-Maar daar hoor ik eenigen van u zeggen: "God heeft zich niet aan een
-mensch geopenbaard, volstrekt niet; hij heeft zijn zoon gezonden om
-ons zijn woord, dat in den bijbel is vervat, te verkondigen en Jezus
-Christus was geen mensch, neen, God!--Want de menschen waren slecht en
-zondig geworden en hadden zich strafschuldig gemaakt; maar God erbarmde
-zich over hen en teelde derhalve (4 of 6000 jaar na de schepping van
-den mensch) een zoon, dien hij op de aarde zond. Door de kracht des
-Heiligen Geestes verwekte hij hem in de onbevlekte maagd Maria. Hij
-redde het menschelijk geslacht van zijn ondergang, want door zijn
-onschuldig lijden en sterven droeg hij de straf weg, die de menschen
-hadden moeten lijden. Hij bragt zich ten offer aan God en God was nu
-verzoend en schonk den mensch genade en vergeving van zonde."
-
-Daarop antwoord ik u: 1o. Hoe kan dat gebeuren? God is eenig en
-ondeelbaar, hoe kan hij een zoon hebben?--2o. God is alwetend; hoe was
-het mogelijk, dat de menschen zondig werden en hij zulks niet vooraf
-zag?--3o. God is almagtig en alwijs; hoe kon het geschieden, dat hij
-de zonde toeliet en den mensch niet reeds van den aanvang af zoodanig
-inrigtte, dat de zonde werd verhoed?--4o. God is regtvaardig; maar hoe
-kan hij gezegd worden regtvaardig te zijn, indien hij al de millioenen
-van menschen, die reeds vier of zes honderd eeuwen vroeger op aarde
-geleefd hadden, uitsloot van de weldaden, die hij nu vóór 1854 jaren
-den mensch door zijn zoon liet aanbieden?--5o. God is eeuwig dezelfde,
-onveranderlijk getrouw en waarachtig; maar hoe kan dat mogelijk zijn,
-indien hij 1854 jaren vóór heden andere maatregelen nam dan die,
-welke hij gedurende duizenden van jaren te voren had genomen? indien
-hij naar geheel verschillende plannen dan vroeger en geheel en al in
-strijd met de wetten der natuur handelde, die hij zelf in het wezen
-had geroepen?--6o. Welk regt meent gij dan toch wel te hebben om te
-gelooven, dat Jezus van Nazareth een God was? Is zulks welligt op
-grond hiervan, dat onder het Joodsche volk eene overlevering bestond,
-dat vóór zoo of zoo veel jaren de leerlingen van Jezus het zoo verhaald
-hadden en dewijl deze overlevering later te boek gesteld en nog later
-"Nieuw Testament" genoemd werd? Worden dan in nog oudere schriftelijke
-gedenkstukken der Hebreërs, zoo mede in die van vele andere volken niet
-nog wonderbaarlijker verhalen gevonden. Moet dan alles worden geloofd,
-hetgeen menschen hebben uitgedacht, al was het dan ook, dat zij door
-vromen ijver waren bezield?--7o. Dewijl God almagtig en alwijs is:
-hoe laat het zich dan verklaren, dat de buitengewone maatregelen,
-die hij (naar uwe bewering) vóór 1854 jaren heeft genomen, zoo weinig
-hebben geholpen, ja, het doel (waartoe zij, naar uw vermeenen, moesten
-leiden) geheel en al hebben gemist? Of zoudt gij durven beweren,
-dat de menschen gedurende de 18 1/2 eeuwen, die sedert dien tijd zijn
-verloopen, gelukkiger waren dan vóór dien tijd? of dat zij tegenwoordig
-minder zondigen dan destijds?--8o. Indien gij welligt mogt zeggen: "ja,
-zij zondigen nog evenzeer als destijds, maar God is door het gebragte
-offer verzoend en wij kunnen nu zalig worden," dan vraag ik u: hoe is
-het toch mogelijk, dat gij u zulk een onheilig begrip kunt vormen van
-den Eeuwige, den Onvergankelijke, om te gelooven, dat hij in staat
-zij een bloedig offer aan te nemen, dat een aangeboden zoenoffer hem
-kon bevredigen of omkoopen?--9o. Naar uwe leer heeft God de zoon het
-bloedige offer,--namelijk, zich zelven--aan God den Vader aangeboden;
-God de Vader heeft dit (--menschen- of goden-?--) offer aangenomen
-en het zondig menschelijk geslacht is nu gered! En dewijl nu God
-de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest slechts een God zijn
-(naar uw geloof), heeft God zich zelven--aan zich zelven--om onzent
-wille (die hij met zijnen alvoorzienenden, alwetenden en almagtigen
-wil schiep) ten zoenoffer gegeven!--Ik vraag het u: Wat is dat?
-
-Deze vraag heb ik mijn gezond verstand gedaan en daarop een antwoord
-gekregen, dat uit vijf letters bestaat, met eene o begint en eene
-n eindigt. Ik zou echter zeer onbescheiden handelen, indien ik
-dit antwoord alhier ter nederschreef, want ik zou daardoor als het
-ware te verstaan geven van oordeel te zijn, dat zij, die dit lezen,
-geen gezond verstand bezitten! Dit zij verre van mij. Ik houd mij in
-tegendeel overtuigd, dat ieder, die dit leest, gezond verstand bezit,
-hetwelk zoodanig op het mijne gelijkt, als het linker- op het regteroog
-of de hersenen van den eenen mensch op die van den anderen. Ik wend
-mij derhalve aan al die lezers, die deze vraag beantwoord wenschen te
-zien, met het vriendelijk verzoek, haar aan hun eigen gezond verstand
-te doen en ik houd mij overtuigd, dat van honderd lezers honderd een
-antwoord zullen ontvangen, dat, eensluidend met het mijne, uit niet
-meer en niet minder dan vijf letters bestaat, met eene o begint en met
-eene n eindigt. Slechts in het geval dat er onder de honderd lezers
-eenigen mogten gevonden worden, die hun gezond verstand geheel en al
-ten offer hebben gebragt aan het blinde geloof, zou het mogelijk kunnen
-zijn, dat het antwoord op de vraag verkregen bij hen uit drie letters
-bestond, beginnende met eene z en eindigende met eene n. Ik neem de
-vrijheid deze heeren met betamelijke bescheidenheid onder de aandacht
-te brengen, dat de grootste schat, welken de Eeuwige den mensch heeft
-geschonken, die hem boven alles dierbaar moet zijn, zijne redelijke
-ziel, zijn gezond verstand is, dewijl hij alles, waardoor hij zich
-boven het dier verheft, met inbegrip van zijn heilig geloof aan God,
-uitsluitend aan zijn verstand te danken heeft.
-
-Tot zulke tegenstrijdigheden komt gij door aan te nemen, dat eene
-menschwording Gods of eene regtstreeksche goddelijke openbaring in
-den mensch tot de mogelijkheden behoort. Het is de EENIGE bron van
-alle dwaling en bijgeloof, welke de Christelijke godsdienst aankleeft,
-zoo mede van de vreesselijke misbruiken, die, in den loop der laatste
-achttien honderd jaren, met wereldsche bedoelingen, zijn gemaakt van
-de behoefte der menschen aan godsdienst. Niemand toch zou zich hebben
-durven schuldig maken aan dergelijke misbruiken, indien hij zich niet
-op de woorden des bijbels (die buitendien voor zeer verschillende
-uitlegging vatbaar zijn), als op Gods woord, had kunnen beroepen;
-nimmer zou hij echter den bijbel voor Gods woord hebben kunnen
-uitgeven, indien hij niet het geloof aan de menschwording Gods of de
-regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch als eene vaste en
-algemeen erkende waarheid op den voorgrond had kunnen stellen.--Bewijst
-hem nu, dat God zich op geene andere wijze aan den mensch openbaart
-dan door zijne schepping, dan moet noodzakelijkerwijze, met het vroeger
-genoemde bijgeloof, tevens al het misbruik verdwijnen en de bijbel van
-dien oogenblik af ophouden meer te zijn dan het gebrekkige werk van
-menschen, die voor dwalingen bloot staan. (In het voorafgaande ligt
-echter niet de strekking om te beweren, dat niet zeer veel schoons,
-goeds en voortreffelijks in den bijbel wordt gevonden.)--Blijft gij
-echter vasthouden aan het bijgeloof, dan kunt gij, met den bijbel in
-de hand, alles bewijzen, dat gij wilt;--dan staat de aarde stil;--de
-dooden herrijzen;--goede en booze engelen zweven in het rond;--al,
-dat wonderbaar en in strijd is met de natuur, wordt mogelijk;--gij
-behoeft den bijbel slechts open te slaan om iets te vinden, dat voor
-uw doel past,--om dezen als ketter te vervloeken of aan gindsch boek
-een steen te binden en het, aldus bezwaard, in het diepste der wateren
-te laten zinken; ja, kon het nog twee duizend jaren op denzelfden voet
-voortgaan, zoo als thans het geval is, dan zoudt gij de woorden des
-bijbels zoo lang ginds en herwaarts draaijen, verzetten, verklaren en
-uitleggen, totdat--uwe Christelijke kerk in zoo vele sekten verdeeld is
-als er menschen op aarde wonen of als er woorden in den bijbel staan!
-
-Dewijl er slechts eene waarheid zijn kan, vertoont uwe Christelijke
-kerk, met hare honderden van verschillende sekten, wier aantal nog
-dagelijks toeneemt, reeds naar het uitwendige--wanneer wij haar
-uitsluitend van een praktisch standpunt, als geschiedkundig feit
-beschouwen, gelijk zij daar staat,--het bewijs, dat zij niet in de
-waarheid is.--Ga ik die kerk binnen: welk eene duffe lucht komt mij
-te gemoet! alles is vermolmd en ondermijnd; de grondslagen zijn
-weggebroken en de muren rusten op dunne planken, welke over deze
-gaten zijn gelegd,--de planken zelven zijn echter ook reeds sedert
-langen tijd vermolmd en het gansche gebouw moet onfeilbaar vroeger
-of later instorten!
-
-De waarheid kan onmogelijk in tweeën worden verdeeld of anders worden
-uitgelegd, dan zij werkelijk is. Zij is één en ondeelbaar en vertoont
-zich gelijk zij is: als waar. De NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER
-VAN DEN REGTZINNIG GELOOVIGEN MENSCH kan nooit meer dan eene kerk,
-eene sekte vormen, en de zuilen des tempels, welken zij zal stichten,
-zijn op een hechten grond gebouwd: de gansche schepping is haar
-grondslag. Het binnenste dezes tempels is voor niemand gesloten,
-het altaarblad verbergt geene mysteriën. Uit de met groene bloesems
-gesierde natuur waaijen eeuwiglijk welriekende geuren den tempel
-binnen, en zoo lang het vriendelijke licht van zon, maan en sterren
-niet verbleekt, zal ook de waarheid in deze kerk niet ophouden te
-schijnen.
-
-Gij echter, die aan openbaringen gelooft, gij bevindt u in een doolhof
-met oneindig lange gangen, die zich in allerlei bogten uitstrekken
-en elkander in de verschillendste rigtingen doorkruisen. Deze gangen
-splitsen zich tot in het oneindige in nevengangen, en gij treedt ze
-binnen en doorloopt ze dagen lang, nachten lang;--gij dwaalt er in
-rond, zonder een uitweg te vinden, gij hebt geen kompas, waarnaar
-gij uwe schreden kunt rigten;--hoe verder gij op deze bogtige paden
-voortgaat, des te donkerder wordt het rondom u,--geen schijnsel van
-verlichting dringt daarin door,--slechts dwaallichten flikkeren hier
-en daar voor u op;--in plaats van opbeurenden troost maakt angst zich
-meester van uwe ziel,--maar gij volgt het bedriegelijke spoor der
-dwaallichten, gij begeeft u immer verder en--ten laatste staat gij aan
-den rand eens afgronds, die zich voor uwe voeten opent--onpeilbaar
-diep en somber;--uwe verhitte verbeeldingskracht ziet allerlei
-bedriegelijke gestalten, die in den afgrond rondwaren, ja, op den
-achtergrond ontwaart gij den rossen gloed van hel en vagevuur.
-
-Een letterlijk geloof aan de woorden des bijbels dwingt u niet alleen
-aan te nemen, dat er vroeger wonderen zijn geschied, maar dat er in
-de toekomst wonderen zullen plaats hebben, zoo als de ligchamelijke
-opstanding der dooden.
-
-Volgens de natuurwet zijn alle bewerktuigde ligchamen onderhevig aan
-eene voortdurende verandering, en ondergaat de materie, waaruit zij
-bestaan, eene onophoudelijke omzetting.--De ligchamelijke stoffen,
-welke door de levenskracht in drie- en viervoudige verbindingen worden
-zaâmgehouden, scheiden zich na den dood des ligchaams spoedig vanéén,
-de zuurstof der lucht oefent hare werking uit en andere, eenvoudiger
-verbindingen worden gevormd. Het ligchaam gaat tot verrotting
-over, er ontstaan luchtvormige, druipbaar-vloeibare en aardachtige
-stoffen. Eenige dezer stoffen blijven voorloopig ter plaatse waar
-het lijk verrot; zij bemesten den bodem, groeijen op als gras en
-moeskruiden en worden door mensch en dier gegeten; anderen geraken
-verstrooid, worden door water weggespoeld en kunnen door winden en
-waterstroomingen in alle deelen der aarde, en van de noord- tot aan
-de zuidpool geraken!--Eenige stofdeelen of moleculen van menschen,
-die voor duizend jaren in Friesland zijn begraven geworden, vielen
-welligt met den regen in lateren tijd in de Chinesche zee uit de lucht
-neder; anderen kwamen door stroomingen of met schepen aan de kusten
-van Amerika of naar Engeland;--zij werden door visschen opgeslokt, deze
-visschen zwommen verder,--werden door Chinezen of Nieuw-Zeelanders of
-door Franschen en Engelschen gevangen, opgegeten en kwamen op die wijze
-in menschelijke ligchamen;--deze menschen stierven; gras wies op hunne
-grafplaats; dieren aten dit gras, gaven melk en kaas;--menschen aten
-deze kaas of het vleesch der dieren en stierven;--nieuw gras groeide
-op, nieuwe dieren aten het gras en strekten aan andere menschen tot
-spijs; deze stierven en andermaal groeide er gras of er verhieven
-zich wouden boven de overblijfselen dezer dieren en menschen.--Het
-hout dezer wouden werd deels tot den scheepsbouw gebezigd en eenige
-der daaruit getimmerde schepen beploegden de zeeën van de zuidelijke
-helft des aardbols; zij strandden op de koraalriffen van het eiland
-Malicolo en leverden de stof, waaruit met pijl en boog gewapende
-Polynesiërs ontstonden;--anderen voerden Sir John Franklin naar de
-IJszee, waar hij met man en muis verging; deze schepen waren, even goed
-als de anderen, ruim geproviandeerd met Hollandsche boter en kaas,
-waarvan de officieren en het overige scheepsvolk hadden gegeten,
-die nu door ijsbeeren en visschen, zoo als deze laatsten weder door
-zeehonden verslonden werden, die op hunne beurt aan Eskimo's tot
-voedsel strekten;--een ander gedeelte van het hout werd verbrand,
-de asch werd gebezigd om den grond te bemesten, waarop weldra weder
-nieuw gras en groentesoorten wiessen, die de stof hielpen leveren
-tot verschillende na elkander opgroeijende geslachten van menschen
-en dieren.
-
-Het is derhalve zeer wel mogelijk, dat eenige stofdeelen (of
-der grondbestanddeelen of van hunne verbindingen d. i. atomen
-of moleculen) van de menschelijke ligchamen, welke vóór duizend
-jaren in Friesland zijn begraven, thans zich bevinden in Engeland
-en behooren tot het ligchaam van een lid van het Parlement, die
-lord Aberdeen interpelleert over het Turksche vraagstuk,--anderen
-aan de kusten der Hudsonsstraat of van de Baffinsbaai ronddwalen
-in de gedaante van Eskimo's, die zich aan robbenvet vergasten, of
-thans rollen in de aderen van een Papoea op Nieuw-Guinea;--het is
-mogelijk, dat anderen tot een mandarijn zijn geworden, die thans voor
-Peking het zwaard in de hand houdt om de regten van zijnen keizer
-te verdedigen;--anderen hebben welligt gedurende eenige geslachten
-een stam van Noord-Amerikaansche wilden helpen vormen en zijn thans
-in Californië, alwaar deze wilden zijn begraven geworden, tot hooge
-boomen opgegroeid--en het kan wel waar zijn, dat nog andere moleculen
-der stoffen, waaruit voor duizend jaren de oude Friezen bestonden,
-zich thans bevinden in de tweede kamer der Staten-Generaal te 's Hage,
-in het hoofd van een der volksvertegenwoordigers, die oppositie voert
-tegen het ministerie,--of dat eenige dezer deelen, nadat zij reeds
-door vele tientallen van andere menschelijke ligchamen zijn gegaan,
-en achtereenvolgens aan eenige schoenmakers, kleêrmakers, doodgravers,
-schouwspelers of dominé's hebben behoord,--nu kortelings weder door de
-koeijen in de weide zijn opgegeten en op dezen oogenblik in den vorm
-van boter en kaas of een rundergebraad op een van uwe tafels staan,
-die morgen (wanneer gij die spijzen genuttigd hebt) in uwe aderen
-rollen, overmorgen echter reeds wederom op een andere plaats zich
-zullen bevinden.
-
-Gesteld, dat nu heden de "Jongste dag" ware aangebroken en de voor
-duizend jaren begraven oude Friezen wederom moesten opstaan uit hunne
-graven, welk een onbeschrijfelijk schouwspel van opstanding zou zich
-dan aan uwe blikken voordoen!--Hoe zouden de ligchamelijke deelen (de
-stoffen waaruit de Friezen vóór duizend jaar bestonden), die thans
-allerwege op de aardoppervlakte verspreid zijn, zich moeten haasten
-om--uit den arm van den mandarijn in China, uit Engeland, Malicolo,
-van de kusten der Baffinsbaai, uit Nieuw-Guinea, Californië, uit de
-tweede kamer der Staten-Generaal te 's Hage, uit de kaas of uit het
-rundergebraad, die nog op uwe tafel staan, en uit duizend andere
-ligchamen, uit gras, boomen, koeijen in de weide, visschen in het
-water, menschen in de stad en op het platte land,--hoe zouden zij zich
-haasten om zoo snel mogelijk naar Friesland te komen, hoe zouden zij
-van verre en van nabij door de lucht vliegen, om nog te regter tijd
-aan het oude graf te kunnen zijn!--Eenigen moeten slechts 5, anderen
-30 en er zijn er die 3000 mijlen moeten afleggen,--maar alle deelen
-en atomen (waterstof-, zuurstof-, stikstof-, phosphorus-, kalkaarde-,
-ijzer- en andere atomen) allen reizen even snel,--geen atome kan
-zelfs één enkel oogenblik op het andere wachten,--de kalkaarde
-toch heeft den phosphorus noodig en de phosphorus verlangt naar de
-zuurstof.--Atomen, haast u! haast u!--maakt onderweg geene kennis met
-elkander, wanneer gij daar dooreen snort in de lucht,--verloochent
-voor heden uwe verwantschap,--in Friesland! is uw rendez-vous,--daar
-moogt gij u verbinden, maar houdt u nu niet op, elke seconde is
-kostbaar,--draagt zorg, dat gij aan het graf komt!--Hoort gij het luide
-"geschal der bazuin?"--spoedt u voort!--"de dag van het wereldgerigt
-is aangebroken! de ure der opstanding heeft geslagen!"--Ziet hoe zij
-ijlen, hoe zij vliegen, hoort hoe zij snorren!--zij komen!--daar zijn
-zij!--Ja, het goddelijke magtwoord heeft uitgewerkt, dat zij allen,
-allen te regter tijd aan het graf zijn bijéén gekomen, opdat--de
-doode zou kunnen opstaan.
-
-Goed. De doode rijst op. Daar staat de Fries!
-
-Hoe zonderbaar dit alles ook moge toeschijnen, het is echter denkbaar
-en zou derhalve mogelijk zijn voor de goddelijke almagt.--Maar wacht
-eens! halt!--Wat moet er gebeuren met het lid van het parlement,
-die lord Aberdeen interpelleerde? Wat moet er worden van den braven
-John Franklin en van de Eskimo's,--van den ongelukkigen Lapeyrouse
-en van zijne matrozen,--van de Papoea's, van den mandarijn in
-China, van de Noord-Amerikaansche wilden, van het oppositie lid der
-Staten-Generaal te 's Gravenhage,--van de schoenmakers, kleêrmakers,
-professoren, doodgravers, schouwspelers, en bovenal wat moet er van
-de dominé's worden? die zullen toch ook gaarne willen herrijzen en
-hebben even billijke aanspraken op de goddelijke geregtigheid!--Hoe
-moet daarmede nu gehandeld worden?--De ligchamelijke stof, waaruit
-zij--ten deele--bestonden, is immers naar Friesland teruggekeerd,
-en aldaar gebezigd geworden tot eene hernieuwde daarstelling van de
-ligchamen der oude Friezen!--voor de menschen, die later uit deze
-stof zijn gevormd geworden, is toch niets meer overig gebleven of
-er ontbreekt althans iets aan!--deze hebben een arm, genen een been
-te weinig, aan den één ontbreken 95 atomen stikstof, bij den anderen
-1000 atomen waterstof, en aan het oppositie lid der Staten-Generaal te
-'s Hage ontbreekt welligt het gansche hoofd!--Zonder hoofd kan men
-toch niet uit den dood opstaan!--Neen, dat gaat niet.
-
-Dezelfde stof heeft toch achtereenvolgens, op verschillende tijden,
-zeer vele ligchamen van menschen gevormd,--de materie loopt immers in
-een eeuwigdurenden kring en gaat onophoudelijk van het onbewerktuigde
-rijk in het bewerktuigde, in planten, dieren en menschen over en
-keert uit deze weder in het onbewerktuigde rijk terug!--De stof neemt
-nimmer toe, noch af, maar ondergaat eene voortdurende omzetting en
-een en hetzelfde atome zal tot aan den "jongsten dag" welligt tot een
-millioenen ligchamen of meer hebben behoord, welke het achtereenvolgens
-hielp daarstellen! - - - Gemakkelijk laat het zich bevroeden, dat het
-zelfs voor de goddelijke almagt volstrekt onmogelijk zou zijn, dat
-millioen menschen in eens in hunne vroegere ligchamelijke gestalte te
-voorschijn te doen komen, dewijl toch hetzelfde atome slechts aan een
-hunner te gelijker tijd kan toebehooren en, zoo lang het aan dezen
-eenen behoort, natuurlijkerwijze aan de overige 999999 ontbreken
-moet!--Maar wat meer zegt, zelfs gedurende het leven bestaat het
-bewerktuigde ligchaam geen twee dagen lang uit dezelfde stof, dewijl
-het onophoudelijk nieuwe stofdeelen opneemt en de ouden uitwerpt.--De
-gansche schepping van dieren en menschen, welke uit vele millioenen
-van individuen kan bestaan hebben, en vóór 3000 jaren op de aarde
-leefde,--vervolgens stierf en begraven werd, zij ligt thans niet meer
-in de aarde, maar is reeds sedert lang opgestaan!--Dezelfde stof,
-waaruit zij bestond, bevindt zich in dezen oogenblik misschien in
-ons,--in de thans levende schepping van dieren en menschen,--nadat
-zij intusschen gedurende de verloopene 3000 jaren door talrijke andere
-levende geslachten is gegaan.
-
-"Het ligchaam zal tot stof wederkeeren, waaruit het genomen is;"
-dat wil zeggen, de stof is, wel is waar, onvergankelijk,--maar
-veranderlijk van gedaante; zij is onophoudelijk in beweging en de
-stoffen scheiden zich vaneen of gaan nieuwe verbindingen aan zonder
-ophouden. De geestelijke kracht, de ziel alleen, is onveranderlijk
-en eeuwig. Wij behooren derhalve de ligchamelijke opstanding der
-dooden als een schadelijk bijgeloof te verwerpen en slechts aan
-een wonder te gelooven, dat is, aan HEM, dien wij aanbidden en niet
-begrijpen, van wiens aanwezen echter wij zelven, zoo mede de gansche
-schepping en de eeuwige onveranderlijke wetten, die haar beheerschen,
-de getuigen zijn. Want God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw
-en waarachtig.
-
-
-
-24.
-
-God is voortdurend werkzaam: wij moeten arbeidzaam en vlijtig zijn.
-
-In de natuur blijft niets, zelfs niet gedurende een enkelen oogenblik
-onveranderd, staat niets gedurende een enkelen oogenblik stil; de
-tijd gaat onophoudelijk voort.--Laat ons een nuttig gebruik maken
-van de handbreedte tijds, welke de maat is van onzen levensduur en
-verslapen wij dien niet. Wij moeten vlijtig zijn en, indien wij ons
-doel willen bereiken, volhardend in vlijt.
-
-Wij zullen het genot der rust eerst dan leeren schatten, wanneer wij
-vermoeid zijn van den arbeid. Wij moeten arbeiden, elk in zijn vak,
-totdat wij vermoeid zijn. Wij moeten nimmer ledig gaan, indien wij
-niet vermoeid zijn.
-
-God heeft ons geschapen, opdat wij op hem zouden gelijken en
-leven. Indien wij langer slapen dan noodig is, indien wij zonder
-vermoeid te zijn, ons op de rustbank nederleggen, dan handelen wij
-ondankbaar jegens de weldadige bedoeling van God, wij verkorten
-ons leven en leven dan slechts half. Lediggang is zonde. Wij moeten
-vlijtig en arbeidzaam zijn, want God is voortdurend werkzaam.
-
-
-
-25.
-
-Wanneer wij bij het nadenken over het geschapene en zijn oorsprong
-aan de grens zijn genaderd, alwaar ons begripsvermogen ophoudt, dan
-verrijst de hoop voor onze blikken.--Uit de beschouwing der natuur en
-van ons zelven zijn wij tot de erkentenis gekomen, dat een eeuwige,
-verstandige geest in deze schepping leeft. Zijn wezen, zoo mede
-onze bestemming en toekomst kunnen wij niet doorgronden. Maar uit de
-verschijnselen en wetten der natuur hebben wij de hoedanigheden Gods
-afgeleid, en hierin de voorschriften onzer godsdienst en zedeleer
-gevonden.--Dit zijn de hemelsche sterren, die het aardsche leven
-vriendelijk beschijnen. Bij deze helderblinkende sterren voegde
-de Onvergankelijke nog eene zachte maan en hij gebood, dat haar
-weldadig licht nimmer zou worden uitgedoofd in het gemoed van den
-deugdzamen mensch: hoop is haar naam.--Nergens kunnen wij waarheid,
-nergens duurzame bevrediging des harten vinden, dan in de beoefening
-der natuur,--in de beschouwing harer ligchamen, harer stille, eeuwig
-zich gelijk blijvende krachten; want hierin zien wij de sporen van den
-Onvergankelijke, die zich weder in onze eigene ziel afspiegelen.--Wij
-moeten het verhevene, het groote, dat zich in de natuur openbaart,
-niet bespotten. God moet ons heilig zijn.--God is wijs, goed,
-regtvaardig, onveranderlijk getrouw en werkzaam. Wij moeten er naar
-streven dit insgelijks te zijn. Dit geloof moeten wij gedurende ons
-gansche leven geen oogenblik laten varen; wij zullen er vertrouwen op
-ons zelven uit putten en het zal ons sterken in de wederwaardigheden
-onzes levens, ja, het zal ons troosten, wanneer wij twijfelen of aan
-iets onbegrijpelijks komen.
-
-Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen, die zoo vol
-landen, klippen en eilanden is, moet dit geloof zijn;--liefde moet de
-kracht wezen, die onze zeilen doet zwellen; wijsheid behoort aan het
-stuurrad te staan en--ons plegtanker, dat vóór aan den boeg hangt,
-'t welk men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de
-oneindige zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat,
-dit moet zijn--de hoop.
-
-
-
-EPILOOG.
-
-Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne preek tegen
-het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan openbaring.
-
-Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen gerangschikt mogen
-worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is, begrijpen en met
-mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de maatschappij, dat
-het aantal diergenen groot moge zijn.--Trouwens, gij--heiligen van den
-jongsten dag, gij, Groene, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat
-tot over de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist
-als de visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche
-wereld uit water bestaat. En wanneer nu eens bij een geleerde onder
-hen--onder de visschen--een duister voorgevoel opkomt, dat er welligt
-ook lucht in de wereld is, dan verbeeldt hij zich toch, dat die eene
-doodelijke gassoort moet zijn, waarin al dat leven heeft, onfeilbaar
-moet verstikken!--En wie mag zich daarover verwonderen? Gij hoort,
-ziet, ruikt, smaakt en gevoelt toch van uwe prille jeugd tot aan
-uw zalig uiteinde niets anders dan Christelijke polsen, Christelijk
-brood en wijn, Christelijken wierook of damp, Christelijke kerken en
-Christelijke predikatiën,--gij schrijft Christelijke anthropologien,
-draagt Christelijke brillen op uw neus,--de menschenliefde hebt
-gij afgeschaft, 't moet Christenliefde heeten, "dampkringslucht"
-is eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan
-Christelijke lucht, gij drinkt echt Christelijk water en, moogt gij
-ook somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des
-te Christelijker,--gij laat u Christelijk begraven en vaart dan--op
-naar den Christelijken hemel, die zich met de zon, de maan en alle
-sterren dagelijks om de kleine aarde draait.
-
-Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een dergelijken bril
-draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de visschen predikt:
-"Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht, die men hier tusschen
-de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is het heldere licht, het
-licht der waarheid, dat hier boven schijnt!--Gij arme visschen, wilt
-gij dan eeuwig in het troebele water blijven en u over den modderigen
-bodem rondwentelen? of u zelfs laten visschen en vangen met den angel
-Groen--angel geel of angel blaauw?--of van welke kleur zij mogen
-zijn, deze takken van den boom met twee wortelen: a en b. Komt toch
-boven en volgt mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u
-visschen."--Hu! dat hebben de getrouwe geburen der visschen, namelijk,
-de kikvorschen, die aan den kant zitten, gehoord en nu beginnen zij te
-kwaken, allen te gelijk, met eene stem: "Visschen! Visschen! Wacht u
-voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom; maar gij kunt immers
-hooren? Gij kunt immers gelooven?--wel nu, gelooft hem niet! Hoort niet
-naar hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind,
-naar dezen bezetene!--Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft
-ons kikvorschen: wij zeggen u de waarheid! het heldere licht daarboven
-kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht moet gij verstikken,
-geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs kunnen haar niet goed
-verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer wij kwaken willen,
-ademen wij die lucht eens even in. Dat weet gij immers wel.--Wij
-blijven het liefst bij u in het moeras! Is dat dan niet volkomen
-waar?--Daarvan kunt gij u met uwe eigene oogen overtuigen!"--en plomp,
-plomp! daar springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar
-schieten zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het
-hart der visschen van vreugde bonst."--Dat zijn eerst overtuigende
-bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door de gehoudene
-predikatie en--zwemmen voort.
-
-
- (Vervolg hierna.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-VERKLARING.
-
-
-De mededeeler der "Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van
-Java," heeft zijnen naam niet genoemd. Hij hoopt zelfs, dat zijn naam
-nimmer bekend zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen
-en dwalingen bestreden en daarentegen de goede zaak der waarheid en
-verlichting verdedigd, welke hij door een persoon onder den verdichten
-naam van Dag liet vertegenwoordigen. Het is eene groote en schoone
-zaak. Duizenden--en deze niet de minst edelaardigen in den lande--zijn
-in de stilte met geestdrift daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder
-geschreven wordt, beteekent een individu. Een mensch is klein en zwak,
-en ieder heeft zijne gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare
-eigene verdedigster zal zijn, en het is niet uit onbescheidenheid,
-dat hij zijnen naam verzwijgt.
-
-Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is naauwelijks het
-honderdduizendste gedeelte zijn eigendom, en ook dit honderdduizendste
-gedeelte slechts in zoo verre als hij een weinig heeft mede gearbeid
-aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij zijne eigene
-vijf zinnen niet ongebruikt heeft gelaten, om in het levende boek
-der natuur te lezen en de schriftteekenen der schepping zoo getrouw
-mogelijk te verklaren. Al het overige gedeelte des inhouds van dit
-geschrift is het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben
-geleverd tot verklaring van het boek der schepping, die allen hebben
-medegewerkt om waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor
-bijgeloof en dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een
-bewijs van aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler
-dezes zijnen naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van
-personen op den titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld
-te worden van die duizenden, welke sedert den tijd van Galilei en
-Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter
-een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der
-namen van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de
-mededeeler hen allen te zamen onder den naam van Dag, d. i. waarheid,
-verlichting, welken hij op den titel stelde. De billijkheid vorderde
-derhalve, dat hij zijn eigen naam verzweeg, dewijl hij hoogstens naar
-de eer kan dingen één dier duizenden te zijn.
-
-Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten, zonder in eene
-wederlegging der zaak zelve te treden, hunne aanvallen gerigt tegen den
-schrijver,--hoezeer deze onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van
-"verregaande domheid," anderen van "verregaande onbeschaamdheid;" zij
-noemden zijn boek een "vuilaardig schotschrift;" zij gaven den lezer
-den raad "er een steen aan te binden en het in den Eufraat te werpen;"
-er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de schrijver "zijn
-naam zou noemen" (--waarom?--) en anderen verheugden zich, dat hij
-"zijn naam verzwegen had, dewijl zij dit als een bewijs beschouwden,
-dat hij nog niet alle gevoel van schaamte had uitgeschud, maar
-integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te verdedigen."
-
-Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog doen
-verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder. Zij
-namen het zelfs den uitgever kwalijk, dat hij een "dergelijk boek"
-in het licht had gezonden en gaven hem duidelijk te verstaan, dat
-hij wel zou doen het vervolg er van niet te leveren.
-
-Deze en andere beschuldigingen, welke den uitgever--geheel
-onverdiend--werden te last gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest,
-dat hij mij heeft verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven,
-tenzij ik, door het stellen van mijnen naam voor het geschrift,
-de verantwoordelijkheid daarvan op mij--op mij alleen--nam, onder
-bijvoeging dat het gansche werk op mijne kosten werd uitgegeven.
-
-Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al overeenkomstig is met de
-waarheid, dat de UITGEVER volkomen vreemd is aan den inhoud van het
-geschrift, dat het op MIJNE kosten is uitgegeven en dat IK ALLEEN
-verantwoordelijk ben voor den inhoud.
-
-Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet noemen, tenzij
-ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. Gij, heeren recensenten,
-kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft alleen bewerkt, dat
-het boek een anderen uitgever heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt
-u gaarne tot eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen,
-de vrijheid van drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de
-uitgave verhinderen van zulke geschriften, die u mishagen,--of,
-indien dat niet gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des
-schrijvers kennen. Velen onder u zouden zoo gaarne een persoon als
-doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun
-dan gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek
-van de zaak af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen: "Hij heeft
-den moed niet zijn naam te noemen." Ik verklaar, echter dat het
-mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als een lafaard
-beschouwen, dan dat de vrienden der zaak door broeder Dag verdedigd,
-mij van onbescheidenheid kunnen beschuldigen. En daarenboven al
-uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen! Het is
-waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb
-mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt:
-innige, vaste, onwankelbare overtuiging!--Op dit pantser zullen al
-uwe pijlen afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij
-slechts in zoo verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt,
-u de woorden toe te roepen, die gij Lukas XXIII vs. 34 lezen kunt.
-
-Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite niet,
-het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers
-te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te
-bestrijden, waarom verzwijgt ook gij niet liever uwe namen?--Spreekt
-toch niet van personen, maar blijft bij de zaak,-- --noemt u Nacht!--en
-wederlegt (indien gij kunt) de leerstellingen van Dag.
-
-
- S. ... Julij, 1854. Dag.
-
-
-
-
-
-
-
-
- VERHALEN EN GESPREKKEN
- UIT DE
- BINNENLANDEN VAN JAVA.
-
-3.
-
-
-Toen ik den volgenden morgen [12] ontwaakte en van mijne legerstede
-opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder Nacht de hut reeds had
-verlaten. Ik zocht hem overal in het dorp, maar nergens kon ik hem
-vinden. Eindelijk kreeg ik hem in het oog; ik zag hem in de verte
-op den top des Goenoeng-Soesoe, waar hij, in diep gepeins verzonken,
-den oogenblik scheen af te wachten, waarop de zon boven den horizon zou
-verrijzen. Later verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke
-godsdienst meer had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de
-gronden vroeger door mij tot staving mijner gevoelens aangevoerd. Mijne
-zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij
-verdedigd ter bestrijding van de "geopenbaarde godsdienst," wenschte
-hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den huidigen
-dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de hand en
-ging toen mijn eigen weg.
-
-Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche priester mij te
-gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne landslieden, in het
-dorp aanwezig, slechts één enkele werd gevonden die Orang Natsarani,
-dat wil zeggen, Christen of, woordelijk gesproken, Nazarenermensch
-wilde worden. Mijne agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op
-al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht,
-dat ik hem mijn boek "Kitab" (eigenlijk heilig boek of bijbel) zou
-leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te lezen en
-vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne voldeed
-ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het Maleisch
-geschreven uittreksel af van het "Evangelie van den regtzinnig
-geloovigen mensch," welks geest en strekking ik den vorigen avond
-getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne vraag, wie dan
-toch de nieuwe Orang el Meseh [13] was, verkreeg ik ten antwoord dat
-het de bediende mijns broeders was, welke dien wensch had te kennen
-gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat een spotachtige trek
-zich op het gelaat van den Imam (priester) vertoonde, toen hij den
-naam van "Lapiah" noemde, van den slimmen vogel, dien de lezer reeds
-ten deele aan zijne vederen heeft leeren kennen.
-
-In mijn binnenste speet het mij, dat de goede kern van de zedeleer des
-Hebreërs van Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen;
-wat echter de handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde
-ik mij in geenen deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa,
-behalve de werkelijk goeden en de van harte geloovigen, [14] zeer
-dikwerf ook dergelijke personen aan den Messias en aan de leer
-"der verlossing van zonden door het bloedige offer van Gods zoon"
-gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben bedreven, en grooten
-lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke menschen brengen
-hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort met zondigen),
-zoomede dezulken die volstrekt geene behoefte aan godsdienst hebben,
-zoodat het hun onverschillig is wat zij gelooven of uit eigenbaat
-huichelen te gelooven. Indien echter een goede kern in Europa
-geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen,
-bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en
-onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden
-kon dan eenen Lapiah,--dan moet zij inderdaad wel zeer dik met stof
-en dwalingen bedekt zijn!--Wat broeder Nacht hierover wel zal zeggen?
-
-Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij met twee
-mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke wijze als
-gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg begaf naar
-een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten einde dien
-te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en aan de
-reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. Met
-de beschrijving van mijn "dagelijkschen arbeid" wil ik echter den
-lezer dezer bladen niet vermoeijen.
-
-Door en door warm van de brandende zonnestralen en druipnat van zweet,
-kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in de gelegenheid om
-de oude spreuk te bevestigen: "in het zweet uwes aanschijns zult gij
-uw brood eten."--Zweet? Ja.--Brood? Ja, en nog iets beters dan dat:
-lust tot den arbeid, levensgenot, menschenliefde, geluk en--een van
-dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst was insgelijks
-de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het distriktshoofd
-hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij mijn broeder
-had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander geslagen,
-zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven in zijne
-op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem daarvan wilde
-ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, bragt die met
-eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief uit den
-omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde daarop
-even plegtig als vroeger zijn "Sembah." Niet vóór ik den brief geopend
-en hem gezegd had, dat alles goed was, stond hij op en verwijderde
-hij zich in eene bukkende, onderdanige houding. De lezer zal wel
-bevroeden dat deze eerbewijzingen niet mij, maar den brief golden,
-die van een zijner hoofden kwam.
-
-Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in de nabij staande
-hutten en vond hem in een er van in eene hevige woordenwisseling
-met Lapiah, dien hij beval zich te verwijderen en welke mompelend
-gehoorzaamde. Drie andere Javanen die zich in de hut bevonden,
-zwegen nu insgelijks stil, dewijl zij bespeurden dat mijn broeder
-toornig was. Uit eenige woorden die ik had opgevangen, als Isa el
-Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het vermoeden dat zij over
-onderwerpen, het geloof betreffende, hadden gesproken. Ik erlangde
-hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders mond, die mij te kennen
-gaf dat hij, in gevolge van zijn wensch en dien der dorpsbewoners,
-dezen avond weder bestemd had tot het houden eener bijeenkomst en,
-dewijl hij behoefte gevoelde om verscheidene punten nader toe te
-lichten, hoopte hij dat deze afspraak mij niet ongelegen zou komen.
-
-Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval was, las ik
-hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die met eene
-zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer van den
-volgenden inhoud was: "Vele groeten aan de Heeren Dag en Nacht van mij
-Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden [15] Kapala tjoetak, enz. Het is
-mij niet mogelijk Koeli's aan de Heeren te zenden buiten de grenzen
-van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het grensdorp
-Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe aankomst
-aldaar tien Koeli's te verschaffen en u tot aan het volgende dorp te
-vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn bevel verder
-moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel duiden, indien ik u de
-opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving moeten bekomen,
-wanneer Orang Wolanda's in het binnenland reizen; ik heb echter nog
-geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve het plan opgevat
-onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten einde den regent
-om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte van de wijze
-waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen." Wij zagen nu duidelijk
-in dat er voor ons niets anders overschoot, dan nogmaals een beroep
-te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten einde door hunne
-tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij gelegen distrikt
-te kunnen bereiken.
-
-De Kalong's togen weder over onze hoofden naar het gebergte,
-de paauwen vlogen al gillend door het dal en het insektengegons,
-waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, werd allengs
-meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in dezelfde hut
-vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op den vloer
-bijeen; ook de Imam zat met de beenen kruislings over elkander vóór
-hen en wij hadden onze oude plaats in de nabijheid van den wand weder
-ingenomen, waar de beide lampen een schemerachtig licht verspreidden.
-
-IMAM. Zeer geachte heeren! Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid
-gehad ons, onwetende Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst,
-waarvoor wij u bij deze onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven
-dat gij het werkelijk goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is
-almagtig, alomtegenwoordig, alwijs, algoed en volkomen regtvaardig;
-dat alles is ons sedert lang bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar
-streven moeten om Gode gelijk te worden, om deugdzaam te zijn en onze
-medemenschen lief te hebben; ook dat weten wij sinds lang en dit staat
-mede zeer schoon beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer Nacht
-[16] gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden bestaat, een Vader,
-een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op aarde moet gekomen
-zijn om zich voor het menschdom op te offeren en allen, die in hem
-gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den hemel te brengen;
-dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou onregtvaardig gehandeld
-zijn van den Albarmhartige, dewijl wij niet daaraan gelooven. Wij
-gelooven veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet
-of berouw koestert over zijne zonden, in den hemel komt, en dat de
-Albarmhartige een Eenig groote God is. Mijne landslieden, hier om mij
-verzameld, hebben mij den last opgedragen den zeer geëerden Heer Nacht
-te verzoeken, het hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen
-willen worden en niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen Lapiah,
-de bediende van den Heer Nacht.
-
-LAPIAH. Neen; ik ook niet. Mijn Heer heeft mij gezegd dat elk Christen
-zijne medechristenen even lief moet hebben, als zich zelven; dat
-heeft hij echter niet willen doen. Mijn Heer rookt dagelijks twaalf
-manilacigaren; ik ben ook een liefhebber er van en heb slechts twee
-van de twaalf voor mij gevraagd, maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn
-Heer is rijk genoeg en ik heb hem slechts om 5 gulden toelaag per
-maand tot mijn loon verzocht, ten einde, na den afloop der reis,
-mij nog eene vrouw te kunnen aanschaffen; maar op het hooren van dit
-voorstel is mijn Heer boos geworden en heeft mij toegevoegd: maak je
-weg, lummel! Jij behoeft geen Christen te worden. Wat helpt nu zulk
-een fraaije leer, indien zij slechts in boeken te lezen staat en er
-niet naar gehandeld wordt? Om die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.
-
-NACHT. Luister eens Lapiah; gij zijt steeds vriendelijk door mij
-behandeld geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet
-zijt en het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of
-gij u Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het
-gebod "hebt uwe naasten lief gelijk u zelven", kan en mag niet uit
-het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften heeft,
-hetgeen zoo veel wil zeggen als: "iedereen lief te hebben naar de
-mate waarop hij aanspraak heeft." Dat ik deze leer inderdaad navolg,
-hiervan zal ik u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee
-van mijne manilacigaren hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5
-gulden toelaag bekomen en behouden, zoo lang gij uwe vrouwen liefderijk
-bejegent en u goed gedraagt. Maar--Christen zult gij niet worden,
-dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten,
-dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken,
-slechts misbruik er van wilt maken.
-
-(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: "ongeveer gelijk
-dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk algemeen, loffelijk
-gebruik geworden is.")
-
-IMAM. Ik ben zeer beducht, achtingswaardige Heer! dat zulks met het
-grootste gedeelte mijner landgenooten het geval zijn zou. Duidt
-mij de aanmerking niet ten kwade, maar eene leer, die eerst moet
-uitgelegd en verklaard worden, alvorens haar toe te kunnen passen,
-kan geene volle, van God afkomstige waarheid zijn, zoo als trouwens
-mijn Heer uw broeder Dag zelf reeds heeft gezegd.
-
-NACHT. Daar hebt gij het!--Ware deze heer Imam met zijn Koran en gij
-met uw "Evangelie der natuur" er niet tusschen beide gekomen, dan
-zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig schoon gevonden
-en aangenomen hebben.
-
-DAG. Maar, beste broeder, hoe kunt gij u bedroeven over deze
-tusschenkomst? Of zoudt gij durven beweren dat er eenige verdienste
-in gelegen was, het Christendom in te voeren onder een volk dat
-nog op den allereersten trap van zedelijke ontwikkeling staat, zoo
-als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, wier oordeel weinig
-geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe mate ontwikkeld
-zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, zulke menschen te
-overreden om het Christelijk geloof te omhelzen, die nog nimmer van
-eene andere leer hebben gehoord, aan wie slechts deze eene leer--en
-dat nog zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling--wordt
-kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd geene sprake kan zijn van het
-doen eener keuze tusschen deze en eene andere leer?--Wat verhinderde
-dan deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te
-verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op
-hen uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten
-tusschen ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat
-kan hen daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen
-moet gezocht worden in hunne overtuiging, in de overtuiging dat de
-grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die zij begrepen,
-werkelijk op de waarheid steunen?--En deze zoudt gij met voorbedacht
-voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de hand en
-fluisterde mij toe: "gij hebt gelijk; terstond zal ik mij nader
-verklaren." Ik ging hierop voort.) Ik weet welke bewijsgronden door
-orthodoxe predikanten, presidenten van zendelinggenootschappen en
-dergelijken ter verdediging hunner Evangelische woelingen in vreemde
-landen gewoonlijk worden gebezigd. Zij zeggen dat de invoering van
-het Evangelie b. v. op de Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de
-wildste menschen, ja, geheel ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen
-heeft in de zachtaardigste lammeren!--Ik echter antwoord daarop: dat
-heeft het Christelijke dogma niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling,
-de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming
-van menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs,
-die zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor
-oogen hadden,--deze moeten beschouwd worden als de oorzaken, welke
-die verandering bij gindsche woeste volken hebben te weeg gebragt, en
-deze verandering zou bij hen hebben plaats gegrepen, al hadden zij het
-Christendom niet op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats van
-deze, eene andere godsdienst, b. v. de Boedha- of de Mohammedaansche
-godsdienst nog mede op de koop daarbij hadden ontvangen.
-
-IMAM. Hetgeen gij, waarde Heer Dag, ons voorgedragen en later op
-schrift ter lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja,
-wat meer is, wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden
-mij verzocht hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te
-verklaren. Ik ben in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit
-G. hier heen gekomen om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het
-besluit opgevat, om mij alhier neder te zetten en het Evangelie van
-den regtzinnig geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te
-dragen en daarin onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat
-wij Isa el Meseh als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en
-hierin stemt uw Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval
-is, met ons wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden
-wij nopens twee onderscheidene punten eenige nadere inlichting van
-u wenschen te ontvangen.
-
-Het eerste punt is van den navolgenden aard. Wij Javanen hebben van
-oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den doode, welke ons
-in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De mogelijkheid daarvan
-wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. Dit doet ons
-leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der afgestorvenen,
-de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom achten
-en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en
-gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien,
-naar hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd
-vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht
-en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar
-het werd begraven. Indien dat het geval ware, zouden wij het even goed
-dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!--Zou echter zulk eene
-ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige werking uitoefenen op
-de levenden en eene wederkeerige onverschilligheid of liefdeloosheid
-ten gevolge kunnen hebben?
-
-DAG. Er waren in der tijd vele volken, gelijk er nog heden ten dage
-gevonden worden, die hunne dooden verbranden; ja, hier op Java zelf
-bestond vroeger diezelfde gewoonte, alvorens met den Koran de leer
-van de ligchamelijke opstanding uit den doode en de heilige eerbied
-voor de graven alhier werd ingevoerd. Sommige volksstammen werpen
-de lijken hunner afgestorvenen op bepaalde plaatsen neder, waar
-zij door gieren en ander wild gedierte worden verslonden.--Verre
-zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter navolging zou willen
-aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij overeenkomstig de natuur
-een lijk slechts zoo lang met eerbied en teedere belangstelling kunnen
-behandelen, als het den menschelijken vorm nog bezit welke ons den
-geliefden afgestorvene herinnert; zoodra echter de ontbinding aanvangt
-dezen vorm te vernietigen en het lijk (dat nu geen mensch meer is)
-in onaangenaam riekenden stof doet overgaan, moeten wij het ook als
-onaangenaam riekende stof behandelen, begraven of verbranden. Eene
-langduriger vereering van lijken en begraafplaatsen heeft reeds
-menigwerf een verderfelijken invloed op de levenden uitgeoefend. De
-akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, indien de begraafplaatsen
-om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene plek, nadat zij gedurende
-10 à 15 jaren onaangeroerd was gelaten, op nieuw tot bouwland werd
-gebezigd.--In zijne werken, in zijne lessen is het dat de werkelijk
-brave mensch op aarde blijft voortleven, en het beste, het meest
-eervolle gedenkteeken dat wij hem kunnen stichten, zal steeds zijn de
-dankbare herinnering aan hem die ons gemoed vervult, en deze kunnen
-wij natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere
-dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt,
-hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam
-in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te
-haken of te verlangen.
-
-WEDUWE. Indien de Heeren het niet kwalijk nemen, wenschte ik
-eenvoudige vrouw insgelijks een woordje te spreken. Te gelooven aan
-eene ligchamelijke opstanding, dat is mij niet mogelijk, al stond
-het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan mijn armen man niet
-te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. De tijger heeft
-hem echter opgevreten en verteerd!--Hoe is het nu mogelijk, dat
-hij weder kan opstaan? Dan zou hij immers een tijger moeten worden,
-dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger
-dien wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds
-weder van Rajap's en andere gewormte half verteerd!
-
-DAG. Zeer juist aangemerkt--en in den eeuwigen kringloop der
-stoffen zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen
-aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te
-maken van dwaalbegrippen die ons lief en waard zijn geworden. Dat is
-de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om onze kinderen
-geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in tegendeel zoo
-vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur naauwkeurig
-bekend te maken.--Het gaat u met de opstanding der dooden ongeveer op
-gelijke wijze als den Christenen met de goddelijkheid van Jezus. Zij
-vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer al hare waarde verliezen
-zal, indien aan haren stichter het praedikaat van goddelijkheid wordt
-ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van zien, geheel ongegrond
-is. Wat meer zegt, ik geloof dat zij daarbij noodzakelijker wijze
-gewinnen moeten, indien hun wordt geleerd dat zij Jezus slechts
-als mensch moeten eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij
-de reinste deugd leerde en beoefende, dat hij eene alles ten offer
-brengende menschenmin bezat en een God was, dan volgt hieruit dat zijne
-hoedanigheden ons een onnavolgbaar voorbeeld moeten toeschijnen, dewijl
-het een God niet moeijelijk vallen kon deugdzaam te zijn. Gelooven
-wij daarentegen dat hij niets meer of niets minder was dan een mensch
-gelijk wij, en niettegenstaande dat al die deugden beoefende,--moet
-de overtuiging hiervan voor ons niet veel opwekkender zijn, dewijl
-zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat wij, indien wij zulks
-willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen zijn als hij
-was?--Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid van hunnen Jezus
-zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de opstanding der
-dooden, indien gij niet langer gelooft aan iets, hetgeen gij elken
-dag kunt zien, dat eene natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene
-erbarmelijke inrigting zou het toch zijn, indien de natuur die zulk
-een onuitputtelijken rijkdom aan nieuwe scheppingskracht bezit, oude,
-voormalige individuele vormen weder te voorschijn moest brengen en
-kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en verminkte menschen,
-of misgeboorten die twee hoofden hadden, melaatschen, blinden, enz.,
-enz., allen, allen juist zoo als zij in hun leven waren, andermaal in
-het aanzijn moest roepen?--Zoudt gij zoo iets kunnen wenschen? Wel nu,
-dat zou ook geen redelijke wensch zijn. Ik raad u derhalve: onderwerpt
-u aan de wetten der natuur, waarin de wil des Eeuwigen zich openbaart,
-en houdt u overtuigd dat de dooden die gij hebt begraven, nimmer zullen
-opstaan; bemint hen des te vuriger, zoo lang zij leven en gelooft
-aan de onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in u is, en aan
-de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den mensch,
-welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet gaat.
-
-IMAM. Ik neem dit alles gaarne aan en zal met alle krachten er naar
-streven, om uwe natuurlijke beschouwingen onder mijne landslieden
-meer en meer ingang te doen vinden.--Ten opzigte van het eerste punt
-hebt gij de goedheid gehad, mij de noodige opheldering te geven;
-thans blijft nog een ander punt over, waaromtrent ik eene vraag tot
-u wenschte te rigten.
-
-Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke menschen in
-Negara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en datgene gelooven,
-hetwelk de Heer Nacht ons gisteren uit het bijbelboek heeft
-voorgelezen, hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen
-kunnen. Zulk eene tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst
-is niet geschikt voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de
-Heer Nacht ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als het zien
-van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of wanneer
-wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) lijden.--Hetgeen gij
-daarentegen, Heer Dag, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd,
-kwam met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk
-begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als waar.--Hoe
-komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle blanke menschen,
-die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten dan wij, aan de
-Messiasleer van den Heer Nacht gelooven, en dat zij begrijpen kunnen
-of troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk
-is als eene bergopwaarts stroomende beek, in iets dat een indruk op
-ons maakt als eene sombere, zware regenbui?
-
-DAG. Mijn goede Imam. De geleerde en ongeleerde bewoners van Holland
-begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten verbeelden
-zich slechts dat zij het gelooven, dewijl zij niet anders weten, dan
-'t geen zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter
-weten, wenden huichelachtig voor dat zij er aan gelooven. Deze beide
-klassen maken de meerderheid uit der bevolking.--Maar buitendien
-worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over hand toe,
-die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen echter
-niet openlijk voor hunne grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar,
-te opregt en te braaf om te huichelen, maar----zij verbergen den
-schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems;
-zij houden hunne godsdienstige overtuiging geheim.
-
-IMAM. Hoe is dat mogelijk! Er is mij toch verhaald, dat in uw land
-volkomen vrijheid van godsdienst bestaat en dat daar alle sekten,
-Mohammedanen, Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen
-gelijke regten genieten!
-
-DAG. Van staatswege, in gevolge de bepalingen van de grondwet:
-ja. De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en
-ik meen te mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal
-beantwoorden. Stel, dat duizenden in stilte van geestdrift gloeijen
-voor de natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een
-tiental dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens eens
-van naderbij.--De een van deze tien heeft een broeder, die dominé of
-pastoor is. Een andere is een dominé's zoon. Deze vreest door den
-invloed der geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien
-hij laat zien dat hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst
-koestert dan zij;--ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er
-inderdaad zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar
-hunne overtuiging zouden prediken, dan op den kansel komedie spelen;
-maar--zij hebben eene vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun
-gevoelen niet openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe
-predikant neder te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte
-"het kan zoo veel kwaad niet" en accommoderen zich naar de heerschende
-begrippen.--Gene is een koopman, welligt een boekverkooper, wiens
-winkel aan hem het eenige middel van bestaan oplevert en onder wiens
-klanten vele priesters worden gevonden, die hij stellig zoude verliezen
-en die hem daarenboven nog vele andere klanten zouden aftroonen,
-indien hij het durft wagen openlijk eene andere leer te belijden
-dan het orthodoxe geloof. Een vijfde, een zeer verlichte man, hoopt
-op de nalatenschap van eene rijke, zeer bigotte dame (bij voorbeeld
-van zijne schoonmoeder), die hem stellig zou onterven, indien hij
-niet elken zondag ter kerk ging en met een uitgestreken, aandachtig
-gelaat, met zaâmgevouwen handen naar den kansel zat te kijken, waar
-de predikant met de armen in het rond zwaait en, als door geestdrift
-vervoerd, van de heilige Drieëenheid, van Gods eenig geboren Zoon
-en van de verlossing van de zonden spreekt. Een zesde heeft voor
-dit alles, wel is waar, niet te duchten; het vermogen hetwelk hij
-bezit, maakt hem onafhankelijk, maar--hij heeft vrouw en kinderen,
-die hij toch naar de Christelijke kerken en scholen moet zenden, zoo
-lang er nog geene kerken en scholen van zijn geloof worden gevonden;
-hoewel volkomen overtuigd dat het Christelijke dogma eene dwaling
-is, laat hij zijne kinderen niettemin in het Christendom onderrigt
-geven, dewijl hij vermeent dat het hun welligt als een gangbare pas
-op hunne reis door het leven zou kunnen dienstig zijn,--en een zevende
-eindelijk die vermogend is en geene kinderen heeft, derhalve geheel en
-al onafhankelijk mag geacht worden, is te zeer op gesteld om rustig en
-gemakkelijk te leven; hij wenscht op een goeden voet te blijven met
-degenen met wie hij in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en
-verloochent om die reden zijne eigene betere overtuiging. Er blijven
-dus van de tien nog slechts drie over die het nu en dan eens wagen, om
-hunne denkbeelden met woorden te omkleeden en die gehoor geven aan een
-krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de vijandschap
-die zij zich van andersdenkenden op den hals laden.--Vijandschap? Wel
-degelijk; want de takken van den boom met twee wortelen a en b, [17]
-welke de uitbreiding der waarheid verhinderen en het ontluiken der
-ware godsdienst en zedeleer onderdrukken, breiden zich heinde en verre
-bij millioenen uit, door alle standen en klassen der maatschappij. De
-orthodoxe priesters die, als openbaar erkende godsdienstleeraars, als
-dienaren der heerschende kerk een aanmerkelijken invloed op het volk
-uitoefenen, zijn onverpoosd werkzaam om de pogingen te verijdelen,
-welke strekken ter verspreiding van meerdere verlichting; ja, zij
-zouden de domheid en het blinde geloof gaarne tot in alle eeuwigheid
-willen voortplanten, en waarom?--dewijl zij daarvan leven, dewijl
-zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een boek--als
-bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit--te zweren, waartoe
-niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt vereischt.
-
-Nu zal het u, waarde Imam, wel duidelijk zijn, waarom de verlichten in
-Holland die in rust en vrede willen leven, stilzwijgen moeten. Want
-wagen zij het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan
-hebben zij als het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare
-giftige angelen bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het
-harnas gejaagd. Zelfs over den boekhandel oefenen deze wespen een soort
-van schrikbewind uit, de ijverigste pogingen in het werk stellende
-om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers te fnuiken,
-doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en kwellen, hem
-haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen bedreigen en
-vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een gevonden,
-die het durft wagen--'t geen zelden gebeurt--een boek uit te geven,
-waarvan de schrijver heeft gepoogd de waarheid in het licht te stellen,
-dan weten gene priesters de verspreiding van het boek te beletten,
-zoodat de groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de
-leer der kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte
-van den inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die
-vrome mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr
-op den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het "een
-verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het
-Christendom" te noemen en van den kansel de woorden uit te bazuinen:
-"die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus Christus."
-
-Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in steden en op
-het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken elken zondag
-tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een paar keeren
-'s weeks hun leerstuk van de Drieëenheid te verkondigen, over het
-verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder en grootmoeder [18]
-te prediken en bovenal het gemoed van het opkomende geslacht, van de
-jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden,
-opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet
-slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar
-insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken,
-gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige
-dwaling worden besprenkeld.
-
-Zoodanig aangekweekt, wordt de onzin meer en meer verspreid en
-duizenden slaan er geloof aan. Het boek echter, hetwelk waarheid
-bevatte, bij voorbeeld: Gedachten ten aanzien eener toekomstige,
-meer algemeene Godsdienstige geloofsleer (Gebr. Diederichs te
-Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: Belangrijke vragen
-over de verrigtingen der Christen-Zendelingen (1851, bij denzelfden
-uitgever in het licht verschenen), Algemeen protest van Christenen in
-Nederland tegen eene nieuwe woordelijke vertaling van den ouden bijbel
-(1853, bij F. Günst te Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem
-welke daaruit spreekt, is als die des roependen in de woestijn en
-het eenige middel om den triomf der waarheid te bespoedigen:
-
-
- Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde
- doeleinden,
- Stichting eener nieuwe kerk en gemeente,
- Oprigting van scholen,
- Overeenkomstig den geest der natuurlijke godsdienst en zedeleer,
-
-
-wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke gronden niet
-ter hand genomen, of wordt hoogstens verwezenlijkt binnen de muren
-van eene afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet
-erkende Vrijmetselaarsloge.
-
-IMAM. Waarde Heer Dag. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de
-Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche
-maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren
-boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk
-door Rajap's (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige
-betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van
-de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd
-hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel
-doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de
-eerste aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig,
-beklemd gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste
-Heer, wanneer ik er aan denk, dat men ons--arme Javanen--in zulk een
-broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.
-
-(De Imam wierp zich vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad
-met opgeheven handen:)
-
-"Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean Allah! De wegen
-die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden die Gij wilt
-bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en Uwe
-wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.--Maar hier liggen
-wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed voor
-U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk
-eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche
-godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani)
-in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. O! groote Toean Allah,
-albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij willen ernstig er naar
-streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te vereeren. Amen!"
-
-De gansche vergadering herhaalde: "Amen!"
-
-NACHT. (Na eene korte tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig
-zijt en bovenal aan u, geliefde broeder, ben ik eene opheldering
-verschuldigd. Waar en openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil
-u niet verbergen dat reeds eergisteren, toen ik u de hoofdregelen
-van het orthodoxe Christelijke Evangelie voordroeg, mijn geloof aan
-de waarheid dezer leer aanmerkelijk aan 't wankelen was gebragt
-door de gronden, welke ik menigwerf uit den mond mijns broeders
-had vernomen. Ik was echter nog niet volkomen overtuigd en wenschte
-gaarne den indruk te kennen, welken de Christelijke geloofsleer op
-u, Javanen! zou maken. Ik wenschte het oordeel te vernemen dat gij,
-in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik
-vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij
-bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere
-zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland
-elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die
-door geen talisman tegen de besmetting der dwalingen zijn beschut,
-aan wie geene keus tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten,
-zoo iets mogt immers (dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden
-medegedeeld, en zulks te meer dewijl mijn broeder u reeds tegen
-den daarop volgenden avond eene andere voordragt, namelijk, over de
-natuurlijke godsdienst en zedeleer had toegezegd. Gij zoudt derhalve
-de vrije beoordeeling, de keuze hebben tusschen twee zaken en hierdoor
-bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte
-tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van
-welks waarheid ik zelf niet meer overtuigd was.
-
-Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van het Evangelie
-van den regtzinnig geloovigen mensch gehoord en haar aangenomen. Maar
-ook ik ben tot een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig,
-dat ik de gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot
-staving zijner leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke
-dogma eene dwaling acht en het zuivere geloof aan God en de hieruit,
-in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot rigtsnoer
-mijns levens kies.--Indien honderd duizenden in de Europesche landen
-genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot een afgod hebben
-gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat ons daarentegen
-met liefde en achting aan hem gedenken als aan een voortreffelijk
-mensch, die reeds vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde:
-"Hebt als broeders elkander lief!"
-
-Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de aanwezigen groote
-vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat ik hem gaarne
-in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid der Javanen
-mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, driftige uiting
-van onze aandoeningen en hartstogten wordt door hen als ongepast, ja,
-min of meer als onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige,
-kalme gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden
-des levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen,
-bij hen als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid
-geldt.--Toen echter gevoelde ik meer dan ooit dat ware vriendschap
-slechts daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat
-niets in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt,
-zoo vast zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze,
-in zedelijke en godsdienstige overtuiging.
-
-Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen wij kort daarop
-uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, namen wij den Imam die zeer
-leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een
-thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een
-eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier
-gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer
-werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons
-het Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden
-te verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk
-onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het
-gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp,
-welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die,
-hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom
-zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!
-
-
-
-Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de reis te
-aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur onzer
-hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli's aangeboden;
-zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den grond,
-nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden hunne
-Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren echter
-nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in het
-dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen
-en een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen
-slechts weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten
-van Bamboes, het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid;
-zij hielden zich als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet
-wisten, dat wij Koeli's noodig hadden. De meesten hielden zich schuil
-in hunne hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze
-oproeping om, tegen betaling van 10 centen [19] per uur, benevens
-eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het naastbij
-gelegene grensdorp te brengen.--Daar kwam onze vriend, de Imam, aan
-die ons zijn vriendelijken morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak
-van onze verlegenheid had vernomen, scheen hij werkelijk boos op
-zijne landslieden te worden. Aan zijne ontevredenheid gaf hij lucht
-in de volgende bewoordingen, die hij met luider stemme tusschen de
-hutten uitgalmde.
-
-IMAM. Schaamt gij u niet, de Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld
-hebben, nu zonder hulp te laten zitten?--Foei! foei! hebt hij reeds
-vergeten, hetgeen Toean Dag en ik u geleerd hebben, dat wij menschen
-vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den
-onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?--Kunt gij dan niet
-zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd werkt en
-dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen opgaan?--Hoort
-gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen in het geboomte
-rondklauteren?--Alles ontwaakt tot een nieuw leven, alles roert en
-beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en slaperig in uwe hutten
-blijven zitten?--Holla! hei! De hut uit! Hier moet gij zijn; pakt aan!
-
-Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige mannen uit de
-hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende naderden;
-glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij zich
-nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan's (pakken)
-over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der overige
-Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit te
-kunnen komen en deze tot de daad te doen overgaan. Mijn ongeduld nam
-intusschen des te sneller toe, naar mate ik langer moest wachten; de
-oostelijke hemel begon allengs helderder te worden en toen eindelijk
-de eerste morgenstraal de dauwdruppelen aan 't geboomte deed fonkelen,
-riep ik mijne bedienden toe: "Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat,
-Ario, Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om
-hier te blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan,
-vlug, vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier,
-maar wij moeten toch eten ook!--Heden slagten wij deze geit, morgen
-eene andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij alles
-opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! Al uwe kippen gaan de eene
-na de andere denzelfden weg, ja, al de geiten, buffels, in één woord,
-al dat leven ontvangen heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!"
-
-Dat had invloed.--Vlug als de wind snelden al degenen die in de hutten
-waren, naar buiten; die voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid
-en in een oogenblik was alles op de been. 't Was koddig om te zien hoe
-zij zich haastten, niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging
-zouden vervullen, neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid
-beschouwden, als eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste,
-opgeruimdste stemming bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij
-Hollanders, met ons beiden, alles dat eetbaar in het dorp was, zouden
-opeten, vonden zij regt vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander
-toe: Lakas, lakas! Bekin ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé
-ramé! (Vlug, vlug! Vrolijk aan 't werk! Oud en jong snelt de hutten
-uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)--Nu hadden
-wij niet alleen Koeli's genoeg, maar zelfs meer dan wij behoefden;
-eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in Ramé ramé,
-naast de dragers en het gansche dorp was op de been geraakt. Wij namen
-nu een vrolijk afscheid van allen en drukten den Imam de hand; zelfs
-verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en
-een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan
-(voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.
-
-Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want wij zonden
-de dragers met onze pakkaadje vooruit; wij volgden met de overige
-jongens, waarvan de een een barometer in den arm droeg, terwijl de
-andere onze geweren, eenige thermometers, een kleinen pijlcompas en
-andere dergelijke werktuigen bij zich hadden, die wij tot het doen
-van waarnemingen onder weg zouden behoeven. Welgemoed zetteden wij
-onzen togt voort over de smalle paden, welke hier door het hoog
-opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk ongebaand tusschen
-het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure waren wij den
-eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van Gnoerag
-verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap doorwaad,
-welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug volgt
-en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren bergrug
-op.--De zon steeg immer hooger en hooger aan den wolkenloozen hemel en
-schoot hare brandende stralen allengs in eene meer loodregte rigting
-op ons neder; de helling welke wij beklommen, werd allengs steiler
-en onze Koeli's, die tot op den lendendoek geheel naakt waren en wie
-'t zweet van het ligchaam gudste, stapten in gelijke mate langzamer
-voort, naar gelang wij de nok naderden der bergketen, die wij nu
-moesten overtrekken. Het eene kleedingstuk na het andere hadden
-wij reeds uitgetrokken en, meer verslapt van de hitte, als het ware
-dampende in den vuurgloed der atmospheer, waaraan geen luchttogtje,
-hoe gering ook, eenige verfrissching schonk,--dan vermoeid van den
-togt, kwamen wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan.
-
-Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens hoorden
-wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het kleinste
-insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich voor
-den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde
-in het loof van 't geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in
-de Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit
-eentoonige gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze,
-dan geelachtig groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling
-der bergketen lag het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien
-afstand onduidelijk, weikleurig van tint door de troebele lucht
-toeschenen. Want al liet zich geen wolkje aan den hemel bespeuren,
-al was de dampkring zeer droog, toch bezat deze, op groote afstanden
-genomen, slechts eene geringe mate van doorzigtigheid. Van de
-gloeijend heete oppervlakte der aarde verhief zich voortdurend
-een loodregt opstijgende luchtstroom, ten gevolge waarvan de zoom
-van alle verwijderde voorwerpen waarop wij het oog vestigden,--de
-oppervlakte der Alangzee, de rand der bergterrassen, de kroonen van het
-geboomte,--in trillende beweging was. Behalve het pijnlijke gevoel der
-hitte, de verstikkende gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer
-uitgezette lucht veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag;
-want het zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst,
-verblindde ons de oogen.--Reikhalzend verlangende naar een koel togtje,
-zetteden wij ons neder tusschen de Koeli's, die geheel buiten adem
-tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar
-in het 3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot
-op 100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig
-verkwikking worden gevonden. Wij kropen nu naar een klein boschje,
-waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en met
-welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen bevochtigden.
-
-Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger groeijende boomen
-een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks hadden wij ons op
-den grond nedergevleid, toen wij en al de Koeli's door opstijgende
-rookmassa's en vlammen op de vlugt gejaagd en genoodzaakt werden,
-zoo snel mogelijk onze goederen bijeen te pakken en bergafwaarts te
-ijlen. Het vuur van het in brand gestokene Alangveld had zich aan het
-woud medegedeeld. De Javanen hebben, namelijk, de gewoonte om gedurende
-de droogste maanden des jaars (Augustus en September) het hooge gras,
-waarin hier en daar 3 à 4 maal hoogere en eilandvormig groeijende
-Glagah-groepen en vele min of meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid
-voorkomen, op duizende van plaatsen aan te steken en te branden;
-dit geschiedt eensdeels met het doel om de tijgers te verjagen, ten
-andere om plaats te winnen tot het aanleggen van akkers, welke alsdan
-met de asch van het verbrande hout en gras te gelijker tijd worden
-bemest. Toen wij langs de berghelling afdaalden en naar den kant van
-het dorp heensnelden, zagen wij verscheidene dergelijke afgebrande
-plekken, welke de grijsachtig groene kleur van het grasveld plaatselijk
-hadden vernietigd en uit het dal als zwarte, onregelmatige strooken
-slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen waren reeds uitgedoofd; anderen
-daarentegen brandden aan het hoogste gedeelte nog voort, alwaar dan
-eene rookzuil, waardoor vlammen speelden, zich al kronkelend verhief.
-
-Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, welke somtijds
-eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in vuur en vlam zettede,
-was verdund, stroomden van de zijde van het dal de koudere en digtere
-luchtmassa's toe en veroorzaakten daardoor, niettegenstaande de
-algemeen heerschende windstilte, een plaatselijken storm welke
-onmiddellijk volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het
-vuur, dat wij met ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger
-bergopwaarts zagen voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een
-boschaadje in de rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het
-met den storm steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende
-vuur zich als een wervelwind op in,--binnen een oogwenk stond het
-gansche bosch in lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo
-brandbare, drooge Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk,
-oorverdoovend loeijen en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend
-was en waar boven zich dan nog van tijd tot tijd het gekraak deed
-hooren van een neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van
-een zwaren boom.--Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de
-ooren toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord
-te spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook
-en vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een
-draf achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst
-dat een zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en
-verzengen.--Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit tropische
-tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, om
-met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor
-oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier
-en daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen
-liggen,--niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel schijnende,
-hare brandende stralen uit het zenith op ons nederschoot!
-
-Kort vóór 2 ure kwamen wij in het dorp Oewoetagnis aan en installeerden
-ons, zonder pligtplegingen te maken, in de voorgalerij van de
-woning des Loerah, terwijl de Koeli's daar buiten, waar slechts
-eenige schaduw was, zich nedervleiden of naar den Pantjòran gingen
-om zich in het water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun
-voorbeeld en nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst,
-Pisang, Sambal en Dendeng, 't geen wij hier ter plaatse hadden bijeen
-gekregen. Onze bedienden haalden de geldzakken [20] te voorschijn en
-betaalden de Gnoerager Koeli's, terwijl de Loerah, luide brommende,
-in het dorp rondliep om andere Koeli's op te sporen. Wij waren zeer
-verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig Desa-Gnarak aan
-de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde nog heden
-naar Desa- [21]Roetab te gaan, een dorp dat ons om zijne aangename
-ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen tot het houden
-van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje hadden halt
-gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze pakkaadje op de
-schouders van tien versche Koeli's te zien laden die, met den Loerah
-achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij, door nieuwsgierige
-dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers zaten en lagen,
-hunne cigaren rookende, in den Warong, [22] en hadden waarschijnlijk
-geen plan om voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun
-dorp te aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer
-jongens, en het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten
-offer brengen en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde,
-doorwaadden wij de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen
-aan de overzijde weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis
-over bergen en dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de
-zijde der zuider kust allengs afloopt.--Het verwijderde hooggebergte
-dat noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht
-gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter
-brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen hemel.
-
-
-
-Nadat wij onzen marsch gedurende 1 1/2 uur hadden voortgezet, kwamen
-wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen tegenover ons,
-aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, allerliefst
-tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven de Kokos-
-en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange stengels her- en
-derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een zachte zuidewind,
-een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust bevonden, had zich
-sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde eenigzins de hitte. De
-verfrissching welke wij op die wijze ondervonden, deed ons goed, want
-wij waren nu werkelijk vermoeid en zagen met een zeker huisselijk
-verlangen naar de overzijde heen, naar de hutten van het dorpje,
-die zoodanig tusschen het heldere, frissche groen van Pisangblaâren
-verscholen lagen en zoo digt door het loof der vruchtboomen waren
-omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden en Alangdaken ons ter
-naauwernood hier en daar in het oog vielen. De blaauwachtige rook welke
-dwarrelend uit de nok der daken oprees, verhoogde nog de uitlokkende
-werking die de aanblik van dit tooneel bij ons veroorzaakte, want hij
-verkondigde ons dat de tijd van het avondeten naderde, dat vuur aan den
-gastvrijen haard brandde.--Wij spoorden derhalve de Koeli's aan om zich
-zoo veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak;
-want zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone
-zorgeloosheid: "het dorp ligt immers in onze onmiddellijke nabijheid,
-wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen." Zonderling, dat de Javanen
-de despotieke bevelen hunner eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig
-gehoorzamen, terwijl noch een verzoek, noch geld, noch goede woorden
-van een Europeër in staat zijn, hen te bewegen tot het verrigten van
-eenig vrijwillig dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een
-vol uur op versche Koeli's moeten wachten; hier hadden wij andermaal
-oponthoud en wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede
-dragers na een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.
-
-Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, daalden
-langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en kwamen
-tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal over
-moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de waterstand
-echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den overkant te
-bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den snellen
-stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne vaart als
-schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli's met onze pakkaadje
-hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad des Loerah,
-gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, waarbij wij
-nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden door het
-nabij gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene streek aan,
-waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend voet en
-de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper was,
-eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts in
-de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder Nacht
-en ik gaven de anderen een goed voorbeeld en de Koeli's volgden ons
-de een na den anderen; reeds waren wij den eersten, kleineren arm al
-wadende doorgegaan, hadden wij eene rolsteenbank (een eiland tusschen
-twee armen van den vloed) bereikt en stonden wij gereed om den tweeden
-arm te doorwaden, toen plotseling van den dalwand, langs welken de
-achtersten van onzen togt nog af klommen, de kreet ons te gemoet klonk:
-"Bandjer! Terug, terug! Redt u! Bandjer, Bandjer!!"
-
-Deze woorden oefenden op de Koeli's die achter ons aankwamen, eene
-werking uit die aan tooverkracht grensde, want plotseling maakten
-zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke zij op hoofd of
-schouders droegen, meer door het water sprongen dan liepen; zonder
-veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te denken,--want
-ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de geschiedenis van Lot's
-huisvrouw en van de zoutzuil naar de bijbelsche verdichting,--volgden
-wij hen ijlend na, terwijl een vreesselijk, steeds nader komend
-gebruis ons in de ooren dreunde. Wij hielden niet op, dan nadat wij
-de dalhelling tot zoo ver hadden beklommen dat wij zekere hoogte
-boven den oever hadden bereikt, waar wij schier ademloos op den grond
-vielen en omzagen:--eene bruine massa welke zich berghoog verhief,
-wentelde over den dalbodem naar beneden; verbrijzelde boomstammen
-rezen hier en daar er uit op; rotsblokken werden met donderend
-gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, meer vloeibare massa's welke
-schuimend voorwaarts bruisten, stortten zich over dezen dam heen,
-verbraken hem, verdeelden zich, breidden zich uit en--binnen weinige
-minuten was de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden
-gestaan om door te trekken, herschapen in een hol staand meer van
-bruinachtig troebel water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en
-spattend voortijlde, boomstammen en geheele uit den grond gerukte
-boomen met zich voerde en dit met zulk eene kracht, dat de grootste
-rotsblokken om hunne as wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger
-hadden gestaan, in één oogenblik was vernield en weggestuwd,--het was
-een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing
-aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij
-hadden ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het
-schuimen en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en
-het ratelen der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank
-een enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar boven
-slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden Oeroek
-zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed geschokt,
-beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want niemand
-was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een Bandjer
-'t geen wij voor oogen hadden, dat is eene verre buiten hare oevers
-tredende beek, ten gevolge van den toevoer van water, ontstaan door
-zwaren regen in het verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende
-stortvloed was geboren die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij
-op zijnen weg ontmoette. Waar de kloof smal en de wanden die haar
-ter wederzijde insloten, steil waren, werd de voet dezer zijwanden
-door de schuring der rotsblokken welke het water met zich voerde,
-zoodanig uitgehold en weggespoeld, dat Oeroek's, dat wil zeggen aard-
-en bergstortingen ontstonden; uitgestrekte gedeelten van het gebergte
-met wouden en alles wat zich er op bevond, gleden op die wijze met
-donderend geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen
-de steeds toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg
-voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar
-wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk
-eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door nieuwe, van het
-gebergte afstroomende massa's nog voortdurend werd vergroot, al hooger
-en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de gansche vlakke dalkom,
-niettegenstaande deze eene breedte had van minstens 2000 voet, binnen
-weinige oogenblikken in hare gansche uitgestrektheid met water was
-bedekt en herschapen geworden in één enkel troebel meer van ongeveer
-12 voet gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts
-nog de toppen van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.
-
-Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde van het dorpje,
-gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, viel er nu toch
-aan eene voortzetting van den togt op heden niet te denken, en zulks
-te minder dewijl de zon reeds ten ondergang neigde.
-
-Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot legerplaats op,
-pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen boomstammen
-op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen kleine hutten
-bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste takken die met
-wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij een aantal
-vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even broederlijk mede
-van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt de Javaan een
-togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van onzen wijn
-gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen maaltijd hebben
-gehad, indien de Bandjer ons niet geheel onverwacht aan een smakelijk
-stuk gebraden rundvleesch had geholpen. Eenige Koeli's, namelijk,
-die aan den oever stonden om visch te vangen welke door den Bandjer
-was bedwelmd, bragten ons ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en
-een Banteng (een wilde stier) op den oever gespoeld waren.--Dit was
-werkelijk het geval. Met vereende krachten trokken wij den stier
-op het drooge; het scheen dat hij eerst vóór korten tijd tusschen
-verbrijzelde boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide
-nog uit de versche wonden.--Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali),
-een paar ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden
-(welke bij het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn),
-hadden wij steeds bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade,
-want weldra hingen de beste stukken van den stier over het vuur te
-braden, terwijl anderen met rijst in potten werden gekookt om ons eene
-krachtige soep te leveren.--Wijders werd bepaald dat vijf Javanen,
-benevens twee van onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden
-en door anderen om de drie uren zouden worden afgelost.
-
-De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het houden van den
-maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts zelden vernamen
-wij nog het krijschend geluid van een over het dal vliegende paauw;
-maar naauwelijks was het licht der laatste zonnestralen verbleekt,
-toen overal in het gansche woud insektenkoren begonnen te gonzen en te
-snorren. De Javasche spitsoorige honden der Koeli's die vroeger langs
-den oever liepen rondsnuffelen, legden zich nu in de vertrouwelijke
-nabijheid der menschen neder, als of zij wisten dat het des nachts
-niet veilig was in het woud. Weldra ontwaarden wij niets meer dan
-de zorgvuldig door de Javanen onderhoudene wachtvuren, welke een
-roodachtig schijnsel op de omringende boomstammen wierpen en geen
-geluid trof ons oor behalve het algemeen gegons der levende natuur,
-dat met het bruisen van den verder en verder zich verwijderenden
-stortvloed zamensmolt.
-
-Toen eindelijk nog alléén dit gebruis gedurende de nachtelijke
-stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid onzer zintuigen tot
-diep in het binnenste van ons gemoed was teruggekeerd, hetgeen ten
-verhoogden prikkel aan ons denkvermogen strekte, werden wij als het
-ware onwillekeurig heengeleid tot het bepeinzen van de oorzaken
-der verschijnselen die zich voor onze blikken hadden ontwikkeld,
-der krachten die wij daarbij in het spel hadden gezien en, het
-geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene kracht tot
-eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die op
-hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had
-(als gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen
-des bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken,
-waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de
-allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan 20
-1/2 millioen mijlen van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest
-gezocht worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het,
-die hitte doet geboren worden welke het water dampvormig optrekt en
-opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het zeer heet en
-helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij de koelere
-bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens of wolkbreuken
-neêrstroomen;--dan bruist de waterdamp die dezen voormiddag nog
-onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, als Bandjer door
-de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet Oeroek's ontstaan,
-verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare plaats gerukte aard-
-en rotsmassa's in andere, lager gelegene oorden, in de nabijheid der
-zee weder af, verbreedt de kusten, veroorzaakt derhalve aanmerkelijke
-veranderingen in de gestalte der oppervlakte van den vasten bodem en
-doodt daarbij eene menigte dieren, die door andere levende dieren en
-menschen worden opgegeten en aan hen tot voedsel verstrekken;--ja,
-heeft de zonnestraal, door de verslappende hitte welke hij deed
-ontstaan, niet zelfs te weeg gebragt, dat onze Koeli's met langzamer
-schreden voortgingen? en is hij niet daardoor de oorzaak geworden,
-dat wij getuigen der omkeering zijn geweest, dat deze denkbeelden
-thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden waarvan de eigenlijke
-oorsprong, de wording, dus in de verre van ons verwijderde zon moet
-gezocht worden?--Vloeit dit alles niet voort uit eene bron? En zou
-nu dat zonne- of sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in
-deze duizendvoudig aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen,
-welke wij hier voor ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet
-het gevolg zijn van--of te weeg gebragt worden door eene andere,
-nog verder verwijderde, algemeenere oorzaak,--en zouden alle oorzaken
-die aan onze in de diepte vorschende blikken oorspronkelijke oorzaken
-toeschijnen, niet voortvloeijen uit eene eenige eerste bron welke voor
-geene verdere ontleding vatbaar is?--Ongetwijfeld, ongetwijfeld;--zoo
-verre het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van het
-andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten
-navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den
-grond vermogen wij niet te peilen--en slechts in heiligen, vromen
-eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste,
-Eeuwige Oorzaak, waaruit alle oorzaken voortvloeijen, waaruit, gelijk
-het licht uit de zon, stralen voortschieten die het oneindige heelal
-bezielende en met leven vervullende, zich in millioenen en nogmaals
-millioenen stralen verdeelen.
-
-Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit toen wij,
-steeds dieper in ons eigen boezem tastende, zoo kort mogelijk
-ineengedrongen in onze hangmatten lagen en den oogenblik afwachtten,
-dat de slaap onze oogleden zou sluiten.--Duizenden van stemmen die ons
-volkomen onbekend waren, klonken en snorden door het woud,--woeste
-natuurkrachten waaraan geen weêrstand van onze zijde denkbaar was,
-woedden om ons heen,--tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar,
-slopen rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te
-hebben was levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige
-doel zijner natuurwetten,--wij gevoelden een hemel in onzen boezem
-en rustig sliepen wij in.
-
-Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander schouwspel voor
-oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste gedeelte van den
-dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven dezen rand
-zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. Liefelijk
-blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. Alles
-rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren
-vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich
-meer hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was
-weggevloeid en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte,
-bedekt met modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen
-en takken, tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde
-armen heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen
-en maakten ons gereed om den togt voort te zetten.--De Javanen
-maakten ons op een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom
-ons bivouak en in de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was,
-hoewel allen die wacht hadden gehouden, eenstemmig verzekerden,
-dat zij niet het minste geruisch hadden vernomen. Slechts een paar
-malen waren de honden bevende, met den staart tusschen de beenen,
-digter bij hen gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons
-bivouak aan de plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden
-stier hadden laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was;
-wij volgden het spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts
-nog eenige beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne
-huid, zijn kop en ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild
-gedierte geknaagd.--De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden
-doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand
-en rolsteenen bedekt, en daarop lagen hier en daar doode herten,
-vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het rond, welke
-door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook deze waren
-gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner roofgedierte,
-die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden gehouden en door
-de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan hunne uitwerpselen,
-hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken hunner tanden. Bij het
-doorwaden van den laatsten arm der beek vingen onze jongens nog eene
-krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie voet, een zoogenaamden
-Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken zij aan een touw bonden
-en mede voortsleepten.
-
-Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te hebben voortgezet,
-bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons gastvrij ontvingen
-en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, hetgeen zij
-bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, wilden ook zij
-voor deze giften der gastvrijheid geene betaling aannemen, maar zagen
-wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne daarentegen namen
-zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen zeer smakelijk
-wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli's te bekomen. De
-meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en ons dezen
-morgen welligt aan onze kleeding als Europeërs konden hebben herkend,
-hadden zich uit de voeten gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts
-vijf nieuwe dragers konden krijgen en gedwongen waren om vijf van
-de Koeli's die wij gisteren hadden medegebragt, tegen wil en dank
-bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige
-rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen
-uit en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een
-extra geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren
-smaak van het kruid bedwang eenigermate te verzoeten. Het eenige paard
-dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van den Loerah,
-eene kleine, magere rosinant, werd door Nacht in beslag genomen,
-dewijl hij, aan het maken van voetreizen niet gewoon, zich gisteren
-de voeten reeds had doorgeloopen.
-
-
-
-Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, tamelijk
-vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs lager
-daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van
-elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem
-beken schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden
-hier en daar aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende
-laagten en kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan
-hoofdzakelijk woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige
-gedeelte der oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende,
-grijsachtig groene kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde
-men slechts enkele verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de
-golvende graszee voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche
-streek eenigermate het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de
-lilablaauwe Boengoerbloemen (Adambea glabra) of de groote gele bloemen
-van den Sempoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen der
-kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus russa)
-dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen sprongen
-zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon in het
-binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus vittatus)
-die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands blootgesteld
-zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de plassen die,
-nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden aangetroffen op
-de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen zij dan uit den
-weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar het andere, of
-zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn blinkend gevederte
-op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, hunnen maaltijd
-hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, wies hier
-en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger opschietende
-soort, namelijk het Manjagras, aan welks omgebogene aren zeer groote,
-peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 voet boven den
-grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden zij eene opening
-en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja geheeten, welke
-op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne jongen tegen
-de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de aanvallen
-van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen draad
-in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije gevogelte
-(Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt heen.--Uit
-het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van tortelduiven te
-gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai van een wilden
-haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der grasetende dieren is
-verbonden, werden in deze streek niet gemist, waar zulk een grooter
-aantal herten en Kidang's (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen
-wordt aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd
-tot tijd gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die
-zoo groot en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk
-mijn broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne
-leden weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het
-dier had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen
-was. Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en
-verraden des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet,
-al gaat men digt langs hunne schuilplaats heen.
-
-Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het middaguur een
-hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, verkwikten wij
-ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene vruchten van
-het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij kaauwden, en die
-op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze gemakkelijk
-konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer boompjes
-opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog en den
-helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een allerliefelijkst
-gezigt opleverde.--Van lieverlede veranderde het tooneel dat wij om
-ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de kust naderbij
-kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs zeldzamer en de
-zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet waarnemen,
-voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra zagen
-wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen,
-tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande
-stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op
-eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras
-bedekten bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter regter-
-en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, als
-een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene
-bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of Gebangpalmen
-(Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge bladeren waarin de
-wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over elkander heen en
-weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er beneden door het hooge
-gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die gelegenheid groote
-jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen der palmboomen
-zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die vogels
-zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud vlogen.--Wij
-daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange strook [23] met
-waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de kust, maar namen onzen
-koers in eene schuine rigting naar het westen, alwaar eene iets hooger
-rijzende landstreek of vlakke bergrug in den vorm eener kaap (Oedjoeng)
-ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid van vogelnestholen, het
-dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons eerstvolgend nachtkwartier
-bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend geboomte bestaande woud hetwelk
-dit gedeelte des lands tot aan den uitersten rand der kust onder zijne
-schaduwen dekte, vormde een scherp kontrast met de dorre Alangvelden
-waarop geen lommer was te vinden, en met de waaijerpalmen welke zich
-aan deze zijde er van uitbreidden; reeds in de verte duidde zulks,
-door de geheel verschillende physiognomie der bewerktuigde natuur,
-eene zeer verschillende hoedanigheid des bodems aan.
-
-Welligt is niets geschikter om den reiziger aanschouwelijk te maken,
-welk een harmonische band al het geschapene verbindt, dan een togt
-uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van een tropisch land,
-over zandsteenterrassen en andere neptunische bergsoorten, afdalende
-naar de kust. Het verschil in hoogte des lands boven den spiegel der
-zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg (een anderen gemiddelden
-warmtegraad), en de oorspronkelijk verschillende bestanddeelen waaruit
-de bodem bestaat, voor elken verschillenden trap van opheffing--van elk
-verschillend klimaat--andere levende vormen. Andere planten: andere
-dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde (kwarts)
-houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die vol
-reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur en
-ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde
-aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen,
-trachietribben);--ginds schaduwrijke vijgen- en honderd andere
-hooge boomen, met wier vruchten tallooze scharen vogelen, apen, en
-eekhoorntjes zich voeden, die door wilde katten worden nagejaagd;--hier
-overvloed van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens
-zwijnen die van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen
-van het Alang alanggras leven en--tijgers aan wie de zwijnen ten prooi
-verstrekken en--paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden,
-maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der
-dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op
-wormen, maar vooral op ingewandswormen.--Wij zien derhalve, dat eene
-eerste oorzaak--het oorspronkelijke delfstoffelijke en scheikundige
-zamenstel der rotskorst, de meerdere of mindere verheffing er van
-boven den spiegel der zee--duizend anderen te weeg brengt die, als
-aardsoort (verweringsaarde), klimaat (hoogere of lagere warmtegraad),
-Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van ééne
-keten, waarvan niet kan worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe
-gering zij oogenschijnlijk moge zijn, als b. v. een ingewandsworm,
-[24] nutteloos of van gewigt ontbloot is.
-
-Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen bezit van
-het kleine, ledigstaande Bamboeshuisje--Pasanggrahan,--dat op een
-geringen afstand van het dorp, meer naar de zijde der kust heen was
-gebouwd. Achter ons klotste de branding der zee en rondom ons verhieven
-schaduwrijke vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf
-van het naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij
-dankten de Koeli's af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog
-eene extra belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad
-en een kop koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener)
-der vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de
-bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven
-wij ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden,
-zagen wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei
-slag en grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen
-eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze na zich sleepten.
-
-Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een weg door
-het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en de
-struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan
-een rand, alwaar--digt vóór ons--de bodem met een steilen wand van
-eenige honderd voet hoogte plotseling in zee afdaalde. Het tooneel
-dat zich hier voor onze blikken opende, mogt indrukwekkend worden
-geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, spiegelende vlakte der
-zee welke schijnbaar stil was, tot in een oneindig verschiet zich vóór
-ons uit. Maar diep beneden ons beukten de hooge, elkander rusteloos
-opvolgende baren met zulk een donderend geweld tegen den kustmuur,
-dat de rots waarop wij stonden en van waar wij dit schouwspel gade
-sloegen, er van daverde. Naar het westen heen volgden onze blikken de
-rigting der kust, en hier zagen wij de branding welke tegen het strand
-sloeg, eene lijn vormen zoo wit als sneeuw, die zich tot op een voor
-het oog onafzienbaren afstand uitstrekte, als grens tusschen land en
-zee. Boven deze gansche kust zweefde een eigenaardige, fijne nevel
-of damp, blijkbaar gevormd uit het fijn verdeelde stof van het tot
-schuim geslagen zeewater, dewijl zelfs de tropische middagzon deze
-nevellaag niet kon oplossen. Alle verwijderde deelen van het strand
-deden zich door dezen geheel onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp
-of stof slechts schemerachtig, onduidelijk aan het oog voor, als
-zagen wij ze door een dun floers. Van het bovenste gedeelte van den
-kustmuur blikte op dit witte schuim der woedende zee het groen van het
-ons omringende woud, dat niet slechts over den rand reikte, maar er
-verre beneden hing, als ware de ruimte van het drooge land te gering
-voor zijn weligen wasdom;--ja, aan de steile wanden zelfs wortelden
-nog velerlei struiken en Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen
-hunne vruchten die de grootte hebben van een menschenhoofd, door hun
-helder vermiljoenrood in ons oog blonken.
-
-Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand heenbogen, konden
-wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, boven het ziedende
-en schuimende water, den ingang van het hol bespeuren, in hetwelk de
-kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo esculenta) hare eetbare nesten
-bouwen. Elke oprijzende baar sloeg bulderend in het hol, en dan stond
-het water hooger dan zijn ingang die voor het oog bedekt was;--maar
-eenige oogenblikken later werd door de tegendrukking der lucht, in
-het hol aanwezig, die op eene veel geringere ruimte was zaâmgeperst,
-de baar met geweld weder er uitgeblazen, eene zuil van waterstof
-werd dan horizontaal en sissend over de branding heengespoten en
-men kon de zwermen der kleine zwaluwen zien, die juist het regte
-tijdstip tusschen het terugtrekken en het weder strandwaarts rollen
-eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het hol te vliegen, terwijl
-anderen het in denzelfden oogenblik verlieten.--Lang boeide ons dit
-bewonderenswaardige schouwspel, maar wij benijdden het lot niet der
-vogelnestplukkers uit Gnarak, die driemalen 's jaars langs ladders
-hier naar beneden klimmen, ten einde--bij zeer stille zee--in het
-hol te klouteren en de (door Chinezen duur betaalde) vogelnesten
-van de rotsen af te plukken. Het meerendeel wordt gevonden aan het
-gewelf van het hol, dat veel hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo
-vervolgt de mensch deze vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de
-roofzucht van elk dier beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen
-vijand zich in zekerheid bevinden.
-
-Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde brengen
-van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, menig
-schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad der lucht was in
-onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° Fahr. verminderd, maar
-scheen niet lager te willen dalen. Deze aanmerkelijk hooge warmtegraad
-welke hier jaar uit jaar in bijna zonder afwisseling heerscht, die
-daarenboven gepaard gaat met eene groote mate van vochtigheid des
-dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem welke deze streek
-bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en dierenrijk ten
-gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat zich daar van
-ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij onzen blik
-lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in het kleinste
-reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette men de
-menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.--De kamer die wij tot
-ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat te betrekken,
-dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote kikvorschen
-(Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens terugkeerden om ons het
-bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen zeer behendig tegen den
-vier voet hoogen ladder op en de deur van den Pasanggrahan in, die
-zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het hoogste gedeelte van
-onze woning klonk ons het gepiep in het oor van vledermuizen (Lalaï)
-die daar ter plaatse, waar zij den dag in rust doorbrengen, bij wijze
-van groote zwarte klompen aan de nok van het dak hingen. Langs de
-wanden en aan de zoldering (alleen het middenvertrek van het huisje
-was hiervan voorzien) liepen tientallen van Tjitjak's (Hemidactylus
-fraenatus, kleine grijsachtige hagedissen) in het rond, allerliefste
-diertjes die ons door hunne behendigheid buitengewoon vermaakten;
-zij waren, namelijk, druk bezig met het vangen van vliegen en muggen,
-die ons voortdurend al gonzende langs de ooren vlogen. In de reten der
-wanden huisden schorpioenen (Buthus cyaneus), waarvan onze jongens er
-verscheidenen vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en
-de evenmin geluidgevende, nuttige Tjitjak's, waren voor ons de Toké's
-(Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen ongeveer ter lengte
-van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte huid ons afschuw
-inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in de woning met
-luider stem en riepen ons, telkens een tiental keeren achtereen, hun
-"gek-koh, ghék-koo"--allengs op meer slependen toon en somtijds op drie
-verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen niet
-zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen zien.
-
-Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde gebragt, zetteden
-wij ons op het kleine Aloen aloenplein [25] van het naburige dorpje dat
-slechts door eene groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden,
-in de verkwikkende schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de
-stille beschouwing van het omringende tooneel. Onze jongens hadden
-onder den Weringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst;
-sommigen hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij
-vertrouwelijk met de kinderen uit het dorp speelden of zich met
-hun gesnap vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter
-gebleven. Aan alle zijden was de kleine opene plek van nabij door
-het omringende woud ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het
-plein bestond dit woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier
-stammen de bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog
-vielen. Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke
-zich op vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven,
-zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen (Garcinia Mangostana)
-of der Mangifera indica met hare goud-gele appelen;--ginds stond een
-Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) welks takken onder den last der
-roodachtige vruchten zoo zeer waren gebogen, dat zij tot aan het dak
-van het nabij zijnde huis afwaarts hingen; hier zag men de vruchten
-van een Nangkaboom (Artocarpus integrifolia) welke de grootte van eene
-pompoen bereiken, of de groote getande bladeren van een broodvruchtboom
-(A. incisa) en op eene andere plaats breidde de Wol- of Kapokboom
-(Gossampinus alba) zijne horizontale takken uit. Nog vele tientallen
-van andere kultuurboomen stonden hier tusschen de reeds genoemden
-en vormden met hunne gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van
-het dorp, waarboven de regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos-
-en Pinangpalmen met de bladerenpluimen welke den top er van sierden,
-zich verhieven. Hoog boven het loofdak ruischte de wind in de toppen
-dezer palmen, die nog in de heldere zonnestralen blonken, toen de
-schaduwen der loofboomen zich reeds over het gansche Aloen aloenplein
-hadden verbreid.
-
-Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine rijstpakhuizen
-(Loembong) welke er nevens stonden, strekten de vruchtboomen van het
-dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het oorspronkelijke
-woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, dat geene
-grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp
-van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van
-meer dan 50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en
-vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den
-rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjempaka- en Manglitboomen
-(Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), benevens Kiaraboomen
-(Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed van omvang zijn,
-kwamen het menigvuldigst in deze streek voor, waar tusschen echter
-insgelijks vele Myrtaceën en Rubiaceën werden gevonden. Enkele
-Karet- of Kolelètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap,
-blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het
-bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak
-der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen
-aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen,
-Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de
-takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid
-van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de Pisang's
-en andere zoete vruchten--en groot was het tal van verschillende
-soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond zwierden, of
-hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne stemmen of
-hun pikken verrieden.--Zoo zaten wij daar verdiept in de beschouwing
-dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte in onze ziel
-deed ontwaken.
-
-DAG. Zijt gij met mij niet van gevoelen, broeder, dat het karakter
-van een volk, zijne zeden, gewoonten en gebruiken voor het grootste
-gedeelte afhankelijk zijn van het eigenaardige karakter der natuur
-waarin de mensch leeft,--van het uitwendige dat invloed op zijne
-zinnen uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante
-der planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van
-den bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte
-der dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de
-hem omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die
-hij voor zijne blikken ziet plaats grijpen?
-
-NACHT. Ongetwijfeld geloof ik dat de uitwendige natuur een krachtigen
-invloed uitoefent op het gemoed des menschen en dat, indien de indruk
-door de natuur te weeg gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van
-'s menschen jeugd af tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene
-uitwerking op hem kan hebben, die zich in bepaalde gewoonten en
-karaktertrekken openbaart. Kon een jong Javaasch kind in het land
-der Samojeden of der Eskimo's opgroeijen, dan zou het een Eskimo
-van karakter worden,--of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo
-in de Javasche natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit
-worden. Aan de andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke
-de buitenwereld op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan
-aanmerkelijk kan zijn, in geval dat volk nog op den eersten trap
-van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot
-een hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur
-verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een
-dergelijk volk toch bekleedt de opvoeding der jeugd eene gewigtige
-plaats; zij vormt als het ware een scheidsmuur tusschen den mensch
-en de natuur, welke echter bij een minder ontwikkeld volk niet in
-die mate voorhanden is.
-
-DAG. In zeker opzigt ben ik dat volkomen met u eens. Een beroemde
-Duitsche dichter zegt niettemin: "Niemand wandelt ongestraft onder
-palmboomen en gewisselijk veranderen de zeden in een land, waar
-olifanten en tijgers inheemsch zijn."--Er bestaan weinige voorbeelden
-van beschaafde volken, die zich blijvend "onder de palmboomen," hebben
-neêrgezet. Wij Hollanders laten onze kinderen in Europa opvoeden en
-zijn geene eigenlijke kolonisten op Java.
-
-NACHT. Welligt zweefden aan Göthe, toen hij deze woorden ter neder
-schreef, de volken van Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk
-niet mogen geacht worden een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze,
-dat de meer ontwikkelde mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem
-omringende natuur.
-
-DAG. Voor den oogenblik de zedelijke zelfstandigheid van den
-ontwikkelden mensch in alle klimaten in het midden latende, meen
-ik toch te mogen gelooven dat de buitenwereld insgelijks op hem een
-aanmerkelijken invloed uitoefent, en dat het karakter van den mensch
-die op een lageren trap van ontwikkeling staat, grootendeels afhangt
-van de natuur welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk
-te achten, dat een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst
-de natuur waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner studie
-make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het
-onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen,
-zijne zeden en gewoonten te verstaan en te begrijpen, zonder eene
-voorafgaande kennis der natuur, der landstreek waarin dat volk woont,
-en der indrukken welke van der jeugd af invloed op den mensch hebben
-uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig gene oorspronkelijk
-zijn.
-
-Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs op der
-tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de meeste
-hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars van
-het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven
-(Manoek gegoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn kanarievogel
-of het gezang der nachtegalen.--De avond viel. Slechts nog enkele
-Badjing's (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag men hier en daar tegen
-de boomstammen opklauteren en de laatste straal der zon verdween van
-de toppen der palmboomen. De Kalong's daarentegen die ginds aan een
-grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, begonnen zich te bewegen en
-vlugten kleine groene papegaaijen (Psittacus vernalis) naderden en
-gierden, onder een ontzaggelijk gekrijsch, rondom de takken van een
-hoogen Baloengdangboom (Stravadium excelsum), welke ter linkerzijde
-van ons stond. Zij zetteden zich op de takken neder, snelden weder weg,
-kwamen op nieuw terug, vlogen rondom den boom, waren onophoudelijk in
-beweging en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het
-doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene
-onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier,
-waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde
-rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich
-in groote zwermen nedergezet in den Weringinboom, waarnevens wij
-gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven
-zich ter rust.--Nu echter vingen de Kalong's hunne nachtelijke
-togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen
-onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote,
-zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen
-zij bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare
-vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden
-(Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer
-van eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de
-achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan,
-wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte
-te verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken
-morgen keeren zij naar dezen boom, hunne dagelijksche rustplaats
-terug en laten zich blakeren door den vollen gloed der zonnestralen,
-die van den vroegen morgen tot den laten avond op hun schraal met haar
-bezet ligchaam branden. Geen enkel blaadje schenkt hun de geringste
-schaduw. Hunne uitwerpselen deelen, namelijk, langzamerhand zulk een
-overvloed van dierlijke meststof aan den bodem mede, dat de daarin
-wortelende boom spoedig sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak
-verraadt reeds op een aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame
-vruchten, welke aan zijne dorre twijgen hangen.
-
-Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen zich stil
-tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en rijstvogels
-terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der zon
-voor deze Kalong's het sein om hunne nachtelijke togten aan te
-vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met
-logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht
-heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand
-achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter
-hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting
-landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands,
-uit het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong's, en deze scheen iets
-hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting
-kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een
-schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven,
-digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne
-vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk
-der afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt
-acht te slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar een
-en hetzelfde doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld verschillende
-bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk naauwkeurig
-scheen te weten in welke streek der wouden de boom stond, waar zij hun
-nachtelijk maal wenschten te houden, niettegenstaande deze menigwerf
-op een afstand van vele mijlen werd gevonden van de plaats, welke zij
-hadden verlaten. Vroeger had ik reeds menigmaal des avonds zwermen
-van deze dieren aan een dergelijken boom gezien, voornamelijk aan
-een Genitriboom (Elaeocarpus angustifolius), op welks vruchten zij
-het meest gesteld zijn en rondom welken boom zij dan schreeuwend,
-kwakend en elkander de vruchten betwistend, heenvlogen.
-
-Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende koelte des
-dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° Fahr. [26] was
-gedaald, insgelijks toe en de welriekende geur der Kenangabloemen--van
-een hoogen boom (Uvaria odorata) welke op de eene of andere plaats
-in het dorp stond--verspreidde zich in gelijke mate al sterker door
-de boschachtige streek. Nu werd van tijd tot tijd een vliegend
-eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) zigtbaar dat van den eenen
-Kokosboom naar den anderen zweefde, en de Javanen begonnen de
-hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en te grendelen. Er
-sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige roofdieren
-(Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang's) tuk op buit in
-het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de Legoean's,
-komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten einde in de
-hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te leggen.--Door het
-aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, waarbij eenige wachters
-waren gesteld van lansen en Gonggong's voorzien, ten einde alarm te
-maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, trachtten onze dorpsbewoners
-de grootere roovers, de panters en tijgers, van hunne woningen
-verwijderd te houden; want het wijd en zijd in het rond klinkende,
-leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen beweren, het vertrek
-der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, het geschreeuw der
-paauwen, werd nu op verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet
-slechts waren alle andere vogelen stil, maar ook buitendien liet
-geen geluid in het woud zich vernemen.--Alleen het gegons der muggen
-(Moskiten, Tjamok) werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe,
-dat het in deze vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard
-ging met den naderenden nacht die met eene snelheid inviel, welke op
-den nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds
-een zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen
-sedert den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp
-en woud waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets
-liet zich onderscheidenlijk meer waarnemen.
-
-Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met het bespelen
-hunner instrumenten--geluidorganen, tracheën, longblaasjes, snorgaten,
-enz.,--die allen den oogenblik slechts schenen te hebben afgewacht,
-waarop de duisternis een zekeren graad had bereikt om plotseling,
-als op een gegeven teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal
-concert te doen weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken
-boom eene stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was
-geworden; de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden,
-tallooze insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de
-verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten
-bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen
-geleek op het aanhoudend klinken van eene trillende vioolsnaar,
-anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het gezang van
-een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als het
-ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar
-zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel
-verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van
-kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af
-tot aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak
-illumineerden.
-
-Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons noordelijk
-vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar alles
-bij het toenemen der nachtelijke stilte langzaam tot rust komt. Hoe
-geheel anders was het hier?--Bijna plotseling volgde hier de diepste
-duisternis op het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts
-hield de stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend
-gonzende, tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat
-uit duizende insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;--millioenen van
-Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders,
-termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke
-Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal
-ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag
-hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen
-hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen
-voort, die allen zamensmolten tot een oorverdoovend, tjilpend gegons,
-waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, die
-zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle
-plassen accompagneerden.--Somtijds gebeurde het, terwijl het algemeene
-gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en snorren iets
-verminderde, ja, menigwerf geheel en al ophield,--eensklaps echter,
-als ware het op het gegeven sein eens kapelmeesters, begon weder
-op nieuw een koor van honderd duizend muziekanten, allen te gelijk,
-hunne krijschende diskantstemmen te verheffen, die zoo luide klonken
-dat het ons door het hoofd dreunde. Tot deze laatstgenoemden die het
-hardst schreeuwden, moesten meer bijzonder worden gerekend groote
-Cicaden (Tosena-soorten en anderen) die zich in de toppen der boomen
-ophouden. Onze jongens wisten ze echter, door middel eener brandende
-kaars welke zij in het digtste gebladerte hadden gesteld, uit hunne
-hooge verblijfplaats naar beneden te lokken en met honderd andere
-soorten van insekten in hunne netten te vangen.
-
-Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende menigte
-gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn gekomen,
-dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet ongebraden [27] te
-moeten opeten. Zij strekten aan de fladderende, insekten vangende
-vledermuizen tot eene gemakkelijk te verkrijgen prooi. Ook eenige
-Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds terugkeerende kringen over
-het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de snelste vlugt daar heen
-zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den meer helderen hemel
-zigtbaar werden.--Even als met de groote meerderheid der vogelen des
-morgens en gedurende den loop van den dag het geval was geweest,
-vierden de ontelbare zwermen insekten nu des avonds en gedurende
-de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo menigwerf een
-koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede instemden
-in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker tijd,
-eensklaps aan, zwegen allen te gelijker tijd plotseling, op eens,
-en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, uithoofde van de duisternis
-welke ons omringde, moesten gelooven, dat zij elkander konden hooren
-(hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of dat zij op de eene of
-andere wijze met elkander in verstandhouding stonden. Even als onder
-de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks onder deze cicaden op
-het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van soorten onderkennen,
-aan den meer of minder schellen of diepen toon, waarin zich steeds
-eene zekere soort van maat liet waarnemen.
-
-Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar deze stemmen
-van den nacht.--Vele duizenden van dieren bewogen zich om ons heen,
-omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, welligt nooit iets
-te weten zullen komen. Door het loof des Weringinbooms zagen wij
-boven ons hoofd het flikkeren van sterren,--het licht van vreemde,
-ver van ons verwijderde hemelligchamen,--waaromtrent wij nog veel
-geringere kennis bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de
-zwakke krachten van een mensch, aan den korten duur van 's menschen
-leven en wij verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den
-onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle
-rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in
-het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.--De zon
-der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal
-zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter
-tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;--in de oneindige
-verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt toch
-Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier geniet
-naar zijn aard; het is zoodanig ingerigt om te kunnen genieten, het
-eene des daags, het andere des nachts, het eene in den zonneschijn,
-het andere in de schaduw;--al deze duizenden met leven begaafde
-gestalten verheugen zich in het genot huns levens, zij genieten en
-de grondoorzaak der natuur welke zich in dergelijke wetten openbaart,
-moet noodzakelijker wijze eene goede, weldadige, liefderijke oorzaak
-wezen, die volkomen bewust is van het doel waarnaar zij streeft - - -
-
-daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, dweepzucht
-kweekende maan voor ons op, en toen zij hare eerste stralen wierp
-over het loof der boomen en een gering gedeelte van het Aloenplein
-bescheen, werd ons gemoed vervuld met een troostend gevoel dat, als
-het ware door dien straal gewekt, oprees tot de oorzaak die het had
-doen geboren worden.--"Een band moet toch aanwezig zijn welke al deze
-millioenen van levende wezens zaâmverbindt; Eene van alles bewuste
-ziel, Een God moet boven allen leven!--Ja, in den glans der zon, in
-het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, in de
-wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur omvat,--in ons
-eigen boezem ligt Uwe openbaring!--Alwetende! Uwe wereld is schoon!"
-
-Het insektengegons was grootendeels verstomd;--slechts het kleppend
-geluid der Kaprimulgen die nu verzadigd op boomtakken zaten, liet
-zich in het stiller geworden woud nog hooren, toen wij omstreeks
-middernacht, zonder een woord te spreken, maar opgetogen van
-bewondering over de grootheid der natuur, den geest vervuld met
-denkbeelden die dit alles bij ons had doen oprijzen, in stilte naar
-onze legerplaats terugkeerden.
-
-
-
-Op den volgenden dag. Dewijl de Loerah van het dorp afwezig was
-(hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter bruiloft in een
-nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de tusschenkomst van
-den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te danken, dat
-wij Koeli's konden bekomen om onze reis voort te zetten, namelijk,
-de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze wilden echter
-de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde verrigten, dat
-zij een veel hooger loon zouden ontvangen; waarschijnlijk zouden zij
-ook dit van de hand hebben gewezen, indien zij ten gevolge van hunne
-verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken, niet meer behoefte aan
-geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij waren verpligt het hun
-vooruit te betalen, ten einde hen in de gelegenheid te stellen een
-nieuwen voorraad Madat [28] op te doen.
-
-
-
-Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, welke door
-mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder Nacht alle nieuwe of
-zeldzame voorwerpen die wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij
-slechts aan een enkel klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden
-en zetteden vervolgens onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den
-namiddag, door vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar
-eene geschikte plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water
-moest gevonden worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene
-halve dagreis verder westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de
-kust liggen, hetwelk wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te
-bereiken, om van daar in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts
-gelegene hoogland door te dringen.--Wij kozen tot ons nachtkwartier
-de oostzijde eener kaap, der Tandjoeng-Gnodos, in welker nabijheid
-eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar wij ons
-bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte oorspronkelijke wouden
-reikten van het hooge gebergte tot aan de kust zonder ergens afgebroken
-te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende twijgen in de baren, zoodat
-slechts op enkele plekken, voornamelijk op den achtergrond der kleine
-inhammen, een smal zandig strand overbleef dat niet met woudgeboomte
-was bedekt. Waarheen wij het oog mogten wenden, van verre noch van
-nabij, nergens liet zich eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid
-ontdekken.--IJlings werden nu de noodige aanstalten gemaakt tot het
-opslaan van ons bivouak; onze jongens en de Koeli's kapten takken van
-het naburige geboomte, bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij,
-vergezeld van mijn broeder Nacht en twee Javanen, verder westwaarts
-heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren kennen. De kaap
-of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch Oedjoeng) was het
-uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en vormde een vlakken
-bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte van 15 à 25 voet
-boven het strand der aangrenzende bogten verhief. Vele dergelijke,
-iets lager of hooger rijzende Oedjoeng's reikten hier in deze streek,
-tusschen vlakker afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en
-waren allen met woudgeboomte bedekt.
-
-Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en uit het woud
-te voorschijn traden, hadden wij een merkwaardig schouwspel voor
-oogen. Het strand dat tusschen deze en de eerstvolgende kaap lag
-ingesloten, had den vorm eener halve maan, was geheel dor en kaal en
-rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot op een afstand van
-ongeveer 500 à 700 voet van het strand der zee, waar het zich eindigde
-en in zandheuvelen overging; aan de landwaarts gekeerde zijde dezer
-heuvelen verhief zich, in de onmiddellijke nabijheid er van, weder
-het woud dat zich verder onafgebroken tot diep in het steeds hooger
-rijzende gebergte uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust
-eener bogt) had welligt eene lengte van driekwartier uurs.--Hoog
-boven onze hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten)
-en beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde
-beenderen en ontzaggelijk groote schilden van schildpadden, deels
-gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in
-het rond.
-
-Het was een woest tooneel. Door verbazing en nieuwsgierigheid
-geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op het dorre
-strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond eene
-menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan de
-indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge
-van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts
-op, zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der
-heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige
-glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar
-was het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen
-opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het
-scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd
-met elkander hadden gestreden.--Deze gansche strandvlakte was als
-bezaaid met beenderen en schilden van schildpadden; binnen het bereik
-van ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen,
-verscheidene tientallen geheele schilden en zeer zeker mag aangenomen
-worden, dat hun aantal over het gansche strand verspreid, verscheidene
-honderden bedroeg. Het meerendeel werd gevonden op het verst van de
-zee verwijderde gedeelte der kust, aan den voet der heuvelen; hetgeen
-ons het meest verwonderde was, dat zij allen omgekeerd, op den rug
-lagen. Het waren schilden van den reuzenschildpad (Chelonia Mydas,
-zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene
-lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen
-en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt
-en glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog
-voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er
-gevonden, die nog vrij versch waren; met opgereten buikschild en
-op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, stinkende
-ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene plekken
-zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte van
-3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig voortloopende
-groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder ligchaam over
-het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen vingen aan bij
-den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de geraamten heen,
-in eene lijnregte rigting uit tot aan den voet der heuvelen. De twee
-Javanen die bij ons waren, schenen dit verschijnsel te kennen, want
-zij hadden een der sporen gevolgd en riepen ons van de heuvelen,
-waar wij hen bezig zagen met het zand om te wroeten, op vrolijken
-toon toe: Tampat telor, telor! (een nest met eijeren!)
-
-De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de onmiddelijke
-nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit drooge,
-helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon katang
-(Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe bloemen
-waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere plekken
-was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige kruipende
-grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den schedel
-der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia argentea)
-en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van Pandaneën op ons
-neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op eene enkele plek,
-in een nest, op eene geringe diepte onder het zand bedolven, meer
-dan honderd kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van kleur,
-hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, perkamentachtige
-schaal.--Die lange banen waren derhalve sporen van reuzenschildpadden
-die, uit den boezem des oceaans opgestegen zijnde, hier 500 à 700 voet
-ver over het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het
-zand aan den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over
-laten aan de koesterende stralen der zon?!--En op dezen korten togt te
-land, welken zij misschien slechts een paar malen 's jaars ondernemen,
-worden zij door roofdieren aangevallen?-- --
-
-Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten einde te
-bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede als wij
-bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het
-kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere
-physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna
-uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het
-levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 à 40 voet boven den
-grond [29] tot een digt schaduwdak zich vereenigde. Duizende witte
-bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de lucht met
-de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich reeds op
-eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die zich
-wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun neêrwaarts
-gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke horizontale
-takken, ongeveer 7 à 8 voet boven den grond, hadden de Javanen
-onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren tot
-dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander
-gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen
-de boomstammen waren vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer Javanen
-hadden, namelijk, Krokodillen, Boeaja (Crocodilus biporcatus) voor de
-monding der beek bespeurd; gelijk bekend is, verlaten zij des nachts
-hun vochtig element en sluipen langs het strand rond; dit gedierte
-is nog gevaarlijker dan de tijger, uithoofde van het harde pantser
-hetwelk zijn ligchaam bedekt.--Eene dergelijke zitplaats hoog boven den
-grond, waar wij tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een
-Kiboenagaboom gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het
-beenderenveld stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan
-de smakelijke schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt,
-bestegen wij omstreeks 6 ure den boom.--De overige Javanen hadden
-den last ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen,
-zoo spoedig mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken
-hout) naar de plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen.
-
-Wij loerden. De avond viel.--Wij zagen eerst een, vervolgens
-verscheidene schildpadden hun vochtig element verlaten;--zoodra
-zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog slechts een ligte
-golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een oogenblik
-stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de hoogte,
-wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik
-in het rond en--kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel
-zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met
-hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den
-voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij
-naauwelijks een vierde gedeelte van het strand in de lengte gerekend
-overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog onderscheidenlijk
-konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere plompe ligchamen
-die zich over de strandvlakte heenschoven. Geen geruisch trof ons oor,
-dan de doffe toon der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps
-iets plassen en klateren beneden ons,--het was veel langer dan eene
-schildpad en kroop veel behendiger dan deze over het strand,--het was
-een krokodil ter lengte van minstens 15 voet, die eene prooi zocht? en
-nu insgelijks al waggelend naar den voet der heuvelen ging. Doodstil,
-met ingehouden adem, vestigden wij de blikken op het voor ons liggend
-tooneel.--In de verte kroop een schildpad terug en verdween in de
-zee.--Het duurde niet lang of in de onmiddellijke nabijheid van de
-plaats waar wij ons bevonden, keerde insgelijks een donker ligchaam
-van de heuvelen zeewaarts en naderde ons meer en meer,--maar nog had
-het de helft des wegs niet afgelegd, toen plotseling uit het naburige
-woud een groot aantal dieren te voorschijn snelde; aanvankelijk gaven
-zij niet het geringste geluid van zich, maar op den oogenblik dat zij
-den schildpad bereikten, lieten zij een snuivend, kort afgebroken
-gehuil hooren, terwijl zij in een oogopslag het dier omsingelden
-en op de woedendste wijze aangrepen. Naar onze schatting waren er
-minstens een dertigtal aanvallers. Zij pakten hun slagtoffer bij den
-kop, den hals, bij de als vinnen gevormde pooten, bij den staart,
-aan het achterste, trokken en scheurden het de stukken van het lijf,
-draaiden het in een kring rond en verrieden door hun fijn en schor
-klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de ijsselijkste
-vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te werk en
-schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die daar--stil,
-met ligten, zachten tred--even als een Tjitjak welke aan den wand
-van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam aankruipen--al
-nader en nader,--vervolgens eensklaps, als een pijl uit een boog,
-voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende honden tusschen
-zijne vreesselijke kaken had verbrijzeld, alvorens de anderen het
-bemerkten, doch die eindelijk eensklaps tot op zekeren afstand uit
-elkander stoven.
-
-Het waren Andjing adjag's (Canis rutilans), zoogenaamde wilde honden
-die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn dan wolven, maar veel
-vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan deze. Wel was de
-schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel geleden om zich te
-kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk eene goede vangst
-had gemaakt, trok zeewaarts af. [30]--De Adjag's wierpen zich nu van
-alle zijden andermaal op hunne prooi, vielen haar met vereenigde
-krachten aan en schenen druk bezig om haar de schilden uiteen te
-rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om los te drukken, toen
-een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij eenige beteekenisvolle
-woorden toefluisterde.--Zijn scherp oog had de gedaante, welke uit
-het duistere woud te voorschijn was getreden reeds bespeurd; zij
-stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende blikken over de
-schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder en--viel plotseling
-met een verbazenden sprong te midden van de honden,--een vreesselijk
-ratelend gebrul dat uit het diepste van de keel scheen op te komen,
-werd daarbij vernomen en de Adjag's stoven, als door een panischen
-schrik bevangen, naar alle zijden uiteen. Onder het slaken van een
-meer fluitend dan knorrend gehuil, snelden zij ijlings terug naar het
-woud en de tiran der wildernis, de koningstijger die ten tooneele
-was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning op het
-schild van het voor hem liggende dier.--Een tweede, kleinere tijger,
-welligt een panter, sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich
-knorrend, blazend om,--ik lag het geweer aan, drukte los en de knal
-van het schot weêrklonk in den stillen avond heinde en verre door
-het gebergte. De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde
-honden en tijgers had voor ditmaal een einde.
-
-Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder Nacht een schot
-gedaan. Onder het loofgewelf van den boom in welks takken wij gezeten
-waren, was het echter reeds veel te donker geworden om ergens goed op
-te kunnen aanleggen, hoewel wij de omtrekken der voorwerpen die zich
-voor ons op het kale, helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk
-goed konden onderscheiden. Wij hadden mis geschoten--of althans geene
-doodelijke wond toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel
-konden wij nog twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten
-het evenwel voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren
-juist bezig van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons
-bivouak achter gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder
-een luid geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de
-brandende stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In
-de nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven
-van het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter
-vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne Gòlok's [31]
-voor goed afgemaakt. Dewijl zeeschildpadden kop, noch pooten onder het
-schild kunnen terugtrekken, vallen zij niettegenstaande de buitengewone
-grootte en stevigheid van dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk
-ten prooi zelfs aan zulke roofdieren, die veel kleiner zijn dan zij,
-wanneer deze (zoo als hier de wilde honden) hen in grooten getale
-te gelijk aanvallen. Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate
-van waar die groote menigte geraamten en schilden haren oorsprong
-heeft, welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren
-bedekt. Dat gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde
-honden, tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het
-buikschild hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles
-met geweld er uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door
-zeeadelaars en andere roofvogels verslonden, en steeds ziet men
-verscheidenen hoog in de lucht boven dit oord rondzweven.
-
-Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de reuzenschildpad reeds
-omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk opengereten) buikschild naar
-boven lag; wij konden echter niet beslissen of dit het werk was van den
-tijger, dan wel of zulks reeds vroeger door de vereenigde krachten der
-wilde honden was geschied. De Javanen beweerden dat het laatstgenoemde
-het geval was.--Wij sloegen de touwen onzer Pikalan's om de schildpad
-en bevestigden deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes
-Koeli's, waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken
-op hunne schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den
-last te torschen. [32] In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier
-afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel
-in zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen
-als wij sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar
-insgelijks eene ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren,
-ter grootte van eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden geheel
-en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons een
-uiterst smakelijk voedsel.
-
-Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan het wachtvuur
-door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling van
-verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der
-doelmatigheid welke zich in de natuur laat waarnemen. Zou het louter
-toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal zulk een groot aantal
-eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? Zouden wij zoo
-iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden gezien
-hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de landdieren,
-welke op de eijerenleggende moeder loeren,--wij, die wisten dat
-het meerendeel der gelegde eijeren verloren gaat, doordien kleine
-viervoetige roofdieren, zelfs apen en, in bewoonde oorden, de mensch
-ze begeerig uit het zand opdelven en weghalen, en dat een ander
-gedeelte der eijeren bij somber regenachtig weder volstrekt niet
-wordt uitgebroeid?--Waarom echter aan dit dier zoo talrijke vijanden
-zijn gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks
-is geschied met het doel om de grootst mogelijke verscheidenheid
-des levens met de eenvoudigste middelen te bereiken. Maar door de
-groote menigte eijeren die niet allen verloren kunnen gaan, is toch
-voor de instandhouding der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld
-zou uitsterven, indien het getal eijeren slechts tien in plaats van
-honderd bedroeg, of indien er zelfs niet 10, maar (even als dit met
-het jongen bij olifanten en tijgers het geval is) slechts 1 ei werd
-gelegd!--In den harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo
-veelvuldig aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen,
-waar het eene om den wille van het andere bestaat, het een van het
-andere afhangt, laat zich een redelijk plan waarnemen; onmogelijk
-kan dit het werk zijn eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar,
-het einddoel der schepping te begrijpen gaat boven onze bevatting;
-maar dewijl zoo veel redelijkheid doorstraalt in de middelen welke
-tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten,
-dat het einddoel niet redelijk zou zijn?--Zulke denkbeelden bezielden
-ons en zelfs de nachtelijke strijd der dieren, het woeste, schijnbaar
-stelsellooze dooreen woelen en werken der organische krachten, was
-niet in staat ons geloof aan het bestaan van een hoogste redelijk
-wezen aan het wankelen te brengen. Neen, wij hadden besloten om
-dit geloof steeds inniger aan te kweeken en vaster wortel te doen
-schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging van het aanwezen van
-een levenden God ons troost zou schenken in alle rampen, in alle voor
-ons onbegrijpelijke gebeurtenissen des levens.
-
-Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven wij ons
-eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer
-vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt
-meêdeelden dat--al onze Koeli's waren weggeloopen. En dit was werkelijk
-het geval. Ten einde zich niet in de noodzakelijkheid gebragt te zien
-om nog verder met ons mede te gaan, hadden zij zich allen uit de voeten
-gemaakt, en nu zaten wij hier met onze instrumenten en koffers geheel
-alleen in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers,
-krokodillen en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!
-
-Wat moesten wij nu aanvangen?--"Bidden!" zou hierop welligt een
-bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden
-echter een waardiger denkbeeld van de grootheid en de wijsheid Gods om
-te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een enkelen of van eenige
-weinige menschen, eene verandering in zijne natuurwetten maken en
-"wonderen" zou verrigten,--dat hij zich misschien aan een tiental
-Koeli's in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch
-of in eene lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen:
-zich zoo snel mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.--God werkt
-slechts door middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft
-geroepen en naar wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de
-eeuwige, onwankelbare trouw dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij
-ze heeft leeren kennen, met vertrouwen vervult; deze bestendigheid en
-onverbiddelijke consequentie der natuurwetten is het alleen, waardoor
-het aan beschaafde volken mogelijk is geworden zich op te voeren tot
-dien trap van ontwikkeling, van kunst en wetenschap, waarop zij thans
-staan. Niet het bidden, maar de kennis van de natuurwetten heeft hen
-op die hoogte gebragt.
-
-Dit geloofden wij en in overeenstemming daarmede werd de behendigste
-klauteraar die zich onder onze jongens bevond, namelijk Soengsang,
-gelast om in den top van een hoogen Kampakboom (Hernandia sonora)
-te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen afstand van het
-Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of in de omliggende
-streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid konden waargenomen
-worden.--Soengsang klom in den boom en riep ons uit den top toe:
-dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit het woud zag
-opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een Kokospalm
-boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang weder
-naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en ons
-een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek,
-waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een
-Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer mede;
-de overige jongens lieten wij met onze beide andere geweren in het
-bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, met Soengsang
-vooraan een pad door de wildernis.
-
-Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad hebben om op deze
-wijze eene halve mijl ver door het digt ineengegroeide struikgewas heen
-te dringen, indien wij het geluk niet hadden gehad een gebaand pad te
-vinden dat blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts
-liep. Wij volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen
-togt hadden voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing
-opwaarts rees, kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde,
-met onkruid begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met
-hare kiekens al pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van
-een haan, en tot onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een
-open, slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn
-Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven;
-eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine
-gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen
-zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden
-mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den
-drempel hunner hutten stonden.
-
-Het blaffen der honden verried onze komst; zoodra de spelende jeugd
-ons in het oog kreeg, bleef zij, als van den donder getroffen, van
-schrik eensklaps roerloos staan;--de moeders pakten hare kinderen
-snel bij den arm en ijlden er mede weg, de mannen volgden haar in
-woeste vaart en alles wat loopen kon, snelde voort en nam onder een
-aanhoudend geroep van: "help! help! erbarming!" op den voet gevolgd
-door de blaffende honden--in allerijl de vlugt.
-
-Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard bleef, met
-de beenen kruiselings over elkander geslagen, rustig voor een der
-hutten zitten en zeide, ons bedaard groetende (een Sembah makende):
-"Goeden dag, heeren Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij
-neder. Ik ben een oud man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil
-van den Albarmhartigen Toean Allah,--gij kunt mij dooden."
-
-Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat, tegenover den grijsaard
-op den grond, leiden de geweren tusschen hem en ons neder, namen
-eenige cigaren in de hand en reikten ze hem toe.--Hij bezag ons nu
-met meer aandacht en sprak: "Zijt gij geene roovers? Zijt gij Orang
-poetih (blanken)?--Hollanders? Het is lang, zeer lang geleden; ons
-dorp stond destijds nog beneden aan de kust, toen kwamen zeeroovers
-(Badjak's), zij overvielen ons en hebben mijne vrouw en mijne kinderen
-vermoord. Sedert dien tijd hebben wij ons hier hooger bergopwaarts in
-het woud nedergezet. Onze Oema's (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf
-jaren geleden is een Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij
-heeft ons Bibit kopi (koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij
-koffij moeten planten. Daar staan de struiken. De Moesang's [33] eten
-de bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om
-naar de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld noodig."
-
-De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard maakten op ons een
-diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van menschelijke waardigheid
-in het kleed van den eenvoudigsten natuurstaat. Daar hij vertrouwen
-in ons begon te stellen, waren wij de zaak spoedig met hem eens. Op
-ons verzoek verklaarde hij zich bereid zijne gevlugte landslieden
-op te sporen en terug te roepen. Wij gaven hem een onzer geweren
-mede, ten einde dit den vreesachtigen ten bewijze onzer vredelievende
-gezindheid te toonen.--Een half uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen
-terug. De vrouwen slopen binnen de hutten en de mannen, benevens de
-grijsaard en eenige half volwassene knapen, elf in getal, zetteden
-zich op eenigen afstand van ons op den grond neder.--Wij gaven hun
-nu te verstaan dat wij, tegen ruime betaling en goede behandeling,
-voor een halven dag niets anders van hen verlangden dan Koelidiensten
-en dat wij ons naar het groote, westwaarts van hier gelegen dorp
-wenschten te begeven. Hun antwoord was: "Trada boleh Toean (dat is
-onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis
-ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene
-dagreize van hier verwijderd is." Zij verklaarden zich echter bereid,
-om ons eenige uren ver langs het strand in eene oostelijke rigting
-te geleiden--wij zouden derhalve terug moeten gaan--en ons van daar
-landwaarts in naar een groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan
-werd gevonden en waarheen de togt, naar hunne meening, in eene halve
-dagreis kon worden afgelegd. Wat stond ons nu te doen?--Wij waren ten
-laatste nog blijde, dat er gelegenheid bestond om van hier weder weg
-te komen; wij lieten derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen
-en namen het aanbod hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij
-zijnde, oostwaarts van hier gelegene groote dorp te begeleiden.
-
-De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen den
-gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een
-paar gedroogde vischjes of eenige schildpadeijeren ten gebruike op
-reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan
-bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden
-noch buffels; hunne huisdieren bestonden uit kippen, honden en vier
-geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal dikke
-Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het uitstekende
-gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3 à 4 voet; in het
-voorgedeelte dezer buizen was eene opening, waar eene soort van kleine
-bijen die geen angel hebben en niet veel grooter zijn dan muggen,
-zonder het minste gegons te maken uit- en in vlogen. Deze diertjes,
-Selemprang (Melipona minuta), bereiden behalve honig insgelijk was
-(Towol), hetwelk de vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde
-teekeningen (Batik) op de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven
-weven. Uit dien hoofde worden zij voor huisdieren gekweekt. "Hebben
-wij was noodig," zeide ons een der bewoners van dit gehucht, "dan
-behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis vóór onze
-woning op te hangen, spoedig nestelt zich daarin eene talrijke zwerm
-bijen en binnen eenige weken is de gansche ruimte grootendeels met
-Towol gevuld."--Deze allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier
-regt op hare plaats te zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in
-van de even zoo eenvoudige huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig
-geluid te maken, vreedzaam en weêrloos verrigten deze kleine diertjes
-ijverig hunnen arbeid. Even weinig geschikt om zich te verdedigen,
-maar niet minder stil en te vreden slijten deze Javanen hun leven hier
-in de eenzaamheid.--En toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig
-toe. Hoe minder behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar
-echter weinig wordt geleden: daar geniet men ook weinig vreugde,
-en hoe talrijker de behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap
-van ontwikkeling is welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal
-hij moeten zijn en des te grooter, des te menigvuldiger zal het genot
-wezen, dat het leven hem kan verschaffen.--Het speet mij slechts van de
-arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten
-bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan toezigt en leiding
-tot den arbeid daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen
-verdord aan de twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te
-verrotten. "Trada soeka minom--of Trada adat tanam kopi (wij drinken
-geen koffij--of het is bij ons geen gebruik (Adat) koffij te planten),"
-was het gewone phlegmatische antwoord der dorpelingen op onze vragen.
-
-Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in het dorp
-moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli's dat met ons ten 9 ure
-in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg hiervan was,
-dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli's de behulpzame hand
-moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen echter niet
-verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten, zoomede
-hunne eigene zakken vol te stoppen met schildpadeijeren.--En honderde
-dergelijke eijeren werden er weggeworpen.
-
-
-
-In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt aan en
-kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in
-eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde;
-wij volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het
-schoone Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen
-vrolijk in den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele
-dorpjes verrieden. Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende
-waaijers verhieven zich hoog boven het bladerendak der loofdragende
-vruchtboomen, waar tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen
-der Javanen verborgen waren. Tusschen deze boschjes werden onder
-water staande rijstvelden (Sawah's) gevonden, waarin eene menigte
-dominé's (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende naar hun
-lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het rond
-waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op dominé's
-gesteld zijn, houden echter veel van de Maraboevederen, welke deze
-vogel verschaft.
-
-Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed geheeten,
-dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; de
-slagen van Gamelan's klonken ons luide uit meer dan een Pendopo
-te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke geluid des
-Angklong. [34] Eerepoorten van helder groen loof waren hier en daar
-opgerigt, en in feestgewaad gedoste en opgesierde inlanders van
-allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar ons verhaald werd,
-vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De zoon van den Loerah
-[35] was den vorigen dag gehuwd met de dochter van een Mandor
-goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) en het scheen, dat
-hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang door het dorp te
-maken.--Onze Koeli's bragten ons in den ledigstaanden Pasanggrahan,
-ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk van de pakken en koffers,
-en spoedden zich onmiddellijk daarop weder voort, ten einde deel te
-nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens volgden hun voorbeeld
-en wij insgelijks, dewijl het er in den Pasanggrahan zoo armoedig en
-leêg uitzag als het geval kan geweest zijn op het drooge land tijdens
-de silurische formatie.
-
-De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even langzaam, in
-plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het Aloenplein
-dat daar vóór gelegen is. De bruid zat in een open, bontkleurigen
-draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede Javanen werd
-gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij werden
-voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen gevulde,
-geelkoperen kwispeldoors (Kembar majang) droegen. Het bovenlijf der
-bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar aangezigt was
-wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare borsten en
-het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren geel geverwd
-met Boreh; om de armen droeg zij zilveren ringen en in de ooren
-lange gouden versierselen. Overigens had zij ter bedekking van het
-benedengedeelte des ligchaams slechts een prachtig kleed, Sarong, [36]
-terwijl het zwarte hoofdhaar was gesierd met welriekende witte Melati-
-en gele Tjempakabloemen.--Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke
-het Kempar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en hij,
-gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk
-opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens
-gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het
-benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn
-bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook zijn gelaat was wit,
-de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt. Achter in den gordel
-waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden, stak de met bloemen
-gesierde Kris. [37] Zijn lang zwart hoofdhaar hing, insgelijks met
-bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne schouders, en in plaats van
-den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek (eene parademuts).--Dan
-kwamen eenige priesters (Imam's en Modin's), herkenbaar aan hunne witte
-hoofddoeken en aan hunne kleederdragt in het algemeen;--hierop volgden,
-in feestgewaad gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en
-achter deze huppelden Angklong- en op trommels (Terbang) of bekkens
-(Kenong) slaande Gamelanspelers, waarna eene tallooze schaar van
-andere inlanders--oud en jong, mannen, vrouwen en kinderen, allen
-met de beste kleêren aan, den plegtigen optogt besloot.
-
-Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des bruidegoms
-vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed (Padjangan)
-dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest ontvangen worden. In
-den Pendopo die vóór deze woning stond, waren de noodige toebereidselen
-voor het bruiloftsmaal gemaakt. [38]--Weinig tijds nadat wij van het
-Aloenplein naar den Pasanggrahan waren teruggekeerd, verscheen de
-Loerah aan het hoofd eener bezending, bestaande uit mannen en vrouwen
-die korven, groote houten schotels, drinkschalen en schenkbladen,
-alles gevuld en beladen met rijst, thee, suiker, velerlei soorten
-van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of honig (Koewé koewé)
-van verschillenden aard voor zich uit droegen. Deze lekkernijen werden
-ons aangeboden en op den vloer in den Pasanggrahan nedergezet, dewijl
-er banken, tafels, noch stoelen voorhanden waren. Bovendien werden wij
-door den Loerah op het bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later
-deel te nemen aan den daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij
-de Gamelan geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van
-de vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem
-om ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te
-bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij
-ons onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De
-Javanen bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard
-in overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de
-armoedige wijze waarop wij waren aangekomen--te voet, niet onder
-geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van
-onze eigene bedienden--op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed
-waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder
-de Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat niemand
-van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli,
-onbevredigd blijve of treurig mag wezen.
-
-Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust, slaap,
-vonden wij, helaas! het minst.--Het slaan op den Gamelan, het
-geschal der groote Gong's, het luid gillend gezang der Ronggèng's
-(dansmeisjes, Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke
-menigte personen in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen
-van raketten en ander vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde
-ons den ganschen nacht in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen
-werd berigt dat dit vrolijke leven (Ramé ramé) nog twee dagen en twee
-nachten zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te
-verlaten--verder te reizen en zonden derhalve boden naar den Loerah met
-verzoek, dat hij ons Koeli's zou verschaffen om onzen togt te kunnen
-voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het berigt, dat het
-volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende dagen Koeli's te
-bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf, die weldra bij ons kwam
-en met de beenen kruiselings op den grond zich voor ons nederzette; nu
-kregen wij het bevelschrift (Soerat printah) van den resident en leiden
-het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen, en--onder het maken van
-buitengewoon vele pligtplegingen, er bijvoegende: "dat wij het hem,
-zoo hij hoopte, toch vooral niet kwalijk zouden nemen"--gaf hij ons
-te verstaan: dat de bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te
-bieden, hem vroeger steeds mondeling door het distriktshoofd waren
-medegedeeld, en dat het geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke
-bevelen als wij hadden. Gaarne zou hij ons Koeli's verschaffen, indien
-wij slechts twee dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was
-het hem echter volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen;
-de dorpsbewoners wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet.
-
-Nu gingen wij beproeven om als man met man te onderhandelen en gingen
-met onze jongens in het dorp rond, haalden de beurs te voorschijn
-en boden elken ledigstaanden of rondslenterenden Javaan dien wij
-aantroffen, drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan
-om onze ligte pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats
-der residentie te helpen dragen; zij keken het geld eens aan,
-glimlachten--maar, de Ronggèng's wier stemmen hen uit den Pendopo
-te gemoet klonken, de welluidende slagen van den Gamelan die uit de
-verte weêrgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond,
-de overvloed van Koewé koewé, de prachtige optogten van bruid en
-bruidegom--neen! daarvan konden zij niet scheiden.--Ruim een uur lang
-hadden wij het dorp doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk
-gesteld om langs den weg van overreding tot ons doel te geraken, den
-ganschen voorraad van ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren
-guldens en Spaansche matten die wij nog over hadden, in onzen buidel
-doen rammelen, maar--alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde
-middelen schonk eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij
-konden geen enkelen Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met
-loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar
-onzen Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de
-voorgalerij geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een
-getrappel, wij keerden ons om en--wat zagen wij daar? een ruiter kwam
-met lossen teugel het dorp binnen rennen----
-
-een tiental anderen galloppeerde hem achter na,--zoodra de voorste
-ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op een afstand van 500 voet
-den teugel in,--steeg van zijn paard en trad in eene bukkende,
-onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot op ongeveer een
-tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op den grond neder,
-maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn Sembah herhalende,
-de volgende woorden tot ons: "Ik vraag duizendmaal om verschooning,
-hooggeërbiedigde heeren! Duidt mij toch niet ten kwade, dat ik vóór
-vijf dagen toen ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u
-gekomen ben. Ik wist niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik
-u echter overal nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest
-u te vinden. Ik smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt
-het mij toch niet kwalijk. Ik moet u vele groeten overbrengen van
-den heer regent. Gij kunt vijftig Koeli's krijgen, ja, honderd of,
-in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het
-mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien
-het mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen
-en--hier--is mede een brief van Toean Abingrot."
-
-IK. Abingrot?!--Snel brak ik den brief open, zag wie de onderteekenaar
-er van was en daar las ik de volgende woorden:--"Uw liefhebbende
-broeder Avondrood."
-
-NACHT. Wat! Avondrood? Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt
-in onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee!
-
-Ik las: "Aan het meer Telaga-Nagnetap. Lieve jongste broeder! Sedert
-drie dagen ben ik met broeder Morgenrood" - - - Wat! is Morgenrood
-insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene verrassing! welk een
-onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders, die elkander sedert
-jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden dezer heerlijke
-natuur ons zullen wederzien!--"alhier aangekomen en heb tot mijne
-groote verrassing gehoord, dat gij met broeder Nacht insgelijks in
-deze residentie zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas bevond
-en waren in twijfel, of gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als
-men ons de namen noemde) waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen
-in het werk stelden om de Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en
-een waar Koeli's leven leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd
-van Gnodnab alhier aan, met bevelen van den regent om u op te zoeken
-en den noodigen bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van
-u, en nu was alle twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten
-wij slechts waar gij ronddwaalt, dan ijlden wij u onmiddellijk te
-gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van hier verwijderen,
-want onze wakkere vriend, de resident Praktischman dien gij, beste
-Dag, insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot
-aan Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst
-van Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.--Derhalve, beste
-broeders, komt naar ons toe, spoedig, ijlt herwaarts naar het meer,
-opdat wij u omhelzen.--P. S. Wij hebben ons hutten gebouwd en plaats
-en levensmiddelen in overvloed voor u allen."
-
-De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op ons beiden en
-Nacht was zoo opgetogen op het vernemen van dit onverwachte berigt,
-dat hij het goedhartige distriktshoofd van vreugde in zijne armen
-sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden, want
-het ontvangen eerbewijs--eene openbare schending van den Adat--had
-hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons zijn verlangen
-te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te verwijderen;
-hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet geringe
-verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien minuten,
-als door tooverij, met--Koeli's om zoo te zeggen bedekt geraakte, die
-zich ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over
-elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.--Dat was de
-tooverkracht der Argumenta ad hominem die alleen het distriktshoofd
-scheen te kennen, dewijl onze drangredenen kort te voren bij zijne
-landslieden niets hadden uitgewerkt. Onze jongens echter, die in
-het moeijelijke "Koelileven" in het maken van voetreizen volstrekt
-geen behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke aanstalten te
-zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah soesah [39]
-verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen niet zoo druk in de
-weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden luid hunne bevelen
-uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk na het andere
-den trap af naar het plein,--de Koeli's die daar zaten, sprongen
-op en wedijverden! om de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje
-het eerst opnemen en wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande
-spoedden zij zich met hunne lasten het dorp uit;--want de Heer baron
-(of Raden) distriktshoofd Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz.,
-gedost in galakostuum, met de Kris in de gouden scheede gesierd, trad
-daar zoo even weder op het tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop
-(onder het telkens en herhaald maken van Sembah's) een getrouwe echo,
-ja, ja, ja, ja,--weêrklonk.
-
-Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en getuigd, die door
-hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe vurig zij
-waren. Vóór bij den ingang van het Aloenplein hadden twee voorrijders,
-met vaantjes aan hunne lansen, post gevat, slechts wachtende op den
-oogenblik dat wij den voet in den stijgbeugel zouden zetten, om in
-allerijl ons vooruit te rennen. Wij zetteden ons eindelijk in den
-zadel, daar snelden de voorrijders weg aan 't hoofd van den togt,
-de slagen van den Gamelan volgden steeds sneller elkander op, en een
-luid en vrolijk allegro klonk door het dorp,--wij galoppeerden hen
-achterna, gevolgd door het distriktshoofd--en achter hem draafden
-onze en zijne bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere
-hoofden en andere Javanen.--Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet
-ongelijk aan eene woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit,
-terwijl de luide toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche
-muziek langs de bergwanden weêrgalmden en het gehinnik der paarden
-de frissche morgenlucht deed trillen.
-
-De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig, zij snoven en
-brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de ruiters die ze
-bereden, schertsten met elkander en lachten elkander uit, wanneer door
-het ordelooze van den togt de een den anderen in het voorbij rijden
-knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade welke wij op die
-wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig uit. Behalve
-mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met een breed
-geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan reden,
-werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen en
-schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart
-katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige
-Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe
-buizen (Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen
-daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen
-droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong,
-niets anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later
-door den snellen rid verloren. Dan zaten zij van top tot teen in
-het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard en--werden
-uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke dan als een
-lange wimpel achter hen in lucht fladderde;--de ruiters die het
-verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden, sprongen dan
-van het paard, maar vergaten de teugels vast te houden,--de paarden
-draafden dan mede door en hunne voormalige berijders liepen ze,
-met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna en genoten het
-vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier pooten van hun
-paard te kunnen vergelijken.--Op die wijze ging de togt in vluggen
-draf naar het gebergte heen, in de rigting van de plaats, waar te
-midden der sombere wouden die het overschaduwen, het meer Nagnetap
-moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli's ingehaald, die onze
-pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet omtrent hen te
-bekommeren, want wij wisten dat het heden niet noodig was om ze aan
-te sporen en bovendien dat wij aan het meer alles zouden aantreffen,
-hetgeen wij noodig mogten hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe
-goed doorgeloopen hadden, begonnen hunne drift allengs te matigen en
-staakten hun snuiven en brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte,
-namelijk, begon met steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in
-staat om, nevens elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling
-een gesprek te voeren.
-
-NACHT. Er zijn nu omtrent veertien dagen verloopen sedert wij de
-hoofdplaats der residentie B. hebben verlaten, tot waar wij de reis
-met postpaarden hadden voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch
-moet ik tot mijne smart bekennen dat ik reeds begin te twijfelen,
-of men door middel van vrijen arbeid in het binnenland van Java tot
-een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben althans
-bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze klinkende
-munt, onze overredingskracht en goede woorden, als man tegen man,
-nergens veel konden uitrigten.
-
-DAG. Natuurlijk niet; daartoe is noodig aanzien en magt, dat wil zeggen
-het regt om te bevelen. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke
-beschouwen,--zoo als met ons het geval is geweest, sedert wij te voet
-en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden waren gezonden,
-het land doorkruisten,--dan doen zij voor hem juist zoo veel als
-voor hun gelijke, maar ook niets meer. In de wildernis westwaarts
-van den Tandjoeng-Gnodos hadden zij niets te verrigten en om die
-reden hebben zij ook ons derwaarts niet willen begeleiden. In het
-meer beschaafde Europa is geld de drangreden welke individuen noopt,
-meer voor anderen dan voor zich zelven en zijn gelijke te doen;
-maar welke waarde kan geld toch wel hebben hier in het binnenste
-van Java, in het oog van den eenvoudigen bergbewoner die bijna al
-zijne behoeften zonder geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer
-waard. Hoe gastvrij zij ons ook overal ontvingen, wij hadden echter
-voortdurend met Soesah soesah te kampen, en het is u bekend dat wij
-ons doel of slechts ter naauwernood, of in het geheel niet hebben
-kunnen bereiken.--Maar welk eene uitwerking had niet dezen morgen de
-verschijning van den Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet
-op den grond en een geheel leger Koeli's stond op zijne wenken te
-wachten! Wat repten deze Koeli's zich met armen en beenen, wat waren
-zij eensklaps behendig en vlug geworden!--en toch waren het dezelfde
-menschen die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede
-woorden van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden
-van den grond waarop zij zich hadden nedergevleid.--En gedraagt het
-distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor
-eenige dagen,--is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent gerezen,
-sedert hij weet dat wij van regeringswege alle ondersteuning welke wij
-verlangen, op reis bekomen kunnen en dat wij op een vriendschappelijken
-voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident?
-
-NACHT. Hetgeen gij daar zegt, is slechts al te waar. Maar het
-doet mij leed, te moeten zien dat onder een volk hetwelk zulk een
-voortreffelijken aanleg bezit, zulk een slaafsche geest heerscht,
-dat steeds bevelen van hooger hand volstrekt vereischt worden om
-den reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze
-bevelen met blinde gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het schijnt, dat
-de despotieke regeringsvorm der Javanen bij hen elken kiem van achting
-voor den mensch op zich zelven--als mensch--in zijne ontwikkeling
-heeft verstikt.
-
-DAG. Er ligt veel waars in hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar
-toch hapert er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om volkomen
-waar en overeenkomstig de natuur te zijn. Was het gedrag der Javanen
-jegens ons niet altijd beleefd? Hebben zij ons ooit met minachting
-behandeld?--Ja, ik vraag het u, zouden wij bij de Christenboeren in
-Holland wel zoo gastvrij zijn ontvangen geworden, als hier bij deze
-zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde
-blanke menschen ontmoetten, het geval is geweest?--Het schijnt u
-te hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich
-omgeeft met aanzien en aardsche pracht, die als despoot optreedt,
-zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter uit het
-oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran laten
-beheerschen die nog veel minder achting verdient, namelijk:--geld. Wat
-mij betreft, ik verklaar u openhartig en ik kom er rond voor uit dat,
-indien mij ter eeniger tijd geen uitweg mogt overblijven en ik tusschen
-twee dingen had te kiezen, namelijk, of een grooten geldzak als afgod
-moest aanbidden of een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt
-in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid--, in zulk een
-geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de
-Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, toen hun hoofd te Oegoed
-aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem voldoende was om
-tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen vollen geldbuidel
-niet hadden kunnen bewerken.
-
-De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is gevorderd, om
-menschelijke eigenschappen--als zieleadel, hooge deugd, scherp
-verstand, diepe wetenschappelijke kennis--in absoluten zin, om en
-op zich zelven, te schatten, meet de waarde der menschen af naar
-de wijze waarop zij zich uiterlijk aan hem voor doen, naar den
-rang welken zij in de maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook
-bij onze landslieden in Europa de uiterlijke rang van een individu
-en zijne kleeding of de uiterlijke eereteekenen welke hij draagt,
-althans de eerste en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt
-beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens
-gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed
-uitoefenen, die hem allen onderwerping, geduld, gehoorzaamheid luide
-verkondigen?--Kan hij de donderende vulkanen die hunnen vuurgloed over
-zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust weder te keeren,
-of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne voeten trilt en
-beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem mogelijk den
-gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem nederschiet,
-of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die, tuk op roof,
-des nachts rondom zijne stallen sluipen?--Is zijne bijl of zijn hakmes
-in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang te houden, die
-zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf zamenvoegt?--En strekt
-deze zelfde allerrijkste plantengroei, op dezen vruchtbaarsten
-aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst gemakkelijk middel
-om al zijne behoeften overvloediglijk te bevredigen?--Moet de nog
-onbeschaafde mensch die te midden van zulk eene vruchtbare natuur
-geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks
-aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem
-uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer
-noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen
-tot traagheid en zinnelijkheid? ja, zou voor een dergelijk volk,
-zoo lang het nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, een
-despotieke regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden?
-
-Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden dat het
-verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger is,
-hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat
-de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren,
-maar geregeerd moeten worden. Al hetgeen de Javaan van der jeugd af
-ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan zijne blikken voor
-als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat onderwerping hem ten
-gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste bevrediging voor
-zijn gemoed: in het gehoorzamen aan billijke bevelen; het is hem een
-lust een hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden
-zijns gevolgs te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot:
-deel te nemen in de vreugde, in den feestmaaltijd zijns heerschers,
-terwijl de muziek des Gamelan weêrklinkt, die immers de Koeli even zoo
-goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als de Groote des
-lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke mate grootere
-tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger gehoorzamen
-en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang zij aan zich
-zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding stonden,
-op grond van denzelfden karaktertrek welke de geringen gedwee maakte,
-steeds zeer slecht, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam
-geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan het u stellig geen spijt
-inboezemen dat de teugels der regering in Europesche handen gelegd
-zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat, sedert het Nederlandsche
-gouvernement over Java regeert, de bewoners niet slechts aanmerkelijk
-in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet alleen het land--de
-middelen van vervoer en van gemeenschap, de binnenlandsche handel,
-de nijverheid, de administratieve inrigtingen van allerlei aard
-en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den grond--tot zulk
-een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de toestand waarin
-Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan uitstaan met dien
-waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel ander tropisch land
-zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven leeren inzien dat
-insgelijks de Javaan, sedert wij hem naar billijke wetten regeren,
-sedert zijne persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd,
-veel gelukkiger en meer welvarend is dan vroeger, en zulks vooral
-dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken: de bevelen
-regtstreeks van zijne eigene hoofden te ontvangen.
-
-Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een koffijtuin
-binnen gereden.--De koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor
-als een helder groene strook of gordel tegen den donkeren achtergrond
-der oorspronkelijke wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele
-lichtkleurige plek meer wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt
-men slechts de Dadapboomen (Erythrina indica) welke in den koffijtuin
-zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof veel
-lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd. De
-koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende
-rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen,
-blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als
-eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig geplaatste en afwaarts
-hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje heeft den vorm eener
-spits toeloopende piramide en het eene staat zoo digt bij het andere,
-dat het daar tusschen aangelegde pad ter wederzijde ingesloten schijnt
-door een groenen, 7 à 10 voet hoogen wand. In dezen koffijtuin--een
-eigenlijk koffijbosch--was alles vol leven en beweging. Honderden
-van Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den
-grond tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal
-keken vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden
-Mandor's en Loerah's, wier pligt het was het volk vlijtig aan den
-arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons distriktshoofd
-verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om van tijd tot
-tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen. Breede, goed
-onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg doorsnijdende welken
-wij bereden, openden van tijd tot tijd een vergezigt op Bamboeshuizen
-uit wier geveltop een kronkelende rookzuil opsteeg, of op een kleinen
-Pasanggrahan, of Pendopo's en droogschuren, voor welke effen gemaakte
-terrassen zich uitstrekten. Al hetgeen wij hier zagen, ademde orde,
-welstand, vrolijkheid en nuttige bedrijvigheid.
-
-IK. Zeg eens, broeder, wat zou er wel van dezen schoonen koffijtuin
-worden die, naar de berekening van het distriktshoofd, 350000
-afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de Javanen wier naarstigheid
-hem thans in stand houdt, aan zich zelven werden overgelaten>?
-
-NACHT. Ik vrees dat hij weldra in het lot zou deelen der koffijstruiken
-die binnen de haag van het dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen,
-dat hij verlaten zou worden, dat hij zou verwilderen!
-
-IK. Ha ha! Gij hebt u derhalve reeds overtuigd van deze natuurwaarheid,
-die inderdaad niet overeenkomt met de theoriën van menigen voorstander
-van hervormingen. Waarlijk, ik verheug mij daar over.--Indien het
-mogt gebeuren dat de arbeid in het binnenland van dit gedeelte van
-Java werd vrijgelaten, dan maak ik mij sterk om al de koffij, die dan
-nog binnen een jaar tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden,
-op eene behoorlijke manier gezet, binnen drie dagen geheel alleen
-te verbruiken.
-
-Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was oorzaak
-dat wij ons in den zadel omwendden,--daar zagen wij dat de Raden
-distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde
-van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen
-bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had
-zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens
-aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen--en zoo voorts,
-totdat eindelijk de gansche ruiterschaar even luid medelachte, zonder
-eigenlijk te weten waarom hij lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de
-paarden onwillekeurig medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond
-de goede Raden een weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke
-ik mijn broeder had toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl
-hij nog steeds den buik vasthield van 't lagchen, stamelde hij
-eindelijk (onder het maken van vele verontschuldigingen wegens
-zijne onbescheidenheid) de volgende woorden: "Betoel Toean! betoel
-sakali! Orang kitjil trada soeka kerdja,--trada maoe bekin bresih
-kopi, kapan trada soedah jang dapat printah; ter lebi jang soeka
-tinggal di roemah, dan majin sama dija poenja parampoean, tidoran di
-atas balé balé,--pidjit, pidjit, enak!" (Het is waar, mijnheer! 't
-is volkomen waar! De geringe man houdt niet van arbeiden,--wil de
-koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet is bevolen geworden;
-hij blijft veel liever te huis om zich met zijne vrouw te vermaken,
-gemakkelijk op de Balé balé te liggen, zich te laten strijken, kneden,
-[40] lekker!)
-
-Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en zagen ons omringd
-door de donkere schaduwen van het hoogstammige, oorspronkelijke woud
-dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller, moeijelijker te
-berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij bevonden ons nu
-ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den spiegel der zee. De
-laatste sporen van menschelijk verkeer en menschelijke bedrijvigheid
-waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen en ter naauwernood verried
-nog hier en daar een voetstap, welke in den weeken, leemachtigen
-woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan, met het doel welligt
-om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij zetteden onzen
-togt voort over smalle paden gebaand door rhinocerossen en wilde
-stieren, door een maagdelijk woud dat nog nimmer door de vernielende
-bijl was geschonden en ons wijd en zijd omgaf. Hoewel het gebergte
-hier geene vlakte vormt, maar doorsneden is met kloven en dalen wier
-wanden en hellingen menigwerf zeer steil zijn, waar tusschen meer of
-minder breede, deels vlakke, deels zeer oneffene bergruggen liggen,
-heeft het hier echter op dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote
-uitgestrektheid; dit gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte
-van verscheidene dagreizen heeft, is alom bedekt met oorspronkelijke
-wouden waarin slechts wilde dieren huizen.
-
-De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van de rijstteelt
-leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer hoog gelegene
-bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang voortbrengende heete
-laagland hem de vereischte ruimte verschaft tot verdere uitbreiding
-van den landbouw door hem beoefend.
-
-Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en Podocarpussoorten,
-dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op andere
-plaatsen uit Laurineën, waar tusschen echter allerwege eene groote
-menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki terong
-(Fagraea lanceolata)-, Bengang (Thespesia altissima)-, Palaglar
-(Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en andere
-soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige stammen
-van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven onze
-hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden,
-waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een
-hoogen koepel dof weêrgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke
-beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt,
-waar tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchideën in
-het oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen
-tak met den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam,
-strekten zich menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom
-tot den anderen uit en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als
-reusachtige touwen van de hoogste toppen der boomen tot op den grond,
-waar sierlijk gevinde boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over
-het digt ineengegroeide kreupelhout. Hier en daar verhief zich de
-slanke stam van een Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje
-van den bodem, hoe gering ook, was onbedekt; ja, digt aan den rand
-der kloven stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en
-vormden aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand
-heen reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken
-boom een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren
-(Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke
-eene lengte hebben van 3 à 4 voet en in den vorm van een rad of
-roos zijn geplaatst,--dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den
-afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en
-herwaarts geschommeld.
-
-Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd uitgestrekte woud
-heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister hetwelk onder het
-loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke gemoed een diepen
-indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen zonnestraal
-drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater onzer vrolijke
-karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin wij ons
-bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner onbewust
-was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg bragt. In
-diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk geruisch, elk
-gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het woud weêrgalmde
-het schallend geluid van den koekoek (Cuculus chalcites) welke zich
-van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe, koerende bastoon der
-groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der spechten die tegen
-de boomstammen opliepen,--somtijds ook het gefluit van een Soerili-aap
-(Semnopithecus mitratus) die zich bij onze nadering snel tusschen het
-loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak) en wilde stieren (Banteng)
-hoorden wij niets en zagen slechts het spoor dat zij in den weeken
-bodem hadden achtergelaten, en de groote eekhoorntjes (Sciurus bicolor)
-die over de takken rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen
-een ligt geritsel in het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten
-sprong van den eenen tak op den anderen gemaakt hadden.--Een paar
-malen verschrikte ons een dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het
-diepste van den gorgel eens roofdiers scheen voort te komen en hol
-weêrgalmde door het woud; de paarden stapten echter rustig voort, want
-zij schenen den klank te kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige
-zwarte aap Loetoeng (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden,
-de plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt.
-
-Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te doorklauteren,
-waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken afstand
-vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren bodem
-stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het gedruisch
-der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat wij aan den
-rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der wateren
-verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen om
-ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs
-den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan
-trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed
-en over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter
-die niet had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het
-paard heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in
-den zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende,
-door den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond,
-ging dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond
-dan nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam,
-want het liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of
-over de gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter en al in het
-koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na den anderen,
-den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de paarden bij
-den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na den anderen
-tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen zoowel als
-paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine springbloedzuigers,
-Padjet (Hirudo zeylanica), die in deze hoog gelegene wouden, vooral
-op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van beken, bij millioenen
-werden gevonden. Zij springen van het eene blad op het andere en
-kunnen zich in éénen zet op een afstand van eenige voeten vrij door
-de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene lengte van een halven tot
-een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun zijn als een draad, zoo
-kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der kousen en zuigen zich in
-een oogenblik vast aan de voeten, aan den hals, aan de armen, waar
-zij eindelijk ter dikte van een pink opzwellen, indien zij niet van
-het ligchaam worden verwijderd.--Zoodra wij dan weder eene drooge
-plaats in het woud hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons
-allereerste werk om elkander wederkeerig rondom te bezien en van de
-lastige Padjet's te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene
-kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden.
-
-Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het schemerduister van
-het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren voortgezet. Van
-tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix) zijne stem
-hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar eentoonig,
-doch niettemin liefelijk gezang terstond herkenden,--wijd en zijd
-weêrklonk het dan onder het groene gewelf en verheugde het ons;
-maar wij waren vermoeid, onze paarden waren vermoeid, de hemel was
-bewolkt, het sombere weder vermeerderde nog de duisternis van het
-woud----daar schemerde ons door het geboomte iets helders in het oog,
-de paarden begonnen te brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en
-versnelden den stap,--de boomen weken ter zijde, het woud opende zich
-en vóór ons lag het spiegelende vlak van een fraai, uitgestrekt meer.
-
-Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen togt een
-juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud rondom
-het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij
-bevonden ons aan den westelijken oever van de Telaga-Nagnetap en
-ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van
-het aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere
-hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen
-den donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het
-de van Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders
-waren. Uit een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in
-het woud verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer
-in de breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een
-hoog en schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen
-zag men ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.--Welk een
-heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!--Een gezigt
-des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den spiegel
-des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en bloeijende
-oevers,--met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk verwijderd
-oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom die het
-omvat, beletten!--De hutten onzer broeders waren gebouwd op een
-schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in
-de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer
-zich nog verder scheen uit te strekken; want aan die zijde verloor
-het zich geheimzinnig tusschen de sombere, met woudgeboomte bedekte
-oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich rotsen aan den oever
-of rezen er te midden van het meer boven het water, op welks spiegel
-hier en daar eene Fulica lugubris of een waterhoen (Gallinula-soorten)
-zich schommelden, terwijl op andere plaatsen hals en kop van den onder
-water gedoken slangenvogel (Plotus melanogaster) werden gezien.--Het
-geboomte van het woud dat zich overal reeds op een geringen afstand
-van den oever verhief, op menige plek in de onmiddellijke nabijheid
-er van oprees, bestond voornamelijk uit Podocarpussoorten (Ki bima-,
-Ki poetri- en Ki mérakboomen), waar onder de prachtvolle, statige
-Kimérak met fijne naaldvormige bladeren (P. cupressina) het meest
-werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond.
-
-Al onze begeleiders hadden zich op den grond nedergelegd. De paarden,
-hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend langs den oever en wij
-verzadigden onze blikken aan het heerlijke schouwspel dat dit schoone,
-vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten ze voornamelijk naar die
-streek waar--de hutten stonden. Naar het scheen, had men ons aldaar
-nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de
-Loetoeng's van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen
-en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen
-fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend
-over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend
-(Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel
-heeft. Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover
-gestelden oever zigtbaar,--wij zagen een vuurglans in verscheidene
-rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op
-de onzen werden gelost,--een donker voorwerp, als eene boot, verliet
-den oever, gleed over den spiegel van het meer naar ons toe,--het
-kwam nader, wij herkenden onze broeders - - -
-
-Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar zijne eigene
-behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar de
-herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds
-vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen
-dit hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt gelukkig
-waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons verheugden. Ook
-mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de mensch die zich in
-de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen bevindt, zich inniger
-verbonden gevoelt met den mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij
-in naauwer betrekking tot hem staat dan in bevolkte steden.--Mijne
-broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen, door middel van
-daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met Bamboesbuizen,
-matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede waren zij
-overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons bevonden. Dewijl
-echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste Javanen die als
-roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee personen kon dragen,
-besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons vieren (met Avondrood)
-het nieuwerwetsche vaartuig, terwijl mijn broeder Nacht, in gezelschap
-van Morgenrood benevens de bij ons behoorende Javanen, zijn weg
-nam langs den oever van het meer, ten einde op die wijze de hutten
-te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij aldaar ten 12 ure aan en
-bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich regt comfortabel hadden
-ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid tusschen het geboomte
-en in de grootste (waaraan de eenigzins hoogdravende benaming van
-"Pasanggrahan" was gegeven) waren de bedienden juist bezig om de tafel
-te dekken. Mijn broeder Nacht en ik sprongen eerst in het meer, om een
-bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld te volgen,
-dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De Javanen
-zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken, dewijl zij
-uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water, en uit
-dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in het
-laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal daags
-te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen (Boeaja),
-hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op zulk eene
-hoogte waarop dit meer gelegen is (4790 voet boven den spiegel der
-zee), ja, zelfs veel lager geene krokodillen meer gevonden worden.
-
-Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij die gelegenheid
-nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren blijven zitten,
-ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel, ten einde
-ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch gebruik
-vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn meester,
-ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt, bestaande
-uit rijst, Keri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch, gebradene wilde
-eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons uitmuntend
-smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden wij
-het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen
-maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten,
-van waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning
-gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut,
-welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel
-zaten, kwamen de Koeli's reeds! aan met onze pakkaadje, die weldra
-geopend en in de voor ieder onzer afzonderlijk bestemde hutten werd
-gebragt. Nadat wij verzadigd waren en het overschot van onzen maaltijd
-weder aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte
-rijst, werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten
-(Tikar), die vóór den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid;
-hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de
-overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar 's lands gebruik
-bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten met de
-beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu insgelijks
-hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun als bord, de
-vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte Spaansche peper was
-hun geliefkoosde specerij.--In dit land der onbegrensde gastvrijheid
-en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van morgen zal baren, zou het
-hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der spijzen van een gehouden
-maaltijd voor zich of voor den volgenden dag te bewaren. De Adat
-vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de bedienden of Koeli's
-wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten, aan de honden (indien er
-zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het meer wordt gegeven.--Met
-genoegen beschouwden wij de bonte groepen Javanen die daar op den
-grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette spijzen nuttigden,
-schertsten en lachten,--vervolgens zich plat op den rug nedervleiden
-en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en insliepen.
-
-Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven voorbeeld, begaven ons
-in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de met matrassen belegde
-Balé balé's die in het rond nevens de wanden waren geplaatst. Weldra
-hadden wij elkander wederzijds onze ontmoetingen medegedeeld en
-kreeg het gesprek eene andere wending, hetwelk nu over godsdienstige
-onderwerpen werd gevoerd. Mijne broeders Avondrood en Morgenrood
-schonken, algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat
-ten doel had, de invoering van het Christendom op Java op grond van
-degelijke bewijzen te bestrijden; maar deze bewijzen benevens het
-stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in plaats van
-het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen, wenschten zij
-nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de doelmatigheid onzer
-pogingen te kunnen beoordeelen.--Ik begaf mij derhalve naar mijne hut,
-haalde het handschrift en las mijne broeders de 25 hoofdstellingen
-voor der "natuurlijke godsdienst en zedeleer," zoo als ik die vroeger
-het eerst in onze taal had te boek gesteld. (De Maleische overzetting
-was later bearbeid geworden en bevatte slechts een kort overzigt er
-van.)--Aan menige stelling viel de onverdeelde bijval mijner broeders
-ten deel; op het hooren van anderen schudden zij het hoofd of gaven
-hun ongeduld op de eene of andere wijze te kennen. Toen ik geëindigd
-had, heerschte er gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte
-welke door Avondrood met de navolgende woorden werd afgebroken.
-
-AVONDROOD. Lieve broeder! Uw streven: het bijgeloof met redelijke
-bewijzen te bestrijden en tegenover de dwalingen natuurwaarheden te
-stellen, mag lofwaardig worden genoemd. Het is het eenige middel om den
-weg te banen ter invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst
-en om Java te behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er
-aan willen berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij
-in de plaats van het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te
-zien, kan mede niet anders zijn dan een overgangsmaatregel en in zoo
-verre--als een overgangstoestand daardoor wordt te weeg gebragt--wel
-is waar nuttig, echter niet bestendig van duur zijn, dewijl zij niet
-de volkomene waarheid bevat.
-
-Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen verklaren, toen
-eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep rollend geluid
-'t welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat het tijdstip van
-den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp verzadigde hoogere
-luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen. Terstond daarop
-vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote vallende droppelen,
-dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van den regen welke
-zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde. Onze bedienden
-snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles zorgvuldig gesloten
-was en werden later weggezonden met het uitdrukkelijke bevel, dat
-zij tegen het invallen der schemering (na 6 ure) ons avondeten gereed
-moesten maken, doch zich overigens tot dien tijd van alle zorg voor ons
-ontslagen konden rekenen, indien zij niet geroepen werden. De gevolgen
-van een onweêrsregen in het gebergte kenden wij te goed, dan dat wij
-ons niet geluk wenschten: vóór het invallen er van onder dak te zijn
-gekomen.--Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger gelegene,
-bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke, westelijke
-gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij vóór twee ure,
-en kan het zijn vóór een ure des middags ter bestemder plaatse zijn
-aangekomen. In het binnenland van Java bestaat weinig onderscheid
-tusschen den droogen en den regenachtigen moesson. Des nachts en
-gedurende den voormiddag is de hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1
-en 3 ure echter begint het in 't gebergte bijna dagelijks te regenen,
-onverschillig in welk jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem
-opgelost en herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot
-over de enkels inzinkt,--een troebel, modderachtig water stroomt
-den reiziger van alle zijden der berghellingen te gemoet,--de tot
-stroomen opgezwollene beken kan men niet meer doorwaden en de bliksem
-die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van
-het geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is
-waar, dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen
-van den nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt,
-zoo niet geheel en al afgebroken.
-
-Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte drooge hut zoo
-vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is waar, het scheen
-dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van de streek waar
-wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een fijne regen zoo
-gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er van konden
-rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des dampkrings
-(welke 65° Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om naar buiten
-te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere ondernemingen voor
-heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze hut blijven
-en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent onze
-godsdienstige beschouwingen.
-
-Avondrood werd nu andermaal uitgenoodigd om zich nader te verklaren
-nopens den vroeger door hem geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te
-kennen dat hij dit, naar zijn oordeel, het best zou kunnen doen door
-ons een geschrift voor te lezen, waarin hij zijne wijze van beschouwen
-had uiteen gezet; uithoofde dit handschrift echter tamelijk uitgebreid
-was, durfde hij--zonder vooraf verkregene toestemming daartoe--met
-de lezing er van geen begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons
-geduld daardoor op eene te sterke proef te zullen stellen.
-
-Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend waren
-zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende
-geloofsbekentenis voorlas, welke hij de zijne noemde.
-
-
-
-
-
-
-GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER AVONDROOD.
-
- "Was wär ein Gott der nur von Aussen stiesse,
- Im Kreis das All am Finger laufen liesse?
- Ihm ziemt's die Welt im Innern zu bewegen,
- Natur in sich, sich in Natur zu hegen,
- So dass, was in ihm lebt und webt und ist,
- Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst."
-
- Göthe.
-
-
-God is de bezielde natuur.
-
-De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de kracht van
-de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, welken
-zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de natuur
-stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de natuur èn
-zich zelven in den eigenlijken zin des woords God'loos. Zij verlagen
-de schoone, overal levende en in millioenen polsen slaande natuur
-tot een geesteloos, mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode
-wetten blind gehoorzaamt en van buiten de kracht moet ontvangen,
-welke het drijft.--Voor mij zou de natuur al hare bekoorlijkheid
-verliezen, indien ik haar als zoo een werktuigelijk knoeiwerk moest
-beschouwen.--En wat maken de dualisten van hunnen God dien zij uit
-de natuur hebben verdreven?--een horologiemaker die het raderwerk
-heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar nederzit
-en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe alles
-gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.
-
-Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag
-beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een
-zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege zie,
-dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel
-zijn. Er is derhalve niets dan de natuur, welke alles is. Maar even als
-ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze hersenen tot ontwikkeling
-komt, zoo moet insgelijks de natuur, als geheel, eene ziel hebben,
-welke algemeen bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd
-eeuwig en onvergankelijk--beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte,
-de bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de
-wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden,
-geindividualiseerd,--gebonden even als latente warmte. Deze verbinding
-is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot bijzondere
-gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk getrouw van
-de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische krachten,
-welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen behooren;
-zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats heeft,
-zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij zich
-uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij aanneemt,--in
-deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den kever, in het
-werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), zoowel in
-de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, soorten en
-individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den volkomen tot
-rijpheid opgewassen mensch; deze uiting staat in zulk eene bepaalde,
-als het ware aequivalente verhouding tot de bewerktuiging van elk
-afzonderlijk wezen (den vorm en chemische zamenstelling), dat het
-resultaat der ontwikkeling van het stille (passive) plantenleven tot
-aan het menschelijke bewustzijn, van de kunstdrift van het insekt
-tot aan den hoogsten trap van zedelijke ontwikkeling des menschen en
-tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen in wetenschap en kunst,
-niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van de onderscheidene en
-onder verschillende omstandigheden plaats grijpende zamenwerking
-van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en zeer grondige
-natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij kennen geen
-anderen God dan de natuurnoodzakelijkheid, geene andere krachten
-dan die welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen
-verbreide physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen
-eigenaardige chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof
-aan onweegbare stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene
-ziel als een verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen
-ongegrond bijgeloof. Maar--tegen deze gevolgtrekking van zoogenaamde
-materialisten kunnen eenige gewigtige bedenkingen in het midden worden
-gebragt. Ik wil niet spreken van eene zedelijke wereldorde, van een
-zedelijk beginsel in den mensch, van den onuitputtelijken rijkdom
-en de kracht van gedachten welke zich in de kunsten en wetenschappen
-heeft geopenbaard,--ik wil niet spreken van de moeijelijkheid om den
-verbazenden rijkdom aan gestalten in de dieren- en plantenwereld,
-die echter voor elke soort niet alle organen welke het ligchaam heeft,
-met alle eigenschappen en aandriften die het dier bezit, onveranderd
-blijft,--of niet gewagen van de moeijelijkheid om de verscheidenheid
-der geslachten bij eene en dezelfde soort af te leiden uit de algemeen
-verbreide natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, electriciteit,
-magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en capillaire
-aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige chemische
-krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen, [41]--ik wil
-slechts aan een feit herinneren, aan het bewustzijn in den mensch,
-die van zijn aanwezen, van den toestand waarin hij zich bevindt en van
-zijne eigendommelijkheden duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft
-dat zijn oorsprong?--Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn,
-al is het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch
-geene physische of chemische kracht worden geheeten.
-
-Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene kracht, geene
-stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof nieuw ontstaan
-kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet beschouwd worden als
-van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders dat geene grondstof
-in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, waaronder zij zich
-voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide grondstoffen van
-het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de zamenstellingen welke
-zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten onophoudelijk afwisselende
-verbindingen aan; maar hare massa ziet zich met geen enkel atoom
-verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de krachten, zoowel
-de physische welke tot de stof in het algemeen, als de eigenaardige
-chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen en hunne
-verbindingen, onveranderlijk dezelfden.
-
-Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit eene onweerswolk
-naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar slechts
-de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide (electrische)
-kracht, derhalve voortvloeit uit eene reeds lang bestaande bron,
-op gelijke wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene
-reeds bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn
-elken dag geheel nieuw--uit niets--in millioenen van menschen zich
-ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch
-den mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen,
-al zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling
-brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder
-dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen
-kan?--Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de zuur-,
-kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, aardsoorten,
-enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde voedingsmiddelen
-bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer voortdurende
-stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet harer
-wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar eigenaardige,
-door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met elkander te
-verbinden, gehoorzamen en die zonder te weten wat zij doen, bloed,
-beenderen, spieren, hersenen en andere deelen vormen,--zouden het deze
-krachten der elementen zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is
-ontstaan, plotseling beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou
-het bewustzijn kunnen voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid
-bezit en aan het kind, het schepsel, den mensch eene hoogere mate van
-volkomenheid eigen zijn dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem
-het aanzijn gaf; zou hij rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze
-slechts wetten en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos
-haren invloed doen gelden?--in deze natuur waarvan hij toch zoo
-geheel afhankelijk is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid
-ondervindt en de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan haar
-is verbonden?--Dat toch zou het grootste van alle wonderen zijn,
-waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!
-
-Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede als met de wetten
-der natuur.--Het feit van het aanwezen van eene bewustheid in den
-mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn veronderstellen,
-eener natuurziel, die zich van gene stoffen en van de daarin aanwezige
-krachten slechts als middelen bedient om, naar eeuwig onveranderlijke
-wetten, in de plant als plantenziel, in het dier als dierenziel en
-in den mensch als menschenziel tot ontwikkeling te geraken.
-
-Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit bewustzijn tot ons
-komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat ons denkvermogen
-met stoffelijke krachten allengs in ons ontwaakt; de loop der gansche
-zaak schijnt ons raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in
-het ei, het bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons
-het tijdstip niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste
-maal tot ons zeiden: "ik ben;"--thans zijn wij echter inderdaad en het
-bewustzijn is in ons ontwaakt----; laat ons voor een oogenblik in eene
-nadere beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben
-niet, gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal
-een afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen,
-min of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd
-geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit
-de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die
-deze kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de
-natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen
-heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen,
-als het ware de wegen te leeren kennen, welke de electriciteit
-volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, totdat de
-schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!--Zouden wij nu daarom
-niet aan het bestaan der ziel gelooven, dewijl voor ons kenvermogen
-de weg in duisternis is gehuld, langs welken zij in ons binnenste komt?
-
-Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, is tevens het
-eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, dewijl alle
-andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het bewustzijn
-uitgaan en daarop steunen.
-
-"Ik denk, derhalve ben ik." Ik ben: God is.--Dit heet inderdaad: ik
-ben God, gij zijt God, hij is God; gindsch zachtaardig meisje hetwelk
-den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer als
-deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en hem
-van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te maken,--en de
-gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de arme geit welke hij
-heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen muil wegsnelt.--God
-is de (bezielde) natuur. Buiten haar is niets.
-
-Uit deze leer volgt: ten eerste dat het voortbestaan der menschelijke
-ziel na den ligchamelijken dood slechts in zoo verre denkbaar is, als
-aangenomen mag worden dat de algemeene wereldziel alle eigenschappen,
-welke het deel zijn onzer geïsoleerde d. i. menschelijke ziel
-en waaronder herinneringsvermogen, geheugen moeten gerangschikt
-worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad van volkomenheid
-bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God latent is (als het
-ware zich zelven niet meer kent), opgehouden heéft te bestaan, moeten
-wij, hiernaar te oordeelen, wederom een integrerend deel der algemeene
-zielkracht (der Godziel) worden; maar de herinnering onzer bij deze
-ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in den toestand van het vrij
-zijn aan dien van het gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De
-menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding
-als vrije tot latente warmte.--Aan te nemen dat de menschelijke ziel
-ook na den ligchamelijken dood nog geïsoleerd--als op zich zelve
-staande--zal blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven,
-dat elke afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is,
-terwijl toch slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit
-welke den bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is
-het mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk
-of individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat
-het ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële
-aanzijn overgegaan is, noch vorm noch inhoud meer bezit?--Slechts
-als algemeene geestelijke kracht is het bestaan der ziel denkbaar,
-dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, wel is waar, veranderlijk
-en aan afwisseling onderhevig) als geheel beschouwd inderdaad vorm
-en inhoud heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke
-ziel daarentegen kan als beperkt wezen, als individu slechts zoo
-lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof blijft
-voortduren.--Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke zielen
-moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van
-elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich
-onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op
-dien voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het
-oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een
-tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig
-waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen
-van jaren had bestaan. Slechts hetgeen nimmer een aanvang had, dat
-kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen echter zijn slechts
-gedachten Godes en kunnen alléén in zijne herinnering voortleven.
-
-Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk ligchaam twee
-koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke ligchamen
-bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden zijn,
-gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en Eng
-in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche
-gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des
-ligchaams aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van
-22 jaren bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en
-verrigtingen des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen
-en de gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het
-ligchaam wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider
-brein. Hoe zal nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze
-afzonderlijk moeten voortleven?
-
-Ten tweede. De mensch bezit geen vrijen wil, evenmin als de plant en
-het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij een vrijen wil bezit,
-wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, moet zij zulks niet
-doen?--Weet de kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd,
-waaruit zij haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een
-regelmatig web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt uitloopen
-om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft het van
-haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin is?--spint
-zij daarentegen niet, dewijl zij door hare bewerktuiging, door eene
-zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe gedwongen is?--Is de hond
-vrij, wanneer hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw,
-waarom hij hond is? kan hij het veranderen--is de mensch in staat
-te veranderen dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte
-haren heeft? Heb ik het geringste tot mijn ontstaan bijgedragen, ben
-ik niet geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal
-ik niet op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef,
-van de wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen,
-wanneer deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal plaats
-grijpen?--Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, terwijl
-ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet in
-Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat
-mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard
-van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb overgeërfd
-van mijne moeder?--Weet ik waarom ik een afkeer gevoel voor wortelen
-en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik gaarne spinasie en
-bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al gedwongen? Hoe kan de
-mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al hetgeen aan hem is,
-zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en juist zoodanig
-als het is, hem gegeven is geworden?--Slaat zijn hart niet naar
-werktuigelijke en natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en
-zoo vele malen in elke minuut zonder zijn toedoen,--haalt hij niet,
-geheel onbemerkbaar, zoo en zoo vele keeren adem in elke minuut en
-moet hij dit niet doen, ten einde niet te stikken en op die wijze het
-leven te verliezen? Dwingt de honger hem niet om voedsel tot zich te
-nemen, noodzaakt de dorst hem niet tot drinken, dwingt hem de wellust
-niet met kracht tot vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting
-het menschelijke geslacht in stand te houden),--verpligt hem niet een
-pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen (benevens
-andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te verwijderen--en
-houdt de vrees voor den dood hem niet terug van in het water te
-springen, dewijl hij in het leven blijven moet?--In dit alles ligt
-niets vrijwilligs. Nu echter zegt men, "de geest, de ziel is toch
-vrij!"--Neen; ook deze is niet vrij. Ziel en ligchaam, kracht en
-stof zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de stof
-gegeven zoo als zij is, dat wil zeggen, in zoodanige verbinding met de
-bewerktuigde stof dat zij zich onder de bepaalde omstandigheden welke
-invloed er op uitoefenden, niet anders ontwikkelen kon en zich thans
-niet anders uiten kan dan--juist zoo als zulks geschiedt. De domme
-zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem afhing; de
-platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem niet. De
-verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te zijn)
-in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en kan niet
-dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij zulks, en even zoo is het den
-goeden, deugdzamen mensch onmogelijk, slecht en misdadig te handelen,
-terwijl de booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare
-neiging tot het plegen van misdaden gedrongen gevoelt.
-
-Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke
-omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des
-menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting
-van onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of
-naar den schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn
-voornemen van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer
-gemakkelijken, maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla,
-hoewel hij smal en glibberig is, of indien het leven mij ten last is
-en ik aanstalten tot zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het
-eene te doen of het andere te laten? is in al deze gevallen mijn
-wil die tot het een of het andere besluit, niet vrij?--Neen; deze
-vrijheid is eene begoocheling; onze wil schijnt ons toe vrij te zijn,
-dewijl de natuurlijke band welke oorzaak en gevolg verbindt, voor
-ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen te ingewikkeld,
-te zaâmgesteld zijn, dan dat het verband naar de wetten die het
-regelen, duidelijk door ons zou worden ingezien. [42] Dat een
-dergelijke zamenhang niettemin werkelijk bestaat, dat insgelijks
-de verschijnselen in den zedelijken kring waarin de mensch zich
-beweegt,--zijne denkbeelden, zijne besluiten, zijne handelingen--de
-noodzakelijke gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn die haren invloed
-op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen van Quetelet
-[43] en van Fransche en Engelsche staathuishoudkundigen, waaruit is
-gebleken dat het aantal misdaden van elke soort steeds eene bepaalde
-breuk van het getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de
-omstandigheden onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, hoe
-vele diefstallen, hoe vele moorden uit jaloezij, moorden uit hebzucht,
-hoe vele kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd
-van een jaar onder de bevolking der verschillende landen en klimaten
-voor een bepaald aantal individuen, b. v. eene misdaad op duizend
-of 600 individuen--gepleegd zullen worden. Gelijk bekend is heeft de
-groote Belgische sterrekundige deze statistieke regelmatigheid in de
-verrigtingen van den menschelijken geest het eerst door vaste getallen
-aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze zedelijke eigenschappen,
-even als de neiging: aan de verlokkingen (ten kwade) die invloed op ons
-uitoefenen, aan de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor
-te geven (waaruit misdaden ontstaan), aan vaste wetten gebonden zijn.
-
-Het regtstreeksche physiologische bewijs dat de wil door stoffelijke
-bewegingen, door electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te
-weeg gebragt, is in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en
-anderen geleverd geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke
-omtrent dit punt mede te deelen.
-
-Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle deelen in den
-omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, waar zij digt
-nevens elkander liggen. De gevoelende zenuwdraden (of gelijk men zegt
-terugwaarts loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van
-de oppervlakte des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze
-op eenen bewegenden (of regtloopenden) zenuwdraad overbrengen, welke
-nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang des ligchaams,
-tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken (verkorten) en
-het lid daardoor bewegen.--Eene beweging wordt willekeurig genoemd,
-indien in de hersenen de prikkel der gevoelende zenuwdraden, als
-gewaarwording tot bewustzijn komt, alvorens de beweging plaats heeft,
-derhalve dan wanneer de gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels
-tot aan de hersenen sterk genoeg voortplantte;--overgebragte
-of reflexbeweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij de
-prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in
-de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken)
-zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt
-gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den
-steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den
-gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij
-vooraf tot bewustzijn kwam);--wanneer de gewaarwording echter tot
-bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar de mug slaat, dan noemt
-men de beweging welke hij maakt (zeer oneigenlijk) eene "willekeurige"
-beweging. Tusschen beiden bestaat echter geene scherpe grens; want
-hoe onverwachter wij een wakende kittelen, des te zekerder is het
-dat hij zal lagchen, en menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de
-onwillekeurige beweging reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts
-nog den zwakken nagalm des donders welke hem heeft doen ontwaken.
-
-Even als het geval is met de prikkels welke door middel van het
-zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het ook
-gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van het
-oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot het
-verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde,
-maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede
-aan de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar
-de andere organen of ligchaamsdeelen.
-
-Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid gedaan,
-hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden door
-middel van electrische stroomingen in de zenuwen en spieren, en wij
-kunnen den arm niet buigen zonder dat een electrische stroom van de
-hand naar den schouder gerigt worde. De electrische stroomingen en
-hare veranderingen kunnen wederom slechts ontstaan ten gevolge van
-veranderde stoffelijke toestanden in de zenuwen en in de hersenen
-(te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), en derhalve kan zonder
-eene dergelijke stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen.
-
-De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van een zoogenaamden
-vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de noodzakelijke uitdrukking
-van een toestand der hersenen, ontstaan en gewijzigd door een invloed
-van buiten. Zelfs wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming
-doet, is dit geene daad van den vrijen wil; want de proefneming is
-het gevolg eener gedachte en de gedachte is eene beweging der stof,
-welke zelve wederom het gevolg eener zinnelijke waarneming was.
-
-Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van het
-hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf
-geheel gedwongen is hetgeen hij is,--daar hij niet in staat is het
-kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen,
-wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste
-gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van
-een eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: "tijd, sta een
-oogwenk stil," en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar
-zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort,
-de gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan
-vrij zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door
-overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! "De mensch is het
-gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en
-weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en licht." Zijn
-wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, gebonden aan
-eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te weeg gebragt,
-herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene regte rede
-tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de beschouwing welke
-ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op 't papier brengen er van,
-ja, slechts een enkele der daarin voorkomende woorden, het resultaat
-van mijn vrijen wil zijn?--
-
-Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik kan niet anders denken,
-ik moet zoo denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg
-van oorzaken, die hare werking op mij hebben uitgeoefend en waarvan
-eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare
-personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter
-naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot
-nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der
-eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd
-en ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte zelf is, d. i. God, kan
-een vrijen wil hebben.--En indien iemand gelooft dat Jezus ten hemel
-gevaren is, een ander daarentegen het niet gelooft, zelfs zijne stem
-er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een
-schadelijk bijgeloof verwerpt: wie van beiden heeft dan een vrijen
-wil?--beide?--of is het gelooven bij genen en het niet gelooven bij
-dezen niet een gevolg van natuurlijke oorzaken en omstandigheden des
-levens, die op ieder van hen op verschillende wijze en in verschillende
-mate invloed hebben uitgeoefend?--Kunt gij, broeder Dag, b. v. gelooven
-wanneer gij wilt, dat God een zoon of eene dochter, of eene moeder
-en grootmoeder heeft? Ik betwijfel het en even onmogelijk zal het
-genen zijn, zoo te denken en te gelooven of niet te gelooven, als
-de ziel in uwe hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt
-ons tot hetgeen wij zijn. Wij moeten zoo handelen, zoo denken gelijk
-ieder doet. "Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen,"
-zeide Luther en ik voeg er bij: wij denken eigenlijk niet, wij leven
-niet,--wij zijn hier niet uit eigen wil, wij zijn niets uit vrije
-keuze,--vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer zijn:--wij
-worden geleefd. Wij zijn gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder
-den invloed der algemeene natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt
-(gelijk een nieuwe, geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke
-magten--rede, wil en liefde--welke ons bezielen, drijven, beheerschen
-en die volstrekt onweêrstaanbaar zijn. Er kan slechts een vrije wil
-in de gansche wereld zijn en deze zelfs schijnt ons toe niet vrij
-te zijn, dewijl hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij
-(zoo ver menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.
-
-Ten derde. Er bestaat geen absoluut onderscheid tusschen goed en
-kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke tegenstelling, de
-schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn goed in hunne
-eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger of wolf
-onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen is
-eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?--Indien nu
-echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste
-wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg
-van voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor--'t is waar--aan
-de zedeleer, in den gewonen zin, haar grondslag ontnomen en de
-toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid van het individu houdt
-op te bestaan. Er behoort derhalve een andere maatstaf ter hand te
-worden genomen ter beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd
-en ondeugd, dan vroeger is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet
-worden gevonden in de natuur des menschen zelve.--"Goed is, hetgeen
-op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de behoefte
-der menschheid; kwaad is, dat strijdt met hetgeen zij vereischt--en
-het regt om te straffen ligt in de ingeschapen zucht tot zelfbehoud,
-welke het geslacht beheerscht. Het regt daartoe wordt grooter naar
-gelang van de behoefte er aan. De straf zelve wordt slechts dan
-tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de doodstraf) onmenschelijk,
-wanneer zij gruwzaam is."
-
-Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets anders over,
-dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te keeren en
-het gemis aan vrijen wil als eene praktische waarheid te beschouwen,
-maar daarentegen theoretisch aan te nemen en zich in te beelden dat de
-mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig hiernaar te handelen,
-hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds ieder doet.--De
-tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen wil een verlammenden,
-verzwakkenden invloed op het karakter zou uitoefenen en dat de
-leer der onverantwoordelijkheid het individu tot zucht naar genot,
-tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten zou vervoeren,
-steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de wil aan
-vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is en
-de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te
-vieren.--De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de overtuiging,
-dat de deugdzame en wijze mensch meer geluk en meer genot in het leven
-zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten en
-hen aansporen op grond hiervan naar deugd en wijsheid te streven.
-
-Tegen deze mijne beschouwing--welke God voor de natuur zelve
-houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil zeggen
-gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met
-verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze
-der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,--mag de tegenwerping
-niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een kluchtspel zou
-schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, waarin geen zin,
-geen redelijk doeleinde is te ontdekken!--Wanneer ik u thans vraag
-wat dan naar uwe wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens
-zijn moet,--waar dit bonte, veelvormige en aan vele wisselvalligheden
-onderhevige aanzijn der schepselen die elkander menigwerf verslinden,
-zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk drijven der menschen zou
-geleiden, die elkander zoo menigwerf beoorlogen en in den krijg of
-door epidemische ziekten dikwerf bij duizenden plotseling weggeraapt
-worden en die op elkander bij millioenen van geslachten volgen,
-waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane
-opgroeit;--wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is
-der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde
-wereld? welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan "nescio," of
-"zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest," of indien
-gij toch iets wilt zeggen om althans een streven naar een doel uit
-te drukken en waartoe geologische nasporingen gegronde aanleiding
-geven: "de wereld ontwikkelt zich naar een onbekend! doel; alles
-wordt beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige
-herschepping en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene
-voorwaarts strevende, meer de volkomenheid naderende ontwikkeling;
-waar en waarmede deze echter aanving en waarheen zij zal geleiden,
-wanneer en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets bekend."
-
-Wat betreft de ontwikkeling der bewerktuigde wezens, ten deze opzigte
-wordt door de meeste natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed,
-dat de onderscheidene soorten van planten en dieren niet dadelijk
-van den aanvang af die mate van volkomenheid hebben bezeten, welke
-wij thans bij hen waarnemen, maar dat in de groote geologische
-tijdperken scheppingen van hooger bewerktuigde planten en dieren
-op lager staande, op meer eenvoudige zijn gevolgd en dat minder
-volkomen wezens gedurende den loop van duizenden, ja, millioenen van
-jaren--door van lieverlede plaats grijpende veranderingen in hunnen
-bouw, welke gelijken tred hielden met veranderingen van klimaat
-(warmte, drukking der lucht, vochtigheid, grooteren of geringeren
-rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele andere omstandigheden in
-verband staande met de natuur, welke hen omringt),--zich tot hoogere
-volkomenheid hebben ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook
-de mensch niet van den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook
-hij verschillende physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede
-ongetwijfeld ook de telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even
-als alle andere hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft
-de mate harer volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van
-sommige nieuwe onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen,
-dat de menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze
-oudste voorvaderen apen (Chimpanse's of Orang oetang's en Pongo's)
-zijn geweest, daarin moge voor onzen trotsch iets vernederends
-gelegen zijn; maar het is niet te min waar, dat de ligchaamsbouw
-der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op de aarde leven, de
-oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland (Australië)--in den vorm
-van gelaat en schedel, dikken buik, hunne lange, smalle ledematen en
-dunne kuiten--eene groote mate van overeenkomst hebben met de vormen
-der hoogere aapsoorten, welke zij in hoedanigheden des geestes slechts
-weinig overtreffen, dewijl zij eene hoogst onvolmaakte taal hebben,
-een geheel dierlijk leven leiden, geene vaste woonplaatsen bezitten,
-geene hutten bouwen en niet verder dan tot 7 kunnen tellen. Door de
-geloofwaardigste reizigers is daarentegen bevestigd geworden, dat de 5
-à 6 voet hooge Chimpanse (Pithecus Troglodites) hutten bouwt, zich bij
-het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen uitdeelt,
-negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige gevangenschap
-houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer gemakkelijk kan leeren
-aan tafel aan te zitten even als een mensch, of achter den stoel te
-staan om te bedienen.--Dat de geestvermogens bij de dieren van die
-des menschen niet in aard (qualitatief), maar slechts in de mate welke
-zij er van bezitten (quantitatief) verschillen, dat leert ons op eene
-onwedersprekelijke wijze eene onbevooroordeelde beschouwing hunner
-zielsverrigtingen en eene opmerkzame vergelijking van hunne hersenen
-en van hunnen schedel met dien van het Australische menschenras,
-der negers en van het Kaukasische menschenras. "Door het verstand
-van den hond bestaat de wereld," zegt een der oudste gedenkteekenen
-van menschelijke beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta,
-en langs welken weg, in welke verbinding met organische stof,
-in welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen
-(dat wil zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand,
-tot ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.
-
-Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel dat het gevolg
-is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, waaruit steeds
-edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der verschillende
-menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der soorten
-(species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en
-aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar,
-bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat
-geene tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden
-voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het
-gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van
-een hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in
-den regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring
-zeer beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal
-soorten.--Niet alle gevallen waarin individuen van onderscheidene
-diersoorten zich gepaard en bastaarden geteeld hebben die weder
-vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis gekomen. Van het konijn
-(Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas (Lepus timidus L.), en
-van dezen met den Alpen- of witten haas (Lepus variabilis L.) is
-het echter bewezen; ook de bastaarden van gemzenbokken (Antilope
-Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus L.) [44], van vossen
-(Canis vulpes L.) met teeven (Canis familiaris L.), van honden met
-wolvinnen (Canis Lupus L.), en van steenbokken (Capra Ibex L.) met
-geiten, waren vruchtbaar. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om
-aan te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig
-werd waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten
-vruchtbare bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner
-geslachtsdeelen zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En
-mogten de bastaarden van eenige dezer dieren thans onvruchtbaar zijn,
-dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de bastaarden
-van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den invloed
-van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.--Om kort te gaan,
-het voortteelingsvermogen der bastaarden van een aantal verschillende
-diersoorten van den huidigen tijd is bewezen. Stel nu, dat eenige
-Chimpanseapen negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden,
-door haar gebaard, onderling zich voortplanten, later dan weder met
-negers of Australiërs (welke laatstgenoemden onder de menschen op
-den laagsten trap staan en het meest met Chimpanse's overeenkomen)
-zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere
-volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen,
-en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en
-kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer
-laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen,
-geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben dan tusschen
-Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed gevormde
-Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen vetstaart draagt
-gelijk de schapen in haar land inheemsch, maar niettemin aan haar
-ligchaam zeer overeenkomende uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid
-van dit land en zijn klimaat vertoonen kan, even als het schaap.
-
-Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op 5 à 6000
-jaren vóór onzen tijd; de niet opgehelderde duisternis, waarin de
-oorsprong van het menschelijke geslacht zich verliest, strekt even
-zoo zeer ter bevestiging van de hier voorgedragene beschouwing,
-als de trapsgewijze opklimming van het eenvoudigste tot het meest
-zaamgestelde, welke in de gansche natuur wordt waargenomen, en even zoo
-zeer als de slechts van lieverlede meer volkomen wordende, voortgaande
-ontwikkeling van elk individu,--en de reden er van is waarschijnlijk
-juist hierin gelegen dat de mensch niet onmiddellijk als zoodanig, in
-die volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt,
-geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype
-langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had,
-om uit zijn half dierlijken toestand welke overeenkwam met dien der
-Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland,
-tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en
-familien- of rasgewijze te veredelen, te ontwikkelen.
-
-Daar echter de wereldziel welke zich met de stof verbindt ten
-einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons raadselachtige,
-misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op geene andere
-wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen welke
-zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, en
-welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke
-zamenstelling dezer organen--b. v. met het spinwerktuig bij de spin,
-met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere hersenen bij
-den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder talrijke, in
-hunne omtrekken onderling meer overeenkomende schiereilanden hebben),
-met de grootere en zich vooral door een veel grooteren voorhoofdslap
-kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de hemispheren de
-kleine hersenen geheel en al bedekken),--kan hieruit, wel is waar,
-het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het menschelijk geslacht zoowel
-naar het ligchaam als naar den geest steeds tot hooger volkomenheid
-zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit eene nieuwe bevestiging
-van mijne beschouwing: dat de mensch geen vrijen wil hebben kan.
-
-Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld zou
-moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat hij de
-drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den krokodil, in den
-vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; dat dezelfde
-God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met opofferende
-liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton nadenkt
-over de wetten van het zuiver verstand, of over de zwaartekracht welke
-de gansche wereld beheerscht,--insgelijks in genen dief of moordenaar
-werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen der roekelooze daad,
-of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman inbreekt om hem te
-berooven, of in dien vijand des lichts die op den drievoudig gekroonden
-stoel te Rome zit en plannen smeedt om het menschelijke geslacht in
-onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen te klinken;----dit toch
-zou geene wederlegging mijner beschouwing, hoogstens eene tegenwerping
-mogen heeten, waarop ik u onder anderen zou kunnen antwoorden, dat
-de tijger die het lam verscheurt, of de kat welke eene vreedzame
-muis van het leven berooft, indien zij over hunne handelwijze konden
-nadenken, zeer zekerlijk in hunne eigene oogen, even als in de onzen
-volkomen geregtvaardigd zouden zijn, dewijl de ijzeren natuurwet
-hen onweêrstaanbaar dwingt andere levende wezens te vermoorden,
-ten einde zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke
-wijze elke dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging
-voor zijne misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen
-opgeven welke hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad,
-in zijne eigene oogen regtvaardigt.
-
-Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en kwaad, dewijl elke
-maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een vergelijkende of
-betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad van beschaving
-dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij staan en van waar
-wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een persoonlijken God
-kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want stel, dat gij God
-van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den bok laat zitten
-en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene handen nemen,
-ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld werkzaam zijn,
-in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf te besturen:
-dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God insgelijks den
-tijger bestuurt, zoomede den teugel des wolfs die met het lam in den
-bloedigen muil wegsnelt, in de hand houdt,--dat hij mede aan den
-moordenaar, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit liever
-wenscht te hooren) de teugels somwijlen loslaat, opdat de dief of
-moordenaar zijn eigen weg gaan en de misdaad bedrijven kan. Gij moet
-dan toch toestemmen dat uw persoonlijk regerende (almagtige) God het
-kwaad, het booze, de zonde, het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan
-van een schip, aan boord waarvan zich 72 ten deele zeer onschuldige
-en goede menschen bevonden, toelaat.--En nu vraag ik u, heeft het
-niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin betreft, ten
-slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de Christenen
-doen: "de persoonlijk regerende, Almagtige God laat het booze toe,
-veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven
-en te moorden,"--of wanneer men zegt gelijk broeder Avondrood doet:
-"de tijger, de moordenaar is God zelf, dat wil zeggen eene vereeniging
-der wereldziel met verschillendsoortig gevormde stof."-- --?
-
-Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de stof en de uit
-de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne verbeelding
-bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is in der daad
-niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich zelven te
-staan:--eene som van menschelijke eigenschappen, die men zich in eene
-oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van al-magtig,
-al-goed, al-wijs. Er kan evenmin een God zijn zonder wereld, als
-eene kracht zonder stoffelijken drager. Even als het wezen van elk
-afzonderlijk ding de som zijner eigenschappen is, zoo kan God niets
-anders zijn dan de som van de eigenschappen der natuur, dat is het
-wezen der natuur, of met andere woorden de natuur zelve.
-
-Vele menschen vormen zich van datgene 't welk men het "wezen" van iets
-noemt, de wonderlijkste, verwardste denkbeelden. Het zal misschien
-niet ongepast, maar in tegendeel hier de regte plaats zijn om aan te
-toonen, zoo als reeds Spinoza heeft geleerd, dat het wezen van iets
-niet anders is dan de som zijner eigenschappen. Ten einde dit te
-bewijzen, moeten wij datgene hetwelk gewoonlijk stof, materie wordt
-geheeten, wat van naderbij en grondiger beschouwen en ik verzoek u,
-waarde broeders, mij tot dat einde nog gedurende eenige oogenblikken
-uwe aandacht te willen verleenen.
-
-Ontleden wij dit begrip "stof" en kiezen wij tot voorwerp van ons
-onderzoek eenig ligchaam naar welgevallen, welks eigenschappen ons
-het best bekend zijn, b. v. het papier waarop wij schrijven, dezen
-inktkoker met hetgeen hij bevat, of een billardbal, eene ijzeren staaf,
-of dit stuk gemunt goud dat ik hier in de hand heb.
-
-Dit goud heeft de navolgende eigenschappen, welke ik door
-middel van mijne zintuigen deels regtstreeks kan waarnemen,
-ten deele eerst na in het werk gestelde proefnemingen kan leeren
-kennen. Het heeft--1o. uitgebreidheid, volumen, dat wil zeggen het
-beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander
-ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen,
-"ondoordringbaar." Zijne kleinste deelen worden door "cohaesiekracht"
-aan elkander gehouden.--2o. Het bezit logheid (traagheid, vermogen
-om weêrstand te bieden), dat wil zeggen, het kan geene verandering in
-zijn toestand te weeg brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve
-liggende oorzaak noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van
-rust in beweging te brengen.--3o. Het bezit de eigenschap (ten gevolge
-van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te veranderen,
-namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte te beslaan;
-het laat zich tot in zekere mate zamendrukken en door middel van warmte
-uitzetten; een hoogen graad van warmte geeft aan de kleinste deeltjes
-"uitzettingskracht," ten gevolge waarvan hun aggregatie-toestand
-verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs gedeeltelijk dampvormig
-wordt.--4o. Het beslaat de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande
-zijne digtheid, niet volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst
-kleine (onzigtbare) tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen
-eene plaats kunnen vinden, door welke b. v. water kan heendringen,
-wanneer men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer
-zware drukking blootstelt; het is derhalve poreus.--5o. Het is in
-kleine en immer kleinere deelen deelbaar, welke eindelijk zoo klein
-zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet meer kan
-waarnemen en dat het bestaan er van als "atomen" slechts gedacht kan
-worden.--6o. Het is zwaar, dat wil zeggen, het bezit de neiging om
-naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de
-vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere
-ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.
-
-Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke eigenschappen,
-waardoor het zich van alle andere ligchamen onderscheidt. Het
-heeft een soortelijk gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19
-3/10 maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water,
-dat wil zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen
-(19,325) meer dan van water.--7o. Indien de gewigtsverhouding (het
-zoogenaamde chemische aequivalent) van de waterstof gelijk 1 gesteld
-wordt, dan heeft het de eigenschap zich in de gewigtsverhouding
-van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te vereenigen. Het
-aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele gewigtsdeelen
-(grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en nimmer een
-grooter, nimmer een kleiner aantal gewigtsdeelen (grein, lood,
-enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en evenzoo verbindt zich
-driemaal zooveel chloor met hetzelfde aequivalent (196,4) goud tot
-drievoudig chloorgoud.--8o. Deze eigenschap om zich met chloor tot
-drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer men het
-in koningswater (een mengsel van chloorwaterstof- en salpeterzuur)
-oplost; dan vormt het eene geele vloeistof, die geene der vroeger
-genoemde en volgende eigenschappen van het goud meer bezit en
-waaruit enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en
-deze wederom met verschillende eigenschappen daargesteld kunnen
-worden. Alle andere zuren echter, zoomede zwavel oefenen er
-geenen invloed op uit, evenmin als de zuurstof des dampkrings,
-waardoor het niet aangedaan wordt; het roest niet en behoudt
-voortdurend zijn glans.--9o. Het is een goede geleider van warmte
-en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit)
-bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke
-vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul
-graad tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt,
-dan is deze hoeveelheid voor het goud slechts 0,0324.--10o. Het smelt
-bij sterke witgloeihitte (van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de
-stroom eener sterke electrische batterij door een gouddraad wordt
-ontladen, zelfs dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het
-in teerlingvorm.--11o. Het bezit de hoogste mate van rekbaarheid,
-meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren tot zeer dunne
-blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan lood en wordt
-in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters eerst door een
-gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander gescheiden.--12o. Het
-heeft een sterken glans, is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap
-die lichtstralen terug te kaatsen, welke ons geel toeschijnen.
-
-De som dezer eigenschappen is het wezen van het goud. Stellen wij ons
-nu voor, dat deze eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud
-worden ontnomen, wat blijft er dan van het goud over?--Antwoord:
-geen GOUD, derhalve niets, volstrekt niets.--Ontnemen wij er
-b. v. de twaalfde eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het
-goud de eigenschap: lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet
-bezit, dan zou het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben,
-maar daarentegen doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor
-ons volkomen onzigtbaar;--nemen wij verder voor den oogenblik aan
-dat zijne onder no. 6 opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 malen
-zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te drukken,--zoomede
-zijne 1ste eigenschap, de z.g. cohaesie, de kracht van zamenhang
-zijner kleinste deeltjes, waardoor het zijne bepaalde grenzen en
-ondoordringbaarheid behoudt, niet aanwezig zijn,--dan zou het stukje
-goud uit mijne hand spoorloos verdwijnen, dewijl al de andere negen
-eigenschappen slechts in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn,
-met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn
-massief of regulinisch goud te noemen.--Indien ik op gelijke wijze
-de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen
-van den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne
-geringe zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds
-bij 44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige
-kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten
-gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in
-de duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed
-des dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid,
-enz.,--wat blijft er dan van den phosphorus over?--Natuurlijk: geen
-phosphorus, derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.
-
-Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven zoogenaamde
-stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als zamengestelden,
-bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing onderwerpen,
-die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde slotsom
-zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt geene stof
-bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere soort van
-stof voorkomt, slechts de hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij
-grooter of kleiner getal eigenschappen is, die bij hare ontmoeting met
-andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen
-ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel
-laten waarnemen.--De stelling derhalve dat geene kracht bestaat
-welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid,
-dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen
-en waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het
-product van eigenschappen, die onderling in verbinding tot elkander
-zijn getreden en haren invloed gelijktijdig uitoefenen, waardoor zij
-zich als "stof" aan onze zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke
-zamenwerkende eigenschappen zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige
-stoffen of elementen der scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen
-hunner eigenschappen, zoo als vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur,
-zwaarte, warmte laten zich door ons regtstreeks waarnemen, dat wil
-zeggen, onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder
-wij in den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn
-bij hare ontmoeting van vreemde eigenschappen ("aanraking met andere
-stoffen") b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium heeten,
-zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen welke water
-wordt geheeten,--of wanneer het geheel der eigenschappen genaamd zink,
-in aanraking komt met de som van eigenschappen, geheeten verdund
-zwavelzuur, enz.
-
-In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen de stof
-op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene langdurige
-misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar juist
-als ware zij het eenige dat positief aanwezig is en geeft aan al de
-vereenigingen van gelijktijdige eigenschappen, welke zich onder de
-gewone omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene
-verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, zoo lang als aan een
-eigendommelijk ligchaam of stof eene afzonderlijke benaming, totdat
-het ijzer in roest is overgegaan, of het hout tot koolzuur, water
-en asch is verbrand geworden. Deze benamingen mogen kortheidshalve
-voor het geheel der telkens aanwezige gelijktijdige eigenschappen
-volstrekt onontbeerlijk worden geacht.
-
-Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, vóór zijne
-schaal zit, met deze zoogenaamde stoffen volkomen op dezelfde wijze,
-als den criminelen regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen,
-met den vrijen wil der menschen. Gene schrijft stof toe aan elke
-vereeniging van eigenschappen welke de schaal zijner balans naar
-de aarde doet neigen, derhalve zwaarte heeft,--deze vrijen wil aan
-elken mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is
-echter evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van
-vrijen wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene
-eigenschap, eene betrekking tot een middenpunt in het heelal, welke
-zich kan openbaren in verband of in zamenwerking met eene grootere of
-geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met die welke wij lood,
-staal, steen noemen, maar die niet noodzakelijk met alle eigenschappen
-zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen
-genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus niet verbonden
-is.--Zonderling toch dat de natuurkundigen juist op grond hiervan
-en in tegenspraak met zich zelven deze eigenschappen "onweegbare
-stoffen!" noemden, niettegenstaande zij toch, even als de zwaarte,
-slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. Andere
-geleerden scherpten hun verstand, om tegenover de leer der zoogenaamde
-materialisten, iets geestelijks in de natuur te ontdekken. Zonderbare
-misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof,
-welke ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht
-worden, het bestaan van stof, van materie in absoluten zin te bewijzen.
-
-Indien er werkelijk stof of stoffen bestonden en zij niet uitsluitend
-betrekkelijkerwijze tot onze zinnelijk grove opvatting voorhanden
-waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder alle omstandigheden
-steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een stuk kalium op het
-water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor mijne oogen spoorloos
-verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van het water verbindt, het
-gevormde kalihydraat in het water wordt opgelost en de vrij geworden
-waterstof verbrandt),--of wanneer ik 4 deelen zwavel met 25 deelen kwik
-dooreenwrijf en dan deze beide zie veranderen in zwart kwikzilvermoor
-dat, door sublimatie, weder wordt omgezet in vermiljoen, hetwelk ik
-tot in de allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder
-dat ik in staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een
-enkel der vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,--moet ik
-dan hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden,
-als kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest,
-maar slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende
-met andere tegengestelde eigenschappen, hare vroegere eigenschappen
-moesten afleggen, terwijl zich in de plaats daarvan nieuwe, tot
-dusverre sluimerende eigenschappen ontwikkelden.
-
-Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: ongetwijfeld
-veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen wanneer
-zij zich met andere stoffen verbinden, dewijl dan eene nieuwe stof
-ontstaat welke wederom andere vormen en eigenschappen heeft; voor
-elke soort van stof echter is vorm en eigenschap even onveranderlijk
-als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant zijn, waaronder
-zij zich verbinden;--maar waarmede, vraag ik weder, verbindt zich dan
-de phosphorus--eene enkelvoudige stof--wanneer hij in de luchtledige
-ruimte (geheel en al afgesloten van elke aanraking met de zuurstof
-der lucht en van alle andere stoffen), alléén doordien de zon er op
-schijnt of eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het
-oog des beschouwers wordt omgezet in een karmijnrood poeder, dat niet
-vergiftig is en in het algemeen geheel andere eigenschappen bezit
-dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde destillatie in eene
-koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder verlies van gewigt
-in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus met al zijne
-eigenschappen overgaat? Zou men ook deze verschijnselen stof mogen
-noemen?--Onmogelijk; want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene
-stof, eene enkelvoudige stof gelijk de phosphorus, kan overgaan
-in eene andere welke geheel verschillende eigenschappen bezit,
-en dat deze tweede stof zich op nieuw kan herscheppen in de eerste
-met alle eigenschappen die zij vroeger had, zonder dat er iets aan
-toegevoegd of van verloren geraakt is. Wie toch zou het karmijnroode,
-onschadelijke poeder, den zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek
-beschouwen met de halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare,
-in de lucht rookende en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige
-zelfstandigheid, welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den
-overgang van het eene in het andere niet had waargenomen en zulks
-niet elken dag in zijn laboratorium kon waarnemen?
-
-Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, derhalve
-volstrekt geene stof in de natuur aanwezig is en dat wij overal slechts
-verschijnselen, eigenschappen zien, welke door andere eigenschappen,
-gelijk hier bij den phosphorus door het licht of de warmte, in het
-leven geroepen, of vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming
-onttogen worden.
-
-Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband tusschen zekere
-bijéén behoorende, gelijktijdig werkende eigenschappen steeds naar
-vaste wetten wederkeeren en zelfs in de grootste veranderingen, in
-de werking der meest mogelijke hoeveelheid eigenschappen welke een
-wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, zich dergelijke vaste
-wetten laten waarnemen, stelt men zich deze eigenschappen voor als
-aan "stof" gebonden; men neemt het bestaan van kleinste of oneindig
-kleine deeltjes van deze stof aan, welke men atomen heet en verklaart
-de verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op
-gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde
-toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede
-van vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch
-door eene "verschillende ligwijze" dezer atomen.
-
-Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit kunnen worden
-gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter waarneming niets
-anders zijn dan bloote mathematische punten, die slechts gedacht
-kunnen worden en welke men zich moet voorstellen oneindig klein en
-in oneindig groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit ten
-duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld
-zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de
-atomen niet als oneindig kleine deelen, maar als de zoodanigen die
-niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn. [45] Dit is echter eene
-veronderstelling welke tot onoplosbare tegenstrijdigheden voert,
-zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk zal doen zien. Suiker,
-zetmeel en hout zijn drie verschillende ligchamen welke verschillende
-eigenschappen bezitten, en niettemin alle drie gelijkmatig uit 5
-atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan. Deze atomen nu moeten
-in de drie verschillende ligchamen eene verschillende ligwijze hebben
-(op eene andere wijze geordend of nevens elkander geplaatst zijn) en
-daardoor de verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te
-weeg brengen. Maar--een atoom moet immers ondeelbaar zijn en echter
-bestaat, naar deze theorie, elk atoom suiker uit 5 atomen water-,
-5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit zestien verschillende deelen of
-enkele atomen! [46]--Hieruit volgt dat het aannemen van het bestaan van
-atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een hulpmiddel
-ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene verklaring,
-voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten gebondene orde
-der verschijnselen, maar dat er in absoluten zin geene stof bestaat,
-er geene bestaan kan. Daarmede verdwijnt de tegenstelling tusschen
-geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof valt weg.
-
-Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak moge zijn met de
-alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter gemakkelijk van
-hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot die eigenschap
-der zoogenaamde ligchamen, welke het aanwezig zijn van stof op het
-handtastelijkste schijnt te bewijzen, namelijk de uitgebreidheid,
-het volumen der ligchamen en den tegenstand welken zij bieden aan
-een vreemd daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger,
-mijne hand. (Ik wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of
-gasvormige ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja
-de meeste vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden,
-maar heb hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid
-der vaste ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt
-of kamfer, of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een
-ligchaam, eene stof. Deze stof kan ik echter voortdurend in kleinere
-deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te wrijven,
-zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan zien
-en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan
-waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om
-die reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen
-te grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort
-te zetten.--Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel,
-of van muskus.--Dat de verdeeling echter nog veel verder kan gaan,
-bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar in mijne kamer kan
-liggen zonder van gewigt te verminderen en toch de geheele kamer met
-den bekenden, hem eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende
-muskusdeeltjes kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer
-waarnemen. Er bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische
-reden, om te veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes,
-wier aanwezen slechts en uitsluitend nog door middel der reukzenuwen
-kan worden waargenomen, niet nog verder, ja tot in het oneindige kunnen
-verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten
-zijn.--Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn datgeen,
-hetwelk geene deelen, of GEENE UITGEBREIDHEID heeft.
-
-Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de som is zijner
-eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan voor zich zelven:
-het eeuwige bewustzijn, en voor ons: de som of het totaal van alle
-eigenschappen der natuur?--Twee zijner eigenschappen zijn ruimte
-en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid
-maakt. Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij
-zijn slechts eene van deze verschijnselen, hoewel wij de slotsom
-van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch verschillende
-eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten zich zelven
-geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen zich in
-het kleine terugkaatst,--waarin God zich als het ware ten tweede
-male denkt.
-
-Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan een vrijen
-wil hebben?
-
-Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons tot
-tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis
-niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig
-de atomen in de scheikundige theoriën evenzeer moeten behouden,
-als men in het empirische leven, ter meer gemakkelijke opvatting
-van de verschijnselen, zal voortgaan om alle bestendig voorkomende
-vereenigingen van zekere eigenschappen stof te noemen en daaraan
-afzonderlijke benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout,
-enz.--In dien zin zal ook ik mij in het vervolg van deze uitdrukkingen
-blijven bedienen.
-
-Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te spreken van de
-groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker heeft te kampen
-bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het organische
-leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den rijkdom
-aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen
-bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij
-den aanvang mijner voordragt heb ik op deze moeijelijkheid gewezen,
-welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote aantal
-gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het organismus
-op zich zelf beschouwd (als iets gegevens) laat zich, wel is waar,
-uit de ter bedoelde plaats (zie vroeger bladzijde 317) opgenoemde,
-allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men
-andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke
-van de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; waarom
-echter het leven der verschillende organismen slechts tijdelijk van
-duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op een onderscheidenen,
-vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat zich daaruit evenmin
-verklaren,--als de bijzondere vorm welke elk der 100,000 planten-
-en 130,000 diersoorten bezit die tot heden beschreven zijn geworden,
-daaruit kan worden afgeleid, en welke toch allen, niettegenstaande het
-groote onderscheid in haren vorm en de afwijkende, menigwerf wonderbare
-structuur van de menigte harer organen, uit dezelfde grondstoffen, bij
-de werking van dezelfde physische en chemische krachten zijn ontstaan.
-
-Moest dan in de atomen der elementen, welke de eiwitstof of den dojer
-van het vrouwelijke ei uitmaken (vergelijk de analysen die lager
-worden gevonden) het streven niet liggen,--dat door de werking van
-het mannelijke zaad bij de zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk
-door het indringen der spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of
-werkzaam gemaakt wordt en waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van
-algemeene natuurkrachten b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te
-hoogen, noch te lagen) warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt
-aangenomen,--moest dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn
-gelegen, om bij voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit,
-bloed) een dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te
-vormen,--hier een oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar
-zaâmgesteld en toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan,
-elders zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een borstbeen te
-vereenigen,--uit een bepaald aantal spieren, beenderen, pezen, aderen
-en zenuwen een arm, eene hand met vingers te maken en al deze deelen
-en organen in het behoorlijke aantal, ter behoorlijker plaats daar te
-stellen, zoomede in de vereischte verhouding der duizenden van cellen,
-vezelen, membranen, aderen en zenuwen, waaruit zij bestaan!--en deze
-wondervolle kracht zou in de chemische stoffen, in de atomen liggen!
-
-In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, welke dit
-hoenderei meer bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk
-eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig
-onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te
-toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende
-geslachtsorganen van den haan met kam, sporen en prachtig gevederte
-te voorschijn te brengen,--terwijl de afwezigheid van dit paar atomen
-aan het andere ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht
-geeft om eene hen te doen ontstaan, welke weder geheel verschillend
-gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de haan en sporen
-noch kam heeft,--ja terwijl misschien bij eene gelijke percentsgewijze
-verhouding der bestanddeelen in een kalkoenenei een geheel ander dier:
-een kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.
-
-Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben bezig gehouden
-met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van de groote
-menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus werkzaam zijn,
-van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo eenvoudige stoffen
-als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen mede. (Van het
-mannelijke zaad ontbreken naauwkeurige chemische analysen nog bijna
-geheel en al.)
-
-Het eiwit bestaat uit stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof,
-ongeveer in die verhouding als in Mulder's oude proteïnformule
-is uitgedrukt: N5 C40 H30 O12, waarbij echter naar gelang van de
-verschillende soorten van eiwit in het dieren- en plantenrijk nog
-eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook phosphorus en nog
-meer of minder zuurstof komt.
-
-Honderd deelen dojer zijn volgens Gobley in het kippen- en in het
-karperei (welke laatsten uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan)
-zaâmgesteld uit:
-
- +----------+----------+
- | Kippenei.| Karperei.|
- +----------+----------+
-Vitelline | 15,76 | 14,08 |
-Margarine en Elaïne | 21,30 | 2,57 |
-Cholesterine | 0,44 | 0,27 |
-Lecithine | 8,43 | 3,04 |
-Cerebrine | 0,30 | 0,20 |
-Chloorammonium | 0,03 | 0,04 |
-Chloornatrium en Chloorkalium | 0,28 | 0,45 |
-Zwavelzure kali | 0,28 | 0,04 |
-Phosphorzure kali | | 0,04 |
-Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia | 1,02 | 0,29 |
-Alcoholextract | 0,40 | 0,39 |
-Vliezen | | 14,53 |
-Kleurstof, sporen van ijzer, enz. | 0,55 | 0,03 |
-Water | 51,49 | 64,08 |
- +----------+----------+
-
-
-En in honderd deelen asch werden gevonden:
-
-
- +---------------------+---------------------+
- | IN DEN DOJER. | IN HET EIWIT. |
- +---------------------+---------------------+
- | door | door | door | door |
- | Poleck. | Weber. | Poleck. | Weber. |
- +---------------------+---------------------+
-Kali | 8,93 | 10,90 | 2,36 | 27,66 |
-Natron | 5,12 | 1,08 | 23,04 | 12,09 |
-Chloorkalium | | | 41,29 | |
-Chloornatrium | | 9,12 | 9,16 | 39,30 |
-Kalk | 12,21 | 13,62 | 1,74 | 2,90 |
-Magnesia | 2,07 | 2,20 | 1,60 | 2,70 |
-IJzeroxyde | 1,45 | 2,30 | 0,44 | 0,54 |
-Phosphorzuur | 63,81 | 60,16 | 4,83 | 3,16 |
-Phosphorzuurhydraat | 5,72 | | | |
-Zwavelzuur | | | 2,63 | 1,70 |
-Kieselzuur | 0,55 | 0,62 | 0,49 | 0,28 |
-Koolzuur | | | 11,60 | 9,67 |
- +---------------------+---------------------+
-
-
-Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het zamenstel
-van het ei uit zoo velerlei verschillende stoffen die in genen
-deele enkelvoudige stoffen zijn, maar die elk weder bestaan
-uit eene vereeniging ten minste van 2, gewoonlijk van 3, ja 4
-zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke moeijelijkheden de
-natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te kampen hebben,
-om de verschijnselen van het organische leven terug te brengen tot
-de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste stelling
-onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene voldoende
-wijze is bekend): dat menging, [47] kracht en vorm allen niet anders
-dan gelijktijdig zich veranderen en dat, wanneer verandering in de
-menging plaats heeft, noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of
-eigenschap) en de vorm zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk
-betreft b. v., behoeven wij slechts een blik te werpen op onze tuinen
-en onze tamme aardappelen en groentesoorten gade te slaan, waarin men
-de oorspronkelijke, in het wild groeijende stamplanten ter naauwernood
-kan herkennen, om deze stelling ten volle bewaarheid te zien, en
-wij moeten bekennen dat gelijke voeding (gelijke stofcombinatie):
-gelijke gestaltevorming, ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie):
-ongelijke gestaltevorming ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan
-de algemeene geldendheid van den regel dezer stelling twijfelen,
-wanneer men het dierenrijk gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei
-eene hen, uit het andere een haan geboren wordt, niettegenstaande de
-scheikundige niet in staat is eenig onderscheid in de zamenstelling
-dezer eijeren te ontdekken. Dit kan echter zijn grond hebben in de
-onvolkomenheid der methode of wel hierin, dat men er tot heden niet
-in geslaagd is om door middel der analyse van organische ligchamen
-resultaten te verkrijgen, welke eene voldoende juistheid bezitten.
-
-Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof
-meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet
-in druivensuiker (C12 H12 O12), of dat vijf atomen water, ontnomen
-aan den reuk- en smakeloozen, fraai gekristalliseerden zoogenaamden
-terpentijnkamfer (C20 H16 + 6HO), dezen veranderen in eene aangename,
-naar hyacinthen riekende olie (C20 H17 O),--of dat ligchamen, welke
-niet slechts wat betreft de mengingsgewigten hunner bestanddeelen,
-maar (even als de 2 verschillende zuren waarin het druivenzuur zich
-laat ontleden) insgelijks in alle andere eigenschappen bijna volkomen
-met elkander overeenstemmen, niettemin van elkander verschillen
-moeten in de menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de
-gepolariseerde lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg
-brengt en het polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere
-ter linkerzijde afwijkt,-- ja dat een geheel onschadelijk zout, als
-mierenzure ammoniak (H4 NO, C2 HO3) bloot door het te verhitten in een
-sterk werkend vergift, in blaauwzuur (HC2 N (+ 4HO) wordt veranderd,
-hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk zuur,
-weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,--dat derhalve uit schijnbaar
-zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere krachten
-worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere eigenschappen
-dan vroeger ontstaan, [48] dan mogen wij de stellige hoop voeden,
-eenmaal in staat te zullen zijn niet slechts in de zaden van alle
-planten, maar insgelijks in de eijeren van alle dieren (waaruit zich
-zoo verschillende krachten en eigenschappen ontwikkelen) eveneens
-stoffelijk onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige
-weinige meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine,
-cerebrine en dergelijken.
-
-Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij bedenken dat
-de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet meer dan
-een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen, schijnbaar
-tot in het oneindige voortgaat en dat--om slechts een voorbeeld aan te
-halen--alleen het aantal der ontledings- en afleidingsproducten welke
-van de alcoholen afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige
-aldehyden en de bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort
-behooren) zoo buitengewoon groot is, dat naar de berekening van
-den Franschen scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende
-alcoholradicaal [49] (koolstof en waterstof) en ammoniak (stikstof
-en waterstof) meer dan 60000 verschillende verbindingen kunnen worden
-gevormd die allen verschillende eigenschappen bezitten.
-
-Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de hersenen van een
-orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren over Gods moeder, Gods vader of
-over de hemelvaart van Gods zoon predikte, uit dezelfde stofdeelen,
-of althans grootendeels uit dezelfde atomen zuur-, water-, kool- en
-stikstof, phosphorus, natron, kali en kalk bestonden, die deels tot
-water, deels tot meer zaâmgestelde vet- en eiwitachtige verbindingen
-(als elaïne, oliezuur, oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine,
-cerebrinezuur, enz.) zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist
-in dergelijke verbindingen) de geheel anders denkende hersenen
-van den wijsgeer Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds
-hadden medegewerkt tot het daarstellen van den "ketterschen" kop van
-Spinoza,--dan moeten wij het insgelijks als mogelijk beschouwen dat het
-ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de algemeene overeenstemming
-welke in de genoemde verbindingen heerscht, een onderscheid in de
-chemische zamenstelling der verschillende individuele hersenen te
-ontdekken en daaruit de onderscheidene rigtingen van gedachten der vele
-millioenen menschen, die gelijktijdig op aarde leven en na elkander
-geleefd hebben, uit de stof te verklaren. Wij durven deze hoop voeden,
-hoewel onder al deze millioenen welligt slechts enkele individuen
-worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar gelijke uitwendige
-omstandigheden waarin zij leven, in de rigting hunner gedachten,
-zoomede in de trekken huns karakters en in den uitwendigen vorm des
-ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. Verschil in menging,
-eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze hersenen meer,
-in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige stoffen
-tot zaâmgestelde verbindingen,--geringe afwijkingen in den vorm
-en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van de
-afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan
-(in verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg
-gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de
-rigting der denkbeelden en de mate van geestvermogens dier millioenen
-van individuen.
-
-Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, waarop deze
-verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in verband staan
-tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en de stoffelijke
-wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle verschijnselen
-in de organische natuur zich zinnelijk openbaren;--het waarom? deze
-wetten echter juist zoodanig en niet anders werken,--waarom aan elke
-verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-,
-in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook
-telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen
-of levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere
-stofcombinatie ontmoeten,-- dit laatste waarom zullen wij nimmer
-doorgronden, maar altijd stuiten op iets dat ons onverklaarbaar is.
-
-Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het natuurnoodzakelijkheid,
-wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, eeuwig zelfbewustzijn;
-noemt het God!--wat toch doet de naam ter zake?--Maar dit onbekende
-dat op den helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo
-geheimzinnige wijze, uitsluitend naar vaste wetten in, met en door
-deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen hetwelk wij
-"stof" noemen,--het is verheven, het is wonderbaar en schoon!
-
- (was geteekend) Avondrood. [50]
-
-NACHT. Niettegenstaande de gematigde slotsom welke gij ten laatste
-uit uw stelsel van natuur en God trekt, komt het mij niettemin
-huiveringwekkend, ja vreesselijk voor en ik wensch hartelijk dat het
-nimmer opgang vinde bij het publiek, dewijl het een verderfelijken
-invloed op de maatschappij zou kunnen uitoefenen. Hoe zou ik God als
-een rein, heilig, goed wezen kunnen vereeren, indien ik op uw voetspoor
-moest gelooven dat Hij bloeddorstig in gindschen tijger rondsluipt
-om buit te zoeken, of in dezen moordenaar woedt die zijns nabuurs
-vrouw en kind om het leven brengt, of diens huis in brand steekt ten
-einde hem te berooven of zich op hem te wreken?--Hoe durf ik dan den
-booswicht straffen? Wat zal ik hem antwoorden, wanneer hij zich met de
-door u verkondigde leer verontschuldigt en zegt: "ik werd door eene
-onweêrstaanbare kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;--deze
-mij beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden
-in den vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw
-en eene bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen;
-ik heb geen vrijen wil."--Voert uwe leer niet regtstreeks naar het
-geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus,
-dat reeds zoo veel onheil heeft gesticht?
-
-AVONDROOD. Waarde broeder! Indien gij u als geloovige Christen en met
-orthodoxe gestrengheid aan de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst
-houdt, kan ik u met eene menigte bijbelplaatsen bewijzen dat gij
-dan evenzeer in den geest van Augustinus en Calvijn moest gelooven
-aan de praedestinatie. Ik wil mij echter niet beroepen op boeken of
-autoriteiten, maar uitsluitend op de natuur. Voor den natuuronderzoeker
-bestaat er evenmin een vrije wil, als een blind toeval, dewijl alles
-wat in de natuur geschiedt, wat de mensch verrigt en wat hij denkt, een
-noodzakelijk gevolg is van voorafgegane oorzaken. Ook de menschelijke
-wil is, zoo als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen,
-slechts een schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel
-van oorzaken gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande
-de oorzaken waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde
-menigwerf zoo verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo
-zamengesteld en ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd
-mogelijk is ze duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als
-zeker worden beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande,
-aan uwen persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de
-hoedanigheid der voorwetenschap moet toekennen en aannemen moet dat
-Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze, de misdaad welke is
-gepleegd, vooraf bekend was en dat hij zulks niet verhinderde, hoewel
-Hij "almagtig" is. Hetgeen ik reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik
-thans niet te herhalen: dat deze voorwetenschap en het niet verhinderen
-door den almagtigen God volkomen van gelijke beteekenis is te achten
-met het zelf verrigten der daad. Een menschelijk spreekwoord zegt:
-"de heler is zoo goed als de steler."
-
-NACHT. Gij dwaalt, broeder, indien gij mij beschouwt als een
-gedachteloozen naprater van de woorden des bijbels. Veroorloof mij
-u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof der orthodoxe school reeds
-voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede verheven boven het geschrevene
-woord, waaraan ik slechts dan geloof, wanneer het met de wetten van het
-redelijke denken niet in strijd is. Het dualismus van God en der natuur
-schijnt mij echter volstrekt noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid
-der ziel van de stof, aan den vrijen wil des menschen moet ik gelooven,
-dewijl anders aan de zedeleer hare wezenlijke, d.i. zedelijke grondslag
-geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van het
-goede en het kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij niet bevredigen.
-
-Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, moeten wij de
-voorwetenschap aan God ontzeggen.
-
-AVONDROOD. Wat?--dan verlaagt gij uwen God tot beneden den mensch! Wij
-menschen weten immers veel van hetgeen over tien, over honderd,
-ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te zeggen, namelijk
-al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die ons volkomen
-bekend zijn geworden!--En zou uw God deze natuurwetten minder goed
-kennen dan wij?--Geven wij niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt,
-een sterrekundig jaarboek of zeemansalmanak uit, waarin de stand van
-alle planeten ten opzigte van elkander en van de zon, der trawanten
-ten opzigte van de planeten, zoomede de stand dezer hemelligchamen ten
-opzigte van de vaste sterren met betrekking tot onze aarde, voor elken
-dag des jaars, voor elk uur van den dag, voor elke minuut, seconde,
-ja voor een gering gedeelte eener seconde met juistheid vooraf wordt
-bekend gemaakt?--Weten wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den
-19den Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben,
-en zijn wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij
-zigtbaar zal zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en
-van het einde der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van
-het verduisterde gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke
-er mede gepaard zullen gaan?--Hebben de sterrekundigen dan niet even
-naauwkeurig als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats
-grijpen, insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor
-de zon honderden van jaren vooraf berekend!--Weten wij dan niet, dat
-de "morgen- en avondster" welke ons zoo menigwerf door haren helderen
-glans verheugt, op den 8sten December des jaars 2125--derhalve na
-verloop van 271 jaren--als eene kleine zwarte schijf voorbij de zon
-zal gaan, nadat zij te rekenen van 1874 tot op 2117 reeds vijfmaal
-datzelfde verschijnsel zal hebben opgeleverd?--Ja, heeft men zelfs niet
-de wetten ontdekt welke den loop regelen der kometen, die gedeeltelijk
-duizenden van jaren behoeven om hare banen te doorloopen, en het weder
-verschijnen der Olbersche komeet (welke in 1815 werd waargenomen)
-op den 9den Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel
-dat van de komeet van 1807 op de 33ste eeuw en dat van de komeet
-van 1811, naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf
-gezegd?--Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene nog
-geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze in
-het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog haar
-had gezien en zeiden zij niet vooraf, dat men haar daar zou vinden, ter
-plaatse waar men haar later werkelijk vond en Neptunus noemde?--Zijn
-wij zelfs de wetten niet op het spoor die zoowel op het physieke,
-als op het maatschappelijke leven des menschen invloed uitoefenen
-en naar welke wij het gemiddelde getal der toekomstige geboorten,
-sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons in staat stellen
-met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke 650 personen in
-Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf zal schuldig maken,--als wij
-de hoeveelheid regen naar duimen en strepen vooruit kunnen bepalen,
-welke in de eerstvolgende vijf jaren te 's Gravenhage of te Utrecht
-zal vallen!--Zou uw God onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de
-natuurwetten niet beter kennen dan wij en met behulp daarvan niet
-in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, welke van die 650 personen
-de misdaad begaan en hoeveel regen dagelijks op elke plaats vallen
-zal?--Is het niet duidelijk dat ons onvermogen om het lot van elk
-bijzonder mensch, om de weêrsgesteldheid van elken afzonderlijken dag
-vooraf te kunnen opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der
-verschijnselen, in het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken,
-waardoor het heldere overzigt van de wetten die dit alles regeren,
-voor ons bemoeijelijkt of onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het
-noodzakelijke gevolg, het eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde
-zamenwerking van al deze oorzaken of krachten geboren wordt. Uit de
-volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis
-in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen
-voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in
-zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer
-gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?
-
-NACHT. Broeder, dit denkbeeld doet mij duizelen; gij voert mij naar
-een afgrond waarin ik vrees te verzinken.
-
-MORGENROOD. Lieve Nacht! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond
-kunt omgaan. Er voert slechts een enkele weg daarom heen. Volg mij
-en ik zal u geleiden naar de bloemrijke beemde, waar geen tweespalt
-heerscht en alles zich in harmonie oplost.
-
-AVONDROOD. Vergunt mij vooraf nog een enkel woord hier bij te
-voegen. De wijsgeeren hebben reeds van den vroegsten tijd tot op Kant
-en van dezen tot op Hegel over den vrijen wil gestreden, maar de
-vraag is tot heden onopgelost gebleven. Wij zijn geene wijsgeeren,
-geene idealisten, maar natuuronderzoekers en behooren te trachten
-om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf zoo duidelijk en zoo
-eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een van deze beide gevallen
-kan waar zijn. Of (a) wij hebben een vrijen wil en daar deze slechts
-denkbaar is als de eigenschap eener zelfstandige, onsterfelijke ziel,
-moeten wij eene ziel hebben welke onafhankelijk is van de chemische
-en physieke krachten, die in onze hersenen en in de overige deelen
-onzes ligchaams werkzaam zijn.--Of (b) de aanwezige verschijnselen
-en opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener
-zoodanige onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de
-werkzaamheid der chemische en physieke krachten in onze hersenen:
-maar dan kunnen wij geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer
-wel weet, deze chemische en physieke krachten aan onveranderlijke en
-onverbiddelijk gestrenge, consequente natuurwetten gehoorzamen.
-
-Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling a ons leidt. Wij
-zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit als natuuronderzoekers
-zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel veranderen, maar
-dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen geschapen
-worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw geschapen
-zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm hebben
-bestaan. Om nu het aanwezen te verklaren dezer zelfstandige zielen
-welke van de naar vaste wetten werkende natuurkrachten onafhankelijk
-zijn en een vrijen wil zouden hebben, moeten wij toch het bestaan
-van een zielenvoorraad of eene zielenbron aannemen van waar zij
-(langs voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen,
-derhalve eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze
-goddelijke ziel heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons
-onbekend is wanneer zulks plaats had, of dit geschiedde bij de
-bevruchting, in het embryo, bij de geboorte, of later?) en zich
-herschapen in eene bijzondere (individuële, menschelijke) ziel met
-bijzonderen vrijen wil. Maar vrijheid van wil en almagt moet toch
-bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, dewijl zij zich in
-het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had kunnen overstorten,
-indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu echter uwe zielen,
-zoomede de zielen van zoo vele millioenen andere menschen--elk
-afzonderlijk--haren eigen, onafhankelijken vrijen wil heeft,
-hoe kan God dan almagtig zijn en een vrijen wil hebben, uithoofde
-iets vrijs buiten hem,--uithoofde zoo vele milioenen afzonderlijke,
-van hem onafhankelijke gedeelten van vrijen wil aanwezig zijn?--Is
-deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en leidt zij
-niet regtstreeks tot het geloof aan wonderen, 't welk gij, broeder
-Dag, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? Betaamt het
-ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten na te
-speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan
-dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een
-dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de
-natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan
-toezien en--zielen scheppen, namelijk scheppen zoodra de gelegenheid
-daartoe gekomen is, derhalve voortdurend oppassen en--zoo spoedig en
-zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam
-(zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil)
-aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad
-de vereischte stof daartoe te verschaffen, fluks van zijne zijde
-eene ziel in deze stof te scheppen en te zeggen, daar ziel, loop;
-ik wil dat gij zijt en na negen maanden vrijen wil hebt. Want dan
-zijt gij vrij en kunt uwes weegs gaan; maar geef acht, dat gij de
-vingers niet brandt; want allerwege om u heen zijn natuurkrachten
-werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, noch om uwen vrijen wil.
-
-b. Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet gelooven, dewijl zij in
-strijd zijn met het verstand en met de waarneming, welke laatste
-leert dat de zielsvermogens van den mensch slechts van lieverlede
-in, met en door de stof--het ei, embryo, foetus, kind, jongeling en
-volwassen mensch--tot ontwikkeling komen. Er blijft ons derhalve niets
-over dan de tweede veronderstelling aan te nemen en God met de natuur
-te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen wij--naar de stellige of
-absolute beteekenis van dit begrip--aan geen vrijen wil gelooven. Dit
-denkbeeld van vrijheid van wil is slechts een zelfbedrog, een waan,
-waarin de meeste menschen van de wieg tot aan het graf blijven
-voortleven.--Enkele diepdenkende personen hebben zich boven dien waan
-verheven en onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur,
-die zich in hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit
-de gedachte: wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn,
-aan stof gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder vrij
-worden. Als individu hebben wij niets dat ons eigen toebehoort,
-behalve dit individuële bewustzijn (deze afspiegeling der gansche
-natuur is ons binnenste door middel onzer zintuigen), dat na onzen
-dood in de Godziel als herinnering zal voortleven.
-
-NACHT. Uwe beschouwing is in strijd met mijn innigst gevoel. De
-grens tusschen zedelijke en physieke vrijheid wordt door u niet
-duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid
-onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen
-dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van zedelijke beweegredenen
-en dat wij in dien zin--zedelijk--wel degelijk vrij moeten zijn.
-
-AVONDROOD. Vergun mij dan, dat ik dit denkbeeld naauwkeuriger
-beschrijf.--De innerlijke opgewektheid, die wij begeerte, willen
-noemen, hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen
-die, gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg
-van uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel,
-zoomede van het voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve
-niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee
-begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene
-begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij overleggen en eene
-keuze doen, daar schijnen wij ons zelven toe vrij te zijn. Maar eene
-andere vraag is deze: of wij de overleggingen, dan of de overleggingen
-ons beheerschen.--Ik geloof dat zij ons beheerschen. Want van waar
-toch komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons
-zelven, maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen
-ons hebben gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter
-en den aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet
-gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke
-menging;--hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen van
-eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen
-zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde
-behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling
-dragen later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het
-opwassende individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen
-treden. Maar noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de
-wijze van behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch
-het stelsel waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van
-het individu. Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet
-wilde inzien dat onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze
-en ons karakter het product zijn der genoemde omstandigheden, welke
-de ontwikkeling van het individu beheerschen en waarop deze niet
-den geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken
-waarop onze keuze niet den geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar
-zich (veelal onbemerkbaar, dewijl er geen acht op geslagen wordt--)
-in rijperen leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde
-moet, gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden
-veranderd waarmede wij het goede en kwade meten en behoort deze zuiver
-menschelijk te zijn.--Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben
-gelezen van den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden
-aan den arbeid zat,--tot hij eens plotseling in woede geraakte,
-zijne vrouw en kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene
-vreeselijke wijze om het leven bragt? Indien hij in het leven ware
-gebleven, zou de regter dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem
-van moord beschuldigen en als moordenaar hebben durven straffen? Was
-de moord aan zijne vrouw en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad
-van willekeur of eene onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt
-de grens tusschen gezond van geest en krank van geest?
-
-NACHT. Daarover behoort de geneeskundige te beslissen. Dergelijke
-gevallen, waarvan gij zoo even gesproken hebt, waar het moeijelijk
-is te beoordeelen of een individu gezond of ziek van geest is,
-kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De gezonde echter--hieraan valt
-niet te twijfelen--heeft het volle bewustzijn van de beweegredenen
-zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk
-zijn. Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den zedelijken wil des
-menschen als een noodzakelijk gevolg van oorzaken voorstellen, die niet
-weder kunnen beschouwd worden als zijn eigen wil, maar daarvan geheel
-onafhankelijk zijn!--Ik geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke
-wil, als eene eigenschap mijner ziel die mij door God werd geschonken,
-slechts van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u wordt beweerd,
-van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke willen is geene
-natuurwet, maar eene taak, een ideaal, naar welks verwezenlijking de
-mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal
-meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén het gevolg
-zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet integendeel
-het gevolg zijn van eene innerlijke, aan wetten gebondene regelmaat
-van het geestelijke leven zelf.
-
-AVONDROOD. Dat heet met andere woorden: "de oorzaak van den wil ligt in
-de vatbaarheid van het geestelijk leven om opgewekt te worden."--Gij
-geeft daarmede toch tevens te kennen dat er innerlijke drijfveeren,
-oorzaken van den wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest
-bepaalde wil steeds het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust,
-derhalve afhankelijk van beweegredenen is, d. i. van oorzaken
-die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op uw voor
-indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, waarvan
-de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige omstandigheden zich
-vereenigen, die opwekkend zijn voor dezen indruk, zal hij zich als
-een gevolg dier vroegere oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.
-
-NACHT. Het is moeijelijk om met u te redetwisten. Maar gij zult toch
-toegeven dat de wil niet in dier voege aan bepaalde beweegredenen is
-gebonden, dat niet ook andere oorzaken invloed daarop zouden kunnen
-uitoefenen?
-
-MORGENROOD. Gij lacht en gij (Nacht) fronst het voorhoofd?--Zonderling;
-waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische
-leven juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten,
-positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat,
-maar slechts of de mensch als verschijnsel met betrekking tot andere
-menschen dezen vrijen wil heeft en dit geloof ik volmondig toestemmend
-te moeten beantwoorden. Of de mensch eene daad a als zelfstandig
-vrij wezen, dan of b eene onbekende magt in hem de wilsuiting te
-weeg brengt, dit is den regter onverschillig. Daarnaar behoeft hij
-niet te vragen, dewijl hij zich noodzakelijker wijze in hetzelfde
-geval bevindt als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het
-geval a of in het geval b. De zederegter en wetgever grondt wel
-degelijk zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van
-toerekenbaarheid van het individu, niet op de mate waarin hij de
-mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan des absoluut vrijen
-wils in aanmerking neemt, maar slechts in zoo verre als hij, om te
-beloonen of te straffen, noodig heeft ten eerste een persoon aan wien
-de wil als een zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en ten
-tweede het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld wordt,
-als voorbedachte daad is gevolgd.--Het is waar, ook hier loopen de
-grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen en
-handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is
-deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde
-wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene
-verbetering meer mogelijk is, maar dat onschadelijk worde gemaakt,
-hetgeen voor de zamenleving verderfelijk zou kunnen worden.
-
-AVONDROOD. Toegegeven, broeder! Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van
-ouds her werd het als eene deugd der goede en verlichte vorsten
-beschouwd, dat zij de misdadigers genade schonken en de doodstraf
-slechts in zeldzame gevallen lieten voltrekken, wanneer de toestand
-der maatschappij dit vorderde of de openbare meening dit offer scheen
-te verlangen.
-
-NACHT. Dit is eene stelling van uw systeem welke ik zou kunnen beamen,
-namelijk in zoo verre het wenschelijk is te achten dat de twijfel
-aan de mate van toerekenbaarheid der misdadigers den wetgever tot
-eene zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot
-afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet
-dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid
-en de afschrik verwekkende straffen geheel en al afgeschaft waren,
-de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden toenemen?
-
-MORGENROOD. Veroorloof mij op deze vraag te antwoorden. Ik vermeen
-mij overtuigd te mogen houden, dat ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen
-ben toegedaan als broeder Avondrood en Dag. Vooreerst verzoek ik u uwe
-eigene ervaring te raadplegen en neem ik de vrijheid u te herinneren
-aan de feiten uit de geschiedenis.--Dit afschrikkingssysteem staat in
-dezelfde verhouding tot de voormalige wetgevingen, als de hel en het
-vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik loochen niet dat de afschuw
-van straf en schande bij vele, niet zeer hartstogtelijke menschen
-eene beweegreden kan zijn, welke invloed op hunnen wil uitoefent en
-hen terug houdt van het plegen van misdaden. Uit dien hoofde acht ik
-het ook goed, dat onze wetboeken strafbepalingen stellen op het booze
-d. i. op datgene wat in strijd is met de eischen der maatschappij,
-wat een derde schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de
-straffen in het algemeen, maar alleen tegen het doel ter afschrikking
-hetwelk in gruwzame en onmenschelijke straffen zou gelegen moeten
-zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft de geschiedenis ten
-klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in eene regtstreeksche
-verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger tot het bedrijven
-er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets doen. Zoo lang
-de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt volstrekt
-niet aan gedacht.
-
-Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad hare galg en haar
-halsgerigt, waar gehangen, gevild, Met gloeijende tangen geknepen,
-gevierendeeld, geradbraakt en levend verbrand werd? En zijn wel ooit
-meer en vreesselijker misdaden bedreven; hebben de papen,--deze
-geestelijke Bothriocephali der menschheid--in eenig tijdperk der
-geschiedenis ooit erger gewoed dan destijds, toen halsgerigten
-en galgen even talrijk waren als kruizen en bidkapellen; toen het
-geloof aan hel en vagevuur als het eerste en gewigtigste leerstuk
-werd beschouwd, dat wel is waar de menschen niet afschrikte van het
-kwaad, maar niettemin een voortreffelijk lokaas was om de kelders
-der kloosters met wijnvaten en de buidels der bisschoppen met geld
-te vullen? Welke zedeloosheid heerschte destijds in alle rangen der
-maatschappij, welke snoodheden werden niet bedreven!--En zou juist
-het dagelijksche schouwspel der barbaarsche straffen, het voorbeeld
-der beulsknechten die in grooten getale op hunne schavotten werkzaam
-waren, niet hebben medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen
-nog lager te doen dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te
-maken met tooneelen van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het
-plegen van nieuwe misdaden voorbereid hebben?
-
-Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer gevonden die
-aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar wordt nog
-een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en invloed
-hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op den
-Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende armoede
-kan bedaren,--dat slechts de vrees voor hel en duivel de zucht tot
-oproer bedwingen en het "gepeupel", de onwetende volksmassa in toom
-houden kan,--maar desniettemin (ja, ik geloof juist om die reden)
-zult gij vinden, dat het aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder
-een gelijk aantal der bevolking in gelijke mate heeft afgenomen,
-als de beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn
-innigste overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan
-nog veel sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst
-de tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer
-eerst der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft
-en men zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te
-jagen met hel en vagevuur, met menschenliefde te verheugen.
-
-Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen slechts een
-schijnbaar geloof, een geloof dat niet gelooft hetgeen zij vermeent
-te gelooven; het is niets anders dan een besluiteloos, flaauw
-ongeloof,--hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften vervoeren,
-van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener hel
-is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en
-wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in
-spijt van de hel met al hare duivelen!--Ja, de ervaring heeft geleerd,
-dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te hechten aan
-de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal gingen,
-in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste
-misdaden hebben bedreven.
-
-De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het kwade, heeft
-haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en spruit voort uit
-de overtuiging dat hij, het individu, op den duur zelf niet gelukkig
-kan zijn, indien hij er niet naar streeft om zijne medemenschen in
-wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te maken. Deze waarheid is
-zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs openbaart onder een handvol
-wilden, zoodra deze hun zwervend leven verlaten, zich onderling naauwer
-aanéénsluiten en eene kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine
-maatschappelijke vereeniging van menschen die in een gehucht van 6
-à 10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven
-bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze
-moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken
-op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet,
-menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden
-hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.
-
-DAG. Dat is volkomen waar! Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer
-dan eenen wilden volkstam in den Indischen archipel waargenomen. Wel
-schijnt de ware menschenliefde den Christenen zoo vreemd te zijn,--wel
-schijnen zij haar zoo verre van hunne natuur verwijderd te achten, dat
-zij den Hebreër die voor 18 1/2 eeuw het aankweeken van menschenliefde
-aanbeval en niets meer en niets minder dan menschenliefde aanbeval,
-die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden onder
-zich doen en jegens elkander in acht nemen,--dat zij dezen man als
-een onbereikbaar ideaal vergoden.
-
-NACHT. Lieve broeders! Ik herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit
-het leven dier zoogenaamde wilden en geloof, dat gij ten opzigte van
-dit punt de zaak bij het regte einde hebt. Het smart mij te moeten
-bekennen dat de vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan
-door de wijze waarop onze bigotte oom R.... [51] mij heeft opgevoed,
-niettegenstaande zij in strijd zijn met alle regelen van het gezond
-verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste weder
-trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig
-geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld
-heeft gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn
-het die op het karakter den stempel drukken en den man in rijpen
-leeftijd maken tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne
-geboorte medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker
-ketel met goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan
-dezen aanleg de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen,
-en de lotgevallen zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle
-menschenvrienden hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden
-op de opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!--Wat ben ik
-niet in gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste
-jeugd als heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden
-en de arme Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde
-Christendom onderrigt te geven!
-
-U, broeder Dag, zeg ik dank dat gij mij voor dergelijke zonde heb
-bewaard die ik zonder opzet, ja, met de beste bedoeling zou begaan
-hebben, toen mijn verstand nog beneveld was door het tot eene gewoonte
-gewordene, aangeleerde, diep ingewortelde en ingeprente drie-eenheids
-dogma.--Nu echter rust ook op u de verpligting, de leerstellingen van
-onzen oudsten broeder te wederleggen, die mij in een afgrond dreigen
-te storten van waar ik geen uitweg kan vinden.
-
-DAG. Ik wil u gaarne mijne gevoelens daaromtrent mededeelen en ik
-hoop, dat ik eenige van de tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen,
-die welligt slechts daarom onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge
-tegenspraak te staan, dewijl de veronderstelling niet juist was,
-waarop de gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit Avondrood, naar
-een consequent beginsel, steeds talrijkere stellingen afleide.--Maar
-broeder Morgenrood heeft immers beweerd, den "eenigen" weg te kennen
-die rondom gindschen afgrond heen leidt en ons in de harmonische streek
-brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij
-hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent
-mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in
-welke stukken hij met Avondrood verschilt of met ons overeenstemt,
-ten einde wij later het bijéénbehoorende ook beter in zijn verband
-kunnen behandelen?
-
-MORGENROOD. Zeer gaarne, waarde broeders!--Gelijk met alle godsdiensten
-het geval is welke het bestaan der wereld evenmin kunnen verklaren,
-als zij het ontstaan (of het worden) er van kunnen begrijpen, zoo
-ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die ik u zal voorlezen,
-dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd heb, op het papier
-heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne beschouwingen
-ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien dat ik in
-de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer in het
-wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder overeenkomt,
-met uitzondering van een enkel punt.
-
-De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij droegen ons
-avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en ofschoon het reeds
-een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef de hemel nog steeds
-met wolken bedekt, waardoor de overgang van het schemerlicht dat nog
-in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis werd bespoedigd. De
-lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de keerkringen op elkander
-volgen. Binnen weinige oogenblikken waren de lampen aangestoken;
-spoedig hadden wij onzen eetlust bevredigd en waren de bedienden
-met de overblijfselen van het maal weder verdwenen,--toen broeder
-Morgenrood zich gereed maakte om aan zijne belofte te voldoen.
-
-
-
-
-
-
-GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER MORGENROOD.
-
-
-Mythe. In den beginne was een almagtig geest of God, wiens wezen
-slechts bestond uit tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel
-alleen was, zich zeer verveelde. Hij schiep zich derhalve eene
-tegenstelling, deelde zich in twee gelijke deelen en stiet de eene
-helft van zich af, waaruit een tweede, even almagtige geest ontstond
-die zich duivel noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde)
-tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene dubbele ster, in een
-kring rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op
-die wijze gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel
-verzuimde niet geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest
-God scherpte aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste
-middel tot tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend
-wordt, begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te
-vervelen; hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest,
-dat hij een onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen
-hem verhief, niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts
-aan zijne goedheid verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst
-voor drie millioen jaren uit de tweede helft van zijn eigen ik had
-gemaakt. Hierop gaf de duivel hem met spottend gelach ten antwoord,
-dat God hem dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf,
-hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en
-dat hij daarentegen van den aanvang af, ja nog veel vroeger dan God
-had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank hoegenaamd schuldig te
-zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den eerstgeboren geest; maar
-hij kon den duivel niet meer verbannen, die reeds van den oogenblik
-der verdeeling af, even almagtig was geworden als hij en nu met
-zijnen toorn spottede.--Op die wijze waren de beide oorspronkelijke
-geesten met elkander in twist geraakt; zij konden zich echter niet
-van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van verwantschap hen
-bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt dwong.
-
-Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en omdraaijen moede
-en beide, God en de duivel besloten op leven en dood met elkander
-te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig aantal
-oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander vastomstrengelend,
-zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen. Zij kwamen verder
-overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist een millioen
-oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten, welke in
-aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden uiten en
-door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide eigenschappen
-zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd vastgesteld
-op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze eigenschappen,
-verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen beiden en regelden
-de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden worden.
-
-Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden oogenblik af
-hielden God en duivel op te bestaan,--er ontstond eene oneindige
-menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en de wereld in nevelvorm,
-atomenvorm was ontstaan.
-
-Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen (in elk
-waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met elkander
-gestreden; zonnen, planeten en manen zijn ontstaan,--eenige van
-gindsche eigenschappen (die wij menschen zwaartekracht, licht,
-electriciteit en dergelijken noemen) hebben betrekkelijkerwijze
-gesproken eene groote heerschappij verkregen; andere (zoo als b. v. die
-welke kalium, natrium heeten) zijn op het punt geweest om verwonnen
-te worden; eene menigte atomen hebben zich op de planeet aarde tot
-planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren, in den mensch, is
-de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest, de zielskracht,
-reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden, dan in de
-anderen,--maar nog steeds is het twijfelachtig, wie van de beide
-geesten, God of de duivel, op deze planeet de zege zal behalen.
-
-Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich scheiden, zich op
-nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen worden herschapen,
-totdat de eigenschappen van een der oorspronkelijke geesten (die er
-in verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt
-de eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan
-moeten uit den vorm des menschen op deze aarde meer volkomen vormen
-ontstaan, begaafd met meer volkomene eigenschappen,--deze moeten
-steeds meer veredeld worden, de zielskrachten moeten steeds helderder,
-uitgebreider, meer omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk
-de duivel verwonnen en de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke
-hoedanigheid weder te voorschijn gekomen,--totdat de mensch God is
-geworden.--Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even magtig
-uit den strijd terugkeeren?--Of zoude de duivel verwinnen?
-
-Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording
-Gods. Thans is hij nog verborgen in de natuur en de magt der
-tegenstelling is groot. Maar hij ontwikkelt zich en de duur van
-het ontwikkelingstijdperk der schepping omvat vele millioenen maal
-millioenen van jaren.
-
-
- Einde der mythe.
-
-
-
-Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of niet weten
-kan, dat geloof ik niet.--De grondstelling waarnaar ik mij bij al
-mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn grond,
-elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet zich
-onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne
-gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen
-veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren
-en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne
-taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat
-zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen,
-maar door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te
-rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak.
-
-Even als bloote veronderstellingen schadelijk en verderfelijk zijn
-voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het menschelijke geslacht
-alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van God. Zij doen
-vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel niet, of eerst
-later een duidelijk begrip der zaken wordt verkregen.
-
-In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene stof, gelijk
-reeds vroeger broeder Avondrood uitvoerig heeft aangetoond, dewijl
-alles wat wij stof noemen, slechts eene vereeniging is van een grooter
-of kleiner getal zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk
-laten herleiden tot bewegingsverschijnselen (krachten). Niets rust
-in het heelal.--In een betrekkelijken zin beschouwd bestaat echter
-voor ons alles wat aanwezig is, uit stof en bestaat er niets dan
-stof en aan stof gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele
-uitzondering voorkomt. Kracht toch is bewogene stof. Onze gedachten
-zijn stof in beweging.
-
-Hetgeen gij, broeder Dag en Nacht God noemt, is gelijk Avondrood reeds
-bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal
-menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende,
-aan de natuur onderschuift en welke gij, dewijl de natuur oneindig
-is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen, weshalve het
-woordje Al.... er voor wordt geplaatst. Deze God bestaat uitsluitend
-in uwe verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als
-het gevolg mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de
-waarheid hiervan kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel
-dienen?--Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde moet
-dan nog een God strekken?--Ik ken geen anderen God dan de natuur en
-de natuurnoodzakelijkheid, dewijl alle verschijnselen die zich in haar
-aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats grijpen.
-
-Zoo als deze natuur, deze wereld thans is, bestaat het leven slechts
-door middel van tegenstellingen. De tegenstelling alleen maakt dat
-de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts
-denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.--Denkt
-hierover na en stemt toe, dat geene deugd mogelijk is zonder ondeugd,
-dat de deugd voor u geheel ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van
-het kwade welke gij bezit. Het genot, het gevoel van behagelijkheid
-is zonder smart en lijden even onmogelijk, als dat het licht kan
-bestaan zonder schaduw, dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood.
-
-Broeder Avondrood, die toch den wil des menschen zeer juist heeft
-verklaard als te bestaan in beweging van stof, maakt zich echter aan
-eene groote inconsequentie schuldig, terwijl hij het verschijnsel
-van het zelfbewustzijn tracht op te helderen en schrijft zonderbaar
-genoeg! aan de gansche natuur zelfbewustheid toe, als of het eene
-onverklaarbare (gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog
-veel onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.--Laat ons toch
-zulke onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn
-oog een wonder, dan vergenoeg ik mij met dit eene wonder en neem ter
-verklaring er van niet een tweede, derde en vierde wonder, d. i. geene
-niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld aan.--De stof
-is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij vormt, met hare
-eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke, van eeuwigheid
-er aan verbondene wetten.
-
-De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor indrukken vatbare
-gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met jodium behandelde
-zilveren plaat, een indruk, een hersenbeeld te weeg. De som of het
-product der hersenbeelden is ons bewustzijn, hetwelk steeds des te
-meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen waarmede wij in
-wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur, een hoogeren
-graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer, deze oefening
-langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden, waarin wij
-als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als voorwerp
-aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding de som
-zijner eigenschappen is, zoo is de denkende mensch de som zijner
-zinnen, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen staan.
-
-Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door middel van
-stoffelijke beweging die, verbonden met electrische stroomen in
-de zenuwen, in de hersenen gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe
-menigvuldiger nu deze stoffelijke bewegingen zich herhalen, b. v. hoe
-menigvuldiger de klank op ons oor, het licht op ons oog werkt,
-des te helderder kennis verkrijgen wij, des te levendiger wordt
-het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het kind, gedurende de
-eerste maanden zijns levens zeer weinig en bij de lagere diersoorten,
-zoomede bij het embryo nog volstrekt niet of slechts ter naauwernood
-is ontwaakt. Er zijn gezonde zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen
-noodig, om eene gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen)
-als een helder bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch
-ooren hebben) bezitten een minder volkomen bewustzijn dan meikevers
-of spreeuwen,--doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis
-waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan
-menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30
-jaren lang te oefenen.--Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap
-der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate
-waarin zij het bezitten.--Hetgeen men verstand, oordeel, rede noemt,
-zijn geene op zich zelven staande, enkelvoudige krachten of vermogens,
-waarvan men de zoogenaamde geestesverrigtingen als bloote uitingen
-of gevolgen zoude kunnen afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid
-beschouwde vermogens zijn zelve niet anders dan het resultaat eener
-lange rij van schakels in eene keten, tot welker kennis de physiologen
-nog ter naauwernood den weg hebben gebaand.
-
-Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij van den
-weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens der
-gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige feiten,
-overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat God
-zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere laat
-hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent gij,
-met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw
-God de voorwetenschap bezit welke den mensch toch in zekere mate wel
-degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij hem de kennis toe van
-de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het uitvallen van een haar,
-en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet voor alle eeuwigheid
-vooraf bepalen!--Zijn dat geene ongerijmdheden?
-
-Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich beweegt, dan
-zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde het leven te
-behouden, gedwongen zijn andere, met gevoel begaafde wezens die zich in
-hun aanzijn verheugen, van het leven te berooven, te vermoorden en te
-eten. Dit beschouw ik als een bewijs dat het zonnestelsel, of althans
-de planeet die wij bewonen, eene der onvolkomensten, een der minst
-ontwikkelden in het heelal is. Er moeten hooger ontwikkelden worden
-gevonden, waar alle levende, met eigen gevoel begaafde wezens vreedzaam
-met elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts
-de hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan
-het bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die
-hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt,
-voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen,
-uit de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en
-lucht te leeren bereiden.
-
-Het doel des levens en van 's menschen aanwezen kan toch geen ander
-zijn dan dit: steeds grondiger, meer omvattende kennis te verkrijgen
-van de natuurwetten, opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen,
-opdat wij ze aan ons dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds
-onafhankelijker er van worden, opdat de storm ons schip niet meer kan
-verbrijzelen, de koude ons niet meer hinderen, de honger ons niet
-kwellen, de bliksem ons huis niet meer in brand kan steken, opdat
-wij de teugels der natuurwetten--de draden welke oorzaak aan gevolg
-verbinden--in onze eigene handen nemen, ja, opdat wij eindelijk buiten
-den tooverkring der natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot vrijheid,
-tot absolute vrijheid van wil verheffen!
-
-Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet als kluizenaars,
-maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden leven, dewijl slechts
-de vereeniging van vele menschen aan de vereischten van een volkomen
-en gelukkig aanzijn beantwoordt;--eene tweede natuurwet bevat den
-inhoud onzer zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van
-zoo vele menschen levende, zelf niet gelukkig zijn, niet vrolijk,
-niet tevreden blijven, indien gij er niet naar streeft insgelijks
-de anderen gelukkig te maken. Hebt derhalve uwe naasten lief en
-betracht de leer, die reeds door genen voortreffelijken Hebreër van
-Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij wilt dat anderen u doen, doe
-hen desgelijks; wijs den verdwaalden den regten weg, onderrigt de
-onwetenden en bedrogenen, schendt de regten van uwe broederen niet
-en help hen, indien zij in nood zijn.
-
-Mijn God zijn wij zelven: de mensch. Mijn godsdienst is de
-anthropologie. Mijne voorzienigheid is het verstand, de wil, de liefde,
-welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij niet om de vraag
-naar absolute vrijheid of niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn
-van louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er niets in de
-natuur dat vrij is, dewijl het eene van het andere afhangt en alles
-gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher, voor den tijd. Ik
-ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde bewust ben van de
-natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der betrekkingen waarin
-ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken kan, der grenzen en
-der uitgestrektheid van mijn werkkring.--Mijn lot ligt in mijne hand,
-dat ik met te meer vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt
-heb in de wetten der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom
-als geslacht beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen
-voor indrukken bepalen.--Mijn geluk is mijne keuze.--Mijn geloof
-is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door eigene,
-haar ingeschapene kracht. Moge deze wilskracht door beweegredenen
-bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze natuurwetten
-zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling begunstigen,
-ik kan deze wetten toch leeren kennen, beheerschen, aan mij dienstbaar
-maken, mij er boven verheffen, en in dat opzigt is de kring waarin
-mijne vrijheid zich beweegt, groot--oneindig groot,--in dat opzigt
-is mijn wil vrij! en in het volste bewustzijn dezer vrijheid maak ik
-er van gebruik.
-
-Dit is het doel des levens: het goede moet zich uit de natuur
-ontwikkelen, zich verzoenen met zijne tegenstelling;--de mensch moet
-de natuurwetten leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen
-en zich veredelen tot--God op aarde!
-
-
-
-AVONDROOD. (In vervoering geraakt, springt van zijn zetel
-op.) Kom in mijne armen, beste broeder! Dit denkbeeld is grootsch,
-schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware. Gij hebt de waarheid
-gevonden. Heerlijk, heerlijk!--Derhalve: er is een dag, een
-algemeene dag, een eenige dag vooraf gegaan;--daarop volgde een
-nacht;--maar thans is God herschapen in de natuur, hij bestaat
-niet, maar ontwikkelt zich weder uit deze natuur?--Heb ik u goed
-begrepen?--Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde over,
-ik word Morgenrood.--De mensch is derhalve uw God, in wien het goede
-met het kwade strijd voert?--Ja, daarin is het ware der zaak gelegen;
-daar verrijst in duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne
-oogen, de tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de
-voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden
-te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij zelven: het booze moeten
-wij bestrijden en algemeene liefde voor al onze naasten voeden,--God
-moeten wij worden!--Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons;
-het noodlot, de gansche wereld ligt in onze eigene handen!--Dank,
-broeder, dank zij u! voor dit gelukkige denkbeeld; dit geeft moed,
-dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare, voorwaarts strevende
-hoop!--Nogmaals, beste broeder, breng ik u mijn innigsten dank voor de
-mededeeling van uw voortreffelijk denkbeeld. Menschen willen wij zijn
-en de drie absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht
-te ontwikkelen, verstand, wil, liefde!--deze willen wij vereeren en
-aankweeken.--En wat zeggen nu broeder Dag en broeder Nacht hierop?
-
-NACHT. (In diep nadenken verzonken, langzaam.) Les extrêmes se
-touchent.
-
-DAG. (De ongehuichelde verrukking van Avondrood die, het laatste
-overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich
-des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen
-storten en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester
-te worden.) Mijn beste broeder Morgenrood en Avondrood! Is het niet
-vreemd, dat in u--atheisten gelijk men u noemen zal, dewijl gij
-aan geen God gelooft--dat deze God, deze wonderbaarlijke, redelijke
-geest in de natuur juist in u, die aan zijn bestaan niet gelooft, op
-het heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een
-deel zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort
-de geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,--toch
-insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, in de natuur.--Hoe kunt
-gij weten, welke schepselen op verwijderde hemelligchamen leven, op
-zonnen en planeten die, even als haar omvang grooter is, insgelijks
-veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en of in die schepselen
-die geest zich niet nog treffender, meer volkomen openbaart? En
-deze menschengeest in wien het gansche heelal zich afspiegelt, zou
-dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze niets ontstaan? Het is
-waar, gij zegt, dat men het eene onverklaarbare niet door eene tweede
-dat nog onverklaarbaarder is, den geest des menschen niet door God,
-het individuële bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet
-trachten te verklaren;--maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle
-schijnbare consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt
-zeer te regt dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene
-nieuwe kracht, geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is,
-als van eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert
-gij dat er geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke
-bewustzijn, deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden
-vormen en ontwikkelen in elken opgroeijenden mensch.--Gij tracht,
-wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door
-alle geestverschijnselen die men van oudsher aan eene ziel heeft
-toegeschreven, uit een zuiver materiëel oogpunt te verklaren en tot
-stoffelijke bewegingen terug te voeren.
-
-Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke werkzaamheid des
-geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen, wat betreft de
-wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof bestaan of
-zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand komen,--wat bewijst
-dit ten slotte anders dan dat de geest, het denkbeeld, door middel
-van de stof tot werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich
-zinnelijk te uiten?--De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig,
-absoluut aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch!
-
-Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de menschelijke wil
-een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van oorzaken is,
-dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden moeten
-bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke ons
-leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten,
-veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben,
-dewijl zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individuën
-en als geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar
-daarentegen aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling
-tot iets schooners, meer volkomens openbaart.
-
-In dien zin, waarin broeder Morgenrood den vrijen wil aan het
-slot zijner geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder
-Avondrood, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze hebt te
-kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de hand. Met
-deze beschouwing nopens de vrijheid van den menschelijken wil, kan ik
-mij ten volle vereenigen.--Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens
-duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een
-levenden God in de natuur, aan een eeuwig, redelijk bewustzijn des
-heelals, in voege als zulks door mij vroeger in mijn evangelie der
-natuurlijke godsdienst en zedeleer is ontwikkeld.--Openbaart hij zich
-dan niet overal rondom ons, in ons, door ons? Heeft broeder Avondrood
-niet een al te grooten sprong gemaakt, toen hij--na alvorens het
-niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat
-wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal eigenschappen
-is,--eerst God, den geest in alles zag en eensklaps overging tot
-het geloofstelsel van broeder Morgenrood, die het bestaan van den
-geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl alles stoffelijk
-verklaard, d. i. tot bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt
-worden?--Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof gevormde
-menschen die niet meer en niet minder dan vijf punten van aanraking met
-het heelal hebben, als het ware poorten, ingangen waardoor wij eenig
-en alleen in staat zijn, kennis te verkrijgen van de verschijnselen
-die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet, dat voor ons geen
-ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat, hetwelk door
-middel der stof geschiedt, terwijl wij hooren, zien, ruiken, smaken,
-gevoelen?--Wij toch zouden niets, volstrekt niets van de ziel in de
-natuur, van de geest kunnen bespeuren, indien deze zich niet in en
-door stofbeweging te verstaan gaf, juist dewijl alleen stofbeweging in
-staat is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze
-reuk-, smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen,
-waarmede andere dan stoffelijke bewegingen of verschijnselen zouden
-kunnen waargenomen worden, ons geheel en al ontbreken.
-
-Broeder Avondrood noemt den mensch eene "gedachte Godes" en verklaart
-de individuële onsterfelijkheid der ziel op deze wijze, dat wij in
-de "herinnering" Gods voortleven. De onmogelijkheid echter, om zich
-dit algemeene, redelijke bewustzijn der natuur voor te stellen als
-onbekend met de natuurwetten welke "het zelf is" of "waardoor het
-zich openbaart," derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke
-gevolgtrekking uit het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen
-bekendheid met de natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle
-toekomstige gebeurtenissen toe te schrijven,--dit voerde hem op den
-glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie
-en moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd,
-dat hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder
-Morgenrood heeft geworpen, toen deze om de klippen van het eeuwig
-noodlot te ontwijken waarop troost noch raad gevonden wordt, God
-loochende en het bewustzijn aan de natuur ontzei.
-
-Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een tweesprong. Hier
-verdeelt de weg zich in verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit
-te vorschen, welke de regte weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer
-aanwezig die ons de ware rigting zou kunnen aanduiden.--Aan te nemen
-dat de natuur bewusteloos is, dat geen God bestaat, dat kan ik niet,
-dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit eene aan
-zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de mensch
-te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp zijner
-beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met bewustzijn
-denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid zijner
-eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het niettemin
-zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al afhankelijk,
-waaraan het door middel van duizende ketenen verbonden is.--God van
-de natuur te scheiden en hem daaraan persoonlijk--als een tweede
-ik--tegenover te stellen, dit kan ik evenmin, dewijl ik daardoor
-(gelijk Avondrood reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone,
-heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot
-een levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, mijn God
-is de levende, alles bezielende, redelijke geest in de natuur.--Maar
-te gelooven, dat deze wereldgeest alles wat geschieden moet, op
-alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt, dit valt mij niet minder
-moeijelijk.-- --Ik verzink daarover in steeds dieper gepeins, maar in
-plaats van den grond te peilen, hoor ik slechts gene waarschuwende
-stem, welke mij de beteekenisvolle woorden toeroept: "Er zijn nog
-vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich
-zelfs geen denkbeeld kan vormen."
-
-Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te worden den overgang
-van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen, alwaar de uitersten
-elkander aanraken, waar licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden
-wekkende zone der schemering ligt,--waarlijk gij hebt al uwe krachten
-ingespannen om de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen
-van den nacht te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig
-en verheven is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, weg te
-redeneren en te loochenen. "Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat
-regeert; het is alles stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip
-van hetgeen wij verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije
-wil, enz., zijn bewegingen van stof." Zoo spreekt gij.--Maar, waarde
-broeders, één ding hebt gij vergeten, dat gij niet kunt weg redeneren
-en dat geen stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen;
-niet waar? Maar wat is dan TIJD?--Bestaat hij uit stof?--Bezit hij
-eigenschappen?--Ik ken er geene.
-
-MORGENROOD. O, gij dweeper Dag, welke hersenschimmen koestert gij!--De
-tijd is een maat, een maat voor den duur der dingen, voor hetgeen
-na elkander plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen)
-is hij niets.
-
-DAG. Een maat?--De afstand tusschen twee nevens elkander voorkomende
-dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op
-zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?--De afstand van twee
-na elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot den tijd,
-maar is om die reden de tijd, op zich zelf, een maat of, gelijk gij
-zegt, eigenlijk niets?--En aan welke na elkander voorkomende dingen
-of verschijnselen ontleent gij dan deze maat? Ontleent gij haar aan
-de wenteling der aarde om hare as, der maan om de aarde, der aarde
-om de zon,--of van Mercurius om de zon, of van Neptunus om de zon,
-of van de zon om eene onbekende centraalzon? Hebben niet de aarde,
-de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk dezer hemelligchamen
-eene andere maat? Waar moet nu echter de ware,--de normaalmaat met
-betrekking tot den tijd worden gezocht?
-
-De tijd heeft geene eigenschappen, is geheel en al onligchamelijk
-en toch is hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs, dat
-zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste
-gedachte zonder hem niet denkbaar is.--Ons voorstellingsvermogen is
-bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het eigenlijke
-wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene eigenschappen aan
-kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen raadselachtig toe. Sta
-mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend aan de snelheid van
-de beweging des lichts, om aan te toonen dat de tijd zich als het
-ware in de ruimte oplossen of terug gaan kan in de ruimte.
-
-Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van 42000
-geographische mijlen doorloopt. De zon is 20 millioen en 682440
-dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde) van ons
-verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8 1/4 minuten.--De
-helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met Herschel beschouwde
-als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is 10 billioen mijlen
-van ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der
-zon van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7 2/3 jaren noodig om
-dezen afstand--een Siriusafstand--af te leggen. Er zijn echter sterren
-of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000, 10000, ja,
-30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 billioen mijlen of 7 2/3 jaren
-lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het licht derhalve
-een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja dertig duizend
-maal 7 2/3 jaren vereischt om tot ons te geraken.--In vergelijking van
-den afstand waarop deze verwijderste wereldstelsels van ons staan,
-die gedeeltelijk slechts W. Herschel door middel zijner reusachtige
-telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is een afstand van 763
-1/2 maal eene Siriusverte niet groot, niettegenstaande het licht 5854
-volle jaren noodig heeft om dezen afstand [52] te doorloopen. Van eene
-ster der 12de grootte (gerekend op 521 1/2 maal een Siriusafstand)
-zou het licht in 4000 jaren tot ons komen.
-
-Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die 763 1/2 maal een
-Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen bevindt, voorzien van
-een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs nog voor de zwakste
-lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat het alles wat op
-deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal dat oog heden
-datgene zien hetwelk voor 5854 jaren op aarde geschiedde, dewijl de
-lichtstralen die (als teruggekaatst zonnelicht) vóór 5854 jaren deze
-aarde verlieten, eerst thans aldaar zijn aangekomen. Wij zullen dit
-oog het "Alziend oog" noemen en verder aannemen (om onze gelijkenis
-te voleindigen) dat dit wezen niet op gindsche ster bepaaldelijk
-moet verblijven, maar dat het 't vermogen bezit om zich van daar
-met de snelheid der gedachte, b. v. in een uur of zelfs in eene
-seconde tijds op onze aarde en van hier weder terug op gindsche
-ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot heden geene kracht,
-geene beweging die grootere snelheid bezit dan het licht; maar nog
-vóór eenige tientallen van jaren was de snelste beweging welke wij
-kenden om onze brieven te bezorgen, een goede coerier die te paard
-ongeveer 4 geographische mijlen in twee uren tijds aflegde. Later
-vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2 uren
-slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog
-later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede
-van 30 minuten slechts een enkelen oogenblik daartoe noodig hebben,
-ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen ver in ééne seconde
-kunnen brengen;--hieruit nu volgt dat de maat van tijd nooit anders
-dan betrekkelijk is, dewijl wij de ware maat niet kennen. Wij meten
-den loop des tijds slechts af naar bewegingen of verschijnselen die
-wij kennen, doch weten niet hoe snel de snelste beweging loopen kan
-en er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling,
-dat het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de
-aarde bewegen, derhalve 763 1/2 maal een Siriusafstand binnen dezen
-tijd doorloopen kan en in staat is in een uur alles te zien, dat in
-den loop van 5854 jaren op deze aarde is geschied. [53]
-
-Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk, buitengewoon sterk
-gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde oog toeschrijven,
-zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin als mogelijk moet
-beschouwd worden. Onze veronderstelling weêrspreekt zich, naar de
-regelen van eene logische en redelijke redenering in geenen deele,
-bevat derhalve geen onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit:
-aan de voortplanting der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en
-omtrekken der ligchamen) door de golfvormige beweging des ethers, welke
-met eene snelheid geschiedt van 42000 mijlen in ééne seconde. Het
-is waar, het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds
-grootere ruimte in de evenredigheid van het vierkant des afstands,
-maar het is ons niet mogelijk te bepalen waar de grens ligt van
-de voortplanting des lichts, of waar het zoo zeer is verzwakt dat
-het zelfs op de volkomenste, allergevoeligste oogen geen indruk meer
-maakt, dewijl zelfs menschelijke oogen, gewapend met menschelijk grove
-werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand van 35000 maal
-een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333 jaren tot ons kon
-komen) nog sterrehoopen of nevelvlekken ontdekten, ter plaatse waar
-andere waarnemers met hunne minder kolossale telescopen, al waren het
-ook voor het overige uitmuntende werktuigen, reeds lang niets meer
-zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo gevormd zijn als de onze,
-kan de voortplanting des lichts hare grenzen hebben. [54]
-
-Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den 1sten Januarij 1855, juist
-ten 10 ure des voormiddags de ster verlaat en binnen een uur den weg
-tot op onze aarde aflegt, dan zal het in dit ééne uur het levendige,
-steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche wereldgeschiedenis
-en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde gedurende elke 97 jaren
-en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het ontmoet alle lichtstralen
-welke sedert den aanvang der menschelijke tijdrekening van de aarde
-zijn uitgegaan.--Eerst ontwaart het de oudste gebeurtenissen van het
-menschelijke geslacht hetwelk in China, in Voor-Indië en in andere
-deelen van Azië zich reeds tot groote staten heeft vereenigd, dat
-reeds naar Egypte is heengetogen;--het ziet weinige oogenblikken
-later koning Menes te Memphis op den troon zitten, welken hij voor
-5746 jaren (of 3892 jaren vóór de christelijke tijdrekening) besteeg;
-daarop worden de piramiden gebouwd, in Indië verheffen zich tempels,
-als eerste vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen
-haren zetel in China.
-
-Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom die, met
-Abraham aan de spits, Mesopotamië verliet om zich naar Kanaän heen
-te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den heertogt der
-joden die Mozes (vóór 3374 jaren of ten jare 1520 vóór Christus)
-uit Egypte geleide, door de Roode Zee, waarin Pharao door den vloed
-werd verzwolgen.--Ras komen nu volkstammen in Griekenland en Rome
-tot bloei en wassen op tot magtige staten; anderen zinken weder in
-het niet;--de val van Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels
-van Jeruzalem (voor 2440 jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de
-bloeitijd van Griekenland en Rome, de daden van Alexander den Groote
-en eindelijk Rome's onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al
-de treffende gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de
-anderen voorbij het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een
-man met 12 jongeren rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten
-en menschenliefde prediken,--totdat het ten 10 ure en 41 minuten bijna
-drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar ontwaart het op
-een berg voor Jeruzalem dienzelfden man aan een kruis genageld en
-gehoond tusschen twee misdadigers,--een droevig beeld dat van hier
-af aan nog 4000 jaren lang door het wereldrond moet wandelen om,
-tot schande der menschheid, aan de bewoners van gene ster zigtbaar
-te worden. Voor het Alziende oog echter zijn vierduizend aardjaren
-binnen minder dan 42 minuten verloopen.
-
-Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder voort en nadert
-het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe ontstaan;
-ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt, in
-beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij
-weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de
-drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en
-keizers zalven, die zich nu "christelijke en allerchristelijkste"
-noemen. Zij verheffen zich met hunnen schepter en hunne kroon, de
-eene na den anderen en verdwijnen in het niet.--Ons oog echter zet
-zijn vlugt onophoudelijk voort en komt ten 10 ure 52 minuten aan in
-de streek, waar het beeld van het slotplein van Canossa voorbijsnelt
-en waar (in 1077 na Ch., derhalve vóór 777 jaren) een keizer--in het
-hemd, barrevoets en ootmoedig--voor een paap nederknielt en boete
-doet. De bisschoppen van Rome toch doen het tegendeel van de leer
-die zij bespotten: "mijn rijk is niet van deze wereld,"--want zij
-heerschen nu over keizer en bedelaar en de rook van brandstapels,
-waarop zij menschen verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne
-magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da Fé's in het
-Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus bespeurt op zijn schip
-(in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld wil ontdekken,--den
-monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg (in 1520) de pauselijke
-bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij Lützen aanschouwt waarin
-(ten jare 1632) Gustaaf Adolf sneuvelde,--allen beelden welke binnen
-een verloop van weinige minuten op elkander volgen en van eene reactie,
-van een nieuwen geest getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10
-ure 59 minuten is het Alziende oog tot op dien afstand van de aarde
-genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart
-die (in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en
-het behoeft nog slechts eene minuut om van daar op aarde aan te komen
-en het nog overige 97 1/2 jaar lange stukje van de geschiedenis der
-menschheid af te zien.
-
-Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en is 32
-seconden vóór elf ure ooggetuige van een veldslag, waarin Napoleon
-de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het eenige minuten
-na 10 ure--voor 5354 aardjaren--eerst had zien bouwen. Nog een paar
-seconden en de intusschen gekroonde keizer komt zegevierend terug
-uit vele veldslagen in Duitschland,--een vreeselijke brand verdrijft
-hem uit het rijk des Czars en de veldslag bij Leipzig maakt een einde
-aan zijne wereldheerschappij.--Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog
-aan in de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde,
-welke 10 billioen mijlen bedraagt en door den lichtstraal in 7 2/3
-jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de bewoners der aarde in
-hun 1846ste jaar na Christus, vredelievend kunsten en wetenschappen
-beoefende, die hun eene betere, meer gelukkige toekomst schijnen te
-belooven. De magt van het papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken
-te zijn. Maar neen; bij zijne aankomst ten 11 ure op het aardrijk is
-de eerste indruk welken het oog ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen
-ten strijde,--het belegeren van Sebastopol.
-
-Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van gindsche 763 1/2 maal
-een Siriusafstand van ons verwijderde ster tot aan de oppervlakte der
-aarde gevolgd en de beelden van de geschiedenis der menschheid van
-af het jaar 4000 voor de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot
-aan het belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont.
-
-Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip, heden ten 11
-ure, hoe scherp van gezigt zij ook mogen zijn, eerst datgene ontwaren
-hetwelk voor 5854 jaren op de aarde is voorgevallen, ligt ten gevolge
-daarvan ons aardsche heden voor hen nog in eene verwijderde toekomst,
-dewijl het licht zoo vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan
-te komen.
-
-Met den lichtstraal gaat de tijd terugwaarts in de ruimte voort.
-
-Reist echter het "Alziende oog," na zijne aankomst op de aarde ten 11
-ure, terstond weder af en ijlt het met gelijke snelheid waarmede het
-naar beneden kwam, weder terug naar gindsche ster, alwaar het ten 12
-ure aankomt, dan zal het weten hetgeen daar nog niemand weet, hetgeen
-(wat ginds betreft) nog niet gebeurd is en het zal de bewoners dier
-ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle jaren vooraf kunnen zeggen
-al hetgeen sedert den bouw der piramiden op onze aarde, dag voor dag,
-jaar voor jaar, tot op de belegering van Sebastopol zal voorvallen.
-
-Indien het oog, in plaats van in één uur, zich in één enkel oogenblik
-van de ster naar de aarde en van deze terug naar de ster begeeft,
-dan zal het--even als de tijd--"Alomtegenwoordig" en Alwetend genoemd
-kunnen worden.
-
-Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen slechts een tweede
-raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb, dewijl slechts de
-mogelijkheid der goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en
-zuiver physieken zin door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij
-ook niet deze vraag der voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre
-van daar; maar ik roep u met Shakespeare andermaal de woorden toe: "Er
-zijn vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid
-zelfs niets vermoedt!"
-
-Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij dagteekenen onze
-geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde gebeurtenis, maar zijn
-niet in staat te zeggen sedert wanneer wij zijn, sedert wanneer het
-zonnestelsel en die sterrehemel bestaat die wij in de oneindige ruimte
-aanschouwen, en wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn
-in de schepping.--Zouden onze oogen de eenige in het heelal zijn
-die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij, juist wij--op
-deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van hare geologische
-omkeeringen tot rust gekomene planeet--de volkomenste wezens zijn,
-die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in het onmetelijke heelal,
-op al de groote en menigte zonnen die wij vaste sterren noemen (en
-hare planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja,
-zou er niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan, dat----
-
-Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt, vangt het
-geloof aan. Of God alles vooraf weten kan, weet ik niet; ja, wanneer
-ik geloof dat hij het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof
-aan de heilige, eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een alzienden,
-alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt, dien ik juist
-daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, aanbidden moet.
-
-MORGENROOD. Indien de schoonheid en verhevenheid der natuur u
-dwingt, een denkend, alziend wezen er in te plaatsen en dit wezen te
-aanbidden, wel nu--bid dan in vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin
-hinderen. Elk heeft zijne eigene behoefte. In mijn oog is de natuur
-schoon en verheven gelijk zij is, ook zonder dat ik mij een dergelijke
-God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in stilte. Maar ik bid
-niet; ik onderzoek en handel. Niets heeft der menschheid sedert anno:
-"driemaal een is één" zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling
-dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden.
-
-Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja zij vinden een
-luiden weêrklank in ons gemoed. Zij verdienen alle achting. Wat mij
-echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl zij in mijn
-oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve feiten
-door mij daartegen aangevoerd.--Waartoe toch kan mij zulk een God
-strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop laat, dien
-ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die mij niet hoort wanneer
-ik hem aanroep, mij niet antwoordt wanneer ik hem iets vraag; die
-mijne bede nimmer vervult, mij nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan
-behoefte heb, wanneer ik mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt
-wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan,
-door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij
-zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,--een God die
-mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan mij zelven,
-de natuur aan zich zelven overlaat en die daarenboven nimmer het
-geringste teeken van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan
-er klaarblijkelijk niet zijn voor mij, hij moet derhalve slechts
-uitsluitend voor zich zelven bestaan, namelijk in uwe verbeelding.
-
-Ik weet maar al te wel wat de "vrome" lieden, die van de
-ligtgeloovigheid des volks leven en met zijne domheid zich mesten,
-die de verlichting schuwen als de das de stralen der zon, dewijl
-zij duchten met de ligtgeloovigheid des volks hun vet, d. i. hunne
-"geestelijke" goederen: hunne pastorijen, prebenden, tienden,
-kloosters, vrome legaten, vicarijen, erfenissen enz., enz., te
-verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten en professoren in de
-theologie, kapellaans, diakenen, pastoors, dominé's, pausen, monniken,
-bedelmonniken, bisschoppen, aartsbisschoppen of welken naam aan al
-die paapjes moet gegeven worden, daarop ten antwoord zullen geven. Zij
-zeggen: "God liet het schip vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en
-verwachting, benevens onschuldige kinderen het leven verloren, ten
-einde een voorbeeld te geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten
-einde ons tot ootmoed aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de
-gedaante der cholera ""de slaande engel"" gezonden, ten einde het volk
-over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen," Ik echter zeg u, het
-schip zou niet zijn vergaan, indien wij de natuurwetten beter gekend,
-indien wij den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet
-der winden naauwkeuriger in acht genomen en ons daarnaar gerigt hadden;
-de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt of genezen worden,
-zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de natuurwetten zoo diep
-zullen hebben doorvorscht, dat wij hare stoffelijke oorzaken hebben
-leeren kennen.--Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd gedraaid
-en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of heeft een
-stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen bedelaar van
-den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit: "aanschouwt dit, gij
-ongeloovige! O! knielt neder en erkent in dien veranderden rukwind,
-in dit stukje brood des milden gevers, Gods wijze besturing; erkent
-de zorg welke de genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt,
-die hij tot bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar
-nimmer laat vergaan." Zeer juist! antwoord ik u: erkent de natuurwet
-welke de instandhouding van het geslacht ten doel heeft; ziet de
-natuurkrachten, de natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en
-verstout u om haar te leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze
-"vreesselijke" natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij durft het kind
-niet bij den regten naam te noemen.
-
-Mijn geloof is in overeenstemming met mijn weten. Sedert millioenen
-van jaren bestaat God slechts als natuur en natuurwetten, waarin hij
-zich heeft herschapen. Deze zijn de ware God en deze moet de mensch
-leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, leiden, opdat God zich uit
-hem en door hem op nieuw ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt
-zich werkelijk nog in het allereerste begin zijner ontwikkeling. Wat
-toch beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?--Wanneer
-gij den bewonderenswaardigen vooruitgang gadeslaat, welke in de
-natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte
-tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken
-ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de
-onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij 't mij zekerlijk niet
-ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de schitterendste
-verwachtingen voor de toekomst mag koesteren!
-
-DAG. Beste broeders! Wij allen zijn, even als gij Morgenrood,
-doordrongen van den wensch om ons weten in overeenstemming te brengen
-met ons geloof, en gevoelen ons door eene bijna onweerstaanbare
-weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen in ons en rondom ons te
-leeren doorgronden, om de natuur in haren zamenhang, als een geheel,
-als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen echter is het toppunt van den
-berg der kennis, die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. Vele
-wegen geleiden tot een en hetzelfde doel. Ieder kiest dien weg, welken
-hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg gaan wij
-lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij verklaren de
-verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een harmonisch
-verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd, maar--daar stuiten
-wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden, onoplosbare problemen die ons
-tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu een anderen weg en komen langs
-allen ongeveer even ver vooruit; maar de een voert ons ten laatste
-aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt in eene diepe kloof,
-aan den voet van een hoogen rotswand die een onoverkomelijk beletsel
-aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in den weg stelt; de derde
-verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden van zijpaden, waarvan
-men niet weet welke als de regte moet beschouwd worden, en de vierde
-voert den wandelaar aan den oever van een onmetelijk groot meer,
-waarover geen veer is, geen vaartuig wordt gevonden om zich te doen
-overzetten.--Wij keeren dan om en niemand van ons allen heeft den
-top des bergs gezien. Maar een top moet de berg toch hebben!--Dat
-gelooven wij allen en derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen
-top; wij maken ons een denkbeeld hoedanig de top wel zou kunnen
-zijn en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend
-is en eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg
-dien wij naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden,
-de opvoeding die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden,
-bij allen verschillend waren.
-
-Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te bedroeven over
-het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige beschouwingen,
-al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om elkander
-wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het toegepaste gedeelte
-onzer geloofsleer met elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons
-ingeslagen bij het eerst door ons in het oog gevatte doel ineenloopen,
-mits wij slechts wat onze ZEDELEER betreft met elkander instemmen en
-menschenliefde, gepaard met het streven naar eene steeds grondiger
-kennis der natuur, als de eenige bron der openbaring, in de eerste
-plaats stellen.
-
-Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het toppunt der kennis te
-bereiken. Wij spannen te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken
-grondslag der verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons
-open,--maar welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij
-verder komen dan tot aan zeker punt, alwaar wij moeten bekennen, hier
-houdt ons bevattingsvermogen op; hier is de grens, aan de overzijde
-waarvan wij niets meer begrijpen kunnen!
-
-"Bravo, juist zoo! Ja, daar staan zij met de handen in 't haar en
-zijn ten einde raad!"
-
-
-
-Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden gesproken, klonken
-onverwachts door de geopende deur; getroffen en min of meer ontevreden
-wendden wij ons om en--zagen binnentreden, gevolgd door den regent,
-eenige distriktshoofden en eene menigte Javanen die brandende fakkels
-droegen, den--resident Praktischman.
-
-"Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt gij onverstandig! Ik
-heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die speculeert, gelijkt een
-beest op het dorre veld, door eenen boozen geest steeds in het rond
-geleid en om dien kring ligt aan alle kanten eene schoone, groene
-weide.--Eene weide, ja, visschen in het meer, eenden in het riet;
-hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan jagen! Kom aan! Maar
-eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel! Karang! ambil makanan,
-boeka botol anggor, bawa champagne!" en zoo ging het nog eenigen tijd
-voort. Alles geraakte op de been en in een oogwenk was het gansche
-tooneel veranderd.
-
-Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer Praktischman
-was, ijlden wij hem gezamenlijk te gemoet, drukten hem de hand en
-heetten hem hartelijk welkom.--Groot was onze verrassing, toen wij
-hem in deze wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in
-ons midden zagen.--De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt
-en haren inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften
-gevoegd. Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten
-wij aan. De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten
-einde zich eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere hoofden
-na hem, de een voor en de andere na, in de stilte en eerbiedig
-wegslopen.--Terwijl de resident zich het eten goed liet smaken,
-verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van tafel waren opgestaan,
-elkander nog het een en ander van 't geen ons was bejegend, sedert
-wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen het einde van den maaltijd
-kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en traktaatgenootschappen.
-
-PRAKTISCHMAN. Luistert eens, beste vrienden. Ik stem volkomen met u
-in dat het christelijke dogma niet de waarheid bevat en haar niet
-bevatten kan, en dat het derhalve niet geoorloofd is eenvoudige
-menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op te willen dringen waaraan
-duizenden onder de Christenen zelven niet gelooven, ja, hetgeen juist
-de beste en verlichtste koppen in Europa voor dwaling houden. Maar
-buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op Java als
-hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik van
-hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk
-gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen
-en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen.
-
-DAG. Ik ben van oordeel dat onze regering te verstandig en tevens
-te wel met den zedelijken toestand der Javanen en hunne behoeften
-bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden behoeven te duchten. Het
-eenige ware toch dat het Christendom bevat, de kern zijner zedeleer,
-is immers lang onder de Javanen inheemsch.
-
-PRAKTISCHMAN. Ja stellig; dit geloof ik ook. Maar die
-bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en al die vrome lui, die
-zich veel minder laten gelegen liggen aan eene christelijke aarde dan
-aan den christelijken hemel, die "Gods Zoon met scharen van heilige
-engelen" gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien,
-deze maken het de regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u: is het
-niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij reeds
-van zelven doen, ja, wat zij beschouwen als iets dat niet behoeft
-geleerd te worden, dewijl iedereen dit van zelf verstaat, namelijk
-"elkander lief te hebben en elkander te helpen," en is het niet
-beschamend voor ons, wanneer wij hen dat leeren moeten, terwijl zij
-toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote meerderheid
-onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel geringere
-mate doet dan zij Javanen zelven?--Gesteld dat het aan de zendelingen
-eenmaal gelukt ware, de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid
-te overtuigen van "andere menschen even lief te hebben als zich
-zelven," en dat de Javanen van ons consequent verlangden dat ook wij
-deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens tot ons zeiden:
-"komt hier, lieve Christenbroeders, helpt ons koffij planten; hebt
-ons lief gelijk u zelven; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh,
-zijn eenig geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt
-ons suikerriet snijden; wij gebruiken noch koffij noch suiker; wij
-doen dit slechts ter liefde van u;--komt hier, verrigt nu de helft
-van het werk ter liefde van ons!"--Wat zal er dan gebeuren? He?--Dan
-pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken bijéén; de Javasche
-broeders brengen ons uit Christelijke liefde aan boord en wij gaan
-uit Christelijke liefde--naar huis. Abis perkara.
-
-DAG. Belon abis perkara. Neen; dan komen andere Christelijke broeders
-uit Europa, welke de Javanen minder Christelijk zullen behandelen
-dan wij Nederlanders thans doen.
-
-PRAKTISCHMAN. Juist. Engelschen, Noord-Amerikanen, enz., zouden
-allen gaarne hunne Christelijke liefde op Java zaaijen, om--koffij,
-suiker en indigo als vruchten daarvan naar huis te voeren. Luistert,
-beste jongens! wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de
-zendelingen beter zouden doen met het evangelie der Christelijke
-liefde onder de Christenen in Europa te prediken in plaats van
-hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder
-op begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25
-jaar ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren
-kennen en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan
-de Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op
-Java.--De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet
-anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne
-innigste overtuiging. Indien wij hun welzijn willen betrachten uit
-ware, wel begrepene menschenliefde, zonder ons zelven op die wijze
-te benadeelen, dan behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen
-werkzaam te houden, dewijl zij even als alle tropische volken tot
-traagheid geneigd zijn. Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding
-en wij behooren hen bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen;
-wij moeten hunne positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der
-natuurkrachten pogen te vermeerderen;--wij behooren hen te onderrigten
-in het lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste
-beginselen der natuurwetenschappen; wij moeten hen praktisch opvoeden:
-dan zullen zij in dezelfde mate als hunne beschaving toeneemt, steeds
-meer en meer leeren inzien dat de leer "alle menschen even lief te
-hebben als zich zelven" eene even groote onmogelijkheid is, als eene
-volkomen maatschappelijke gelijkheid onder de stervelingen, die ten
-gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der vatbaarheid voor
-ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan de verschillende
-individuen, nimmer kan verwezenlijkt worden. Dan zullen beide, Javanen
-en meer verlichte Europeërs, in vrede en gelukkig nevens elkander
-kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil, ontevredenheid, verwarring,
-oproer, omverwerping van al het bestaande,--regeringloosheid onder de
-Javanen en het verlies der kolonien voor ons--kunnen de gevolgen zijn
-van de ontijdige of plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde
-bekeering of beschaving der Javanen, waartoe de zich noemende
-vrijheidsapostelen, hervormingspredikers en evangeliedweepers de
-regering op eene onmatige wijze trachten aan te sporen.
-
-MORGENROOD. Dat zijn de theoretici die de Javanen, zoo als zij
-werkelijk zijn, niet kennen. Een man die 25 jaren lang in hun midden
-heeft doorgebragt, zal hen wel degelijk kennen en de spreuk "groen
-is des levens gulden boom" niet logenstraffen. Ik ben het volkomen
-eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten
-te leeren kennen gelijk zij zijn en ons daarnaar te rigten. Alleen
-daardoor is het, dat wij wind en water hebben gedwongen koorn te
-malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats dat wij zulks
-met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke natuurwet
-op hare wijze, elk in haar eigen spoor laten werken, hebben wij den
-waterdamp genoodzaakt onze wagens voort te trekken in plaats van
-daartoe paarden te bezigen; ja, de electriciteit zelve heeft zich er
-moeten schikken om aan onzen wil te gehoorzamen en als onze brievenpost
-langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen wij willen
-dat zij loopen moet.
-
-Handelen wij echter in strijd met de natuurwetten of doen wij ze,
-tegen hare natuur geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van
-koperen of ijzeren draden nemen om de electriciteit er langs voort te
-planten; indien wij den stoomketel bovenmate verhitten, het buskruid op
-den gloeijenden oven droogen, indien wij tegen wind en stroom zeilen
-en het Christelijk evangelie prediken willen waar het niet past,
-of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van drukpers willen
-invoeren bij een volk, hetwelk nog niet tot dien trap van ontwikkeling
-is gestegen om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de overladene
-maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige spijsvertering
-zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander resultaat
-verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking, verwarring.
-
-PRAKTISCHMAN. (Lagchend.) Sidoekari! Sidoekari!--Gij beide,
-beste Morgen- en Avondrood, gij hebt het exemplaar van slechte
-spijsverteering gezien! Het is jammer, Dag en Nacht, dat gij er niet
-bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne residentie. Ik
-zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier in de wildernis
-willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den tijd. Overmorgen
-vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug naar mijn
-nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een zoogenaamd
-Christendorp onder de Javanen zien en leeren kennen, een waar model
-(zoo als Morgenrood zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid
-van maag, een zendelingmiserere, eene echte Christenakeligheid!--Ik
-zal u daarentegen ook andere dingen laten zien, scholen die ik op last
-der regering heb gesticht en een menigte andere inrigtingen, alwaar de
-Javaan de gelegenheid vindt om nuttige dingen van verschillenden aard
-aan te leeren, zich te oefenen in handwerken, kunsten en dergelijke
-zaken, en die u zullen doen ontwaren dat die mannen van de oppositie
-quand même zich aan laster schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren
-dat onze regering niets uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk
-welzijn en de verlichting der Javanen te bevorderen.
-
-Broeder Nacht was buitengemeen ingenomen met den voorslag van den
-resident en verzocht mij dringend, de uitnoodiging aan te nemen en
-mede naar de residentie S.... te gaan. Hij reikhalsde van verlangen om
-eene Javasche Christengemeente waarover hij in eene reisbeschrijving
-gelezen had, met eigene oogen te zien en algemeen genomen, een meer
-bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker en meer beschaafde
-bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden wij ons lang
-genoeg in "oorspronkelijke wouden" opgehouden.--Ik voor mij had
-liever nog eenigen tijd in dit gedeelte van Java, bij mijne andere
-broeders verwijld; maar de gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn
-broeder in den kortst mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der
-maatschappij onder de Javanen bekend te maken en hem in den kring van
-vorsten en hoofden in te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt
-te laten voorbijgaan.--Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en
-er werd nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de
-naastbij gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden
-vertrekken, terwijl Avond- en Morgenrood besloten nog langer hier te
-blijven en hunne onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands
-voort te zetten.
-
-De resident onderhield zich daarop nog met mijne broeders over Javasche
-bijbelvertalingen en daarmede verwante onderwerpen. Ik verontschuldigde
-mij echter uithoofde van vermoeidheid--het was reeds laat geworden--en
-wenschte het gezelschap "goeden nacht."
-
-Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede nedervleide en mij
-aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde, dreef een vurig
-doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om vooraf nog een
-afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi gedost
-te ontvangen en--als stof tot droomen--mede naar mijn leger te
-nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in dit nachtelijk
-uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een mijner
-jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak.
-
-Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn bewustzijn op,
-toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder het geboomte,
-ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen die met
-den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen (Obor)
-in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten hier en
-daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat zij
-in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden
-teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich
-als donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De
-handen dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid
-en het meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De
-anderen sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen,
-wier doffe gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak
-des wouds te verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog
-slechts enkele der naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze
-verloren zich bijna allen in de duisternis van den achtergrond, toen
-ik uit het woud te voorschijn trad en den oever van het meer bereikte.
-
-Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de volle maan, van
-licht omstraald en op een grooteren afstand door duizende flikkerende
-sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder en, bijna even helder,
-van beneden uit den diepen boezem der wateren naar mij opwaarts.
-
-Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil. Spiegelglad
-was de oppervlakte van het meer en slechts zelden rimpelde zich het
-beeld der maan en vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer
-de plassende eenden van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever
-eene ligte golving in het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater
-'t welk volkomen geleek op dat der Europesche tamme eenden, was
-bijna het eenige geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd
-tot tijd werd afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte
-gelegen, geheel en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen
-geluid meer vernemen. Hooge Kimérakboomen welfden zich ter linker-
-en ter regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom
-hunner kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit
-gewelf zag men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds,
-dat even somber door de naastbij gelegene strook van het meer werd
-teruggekaatst. Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen
-als helder verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden
-van het meer weêrkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn
-binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen.
-
-
- "Was von Menschen nicht gewusst oder nicht bedacht,
- Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der Nacht."
-
-
-De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige schuilhoeken en de
-wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen hier en daar nog
-enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die tusschen het geboomte
-overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze hoogte, dewijl het
-niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en reeën worden gevonden;
-hier is niets dan woud, en gras en weidevelden worden er niet dan
-schaarsch aangetroffen. De Kalong's van het laagland worden op
-deze hoogte niet gezien; geen Kaprimulgus laat hier zijn geklap
-bij nachtelijke stilte rondschallen, ja ter naauwernood verneemt
-men hier het gegons van een insekt, het tjilpende gezang van eene
-cicade of ziet men hier en daar een enkelen vuurkever langs den
-oever rondflikkeren. De zwarte apen, Loetoeng, roeren zich niet in de
-loofkroonen, zij zitten stil op de takken; de eekhoorntjes hebben zich
-in hunne nesten of in de spleet van een ouden boomstam verscholen
-en alle vogels slapen. Misschien klautert nog hier of daar eene
-wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen voorzigtig op de
-bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest te overvallen,
-of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en behoedzaam over den
-grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te kapen; maar alle andere
-dieren zijn ter rust gegaan. Ook de waterhoenders en de slangenvogels
-(Plotussoorten) zitten stil in het hooge, rietachtige gras der oevers,
-of op een omgevallen boomstam die zich over den waterspiegel uitstrekt;
-de visschen in het meer bewegen zich niet, de kleine kreeften,
-de schelpen maken geen geruisch en de gansche overige schepping
-zwijgt.--Maar onder dit zwijgen gaat het leven voort, in het water,
-in de lucht en op de aarde, in millioenen geheime polsen te slaan die
-weldra, wanneer de geleende glans die thans van de schijf der maan
-afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn geweken, op nieuw
-zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de verschillendste,
-door elkander wemelende gestalten zullen verlevendigen.--Natuur,
-gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en gij spreekt eene taal welke
-slechts hij geheel verstaat, die met genen zoo dikwerf miskenden
-en nog menigvuldiger misbruikten man in vromen eenvoud kan vragen:
-"die het oor gemaakt heeft, zou die niet hooren?--Die het oog gemaakt
-heeft, zou die niet zien?"
-
-Mijn broeder Morgenrood zegt: "De natuur is bewusteloos, zonder ziel,
-zonder God! Het bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel
-der natuur die, even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt
-in onze hersenen en een indruk maakt, een beeld 't welk uit ons
-binnenste terug in de natuur verplaatst en daar als het ware buiten
-ons wordt aanschouwd!--Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf
-zinnen tot de buitenwereld,--het is de betrekking der buitenwereld
-tot onze vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze
-zinnen plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische
-strooming tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als
-in een brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij
-bewustzijn noemen.--Niets dan heen- en wederbeweging van stofdeelen,
-die onophoudelijk van elkander worden gescheiden en telkens nieuwe
-verbindingen aangaan!"--Zoo spreken zij.
-
-Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als middel
-dienen om het bewustzijn daar te stellen en te onderhouden, maar het
-gewaarwordende beginsel dat in mij zetelt, 't welk in het brandpunt
-dier stralen staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt,
-hetgeen--als het ware--van het bewustzijn bewust is,--ik bedoel
-datgene, hetwelk aan de stof gewaarwording geeft om het bewustzijn
-te kunnen opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan stof!--Dit
-kan niet anders zijn dan eene absolute, goddelijke eigenschap.
-
-Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij dienen, op
-het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze bewegingen
-plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij u in
-staat gesteld zien het feit van het bewuste gewaarworden stoffelijk te
-verklaren en nimmer zal het u gelukken, te kunnen bewijzen dat door de
-werking van chemische en physieke krachten een oog, een oor kan gevormd
-worden. Wat toch zon het licht zijn dat van de zon in 8 1/4 minuten
-tot aan de maan en van daar in ééne sekonde tot op de aarde snelt,
-alwaar het andermaal door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst,
-indien mijn oog niet bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt,
-wanneer mijn gewaarwordend binnenste niet daar was waarin het driewerf
-teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid wordt, dewijl
-het tot bewustzijn komt?--Daar echter het beeld in de maan, in den
-spiegel van het meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was,
-is het licht voor mijn oog en mijn oog benevens alle andere zintuigen
-aanwezig voor het bewustgeraken. Tot bewustzijn geraken is het eerste
-doel des levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en
-afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het
-heelal kunnen omvatten.--Zou nu dit heelal geene ziel hebben waarin
-alle verschijnselen tot bewustzijn geraken,--zou er geen algemeen
-bewustzijn wezen, waarvan het mijne herkomstig is?--Dat twijfelaars
-twijfelen.--De gansche natuur spreekt eene taal en ik geloof aan u,
-eeuwig licht, alziend oog, eeuwig redelijk bewustzijn!
-
-Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever van het meer
-welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten rimpel
-werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje suisde
-mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij in
-eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart in
-mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had
-dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij
-den eersten lichtstraal weder te ontwaken,--ja, indien het licht der
-maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst, geleend licht)
-mij niet verkondigd had: waar licht is--in het gansche heelal--moet
-insgelijks warmte, beweging, leven zijn!
-
-Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte van den
-nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het geboomte
-klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in de
-Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het
-loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen,
-scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen
-te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht
-toe en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men
-had ligtelijk in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm,
-het zuchten van een stervende, menigwerf ook het geschrei van een
-jong kind werd gehoord. Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal
-gebeurd, dat vroegere reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden
-van de oorzaak van dit geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon
-er een duivelsspook--een spookachtigen, duivelachtigen vogel van
-gemaakt hebben. [55] Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend;
-ook zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat
-het digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever
-was gekomen. Ik zag het hier--met uitgespannen vleugelhuid, strak
-en onbewegelijk, als een papieren draak--van den eenen boom naar den
-anderen door de lucht zweven; dit geschiedde echter in eene schuine
-rigting, zoodat het van den top eens booms afgaande, ongeveer ter
-halver hoogte van den stam eens anderen booms aankwam, waartegen
-het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het was eene zoogenaamde
-vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een geheel onschuldig
-dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en in het woud
-rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig als zijn
-geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het herinneringen aan
-menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt, even liefelijk
-en troostrijk zal zijn geroep voor de andere Galeopitheken zijn,
-dewijl de welbekende stem hun te kennen geeft dat zij niet alleen,
-maar dat ook nog anderen huns gelijken aanwezig zijn, die zij vinden
-zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen.
-
-Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot tijd nog
-in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het
-niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in
-het aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de
-verwantschap, de sympathie gevoelde, welke alle levende wezens
-zaamverbindt.--De maan neigde reeds ten ondergang; ik stond op
-van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan en de
-sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen bloemen,
-knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren die, elk
-op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen: goeden
-nacht!--Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde natuur,
-tot morgen: goeden nacht!
-
-
- (Vervolg hierna.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZINSTOORENDE DRUKFOUTEN IN NR. 1-3.
-
-
- BLADZ. REGEL. VAN LEES IN PLAATS VAN
-
- 51 3 en 4 onderen Gòlok Ani ani
-
- NB. Op Java wordt het afsnijden der aren bij de rijstoogst met het
- mes "Ani ani" uitsluitend door vrouwen verrigt.
-
- 154 7 onderen 1830 1854.
- 241 2 boven hangmatten hangmat.
- 244 15 onderen namelijk, het het, namelijk.
- 336 12 onderen overeenkwam overeenkomt.
- 354 20, 21 en 22 boven lees als volgt:
-
- Chloornatrium en Chloorkalium } 0,45
- } 0,28
- Zwavelzure kali } }
- } 0,04
- Phosphorzure kali }
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Een Javasche paal heeft eene lengte van 4800 Rijnl. voet (4637,6
-voet oude Fransche maat) of 1506,0 Ned. el; drie palen worden
-gewoonlijk op een uur gaans gerekend.
-
-[2] Overal waar in dit door zijne groeikracht zoo weelderige land
-geen woud wordt gevonden, mag men zeker zijn bebouwde velden, of
-Alang-alangwildernissen aan te treffen, die de plaats van voormalige
-akkers hebben vervangen. Dit is de reden waarom een vreemdeling op
-Java, in zeer bebouwde bergachtige streken zich bevindende, het voor
-hem zoo verrassende schouwspel ontwaart van hoogstammige wouden op de
-allersteilste bergwanden en in de diepste kloven te zien--dewijl zij
-in al de overige, toegankelijke streken van het gebergte geveld zijn.
-
-[3] De eenige benaming, welke de Maleiërs aan de zon geven, is Mata
-hari: oog des daags.
-
-[4] Een kleine nachtvogel (eene soort van Geitemelker).
-
-[5] In het Maleisch: Anak kambing wolanda.
-
-[6] Of die men Hem in den mond heeft gelegd; niemand toch kan bewijzen,
-dat hetgeen lang na zijn dood, naar luid van volksverhalen, is te boek
-gesteld en ons in het Nieuwe Testament wordt medegedeeld, letterlijk
-zijne leer bevat.
-
-[7] 't Gebrul des leeuws moge elk vervaren, 't Vliede al des tijgers
- felle klaauw;
- Maar o! van al wat schrik kan baren, Het schrikkelijkst is een
- toomloos graauw.
-
- (van Lennep.)
-
-[8] Deze getallen beteekenen de bladzijden van het vermelde
-"Vraagboekje", waarop de spreker zich beroept.
-
-[9] Hierop maakt de mensch somtijds eene uitzondering, bij voorbeeld,
-de huichelaar en schijnheilige.
-
-[10] De komeet van Encke maakt hierop geene uitzondering, want zoodra
-de oorzaak der versnelde beweging met zekerheid bekend zal zijn,
-zullen de berekeningen met de verschijnselen overeenstemmen.
-
-[11] "Toch werden ook toen reeds enkelen gevonden, die zich vrij hadden
-gemaakt van het bijgeloof hunner tijdgenooten. Ten bewijze hiervan
-strekt onder anderen eene brochure, gedrukt in 1851 en getiteld:
-Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen
-onder de Heidenen, door een Christen, te Amsterdam bij gebroeders
-Diederichs,--waar op bladz. 10 de volgende merkwaardige woorden
-te lezen staan: "Hoe lang zullen wij dan nog werk hebben, eer wij
-naderhand van het tegendeel overtuigd worden? Menig geloovig Christen
-heeft 25 jaren van onderzoek noodig gehad, om van deze dwalingen in
-zijne jeugd opgedaan terug te komen, en men bemerkt nog heden ten
-dage aan menig Christenleeraar, hoe diep die dwalingen der oudheid
-zijn ingeworteld, daar hij dezelve nog verdedigt, ja zelfs tot
-stichting zijner gemeente, gelijk hij meent, opentlijk voordraagt,
-welke gemeente dan, om kerk en leeraar niet opzettelijk te vermijden,
-het een en ander heel wat beter moet weten toe te passen, om zijne
-woorden tot stichting te herleiden;--ieder gevoelt hoe moeijelijk
-het moet vallen zulke vooroordeelen te overwinnen, in Christenlanden,
-waar men die van jongs af heeft ingezogen."
-
-[12] Gelijk de lezer zich zal herinneren, waren wij vier dagen geleden,
-des avonds te Gnoerag aangekomen.
-
-[13] Orang el Meseh, d. i. Messiasmensch; zoo worden in den Indischen
-archipel de Christenen insgelijks genoemd.
-
-[14] Ik wasch mijne handen in onschuld: het is mijne bedoeling niet
-om dezen te krenken.
-
-[15] Raden wordt gewoonlijk vertaald door Prins, welk woord echter
-beter overeenkomt met het Javasche Pangéran, terwijl Raden de titel van
-een lageren rang is, ongeveer overeenkomende met ons Baron.--Kapala:
-hoofd. Tjoetak: distrikt. De voorafgaande woorden zijn de eigennaam
-van het distriktshoofd.
-
-[16] Mijn naam Dag, of korter Dak, spraken de Javanen vrij juist uit;
-het scheen hun echter niet mogelijk te zijn de ch uit te brengen,
-want in plaats van Nacht, zeiden zij steeds Nat.
-
-[17] Zie bladzijde 155.
-
-[18] De voornaamste dagbladen des lands schamen zich niet mededeelingen
-te doen, betrekkelijk dergelijke predikatien, zoo als b. v. van
-"het plegtig lof van den nieuwen, allerprachtigsten mantel van onze
-lieve vrouwe van den Bosch, met eene welsprekende openingsrede over
-de vereering van de Moeder Gods, gehouden door den zeer Eerwaarden
-Pater Coemans, superior der Liguoristen te 's Hertogenbosch, op den
-30 April 1854. (Zie Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2 Mei, 1854.)--Mag
-dat niet echt heidensch genoemd worden, is dat geen afgoden-, geen
-fetischdienst?
-
-[19] Het loon van een Koeli is van regeringswege vastgesteld; het
-bedraagt 2 1/2 centen per paal en daar 3 palen op een uur gerekend
-worden, hadden wij slechts 7 1/2 centen per uur behoeven te betalen,
-maar gaven steeds iets meer, vooral in het gebergte waar de afstand
-van de eene plaats tot de andere niet door middel van palen wordt
-aangewezen.
-
-[20] Elke zak bevat 25 gulden aan enkele centen, en wordt uit dunne
-strooken van lange palmbladeren gevlochten; zeer dikwerf bedient men
-zich tot dat einde van den bast, Tapas, der Kokospalmen, die zich
-bevindt tusschen den stam en de bladscheden.
-
-[21] Desa beteekent in de Javasche en in de Soendasche taal hetzelfde
-als Kampong in het Maleisch, namelijk, dorp.
-
-[22] Warong, een Javasche eetwinkel, bestaat uit eene opene van Bamboes
-vervaardigde kraam, waarin tafels en banken zijn geplaatst, alwaar--in
-elk dorp en gedurende den ganschen dag--alles gevonden wordt, hetgeen
-de Javaan tot leeftogt als anderzins behoeft, voornamelijk rijst,
-gedroogde visch, gedroogde smalle strooken vleesch (Dendeng), zout,
-Spaansche peper, allerlei vruchten, zoomede fijn gesnedene tabak,
-benevens daaruit vervaardigde, in bladeren gewikkelde cigaren;
-wijders palmwijn (Toeak), dikwerf ook koffij en Chinesche thee,
-welriekende bloemen, rijst- en honiggebak, enz., enz. De Javaan staat
-op HOOGEREN TRAP van beschaving dan de Europeër, indien de inrigting
-zijner Warong's, vergeleken met de restauratiën des laatstgenoemden,
-daarbij tot maatstaf wordt genomen.
-
-[23] Deze waaijerpalmen worden, ter plaatse waar zij in het wild
-groeijen, steeds op zekeren afstand van de kust aangetroffen: zij
-overschrijden den afstand van hoogstens drie palen landwaarts in van
-de zee gerekend niet, ten gevolge waarvan deze wouden (die bovendien
-een droogen en rijzenden bodem verlangen) zich altijd in den vorm
-eener strook uitbreiden.
-
-[24] Ieder Javaan weet bij ervaring dat koningstijgers en paauwen in
-de wildernis onafscheidbaar zijn, weinigen echter zijn in staat de
-reden er van op te geven.--Het volgende voorbeeld moge ten bewijze
-strekken, hoe innig de band is welke twee zoo geheel verschillende
-diersoorten, als tijgers en paauwen zijn, zaâmverbindt. Bekend is
-het dat de tijger zich bij voorkeur ophoudt in de heete laaglanden;
-de paauw insgelijks. Op Java echter wordt een gebergte gevonden
-dat, ter hoogte van 9000 voet boven den spiegel der zee, den vorm
-heeft eener hoogvlakte, met uitmuntend voedergras is begroeid en
-(uit dien hoofde) door eene talrijke, ja, over talrijke menigte
-herten is bewoond. Niettegenstaande het koude klimaat dat op deze
-hoogte heerscht, wordt--als uitzondering op den regel--insgelijks
-de koningstijger zeer dikwerf aangetroffen op dit plateau (waar hij
-zich zoo gemakkelijk eene prooi kan verschaffen) en--steeds ziet men
-paauwen van de eene boomgroep naar de andere vliegen.
-
-[25] Elk dorp op Java, uitgezonderd die van de kleinste soort,
-bevat tevens eene vierkante grasplek, Aloen aloen geheeten, te midden
-waarvan gewoonlijk een Weringinboom is geplant, welks breed uitgebreid
-en boogsgewijs afhangend loof een aangenamen lommer geeft. Rondom
-dit opene plein staan, tusschen geboomte verscholen, de voornaamste
-woningen, als die der hoofden, enz.
-
-[26] Voor onze landslieden in Holland nog immer eene ware
-verschroeijende hitte.
-
-[27] In de pan gebraden leveren zij den Javanen, zelfs onder de hoogere
-standen, eene zeer smakelijke toespijs op bij hunnen rijstschotel.
-
-[28] Zoo wordt het extract van opium genoemd, hetwelk de dikte
-van gewone siroop heeft en gebezigd wordt om de fijn gesnedene
-tabaksbladeren mede te doorweeken.
-
-[29] Slechts weinige boomen der tropische kustflora, die in den
-eigenlijken zin des woords behooren tot het zeestrand, bereiken
-eene dergelijke hoogte. Even als de boomen welke gevonden worden
-aan de tegenovergestelde grenzen van het plantenrijk, op de hoogste
-bergtoppen, zijn zij meerendeels dwergachtig klein, in vergelijking van
-de 100 à 150 voet hoog groeijende woudreuzen, die in het binnenland tot
-op eene tamelijke hoogte boven den spiegel der zee aangetroffen worden.
-
-[30] De Javasche krokodil (Boeaja, door de Europeërs ten onregte
-Kaiman geheeten) wordt aan de zuider kust in alle kleine beken, in de
-nabijheid harer mondingen welke gewoonlijk diep zijn, aangetroffen en
-zwemt door de zee of kruipt langs het strand van de eene riviermonding
-naar de andere.
-
-[31] Gòlok: een korte, zeer zware dikke sabel, welken de Javanen als
-bijl en als hakmes gebruiken.
-
-[32] Het is eene bekende zaak, dat er schildpadden zijn gevangen,
-die bijna acht centenaars wogen.
-
-[33] Een roofdier (Paradoxurus Musanga) dat, even als de Europesche
-vos, ook vruchten niet versmaadt en vooral verlekkerd is op rijpe
-koffijbessen.
-
-[34] Angklong, dat is, een houten raam of gestel, waarin verscheidene
-nevens elkander geplaatste Bamboesbuizen staan, wier boveneinde schuin
-is afgesneden en die op de wijze van orgelpijpen trapsgewijs kleiner
-worden. Door deze buizen of pijpen gaan houten staven, door middel
-waarvan het bovenste gedeelte van het raam met het benedengedeelte
-in verbinding is gebragt; deze staven brengen door het aanslaan in
-de veel wijdere buizen de toonen voort, indien het raam dat met beide
-handen wordt vastgehouden, op de maat ginds en herwaarts wordt bewogen.
-
-[35] Loerah, hetgeen in andere streken wordt genoemd Patingi, enz.,
-beteekent dorpshoofd, plaatselijke overheid, zooveel als burgemeester
-in Holland.
-
-[36] Sarong: kleedingstuk, dat in Indië personen van beiderlei kunne
-algemeen bezigen en gewoonlijk het eenige is, dat gedragen wordt; het
-reikt van de heup tot aan de voeten en wordt, daar het zeer wijd is,
-in vele plooijen gevouwen. Alleen de hoofden dragen onder den Sarong
-eene lange broek, hetgeen insgelijks door de Javanen van lageren rang
-bij plegtige gelegenheden wordt nagevolgd.
-
-[37] Kris: het onafscheidelijk wapen van elken Javaan die niet doodarm
-is, een lange, tweesnijdende dolk met een zeer groot handvatsel,
-dat een eigenaardigen vorm heeft.
-
-[38] Ik geloof niet dat eene tot in de geringste bijzonderheden
-afdalende beschrijving der bruiloftsfeestelijkheden bij de Javanen
-bijzonder nuttig of der moeite waardig zou mogen geacht worden, evenmin
-als uitvoerige beschrijvingen van de gebruiken en ceremoniën welke
-bij de geboorte, besnijdenis, begrafenis, enz., enz., worden in acht
-genomen. De ervaring toch heeft mij geleerd dat deze gebruiken--al
-komen zij algemeen genomen, wat de hoofdzaak betreft, overal vrij
-wel overeen,--in de bijzonderheden verschillen, niet alleen bij de
-drie groote, door hunne taal verschillende hoofdstammen op Java
-(bij de Soendanezen, Javanen en Madoerezen), en niet slechts bij
-de verschillende standen der maatschappij in elken stam, van den
-vorstelijken prins tot aan den geringsten Koeli, maar dat zij ook
-in de verschillende residentiën, distrikten en bewoonde plaatsen,
-van een en denzelfden stam (in de bijzonderheden der ceremoniën)
-onderling zeer van elkander afwijken.--Pendopo is een open huis dat
-op palen is gebouwd en wel een dak, maar geen muren of wanden heeft.
-
-[39] Soesah: onrust, moeite, bezwaar, verdriet, hinderpaal,
-moeijelijkheid.--Sedert den oogenblik dat (op verlangen mijns broeders)
-de proef was genomen om alleen van vrijwillig dienstbetoon der
-Javanen gebruik te maken, was geen enkele dag, ter naauwernood een
-uur verloopen waarop ons geene klaagliederen Soesah soesah,--Soesah
-sakali! van onze bedienden in de ooren hadden geklonken.
-
-[40] Pidjit is de benaming welke aan een mechanisch geneesmiddel,
-namelijk, aan de manipulatie wordt gegeven welke (gewoonlijk door eene
-vrouwenhand) op de volgende wijze geschiedt: het geheel ontkleede
-en uitgestrekte ligchaam wordt van de toppen der vingers en teenen
-tot aan het hoofd en terug, voornamelijk op de gewrichten en dikkere
-spieren, zacht gestreken, gekneed en gedrukt. Na sterke vermoeijenis
-en hevige spierbeweging, of verslapping ten gevolge van overmatige
-hitte, heeft dit Pidjiten iets zeer verkwikkends en herstelt het de
-verlorene krachten, maar wordt tevens menigwerf uitsluitend aangewend
-om de aangename gewaarwording die het te weeg brengt.
-
-[41] Zie de analyse van het dierlijk ei aan het slot van dit
-stuk.--Drie en twintig der zoogenaamde elementen, wier gezamenlijk
-aantal thans 62 bedraagt, komen zeer zelden voor en zijn gedeeltelijk
-slechts onvolkomen bekend.
-
-[42] Men vergelijke A. von Humboldt's Ansichten der Natur (derde
-uitgave, 1849) II. bladz. 312. "De moeijelijkheid welke er in
-gelegen is, om de levensverschijnselen van het organismus op eene
-bevredigende wijze terug te brengen tot natuur- en scheikundige
-wetten, moet grootendeels worden toegeschreven aan de zaâmgesteldheid
-der verschijnselen, aan de veelvoudige te gelijker tijd werkzame
-krachten en aan de omstandigheden, welke invloed op hare werkzaamheid
-uitoefenen, even als zulks ten opzigte van de voorspelling van
-meteorologische veranderingen in den dampkring het geval is."
-
-[43] Sur l'homme et le développement de ses facultés, ou essai de
-physique sociale. 2 vol., wijders: Du système social et des lois qui
-le régissent, Paris 1848.
-
-[44] Die waarschijnlijk afstamt van de wilde geit, Capra Aegagrus.
-
-[45] Deze atomen, al waren zij binnen bepaalde grenzen besloten en
-niet oneindig klein, zouden wij echter nimmer, zelfs niet met de
-sterkste microscopen kunnen waarnemen, dewijl het medium waardoor
-wij heenzien, de lucht, de glaslensen, ja de deelen van ons eigene
-oogen insgelijks uit atomen, uit stof bestaan.
-
-[46] Deze zamengestelde atomen noemt men thans, ten einde eene
-achterdeur open te houden, molekulen.
-
-[47] Scheikundig zamenstel of, bij gelijke menging, doch verschillende
-ligging der atomen en verschillende vatbaarheid tot breking van het
-gepolariseerde licht.
-
-[48] Het volgende voorbeeld zal hiervan nog een sprekender bewijs
-opleveren. Wanneer twee personen uit een glas drinken, waarin zich
-een oplossing van amygdaline bevindt, zijnde een kristalliseerbaar,
-volkomen onschadelijk ligchaam dat in bittere amandelen wordt
-gevonden, en de een onmiddellijk daarna een glas orgeade drinkt, de
-andere echter niet, dan zal de laatste gezond blijven, terwijl zich
-bij den eerstgenoemde verschijnselen van hevige vergiftiging zullen
-openbaren. Zoodra namelijk amygdaline in aanraking komt met zoete
-amandelen en water (amandelmelk), wordt door eene bloote omzetting
-der bestanddeelen (behalve suiker, bitteramandelolie en mierenzuur)
-blaauwzuur gevormd.
-
-[49] Alcoholradicalen zijn koolwaterstoffen (4 kool- en 5 waterstof),
-welke in verbinding met 1 atoom zuurstof en 1 atoom water ligchamen
-vormen, waartoe onder anderen de algemeen bekende wijnalcohol behoort.
-
-[50] Tot zoo ver gaat het handschrift van mijn oudsten broeder,
-dat hij mij ten gebruike heeft afgestaan, nadat hij (zijne voordragt
-geëindigd hebbende) er hier en daar meer volledigheid aan gegeven en
-het verbeterd had.
-
-[51] Mijn broeder Nacht was oorspronkelijk tot den zoogenaamden
-geestelijken stand bestemd, doch beoefende naderhand de
-landhuishoudkunde en houtvesterij. Wij de overige drie broeders leiden
-ons reeds vroegtijdig toe op de natuurwetenschappen; de oudste van ons,
-Avondrood, had eene bijzondere voorliefde voor de studie der zoölogie
-en physiologie, Morgenrood voor de chemie en physica, terwijl ik
-(de jongste) mij voornamelijk bezig hield met de beoefening der
-botanie en geologie. Het resultaat van nog niet doorgronde wetten,
-hetwelk wij "noodlot" noemen, vereenigde ons later, gelijk de lezer
-reeds vroeger heeft gezien, alle vier op Java.
-
-[52] Naauwkeurig genomen bedraagt deze afstand voor 5854 jaren
-lichtsnelheid iets meer dan 763 1/2 Siriusverten,--een gering
-verschil hetwelk bij deze algemeene beschouwingen niets ter zake
-doet, evenmin als de resultaten van latere waarnemingen, b. v. die
-van Maclear en Henderson, welke de ster a van den Centaur als
-de naastbij staande vaste ster (op 4 1/2 billioen mijlen of 3
-1/2 jaren lichtsnelheid) beschouwen, terwijl Struve de door hem
-het naauwkeurigst waargenomen Wega (a in de Lier) op 16 billioen
-mijlen of 12 1/12 jaren lichtsnelheid schat en dezen afstand een
-"enkelvoudige vastesterafstand" (gelijkstaande met 800000 maal een
-zonsafstand) noemt.
-
-[53] Uithoofde de aarde zich binnen dit tijdperk 5854 malen om de
-zon draait en te gelijkertijd 1 millioen 460000 maal om hare eigene
-as wentelt, zal het alziende oog haar van alle zijden overzien; een
-menschelijk oog echter zou niet in staat zijn de lichtbeelden duidelijk
-op te nemen, ten gevolge van de snelheid der beweging, van den korten
-duur staande welken de lichtstralen hunne werking uitoefenen.
-
-[54] Gelijk bekend is, hebben photometrische metingen nog niet tot
-zekere resultaten geleid.
-
-[55] De zoogenaamde "duivelsstem op Ceylon," welke door de overdrevene
-beschrijvingen van ligtgeloovige reizigers (zoo als Wolff en Knox)
-en mystieke natuurphilosophen (zoo als Schubert) eene zekere mate van
-beruchtheid heeft verkregen, is hoogst waarschijnlijk niet anders
-dan het onschuldige geschreeuw van een nachtelijk rondfladderenden
-Pteropus of Galeopithecus, waarschijnlijk G. volitans.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de
-Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT ***
-
-***** This file should be named 52477-8.txt or 52477-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52477/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/52477-8.zip b/old/52477-8.zip
deleted file mode 100644
index a161039..0000000
--- a/old/52477-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h.zip b/old/52477-h.zip
deleted file mode 100644
index 960c7e7..0000000
--- a/old/52477-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/52477-h.htm b/old/52477-h/52477-h.htm
deleted file mode 100644
index 487d687..0000000
--- a/old/52477-h/52477-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,15856 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
-"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2016-07-02T09:01:49Z. -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta name="generator" content=
-"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
-<title>Licht- en Schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java</title>
-<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
-<meta name="generator" content=
-"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Franz Wilhelm Junghuhn (1809&ndash;1864)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href=
-"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content=
-"Franz Wilhelm Junghuhn (1809&ndash;1864)">
-<meta name="DC.Title" content=
-"Licht- en Schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css">
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument
-{
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.abbr {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0em 0.05em 0 0;
-padding: 0px;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.advertisment {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0%;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0%;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indextoc {
-text-align: center;
-}
-.transcribernote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.correctiontable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0% 7em 0%;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0% 0em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-td.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0px solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0px solid black !important;
-width: 1em;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0% .5em 0%;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0% 0 0%;
-}
-span.hemistich {
-color: white;
-}
-.versenum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
-{
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}
-</style>
-
-<style type="text/css">
-.sp {
-font-size: small;
-font-weight: bold;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd21e7497
-{
-text-align:right;
-}
-.xd21e146width
-{
-width:480px;
-}
-.xd21e153width
-{
-width:430px;
-}
-.xd21e203
-{
-text-align:right;
-}
-.xd21e1362
-{
-text-align:center;
-}
-.xd21e2218
-{
-text-align:center;
-}
-.xd21e2520
-{
-text-indent:4em;
-}
-.xd21e9652
-{
-font-size:small;
-}
-.xd21e9741
-{
-vertical-align:middle;
-}
-.xd21e9743
-{
-vertical-align:middle;
-}
-@media handheld
-{
-}
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de
-Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
-
-Author: F. W. Junghuhn
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52477]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ASCII
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e146width"><img src="images/new-cover.jpg" alt=
-"Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e153width"><img src="images/titlepage.png" alt=
-"Oorspronkelijke titelpagina." width="430" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">LICHT- EN SCHADUWBEELDEN<br>
-UIT DE<br>
-Binnenlanden van Java.</div>
-<div class="subTitle">OVER HET KARAKTER, DE MATE VAN BESCHAVING, DE
-ZEDEN EN GEBRUIKEN DER JAVANEN; OVER DE INVOERING VAN HET CHRISTENDOM
-OP JAVA, HET BEZIGEN VAN VRIJEN ARBEID EN ANDERE VRAGEN VAN DEN
-DAG.</div>
-<div class="subTitle">VERHALEN EN GESPREKKEN</div>
-<div class="subTitle">VERZAMELD OP REIZEN DOOR GEBERGTEN EN BOSSCHEN,
-IN DE WONINGEN VAN ARMEN EN RIJKEN.</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR DE GEBROEDERS<br>
-<span class="docAuthor"><i>DAG</i> EN <i>NACHT</i>.</span><br>
-MEDEGEDEELD DOOR DEN EERSTGENOEMDE.</div>
-<div class="docImprint">TE LEIDEN, BIJ<br>
-Jacs. Hazenberg Corns. zoon.<br>
-<span class="docDate">1854.</span></div>
-</div>
-<div id="epigraph" class="div1 epigraph"><span class=
-"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Grau, theurer Freund, ist alle Theorie,</p>
-<p class="line">Und gr&uuml;n des Lebens goldner Baum.&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e203"><span class="sc"><a class=
-"pglink xd21e41" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
-"https://www.gutenberg.org/ebooks/2229">G&ouml;the</a>.</span>
-<span class="pagenum">[<a id="xd21e209" href="#xd21e209" name=
-"xd21e209">I</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="voorrede" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORREDE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Ik ben kortelings met mijn broeder</i>
-<span class="sc">Nacht</span> <i>uit de binnenlanden van Java alhier
-aangekomen, en zie met genoegen, dat men zich ook hier te lande het lot
-aantrekt dier goede zielen, in wier midden wij in gehuchten, dorpen,
-steden en in de wildernissen bij het wachtvuur, zoo menig jaar hebben
-doorgebragt. De onderwerpen, welke wij destijds hebben behandeld,
-worden hier overwogen door staatsmannen, ministers, leden der tweede
-kamer, liefhebbers, spekulanten, presidenten van
-Zendeling-genootschappen, door ingewijden en leeken, door mannen van de
-theorie en van de praktijk; zij worden er door gewikt en gewogen, het
-voor en tegen er van in het licht gesteld, door dezen aangeprezen, door
-genen gelaakt. Het pleit is echter nog niet beslist. Toen ik dit alles
-zag, dacht ik nogmaals na over hetgeen ons in der tijd bezig hield en
-het scheen mij toe, dat onze verhalen en gesprekken&mdash;al dragen
-<span class="pagenum">[<a id="xd21e222" href="#xd21e222" name=
-"xd21e222">II</a>]</span>zij niet het gewaad van geleerdheid, al zijn
-zij niet gevoerd door mannen, ervaren in het staatsregt, de
-staathuishoudkunde, dogmatiek, christologie en in de hoogere en lagere
-politiek, maar toch, zoo als ik met bescheidenheid vermeen te durven
-hopen, met een weinig gezond verstand</i> onder den groenen boom des
-levens <i>ter ne&ecirc;r gesteld,&mdash;niet geheel onwaardig mogen
-beschouwd worden, om onder het oog van het publiek te worden
-gebragt</i>.</p>
-<p class="par"><i>Eenige kleinigheden daargelaten, die ik er heb
-bijgevoegd, naar aanleiding van hetgeen ik na mijne aankomst in Europa
-vernam en ontwaarde, komen ze onveranderd in het licht.</i></p>
-<p class="par"><i>Wij hopen, dat onze verhalen en gesprekken
-goedgunstig door den lezer mogen worden ontvangen.</i></p>
-<p class="par"><i>Mijn broeder</i> <span class="sc">Nacht</span> <i>is
-reeds sedert lang door den dageraad verlicht geworden. Hij wenscht
-echter onbekend te blijven en heeft zijn naam veranderd. De
-Correspondenten van onze voormalige firma worden derhalve verzocht zich
-voortaan uitsluitend te wenden tot dengene, die van het navolgende
-is</i></p>
-<p class="par signed"><i>S.... Februarij, 1854</i>. <span class="sc">DE
-MEDEDEELER.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name=
-"pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="pt1" class="div0 part">
-<h2 class="super">VERHALEN EN GESPREKKEN<br>
-UIT DE<br>
-BINNENLANDEN VAN JAVA.</h2>
-<h2 class="label">1.</h2>
-<p class="par first">Na een vermoeijenden dagmarsch over bergen en
-dalen, waren wij te Gnoerag aangekomen. Onze kleederen en overige
-reisbehoeften hadden wij in kleine lederen koffers gepakt, ligt genoeg
-om ze, met eene hand vastgehouden wordende, op den schouder of op het
-hoofd te dragen. Maar de Koeli&rsquo;s, die zich daarmede hadden
-belast&mdash;een tiental Javanen uit het dorp, dat wij des morgens
-hadden verlaten&mdash;waren achter gebleven. Twee uren
-<i>v&oacute;&oacute;r</i> onze afreis uit Gnoetnig waren zij van daar
-vertrokken. Wij haalden hen echter in en vonden ze onderweg, in de
-schaduw van een Bamboesboschje, uitgestrekt op den grond liggen.
-Sommigen hielden hunne siesta en bezigden onze koffertjes, die daartoe
-juist groot genoeg waren, tot hoofdkussens; anderen, die reeds
-uitgeslapen waren, maakten kleine cigaren van fijn gesneden tabak en
-Djagongbladeren.&mdash;&bdquo;Saja banjak tjap&eacute;, Toean!&rdquo;
-(Ik ben dood moede, heer) zeide de een; &bdquo;Terlaloe panas, korang
-<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name=
-"pb2">2</a>]</span>koewat&rdquo; (&rsquo;t is ondragelijk heet, ik kan
-niet meer) voegde een ander mij toe, en &bdquo;Sakit prot&rdquo; (ik
-heb pijn in &rsquo;t lijf) was de jeremiade van een derde. Wij lieten
-eenigen onzer bedienden bij hen achter en zetteden onzen togt voort,
-nadat wij een der koffers hadden geopend om wat sigaren te krijgen en
-die onder hen te verdeelen. Wij beloofden ieder van hen een halven
-gulden boven het bedongen loon (dat wij reeds vooraf hadden betaald),
-benevens Koew&eacute; koew&eacute; (suikergebak) met Kopi (koffij) tot
-eene versnapering, indien zij zorg droegen <i>v&oacute;&oacute;r</i>
-het vallen van den avond te Gnoerag te zijn. &bdquo;Ja wel, beste
-heer!&rdquo; riepen zij allen verheugd als uit eenen mond; &bdquo;wat
-een goede heer is hij toch&rdquo;&mdash;voegden anderen er bij. Hunne
-wil was inderdaad goed. Maar zij lagen daar zoo vrolijk bijeen! Hun
-goedig, slaperig oog, waarin de genoegelijkheid als het ware te lezen
-stond,&mdash;want zij waren zoo blij, zoo zonder zorgen,&mdash;hielden
-ze onafgebroken gerigt op den blaauwen rook hunner cigaren; zij schenen
-aldaar zoo regt gelukkig te zijn, beter nog dan het eerste menschenpaar
-in het Paradijs; een beekje murmelde in hunne nabijheid en
-Paradijsvijgen, die hun het groote blad bij wijze van bord voor hunnen
-medegevoerden <span class="corr" id="xd21e274" title=
-"Bron: rijstmaalijd">rijstmaaltijd</span> hadden opgeleverd, namelijk,
-Pisangboomen, spiegelden zich werkelijk in het effen vlak van het
-kristallijnen vocht der beek.</p>
-<p class="par">Had ik mijn zin gevolgd, dan had ik ze vooruitgezonden,
-maar mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> zeide &bdquo;ze zullen
-wel achter aan komen&rdquo; en wij gingen vooruit met een Loerah (een
-dorpshoofd), drie van onze bedienden en een paar andere Javanen, die
-onze instrumenten en jagtgeweren droegen.&mdash;Eindelijk werd het tijd
-naar een nachtkwartier om te zien en nog waren zij niet aangekomen.</p>
-<p class="par">De avondzon wierp reeds hare roode stralen op de
-oostelijke dalhelling; weldra verlichtte zij nog slechts haren
-<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name=
-"pb3">3</a>]</span>bovensten rand, deze heldere strook werd allengs
-smaller en bleeker; reusachtige vledermuizen (Kalong&rsquo;s) togen
-reeds over onze hoofden naar de oorden, waar zij hunne nachtelijke
-feesten vieren en het geschreeuw der paauwen in de naburige wouden
-klonk al luider en luider in ons oor, toen wij het eenzame dorpje
-naderden, dat slechts uit een vijf- of zestal hutten bestond. De
-donkere schaduwen, die op het breede dal waren nedergedaald, hadden ook
-het kleine dorp met zijne vruchtboomen reeds verzwolgen. Zoo even
-hadden de vrouwen op de houten blokken (L&#277;soeng) rijst voor het
-avondeten gestampt en reeds een kwartieruur vroeger had de regelmatige,
-heldere klank der ne&ecirc;rvallende stampers ons oor getroffen, toen
-wij ons nog op een verren afstand van hier bevonden.&mdash;Naauwelijks
-echter hadden zij ons in het oog gekregen of zij wierpen hare stampers
-(Aloe&rsquo;s) neder en vloden ijlings binnen hare hutten. Huilend
-werden zij achtervolgd door hare kinderen en de honden verscholen zich
-onder den vloer der woningen, die, zoo als gewoonlijk het geval is, aan
-de vier hoeken op palen of Bamboesstijlen waren gebouwd. Uit die
-schuilhoeken lieten zij hunne blaffende symphonie, fortissimo, hooren
-en stoorden de kippen in den slaap, die ter zelfder plaatse reeds
-sedert geruimen tijd op het roest zaten. In de hutten zelven werd niet
-de minste beweging vernomen. Allen, die zich er in bevonden, hielden
-zich zoo stil als een muis; slechts hier en daar liet zich een half
-gezigt, een oog, bespeuren, dat nieuwsgierig door eene reet der
-Bamboeswanden gluurde.</p>
-<p class="par">Wij zetteden ons onder een klein afdak neder op een
-stampblok (L&#277;soeng), dat voor de hutten stond en benoemden den
-Loerah tot onzen ambassadeur en plenipotentiaris, ten einde met den
-waarschijnlijk levenden inhoud der geslotene vestingen&mdash;niet zoo
-als Prins Menzikoff met de Verheven <span class="pagenum">[<a id="pb4"
-href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>Porte&mdash;neen, vriendschappelijk
-te onderhandelen.</p>
-<p class="par">Onze diplomaat hield eene roerende aanspraak, gaf zijne
-smart te kennen, dat onze komst vensters en deuren had doen
-sluiten&mdash;en ter naauwernood had hij zijne sierlijke rede
-ge&euml;indigd of eerst werd eene, vervolgens eene tweede en weldra
-eene derde deur geopend, waarop, hoewel aarzelend, eenige mannen naar
-buiten traden met rijst en Pisang, welke levensmiddelen de Loerah
-verklaard had tegen goed geld te willen inruilen. Wij nuttigden nu ons
-eenvoudig avondmaal, dat ons op een Pisangblad werd toegediend. De
-honden kropen uit hunne schuilhoeken te voorschijn en kwamen al
-kwispelstaartend naar ons toe; weldra verschenen enkele rimpelige
-sybillen op het tooneel, die op eenigen afstand bleven staan en ons met
-luide, krijschende stemmen, maar niettemin met regt vriendelijke
-gebaren, een &bdquo;welkom te Gnoerag!&rdquo; toeriepen. Het duurde
-niet lang of eenige jongere vrouwen, met hare kinderen op den arm,
-traden op ons toe, ja, zelfs de jonge meisjes slopen de eene na de
-andere in den kring. Anderen verwijderden zich weder en bragten ons
-ongevraagd eenige lekkernijen, die zij in hunne hutten hadden bewaard.
-Deze bood ons een kleinen pot aan, gevuld met Sambal g&ograve;reng,
-gene bragt de helft van een gebraden hoen (Ajam panggang) te
-voorschijn, dat hij ons als lekker aanbeval, een ander gaf ons een paar
-gedroogde schildpadeijeren, of een stukje Dendeng; een vierde spreidde
-eene mat (Tikar), van Pandanbladeren gevlochten, op den L&#277;soeng
-uit en eindelijk&mdash;toen de overtuiging zich algemeen had gevestigd,
-dat wij geene zeeroovers waren,&mdash;zagen wij ons vertrouwelijk
-omringd door ouden en jongen, door mannen, vrouwen en kinderen, met al
-hun huisgedierte, in &eacute;&eacute;n woord, door al wat in het dorp
-leven ontvangen had.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT</span>. Ziet ge wel, dat de
-Javanen beste menschen zijn? <span class="pagenum">[<a id="pb5" href=
-"#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Ziet ge wel, dat men goed en
-gastvrij zijn kan, zonder <i>Christen</i> te zijn? Maar ziet ge ook
-wel, dat onze Koeli&rsquo;s niet komen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hebt slechts geduld; het
-is nog niet volkomen avond en buitendien wij hebben maneschijn. Zij
-zullen wel komen.</p>
-<p class="par">Intusschen hadden onze &bdquo;jongens&rdquo; (spreek
-uit: Javasche bedienden, die somtijds reeds vrij bejaard zijn) kennis
-gemaakt met de bewoners van het dorp en slaapplaatsen voor ons
-uitgezocht. Het laatste overblijfsel van het vooroordeel, dat de
-dorpelingen tegen ons &bdquo;menschen met blanke gezigten&rdquo; nog
-koesterden, was door hunne bemoeijingen weggenomen. Mijn jongen Sidin
-komt daar aanstappen met eene jeugdige vrouw, die haar kind op den arm
-heeft; zij biedt ons hare hut tot tijdelijk verblijf aan en wil ten
-onzen gevalle zoo lang bij hare buurvrouw haren intrek
-nemen.&mdash;Waar is dan uw man? &bdquo;Ach, heer&rdquo; gaf zij ten
-antwoord, &bdquo;acht dagen geleden heeft een tijger hem
-opgegeten.&rdquo; Dit zeide zij met een lagchend gezigt als of zij een
-grap verhaalde. Op grond hiervan beelde de lezer zich niet in, dat de
-Javanen hardvochtig en gevoelloos zijn; dat is volstrekt niet het
-geval. De zaak is deze: in alle wisselingen van hun lot gedragen zij
-zich als geboren philosophen en weten zich spoedig naar alles te
-schikken. Zoodra het lijk aan de aarde is toevertrouwd, al heeft men
-den overledene bij zijn leven nog zoo lief gehad, dan wordt er niet
-meer om getreurd. &bdquo;Het treuren helpt toch niet, en gedane zaken
-nemen daardoor <i>geen</i> keer! Waartoe zal men iemand lang beweenen,
-daar men elken dag zelf sterven kan?&rdquo;&mdash;Op die wijze ongeveer
-beschouwen zij de zaken. Het heete klimaat, de verbazend snelle
-ontbinding en vergankelijkheid van al dat bewerktuigd is, zoodra het
-leven daaruit is geweken, de voortdurende gelijkvormigheid <span class=
-"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>in alle
-verschijnselen der natuur, die hen omringt, waarin geene afwisseling
-van jaargetijden wordt waargenomen, dit alles oefent
-noodzakelijkerwijze invloed uit op hun karakter en hunne innerlijke
-gemoedstemming. Met gelatenheid dragen zij hun lot, dat door hen als
-iets onvermijdelijks wordt beschouwd. Het gevaar, waaraan zij
-<i>voortdurend</i> zijn blootgesteld, ontneemt hun alle vrees en maakt
-hen onverschillig omtrent hetgeen haar bij anderen doet ontstaan.</p>
-<p class="par">Wij namen bezit van de hut, die op eenigen afstand van
-de overigen, tusschen ooft- en wilde boomen verscholen, was gebouwd. De
-rosse gloed eener lamp met Djarak- (Ricinus-) olie gevuld, wierp een
-flaauw licht op den vloer en de vier berookte wanden, van gevlochten
-Bamboes vervaardigd, waaruit het eenige vertrek der hut bestond. De
-vloer rustte op stijlen, ter hoogte van ongeveer vier voet boven den
-grond: de bank, die met eenige Tikar&rsquo;s was belegd en ons tot
-rustplaats moest dienen, bestond mede uit gespleten Bamboes.</p>
-<p class="par">Wij verlangden zeer naar een bad;&mdash;wij wenschten
-ons te ontdoen van onze kleederen, die doornat van zweet en daarenboven
-met stof en vuil bedekt waren. Maar wat moesten wij aantrekken? De
-Koeli&rsquo;s, die onze koffers droegen, waren nog niet aangekomen. Een
-sigaar, een glas wijn konden wij wel ontberen, maar zouden wij ons nu
-ook genoodzaakt zien het tenue der inboorlingen aan te nemen, en in het
-kostuum van Adam rond te wandelen?&mdash;Al hetgeen de goede luitjes
-hier in het dorp in hunne garderobe overcompleet hadden en dit bestond
-uit een paar S&#277;lendang&rsquo;s (lange, smalle omslagdoeken) en
-Sarong&rsquo;s (een kleedingstuk, dat den vorm heeft van een
-vrouwenrok), werd ons ten gebruike afgestaan. Wij deden derhalve als of
-wij ons in het Paradijs bevonden en het kostte weinig moeite ons in te
-beelden, dat dit werkelijk het geval was. Ademden wij hier niet eene
-zuivere, zachte, geurige lucht in?&mdash;<span class="pagenum">[<a id=
-"pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>strekte zich hoog boven onze
-hoofden niet de schoonste blaauwe hemel uit?&mdash;stond hier nevens
-onze hutten niet de Musa &bdquo;uit het Paradijs&rdquo; (gelijk
-Linnaeus haar heeft genoemd), met hare reusachtige, reeds aanrijpende
-trosvormige vruchten?&mdash;blonken ginds niet goudkleurige
-Mangga&rsquo;s, roode Djamboe&rsquo;s, Doeren&rsquo;s en
-Nangka&rsquo;s, beide ter grootte van een menschenhoofd, benevens vele
-andere schoone vruchten in het oog, half verscholen tusschen het loof
-der boomen, die in en rondom het dorpje waren aangeplant?&mdash;verhief
-zich niet boven onze hoofden, zagen wij niet verre beneden ons in het
-lagere gedeelte van het dal, het loofgewelf der allerprachtigste,
-bloemrijke wouden?&mdash;geleken de bewoners van het eenzame dorpje, in
-de eenvoudigheid huns harten, niet op het eerste menschenpaar, toen het
-in onschuld het Paradijs tot woning had? en murmelde ginds achter ons,
-in de onmiddellijke nabijheid der hut, niet een beekje, waarvan het
-kristalheldere water ons uitlokte tot het verfrissend genot van een
-bad?&mdash;Een gedeelte van het water liep door eene Bamboesbuis naar
-eene plek, waar het terrein met een steilen wand 5 &agrave; 6 voet
-afdaalde en plaste van die hoogte bij wijze van stortbad
-(Pant&ograve;ran) op den badende neder. Wij droogden ons in de lucht,
-sloegen den Sarong om onze lendenen en den S&#277;lendang over de
-schouders en begaven ons naar den nabij gelegen rand der kloof, van
-waar wij den ganschen, zooveel lager gelegenen bodem van het dal konden
-overzien. Aldaar vleiden wij ons neder in het gras onder het geboomte
-en lieten onzen geest ten speelbal van de indrukken, te weeg gebragt
-door de omringende schoone natuur, die zich meer en meer in haar
-schemerend avondkleed hulde.</p>
-<p class="par">Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der
-westelijke dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten
-rand een zacht glooijend plat vormt en vervolgens <span class=
-"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>steil in den
-eigenlijken bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons
-bevonden, verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte
-des dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht
-glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk
-als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van
-den westelijken rand welligt 1&frac12; &agrave; 2 Javasche
-palen<a class="noteref" id="xd21e329src" href="#xd21e329" name=
-"xd21e329src">1</a> verwijderd was. Op den voorsprong lagen hier en
-daar kleine, drooge rijstvelden (Tipar en Oema) verstrooid in eene
-wildernis van Alang-alanggras, welke laatstgenoemde zelf de plaats
-weder had ingenomen van velden, in voormaligen tijd bebouwd. De bodem
-van het dal daarentegen, benevens de steile hellingen, die het ter
-wederzijde insloten, waren bedekt met een majestueus oorspronkelijk
-woud, met boomen wier zuilvormige stammen zich 100, ja, 120 voet hoog
-verhieven, alvorens zij hunne rondachtige loofkroonen vormden. Als
-wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven zij hunne kruinen de eene
-boven de andere aan den steilen dalwand en slechts enkele gedeelten,
-die volkomen loodregt oprezen, vielen hier en daar als kale plekjes
-tusschen het geboomte in het oog.<a class="noteref" id="xd21e332src"
-href="#xd21e332" name="xd21e332src">2</a></p>
-<p class="par">Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het
-dal overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht der
-maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht <span class=
-"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>was zoo
-helder, dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen
-waarnemen, toen de dagtoorts<a class="noteref" id="xd21e339src" href=
-"#xd21e339" name="xd21e339src">3</a> werd uitgebluscht. In het azuren
-uitspansel liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het
-zintuig van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon
-was gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het
-geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere
-algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet
-langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had te
-weeg gebragt,&mdash;de zonnestralen, welke er op
-ne&ecirc;rschoten,&mdash;stegen niet langer luchtstroomen loodregt
-opwaarts en werd de zijwaartsche voortplanting van het geluid niet meer
-verhinderd. De branding van de meer dan 20 palen van ons verwijderde
-zuider kust liet zich allengs duidelijker vernemen en het bruischen van
-den stroom, die, in zijn langen loop uit het binnenste van het
-hooggebergte tot aan de kust, zich al kronkelend door den bodem van het
-dal slingert, trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze
-algemeene, doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke
-mate verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke
-bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en
-kinderen, die zich met haar tam gedierte&mdash;hoenders, honden,
-geiten, een paar buffels en paarden&mdash;in dit dal had nedergezet en
-mijlen ver door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij
-lagen nu allen op hunne Bal&eacute; bal&eacute;&rsquo;s in de hutten
-uitgestrekt, waar zij zich, ieder in den kring van zijn gezin, geheel
-en al overgaven aan het zalige gevoel van een volkomen onbezorgd
-gemoed. Uit eenige hutten klonken ons nog de langgerekte toonen van een
-gezang <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name=
-"pb10">10</a>]</span>te gemoet, dat noch eene bepaalde melodie, noch
-woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen wordt ge&iuml;mproviseerd en
-gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen en zich gelukkig gevoelen.
-Ook dit eentoonige gezang hield allengs op; onze bedienden, die zich in
-gezelschap van eenige dorpelingen achter ons in het gras hadden
-nedergelegd, slopen de een voor en de andere na in stilte weg, om ook
-voor zich eene nachtelijke rustplaats op te zoeken; de eene deur werd
-na de andere gesloten; de lampjes, waarvan het schijnsel door de reten
-der wanden schemerde, werden de eene na de andere gebluscht; het geluid
-der huisdieren liet zich allengs zeldzamer hooren, en eindelijk
-verkondigde niets meer de nabijheid der menschelijke wezens, die met al
-hunne levende have, met al hun geluk en ongeluk, zich in onze
-onmiddellijke nabijheid bevonden en nu in diepen slaap verzonken
-waren.</p>
-<p class="par">Wij all&eacute;&eacute;n nog zaten daar&mdash;en langen
-tijd zwijgend&mdash;nevens elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu
-eens vestigden wij mijmerend de blikken op den tegenover gelegen
-dalwand, waarvan hier eene bogt, met donkere schaduwen bedekt, in een
-geheimzinnig duister verdween, terwijl elders eene voorwaarts
-springende rotspunt of de reusachtige zuil eens boomstams door het
-volle licht der maan werd beschenen;&mdash;dan weder rustten zij op het
-bladerengewelf, waarmede het woud den bodem van het diep beneden ons
-liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke duisternis liet zich
-hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als zagen wij door eene
-spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse waar in de diepe,
-met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog volkomen onzigtbaar,
-maar door den donder harer schuimende golven luid hoorbaar de
-Tji-Nagn&eacute;ak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok, van
-rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop voort
-naar de kust. <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name=
-"pb11">11</a>]</span>Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds,
-vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen,
-waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid
-gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen
-van den avond, de echo&rsquo;s van alle bergwanden had doen ontwaken,
-maar die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte
-zaten.&mdash;Van tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons
-voorbij; somtijds vloog een krassende uil langs de helling van het dal,
-doch dit was de eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde
-en verre lag de natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe
-geruisch van den snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het
-regelmatig geklep van een Caprimulgus,<a class="noteref" id=
-"xd21e351src" href="#xd21e351" name="xd21e351src">4</a> dat als
-kletterende hamerslagen op een aanbeeld alom door het dal klonk, en
-slechts zelden vernamen wij uit het woud beneden ons een geluid als van
-loeijende buffels, maar fijner, meer schor en wilder van toon; het
-waren rhinocerossen, die zich slechts in den speeltijd laten hooren.
-Overigens was de dierlijke schepping dood stil en nergens was eenige
-beweging zigtbaar.&mdash;Maar met welke nachtelijke schoonheid was het
-omringende landschap getooid! welk een tooverachtigen schijn gaf
-daaraan de maan, die het als door een floers, door een zilverkleurig,
-half doorschijnend glas bescheen! Waar vind ik woorden om zoo veel
-schoonheid te beschrijven,&mdash;of kleuren om haar naar waarde af te
-malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo iets laat zich slechts
-gevoelen, waarnemen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Beste broeder
-<span class="sc">Dag</span>; wanneer ik mijn oog laat gaan over dit
-vruchtbare, door de natuur zoo rijk gezegende landschap, dat een waar
-paradijs mag worden geheeten en in den schoonsten schemerschijn van het
-liefelijke maanlicht daar <span class="pagenum">[<a id="pb12" href=
-"#pb12" name="pb12">12</a>]</span>voor ons ligt, wanneer ik daarbij
-denk aan de goede Javanen, die, voor hooger ontwikkeling zoo vatbaar,
-in deze oorden gevestigd zijn, maar wier geest nog in de diepste
-duisternis der onwetendheid is gehuld, wier mate van intellectuele
-beschaving naauwelijks met dat schemerlicht der maan kan vergeleken
-worden,&mdash;wanneer ik mij dit alles voor den geest stel, dan vind ik
-het ten uiterste beklagenswaardig, dat zij de openbaring van het
-Evangelie, de zegeningen des <i>Christendoms</i> nog niet deelachtig
-zijn geworden, dat hun eeuwig heil, het heil hunner onsterfelijke ziel,
-zoo schromelijk wordt verwaarloosd!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Beste <span class=
-"sc">Nacht</span>, die klagt wordt door mij niet gedeeld. Voor ik den
-wensch kan koesteren om de &bdquo;Javanen tot Christenen te
-bekeeren,&rdquo; gelijk gij dat gewoon zijt te noemen, moet ik eerst
-leeren inzien, dat de Christelijke leer niets dan zuivere waarheid
-bevat, dat de kennis dier leer voor alle volken der aarde als eene
-zegening zij te beschouwen, en met den besten wil ter wereld heb ik mij
-hiervan nog niet de overtuiging kunnen verschaffen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hoe is het toch mogelijk,
-dat ge zoo kunt spreken! Bedenk eens tot welk een hoogen graad van
-beschaving, wij <i>Christen</i>volken zijn opgeklommen; overweeg eens
-hoezeer wij <i>Christenen</i> door de meerdere ontwikkeling onzer
-verstandelijke vermogens, in handel en nijverheid, in het staatkundige
-en door onze zedelijke overmagt, boven alle niet-Christennati&euml;n
-verheven zijn; denk toch aan het licht der wetenschappen dat zijne
-heldere stralen over Europa verspreidt, de hooge vlugt welke het
-geestesleven bij ons heeft genomen, de verbazende ontwikkeling aan alle
-nuttige kunsten, aan alle takken van nijverheid gegeven, waarin geen
-enkel niet-Christenvolk zich met ons meten kan,&mdash;waaraan hebben
-wij dat alles te danken? dan juist aan het <i>Christendom</i>, &rsquo;t
-welk wij belijden, aan onze heilige Kerk, aan de leer des <span class=
-"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>bijbels,
-zoo overvloeijende van menschenliefde, aan de zegeningen der
-geopenbaarde godsdienst, die de Heiland en Verlosser ons heeft
-geschonken?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> In geenen deele, broeder
-<span class="sc">Nacht</span>. Gij verkeert in dwaling, waarin trouwens
-eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn vervallen.
-Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren, dat gij het
-spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim achttien eeuwen
-verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer verkondigde en
-ongeveer 12 &agrave; 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop die leer
-onder de Germaansche volkstammen, in het hart van <i>Europa</i>
-gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer
-dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industri&euml;le
-ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een
-<i>hoogeren trap</i> hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde
-Heidensche volken staan, als de Japannezen<span class="corr" id=
-"xd21e401" title="Niet in bron">,</span> Chinezen, Hindoes?&mdash;Zij
-dagteekent ter naauwernood van v&oacute;&oacute;r 200 jaren, en wat
-betreft de tegenwoordige hooge vlugt, de buitengewone vooruitgang, die
-in alle takken van nijverheid wordt waargenomen&mdash;het heldere
-licht, verspreid door de ontdekkingen, op het gebied der natuurlijke
-wetenschappen gemaakt, waardoor het leven en het verkeer der volken
-eene gansch andere, nieuwe, vroeger niet mogelijk geachte gedaante
-heeft verkregen, eene vlugt die nog dagelijks als met arendsvleugelen
-hooger stijgt,&mdash;deze dagteekent nog niet van v&oacute;&oacute;r
-<i>een</i> honderd jaren! En op welken trap van intellectuele en
-industri&euml;le beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de
-voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms?</p>
-<p class="par">De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag
-als een dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf
-&agrave; twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling
-<span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
-"pb14">14</a>]</span>des geestes; het geloof aan de openbaringen des
-bijbels, aan de onfeilbaarheid der kerkelijke orakelspreuken, verstikte
-alle zelfstandigheid van denken, we&ecirc;rstreefde elk onderzoek der
-natuur en stelde <i>wonderen</i> in de plaats der natuurwet, verbreidde
-<i>duisternis</i>, waar het licht had moeten aanbrengen. Ge zult mij
-toch wel niet tegenspreken, dat de oude Grieken en Romeinen, lang
-v&oacute;&oacute;r de geboorte van Christus, een veel hoogeren graad
-van beschaving bezaten, dan den Christenvolken gedurende de
-middeleeuwen eigen was?&mdash;En wee! die zeldzame mannen, die het
-durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te willen
-werpen! Was aan Galile&iuml; het treurige lot niet beschoren nog in de
-17<sup>de</sup> eeuw door de priesters van Christus als ketter te
-worden vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en
-verdedigde, welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,&mdash;moest
-hij niet, nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te
-gelooven, dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het
-midden 18<sup>de</sup> eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters
-verbrand, heksen op de pijnbank der inquisitie gefolterd
-werden?&mdash;ja, wat zeg ik, heeft men niet nog v&oacute;&oacute;r
-korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw, gezien dat deze
-priesters &bdquo;van <span class="sc">Christus</span>,&rdquo; gelijk
-zij zich noemen, van Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid
-predikte&mdash;den <i>vloek</i>, den banvloek! uitspraken en menschen,
-die den bijbel hadden gelezen, tot de galeien doemden?&mdash;Ik wil
-hopen, dat Jesus niet andermaal zal geboren worden; want <i>indien</i>
-dit geschiedde en hij optrad tegen deze priesters, die zich naar zijnen
-naam noemen&mdash;en zeker zou hij zulks doen, gelijk hij reeds eenmaal
-te velde trok tegen de huichelarij der Joodsche priesters, der
-Pharize&euml;n&mdash;dan zouden zij hem als een valschen Messias
-aanklagen, veroordeelen, en ten <i>tweeden male</i> kruisigen!
-<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name=
-"pb15">15</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is zeer wel mogelijk.
-Ge weet, dat ik, wel is waar, in het Katholieke geloof ben opgevoed,
-echter geenszins behoor tot de vereerders der hierarchie, sedert ik
-zelfstandig heb leeren denken. Gij spreekt van de gruwelen door het
-Pausdom veroorzaakt, van de huichelende priesterschaar, die heerschen
-wil en gaarne in <i>troebel</i> water vischt; maar al hetgeen door u is
-aangevoerd strekt eigenlijk toch slechts ter verheerlijking van het
-Christendom! Want ge zult toch met mij bekennen, dat het licht der
-gezuiverde Christelijke leer, sedert den tijd dat Luther in 1520 de
-Pausselijke bul verbrandde, op eene zegevierende wijze al deze nevelen
-voor zich uit heeft gedreven en thans een groot gedeelte der oude en
-nieuwe wereld met zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en
-weldadige warmte kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en
-krachtdadigste ontwikkeling zijn gekomen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Broeder <span class=
-"sc">Nacht</span>, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde
-gevolgtrekking. Het <i>Christendom</i> heeft niets gemeens met dezen
-bloei der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen
-ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in
-zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding en
-aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het navorschen
-van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en bovenal
-voorschrijft te gelooven aan <i>wonderen</i>, vast te gelooven aan het
-onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met alle
-ervaring, met alle bekende wetten der natuur.&mdash;Het is waar, de
-zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig, moet
-hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het kwade te
-onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt medelijden
-jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is de
-menschelijke <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name=
-"pb16">16</a>]</span>natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan,
-en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in de
-laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industri&euml;le
-leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd aan
-de <i>natuurlijke wetenschappen</i>, aan de geniale en grondige studie
-der natuurwetten en der <i>werken</i> van den verheven
-Schepper,&mdash;aan de steeds in zekerheid toenemende kennis van
-hetgeen wij daar boven aan den hemel, hier beneden op de aarde
-ontwaren, en is bovenal in ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen,
-gedaan op het gebied der geologie, der sterre- en scheikunde, der
-physica en physiologie; hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den
-dag gebragt en alom verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof
-steeds binnen engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de
-Christelijke priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel
-gevoeld en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting
-der hierarchie tot op den tijd van Galile&iuml; en van Galile&iuml; tot
-op den huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken,
-de vatbaarheid daarvoor&mdash;door <i>hunne</i> wijze van
-onderrigt&mdash;in het <i>kinderlijk</i> gemoed te verstikken, den
-natuuronderzoeker in zijne navorschingen te breidelen of hem er om te
-vervolgen; want <i>de natuurkundigen</i> zijn het, die vijandig tegen
-hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke de priesterrok rondom
-zich werpt, door een steeds grooter wordend tal van lichtstralen in
-helderen dag dreigen te herscheppen. Zij, de obscuranten, leven en
-bewegen zich met welbehagen alleen in die met nevelen der onwetendheid
-bezwangerde lucht, waarin geen ander licht kan doordringen dan hetgeen
-door wonderen en bijgeloof, als door beschilderde vensterglazen, is
-verdonkerd en gebroken. Het is de pligt van den natuuronderzoeker
-tegenover hun geloof aan wonderen de natuurwet&mdash;de duidelijke
-<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name=
-"pb17">17</a>]</span>verklaring&mdash;te stellen. Hij zou met zich
-zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei-
-of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien <i>hij</i> aan
-wonderen geloofde, indien hij in staat was zijn eerste
-axioma&mdash;<i>zijn</i> evangelie: de eeuwige onveranderlijkheid en
-regelmatigheid der natuurwetten, te verloochenen. Alle wetenschap houdt
-op, zoodra de mogelijkheid van het tegendeel wordt aangenomen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar dewijl gij toch met
-mij gelooft, dat God almagtig is,&mdash;waarom zou hij dan niet
-&eacute;&eacute;ne enkele maal de werking van eenige zijner
-natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een
-tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren
-zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te
-maken?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Beste broeder, vergeef het
-mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn mond niet uitspreken, kan mijn
-verstand niet bevatten.</p>
-<p class="par">Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27
-zoogenaamde kleine planeten of astero&iuml;den in kringen om de zon
-wentelen en die gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De
-zon zelve is slechts <i>een</i> van de duizende, insgelijks veel
-grootere zonnen, die&mdash;ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde
-vaste sterren zigtbaar&mdash;aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch
-niet aannemen, dat van al die duizende zonnen slechts om deze
-&eacute;&eacute;ne&mdash;om de onze, die niet tot de grootsten
-behoort&mdash;planeten zich wentelen, en nog veel minder, dat onder al
-die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere zonnen
-behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen, met
-geest- en denkvermogen begaafd?&mdash;Zou het niet hoogst ongerijmd
-zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten en
-trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn <span class=
-"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>geroepen
-om den wille der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven
-en dat deze schaar van zoo onvolkomene wezens,&mdash;gelijk de menschen
-inderdaad zijn, die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich
-op niets met zoo veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te
-vermoorden, te kwellen en te plunderen,&mdash;dat zij in het oog van
-den Schepper des heelals zoo hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille
-van hen en om <i>hen all&eacute;&eacute;n</i> die verbazende menigte
-veel grootere hemelligchamen heeft geschapen, welke wij in de
-onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden ontdekken, tot waar
-ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij moeten derhalve
-noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat ook op al deze
-andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke, welke geschikt
-zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond) levende, met
-verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten dat zij welligt
-eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij.</p>
-<p class="par">En wat heeft God nu gedaan, volgens de Christelijke
-geloofsleer?&mdash;Nadat de menschen reeds gedurende vijf duizend jaren
-of iets langer op de aarde hadden voortgestrompeld,&mdash;gedurende
-welk tijdperk reeds vele rijken ontstaan en weder te gronde waren
-gegaan, nati&euml;n op het schouwtooneel der wereld waren getreden en
-het hadden verlaten, waarbij veel bloed vergoten, veel gruwzaamheid
-gepleegd, vele zonden waren bedreven,&mdash;zag de Schepper ten laatste
-in, dat het zoo niet langer gaan kon; hij begreep eindelijk, dat hij
-zijn werk (den mensch) niet doelmatig genoeg had ingerigt en dat dit
-werk noodzakelijkerwijze eenige reparatien en verbeteringen moest
-ondergaan. &bdquo;Hij had of schiep een zoon&rdquo; en zond dezen op de
-aarde om het menschdom deugd en liefde tot den naaste te prediken en te
-doen beoefenen, hetgeen <span class="pagenum">[<a id="pb19" href=
-"#pb19" name="pb19">19</a>]</span>hij dan ook met zulk uitstekend
-gevolg in praktijk bragte, dat de dankbare tijdgenooten hem daarvoor
-bespotteden, hoonden, beschuldigden, ja, eindelijk tot den
-martelaarsdood veroordeelden en aan het kruishout nagelden!&mdash;Maar
-nu was God met zijne schepselen verzoend; nu mogten zij zondigen naar
-hartelust en zoolang zij verkozen, of nog zullen verkiezen, mits zij er
-te eeniger tijd slechts berouw over gevoelen, dan kunnen zij de
-zaligheid toch nog deelachtig worden; want heeft hij niet zijn eigen
-zoon&mdash;het <i>lam</i><a class="noteref" id="xd21e509src" href=
-"#xd21e509" name="xd21e509src">5</a> Gods&mdash;tot verzoening voor de
-zonde der menschen gegeven en hem&mdash;<i>aan wien</i>&mdash;daarvoor
-ten offer gebragt?&mdash;: <i>aan zich zelven</i>.</p>
-<p class="par">Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der
-hemelen komen, en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat
-de overige 705 millioen menschen betreft&mdash;Joden, Mohammedanen en
-zoogenaamde Heidenen,&mdash;die behalve de zoo even genoemden op de
-aarde wonen, hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in
-Jezus bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen
-Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters
-(die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke magt
-van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer &bdquo;der
-alleen zaligmakende heilige kerk,&rdquo; geen haar breed beter gesteld
-dan met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen
-bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen
-(Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke
-zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.&mdash;En wat
-zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden van
-planeten en zonnen, welke in het heelal <span class="pagenum">[<a id=
-"pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>zweven en zich in
-elliptische banen bewegen?&mdash;dat kan niemand bepalen, indien zij,
-namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn
-gevormd dan wij&mdash;of indien zij geene Christenen zijn,&mdash;indien
-de zoon Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,&mdash;niet den
-oneindig langen togt door het heelal heeft ondernomen,&mdash;indien hij
-niet van trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen
-naar melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk
-zijns vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te
-herstellen en te verbeteren!&mdash;Waarachtig, broeder <span class=
-"sc">Nacht</span>, wat zou ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat
-hebben van den alwijzen Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen
-kon gelooven,&mdash;indien ik zoo iets dacht van den oneindigen,
-eeuwigen Maker van het heelal, die <i>niets</i> onvolkomen heeft
-daargesteld, die het kleinste wormpje, het onbeduidendste plantje en
-hoe veel te meer niet den mensch! van den aanvang af zoodanig heeft
-gevormd, dat, door de krachten waarmede Hij hem heeft begiftigd en die
-Hij aan eeuwig onveranderlijke, onverbreekbare wetten onderwierp, alles
-wat leeft en zich beweegt en door zijnen adem wordt bezield, door zich
-zelven en uit zich zelven zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke
-bestemming onfeilbaar te gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de
-wetten, de eenmaal in het leven geroepen krachten, herstelling of
-verbetering behoeven.&mdash;En, aangenomen dat zulks denkbaar, dat
-zulks mogelijk was, dan vraag ik u: wat heeft dan dat buitengewone
-gezantschap van God op aarde uitgerigt? Wat heeft het
-geholpen?&mdash;zoudt ge durven beweren, dat de menschen sedert dien
-tijd beter en gelukkiger zijn geworden?</p>
-<p class="par"><i>Wend uwe blikken om u heen</i>, sla Europa gade! Wat
-ziet ge? Ellende, armoede, hongersnood, gevangenissen en <span class=
-"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>andere
-dergelijke strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel,
-die onder de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt
-gedreven; diefstal, moord,&mdash;ontevredenheid door de volken gevoed
-jegens hunne regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers
-voor hunne volken,&mdash;oorlog!&mdash;schepen en vestingen laat men in
-de lucht springen en duizenden van menschen vallen in &eacute;&eacute;n
-enkelen oogenblik als een offer des doods; hier ontwaart gij
-wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen de onderscheidene
-Christensekten, ginds aanmatiging der priesters, kuiperijen der
-Jesu&iuml;ten; van godsdienst vindt gij <i>buiten</i> de kerken zelfs
-geen spoor, <i>in</i> de kerken veel huichelarij en
-schijnheiligheid.</p>
-<p class="par"><i>Werp uwe blikken achter u.</i> Daar ontwaart gij een
-vreesselijk schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De
-aanbidders der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan;
-bloedig vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels
-besluiten het, waarop Christenen <i>Christenen</i>&mdash;tot vreugde
-<i>van</i> Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het
-ijzingwekkende cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en
-bloedige kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald.
-Langzaam ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij
-niets dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der
-middeleeuwen, zoo vol gruwelen;&mdash;te vergeefs tracht gij eenig
-schemerlicht van geestesleven te ontdekken;&mdash;dikke wolken
-verduisteren den hemel, zij rusten op de aarde, het schrikbewind der
-hierarchie bespiedt der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan
-den oogenblik van zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden
-gekluisterd;&mdash;het vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder
-alle volken van Europa en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens,
-<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name=
-"pb22">22</a>]</span>die in hen sluimeren, wordt zorgvuldig
-onderdrukt;&mdash;rijke kloosters zweven bij duizenden aan uwe blikken
-voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in het zweet zijns
-aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne poorten neder, en,
-onder de bescherming des kruises, worden zij door weelderige monniken
-en nonnen verbrasd;&mdash;processi&euml;n trekken voorbij met
-reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer wordt
-bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen kan, de
-knie&euml;n ootmoedig buigt;&mdash;hier hoort gij het aflaatgeld,
-betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven,
-in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de
-stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch
-ge&euml;xcommuniceerd of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk
-drukt; zelfs de lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot
-der aarde worden toevertrouwd;&mdash;maar eensklaps wordt de
-stikdonkere duisternis door een helder licht vervangen, de hooge hemel
-is met een rooden gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich
-boven den horizon, <i>Auto da F&eacute;&rsquo;s</i> worden gehouden!
-en&mdash;een en dertig duizend menschen, beschuldigd of slechts
-verdacht van af te zijn geweken van het eenig ware geloof der
-Pausselijke kerk, worden de een na den anderen, somtijds een half
-dozijn te gelijk, <i>levend voor uwe oogen verbrand</i>!&mdash;Welk
-somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd, en welke jammertoonen
-treffen van daar uw oor?&mdash;Het zijn de kerkers, casa santa, der
-inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren, die het voorvaderlijk
-geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen doen rammelen;&mdash;uit
-gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van onschuldige heksen op,
-die door de priesters van Christus verdacht zijn geworden, dat zij met
-booze geesten in betrekking stonden; zij worden <span class=
-"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name=
-"pb23">23</a>]</span>gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu
-hun gekerm, dat te vergeefs om &bdquo;erbarming&rdquo; smeekt, uw oor
-doorklieft en uw hart doet bloeden!&mdash;en zie hier&mdash;een schavot
-is opgerigt en ge ontwaart zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd
-van getwijfeld te hebben aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de
-hand der &bdquo;heilige Christelijke beulsknechten&rdquo; <i>levend
-worden geradbraakt</i>!&mdash;Het panorama ontrolt zich verder; zal het
-dan nimmer eenige verblijdende, eenige lichttooneelen
-opleveren?&mdash;Een koene monnik staat daar te Wittenberg; hij heeft
-zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk aangeplakt en
-werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter vervloekt en in
-den ban doet, in het flikkerende vuur;&mdash;maar dit vuur verbreidt
-zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en dorpen staan
-in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, <i>dertig jaren lang</i>,
-in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!&mdash;De heerschzucht van
-Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen
-anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en
-bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het
-licht der Hervorming;&mdash;de schoonste gewesten van Duitschland
-worden verwoest, ontvolkt;&mdash;in de Nederlanden neemt een Hertog van
-Alba het ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000
-bewoners vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd
-gedurende den Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met
-afgrijzen; <i>uwe</i> haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome
-staat de &bdquo;Stedehouder van Christus&rdquo;; <i>hij</i> viert een
-plegtig Te Deum en schrijft een jubileum uit voor den welgelukten moord
-van 35000 Hugenooten!&mdash;Maar nog is de schilderij vol
-jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt eindeloos te zijn en
-ontplooit <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name=
-"pb24">24</a>]</span>zich voortdurend verder en verder voor uwe
-blikken;&mdash;in Spanje zet het &bdquo;heilig officie&rdquo; zijn
-woeden voort;&mdash;in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken
-en aldaar worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk
-geloof (dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt,
-verbrand!</p>
-<p class="par">Eindelijk,&mdash;eindelijk schijnt het eenigzins
-rustiger, lichter te willen worden op het tooneel waar &rsquo;t
-Christelijk treurspel wordt vertoond. In de plaats van het blind
-<i>gelooven</i> begint een meer bevruchtend <i>weten</i> te treden, en
-de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden allengs
-zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het geval was,
-geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;&mdash;ja, in
-plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te
-ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur
-daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen&mdash;voor
-het papendom ware <i>ban</i>stralen&mdash;meer en meer naar alle zijden
-heen; de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder
-vooruit gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de
-hierarchie zich zoo gaarne bediende tot &bdquo;bekeering <i>of</i>
-uitroeijing&rdquo; van degenen, die zij &bdquo;ketters&rdquo; noemde,
-&rsquo;t geen meestal slechts geschiedde uit gouddorst, uit heersch- of
-hebzucht, wordt met elken dag meer en meer onmogelijk;&mdash;maar in
-plaats van hel en vagevuur, in plaats van interdikt, vergift, dolk,
-kerker, <span class="corr" id="xd21e589" title=
-"Bron: pijnpank">pijnbank</span>, galg, rad en brandstapel sluipen nu
-<i>Jezu&iuml;ten</i> rond, <i>Jezu&iuml;ten!</i>&mdash;die overal en
-nergens zijn, die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de
-lucht vliegen, dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond
-heenwroeten, maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig
-zijn om het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden,
-zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne <span class="sc">BRON</span>
-<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name=
-"pb25">25</a>]</span>te verstoppen, het kinderlijk gemoed zoodanig te
-verstompen, dat het de vatbaarheid verliest voor de indrukken van
-waarheid en licht, den geest in de <i>kiem</i> te
-verstikken:&mdash;<i>zich het onderrigt der jeugd in de handen te
-spelen!</i>&mdash;Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag
-geheel en al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die
-den <i>naam</i> er van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen,
-zwart als de raven, die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn
-achtergebleven; want Jezu&iuml;ten in grondstellingen en daden zijn zij
-<i>allen</i>, <span class="sc">ALLEN</span>, die trouw hebben gezworen
-aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong zijne woorden te
-herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde.</p>
-<p class="par">Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het
-voor uwe blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich
-allengs ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar
-1853 de verzuchtingen nog hooren van twee &bdquo;ketters&rdquo;, die
-door de inquisitie tot levenslange kerkering waren gedoemd!</p>
-<p class="par">Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke
-geloofsleer tot heden slechts onwetendheid en bijgeloof heeft
-bevorderd, slechts misleiding des geestes, tot heersch- en hebzuchtige
-doeleinden, heeft begunstigd, niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat,
-oorlog en vervolgingzucht, met alle gruwelen, waartoe hardvochtige
-priesters in staat zijn, heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk
-sedert een of anderhalf honderd jaar in den nacht van waangeloof en
-bedrog&mdash;doch in verre na nog niet algemeen genoeg&mdash;is
-begonnen te gloren, zijn oorsprong is verschuldigd aan de beoefening
-der <i>natuurlijke wetenschappen</i>.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij hebt in uwe rede
-bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke kerk gedoeld....</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Eenvoudig hierom: de
-gevolgen, welke uit het <span class="pagenum">[<a id="pb26" href=
-"#pb26" name="pb26">26</a>]</span>geloof aan wonderen voortspruiten,
-laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen; daarenboven bevat zij in
-haren schoot de groote meerderheid der Christenen, want met inbegrip
-der Grieksch-Katholieken telt zij, volgens de laatste berekeningen, 185
-millioen zielen, en de gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen
-slechts ongeveer 60 millioen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar gij zijt toch niet
-onbillijk genoeg om de misbruiken en gruwelen, die gij hebt opgesomd,
-aan de Christelijke leer te willen wijten; gij zult toch de schuld van
-al de jammeren, welke eene sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht
-over de Christenwereld heeft uitgestort, niet op <i>Hem</i> willen
-werpen, die de zuiverste menschenliefde predikte, die om onzentwille
-den marteldood aan het kruishout stierf,&mdash;namelijk, op Jezus
-Christus van Nazareth?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Verre van daar. <i>Hij</i>
-was ontwijfelbaar een best mensch en zijn <i>handel</i> en
-<i>wandel</i> was overeenkomstig met de voorschriften zijner leer.
-Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door zijne
-aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de
-wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin
-gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met
-het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als
-&bdquo;regtstreeksche hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon,
-opstanding uit den doode ten derden dage, hemelvaart&rdquo; en andere
-wonderen, door nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd,
-wij zouden welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove
-verbastering des Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de
-aanbidding van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele
-secten, van de vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de
-Christelijke leer het geloof aan <i>wonderen</i>, aan het onmogelijke
-en onnatuurlijke op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met
-<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name=
-"pb27">27</a>]</span>een wonder en wel het allergrootste wonder begint,
-waarop het gansche gebouw steunt en rust&mdash;de &bdquo;bevruchting
-door een heiligen geest&rdquo; en de geboorte eener &bdquo;Godheid uit
-eene sterfelijke vrouw&rdquo;,&mdash;zoo kan het Christendom, gelijk
-wij het hier voor ons zien, aan de menschheid <i>nimmer</i> geluk of
-vrede aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de <i>eerste</i>
-grondslag, waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan
-<i>&eacute;&eacute;n</i> wonder, dan kunt gij even gemakkelijk honderd,
-ja, honderd duizend wonderen als mogelijk aannemen, dan is niets meer
-onmogelijk. Het eene wonder brengt het andere voort. Ieder geloovige
-kiest uit de massa <i>dat</i> wonder of dogma tot zijn palladium,
-hetwelk hij het meest gepast acht voor zijne bijzondere behoeften, of
-dat het meest overeenkomt met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar
-dit is eene ware bron van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in
-<i>verschillende</i>, van elkander afwijkende meeningen en dit is de
-eigenlijke oorzaak van de <i>verdeeling der Kerk in verschillende
-sekten</i>. Het duurt vervolgens niet lang of <i>sektegeest</i> wordt
-in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid, welke allengs ontaardt in
-haat, nijd en vervolgingszucht.</p>
-<p class="par">Dewijl toch een <i>wonder</i> geene waarheid is en voor
-de juistheid van een blind <i>gelooven</i> geen bewijs kan worden
-gegeven, missen de aanhangers der godsdienstige secten (belijdenissen)
-die kalme, rustige gelatenheid des geestes, welke alleen kan geboren
-worden uit de <i>overtuiging</i> van de waarheid, uit een helder
-<i>inzigt</i> in de natuurwet. Bewijzen, welke mystieke godgeleerden
-willen ontleenen uit zoogenaamde &bdquo;openbaringen en goddelijke
-ingevingen&rdquo;, welke mannen uit den Joodschen volksstam voor meer
-dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in de zoogenaamde
-&bdquo;heilige schriften&rdquo; moeten geboekstaafd zijn, deze zal geen
-natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn in lijnregte
-<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name=
-"pb28">28</a>]</span>tegenspraak met alles, dat in de groote schepping
-Gods leeft en zich beweegt. In de <i>natuur</i> alleen openbaart God
-zich aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in
-staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij, tot
-een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen eindelijk
-tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen krenkt de
-ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo gaarne als
-onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is, komt
-laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere den
-spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat
-zij,&mdash;in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne
-leer is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk
-te koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch
-die <i>zij</i> uit het oog hebben verloren,&mdash;dat zij zich steeds
-verder van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen
-elkander voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te
-<i>dwingen</i>, ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800
-jaren is d&aacute;&aacute;r om zulks te bewijzen, en nog op den
-huidigen dag kan men daarvan de treurigste ondervinding opdoen. Het
-geloof aan wonderen werd gezaaid, en het onkruid schoot op als eene
-duizendhoofdige hydra, waarvan elke afgehouwen kop telkens op nieuw
-door een anderen wordt vervangen. Maar zelfs dan, wanneer de
-Christelijke leer van al dat onkruid,&mdash;het geloof aan wonderen,
-aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken des bijbels, en
-andere dergelijke zaken,&mdash;werd gezuiverd, wanneer al de nadeelige
-vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het nog voortdurend
-tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden verbannen,
-weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der Christelijke
-leer, hare schoone, verhevene, <span class="pagenum">[<a id="pb29"
-href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>hare lichtzijde,&mdash;ik heb
-hierbij het oog op hare zedeleer&mdash;van menige overdrijving ontdaan
-worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in de
-kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords, in het
-maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij spreekt toch niet in
-ernst? O! ongeloovige <span class="sc">Dag</span>; zoudt gij het wagen,
-zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het overige gedeelte
-van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong verraadt, namelijk,
-zijne voorschriften omtrent de <i>menschenliefde</i>, de liefde tot den
-naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken of het als
-onverdedigbaar willen doen voorkomen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zoo iets komt niet, ja, kan
-niet in mij opkomen. De liefde tot onze natuurgenooten, het
-sympathetische gevoel, dat zich voor het geluk of ongeluk van anderen
-van ons meester maakt, het medelijden, hetwelk wij ondervinden met
-behoeftigen en lijdenden, de zucht die zulks bij ons doet ontwaken om
-te helpen en wel te doen, ik koester daarvoor de grootste vereering, ik
-beschouw zulks als de schoonste bloem in den tuin van ons gemoed
-geplant, die meer en meer aangekweekt, uitgebreid en op alle mogelijke
-wijze verdient te worden veredeld. Ik zal u echter bewijzen, dat de
-menschenliefde, gelijk <span class="sc">Jezus</span> die
-leerde<a class="noteref" id="xd21e731src" href="#xd21e731" name=
-"xd21e731src">6</a> in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij
-anderen alles, zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan
-worden gebragt, dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de
-persoonlijke regten, de waarde van het eigene ik, er door worden
-miskend. <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
-"pb30">30</a>]</span></p>
-<p class="par">De bijbel leert: &bdquo;Hebt uwen naaste lief gelijk u
-zelven.&rdquo; Dat doet niemand en kan niemand doen, dewijl het
-volstrekt onmogelijk is. De aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt
-ieder om <i>zich zelven iets meer</i> lief te hebben dan anderen. Om
-die reden behoorde het voorschrift aldus vervat te zijn: indien
-hongersnood u en anderen aangrijnst en gij kunt u voedsel verschaffen,
-nuttig er dan zoo veel van als noodig is om niet van honger te sterven;
-blijft er dan nog iets over, geef dit aan de anderen en behoudt het
-niet voor u zelven; spaar het uwe niet, <i>wanneer anderen gebrek
-hebben</i>; help anderen, wanneer gij u zelven niet in gevaar stelt er
-door om te komen.</p>
-<p class="par">Er staat geschreven: &bdquo;Hebt uwe vijanden lief,
-zegent ze, die u vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor
-hen, die u geweld doen en u vervolgen.&rdquo; Dat klinkt alles zeer
-verheven, goddelijk, en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar
-niet dan engelen wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet
-verbrand of gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de
-maatschappij, waarin wij leven, op te volgen.&mdash;Zij, die zich
-priesters &bdquo;van <span class="sc">Christus</span>&rdquo; noemen,
-van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg in 1854,
-hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt
-meesterlijke wijze <i>vervloekt</i>, geradbraakt en verbrand. De hemel
-behoede mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet
-vertrapt, niet naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als
-grondregel aan: tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd
-heeft gehandeld, beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo
-mogelijk tot vriend te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden
-zien, en houd hem op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort
-aanslagen tegen u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk <span class=
-"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>in
-gevaar gebragt, neem dan de wapenen ter hand en verdelg hem.</p>
-<p class="par">Op eene andere plaats wordt gelezen: &bdquo;Indien
-iemand u op de regterwang slaat, keer hem ook de andere toe.&rdquo;
-Neen zeg ik; indien gij niet voor een dwaas, een lafaard of een gek
-wilt doorgaan, geef hem dan een ferme klap terug.</p>
-<p class="par">De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van
-zinnelijke begeerte, het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij
-<i>zondig</i> noemt; gij zult u losmaken van al wat aardsch is en het
-vleesch verloochenen, opdat &bdquo;uwe onsterfelijke ziel aan God meer
-gelijk worde, tot den Vader in den hemel opklimme en de eeuwige
-zaligheid be&euml;rve.&rdquo;&mdash;God echter heeft den mensch, gelijk
-alle andere levende wezens, <i>tot genot</i> geschapen en alle organen
-en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste doelmatigheid
-zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van spijs en drank,
-maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij dienen, met een
-aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen genieten dagelijks en
-duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige bedoelingen des
-Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn; maar anatomici
-en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen, de wet aan,
-waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.&mdash;De Schepper heeft aan
-het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle andere
-schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog behaagt,
-het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam niet in
-die schoone gedaante, opdat het <i>on</i>opgemerkt zou blijven, de
-organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich van
-alle genot zou <i>onthouden</i>!&mdash;Het is niet <i>mogelijk</i> het
-vleesch te verloochenen. Maar het Christendom <i>eischt</i>
-verloochening, kastijding des vleesches, onderdrukking der zinnelijke
-lusten, eene liefde <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32"
-name="pb32">32</a>]</span>tot zijn naaste als tot zich zelven,
-onbeperkte weldadigheid, mededeeling van hetgeen men bezit aan hen, die
-minder met aardsche goederen gezegend zijn (naar grondstellingen van
-het echte communismus); het schrijft voor zijne vijanden te vergeven,
-voor zijnen beleediger en vervolger te bidden, hen wel te doen, en
-wanneer men op de eene wang geslagen wordt, ook de andere toe te
-keeren,&mdash;al te maal leerstellingen, die men elken zondag met veel
-zalving van den kansel in alle kerken hoort verkondigen, maar die, daar
-buiten, door niemand kunnen betracht en uitgeoefend worden. Welke zijn
-nu de gevolgen, die uit dezen valschen toestand, uit deze
-onevenredigheid tusschen godsdienst<i>leer</i> en de physieke
-mogelijkheid, de <i>betrachting</i> er van, noodzakelijkerwijze
-voortspruiten?&mdash;: <span class="sc">HUICHELARIJ</span>,
-<span class="sc">SCHIJNHEILIGHEID</span>, welke ondeugden bij de
-belijders van niet &eacute;&eacute;n geloofstelsel in zulk eene
-buitengewone mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de
-<i>Christenen</i> het geval is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij,
-huichelarij,&mdash;op zich zelf beschouwd reeds diep te verachten,
-gelijk alle leugen en bedrog&mdash;is een verdoovend, langzaam werkend
-vergift, waardoor de mensch zich in zijn eigen oogen verlaagt, zijn
-karakter bedorven en de grond wordt gelegd tot velerlei kwaad in de
-maatschappij, die daardoor ten deele geheel ontzedelijkt wordt. Al ware
-het slechts om den wille der huichelarij, dat noodzakelijke gevolg van
-het aankleven der Christelijke leer, dit alleen zou mij reeds nopen het
-Christendom, zoo als het thans is, te verwerpen.</p>
-<p class="par">Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken
-der Christelijke volkszeden onder de aandacht breng, welke als het
-gevolg mogen worden beschouwd van den valschen toestand, waarin de
-belijders tegenover deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn
-geplaatst. In vele oorden van <span class="pagenum">[<a id="pb33" href=
-"#pb33" name="pb33">33</a>]</span>ons vaderland is het, zoo als ge
-weet, gebruikelijk in de huisgezinnen <i>een</i> jaar lang over een
-gestorvene rouw te dragen, zich <i>een</i> jaar lang van alle gezellige
-vreugde te onthouden, geen concert bij te wonen, geen schouwburg te
-bezoeken en gedurende dien tijd op geene openbare plaats van vermaak te
-komen. Gij zult mij toch wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat
-men zich gedurende datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen
-de vier muren zijner woning, <i>niet</i> onthoudt van het genot, dat
-men aldaar smaken kan; wat is nu die <i>een</i>jarige rouw anders dan
-eene <i>gehuichelde</i> rouw, eene ceremonieuse pralerij met de smart,
-die men <i>veinst</i> gedurende <i>een geheel jaar</i> te gevoelen, en
-al dien tijd schijnheilig in het openbaar vertoont?&mdash;Zoudt gij
-vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare hut heeft afgestaan en
-ons heden avond verhaalde, dat haar man acht dagen geleden door een
-tijger was opgevreten, geen smart daarover gevoelt, nu zij met haar
-kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld doet zulks haar leed, maar
-zij kent de Christelijke huichelarij nog niet. Ja, wat meer zegt,
-indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i., in het gevoel bestond,
-indien het gemoed z&oacute;&oacute; lang met smart ware vervuld, ik zou
-mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen, zulks te meer
-laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn onverstandig,
-onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het geluk zoo der
-bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij.</p>
-<p class="par">Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij
-gelegenheid van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der
-drie academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar
-behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de
-buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door
-langdurige oefening <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34"
-name="pb34">34</a>]</span>in staat is te bereiken, insgelijks
-zoogenaamde <i>tableaux vivants</i> werden gegeven. De voorstellingen
-waren, wat betreft de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer
-der Grieken en Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen
-ten voorbeeld genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij
-moesten bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij
-werden voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java
-nooit gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen
-van het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en
-houding op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het
-gracieuse behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid
-der vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige
-bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen domin&eacute;, geen professor
-in de theologie en vooral geene <i>dames</i>. Men zei den ondernemer,
-dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en domin&eacute;sgezinde)
-<span class="abbr" title="Leidsche"><abbr title=
-"Leidsche">L...sche</abbr></span> dames den mensch, zoo als
-<span class="ex">God</span> hem levend heeft geschapen, en zoo als de
-beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit marmer beitelden,
-voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden en dat de
-<span class="ex">kleermaker</span> komen en hem
-&bdquo;fatsoenlijk&rdquo; moest maken.&mdash;De kleermaker kwam; de
-bloote tricotkleeding der levende standbeelden werd met lintjes, doeken
-en andere gewaden omhangen en&mdash;wat gebeurt er!&mdash;de oude goden
-en godinnen van Griekenland verschenen, geheel onverwacht, met hoeden,
-mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons, geduchte schorten! en
-omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van iedereen, te L....n op het
-tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier kwam een gedeelte van eene
-naakte knie onder het schort eener Venus te voorschijn en ginds werd
-een vleeschkleurigen schouder onder een opgeslagen tip van den groenen
-sjaal der Psyche zigtbaar.&mdash;&bdquo;Foei, foei!&rdquo; zeiden de
-Christelijke <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name=
-"pb35">35</a>]</span>dames en&mdash;gingen heen. De heeren echter, die
-een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden van Kr....
-vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu <span class="corr" id=
-"xd21e849" title="Bron: ingelijks">insgelijks</span> weg; want zijden
-omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers in elken
-modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en&mdash;de
-ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder <span class=
-"sc">Nacht</span>, dat is het gevolg van uwe Christelijke leer, die u
-voorschrijft den ouden Adam, welke in u is, te <i>desavoueren</i>, het
-zondige vleesch te <i>verloochenen</i> en uwe onsterfelijke ziel niet
-met aardsche lusten te bevlekken, neen, haar voortdurend te louteren en
-tot den smaak <i>van de eeuwige zaligheid</i> te dresseren. Deze leer
-heeft den goeden, <i>aardschen</i> smaak bedorven en de menschen tot
-huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de oogen af te wenden
-van <i>dat</i> beeld, hetwelk God als de schoonste bloem uit het beste
-gedeelte van het paradijs nam en als zijn <i>meesterstuk</i> op deze
-aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants niet wilden
-zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben toch vijf
-zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen slechts
-<i>in het geheim</i>, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner
-kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen, o!
-hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving, hoe
-vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke lust
-veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer zoo als
-de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig op nieuw
-weder aangroeit).</p>
-<p class="par">Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan
-alle menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten
-aanbevelen: welk kwaad moet in de <i>Christen</i>-maatschappij als de
-oorzaak worden beschouwd van die <span class="ex">kindermoorden</span>,
-<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name=
-"pb36">36</a>]</span>die zich in ons vaderland op zulk eene
-schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks, jaar in jaar uit, de
-treurigste berigten daarvan in de couranten worden
-medegedeeld?!&mdash;Hebt gij gedurende het verloop van meer dan een
-tiental jaren wel van een enkelen <i>kinder</i>moord! onder de Javanen
-(die geen Christenen zijn) hooren spreken?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is inderdaad zoo als
-gij zegt.&mdash;Wat nu het overige betreft, uwe aantijgingen tegen het
-Christendom zijn zeer talrijk en in verscheidene opzigten, ik moet
-zulks bekennen, maar al te gegrond; anderen zal ik later, zoo ik hoop,
-bondig wederleggen. Voorshands zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover
-uwe beschuldigingen nogmaals die groote waarheid te stellen, die ik
-reeds vroeger heb aangevoerd, en waarvan de kracht nog in geenen deele
-door u is ontzenuwd. Wij zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van
-vervlogen eeuwen, maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat
-ons de mate van beschaving, welke bij de Christennati&euml;n
-<i>thans</i> wordt opgemerkt, vergelijken met die, welke andere volken
-des aardbols in dat opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten
-duidelijkste blijken, dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap
-van beschaving staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de
-dwalingen en misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in
-lateren tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots,
-buitengewoon <i>verheffends</i> moet gelegen zijn!&mdash;Het is waar,
-gij hebt dat vroeger tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende
-wijze aan te toonen welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden
-hebben te weeg gebragt, en zoo lang gij <i>daartoe</i> niet in staat
-zijt, moet ik het Christendom, in spijt van al de beschuldigingen,
-welke gij er op hebt geworpen, blijven beschouwen als den grondslag,
-als de bron, waaruit de hoogere Europesche beschaving is voortgevloeid.
-Gij zult <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name=
-"pb37">37</a>]</span>toch wel toestemmen, dat het thans <i>juist de
-Christelijke</i> nati&euml;n zijn, die zich door hare beschaving het
-meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de <span class=
-"ex">eenigen</span> zijn, die door hunne intellectuele,
-industri&euml;le en politieke ontwikkeling boven alle andere volken
-uitblinken en alle anderen de wet voorschrijven?!&mdash;<i>Dat</i> is
-toch een onloochenbaar feit!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ongetwijfeld. Maar de
-grondslag daarvan ligt <i>niet</i> in het Christendom. In tegendeel; ik
-heb reeds vroeger met een woord gezegd, dat het Christendom, verre van
-zulks te bevorderen, daaraan de hand te leenen, zulks te bespoedigen,
-die hoogere ontwikkeling heeft <i>tegengehouden</i> en vertraagd. Wat
-zeg ik, tegengehouden <i>heeft</i>? Neen, het Christendom gelijk het
-thans bestaat,&mdash;en hiermede bedoel ik niet uitsluitend de
-Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle andere Christelijke
-kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne duistere, geheimzinnige
-dogma&rsquo;s van het eene geslacht op het andere overplanten (hoewel
-deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de
-eerstgenoemde),&mdash;het Christendom gaat nog <i>op den huidigen
-dag</i> voort de vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen
-of te stremmen, blijft nog voortdurend de erkenning we&ecirc;rstreven
-der eenvoudigste, maar groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs
-het geval in landen, die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan,
-indien, namelijk, deze waarheden met het overge&euml;rfde, blinde
-geloof of met de woorden des bijbels in strijd zijn. Het zou mij
-gemakkelijk vallen duizenden van voorbeelden, uit den tegenwoordigen
-tijd ontleend, tot staving van mijn gezegde aan te voeren; dit zal wel
-niet noodig zijn, dewijl zij u even goed als mij voor den geest moeten
-staan. De hoogere beschaving der Europesche volkstammen is uit eene
-gansch andere bron voortgevloeid.</p>
-<p class="par">Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras,
-<span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name=
-"pb38">38</a>]</span>waartoe de volken behooren, die den aardbol
-bewonen. Een groot natuuronderzoeker heeft, wel is waar, gezegd, dat
-het niet zeer &bdquo;verblijdend&rdquo; mag worden genoemd te beweren,
-dat het eene ras, ten opzigte van zijne werktuigelijke zamenstelling,
-aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling, boven anderen is
-<i>bevoorregt</i>; ik stem dit in zoo verre toe, als zij allen gelijke
-<i>regten</i> hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw het bewijs
-als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den
-<i>slaven</i>handel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of
-minder volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar
-van de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig
-onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm en
-de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken dragen
-van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het
-hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren&mdash;en
-niet ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europe&euml;rs in dat
-opzigt minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden
-dan de Papoea&rsquo;s, de oorspronkelijke bewoners van Australi&euml;,
-de Amerikaansche wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk
-ooit tot een hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij
-thans hebben bereikt. Alle volken echter, die de leer van het
-Christendom belijden, enkele uitzonderingen hier en daar niet
-medegerekend, <i>behooren tot het Kaukasische menschenras</i>.</p>
-<p class="par">De hooge trap van beschaving, de bloei der
-wetenschappen, de uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van
-nijverheid gegeven, gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles
-moet als een natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken:
-als de <i>eerste</i> komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch
-te warme, noch te koude klimaat des lands, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>dat zij
-bewonen, hetwelk eene jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en
-winter, van lente en herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een
-zeer opwekkenden, verheffenden, bezielenden invloed uit op &rsquo;s
-menschen geest;&mdash;<i>ten tweede</i> de geographische ligging van
-Europa, in welk opzigt het boven andere werelddeelen verre is
-bevoorregt, dewijl het, verdeeld in zoo vele verschillende deelen of
-leden, doorsneden door uitgestrekte binnenzee&euml;n, in het bezit
-zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen, eene veel gunstiger
-gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en scheepvaart als
-eenig ander land ter wereld, en&mdash;<i>ten derde</i> de betere
-physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van
-geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg
-hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en
-zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om tot
-eene veel hoogere intellectuele en industri&euml;le ontwikkeling op te
-klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende
-menschenrassen.&mdash;Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de
-hoogere ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende
-vermeerdering der bevolking, welke laatste weldra in overbevolking
-ontaardde, zoodat de bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van
-onderhoud moesten omzien, de bestaande meer en meer verbeteren, en zich
-eindelijk gedwongen zagen naar andere oorden heen te trekken, kolonien
-of nieuwe rijken aan gene zijde des oceaans te stichten, waar de
-landverhuizers de reeds verkregen beschaving overplantten. Diezelfde
-mate van beschaving zou echter in het moederland reeds veel vroeger
-zijn verkregen geworden, indien het Christendom daarop zijn nadeeligen
-invloed niet had uitgeoefend.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Uwe wijze van beschouwing
-kan ik, in al hare deelen, niet de mijne noemen. Ik wil voor den
-oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name=
-"pb40">40</a>]</span>toegeven, dat het Christendom misvormd, miskend,
-en door duizenden van menschen is misbruikt geworden tot het bereiken
-van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel en al vreemd zijn,
-waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard; maar aan de andere
-zijde moet niet uit het oog worden verloren, dat er door alle eeuwen
-heen duizend anderen werden gevonden, die de leer der menschenliefde in
-al hare zuiverheid hebben betracht. Dit moest natuurlijkerwijze een
-weldadigen invloed uitoefenen op den toestand der maatschappij in het
-algemeen. De vroegere ruwheid van zeden, de barbaarschheid moest
-langzamerhand plaats maken voor zachtere wetten; hierdoor moest het
-gemoed veredeld, de veiligheid van personen en goederen beter
-gewaarborgd en de snelle aanwas der bevolking begunstigd worden, welke
-laatste, gelijk gij vroeger reeds en te regt hebt aangemerkt, steeds
-gepaard gaat met de hoogere vlugt zoowel der industri&euml;le als
-intellectuele ontwikkeling.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeer zeker. Maar ook des te
-grooter waren de verwoestingen door het Christendom op andere tijden en
-in andere oorden aangerigt, terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat
-het allerwege den vooruitgang tegenhield, dewijl het den geest aan
-banden <span class="corr" id="xd21e970" title="Bron: lag">legt</span>.
-In vergelijking van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige
-invloed, uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering,
-ja, hoogst onbeduidend te heeten.&mdash;En deze menschenliefde, deze
-belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk
-van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat
-het menschdom is verschuldigd aan het <i>Christendom</i>? Is zij eene
-deugd, welke slechts <i>Christenen</i> bezitten? Het is waar, luid en
-heerlijk is zij door Jezus van Nazareth ter beoefening
-aangeprezen,&mdash;maar zij bestaat <i>sedert</i> de mensch deze aarde
-bewoont; bij alle volken, bij de belijders der verschillendste
-<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name=
-"pb41">41</a>]</span>godsdiensten, bij Mohammedanen en bij zoogenaamde
-Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken, overal zult gij
-dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een ruwen, ginds in een
-meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan weder onzuiver, ja,
-zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk geheel
-verstikt,&mdash;maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in alle
-deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken, dat de
-beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van niemand
-geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te kennen.
-Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier onder de
-bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen zijn? Het is
-zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant, op aarde wordt
-gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en het kwade, de
-liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds <i>bij de
-schepping des menschen</i> werd de kiem van dit gevoel <i>door den
-Almagtigen zelven in &rsquo;s menschen borst geplant</i>.</p>
-<p class="par">Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk
-het bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig
-weefsel vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen?
-werd hun dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet
-bij hunne schepping toebedeeld?&mdash;in wiens borst echter heeft zich
-het gevoel van menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate
-geopenbaard, dan juist in de borst dier priesters des
-<i>Christendoms</i>, die de leer van Jezus predikten, maar godsdienst-
-en verdelgingsoorlogen aanstookten en honderd duizenden hunner
-medemenschen op de pijnbank folterden, naar galg en rad verwezen of
-levend in de vlammen van den brandstapel wierpen, dewijl&mdash;deze
-honderd duizenden niet blindelings wilden of konden gelooven, hetgeen
-heersch- en hebzucht hadden voorschreven. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> De gruwelen dier dagen
-zijn lang voorbij. Verlies toch het goede niet uit het oog, dat de
-tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet erkennen, dat de
-Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet naar de letter kan
-worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent op het karakter der
-menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?&mdash;Ga eens na welk een
-groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn daargesteld, alwaar
-onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele genootschappen ter
-ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt, als vondelingshuizen,
-armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze Hollandsche
-hofjes,&mdash;in een woord, aan de menigte inrigtingen van
-weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van het
-Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten van
-den boom der Christelijke liefde?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeg dan liever <span class=
-"ex">menschen</span>liefde. Ik geloof echter niet, dat loutere
-menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen van
-weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij melding
-hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware het niet, dat
-de ijzeren <i>noodzakelijkheid</i> allengs luider aan de deur had
-geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking en van
-het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des lands,
-hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen beantwoorden.
-Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio in elk land van
-Europa. Willen de rijken zich <i>zelven</i> niet laten verslinden door
-degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets anders te eten
-geven en hen verzorgen.&mdash;Wat nu betreft de <i>veredeling</i> des
-menschen door de Christelijke zede<i>leer</i>, gij hebt toch even als
-ik in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle
-volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten, Joden
-en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en
-zoogenaamde Heidenen, <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43"
-name="pb43">43</a>]</span>vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks
-hebben bespeurd, dat het <i>geloof</i> dier verschillende volken niet
-den geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en
-<i>handelen</i>; wijders dat onder een gelijk aantal Christenen <i>even
-vele</i> slechte menschen werden gevonden als onder de overigen, ja,
-dat de zedelijk goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer
-dikwijls geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt
-van hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving
-en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de
-anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel van
-hen te behalen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hoedanig ik over uwe
-anti-christelijke beschouwingen oordeel, zal ik u later mededeelen; ik
-wensch zulks uit te stellen, totdat wij onze reis door Java afgelegd en
-vermogende, zoowel als behoeftige inlanders zullen bezocht hebben.
-Alsdan zal ik meer ervaring hebben opgedaan en beter in staat zijn om
-eene vergelijking te maken tusschen de inboorlingen van dit eiland en
-de Christenen in Europa.&mdash;Maar zeg mij eens, indien gij volstrekt
-niet gelooft noch aan wonderen, noch aan eene hoogere openbaring in den
-innerlijken mensch, dan kunt gij immers ook geene bevrediging, geen
-troost vinden in de beloften, vervat in den bijbel waarop, als zijnde
-Gods heilig woord, zoo vele millioenen menschen hunne hoop bouwen
-en&mdash;hoe verklaart gij dan den oorsprong der wereld en de
-verschijnselen in de natuur?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> De bijbel bevat menig
-schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen, waarvan de lezing niet
-slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij is echter zoodanig
-doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat het hoogst gevaarlijk is
-den bijbel als <i>iets anders</i> te beschouwen, dan als een boek,
-geschreven door zwakke, feilbare menschen, of hem te willen doen
-doorgaan als het &bdquo;onmiddellijk woord van God,&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>als eene
-&bdquo;uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen van
-Christus.&rdquo;&mdash;Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied-
-en taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den
-oorsprong van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin
-het is te boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde
-Apostelen zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden
-en derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw
-onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici
-daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar <i>na</i> Christus, in
-den vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers,
-wier namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen,
-welke destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op
-die wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de <i>meest
-onbevooroordeelde</i>, de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn
-het, die tot dit laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog
-<i>lateren tijd</i> werden de verschillende gedeelten en brieven
-bijeengevoegd tot dat geheel, hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe
-Testament te noemen. Het is derhalve niet eens mogelijk, om uit te
-maken <i>of</i> Jezus van Nazareth, al hetgeen in dit Nieuwe Testament
-staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft en of hij het <i>zoo</i>,
-gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken.</p>
-<p class="par">Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men,
-gelijk vele godgeleerden (&bdquo;Christelijke schriftgeleerden en
-pharize&euml;n&rdquo;) doen, indien men groote waarheden der natuur wil
-bestrijden met de woorden van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar
-volksverhalen en zulks in een tijd, toen nog geen Kopernicus en
-Galile&iuml;, nog geen Newton en Francklin geleefd hadden, toen nog
-geene enkele der gewigtige sterrekundige en physiek-chemische
-ontdekkingen was gedaan, <span class="pagenum">[<a id="pb45" href=
-"#pb45" name="pb45">45</a>]</span>waaraan onze eeuw haar licht, hare
-hooge vlugt moet dank wijten,&mdash;in een tijd toen men de magnetische
-kracht, de electriciteit niet kende, niet wist wat de bliksem was; toen
-men nog waande, dat de aarde in het hemelruim stil stond, en men zon,
-maan, benevens alle sterren, nog dagelijks om dezen kleinen aardbol
-liet ronddraaijen!&mdash;Waren de verschillende gedeelten des bijbels
-naar hoogere ingeving ter neder gesteld geworden, dan zou men toch
-billijkerwijze mogen verwachten, dat hier of daar eene natuurkundige
-waarheid, eene <i>juiste</i> verklaring van verschijnselen in de natuur
-er in werd aangetroffen; zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament
-zult gij niet alleen te vergeefs er naar zoeken, maar allerwege het
-tegendeel vinden.</p>
-<p class="par">Er is slechts <i>eene</i> openbaring, en dat is de
-natuur; slechts <i>eene</i> waarheid, namelijk die, welke geput wordt
-uit de grondige studie dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al
-hetgeen in het heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze
-verklaren uit de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren
-kennen en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de
-werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven- en
-ondermaansche verschijnselen, <i>eene</i> enkele
-uitgezonderd:&mdash;het innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de
-geest, die haar bezielt, benevens de millioenen van verschillende
-gestalten, waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en
-te verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel
-ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in
-steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij in
-den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch gelijk
-in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid, alwijsheid
-en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende wezens zijn
-geschapen, is: <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name=
-"pb46">46</a>]</span>genot en geluk. Al moge het mij nu niet gegeven
-zijn dit <i>wezen</i> der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die
-alles onderhoudt, te bevatten,&mdash;ik <i>gevoel</i> zijn aanwezen, ik
-gevoel, dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in
-vereering en in aanbidding noem ik hem&mdash;<span class=
-"ex">God</span>.</p>
-<p class="par">Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen:
-&bdquo;er is geen God dan God&rdquo;, zoo zeg ik: er is geen wonder dan
-<i>Hij</i>. Want terwijl alles bestaat en zich beweegt naar wetten,
-terwijl alles uit wetten kan worden verklaard, waarvan nog nimmer,
-sedert duizenden van jaren, sedert de mensch die wetten navorscht, het
-geringste uit zijne baan is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs
-om <i>Hem</i> te begrijpen, die voor ons verstand onbegrijpelijk is,
-dewijl ook wij een deel uitmaken van hetgeen door hem is
-<i>geschapen</i>. Gij zult mij gereedelijk moeten toestemmen, dat gij
-met al uwe godgeleerde kennis niet meer er van begrijpt dan ik, en dat
-van den anderen kant de goede Javanen er <i>juist even</i> veel van
-weten als wij beide, maar ook niets minder; want ook zij en zelfs die,
-welke niet tot de Mohammedanen behooren of dit slechts in naam zijn,
-gelooven aan God en aan dien naam verbinden zij, even als wij,
-diezelfde eigenschappen van alwijsheid en algoedheid. Dit geloof
-behoort, even als het gevoel van liefde tot den naaste,
-<i>onafscheidbaar tot den mensch</i>; bij zijne schepping werd hem dit
-ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd dit geloof
-luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben het uit <i>geene
-andere</i> bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste, in een woord,
-bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten geest, aan een
-almagtigen Schepper aller dingen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar bij de meeste wilde
-volken is het begrip van God zoo onduidelijk, zoo onbepaald,&mdash;de
-zwakke lichtstraal des geloofs aan een hoogsten geest is bij hen
-<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name=
-"pb47">47</a>]</span>achter zoo vele bijgeloovigheden, vooroordeelen en
-geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware God wordt bij deze
-volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene groote menigte
-ondergeschikte geesten, S&eacute;tan&rsquo;s, Dewa&rsquo;s,
-Begoe&rsquo;s, enz., enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond
-gesteld, als het ware verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog
-slechts een flaauw spoor van te ontdekken is?!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Broeder <span class=
-"sc">Nacht</span>, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan den
-eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,&mdash;te
-midden der allerchristelijkste staten,&mdash;niet veel beter gesteld
-is, dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar
-wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld
-verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem
-welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken; ik
-gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar in
-een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat, waar
-alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan geene
-kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf <i>ook ik</i>
-voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van
-mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de <i>eenige</i> aanhanger er van
-ware.</p>
-<p class="par">Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch
-Mohammedaan, noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-,
-Roomsch- of Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent,
-Puriteinsch, Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, M&auml;hrisch,
-Wederdoopend, Kwakend of Afgescheiden <i>Christen</i>, maar behoor tot
-de hooggewelfde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de
-kerk der <span class="sc"><span class="ex">regtzinnige natuurkundigen,
-die GOD aanbidden</span></span>, die Hem in zijne werken en in de
-krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
-"pb48">48</a>]</span></p>
-<p class="par">Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden,
-waar Hij of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij
-bijna onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche
-kerk. Wat aanschouwt gij daar?&mdash;Op den achtergrond ziet gij een
-kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth; de
-priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge gebaren
-en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem liggen
-biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield; ginds
-worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen aangebeden
-en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch zich nedergezet
-op den troon van God, om (tegen betaling)&mdash;bedreven zonden te
-vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt gij dan?
-Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser, Zaligmaker,
-Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige moeder,
-Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen van de
-kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen u menigmaal
-te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden, heilige biecht,
-aflaat en vagevuur,&mdash;maar van <i>God</i>, den alwijzen, algoeden,
-die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven gaf en
-geeft, van <i>Hem</i> zult gij daar niet veel te zien of te hooren
-krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Batta&euml;rs, Alfoerezen en
-Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan in
-de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de M&#277;sigit&rsquo;s
-op Java, den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen.</p>
-<p class="par">En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze
-goede menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Reeds vroeger heb ik u
-gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks in het Katholieke geloof ben
-opgevoed, maar, even min als gij, mijn gemoed gesloten heb gehouden
-voor beter licht, in <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49"
-name="pb49">49</a>]</span>tegendeel steeds geneigd ben geweest
-deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan te hooren. Daar gij het
-gezuiverde, door de Hervorming gelouterde Christendom reeds vroeger
-hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet spreken en bovendien mijn
-oordeel over de vraag nopens de invoering des Christendoms onder de
-Javanen opschorten tot tijd en wijle dat wij onze reize door Java
-hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan daaromtrent ook zal mogen
-koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik het nimmer zou durven wagen,
-dergelijke beschouwingen als de uwe, omtrent de Christelijke leer en
-kerk, althans niet in <i>Europa</i>, openlijk te verkondigen.&mdash;Zij
-zouden ons in den ban doen, excommuniceren!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Laten zij het doen. Gij
-behoeft niet in hunne kerken te gaan, waar van den waren God toch niet
-veel te vinden is. Van hen behoeft gij geen troost te
-ontvangen.&mdash;Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van waar de zon,
-de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring u te gemoet
-schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt: God, Alwijze,
-Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in de
-bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde
-ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring
-verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het lot,
-dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd; ik heb
-afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb mijnen
-naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel in mijn
-vermogen is,&mdash;dan bezit gij de <i>ware godsdienst</i>, dan hebt
-gij hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten;
-dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder
-opstaan van uwe legerstede, want God is <i>met</i> u. De waarheid, het
-regt, hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk
-maken tegen alle wederpartijders. <span class="pagenum">[<a id="pb50"
-href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hetgeen gij daar zegt,
-heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De vrees echter, die ik koester om
-mij openlijk te verklaren tegen de leerbegrippen der gevestigde kerk,
-kunt gij niet weg redeneren. Ik kan dit niet zoo ligt tillen als gij.
-Hierop zal ik welligt later nogmaals terugkomen. Maar nu wenschte ik
-wel van u te vernemen,&mdash;dewijl gij de invoering van het
-Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt: wat wilt gij dan de
-Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder eenig onderrigt,
-blijven zoo als zij zijn?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Het is beter, dat zij
-blijven, &rsquo;t geen zij zijn, dan dat er Christenen van hen worden
-gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet, om hen te laten blijven, zoo
-als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne denkbeelden mededeel omtrent de
-wijze, waarop de Javanen behooren onderwezen te worden, wil ik nogmaals
-met korte woorden herhalen, hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en
-hetgeen ik ten allen tijde bereid ben uitvoeriger en grondiger te
-bewijzen, namelijk: 1<sup>o</sup>. dat de hoogere trap van
-maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet het gevolg is
-der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel dat het
-Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen heeft
-tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover
-staat;&mdash;2<sup>o</sup>. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van
-de beoefening der <i>natuurlijke wetenschappen</i>, welke langzamerhand
-licht en kennis in den langen nacht van het Christendom verbreidden, en
-dat de hoogere vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de
-oorspronkelijk grootere <i>geschiktheid</i>, welke de volken van het
-Kaukasische ras voor geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen
-hersengestel en in hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen,
-waarbij vooral niet over het hoofd mag worden gezien de opwekkende
-invloed, uitgeoefend door het gematigde luchtgestel en de bij
-<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name=
-"pb51">51</a>]</span>uitnemendheid gunstige geographische
-ligging;&mdash;3<sup>o</sup>. dat het Christendom de menschheid geen
-duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van
-waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan
-wonderen aankweekt;&mdash;4<sup>o</sup>. dat zelfs de lichtzijde van
-het Christendom, de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde
-tot den naaste, de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding
-van aardsch genot&mdash;in die mate als dit wordt geleerd, niet
-betracht kan worden, wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve
-gemeenlijk slechts <i>huichelarij en schijnheiligheid</i> doet
-rijpen;&mdash;5<sup>o</sup>. dat het geloof aan eenen grooten, algoeden
-God alreeds in het gemoed der Javanen levendig is<span class="corr" id=
-"xd21e1208" title="Bron: ,">;</span>&mdash;en 6<sup>o</sup>. dat zij
-menschenliefde bezitten en beoefenen, ja, beter en met zuiverder
-bedoelingen beoefenen dan duizenden dier Christenpriesters in Europa
-gedaan hebben.</p>
-<p class="par">De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve
-geene waarheid leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven,
-dat zij niet reeds bezitten. En nu vraag ik: <i>waarom</i> wilt gij het
-Christendom invoeren onder deze goede, nog onbedorven
-menschen?&mdash;Wilt gij tweedragt onder hen zaaijen, het
-<i>onvermijdelijk</i> gevolg eener godsdienst, welke met het geloof aan
-een <i>wonder</i> aanvangt en met wonderen eindigt; wilt gij
-sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen
-opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het
-onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te
-houden over dogmatische spitsvindigheden?&mdash;Wilt gij hen dan
-volstrekt onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame
-hutten, velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol
-en <span class="corr" id="xd21e1225" title=
-"Verbeterd door de auteur van: Ani ani">G&ograve;lok</span> wegwerpen
-en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen naar
-razende kerkvergaderingen,&mdash;opdat onder dezen zoo gelukkigen,
-Oost-Indischen hemel het eerste <span class="pagenum">[<a id="pb52"
-href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>bedrijf van gindsche
-geschiedenis des Christendoms op nieuw worde aangevangen,&mdash;opdat
-hier op Java dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten
-tooneele worde gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang
-voorbereide bedrijf in Europa nog niet vertoond is geworden?</p>
-<p class="par">Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u
-zelven, niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of,
-wilt gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter
-aankweeking der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen
-reeds meer, bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is;
-leer hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper en
-onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen de
-gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden regen
-doet ne&ecirc;rstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de
-innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur,
-maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit hen
-zelven moet opwellen,&mdash;dat zij de goddelijke kiem, die in hen
-ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren
-(niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als hun
-schoonste erfdeel moeten beschouwen,&mdash;maar, kwel hen niet met
-evangeli&euml;n en dogma&rsquo;s, hoe &eacute;&eacute;n is drie en drie
-is &eacute;&eacute;n, met de leer van gemeenschap en
-transsubstantiatie; verschoon hen van hosti&euml;n, wierookvaten en
-andere dergelijke &bdquo;heilige&rdquo; gereedschappen; voer de biecht,
-de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java (waar het
-buitendien reeds heet genoeg is);&mdash;laat toch den priesterrok weg
-en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil, het
-schrikkelijke&mdash;<i>kruis!</i> niet op hunne vreedzame
-bergen,&mdash;verspreid geene wondersproken, geene bijbels onder
-hen!&mdash;want dergelijk zaad zou onvermijdelijk, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>hetzij
-vroeger of later, een monster doen opwassen, dat zijne woede tegen zich
-zelven zou keeren en u allen zou verslinden.</p>
-<p class="par">Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste
-geruststelling omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging,
-die bij mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn
-zal de Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.&mdash;Het
-verlossingsproces des menschen van de zonden en de verzoening met
-<i>God</i> door het zenden en opofferen &bdquo;van den levenden
-<i>God</i>, zijnen zoon, dien Maria van den Heiligen geest heeft
-ontvangen&rdquo; (!) of, gelijk anderen zeggen van den
-&bdquo;Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest
-door het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken,
-gevoelen, willen en handelen in God,&rdquo; (!) enz., de opstandings-
-en hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en
-dergelijke fraaijigheden meer,&mdash;dit alles hebben de meest ervaren,
-diepzinnigste godgeleerden in Europa nimmer kunnen <i>begrijpen</i>, om
-welke reden zij het juist <i>gelooven</i> (dat is, hun verstand tegen
-wil en dank opdringen) moesten; het eenvoudige gezond verstand der
-Javanen zal het nog veel minder begrijpen; op het vernemen van
-dergelijke leerstellingen, zullen zij elkander verwonderd aanzien en
-het hoofd schudden. Stel voor den oogenblik, dat het u gelukt zij den
-Javanen dit geloof op te dringen, wat zult <i>gij</i> daarmede gewonnen
-hebben?&mdash;Vroeger heb ik de tallooze en schrikbarende onheilen
-opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft berokkend. Het geringste
-van al die onheilen was, dat het de menschen tot schijnheiligen en
-huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java niet blijven. De
-inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in vele deelen en
-residenti&euml;n van het eiland oefenen de Mohammedaansche priesters
-een grooten invloed <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54"
-name="pb54">54</a>]</span>uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een
-<i>gedeelte</i> van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren;
-anderen zouden Mohammedanen blijven&mdash;en daardoor zoudt gij al
-dadelijk en van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile
-zwangere tweedragt gezaaid en de kloof tusschen <i>anders</i>denkenden
-gedolven hebben, die zich allengs verwijdt en met haat gevuld
-wordt,&mdash;daargelaten de kiem van oneenigheid, welke de Christelijke
-leer (gelijk elke leer, die het geloof aan wonderen voorschrijft) in
-zich zelve bevat.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Mag er niet worden
-gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor de gevolgen van de
-invoering van het Christendom, van het geloof aan wonderen, gelijk gij
-het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft tot eenige
-overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze zoo goede, zoo
-zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan om den wille van
-geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden zijn daarom krijg te
-voeren?&mdash;Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en gehoorzaamheid, ja,
-de vredelievendheid in eigen persoon?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Och, broeder <span class=
-"sc">Nacht</span>, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet kent. Gij zult
-het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot wilt blijven
-vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de lagchende
-vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de eenzame
-hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam&rsquo;s en
-Kraton&rsquo;s hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige
-van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat,
-waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van
-Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om hen
-in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en&mdash;geef acht op de
-uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen,
-indien gij, <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name=
-"pb55">55</a>]</span><i>voor</i> wij onze reis door de binnenlanden
-hebben afgelegd, niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen
-zijn. Op gelijke wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen
-arbeid, van het volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander,
-waar omtrent gij reeds op den huidigen dag eene niet onaardige
-ervaring, hoewel nog slechts zeer in het klein, hebt opgedaan!</p>
-<p class="par">Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende
-geschiktheid tot velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor
-alle kunsten en handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij
-beminnen den vrede en de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult
-tevens de vonk, die de hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe
-geringer de zedelijke en intellectuele ontwikkeling van een volk is,
-hoe minder het zich door beschaving boven den oorspronkelijken,
-eenvoudigen natuurstaat heeft verheven, des te gevaarlijker zijn zijne
-hartstogten, <i>wanneer</i> zij ontvlammen. <i>Wacht u
-daarvoor&mdash;zie toe, dat gij den slapenden leeuw niet wekt.</i> Denk
-aan het Amok en de woede, die zich van hen meester maakt, wanneer zij
-later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn bedrogen geworden.
-Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen dergelijk gebak te
-eten, dat even als Koew&eacute; koew&eacute;, met K&#277;tjoeboeng
-aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later
-beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat zij
-vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen zij
-zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u allen
-verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de
-Klok:&mdash;&rdquo;<span lang="de">jedoch das Schrecklichste der
-Schrecken, das ist der <i>Mensch</i> in seinem
-<i>Wahn</i>!</span>&rdquo;.<a class="noteref" id="xd21e1295src" href=
-"#xd21e1295" name="xd21e1295src">7</a> <span class="pagenum">[<a id=
-"pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Nog nimmer heb ik hen
-door drift vervoerd gezien en zou......</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">&bdquo;<i>Toean, toean!&mdash;Lakas, lakas! Matjan,
-matjan!</i>&rdquo;- - - Onder het uiten dezer noodkreten ijlde een
-onzer jongens naar ons toe en deed ons verschrikt opspringen van de
-plaats, waar wij digt bij den rand der kloof op ons gemak lagen te
-praten. Het middernachtsuur was nabij. Achter Sidin kwamen twee andere
-Javanen aanstormen, die met knuppels en een brandend stuk hout woedend
-in het rond zwaaiden. &bdquo;<i>Een tijger, een tijger!&mdash;Holla,
-ho! Val aan, val aan, een tijger!</i>&rdquo;&mdash;Deze noodkreten
-deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik ontwaken en in
-&eacute;&eacute;n oogenblik was alles op de been;&mdash;in de hutten
-hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw
-aan,&mdash;de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden
-zij naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken,
-hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste
-ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar
-onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den
-stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit, die
-hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter, dat hij
-door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op eenigen
-afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van onze kogels,
-die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat hij op den
-grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong en andermaal
-over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op hem, zoodat een
-paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren, het eindelijk
-durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en hem&mdash;door hunne
-pieken zoo diep in zijn lijf <span class="pagenum">[<a id="pb57" href=
-"#pb57" name="pb57">57</a>]</span>te steken, dat hij, als ware het aan
-den grond werd vastgespiest&mdash;voor goed te dooden. Deze pieken
-waren, behalve de hakmessen (G&ograve;lok) en enkele dolken (Kris) de
-eenige wapenen in het gansche dorp.</p>
-<p class="par">De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar
-het dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels
-schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna
-stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij
-bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had
-ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den
-vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons
-nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen
-liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten
-Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het
-inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan de
-klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander zij
-zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen, had
-hen uit den slaap gewekt.</p>
-<p class="par">De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den
-dalwand genaderd en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine
-rigting, al sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar
-haar licht scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te
-kunnen zien, dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag.
-Het was een koningstijger van de grootste soort, stellig even lang,
-maar slanker dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de
-scherp en dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk
-gebit, de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog
-teekende, boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied,
-eene schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken,
-<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name=
-"pb58">58</a>]</span>waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid
-was bezoedeld, niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en
-kinderen scheen de angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode
-dier niet dan op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe
-alleen, voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings
-nader en hield vlak voor den tijger stil.&mdash;Haar lang, zwart haar
-had zich ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste
-vrouwen, die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood
-verschrikt van hare Amb&egrave;n (rustbank) waren opgesprongen. Haar
-bovenlijf was, zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den
-Sarong, welke om de lendenen was geslagen en van daar in breede
-plooijen hare verdere ledematen bedekte.&mdash;De jeugdige weduwe stond
-daar met opgeheven armen, voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt
-hoofd en staarde met fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der
-wildernis, die daar voor haar lag. &bdquo;Dat is de tijger, die mijn
-armen man heeft verscheurd en nu ook mijne geit heeft geroofd!&rdquo;
-riep zij op snerpend luiden, huilenden toon en wierp zich met eene
-soort van gebrul op het doode dier. Zij wroette met beide handen in
-zijne wonden, verwde zich met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg
-hem op de oogen, beet hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen
-bloed op, sprong tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich
-andermaal onder het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op
-den tijger, dien zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde
-hare onstuimige drift zich mede aan de overige vrouwen, de
-&eacute;&eacute;ne verdrong de andere, ja, zelfs de kinderen kwamen
-eindelijk toesnellen om den tijger te schoppen, te slaan, uiteen te
-rukken of althans <i>hunne voeten in des tijgers bloed te baden</i>. De
-mannen hielden zich stiller, bedaarder; maar naauwelijks ontstond er
-eene opening tusschen de vrouwen en kinderen, kwam er eene <span class=
-"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>vrije
-plaats, en kregen zij de gelegenheid om het dier te naderen, dan staken
-zij hunne lange dolken (Kris) tot aan het hecht in zijn
-lijf,&mdash;herhaalden dit met onmiskenbaren wellust zoo vele honderde
-malen en doorsneden en doorboorden den dooden tijger zoodanig, dat hij
-eindelijk eene zeef geleek;&mdash;daar lag nu het Koninklijke roofdier
-uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den dolk in de hand op
-hunne knie&euml;n er nevens; de kinderen baadden hunne voeten in zijn
-bloed&mdash;en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf, met heur
-loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt, dreigend en
-huilend daarbij&mdash;in groepen, waarop het wegstervend licht der maan
-nog eenige laatste stralen wierp.</p>
-<p class="par">Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder <span class=
-"sc">Nacht</span> eenigzins achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij
-Javanen in drift ontstoken gezien en het scheen, dat hij op dezen
-oogenblik grooter vrees koesterde voor deze menschen dan vroeger voor
-den levenden tijger. En toch was deze vrees geheel en al ongegrond;
-<i>wij</i> hadden hen immers volstrekt geen leed gedaan; <i>wij</i>
-hadden hunne rust, hunnen vrede niet gestoord, hun stil geluk niet
-verwoest!&mdash;Langzamerhand scheen hunne wraaklust zich te bekoelen;
-zij hadden uitgewoed en kwamen tot bedaring. De maan ging onder en de
-een na den anderen verliet den kring, keerde naar zijne hut terug,
-waarvan de deur zorgvuldig van binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog
-slechts een paar mannen over, die op hunne knie&euml;n naast den tijger
-lagen en zich oefenden in het gebruik van de Kris. Door woorden en
-gebaren gaf de weduwe ons nu te kennen, dat het haar &bdquo;goed deed
-aan het hart, <i>wraak</i> te hebben kunnen nemen aan den tijger, dat
-wij beste heeren waren, dat zij ons ten zeerste bedankte, want
-<i>wij</i> hadden den tijger ne&ecirc;rgeschoten, wij hadden zegen in
-haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als ons
-eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven <span class=
-"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>als wij
-wenschten, hetgeen haar hoogst aangenaam zou
-zijn.&rdquo;&mdash;&bdquo;Banjak tab&eacute;, toean! Slamat tidor,
-toean!&rdquo; (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!)</p>
-<p class="par">Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken,
-waarbij twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te
-onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine
-Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons
-en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar,
-zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen
-op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten uit
-alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Bal&eacute;
-bal&eacute;), die van nevens elkander gelegde strooken gespleten
-Bamboes vervaardigd was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie
-gevuld, was uitgebrand en slechts het schijnsel der wachtvuren, dat
-door de reten der gevlochten Bamboeswanden binnen drong, verlichtte
-eenigzins het kleine vertrek.</p>
-<p class="par">Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want
-al was de temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70&deg;
-Fahrenheit gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den
-loop des daags aan een veel hoogeren hittegraad,&mdash;van 85 &agrave;
-90&deg; en in den zonneschijn nog veel meer,&mdash;waren blootgesteld
-geweest. Maar onze Koeli&rsquo;s waren niet aangekomen, en nu konden
-wij hen ook niet meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven
-reizen door wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.&mdash;Wij
-vouwden onze reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot
-een hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den S&#277;lendang,
-bedekten ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid
-zijnde, zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap.</p>
-<p class="trailer xd21e1362">(<i>Vervolg hierna.</i>)</p>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name=
-"pb61">61</a>]</span></p>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e329" href="#xd21e329src" name="xd21e329">1</a></span> Een
-Javasche paal heeft eene lengte van 4800 Rijnl. voet (4637,6 voet oude
-Fransche maat) of 1506,0 Ned. el; drie palen worden gewoonlijk op een
-uur gaans gerekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e329src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e332" href="#xd21e332src" name="xd21e332">2</a></span> Overal waar
-in dit door zijne groeikracht zoo weelderige land geen woud wordt
-gevonden, mag men zeker zijn bebouwde velden, of
-Alang-alangwildernissen aan te treffen, die de plaats van voormalige
-akkers hebben vervangen. Dit is de reden waarom een vreemdeling op
-Java, in zeer bebouwde bergachtige streken zich bevindende, het voor
-hem zoo verrassende schouwspel ontwaart van hoogstammige wouden op de
-allersteilste bergwanden en in de diepste kloven te zien&mdash;dewijl
-zij in al de overige, toegankelijke streken van het gebergte geveld
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e332src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e339" href="#xd21e339src" name="xd21e339">3</a></span> De eenige
-benaming, welke de Malei&euml;rs aan de zon geven, is <i>Mata hari</i>:
-oog des daags.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e339src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e351" href="#xd21e351src" name="xd21e351">4</a></span> Een kleine
-nachtvogel (eene soort van Geitemelker).&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e351src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e509" href="#xd21e509src" name="xd21e509">5</a></span> In het
-Maleisch: Anak kambing wolanda.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e509src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e731" href="#xd21e731src" name="xd21e731">6</a></span> Of die men
-Hem in den mond heeft gelegd; niemand toch kan bewijzen, dat hetgeen
-lang na zijn dood, naar luid van <i>volksverhalen</i>, is te boek
-gesteld en ons in het Nieuwe Testament wordt medegedeeld, letterlijk
-<i>zijne</i> leer bevat.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e731src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e1295" href="#xd21e1295src" name="xd21e1295">7</a></span></p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter footnote">
-<p class="line">&rsquo;t Gebrul des leeuws moge elk vervaren, &rsquo;t
-Vliede al des tijgers felle klaauw;</p>
-<p class="line">Maar o! van al wat schrik kan baren, Het schrikkelijkst
-is een toomloos graauw.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par footnote cont xd21e203">(van Lennep.)&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e1295src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pt2" class="div0 part">
-<h2 class="super">VERHALEN EN GESPREKKEN<br>
-UIT DE<br>
-BINNENLANDEN VAN JAVA.</h2>
-<h2 class="label">2.</h2>
-<p class="par first"><i>Ik droomde.</i></p>
-<p class="par">Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk,
-waar geen leek mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in
-Spanje of in een ander land was. Een jonge geestelijke zou de
-priesterlijke wijding ontvangen en, met eene bijzondere zending belast,
-naar een verwijderd land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad
-gedost waren aldaar vereenigd, ter bijwoning van de heilige
-plegtigheid. Verscheidene kardinalen, met de breede hoeden en prachtige
-purperen mantels, zaten in het gestoelte aan de eene zijde der
-hooggewelfde kapel, benevens eene menigte bisschoppen met hunne hooge
-mutsen en van goud blinkende herderstaven en kruisen, en hierop volgde
-eene lange rij priesters van minderen rang. Allen waren in prachtige,
-schitterende gewaden <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62"
-name="pb62">62</a>]</span>gedost. En&mdash;hetgeen ten hoogste mijne
-verwondering wekte&mdash;tegenover hen zat een gelijk aantal
-domin&eacute;&rsquo;s, die met hunne driekante hoeden en zwarte kleedij
-eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange rij vormden. Ik
-en mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> waren de eenige
-oningewijden aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was
-gekomen, dit wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar
-ik was er en stond met mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> in
-een der verwijderde hoeken van de kapel achter een pilaar verborgen.
-Hoog verhieven zich in de beide zijgevels der kapel de spits
-toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen het invallend
-daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den vloer in het
-midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en nissen in een
-tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters ontwaarde men
-allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw, waarop
-verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat en
-stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op eene
-dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest op de
-Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der dooden.
-De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste schilderij
-was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts een kruis verhief
-zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na zijne opstanding uit
-het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij verlaat hij onze aarde,
-keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader, nadat hij zijn
-verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is verheerlijkt,
-zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is, heeft hij
-overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht, welke hij
-doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de aarde, staren
-hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking na.
-<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name=
-"pb63">63</a>]</span>Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en
-tusschen gulden wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels,
-de plaats der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van
-heilige engelen hem begeleiden.</p>
-<p class="par">Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis;
-een zwaar gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik.
-V&oacute;&oacute;r deze nis stond eene tafel met een purperen kleed
-bedekt; op een opengeslagen Nieuw Testament, dat zich daarop bevond,
-lag een groot zilveren kruis.</p>
-<p class="par">Een der oudste domin&eacute;&rsquo;s stond van zijnen
-zetel op en sprak deze woorden: &bdquo;Katholieke broeders! Wij zijn
-alhier gekomen om, na het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult
-vieren, met u te beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen
-worden afgekeerd, die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde
-bedreigen. Het kille ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is,
-verbreidt zich allerwege meer en meer in het rond; de leeringen der
-natuuronderzoekers komen, als een verblindend weerlicht, al nader en
-nader tot ons, ten einde door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige
-Woord der Openbaring in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van
-natuurwetten, in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen
-zich in staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de
-natuur, dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift&mdash;in den
-bijbel&mdash;ons daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het
-vetste land des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld
-zoo zeer door het volk ge&euml;erd als hier? Maar al onze invloed, al
-het aanzien, dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die
-eeuwen lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet
-meer aan wonderen gelooft. <i>Dit</i> moet worden verhoed, <i>deze</i>
-goddelooze zucht moet worden tegengegaan. Maar, mijne <span class=
-"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>waarde
-Katholieke ambtgenooten, slechts dan wanneer wij met vereende krachten
-te werk gaan, kunnen wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den
-stroom der verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider
-kerken zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig
-tegen elkander over. Wordt de zaak echter <span class="ex">van
-naderb&#307;</span> onderzocht, dan blijkt dat het onderscheid
-inderdaad niet groot is. Gij draagt een ronden, wij een driekanten
-hoed, maar toch gelooven wij beide aan het driemaal een is <i>een</i>,
-en bovendien wanneer het eene zaak geldt zoo hoog gewigtig als deze,
-dan zouden wij de punten onzer hoeden wel wat kunnen laten bijronden.
-Gij vereert, het is waar, de <span class="ex">moeder</span> Gods bijna
-meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen, want de
-scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en vrouwelijk
-tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de tafereelen, die
-wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,&mdash;zijn het niet
-allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke leert?
-Welnu, datzelfde leeren wij <span class=
-"ex">insgel&#307;ks</span>.&mdash;Jezus Christus is Gods Zoon,
-ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte maagd
-Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd geworden;
-hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel; dat leert
-gij en dat leeren wij <span class="ex">insgel&#307;ks</span>.&mdash;Gij
-acht het noodzakelijk ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan
-wonderen gelooft; wij <span class="ex">insgel&#307;ks</span>.&mdash;Gij
-vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood, of in de hostie het
-ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te nuttigen, en wij
-<span class="ex">denken</span> slechts daarbij aan zijn gebroken
-vleesch en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als
-een der heiligste sacramenten, en wij <span class=
-"ex">insgel&#307;ks</span>.&mdash;Gij houdt het omsluijerde beeld in de
-nis voor het oog der menigte <span class="pagenum">[<a id="pb65" href=
-"#pb65" name="pb65">65</a>]</span>verborgen; wij <span class=
-"ex">insgel&#307;ks</span>.&mdash;Welk onderscheid bestaat nu tusschen
-uwe en onze leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene,
-waarin zij van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm,
-het zijn niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen,
-ten einde de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij
-de steeds dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte
-negentiende eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld
-zijn gebleven, vereenigen, opdat het <span class="ex">gansche</span>
-gebouw, waarop uwe zoo wel als onze magt steunt, niet instorte. Gij
-hebt, wel is waar, een opperhoofd der kerk, waaraan gij
-onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er geen en ieder onzer is
-liever zelf, elk in zijn eigen kring&mdash;een paus. Bij de gevaren
-echter, welke het heilige orthodoxe geloof aangrimmen, zou het niet dan
-verderfelijk voor ons beide zijn, indien de bestaande verdeeldheid en
-versnippering onzer krachten langer bleef voortduren. Door dergelijke
-kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het geval is, waar een
-verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting ons steeds heftiger
-toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt, naar een hechten
-pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is aan geen twijfel
-onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd en wij door
-<i>een</i> hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen, tienmaal
-meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder
-afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst uwe
-dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In den naam
-des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de
-volgende woorden tot hem: &bdquo;Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om
-het hoofd der kerk den eed van onverbrekelijke <span class=
-"pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
-"pb66">66</a>]</span>gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt onderwezen in
-onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen hier niet te
-herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het geheugen roepen.
-<span class="ex">Onvoorwaardel&#307;ke</span> gehoorzaamheid zijt gij
-aan de kerk verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een <span class=
-"ex">blind</span> geloof. Daarover na te denken is zonde, twijfel te
-voeden is ketterij. Ketters worden gestraft met den ligchamelijken dood
-en de eeuwige verdoemenis. Allen hopen wij met God, onzen Heer en
-Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd weder zal aanbreken, waarop wij
-magt zullen hebben alle twijfelaars en ketters te verdelgen en u, mijn
-zoon, hebben wij uitverkoren en waardig gekeurd om een medearbeider en
-ons werktuig te zijn, ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het
-hoofd onzer kerk, de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de
-ingewijden, die hij zijn vertrouwen waardig keurt, all&eacute;&eacute;n
-het regt de stellingen onzer heilige godsdienst te onderzoeken en te
-beoordeelen. Gij en alle anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort
-<span class="ex">slechts</span> te gelooven en te gehoorzamen en dit
-geloof moet gij door alle mogelijke middelen uitbreiden en tegen de
-ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter verdelgen, zoo moogt gij
-geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door God vervloekt. Verlies
-nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat de kerk u leert en
-gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God&mdash;meer moet gehoorzamen dan
-aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van jaren, u waarlijk
-getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht u de heerlijkste
-belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden overladen en onder het
-tal van ingewijden opgenomen worden. Hef uwe oogen op naar het
-tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet en aanschouw het
-voorhangsel, dat het binnenste der nis <span class="ex">beneden</span>
-de schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het
-<i>ware</i> beeld. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb67" href=
-"#pb67" name="pb67">67</a>]</span>hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk
-zou het voor onze belangen zijn, indien wij dat beeld den volke
-vertoonden, want zagen zij het of <span class="ex">konden</span> zij
-het zien, dan ware het met onze heerschappij gedaan. Om die reden moet
-de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim gehouden worden. Het volk
-mag niet verlicht zijn, maar moet <span class="ex">gelooven</span>,
-hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan laat
-het zich &rsquo;t gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij ons
-aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is, wij
-houden die <span class="ex">zelven</span> daardoor in bedwang en
-heerschen over <span class="ex">haar</span>. Dat het groote doel der
-hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij over alle volken der
-aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit het oog worde verloren,
-en vergeet niet, dat het zekerste middel om daartoe te geraken, is: het
-onderrigt der jeugd. Prent derhalve de grondstellingen onzer leer
-vooral diep in het kinderlijk gemoed; want hetgeen het kind gewoon is
-als heilig te vereeren&mdash;al was het louter onzin, dwaling of
-bedrog&mdash;de vereering daarvan zal hem eene behoefte worden, welke
-in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk ontbeerd, waaraan het geloof
-ter naauwernood geschokt zal kunnen worden. De jeugd zij derhalve bij
-voorkeur het voorwerp uwer zorg, en stel u steeds levendig voor den
-geest, dat een van onze eerste en krachtigste middelen, om ons tot het
-beoogde doel te voeren, is: <span class="ex">het schoolonderw&#307;s te
-leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen</span>. En gij, mijn
-zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de uitoefening
-uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk, onwankelbaar
-getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn het voorhangsel
-ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt en gij zult een
-onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen eed te zweren.
-Benedicite!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68"
-name="pb68">68</a>]</span></p>
-<p class="par">Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het
-orgel hooren; zijne krachtige toonen wekten de echo&rsquo;s van het
-hooge gothische gewelf en een koor van priesters hief geestelijke
-liederen aan, waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich
-paarde aan het orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar
-en in het wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier
-welriekende dampwolken al hooger en hooger opstegen.</p>
-<p class="par">De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste
-mijner ziel geschokt; een onwe&ecirc;rstaanbaar verlangen maakte zich
-van mij meester om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het
-<i>ware</i> beeld had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet
-mogelijk dit verlangen te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> mij bij den arm vasthield en mij
-toefluisterde: &bdquo;Om Gods wil, <span class="sc">Dag</span>! houdt u
-toch stil; wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier
-bevinden, is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden,
-indien zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn
-weg, dat gindsche nis bedekt, dan zou het u &rsquo;t leven kunnen
-kosten! Ik bid u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in
-stilte van hier vlieden.&rdquo; Ik werd echter door de sterkste
-begeerte geprikkeld om dat beeld in de nis te ontsluijeren,&mdash;ik
-trad nader en rukte het gordijn weg.</p>
-<p class="par">Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der
-schilderij, welke boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van
-Christus omgaf, verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel
-zweeg en het maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De
-wierookwolken werden snel als door een storm weggevaagd en al de
-kardinalen, bisschoppen, pastoors en domin&eacute;&rsquo;s vloden
-ontsteld, verschrikt, in de grootste verwarring uit de kerk.&mdash;En
-wat zag ik nu?&mdash;Wat geschiedde aldaar? <span class=
-"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span></p>
-<p class="par">De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich
-bevond in de nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich
-te bewegen, zij werd levend en&mdash;voor mij stond een
-mensch,&mdash;een man met joodsche gelaatstrekken, zwart van baard en
-van hoofdhaar,&mdash;met een bleek, door lijden vermagerd gelaat; hij
-was gekleed in een eenvoudig, grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag
-zeggen, treurig was de blik, dien hij op mij wierp. Aan zijne handen
-bespeurde ik blaauwe, dik opgezwollene lidteekenen.</p>
-<p class="par">Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te
-gevoelen over de daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van
-medelijden op het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had
-gevestigd. Zij was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger
-omgaf, om haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen
-uiterlijken glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme,
-mishandelde mensch!&mdash;ja, <span class="ex">mensch</span>.&mdash;En
-toch boeide mij die verschijning, stond ik als vastgenageld op de plek,
-waar ik mij bevond, was het mij niet mogelijk eene schrede voor- of
-achterwaarts te doen. De blik, welken deze mensch op mij sloeg, was zoo
-wonderbaarlijk zacht en teeder, dat mijne oogen aan de zijnen als
-gekluisterd waren en de menschenliefde, die hij zoo bij uitnemendheid
-schoon en luide heeft gepredikt, het medegevoel, de sympathie met onze
-natuurgenooten, werd in mijn boezem steeds levendiger en warmer, hoe
-langer ik hem aanzag. Zijn verhevene, rustige blik was op mij gerigt,
-op mij, die met vermetele hand hem had ontdaan van den stralenkrans en
-kerkelijken luister, waarmede de priesters hem vroeger hadden versierd;
-en toch was zijn blik zoo zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart,
-ja, tot op den bodem des harten door, en deze ziel volle blik, de glans
-der oogen, welke steeds helderder werd, hoe langer <span class=
-"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>men hem
-aanzag, wekte zulk eene geestvervoering in mij op, dat <span class=
-"ex">ook</span> mijne oogen vochtig werden;&mdash;hij bemerkte het, hij
-verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar, deed zijne lippen
-trillen,&mdash;hij strekte de hand naar mij uit en&mdash;ik viel neder
-op mijne knie&euml;n om haar te kussen.</p>
-<p class="par">Nu sprak hij: &bdquo;Laat af, mijn vriend. Ik ben,
-gelijk gij, eens menschen zoon. Voor <span class="ex">God alleen</span>
-zult gij de knie&euml;n buigen. Mij hebben zij eerst mishandeld en
-gekruisigd,&mdash;druk mijne handen niet zoo sterk, de wonden, die zij
-mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,&mdash;duizend anderen, die
-na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen ik beleed,
-hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne leer
-vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In de
-plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop hunne
-magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden te
-verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te meer
-zekerheid te doen, hebben zij <i>mij</i> God den eeuwige genoemd en
-zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op
-aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei in
-het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge van
-bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;&mdash;later moest ik
-mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de
-gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden, die
-mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede zaak te
-bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te sieren. Zij
-verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren, maar helaas!
-door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt aan de menschheid als
-juist door deze sprookjes, die zij hebben uitgestrooid. Wij allen zijn
-kinderen Gods, want de Heer heeft ons boven het gedierte, dat in de
-wildernis <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name=
-"pb71">71</a>]</span>leeft, begiftigd met eene <span class=
-"ex">redel&#307;ke</span> ziel;&mdash;maar zij zeiden: dat <i>ik</i>
-Gods ligchamelijke zoon was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk
-verstand waar en juist ten opzigte van de schepping en haren maker
-erkend en geleerd had, dat alles gaven zij nu uit voor &bdquo;het
-geopenbaarde woord Gods.&rdquo; Niet altijd hadden zij mij begrepen,
-menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne woorden opgevat; veel hadden
-zij vergeten van &rsquo;t geen ik hen geleerd had, en andere dingen er
-bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd; maar niettegenstaande dat
-stelden zij dit alles later te boek <span class="ex">gel&#307;k</span>
-<i>zij</i> zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu
-werd dit doode woord als &bdquo;heilige schrift of bijbel,&rdquo;
-onveranderlijk van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats
-van in het ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij
-dag en bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich
-te laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in de
-diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van het
-bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit, zij
-verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan aan de
-regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt; zij vonden
-er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene, hetwelk hun
-verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche geloofstelsels
-en stelden den mensch het aanbidden van hunnen waan ten heiligen plagt;
-zij grondvestten hierarchien, rigtten brandstapels op en offerden
-ketters in de vlammen; zij begonnen te twijfelen, oneenigheid ontstond
-onder hen, zij scheidden zich van &eacute;&eacute;n, stichtten eene
-oneindige menigte sekten en op die wijze dwaalde een groot gedeelte der
-menschheid in de duisternis voort,&mdash;het weldadige licht der
-waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte geloofswaan allen
-vooruitgang <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name=
-"pb72">72</a>]</span>belette en dewijl zij datgene, hetwelk niet anders
-is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk
-verstand&mdash;mijne leer, en zelfs deze niet dan
-vervalscht,&mdash;voor <span class="ex">Gods woord</span>
-uitgaven.&mdash;Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw hoofd
-is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles naar
-wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en steeds
-voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast bepaalde
-wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al deze wetten te
-doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder zeker, dat de
-mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te gemoet gaat
-als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou dan het
-volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de <span class=
-"sc">Eeuwige</span>, <span class="sc">Onvergankelijke</span> een deel
-zijner kracht, het verstand, de <span class="ex">redel&#307;ke, van
-zich zelf bewuste en onvergankel&#307;ke ziel</span> schonk, zou dit
-buiten de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt
-verzekerd, de mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in
-den toestand van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door
-het licht van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene
-in de natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te
-vergeefs trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de
-waarheid te omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen
-gereed zijn om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg
-te rukken, opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een
-diergenen, en gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld
-bedekte. Ik dank u daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters,
-het bijgeloof en het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De
-voortgang des tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der
-ontwikkeling en de magt der boozen is reeds in <span class=
-"pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span>eene
-groote mate geknakt. Zij zullen u beschimpen, belasteren, zij zullen
-pogingen aanwenden om uwe bedoeling in een verkeerd daglicht te
-stellen. Maar vrees niet, want <span class="ex">Groot is de waarheid en
-z&#307; zal zegevieren</span>. Zij echter, die de waarheid kennen en
-haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt, die op
-hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het, die de
-onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij ontrooven
-den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga voort op den
-weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen gevoelt, maar doe
-zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de boozen en
-huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn.&rdquo;</p>
-<p class="par">Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken
-als de heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik
-dezelven op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel
-geleden heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat
-teekende vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.&mdash;Ja, ik
-erken u, gij zijt het&mdash;<span class="sc">Jezus van Nazareth</span>!
-die tot mij spreekt en u vereer ik. Ook ik wil mijn penningske
-bijdragen en eene poging doen om de aanbidding Gods in zuiverder, warer
-vorm te doen stand grijpen, om het verkeerde, het bijgeloof er uit te
-verwijderen, opdat sluwe menschen niet langer misbruik maken van de
-behoefte aan godsdienst hunner medebroederen,&mdash;ik wil mij scharen
-aan de zijde dergenen, die pogingen aanwenden om de voorschriften der
-zedeleer zoodanig in te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen
-worden opgevolgd, opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te
-bestaan.</p>
-<p class="par">Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde
-hij onverwacht eenig voorwerp <span class="ex">achter</span>
-mij,&mdash;ik keerde mij om en zag twee pastoors en drie
-domin&eacute;&rsquo;s, die teruggekeerd <span class="pagenum">[<a id=
-"pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>waren,&mdash;zij hadden
-hunne ronde en driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met
-ontbloot hoofd, vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het
-<i>ware</i> beeld van Jezus heen;&mdash;ik stond verlegen, getroffen,
-doch tevens aangenaam verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter
-zijde,&mdash;daar klonk het geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de
-ooren; ik hoorde zachte en welluidende toonen als van slaginstrumenten
-en de schoone gestalte van Jezus, het <i><span class=
-"ex">onts</span>luijerde</i> <span class="ex">beeld</span> verdween uit
-mijne oogen.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Daar buiten in het dorp werd de Gam&#277;lan gespeeld,
-waarvan het geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> lag nog verzonken in den periodieken
-schijndood der ziel,&mdash;hij sliep nog nevens mij, toen ik in stilte
-opstond en de deur der hut opende.&mdash;Het oog des daags was nog niet
-geheel en al ontwaakt; het gebroken zonnelicht, dat de hoogere
-luchtlagen, door de zon reeds beschenen, terugkaatsten, de <span class=
-"ex">schemering</span>, omhulde nog de natuur, toen ik van den ladder
-afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden adem
-toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje reeds
-was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor onze
-woning, onder het geboomte, rondom eene Gam&#277;lan gerangschikt
-was.</p>
-<p class="par">Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden,
-die niet weet wat eene <span class="ex">Gam&#277;lan</span> is. Dewijl
-het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks niet met alle lezers in Nederland
-het geval is, zal het navolgende ter verduidelijking kunnen dienen.
-Onder eene Gam&#277;lan verstaan de Javanen eene vereeniging van groote
-en kleine muziekinstrumenten, voornamelijk van metaal vervaardigd,
-welke meerendeels den vorm hebben van een bekken en wat betreft de
-grootere soorten (de Gong&rsquo;s) deels aan <span class=
-"pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>fraai
-bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang&rsquo;s en
-K&#277;nong&rsquo;s) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den
-klank te verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen
-koorden liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool
-met twee snaren (R&eacute;bab), eene trom (Kendang of B&#277;doeg),
-vervolgens een aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven
-verscheidene in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene
-rij nevens elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen
-aan koorden (G&#277;nd&egrave;r), of zijn door middel van houten
-pennetjes op den rand der kist bevestigd en deels van metaal (Saron),
-deels van hout (Gambang kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten
-hamers geslagen, die met leder of garen omwonden zijn en geven,
-niettegenstaande de voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige
-Javasche melodien, een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke
-eenige overeenkomst heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die
-veel zachter van toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot
-een volledig orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de
-instrumenten te bespelen en eene of twee Ronggeng&rsquo;s, d. i. dans-
-of zangeressen. De Ronggeng&rsquo;s zijn eene navolging der Indische
-bajad&egrave;ren, die op Java uit den voormohammedaanschen
-tijd&mdash;den tijd der Hindoerijken, der Brahma- en
-Boedhagodsdienst&mdash;zijn overgebleven; deze treden echter alleen bij
-plegtige gelegenheden op.</p>
-<p class="par">Eene dergelijke Gam&#277;lan nu stond, met onze
-pakkaadje daaromheen, als het ware voor onze oogen nedergetooverd,
-terwijl eenige Javanen welluidende toonen aan de verschillende
-muziekinstrumenten ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings
-over elkander geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten,
-met de speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij
-schenen slechts het oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb76" href=
-"#pb76" name="pb76">76</a>]</span>te verbeiden, dat de zon boven den
-horizon zou verschijnen,&mdash;het tijdstip waarop onder dezen
-tropischen hemel iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk
-verlaat,&mdash;om hunne instrumenten onder zwaardere slagen te doen
-klinken. Ik was v&oacute;&oacute;r dien tijd ontwaakt, doch gaf hen te
-verstaan, dat mijn oudere broeder nog sliep en te gelijk roerden zij
-hunne handen sneller; zij speelden de melodie van Poetjoeng kanginan,
-een luid allegro werd gehoord, bim, bam, bim, en&mdash;boem klonk de
-zware basstem van den grooten Gong als een klok boven alles uit, en
-ziet, mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> trad aangenaam verrast
-naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef van verwondering zijne
-oogen, toen hij de Gam&#277;lan en onze koffers gewaar
-werd.&mdash;Sluipend naderde zijn bediende <span class=
-"sc">Lapiah</span>, die met een mijner jongens gisteren de
-Koeli&rsquo;s begeleid en reeds v&oacute;&oacute;r het vallen van den
-avond hier had moeten zijn. Hij <span class="ex">hinkte</span>&mdash;en
-maakte een erbarmelijk figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij
-trad. Eindelijk vatte hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk
-compliment en begon nu met een &bdquo;Banjak tab&eacute; Toean, djangan
-mara Toean&rdquo; een en ander tot zijne verontschuldiging in te
-brengen. Deze redenering kwam ongeveer hierop neder: Ja, mijn heer, de
-Koeli&rsquo;s liepen zoo snel als mogelijk was en ik spoorde hen
-daarenboven voortdurend aan om nog grooteren spoed te maken, ten einde
-vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar aan de Tji-Rok&eacute;
-genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die beet mij in mijn
-linkerbeen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Eene slang, gebeten?</p>
-<p class="par"><span class="sp">LAPIAH.</span> Ja, mijn heer, maar zij
-was niet vergiftig.&mdash;<span class="sc">Mas Poetri</span> heeft haar
-dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer <span class=
-"sc">Dag</span> (bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging
-voor mij) medegebragt. Toen de Koeli&rsquo;s dit <span class=
-"pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>zagen,
-zeiden zij: dat is een kwaad teeken; <span class="ex">op dezen
-weg</span> durven wij niet verder voortgaan, want wij krijgen stellig
-een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een sloegen zij een
-zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt, zoodat wij door
-Desa-Par&eacute;ang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer, hoe
-toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist
-bruiloft gehouden en de Game&#277;lan gespeeld, er waren
-Ronggeng&rsquo;s en ons werd thee en Koew&eacute; koew&eacute;
-aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli&rsquo;s, dat wij <span class=
-"ex">geluk</span> hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers
-van hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een P&#277;ndopo
-en wat wij ook deden, wat wij hiertegen inbragten&mdash;wij baden, wij
-dreigden hen, wij stompten er op&mdash;maar &rsquo;t was alles te
-vergeefs, eenigen vlijden zich ne&ecirc;r, aten Koew&eacute;
-koew&eacute; en luisterden naar de Gam&#277;lan, anderen tandakten (d.
-i. dansten) met de Ronggeng&rsquo;s en al onze pogingen waren
-vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen
-ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den
-weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den
-Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend,
-dat het beter was de gansche Gam&#277;lan maar mede te brengen. Ik weet
-immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel,
-dat het mijne schuld niet is.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij slimme vos! De
-klappen, die gij de Koeli&rsquo;s hebt gegeven, zullen wel niet veel
-pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak gezigt en eenige
-andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen te verbergen.)
-Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met de
-Ronggeng&rsquo;s getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt,
-hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren;
-<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name=
-"pb78">78</a>]</span>ten anderen hebt gij die arme menschen nog
-bovendien gedwongen midden in den nacht de Gam&#277;lan herwaarts te
-brengen en nu zoudt gij mij nog wel willen wijs maken, dat dit alles
-geschied is om <i>mij</i> te believen. Maar gij zult zelf de kosten er
-van dragen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">LAPIAH.</span> Ba&iuml;k, Toean. Saja
-poenja oewang abis, kapan soeka pindjam s&#277;poeloe roepia. (Zeer
-gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd; heb de goedheid mij tien
-gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> (lagchend) &rsquo;t Is
-wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat gij weg komt en breng
-koffij voor ons beiden.</p>
-<p class="par">Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in
-zijn ijver om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong
-hij meer dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel
-vergeten, hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu
-kwam ook mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil
-achter de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang,
-die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij voor
-zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op gelijke
-manier als de andere, Tab&eacute; Toean, enz., enz., deed nu ongeveer
-hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: &bdquo;Ja,
-mijn Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar
-nu heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt,
-indien gij de slang op spiritus wilt zetten.&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Ga heen! Gij weet zeer goed,
-dat het eene gemeene soort van slang is, die voor mijne verzameling
-hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil u niet berispen, omdat gij u een
-onschuldig genoegen hebt verschaft, door deel te nemen aan de bruiloft;
-maar zoudt ge u niet beter van uwen pligt hebben gekweten, indien gij
-ons vooraf eene matras, onze dekens, eenige cigaren en wijn had
-toegezonden? <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name=
-"pb79">79</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">MAS POETRI.</span> Ach, mij beste Heer!
-Ik dacht: wij jongens drinken nooit wijn en slapen alle dagen zonder
-dekens op den blooten grond; wat zal het nu voor kwaad doen, indien
-onze Heeren eens eenen enkelen nacht op die wijze doorbrengen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Nu, pak u voort, help de
-koffij zetten en draag zorg, dat die gereed is, wanneer wij terugkomen.
-Wij gaan den Goenoeng-Soesoe beklimmen (zoo heeten de bewoners van
-Gnoerag een kleinen heuvel, achter hun dorp gelegen), om van daar de
-zon te zien opgaan.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Zeg eens broeder, hoe zou
-iemand op <span class="ex">die</span> menschen boos kunnen zijn?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Het is mij niet mogelijk.
-Hun karakter is een zonderling weefsel van goedhartigheid en
-zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis naive sluwheid. Zij
-hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet om den dag van
-morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een jaar na heden
-is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om die reden
-genieten zij gaarne de vreugde van den <span class=
-"ex">oogenblik</span>. Treft men hen aan, wanneer zij een onderwerp van
-<span class="ex">eigen</span> liefhebberij behandelen, bij voorbeeld,
-tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van boom tot boom,
-ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren, hoe behendig zijn
-zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of onverschilligheid
-bij hen bemerken;&mdash;welk eene kracht ontwikkelen zij dan, welk eene
-vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene volharding leggen zij
-aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij alles uit eigen
-beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.&mdash;Wenscht gij echter,
-dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang hebt, waaraan zij
-vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat zij zich bezig
-houden met dien arbeid, welke de <span class="pagenum">[<a id="pb80"
-href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>producten, voor de Europesche
-markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel, ja,
-meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt gij, dat
-zij dien arbeid <span class="ex">vr&#307;willig</span> verrigten, wilt
-gij het <span class="ex">wat</span> en het <span class=
-"ex">hoeveel</span> zij planten zullen geheel en al aan hun eigen
-goeddunken overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde
-behoeften, dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben
-verkregen als wij bezitten; <i>dan</i> zullen zij het doen, even goed
-als wij. Maar wenscht ge, dat zij het <span class="ex">vroeger</span>
-doen, reeds nu doen, dan behoort gij <span class="ex">hen te leiden en
-toezigt te houden over hunnen arbeid</span>. Ik wil gaarne gelooven,
-dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen van eenige
-groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn, met het
-toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het niet
-noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland
-echter,&mdash;en hiervan zult gij weldra de overtuiging
-erlangen,&mdash;heeft de inboorling (op weinige uitzondering na) nog
-zoo weinig behoefte, dat een arbeid van twee &agrave; drie uren daags
-voldoende is om ze allen te bevredigen, en dat binnen den omtrek van
-&eacute;&eacute;n of een half uur afstands van zijne woning alles
-gevonden wordt, wat hij behoeft en waarnaar hij verlangt. De
-rijkelijkste belooning, de duurste betaling is aldaar niet in staat hem
-te bewegen om meer te verrigten. Wat zal hij aanvangen met het vele
-geld? Europesche waren en producten heeft hij niet noodig, en
-rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er van, acht hij volstrekt
-niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de rust in het kleine Eden,
-dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de natuur zoo wonderschoon
-meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij van den arbeid, waartoe wij
-de Javanen <span class="ex">verpligten</span>, uit een materieel
-oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin
-<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name=
-"pb81">81</a>]</span>eene onloochenbare waarheid, dat het houden van
-toezigt over dien arbeid ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een
-overtuigend bewijs daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en
-fabriekstreken des eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans
-vrijwillig verrigten, waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden.
-Door ons leeren zij al het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid
-kennen; het doelmatig verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte,
-en door hunnen omgang met de Europe&euml;rs vermeerderen hunne
-behoeften en worden zij van zelf beschaafder. Reeds gedurende den
-korten tijd van uw verblijf op Java is de beschaving der inboorlingen,
-zelfs in het binnenland, onmiskenbaar toegenomen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar ook hun
-schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren, op het gebied van
-zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch iets leeren!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ongetwijfeld; mits het
-slechts geene zoogenaamde heilige openbaringen, geene abstracte dogmen
-zijn der leer: driemaal een is een. Deel hen nuttige kennis mede der
-<span class="ex">stellige</span> wetenschappen, die zij kunnen
-<span class="ex">toepassen</span> ter verbetering hunner huisselijke
-inrigting en van hun handwerk, waardoor zij hun <span class=
-"ex">materieel</span> welzijn verhoogen. Wanneer zij zich toeleggen op
-de beschouwing der natuur, die in hun land zoo majestueus groot en
-schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis&mdash;van de wederkeerige
-werking der krachten, naar gelang van het onderling verband der
-verschijnselen&mdash;voor hen <span class="ex">in elk opzigt</span>
-niet dan nuttig zijn kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden
-veredeld en de ware, natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer
-bij hen ontluiken; want <span class="ex">al</span> dat in de natuur
-bestaat, ademt Gods wijzen geest.</p>
-<p class="par">Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top
-<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name=
-"pb82">82</a>]</span>des heuvels bereikt (benevens eenige Javanen, die
-achteraan waren gekomen),&mdash;toen de morgen aanving de openbaring
-Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het opgaan der zon is
-overal, in alle landen, in elk jaargetijde een heerlijk verschijnsel,
-het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig sluimerend gevoel in
-onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven, hoe prachtig en
-verkwikkend tevens lacht hij ons toe!</p>
-<p class="par">Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de
-geringste ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt
-slechts <span class="ex">eene</span> toenemende verandering, namelijk,
-aan den hemel, vooral aan den oostelijken hemel, die tot hoog in het
-zenith allengs helderder wordt; gekleurde stralen schieten, in eene
-divergerende rigting even als de speeken van een wiel,
-opwaarts,&mdash;eenige dezer stralen, namelijk die deelen der
-atmospheer, welke door de zon worden beschenen, blinken in gulden
-gloor, anderen, namelijk die niet door de zon worden getroffen, waarop
-ver verwijderde oneffenheden des horizons, als boomen, bergen, hunne
-schaduw werpen, doen zich aan het oog voor als azuurblaauwe strepen
-tusschen de vorigen;&mdash;geen enkel wolkje is aan het gansche
-uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die juist op dezen
-oogenblik, nu de verwarmende zon het <span class="ex">langst</span>
-afwezig was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp,
-in de lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en
-dauw, en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,&mdash;alles is
-vochtig en het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is
-gevallen; de bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water
-gekregen,&mdash;daar gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een
-prisma, blinkt in alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten
-fonkelen aan alle grashalmen, die zich <span class="pagenum">[<a id=
-"pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>buigen aan alle boomen en
-struiken. Tallooze vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en
-fladderen door het gebladerte een nieuw leven te gemoet;&mdash;de
-paauwen verlaten den tak, waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen
-gedurende den nacht stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid
-geschreeuw over het dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende
-vederdos, waarop de eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de
-apen, die zich tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te
-schreeuwen: oeh &auml;h, oeh &auml;h, oe&auml;, oe&auml;, oe&auml;; uit
-20, 50, ja, somtijds uit een grooter getal kelen te gelijk heffen zij,
-nu eens in zwellende, dan weder in dalende akkoorden, hun koraalgezang
-aan, waarvan de echo door de bergen terug wordt gekaatst, om op
-<span class="ex">hunne</span> wijze den levend makenden, verwarmenden
-straal der zon te begroeten en&mdash;de mensch?&mdash;De Javanen zitten
-op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht hebben
-zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het oosten
-gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen, waarvan
-wij een duidelijker bewustzijn omdragen,&mdash;want ik strekte mijne
-armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts
-<span class="ex">een</span> der werken van den Onvergankelijke, die met
-<span class="ex">een</span> enkelen slag duizend draden vlecht, maar ik
-begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat voor ons aardbewoners
-bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende openbaring Gods in de
-natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw straal elken morgen
-getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw weder alles in
-beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en zonder u kon zij
-niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder u ontbeerden wij
-jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het aardsche leven
-alles <span class="ex">voor allen</span>. In minder dan
-&eacute;&eacute;n oogenblik verspreidt uw straal het licht en maakt de
-dingen zigtbaar. <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
-"pb84">84</a>]</span>Zonder u hadden wij geene oogen, want waartoe
-zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een tooverslag schept uw licht
-zijne half aardsche, half hemelsche dochter: de <span class=
-"ex">kleurenpracht</span>, waardoor gij schoonheid geeft aan alle
-dingen. Ja, met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de
-<span class="ex">warmte</span>, en gij maakt het harde week en
-veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde mogelijk zijn zonder u? Hoe
-zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn, hoe zou een geluid kunnen
-gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf de ligchamen luchtvormig
-of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen ademhalen zonder lucht en
-tot welk einde zouden wij het gehoor hebben verkregen, indien er geen
-geluid was? Hoe zouden planten groeijen, beken vlieten, hoe zouden
-wolken zweven en winden waaijen zonder uwen verwarmenden straal, o
-schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar worden en alle beweging
-in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt, zoo mede in het luchtruim
-uitlokt. <span class="ex">Ja</span>, zelfs de electriciteit in de
-wolken gehoorzaamt <span class="ex">u</span> en <span class=
-"ex">g&#307;</span> gebiedt den donder.&mdash;Slechts
-&eacute;&eacute;nen nacht waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is
-de dampkring zoodanig bekoeld, dat al het water, &rsquo;t welk
-gisteren, door de warmte opgelost, als een onzigtbare damp in het
-luchtruim zweefde, nu als dauw op de aarde is nedergeploft. Nu paarlen
-nog millioenen druppels aan de boomen; nog staat de luchtzee stil, niet
-het geringste togtje laat zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit
-voortduren? Naauwelijks heeft de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit
-plekje der aarde naar uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft
-uw opgaand licht zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw
-schijn getroffen, begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk
-de mensch en de gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt,
-zich op nieuw beginnen te bewegen,&mdash;gelijk in het <span class=
-"pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
-"pb85">85</a>]</span>plantenrijk millioenen knoppen ontluiken, zoo
-worden insgelijks het water en de lucht in beweging gebragt. Spoedig
-zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst nabij de aarde
-zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer warmte, zullen
-zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en vlak of lager
-gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen, die tot hooge
-bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee zal niet in
-die mate worden verwarmd als het land,&mdash;ten gevolge hiervan zal de
-lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land en zee
-<span class="ex">ongel&#307;kmatig</span> uitgezet en verdund worden,
-de digtere en koudere lucht zal naar de meer verdunde streken des
-dampkrings heenstroomen, de stilte, die thans nog in het luchtruim
-heerscht, zal daardoor weldra gestoord worden en <span class=
-"ex">winden</span> zullen door de toppen der boomen waaijen;&mdash;te
-gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede worden
-opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt
-nedergeploft tot mist en nevel,&mdash;<span class="ex">wolken</span>
-zullen dan worden gevormd; deze zullen steeds talrijker en grooter
-worden en eindelijk, bij het toenemen der warmte en snellere verdikking
-van den waterdamp, zal de electriciteit in de wolken ontwaken, de
-donder zal rollen, de regen zal nederstroomen op den verkwikten bodem,
-stortbeken zullen in sprongen van de rotswanden vallen en
-Bandj&#277;r&rsquo;s met onweerstaanbare kracht door de bergkloven
-bruisen&mdash;en van dit alles, van deze herscheppingen des
-dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op en boven
-de aarde, hiervan zult <i>gij</i> de eenige oorzaak geweest zijn, gij
-blinkende, zoo rustig stralende zon!&mdash;En zou uw straal, die met
-eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en
-nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge
-<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name=
-"pb86">86</a>]</span>hebben, die echter allen gezamenlijk door zulk een
-harmonischen band verbonden en zoo innig met elkander zijn verknocht,
-dat geen enkele schakel der keten afzonderlijk kan bestaan en de
-gansche keten zelf niet denkbaar is, indien slechts &eacute;&eacute;n
-enkele schakel daaraan wordt ontnomen,&mdash;zou uw straal ook niet
-door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in het binnenste mijner
-ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die zegt: ik erken u, hoogste
-doelmatigheid in de natuur; geen ding, geene kracht staat op zich zelf;
-elk deel van het geschapene is daar om den wille van andere deelen van
-het geheel en alles is in <span class="corr" id="xd21e1790" title=
-"Bron: overbrekelijken">onverbrekelijken</span> zamenhang naar wijze
-wetten geordend;&mdash;wel weet ik niet, of mijn oog om het
-<span class="ex">licht</span> is geschapen of het licht om mijn
-<span class="ex">oog</span>, maar het eene is <span class=
-"ex">om</span> het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij leeft,
-welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig wederkeerig
-verband staat met de gansche natuur, die mij omringt, dat ik mij het
-gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en geluid, en dat het
-geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn zonder oor en zonder
-oogen,&mdash;zou deze ziel ook niet om iets anders geschapen zijn, zou
-<i>zij</i> in geene betrekking <span class="ex">tot iets anders</span>
-staan?</p>
-<p class="par">Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart,
-mag ik nadenken, dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven
-bewust;&mdash;er was een tijd, dat ik niet bestond, thans <span class=
-"ex">ben</span> ik;&mdash;gedurende langen tijd wist ik niet werwaarts
-ik kwam, van waar deze met denkvermogen, met rede begaafde ziel zijn
-oorsprong had; ik wist <span class="corr" id="xd21e1815" title=
-"Bron: evemin">evenmin</span> waarheen zij gaat;&mdash;uit mijzelven
-ontstond ik <span class="ex">niet</span>;&mdash;in de natuur schiep ik
-niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts
-een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in
-verband en wederkeerige werking staat;&mdash;<span class=
-"ex">een</span> draad kan het slechts zijn van waar, als <span class=
-"pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>uit een
-brandpunt, die millioenen draden der schepping uitloopen; een eeuwige,
-onvergankelijke ziel, <span class="ex">een</span> wijze, volkomene
-geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven,
-mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,&mdash;die de natuur schiep en
-onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid,
-doelmatigheid en goedheid!&mdash;Ja, gij hebt u geopenbaard en
-openbaart u <span class="ex">voortdurend</span> in de gansche schepping
-gelijk in ieders boezem,&mdash;tot <i>U</i> sta ik in
-betrekking!&mdash;eeuwige en onvergankelijke God!</p>
-<p class="par">Een dergelijk &bdquo;morgengebed&rdquo; zal wel zijn
-opgeweld in den boezem van mijn broeder <span class="sc">Nacht</span>,
-en in dien van de aanwezige Javanen, want zij waren verzonken in de
-beschouwing van het heerlijke schouwspel en bewonderden het opgaan der
-zon. En terwijl de vogelen floten, de insekten gonsden en alle andere
-dieren der wildernis, elk naar zijn aard en zijn bijzonder instinkt,
-het morgen- en loflied der <span class="ex">schepping</span> mede
-instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die van de gevolgen tot
-de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering, dankend en aanbiddend,
-onze blikken rigtten tot den <span class="ex">Schepper</span>.</p>
-<p class="par">Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als
-behoefte, het ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van
-een verkoelend bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels
-weder te verlaten en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den
-Pantj&ograve;ran te begeven, toen wij de bedienden gewaar werden, die
-onze terugkomst niet hadden willen verbeiden en ons de stoomende koffij
-te gemoet droegen. Zij hadden het vochtig element reeds bezocht en
-klommen druipend nat als Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang
-hoofdhaar los en vrij om hunne schouders zwierde en hun bovenlijf
-bedekte. Wij dronken onze koffij met wat geitenmelk, welke zij hadden
-medegebragt, hetgeen de spotlust <span class="pagenum">[<a id="pb88"
-href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span>der inboorlingen gaande maakte,
-die ons om deze reden met jonge kinderen, ja, met jonge geiten
-vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk, is hun volstrekt onbekend
-en in het binnenland van Java wordt die nooit gedronken.</p>
-<p class="par">Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en
-kwamen tot het besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond
-verder te gaan, ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere
-dorpen te bereiken, alwaar ons verblijf aan de bewoners minder
-bezwarend zou zijn dan hier, in dit kleine gehucht, het geval was. Wij
-hadden het voornemen opgevat om dwars over het gebergte onzen togt in
-eene westelijke rigting voort te zetten tot aan het naastbij gelegene
-groote dal, van daar uit de zuidkust te bezoeken en vervolgens te
-trachten in het hoog gelegene binnenland door te dringen. Op een
-afstand van eene kleine dagreize van hier moest, aan de
-tegenovergestelde zijde van het gebergte, een groot dorp liggen;
-daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen koers te rigten.
-Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad te nemen, gaven wij
-aan onze jongens last intusschen de benoodigde Koeli&rsquo;s op te
-zoeken en te huren.</p>
-<p class="par">Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden
-begeven, hadden wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten
-hadden na te komen: om in deze streken des eilands slechts <span class=
-"ex">vr&#307;willig</span> hulpbetoon der inboorlingen, tegen goede
-betaling en welwillende behandeling, in te roepen,&mdash;ten einde eens
-te zien hoe ver wij op die wijze zouden komen. Wij hadden besloten
-alleen in zeer dringende omstandigheden onze toevlugt te nemen tot de
-<span class="ex">bevelschriften</span> der Residenten en Regenten,
-waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche
-taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend
-verlangen <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
-"pb89">89</a>]</span>van <span class="sc">Nacht</span>, aan wien ik in
-dit opzigt had toegegeven, was dit tot regel aangenomen.</p>
-<p class="par">Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende
-berigt: &bdquo;Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli&rsquo;s vinden; de
-Koeli&rsquo;s, die te Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts
-tot aan Par&eacute;ang medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door
-mannen uit die plaats hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij
-nog hier waren, maar zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten,
-totdat zij betaling hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht,
-dat zij nog verder zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen
-mensch te vinden, uitgenomen de vrouwen en een paar knapen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de
-tijgerjagt, was er meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu
-waren zij allen, op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden:
-&bdquo;mijn man is op den Oema&rdquo; (het drooge rijstveld),
-&bdquo;mijn man is gaan visschen, mijn man zoekt Rotan in het
-woud,&rdquo;&mdash;de meesten echter hielden zich in hunne hutten
-verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij stelden
-den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand en
-verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde te
-beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden komen. Na
-lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige
-Javanen&mdash;wel is waar, schoorvoetend en langzaam&mdash;buiten hunne
-hutten traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging
-mede. De een spoorde den anderen aan en zei: &bdquo;Kom! gaat gij mede;
-de Heer kan toch zelf zijn koffers niet dragen;&rdquo;&mdash;de
-aangesprokene moedigde weder een derde aan om mede te gaan,&mdash;de
-derde een vierde en ieder van hen had gaarne gezien, dat een
-<span class="ex">ander</span> zich daartoe bereid had betoond, maar om
-het <span class="ex">zelf</span> te doen, daartoe gevoelde <span class=
-"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>de
-eerste zoo min lust als de tweede, de derde of de vierde.&mdash;Onder
-de Gam&#277;lanspelers was er een, die een begeerig oog sloeg op de
-Spaansche matten, welke de Loerah hem voorhield; hij nam er een in de
-hand, draaide ze om, bekeek haar nu aan dezen, dan weder aan den
-anderen kant;&mdash;zij beviel hem uitmuntend, gaarne had hij ze
-behouden, <span class="ex">maar</span>&mdash;daaraan zijn gemak op te
-offeren, zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te
-gaan! ver van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te
-dragen! op het heetste van den dag!&mdash;neen, <span class=
-"ex">dat</span> was te veel gevergd. Hij trok een bedenkelijk gezigt,
-gaf, met de blikken naar den grond gewend, den dollar aarzelend terug,
-zette zich neder, zweeg en&mdash;kaauwde Siri.</p>
-<p class="par">Eindelijk naderden eenige knapen: &bdquo;<span class=
-"ex">ik</span>, mijn Heer! <span class="ex">ik</span> wil
-me&ecirc;!&rdquo; en een derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die
-de oudste van hen scheen te zijn, zeide: &bdquo;indien ik de Spaansche
-mat krijg, ga ik me&ecirc;.&rdquo; Maar wat zouden wij uitrigten met
-deze drie knapen, waarvan twee nog volslagen kinderen waren. Toen nu de
-Loerah uit Gnoetnig gewaar werd, dat onze zaken verkeerd liepen,
-verontschuldigde hij zich insgelijks zeer beleefdelijk en verzocht om
-onze toestemming, ten einde nu mede naar zijn dorp terug te keeren. Hoe
-ongaarne wij ons dezen laatsten troost zagen ontvallen, was zijn
-verlangen toch te billijk om van de hand gewezen te worden. Wij
-beloonden hem voor zijne moeite en hij vertrok. De weduwe, in welker
-hut wij onzen intrek hadden genomen, naderde nu en zeide: &bdquo;Och,
-mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een haast! Bevindt gij u hier niet
-naar uw wensch? Gij kunt vertoeven, zoo lang gij verkiest,&mdash;morgen
-of overmorgen zullen er wel Koeli&rsquo;s te vinden zijn;&mdash;wij
-blijven immers voortdurend hier!&rdquo;&mdash;en stellig houd ik mij
-overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden <span class=
-"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>kunnen
-vertoeven, zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een
-onvriendelijk gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij
-deel hadden genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van
-leven hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest
-zijn. Maar&mdash;een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten,
-daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden
-zij hun <span class="ex">gemak</span> en&mdash;bleven arm, gelijk zij
-waren, te huis.</p>
-<p class="par">Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte
-bevelschriften wilden wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik
-maken. Zouden wij derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het
-voortzetten van onzen togt kon althans heden, welligt ook morgen of
-overmorgen, niet worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam
-een brief aan het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons
-12 Koeli&rsquo;s toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen
-pas, ten einde hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd
-waren om in de binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat
-gevouwen en met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij
-gaven nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief
-van &rsquo;t hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd
-worden en dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief
-niet aan hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad
-van ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte
-het ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van
-2&frac12; gulden, waarvan wij er 1&frac12; vooruit moesten geven, te
-brengen naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan),
-hetwelk ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.&mdash;Van
-eene voldoende hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in
-Pisangbladeren <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name=
-"pb92">92</a>]</span>en schellen van den Pisangstam was
-gepakt&mdash;onze brief had hij behoorlijk in drooge bladscheeden van
-den Djamb&eacute;-(of P&#277;nang-) palm gewikkeld, ten einde hem voor
-nat worden te bewaren,&mdash;stapte onze bode, met den G&ograve;lok op
-zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn hoofd, alwaar
-hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak, omstreeks negen ure
-het dorp uit.</p>
-<p class="par">Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen,
-gaven eenigen onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in
-te rigten, en bevalen den kok&mdash;dit gewigtige ambt bekleedde een
-ander van hen&mdash;om voor een goeden maaltijd zorg te
-dragen.&mdash;Welgemoed behoort men zich te onderwerpen aan hetgeen
-onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden wij derhalve alle verdriet
-van ons af, beraamden dadelijk een nieuw plan voor datgene, &rsquo;t
-welk den bodem was ingeslagen en besloten om, met de helft onzer
-bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg te beklimmen. Wij voorzagen
-ons van eene kleine hoeveelheid Nasi, Pisang, Dendeng, eene kruik water
-(Gindi), namen een jagtgeweer, eenige natuurkundige instrumenten en
-dergelijken mede en joegen de drie dorpsjongens, die zich vroeger tot
-het verrigten van Koelidiensten hadden aangeboden, voor ons uit, om ons
-nu bij onzen togt bergopwaarts te begeleiden. Want zelfs tegen ruime
-betaling wilden zij vrijwillig &bdquo;zulk een hoogen berg&rdquo; niet
-beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt noodig om de vroeger
-opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl <span class=
-"ex">moeten</span> een bitter kruid is, zoo&mdash;verschaften zij ons
-het genoegen van hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en
-stapten vrolijk naar den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder
-noordwaarts gelegen en wel het hoogste gedeelte der lange <span class=
-"corr" id="xd21e1906" title="Bron: kergketen">bergketen</span>, welke
-het Tji-Nagn&eacute;akdal aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich
-in de opgenoemde rigting tot een <span class="pagenum">[<a id="pb93"
-href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>hoog en steil bergjuk, dat met
-een somber, onafgebroken woud is bedekt; door dit woud wilden wij ons
-een weg naar den bergtop banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het
-luchtruim bespeuren.</p>
-<p class="par">Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde
-en verre met hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs
-echter liet zich nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras
-golfde als een korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De
-omgebogen bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen
-terug en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt,
-waarvan de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer
-toe, terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die
-zich voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin
-wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe
-verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan
-het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen&mdash;de
-alledaagsche kost der tijgers&mdash;sprongen allerwege op en verdwenen
-al knorrend even spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine
-Oema-velden aan, waarop Padi (rijst), Djagong (ma&iuml;s) of Kapas
-(kleine katoenstruiken) groeiden en die als opene, van alle onkruid
-gezuiverde plekjes in de graswildernis verstrooid lagen.</p>
-<p class="par">Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den
-voet van het gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende
-bergribben om het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs
-korter en geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen
-wordende, verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche
-weidevelden. Hier groeide tusschen het gras eene menigte prachtige
-purperroode bloemen, Onj&eacute; of Koening, waarvan de aromatische
-wortelen <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name=
-"pb94">94</a>]</span>het hoofdbestanddeel vormen der K&#277;ri, aan
-welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele plaatsen verhieven zich
-afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter ter wederzijde van de
-bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld woud vormden. De wind
-ruischte allengs sterker door het loofgewelf; het ritselen van het
-fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze hoofden boogsgewijs
-vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts hing, nam hand over hand
-toe en het geknars der over elkander heen en weder bewogen wordende
-Bamboesbuizen,&mdash;de kolossale stengels dezer grassoort,&mdash;die
-de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider, naar mate wij
-hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten (M&#277;ndjangan)
-huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel) werden wij hier en
-daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne holen aan de zijwaarts
-gekeerde hellingen der bergrib trachtten te verschuilen. IJlings
-wierpen de Javasche knapen den last, welken zij droegen, neder, liepen
-deze kleine, volkomen onschadelijke dieren na om ze te vangen of te
-dooden, niettegenstaande zij oneetbaar zijn. Niet dan met moeite kon
-<span class="sc">Nacht</span> hen daar van terug houden; hij sprak hen
-op de volgende wijze toe: &bdquo;wij moeten nimmer eenig dier
-mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen, mogen
-wij - - -&rdquo; paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin,
-die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten
-had. <span class="sc">Nacht</span> had willen zeggen: - - - die ons
-geen nadeel toebrengen, mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in
-dier voege voltooid: wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en
-mogen <span class="ex">dezulken</span> onder de onschadelijke dieren
-wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten, dewijl plantenvoedsel
-<span class="ex">alleen</span> voor onze behoefte niet toereikend
-is.</p>
-<p class="par">Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen
-wedervinden, <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name=
-"pb95">95</a>]</span>waar het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak
-midden in den weg en zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder
-voort.&mdash;Langzamerhand verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats
-daarvan verhieven zich groepen fijn gebladerde acacia&rsquo;s
-(Djoendjingboomen); hun in de breedte uitgestrekt loofdak scheen een
-floers, dat tusschen ons oog en den hemel was uitgespannen en eene
-menigte grijze apen (Monjet) sprongen al schommelend, als het ware ons
-ten spot en met elkander spelende, over de lang uitgestrekte takken
-dezer boomen in het rond.</p>
-<p class="par">Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het
-oorspronkelijke woud, dat zich voor onze blikken verhief als
-zuilenrijen met gangen tusschen de pilaren, waardoor men in het
-binnenste kon zien als in eene hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke
-afzonderlijke zuil met eene koepelvormig zich verheffende loofmassa als
-het ware met eene groene wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf
-binnen en nu veranderde het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij
-200 voet hooger in dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was
-reeds verdwenen, en vervangen geworden door de lommerijkste schemering.
-Slechts hier en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het
-loofdak, als door een geopend venster, nog een gedeelte van den
-blaauwen hemel; in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden
-wij nu eene koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt,
-dat wij zoo straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan
-een groen met millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide
-kleinere boomen, struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem
-verhieven, aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts
-hingen, en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte
-tusschen de boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name=
-"pb96">96</a>]</span>ja, nog hooger, terwijl daarenboven wilde
-wijngaardtakken (Aro&iuml; ki barera) en andere slingerplanten,
-namelijk O&euml;- of Rotansoorten, wier ranken menigwerf de dikte van
-een mansarm bereiken, tot in de toppen der boomen opklauterden, van
-daar weder naar den bodem afdaalden, zich op nieuw verhieven en het
-woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet de geringste adem des winds
-bragt de minste beweging voort in het binnenste van dit woud, maar hoog
-boven ons in de toppen der boomen ruischte de wind en veroorzaakte een
-voortdurend gesuis, &rsquo;t welk zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en
-dof van toon was, dat men op het denkbeeld zou hebben kunnen geraken
-het gebruis te vernemen eener branding, klotsend tegen een ver
-verwijderd strand. Het waren Poespa-, Ki t&#277;rong-, B&#277;ngang-,
-Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten, wier stammen zich hier
-allen onder elkander, in een woud, slank en hoog als kunstmatig
-gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen bloemen lagen op den bodem
-verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen rees hier en daar een
-reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts, die als het ware uit
-honderd andere ineengedraaide of door elkander gevlochtene stammen is
-gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen door hunne takken rond,
-terwijl groote vogelen (jaarvogels), die zich slechts door hun luid
-snuiven verrieden, hoog boven het woud heenvlogen. Eindelijk&mdash;wij
-naderden nu den top des bergs&mdash;ontwaarden wij eiken-, laurier- en
-Ki m&eacute;rakboomen tusschen de anderen, die allengs dunner werden en
-verder van elkander schenen op te groeijen. Het was nu ongeveer 12 ure.
-Onze togt door het woud had twee uren geduurd; een open plekje bereikt
-hebbende, zetteden wij ons neder om uit te rusten. Wij luisterden naar
-het gezang eens vogels, Manoek kaso geheeten, welks slagen verre door
-het woud klonken en waarvan wij in de <span class="pagenum">[<a id=
-"pb97" href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>lager gelegene streken
-des bergs niets hadden gehoord. Te oordeelen naar den stand des
-barometers, bevonden wij ons nu ter hoogte van ongeveer 4000 voet.
-Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree en valeriaan groeiden hier in
-het rond, benevens nog andere bloemen, die zooveel overeenkomst hadden
-met onze Hollandsche flora, dat mijn broeder <span class=
-"sc">Nacht</span> er niet weinig van verrast stond.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hoe wonderbaar
-toch!&mdash;Op onzen korten togt van het dorp tot aan deze woudgrens
-hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan tot voedsel,
-woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de schaduw van
-velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie opleverende
-vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en schenkt hem
-het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjab&eacute;), welke
-hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet, groeit
-niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen de velden,
-die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en ma&iuml;s, benevens katoen
-opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang,
-dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger
-bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels
-(buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den
-vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit hij
-alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige
-schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen
-bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild
-wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen,
-dat de Javaan, te midden van eene <span class="ex">zoo</span> rijke,
-<span class="ex">zoo</span> vruchtbare natuur levende, die hem bijna
-alles, wat hij behoeft, reeds <span class="ex">kant en klaar</span>
-oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is.
-<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name=
-"pb98">98</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Dat is volkomen waar. De
-verscheidenheid der producten van het plantenrijk, zoo mede der dieren,
-welke daarvan afhangen, is buitengewoon groot in dit land, alwaar het
-gansche jaar door eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge
-bergen worden gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger
-bergopwaarts stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander
-land en klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op
-den het naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook
-weder, gelijk overal elders in de gansche schepping, eene <span class=
-"ex">enkele</span> oorzaak&mdash;de afnemende warmte naar mate de
-aardoppervlakte hooger rijst&mdash;duizend andere werkingen te weeg.
-Eerst hebt ge, beneden in het heete land, Alang alanggras met wilde
-zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen, en tijgers welke zich
-hoofdzakelijk met <span class="ex">wilde zw&#307;nen</span> (met in
-vleesch en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken
-ontwaard met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten
-voorkomen die gras eten, benevens Bioel&rsquo;s die op wormen en
-insekten azen, welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen
-vermolmde boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst
-voorkomen;&mdash;later hebt ge acacia&rsquo;s aangetroffen, waarin
-grijze apen rondsprongen, die zich voeden met de peulvruchten van dit
-geboomte; vervolgens kwaamt ge aan het hoogstammnige oorspronkelijke
-woud, dat met vijgenboomen aanving en hier met Ki m&eacute;rakboomen
-eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit, dewijl hij zich met de
-bessen van deze boomen voedt.&mdash;Overal waarheen gij uwe vorschende
-blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur zult gij bevestigd
-zien, dat immer het eene van het andere afhangt en hieruit weder andere
-gevolgen voortspruiten, en dat een schoon, van het allerhoogste vernuft
-getuigende, consequent gevolgde plan in het gansche scheppingswerk
-<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name=
-"pb99">99</a>]</span>zigtbaar is, waarvan de grondstelling is: door de
-eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid voort te
-brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren- en
-plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij
-brengt in tegendeel overal overeenkomstige&mdash;verwante en
-analoge&mdash;vormen voort, die echter, indien de bodem en het klimaat
-verschillen, toch niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze
-bloemen, deze frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het
-diepland van Java zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden
-wij ons bijna 4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar
-ginds beneden ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen,
-namelijk, dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer
-noordelijk gelegen vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij,
-dan ziet ge, dat zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat
-het echter niet dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad
-zelfs hier op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer
-aanmerkelijk van het onze in Holland.</p>
-<p class="par">Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich
-zaamgepakt en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten
-einde zoo spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu
-toe een naauw pad gevolgd, &rsquo;t welk wij hadden beschouwd als een
-weg, door houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter
-begaanbaar, hoe hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een
-ure den hoogsten top bereikten, zagen wij met verwondering een
-P&#277;ndopo voor ons, dat is, een open gebouw met een op vier stijlen
-rustend dak en onder dit dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste
-steenen bedekt en omringd graf. V&oacute;&oacute;r den grafheuvel stond
-eene offerschaal met wierook en enkele nog niet geheel verwelkte
-bloemen. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name=
-"pb100">100</a>]</span></p>
-<p class="par">Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met
-schrik uit onze overpeinzing,&mdash;wij zagen om en bemerkten, dat de
-spaanders van een Ki m&eacute;rakboom in het rond vlogen, die, op een
-geringen afstand beneden den bergtop staande, door den bliksem
-getroffen en geheel en al van zijne schors beroofd was geworden. Wit
-gelijk een spook stond nu daar, aan de helling, de ontzaggelijk hooge
-boomzuil, die een oogenblik te voren nog beladen was geweest met
-donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast vormde met de zwarte
-wolken, die zich steeds digter en dreigender rondom ons zamenpakten.
-Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij, door eene spleet tusschen
-de wolken, een klein gedeelte van het dal, dat, ver beneden ons door
-het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was, doch ook dit verdween
-weldra achter de steeds lager dalende en zich verder uitbreidende
-wolken.&mdash;Wij bevonden ons te <span class="ex">midden</span> van
-eene onwe&ecirc;rswolk.&mdash;Al onze begeleiders zaten stil
-nedergehurkt rondom het graf; zij durfden naauwelijks adem halen,
-terwijl de bliksemstralen uit hunne zwarte geboorteplaats
-voortgeschoten, blaauw van schijnsel, maar tevens even hel verlichtend,
-oogverblindend als het zonnelicht, in zikzak digt voorbij onze oogen de
-lucht doorkliefden, terwijl de donder ratelde, zoo vreesselijk luide,
-dat het ons gehoor verdoofde, dat wij verstomd ter aarde
-zonken,&mdash;terwijl tevens de regen in ontzaggelijk groote droppels
-begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de bliksemstralen,
-die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links, dan regts, dan van
-alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend, ratelend en
-oorverdoovend <span class="ex">te gel&#307;k</span>,&mdash;terwijl de
-nagalm van den donder weerklonk daar boven in de wolken en beneden
-langs de berghellingen rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk
-eene basstem en zoo geweldig dreunend, dat de gansche berg <span class=
-"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name=
-"pb101">101</a>]</span>onder onze voeten scheen te beven en het ons
-voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine aardbol boven ons
-hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts&mdash;en onder onze voeten
-langs het gebergte afwaarts gerold werden,&mdash;daar doorkliefde
-ratelend weder een straal de lucht,&mdash;een dof geschrei werd ter
-naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht in den
-grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,&mdash;wij namen hem in ons
-midden, wreven hem,&mdash;maar tot in het binnenste der ziel geschokt
-door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar digt
-nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot met hem
-te deelen,&mdash;terwijl de vreesselijkste plasregen
-ne&ecirc;rstroomde, die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te
-spoelen.</p>
-<p class="par">Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde
-watervloeden en stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts
-stroomden,&mdash;maar de onwe&ecirc;rswolken begonnen te dalen en zich
-verder uit te breiden. De eerste en heftigste uitbarsting had plaats
-gehad <span class="ex">digt boven en rondom</span> den hoogsten
-bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich het meest en het
-eerst hadden verdikt. Nu daalde de onwe&ecirc;rsbui reeds lager langs
-de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen voor ons uit,
-terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken
-voortschoten.&mdash;De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg
-weldra zijne bezinning.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Zijt gij niet angstig,
-bevreesd?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Neen; maar ik ben verbaasd
-en opgetogen tevens. Het schouwspel is vreesselijk schoon en prachtig.
-Het oogenblikkelijke van het gevaar echter, waaraan ik blootsta en dat
-ik niet kan ontvlieden,&mdash;het plotselinge van het lot, dat mij hier
-elken oogenblik kan treffen, maakt dat ik mij in <span class=
-"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name=
-"pb102">102</a>]</span>mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor
-den donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal
-nemen en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt
-worden getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens
-het oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien
-de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den
-top eens bergs begraven zijn.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gelooft gij aan de
-onsterfelijkheid der ziel?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeer zeker.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is mij aangenaam die
-woorden van u te hooren. Voor mij is dit geloof eene behoefte; zonder
-dat zou ik <span class="ex">niet</span> gelukkig kunnen
-leven.&mdash;Maar zeg mij eens, indien gij daaraan gelooft, hoe
-verklaart gij dan <span class="ex">het zoo allengs</span> ontwaken van
-het bewustzijn in den mensch, de zoo langzame ontwikkeling van het
-verstand en van het denkvermogen, welk een en ander juist gelijken tred
-houdt met de voortgaande vorming der ligchamelijke organen, der
-hersenen, die van lieverlede volkomener worden?&mdash;Hoe brengt gij
-dat in overeenstemming met de zelfstandigheid en de onvergankelijkheid
-der ziel,&mdash;waar neemt zij haren aanvang in de embryo, in de foetus
-of in het pas geboren wicht en waar houdt zij op bij den kindsch
-geworden grijsaard!&mdash;<span class="ex">waar</span> is de grens
-tusschen dier en mensch?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Die grens kan ik u niet
-aanwijzen; wanneer mijne ziel aanving, van zich zelve bewust te zijn,
-weet ik niet. Overal zie ik de kracht aan de stof gebonden en ik ken
-geene kracht zonder ligchamelijken grondslag, en even zoo is het
-omgekeerde het geval; de koorts kan mijnen geest verduisteren, kan mij
-onzamenhangende woorden doen spreken, ja, een slag op mijn hoofd,
-zonder aan het ligchamelijk leven noodwendig hinder toe te brengen, kan
-mijn bewustzijn <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103"
-name="pb103">103</a>]</span>doen ophouden.&mdash;Maar beschouw
-daarentegen het onweder, dat zich voor ons oog heeft ontlast. Wie zou
-dezen morgen bij het ontwaren der blinkende dauwdruppelen, die zoo
-rustig parelden aan grashalmen en struiken, wie zou er aan gedacht
-hebben, dat daarin zulk eene vreesselijke kracht sluimerde, eene
-kracht, welke de stem des donders verwekt, de duisternis der wolken
-verlicht, de boomen vaneensplijt, ja, die alle zenuwen van uw binnenste
-hevig schokt!&mdash;Toch is het niet anders dan de door warmte
-opgeloste, als waterdamp opgestegene, vervolgens snel bekoelde en
-verdikte, in millioenen van nevelblaasjes herschapene, wolkenvormende
-dauwdruppel, waaruit nu door wrijving en spanning de electriciteit te
-voorschijn treedt.&mdash;En wanneer nu morgen vroeg <span class=
-"ex">wederom</span> de dauwdruppel, even stil glinsterend als
-<span class="ex">heden</span> morgen, gelijk een paarl aan grashalmen
-en struiken hangt, durft gij dan gelooven, dat de kracht, welke hij
-thans onder de teekenen van bliksem en donder voor uwe blikken heeft
-ontwikkeld, er aan is ontweken, niet meer voorhanden is, of dat zij er
-heden morgen vroeg niet in bestaan heeft?&mdash;Zeer zeker zult gij dat
-niet gelooven.</p>
-<p class="par">Zoodanig is het ook gelegen met &rsquo;s menschen
-geest.&mdash;De dauwdruppel is gelijk aan het nog ongeboren of het pas
-geboren kind; in zijn binnenste, hoewel nog stil en sluimerend, ligt de
-kracht verborgen,&mdash;gelijk de waterdamp rijst hij, zich
-ontwikkelend, opwaarts; in het onwe&ecirc;r lichtend staat hij daar, de
-volwassen mensch, wiens geest de gansche wereld omvat en&mdash;in de
-regenstroomen, de stortbeken, daalt hij neder naar de oneindige zee,
-die hem het eerst zijne wording schonk:&mdash;de grijsaard buigt het
-verzwakte hoofd neder in den schoot des <span class=
-"ex">Eeuwigen</span>.</p>
-<p class="par">Terwijl het onweder steeds lager afdaalde langs de
-berghellingen en wederom hier en daar blaauwe plekken boven
-<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name=
-"pb104">104</a>]</span>onze hoofden zigtbaar werden tusschen de wolken,
-die zich meer en meer verdeelden, begon onze kleine karavaan zich te
-herstellen van de uitgestane angst en haalden de Javanen weder vrijer
-adem. Eindelijk zagen wij den bliksem ver beneden ons uit de wolken te
-voorschijn komen en de donder, die zich van daar voortplantte, maakte
-op ons, die op den bergtop stonden, juist zulk een indruk als kwam hij
-uit het binnenste van het gebergte voort. Waarschijnlijk stortregende
-het nu te Gnoerag, dat wij nog niet hadden kunnen zien; maar reeds ten
-2 ure bescheen de vriendelijke zon weder den bergtop, zoo mede de
-oppervlakte der wolken die, zich meer en meer ontlastende, ver beneden
-ons waren gedaald.</p>
-<p class="par">Wij, benevens onze begeleiders, nuttigden nu het door
-ons medegebragte ontbijt en besloten nog een uurtje op den bergtop te
-vertoeven en te wachten, totdat de Bandj&#277;r&rsquo;s, d. i., het
-zaamgevloeide water, dat nu alle kleine beken in bruisende stroomen
-herschapen had, hunne woede zouden hebben uitgeput. De Javanen wisten
-ons omtrent het grafgesticht niet veel meer te verhalen, dan dat aldaar
-<span class="ex">iemand uit den</span> &bdquo;<span class="ex">zeer
-ouden</span>&rdquo; (<span class="ex">voormaligen</span>) <span class=
-"ex">t&#307;d</span> begraven lag. Mohammedanen zijnde, gelooven zij,
-even als de Joden en Christenen, aan de wederopstandig des vleesches en
-hebben een grooten eerbied voor de graven der afgestorvenen. Het ter
-aarde bestellen op bergtoppen schijnt in de Soendalanden bij vorsten en
-voorname personen reeds eene gewoonte te zijn geweest <span class=
-"ex">voor</span> den tijd van de Hindoerijken op Java,&mdash;de Brahma-
-en Boedhagodsdienst,&mdash;derhalve reeds tijdens het bestaan van het
-oorspronkelijke polytheismus der Soendanezen, en eerst sedert de
-invoering van den koran in onbruik te zijn geraakt. Op zeer vele,
-voornamelijk ge&iuml;soleerde bergtoppen vindt men dergelijke oude, met
-steenen omringde graven.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Dewijl het zich laat
-aanzien, dat wij het waarschijnlijk <span class="pagenum">[<a id=
-"pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>voor lief zullen
-moeten nemen om nog eenige dagen te Gnoerag te vertoeven, komt het mij
-voor, dat wij onzen tijd, vooral gedurende de lange avonden, op eene
-nuttige wijze zouden kunnen besteden door te beproeven om de Javanen in
-de zedeleer en de godsdienst te onderwijzen. Zoo gaarne zou ik hen
-bekend maken met den inhoud van het Christelijk evangelie; ik kan niet
-ontveinzen, mijn broeder, dat gij menigen twijfel bij mij hebt
-opgewekt, maar de zedelijke waarheden, welke de Christelijke leer
-bevat, hebt gij niet kunnen loochenen, ja, er zelfs bijgevoegd, dat dit
-denkbeeld nimmer bij u was opgekomen.&mdash;Het staat u echter niet
-vrij het geloof van anderen aan het wankelen te brengen en twijfel in
-hen gaande te maken, indien gij niet in staat zijt iets beters aan te
-bieden, in de plaats van hetgeen gij aan hen ontneemt of ontnemen wilt.
-Die de stormklok luidt en de menschen uit den slaap doet opspringen,
-moet hun de rust we&ecirc;r hergeven.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Laat ons de proef er van
-nemen. Geef heden avond aan de bewoners van dit dorpje, die wij in eene
-der ruimste hutten bijeen zullen doen komen, onderrigt in <span class=
-"ex">uw</span> evangelie; morgen avond zal ik hun het <span class=
-"ex">m&#307;ne</span> verkondigen. Gij kunt alsdan onder mijne
-toehoorders plaats nemen en wij zullen dan later zien welke der beide
-leerstellingen den voordeeligsten indruk op de Javanen heeft gemaakt,
-en of mijn evangelie in staat is geweest u tot overtuiging te
-brengen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Met genoegen neem ik dit
-voorstel aan en ben bereid heden avond de zaak te beginnen. Ik zal hun
-de Christelijke geloofsbelijdenis <span class="ex">juist
-zoodanig</span> voordragen, en wel woordelijk, al is het dan ook
-verkort of, beter gezegd, ik zal hen met het <span class=
-"ex">wezenl&#307;ke</span> er van, bij wijze van uittreksel, op die
-wijze bekend maken gelijk zij aan de jeugd in ons vaderland overal
-wordt geleerd. Ik zal daarbij een der meest <span class=
-"pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name=
-"pb106">106</a>]</span>gebruikelijke leerboeken tot leiddraad nemen en
-dit getrouw volgen, en zulks te eerder, dewijl het mij waarschijnlijk
-voorkomt, dat toekomstige zendelingen denzelfden of een dergelijken weg
-zullen inslaan. Ik ben zeer verlangend om den indruk na te gaan, welken
-deze leer op de Javanen zal maken. Het spreekt van zelf, dat deze leer
-voor u, indien gij onder mijne toehoorders plaats mogt nemen, niets
-nieuws zal behelzen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> In mijn evangelie zult gij
-evenmin iets nieuws aantreffen; gij zult daarin slechts al de
-hoofdstellingen terugvinden omtrent godsdienst en zedeleer, die reeds
-door Jezus, ja, grootendeels door anderen als Mozes, Boedha en
-Confucius, <span class="ex">langen t&#307;d voor hem</span> zijn
-geleerd en gepredikt geworden.&mdash;Het ligt niet in mijne bedoeling,
-de verdienste te willen verkleinen dezer voortreffelijke mannen, in
-wier gemoed het godsdienstig gevoel zoo luide en zuiver zich deed
-hooren. Ik geloof in tegendeel, dat hunne verdienste des te grooter is,
-naar gelang het tijdperk, waarin zij hebben geleefd, verder van ons
-verwijderd is en de trap van wetenschappelijke beschaving en kennis,
-waarop de maatschappij destijds stond, lager moet worden gesteld. Ik
-streef naar de bereiking van een dubbel doelwit: <i>ten eersten</i> om
-de geloofsleer te zuiveren, haar te ontdoen van al &rsquo;t geen
-<span class="ex">bepaaldel&#307;k</span> dwaling en bijgeloof moet
-worden geacht en <i>ten anderen</i> datgene, &rsquo;t welk van de
-godsdienst en zedeleer overig blijft, nadat zij gezuiverd zullen zijn
-van de besmetting van bijgeloof en dwaling, <span class="ex">uit de
-versch&#307;nselen in de natuur en hare wetten</span>, met inbegrip van
-den mensch en zijne geschiedenis, op <span class="ex">te helderen, en
-er door te staven</span>, ten einde op die wijze het verderfelijke
-geloof aan eene regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring voor
-goed uit te roeijen en den mensch te nopen zich aan de echte en
-onuitputtelijke bron <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107"
-name="pb107">107</a>]</span>van kennis, de natuur, te laven. Ik herhaal
-u nogmaals&mdash;en ik verzoek uitdrukkelijk, dat zulks niet worde over
-het hoofd gezien, ten einde de beschuldiging van ongepaste aanmatiging
-of onbillijkheid door u op mij niet worde geworpen,&mdash;ik geloof,
-dat een groot gedeelte der leer, welke mijn evangelie bevat nopens de
-hoedanigheden van God en de zedelijke wetten der menschen, reeds door
-Jezus, ja, langen tijd v&oacute;&oacute;r hem door de vroeger genoemde
-leeraars in Egypte, Indi&euml; en China met dezelfde of meer of min
-verschillende bewoordingen is gepredikt geworden.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar indien gij dit
-erkent en te gelijk aanmerkt, dat de kennis der natuur en van hare
-wetten ten tijde van Jezus nog geheel en al in het duister lag, ja, dat
-het onderzoek der natuur, waaruit gij de bewijzen voor de waarheid uwer
-leerstellingen, naar uw beweren, wenscht af te leiden, toenmaals nog
-niet was aangevangen,&mdash;waaruit kan Jezus, waaruit kunnen zijne
-voorgangers Boedha, Mozes, de kennis dezer waarheden toch geput hebben,
-dan uit eene regtstreeksche goddelijke ingeving?&mdash;Gij erkent
-hierdoor immers met der daad de goddelijke openbaring, die gij wilt
-wederleggen!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Neen, mijn geliefde
-broeder.&mdash;De ziel des menschen is zoo van nabij verwant met den
-geest, die het geschapene heeft daargesteld en onderhoudt; door middel
-zijner vijf zinnen staat de gezonde mensch in zulk eene innige
-betrekking tot de schakels van de oneindige keten der natuur, waarvan
-hij slechts <span class="ex">eene</span> kleine schakel is,&mdash;dat
-de verschijnselen, die hij rondom zich waarneemt, voor twee of drie
-duizend jaren onfeilbaar denzelfden indruk op hem moesten maken als
-thans het geval is. Destijds bespeurde hij de regelmatigheid, de
-harmonie in de verschijnselen, de doelmatigheid in alle inrigtingen der
-natuur even goed als thans,&mdash;<span class="pagenum">[<a id="pb108"
-href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>hij zag hoe elk diertje zich
-verheugde in het genot zijns levens;&mdash;hij gevoelde zich tevens
-overtuigd van zijne eigene vergankelijkheid en onmagt; daardoor kwam
-hij tot de gevolgtrekking, dat er een hooger wezen moest bestaan, als
-de grondoorzaak aller dingen, wiens hoedanigheden hij afleidde uit de
-schepping, die noodzakelijker wijze indruk op hem moest maken, al kon
-hij de verschijnselen, door hem waargenomen, niet zoodanig verklaren
-als wij, die de wetten hebben nagespeurd. Ja, de beschouwing onzer
-eigene, redelijke ziel leidt reeds tot het denkbeeld van het bestaan
-eens redelijken scheppers: &bdquo;ik ben, God is er,&rdquo; en dit
-moest v&oacute;&oacute;r duizenden van jaren evenzeer het geval zijn
-als thans.&mdash;Deze bevattelijkheid is voor den met rede begaafden
-mensch een even eigendommelijk en onvervreemdbaar erfdeel als het
-instinct der bijen om cellen te bouwen of de kunstdrift der spin om een
-regelmatig weefsel te vlechten!&mdash;En lag niet reeds een groot
-gedeelte der wereldgeschiedenis, dat zich over vele duizende jaren
-uitstrekte, lag dat niet reeds <span class="ex">achter</span> Jezus?
-Was het godsdienstig bewustzijn in den Semitischen volkstam, waartoe
-Jezus behoorde, niet van oudsher en bij uitnemendheid, meer dan bij
-andere volken levendig geweest, en ontving hij van zijne voorvaderen
-niet een schat van wijsheid en kennis Gods ten erfdeel, welke, als kiem
-in den rijk begaafden knaap gelegd, tot een eigendommelijken bloei
-geraakte?&mdash;Uit welke bron hebben dan de oude Hindoes,
-Egypti&euml;rs, Chinezen, Perzen hunne zedeleer geput,&mdash;wie heeft
-haar aan de Amerikaansche wilden verkondigd, die toch, in denzelfden
-stam, <span class="ex">jegens elkander</span> menschlievend, getrouw
-zijn en vele andere deugden beoefenen?&mdash;Waant gij, dat God ook aan
-hen een Messias gezonden, hun eene openbaring heeft geschonken?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Toegestaan voor den
-oogenblik, dat de Amerikaansche <span class="pagenum">[<a id="pb109"
-href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>wilden in denzelfden
-bevrienden stam zich menschlievend jegens elkander gedroegen, zoo waren
-zij echter des te gruwzamer jegens andere stammen en tegen de blanken,
-die zij scalpeerden. Men behoort menschlievend te zijn jegens
-<span class="ex">alle</span> menschen, zelfs jegens zijne
-vijanden.&mdash;Hoe is het dan toch mogelijk, dat er, naar uw beweren,
-menschlievendheid wordt gevonden bij de Amerikaansche <span class=
-"ex">wilden</span>?!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ik kan en durf beweren, dat
-zulks het geval is, mijn broeder; uit de geschiedenis kan ik u
-bewijzen, dat zij menschlievendheid bezaten, deugden beoefenden,
-waarvan bij de <span class="corr" id="xd21e2146" title=
-"Bron: Jezuiten">Jezu&iuml;ten</span> en andere blanken, die hen tot
-het Christendom wilden bekeeren, geen spoor te vinden was. Maar zij
-beschouwden de vreemde stammen en blanken als vijanden en scalpeerden
-hen. Of waren die blanken <span class="ex">niet</span> hunne vijanden?
-Wat deden zij dan? Overal waar zij kwamen, bragten zij hunne
-Christelijke liefde met zich, om&mdash;de roodhuiden, ware het
-mogelijk, van den aardbodem te verdelgen. En indien gij nu hier tegen
-aanvoert, dat de Amerikaansche wilden ook <span class=
-"ex">onderling</span>, stam tegen stam, gruwzame oorlogen voerden, dan
-vraag ik u, hoedanig handelen in onze 19<sup>de</sup> eeuw, ja, te
-dezer stonde de <span class="ex">Christen</span>stammen, de groote
-mogendheden van Europa, hoe handelen die <span class=
-"ex">onderling</span>?&mdash;Zij <i>prediken</i> op hunne schepen:
-&bdquo;hebt uwe naasten lief gelijk u zelven, zijt vergevensgezind
-jegens uwe vijanden, zegent ze die u vervloeken, doet wel degenen die u
-haten,&rdquo;&mdash;en hoe <i>volgen</i> zij deze leer op?&mdash;Zij
-bombarderen van diezelfde schepen de kuststeden van hunnen
-christenbroeder, steken zijne magazijnen in brand, boren zijne schepen
-in den grond, en vernietigen alles dat zij vernietigen kunnen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Laat ons daarover niet
-verder uitweiden, - - - gij zult mij bij eene volgende gelegenheid wel
-eens ophelderen, waarom het geloof aan goddelijke openbaring door u
-<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name=
-"pb110">110</a>]</span><span class="ex">verderfel&#307;k</span> wordt
-genoemd, - - zie daar ginds!&mdash;een regenboog, hoe prachtig! en wend
-uwe blikken naar beneden in het dal, dat door de zon wordt beschenen;
-hoe vriendelijk lacht het ons weder toe!</p>
-<p class="par">Het onweder had zich nu ook in het dal geheel en al
-ontlast en voor ons geene zigtbare sporen nagelaten dan gindschen
-ontschorsten boom en het opgewoelde plekje aarde in de nabijheid van
-het graf. Slechts het dof geruisch der gezwollene bergstroomen getuigde
-nog van de omkeering, welke in het luchtruim had plaats gegrepen. De
-wolken echter waren uiteengestuwd en slechts hier en daar hing nog eene
-enkele aan de met woudgeboomte bedekte hellingen van het gebergte.</p>
-<p class="par">Onze blikken gleden langs deze sombere wouden
-benedenwaarts en rustten op de velden en beemden, bedekt met Alang
-alanggras, die als een helderkleurig tapijt zich beneden de wouden
-uitstrekten, terwijl nog lager, te midden des dalbodems, op enkele
-plaatsen de Tji-Nagn&eacute;ak zigtbaar was, die als een zilveren band
-zich door de vallei kronkelde. Gelijk de stralen der zon ons hier op
-nieuw beschenen, zoo lachte zijn vriendelijk schijnsel ons ook uit dit
-dal weder te gemoet, alwaar wij ons klein dorpje op den voorsprong des
-bergs ontwaarden; duidelijk viel het ons echter niet in het oog, want
-de bruinkleurige hutten kwamen slechts op enkele plaatsen en nog ter
-naauwernood uit het bosch van vruchtboomen te voorschijn. De natuur was
-op nieuw verkwikt, de lucht bekoeld en hare opstijgende,
-dampenopvoerende stroomen hadden opgehouden; de ongelijkmatigheid in de
-uitzetting des dampkrings boven de verschillende gedeelten des lands
-was weggenomen, de rust hersteld en geen togtje liet zich meer
-bespeuren.&mdash;Insektenkoren begonnen in het woud te snorren, te
-gonzen, te fluiten en te zingen; de <span class="pagenum">[<a id=
-"pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>Manoek kaso verhief
-weder zijne stem en het kontrast tusschen het vorige en het
-tegenwoordige tooneel schonk aan het groene en bloeijende landschap en
-aan den zonneschijn, die het zoo liefelijk bescheen, eene dubbele
-bekoorlijkheid.&mdash;Zoo wordt ook in het menschelijk leven elk genot
-verhoogd door de ontbering; zonder ongeluk, zonder ellende, zou geen
-geluk worden gesmaakt;&mdash;zonder leelijkheid zou de schoonheid niet
-erkend,&mdash;zonder de zekerheid des doods het leven niet gewaardeerd
-worden. De wederwaardigheden des levens moeten ons nimmer den moed doen
-verliezen, maar wij behooren te gelooven, dat ongeluk, ziekte, ellende,
-armoede en ontbering door den wijzen Schepper der natuur worden
-toegelaten, dewijl zij nuttig zijn voor het geheel en moeten uit het
-onwe&ecirc;r leeren, dat ook de ongelukken, die het leven van enkelen
-teisteren, zoo mede de stormen in de geschiedenis der menschheid tot
-het wijze plan behooren, waarnaar het geheel door Hem wordt geregeld,
-dat zonneschijn en bloesems veel schooner dan vroeger daarop zullen
-volgen, en dat dit alles slechts verschijnselen zijn eener groote,
-steeds voorwaarts strevende wet der ontwikkeling.</p>
-<p class="par">Ten 3 ure begonnen wij den terugtogt;&mdash;wel bleek
-het gaan over den humusrijken woudbodem, die door den regen was
-opgelost, zeer bezwaarlijk te zijn, doch wij bereikten echter behouden
-het dorpje Gnoerag, van waar ons de toonen der Gam&#277;lan te gemoet
-klonken en ons een voortreffelijke maaltijd was bereid. Wij verhaalden
-de Javanen, dat wij een hert hadden geschoten, hetwelk wij niet in de
-gelegenheid waren geweest mede te brengen, en oogenblikkelijk was een
-half dozijn mannen&mdash;veel meer dan noodig was&mdash;op de been om
-het te gaan halen. <span class="ex">Dat</span> deden zij gaarne.</p>
-<p class="par">Nu gaven wij aan de dorpsbewoners te kennen, dat wij hen
-een en ander omtrent onze godsdienst en zedeleer wenschten <span class=
-"pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>mede
-te deelen, en daar zij bereidwillig verklaarden ons gaarne te zullen
-hooren, zeiden wij hun, dat wij beide tot eene verschillende
-geloofsbelijdenis behoorden, omtrent welk onderwerp wij nog niet tot
-eenstemmigheid hadden kunnen geraken. Indien zij nu genegen mogten
-zijn, ons gedurende een of twee uren de noodige aandacht te verleenen,
-dan zou mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> hun heden avond
-zijne leer ontvouwen, terwijl ik hun morgen avond <span class=
-"ex">m&#307;ne</span> geloofsleer zou verklaren. Toen zij hiermede
-volgaarne instemden, rieden wij hen aan over hetgeen zij zouden hooren,
-later na te denken en dit te bepeinzen. Wij gaven hun de verzekering,
-dat wij zulks deden met de goede bedoeling om hun nuttig te zijn, dat
-het hun echter volkomen zou vrijstaan in hun tegenwoordig geloof te
-blijven, in geval geen van ons beide in staat zou zijn hen van iets
-beters te overtuigen.&mdash;Nadat dit alles voor goed was bepaald, werd
-de grootste hut in het dorp gekozen tot de plaats van zamenkomst; al
-het huisraad werd bijeen op den achtergrond gelegd en hiervoor een
-gordijn gespannen, ten einde zulks aan het oog te onttrekken.&mdash;Het
-was zes ure. De zon was ondergegaan en de gezamenlijke bewoners van het
-dorp, zoo mannen, vrouwen als kinderen, waren in de hut bijeen, alwaar
-<span class="sc">Nacht</span> de volgende voordragt hield.&mdash;De
-Javanen hadden zich, met de beenen kruisselings over elkander, op den
-grond nedergezet en <span class="sc">Nacht</span> zat op een stoel in
-de nabijheid van den wand, waaraan twee brandende lampen waren
-bevestigd.</p>
-<p class="par">Voor zich op eene bank had hij den bijbel, benevens een
-vraagboekje tot onderwijzing in de Christelijke leer nedergelegd, en
-hier tusschen beide stond het zinnebeeld van het Christelijk geloof,
-een houten kruisbeeld. <span class="pagenum">[<a id="pb113" href=
-"#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p>
-<div id="evna" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">I.</span> Het Evangelie van
-Nacht.</h2>
-<h2 class="sub">GETROKKEN UIT HET<br>
-&bdquo;Vraagboekje tot Onderwijzing in de Christelijke
-leer.&rdquo;</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e2218">(<i>Te Amsterdam, bij Mortier Covens en
-Zoon.</i>)</p>
-<p class="par">Alles wat wij weten en geleerd hebben, weten wij uit den
-Bijbel; p. 92.<a class="noteref" id="xd21e2225src" href="#xd21e2225"
-name="xd21e2225src">1</a></p>
-<p class="par">In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook
-het oude testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd.
-De Bijbel is eene verzameling van Goddelijke,&mdash;door God
-ingegevene&mdash;boeken, waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en
-95.</p>
-<p class="par">Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der
-Goddelijke liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen
-regel van ons geloof en wandel aannemen; p. 95.</p>
-<p class="par">Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel
-getrokken, die voor ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en
-onveranderd is gebleven, zoo als hij hier voor mij op de bank ligt.</p>
-<p class="par">God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en
-goed; ik moet hem eeren en liefhebben; p. 1. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span></p>
-<p class="par">God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene
-vrouw Eva, naar zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en
-gelukkig; p. 2.</p>
-<p class="par">Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij
-aten van de vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in
-dwaze, verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen
-waren.&mdash;God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en
-3.</p>
-<p class="par">Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij
-luisterden niet naar hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo
-dat aan God geen ander middel overbleef, dan het geheele menschdom,
-behalve Noach en zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te
-verzuipen; p. 4.</p>
-<p class="par">Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen
-werden, na den zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren;
-zij zondigden noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5.</p>
-<p class="par">God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg
-Sina&iuml; de tien geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene
-vreemde Goden nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk
-aanroepen, den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet
-doodslaan, geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis
-afleggen, uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren;
-p. 10.</p>
-<p class="par">Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig
-voort zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde
-zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later
-openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou
-voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en
-16.</p>
-<p class="par">Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst,
-Afgoderij en allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens
-<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name=
-"pb115">115</a>]</span>door buitengewone leeraars, <span class=
-"ex">Profeten</span>, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook
-dit had weinig nut; p. 17 en 18.</p>
-<p class="par">Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd
-te Bethlehem, door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte
-maagd Maria geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i.
-Zaligmaker genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd,
-daalde de Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den
-hemel riep: deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn
-welbehagen heb.&mdash;Wat kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen,
-dat Jezus, te Bethlehem geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser,
-de Christus is!? p. 26 tot 29.</p>
-<p class="par">Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen
-zijne leer alom verkondigden. De Farize&euml;n en Schriftgeleerden
-waren zijne vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak
-gelijk &bdquo;zijn Vader&rdquo; (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid
-van zijne leer bleek vooral uit de <span class=
-"ex">wonderwerken</span>, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34.</p>
-<p class="par">Door den haat der Farize&euml;n en Schriftgeleerden werd
-hij valschelijk beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en
-gekruisigd. Na zes uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee
-vrienden deftig en eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig
-was, leed en stierf hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40.</p>
-<p class="par">Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan,
-gelijk hij te voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.&mdash;Dat
-was ten hoogste noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de
-Christus was, die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien
-Jezus in den dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p.
-40 tot 42.</p>
-<p class="par">Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen
-zijner discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is <span class=
-"pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>hij
-nu gezeten aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om
-al de zijnen volkomen zalig te maken.&mdash;En zijne discipelen werden,
-onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den
-Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42 tot
-45.&mdash;Deze leer luidt als volgt.</p>
-<p class="par">God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren
-Zoon. De Heilige geest is de geest der waarheid, die van den Vader
-uitgaat. Deze drie Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige
-waarachtige God en wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid
-toekennen.&mdash;Want deze drie zijn <i>een</i>.&mdash;Dit begrijpen
-wij, wel is waar, niet, maar wij moeten ons verheugen, dat wij God dus
-uit zijn woord tot zaligheid hebben leeren kennen; p. 53 en 54.</p>
-<p class="par">God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een
-overal tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe,
-onafhankelijke en almagtige, <span class="corr" id="xd21e2282" title=
-"Bron: goedertierene">goedertierende</span>, barmhartige, lankmoedige,
-heilige, regtvaardige en eeuwige Geest.&mdash;Hij onderhoudt en
-bestuurt alles, ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54
-tot 57.</p>
-<p class="par">Behalve de Goddelijke Drie&euml;enheid bestaan nog
-andere wezens, volkomener dan wij, namelijk goede en booze engelen. De
-goede engelen zijn voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der
-geloovigen. Maar de kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p.
-61.</p>
-<p class="par">Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den
-<i>eersten</i> mensch Adam ellendige zondaren en worden uit onze ouders
-<span class="ex">verdorven</span> geboren. Door de zonde is de dood in
-de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle menschen onderworpen
-geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en uit het binnenste
-van ons hart komen voort kwade gedachten.&mdash;De zonde is snoode
-ondankbaarheid tegen God en zal zwaar <span class="pagenum">[<a id=
-"pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>gestraft worden in
-een onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.&mdash;Door de zonde
-worden wij dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade
-onherstelbaar verloren geweest zijn; p. 61 tot 63.&mdash;Want God was
-boos op ons en toornig.</p>
-<p class="par">Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig
-en zond ons in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen
-heiligen Verlosser; hij zond ons zijn <span class="ex">eenigen
-Zoon</span>!&mdash;Deze heeft door zijn gehoorzaam lijden en sterven de
-straf onzer zonden gedragen, en door dit lijden en sterven is God nu
-met ons zondaren <span class="ex">verzoend</span> en schenkt ons
-genade, <span class="ex">vergeving der zonden</span>. Gods zoon heeft
-zich voor ons ten offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.</p>
-<p class="par">Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze
-belangen bij den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den
-Vader. Hij brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker,
-zonder wien wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.</p>
-<p class="par">Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer
-Jezus komen zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te
-houden.&mdash;De ure komt, in welke allen, die in de graven liggen,
-zijne stem zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben
-tot de Opstanding des levens,&mdash;zij zullen zalig gesproken worden
-en eeuwig bij Christus en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan
-hebben, zij zullen uitgaan tot de Opstanding der <span class=
-"ex">verdoemenis</span>! p. 67.</p>
-<p class="par">Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons
-bekeeren; wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze
-eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij
-vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.</p>
-<p class="par">Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven
-alles, <span class="ex">zelfs boven ouders en kinderen</span>,
-liefhebben; p. 73 en 74. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href=
-"#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p>
-<p class="par">Wij moeten alle menschen, zelfs onze <span class=
-"ex">v&#307;anden</span> liefhebben. Wij moeten het kwaad en de
-beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd gaarne vergeven; p.
-74 en 75.</p>
-<p class="par">Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze
-geringheid en onwaardigheid gevoelen, ons <span class="ex">zelven
-verloochenen</span> en onzen naaste liefhebben <span class=
-"ex">gel&#307;k ons zelven</span>; p. 76 tot 79.</p>
-<p class="par">Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.</p>
-<p class="par">Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden,
-en wanneer wij in <span class="ex">Jezus naam</span> bidden,
-<span class="ex">dan</span> zal God onze gebeden verhooren; p. 83.</p>
-<p class="par">De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om
-derzelver dwalingen afgescheiden; p. 80.</p>
-<p class="par">Gij moet u laten doopen om christen te worden.&mdash;In
-den Doop leert en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar
-zij alleen worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen
-gedaan, geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben,
-<span class="ex">zal verdoemd</span> worden; p. 88.&mdash;De ontvangen
-Doop verpligt ons om christen te zijn, zelfs indien wij nog jonge
-kinderen waren, toen wij gedoopt werden.</p>
-<p class="par">Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.&mdash;Want het
-gebroken brood en de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat
-Christus ligchaam gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der
-zonden, p. 90.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Elk der vermelde stellingen had <span class=
-"sc">Nacht</span> nader toegelicht door er langere of kortere
-verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de bijbelplaatsen,
-welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te deelen. Hoe
-dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden voor Javasche
-toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van hier in
-<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name=
-"pb119">119</a>]</span>Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer
-bekend is. Geen enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne
-rede gestoord; allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam
-toegeluisterd; hunne op elkander gelegde handen rustten op hunnen
-schoot en velen verhieven ze van tijd tot tijd en bragten de
-vingertoppen eerbiedig aan het voorover gebogen voorhoofd (dat wil
-zeggen, zij maakten een S&#277;mbah), zoo menigwerf de naam Toean Allah
-(God) werd genoemd.&mdash;Nadat <span class="sc">Nacht</span> zijne
-rede had ge&euml;indigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen nog
-eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan
-zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:</p>
-<p class="par">Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> u zoo even heeft voorgedragen, is de leer
-der Christelijk <span class="ex">Hervormde</span> kerk, gelijk zij in
-N&#277;gara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en gepredikt. Zij
-steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne beurt den
-bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte der bewoners
-van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel door de
-onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende wijze
-wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele sekten
-verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk, welke de
-<span class="ex">Katholieke</span> of Roomsch-Katholieke kerk wordt
-geheeten en deze telt het overige derde gedeelte der bewoners van
-Nederland tot hare belijders.&mdash;Naar de wijsselijk gestelde
-bepalingen onzer grondwet mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig
-wil aannemen; ditzelfde is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien
-Katholieke Christenen te worden, dan moet gij gelooven: dat in het
-brood en den wijn bij het avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van
-Jezus wordt genuttigd, die voor meer dan 1800 jaren is
-gestorven,&mdash;dat de Paus <span class="pagenum">[<a id="pb120" href=
-"#pb120" name="pb120">120</a>]</span>(zoo noemen de Katholieken hunnen
-opperpriester, die te Rome, dat is ver van Holland, woont) de
-stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken onfeilbaar zijn en wien
-gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja, die het regt heeft al uwe
-zonden te vergeven of te doen vergeven;&mdash;gij moet vlijtig ter
-biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de wonderdadige
-kracht der reliki&euml;n en de heiligen aanroepen, welke bij God in den
-hemel uwe voorspraak zijn,&mdash;hoofdzakelijk echter moet gij, behalve
-God den VADER en den <span class="ex">Zoon</span>, ook de heilige Maria
-aanbidden; want zij was de&mdash;MOEDER&mdash;<span class=
-"ex">van</span>&mdash;<span class="ex">Gods</span>&mdash;<span class=
-"ex">Zoon</span>.</p>
-<p class="par">Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of
-boven het lage gordijn, dat op den achtergrond der hut was
-uitgespannen, verhief zich een man, wiens hoofd met een witten tulband
-was omwonden. Wij waren beide, zoowel <span class="sc">Nacht</span> als
-ik, zeer verwonderd in dit kleine gehucht zulk eene verschijning te
-zien, maar loochenen konden wij het niet,&mdash;zijne kleederdragt
-toonde zulks duidelijk aan,&mdash;het was een Mohammedaansche
-<span class="ex">priester</span>. Hij hield eene Maleische overzetting
-van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een
-onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende, zoo
-dikwerf een der alhier <i>cursief</i> gedrukte woorden zijn mond
-ontrolde, riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half
-gillende stem:</p>
-<p class="par">Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet
-van eene <i>drieheid</i>. Er is slechts <i>een</i>, <i>eenige</i>
-God.</p>
-<p class="par xd21e203">(Koran, 4<sup>de</sup> soera.)</p>
-<p class="par">Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde
-ook mogen gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het
-oog verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p>
-<p class="par">De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk
-<i>afgoden</i>.</p>
-<p class="par xd21e203">(Koran, 12<sup>de</sup> soera.)</p>
-<p class="par">Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen <i>zoon</i>;
-maar daarmede spreken zij <i>godslastering</i>, en weinig verschilde
-het, dat de hemel werd vaneengereten en de aarde zich opende, en de
-bergen instortten, dewijl zij het durfden wagen den Albarmhartige
-<i>kinderen</i> toe te schrijven, dien het niet voegzaam is kinderen te
-verwekken. Niemand in den hemel en op de aarde mag den Albarmhartige
-naderen, dan slechts om zijn <i>dienaar</i> te willen zijn.</p>
-<p class="par xd21e203">(Koran, 19<sup>de</sup> soera.)</p>
-<p class="par">Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de
-hut; stil, bijna beangst slopen de Javanen weg. <span class=
-"sc">Nacht</span> verkeerde blijkbaar in eene onaangename stemming en
-was met zich zelven in tweestrijd. Ik was nog minder bevredigd dan hij,
-ja, ik was treurig gestemd en gevoelde geene neiging om te slapen.
-<span class="sc">Nacht</span> trad onze hut binnen. Ik begaf mij naar
-den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn nederzette. Ik
-trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten uit de beschouwing
-der <span class="ex">natuur</span>, der <span class="ex">levende</span>
-schepping van den goeden God en&mdash;vond die. Terwijl, op mijn
-verzoek, de Gam&#277;lan de toonen van zachte melodi&euml;n in de verte
-deed hooren, die plegtig en droefgeestig schoon door het eenzame dal
-we&ecirc;rklonken,&mdash;terwijl elk geruisch in de diepste nachtelijke
-stilte verzonken lag, viel ook <span class="ex">ik</span> eindelijk in
-slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij voor
-gevaren te hoeden, rondom mij en&mdash;zij sliepen <span class=
-"ex">nog</span>, toen ik den volgenden morgen op dezelfde plaats
-ontwaakte. <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name=
-"pb122">122</a>]</span></p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Gedurende den loop des daags hadden wij ons met
-kruidkundige en geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu
-weder bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar <span class=
-"sc">Nacht</span> gisteren avond zijn evangelie gepredikt had. Het was
-reeds 6 ure en nog was onze bode niet teruggekeerd. Gisteren was ik een
-toehoorder van <span class="sc">Nacht</span> geweest, nu zag ik hem in
-de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks den Mohammedaanschen
-priester, die zijn incognito nu had <span class="corr" id="xd21e2488"
-title="Bron: afgegelegd">afgelegd</span>, onder de overige
-Javanen.&mdash;Ik deelde hierop den Javanen, deels bij wijze van korte
-uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen, het navolgende
-mede.</p>
-<p class="par">Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe,
-een sextant en kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer,
-een barometer, een thermometer, een psychrometer, een kompas, een
-kunstmagneet, een microscoop, een ar&auml;ometer van Nicholson, een
-driezijdig prisma, eene draagbare camera obscura, een
-daguerr&eacute;otypetoestel, een kastje met scheikundige reagentia en
-andere dergelijke werktuigen der toegepaste wetenschap, als
-zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e2225" href="#xd21e2225src" name="xd21e2225">1</a></span> Deze
-getallen beteekenen de bladzijden van het vermelde
-&bdquo;<b>Vraagboekje</b>&rdquo;, waarop de spreker zich
-beroept.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e2225src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="evda" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">II.</span> Het Evangelie van
-Dag.</h2>
-<h2 class="sub">KORTE ONTWIKKELING DER NATUURLIJKE GODSDIENST EN
-ZEDELEER. OF GELOOFSBELIJDENIS<br>
-van den Regtzinnig Geloovigen Mensch.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e2218">In 25 HOOFDSTELLINGEN.</p>
-<p class="par">ALGEMEENE GRONDSTELLINGEN.</p>
-<p class="par">&bdquo;<i>Wat ieder mensch moet gelooven, behoort ook
-voor ieder mensch begrijpelijk te zijn.</i>&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;<i>Van elke leerstelling moet, door mondelinge
-voordragt of in geschrifte nader ontwikkeld, het bewijs harer waarheid
-uit de natuur en de geschiedenis geleverd en zij door voorbeelden
-aanschouwelijk gemaakt worden.</i>&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
-"pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line xd21e2520">&bdquo;Im Anfang war das Wort.</p>
-<p class="line">Ich kann das Wort so hoch unm&ouml;glich
-sch&auml;tzen,</p>
-<p class="line">Ich muss es anders &uuml;bersetzen.</p>
-<p class="line xd21e2520">&bdquo;<i>Im Anfang war die
-That.</i>&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first xd21e203">(<span class="sc"><a class=
-"pglink xd21e41" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
-"https://www.gutenberg.org/ebooks/2229">G&ouml;the</a>.</span>)
-<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name=
-"pb125">125</a>]</span></p>
-<div id="ch1" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">1.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De levende mensch is aan de aarde verbonden door
-de zwaartekracht. Door de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn
-aanzijn verbonden aan de atmospherische lucht. Zijn
-spijsverteeringstoestel maakt hem afhankelijk van de gansche overige
-natuur. Hij bestaat en leeft slechts door omzetting van <span class=
-"ex">reeds aanwezige</span> organische stoffen in het planten- en
-dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er weder
-uit verwijderd worden.&mdash;Van zijn aanwezen verkrijgt hij het
-bewustzijn door middel van zijne <span class="ex">v&#307;f
-zintuigen</span>, door het vermogen, &rsquo;t welk hij bezit, om te
-zien, te hooren, te ruiken, te smaken en te gevoelen. Door middel van
-deze vijf zinnen staat zijn innerlijk geestelijk wezen in verband met
-de hem omringende schepping. Berooft den mensch van het zintuig des
-gezigts, en voor hem heeft het licht opgehouden te zijn, ontneem hem
-het gehoor en het geluid bestaat voor hem niet meer. <span class=
-"ex"><i>De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel, de
-schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als een
-alleen staand wezen niet denkbaar.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">2.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons
-binnenste <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
-"pb126">126</a>]</span>als vijf draden, die in <span class=
-"ex">eenen</span> draad uitloopen, aan <span class="ex">eenen</span>
-inwendigen knoop zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk,
-dien wij door de zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een
-brandpunt van vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot
-voorstelling, tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of
-dikwerf worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij
-hebben geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de
-gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan
-andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken:
-wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij
-teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te
-brengen.&mdash;Op gelijke wijze als de verschijnselen in de
-buitenwereld komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en
-denken of (welligt reeds v&oacute;&oacute;r duizende jaren) zich hebben
-voorgesteld en gedacht, op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door
-middel van ons gehoor en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is
-overgekomen of door overlevering is bewaard gebleven. <span class=
-"ex"><i>W&#307; hebben voorstellingskracht, begripsvermogen. W&#307;
-kunnen denken.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">3.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Al hetgeen wij weten, hebben wij aan deze vijf
-zinnen te danken. Alle kennis, die wij bezitten, is een gevolg der
-indrukken, welke de voorwerpen en verschijnselen in de buitenwereld
-door middel onzer vijf zintuigen op ons hebben voortgebragt.
-<span class="ex">Andere</span> eigenschappen der ligchamen, die zich
-niet door middel dezer vijf zinnen of door een of meer derzelven aan
-ons kenbaar maakten, kunnen wij ons niet voorstellen <span class=
-"pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span>en
-een zesde zin is voor ons geheel ondenkbaar. <span class="ex"><i>Al
-hetgeen w&#307; denken en weten, komt of is slechts door middel van
-onze v&#307;f zinnen tot ons gekomen. Er bestaat geen andere weg langs
-welken voorstellingen, denkbeelden in ons binnenste zouden kunnen
-geraken.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">4.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De zintuigen echter zijn lichamelijke organen, die
-bij alle individu&euml;n niet een gelijken graad van volkomene
-ontwikkeling bereiken. Buitendien kan aanhoudende oefening hunne
-verrigtingen bij eenige menschen in eene hooge mate scherpen, terwijl
-daarentegen gebrek aan oefening of ziekte hunne werkzaamheid bij
-anderen zeer kan verzwakken of wijzigen. <span class="ex"><i>W&#307;
-z&#307;n derhalve menigwerf aan vergissing of dwaling onderhevig en
-mogen niets van hetgeen menschen leeren of leerden, onvoorwaardelijk
-als waarheid beschouwen, indien w&#307; het niet vooraf getoetst hebben
-en het, na gedaan onderzoek, niet is gebleken proefhoudend te
-z&#307;n.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">5.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo
-als dit b. v. bij de doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan
-het innerlijk leven eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden
-van de werkzaamheid van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de
-mogelijkheid op te bestaan eener uiting van eene innerlijke
-voorstelling, en een dergelijke <span class="pagenum">[<a id="pb128"
-href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span>toestand kan niet lang
-blijven voortduren, zonder dat het ligchamelijk leven wordt
-uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft zijn ligchaam, wel is
-waar, voort; de longen, het hart, de lever, de maag, het darmkanaal en
-alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams houden niet op hunne
-gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf zinnen zijn als het
-ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet, ruikt niet, smaakt en
-gevoelt niet;&mdash;de vijf draden zijn afgesneden, de <span class=
-"ex">voortplanting</span> der indrukken van buiten naar binnen en
-omgekeerd heeft opgehouden. <span class="ex"><i>Slechts onze v&#307;f
-zinnen maken het ons mogel&#307;k ons in betrekking te stellen met de
-buitenwereld en doen ons onze gewaarwordingen uitdrukken door
-gebaarmaking, door spreken en handelen.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">6.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Maar de slapende kan <span class="ex">droomen, in
-den droom denken</span>, ja, zich op de levendigste en duidelijkste
-wijze voorstellen datgene, of wel iets daarmede overeenkomende, hetwelk
-hij vroeger in wakenden toestand heeft gedacht of zich voorgesteld.
-Hieruit volgt, dat de leiddraden gewoonlijk, wel is waar, den indruk
-van buiten, den prikkel overplanten, waardoor de inwendige knoop der
-gedachten ontvlamt, maar dat er echter in &rsquo;s menschen binnenste
-<span class="ex">iets aanwezig moet z&#307;n, hetwelk ontstoken kan
-worden</span> en dat, zelfs wanneer de voortplanting der indrukken van
-buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te bestaan, denkbeelden zich
-in ons binnenste kunnen ontwikkelen. <span class="ex"><i>Het
-denkvermogen kan geene eigenschap z&#307;n noch der v&#307;f zintuigen,
-noch van hunne gemeenschappel&#307;ke werking, maar moet <span class=
-"pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>tot
-eene b&#307;zondere, zelfstandige kracht behooren, die</i> werkzaam
-<i>wordt, zoodra die prikkel z&#307;nen invloed er op
-uitoefent.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">7.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop
-dier vijf draden vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling
-te verbinden, te vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer
-van verschijnselen waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats
-grijpt, daaruit af; wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel
-afhangt van het andere en leeren de werking van de oorzaak
-onderscheiden; wij onderzoeken den bouw van ons eigen ligchaam en de
-krachten, welke het leven er van voortbrengen; wij streven er naar om
-al hetgeen wij waarnemen, te begrijpen;&mdash;wij bepeinzen dit
-alles,&mdash;lossen de moeijelijkste vragen op, berekenen en geven
-honderde jaren vooruit het tijdstip op, waarop natuurverschijnselen
-zullen plaats hebben, ja, wij trachten het wezen te doorgronden van
-datzelfde innerlijke denkvermogen, dat ons in staat stelt tot al de
-opgenoemde overwegingen; wij hebben het duidelijke bewustzijn van deze
-kracht, zoo als van ons gansche aanwezen;&mdash;en al zien wij ook, dat
-deze kracht aan aardsch, vergankelijk (spoedig wederom tot zijne
-elementen terugkeerend) stof, de hersenen, is verbonden, wij
-<span class="ex">bezitten</span> niet te min deze met verstand
-begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar <span class=
-"ex">geest</span> of <span class="ex">ziel</span>.</p>
-<p class="par">In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus,
-sluimert deze kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan
-begint te <span class="ex">uiten</span>, wanneer de ligchamelijke
-<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name=
-"pb130">130</a>]</span>organen en zintuigen een hoogeren graad van
-ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan de
-stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht te
-uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het <span class=
-"ex">aanwezen</span> dier kracht van den oogenblik af dat aan de
-voorwaarden, vereischt tot het doen ontstaan van een nieuw individu,
-voldaan is, mag evenmin worden betwijfeld als het geloochend kan
-worden, dat de slapende, die daar voor ons ligt, denkvermogen bezit, al
-is het dat hij gedurende den slapenden toestand niet het geringste
-bewijs er van geeft.</p>
-<p class="par">Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder
-op. Daaruit volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het
-stoffelijke ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij
-kunnen niet meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de
-eenvoudige reden, dat wij <span class="ex">niets anders</span> kunnen
-waarnemen, dan hetgeen op onze vijf zinnen werkt. Een geestelijk wezen,
-of eene verrigting des geestes daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld,
-eene gedachte, welke bij een <span class="ex">ander</span> mensch
-opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts, des gevoels, noch
-onder dat van het gehoor, van den smaak en van het reukzintuig,
-uithoofde zulks onligchamelijk is.&mdash;En al brengen algemeen in de
-natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge van hare
-vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende
-omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke
-stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden za&acirc;mgehouden,
-waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke in
-het doode ligchaam zeer spoedig weder uit&eacute;&eacute;n gaan, zoo
-kunnen echter deze chemische en physische krachten de levenskracht
-zelve niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht,
-die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam
-<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name=
-"pb131">131</a>]</span>bijeen te blijven en vereenigd te werken.
-<span class="ex"><i>W&#307; gelooven derhalve aan eene
-onvergankel&#307;ke kracht, die, als een met rede begaafde geest, als
-ziel in ons leeft.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">8.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Door ons verstand weten wij al het overige tot ons
-doel te gebruiken, en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze
-heerschappij onderworpen.&mdash;Wij hebben ons echter niet zelf
-geschapen; eene geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee
-verschillende polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende
-oorzaak tot ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij
-namen toe in grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons
-bezielt, verkreeg eene steeds grooter wordende volkomenheid van
-uitingsvermogen;&mdash;maar weldra zullen wij weder terugzinken in het
-stof, waaruit wij zijn voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans
-levend ligchaam zal in zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na
-eenige tientallen van jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van
-ter plaatse zal zijn verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij
-zullen in aarde, water en lucht verspreid worden; andere planten en
-dieren zullen uit het stof ontstaan, dat thans de deelen van ons
-ligchaam uitmaakt en&mdash;tot dit alles zullen wij niet in het
-geringste hebben bijgedragen! Wij waren de oorzaak van ons worden niet,
-wij kunnen ons vergaan niet eene enkele seconde tegenhouden; wij
-gevoelen ons geheel <span class="ex">afhankel&#307;k</span> van eene
-allergeduchtste kracht, die buiten ons is&mdash;en toch zijn wij van
-ons zelven <span class="ex">bewust</span>, eene redelijke ziel leeft en
-denkt in ons: er moet derhalve eene <span class="ex">nog</span> hoogere
-redelijke ziel zijn dan de onze, welke de oorzaak is van ons aanwezen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name=
-"pb132">132</a>]</span>zoo mede van dat der gansche schepping.
-<span class="ex"><i>W&#307; gelooven aan een onzigtbaren, grooten en
-redel&#307;ken geest in de natuur en noemen dien God.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">9.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Al hetgeen in de natuur aanwezig is, staat met
-elkander in het innigste harmonische verband. Hoe naauwkeuriger wij de
-verschijnselen onderzoeken, des te eenvoudiger worden zij en laten zij
-zich tot een steeds geringer wordend tal van krachten terugbrengen,
-die, gelijk de electrieke en magnetische kracht, ja, misschien het
-licht en de warmte daar onder begrepen, insgelijks weder zamenloopen in
-<span class="ex">eene</span> eeuwige, alom verbreide kracht.&mdash;In
-het uitspansel draaijen kleinere om grootere wereldbollen en deze
-grooteren om nog grooteren, maar ook deze grootsten kan men zich niet
-voorstellen als stil of in rust staande; ook zij moeten zich wederom
-draaijen om nog grootere bollen, - - - er moet <span class=
-"ex">een</span> allereerst of allerlaatst middelpunt zijn, waarom alles
-zich wentelt en zich beweegt.&mdash;De opgaande zon doet dagelijks
-duizenden van werkingen ontstaan in het luchtruim, op de oppervlakte
-der aarde, in het dieren- en plantenrijk, welke toch allen gezamenlijk
-slechts kinderen zijn van <span class="ex">een eenige</span> oorzaak:
-der op de aarde vallende lichtstraal.&mdash;Alle planten en dieren zijn
-geschapen naar <span class="ex">eene</span> gelijkvormige type, naar
-een plan, dat de gansche schepping door is gevolgd. Ja, door alle
-tijdperken der aardvorming, door alle op elkander gevolgde,
-onderscheidene formati&euml;n kan men, in de fossile fauna&rsquo;s, en
-flora&rsquo;s, aanvangende met het overgangsgebergte en voortgaande tot
-aan de hedendaagsche schepping, dezelfde harmonische wet naspeuren. Een
-alles omvattend <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133"
-name="pb133">133</a>]</span>plan van ontwikkeling is zigtbaar in al de
-onderscheidene plant- en diervormingen, waarvan de eene uit de andere
-is voortgesproten, totdat de mensch, het toppunt van al het
-bewerktuigde, in wiens ligchaam al die honderd duizend andere of
-vroegere uitgaven van die type tot een meer volkomen geheel zijn
-vereenigd, bezield met een vonkje van het goddelijke licht, op het
-tooneel trad.&mdash;De overeenkomst in geestelijken aanleg van alle
-menschen, de overeenstemming, welke wordt opgemerkt in de eigenschappen
-huns gemoeds, zij wijzen ons op <span class="ex">eene</span> oorzaak.
-<span class="ex"><i>Er bestaat slechts Eene grondoorzaak van alle
-dingen, slechts Een ondeelbare God.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">10.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Dewijl God de grondoorzaak van al het bestaande
-is, de maker der oneindige schepping,&mdash;dewijl hij eenig is, kan
-zonder hem niets ontstaan, kan zonder hem niets zijn, niets worden.
-<span class="ex"><i>God is almagtig.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">11.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer
-zintuigen waarnemen, dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke
-inrigting, dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier
-duur onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij
-het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij
-millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds
-voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en
-<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name=
-"pb134">134</a>]</span>zonder iets te ontdekken, dat grond geeft om te
-zeggen: <span class="ex">hier</span> staan wij aan den aanvang der
-dingen.&mdash;In de hemelsche spheren bewegen zich, naar
-onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om
-planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van
-kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop
-1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt
-rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan
-kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten
-draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze
-aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende
-punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels
-volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte van
-andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige seconden
-in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten gevorderd
-worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om hare
-centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat zij in
-het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet millioenen
-malen af te leggen?&mdash;Waar ons ongewapend oog aan den hemel niets
-meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van
-telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog,
-met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te
-zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen, nog
-verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke zich op
-zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het licht,
-hetwelk van de <span class="measure" title="143 millioen km">20
-millioen mijlen</span> van ons verwijderde zon toch binnen den tijd van
-8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van jaren noodig heeft om van
-daar onze aarde te bereiken. Wij zouden, <span class="pagenum">[<a id=
-"pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span>deze verwijderde
-hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien, indien zij niet reeds
-voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren geweest.&mdash;Even
-grenzenloos als ons de <span class="ex">uitgestrektheid</span> der
-ruimte aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks
-de <span class="ex">verdeelbaarheid</span> van de ruimte vullende stof
-in kleinere deelen voor, die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen
-om&mdash;zelfs met de sterkste vergrootingswerktuigen&mdash;de
-kleinste, de oorspronkelijke deeltjes, de atomen waar te nemen. Indien
-wij in de schepping noch aanvang, noch grenzen kunnen ontdekken, geen
-einde daarvan kunnen bedenken, <span class="ex"><i>moet h&#307;, die de
-schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder aanvang, zonder
-einde&mdash;oneindig, eeuwig, onvergankel&#307;k
-z&#307;n.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">12.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Maar een geest, die eenig, almagtig, zonder begin
-en einde, dat wil zeggen, eeuwig is, de maker van al dat aanzijn heeft,
-moet ook alom tegenwoordig zijn en voor hem kan niets verborgen wezen.
-<span class="ex"><i>God is alom tegenwoordig en
-alwetend.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">13.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur
-voor de instandhouding zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens,
-als van de soorten (waartoe deze behooren), is de bewondering, welke
-ons vervult, niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons
-inboezemde,&mdash;de band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het
-een van het andere afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in
-betrekking <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name=
-"pb136">136</a>]</span>stelt. Wij weten niet wat meer onze verbazing
-moet wekken, de eenvoudigheid der middelen, waardoor de menigvuldigste
-gevolgen te weeg gebragt worden, of de <span class=
-"ex">doelmatigheid</span> van alle inrigtingen, die wij ontwaren, en
-die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel
-hebben.&mdash;Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk
-wezen, elke soort is <span class="ex">zoodanig</span> ingerigt en
-zoowel met de andere organen, afzonderlijke wezens en soorten, als met
-alle andere deelen van het geschapene in verband gebragt, dat het doel,
-dat is, de instandhouding der soort door levensgenot van elk
-afzonderlijk wezen, volkomen wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid,
-welke de ontleedkundige en physioloog bewondert bij de beschouwing van
-den inwendigen bouw van het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede
-van de wederkeerig op elkander invloed uitoefenende verrigtingen der
-verschillende organen, diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige
-in de hemelsche spheren; ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om
-de wet der doelmatigheid in de schepping aan te toonen, zijn even
-talloos als de dingen in de natuur, even onuitputtelijk als de natuur
-zelve, want elk plantje, elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en
-elk deel, elk orgaan des menschen levert daartoe de menigvuldigste
-bewijzen. Ten einde de waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij
-slechts een paar voorbeelden aanhalen uit de vele duizenden, die
-daarvan voorhanden zijn.</p>
-<p class="par">In het <span class="corr" id="xd21e2773" title=
-"Bron: plantenstelsel">planetenstelsel</span> bewegen zich de vaste
-(digte) hemelligchamen, de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en
-op zoodanige afstanden van elkander om de zon, en in de ligging harer
-banen wordt zoo groote overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin
-zij zich elk afzonderlijk bewegen, helt niet te zeer naar dat van
-anderen), dat eene botsing dier ligchamen onderling niet mogelijk
-is.&mdash;De <span class="ex">kometen</span> <span class=
-"pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name=
-"pb137">137</a>]</span>echter bewegen zich in zoodanig in de lengte
-uitgestrekte parabolische ellipsen, zij doorkruisen het planetenstelsel
-in zoo vele verschillende, ja, in alle mogelijke rigtingen, dat zij de
-planetenbanen doorsnijden kunnen, of gelijk het geval was met de
-Bilasche komeet ten opzigte van den loopbaan der aarde, die zeer nabij
-kunnen komen. Dewijl nu het aantal kometen zoo groot is, dat nog
-voortdurend nieuwen zigtbaar worden, die men vroeger nimmer had gezien,
-zoo behoort eene botsing eener komeet met de aarde of met eene andere
-planeet niet tot de onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone
-grootte.&mdash;Welk eene vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien
-eene dergelijke botsing plaats greep! welke de vernieling van een der
-beide, welligt van beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou
-hebben,&mdash;namelijk, <span class="ex">indien</span> de komeet een
-digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar daarvoor is zorg
-gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte, besloten tusschen
-de zon en de banen der om de zon draaijende planeten, in zoo vele
-verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing met een
-derzelven plaats hebben <span class="ex">kan</span>, zijn de minst
-gevaarlijken van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan,
-verzwakt en breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster,
-is nog dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den
-staart of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in
-het minst te kunnen bespeuren.&mdash;Nog duidelijker bewijs voor de wet
-der doelmatigheid zien wij in <span class="ex">die</span> inrigting van
-het planetenstelsel, welke de massa der hemelligchamen in verhouding
-tot hunne afstanden en den tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare
-storingen (perturbatien), dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten
-gevolge der wederkeerige aantrekking, van de ware elliptische loopbaan
-maken, zich <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name=
-"pb138">138</a>]</span>van zelf weder moeten herstellen. Dit is
-gebleken uit de onderzoekingen van Laplace, die de analyse van het
-oneindige (waarvan Newton en Leibnitz het eerst de regelen hebben
-vastgesteld) toepaste op de storingen der beide planeten, die het
-grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter en Saturnus. Deze, op zich
-zelf beschouwd, geringe storingen, nemen in den loop der eeuwen
-<span class="ex">steeds</span> toe en zouden eindelijk, indien zij,
-gelijk Newton geloofde, <span class="ex">voortdurend</span> grooter
-werden, op eene onfeilbare wijze de vernietiging der genoemde
-hemelligchamen, ja, van het gansche planetenstelsel ten gevolge hebben,
-of wel &bdquo;de scheppende almagt moest door buitengewone maatregelen
-de begane fout verbeteren.&rdquo; Later echter bleek het uit de
-analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den aanvang af zoodanig
-had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde te worden en dat die
-storingen (de veranderingen der groote assen, derhalve de gemiddelde
-afstand dier planeten van de zon) niets anders zijn dan slingeringen
-binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal der seculaire
-veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat het
-instandblijven dezer hemelligchamen voor <span class="ex">eeuwig</span>
-verzekerd schijnt.</p>
-<p class="par">De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke
-ligchaam in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze
-hoogste bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst
-zich, aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de
-spaakbeen- en ellepijpslagader (a. radialis &amp; ulnaris). Zij ligt
-zeer oppervlakkig en kan&mdash;ook bij aderlatingen&mdash;ligtelijk
-gekwetst worden. Ver boven het punt van verdeeling zet zij echter
-dieper liggende neventakken af, die zich met <span class=
-"ex">terugloopende</span> vertakkingen van de spaakbeen- en
-ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel loopt niet
-terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing van den hoofdtak,
-der brachialslagader, <span class="pagenum">[<a id="pb139" href=
-"#pb139" name="pb139">139</a>]</span>plaats of ontstaat er een
-slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam
-gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting te
-verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het
-helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche
-benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer
-moeten versterven,&mdash;nu echter heeft er eene langzame verwijding
-dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en
-ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve
-den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven.</p>
-<p class="par">Deze bewonderenswaardige <span class=
-"ex">doelmatigheid</span>, die wij in de gansche schepping, zoowel in
-het groote geheel als in elk afzonderlijk deel er van ontwaren, getuigt
-van een goed geordend, diep doordacht plan; zij bewijst, dat het
-verstand van het wezen, hetwelk deze schepping in het aanzijn riep, den
-hoogst mogelijken graad van volkomenheid heeft bereikt, zij bevestigt
-de <span class="ex"><i>Alw&#307;sheid Gods.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">14.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen
-onderzoekenden blik in de overige ruimte der schepping werpen, dan
-ontwaren wij, dat alle levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het
-aanzijn hun genoegen, geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank
-nuttigen, waarvan de instandhouding van het menschelijk leven afhangt,
-dan <span class="ex">genieten</span> wij. Aan elke andere natuurlijke
-verrigting onzes ligchaams is het behagelijke gevoel van <span class=
-"ex">genot</span> verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in
-deze wet, maar het <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140"
-name="pb140">140</a>]</span>tal dergenen, dat gezond is, &rsquo;t welk
-geniet, is oneindig grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het
-herstel der gezondheid, het ophouden der ellende is een nieuw genot.
-Het kontrast toch, dat tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel
-bestaat, <span class="ex">verhoogt</span> het genot van het
-laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen dikwijls meer dan de
-rijken, die in overvloed leven.&mdash;Wanneer wij, door inspanning
-uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van een koel bad
-verfrisschen of met een koelen drank laven, dan <span class=
-"ex">genieten</span> wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze
-legerstede nederleggen, dan <span class="ex">genieten</span> wij,
-terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij gesterkt weder
-ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen ons tegenlacht,
-dan <span class="ex">genieten</span> wij. Elk dier, ja, zelfs het
-kleinste wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging,
-verheugt zich in zijn aanwezen, het <span class="ex">geniet</span>. De
-kikvorsch, die gedurende een warmen zomeravond in het water kwaakt,
-<span class="ex">geniet</span><span class="corr" id="xd21e2849" title=
-"Bron: ,">;</span> de nachtegaal ondervindt <span class=
-"ex">genot</span>, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en
-zingt, en gij, die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den
-zilverklank zijner stem en <span class="ex">geniet</span>. De vogel,
-die zijne jongen voedert, het hondje, dat zijne kleinen zoogt,
-<span class="ex">geniet</span> en de moeder, die haren jeugdigen
-lieveling toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste
-<span class="ex">genot</span>.</p>
-<p class="par">God schonk den mensch de heerschappij over al het
-gedierte en gaf aan zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de
-aanblik insgelijks <span class="ex">genot</span> verschaft. Ter
-voortplanting der soort koos Hij de scheiding des geslachts en verbond
-aan de zinnelijke drift, welker bevrediging aan het dier slechts eene
-aangename gewaarwording verschaft, in den mensch den band der
-vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk hij aan de stervelingen het
-edelste <span class="ex">genot</span>: de liefde. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>Wij
-kunnen den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden
-over de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en
-wouden, zonder te <span class="ex">genieten</span>, ja, wij weten niet
-aan welke der vele duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het
-woud en op het veld aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen
-vinden wij ze schoon, het aanschouwen er van geeft ons <span class=
-"ex">genot</span>. Veel zeldzamer komt ons iets onder de oogen, hetwelk
-wij leelijk vinden of dat ons afschuw inboezemt. De overgroote
-meerderheid der dingen in de natuur is in harmonie met ons
-schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig heeft ingerigt, dat het
-beschouwen der natuur ons <span class="ex">genot</span> verschaft.</p>
-<p class="par">En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de
-vreugde, welke de beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de
-goddelijke vonk, die in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn
-verstandsvermogen aankweekt en oefent;&mdash;de dichter verheugt zich,
-wanneer het hem mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te
-ontlokken, die, het schoone en ware bezingende, duizende harten
-roeren;&mdash;de sterrekundige gevoelt, dat de triomf der wetenschap
-zijn boezem doorgloeit, wanneer de komeet wordt gezien, welker
-verschijning vooraf door hem is aangekondigd of de planeet ontdekt
-wordt, waarvan hij door berekening de standplaats aan het hemelgewelf
-heeft aangewezen;&mdash;de geoloog, die licht verspreidt over de
-donkerste ruimten der aarde, ja, die het gansche ontwikkelingsverhaal
-des aardbols in het binnenste der gebergten leest,&mdash;gelijk mede de
-scheikundige, die een ligchaam in zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk
-vroeger steeds als enkelvoudig werd beschouwd, of die aantoont, dat
-twee ligchamen op gelijke wijze zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk
-zeer verschillend van elkander zijn, zij ondervinden <span class=
-"ex">genot</span>, even als de physicus, die de identiteit der
-<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name=
-"pb142">142</a>]</span>electrieke en magnetische kracht het eerst door
-proefnemingen aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf
-zweven en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan
-zonnen verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van
-deze aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,&mdash;want
-<span class="ex">die</span> mensch, die goed en regtvaardig was, draagt
-het bewustzijn met zich zijnen pligt te hebben vervuld en geeft zich op
-zijn sterfbed vol vertrouwen over aan den eeuwigen bestuurder der
-natuur, want van Hem toch alleen kan het licht, dat zijn aardsch
-omkleedsel zoo lang bezielde en het nu dreigt te verlaten, herkomstig
-wezen,&mdash;het ligchamelijk gevoel wordt bij het sterven meer
-verstompt, alle smarten verminderen, maar des te levendiger ontwaakt de
-zielehoop in zijn binnenste, en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur
-nog tot <span class="ex">genot</span>.</p>
-<p class="par">Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat
-alle levende wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot
-genot, zoowel ligchamelijk als geestelijk genot. <span class=
-"ex"><i>God is goed; uit alle deelen der schepping, boven en beneden
-ons, van verre en van nab&#307;, straalt ons de goddel&#307;ke liefde
-te gemoet.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">15.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen,
-kan men van een alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk
-aannemen. Wij, beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen,
-terwijl wij daardoor tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen.
-Schijnt het nu, dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is
-in het leven der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven,
-dat zulks <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name=
-"pb143">143</a>]</span>met <span class="ex">enkelen</span> of
-<span class="ex">t&#307;del&#307;k</span> het geval was of <span class=
-"ex">ons slechts zoodanig toescheen</span>, dat zulks echter in het
-algemeen en op eene uitgebreide schaal niet zijn kan en dat het ons in
-enkele gevallen all&eacute;&eacute;n om die reden zoo toescheen, dewijl
-wij de <span class="ex">wet</span>, waarnaar de
-ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zich regelt, nog niet konden
-doorgronden. In de schepping echter erlangt het eene door het andere
-zijne volkomenheid, en alle deelen van het groote heelal staan
-wederkeerig tot elkander in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed,
-regtschapen mensch, na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te
-hebben, van deze wereld scheidt met het bewustzijn het <span class=
-"ex">goede</span> te hebben gewild, met een onwankelbaar vertrouwen op
-zich zelven en met het vaste geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam
-van den aanvang bezielde, slechts een straal van het eeuwige licht
-is,&mdash;hoe durven wij ons dan vermeten om te zeggen, dat God eene
-onregtvaardigheid jegens dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten,
-waartoe hij uitverkoren was? Wij zijn slechts schakels eener keten en
-een ieder van ons heeft zijne roeping!&mdash;En zien wij niet in de
-meeste gevallen, dat de goede beloond, de booze gestraft wordt door
-&rsquo;s menschen hand? Draagt de heimelijke booswicht zijne straf niet
-in zijn boezem met zich? foltert hem niet de geheimzinnige innerlijke
-stem, die hij nimmer geheel het zwijgen kan opleggen, <span class=
-"ex">het geweten</span>, dat vroeger of later ontwaakt, ja, hem
-menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde misdaden
-brengt?&mdash;Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast: dat,
-dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt,
-<span class="ex"><i>God ook regtvaardig is.</i></span> <span class=
-"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">16.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt
-te zijn.<a class="noteref" id="xd21e2941src" href="#xd21e2941" name=
-"xd21e2941src">1</a> De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens
-opgaat; zij <span class="ex">verspreidt</span> licht en warmte, gelijk
-zij voormaals deed. De spijs, die wij nuttigen <span class=
-"ex">verkwikt</span> ons, de koele drank <span class="ex">laaft</span>
-ons, gelijk wij zulks verwachten.&mdash;Alle verschijnselen in de
-natuur keeren regelmatig weder en de bewegingen der hemelligchamen
-herhalen zich met nimmer falende zekerheid. De maan draait zoo
-regelmatig om de aarde, de aarde om de zon, dat wij de standplaats
-dezer drie hemelligchamen, zoo mede van alle andere planeten en
-trawanten ten opzigte van elkander, voor elken dag, ja, voor elken
-oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen en opgeven kunnen.
-De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere verschijnselen
-wordt door ons <span class="ex">natuurwet</span> geheeten en de
-ervaring heeft ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter
-gezegd, <span class="ex">sedert menschen aanwezig waren om de natuur
-waar te nemen</span>, geen enkele dezer wetten ons bedrogen,&mdash;dat
-geen wereldligchaam ooit in het geringste van zijne baan afweek en
-geene enkele minuut vroeger of later kwam, dan de wet eischte.<a class=
-"noteref" id="xd21e2960src" href="#xd21e2960" name="xd21e2960src">2</a>
-Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard, geen insektje zijn
-instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit te botten en doet elk
-jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede zij velden en beemden
-reeds v&oacute;&oacute;r eeuwen sierde.&mdash;De zee rijst bij het
-<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name=
-"pb145">145</a>]</span>vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt
-zoo onveranderlijk getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de
-aantrekkingskracht der maan), dat voor elke plek des aardbols het uur,
-waarop dit verschijnsel zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met
-naauwkeurigheid kan berekend worden.&mdash;Geen ligchaam daalde ooit
-uit de lucht naar de aarde, dat ligter was dan de hoeveelheid van deze
-lucht, welke het verplaatst, en geen ligchaam, &rsquo;t welk zwaarder
-was dan zij, rees ooit opwaarts in de lucht; nog nimmer bevroor het
-water bij eenen geringeren graad van koude dan die van nul graad
-R&eacute;aumur; nimmer verloor de kleiaarde de eigenschap om zich met
-zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen; ligtelijk wordt goud
-opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur; ten allen tijde
-smolt keukenzout in water,&mdash;maar nimmer heeft iemand gezien, dat
-goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie verbond.
-Godgeleerden hebben, wel is waar, aan &bdquo;wonderen&rdquo; van deze
-en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de
-geringste afwijking van eene natuurwet <span class=
-"ex">waargenomen</span>.&mdash;Dezelfde fouten en gebreken, die den
-mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn nog heden zijn
-erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat <span class=
-"ex">onze</span> blikken hemelwaarts trekt en ons <span class=
-"ex">heden</span> aanspoort de hoedanigheden van den Schepper des
-heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons en ons
-maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel bezielde
-den mensch op gelijke wijze reeds v&oacute;&oacute;r anderhalf duizend
-jaren.&mdash;Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den
-hemel en op aarde alles wat daar is,&mdash;in het water, in de lucht,
-in het planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,&mdash;bestaat en
-zich beweegt naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste
-afwijking toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug.
-<span class="ex"><i>God is <span class="pagenum">[<a id="pb146" href=
-"#pb146" name="pb146">146</a>]</span>eeuwigl&#307;k dezelfde,
-onveranderl&#307;k getrouw en waarachtig.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">17.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Men moet zich God niet voorstellen als eene
-kracht, welke van de natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in
-tegendeel als eene kracht <i>in</i> haar aanwezig, als de algemeene
-geest in de natuur&mdash;als de wereldgeest. Op het eerste gezigt zal
-het velen kunnen toeschijnen, dat deze geestelijke kracht <span class=
-"ex">uitsluitend</span> in &rsquo;s menschen verbeelding bestaat, eene
-bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn&mdash;dat zij niets
-anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich heeft
-gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in de
-natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen
-verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog
-onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. &bdquo;Deze oorzaak
-echter ligt,&rdquo; naar het beweren der atheisten, &bdquo;<span class=
-"ex">in de natuur zelve</span> en onze God is niets anders dan het
-abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in onzen geest.&rdquo; Naar
-deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even zeer een deel zijn der
-Godheid als de trouwe hond, die ons op onze wandeling vergezelt, of als
-de woeste, bloeddorstige wolf, die ons dreigt te verslinden,&mdash;even
-zeer als de koe, die in gindsche weide graast, of als de bliksem, die
-uit de wolken te voorschijn komt, of de planeet, die, door eene
-onzigtbare hand gedreven, rondom de zon draait.&mdash;Met andere
-woorden: &bdquo;de natuur heeft hare oorzaak in zich zelve en er
-bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke daaraan
-onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot verschillende
-onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt.&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name=
-"pb147">147</a>]</span></p>
-<p class="par">Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het
-verstand, dat zegt: &bdquo;ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter
-niet geschapen, er moet derhalve <span class="ex">een nog hooger
-verstand</span>, eene <span class="ex">nog hoogere, denkende
-kracht</span> zijn dan ik&rdquo;&mdash;er wordt buitendien nog een
-<span class="ex">regtstreeksch</span> bewijs gevonden voor het bestaan
-van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene oorspronkelijke
-kracht, welke zich aan ons op eene <span class=
-"ex">regtstreeksche</span> wijze te kennen geeft.</p>
-<p class="par">Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht
-zullen wij nu pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden
-Gods hebben opgenoemd, welke wij door <span class=
-"ex">gevolgtrekking</span> uit de verschijnselen in de natuur
-afleiden.&mdash;Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als
-eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan
-al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken,
-ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs
-alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer
-wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld
-ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van <span class="ex">ruimte</span>
-eene voorwaarde om het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te
-maken, maar welke de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam,
-noch geest voorstellen zonder deze kracht.&mdash;Deze kracht is met den
-bliksem, welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het
-graf, zij kruipt v&oacute;&oacute;r den worm op den bodem heen, zij
-ijlt den klank vooruit, ja, zij is sneller dan het licht en moge de
-lichtstraal, die van de zon uitgaat, <span class="measure" title=
-"300.594 km">42000 mijlen</span> in &eacute;&eacute;ne seconde
-doorloopen om, zoo snel mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken,
-deze kracht echter is nog acht minuten voor hem aldaar.&mdash;Ofschoon
-deze magtigste van alle krachten zuiver geestelijk, ja,
-onligchamelijker is dan eene gedachte, wij zien niettemin <span class=
-"pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name=
-"pb148">148</a>]</span>elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is;
-zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde
-stil. Hoort gij de klok slaan?&mdash;Een,&mdash;twee. Tusschen beide
-slagen verliep <i>tijd</i>;&mdash;elke slag vordert <span class=
-"ex">t&#307;d</span> en de vlugtigste gedachte, die bij ons opkomt,
-doet nog <span class="ex">t&#307;d</span> verloopen. Niets kan buiten
-den <span class="ex">t&#307;d</span> treden en niemand kan zich zelfs
-het geringste gedeelte van een oogenblik aan den invloed des tijds
-onttrekken.&mdash;De <i>tijd</i> brengt alle krachten eerst aan het
-werken en stuwt alles, dat bestaat, onwederstaanbaar voort. Men kan
-zich hem niet anders voorstellen, dan voortijlend; hij beleeft en
-overleeft alles.</p>
-<p class="par">De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de
-zigtbare schepping mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is
-het mogelijk, dat nog iets anders dan God bestaat. <span class="ex">De
-t&#307;d is de overgang Gods in de wereld.</span></p>
-<p class="par">Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich
-voorstellen, dat God rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld
-heeft geschapen, dewijl hij, gelijk zij beweren, &bdquo;de
-natuurkrachten en wetten in zijne plaats laat
-regeren&rdquo;;&mdash;deze krachten en wetten toch zijn <span class=
-"ex">geschapen</span>, zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet
-kunnen blijven bestaan, indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet
-aanwezig ware, waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in
-de natuur, welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden,
-onophoudelijk voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en
-werkzaamheid op te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil.
-<span class="ex"><i>God rust nimmer. God is voortdurend
-werkzaam.</i></span></p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de
-<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name=
-"pb149">149</a>]</span>leer der kennis van God geput uit de natuur. Het
-volgende is de kennis van God toegepast op het menschelijk leven of de
-zedeleer, waarvan hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in
-algemeene korte bewoordingen medegedeeld kunnen worden.</p>
-<p class="par">Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in
-den hemel, noch op de aarde.</p>
-<p class="par">Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts <i>eene</i>
-waarheid,&mdash;slechts <span class="ex">eene</span> ware godsdienst en
-zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen, dan die uit de natuur en
-hare verschijnselen&mdash;de voortdurende openbaring Gods,&mdash;is
-afgeleid. Hierop berust het evangelie van den regtzinnig geloovigen
-mensch.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">18.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Door de beschouwing van ons zelven en van de
-schepping, die ons omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene
-denkende, met rede begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons
-ligchaam woont, in staat om de taal der schepping te verstaan. De
-schepping sprak tot ons door middel onzer vijf zinnen, als door den
-mond van even zoo vele tolken; zij gaf ons te kennen, dat wij slechts
-een klein, van alle zijden afhankelijk lid in de groote, oneindige
-schepping zijn en dat de Maker dezer schepping &eacute;&eacute;n
-almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend, alwijs, goed,
-regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend werkzaam God
-is.&mdash;Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch een einde zal
-hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de <span class=
-"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name=
-"pb150">150</a>]</span>natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een
-flaauw afschijnsel, als het ware een twijgje van den boom des levens,
-een straal van het algemeene, groote, geestelijke licht
-is.&mdash;Kunnen wij nu het eigenlijke wezen dezer goddelijke kracht,
-die wij ons onligchamelijk, als geest moeten voorstellen, niet
-begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat onze menschelijke geest met
-den goddelijken geest verwant moet zijn, dewijl wij overigens in de
-gansche schepping niets vinden, waarmede wij onze redelijke ziel zouden
-kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur staat derhalve in
-betrekking tot God, is met hem verwant en <span class="ex"><i>het
-streven van geheel ons leven moet daarheen z&#307;n gerigt om op Hem te
-gel&#307;ken.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">19.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Hij echter is <span class="ex">almagtig</span>;
-dat kunnen wij niet zijn, want wij zijn slechts eene kleine schakel in
-de groote keten der schepping, die hij aaneenverbindt. Hij is
-<span class="ex">eeuwig</span> en ons leven omvat eene zoo korte, ons
-vooraf zelfs geheel onbekende handbreedte tijds. Hij is <span class=
-"ex">alomtegenwoordig</span> en wij zijn slechts op eene enkele plek te
-gelijk aanwezig en hebben maanden tijds noodig om slechts een vierde
-gedeelte van den omvang dezer kleine aarde te doorreizen. Hij is
-<span class="ex">alwetend</span> en wij weten slechts hetgeen wij door
-middel onzer vijf zinnen ervaren en in ons geheugen ingeprent hebben;
-hetgeen nevens ons voorvalt op eene plaats, die door een enkelen wand
-van ons is gescheiden, kunnen wij niet weten; den dag van gisteren
-kenden wij eergisteren niet; de dag van morgen is voor ons een geheim
-en hetgeen ons de dag van overmorgen baren zal, blijft ons heden en
-morgen nog onbekend.&mdash;Maar God is mede <span class=
-"ex">alw&#307;s</span>, <span class="ex">algoed</span>, <span class=
-"ex">regtvaardig</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb151" href=
-"#pb151" name="pb151">151</a>]</span><span class=
-"ex">onveranderl&#307;k waarachtig</span> en <span class=
-"ex">voortdurend werkzaam</span> en deze vijf hoedanigheden zijn het,
-die ons den weg aanwijzen, dien wij behooren te bewandelen. Vijf
-woorden vatten den inhoud zamen der zedeleer, die wij behooren te
-volgen. <span class="ex"><i>W&#307; moeten er naar streven om w&#307;s,
-goed, regtvaardig, getrouw en waarachtig en werkzaam te
-z&#307;n.</i></span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">20.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>God is alwijs: <span class="ex">Wij moeten er
-naar streven om w&#307;s te z&#307;n</span>.</i></p>
-<p class="par">Bij dit streven moeten wij vier algemeene
-grondstellingen tot rigtsnoer nemen.&mdash;1<sup>o</sup>. Wij moeten
-ons gewennen, over al hetgeen wij waarnemen, <span class="ex">zelf na
-te denken</span> en dit te onderzoeken.&mdash;2<sup>o</sup>. Wij moeten
-niets zeggen, niets bedrijven, zonder vooraf de <span class=
-"ex">gevolgen</span> van hetgeen wij zeggen of doen zullen, naauwkeurig
-te hebben overwogen.&mdash;3<sup>o</sup>. Wij moeten elke zaak van hare
-<span class="ex">beide z&#307;den beschouwen</span>. Wordt, b. v., iets
-goeds van iemand verhaald, wordt een geschrift als een voortreffelijk
-werk geprezen, dan behooren wij ons te verheugen, dewijl wij iets goeds
-hebben vernomen, zonder het daarom <span class=
-"ex">onvoorwaardel&#307;k</span> te gelooven; wij behooren het eerst
-dan als waar aan te nemen, wanneer de persoon of het boek ons een
-genoegzaam belang inboezemde, zoodat wij ons geneigd gevoelden door
-eigen onderzoek ons van de waarheid van het gezegde te overtuigen.
-Wordt echter iets kwaads van iemand verhaald, of wordt een geschrift
-als slecht en verderfelijk veroordeeld, dan moeten wij zulks
-<span class="ex">niet</span> gelooven, wij moeten eerst de verdediging
-van den beschuldigden persoon hooren, wij moeten het geschrift eerst
-lezen en <span class="ex">dan</span> besluiten.&mdash;4<sup>o</sup>.
-Wij moeten alle onvoorwaardelijk of <span class="ex">blind <span class=
-"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name=
-"pb152">152</a>]</span>geloof verwerpen</span>, als zijnde zulks den
-redelijken mensch onwaardig. Wij moeten geene voorschriften en
-leerstellingen, onverschillig of zij gezegd worden te moeten doorgaan
-als goddelijke openbaring of niet, aannemen en opvolgen, indien zij
-niet vooraf, onder het voorzitterschap van het gezond verstand, zijn
-onderworpen geworden aan de vuurproef der natuurwet; komen zij ons,
-<i>na</i> dit onderzoek, redelijk, dat wil zeggen, begrijpelijk voor en
-in overeenstemming met de wetten der natuur, eerst dan moeten wij er
-geloof aan hechten, ze als waar aannemen en opvolgen.&mdash;Die deze
-vier grondregelen niet tot rigtsnoer zijner handelingen neemt, zal zijn
-gansche leven door een dwaas blijven, die aan den leiband zal loopen
-van ieder, die meer verstand heeft of sluwer is dan hij.</p>
-<p class="par">Niet alle menschen bereiken een gelijken graad van
-volkomenheid, wat betreft hunne ligchamelijke en geestelijke
-ontwikkeling. Terwijl vele menschen dom voortleven en sterven, verheft
-zich bij anderen de kennis van het ware en schoone tot geestdrift;
-terwijl eenige menschen den tijd in eene logge rust doorbrengen,
-gevoelen anderen zich voortdurend aangespoord tot werkzaamheid; terwijl
-velen de uitgebreidste kennis, die zij bezitten, zelfs bij de beste
-bedoelingen, welke hen bezielen, niet kunnen mededeelen, hebben anderen
-de gaaf verkregen hetgeen zij weten zoodanig in te kleeden en voor te
-dragen, dat het snel den weg naar het hart der menschen vindt. De
-mededeelingen, door dergelijke begaafde personen gedaan, hetzij deze
-mondeling of in geschrifte geschieden, moeten wij in eere
-houden&mdash;<span class="ex">onderzoeken</span> en&mdash;indien zij
-blijken proefhoudend te zijn, als waarheid aannemen en opvolgen.</p>
-<p class="par">Gij begaafden echter, die vermeent waarheden te hebben
-ontdekt, welke andere menschen niet algemeen genoeg kennen; zoo mede
-gij die door meerdere ervaring of door eene <span class=
-"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name=
-"pb153">153</a>]</span>betere opvoeding meer kennis hebt vergaderd dan
-andere menschen, gij zijt <span class="ex">verpligt</span> van het uwe
-aan anderen mede te deelen. Dit is eene zedelijke wet, welke Jezus van
-Nazareth reeds voor meer dan 1800 jaren voor waar erkende en leerde,
-toen hij sprak: &bdquo;Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat
-zij uwe goede werken zien en uwen vader, die in de hemelen is,
-verheerlijken.&rdquo;</p>
-<p class="par">De redelijke geest, welke de mensch bezit, verheft hem
-boven alle dieren, doet hem op God gelijken. Nevens de zorg, welke wij
-voor ons ligchaam behooren te dragen, moeten wij derhalve er naar
-streven om onzen geest met kennis te verrijken en trachten om
-wetenschappelijke ontwikkeling onder alle standen der maatschappij te
-bevorderen. Wij behooren zorg te dragen, dat die wetenschappen, welke
-ons tot zekere (positive) kennis brengen, de natuurwetenschappen, na
-voorafgaande beoefening der taal- en wiskunde, benevens de geschiedenis
-der menschheid, bij <span class="ex">voorkeur</span> in alle scholen
-worden onderwezen en dat elke burger van den staat door de uit zijne
-godsdienst afgeleide wet verpligt zij, zich bekend te maken met den
-hoofdinhoud van de verschillende takken der natuurwetenschappen, opdat
-hij in de inrigting van het zonnestelsel even zeer als in de organen
-van het menschelijk ligchaam, gelijk mede in het planten- en dierenrijk
-de <span class="ex">doelmatigheid</span> van alle gemaakte inrigtingen
-leere bewonderen en daaruit <span class="ex">de w&#307;sheid en
-goedheid des Scheppers in z&#307;ne werken</span> leere kennen. De
-eigenlijke natuuronderzoekers echter&mdash;de mineraloog, botanicus,
-zo&ouml;loog, de ontleedkundige, physioloog, geoloog, scheikundige,
-physicus, meteoroloog en de sterrekundige&mdash;zouden het niet beneden
-hunne waardigheid behooren te achten, met allen ijver er naar te
-streven om hunne wetenschap in eene steeds eenvoudiger en meer algemeen
-verstaanbaar wordende taal te verklaren en meer of minder volledige en
-<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name=
-"pb154">154</a>]</span>grondig behandelde opstellen daaromtrent te
-leveren, op zulk eene leest geschoeid, dat zij onder het begrip vallen
-van de verschillende meer of min beschaafde klassen der
-maatschappij;&mdash;hierbij zou steeds het oog moeten worden gehouden
-op de <span class="ex">voornaamste</span> uitkomsten door het
-natuuronderzoek verkregen, met aanwijzing van het nut, &rsquo;t welk
-uit de toepassing er van in het praktisch leven zij te trekken, opdat
-ook de minder ontwikkelden, de handwerksman en de daglooner, den
-weldadigen invloed der verlichting zouden gevoelen en niet langer, tot
-nadeel der meer verstandigen, bijgeloof en dwaalbegrippen zouden
-aankleven. Voor de verspreiding van dergelijke werken, zoo veel slechts
-immer mogelijk verrijkt met afbeeldingen ter opheldering der behandelde
-onderwerpen, behoorde de staat zorg te dragen.</p>
-<p class="par">Gelijk elke wetenschap en elke tak van wetenschap zijne
-geestdriftvolle beoefenaars heeft gevonden, die meer dan anderen
-geschikt waren om den bloei er van te bevorderen, ditzelfde is
-insgelijks het geval geweest op het gebied der <span class=
-"ex">godsdienst en zedeleer</span>. Abraham, die voor meer dan 3800
-jaren, Mozes, die 400 jaren later in Egypte en Syri&euml;, Zoroaster,
-die voor ongeveer 2700 jaren in noordoostelijk Persi&euml; en Gautama
-(Boedha), die voor 2400 jaren in Indi&euml;, zoo mede Kong foe tse, die
-slechts 100 jaren na dezen in China predikte, waren mannen die met
-geestdrift dit gebied van kennis hebben bewandeld, evenzeer als Jezus
-van Nazareth, die v&oacute;&oacute;r <span class="corr" id="xd21e3203"
-title="Verbeterd door de auteur van: 1854">1830</span> jaren onder de
-Joden en Mohammed, die v&oacute;&oacute;r 1240 jaren onder <span class=
-"ex">z&#307;ne</span> landslieden in Arabi&euml; optrad en hen leerde.
-Vele andere minder algemeen beroemd gewordene mannen zijn na hen
-gekomen. Hetgeen van de leer dezer vroegste godsdienst- en zedeleeraren
-tot op ons is overgekomen, zult gij met vrucht lezen, indien gij den
-inhoud der vroeger medegedeelde, tot leiddraad strekkende
-grondstellingen <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155"
-name="pb155">155</a>]</span>niet uit het oog verliest en het kaf van
-het koorn weet te onderscheiden. Indien gij daartoe in staat zijt, zult
-gij zelfs in de oudste godsdienstige geschriften, even als in den
-bijbel, menige goede zedeles en voortreffelijke leefregelen vinden, die
-gij met voordeel kunt opvolgen. Jezus van Nazareth beval boven alles
-luide en schoon aan het betrachten der menschenliefde en hij ijverde
-tegen de schijnheiligheid der toenmalige priesters. Gij kunt deze leer
-met vrucht toepassen op de hedendaagsche priesters. Nadeelig echter is
-het voor uwe vorming, indien gij <span class="ex">geen ander</span>
-boek leest dan den bijbel; op die wijze wordt gij eenzijdig van
-oordeel, bijgeloovig, onverdraagzaam, schijnheilig-vroom, gij verliest
-zelfs den goeden smaak en in het gezellige leven wordt gij voor anderen
-onuitstaanbaar.&mdash;Is dan de wereld, sedert Jezus zijne leer
-verkondigde, niet meer dan 1800 jaren ouder geworden? Bevat deze
-achttien honderd jaren lange geschiedenis van het menschelijke geslacht
-niet vele gewigtige lessen en ervaringen? Is de beschaving der
-menschheid sedert dien tijd niet vooruitgegaan en heeft het onderzoek
-der natuur niet tot ontdekkingen geleid, zijn niet waarheden aan het
-licht gebragt, waarvan destijds nog niemand zich eenig denkbeeld kon
-maken? En wat is nu het geval; van al deze uitkomsten en vruchten der
-nasporing, der beschaving en der gansche 1800 jaren lange geschiedenis
-vindt men in den bijbel <span class="ex">niets</span>.&mdash;Maar ook
-niet alle godsdienstleeraren, welke in verschillende tijden zijn
-opgetreden, of die nog heden bij duizenden leven, zijn mannen door de
-<span class="ex">waarheid</span> met geestdrift vervuld. De leer, welke
-velen belijden, wijkt <span class="ex">zoodanig</span> af van alle
-natuurwetten, zij druischt zoo zeer in tegen het gezond verstand, dat
-de verkondigers van dergelijke leerstellingen niet anders kunnen zijn
-dan <i>a.</i> dweepers, dat wil zeggen, kranken naar het gemoed en den
-geest, of <i>b.</i> bedriegers; meestal <span class="pagenum">[<a id=
-"pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>gaan zij aan beide
-kwalen te gelijk mank: of wel zij pleegden bij hun optreden reeds
-bedrog en de opgang, dien zij maakten, vervoerde hen tot
-geestdrijverij, of zij waren aanvankelijk dweepers, die zich later tot
-het plegen van bedrog lieten overhalen. Tot de eerstgenoemde soort
-behoorde onder anderen Joe Smith, de profeet der Mormonen.&mdash;Leest
-gij nu geen ander boek dan dien <span class="ex">eenen</span> bijbel en
-zwelgt gij buitendien nog met volle teugen fanatiek-narcotische dranken
-in, zoo als, bij voorbeeld: &bdquo;de Opstanding der dooden, het Boek
-der toekomst, het Brood des levens, de Kruisiging, de Christusregering
-voltooid, het Visioen der opstanding, de Verschijning aan meer dan vijf
-honderd, de Slaande engel!&rdquo; enz., enz.,&mdash;niets dan
-heldendichten, ingegeven door eene koortsachtige phantasie, die zich
-van alle banden heeft ontslagen, dan ontvlamt het koude vuur der
-dweepzucht in uwen boezem en uwe ziel verdroogt gelijk eene mummie,
-gelijk het groene veld, waarover de sirocco waait, door den droogen
-adem &bdquo;van het woord,&rdquo; dat gij eeuwiglijk en eeuwiglijk op
-nieuw op denzelfden oudjoodschen Prophetentoon verneemt;&mdash;gij zijt
-dan gelijk een schaap op de dorre heide; een booze geest, die u aan den
-leidband heeft gebonden en u tot <span class="ex">z&#307;n</span> doel
-wil gebruiken, voert u gedurig rond in een kring en&mdash;aan alle
-kanten ligt de schoonste groene weide! namelijk, de schepping, de
-levende openbaring Gods, maar waarin gij o, arme schapen! nimmer zult
-grazen, indien een goede geest zich niet over u erbarmt en u haalt uit
-den kring op de dorre heide.&mdash;Ik zal u eenige der goede geesten
-opnoemen en raad u aan hunne geschriften te lezen; daarin zult gij
-zekere waarheden vinden, welke nuttig voor u zijn, u zullen verkwikken
-en die op elke bladzijde de hoedanigheden van den algoeden Schepper der
-natuur uit zijne werken verkondigen. Algemeen verstaanbare geschriften
-<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name=
-"pb157">157</a>]</span>in onze taal zijn onder anderen de
-volgende.&mdash;De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen
-beschouwd, ter verheffing van God en tot bevordering van nuttige
-natuurkennis. Nieuw bewerkt door <span class="ex">F. Kaiser, C. I.
-Matthes, J. van der Hoeven, H. C. van Hall</span> en <span class=
-"ex">E. A. Beima</span>. 1849&ndash;1852.&mdash;<span class="ex">F.
-Kaiser</span>, de sterrehemel. 1853.&mdash;<span class="ex">F.
-Kaiser</span>, populair sterrekundig jaarboek voor
-1854.&mdash;<span class="ex">Album der Natuur</span>, een werk ter
-verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei
-stand. 1852&ndash;1853.&mdash;<span class="ex">Practische
-Volksalmanak</span> of jaarboekje ter verspreiding van kennis der
-toegepaste wetenschappen onder allerlei standen der Maatschappij.
-1854&mdash;<span class="ex">P. van der Burg</span>, eerste
-grondbeginselen der natuurkunde. 1853.&mdash;<span class="ex">D.
-Lubach</span>, eerste grondbeginselen der natuurkunde van den mensch
-(over het zamenstel des menschelijken ligchaams en de verrigtingen van
-zijne deelen). 1853.&mdash;<span class="ex">C. I. Matthes</span>, de
-lucht en de verschijnselen van onzen dampkring.&mdash;<span class=
-"ex">Handleiding tot de kennis der natuur</span>; schoolboek;
-uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van &rsquo;t Algemeen. 1851;
-benevens vele andere natuurkundige werken door diezelfde Maatschappij
-uitgegeven, bij voorbeeld, Volks wis- en werktuigkundig lees- en
-leerboek, Volks-meetkunde, Volks-scheikunde, het kind in zijne eerste
-levensjaren, enz.&mdash;<span class="ex">P. Harting</span>, de magt van
-het kleine, zigtbaar in de vorming van onze aarde. Utrecht,
-1849.&mdash;<span class="ex">Sommer</span>, beschrijving van &rsquo;t
-Heelal.&mdash;<span class="ex">M. I. Schleiden</span>, populaire
-voorlezingen over de plant en haar leven. Amsterdam,
-1853.&mdash;<span class="ex">Sporen van de natuurl&#307;ke Geschiedenis
-der Schepping</span>. Uit het engelsch door van den Broek, met een
-voorwoord van <span class="ex">G. I. Mulder</span>. Utrecht,
-1849.&mdash;<span class="ex">J. L. de Bru&#307;n Kops</span>,
-Beginselen der Staathuishoudkunde. Leiden, 1850.&mdash;<span class=
-"ex">F. W. Hoffmann</span>, overzigt der Algemeene Aardkunde, een leer-
-<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name=
-"pb158">158</a>]</span>en leesboek voor alle standen. 1853. Buitendien
-bestaan er nog vele andere populaire, bevattelijk geschreven werken
-over de natuurwetenschappen, die elk geleerde, ieder in zijn vak, den
-onderzoeklievende gaarne zal opgeven. <span class="ex">Leest
-die</span>; zij zijn door <span class="ex">goede</span> geesten
-geschreven.</p>
-<p class="par">Andere menschenvrienden leidden uit de geschiedenis en
-hunne eigene ervaring lessen van levenswijsheid af, en verzamelden
-zedespreuken, die zij in verschillende werken mededeelden. Ook
-dergelijke geschriften moeten wij in eere houden en hunnen inhoud in
-ons geheugen prenten. Ik zal uwe aandacht hier slechts op een derzelven
-bij uitnemendheid vestigen. Leest <span class="ex">Benjamin
-Francklin&rsquo;s</span> &bdquo;spreekwoorden van den ouden Hendrik of
-de Wijsheid van den goeden Richard,&rdquo; die onder anderen in onze
-taal zijn uitgegeven als &bdquo;Leerrijke keur uit B. Francklin&rsquo;s
-zedekundige schriften. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van
-&rsquo;t Algemeen&rdquo; (1843. Amsterdam), een boek, hetwelk in
-weinige bladzijden een schat van waarheid en levenswijsheid bevat.</p>
-<p class="par">De beste en onuitputtelijke bron van wijsheid echter
-voor iedereen is zijn eigene geest en de levende schepping, die hem
-omringt en waarmede hij door middel zijner vijf zinnen in betrekking
-staat. Indien wij de vier eerste onzer algemeene grondstellingen aan
-het stuurrad plaatsen en de natuur gadeslaan met den mensch, die zich
-daarin rondom ons beweegt, dan zullen wij in korten tijd in staat zijn
-zelven de regelen vast te stellen, die wij op ons levenspad, in den
-omgang met andere menschen moeten opvolgen, ten einde ons voor
-struikelen te behoeden, ja, bij dit onderzoek kunnen vele dieren der
-wildernis ons leeren en ons beschamen, indien wij zondigden tegen de
-voorschriften der spaarzaamheid, der matigheid, der voorzigtigheid, der
-werkzaamheid en der vlijt, of indien het mogt gebeurd zijn, dat eene
-moeder de liefde jegens haar jong geboren kind uit het oog verloor.
-<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name=
-"pb159">159</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="ex">De roeping der</span> <i>priesters</i>
-echter moet deze zijn: het ware, het schoone, dat de gezamenlijke
-krachten van alle menschen op het vereenigd gebied der
-natuurwetenschappen door onderzoek hebben ontdekt, den <span class=
-"ex">volke</span> mede te deelen, op eene wijze, die voor ieder
-verstaanbaar is en daarbij zoowel in de onderdeelen als in het groote
-geheel de heerlijkheid des Scheppers aan te toonen; vervolgens te
-verklaren hoe in al het geschapene, in de verschijnselen en in de
-wetten der natuur, de hoedanigheden Gods&mdash;zijne oneindige wijsheid
-en goedheid&mdash;doorblinken, en hieruit af te leiden de deugden, naar
-welker bezit wij moeten streven, de zedelijke wet, die wij behooren op
-te volgen.&mdash;De levende natuur in al hare deelen, de geschiedenis
-der menschheid in al hare verschillende tijdperken, zijn zoo
-onuitputbaar rijk in bouwstoffen van dezen aard, dat een priester, die
-dagelijks twee voorbeelden er van wilde uitkiezen, om ze tot
-<i>tekst</i> voor zijne leerrede, als onderwerp zijner voordragt te
-bezigen, gelijk zulks thans met &eacute;&eacute;n per week het geval
-is, niet zou behoeven te vreezen, dat de stof zou worden uitgeput, al
-werd hij 500 jaar oud!</p>
-<p class="par">Aan dit doel behoorde de eerste helft van elken zondag
-te zijn gewijd, en de kerken zouden steeds blijven, hetgeen de school
-was voor het kind, den jongeling: een tempel der wijsheid en der kennis
-voor iedereen, maar bovenal voor de middel- en lagere klassen des
-volks, die het meest behoefte hebben aan onderrigt. De priesters
-behoorden hunne eigenlijke, schoone roeping: &bdquo;volksleeraren te
-zijn,&rdquo; te beseffen en bovenal naar wijsheid en kennis te streven
-en die den volke leeren! <span class="ex">Want God is
-alw&#307;s!</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">21.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>God is goed; uit alle deelen der schepping
-straalt ons de <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name=
-"pb160">160</a>]</span>goddelijke liefde te gemoet: <span class=
-"ex">W&#307; moeten er naar streven om goed te z&#307;n</span>.</i></p>
-<p class="par">Wij moeten geen dier kwellen, maar in tegendeel
-goedaardig zijn jegens alle levende wezens en elk diertje het genot
-zijns levens gunnen. Wij mogen geen <span class=
-"ex">onschadel&#307;k</span> dier dooden, welks
-bestanddeelen&mdash;gedood zijnde&mdash;ons geen nut aanbrengen.</p>
-<p class="par">Wij moeten onze medemenschen liefhebben en welwillend
-zijn jegens iedereen. Wij moeten het lijden en de ellende, overal waar
-wij zulks ontwaren, pogen te verzachten en de armen ondersteunen.
-<span class="ex">W&#307; behooren anderen, die</span> <i>minder</i>
-<span class="ex">bezitten dan</span> <i>zij</i> <span class="ex">noodig
-hebben, mede te deelen van hetgeen w&#307;</span> <i>meer</i>
-<span class="ex">hebben, dan</span> <i>wij</i> <span class=
-"ex">behoeven</span>.</p>
-<p class="par">De stem van het goddelijk bewustzijn in ons
-binnenste,&mdash;het geweten,&mdash;zegt ons duidelijker, dan wij in
-leerstellingen kunnen zamenvatten, <span class="ex">hetgeen</span> regt
-en hetgeen onregt is; volgen wij de stem van het geweten, die reeds
-v&oacute;&oacute;r duizende jaren, even goed als nog heden, den mensch
-toeriep: &bdquo;Gij zult niet begeeren eens anderen goed, niet
-echtbreken, niet dooden, niet stelen, niet bedriegen, geen valsche
-getuigenis afleggen, het verhevene en heilige niet bespotten en u
-zelven, uw eigen, van God herkomstigen geest niet beschimpen en
-vernederen door afgoden te aanbidden.&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="ex">Menschenliefde</span> jegens
-iedereen&mdash;indien zij werkelijk ons gemoed doorgloeit&mdash;verheft
-ons hoog boven de dieren; zij veredelt ons in onze eigene oogen en
-verschaft ons, wanneer wij haar beoefenen, de reinste vreugde, meer dan
-aan dengene, die het voorwerp er van is. Dat toch deze bloem geen enkel
-oogenblik van ons gansche leven in ons verwelke!</p>
-<p class="par">Die ons het leven gaven, ons voedden, liefhadden en
-verzorgden, toen wij nog jong en hulpeloos waren,&mdash;onze
-ouders,&mdash;moeten wij beminnen tot aan hunnen dood en <span class=
-"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name=
-"pb161">161</a>]</span>steeds blijven eeren. Zijn onze ouders behoeftig
-en hebben wij rijkdommen verworven, zijn wij tot waardigheden
-opgeklommen, dan behooren wij hen met ons gelijk te stellen, hen tot
-ons op te heffen en hen te ondersteunen. <span class=
-"ex">H&#307;</span> is een verachtelijk mensch, die zich schaamt te
-belijden, wie zijne ouders zijn. &bdquo;Een oog, dat den vader bespot
-en de moeder veracht, zal door de raven uitgehaald en door de jonge
-arenden verslonden worden.&rdquo; Dat leerde bijna negentien honderd
-jaren geleden de man uit Nazareth, wiens boezem zoo warm voor waarheid
-en deugd gloeide en datzelfde staat nog heden geschreven in het geweten
-van elken mensch.</p>
-<p class="par">Wij zijn groot gebragt en opgevoed door onze ouders of,
-indien zij vroegtijdig zijn gestorven, door menschenvrienden, die hen
-vervingen. Wij zijn in zoo verre ons bestaan verschuldigd aan de liefde
-en zorg onzer ouders en behooren derhalve ook <span class=
-"ex">onze</span> kinderen lief te hebben, te verzorgen en op te
-voeden.&mdash;Wanneer gij hoort, dat eene moeder haar jong geboren
-wicht van het leven heeft beroofd, houdt haar dan geen geschreven
-woord, bijbel, gebeden- of wetboek voor, spreekt niet van verloochening
-des vleesches,&mdash;want juist daardoor hebt gij haar tot zondares
-gemaakt; gij hebt haar huichelarij en schijnheiligheid geleerd, hetgeen
-haar bewoog hare zwangerschap voor het oog der wereld te verbergen,
-totdat zij eindelijk doof werd voor de stem der natuur;&mdash;neen,
-hangt een nest met jonge vogelen voor hare gevangenis op, dan zal de
-kindermoorderes zien met welk eene liefde de dieren der wildernis voor
-hunne <span class="corr" id="xd21e3397" title=
-"Bron: jonge">jongen</span> zorgen, hoe zij ijlend naar hen toevliegen,
-hoe zij zelfs de schuwheid voor den mensch hebben afgelegd en rondom de
-kooi fladderen, waarin hunne jongen zich bevinden,&mdash;hoe zij hun in
-den snavel voedsel toevoeren, dat zij in veld en beemd hebben
-bijeenvergaard:&mdash;welligt zijn zij zelven hongerig, maar zij
-<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name=
-"pb162">162</a>]</span>voeden er zich niet mede, zij houden het
-onaangetast in den snavel en brengen het van eene verwijderde plek
-derwaarts om het hunne jongen te geven;&mdash;zij vliegen weg, maar
-ziet, zij komen weder,&mdash;zij verlaten hunne jongen niet, zelfs toen
-het nest door menschenhanden werd weggeroofd, zij hebben het toch
-gevolgd;&mdash;zij steken hunnen snavel tusschen de tralien door, ten
-einde hunne jongen te voederen, ja, zij zouden gaarne in de kooi
-trachten binnen te dringen om bij hunne jongen te blijven, die nog zoo
-naakt en hulpeloos zijn, - - heeft nu uwe leer der &bdquo;heiligmaking,
-van de <span class="ex">verloochening</span> des vleesches,
-verloochening van de stem der natuur,&rdquo; nog niet het laatste
-overblijfsel van dit gevoel, dezer stem, in het gemoed der
-kindermoorderes verstikt, dan zal zij zich voor de vogelen schamen
-en&mdash;weenen.</p>
-<p class="par">Heeft het dier aan de wet der liefde tot zijn gelijke
-voldaan, wanneer het voor zijne jongen zoo lang zorgde, totdat deze
-zelven in staat zijn voor hunne eigene instandhouding te waken, op den
-met rede begaafden mensch rust de meer gewigtige pligt om insgelijks
-voor de zedelijke opvoeding zijner kinderen, voor de ontwikkeling des
-geestes, zorg te dragen en hen in datgene te onderrigten, waarin de
-hoogste kracht des menschen ligt: in kunst en wetenschap.&mdash;Bij de
-opvoeding der kinderen moeten wij twee hoofdgrondregelen tot rigtsnoer
-nemen; <i>ten eersten</i> moeten wij door voldoende zorg, eenvoudige
-opvoedingsstoffen zonder prikkelende middelen, doelmatige wijde
-kleeding, zindelijkheid, later door allengs toenemende oefening van
-alle spieren door middel van de verschillendste ligchaamsbewegingen,
-door hen te gewennen aan de vrije lucht en de afwisseling van het
-weder&mdash;voor de krachtige ontwikkeling des ligchaams zorg dragen,
-en <i>ten tweede</i> moeten wij het kind, na voorafgaand onderrigt in
-de taal, <span class="ex">datgene</span> leeren, hetwelk als eene
-onbetwiste <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name=
-"pb163">163</a>]</span>en zekere waarheid algemeen is aangenomen en
-erkend, namelijk: wiskunde en de verschillende takken der <span class=
-"ex">natuurwetenschappen</span>, benevens de geschiedenis van het
-menschelijk geslacht; dit als de hoofdzaak behandeld wordende, mag
-gepaard gaan met het onderrigt in de algemeene zedeleer. Wij behooren
-echter zorgvuldig te waken, dat het kind, hetzij jongeling of meisje,
-geene vooroordeelen, geene godsdienstige begrippen of leerstellingen
-worden ingeprent, alvorens het zelfstandig denken en onderzoeken kan,
-en wij moeten derhalve elke handelwijze ten stelligste afkeuren, die,
-gelijk de doop en de besnijdenis, reeds het kind in de wieg met een
-kruis, een toekomstigen Messias of ander dogma stempelt, waardoor de
-geest van het kind reeds aan banden gelegd, in ketenen geklonken wordt,
-alvorens hij volkomen is ontwaakt, waardoor elke vrije ontwikkeling
-belet en de mensch gedwongen wordt zijn gansche leven door tot deze of
-gene bepaalde sekte te behooren. Aan den tot man opgewassen, met al de
-vereischte kennis der stellige wetenschappen toegerusten jongeling (zoo
-mede aan de jonge dochter) moet de keus worden overgelaten om zich voor
-eene der veelvuldige geloofsbelijdenissen te verklaren of, indien hem
-geene van allen bevredigend voorkomt, den Schepper der natuur op eigene
-wijze, naar eigene overtuiging, te aanbidden, maar nimmer moet men het
-kind geloofsstellingen leeren of inprenten, alvorens het rijp geworden
-is om zelf daarover te oordeelen.</p>
-<p class="par">Het tegenover gestelde van dezen grondregel is sedert
-vele eeuwen en wordt nog op den huidigen dag in praktijk gebragt. Deze
-omstandigheid alleen maakt het verklaarbaar, dat op dezen oogenblik nog
-vele millioenen van menschen aan leerstellingen hechten, die als heilig
-vereeren, waarover de latere nakomelingschap zich in dier voege zal
-verwonderen, dat zij zal vragen: &bdquo;Hoe toch was het mogelijk, dat
-<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name=
-"pb164">164</a>]</span>millioenen van menschen gedurende duizende jaren
-konden gelooven, hetgeen tegen het gezond verstand, ja, volkomen in
-strijd is met alle wetten der natuur?&mdash;Waren zij, die
-v&oacute;&oacute;r ons deze aarde bewoonden, nog niet met verstand
-begaafd?&rdquo;&mdash;waarop welligt een bearbeider van de
-ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zal antwoorden:</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel degelijk waren zij met verstand begaafd of,
-juister gesproken, de kiem er van was in hen gelegd; maar op dezen kiem
-entten zij met geweld het onverstand, zij zetteden <span class="ex">een
-stempel</span> op het kind en prentten het weeke, voor elken indruk
-vatbare kinderlijke gemoed gedurende zestien of meer jaren dagelijks en
-onophoudelijk in: datgene als een onaanrandbaar heiligdom, zoowel voor
-het tijdelijke als eeuwige geluk te vereeren en te aanbidden, hetwelk
-wij heden, nu de komeet van 1807 wederom zigtbaar is, welks omloop
-Bessel, op een verschil van 25 jaren na, tamelijk juist berekende,
-reeds lang als eene groote dwaling hebben leeren beschouwen. Want
-slechts weinigen van onze toenmalig levende voorvaderen konden zich in
-hunnen rijperen leeftijd weder vrijmaken van de indrukken, ontvangen in
-hunne jeugd, die zoo lange jaren hadden geduurd; bij de meesten bleef
-de vorm des stempels, waarmede zij reeds bij den doop, even als jonge
-schapen, werden geteekend, hun gansche leven door zigtbaar, (al was die
-ook door verloop van tijd meer of min onduidelijk geworden).<a class=
-"noteref" id="xd21e3430src" href="#xd21e3430" name=
-"xd21e3430src">3</a>&mdash;Danken <span class="ex">w&#307;</span>
-derhalve den Heer der Schepping! <span class="pagenum">[<a id="pb165"
-href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span>dat wij de waarheid en den
-eersten en voornaamsten hefboom van alle ontwikkeling, van alle
-wetenschap, van alle maatschappelijk geluk, in zijne volle waarde
-hebben leeren erkennen en in zijn zuiveren vorm aangewend hebben: het
-schoolonderwijs, de opvoeding onzer jeugd.&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="ex">Ons zelven moeten w&#307; echter het
-meest liefhebben</span>,&mdash;<span class="ex">meer</span> dan andere
-menschen. Dit is niet alleen regtmatig, maar dit is onze <span class=
-"ex">pligt</span>, namelijk, de pligt van zelfbehoud. Ons ligchaam
-toch, waarin de ziel woont, werd ons door den algoeden Schepper der
-natuur geschonken, opdat wij zouden leven, en geen ander mensch kan of
-zal in zulk eene mate&mdash;zoo goed&mdash;voor ons zorgen als wij
-zelven in staat zijn zulks te doen. Onze grondregel, met betrekking tot
-de liefde jegens onze naasten (zie vroeger bladz. 160), luidde aldus:
-Wij behooren anderen, die <span class="ex">minder</span> bezitten dan
-<span class="ex">z&#307;</span> noodig hebben, mede te deelen van
-hetgeen wij <span class="ex">meer</span> hebben dan <span class=
-"ex">w&#307;</span> behoeven.&mdash;Dezen grondregel moeten wij in
-overeenstemming trachten te brengen met de pligten jegens ons
-zelven.</p>
-<p class="par">Wanneer wij zien, dat iemand in nood verkeert en er hoop
-bestaat, dat hij door ons kan geholpen worden, zonder dat wij zelven er
-door verloren gaan, dan moeten wij trachten hem hulp te verleenen, al
-is zulks van gevaar vergezeld.</p>
-<p class="par">Wij moeten ons echter ook zelven in eere houden en ons
-door niemand laten beleedigen of beschimpen. Indien iemand u een
-<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name=
-"pb166">166</a>]</span>slag in het aangezigt geeft en uw geweten u
-zegt, dat gij deze beleediging of deze bestraffing hebt verdiend, ga
-dan beschaamd heen naar eene afgezonderde plaats en&mdash;verbeter u.
-Draagt gij echter in uw binnenste het bewustzijn om, dat gij die
-oorveeg <span class="ex">niet</span> hebt verdiend, eisch dan van den
-beleediger, dat hij u <span class="ex">vergiffenis</span> vrage en
-weigert hij zulks: geef hem die oorveeg terug en een andere tot zijne
-straf er bij.</p>
-<p class="par">Wij moeten alle menschen liefhebben en onze vijanden
-zelfs niet haten. <span class="ex">Grootmoedigheid</span> verheft en
-veredelt den mensch. Wij behooren pogingen aan te wenden om onzen
-vijand te <span class="ex">overtuigen</span>, dat hij onregtmatig heeft
-gehandeld. Ziet hij het begane onregt in, gevoelt hij er berouw over,
-dan moeten wij hem <span class="ex">vergevensgezindheid</span> betoonen
-en hem op die wijze tot vriend trachten te maken. Gelukt dit echter
-niet en gaat hij voort met ons te verontrusten, dan moeten wij hem
-onschadelijk trachten te maken. Kunnen wij dit niet, wordt hij
-gevaarlijk voor ons, dan behooren wij hem met alle magt te bestrijden
-en, indien hij ons dooden wil en wij niet in staat zijn ons leven
-<span class="ex">op eene andere w&#307;ze</span> te redden, dan hebben
-wij het regt <span class="ex">hem</span> te dooden. (Zie over de
-practische toepassing dezer grondstellingen in het midden der
-19<sup>de</sup> eeuw, den krijg tusschen Rusland en de westersche
-mogendheden.)</p>
-<p class="par">Veronachtzaming van ons eigen ligchaam is zonde, en
-zelfmoord de <span class="ex">grootste</span> zonde.</p>
-<p class="par">Wij behooren zorg te dragen voor ons ligchaam, wij
-moeten het behoorlijk voeden met spijs en drank en wij moeten
-ons&mdash;op eene geoorloofde, deugdzame wijze&mdash;al dat genot pogen
-te verschaffen, hetwelk wij tot ons ligchamelijk welzijn behoeven en
-waartoe wij de middelen bezitten.</p>
-<p class="par">Daar echter onmatigheid den mensch tot een dier
-verlaagt, <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name=
-"pb167">167</a>]</span>en zij hare eigene straf medebrengt, namelijk,
-tegenzin, berouw, uitputting of ziekte, moeten wij in alles
-<span class="ex">matig</span> zijn. Het genot, dat wij door elk onzer
-zinnen kunnen smaken, verandert door onmatigheid in het tegendeel, ja,
-de toonen der welluidendste muziek zouden eindelijk ons oor vermoeijen,
-zelfs pijnlijk aandoen, indien wij ze den ganschen dag en onophoudelijk
-moesten hooren. Houden wij daarentegen de <span class=
-"ex">matigheid</span> in het oog, dan oefenen alle ligchamelijke
-genietingen&mdash;het genot des gevoels, van het gehoor, des gezigts,
-van den reuk en van den smaak&mdash;niet slechts een weldadigen en
-bevredigenden invloed uit op het ligchaam, maar insgelijks op het
-gemoed; zij verzwakken den geest niet, maar versterken hem en stellen
-hem in staat nog edeler genot te smaken: om de diepzinnigste
-wetenschappelijke vraagstukken te kunnen bepeinzen.</p>
-<p class="par">In een zwak of ziekelijk ligchaam kan geen sterke of
-gezonde geest wonen. Van onze vroegste jeugd af moeten wij ons derhalve
-er op toeleggen om het ligchaam te versterken en alle mogelijke zorg
-aanwenden om het volkomen te ontwikkelen. Het nuttigen van spijs en
-drank onderhoudt het leven, maar <span class="ex">oefening der
-krachten</span> maakt ons sterk. Aan elke school zonder onderscheid
-behoorde eene inrigting te worden verbonden voor ligchaamsoefening,
-alwaar de jeugd in de gelegenheid werd gesteld door loopen, springen,
-klauteren, schommelen, werpen, kaatsen, kegelen, worstelen, zwemmen,
-paardrijden&mdash;in &eacute;&eacute;n woord, door de verschillendste
-ligchaamsbeweging de spierkracht te oefenen. Deze ligchaamsbewegingen
-moeten op rijperen leeftijd op eene doelmatige wijze worden voortgezet.
-Wij behooren veel beweging te nemen in de vrije lucht, en niet voor elk
-windje of elke regenvlaag te gaan schuilen. Wij moeten pogingen in het
-werk stellen om eene meer doelmatige wijze van kleeden in te voeren,
-<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name=
-"pb168">168</a>]</span>die de natuurlijke schoonheid van den
-ligchamelijken vorm voordeeliger doet uitkomen, zoomede om de naauw
-sluitende, stijve keurslijven bij de vrouwen in onbruik te doen
-geraken.&mdash;Reinheid des ligchaams is een der meest geschikte
-middelen ter bevordering van de gezondheid. In elke stad, in elk dorp
-behoorde een badhuis te zijn. Indien, bij voorbeeld, van een viertal
-kroegen, dat menigwerf in &eacute;&eacute;n klein dorp wordt gevonden,
-er twee gesloten en door een badhuis werden vervangen en het geld, daar
-vroeger aan genever verdronken, nu werd besteed tot het nemen van een
-koud of warm bad, dan zou zulks niet slechts nuttiger zijn voor de
-maatschappij, maar tevens aangenamer genot opleveren aan ieder
-afzonderlijk lid er van. Indien gij iemand ziet, die in een prachtig
-huis woont en fraai en zindelijk gekleed gaat, maar ten opzigte van
-zijn eigen ligchaam de reinheid uit het oog verliest, waarmede
-vergelijkt gij hem?&mdash;Wanneer het den Mohammedaan in zijn wetboek
-wordt voorgeschreven zich herhaaldelijk te wasschen, behoorden de
-bewoners van het koudere noorden, zelfs van den geringsten stand,
-hieraan een voorbeeld te nemen en het als een hunner godsdienstige
-pligten te beschouwen, minstens &eacute;&eacute;nmaal per dag die
-deelen des ligchaams te wasschen, welke naar de voorschriften der
-zindelijkheid zulks het meest behoeven en zich althans eens per week te
-baden. Daardoor zouden vele ziekten voorgekomen worden en het opkomende
-geslacht een krachtigeren wasdom verkrijgen.</p>
-<p class="par">Wij moeten ons ligchaam <span class="ex">niet</span>
-verloochenen, maar het in eere houden en God den Heer danken, dat hij
-het zoo fraai en doelmatig heeft gevormd. Wij <span class=
-"ex">mogen</span> ons ligchamelijk genot verschaffen; want <span class=
-"ex">dat</span> wij zouden genieten, lag in de bedoeling des Scheppers,
-toen hij ons het aanzijn schonk, dewijl hij alle organen onzes
-ligchaams zoodanig <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169"
-name="pb169">169</a>]</span>heeft zamengesteld, dat alle natuurlijke
-verrigtingen, welke strekken moeten tot instandhouding, zoowel der
-individuen als der soort, waartoe zij behooren, met een behagelijk
-gevoel gepaard gaan. Hij schiep ons tot het smaken van geluk en genot,
-zoowel naar het ligchaam als naar den geest. Degenen, die zeggen:
-&bdquo;verloochent u zelven, doodt alle zinnelijke lusten en begeerten,
-arbeidt aan uwe heiligmaking, legt u ontberingen op, bestrijdt uw
-vleesch door onthouding, door vasten en kastijden, opdat uwe
-onsterfelijke ziel des te vlekkeloozer worde en het goddelijke licht
-des te helderder in u schijne&rdquo;&mdash;zijn of huichelaars of
-dweepers, die zondigen tegen de weldadige bedoeling des Scheppers, want
-zij dienen toch te weten, dat in een door vasten en kastijden verzwakt
-ligchaam geen krachtige en gezonde geest kan wonen.</p>
-<p class="par">Indien gij honger hebt, u voedsel kunt verschaffen en u
-toch er van onthoudt, dan zondigt gij. Alleen de arts, niet de
-priester, heeft het regt u de <span class="ex">onthouding</span> er van
-voor te schrijven.</p>
-<p class="par">Het is de pligt der overheid om openlijke volksspelen en
-volksvermakelijkheden, gepaard met <span class="ex">doelmatige
-ligchaamsoefeningen</span>, met alle krachten aan te moedigen. Het volk
-zou dan tevredener zijn, zijne pligten met meer vreugde nakomen en niet
-zoo dikwerf, gelijk thans het geval is, verstrooijing zoeken in de
-geneverflesch, die, helaas, in vele oorden, onder vele klassen der
-maatschappij, zijn <span class="ex">eenige</span> troost, zijn
-<span class="ex">eenig</span> geluk is!&mdash;Wanneer toch de arme man
-zes dagen lang heeft gewerkt om zich &bdquo;in het zweet zijns
-aanschijns zijn dagelijksch brood&rdquo; te verschaffen en de zevende
-dag komt eindelijk aan, welke vreugde biedt hem deze
-dag?&mdash;<i>Vooreerst</i> de vreugde in de kerk te gaan, om treurige,
-droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikati&euml;n aan te
-hooren over <span class="corr" id="xd21e3559" title=
-"Bron: onbegrende">onbegrensde</span>, alles ten offer brengende
-Christelijke liefde; <i>ten tweede</i> de vreugde in de kerk
-<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name=
-"pb170">170</a>]</span>te gaan, om treurige, droefgeestige
-geloofsstellingen te belijden en predikati&euml;n aan te hooren over
-onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde; <i>ten
-derde</i> de vreugde om <span class="ex">uit</span> de kerk te gaan
-en&mdash;reeds bij de eerste schrede, die hij buiten de kerkdeur doet,
-de onmogelijkheid in te zien om eene enkele dier voorschriften na te
-komen en eindelijk&mdash;<i>ten vierde</i>, gedurende de vier of vijf
-uren van den dag, die nu nog overblijven, het genoegen om <span class=
-"ex">onbevredigd</span> in zijn binnenste te zijn en nergens iets te
-vinden, dat het <span class="ex">ledige</span> in zijn gemoed vervullen
-en genoegdoening kan geven aan eene onbestemde, maar niettemin
-duidelijk gevoelde behoefte!&mdash;Zou die behoefte ook misschien de
-genever zijn?&mdash;Neen; <span class="ex">waarheid</span> is het in
-plaats van dwaling, <span class="ex">natuurl&#307;ke godsdienst</span>
-die voor het gezond verstand begrijpelijk is en het gemoed vervrolijkt,
-waaraan hij <i>in</i> de kerk behoefte heeft&mdash;en gezellige
-vreugde, openbaar vermaak, spel met ligchaamsoefening, <span class=
-"ex">genot</span> is het, dat hij <i>buiten</i> de kerk wenscht te
-smaken, en aan het smaken van zulk maatschappelijk genoegen, vooral der
-lagere volksklassen, die dit het meest noodig hebben, behoorde minstens
-de tweede helft van elken zondag te worden gewijd.&mdash;De mensch is
-door God geschapen om te genieten en het volk heeft er behoefte aan.
-Gij, die de kermissen hebt afgeschaft, gij hebt het goede met het kwade
-te gelijk weggenomen en, indien gij het heil des volks werkelijk zoekt,
-dan zijt gij nu verpligt <span class="ex">iets beters er voor in de
-plaats te stellen</span>. Het ware te wenschen, dat het veelzijdig nut,
-&rsquo;t welk de schouwburg kan verspreiden, meer algemeen werd erkend
-en gewaardeerd, en dat zelfs in de kleinere steden <span class=
-"ex">volksschouwburgen</span> werden opgerigt. Of zou iemand durven
-beweren, dat er een krachtiger middel gevonden wordt tot verheffing van
-het zedelijke gevoel bij het volk, dan het opvoeren van tooneelstukken,
-waarin <span class="ex">zedel&#307;ke waarheden</span> worden
-ontwikkeld?&mdash;Want daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb171"
-href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>is toch het nuttige vereenigd
-met het vermakelijke, met een aangenaam tijdverdrijf!</p>
-<p class="par">Het instinkt tot voortplanting zijner soort, dat elk
-dier is ingeplant, gaat bij den mensch gepaard met het veel edeler
-gevoel <span class="ex">van liefde</span>&mdash;en bindt op die wijze
-de beide geslachten zamen. Deze liefde, welke ons verheft boven het
-dier, dat slechts geslachtsdrift gevoelt, moeten wij rein bewaren en
-haar heiligen door <span class="ex">eerbaarheid</span>.</p>
-<p class="par">De band, welke kinderen aan ouders, ouders aan kinderen,
-zoo mede zusters en broeders onderling verbindt, zou verbroken worden,
-de reinste vreugde, welke de mensch in den kring van zijn eigen
-huisgezin,&mdash;aan <span class="ex">eigen</span> haard,&mdash;geniet,
-zou verloren gaan, de teedere zorg voor de jeugd en hare opvoeding
-ontaarden in onverschilligheid, de band der trouw tusschen de
-verschillende geslachten en te gelijk daarmede vele van de schoonste
-bloemen der beschaving, der edelste deugden, zouden ophouden het
-menschelijk leven te sieren, zij zouden vervangen worden door zedelijke
-ruwheid, ja, de geslachtsliefde zou eindelijk worden verlaagd tot
-bloote dierlijke lust en de orde en tucht in de maatschappij worden
-vervangen door een woesten chaos,&mdash;indien wij het voorschrift der
-wet &bdquo;<span class="ex">een man en eene vrouw</span>&rdquo; niet in
-acht namen. Om die reden moet het genot der geslachtsliefde het geheim
-van twee personen zijn, de zaamgeknoopte band der liefde&mdash;het
-huwelijk&mdash;moet ons heilig blijven en de jeugd zal dezen band
-veredelen door <span class="ex">kuischheid</span>.</p>
-<p class="par"><span class="ex">Die</span> staat echter zal het welzijn
-des volks bevorderen, die de wettige vereeniging ook onder de
-onvermogenden met alle onder zijn bereik staande middelen
-vergemakkelijkt, en <span class="ex">die</span> priester zijn pligt
-vervullen, die het niet beneden zijne waardigheid acht de waarschuwende
-stem te verheffen tegen de nadeelige gevolgen van te vroegtijdig
-geslotene huwelijken, <span class="pagenum">[<a id="pb172" href=
-"#pb172" name="pb172">172</a>]</span>indien de <span class="corr" id=
-"xd21e3640" title="Bron: materiele">materi&euml;le</span> middelen der
-beide partijen niet toereikend zijn voor hunne behoeften,&mdash;maar
-die, in plaats van de &bdquo;verloochening des vleesches&rdquo; te
-prediken, den armen liever toeroept, dat de mensch slechts door den
-band der <span class="ex">trouw</span> zich boven het dier kan
-verheffen en dat zij dezen band moeten aaneenhechten, alvorens het
-genot der liefde te smaken.</p>
-<p class="par">Welligt zou op die wijze veel zedelijke ellende worden
-verhoed. Hebt uwen naaste lief! <span class="ex">Want God is goed en
-alle deelen der schepping getuigen van z&#307;ne liefde.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">22.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>God is regtvaardig: <span class="ex">w&#307;
-moeten pogen regtvaardig te z&#307;n</span>.</i></p>
-<p class="par">Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan
-goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te
-beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral
-van hen, die hoog geplaatst zijn&mdash;der magtigen en
-vorsten&mdash;onder de stervelingen.</p>
-<p class="par">Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen,
-waar hij in de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt
-om later op nieuw zijn arbeid te hervatten&mdash;en tegenover hem zit
-een rijk man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten,
-gebraad en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden,
-waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te
-nuttigen, zegt dan niet: &bdquo;dat is onregtvaardig;&rdquo; want den
-arbeider smaakt welligt <span class="ex">z&#307;nen</span> maaltijd
-beter dan gindschen rijkaard zijne pasteijen, en deze behoeftige man,
-die des avonds naar huis keert en in den kring der zijnen uitrust van
-de vermoeijenissen des daags, ondervindt stellig meer genot dan de
-rijke, die nog <span class="ex">nooit</span> vermoeid was. Ontneemt gij
-echter den rijke, <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173"
-name="pb173">173</a>]</span>die in overvloed is groot geworden, zijne
-schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als gindsche
-handwerksman, dan <span class="ex">handelt g&#307;
-onregtvaardigl&#307;k</span>; want dan zal de rijke zeer ongelukkig en
-beklagenswaardig zijn, dewijl hij niet gewoon is droog brood te
-eten,&mdash;en indien gij den handwerksman, die, ten gevolge van ziekte
-of duurte van levensmiddelen, <span class="ex">minder</span> verdient
-dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van hetgeen gij
-<span class="ex">meer</span> hebt dan gij behoeft, dan handelt
-<span class="ex">g&#307; insgelijks onregtvaardigl&#307;k</span> en
-zondigt tegen de wet der menschenliefde.</p>
-<p class="par">Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om
-aan ieder te geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De
-mate nu van behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel,
-waarnaar wij ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is
-dezelfde die Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de
-navolgende woorden: &bdquo;gelijk gij wilt, dat u de menschen doen
-zullen, doe hun desgelijks.&rdquo;</p>
-<p class="par">Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig
-toeschijnt. Wie zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van
-alle boom- en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de
-rottende overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de
-kolibri, welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den
-zoetsten honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen
-gehuld op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te
-vragen, ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des
-avonds huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet
-toebereid, nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft
-verkregen, zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag
-gaan bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem
-tot behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man
-daarentegen, die, met ridderorden behangen, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span>daar
-ginds in dat groote huis woont, feesten aanrigt, waarop alle fijne
-wijnen paarlen, terwijl de tafel onder den last der spijzen buigt, zegt
-niet, dat hij gelukkiger is dan de bedelaar!&mdash;<span class=
-"ex">h&#307;</span> weet <span class="ex">hoedanig</span> hij de
-schatten heeft verworven, waarmede hij pronkt, <span class=
-"ex">hoe</span> hij aan de ve&ecirc;ren is gekomen, waarmede hij zich
-heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van
-pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den rijk
-voorzienen disch,&mdash;de wroeging van een boos geweten vervult zijnen
-boezem! God is regtvaardig!</p>
-<p class="par">En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren
-op een grooten voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op
-een kantoor een sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk
-te beklagen; wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet,
-welke daden hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig
-voor hem, het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit
-hij, naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden
-en gelukkiger worden dan hij te voren was.</p>
-<p class="par">Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer
-den moed behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt,
-dewijl wij niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten
-wij ons onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en
-werkzaam zijn, want &bdquo;God helpt, die zich zelven
-helpt.&rdquo;&mdash;Heeft het ongeluk vooraf zijne komst niet
-aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht komen!</p>
-<p class="par">Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar
-om voor hare instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des
-geregts de plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den
-staat.&mdash;Gelijk in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om
-een grooter scharen en vele planeten om <span class="ex">eene</span>
-<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name=
-"pb175">175</a>]</span>zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles wat
-leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog
-oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar
-eene <span class="ex">enkele</span> grondoorzaak leiden, zoo heeft zich
-ook in de maatschappij reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen
-gelden. De beste regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel
-mogelijk is nagevolgd.&mdash;Een God, een Koning!&mdash;Maar God
-regeert de wereld niet willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten
-zijn de <span class="ex">natuurkrachten</span>, die hij schiep, en
-zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste <span class=
-"ex">wetten</span>, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij
-moeten ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen
-koning eerbiedigen.</p>
-<p class="par">Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder
-op eenige andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de
-getrouwe pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten.</p>
-<p class="par">Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is,
-maar in tegendeel dikwerf door de menschen ge&euml;erd en met
-wereldsche goederen gezegend wordt.</p>
-<p class="par">Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar
-geene straf zoo zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich
-zelve straft: een kwaad geweten.&mdash;Een kwaad geweten brengt de
-begane zonden aan den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft
-door den arm der wereldlijke geregtigheid.</p>
-<p class="par">Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter
-zedelijk ik door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen
-geworden, indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd
-hebben, maar berouw gevoelen over onze overijling of slechte
-handelwijze, innig, waarachtig berouw er over gevoelen: <span class=
-"ex">dan is de zonde ons vergeven</span>. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p>
-<p class="par">Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons
-gepleegd en het vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te
-handelen, dan mogen wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet
-gaan, ook dan wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is
-toegepast. De orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken
-worde.</p>
-<p class="par">Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet
-op het spel zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger <span class=
-"ex">genade</span> schenken, en daardoor het schoonste bewijs geven van
-de magt, die hij bezit.&mdash;Dewijl alle misdaden deels haren grond
-hebben in aangeboren ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken,
-hoofdzakelijk echter in verkeerde <span class="corr" id="xd21e3741"
-title="Bron: opvoedig">opvoeding</span> en gebrek aan beschaving
-en&mdash;bij een dergelijken aanleg&mdash;door ongelukkige uiterlijke
-omstandigheden ligt veroorzaakt worden, behooren wij <span class=
-"ex">medel&#307;den</span> te hebben met de misdadigers en trachten hen
-te verbeteren of te genezen.</p>
-<p class="par">Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk
-wezen, al zet hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat
-is ons eene enkele zonde te vergeven.</p>
-<p class="par">God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige
-plaatsbekleeder op aarde is: <span class="ex">het geweten</span>, dat
-in den boezem van elk mensch woont.</p>
-<p class="par">De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel
-met zich om. <span class="ex">Z&#307; zullen hunnen hemel en hunne hel
-met zich nemen</span>; want hunne ziel is onsterfelijk.</p>
-<p class="par">Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene
-andere hel. Wat aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen.
-Stellen wij ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij
-hiervoor zorg: dat wij een <span class="ex">hemel</span> in onzen
-boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij voortdurend er naar gestreefd
-hebben om regtvaardig te zijn! <span class="ex">Want God is volkomen
-regtvaardig.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177"
-name="pb177">177</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">23.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw
-en waarachtig: <span class="ex">ons streven moet z&#307;n in al onze
-handelingen getrouw en waarachtig te wezen</span>.</i></p>
-<p class="par"><span class="sc">Wij moeten waarachtig zijn in woorden
-en daden, en nimmer huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren
-kunnen, en overeenkomstig onze leer behooren wij ook te
-handelen.</span></p>
-<p class="par">Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te
-kleeden (behalve wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets
-schijnen te zijn, dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den
-schijn aan van iets, &rsquo;t geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de
-menschen.</p>
-<p class="par">Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet
-ligtvaardig te beloven, zonder vooraf te overleggen <i>of</i> wij onze
-belofte kunnen houden.</p>
-<p class="par">Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben
-gesloten, behooren wij heilig te bewaren.</p>
-<p class="par">Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste
-zonde, die ons in onze eigene oogen vernedert.</p>
-<p class="par">Wij moeten niet leeren: andere menschen <span class=
-"ex">even lief</span> te hebben als ons zelven; elken dag, ja, elken
-oogenblik zien wij, dat wij niet in staat zijn om zulks te doen; geven
-wij niettemin voor, dat wij dit doen, dan maken wij ons schuldig aan
-huichelarij.</p>
-<p class="par">Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons
-zelven <span class="ex">meer</span> dan anderen. Leeren wij dit, dan
-kunnen wij zulks nakomen en wij zijn waarachtig.&mdash;Ik ken een
-bekwamen, braven man, die door ongelukken tot armoede en ellende is
-vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs alle pogingen heeft
-beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft echter <span class=
-"pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name=
-"pb178">178</a>]</span>kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn,
-behoeft hij 2000 gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben
-in het bezit van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta,
-stort ik mij zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas
-of bezig het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet
-<span class="ex">meer</span> lief dan genen?&mdash;Indien iemand mij
-met de wapenen in de hand aantast, en ik mijn leven
-all&eacute;&eacute;n redden kan door den aanvaller te dooden en ik
-redde mijn leven: heb ik mij zelven dan niet <span class=
-"ex">meer</span> lief gehad dan genen?&mdash;Of wordt er iemand onder
-ons gevonden, die zich zelven in het verderf wil storten om een ander
-te helpen? die zich wil laten vermoorden, opdat een ander het leven zal
-behouden?&mdash;En indien zoo iemand onder ons werd gevonden, welk nut
-zou hij gesticht hebben door zich zelven op te offeren, dewijl toch
-<span class="ex">&eacute;&eacute;n</span> van beiden verloren gaat?
-Daardoor had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als
-zich zelven, maar in tegendeel dat hij <span class="ex">zich
-zelven</span> <i>minder</i> lief had dan genen! Zou hij op die wijze
-niet zondigen tegen den eersten pligt, die ieder mensch is
-voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud?</p>
-<p class="par">Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen
-der liefde tot onze naasten opvolgen, maar de leer &bdquo;onze naasten
-lief te hebben <span class="ex">als ons zelven</span>&rdquo; verwerpen,
-omdat het opvolgen van dit voorschrift eene natuurlijke onmogelijkheid
-is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk van elken kansel gepredikt,
-in alle Christelijke geschriften wordt aanbevolen, maar die nog nimmer
-opgevolgd kon worden en ook nooit, zoo min nu als in het vervolg,
-nagekomen zal worden,&mdash;slechts leiden kan tot schijnheiligheid,
-huichelarij en valschheid.&mdash;<span class="ex">Z&#307;t waarachtig
-en getrouw aan u zelven!</span></p>
-<p class="par">De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van
-huichelarij is de <span class="ex">sch&#307;nheiligheid</span>, welke
-iemand pleegt wanneer hij degenen, <span class="pagenum">[<a id="pb179"
-href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span>die hem zien, wil diets
-maken, dat hij in het gebed tot God spreekt, terwijl hij inderdaad aan
-niets hoegenaamd denkt of geheel andere gedachten koestert dan hij
-voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden is vervuld;&mdash;dit is eene
-soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij de Christenen veel
-algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van eenige andere
-godsdienst. De reden daarvan is: 1<sup>o</sup>. de zoo even genoemde
-omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid
-<span class="ex">gevoelt</span> (die zijn mond weigert te bekennen) om
-de eerste grondregelen des Christendoms in het leven <span class=
-"ex">na te komen</span>, zoo als: zijn naaste lief te hebben als zich
-zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte te vergeven, zich
-op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten te dooden, zich
-zelven geheel en al te <span class="ex">verloochenen</span>, enz., en
-2<sup>o</sup>. dat de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig
-bidden, bidden, bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering
-van tijdelijk en eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter
-eene uitgemaakte waarheid is, dat de mensch slechts zeer <span class=
-"ex">zelden</span> zoo diep geroerd is, in zulk eene heilige stemming
-verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot God, en hij niettemin een
-half dozijn malen daags <span class="ex">behoort</span> te bidden,
-vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts, zet
-een onnoozel gezigt&mdash;en <span class="ex">houdt</span> zich als of
-hij bidt.</p>
-<p class="par">Die een medebelijder is der <span class=
-"ex">natuurl&#307;ke godsdienst en zedeleer van den regtzinnig
-geloovigen mensch</span>, moet het werktuigelijk aframmelen van vooraf
-geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en <span class="ex">slechts
-dan</span> God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken
-aandrang daartoe gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of
-menigwerf, elken dag, elke week of slechts eens in de veertien dagen
-openbaart.</p>
-<p class="par">De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en
-wenschen en geen enkele onzer gebeden&mdash;ja, al baden wij
-<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name=
-"pb180">180</a>]</span>op onze knie&euml;n drie weken lang zonder
-ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,&mdash;is in staat om te
-bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten,
-waarnaar hij de wereld regeert.</p>
-<p class="par">Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende
-daartoe de aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den
-Eeuwige opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt.
-Bezielt hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook
-<span class="ex">zal</span> hij troost in het gebed vinden.</p>
-<p class="par">Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft
-geleerd en die op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij
-voorbeeld, bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten,
-een dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht,
-waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in
-zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk,
-huichelarij, het <span class="ex">aannemen van een valschen
-sch&#307;n</span>. Dit wordt eene gewoonte en deze gewoonte spiegelt
-zich onwillekeurig in alle andere verrigtingen der menschen af.</p>
-<p class="par"><span class="ex">Handelt</span> naar behooren, leidt een
-deugdzaam leven, maar waant niet, dat gij aan uwen pligt voldoet,
-indien gij menigwerf ter kerk gaat of uren lang op uwe knie&euml;n
-gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke uitspraken, kunt gij dan
-<span class="ex">vrome</span> menschen heeten, inderdaad echter
-misschien zeer <span class="ex">slechte</span> menschen zijn.</p>
-<p class="par">De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter
-kerk gaan, het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de
-meest gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks
-all&eacute;&eacute;n, dewijl zij weten, dat zij hunne ondeugden het
-zekerst achter schijnheiligheid kunnen verbergen, en anderen dewijl zij
-werkelijk gelooven, dat zij zich met God kunnen verzoenen, indien zij
-des zondags ter kerk gaan, <span class="pagenum">[<a id="pb181" href=
-"#pb181" name="pb181">181</a>]</span>vurig bidden, belijden dat zij
-ellendige, diep gezonken schepselen zijn, ja, van berouw vervuld zich
-ter aarde buigen, weeklagen en &bdquo;genade! genade! erbarming! voor
-mij armen verworpen zondaar&rdquo; roepen;&mdash;dan zijn hun (zoo
-wanen ze) de zonden, die zij in de afgeloopene week hebben begaan,
-kwijt gescholden; zij hebben immers &bdquo;God gediend&rdquo;
-en&mdash;zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne
-medemenschen <span class="ex">des te slechter dienen</span> en hen op
-alle mogelijke wijze bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden
-zondag door nieuwe en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon
-van berouw en herhaalde bekentenis, dat zij arme &bdquo;<span class=
-"ex">onverbeterl&#307;ke</span>&rdquo; zondaars zijn, op nieuw
-vergeving vinden. <span class="ex">Deze</span> zullen zich stellig niet
-verbeteren, maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed
-scheppen tot vernieuwde slechte daden.</p>
-<p class="par">Niet met bidden&mdash;slechts door <span class="ex">goed
-te handelen</span> kan men God dienen.</p>
-<p class="par">Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u <span class=
-"ex">heilig</span>, gelijk de eerbaarheid aan de jonge maagd.
-Ontheiligt het heilige niet, door het aan ieders oog bloot te stellen.
-<span class="ex">Bidt in eenzaamheid.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Wij moeten aan de bestendige
-onveranderlijkheid der natuurwetten gelooven en naar waarheid trachten.
-Deze waarheid moeten wij hoogachten en beminnen.</span></p>
-<p class="par">Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en
-dwaling voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn,
-maar elk toeval, &rsquo;t welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen
-doen ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de
-dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar te
-streven, <span class="ex">om ons zoo vroegt&#307;dig mogel&#307;k met
-de eeuwige waarheden der natuur bekend en vertrouwd te maken</span>.
-<span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name=
-"pb182">182</a>]</span></p>
-<p class="par">Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het
-geloof aan goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan
-dergelijke (hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende)
-gebeurtenissen, die in strijd zijn met de natuurwetten. <span class=
-"ex">Er bestaat geene regtstreeksche goddel&#307;ke ingeving of
-openbaring in het binnenste des menschen.</span>&mdash;Het is waar,
-somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong wij niet
-verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons <span class=
-"ex">toesch&#307;nt</span>, dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke,
-regtstreeksche bron van kennis, zonder in eenig verband te staan met de
-omringende natuur.&mdash;Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan
-zien wij, dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het
-ware de nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd
-<span class="ex">door onze zinnen</span> ervaren
-hebben,&mdash;onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben
-geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld
-bevat van een nog levend of v&oacute;&oacute;r langen tijd door den
-dood van deze aarde gescheiden mensch.&mdash;Zeer zeldzaam echter kan
-iemand iets denken, dat niet reeds andere menschen v&oacute;&oacute;r
-hem hebben gedacht.</p>
-<p class="par">Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke
-openbaring is <span class="ex">verderfel&#307;k</span>, dewijl het de
-kritiek van het gezond verstand uitsluit en de zoogenaamde
-geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor <span class=
-"ex">onfeilbaar</span> worden gehouden.&mdash;Want gaat men uit van de
-mogelijkheid van eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook
-toegegeven worden, dat deze openbaring Gods in <span class=
-"ex">ieder</span> mensch kan plaats hebben, dewijl wij niet weten
-kunnen <span class="ex">welken</span> sterveling&mdash;hetzij bedelaar
-of koning&mdash;God de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om
-zijne openbaring te ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide
-gedaan worden: <i>of</i> ieder moet op zijn woord worden geloofd, die
-voorgeeft goddelijke openbaringen <span class="pagenum">[<a id="pb183"
-href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>te hebben ontvangen, welke nu
-door hem als &bdquo;Gods word&rdquo; worden verkondigd, aan wier
-heiligheid geen criticus de roekelooze hand mag slaan; doet gij dat,
-dan heeft Joe Smith&mdash;de stichter van de sekte der Heiligen van den
-jongsten dag (der Mormonen)&mdash;even goed als Mohammed of ieder ander
-mensch, die later welligt zal optreden, het regt om te zeggen:
-&bdquo;ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan mijne
-woorden;&rdquo; en gij moogt er niet aan twijfelen;&mdash;<i>of</i> gij
-moet de kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven
-openbaringen van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid
-(als Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen,
-welke door den mond eens menschen verkondigd of door &rsquo;s menschen
-hand te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en
-gij bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het
-gezond verstand kunnen doorstaan.&mdash;Het is derhalve natuurlijk, dat
-dan ook de <span class="ex">b&#307;bel</span> op dergelijke wijze moet
-worden onderzocht en zulks doende zult gij de overtuiging erlangen, dat
-de daarin vervatte leeringen niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar
-ook <span class="ex">openbare en zeer groote dwalingen</span> bevatten,
-waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet kunnen
-zijn.&mdash;De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben
-deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn
-gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet
-gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot
-rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg
-hiervan zou zijn, dat <span class="ex">elke</span> natuurkundige
-ontdekking, die deze proef glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de
-mensch ooit waars en goeds heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene
-goddelijke openbaring zou genoemd moeten worden!&mdash;Waarheen voert u
-dit geloof! <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name=
-"pb184">184</a>]</span></p>
-<p class="par">Zegt derhalve niet: &bdquo;Jezus van Nazareth was het,
-aan wien God zich heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen
-bijbel vervat en dit is Gods woord;&rdquo;&mdash;want daarop kan ieder
-te regt antwoorden: &bdquo;ook aan <span class="ex">m&#307;</span>
-heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan genen en aan
-duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden om de
-openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te verstaan.
-Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,&mdash;vooral sedert
-uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan niet meer
-iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche leven
-kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden en niemand
-meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der schepping na te
-vorschen, de levende natuur te onderzoeken,&mdash;<span class=
-"ex">sedert dien t&#307;d</span> heeft God den mensch zaken
-geopenbaard, waarvan in uwen bijbel zelfs geen enkele letter wordt
-gevonden&mdash;zoo groot, zoo schoon, zoo heerlijk!&mdash;en waarvan
-gij tot heden niets zoudt vernomen hebben, indien er niet <span class=
-"ex">waarl&#307;k godvruchtige mannen</span> waren geweest, zoo als
-Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus,
-Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von
-Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday,
-Arago, Johannes M&uuml;ller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder,
-Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien
-deze niet getracht hadden in het <span class="ex">ware</span> boek der
-openbaringen te lezen.</p>
-<p class="par">De ontdekking van de ware beweging der planeten, der
-wetten van Kepler, van de drukking der dampkringslucht door
-Torricelli,&mdash;de ontdekking der undulatie-theorie van het licht,
-der waarschijnlijkheidsrekening, van de wet der zwaartekracht, welke de
-beweging der hemelligchamen aan <span class="pagenum">[<a id="pb185"
-href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span>vaste berekening
-onderwerpt,&mdash;de ontdekking der wet van Mariotte: dat de digtheid
-der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op drukt, of aan de
-zamenpersende kracht,&mdash;de ontdekking der elektrieke hoedanigheid
-des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande verband
-tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit der
-electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand tot het
-uitvinden der electrieke telegraphen,&mdash;de ontdekking der nieuwe
-classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen, der
-metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht, van
-de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn te
-brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus, der
-polarisatie van het licht,&mdash;de ontdekking der theorie van de
-opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken,
-van de gemeenschappelijke basis (van het prote&iuml;ne) der
-eiwitachtige ligchamen,&mdash;de ontdekking der galvanoplastiek door
-Jacobi, even zeer als de ontleding van het witte licht in zijne
-kleuren, de berekening der loopbaan van kometen, de uitvinding der
-spiegelsextanten, of de leer over de gisting en over de metamorphosen
-in de bewerktuigde natuur in het algemeen,&mdash;&mdash;al deze en
-andere gewigtige ontdekkingen moet gij dan (naar de grondregelen van uw
-geloof) beschouwen als waarheden, die <span class="ex">God</span> aan
-de opgenoemde mannen heeft <span class=
-"ex">geopenbaard</span>,&mdash;even goed als gij aanneemt, dat God de
-zedelijke wet: &bdquo;gij zult uwen naaste liefhebben,&rdquo; aan Jezus
-van Nazareth&mdash;of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes
-openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte,
-dat het <span class="ex">onregtvaardig</span> is te stelen en te
-dooden.</p>
-<p class="par">Dan moet gij insgelijks de <span class=
-"ex">werken</span>, waarin de vroeger genoemde ontdekkingen zijn ter
-neder gesteld, bij voorbeeld, <span class="pagenum">[<a id="pb186"
-href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span>de Libri VI de orbium
-coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie natuurrijken,
-Blumenbach&rsquo;s werk de generis humani varietate nativa, het
-Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt&rsquo;s Kosmos, de
-M&eacute;canique c&eacute;leste van Laplace, Newton&rsquo;s
-philosophiae naturalis principia mathematica en duizend andere
-voortreffelijke geschriften even zeer als &bdquo;<span class="ex">Gods
-woord</span>&rdquo; beschouwen, als uw oud en nieuw testament&mdash;en
-dan behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als
-aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken
-en behoort hen &bdquo;apostelen, door God bezielde en verlichte
-profeten&rdquo; te noemen.&mdash;Er behoeft, waarlijk, geen engel uit
-den hemel te komen om ons te leeren, dat een goede God in de schepping
-leeft, en dat wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze
-medemenschen moeten liefhebben om gelukkig te kunnen
-leven,&mdash;<span class="ex">die</span> wet staat diep in ons gemoed
-gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg werden
-erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk, zuiver
-menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het vooroordeel
-aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt en met ijver
-er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping te
-ontcijferen.&mdash;Aan <span class="ex">die</span> dwazen echter, die
-hun gezond verstand aan het <span class="ex">blind</span> geloof ten
-offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren.</p>
-<p class="par">Maar daar hoor ik eenigen van u zeggen: &bdquo;God heeft
-zich niet aan een mensch geopenbaard, volstrekt niet; hij heeft
-<span class="ex">z&#307;n zoon</span> gezonden om ons zijn woord, dat
-in den bijbel is vervat, te verkondigen en Jezus Christus was geen
-mensch, neen, <span class="ex">God</span>!&mdash;Want de menschen waren
-slecht en zondig geworden en hadden zich strafschuldig gemaakt; maar
-God erbarmde zich over hen en teelde derhalve (4 of 6000 jaar na de
-schepping van den mensch) <span class="ex">een zoon</span>, dien hij
-<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name=
-"pb187">187</a>]</span>op de aarde zond. Door de kracht des Heiligen
-Geestes verwekte hij hem in de onbevlekte maagd Maria. Hij redde het
-menschelijk geslacht van zijn ondergang, want door zijn onschuldig
-lijden en sterven droeg hij de straf weg, die de menschen hadden moeten
-lijden. Hij bragt zich ten offer aan God en God was nu verzoend en
-schonk den mensch genade en vergeving van zonde.&rdquo;</p>
-<p class="par">Daarop antwoord ik u: 1<sup>o</sup>. Hoe kan dat
-gebeuren? God is eenig en ondeelbaar, hoe kan hij een zoon
-hebben?&mdash;2<sup>o</sup>. God is alwetend; hoe was het mogelijk, dat
-de menschen zondig werden en hij zulks niet vooraf
-zag?&mdash;3<sup>o</sup>. God is almagtig en alwijs; hoe kon het
-geschieden, dat hij de zonde toeliet en den mensch niet reeds van den
-aanvang af zoodanig inrigtte, dat de zonde werd
-verhoed?&mdash;4<sup>o</sup>. God is regtvaardig; maar hoe kan hij
-gezegd worden regtvaardig te zijn, indien hij al de millioenen van
-menschen, die reeds vier of zes honderd eeuwen vroeger op aarde geleefd
-hadden, uitsloot van de weldaden, die hij nu v&oacute;&oacute;r 1854
-jaren den mensch door zijn zoon liet aanbieden?&mdash;5<sup>o</sup>.
-God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig; maar hoe
-kan dat mogelijk zijn, indien hij 1854 jaren v&oacute;&oacute;r heden
-<span class="ex">andere</span> maatregelen nam dan die, welke hij
-gedurende duizenden van jaren te voren had genomen? indien hij naar
-<span class="ex">geheel verschillende</span> plannen dan vroeger en
-geheel en al in strijd met de wetten der natuur handelde, die hij zelf
-in het wezen had geroepen?&mdash;6<sup>o</sup>. Welk regt meent gij dan
-toch wel te hebben om te gelooven, dat Jezus van Nazareth een God was?
-Is zulks welligt op grond hiervan, dat onder het Joodsche volk eene
-<span class="ex">overlevering</span> bestond, dat v&oacute;&oacute;r
-zoo of zoo veel jaren de leerlingen van Jezus het zoo verhaald hadden
-en dewijl deze <span class="ex">overlevering</span> later te boek
-gesteld en nog later &bdquo;Nieuw Testament&rdquo; genoemd werd? Worden
-dan in nog <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name=
-"pb188">188</a>]</span>oudere schriftelijke gedenkstukken der
-Hebre&euml;rs, zoo mede in die van vele andere volken niet <span class=
-"ex">nog wonderbaarl&#307;ker</span> verhalen gevonden. Moet dan alles
-worden geloofd, hetgeen menschen hebben uitgedacht, al was het dan ook,
-dat zij door vromen ijver waren bezield?&mdash;7<sup>o</sup>. Dewijl
-God almagtig en alwijs is: hoe laat het zich dan verklaren, dat de
-buitengewone maatregelen, die hij (naar uwe bewering)
-v&oacute;&oacute;r 1854 jaren heeft genomen, zoo weinig hebben
-geholpen, ja, het doel (waartoe zij, naar uw vermeenen, moesten leiden)
-geheel en al hebben gemist? Of zoudt gij durven beweren, dat de
-menschen gedurende de 18&frac12; eeuwen, die <span class=
-"ex">sedert</span> dien tijd zijn verloopen, gelukkiger waren dan
-v&oacute;&oacute;r dien tijd? of dat zij tegenwoordig <span class=
-"ex">minder</span> zondigen dan destijds?&mdash;8<sup>o</sup>. Indien
-gij welligt mogt zeggen: &bdquo;ja, zij zondigen nog evenzeer als
-destijds, maar God is door het gebragte offer verzoend en wij kunnen nu
-zalig worden,&rdquo; dan vraag ik u: hoe is het toch mogelijk, dat gij
-u zulk een <span class="ex">onheilig</span> begrip kunt vormen van den
-<span class="sc">Eeuwige</span>, den <span class=
-"sc">Onvergankelijke</span>, om te gelooven, dat hij in staat zij een
-bloedig <span class="ex">offer</span> aan te nemen, dat een aangeboden
-zoenoffer hem kon bevredigen of omkoopen?&mdash;9<sup>o</sup>. Naar uwe
-leer heeft God de zoon het bloedige offer,&mdash;namelijk, zich
-zelven&mdash;aan God den Vader aangeboden; God de Vader heeft dit
-(&mdash;menschen- of goden-?&mdash;) offer aangenomen en het zondig
-menschelijk geslacht is nu <span class="ex">gered</span>! En dewijl nu
-God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest slechts <i>een</i>
-God zijn (naar uw geloof), heeft God <span class="ex">zich
-zelven</span>&mdash;<span class="ex">aan zich zelven</span>&mdash;om
-onzent wille (die hij met zijnen alvoorzienenden, alwetenden en
-almagtigen wil schiep) ten zoenoffer gegeven!&mdash;Ik vraag het u: Wat
-is dat?</p>
-<p class="par">Deze vraag heb ik mijn gezond verstand gedaan en daarop
-een antwoord gekregen, dat uit vijf letters bestaat, met eene o begint
-<span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name=
-"pb189">189</a>]</span>en eene n eindigt. Ik zou echter zeer
-onbescheiden handelen, indien ik dit antwoord alhier ter nederschreef,
-want ik zou daardoor als het ware te verstaan geven van oordeel te
-zijn, dat zij, die dit lezen, <span class="ex">geen</span> gezond
-verstand bezitten! Dit zij verre van mij. Ik houd mij in tegendeel
-overtuigd, dat <span class="ex">ieder, die dit leest</span>, gezond
-verstand bezit, hetwelk zoodanig op het mijne gelijkt, als het linker-
-op het regteroog of de hersenen van den eenen mensch op die van den
-anderen. Ik wend mij derhalve aan al die lezers, die deze vraag
-beantwoord wenschen te zien, met het vriendelijk verzoek, haar aan
-<span class="ex">hun eigen</span> gezond verstand te doen en ik houd
-mij overtuigd, dat van honderd lezers <span class="ex">honderd</span>
-een antwoord zullen ontvangen, dat, eensluidend met het mijne, uit niet
-meer en niet minder dan vijf letters bestaat, met eene o begint en met
-eene n eindigt. Slechts in het geval dat er onder de honderd lezers
-eenigen mogten gevonden worden, die hun gezond verstand <span class=
-"ex">geheel en al</span> ten offer hebben gebragt aan het blinde
-geloof, zou het mogelijk kunnen zijn, dat het antwoord op de vraag
-verkregen bij hen uit <span class="ex">drie</span> letters bestond,
-beginnende met eene z en eindigende met eene n. Ik neem de vrijheid
-deze heeren met betamelijke bescheidenheid onder de aandacht te
-brengen, dat de <span class="ex">grootste</span> schat, welken de
-Eeuwige den mensch heeft geschonken, die hem boven alles dierbaar moet
-zijn, zijne redelijke ziel, zijn <span class="ex">gezond
-verstand</span> is, dewijl hij <span class="ex">alles</span>, waardoor
-hij zich boven het dier verheft, met inbegrip van zijn heilig geloof
-aan God, uitsluitend aan zijn verstand te danken heeft.</p>
-<p class="par">Tot zulke tegenstrijdigheden komt gij door aan te nemen,
-dat eene menschwording Gods of eene regtstreeksche goddelijke
-openbaring in den mensch tot de mogelijkheden behoort<span class="corr"
-id="xd21e4149" title="Niet in bron">.</span> Het is de <span class=
-"ex"><span class="sc">EENIGE</span></span> bron van alle dwaling en
-bijgeloof, welke de Christelijke godsdienst aankleeft, zoo mede van de
-vreesselijke <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name=
-"pb190">190</a>]</span>misbruiken, die, in den loop der laatste
-achttien honderd jaren, met wereldsche bedoelingen, zijn gemaakt van de
-behoefte der menschen aan godsdienst. Niemand toch zou zich hebben
-durven schuldig maken aan dergelijke misbruiken, indien hij zich niet
-op de <i>woorden</i> des bijbels (die buitendien voor zeer
-verschillende uitlegging vatbaar zijn), als op <i>Gods</i> woord, had
-kunnen beroepen; nimmer zou hij echter den bijbel voor Gods woord
-hebben kunnen uitgeven, indien hij niet het geloof aan de menschwording
-Gods of de regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch als eene
-vaste en algemeen erkende waarheid op den voorgrond had kunnen
-stellen.&mdash;Bewijst hem nu, dat God zich op geene andere wijze aan
-den mensch openbaart dan <span class="ex">door z&#307;ne
-schepping</span>, dan moet noodzakelijkerwijze, <span class=
-"ex">met</span> het vroeger genoemde bijgeloof, tevens al het misbruik
-verdwijnen en de bijbel van dien oogenblik af ophouden <span class=
-"ex">meer</span> te zijn dan het gebrekkige werk van menschen, die voor
-dwalingen bloot staan. (In het voorafgaande ligt echter niet de
-strekking om te beweren, dat niet zeer veel schoons, goeds en
-voortreffelijks in den bijbel wordt gevonden.)&mdash;Blijft gij echter
-vasthouden aan het bijgeloof, dan kunt gij, met den bijbel in de hand,
-alles bewijzen, dat gij wilt;&mdash;dan staat de aarde stil;&mdash;de
-dooden herrijzen;&mdash;goede en booze engelen zweven in het
-rond;&mdash;al, dat wonderbaar en in strijd is met de natuur, wordt
-mogelijk;&mdash;gij behoeft den bijbel slechts open te slaan om iets te
-vinden, dat voor uw doel past,&mdash;om <span class="ex">dezen</span>
-als ketter te vervloeken of aan gindsch boek een steen te binden en
-het, aldus bezwaard, in het diepste der wateren te laten zinken; ja,
-<span class="ex">kon</span> het nog twee duizend jaren op denzelfden
-voet voortgaan, zoo als thans het geval is, dan zoudt gij de woorden
-des bijbels zoo lang ginds en herwaarts draaijen, verzetten, verklaren
-en uitleggen, totdat&mdash;<span class="pagenum">[<a id="pb191" href=
-"#pb191" name="pb191">191</a>]</span>uwe Christelijke kerk <span class=
-"ex">in zoo vele sekten verdeeld is als er menschen op aarde wonen of
-als er woorden in den b&#307;bel staan!</span></p>
-<p class="par">Dewijl er slechts <i>eene</i> waarheid zijn kan,
-vertoont uwe Christelijke kerk, met hare honderden van verschillende
-sekten, wier aantal nog dagelijks toeneemt, reeds naar het
-uitwendige&mdash;wanneer wij haar uitsluitend van een praktisch
-standpunt, als geschiedkundig feit beschouwen, gelijk zij daar
-staat,&mdash;het bewijs, dat zij <i>niet</i> in de waarheid
-is.&mdash;Ga ik die kerk binnen: welk eene duffe lucht komt mij te
-gemoet! alles is vermolmd en ondermijnd; de grondslagen zijn
-weggebroken en de muren rusten op dunne planken, welke over deze gaten
-zijn gelegd,&mdash;de planken zelven zijn echter ook reeds sedert
-langen tijd vermolmd en het gansche gebouw moet onfeilbaar vroeger of
-later instorten!</p>
-<p class="par">De waarheid kan onmogelijk in twee&euml;n worden
-verdeeld of anders worden uitgelegd, dan zij werkelijk is. Zij is
-<span class="ex">&eacute;&eacute;n</span> en ondeelbaar en vertoont
-zich gelijk zij is: als <span class="ex">waar</span>. De <span class=
-"sc">NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER VAN DEN REGTZINNIG GELOOVIGEN
-MENSCH</span> kan nooit meer dan <span class="ex">eene</span> kerk,
-<span class="ex">eene</span> sekte vormen, en de zuilen des tempels,
-welken zij zal stichten, zijn op een hechten grond gebouwd: de gansche
-schepping is haar grondslag. Het binnenste dezes tempels is voor
-niemand gesloten, het altaarblad verbergt geene mysteri&euml;n. Uit de
-met groene bloesems gesierde natuur waaijen eeuwiglijk welriekende
-geuren den tempel binnen, en zoo lang het vriendelijke licht van zon,
-maan en sterren niet verbleekt, zal ook de waarheid <span class="ex">in
-deze kerk</span> niet ophouden te schijnen.</p>
-<p class="par">Gij echter, die aan openbaringen gelooft, gij bevindt u
-in een doolhof met oneindig lange gangen, die zich in allerlei bogten
-uitstrekken en elkander in de verschillendste rigtingen doorkruisen.
-Deze gangen splitsen zich tot in het oneindige <span class=
-"pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span>in
-nevengangen, en gij treedt ze binnen en doorloopt ze dagen lang,
-nachten lang;&mdash;gij dwaalt er in rond, zonder een uitweg te vinden,
-gij hebt geen kompas, waarnaar gij uwe schreden kunt rigten;&mdash;hoe
-verder gij op deze bogtige paden voortgaat, des te donkerder wordt het
-rondom u,&mdash;geen schijnsel van verlichting dringt daarin
-door,&mdash;slechts <span class="ex">dwaallichten</span> flikkeren hier
-en daar voor u op;&mdash;in plaats van opbeurenden troost maakt angst
-zich meester van uwe ziel,&mdash;maar gij volgt het bedriegelijke spoor
-der dwaallichten, gij begeeft u immer verder en&mdash;ten laatste staat
-gij aan den rand eens afgronds, die zich voor uwe voeten
-opent&mdash;onpeilbaar diep en somber;&mdash;uwe verhitte
-verbeeldingskracht ziet allerlei bedriegelijke gestalten, die in den
-afgrond rondwaren, ja, op den achtergrond ontwaart gij den rossen gloed
-van hel en vagevuur.</p>
-<p class="par">Een letterlijk geloof aan de woorden des bijbels dwingt
-u niet alleen aan te nemen, dat er vroeger wonderen zijn geschied, maar
-dat er in de toekomst wonderen zullen plaats hebben, zoo als de
-<span class="ex">ligchamel&#307;ke opstanding der dooden</span>.</p>
-<p class="par">Volgens de natuurwet zijn alle bewerktuigde ligchamen
-onderhevig aan eene voortdurende verandering, en ondergaat de materie,
-waaruit zij bestaan, eene onophoudelijke omzetting.&mdash;De
-ligchamelijke stoffen, welke door de levenskracht in drie- en
-viervoudige verbindingen worden za&acirc;mgehouden, scheiden zich na
-den dood des ligchaams spoedig van&eacute;&eacute;n, de zuurstof der
-lucht oefent hare werking uit en andere, eenvoudiger verbindingen
-worden gevormd. Het ligchaam gaat tot verrotting over, er ontstaan
-luchtvormige, druipbaar-vloeibare en aardachtige stoffen. Eenige dezer
-stoffen blijven voorloopig ter plaatse waar het lijk verrot; zij
-bemesten den bodem, groeijen op als gras en moeskruiden <span class=
-"pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>en
-worden door mensch en dier gegeten; anderen geraken verstrooid, worden
-door water weggespoeld en kunnen door winden en waterstroomingen in
-alle deelen der aarde, en van de noord- tot aan de zuidpool
-geraken!&mdash;Eenige stofdeelen of moleculen van menschen, die voor
-duizend jaren in Friesland zijn begraven geworden, vielen welligt met
-den regen in lateren tijd in de Chinesche zee uit de lucht neder;
-anderen kwamen door stroomingen of met schepen aan de kusten van
-Amerika of naar Engeland;&mdash;zij werden door visschen opgeslokt,
-deze visschen zwommen verder,&mdash;werden door Chinezen of
-Nieuw-Zeelanders of door Franschen en Engelschen gevangen, opgegeten en
-kwamen op die wijze in menschelijke ligchamen;&mdash;deze menschen
-stierven; gras wies op hunne grafplaats; dieren aten dit gras, gaven
-melk en kaas;&mdash;menschen aten deze kaas of het vleesch der dieren
-en stierven;&mdash;nieuw gras groeide op, nieuwe dieren aten het gras
-en strekten aan andere menschen tot spijs; deze stierven en andermaal
-groeide er gras of er verhieven zich wouden boven de overblijfselen
-dezer dieren en menschen.&mdash;Het hout dezer wouden werd deels tot
-den scheepsbouw gebezigd en eenige der daaruit getimmerde schepen
-beploegden de zee&euml;n van de zuidelijke helft des aardbols; zij
-strandden op de koraalriffen van het eiland Malicolo en leverden de
-stof, waaruit met pijl en boog gewapende Polynesi&euml;rs
-ontstonden;&mdash;anderen voerden Sir John Franklin naar de IJszee,
-waar hij met man en muis verging; deze schepen waren, even goed als de
-anderen, ruim geproviandeerd met Hollandsche boter en kaas, waarvan de
-officieren en het overige scheepsvolk hadden gegeten, die nu door
-ijsbeeren en visschen, zoo als deze laatsten weder door zeehonden
-verslonden werden, die op hunne beurt aan Eskimo&rsquo;s tot voedsel
-strekten;&mdash;een ander gedeelte van het hout werd verbrand, de asch
-<span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name=
-"pb194">194</a>]</span>werd gebezigd om den grond te bemesten, waarop
-weldra weder nieuw gras en groentesoorten wiessen, die de stof hielpen
-leveren tot verschillende na elkander opgroeijende geslachten van
-menschen en dieren.</p>
-<p class="par">Het is derhalve zeer wel mogelijk, dat eenige stofdeelen
-(of der grondbestanddeelen of van hunne verbindingen d. i. atomen of
-moleculen) van de menschelijke ligchamen, welke v&oacute;&oacute;r
-duizend jaren in Friesland zijn begraven, thans zich bevinden in
-Engeland en behooren tot het ligchaam van een lid van het Parlement,
-die lord Aberdeen interpelleert over het Turksche
-vraagstuk,&mdash;anderen aan de kusten der Hudsonsstraat of van de
-Baffinsbaai ronddwalen in de gedaante van Eskimo&rsquo;s, die zich aan
-robbenvet vergasten, of thans rollen in de aderen van een Papoea op
-Nieuw-Guinea;&mdash;het is mogelijk, dat anderen tot een mandarijn zijn
-geworden, die thans voor Peking het zwaard in de hand houdt om de
-regten van zijnen keizer te verdedigen;&mdash;anderen hebben welligt
-gedurende eenige geslachten een stam van Noord-Amerikaansche wilden
-helpen vormen en zijn thans in Californi&euml;, alwaar deze wilden zijn
-begraven geworden, tot hooge boomen opgegroeid&mdash;en het kan wel
-waar zijn, dat nog andere moleculen der stoffen, waaruit voor duizend
-jaren de oude Friezen bestonden, zich thans bevinden in de tweede kamer
-der Staten-Generaal te &rsquo;s Hage, in het hoofd van een der
-volksvertegenwoordigers, die oppositie voert tegen het
-ministerie,&mdash;of dat eenige dezer deelen, nadat zij reeds door vele
-tientallen van andere menschelijke ligchamen zijn gegaan, en
-achtereenvolgens aan eenige schoenmakers, kle&ecirc;rmakers,
-doodgravers, schouwspelers of domin&eacute;&rsquo;s hebben
-behoord,&mdash;nu kortelings weder door de koeijen in de weide zijn
-opgegeten en op dezen oogenblik in den vorm van boter en kaas of een
-rundergebraad op een van uwe tafels staan, die morgen (wanneer
-<span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name=
-"pb195">195</a>]</span>gij die spijzen genuttigd hebt) in uwe aderen
-rollen, overmorgen echter reeds wederom op een <span class=
-"ex">andere</span> plaats zich zullen bevinden.</p>
-<p class="par">Gesteld, dat nu heden de &bdquo;Jongste dag&rdquo; ware
-aangebroken en de voor duizend jaren begraven oude Friezen wederom
-moesten opstaan uit hunne graven, welk een onbeschrijfelijk schouwspel
-van opstanding zou zich dan aan uwe blikken voordoen!&mdash;Hoe zouden
-de ligchamelijke deelen (de stoffen waaruit de Friezen
-v&oacute;&oacute;r duizend jaar bestonden), die thans allerwege op de
-aardoppervlakte verspreid zijn, zich moeten haasten om&mdash;uit den
-arm van den mandarijn in China, uit Engeland, Malicolo, van de kusten
-der Baffinsbaai, uit Nieuw-Guinea, Californi&euml;, uit de tweede kamer
-der Staten-Generaal te &rsquo;s Hage, uit de kaas of uit het
-rundergebraad, die nog op uwe tafel staan, en uit duizend andere
-ligchamen, uit gras, boomen, koeijen in de weide, visschen in het
-water, menschen in de stad en op het platte land,&mdash;hoe zouden zij
-zich haasten om zoo snel mogelijk naar Friesland te komen, hoe zouden
-zij van verre en van nabij door de lucht vliegen, om nog te regter tijd
-aan het oude graf te kunnen zijn!&mdash;Eenigen moeten slechts 5,
-anderen 30 en er zijn er die 3000 mijlen moeten afleggen,&mdash;maar
-alle deelen en atomen (waterstof-, zuurstof-, stikstof-, phosphorus-,
-kalkaarde-, ijzer- en andere atomen) allen reizen even snel,&mdash;geen
-atome kan zelfs &eacute;&eacute;n enkel oogenblik op het andere
-wachten,&mdash;de kalkaarde toch heeft den phosphorus noodig en de
-phosphorus verlangt naar de zuurstof.&mdash;Atomen, haast u! haast
-u!&mdash;maakt onderweg geene kennis met elkander, wanneer gij daar
-dooreen snort in de lucht,&mdash;verloochent voor heden uwe
-verwantschap,&mdash;in Friesland! is uw rendez-vous,&mdash;<span class=
-"ex">daar</span> moogt gij u verbinden, maar houdt u nu niet op, elke
-seconde is kostbaar,&mdash;draagt zorg, dat gij aan het graf
-komt!&mdash;Hoort gij het luide &bdquo;geschal der
-bazuin?&rdquo;&mdash;<span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196"
-name="pb196">196</a>]</span>spoedt u voort!&mdash;&bdquo;de dag van het
-wereldgerigt is aangebroken! de ure der opstanding heeft
-geslagen!&rdquo;&mdash;Ziet hoe zij ijlen, hoe zij vliegen, hoort hoe
-zij snorren!&mdash;zij komen!&mdash;daar zijn zij!&mdash;Ja, het
-goddelijke magtwoord heeft uitgewerkt, dat zij allen, allen te regter
-tijd aan het graf zijn bij&eacute;&eacute;n gekomen, opdat&mdash;de
-doode zou kunnen opstaan.</p>
-<p class="par">Goed. De doode rijst op. Daar staat de Fries!</p>
-<p class="par">Hoe zonderbaar dit alles ook moge toeschijnen, het is
-echter <span class="ex">denkbaar</span> en zou derhalve mogelijk zijn
-voor de goddelijke almagt.&mdash;Maar wacht eens! halt!&mdash;Wat moet
-er gebeuren met het lid van het parlement, die lord Aberdeen
-interpelleerde? Wat moet er worden van den braven John Franklin en van
-de Eskimo&rsquo;s,&mdash;van den ongelukkigen Lapeyrouse en van zijne
-matrozen,&mdash;van de Papoea&rsquo;s, van den mandarijn in China, van
-de Noord-Amerikaansche wilden, van het oppositie lid der
-Staten-Generaal te &rsquo;s Gravenhage,&mdash;van de schoenmakers,
-kle&ecirc;rmakers, professoren, doodgravers, schouwspelers, en bovenal
-wat moet er van de domin&eacute;&rsquo;s worden? die zullen toch ook
-gaarne willen herrijzen en hebben even billijke aanspraken op de
-goddelijke geregtigheid!&mdash;Hoe moet daarmede nu gehandeld
-worden?&mdash;De ligchamelijke stof, waaruit zij&mdash;ten
-deele&mdash;bestonden, is immers naar Friesland teruggekeerd, en aldaar
-gebezigd geworden tot eene hernieuwde daarstelling van de ligchamen der
-oude Friezen!&mdash;voor de menschen, die <span class="ex">later</span>
-uit deze stof zijn gevormd geworden, is toch niets meer overig gebleven
-of er ontbreekt althans iets aan!&mdash;deze hebben een arm, genen een
-been te weinig, aan den &eacute;&eacute;n ontbreken 95 atomen stikstof,
-bij den anderen 1000 atomen waterstof, en aan het oppositie lid der
-Staten-Generaal te &rsquo;s Hage ontbreekt welligt het gansche
-hoofd!&mdash;Zonder hoofd kan men toch niet uit den dood
-opstaan!&mdash;Neen, dat gaat niet. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="ex">Dezelfde stof</span> heeft toch
-<span class="ex">achtereenvolgens</span>, op verschillende tijden, zeer
-vele ligchamen van menschen gevormd,&mdash;de materie loopt immers in
-een eeuwigdurenden kring en gaat onophoudelijk van het onbewerktuigde
-rijk in het bewerktuigde, in planten, dieren en menschen over en keert
-uit deze weder in het onbewerktuigde rijk terug!&mdash;De stof neemt
-nimmer toe, noch af, maar ondergaat eene voortdurende omzetting en een
-en hetzelfde atome zal tot aan den &bdquo;jongsten dag&rdquo; welligt
-tot een millioenen ligchamen of meer hebben behoord, welke het
-achtereenvolgens hielp daarstellen! - - - Gemakkelijk laat het zich
-bevroeden, dat het zelfs voor de goddelijke almagt volstrekt onmogelijk
-zou zijn, dat millioen menschen in eens in hunne vroegere ligchamelijke
-gestalte te voorschijn te doen komen, dewijl toch <span class=
-"ex">hetzelfde</span> atome slechts aan <span class="ex">een</span>
-hunner te gelijker tijd kan toebehooren en, zoo lang het aan dezen
-eenen behoort, natuurlijkerwijze aan de overige 999999 ontbreken
-moet!&mdash;Maar wat meer zegt, zelfs gedurende het leven bestaat het
-bewerktuigde ligchaam geen twee dagen lang uit <span class=
-"ex">dezelfde</span> stof, dewijl het onophoudelijk nieuwe stofdeelen
-opneemt en de ouden uitwerpt.&mdash;De gansche schepping van dieren en
-menschen, welke uit vele millioenen van individuen kan bestaan hebben,
-en v&oacute;&oacute;r 3000 jaren op de aarde leefde,&mdash;vervolgens
-stierf en begraven werd, <span class="ex">z&#307; ligt thans niet meer
-in de aarde</span>, maar is reeds sedert lang
-opgestaan!&mdash;<span class="ex">Dezelfde</span> stof, waaruit zij
-bestond, bevindt zich in dezen oogenblik misschien in <span class=
-"ex">ons</span>,&mdash;in de thans levende schepping van dieren en
-menschen,&mdash;nadat zij intusschen gedurende de verloopene 3000 jaren
-door talrijke andere levende geslachten is gegaan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het ligchaam zal tot stof wederkeeren, waaruit
-het genomen is;&rdquo; dat wil zeggen, de stof is, wel is waar,
-onvergankelijk,<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name=
-"pb198">198</a>]</span>&mdash;maar <span class="ex">veranderl&#307;k
-van gedaante</span>; zij is onophoudelijk in beweging en de stoffen
-scheiden zich vaneen of gaan nieuwe verbindingen aan zonder ophouden.
-De geestelijke kracht, de ziel alleen, is onveranderlijk en eeuwig. Wij
-behooren derhalve de ligchamelijke opstanding der dooden als een
-schadelijk bijgeloof te verwerpen en slechts aan een wonder te
-gelooven, dat is, aan <span class="sc">HEM</span>, dien wij aanbidden
-en niet begrijpen, van wiens aanwezen echter wij zelven, zoo mede de
-gansche schepping en de eeuwige onveranderlijke wetten, die haar
-beheerschen, de getuigen zijn. <span class="ex">Want God is eeuwig
-dezelfde, onveranderl&#307;k getrouw en waarachtig</span>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">24.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>God is voortdurend werkzaam: <span class=
-"ex">wij moeten arbeidzaam en vl&#307;tig z&#307;n</span>.</i></p>
-<p class="par">In de natuur blijft niets, zelfs niet gedurende een
-enkelen oogenblik onveranderd, staat niets gedurende een enkelen
-oogenblik stil; de tijd gaat onophoudelijk voort.&mdash;Laat ons een
-nuttig gebruik maken van de handbreedte tijds, welke de maat is van
-onzen levensduur en verslapen wij dien niet. Wij moeten vlijtig zijn
-en, indien wij ons doel willen bereiken, volhardend in vlijt.</p>
-<p class="par">Wij zullen het genot der rust eerst dan leeren schatten,
-wanneer wij vermoeid zijn van den arbeid. Wij moeten arbeiden, elk in
-zijn vak, <span class="ex">totdat</span> wij vermoeid zijn.
-<span class="ex">W&#307; moeten nimmer ledig gaan, indien w&#307; niet
-vermoeid z&#307;n.</span></p>
-<p class="par">God heeft ons geschapen, opdat wij op hem zouden
-gelijken en <span class="ex">leven</span>. Indien wij langer slapen dan
-noodig is, <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name=
-"pb199">199</a>]</span>indien wij zonder vermoeid te zijn, ons op de
-rustbank nederleggen, dan handelen wij ondankbaar jegens de weldadige
-bedoeling van God, wij verkorten ons leven en leven dan slechts half.
-Lediggang is zonde. Wij moeten vlijtig en arbeidzaam zijn, <span class=
-"ex">want God is voortdurend werkzaam</span>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">25.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wanneer wij bij het nadenken over het geschapene
-en zijn oorsprong aan de grens zijn genaderd, alwaar ons
-begripsvermogen ophoudt, dan verrijst de hoop voor onze
-blikken.&mdash;Uit de beschouwing der natuur en van ons zelven zijn wij
-tot de erkentenis gekomen, dat een eeuwige, verstandige geest in deze
-schepping leeft. Zijn wezen, zoo mede onze bestemming en toekomst
-kunnen wij niet doorgronden. Maar uit de verschijnselen en wetten der
-natuur hebben wij de hoedanigheden Gods afgeleid, en hierin de
-voorschriften onzer godsdienst en zedeleer gevonden.&mdash;Dit zijn de
-hemelsche sterren, die het aardsche leven vriendelijk beschijnen. Bij
-deze helderblinkende sterren voegde de Onvergankelijke nog eene zachte
-maan en hij gebood, dat haar weldadig licht nimmer zou worden
-uitgedoofd in het gemoed van den deugdzamen mensch: <span class=
-"ex">hoop</span> is haar naam.&mdash;Nergens kunnen wij waarheid,
-nergens duurzame bevrediging des harten vinden, dan in de beoefening
-der natuur,&mdash;in de beschouwing harer ligchamen, harer stille,
-eeuwig zich gelijk blijvende krachten; want hierin zien wij de sporen
-van den Onvergankelijke, die zich weder in onze eigene ziel
-afspiegelen.&mdash;Wij moeten het verhevene, het groote, dat zich in de
-natuur openbaart, niet bespotten. God moet ons heilig zijn.&mdash;God
-is wijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk getrouw <span class=
-"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>en
-werkzaam. Wij moeten er naar streven dit <span class=
-"ex">insgel&#307;ks</span> te zijn. Dit geloof moeten wij gedurende ons
-gansche leven geen oogenblik laten varen; wij zullen er <span class=
-"ex">vertrouwen op ons</span> zelven uit putten en het zal ons sterken
-in de wederwaardigheden onzes levens, ja, het zal ons troosten, wanneer
-wij twijfelen of aan iets onbegrijpelijks komen.</p>
-<p class="par">Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen,
-die zoo vol landen, klippen en eilanden is, moet dit <span class=
-"ex"><i>geloof</i></span> zijn;&mdash;<span class=
-"ex"><i>liefde</i></span> moet de kracht wezen, die onze zeilen doet
-zwellen; wijsheid behoort aan het stuurrad te staan en&mdash;ons
-plegtanker, dat v&oacute;&oacute;r aan den boeg hangt, &rsquo;t welk
-men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de oneindige
-zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat, dit moet
-zijn&mdash;de <span class="ex"><i>hoop</i></span>.</p>
-<p class="par">EPILOOG.</p>
-<p class="par">Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne
-preek tegen het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan
-openbaring.</p>
-<p class="par">Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen
-gerangschikt mogen worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is,
-begrijpen en met mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de
-maatschappij, dat het aantal diergenen groot moge zijn.&mdash;Trouwens,
-gij&mdash;heiligen van den jongsten dag, gij, <span class=
-"ex">Groene</span>, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat tot over
-de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist als de
-visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche wereld uit
-water bestaat. En wanneer <span class="pagenum">[<a id="pb201" href=
-"#pb201" name="pb201">201</a>]</span>nu eens bij een geleerde onder
-hen&mdash;onder de visschen&mdash;een duister voorgevoel opkomt, dat er
-welligt ook <span class="ex">lucht</span> in de wereld is, dan
-verbeeldt hij zich toch, dat die eene doodelijke gassoort moet zijn,
-waarin al dat leven heeft, onfeilbaar moet verstikken!&mdash;En wie mag
-zich daarover verwonderen? Gij hoort, ziet, ruikt, smaakt en gevoelt
-toch van uwe prille jeugd tot aan uw zalig uiteinde niets anders dan
-<span class="ex">Christel&#307;ke</span> polsen, <span class=
-"ex">Christel&#307;k</span> brood en wijn, <span class=
-"ex">Christel&#307;ken</span> wierook of damp, <span class=
-"ex">Christel&#307;ke</span> kerken en <span class=
-"ex">Christel&#307;ke</span> predikati&euml;n,&mdash;gij schrijft
-<span class="ex">Christel&#307;ke</span> anthropologien, draagt
-<span class="ex">Christel&#307;ke</span> brillen op uw neus,&mdash;de
-menschenliefde hebt gij afgeschaft, &rsquo;t moet <span class=
-"ex">Christen</span>liefde heeten, &bdquo;dampkringslucht&rdquo; is
-eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan
-<span class="ex">Christel&#307;ke</span> lucht, gij drinkt echt
-<span class="ex">Christel&#307;k</span> water en, moogt gij ook
-somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des te
-<span class="ex">Christel&#307;ker</span>,&mdash;gij laat u
-<span class="ex">Christel&#307;k</span> begraven en vaart dan&mdash;op
-naar den <span class="ex">Christel&#307;ken</span> hemel, die zich met
-de zon, de maan en alle sterren dagelijks om de kleine aarde
-draait.</p>
-<p class="par">Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een
-dergelijken bril draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de
-visschen predikt: &bdquo;Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht,
-die men hier tusschen de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is
-het heldere licht, het licht der waarheid, dat hier boven
-schijnt!&mdash;Gij arme visschen, wilt gij dan eeuwig in het troebele
-water blijven en u over den modderigen bodem rondwentelen? of u zelfs
-laten <span class="ex">visschen</span> en vangen met den angel
-<span class="ex">Groen</span>&mdash;angel geel of angel
-blaauw?&mdash;of van welke kleur zij mogen zijn, deze takken van den
-boom met twee wortelen: <i>a</i> en <i>b</i>. Komt toch boven en volgt
-mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u
-visschen.&rdquo;&mdash;Hu! dat hebben de getrouwe geburen der
-<span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name=
-"pb202">202</a>]</span>visschen, namelijk, de <span class=
-"ex">kikvorschen</span>, die aan den kant zitten, gehoord en nu
-beginnen zij te kwaken, <span class="ex">allen te gel&#307;k,
-met</span> <i>eene</i> <span class="ex">stem</span>: &bdquo;Visschen!
-Visschen! Wacht u voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom;
-maar gij kunt immers <span class="ex">hooren</span>? Gij kunt immers
-<span class="ex">gelooven</span>?&mdash;wel nu, gelooft hem
-<span class="ex">niet</span>! Hoort <span class="ex">niet</span> naar
-hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind, naar
-dezen bezetene!&mdash;Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft ons
-kikvorschen: <span class="ex">w&#307;</span> zeggen u de waarheid! het
-heldere licht daarboven kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht
-moet gij verstikken, geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs
-kunnen haar niet goed verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer
-wij <span class="ex">kwaken</span> willen, ademen wij die lucht eens
-even in. Dat weet gij immers wel.&mdash;Wij blijven het liefst bij u in
-het moeras! Is dat dan niet volkomen waar?&mdash;Daarvan kunt gij u met
-uwe eigene oogen overtuigen!&rdquo;&mdash;en plomp, plomp! daar
-springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar schieten
-zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het hart der
-visschen van vreugde bonst.&rdquo;&mdash;<i>Dat</i> zijn eerst
-overtuigende bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door
-de gehoudene predikatie en&mdash;zwemmen voort.</p>
-<p class="trailer xd21e1362">(<i>Vervolg hierna.</i>)</p>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb202.1" href="#pb202.1" name=
-"pb202.1">I</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e2941" href="#xd21e2941src" name="xd21e2941">1</a></span> Hierop
-maakt de mensch somtijds eene uitzondering, bij voorbeeld, de
-huichelaar en schijnheilige.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e2941src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e2960" href="#xd21e2960src" name="xd21e2960">2</a></span> De
-komeet van Encke maakt hierop geene uitzondering, want zoodra de
-oorzaak der versnelde beweging met zekerheid bekend zal zijn, zullen de
-berekeningen met de verschijnselen overeenstemmen.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e2960src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e3430" href="#xd21e3430src" name="xd21e3430">3</a></span>
-&bdquo;Toch werden ook toen reeds enkelen gevonden, die zich vrij
-hadden gemaakt van het bijgeloof hunner tijdgenooten. Ten bewijze
-hiervan strekt onder anderen eene brochure, gedrukt in 1851 en
-getiteld: Belangrijke vragen over de verrigtingen der
-Christen-Zendelingen onder de Heidenen, door een Christen, te Amsterdam
-bij gebroeders Diederichs,&mdash;waar op bladz. 10 de volgende
-merkwaardige woorden te lezen staan: &bdquo;Hoe lang zullen wij dan nog
-werk hebben, eer wij naderhand van het tegendeel overtuigd worden?
-<span class="ex">Menig geloovig Christen heeft 25 jaren van onderzoek
-noodig gehad, om van deze dwalingen in z&#307;ne jeugd opgedaan terug
-te komen</span>, en men bemerkt nog heden ten dage aan menig
-Christenleeraar, hoe diep die dwalingen der oudheid zijn ingeworteld,
-daar hij dezelve nog verdedigt, ja zelfs tot stichting zijner gemeente,
-gelijk hij meent, opentlijk voordraagt, welke gemeente dan, om kerk en
-leeraar niet opzettelijk te vermijden, het een en ander heel wat beter
-moet weten toe te passen, om zijne woorden tot stichting te
-herleiden;&mdash;<span class="ex">ieder gevoelt hoe moeijel&#307;k het
-moet vallen zulke vooroordeelen te overwinnen, in Christenlanden, waar
-men die van jongs af heeft ingezogen</span>.&rdquo;&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e3430src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="verklaring" class="div1 preface"><span class=
-"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VERKLARING.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De mededeeler der &bdquo;Licht- en Schaduwbeelden
-uit de binnenlanden van Java,&rdquo; heeft zijnen naam niet genoemd.
-Hij hoopt zelfs, dat zijn naam <span class="ex">nimmer</span> bekend
-zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen en dwalingen
-bestreden en daarentegen de goede zaak der <span class="ex">waarheid en
-verlichting</span> verdedigd, welke hij door een persoon onder den
-verdichten naam van <span class="sc">Dag</span> liet vertegenwoordigen.
-Het is eene groote en schoone zaak. Duizenden&mdash;en deze niet de
-minst edelaardigen in den lande&mdash;zijn in de stilte met geestdrift
-daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder geschreven wordt, beteekent
-een individu. Een mensch is klein en zwak, en ieder heeft zijne
-gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare <span class=
-"ex">eigene verdedigster</span> zal zijn, en het is niet uit
-<span class="ex">on</span>bescheidenheid, dat hij zijnen naam
-verzwijgt.</p>
-<p class="par">Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is
-naauwelijks het honderdduizendste gedeelte <span class=
-"ex">z&#307;n</span> eigendom, en ook dit honderdduizendste gedeelte
-slechts in zoo verre als hij <span class="ex">een weinig</span> heeft
-mede gearbeid aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij
-<span class="ex">z&#307;ne eigene</span> vijf zinnen niet ongebruikt
-heeft gelaten, om in het levende boek der natuur te lezen en de
-schriftteekenen der schepping zoo getrouw mogelijk te verklaren. Al het
-overige gedeelte des <span class="pagenum">[<a id="pb202.2" href=
-"#pb202.2" name="pb202.2">II</a>]</span>inhouds van dit geschrift is
-het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben geleverd tot
-verklaring van het boek der schepping, die allen hebben medegewerkt om
-waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor bijgeloof en
-dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een bewijs van
-aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler dezes zijnen
-naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van personen op den
-titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld te worden van die
-<span class="ex">duizenden</span>, welke sedert den tijd van Galilei en
-Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter
-een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der namen
-van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de
-mededeeler hen allen te zamen onder den naam van <span class=
-"sc">Dag</span>, d. i. waarheid, verlichting, welken hij op den titel
-stelde. De billijkheid vorderde derhalve, dat hij zijn eigen naam
-verzweeg, dewijl hij hoogstens naar de eer kan dingen <span class=
-"ex">&eacute;&eacute;n</span> dier duizenden te zijn.</p>
-<p class="par">Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten,
-zonder in eene wederlegging der <span class="ex">zaak zelve</span> te
-treden, hunne aanvallen gerigt tegen den schrijver,&mdash;hoezeer deze
-onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van &bdquo;<i>verregaande
-domheid</i>,&rdquo; anderen van &bdquo;<i>verregaande
-onbeschaamdheid</i>;&rdquo; zij noemden zijn boek een
-&bdquo;<i>vuilaardig schotschrift</i>;&rdquo; zij gaven den lezer den
-raad &bdquo;<i>er een steen aan te binden en het in den Eufraat te
-werpen</i>;&rdquo; er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de
-schrijver &bdquo;<i>zijn <span class="ex">naam</span> zou
-noemen</i>&rdquo; (&mdash;waarom?&mdash;) en anderen verheugden zich,
-dat hij &bdquo;<i>zijn naam <span class="ex">verzwegen</span> had,
-dewijl zij dit als een bewijs beschouwden, dat hij nog niet
-<span class="ex">alle</span> gevoel van schaamte had uitgeschud, maar
-integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te
-verdedigen</i>.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb202.3" href=
-"#pb202.3" name="pb202.3">III</a>]</span></p>
-<p class="par">Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog
-doen verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder.
-Zij namen het zelfs den <span class="ex">uitgever</span> kwalijk, dat
-hij een &bdquo;dergelijk boek&rdquo; in het licht had gezonden en gaven
-hem duidelijk te verstaan, dat hij wel zou doen het vervolg er van
-<span class="ex">niet</span> te leveren.</p>
-<p class="par">Deze en andere beschuldigingen, welke den <span class=
-"ex">uitgever</span>&mdash;geheel onverdiend&mdash;werden te last
-gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest, dat hij mij heeft
-verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven, tenzij ik, door
-het stellen van mijnen naam voor het geschrift, de verantwoordelijkheid
-daarvan op mij&mdash;<span class="ex">op m&#307;
-alleen</span>&mdash;nam, onder bijvoeging dat het gansche werk op
-<span class="ex">m&#307;ne</span> kosten werd uitgegeven.</p>
-<p class="par"><i>Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al
-overeenkomstig is met de waarheid, dat de</i> <span class=
-"sc">UITGEVER</span> <i>volkomen vreemd is aan den inhoud van het
-geschrift, dat het op</i> <span class="sc">MIJNE</span> kosten is
-uitgegeven en dat <span class="sc">IK ALLEEN</span> <i>verantwoordelijk
-ben voor den inhoud</i>.</p>
-<p class="par">Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet
-noemen, tenzij ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. <i>Gij</i>,
-heeren recensenten, kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft
-alleen bewerkt, dat het boek <span class="ex">een anderen
-uitgever</span> heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt u gaarne tot
-eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen, de vrijheid van
-drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de uitgave verhinderen
-van zulke geschriften, die u mishagen,&mdash;of, indien dat niet
-gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des schrijvers kennen. Velen
-onder u zouden zoo gaarne een <span class="ex">persoon</span> als
-doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun dan
-gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek van de
-<span class="ex">zaak</span> af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen:
-&bdquo;Hij heeft den <span class="ex">moed</span> <span class=
-"pagenum">[<a id="pb202.4" href="#pb202.4" name=
-"pb202.4">IV</a>]</span>niet zijn naam te noemen.&rdquo; Ik verklaar,
-echter dat het mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als
-een <span class="ex">lafaard</span> beschouwen, dan dat de vrienden der
-zaak door broeder <span class="sc">Dag</span> verdedigd, mij van
-<span class="ex">onbescheidenheid</span> kunnen beschuldigen. En
-daarenboven al uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen!
-Het is waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb
-mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt:
-innige, vaste, onwankelbare <span class=
-"ex">overtuiging</span>!&mdash;Op dit pantser zullen al uwe pijlen
-afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij slechts in zoo
-verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt, u de woorden toe
-te roepen, die gij <a class="biblink xd21e41" title=
-"Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href=
-"https://www.biblegateway.com/passage/?search=Lk%2023:34&amp;version=HTB">
-Lukas XXIII vs. 34</a> lezen kunt.</p>
-<p class="par">Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite
-niet, het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers
-te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te
-bestrijden, waarom verzwijgt <span class="ex">ook g&#307;</span> niet
-liever <span class="ex">uwe namen</span>?&mdash;Spreekt toch niet van
-personen, maar blijft bij de zaak,&mdash; &mdash;<span class="ex">noemt
-u <span class="sc">Nacht</span>!</span>&mdash;en wederlegt (indien gij
-kunt) de leerstellingen van <span class="sc">Dag</span>.</p>
-<p class="par signed"><i>S. ... Julij</i>, 1854. <span class=
-"sc">Dag.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203"
-name="pb203">203</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="pt3" class="div0 part">
-<h2 class="super">VERHALEN EN GESPREKKEN<br>
-UIT DE<br>
-BINNENLANDEN VAN JAVA.</h2>
-<h2 class="label">3.</h2>
-<p class="par first">Toen ik den volgenden morgen<a class="noteref" id=
-"xd21e4657src" href="#xd21e4657" name="xd21e4657src">1</a> ontwaakte en
-van mijne legerstede opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> de hut reeds had verlaten. Ik zocht hem
-overal in het dorp, maar nergens kon ik hem vinden. Eindelijk kreeg ik
-hem in het oog; ik zag hem in de verte op den top des Goenoeng-Soesoe,
-waar hij, in diep gepeins verzonken, den oogenblik scheen af te
-wachten, waarop de zon boven den horizon zou verrijzen. Later
-verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke godsdienst meer
-had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de gronden vroeger
-door mij tot staving <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204"
-name="pb204">204</a>]</span>mijner gevoelens aangevoerd. Mijne
-zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij
-verdedigd ter bestrijding van de &bdquo;geopenbaarde godsdienst,&rdquo;
-wenschte hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den
-huidigen dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de
-hand en ging toen mijn eigen weg.</p>
-<p class="par">Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche
-priester mij te gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne
-landslieden, in het dorp aanwezig, slechts &eacute;&eacute;n enkele
-werd gevonden die Orang Natsarani, dat wil zeggen, Christen of,
-woordelijk gesproken, Nazarenermensch wilde worden. <span class=
-"ex">M&#307;ne</span> agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op
-al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht,
-dat ik hem mijn boek &bdquo;Kitab&rdquo; (eigenlijk heilig boek of
-bijbel) zou leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te
-lezen en vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne
-voldeed ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het
-Maleisch geschreven uittreksel af van het &bdquo;Evangelie van den
-regtzinnig geloovigen mensch,&rdquo; welks geest en strekking ik den
-vorigen avond getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne
-vraag, wie dan toch de nieuwe Orang el Meseh<a class="noteref" id=
-"xd21e4670src" href="#xd21e4670" name="xd21e4670src">2</a> was,
-verkreeg ik ten antwoord dat het de bediende mijns broeders was, welke
-dien wensch had te kennen gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat
-een spotachtige trek zich op het gelaat van den Imam (priester)
-vertoonde, toen hij den naam van &bdquo;Lapiah&rdquo; noemde, van den
-slimmen vogel, dien de lezer reeds ten deele aan zijne vederen heeft
-leeren kennen.</p>
-<p class="par">In mijn binnenste speet het mij, dat de <span class=
-"ex">goede kern</span> van <span class="pagenum">[<a id="pb205" href=
-"#pb205" name="pb205">205</a>]</span>de zedeleer des Hebre&euml;rs van
-Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen; wat echter de
-handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde ik mij in geenen
-deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa, behalve de werkelijk
-goeden en de van harte geloovigen,<a class="noteref" id="xd21e4680src"
-href="#xd21e4680" name="xd21e4680src">3</a> zeer dikwerf ook
-<span class="ex">dergel&#307;ke</span> personen aan den Messias en aan
-de leer &bdquo;der verlossing van zonden door het bloedige offer van
-Gods zoon&rdquo; gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben
-bedreven, en grooten lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke
-menschen brengen hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort
-met zondigen), zoomede <span class="ex">dezulken</span> die volstrekt
-geene behoefte aan godsdienst hebben, zoodat het hun onverschillig is
-<span class="ex">wat</span> zij gelooven of uit eigenbaat <span class=
-"ex">huichelen</span> te gelooven. Indien echter een goede kern in
-Europa geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen,
-bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en
-onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden
-kon dan eenen <span class="sc">Lapiah</span>,&mdash;dan moet zij
-inderdaad wel <i>zeer</i> dik met stof en dwalingen bedekt
-zijn!&mdash;Wat broeder <span class="sc">Nacht</span> hierover wel zal
-zeggen?</p>
-<p class="par">Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij
-met twee mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke
-wijze als gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg
-begaf naar een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten
-einde dien te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en
-aan de reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen.
-Met de beschrijving van mijn &bdquo;dagelijkschen arbeid&rdquo; wil ik
-echter den lezer <span class="ex">dezer</span> bladen niet vermoeijen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
-"pb206">206</a>]</span></p>
-<p class="par">Door en door warm van de brandende zonnestralen en
-druipnat van zweet, kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in
-de gelegenheid om de oude spreuk te bevestigen: &bdquo;in het zweet
-uwes aanschijns zult gij uw brood eten.&rdquo;&mdash;Zweet?
-Ja.&mdash;Brood? Ja, en nog iets beters dan dat: lust tot den arbeid,
-levensgenot, menschenliefde, <span class="ex">geluk</span> en&mdash;een
-van dankbaarheid vervuld gemoed. Kort v&oacute;&oacute;r onze aankomst
-was insgelijks de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het
-distriktshoofd hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij
-mijn broeder had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander
-geslagen, zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven
-in zijne op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem
-daarvan wilde ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen,
-bragt die met eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief
-uit den omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde
-daarop even plegtig als vroeger zijn &bdquo;S&#277;mbah.&rdquo; Niet
-v&oacute;&oacute;r ik den brief geopend en hem gezegd had, dat alles
-goed was, stond hij op en verwijderde hij zich in eene bukkende,
-onderdanige houding. De lezer zal wel bevroeden dat deze eerbewijzingen
-niet mij, maar den <span class="ex">brief</span> golden, die van een
-zijner <span class="ex">hoofden</span> kwam.</p>
-<p class="par">Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in
-de nabij staande hutten en vond hem in een er van in eene hevige
-woordenwisseling met <span class="sc">Lapiah</span>, dien hij beval
-zich te verwijderen en welke mompelend gehoorzaamde. Drie andere
-Javanen die zich in de hut bevonden, zwegen nu insgelijks stil, dewijl
-zij bespeurden dat mijn broeder toornig was. Uit eenige woorden die ik
-had opgevangen, als Isa el Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het
-vermoeden dat zij over onderwerpen, het geloof betreffende, hadden
-gesproken. Ik erlangde hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders
-<span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
-"pb207">207</a>]</span>mond, die mij te kennen gaf dat hij, in gevolge
-van zijn wensch en dien der dorpsbewoners, dezen avond weder bestemd
-had tot het houden eener bijeenkomst en, dewijl hij behoefte gevoelde
-om verscheidene punten nader toe te lichten, hoopte hij dat deze
-afspraak mij niet ongelegen zou komen.</p>
-<p class="par">Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval
-was, las ik hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die
-met eene zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer
-van den volgenden inhoud was: &bdquo;Vele groeten aan de Heeren
-<span class="sc">Dag</span> en <span class="sc">Nacht</span> van mij
-Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden<a class="noteref" id="xd21e4740src"
-href="#xd21e4740" name="xd21e4740src">4</a> Kapala tjoetak, enz. Het is
-mij niet mogelijk Koeli&rsquo;s aan de Heeren te zenden buiten de
-grenzen van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het
-grensdorp Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe
-aankomst aldaar tien Koeli&rsquo;s te verschaffen en u tot aan het
-volgende dorp te vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn
-bevel verder moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel
-<span class="corr" id="xd21e4746" title="Bron: dniden">duiden</span>,
-indien ik u de opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving
-moeten bekomen, wanneer Orang Wolanda&rsquo;s in het binnenland reizen;
-ik heb echter nog geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve
-het plan opgevat onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten
-einde den regent om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte
-van de wijze waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen.&rdquo; Wij
-zagen nu duidelijk in dat er voor ons niets anders overschoot, dan
-nogmaals een beroep te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten
-einde door hunne tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij
-gelegen distrikt te kunnen bereiken. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span></p>
-<p class="par">De Kalong&rsquo;s togen weder over onze hoofden naar het
-gebergte, de paauwen vlogen al gillend door het dal en het
-insektengegons, waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden,
-werd allengs meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in
-dezelfde hut vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op
-den vloer bijeen; ook de <span class="sc">Imam</span> zat met de beenen
-kruislings over elkander v&oacute;&oacute;r hen en wij hadden onze oude
-plaats in de nabijheid van den wand weder ingenomen, waar de beide
-lampen een schemerachtig licht verspreidden.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Zeer geachte heeren!
-Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid gehad ons, onwetende
-Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst, waarvoor wij u bij deze
-onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven dat gij het werkelijk
-goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is almagtig, alomtegenwoordig,
-alwijs, algoed en volkomen regtvaardig; dat alles is ons sedert lang
-bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar streven moeten om Gode gelijk
-te worden, om deugdzaam te zijn en onze medemenschen lief te hebben;
-ook dat weten wij <span class="corr" id="xd21e4759" title=
-"Bron: sints">sinds</span> lang en dit staat mede zeer schoon
-beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer <span class=
-"sc">Nacht</span><a class="noteref" id="xd21e4764src" href="#xd21e4764"
-name="xd21e4764src">5</a> gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden
-bestaat, een Vader, een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op
-aarde moet gekomen zijn om zich voor het menschdom op te offeren en
-allen, die in hem gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den
-hemel te brengen; dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou
-onregtvaardig gehandeld zijn van den Albarmhartige, <span class=
-"ex">dew&#307;l w&#307; niet daaraan gelooven</span>. Wij gelooven
-veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet of berouw
-koestert over zijne zonden, <span class="pagenum">[<a id="pb209" href=
-"#pb209" name="pb209">209</a>]</span>in den hemel komt, en dat de
-Albarmhartige een <span class="ex">Eenig</span> groote God is. Mijne
-landslieden, hier om mij verzameld, hebben mij den last opgedragen den
-zeer ge&euml;erden Heer <span class="sc">Nacht</span> te verzoeken, het
-hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen willen worden en
-niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen <span class=
-"sc">Lapiah</span>, de bediende van den Heer <span class=
-"sc">Nacht</span>.</p>
-<p class="par"><span class="sp">LAPIAH.</span> Neen; ik ook niet. Mijn
-Heer heeft mij gezegd dat elk Christen zijne medechristenen even lief
-moet hebben, als zich zelven; dat heeft hij echter niet willen doen.
-Mijn Heer rookt dagelijks twaalf manilacigaren; ik ben ook een
-liefhebber er van en heb slechts twee van de twaalf voor mij gevraagd,
-maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn Heer is rijk genoeg en ik heb hem
-slechts om 5 gulden toelaag per maand tot mijn loon verzocht, ten
-einde, na den afloop der reis, mij nog eene vrouw te kunnen
-aanschaffen; maar op het hooren van dit voorstel is mijn Heer boos
-geworden en heeft mij toegevoegd: maak je weg, lummel! Jij behoeft geen
-Christen te worden. Wat helpt nu zulk een fraaije leer, indien zij
-slechts in boeken te lezen staat en er niet naar gehandeld wordt? Om
-die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Luister eens <span class=
-"sc">Lapiah</span>; gij zijt steeds vriendelijk door mij behandeld
-geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet zijt en
-het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of gij u
-Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het gebod
-&bdquo;hebt uwe naasten lief gelijk u zelven&rdquo;, kan en mag niet
-uit het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften
-heeft, hetgeen zoo veel wil zeggen als: &bdquo;iedereen lief te hebben
-<span class="ex">naar de mate waarop h&#307; aanspraak
-heeft</span>.&rdquo; Dat ik deze leer inderdaad navolg, hiervan zal ik
-u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee van mijne
-manilacigaren <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name=
-"pb210">210</a>]</span>hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5
-gulden toelaag bekomen en <span class="ex">behouden, zoo lang g&#307;
-uwe vrouwen liefder&#307;k bejegent</span> en u goed gedraagt.
-Maar&mdash;Christen zult <span class="ex">g&#307; niet</span> worden,
-dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten,
-dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken,
-slechts <i>mis</i>bruik er van wilt maken.</p>
-<p class="par">(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen:
-&bdquo;ongeveer gelijk dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk
-algemeen, loffelijk gebruik geworden is.&rdquo;)</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Ik ben zeer beducht,
-achtingswaardige Heer! dat zulks met het grootste gedeelte mijner
-landgenooten het geval zijn zou. Duidt mij de aanmerking niet ten
-kwade, maar eene leer, die eerst moet uitgelegd en verklaard worden,
-alvorens haar toe te kunnen passen, kan geene volle, van God afkomstige
-waarheid zijn, zoo als trouwens mijn Heer uw broeder <span class=
-"sc">Dag</span> zelf reeds heeft gezegd.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Daar hebt gij
-het!&mdash;Ware deze heer <span class="sc">Imam</span> met zijn Koran
-en gij met uw &bdquo;Evangelie der natuur&rdquo; er niet tusschen beide
-gekomen, dan zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig
-schoon gevonden en aangenomen hebben.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Maar, beste broeder, hoe
-kunt gij u bedroeven over deze tusschenkomst? Of zoudt gij durven
-beweren dat er eenige verdienste in gelegen was, het Christendom in te
-voeren onder een volk dat nog op den allereersten trap van zedelijke
-ontwikkeling staat, zoo als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland,
-wier oordeel weinig geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe
-mate ontwikkeld zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen,
-<span class="ex">zulke</span> menschen te overreden om het Christelijk
-geloof te omhelzen, die nog nimmer van eene andere leer hebben gehoord,
-aan wie slechts deze <span class="ex">eene</span> leer&mdash;en dat nog
-zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling&mdash;<span class=
-"pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name=
-"pb211">211</a>]</span>wordt kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd
-geene sprake kan zijn van het doen eener <span class="ex">keuze
-tusschen deze</span> en eene andere leer?&mdash;Wat verhinderde dan
-deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te
-verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op hen
-uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten tusschen
-ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat kan hen
-daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen moet
-gezocht worden in hunne <span class="ex">overtuiging</span>, in de
-overtuiging dat de grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die
-zij begrepen, werkelijk op de waarheid steunen?&mdash;En deze zoudt gij
-met voorbedacht voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de
-hand en fluisterde mij toe: &bdquo;gij hebt gelijk; terstond zal ik mij
-nader verklaren.&rdquo; Ik ging hierop voort.) Ik weet welke
-bewijsgronden door orthodoxe predikanten, presidenten van
-zendelinggenootschappen en dergelijken ter verdediging hunner
-Evangelische woelingen in vreemde landen gewoonlijk worden gebezigd.
-Zij zeggen dat de invoering van het Evangelie b. v. op de
-Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de wildste menschen, ja, geheel
-ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen heeft in de zachtaardigste
-lammeren!&mdash;Ik echter antwoord daarop: dat heeft het Christelijke
-<span class="ex">dogma</span> niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling,
-de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming van
-menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europe&euml;rs, die
-zich aldaar hadden ne&ecirc;rgezet, het voorbeeld dat de wilden voor
-oogen hadden,&mdash;<span class="ex">deze</span> moeten beschouwd
-worden als de oorzaken, welke die verandering bij gindsche woeste
-volken hebben te weeg gebragt, en deze verandering zou bij hen hebben
-plaats gegrepen, al hadden zij het Christendom <span class=
-"ex">niet</span> op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats
-<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
-"pb212">212</a>]</span>van deze, eene andere godsdienst, b. v. de
-Boedha- of de Mohammedaansche godsdienst nog <span class=
-"ex">mede</span> op de koop daarbij hadden ontvangen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Hetgeen gij, waarde Heer
-<span class="sc">Dag</span>, ons voorgedragen en later op schrift ter
-lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja, wat meer is,
-wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden mij verzocht
-hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te verklaren. Ik ben
-in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit G. hier heen gekomen
-om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het besluit opgevat, om
-mij alhier neder te zetten en het Evangelie van den regtzinnig
-geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te dragen en daarin
-onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat wij Isa el Meseh
-als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en hierin stemt uw
-Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval is, met ons
-wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden wij nopens twee
-onderscheidene punten eenige nadere inlichting van u wenschen te
-ontvangen.</p>
-<p class="par">Het <i>eerste</i> punt is van den navolgenden aard. Wij
-Javanen hebben van oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den
-doode, welke ons in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De
-mogelijkheid daarvan wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden.
-Dit doet ons leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der
-afgestorvenen, de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom
-achten en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en
-gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien, naar
-hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd
-vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht
-en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar het
-werd begraven. Indien dat het <span class="pagenum">[<a id="pb213"
-href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>geval ware, zouden wij het
-even goed dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!&mdash;Zou
-echter zulk eene ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige
-werking uitoefenen op de levenden en eene wederkeerige
-onverschilligheid of liefdeloosheid ten gevolge kunnen hebben?</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Er waren in der tijd vele
-volken, gelijk er nog heden ten dage gevonden worden, die hunne dooden
-verbranden; ja, hier op Java zelf bestond vroeger diezelfde gewoonte,
-alvorens met den Koran de leer van de ligchamelijke opstanding uit den
-doode en de heilige eerbied voor de graven alhier werd ingevoerd.
-Sommige volksstammen werpen de lijken <span class="corr" id="xd21e4885"
-title="Bron: hurner">hunner</span> afgestorvenen op bepaalde plaatsen
-neder, waar zij door gieren en ander wild gedierte worden
-verslonden.&mdash;Verre zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter
-navolging zou willen aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij
-overeenkomstig de natuur een lijk slechts zoo lang met eerbied en
-teedere belangstelling kunnen behandelen, als het den menschelijken
-vorm nog bezit welke ons den geliefden afgestorvene herinnert; zoodra
-echter de ontbinding aanvangt dezen vorm te vernietigen en het lijk
-(dat nu geen mensch meer is) in onaangenaam riekenden stof doet
-overgaan, moeten wij het ook als onaangenaam riekende stof behandelen,
-begraven of verbranden. Eene langduriger vereering van lijken en
-begraafplaatsen heeft reeds menigwerf een verderfelijken invloed op de
-levenden uitgeoefend. De akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn,
-indien de begraafplaatsen om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene
-plek, nadat zij gedurende 10 &agrave; 15 jaren onaangeroerd was
-gelaten, op nieuw tot bouwland werd gebezigd.&mdash;In zijne werken, in
-zijne lessen is het dat de werkelijk brave mensch op aarde blijft
-voortleven, en het beste, het meest eervolle gedenkteeken dat wij hem
-kunnen stichten, zal steeds zijn de dankbare herinnering aan hem
-<span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name=
-"pb214">214</a>]</span>die ons gemoed vervult, en deze kunnen wij
-natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere
-dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt,
-hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam
-in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te
-haken of te verlangen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">WEDUWE.</span> Indien de Heeren het
-niet kwalijk nemen, wenschte ik eenvoudige vrouw insgelijks een woordje
-te spreken. Te gelooven aan eene ligchamelijke opstanding, dat is mij
-niet mogelijk, al stond het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan
-mijn armen man niet te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten.
-De tijger <span class="ex">heeft</span> hem echter opgevreten en
-verteerd!&mdash;Hoe is het nu mogelijk, dat hij weder kan opstaan? Dan
-zou hij immers <span class="ex">een t&#307;ger</span> moeten worden,
-dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger dien
-wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds weder van
-Rajap&rsquo;s en andere gewormte half verteerd!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeer juist
-aangemerkt&mdash;en <span class="ex">in den eeuwigen kringloop der
-stoffen</span> zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen
-aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te maken
-van dwaalbegrippen die <span class="ex">ons lief en waard</span> zijn
-geworden. Dat is de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om
-onze kinderen geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in
-tegendeel zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur
-naauwkeurig bekend te maken.&mdash;Het gaat u met de opstanding der
-dooden ongeveer op gelijke wijze als den Christenen met de
-goddelijkheid van Jezus. Zij vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer
-al hare waarde verliezen zal, indien aan haren stichter het praedikaat
-van goddelijkheid wordt ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van
-zien, <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name=
-"pb215">215</a>]</span>geheel ongegrond is. Wat meer zegt, ik geloof
-dat zij daarbij noodzakelijker wijze gewinnen moeten, indien hun wordt
-geleerd dat zij Jezus slechts als <span class="ex">mensch</span> moeten
-eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij de reinste deugd leerde en
-beoefende, dat hij eene alles ten offer brengende menschenmin bezat en
-een <span class="ex">God</span> was, dan volgt hieruit dat zijne
-hoedanigheden ons een <span class="ex">onnavolgbaar</span> voorbeeld
-moeten toeschijnen, dewijl het een God niet moeijelijk vallen kon
-deugdzaam te zijn. Gelooven wij daarentegen dat hij niets meer of niets
-minder was dan een mensch gelijk wij, en niettegenstaande dat al die
-deugden beoefende,&mdash;moet de overtuiging hiervan voor ons niet veel
-opwekkender zijn, dewijl zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat
-wij, indien wij zulks willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen
-zijn als hij was?&mdash;Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid
-van hunnen Jezus zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de
-opstanding der dooden, indien gij niet langer <span class=
-"ex">gelooft</span> aan iets, hetgeen gij elken dag kunt zien, dat eene
-natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene erbarmelijke inrigting zou het
-toch zijn, indien de natuur die zulk een onuitputtelijken rijkdom aan
-<span class="ex">nieuwe</span> scheppingskracht bezit, <span class=
-"ex">oude</span>, voormalige individuele vormen weder te voorschijn
-moest brengen en kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en
-verminkte menschen, of misgeboorten die twee hoofden hadden,
-melaatschen, blinden, enz., enz., allen, allen juist zoo als zij in hun
-leven waren, andermaal in het aanzijn moest roepen?&mdash;Zoudt gij zoo
-iets kunnen wenschen? Wel nu, dat zou ook geen redelijke wensch zijn.
-Ik raad u derhalve: onderwerpt u aan de wetten der natuur, waarin de
-wil des Eeuwigen zich openbaart, en houdt u overtuigd dat de dooden die
-gij hebt begraven, nimmer zullen opstaan; <span class="ex">bemint hen
-des te vuriger, zoo lang z&#307; leven</span> en gelooft aan de
-<span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name=
-"pb216">216</a>]</span>onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in
-u is, en aan de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den
-mensch, welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet
-gaat.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Ik neem dit alles gaarne
-aan en zal met alle krachten er naar streven, om uwe natuurlijke
-beschouwingen onder mijne landslieden meer en meer ingang te doen
-vinden.&mdash;Ten opzigte van het eerste punt hebt gij de goedheid
-gehad, mij de noodige opheldering te geven; thans blijft nog een
-<i>ander</i> punt over, waaromtrent ik eene vraag tot u wenschte te
-rigten.</p>
-<p class="par">Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke
-menschen in N&#277;gara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en
-<span class="ex">datgene</span> gelooven, hetwelk de Heer <span class=
-"sc">Nacht</span> ons gisteren uit het bijbelboek heeft voorgelezen,
-hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen kunnen. Zulk eene
-tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst is niet geschikt
-voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de Heer <span class=
-"sc">Nacht</span> ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als
-het zien van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of
-wanneer wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik)
-lijden.&mdash;Hetgeen gij daarentegen, Heer <span class=
-"sc">Dag</span>, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd, kwam
-met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk
-begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als
-waar.&mdash;Hoe komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle
-blanke menschen, die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten
-dan wij, aan de <span class="ex">Messiasleer van den Heer</span>
-<span class="sc">Nacht</span> gelooven, en dat zij begrijpen kunnen of
-troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk is
-als eene <span class="ex">bergopwaarts</span> stroomende beek, in iets
-dat een indruk op ons maakt als eene sombere, zware regenbui?
-<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name=
-"pb217">217</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Mijn goede <span class=
-"sc"><span class="corr" id="xd21e4974" title=
-"Bron: Iman">Imam</span></span>. De geleerde en ongeleerde bewoners van
-Holland begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten
-<span class="ex">verbeelden zich slechts</span> dat zij het gelooven,
-dewijl zij <span class="ex">niet anders weten</span>, dan &rsquo;t geen
-zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter weten, wenden
-<span class="ex">huichelachtig</span> voor dat zij er aan gelooven.
-Deze beide klassen maken de meerderheid uit der bevolking.&mdash;Maar
-buitendien worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over
-hand toe, die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen
-echter niet <span class="ex">openl&#307;k</span> voor hunne
-grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar, te opregt en te braaf om te
-<span class="ex">huichelen</span>, maar&mdash;&mdash;zij verbergen den
-schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems; zij
-houden hunne godsdienstige overtuiging <i>geheim</i>.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Hoe is dat mogelijk! Er is
-mij toch verhaald, dat in uw land volkomen vrijheid van godsdienst
-bestaat en dat daar <span class="ex">alle</span> sekten, Mohammedanen,
-Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen gelijke regten
-genieten!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Van <span class=
-"ex">staatswege</span>, in gevolge de bepalingen van de grondwet: ja.
-De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en ik meen te
-mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal beantwoorden.
-Stel, dat <i>duizenden</i> in stilte van geestdrift gloeijen voor de
-natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een
-<i>tiental</i> dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens
-eens van naderbij.&mdash;De <i>een</i> van deze tien heeft een broeder,
-die domin&eacute; of pastoor is. Een <i>andere</i> is een
-domin&eacute;&rsquo;s zoon. <i>Deze</i> vreest door den invloed der
-geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien hij laat zien dat
-hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst koestert dan
-zij;&mdash;ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er inderdaad
-zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar hunne
-overtuiging zouden prediken, dan op den kansel <span class=
-"pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name=
-"pb218">218</a>]</span>komedie spelen; maar&mdash;zij hebben eene
-vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun gevoelen niet
-openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe predikant neder
-te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte &bdquo;het kan
-zoo veel kwaad niet&rdquo; en <span class="ex">accommoderen zich</span>
-naar de heerschende begrippen.&mdash;<i>Gene</i> is een koopman,
-welligt een boekverkooper, wiens winkel aan hem het eenige middel van
-bestaan oplevert en onder wiens klanten vele priesters worden gevonden,
-die hij stellig zoude verliezen en die hem daarenboven nog vele andere
-klanten zouden aftroonen, indien hij het durft wagen openlijk eene
-andere leer te belijden dan het orthodoxe geloof. Een <i>vijfde</i>,
-een zeer verlichte man, hoopt op de nalatenschap van eene rijke, zeer
-bigotte dame (bij voorbeeld van zijne schoonmoeder), die hem stellig
-zou onterven, indien hij niet elken zondag ter kerk ging en met een
-uitgestreken, aandachtig gelaat, met za&acirc;mgevouwen handen naar den
-kansel zat te kijken, waar de predikant met de armen in het rond zwaait
-en, als door geestdrift vervoerd, van de heilige Drie&euml;enheid, van
-Gods eenig geboren Zoon en van de verlossing van de zonden spreekt. Een
-<i>zesde</i> heeft voor dit alles, wel is waar, niet te duchten; het
-vermogen hetwelk hij bezit, maakt hem onafhankelijk, maar&mdash;hij
-heeft vrouw en kinderen, die hij toch naar de Christelijke kerken en
-scholen moet zenden, zoo lang er nog geene kerken en scholen van
-<i>zijn</i> geloof worden gevonden; hoewel volkomen overtuigd dat het
-Christelijke dogma eene dwaling is, laat hij zijne kinderen niettemin
-in het Christendom onderrigt geven, dewijl hij vermeent dat het hun
-welligt als een gangbare pas op hunne reis door het leven zou kunnen
-dienstig zijn,&mdash;en een <i>zevende</i> eindelijk die vermogend is
-en geene kinderen heeft, derhalve geheel en al onafhankelijk mag geacht
-worden, is te zeer op gesteld om rustig en gemakkelijk te leven; hij
-wenscht op een goeden voet te blijven met <span class="pagenum">[<a id=
-"pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>degenen met wie hij
-in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en verloochent om die reden
-zijne eigene betere overtuiging. Er blijven dus van de tien nog slechts
-drie over die het nu en dan eens wagen, om hunne denkbeelden met
-<span class="ex">woorden</span> te omkleeden en die gehoor geven aan
-een krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de
-vijandschap die zij zich van andersdenkenden op den hals
-laden.&mdash;Vijandschap? Wel degelijk; want de takken van den boom met
-twee wortelen <i>a</i> en <i>b</i>,<a class="noteref" id="xd21e5059src"
-href="#xd21e5059" name="xd21e5059src">6</a> welke de uitbreiding der
-waarheid verhinderen en het ontluiken der ware godsdienst en zedeleer
-onderdrukken, breiden zich heinde en verre bij millioenen uit, door
-alle standen en klassen der maatschappij. De orthodoxe priesters die,
-als openbaar erkende godsdienstleeraars, als dienaren der heerschende
-kerk een aanmerkelijken invloed op het volk uitoefenen, zijn onverpoosd
-werkzaam om de pogingen te verijdelen, welke strekken ter verspreiding
-van meerdere verlichting; ja, zij zouden de domheid en het blinde
-geloof gaarne tot in alle eeuwigheid willen voortplanten, en
-waarom?&mdash;<span class="ex">dew&#307;l z&#307; daarvan leven</span>,
-dewijl zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een
-boek&mdash;als bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit&mdash;te
-zweren, waartoe niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt
-vereischt.</p>
-<p class="par">Nu zal het u, waarde <span class="sc">Imam</span>, wel
-duidelijk zijn, waarom de verlichten in Holland <span class="ex">die in
-rust en vrede</span> willen leven, stilzwijgen moeten. Want wagen zij
-het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan hebben zij als
-het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare giftige angelen
-bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het harnas gejaagd.
-Zelfs over den boekhandel oefenen deze <span class="pagenum">[<a id=
-"pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>wespen een soort van
-<span class="ex">schrikbewind</span> uit, de ijverigste pogingen in het
-werk stellende om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers
-te fnuiken, doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en
-kwellen, hem haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen
-bedreigen en vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een
-gevonden, die het durft wagen&mdash;&rsquo;t geen zelden
-gebeurt&mdash;een boek uit te geven, waarvan de schrijver heeft gepoogd
-de <span class="ex">waarheid</span> in het licht te stellen, dan weten
-gene priesters de verspreiding van het boek te beletten, zoodat de
-groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de leer der
-kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte van den
-inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die vrome
-mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenve&ecirc;r op
-den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het &bdquo;een
-verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het
-Christendom&rdquo; te noemen en van den kansel de woorden uit te
-bazuinen: &bdquo;die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus
-Christus.&rdquo;</p>
-<p class="par">Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in
-steden en op het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken
-elken zondag tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een
-paar keeren &rsquo;s weeks hun leerstuk van de Drie&euml;enheid te
-verkondigen, over het verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder
-en grootmoeder<a class="noteref" id="xd21e5086src" href="#xd21e5086"
-name="xd21e5086src">7</a> te prediken <span class="pagenum">[<a id=
-"pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span>en bovenal het gemoed
-van het <i>opkomende</i> <span class="ex">geslacht</span>, van de
-jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden,
-opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet
-slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar
-insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken,
-gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige
-dwaling worden besprenkeld.</p>
-<p class="par">Zoodanig <span class="ex">aangekweekt</span>, wordt de
-onzin meer en meer verspreid en duizenden slaan er geloof aan. Het boek
-echter, hetwelk waarheid bevatte, bij voorbeeld: <i>Gedachten ten
-aanzien eener toekomstige, meer algemeene Godsdienstige geloofsleer</i>
-(Gebr. Diederichs te Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als:
-<i>Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen</i>
-(1851, bij denzelfden uitgever in het licht verschenen), <i>Algemeen
-protest van Christenen in Nederland tegen eene nieuwe woordelijke
-vertaling van den ouden bijbel</i> (1853, bij F. G&uuml;nst te
-Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem welke daaruit spreekt, is
-als die des roependen in de woestijn en het eenige middel om den triomf
-der waarheid te bespoedigen:</p>
-<ul>
-<li><i>Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde
-doeleinden</i>,</li>
-<li><i>Stichting eener nieuwe kerk en gemeente</i>,</li>
-<li><i>Oprigting van scholen</i>,</li>
-<li><span class="ex"><i>Overeenkomstig den geest der natuurl&#307;ke
-godsdienst en zedeleer</i></span>,</li>
-</ul>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke
-<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name=
-"pb222">222</a>]</span>gronden niet ter hand genomen, of wordt
-hoogstens verwezenlijkt binnen de muren van eene <span class=
-"ex">afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet erkende
-Vr&#307;metselaarsloge</span>.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Waarde Heer <span class=
-"sc">Dag</span>. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de
-Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche
-maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren
-boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk door
-Rajap&rsquo;s (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige
-betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van
-de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd
-hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel
-doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de eerste
-aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig, beklemd
-gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste Heer,
-wanneer ik er aan denk, dat men ons&mdash;arme Javanen&mdash;in zulk
-een broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.</p>
-<p class="par">(De <span class="sc">Imam</span> wierp zich
-v&oacute;&oacute;r de verzamelde menigte op de knie&euml;n en bad met
-opgeheven handen:)</p>
-<p class="par">&bdquo;Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean
-Allah! De wegen die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden
-die Gij wilt bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en
-Uwe wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.&mdash;Maar hier
-liggen wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed
-voor U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk
-eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche
-godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani)
-in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span>O!
-groote Toean Allah, albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij
-willen ernstig er naar streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te
-vereeren. Amen!&rdquo;</p>
-<p class="par">De gansche vergadering herhaalde:
-&bdquo;Amen!&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> (Na eene korte
-tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig zijt en bovenal aan u,
-geliefde broeder, ben ik eene opheldering verschuldigd. Waar en
-openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil u niet verbergen dat reeds
-eergisteren, toen ik u de hoofdregelen van het orthodoxe Christelijke
-Evangelie voordroeg, mijn geloof aan de waarheid dezer leer
-aanmerkelijk aan &rsquo;t wankelen was gebragt door de gronden, welke
-ik menigwerf uit den mond mijns broeders had vernomen. Ik was echter
-nog niet volkomen overtuigd en wenschte gaarne den indruk te kennen,
-welken de Christelijke geloofsleer op u, Javanen! zou maken. Ik
-wenschte het oordeel te vernemen dat <span class="ex">g&#307;</span>,
-in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik
-vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij
-bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere
-zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland
-elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die
-door <span class="ex">geen</span> talisman tegen de besmetting der
-dwalingen zijn beschut, aan wie <span class="ex">geene</span> keus
-tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten, zoo iets mogt immers
-(dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden medegedeeld, en zulks te
-meer dewijl mijn broeder u reeds tegen den daarop volgenden avond eene
-andere voordragt, namelijk, over de natuurlijke godsdienst en zedeleer
-had toegezegd. Gij zoudt derhalve de vrije beoordeeling, de
-<span class="ex">keuze</span> hebben tusschen twee zaken en hierdoor
-bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte
-tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van welks
-waarheid ik zelf niet meer overtuigd was. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p>
-<p class="par">Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van
-het <span class="ex">Evangelie van den regtzinnig geloovigen
-mensch</span> gehoord en haar aangenomen. Maar ook <i>ik</i> ben tot
-een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig, dat ik de
-gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot staving zijner
-leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke dogma eene dwaling
-acht en het <span class="ex">zuivere</span> geloof aan God en de
-hieruit, in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot
-rigtsnoer mijns levens kies.&mdash;Indien honderd duizenden in de
-Europesche landen genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot
-een afgod hebben gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat
-ons daarentegen met liefde en achting aan hem gedenken als aan een
-<span class="ex">voortreffel&#307;k mensch</span>, die reeds
-v&oacute;&oacute;r 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde:
-&bdquo;Hebt als broeders elkander lief!&rdquo;</p>
-<p class="par">Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de
-aanwezigen groote vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat
-ik hem gaarne in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid
-der Javanen mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige,
-<span class="ex">driftige</span> uiting van onze aandoeningen en
-hartstogten wordt door hen als ongepast, ja, min of meer als
-onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige, kalme
-gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden des
-levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen, bij hen
-als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid
-geldt.&mdash;Toen echter gevoelde ik meer dan <span class=
-"ex">ooit</span> dat <span class="ex">ware</span> vriendschap slechts
-daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat niets
-in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt, zoo vast
-za&acirc;m te strengelen als de overeenstemming in denkwijze, in
-zedelijke en godsdienstige overtuiging.</p>
-<p class="par">Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen
-wij kort daarop uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name=
-"pb225">225</a>]</span>namen wij den <span class="sc">Imam</span> die
-zeer leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een
-thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een
-eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier
-gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer
-werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons het
-Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden te
-verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk
-onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het
-gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp,
-welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die,
-hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom
-zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de
-reis te aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur
-onzer hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli&rsquo;s
-aangeboden; zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den
-grond, nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden
-hunne Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren
-echter nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in
-het dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen en
-een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen slechts
-weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten van Bamboes,
-het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid; zij hielden zich
-als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet wisten, dat wij
-Koeli&rsquo;s noodig hadden. De meesten hielden zich schuil in hunne
-hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze oproeping om,
-tegen <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
-"pb226">226</a>]</span>betaling van 10 centen<a class="noteref" id=
-"xd21e5218src" href="#xd21e5218" name="xd21e5218src">8</a> per uur,
-benevens eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het
-naastbij gelegene grensdorp te brengen.&mdash;Daar kwam onze vriend, de
-<span class="sc">Imam</span>, aan die ons zijn vriendelijken
-morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak van onze verlegenheid had
-vernomen, scheen hij werkelijk boos op zijne landslieden te worden. Aan
-zijne ontevredenheid gaf hij lucht in de volgende bewoordingen, die hij
-met luider stemme tusschen de hutten uitgalmde.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Schaamt gij u niet, de
-Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld hebben, nu zonder hulp te laten
-zitten?&mdash;Foei! foei! hebt hij reeds vergeten, hetgeen Toean
-<span class="sc">Dag</span> en ik u geleerd hebben, dat wij menschen
-vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den
-onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?&mdash;Kunt gij dan
-niet zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd
-werkt en dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen
-opgaan?&mdash;Hoort gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen
-in het geboomte rondklauteren?&mdash;Alles ontwaakt tot een nieuw
-leven, alles roert en beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en
-slaperig in uwe hutten blijven zitten?&mdash;Holla! hei! De hut uit!
-Hier moet gij zijn; pakt aan!</p>
-<p class="par">Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige
-mannen uit de hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende
-naderden; glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij
-zich nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan&rsquo;s
-(pakken) over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der
-overige Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit
-te kunnen komen en deze tot de <span class="pagenum">[<a id="pb227"
-href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span><span class="ex">daad</span>
-te doen overgaan. Mijn ongeduld nam intusschen des te sneller toe, naar
-mate ik langer moest wachten; de oostelijke hemel begon allengs
-helderder te worden en toen eindelijk de eerste morgenstraal de
-dauwdruppelen aan &rsquo;t geboomte deed fonkelen, riep ik mijne
-bedienden toe: &bdquo;Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat, Ario,
-Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om hier te
-blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan, vlug,
-vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier, maar wij
-moeten toch eten ook!&mdash;Heden slagten wij deze geit, morgen eene
-andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij
-<span class="ex">alles</span> opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers!
-Al uwe kippen gaan de eene na de andere denzelfden weg, ja, al de
-geiten, buffels, in &eacute;&eacute;n woord, al dat leven ontvangen
-heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="ex">Dat</span> had invloed.&mdash;Vlug als
-de wind snelden al degenen die in de hutten waren, naar buiten; die
-voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid en in een oogenblik was
-alles op de been. &rsquo;t Was koddig om te zien hoe zij zich haastten,
-niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging zouden vervullen,
-neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid beschouwden, als
-eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste, opgeruimdste stemming
-bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij Hollanders, met ons beiden,
-alles dat eetbaar in het dorp was, zouden opeten, vonden zij regt
-vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander toe: Lakas, lakas! Bekin
-ram&eacute;! Segala roepa orang kaloear, bekin ram&eacute; ram&eacute;!
-(Vlug, vlug! Vrolijk aan &rsquo;t werk! Oud en jong snelt de hutten
-uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)&mdash;Nu hadden
-wij niet alleen Koeli&rsquo;s genoeg, maar zelfs meer dan wij
-behoefden; eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in
-Ram&eacute; ram&eacute;, <span class="pagenum">[<a id="pb228" href=
-"#pb228" name="pb228">228</a>]</span>naast de dragers en het gansche
-dorp was op de been geraakt. Wij namen nu een vrolijk afscheid van
-allen en drukten den <span class="sc">Imam</span> de hand; zelfs
-verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en
-een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan
-(voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.</p>
-<p class="par">Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want
-wij zonden de dragers met onze pakkaadje <span class=
-"ex">vooruit</span>; wij volgden met de overige jongens, waarvan de een
-een barometer in den arm droeg, terwijl de andere onze geweren, eenige
-thermometers, een kleinen pijlcompas en andere dergelijke werktuigen
-bij zich hadden, die wij tot het doen van waarnemingen onder weg zouden
-behoeven. Welgemoed zetteden wij onzen togt voort over de smalle paden,
-welke hier door het hoog opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk
-ongebaand tusschen het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure
-waren wij den eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van
-Gnoerag verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap
-doorwaad, welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug
-volgt en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren
-bergrug op.&mdash;De zon steeg immer hooger en hooger aan den
-wolkenloozen hemel en schoot hare brandende stralen allengs in eene
-meer loodregte rigting op ons neder; de helling welke wij beklommen,
-werd allengs steiler en onze Koeli&rsquo;s, die tot op den lendendoek
-geheel naakt waren en wie &rsquo;t zweet van het ligchaam gudste,
-stapten in gelijke mate langzamer voort, naar gelang wij de nok
-naderden der bergketen, die wij nu moesten overtrekken. Het eene
-kleedingstuk na het andere hadden wij reeds uitgetrokken en, meer
-verslapt van de hitte, als het ware dampende in den vuurgloed der
-atmospheer, waaraan geen luchttogtje, hoe gering ook, eenige
-verfrissching schonk,&mdash;<span class="pagenum">[<a id="pb229" href=
-"#pb229" name="pb229">229</a>]</span>dan vermoeid van den togt, kwamen
-wij omstreeks &eacute;&eacute;n ure op de nok des bergrugs aan.</p>
-<p class="par">Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens
-hoorden wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het
-kleinste insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich
-voor den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde
-in het loof van &rsquo;t geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in de
-Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit eentoonige
-gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze, dan geelachtig
-groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling der bergketen lag
-het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien afstand onduidelijk,
-weikleurig van tint door de troebele lucht toeschenen. Want al liet
-zich geen wolkje aan den hemel bespeuren, al was de dampkring zeer
-droog, toch bezat deze, op groote afstanden genomen, slechts eene
-geringe mate van doorzigtigheid. Van de gloeijend heete oppervlakte der
-aarde verhief zich voortdurend een loodregt opstijgende luchtstroom,
-ten gevolge waarvan de zoom van alle verwijderde voorwerpen waarop wij
-het oog vestigden,&mdash;de oppervlakte der Alangzee, de rand der
-bergterrassen, de kroonen van het geboomte,&mdash;in trillende beweging
-was. Behalve het pijnlijke gevoel der hitte, de verstikkende
-gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer uitgezette lucht
-veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag; want het
-zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst, verblindde ons
-de oogen.&mdash;Reikhalzend verlangende naar een koel togtje, zetteden
-wij ons neder tusschen de Koeli&rsquo;s, die geheel buiten adem
-tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar in het
-3 &agrave; 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot op
-100 graden Fahrenheit (37,7&deg; Celsius) was geklommen, kon weinig
-verkwikking worden gevonden. Wij kropen <span class="pagenum">[<a id=
-"pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span>nu naar een klein
-boschje, waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en
-met welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen
-bevochtigden.</p>
-<p class="par">Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger
-groeijende boomen een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks
-hadden wij ons op den grond nedergevleid, toen wij en al de
-Koeli&rsquo;s door opstijgende rookmassa&rsquo;s en vlammen op de vlugt
-gejaagd en genoodzaakt werden, zoo snel mogelijk onze goederen bijeen
-te pakken en bergafwaarts te ijlen. Het vuur van het in brand gestokene
-Alangveld had zich aan het woud medegedeeld. De Javanen hebben,
-namelijk, de gewoonte om gedurende de droogste maanden des jaars
-(Augustus en September) het hooge gras, waarin hier en daar 3 &agrave;
-4 maal hoogere en eilandvormig groeijende Glagah-groepen en vele min of
-meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid voorkomen, op duizende van
-plaatsen aan te steken en te branden; dit geschiedt eensdeels met het
-doel om de tijgers te verjagen, ten andere om plaats te winnen tot het
-aanleggen van akkers, welke alsdan met de asch van het verbrande hout
-en gras te gelijker tijd worden bemest. Toen wij langs de berghelling
-afdaalden en naar den kant van het dorp heensnelden, zagen wij
-verscheidene dergelijke afgebrande plekken, welke de grijsachtig groene
-kleur van het grasveld plaatselijk hadden vernietigd en uit het dal als
-zwarte, onregelmatige strooken slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen
-waren reeds uitgedoofd; anderen daarentegen brandden aan het hoogste
-gedeelte nog voort, alwaar dan eene rookzuil, waardoor vlammen
-speelden, zich al kronkelend verhief.</p>
-<p class="par">Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed,
-welke somtijds eene strook ter breedte van 500 &agrave; 1000 voet in
-vuur en vlam zettede, was verdund, stroomden van de zijde van het dal
-de koudere en digtere luchtmassa&rsquo;s toe en veroorzaakten daardoor,
-niettegenstaande de algemeen heerschende windstilte, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span>een
-<span class="ex">plaatsel&#307;ken storm</span> welke onmiddellijk
-volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het vuur, dat wij met
-ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger bergopwaarts zagen
-voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een boschaadje in de
-rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het met den storm
-steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende vuur zich als een
-wervelwind op in,&mdash;binnen een oogwenk stond het gansche bosch in
-lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo brandbare, drooge
-Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk, oorverdoovend loeijen
-en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend was en waar boven zich dan
-nog van tijd tot tijd het gekraak deed hooren van een
-ne&ecirc;rstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van een zwaren
-boom.&mdash;Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de ooren
-toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord te
-spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook en
-vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een draf
-achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst dat een
-zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en
-verzengen.&mdash;Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit
-tropische tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg,
-om met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor
-oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier en
-daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen
-liggen,&mdash;niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel
-schijnende, hare brandende stralen uit het zenith op ons
-nederschoot!</p>
-<p class="par">Kort v&oacute;&oacute;r 2 ure kwamen wij in het dorp
-Oewoetagnis aan en installeerden ons, zonder pligtplegingen te maken,
-in de voorgalerij van de woning des Loerah, terwijl de Koeli&rsquo;s
-<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name=
-"pb232">232</a>]</span>daar buiten, waar slechts eenige schaduw was,
-zich nedervleiden of naar den Pantj&ograve;ran gingen om zich in het
-water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun voorbeeld en
-nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst, Pisang, Sambal
-en Dendeng, &rsquo;t geen wij hier ter plaatse hadden bijeen gekregen.
-Onze bedienden haalden de geldzakken<a class="noteref" id=
-"xd21e5274src" href="#xd21e5274" name="xd21e5274src">9</a> te
-voorschijn en betaalden de Gnoerager Koeli&rsquo;s, terwijl de Loerah,
-luide brommende, in het dorp rondliep om andere Koeli&rsquo;s op te
-sporen. Wij waren zeer verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig
-Desa-Gnarak aan de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde
-nog heden naar Desa-<a class="noteref" id="xd21e5277src" href=
-"#xd21e5277" name="xd21e5277src">10</a>Roetab te gaan, een dorp dat ons
-om zijne aangename ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen
-tot het houden van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje
-hadden halt gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze
-pakkaadje op de schouders van tien versche Koeli&rsquo;s te zien laden
-die, met den Loerah achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij,
-door nieuwsgierige dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers
-zaten en lagen, hunne cigaren rookende, in den Warong,<a class=
-"noteref" id="xd21e5280src" href="#xd21e5280" name=
-"xd21e5280src">11</a> en hadden <span class="pagenum">[<a id="pb233"
-href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>waarschijnlijk geen plan om
-voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun dorp te
-aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer jongens, en
-het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten offer brengen
-en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde, doorwaadden wij
-de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen aan de overzijde
-weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis over bergen en
-dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de zijde der
-zuider kust allengs afloopt.&mdash;Het verwijderde hooggebergte dat
-noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht
-gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter
-brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen
-hemel.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Nadat wij onzen marsch gedurende 1&frac12; uur hadden
-voortgezet, kwamen wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen
-tegenover ons, aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab,
-allerliefst tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven
-de Kokos- en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange
-stengels her- en derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een
-zachte zuidewind, een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust
-bevonden, had zich sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde
-eenigzins de hitte. De verfrissching welke wij op die wijze
-ondervonden, deed ons goed, want wij waren nu werkelijk vermoeid en
-zagen met een zeker huisselijk verlangen naar de overzijde heen, naar
-de hutten van het dorpje, die zoodanig tusschen het heldere, frissche
-groen van Pisangbla&acirc;ren verscholen lagen en zoo digt door het
-loof der vruchtboomen waren omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden
-en Alangdaken ons ter naauwernood hier en daar in het oog vielen. De
-blaauwachtige rook welke <span class="pagenum">[<a id="pb234" href=
-"#pb234" name="pb234">234</a>]</span>dwarrelend uit de nok der daken
-oprees, verhoogde nog de uitlokkende werking die de aanblik van dit
-tooneel bij ons veroorzaakte, want hij verkondigde ons dat de tijd van
-het avondeten naderde, dat vuur aan den gastvrijen haard
-brandde.&mdash;Wij spoorden derhalve de Koeli&rsquo;s aan om zich zoo
-veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak; want
-zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone
-zorgeloosheid: &bdquo;het dorp ligt immers in onze onmiddellijke
-nabijheid, wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen.&rdquo; Zonderling,
-dat de Javanen de <span class="ex">despotieke</span> bevelen hunner
-eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig gehoorzamen, terwijl noch een
-verzoek, noch geld, noch goede woorden van een Europe&euml;r in staat
-zijn, hen te bewegen tot het verrigten van eenig vrijwillig
-dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een vol uur op versche
-Koeli&rsquo;s moeten wachten; hier hadden wij andermaal oponthoud en
-wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede dragers na
-een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.</p>
-<p class="par">Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden,
-daalden langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en
-kwamen tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal
-over moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de
-waterstand echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den
-overkant te bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den
-snellen stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne
-vaart als schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli&rsquo;s met
-onze pakkaadje hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad
-des Loerah, gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts,
-waarbij wij nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden
-door het nabij <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name=
-"pb235">235</a>]</span>gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene
-streek aan, waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend
-voet en de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper
-was, eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts
-in de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> en ik gaven de anderen een goed voorbeeld
-en de Koeli&rsquo;s volgden ons de een na den anderen; reeds waren wij
-den eersten, kleineren arm al wadende doorgegaan, hadden wij eene
-rolsteenbank (een eiland tusschen twee armen van den vloed) bereikt en
-stonden wij gereed om den tweeden arm te doorwaden, toen plotseling van
-den dalwand, langs welken de achtersten van onzen togt nog af klommen,
-de kreet ons te gemoet klonk: &bdquo;<i>Bandj&#277;r</i>! Terug, terug!
-Redt u! Bandj&#277;r, Bandj&#277;r!!&rdquo;</p>
-<p class="par">Deze woorden oefenden op de Koeli&rsquo;s die achter ons
-aankwamen, eene werking uit die aan tooverkracht grensde, want
-plotseling maakten zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke
-zij op hoofd of schouders droegen, meer door het water sprongen dan
-liepen; zonder veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te
-denken,&mdash;want ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de
-geschiedenis van Lot&rsquo;s huisvrouw en van de zoutzuil naar de
-bijbelsche verdichting,&mdash;volgden wij hen ijlend na, terwijl een
-vreesselijk, steeds nader komend gebruis ons in de ooren dreunde. Wij
-hielden niet op, dan nadat wij de dalhelling tot zoo ver hadden
-beklommen dat wij zekere hoogte boven den oever hadden bereikt, waar
-wij schier ademloos op den grond vielen en omzagen:&mdash;eene bruine
-massa welke zich berghoog verhief, wentelde over den dalbodem naar
-beneden; verbrijzelde boomstammen rezen hier en daar er uit op;
-rotsblokken werden met donderend gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe,
-meer vloeibare massa&rsquo;s welke schuimend voorwaarts bruisten,
-stortten <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name=
-"pb236">236</a>]</span>zich over dezen dam heen, verbraken hem,
-verdeelden zich, breidden zich uit en&mdash;binnen weinige minuten was
-de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden gestaan om door
-te trekken, herschapen in een hol staand meer van bruinachtig troebel
-water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en spattend voortijlde,
-boomstammen en geheele uit den grond gerukte boomen met zich voerde en
-dit met zulk eene kracht, dat de grootste rotsblokken om hunne as
-wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger hadden gestaan, in
-&eacute;&eacute;n oogenblik was vernield en weggestuwd,&mdash;het was
-een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing
-aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij hadden
-ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het schuimen
-en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en het ratelen
-der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank <span class=
-"ex">een</span> enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar
-boven slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden
-Oeroek zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed
-geschokt, beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want
-niemand was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een
-<span class="ex">Bandj&#277;r</span> &rsquo;t geen wij voor oogen
-hadden, dat is eene verre buiten hare oevers tredende beek, ten gevolge
-van den toevoer van water, ontstaan door zwaren regen in het
-verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende stortvloed was geboren
-die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij op zijnen weg ontmoette.
-Waar de kloof smal en de wanden die haar ter wederzijde insloten, steil
-waren, werd de voet dezer zijwanden door de schuring der rotsblokken
-welke het water met zich voerde, zoodanig <span class="corr" id=
-"xd21e5321" title="Bron: uitgehoold">uitgehold</span> en weggespoeld,
-dat Oeroek&rsquo;s, dat wil zeggen aard- en bergstortingen ontstonden;
-uitgestrekte gedeelten van het gebergte met wouden en alles wat zich
-<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name=
-"pb237">237</a>]</span>er op bevond, gleden op die wijze met donderend
-geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen de steeds
-toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg
-voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar
-wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk
-eene enge kloof gevonden, v&oacute;&oacute;r welke het water dat door
-nieuwe, van het gebergte afstroomende massa&rsquo;s nog voortdurend
-werd vergroot, al hooger en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de
-gansche vlakke dalkom, niettegenstaande deze eene breedte had van
-minstens 2000 voet, binnen weinige oogenblikken in hare gansche
-uitgestrektheid met water was bedekt en herschapen geworden in
-<i>&eacute;&eacute;n</i> enkel troebel meer van ongeveer 12 voet
-gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts nog de toppen
-van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.</p>
-<p class="par">Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde
-van het dorpje, gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg,
-viel er nu toch aan eene voortzetting van den togt op heden niet te
-denken, en zulks te minder dewijl de zon reeds ten ondergang
-neigde.</p>
-<p class="par">Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot
-legerplaats op, pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen
-boomstammen op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen
-kleine hutten bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste
-takken die met wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij
-een aantal vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even
-broederlijk mede van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt
-de Javaan een togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van
-onzen wijn gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen
-maaltijd hebben gehad, indien de Bandj&#277;r ons niet geheel
-onverwacht <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name=
-"pb238">238</a>]</span>aan een smakelijk stuk gebraden rundvleesch had
-geholpen. Eenige Koeli&rsquo;s, namelijk, die aan den oever stonden om
-visch te vangen welke door den Bandj&#277;r was bedwelmd, bragten ons
-ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en een Banteng (een wilde stier)
-op den oever gespoeld waren.&mdash;Dit was werkelijk het geval. Met
-vereende krachten trokken wij den stier op het drooge; het scheen dat
-hij eerst v&oacute;&oacute;r korten tijd tusschen verbrijzelde
-boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide nog uit de
-versche wonden.&mdash;Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali), een paar
-ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden (welke bij
-het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn), hadden wij steeds
-bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade, want weldra hingen
-de beste stukken van den stier over het vuur te braden, terwijl anderen
-met rijst in potten werden gekookt om ons eene krachtige soep te
-leveren.&mdash;Wijders werd bepaald dat vijf Javanen, benevens twee van
-onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden en door anderen om
-de drie uren zouden worden afgelost.</p>
-<p class="par">De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het
-houden van den maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts
-zelden vernamen wij nog het krijschend geluid van een over het dal
-vliegende paauw; maar naauwelijks was het licht der laatste
-zonnestralen verbleekt, toen overal in het gansche woud insektenkoren
-begonnen te gonzen en te snorren. De Javasche spitsoorige honden der
-Koeli&rsquo;s die vroeger langs den oever liepen rondsnuffelen, legden
-zich nu in de vertrouwelijke nabijheid der menschen neder, als of zij
-wisten dat het des nachts niet veilig was in het woud. Weldra
-ontwaarden wij niets meer dan de zorgvuldig door de Javanen
-onderhoudene wachtvuren, welke een roodachtig schijnsel op de
-omringende boomstammen wierpen en geen geluid trof <span class=
-"pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>ons
-oor behalve het algemeen gegons der levende natuur, dat met het bruisen
-van den verder en verder zich verwijderenden stortvloed zamensmolt.</p>
-<p class="par">Toen eindelijk nog all&eacute;&eacute;n dit gebruis
-gedurende de nachtelijke stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid
-onzer zintuigen tot diep in het binnenste van ons gemoed was
-teruggekeerd, hetgeen ten verhoogden prikkel aan ons denkvermogen
-strekte, werden wij als het ware onwillekeurig heengeleid tot het
-bepeinzen van de oorzaken der verschijnselen die zich voor onze blikken
-hadden ontwikkeld, der krachten die wij daarbij in het spel hadden
-gezien en, het geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene
-kracht tot eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die
-op hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had (als
-gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen des
-bodems, watervloeden, onwe&ecirc;rsregen, electriciteit, wolken,
-waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de
-allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan
-<span class="measure" title="146,7 millioen km">20&frac12; millioen
-mijlen</span> van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest gezocht
-worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het, die hitte doet
-geboren worden welke het water <span class="ex">damp</span>vormig
-optrekt en opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het
-zeer heet en helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij
-de koelere bergtoppen plotseling verdikken en als onwe&ecirc;rsregens
-of wolkbreuken ne&ecirc;rstroomen;&mdash;dan bruist de waterdamp die
-dezen voormiddag nog onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde,
-als Bandj&#277;r door de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet
-Oeroek&rsquo;s ontstaan, verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare
-plaats gerukte aard- en rotsmassa&rsquo;s in andere, lager gelegene
-oorden, in de nabijheid der zee weder af, verbreedt de kusten,
-veroorzaakt derhalve <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240"
-name="pb240">240</a>]</span>aanmerkelijke veranderingen in de gestalte
-der oppervlakte van den vasten bodem en doodt daarbij eene menigte
-dieren, die door andere levende dieren en menschen worden opgegeten en
-aan hen tot voedsel verstrekken;&mdash;ja, heeft de zonnestraal, door
-de verslappende hitte welke hij deed ontstaan, niet zelfs te weeg
-gebragt, dat onze Koeli&rsquo;s met langzamer schreden voortgingen? en
-is hij niet daardoor de oorzaak geworden, dat wij <span class=
-"ex">getuigen</span> der omkeering zijn geweest, dat deze <span class=
-"ex">denkbeelden</span> thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden
-waarvan de eigenlijke oorsprong, de wording, dus in de verre van ons
-verwijderde zon moet gezocht worden?&mdash;Vloeit dit alles niet voort
-uit <span class="ex">eene</span> bron? En zou nu dat zonne- of
-sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in deze duizendvoudig
-aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen, welke wij hier voor
-ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet het gevolg zijn
-van&mdash;of te weeg gebragt worden door eene <span class="ex">andere,
-nog verder verw&#307;derde</span>, algemeenere oorzaak,&mdash;en zouden
-alle oorzaken die aan onze in de diepte vorschende blikken
-oorspronkelijke oorzaken toeschijnen, niet voortvloeijen uit <i>eene
-eenige</i> eerste bron welke voor geene verdere ontleding vatbaar
-is?&mdash;Ongetwijfeld, ongetwijfeld;&mdash;<span class="ex">zoo
-verre</span> het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van
-het andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten
-navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den grond
-vermogen wij niet te peilen&mdash;en slechts in heiligen, vromen
-eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste,
-Eeuwige Oorzaak, waaruit <span class="ex">alle</span> oorzaken
-voortvloeijen, waaruit, gelijk het licht uit de zon, stralen
-voortschieten die het oneindige heelal bezielende en met leven
-vervullende, zich in millioenen en nogmaals millioenen stralen
-verdeelen.</p>
-<p class="par">Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit
-<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name=
-"pb241">241</a>]</span>toen wij, steeds dieper in ons eigen boezem
-tastende, zoo kort mogelijk ineengedrongen in onze <span class="corr"
-id="xd21e5377" title=
-"Verbeterd door de auteur van: hangmat">hangmatten</span> lagen en den
-oogenblik afwachtten, dat de slaap onze oogleden zou
-sluiten.&mdash;Duizenden van stemmen die ons volkomen onbekend waren,
-klonken en snorden door het woud,&mdash;woeste natuurkrachten waaraan
-geen we&ecirc;rstand van onze zijde denkbaar was, woedden om ons
-heen,&mdash;tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar, slopen
-rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te hebben was
-levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige doel zijner
-natuurwetten,&mdash;<span class="ex">w&#307; gevoelden een hemel in
-onzen boezem</span> en rustig sliepen wij in.</p>
-<p class="par">Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander
-schouwspel voor oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste
-gedeelte van den dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven
-dezen rand zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden.
-Liefelijk blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder.
-Alles rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren
-vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich meer
-hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was weggevloeid
-en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte, bedekt met
-modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen en takken,
-tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde armen
-heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen en maakten
-ons gereed om den togt voort te zetten.&mdash;De Javanen maakten ons op
-een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom ons bivouak en in
-de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was, hoewel allen die wacht
-hadden gehouden, eenstemmig verzekerden, dat zij niet het minste
-geruisch hadden vernomen. Slechts een paar malen waren de honden
-bevende, met den staart tusschen <span class="pagenum">[<a id="pb242"
-href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span>de beenen, digter bij hen
-gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons bivouak aan de
-plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden stier hadden
-laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was; wij volgden het
-spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts nog eenige
-beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne huid, zijn kop en
-ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild gedierte
-geknaagd.&mdash;De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden
-doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand en
-<span class="ex">rolsteenen</span> bedekt, en daarop lagen hier en daar
-doode herten, vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het
-rond, welke door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook
-deze waren gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner
-roofgedierte, die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden
-gehouden en door de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan
-hunne uitwerpselen, hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken
-hunner tanden. Bij het doorwaden van den laatsten arm der beek vingen
-onze jongens nog eene krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie
-voet, een zoogenaamden Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken
-zij aan een touw bonden en mede voortsleepten.</p>
-<p class="par">Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te
-hebben voortgezet, bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons
-gastvrij ontvingen en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften,
-hetgeen zij bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is,
-wilden ook zij voor deze giften der gastvrijheid geene betaling
-aannemen, maar zagen wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne
-daarentegen namen zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen
-zeer smakelijk wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli&rsquo;s te
-bekomen. De meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en
-ons <span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name=
-"pb243">243</a>]</span>dezen morgen welligt aan onze kleeding als
-Europe&euml;rs konden hebben herkend, hadden zich uit de voeten
-gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts vijf nieuwe dragers konden
-krijgen en gedwongen waren om vijf van de Koeli&rsquo;s die wij
-gisteren hadden medegebragt, <span class="ex">tegen wil en dank</span>
-bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige
-rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen uit
-en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een extra
-geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren smaak van
-het kruid <span class="ex">bedwang</span> eenigermate te verzoeten. Het
-eenige paard dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van
-den Loerah, eene kleine, magere rosinant, werd door <span class=
-"sc">Nacht</span> in beslag genomen, dewijl hij, aan het maken van
-voetreizen niet gewoon, zich gisteren de voeten reeds had
-doorgeloopen.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte,
-tamelijk vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs
-lager daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van
-elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem beken
-schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden hier en daar
-aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende laagten en
-kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan hoofdzakelijk
-woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige gedeelte der
-oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende, grijsachtig groene
-kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde men slechts enkele
-verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de golvende graszee
-voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche streek eenigermate
-het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de lilablaauwe
-Boengoerbloemen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244"
-name="pb244">244</a>]</span>(Adambea glabra) of de groote gele bloemen
-van den S&#277;mpoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen
-der kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus
-russa) dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen
-sprongen zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon
-in het binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus
-vittatus) die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands
-blootgesteld zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de
-plassen die, nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden
-aangetroffen op de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen
-zij dan uit den weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar
-het andere, of zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn
-blinkend gevederte op den grond zitten, waar zij, naar het scheen,
-hunnen maaltijd hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet,
-wies hier en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger
-opschietende soort, <span class="corr" id="xd21e5409" title=
-"Verbeterd door de auteur van: het namelijk,">namelijk het</span>
-<span class="ex">Manja</span>gras, aan welks omgebogene aren zeer
-groote, peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 &agrave; 4
-voet boven den grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden
-zij eene opening en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja
-geheeten, welke op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne
-jongen tegen de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de
-aanvallen van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen
-draad in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije
-gevogelte (Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt
-heen.&mdash;Uit het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van
-tortelduiven te gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai
-van een wilden haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der
-grasetende dieren is verbonden, werden in deze streek niet <span class=
-"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name=
-"pb245">245</a>]</span>gemist, waar zulk een grooter aantal herten en
-Kidang&rsquo;s (Javasche ree&euml;n), rhinocerossen en zwijnen wordt
-aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd tot tijd
-gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die zoo groot
-en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk mijn
-broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne leden
-weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het dier
-had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen was.
-Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en verraden
-des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet, al gaat men
-digt langs hunne schuilplaats heen.</p>
-<p class="par">Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het
-middaguur een hoogen graad, dikwerf meer dan 90&deg; Fahr. bereikt,
-verkwikten wij ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene
-vruchten van het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij
-kaauwden, en die op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze
-gemakkelijk konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer
-boompjes opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog
-en den helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een
-allerliefelijkst gezigt opleverde.&mdash;Van lieverlede veranderde het
-tooneel dat wij om ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de
-kust naderbij kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs
-zeldzamer en de zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet
-waarnemen, voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra
-zagen wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen,
-tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande
-stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op
-eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras
-bedekten <span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name=
-"pb246">246</a>]</span>bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter
-regter- en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees,
-als een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene
-bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of
-G&#277;bangpalmen (Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge
-bladeren waarin de wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over
-elkander heen en weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er
-beneden door het hooge gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die
-gelegenheid groote jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen
-der palmboomen zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die
-vogels zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud
-vlogen.&mdash;Wij daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange
-strook<a class="noteref" id="xd21e5421src" href="#xd21e5421" name=
-"xd21e5421src">12</a> met waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de
-kust, maar namen onzen koers in eene schuine rigting naar het westen,
-alwaar eene iets hooger rijzende landstreek of vlakke bergrug in den
-vorm eener kaap (Oedjoeng) ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid
-van vogelnestholen, het dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons
-eerstvolgend nachtkwartier bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend
-geboomte bestaande woud hetwelk dit gedeelte des lands tot aan den
-uitersten rand der kust onder zijne schaduwen dekte, vormde een scherp
-kontrast met de dorre Alangvelden waarop geen lommer was te vinden, en
-met de waaijerpalmen welke zich aan deze zijde er van uitbreidden;
-reeds in de verte duidde zulks, door de geheel verschillende
-physiognomie der bewerktuigde natuur, eene zeer verschillende
-hoedanigheid des bodems aan. <span class="pagenum">[<a id="pb247" href=
-"#pb247" name="pb247">247</a>]</span></p>
-<p class="par">Welligt is niets geschikter om den reiziger
-aanschouwelijk te maken, welk een harmonische band al het geschapene
-verbindt, dan een togt uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van
-een tropisch land, over zandsteenterrassen en andere neptunische
-bergsoorten, afdalende naar de kust. Het verschil in hoogte des lands
-boven den spiegel der zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg
-(een anderen gemiddelden warmtegraad), en de oorspronkelijk
-verschillende bestanddeelen waaruit de bodem bestaat, voor elken
-verschillenden trap van opheffing&mdash;van elk verschillend
-klimaat&mdash;<span class="ex">andere</span> levende vormen. Andere
-planten: andere dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde
-(kwarts) houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die
-vol reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur
-en ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde
-aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen,
-trachietribben);&mdash;<span class="ex">ginds</span> schaduwrijke
-vijgen- en honderd andere hooge boomen, met wier vruchten tallooze
-scharen vogelen, apen, en eekhoorntjes zich voeden, die door wilde
-katten worden nagejaagd;&mdash;<span class="ex">hier</span> overvloed
-van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens zwijnen die
-van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen van het
-Alang alanggras leven en&mdash;tijgers aan wie de zwijnen ten prooi
-verstrekken en&mdash;paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden,
-maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der
-dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op
-wormen, maar vooral op ingewandswormen.&mdash;Wij zien derhalve, dat
-<span class="ex">eene</span> eerste oorzaak&mdash;het oorspronkelijke
-delfstoffelijke en scheikundige zamenstel der rotskorst, de meerdere of
-mindere verheffing er van boven den spiegel der zee&mdash;duizend
-anderen te weeg brengt die, als aardsoort (verweringsaarde),
-<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name=
-"pb248">248</a>]</span>klimaat (hoogere of lagere warmtegraad),
-Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van
-<span class="ex">&eacute;&eacute;ne</span> keten, waarvan niet kan
-worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe gering zij oogenschijnlijk
-moge zijn, als b. v. een <span class=
-"ex">ingewandsworm</span>,<a class="noteref" id="xd21e5454src" href=
-"#xd21e5454" name="xd21e5454src">13</a> nutteloos of van gewigt
-ontbloot is.</p>
-<p class="par">Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen
-bezit van het kleine, ledigstaande
-Bamboeshuisje&mdash;Pasanggrahan,&mdash;dat op een geringen afstand van
-het dorp, meer naar de zijde der kust heen was gebouwd. Achter ons
-klotste de branding der zee en rondom ons verhieven schaduwrijke
-vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf van het
-naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij dankten de
-Koeli&rsquo;s af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog eene extra
-belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad en een kop
-koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener) der
-vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de
-bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven wij
-ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden, zagen
-wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei slag en
-grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen
-<span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name=
-"pb249">249</a>]</span>eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze
-na zich sleepten.</p>
-<p class="par">Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een
-weg door het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en
-de struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan
-een rand, alwaar&mdash;digt v&oacute;&oacute;r ons&mdash;de bodem met
-een steilen wand van eenige honderd voet hoogte plotseling in zee
-afdaalde. Het tooneel dat zich hier voor onze blikken opende, mogt
-indrukwekkend worden geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe,
-spiegelende vlakte der zee welke schijnbaar stil was, tot in een
-oneindig verschiet zich v&oacute;&oacute;r ons uit. Maar diep beneden
-ons beukten de hooge, elkander rusteloos opvolgende baren met zulk een
-donderend geweld tegen den kustmuur, dat de rots waarop wij stonden en
-van waar wij dit schouwspel gade sloegen, er van daverde. Naar het
-westen heen volgden onze blikken de rigting der kust, en hier zagen wij
-de branding welke tegen het strand sloeg, eene lijn vormen zoo wit als
-sneeuw, die zich tot op een voor het oog onafzienbaren afstand
-uitstrekte, als grens tusschen land en zee. Boven deze gansche kust
-zweefde een eigenaardige, fijne nevel of damp, blijkbaar gevormd uit
-het fijn verdeelde stof van het tot schuim geslagen zeewater, dewijl
-zelfs de tropische middagzon deze nevellaag niet kon oplossen. Alle
-verwijderde deelen van het strand deden zich door dezen geheel
-onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp of stof slechts schemerachtig,
-onduidelijk aan het oog voor, als zagen wij ze door een dun floers. Van
-het bovenste gedeelte van den kustmuur blikte op dit witte schuim der
-woedende zee het groen van het ons omringende woud, dat niet slechts
-over den rand reikte, maar er verre beneden hing, als ware de ruimte
-van het drooge land te gering voor zijn weligen wasdom;&mdash;ja, aan
-de steile wanden zelfs wortelden nog velerlei struiken <span class=
-"pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span>en
-Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen hunne vruchten die de
-grootte hebben van een menschenhoofd, door hun helder vermiljoenrood in
-ons oog blonken.</p>
-<p class="par">Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand
-heenbogen, konden wij in eene schuine rigting naar beneden ziende,
-boven het ziedende en schuimende water, den ingang van het hol
-bespeuren, in hetwelk de kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo
-esculenta) hare eetbare nesten bouwen. Elke oprijzende baar sloeg
-bulderend in het hol, en dan stond het water hooger dan zijn ingang die
-voor het oog bedekt was;&mdash;maar eenige oogenblikken later werd door
-de tegendrukking der lucht, in het hol aanwezig, die op eene veel
-geringere ruimte was za&acirc;mgeperst, de baar met geweld weder er
-uitgeblazen, eene zuil van waterstof werd dan <span class="corr" id=
-"xd21e5479" title="Bron: horitaal">horizontaal</span> en sissend over
-de branding heengespoten en men kon de zwermen der kleine zwaluwen
-zien, die juist het regte tijdstip tusschen het terugtrekken en het
-weder strandwaarts rollen eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het
-hol te vliegen, terwijl anderen het in denzelfden oogenblik
-verlieten.&mdash;Lang boeide ons dit bewonderenswaardige schouwspel,
-maar wij benijdden het lot niet der vogelnestplukkers uit Gnarak, die
-driemalen &rsquo;s jaars langs ladders hier naar beneden klimmen, ten
-einde&mdash;bij zeer stille zee&mdash;in het hol te klouteren en de
-(door Chinezen duur betaalde) vogelnesten van de rotsen af te plukken.
-Het meerendeel wordt gevonden aan het gewelf van het hol, dat veel
-hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo vervolgt de mensch deze
-vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de roofzucht van elk dier
-beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen vijand zich in zekerheid
-bevinden.</p>
-<p class="par">Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde
-brengen van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant,
-menig schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad <span class=
-"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span>der
-lucht was in onze Bamboeswoning allengs van 87&deg; tot op 82&deg;
-Fahr. verminderd, maar scheen niet lager te willen dalen. Deze
-aanmerkelijk hooge warmtegraad welke hier jaar uit jaar in bijna zonder
-afwisseling heerscht, die daarenboven gepaard gaat met eene groote mate
-van vochtigheid des dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem
-welke deze streek bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en
-dierenrijk ten gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat
-zich daar van ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij
-onzen blik lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in
-het kleinste reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette
-men de menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.&mdash;De kamer
-die wij tot ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat
-te betrekken, dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote
-kikvorschen (K&ograve;dok) hadden verjaagd, die echter telkens
-terugkeerden om ons het bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen
-zeer behendig tegen den vier voet hoogen ladder op en de deur van den
-Pasanggrahan in, die zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het
-hoogste gedeelte van onze woning klonk ons het gepiep in het oor van
-vledermuizen (Lala&iuml;) die daar ter plaatse, waar zij den dag in
-rust doorbrengen, bij wijze van groote zwarte klompen aan de nok van
-het dak hingen. Langs de wanden en aan de zoldering (alleen het
-middenvertrek van het huisje was hiervan voorzien) liepen tientallen
-van Tjitjak&rsquo;s (Hemidactylus fraenatus, kleine grijsachtige
-hagedissen) in het rond, allerliefste diertjes die ons door hunne
-behendigheid buitengewoon vermaakten; zij waren, namelijk, druk bezig
-met het vangen van vliegen en muggen, die ons voortdurend al gonzende
-langs de ooren vlogen. In de reten der wanden huisden schorpioenen
-(Buthus cyaneus), waarvan onze <span class="pagenum">[<a id="pb252"
-href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>jongens er verscheidenen
-vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en de evenmin
-geluidgevende, nuttige Tjitjak&rsquo;s, waren voor ons de
-Tok&eacute;&rsquo;s (Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen
-ongeveer ter lengte van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte
-huid ons afschuw inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in
-de woning met <span class="ex">luider</span> stem en riepen ons,
-telkens een tiental keeren achtereen, hun &bdquo;gek-koh,
-gh&eacute;k-koo&rdquo;&mdash;allengs op meer slependen toon en somtijds
-op drie verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen
-niet zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen
-zien.</p>
-<p class="par">Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde
-gebragt, zetteden wij ons op het kleine Aloen aloenplein<a class=
-"noteref" id="xd21e5493src" href="#xd21e5493" name=
-"xd21e5493src">14</a> van het naburige dorpje dat slechts door eene
-groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden, in de verkwikkende
-schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de stille beschouwing
-van het omringende tooneel. Onze jongens hadden onder den
-W&#277;ringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst; sommigen
-hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij vertrouwelijk
-met de kinderen uit het dorp speelden of zich met hun gesnap
-vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter gebleven. Aan alle
-zijden was de kleine opene plek van nabij door het omringende woud
-ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het plein bestond dit
-woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier stammen de
-bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog vielen.
-Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke zich op
-vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven,
-<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name=
-"pb253">253</a>]</span>zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen
-(Garcinia Mangostana) of der Mangifera indica met hare goud-gele
-appelen;&mdash;ginds stond een Ramboetanboom (Nephelium lappaceum)
-welks takken onder den last der roodachtige vruchten zoo zeer waren
-gebogen, dat zij tot aan het dak van het nabij zijnde huis afwaarts
-hingen; hier zag men de vruchten van een Nangkaboom (Artocarpus
-integrifolia) welke de grootte van eene pompoen bereiken, of de groote
-getande bladeren van een broodvruchtboom (A. incisa) en op eene andere
-plaats breidde de Wol- of Kapokboom (Gossampinus alba) zijne
-horizontale takken uit. Nog vele tientallen van andere kultuurboomen
-stonden hier tusschen de reeds genoemden en vormden met hunne
-gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van het dorp, waarboven de
-regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos- en Pinangpalmen met de
-bladerenpluimen welke den top er van sierden, zich verhieven. Hoog
-boven het loofdak ruischte de wind in de toppen dezer palmen, die nog
-in de heldere zonnestralen blonken, toen de schaduwen der loofboomen
-zich reeds over het gansche Aloen aloenplein hadden verbreid.</p>
-<p class="par">Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine
-rijstpakhuizen (Loembong) welke er nevens stonden, strekten de
-vruchtboomen van het dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het
-oorspronkelijke woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden,
-dat geene grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp
-van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van meer dan
-50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en
-vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den
-rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tj&#277;mpaka- en
-Manglitboomen (Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonace&euml;n),
-benevens Kiaraboomen (Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed
-van omvang zijn, kwamen <span class="pagenum">[<a id="pb254" href=
-"#pb254" name="pb254">254</a>]</span>het menigvuldigst in deze streek
-voor, waar tusschen echter insgelijks vele Myrtace&euml;n en
-Rubiace&euml;n werden gevonden. Enkele Karet- of
-Kol&#277;l&egrave;tboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap,
-blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het
-bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak
-der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen
-aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen,
-Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de
-takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid
-van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de
-Pisang&rsquo;s en andere zoete vruchten&mdash;en groot was het tal van
-verschillende soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond
-zwierden, of hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne
-stemmen of hun pikken verrieden.&mdash;Zoo zaten wij daar verdiept in
-de beschouwing dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte
-in onze ziel deed ontwaken.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zijt gij met mij niet van
-gevoelen, broeder, dat het karakter van een volk, zijne zeden,
-gewoonten en gebruiken voor het grootste gedeelte afhankelijk zijn van
-het eigenaardige karakter der <span class="ex">natuur</span> waarin de
-mensch leeft,&mdash;van het uitwendige dat invloed op zijne zinnen
-uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante der
-planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van den
-bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte der
-dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de hem
-omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die hij
-voor zijne blikken ziet plaats grijpen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Ongetwijfeld geloof ik
-dat de uitwendige natuur een krachtigen invloed uitoefent op het gemoed
-des menschen <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name=
-"pb255">255</a>]</span>en dat, indien de indruk door de natuur te weeg
-gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van &rsquo;s menschen jeugd af
-tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene uitwerking op hem kan
-hebben, die zich in bepaalde gewoonten en karaktertrekken openbaart.
-Kon een jong Javaasch kind in het land der Samojeden of der
-Eskimo&rsquo;s opgroeijen, dan zou het een Eskimo van karakter
-worden,&mdash;of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo in de Javasche
-natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit worden. Aan de
-andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke de buitenwereld
-op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan aanmerkelijk kan
-zijn, in geval dat volk nog op den <span class="ex">eersten</span> trap
-van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot een
-hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur
-verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een
-dergelijk volk toch bekleedt de <span class="ex">opvoeding der
-jeugd</span> eene gewigtige plaats; zij vormt als het ware een
-scheidsmuur tusschen den mensch en de natuur, welke echter bij een
-minder ontwikkeld volk niet in die mate voorhanden is.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> In zeker opzigt ben ik dat
-volkomen met u eens. Een beroemde Duitsche dichter zegt niettemin:
-&bdquo;Niemand wandelt ongestraft onder palmboomen en gewisselijk
-veranderen de zeden in een land, waar olifanten en tijgers inheemsch
-zijn.&rdquo;&mdash;Er bestaan weinige voorbeelden van beschaafde
-volken, die zich <span class="ex">bl&#307;vend</span> &bdquo;onder de
-palmboomen,&rdquo; hebben ne&ecirc;rgezet. Wij Hollanders laten onze
-kinderen in Europa opvoeden en zijn geene eigenlijke <span class=
-"ex">kolonisten</span> op Java.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Welligt zweefden aan
-G&ouml;the, toen hij deze woorden ter neder schreef, de volken van
-Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk niet mogen geacht worden
-een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze, dat de meer ontwikkelde
-mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem omringende natuur.
-<span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name=
-"pb256">256</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Voor den oogenblik de
-zedelijke zelfstandigheid van den ontwikkelden mensch in alle klimaten
-in het midden latende, meen ik toch te mogen gelooven dat de
-buitenwereld insgelijks op hem een aanmerkelijken invloed uitoefent, en
-dat het karakter van den mensch die op een <span class="ex">lageren
-trap van ontwikkeling</span> staat, grootendeels afhangt van de natuur
-welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk te achten, dat
-een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst de <span class=
-"ex">natuur</span> waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner
-studie make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het
-onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen,
-zijne zeden en gewoonten te <span class="ex">verstaan</span> en te
-begrijpen, zonder eene voorafgaande kennis der natuur, der landstreek
-waarin dat volk woont, en der indrukken welke van der jeugd af invloed
-op den mensch hebben uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig
-gene oorspronkelijk zijn.</p>
-<p class="par">Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs
-op der tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de
-meeste hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars
-van het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven
-(Manoek g&#277;goegoer), dan de Europe&euml;r van het slaan van zijn
-kanarievogel of het gezang der nachtegalen.&mdash;De avond viel.
-Slechts nog enkele Badjing&rsquo;s (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag
-men hier en daar tegen de boomstammen opklauteren en de laatste straal
-der zon verdween van de toppen der palmboomen. De Kalong&rsquo;s
-daarentegen die ginds aan een grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen,
-begonnen zich te bewegen en vlugten kleine groene papegaaijen
-(Psittacus vernalis) naderden en gierden, onder een ontzaggelijk
-gekrijsch, rondom de takken van een hoogen Baloengdangboom (Stravadium
-excelsum), welke ter linkerzijde van ons stond. Zij zetteden zich op de
-takken neder, snelden weder weg, kwamen op nieuw terug, vlogen
-<span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name=
-"pb257">257</a>]</span>rondom den boom, waren onophoudelijk in beweging
-en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het
-doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene
-onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier,
-waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde
-rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich in
-groote zwermen nedergezet in den W&#277;ringinboom, waarnevens wij
-gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven zich
-ter rust.&mdash;Nu echter vingen de Kalong&rsquo;s hunne nachtelijke
-togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen
-onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote,
-zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen zij
-bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare
-vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden
-(Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer van
-eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de
-achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan,
-wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte te
-verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken morgen
-keeren zij naar dezen boom, hunne <span class=
-"ex">dagel&#307;ksche</span> rustplaats terug en laten zich blakeren
-door den vollen gloed der zonnestralen, die van den vroegen morgen tot
-den laten avond op hun schraal met haar bezet ligchaam branden. Geen
-enkel blaadje schenkt hun de geringste schaduw. Hunne uitwerpselen
-deelen, namelijk, langzamerhand zulk een overvloed van dierlijke
-meststof aan den bodem mede, dat de daarin wortelende boom spoedig
-sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak verraadt reeds op een
-aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame vruchten, welke aan zijne
-dorre twijgen hangen. <span class="pagenum">[<a id="pb258" href=
-"#pb258" name="pb258">258</a>]</span></p>
-<p class="par">Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen
-zich stil tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en
-rijstvogels terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der
-zon voor deze Kalong&rsquo;s het sein om hunne nachtelijke togten aan
-te vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met
-logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht
-heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand
-achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter
-hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting
-landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands, uit
-het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong&rsquo;s, en deze scheen iets
-hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting
-kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een
-schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven,
-digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne
-vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk der
-afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt acht te
-slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar <span class=
-"ex">een en hetzelfde</span> doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld
-verschillende bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk
-naauwkeurig scheen te weten in <span class="ex">welke</span> streek der
-wouden de boom stond, waar zij hun nachtelijk maal wenschten te houden,
-niettegenstaande deze menigwerf op een afstand van vele mijlen werd
-gevonden van de plaats, welke zij hadden verlaten. Vroeger had ik reeds
-menigmaal des avonds zwermen van deze dieren aan een dergelijken boom
-gezien, voornamelijk aan een G&#277;nitriboom (Elaeocarpus
-angustifolius), op welks vruchten zij het meest gesteld zijn en rondom
-welken boom zij dan schreeuwend, kwakend en elkander de vruchten
-betwistend, heenvlogen. <span class="pagenum">[<a id="pb259" href=
-"#pb259" name="pb259">259</a>]</span></p>
-<p class="par">Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende
-koelte des dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80&deg;
-Fahr.<a class="noteref" id="xd21e5572src" href="#xd21e5572" name=
-"xd21e5572src">15</a> was gedaald, insgelijks toe en de welriekende
-geur der K&#277;nangabloemen&mdash;van een hoogen boom (Uvaria odorata)
-welke op de eene of andere plaats in het dorp stond&mdash;verspreidde
-zich in gelijke mate al sterker door de boschachtige streek. Nu werd
-van tijd tot tijd een vliegend eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta)
-zigtbaar dat van den eenen Kokosboom naar den anderen zweefde, en de
-Javanen begonnen de hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en
-te grendelen. Er sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige
-roofdieren (Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang&rsquo;s)
-tuk op buit in het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de
-Legoean&rsquo;s, komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten
-einde in de hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te
-leggen.&mdash;Door het aanleggen van vuren op verschillende plaatsen,
-waarbij eenige wachters waren gesteld van lansen en Gonggong&rsquo;s
-voorzien, ten einde alarm te maken zoodra er gevaar mogt ontstaan,
-trachtten onze dorpsbewoners de grootere roovers, de panters en
-tijgers, van hunne woningen verwijderd te houden; want het wijd en zijd
-in het rond klinkende, leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen
-beweren, het vertrek der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt,
-het geschreeuw der <span class="ex">paauwen</span>, werd nu op
-verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet slechts waren alle
-andere vogelen stil, maar ook buitendien liet geen geluid in het woud
-zich vernemen.&mdash;Alleen het gegons der muggen (Moskiten, Tjamok)
-werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe, dat het in deze
-vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard ging met den
-naderenden <span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name=
-"pb260">260</a>]</span>nacht die met eene snelheid inviel, welke op den
-nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds een
-zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen sedert
-den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp en woud
-waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets liet zich
-onderscheidenlijk meer waarnemen.</p>
-<p class="par">Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met
-het bespelen hunner instrumenten&mdash;geluidorganen, trache&euml;n,
-longblaasjes, snorgaten, enz.,&mdash;die allen den oogenblik slechts
-schenen te hebben afgewacht, waarop de duisternis een <span class=
-"ex">zekeren</span> graad had bereikt om plotseling, als op een gegeven
-teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal concert te doen
-we&ecirc;rgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken boom eene
-stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was geworden;
-de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden, tallooze
-insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de
-verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten
-bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen geleek
-op het <span class="corr" id="xd21e5585" title=
-"Bron: aanhondend">aanhoudend</span> klinken van eene trillende
-vioolsnaar, anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het
-gezang van een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als
-het ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar
-zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel
-verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van
-kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af tot
-aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak
-illumineerden.</p>
-<p class="par">Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons
-noordelijk vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar
-alles bij het toenemen der <span class="ex">nachtel&#307;ke
-stilte</span> <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name=
-"pb261">261</a>]</span>langzaam tot rust komt. Hoe geheel anders was
-het hier?&mdash;Bijna plotseling volgde hier de diepste duisternis op
-het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts hield de
-stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend gonzende,
-tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat uit duizende
-insektenkoren was za&acirc;mgesteld, ving aan;&mdash;millioenen van
-Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders,
-termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke
-Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal
-ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag
-hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen
-hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen
-voort, die allen zamensmolten tot <i>een</i> oorverdoovend, tjilpend
-gegons, waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen,
-die zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle
-plassen accompagneerden.&mdash;Somtijds gebeurde het, terwijl het
-algemeene gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en
-snorren iets verminderde, ja, menigwerf geheel en al
-ophield,&mdash;eensklaps echter, als ware het op het gegeven sein eens
-kapelmeesters, begon weder op nieuw een koor van honderd duizend
-muziekanten, allen te gelijk, hunne krijschende diskantstemmen te
-verheffen, die zoo luide klonken dat het ons door het hoofd dreunde.
-Tot deze laatstgenoemden die het hardst schreeuwden, moesten meer
-bijzonder worden gerekend groote Cicaden (Tosena-soorten en anderen)
-die zich in de toppen der boomen ophouden. Onze jongens wisten ze
-echter, door middel eener brandende kaars welke zij in het digtste
-gebladerte hadden gesteld, uit hunne hooge verblijfplaats naar beneden
-te lokken en met honderd andere soorten van insekten in hunne netten te
-vangen. <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name=
-"pb262">262</a>]</span></p>
-<p class="par">Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende
-menigte gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn
-gekomen, dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet
-ongebraden<a class="noteref" id="xd21e5602src" href="#xd21e5602" name=
-"xd21e5602src">16</a> te moeten opeten. Zij strekten aan de
-fladderende, insekten vangende vledermuizen tot eene gemakkelijk te
-verkrijgen prooi. Ook eenige Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds
-terugkeerende kringen over het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de
-snelste vlugt daar heen zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den
-meer helderen hemel zigtbaar werden.&mdash;Even als met de groote
-meerderheid der vogelen des morgens en gedurende den loop van den dag
-het geval was geweest, vierden de ontelbare zwermen insekten nu des
-avonds en gedurende de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo
-menigwerf een koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede
-instemden in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker
-tijd, <span class="ex">eensklaps</span> aan, zwegen allen te gelijker
-tijd plotseling, op eens, en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij,
-uithoofde van de duisternis welke ons omringde, moesten gelooven, dat
-zij elkander konden hooren (hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of
-dat zij op de eene of andere wijze met elkander in verstandhouding
-stonden. Even als onder de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks
-onder deze cicaden op het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van
-soorten onderkennen, aan den meer of minder schellen of diepen toon,
-waarin zich steeds eene zekere soort van maat liet waarnemen.</p>
-<p class="par">Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar
-deze stemmen van den nacht.&mdash;Vele duizenden van dieren bewogen
-zich om ons heen, omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja,
-welligt nooit iets te weten zullen komen. Door <span class=
-"pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span>het
-loof des W&#277;ringinbooms zagen wij boven ons hoofd het flikkeren van
-sterren,&mdash;het licht van vreemde, ver van ons verwijderde
-hemelligchamen,&mdash;waaromtrent wij nog veel geringere kennis
-bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de zwakke krachten
-van een mensch, aan den korten duur van &rsquo;s menschen leven en wij
-verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den
-onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle
-rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in
-het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.&mdash;De
-zon der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal
-zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter
-tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;&mdash;in de
-oneindige verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt
-toch Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier
-<span class="ex">geniet</span> naar zijn aard; het is <span class=
-"ex">zoodanig ingerigt</span> om te <span class="ex">kunnen</span>
-genieten, het eene des daags, het andere des nachts, het eene in den
-zonneschijn, het andere in de schaduw;&mdash;al deze duizenden met
-leven begaafde gestalten <span class="ex">verheugen</span> zich in het
-genot huns levens, zij <span class="ex">genieten</span> en de
-grondoorzaak der natuur welke zich in <span class=
-"ex">dergel&#307;ke</span> wetten openbaart, moet noodzakelijker wijze
-eene <span class="ex">goede</span>, <span class="ex">weldadige</span>,
-<span class="ex">liefder&#307;ke</span> oorzaak wezen, die volkomen
-<span class="ex">bewust</span> is van het doel waarnaar zij streeft - -
--</p>
-<p class="par">daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte,
-dweepzucht kweekende <span class="ex">maan</span> voor ons op, en toen
-zij hare eerste stralen wierp over het loof der boomen en een gering
-gedeelte van het Aloenplein bescheen, werd ons gemoed vervuld met een
-troostend gevoel dat, als het ware door dien straal gewekt, oprees tot
-de oorzaak die het had doen geboren worden.&mdash;&rdquo;<span class=
-"ex">Een</span> band moet toch aanwezig zijn welke al deze <span class=
-"pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name=
-"pb264">264</a>]</span>millioenen van levende wezens
-za&acirc;mverbindt; Eene van alles bewuste ziel, <span class=
-"ex">Een</span> God moet boven allen leven!&mdash;Ja, in den glans der
-zon, in het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan,
-in de wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur
-omvat,&mdash;in ons eigen boezem ligt <i>Uwe</i>
-openbaring!&mdash;<i>Alwetende!</i> Uwe wereld is schoon!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het insektengegons was grootendeels
-verstomd;&mdash;slechts het kleppend geluid der Kaprimulgen die nu
-verzadigd op boomtakken zaten, liet zich in het stiller geworden woud
-nog hooren, toen wij omstreeks middernacht, zonder een woord te
-spreken, maar opgetogen van bewondering over de grootheid der natuur,
-den geest vervuld met denkbeelden die dit alles bij ons had doen
-oprijzen, in stilte naar onze legerplaats terugkeerden.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par"><i>Op den volgenden dag.</i> Dewijl de Loerah van het
-dorp afwezig was (hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter
-bruiloft in een nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de
-tusschenkomst van den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te
-danken, dat wij Koeli&rsquo;s konden bekomen om onze reis voort te
-zetten, namelijk, de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze
-wilden echter de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde
-verrigten, dat zij een veel hooger loon zouden ontvangen;
-waarschijnlijk zouden zij ook dit van de hand hebben gewezen, indien
-zij ten gevolge van hunne verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken,
-niet meer behoefte aan geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij
-waren verpligt het hun vooruit te betalen, ten einde hen in de
-gelegenheid <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name=
-"pb265">265</a>]</span>te stellen een nieuwen voorraad Madat<a class=
-"noteref" id="xd21e5675src" href="#xd21e5675" name=
-"xd21e5675src">17</a> op te doen.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust,
-welke door mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> alle nieuwe of zeldzame voorwerpen die
-wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij slechts aan een enkel
-klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden en zetteden vervolgens
-onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den namiddag, door
-vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar eene geschikte
-plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water moest gevonden
-worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene halve dagreis verder
-westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de kust liggen, hetwelk
-wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te bereiken, om van daar
-in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts gelegene hoogland
-door te dringen.&mdash;Wij kozen tot ons nachtkwartier de oostzijde
-eener kaap, der <span class="ex">Tandjoeng-Gnodos</span>, in welker
-nabijheid eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar
-wij ons bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte
-oorspronkelijke wouden reikten van het hooge gebergte tot aan de kust
-zonder ergens afgebroken te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende
-twijgen in de baren, zoodat slechts op enkele plekken, voornamelijk op
-den achtergrond der kleine inhammen, een smal zandig strand overbleef
-dat niet met woudgeboomte <span class="pagenum">[<a id="pb266" href=
-"#pb266" name="pb266">266</a>]</span>was bedekt. Waarheen wij het oog
-mogten wenden, van verre noch van nabij, nergens liet zich eenig spoor
-van menschelijke bedrijvigheid ontdekken.&mdash;IJlings werden nu de
-noodige aanstalten gemaakt tot het opslaan van ons bivouak; onze
-jongens en de Koeli&rsquo;s kapten takken van het naburige geboomte,
-bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij, vergezeld van mijn
-broeder <span class="sc">Nacht</span> en twee Javanen, verder
-westwaarts heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren
-kennen. De kaap of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch
-Oedjoeng) was het uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en
-vormde een vlakken bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte
-van 15 &agrave; 25 voet boven het strand der aangrenzende bogten
-verhief. Vele dergelijke, iets lager of hooger rijzende
-Oedjoeng&rsquo;s reikten hier in deze streek, tusschen vlakker
-afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en waren allen met
-woudgeboomte bedekt.</p>
-<p class="par">Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en
-uit het <span class="corr" id="xd21e5695" title=
-"Bron: wond">woud</span> te voorschijn traden, hadden wij een
-merkwaardig schouwspel voor oogen. Het strand dat tusschen deze en de
-eerstvolgende kaap lag ingesloten, had den vorm eener halve maan, was
-geheel dor en kaal en rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot
-op een afstand van ongeveer 500 &agrave; 700 voet van het strand der
-zee, waar het zich eindigde en in zandheuvelen overging; aan de
-landwaarts gekeerde zijde dezer heuvelen verhief zich, in de
-onmiddellijke nabijheid er van, weder het woud dat zich verder
-onafgebroken tot diep in het steeds hooger rijzende gebergte
-uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust eener bogt) had
-welligt eene lengte van driekwartier uurs.&mdash;Hoog boven onze
-hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Halia&euml;tos-soorten) en
-beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde
-beenderen en ontzaggelijk groote schilden <span class="pagenum">[<a id=
-"pb267" href="#pb267" name="pb267">267</a>]</span>van <span class=
-"corr" id="xd21e5700" title="Bron: schilpadden">schildpadden</span>,
-deels gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in
-het rond.</p>
-<p class="par">Het was een woest tooneel. Door verbazing en
-nieuwsgierigheid geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op
-het dorre strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond
-eene menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan
-de indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge
-van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts op,
-zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der
-heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige
-glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar was
-het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen
-opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het
-scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd
-met elkander hadden gestreden.&mdash;Deze gansche strandvlakte was als
-bezaaid met beenderen en schilden van <span class="corr" id="xd21e5705"
-title="Bron: schilpadden">schildpadden</span>; binnen het bereik van
-ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen,
-verscheidene tientallen <span class="ex">geheele</span> schilden en
-zeer zeker mag aangenomen worden, dat hun aantal over het gansche
-strand verspreid, verscheidene honderden bedroeg. Het meerendeel werd
-gevonden op het verst van de zee verwijderde gedeelte der kust, aan den
-voet der heuvelen; hetgeen ons het meest verwonderde was, dat zij allen
-<span class="ex">omgekeerd</span>, op den rug lagen. Het waren schilden
-van den <span class="corr" id="xd21e5714" title=
-"Bron: reuzenschilpad">reuzenschildpad</span> (Chelonia Mydas,
-zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene
-lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen
-en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt en
-glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog
-voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er
-gevonden, <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name=
-"pb268">268</a>]</span>die nog vrij versch waren; met opgereten
-buikschild en op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde,
-stinkende ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene
-plekken zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte
-van 3 &agrave; 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig
-voortloopende groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder
-ligchaam over het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen
-vingen aan bij den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de
-geraamten heen, in eene <span class="ex">l&#307;nregte</span> rigting
-uit tot aan den voet der heuvelen. De twee Javanen die bij ons waren,
-schenen dit verschijnsel te kennen, want zij hadden een der sporen
-gevolgd en riepen ons van de heuvelen, waar wij hen bezig zagen met het
-zand om te wroeten, op vrolijken toon toe: <span class="ex">Tampat
-telor, telor!</span> (een nest met eijeren!)</p>
-<p class="par">De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de
-onmiddelijke nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit
-drooge, helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon
-katang (Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe
-bloemen waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere
-plekken was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige
-kruipende grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den
-schedel der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia
-argentea) en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van
-Pandane&euml;n op ons neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op
-<span class="ex">eene enkele</span> plek, in een nest, op eene geringe
-diepte onder het zand bedolven, meer dan <span class=
-"ex">honderd</span> kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van
-kleur, hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke,
-perkamentachtige schaal.&mdash;Die lange banen waren derhalve sporen
-van <span class="ex">reuzenschildpadden</span> die, uit den boezem des
-oceaans opgestegen <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269"
-name="pb269">269</a>]</span>zijnde, hier 500 &agrave; 700 voet ver over
-het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het zand aan
-den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over laten aan
-de koesterende stralen der zon?!&mdash;En op dezen korten togt te land,
-welken zij misschien slechts een paar malen &rsquo;s jaars ondernemen,
-worden zij door roofdieren aangevallen?&mdash; &mdash;</p>
-<p class="par">Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten
-einde te bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede
-als wij bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het
-kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere
-physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna
-uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het
-levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 &agrave; 40 voet
-boven den grond<a class="noteref" id="xd21e5741src" href="#xd21e5741"
-name="xd21e5741src">18</a> tot een digt schaduwdak zich vereenigde.
-Duizende witte bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de
-lucht met de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich
-reeds op eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die
-zich wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun
-ne&ecirc;rwaarts gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke
-horizontale takken, ongeveer 7 &agrave; 8 voet boven den grond, hadden
-de Javanen onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren
-tot dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander
-gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen
-de boomstammen waren <span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270"
-name="pb270">270</a>]</span>vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer
-Javanen hadden, namelijk, <span class="ex">Krokodillen</span>, Boeaja
-(Crocodilus biporcatus) voor de monding der beek bespeurd; gelijk
-bekend is, verlaten zij des nachts hun vochtig element en sluipen langs
-het strand rond; dit gedierte is nog gevaarlijker dan de tijger,
-uithoofde van het harde pantser hetwelk zijn ligchaam
-bedekt.&mdash;Eene dergelijke zitplaats hoog boven den grond, waar wij
-tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een Kiboenagaboom
-gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het beenderenveld
-stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan de smakelijke
-schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt, bestegen wij
-omstreeks 6 ure den boom.&mdash;De overige Javanen hadden den last
-ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen, zoo spoedig
-mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken hout) naar de
-plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen.</p>
-<p class="par">Wij loerden. De avond viel.&mdash;Wij zagen eerst een,
-vervolgens verscheidene schildpadden hun vochtig element
-verlaten;&mdash;zoodra zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog
-slechts een ligte golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een
-oogenblik stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de
-hoogte, wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik
-in het rond en&mdash;kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel
-zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met
-hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den
-voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij
-naauwelijks een <span class="corr" id="xd21e5751" title=
-"Bron: vierdegedeelte">vierde gedeelte</span> van het strand in de
-lengte gerekend overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog
-onderscheidenlijk konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere
-plompe ligchamen die zich over de strandvlakte heenschoven.
-<span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name=
-"pb271">271</a>]</span>Geen geruisch trof ons oor, dan de doffe toon
-der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps iets plassen en
-klateren beneden ons,&mdash;het was veel langer dan eene schildpad en
-kroop veel behendiger dan deze over het strand,&mdash;het was een
-<span class="ex">krokodil</span> ter lengte van minstens 15 voet, die
-eene prooi zocht? en nu insgelijks al waggelend naar den voet der
-heuvelen ging. Doodstil, met ingehouden adem, vestigden wij de blikken
-op het voor ons liggend tooneel.&mdash;In de verte kroop een schildpad
-terug en verdween in de zee.&mdash;Het duurde niet lang of in de
-onmiddellijke nabijheid van de plaats waar wij ons bevonden, keerde
-insgelijks een donker ligchaam van de heuvelen zeewaarts en naderde ons
-meer en meer,&mdash;maar nog had het de helft des wegs niet afgelegd,
-toen plotseling uit het naburige woud een groot aantal dieren te
-voorschijn snelde; aanvankelijk gaven zij niet het geringste geluid van
-zich, maar op den oogenblik dat zij den schildpad bereikten, lieten zij
-een snuivend, kort afgebroken gehuil hooren, terwijl zij in een
-oogopslag het dier omsingelden en op de woedendste wijze aangrepen.
-Naar onze schatting waren er minstens een dertigtal aanvallers. Zij
-pakten hun slagtoffer bij den kop, den hals, bij de als vinnen gevormde
-pooten, bij den staart, aan het achterste, trokken en scheurden het de
-stukken van het lijf, draaiden het in een kring rond en verrieden door
-hun fijn en schor klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de
-ijsselijkste vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te
-werk en schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die
-daar&mdash;stil, met ligten, zachten tred&mdash;even als een Tjitjak
-welke aan den wand van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam
-aankruipen&mdash;al nader en nader,&mdash;vervolgens eensklaps, als een
-pijl uit een boog, voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende
-honden <span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name=
-"pb272">272</a>]</span>tusschen zijne vreesselijke kaken had
-verbrijzeld, alvorens de anderen het bemerkten, doch die eindelijk
-eensklaps tot op zekeren afstand uit elkander stoven.</p>
-<p class="par">Het waren Andjing adjag&rsquo;s (Canis rutilans),
-zoogenaamde wilde honden die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn
-dan wolven, maar veel vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan
-deze. Wel was de schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel
-geleden om zich te kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk
-eene goede vangst had gemaakt, trok zeewaarts af.<a class="noteref" id=
-"xd21e5764src" href="#xd21e5764" name="xd21e5764src">19</a>&mdash;De
-Adjag&rsquo;s wierpen zich nu van alle zijden andermaal op hunne prooi,
-vielen haar met vereenigde krachten aan en schenen druk bezig om haar
-de schilden uiteen te rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om
-los te drukken, toen een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij
-eenige beteekenisvolle woorden toefluisterde.&mdash;Zijn scherp oog had
-de gedaante, welke uit het duistere woud te voorschijn was getreden
-reeds bespeurd; zij stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende
-blikken over de schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder
-en&mdash;viel plotseling met een verbazenden sprong te midden van de
-honden,&mdash;een vreesselijk ratelend gebrul dat uit het diepste van
-de keel scheen op te komen, werd daarbij vernomen en de Adjag&rsquo;s
-stoven, als door een panischen schrik bevangen, naar alle zijden
-uiteen. Onder het slaken van een meer fluitend dan knorrend gehuil,
-snelden zij ijlings terug naar het woud en de <span class="ex">tiran
-der wildernis</span>, de <span class="ex">koningst&#307;ger</span> die
-ten tooneele was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning
-op het schild van het voor hem liggende dier.&mdash;Een <span class=
-"pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name=
-"pb273">273</a>]</span>tweede, kleinere tijger, welligt een panter,
-sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich knorrend, blazend
-om,&mdash;ik lag het geweer aan, drukte los en de knal van het schot
-we&ecirc;rklonk in den stillen avond heinde en verre door het gebergte.
-De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde honden en tijgers
-had voor ditmaal een einde.</p>
-<p class="par">Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> een schot gedaan. Onder het loofgewelf
-van den boom in welks takken wij gezeten waren, was het echter reeds
-veel te donker geworden om ergens goed op te kunnen aanleggen, hoewel
-wij de omtrekken der voorwerpen die zich voor ons op het kale,
-helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk goed konden onderscheiden.
-Wij hadden mis geschoten&mdash;of althans geene doodelijke wond
-toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel konden wij nog
-twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten het evenwel
-voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren juist bezig
-van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons bivouak achter
-gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder een luid
-geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de brandende
-stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In de
-nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven van
-het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter
-vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne
-G&ograve;lok&rsquo;s<a class="noteref" id="xd21e5780src" href=
-"#xd21e5780" name="xd21e5780src">20</a> voor goed afgemaakt. Dewijl
-zeeschildpadden kop, noch pooten onder het schild kunnen terugtrekken,
-vallen zij niettegenstaande de buitengewone grootte en stevigheid van
-dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk ten prooi zelfs aan zulke
-roofdieren, <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name=
-"pb274">274</a>]</span>die veel kleiner zijn dan zij, wanneer deze (zoo
-als hier de wilde honden) hen in grooten getale te gelijk aanvallen.
-Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate van waar die <span class=
-"ex">groote menigte</span> geraamten en schilden haren oorsprong heeft,
-welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren bedekt. Dat
-gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde honden,
-tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het buikschild
-hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles met geweld er
-uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door zeeadelaars en andere
-roofvogels verslonden, en steeds ziet men verscheidenen hoog in de
-lucht boven dit oord rondzweven.</p>
-<p class="par">Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de
-reuzenschildpad reeds omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk
-opengereten) buikschild naar boven lag; wij konden echter niet
-beslissen of dit het werk was van den tijger, dan wel of zulks reeds
-vroeger door de vereenigde krachten der wilde honden was geschied. De
-Javanen beweerden dat het laatstgenoemde het geval was.&mdash;Wij
-sloegen de touwen onzer Pikalan&rsquo;s om de schildpad en bevestigden
-deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes Koeli&rsquo;s,
-waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken op hunne
-schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den last te
-torschen.<a class="noteref" id="xd21e5790src" href="#xd21e5790" name=
-"xd21e5790src">21</a> In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier
-afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel in
-zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen als wij
-sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar insgelijks eene
-ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren, ter grootte van
-<span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name=
-"pb275">275</a>]</span>eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden
-geheel en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons
-een uiterst smakelijk voedsel.</p>
-<p class="par">Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan
-het wachtvuur door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling
-van verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der
-<span class="ex">doelmatigheid</span> welke zich in de natuur laat
-waarnemen. Zou het louter toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal
-zulk een groot aantal eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt?
-Zouden wij zoo iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden
-gezien hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de
-<span class="ex">landdieren</span>, welke op de eijerenleggende moeder
-loeren,&mdash;wij, die wisten dat het meerendeel der gelegde eijeren
-verloren gaat, doordien kleine viervoetige roofdieren, zelfs apen en,
-in bewoonde oorden, de mensch ze begeerig uit het zand opdelven en
-weghalen, en dat een ander gedeelte der eijeren bij somber regenachtig
-weder volstrekt niet wordt uitgebroeid?&mdash;<span class=
-"ex">Waarom</span> echter aan dit dier zoo talrijke vijanden zijn
-gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks is geschied
-met het doel om de grootst mogelijke <span class=
-"ex">verscheidenheid</span> des levens met de eenvoudigste middelen te
-bereiken. Maar door de groote menigte eijeren die niet <span class=
-"ex">allen</span> verloren kunnen gaan, is toch voor de instandhouding
-der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld zou uitsterven, indien het
-getal eijeren slechts tien in plaats van honderd bedroeg, of indien er
-zelfs niet 10, maar (even als dit met het jongen bij olifanten en
-tijgers het geval is) slechts 1 ei werd gelegd!&mdash;In den
-harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo veelvuldig
-aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen, waar het eene
-om den wille van het andere bestaat, het een van het andere afhangt,
-laat zich <span class="ex">een redel&#307;k plan</span> <span class=
-"pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name=
-"pb276">276</a>]</span>waarnemen; onmogelijk kan dit het werk zijn
-eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar, het einddoel der schepping
-te begrijpen gaat boven onze bevatting; maar dewijl zoo veel
-redelijkheid doorstraalt in de <span class="ex">middelen</span> welke
-tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten,
-dat het <span class="ex">einddoel</span> niet redelijk zou
-zijn?&mdash;Zulke denkbeelden bezielden ons en zelfs de nachtelijke
-strijd der dieren, het woeste, schijnbaar stelsellooze dooreen woelen
-en werken der organische krachten, was niet in staat ons geloof aan het
-bestaan van een hoogste redelijk wezen aan het wankelen te brengen.
-Neen, wij hadden besloten om dit geloof steeds inniger aan te kweeken
-en vaster wortel te doen schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging
-van het aanwezen van een levenden God ons troost zou schenken in alle
-rampen, in alle voor <span class="ex">ons</span> onbegrijpelijke
-gebeurtenissen des levens.</p>
-<p class="par">Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven
-wij ons eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer
-vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt
-me&ecirc;deelden dat&mdash;<span class="ex">al onze Koeli&rsquo;s waren
-weggeloopen</span>. En dit was werkelijk het geval. Ten einde zich niet
-in de noodzakelijkheid gebragt te zien om nog verder met ons mede te
-gaan, hadden zij zich allen uit de voeten gemaakt, en nu zaten wij hier
-met onze instrumenten en koffers geheel <span class="ex">alleen</span>
-in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers, krokodillen
-en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!</p>
-<p class="par">Wat moesten wij nu
-aanvangen?&mdash;&bdquo;<i>Bidden!</i>&rdquo; zou hierop welligt een
-bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden
-echter een <span class="ex">waardiger</span> denkbeeld van de grootheid
-en de wijsheid Gods om te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een
-enkelen of van eenige weinige menschen, eene verandering in zijne
-natuurwetten maken en <span class="pagenum">[<a id="pb277" href=
-"#pb277" name="pb277">277</a>]</span>&bdquo;wonderen&rdquo; zou
-verrigten,&mdash;dat hij zich misschien aan een tiental Koeli&rsquo;s
-in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch of in eene
-lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen: zich zoo snel
-mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.&mdash;God werkt slechts door
-middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft geroepen en naar
-wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de eeuwige,
-onwankelbare <i>trouw</i> dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij ze
-heeft leeren kennen, met <span class="ex">vertrouwen</span> vervult;
-<i>deze bestendigheid en onverbiddelijke consequentie der
-natuurwetten</i> <span class="ex">is het</span> <i>alleen</i>,
-<span class="ex">waardoor het aan beschaafde volken mogel&#307;k is
-geworden zich op te voeren tot dien trap van ontwikkeling, van kunst en
-wetenschap, waarop z&#307; thans staan</span>. Niet het bidden, maar de
-kennis van de natuurwetten heeft hen op die hoogte gebragt.</p>
-<p class="par">Dit geloofden <i>wij</i> en in overeenstemming daarmede
-werd de behendigste klauteraar die zich onder onze jongens bevond,
-namelijk Soengsang, gelast om in den top van een hoogen Kampakboom
-(Hernandia sonora) te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen
-afstand van het Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of
-in de omliggende streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid
-konden waargenomen worden.&mdash;Soengsang klom in den boom en riep ons
-uit den top toe: dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit
-het woud zag opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een
-Kokospalm boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang
-weder naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en
-ons een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek,
-waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een
-G&ograve;lok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer
-mede; de overige jongens <span class="pagenum">[<a id="pb278" href=
-"#pb278" name="pb278">278</a>]</span>lieten wij met onze beide andere
-geweren in het bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende,
-met Soengsang vooraan een pad door de wildernis.</p>
-<p class="par">Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad
-hebben om op deze wijze eene halve mijl ver door het digt
-ineengegroeide struikgewas heen te dringen, indien wij het geluk niet
-hadden gehad een gebaand <span class="ex">pad</span> te vinden dat
-blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts liep. Wij
-volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen togt hadden
-voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing opwaarts rees,
-kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde, met onkruid
-begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met hare kiekens al
-pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van een haan, en tot
-onze groote vreugde ontwaarden wij v&oacute;&oacute;r ons, op een open,
-slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn
-Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven;
-eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine
-gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen
-zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden
-mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den
-drempel hunner hutten stonden.</p>
-<p class="par">Het blaffen der honden verried onze komst; <span class=
-"ex">zoodra</span> de spelende jeugd ons in het oog kreeg, bleef zij,
-als van den donder getroffen, van schrik eensklaps roerloos
-staan;&mdash;de moeders pakten hare kinderen snel bij den arm en ijlden
-er mede weg, de mannen volgden haar in woeste vaart en alles wat loopen
-kon, snelde voort en nam onder een aanhoudend geroep van: &bdquo;help!
-help! erbarming!&rdquo; op den voet gevolgd door de blaffende
-honden&mdash;in allerijl de vlugt.</p>
-<p class="par">Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard
-<span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name=
-"pb279">279</a>]</span>bleef, met de beenen kruiselings over elkander
-geslagen, rustig voor een der hutten zitten en zeide, ons bedaard
-groetende (een S&#277;mbah makende): &bdquo;Goeden dag, heeren
-Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij neder. Ik ben een oud
-man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil van den Albarmhartigen
-Toean Allah,&mdash;gij kunt mij dooden.&rdquo;</p>
-<p class="par">Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat,
-tegenover den grijsaard op den grond, leiden de geweren tusschen hem en
-ons neder, namen eenige cigaren in de hand en reikten ze hem
-toe.&mdash;Hij bezag ons nu met meer aandacht en sprak: &bdquo;Zijt gij
-geene roovers? Zijt gij Orang poetih (blanken)?&mdash;Hollanders? Het
-is lang, zeer lang geleden; ons dorp stond destijds nog beneden aan de
-kust, toen kwamen zeeroovers (Badjak&rsquo;s), zij overvielen ons en
-hebben mijne vrouw en mijne kinderen vermoord. Sedert dien tijd hebben
-wij ons hier hooger bergopwaarts in het woud nedergezet. Onze
-Oema&rsquo;s (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf jaren geleden is een
-Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij heeft ons Bibit kopi
-(koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij koffij moeten planten.
-Daar staan de struiken. De Moesang&rsquo;s<a class="noteref" id=
-"xd21e5887src" href="#xd21e5887" name="xd21e5887src">22</a> eten de
-bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om naar
-de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld
-noodig.&rdquo;</p>
-<p class="par">De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard
-maakten op ons een diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van
-menschelijke waardigheid in het kleed van den eenvoudigsten
-natuurstaat. Daar hij vertrouwen in ons begon te stellen, waren wij de
-zaak spoedig met hem eens. Op ons verzoek verklaarde hij zich bereid
-zijne gevlugte landslieden <span class="pagenum">[<a id="pb280" href=
-"#pb280" name="pb280">280</a>]</span>op te sporen en terug te roepen.
-Wij gaven hem een onzer geweren mede, ten einde dit den vreesachtigen
-ten bewijze onzer vredelievende gezindheid te toonen.&mdash;Een half
-uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen terug. De vrouwen slopen binnen
-de hutten en de mannen, benevens de grijsaard en eenige half volwassene
-knapen, elf in getal, zetteden zich op eenigen afstand van ons op den
-grond neder.&mdash;Wij gaven hun nu te verstaan dat wij, tegen ruime
-betaling en goede behandeling, voor een halven dag niets anders van hen
-verlangden dan Koelidiensten en dat wij ons naar het groote,
-<span class="corr" id="xd21e5895" title=
-"Bron: westwaars">westwaarts</span> van hier gelegen dorp wenschten te
-begeven. Hun antwoord was: &bdquo;Trada boleh Toean (dat is
-onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis
-ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene
-dagreize van hier verwijderd is.&rdquo; Zij verklaarden zich echter
-bereid, om ons eenige uren ver langs het strand in eene <span class=
-"ex">oostel&#307;ke</span> rigting te geleiden&mdash;wij zouden
-derhalve terug moeten gaan&mdash;en ons van daar landwaarts in naar een
-groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan werd gevonden en waarheen
-de togt, naar hunne meening, in eene halve dagreis kon worden afgelegd.
-Wat stond ons nu te doen?&mdash;Wij waren ten laatste nog blijde, dat
-er gelegenheid bestond om van hier weder weg te komen; wij lieten
-derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen en namen het aanbod
-hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij zijnde, oostwaarts
-van hier gelegene groote dorp te begeleiden.</p>
-<p class="par">De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen
-den gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een
-paar gedroogde vischjes of eenige <span class="corr" id="xd21e5903"
-title="Bron: schilpadeijeren">schildpadeijeren</span> ten gebruike op
-reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan
-bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden
-noch buffels; hunne <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281"
-name="pb281">281</a>]</span>huisdieren bestonden uit kippen, honden en
-vier geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal
-dikke Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het
-uitstekende gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3
-&agrave; 4 voet; in het voorgedeelte dezer buizen was eene opening,
-waar eene soort van kleine bijen die geen angel hebben en niet veel
-grooter zijn dan muggen, zonder het minste gegons te maken uit- en in
-vlogen. Deze diertjes, S&#277;lemprang (Melipona minuta), bereiden
-behalve honig insgelijk <span class="ex">was</span> (Towol), hetwelk de
-vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde teekeningen (Batik) op
-de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven weven. Uit dien hoofde
-worden zij voor huisdieren gekweekt. &bdquo;Hebben wij was
-noodig,&rdquo; zeide ons een der bewoners van dit gehucht, &bdquo;dan
-behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis
-v&oacute;&oacute;r onze woning op te hangen, spoedig nestelt zich
-daarin eene talrijke zwerm bijen en binnen eenige weken is de gansche
-ruimte grootendeels met Towol gevuld.&rdquo;&mdash;Deze
-allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier regt op hare plaats te
-zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in van de even zoo eenvoudige
-huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig geluid te maken, vreedzaam
-en we&ecirc;rloos verrigten deze kleine diertjes ijverig hunnen arbeid.
-Even weinig geschikt om zich te verdedigen, maar niet minder stil en te
-vreden slijten deze Javanen hun leven hier in de eenzaamheid.&mdash;En
-toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig toe. Hoe minder
-behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar echter weinig wordt
-geleden: daar geniet men ook weinig vreugde, en hoe talrijker de
-behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap van ontwikkeling is
-welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal hij moeten zijn en des
-te grooter, des te menigvuldiger zal het genot wezen, dat het leven hem
-kan verschaffen.&mdash;Het speet mij slechts <span class=
-"pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name="pb282">282</a>]</span>van
-de arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten
-bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan <span class=
-"ex">toezigt</span> en <span class="ex">leiding</span> tot den arbeid
-daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen verdord aan de
-twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te verrotten.
-&bdquo;Trada soeka minom&mdash;of Trada <span class="ex">adat</span>
-tanam kopi (wij drinken geen koffij&mdash;of het is bij ons geen
-gebruik (Adat) koffij te planten),&rdquo; was het gewone phlegmatische
-antwoord der dorpelingen op onze vragen.</p>
-<p class="par">Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in
-het dorp moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli&rsquo;s dat met
-ons ten 9 ure in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg
-hiervan was, dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli&rsquo;s de
-behulpzame hand moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen
-echter niet verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten,
-zoomede hunne eigene zakken vol te stoppen met
-schildpadeijeren.&mdash;En honderde dergelijke eijeren werden er
-weggeworpen.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt
-aan en kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in
-eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde; wij
-volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het schoone
-Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen vrolijk in
-den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele dorpjes verrieden.
-Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende waaijers verhieven
-zich hoog boven het bladerendak der loofdragende vruchtboomen, waar
-tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen der Javanen verborgen
-waren. Tusschen deze boschjes <span class="pagenum">[<a id="pb283"
-href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span>werden onder water staande
-rijstvelden (Sawah&rsquo;s) gevonden, waarin eene menigte
-domin&eacute;&rsquo;s (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende
-naar hun lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het
-rond waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op
-domin&eacute;&rsquo;s gesteld zijn, houden echter veel van de
-Maraboevederen, welke deze vogel verschaft.</p>
-<p class="par">Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed
-geheeten, dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo;
-de slagen van Gam&#277;lan&rsquo;s klonken ons luide uit meer dan een
-P&#277;ndopo te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke
-geluid des Angklong.<a class="noteref" id="xd21e5933src" href=
-"#xd21e5933" name="xd21e5933src">23</a> Eerepoorten van helder groen
-loof waren hier en daar opgerigt, en in feestgewaad gedoste en
-opgesierde inlanders van allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar
-ons verhaald werd, vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De
-zoon van den Loerah<a class="noteref" id="xd21e5936src" href=
-"#xd21e5936" name="xd21e5936src">24</a> was den vorigen dag gehuwd met
-de dochter van een Mandor goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis)
-en het scheen, dat hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang
-door het dorp te maken.&mdash;Onze Koeli&rsquo;s bragten ons in den
-ledigstaanden Pasanggrahan, ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk
-van de pakken en koffers, en spoedden zich onmiddellijk daarop weder
-voort, ten einde deel te nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens
-volgden hun voorbeeld <span class="pagenum">[<a id="pb284" href=
-"#pb284" name="pb284">284</a>]</span>en wij insgelijks, dewijl het er
-in den Pasanggrahan zoo armoedig en le&ecirc;g uitzag als het geval kan
-geweest zijn op het drooge land tijdens de silurische formatie.</p>
-<p class="par">De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even
-langzaam, in plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het
-Aloenplein dat daar v&oacute;&oacute;r gelegen is. De bruid zat in een
-open, bontkleurigen draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede
-Javanen werd gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij
-werden voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen
-gevulde, geelkoperen kwispeldoors (K&#277;mbar majang) droegen. Het
-bovenlijf der bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar
-aangezigt was wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare
-borsten en het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren
-<span class="ex">geel</span> geverwd met Boreh; om de armen droeg zij
-zilveren ringen en in de ooren lange gouden versierselen. Overigens had
-zij ter bedekking van het benedengedeelte des ligchaams slechts een
-prachtig kleed, Sarong,<a class="noteref" id="xd21e5946src" href=
-"#xd21e5946" name="xd21e5946src">25</a> terwijl het zwarte hoofdhaar
-was gesierd met welriekende witte M&#277;lati- en gele
-Tj&#277;mpakabloemen.&mdash;Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke
-het K&#277;mpar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en
-hij, gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk
-opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens
-gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het
-benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn
-<span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name=
-"pb285">285</a>]</span>bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook
-zijn gelaat was wit, de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt.
-Achter in den gordel waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden,
-stak de met bloemen gesierde Kris.<a class="noteref" id="xd21e5954src"
-href="#xd21e5954" name="xd21e5954src">26</a> Zijn lang zwart hoofdhaar
-hing, insgelijks met bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne
-schouders, en in plaats van den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek
-(eene parademuts).&mdash;Dan kwamen eenige priesters (Imam&rsquo;s en
-Modin&rsquo;s), herkenbaar aan hunne witte hoofddoeken en aan hunne
-kleederdragt in het algemeen;&mdash;hierop volgden, in feestgewaad
-gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en achter
-<span class="ex">deze</span> huppelden Angklong- en op trommels
-(Terbang) of bekkens (K&#277;nong) slaande Gam&#277;lanspelers, waarna
-eene tallooze schaar van andere inlanders&mdash;oud en jong, mannen,
-vrouwen en kinderen, allen met de beste kle&ecirc;ren aan, den
-plegtigen optogt besloot.</p>
-<p class="par">Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des
-bruidegoms vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed
-(Padjangan) dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest
-ontvangen worden. In den P&#277;ndopo die v&oacute;&oacute;r deze
-woning stond, waren de noodige toebereidselen voor het bruiloftsmaal
-gemaakt.<a class="noteref" id="xd21e5962src" href="#xd21e5962" name=
-"xd21e5962src">27</a>&mdash;Weinig tijds nadat wij van het <span class=
-"pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name=
-"pb286">286</a>]</span>Aloenplein naar den Pasanggrahan waren
-teruggekeerd, verscheen de Loerah aan het hoofd eener bezending,
-bestaande uit mannen en vrouwen die korven, groote houten schotels,
-drinkschalen en schenkbladen, alles gevuld en beladen met rijst, thee,
-suiker, velerlei soorten van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of
-honig (Koew&eacute; koew&eacute;) van verschillenden aard voor zich uit
-droegen. Deze lekkernijen werden ons aangeboden en op den vloer in den
-Pasanggrahan nedergezet, dewijl er banken, tafels, noch stoelen
-voorhanden waren. Bovendien werden wij door den Loerah op het
-bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later deel te nemen aan den
-daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij de Gam&#277;lan
-geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van de
-vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem om
-ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te
-bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij ons
-onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De Javanen
-bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard in
-overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de
-armoedige wijze waarop wij waren aangekomen&mdash;te voet, niet onder
-geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van onze
-eigene bedienden&mdash;op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed
-waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder de
-Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat <i>niemand</i>
-van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli,
-onbevredigd <span class="corr" id="xd21e5978" title=
-"Bron: blijven">blijve</span> of treurig mag wezen.</p>
-<p class="par">Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust,
-<span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name=
-"pb287">287</a>]</span>slaap, vonden wij, helaas! het minst.&mdash;Het
-slaan op den Gam&#277;lan, het geschal der groote Gong&rsquo;s, het
-luid gillend gezang der Rongg&egrave;ng&rsquo;s (dansmeisjes,
-Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke menigte personen
-in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen van raketten en ander
-vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde ons den ganschen nacht
-in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen werd berigt dat dit
-vrolijke leven (Ram&eacute; ram&eacute;) nog twee dagen en twee nachten
-zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te
-verlaten&mdash;verder te reizen en zonden derhalve boden naar den
-Loerah met verzoek, dat hij ons Koeli&rsquo;s zou verschaffen om onzen
-togt te kunnen voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het
-berigt, dat het volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende
-dagen Koeli&rsquo;s te bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf,
-die weldra bij ons kwam en met de beenen kruiselings op den grond zich
-voor ons nederzette; nu kregen wij het bevelschrift (Soerat printah)
-van den resident en leiden het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen,
-en&mdash;onder het maken van buitengewoon vele pligtplegingen, er
-bijvoegende: &bdquo;dat wij het hem, zoo hij hoopte, toch vooral niet
-kwalijk zouden nemen&rdquo;&mdash;gaf hij ons te verstaan: dat de
-bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te bieden, hem vroeger
-steeds mondeling door het distriktshoofd waren medegedeeld, en dat het
-geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke bevelen als wij hadden.
-Gaarne zou hij ons Koeli&rsquo;s verschaffen, indien wij slechts twee
-dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was het hem echter
-volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen; de dorpsbewoners
-wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet.</p>
-<p class="par">Nu gingen wij beproeven om als <span class="ex">man met
-man</span> te onderhandelen en gingen met onze jongens in het dorp
-rond, haalden de beurs te voorschijn en boden elken ledigstaanden of
-<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name=
-"pb288">288</a>]</span>rondslenterenden Javaan dien wij aantroffen,
-drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan om onze ligte
-pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats der residentie te
-helpen dragen; zij keken het geld eens aan, glimlachten&mdash;maar, de
-Rongg&egrave;ng&rsquo;s wier stemmen hen uit den P&#277;ndopo te gemoet
-klonken, de welluidende slagen van den Gam&#277;lan die uit de verte
-we&ecirc;rgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond,
-de overvloed van Koew&eacute; koew&eacute;, de prachtige optogten van
-bruid en bruidegom&mdash;neen! <span class="ex">daarvan</span> konden
-zij niet scheiden.&mdash;Ruim een uur lang hadden wij het dorp
-doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk gesteld om langs den
-weg van overreding tot ons doel te geraken, den ganschen voorraad van
-ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren guldens en Spaansche
-matten die wij nog over hadden, in onzen buidel doen rammelen,
-maar&mdash;alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde middelen schonk
-eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij konden <span class=
-"ex">geen enkelen</span> Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met
-loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar onzen
-Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de voorgalerij
-geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een getrappel,
-wij keerden ons om en&mdash;wat zagen wij daar? een ruiter kwam met
-lossen teugel het dorp binnen rennen&mdash;&mdash;</p>
-<p class="par">een tiental anderen galloppeerde hem achter
-na,&mdash;zoodra de voorste ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op
-een afstand van 500 voet den teugel in,&mdash;steeg van zijn paard en
-trad in eene bukkende, onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot
-op ongeveer een tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op
-den grond neder, maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn
-S&#277;mbah herhalende, de volgende woorden tot ons: &bdquo;Ik vraag
-duizendmaal om verschooning, hoogge&euml;rbiedigde heeren! Duidt mij
-toch niet ten <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name=
-"pb289">289</a>]</span>kwade, dat ik v&oacute;&oacute;r vijf dagen toen
-ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u gekomen ben. Ik wist
-niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik u echter overal
-nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest u te vinden. Ik
-smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt het mij toch niet
-kwalijk. Ik moet u vele <span class="corr" id="xd21e6004" title=
-"Bron: groete">groeten</span> overbrengen van den heer regent. Gij kunt
-vijftig Koeli&rsquo;s krijgen, ja, <span class="ex">honderd</span> of,
-in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het
-mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien het
-mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen
-en&mdash;hier&mdash;is mede een brief van Toean Abingrot.&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Abingrot?!&mdash;Snel brak
-ik den brief open, zag wie de onderteekenaar er van was en daar las ik
-de volgende woorden:&mdash;&bdquo;Uw liefhebbende broeder <span class=
-"sc">Avondrood</span>.&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Wat! <span class=
-"sc">Avondrood?</span> Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt in
-onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee!</p>
-<p class="par">Ik las: &bdquo;<i>Aan het meer T&#277;laga-Nagnetap</i>.
-Lieve jongste broeder! Sedert drie dagen ben ik met broeder
-<span class="sc">Morgenrood</span>&rdquo; - - - Wat! is <span class=
-"sc">Morgenrood</span> insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene
-verrassing! welk een onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders,
-die elkander sedert jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden
-dezer heerlijke natuur ons zullen wederzien!&mdash;&bdquo;alhier
-aangekomen en heb tot mijne groote verrassing gehoord, dat gij met
-broeder <span class="sc">Nacht</span> insgelijks in deze residentie
-zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas <span class="corr" id=
-"xd21e6039" title="Bron: bevondt">bevond</span> en waren in twijfel, of
-gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als men ons de namen noemde)
-waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen in het werk stelden om de
-Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en een waar Koeli&rsquo;s leven
-leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd van Gnodnab alhier aan,
-met bevelen van den regent om u op <span class="pagenum">[<a id="pb290"
-href="#pb290" name="pb290">290</a>]</span>te zoeken en den noodigen
-bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van u, en nu was alle
-twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten wij slechts
-<span class="ex">waar</span> gij ronddwaalt, dan ijlden wij u
-onmiddellijk te gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van
-hier verwijderen, want onze wakkere vriend, de resident <span class=
-"sc">Praktischman</span> dien gij, beste <span class="sc">Dag</span>,
-insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot aan
-Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst van
-Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.&mdash;Derhalve, beste
-broeders, komt naar <span class="ex">ons</span> toe, spoedig, ijlt
-herwaarts naar het meer, opdat wij u omhelzen.&mdash;<i>P. S.</i> Wij
-hebben ons hutten gebouwd en plaats en levensmiddelen in overvloed voor
-u allen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op
-ons beiden en <span class="sc">Nacht</span> was zoo opgetogen op het
-vernemen van dit onverwachte berigt, dat hij het goedhartige
-<span class="corr" id="xd21e6065" title=
-"Bron: disstriktshoofd">distriktshoofd</span> van vreugde in zijne
-armen sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden,
-want het ontvangen eerbewijs&mdash;eene openbare schending van den
-Adat&mdash;had hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons
-zijn verlangen te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te
-verwijderen; hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet
-geringe verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien
-minuten, als door tooverij, met&mdash;<span class=
-"ex">Koeli&rsquo;s</span> om zoo te zeggen bedekt geraakte, die zich
-ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over
-elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.&mdash;Dat was de
-tooverkracht der <i lang="la">Argumenta ad hominem</i> die alleen het
-distriktshoofd scheen te kennen, dewijl <span class="ex">onze</span>
-drangredenen kort te voren bij zijne landslieden niets hadden
-uitgewerkt. Onze jongens echter, die in het moeijelijke
-&bdquo;Koelileven&rdquo; in het maken van voetreizen volstrekt geen
-<span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name=
-"pb291">291</a>]</span>behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke
-aanstalten te zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah
-soesah<a class="noteref" id="xd21e6080src" href="#xd21e6080" name=
-"xd21e6080src">28</a> verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen
-niet zoo druk in de weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden
-luid hunne bevelen uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk
-na het andere den trap af naar het plein,&mdash;de Koeli&rsquo;s die
-daar zaten, sprongen op en <span class="ex">wed&#307;verden!</span> om
-de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje het eerst opnemen en
-wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande spoedden zij zich met hunne
-lasten het dorp uit;&mdash;want de Heer baron (of Raden) distriktshoofd
-Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz., gedost in galakostuum, met de
-Kris in de gouden scheede gesierd, trad daar zoo even weder op het
-tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop (onder het telkens en
-herhaald maken van S&#277;mbah&rsquo;s) een getrouwe echo, ja, ja, ja,
-ja,&mdash;we&ecirc;rklonk.</p>
-<p class="par">Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en
-getuigd, die door hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe
-vurig zij waren. V&oacute;&oacute;r bij den ingang van het Aloenplein
-hadden twee voorrijders, met vaantjes aan hunne lansen, post gevat,
-slechts wachtende op den oogenblik dat <i>wij</i> den voet in den
-stijgbeugel zouden zetten, om in allerijl ons vooruit te rennen. Wij
-zetteden ons eindelijk in den zadel, daar snelden de voorrijders weg
-aan &rsquo;t hoofd van den togt, de slagen van den Gam&#277;lan volgden
-steeds sneller elkander op, en een luid en vrolijk allegro klonk door
-het dorp,&mdash;wij galoppeerden hen achterna, gevolgd door het
-distriktshoofd&mdash;en <span class="pagenum">[<a id="pb292" href=
-"#pb292" name="pb292">292</a>]</span>achter hem draafden onze en zijne
-bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere hoofden en andere
-Javanen.&mdash;Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet ongelijk aan eene
-woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit, terwijl de luide
-toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche muziek langs de
-bergwanden we&ecirc;rgalmden en het gehinnik der paarden de frissche
-morgenlucht deed trillen.</p>
-<p class="par">De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig,
-zij snoven en brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de
-ruiters die ze bereden, schertsten met elkander en lachten elkander
-uit, wanneer door het ordelooze van den togt de een den anderen in het
-voorbij rijden knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade
-welke wij op die wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig
-uit. Behalve mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met
-een breed geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan
-reden, werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen
-en schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart
-katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige
-Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe buizen
-(Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen
-daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen
-droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong, niets
-anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later door den
-snellen rid verloren. Dan zaten zij <span class="ex">van top tot
-teen</span> in het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard
-en&mdash;werden uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke
-dan als een lange wimpel achter hen in lucht fladderde;&mdash;de
-ruiters die het verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden,
-sprongen dan van het paard, maar vergaten <span class="pagenum">[<a id=
-"pb293" href="#pb293" name="pb293">293</a>]</span>de teugels vast te
-houden,&mdash;de paarden draafden dan mede door en hunne voormalige
-berijders liepen ze, met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna
-en genoten het vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier
-pooten van hun paard te kunnen vergelijken.&mdash;Op die wijze ging de
-togt in vluggen draf naar het gebergte heen, in de rigting van de
-plaats, waar te midden der sombere wouden die het overschaduwen, het
-meer Nagnetap moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli&rsquo;s
-ingehaald, die onze pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet
-omtrent hen te bekommeren, want wij wisten dat het <span class=
-"ex">heden</span> niet noodig was om ze aan te sporen en bovendien dat
-wij aan het meer alles zouden aantreffen, hetgeen wij noodig mogten
-hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe goed doorgeloopen hadden,
-begonnen hunne drift allengs te matigen en staakten hun snuiven en
-brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte, namelijk, begon met
-steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in staat om, nevens
-elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling een gesprek te
-voeren.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Er zijn nu omtrent
-veertien dagen verloopen sedert wij de hoofdplaats der residentie B.
-hebben verlaten, tot waar wij de reis met postpaarden hadden
-voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch moet ik tot mijne smart
-bekennen dat ik reeds begin te twijfelen, of men door middel van
-<span class="ex">vr&#307;en arbeid</span> in het binnenland van Java
-tot een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben
-althans bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze
-klinkende munt, onze overredingskracht en goede woorden, als
-<span class="ex">man tegen man</span>, nergens veel konden
-uitrigten.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Natuurlijk niet; daartoe is
-noodig aanzien en magt, dat wil zeggen het <span class="ex">regt om te
-bevelen</span>. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke
-beschouwen,&mdash;zoo als met <span class="pagenum">[<a id="pb294"
-href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span>ons het geval is geweest,
-sedert wij te voet en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden
-waren gezonden, het land doorkruisten,&mdash;dan doen zij voor hem
-juist zoo veel als voor <span class="ex">hun gel&#307;ke</span>, maar
-ook niets meer. In de wildernis westwaarts van den Tandjoeng-Gnodos
-hadden <i>zij</i> niets te verrigten en om die reden hebben zij ook
-<i>ons</i> derwaarts niet willen begeleiden. In het meer beschaafde
-Europa is <span class="ex">geld</span> de drangreden welke individuen
-noopt, <span class="ex">meer</span> voor anderen dan voor zich zelven
-en zijn gelijke te doen; maar welke waarde kan geld toch wel hebben
-hier in het binnenste van Java, in het oog van den eenvoudigen
-bergbewoner die bijna al zijne behoeften <span class="ex">zonder</span>
-geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer waard. Hoe gastvrij zij ons
-ook overal ontvingen, wij hadden echter voortdurend met Soesah soesah
-te kampen, en het is u bekend dat wij ons doel of slechts ter
-naauwernood, of in het geheel niet hebben kunnen bereiken.&mdash;Maar
-welk eene uitwerking had niet dezen morgen de verschijning van den
-Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet op den grond en een
-geheel leger Koeli&rsquo;s stond op zijne wenken te wachten! Wat repten
-deze Koeli&rsquo;s zich met armen en beenen, wat waren zij eensklaps
-behendig en vlug geworden!&mdash;en toch waren het dezelfde menschen
-die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede woorden
-van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden van den
-grond waarop zij zich hadden nedergevleid.&mdash;En gedraagt het
-distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor
-eenige dagen,&mdash;is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent
-gerezen, <span class="ex">sedert h&#307; weet</span> dat wij van
-regeringswege alle ondersteuning welke wij verlangen, op reis bekomen
-<span class="ex">kunnen</span> en dat wij op een vriendschappelijken
-voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hetgeen gij daar zegt, is
-slechts al te waar. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb295" href=
-"#pb295" name="pb295">295</a>]</span>het doet mij leed, te moeten zien
-dat onder een volk hetwelk zulk een voortreffelijken aanleg bezit, zulk
-een slaafsche geest heerscht, dat steeds <span class=
-"ex">bevelen</span> van hooger hand volstrekt vereischt worden om den
-reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze bevelen
-met <span class="ex">blinde</span> gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het
-schijnt, dat de <span class="ex">despotieke</span> regeringsvorm der
-Javanen bij hen elken kiem van achting voor den mensch <span class=
-"ex">op zich zelven</span>&mdash;<span class="ex">als
-mensch</span>&mdash;in zijne ontwikkeling heeft verstikt.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Er ligt veel waars in
-hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar toch <span class=
-"ex">hapert</span> er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om
-<span class="ex">volkomen</span> waar en overeenkomstig de natuur te
-zijn. Was het gedrag der Javanen jegens ons niet altijd beleefd? Hebben
-zij ons ooit met minachting behandeld?&mdash;Ja, ik vraag het u, zouden
-wij bij de Christenboeren in Holland wel zoo <span class=
-"ex">gastvr&#307;</span> zijn ontvangen geworden, als hier bij deze
-zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde blanke
-menschen ontmoetten, het geval is geweest?&mdash;Het schijnt u te
-hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich omgeeft
-met aanzien en aardsche pracht, die als <span class="ex">despoot</span>
-optreedt, zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter
-uit het oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran
-laten beheerschen die nog veel minder achting verdient,
-namelijk:&mdash;<i>geld</i>. Wat mij betreft, ik verklaar u openhartig
-en ik kom er rond voor uit dat, indien mij ter eeniger tijd geen uitweg
-mogt overblijven en ik tusschen <span class="ex">twee</span> dingen had
-te kiezen, namelijk, <i>of</i> een grooten geldzak als afgod moest
-aanbidden <i>of</i> een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt
-in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid&mdash;, in zulk een
-geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de
-Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span>toen
-hun hoofd te Oegoed aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem
-voldoende was om tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen
-vollen geldbuidel niet hadden kunnen bewerken.</p>
-<p class="par">De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is
-gevorderd, om menschelijke eigenschappen&mdash;als zieleadel, hooge
-deugd, scherp verstand, diepe wetenschappelijke kennis&mdash;in
-<span class="ex">absoluten</span> zin, om en op zich zelven, te
-schatten, meet de waarde der menschen af naar de wijze waarop zij zich
-uiterlijk aan hem voor doen, naar den rang welken zij in de
-maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook bij onze landslieden in
-Europa de uiterlijke rang van een individu en zijne kleeding of de
-uiterlijke eereteekenen welke hij draagt, althans de <span class=
-"ex">eerste</span> en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt
-beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens
-gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed
-uitoefenen, die hem allen <span class="ex">onderwerping</span>,
-<span class="ex">geduld</span>, <span class="ex">gehoorzaamheid</span>
-luide verkondigen?&mdash;Kan hij de donderende vulkanen die hunnen
-vuurgloed over zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust
-weder te keeren, of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne
-voeten trilt en beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem
-mogelijk den gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem
-nederschiet, of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die,
-tuk op roof, des nachts rondom zijne stallen sluipen?&mdash;Is zijne
-bijl of zijn hakmes in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang
-te houden, die zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf
-zamenvoegt?&mdash;En strekt deze zelfde allerrijkste plantengroei, op
-dezen vruchtbaarsten aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst
-gemakkelijk middel om al zijne behoeften overvloediglijk te
-bevredigen?&mdash;Moet de nog onbeschaafde mensch <span class=
-"pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span>die
-te midden van <span class="ex">zulk eene</span> vruchtbare natuur
-geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks
-aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem
-uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer
-noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen
-tot <span class="ex">traagheid en zinnel&#307;kheid</span>? ja, zou
-voor een dergelijk volk, zoo lang het nog op den eersten trap van
-ontwikkeling staat, een <span class="ex">despotieke</span>
-regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden?</p>
-<p class="par">Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden
-dat het verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger
-is, hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat
-de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren, maar
-<span class="ex">geregeerd moeten worden</span>. Al hetgeen de Javaan
-van der jeugd af ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan
-zijne blikken voor als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat
-onderwerping hem ten gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste
-bevrediging voor zijn gemoed: in het <span class=
-"ex">gehoorzamen</span> aan billijke bevelen; het is hem een lust een
-hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden zijns gevolgs
-te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot: deel te nemen in de
-vreugde, in den feestmaaltijd zijns <span class="ex">heerschers</span>,
-terwijl de muziek des Gam&#277;lan we&ecirc;rklinkt, die immers de
-Koeli even zoo goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als
-de Groote des lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke
-mate grootere tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger
-gehoorzamen en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang
-zij aan zich zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding
-stonden, op grond van <span class="ex">denzelfden</span> karaktertrek
-welke de geringen gedwee maakte, steeds <span class="ex">zeer
-slecht</span>, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam
-<span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name=
-"pb298">298</a>]</span>geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan
-het u stellig geen spijt inboezemen dat de teugels der regering in
-Europesche handen gelegd zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat,
-sedert het Nederlandsche gouvernement over Java regeert, de bewoners
-niet slechts aanmerkelijk in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet
-alleen het land&mdash;de middelen van vervoer en van gemeenschap, de
-binnenlandsche handel, de nijverheid, de administratieve inrigtingen
-van allerlei aard en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den
-grond&mdash;tot zulk een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de
-toestand waarin Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan
-uitstaan met dien waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel
-ander tropisch land zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven
-leeren inzien dat insgelijks de Javaan, sedert <i>wij</i> hem naar
-billijke <span class="ex">wetten</span> regeren, sedert zijne
-persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd, veel <span class=
-"ex">gelukkiger</span> en meer welvarend is dan vroeger, en zulks
-vooral dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken:
-<span class="ex">de bevelen regtstreeks van z&#307;ne eigene hoofden te
-ontvangen</span>.</p>
-<p class="par">Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een
-<span class="ex">koff&#307;tuin</span> binnen gereden.&mdash;De
-koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor als een helder groene
-strook of gordel tegen den donkeren achtergrond der oorspronkelijke
-wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele lichtkleurige plek meer
-wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt men slechts de
-<span class="ex">Dadapboomen</span> (Erythrina indica) welke in den
-koffijtuin zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof
-veel lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd.
-De koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende
-rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen,
-blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als
-<span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" name=
-"pb299">299</a>]</span>eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig
-geplaatste en afwaarts hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje
-heeft den vorm eener spits toeloopende piramide en het eene staat zoo
-digt bij het andere, dat het daar tusschen aangelegde pad ter
-wederzijde ingesloten schijnt door een groenen, 7 &agrave; 10 voet
-hoogen wand. In dezen koffijtuin&mdash;een eigenlijk koffij<span class=
-"ex">bosch</span>&mdash;was alles vol leven en beweging. Honderden van
-Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den grond
-tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal keken
-vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden
-Mandor&rsquo;s en Loerah&rsquo;s, wier pligt het was het volk vlijtig
-aan den arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons
-distriktshoofd verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om
-van tijd tot tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen.
-Breede, goed onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg
-doorsnijdende welken wij bereden, openden van tijd tot tijd een
-vergezigt op Bamboeshuizen uit wier geveltop een kronkelende rookzuil
-opsteeg, of op een kleinen Pasanggrahan, of P&#277;ndopo&rsquo;s en
-droogschuren, voor welke effen gemaakte terrassen zich uitstrekten. Al
-hetgeen wij hier zagen, ademde orde, welstand, vrolijkheid en nuttige
-bedrijvigheid.</p>
-<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Zeg eens, broeder, wat zou
-er wel van dezen schoonen koffijtuin worden die, naar de berekening van
-het distriktshoofd, 350000 afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de
-Javanen wier naarstigheid hem thans in stand houdt, <span class=
-"ex">aan zich zelven werden overgelaten</span>&gt;?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Ik vrees dat hij weldra
-in het lot zou deelen der koffijstruiken die binnen de haag van het
-dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen, dat hij verlaten zou
-worden, dat hij zou verwilderen!</p>
-<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Ha ha! Gij hebt u derhalve
-reeds overtuigd van deze <span class="pagenum">[<a id="pb300" href=
-"#pb300" name="pb300">300</a>]</span><span class=
-"ex">natuurwaarheid</span>, die inderdaad niet overeenkomt met de
-theori&euml;n van menigen voorstander van hervormingen. Waarlijk, ik
-verheug mij daar over.&mdash;Indien het mogt gebeuren dat de arbeid in
-het binnenland van dit gedeelte van Java werd vrijgelaten, dan maak ik
-mij sterk om al de koffij, die dan nog binnen <span class="ex">een
-jaar</span> tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden, op eene
-behoorlijke manier gezet, binnen <span class="ex">drie dagen</span>
-geheel alleen te verbruiken.</p>
-<p class="par">Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was
-oorzaak dat wij ons in den zadel omwendden,&mdash;daar zagen wij dat de
-Raden distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde
-van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen
-bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had
-zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens
-aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen&mdash;en zoo
-voorts, totdat eindelijk de <span class="ex">gansche</span>
-ruiterschaar even luid medelachte, zonder eigenlijk te weten waarom
-<i>hij</i> lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de paarden onwillekeurig
-medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond de goede Raden een
-weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke ik mijn broeder had
-toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl hij nog steeds den buik
-vasthield van &rsquo;t lagchen, stamelde hij eindelijk (onder het maken
-van vele verontschuldigingen wegens zijne onbescheidenheid) de volgende
-woorden: &bdquo;Betoel Toean! betoel sakali! Orang kitjil trada soeka
-kerdja,&mdash;trada maoe bekin bresih kopi, kapan trada soedah jang
-dapat printah; ter lebi jang soeka tinggal di roemah, dan majin sama
-dija poenja parampoean, tidoran di atas bal&eacute;
-bal&eacute;,&mdash;pidjit, pidjit, enak!&rdquo; (Het is waar, mijnheer!
-&rsquo;t is volkomen waar! De geringe man houdt niet van
-arbeiden,&mdash;wil de koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet
-is bevolen geworden; hij <span class="pagenum">[<a id="pb301" href=
-"#pb301" name="pb301">301</a>]</span>blijft veel liever te huis om zich
-met zijne vrouw te vermaken, gemakkelijk op de Bal&eacute; bal&eacute;
-te liggen, zich te laten strijken, kneden,<a class="noteref" id=
-"xd21e6318src" href="#xd21e6318" name="xd21e6318src">29</a>
-lekker!)</p>
-<p class="par">Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en
-zagen ons omringd door de donkere schaduwen van het hoogstammige,
-oorspronkelijke woud dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller,
-moeijelijker te berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij
-bevonden ons nu ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den
-spiegel der zee. De laatste sporen van menschelijk verkeer en
-menschelijke bedrijvigheid waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen
-en ter naauwernood verried nog hier en daar een voetstap, welke in den
-weeken, leemachtigen woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan,
-met het doel welligt om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij
-zetteden onzen togt voort over smalle paden gebaand door <span class=
-"ex">rhinocerossen en wilde stieren</span>, door een maagdelijk woud
-dat nog nimmer door de vernielende bijl was geschonden en ons wijd en
-zijd omgaf. Hoewel het gebergte hier geene vlakte vormt, maar
-doorsneden is met kloven en dalen wier wanden en hellingen menigwerf
-zeer steil zijn, waar tusschen meer of minder breede, deels vlakke,
-deels zeer oneffene bergruggen liggen, heeft het hier echter op
-dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote uitgestrektheid; dit
-gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte van verscheidene
-dagreizen heeft, is <span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302"
-name="pb302">302</a>]</span>alom bedekt met oorspronkelijke wouden
-waarin slechts wilde dieren huizen.</p>
-<p class="par">De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van
-de rijstteelt leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer
-hoog gelegene bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang
-voortbrengende heete <span class="ex">laagland</span> hem de vereischte
-ruimte verschaft tot verdere uitbreiding van den landbouw door hem
-beoefend.</p>
-<p class="par">Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en
-Podocarpussoorten, dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op
-andere plaatsen uit Laurine&euml;n, waar tusschen echter allerwege eene
-groote menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki
-t&#277;rong (Fagraea lanceolata)-, B&#277;ngang (Thespesia altissima)-,
-Palaglar (Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en
-andere soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige
-stammen van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven
-onze hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden,
-waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een hoogen
-koepel dof we&ecirc;rgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke
-beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt, waar
-tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchide&euml;n in het
-oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen tak met
-den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam, strekten zich
-menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom tot den anderen uit
-en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als reusachtige touwen van
-de hoogste toppen der boomen tot op den grond, waar sierlijk gevinde
-boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over het digt ineengegroeide
-kreupelhout. Hier en daar verhief zich de slanke stam van een
-Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje van den bodem, hoe
-gering ook, was <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303"
-name="pb303">303</a>]</span>onbedekt; ja, digt aan den rand der kloven
-stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en vormden
-aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand heen
-reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken boom
-een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren
-(Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke eene
-lengte hebben van 3 &agrave; 4 voet en in den vorm van een rad of roos
-zijn geplaatst,&mdash;dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den
-afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en
-herwaarts geschommeld.</p>
-<p class="par">Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd
-uitgestrekte woud heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister
-hetwelk onder het loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke
-gemoed een diepen indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen
-zonnestraal drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater
-onzer vrolijke karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin
-wij ons bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner
-onbewust was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg
-bragt. In diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk
-geruisch, elk gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het
-woud we&ecirc;rgalmde het schallend geluid van den koekoek (Cuculus
-chalcites) welke zich van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe,
-koerende bastoon der groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der
-spechten die tegen de boomstammen opliepen,&mdash;somtijds ook het
-gefluit van een Soerili-aap (Semnopithecus mitratus) die zich bij onze
-nadering snel tusschen het loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak)
-en wilde stieren (Banteng) hoorden wij niets en zagen slechts het spoor
-dat zij in den weeken bodem hadden achtergelaten, en de groote
-eekhoorntjes (Sciurus <span class="pagenum">[<a id="pb304" href=
-"#pb304" name="pb304">304</a>]</span>bicolor) die over de takken
-rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen een ligt geritsel in
-het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten sprong van den eenen tak
-op den anderen gemaakt hadden.&mdash;Een paar malen verschrikte ons een
-dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het diepste van den gorgel eens
-roofdiers scheen voort te komen en hol we&ecirc;rgalmde door het woud;
-de paarden stapten echter rustig voort, want zij schenen den klank te
-kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige zwarte aap <span class=
-"ex">Loetoeng</span> (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden, de
-plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt.</p>
-<p class="par">Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te
-doorklauteren, waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken
-afstand vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren
-bodem stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het
-gedruisch der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat
-wij aan den rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der
-wateren verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen
-om ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs
-den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan
-trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed en
-over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter die niet
-had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het paard
-heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in den
-zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende, door
-den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond, ging
-dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond dan
-nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam, want het
-liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of over de
-<span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name=
-"pb305">305</a>]</span>gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter
-en al in het koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na
-den anderen, den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de
-paarden bij den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na
-den anderen tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen
-zoowel als paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine
-springbloedzuigers, Padj&#277;t (Hirudo zeylanica), die in deze hoog
-gelegene wouden, vooral op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van
-beken, bij millioenen werden gevonden. Zij springen van het eene blad
-op het andere en kunnen zich in &eacute;&eacute;nen zet op een afstand
-van eenige voeten vrij door de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene
-lengte van een halven tot een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun
-zijn als een draad, zoo kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der
-kousen en zuigen zich in een oogenblik vast aan de voeten, aan den
-hals, aan de armen, waar zij eindelijk ter dikte van een pink
-opzwellen, indien zij niet van het ligchaam worden
-verwijderd.&mdash;Zoodra wij dan weder eene drooge plaats in het woud
-hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons allereerste werk om
-elkander wederkeerig rondom te bezien en van de lastige
-Padj&#277;t&rsquo;s te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene
-kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden.</p>
-<p class="par">Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het
-schemerduister van het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren
-voortgezet. Van tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix)
-zijne stem hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar
-eentoonig, doch niettemin liefelijk gezang terstond
-herkenden,&mdash;wijd en zijd we&ecirc;rklonk het dan onder het groene
-gewelf en verheugde het ons; maar wij waren vermoeid, onze paarden
-waren vermoeid, de hemel was bewolkt, het sombere weder vermeerderde
-nog de duisternis <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306"
-name="pb306">306</a>]</span>van het woud&mdash;&mdash;daar schemerde
-ons door het geboomte iets helders in het oog, de paarden begonnen te
-brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en versnelden den
-stap,&mdash;de boomen weken ter zijde, het woud opende zich en
-v&oacute;&oacute;r ons lag het spiegelende vlak van een fraai,
-uitgestrekt meer.</p>
-<p class="par">Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen
-togt een juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud
-rondom het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij
-bevonden ons aan den westelijken oever van de T&#277;laga-Nagnetap en
-ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van het
-aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere
-hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen den
-donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het de van
-Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders waren. Uit
-een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in het woud
-verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer in de
-breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een hoog en
-schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen zag men
-ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.&mdash;Welk een
-heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!&mdash;Een
-gezigt des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den
-spiegel des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en
-bloeijende oevers,&mdash;met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk
-verwijderd oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom
-die het omvat, beletten!&mdash;De hutten onzer broeders waren gebouwd
-op een schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in
-de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer
-zich nog verder scheen uit te <span class="pagenum">[<a id="pb307"
-href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span>strekken; want aan die zijde
-verloor het zich <span class="corr" id="xd21e6357" title=
-"Bron: geheimzinning">geheimzinnig</span> tusschen de sombere, met
-woudgeboomte bedekte oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich
-rotsen aan den oever of rezen er te midden van het meer boven het
-water, op welks spiegel hier en daar eene Fulica lugubris of een
-waterhoen (Gallinula-soorten) zich schommelden, terwijl op andere
-plaatsen hals en kop van den onder water gedoken slangenvogel (Plotus
-melanogaster) werden gezien.&mdash;Het geboomte van het woud dat zich
-overal reeds op een geringen afstand van den oever verhief, op menige
-plek in de onmiddellijke nabijheid er van oprees, bestond voornamelijk
-uit Podocarpussoorten (Ki bima-, Ki poetri- en Ki m&eacute;rakboomen),
-waar onder de prachtvolle, statige Kim&eacute;rak met fijne
-<span class="ex">naald</span>vormige bladeren (P. cupressina) het meest
-werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond.</p>
-<p class="par">Al onze begeleiders hadden zich op den grond
-nedergelegd. De paarden, hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend
-langs den oever en wij verzadigden onze blikken aan het heerlijke
-schouwspel dat dit schoone, vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten
-ze voornamelijk naar <span class="ex">die</span> streek waar&mdash;de
-<span class="ex">hutten</span> stonden. Naar het scheen, had men ons
-aldaar nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de
-Loetoeng&rsquo;s van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen
-en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen
-fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend
-over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend
-(Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel heeft.
-Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover gestelden
-oever zigtbaar,&mdash;wij zagen een vuurglans in verscheidene
-rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op
-de onzen werden gelost,&mdash;een donker voorwerp, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>als
-eene boot, verliet den oever, gleed over den spiegel van het meer naar
-ons toe,&mdash;het kwam nader, wij herkenden onze broeders - - -</p>
-<p class="par">Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar
-zijne eigene behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar
-de herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds
-vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen dit
-hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt <span class=
-"ex">gelukkig</span> waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons
-verheugden. Ook mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de
-mensch die zich in de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen
-bevindt, zich <span class="ex">inniger</span> verbonden gevoelt met den
-mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij in <span class=
-"ex">naauwer</span> betrekking tot hem staat dan in bevolkte
-steden.&mdash;Mijne broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen,
-door middel van daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met
-Bamboesbuizen, matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede
-waren zij overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons
-bevonden. Dewijl echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste
-Javanen die als roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee
-personen kon dragen, besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons
-vieren (met <span class="sc">Avondrood</span>) het nieuwerwetsche
-vaartuig, terwijl mijn broeder <span class="sc">Nacht</span>, in
-gezelschap van <span class="sc">Morgenrood</span> benevens de bij ons
-behoorende Javanen, zijn weg nam langs den oever van het meer, ten
-einde op die wijze de hutten te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij
-aldaar ten 12 ure aan en bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich
-regt comfortabel hadden ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid
-tusschen het geboomte en in de grootste (waaraan de eenigzins
-hoogdravende benaming van &bdquo;Pasanggrahan&rdquo; was gegeven) waren
-de bedienden juist bezig om de tafel te dekken. Mijn broeder
-<span class="sc">Nacht</span> <span class="pagenum">[<a id="pb309"
-href="#pb309" name="pb309">309</a>]</span>en ik sprongen eerst in het
-meer, om een bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld
-te volgen, dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De
-Javanen zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken,
-dewijl zij uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water,
-en uit dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in
-het laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal
-daags te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen
-(Boeaja), hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op
-<span class="ex">zulk</span> eene hoogte waarop dit meer gelegen is
-(4790 voet boven den spiegel der zee), ja, zelfs veel lager geene
-krokodillen meer gevonden worden.</p>
-<p class="par">Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij
-die gelegenheid nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren
-blijven zitten, ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel,
-ten einde ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch
-gebruik vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn
-meester, ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt,
-bestaande uit rijst, K&#277;ri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch,
-gebradene wilde eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons
-uitmuntend smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden
-wij het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen
-maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten, van
-waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning
-gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut,
-welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel
-zaten, kwamen de <span class="ex">Koeli&rsquo;s</span> reeds! aan met
-onze pakkaadje, die weldra geopend en in de voor ieder onzer
-afzonderlijk bestemde hutten werd gebragt. Nadat wij verzadigd
-<span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310" name=
-"pb310">310</a>]</span>waren en het overschot van onzen maaltijd weder
-aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte rijst,
-werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten (Tikar), die
-v&oacute;&oacute;r den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid;
-hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de
-overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar &rsquo;s lands
-gebruik bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten
-met de beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu
-insgelijks hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun
-als bord, de vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte
-Spaansche peper was hun geliefkoosde specerij.&mdash;In dit land der
-onbegrensde gastvrijheid en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van
-morgen zal baren, zou het hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der
-spijzen van een gehouden maaltijd voor zich of voor den volgenden dag
-te bewaren. De Adat vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de
-bedienden of Koeli&rsquo;s wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten,
-aan de honden (indien er zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het
-meer wordt gegeven.&mdash;Met genoegen beschouwden wij de bonte groepen
-Javanen die daar op den grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette
-spijzen nuttigden, schertsten en lachten,&mdash;vervolgens zich plat op
-den rug nedervleiden en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en
-insliepen.</p>
-<p class="par">Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven
-voorbeeld, begaven ons in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de
-met matrassen belegde Bal&eacute; bal&eacute;&rsquo;s die in het rond
-nevens de wanden waren geplaatst. Weldra hadden wij elkander wederzijds
-onze ontmoetingen medegedeeld en kreeg het gesprek eene andere wending,
-hetwelk nu over <span class="ex">godsdienstige onderwerpen</span> werd
-gevoerd. Mijne broeders <span class="sc">Avondrood</span> en
-<span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" name=
-"pb311">311</a>]</span><span class="sc">Morgenrood</span> schonken,
-algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat ten doel had,
-de invoering van het Christendom op Java <span class="ex">op grond van
-degel&#307;ke bew&#307;zen</span> te bestrijden; maar deze bewijzen
-benevens het stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in
-plaats van het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen,
-wenschten zij nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de
-doelmatigheid onzer pogingen te kunnen beoordeelen.&mdash;Ik begaf mij
-derhalve naar mijne hut, haalde het handschrift en las mijne broeders
-de 25 hoofdstellingen voor der &bdquo;natuurlijke godsdienst en
-zedeleer,&rdquo; zoo als ik die vroeger het eerst in onze taal had te
-boek gesteld. (De Maleische overzetting was later bearbeid geworden en
-bevatte slechts een kort overzigt er van.)&mdash;Aan menige stelling
-viel de onverdeelde bijval mijner broeders ten deel; op het hooren van
-anderen schudden zij het hoofd of gaven hun ongeduld op de eene of
-andere wijze te kennen. Toen ik ge&euml;indigd had, heerschte er
-gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte welke door
-<span class="sc">Avondrood</span> met de navolgende woorden werd
-afgebroken.</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Lieve broeder! Uw
-streven: het bijgeloof met redelijke bewijzen te bestrijden en
-tegenover de dwalingen natuurwaarheden te stellen, mag lofwaardig
-worden genoemd. Het is het eenige middel om den weg te banen ter
-invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst en om Java te
-behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er aan willen
-berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij in de plaats van
-het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te zien, kan mede niet
-anders zijn dan een <span class="ex">overgangs</span>maatregel en in
-zoo verre&mdash;als een <span class="ex">overgangs</span>toestand
-daardoor wordt te weeg gebragt&mdash;wel is waar nuttig, echter niet
-bestendig van duur zijn, dewijl zij niet de <i>volkomene</i> waarheid
-bevat. <span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name=
-"pb312">312</a>]</span></p>
-<p class="par">Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen
-verklaren, toen eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep
-rollend geluid &rsquo;t welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat
-het tijdstip van den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp
-verzadigde hoogere luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen.
-Terstond daarop vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote
-vallende droppelen, dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van
-den regen welke zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde.
-Onze bedienden snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles
-zorgvuldig gesloten was en werden later weggezonden met het
-uitdrukkelijke bevel, dat zij tegen het invallen der schemering (na 6
-ure) ons avondeten gereed moesten maken, doch zich overigens tot dien
-tijd van alle zorg voor ons ontslagen konden rekenen, indien zij niet
-geroepen werden. De gevolgen van een onwe&ecirc;rsregen in het gebergte
-kenden wij te goed, dan dat wij ons niet geluk wenschten:
-v&oacute;&oacute;r het invallen er van onder dak te zijn
-gekomen.&mdash;Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger
-gelegene, bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke,
-westelijke gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij
-v&oacute;&oacute;r twee ure, en kan het zijn v&oacute;&oacute;r een ure
-des middags ter bestemder plaatse zijn aangekomen. In het binnenland
-van Java bestaat weinig onderscheid tusschen den droogen en den
-regenachtigen moesson. Des nachts en gedurende den voormiddag is de
-hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1 en 3 ure echter begint het in
-&rsquo;t gebergte bijna dagelijks te regenen, onverschillig in welk
-jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem opgelost en
-herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot over de enkels
-inzinkt,&mdash;een troebel, modderachtig water stroomt den reiziger van
-alle zijden der berghellingen te gemoet,&mdash;de tot stroomen
-opgezwollene beken kan men niet <span class="pagenum">[<a id="pb313"
-href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span>meer doorwaden en de bliksem
-die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van het
-geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is waar,
-dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen van den
-nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt, zoo niet
-geheel en al afgebroken.</p>
-<p class="par">Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte
-drooge hut zoo vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is
-waar, het scheen dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van
-de streek waar wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een
-fijne regen zoo gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er
-van konden rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des
-dampkrings (welke 65&deg; Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om
-naar buiten te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere
-ondernemingen voor heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze
-hut blijven en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent
-onze <span class="ex">godsdienstige beschouwingen</span>.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Avondrood</span> werd nu andermaal
-uitgenoodigd om zich nader te verklaren nopens den vroeger door hem
-geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te kennen dat hij dit, naar zijn
-oordeel, het best zou kunnen doen door ons een geschrift voor te lezen,
-waarin hij zijne wijze van beschouwen had uiteen gezet; uithoofde dit
-handschrift echter tamelijk uitgebreid was, durfde hij&mdash;zonder
-vooraf verkregene toestemming daartoe&mdash;met de lezing er van geen
-begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons geduld daardoor op eene
-te sterke proef te zullen stellen.</p>
-<p class="par">Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend
-waren zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende
-geloofsbekentenis voorlas, welke hij de <span class=
-"ex">z&#307;ne</span> noemde. <span class="pagenum">[<a id="pb314"
-href="#pb314" name="pb314">314</a>]</span></p>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4657" href="#xd21e4657src" name="xd21e4657">1</a></span> Gelijk
-de lezer zich zal herinneren, waren wij vier dagen geleden, des avonds
-te Gnoerag aangekomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e4657src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4670" href="#xd21e4670src" name="xd21e4670">2</a></span> Orang el
-Meseh, d. i. Messiasmensch; zoo worden in den Indischen archipel de
-Christenen insgelijks genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e4670src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4680" href="#xd21e4680src" name="xd21e4680">3</a></span> Ik wasch
-mijne handen in onschuld: het is mijne bedoeling niet om <span class=
-"ex">dezen</span> te krenken.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e4680src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4740" href="#xd21e4740src" name="xd21e4740">4</a></span> Raden
-wordt gewoonlijk vertaald door <span class="ex">Prins</span>, welk
-woord echter beter overeenkomt met het Javasche Pang&eacute;ran,
-terwijl Raden de titel van een lageren rang is, ongeveer overeenkomende
-met ons Baron.&mdash;Kapala: hoofd. Tjoetak: distrikt. De voorafgaande
-woorden zijn de eigennaam van het distriktshoofd.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e4740src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4764" href="#xd21e4764src" name="xd21e4764">5</a></span> Mijn
-naam Dag, of korter Dak, spraken de Javanen vrij juist uit; het scheen
-hun echter niet mogelijk te zijn de <i>ch</i> uit te brengen, want in
-plaats van Nacht, zeiden zij steeds <span class=
-"ex">Nat</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e4764src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5059" href="#xd21e5059src" name="xd21e5059">6</a></span> Zie
-bladzijde <a href="#pb155" class="pageref">155</a>.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e5059src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5086" href="#xd21e5086src" name="xd21e5086">7</a></span> De
-voornaamste dagbladen des lands schamen zich niet mededeelingen te
-doen, betrekkelijk dergelijke predikatien, zoo als b. v. van &bdquo;het
-plegtig lof van den nieuwen, allerprachtigsten mantel van onze lieve
-vrouwe van den Bosch, met eene welsprekende openingsrede over de
-vereering van de Moeder Gods, gehouden door den zeer Eerwaarden Pater
-Coemans, superior der Liguoristen te &rsquo;s Hertogenbosch, op den 30
-April 1854. (Zie <i>Nieuwe Rotterdamsche Courant</i>, 2 Mei,
-1854.)&mdash;Mag dat niet <span class="ex"><i>echt</i></span> heidensch
-genoemd worden, is dat geen afgoden-, geen
-fetischdienst?&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5086src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5218" href="#xd21e5218src" name="xd21e5218">8</a></span> Het loon
-van een Koeli is van regeringswege vastgesteld; het bedraagt 2&frac12;
-centen per paal en daar 3 palen op een uur gerekend worden, hadden wij
-slechts 7&frac12; centen per uur behoeven te betalen, maar gaven steeds
-iets meer, vooral in het gebergte waar de afstand van de eene plaats
-tot de andere niet door middel van palen wordt
-aangewezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5218src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5274" href="#xd21e5274src" name="xd21e5274">9</a></span> Elke zak
-bevat 25 gulden aan enkele centen, en wordt uit dunne strooken van
-lange palmbladeren gevlochten; zeer dikwerf bedient men zich tot dat
-einde van den bast, Tapas, der Kokospalmen, die zich bevindt tusschen
-den stam en de bladscheden.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5274src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5277" href="#xd21e5277src" name="xd21e5277">10</a></span> Desa
-beteekent in de Javasche en in de Soendasche taal hetzelfde als Kampong
-in het Maleisch, namelijk, dorp.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5277src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5280" href="#xd21e5280src" name="xd21e5280">11</a></span> Warong,
-een Javasche eetwinkel, bestaat uit eene opene van Bamboes vervaardigde
-kraam, waarin tafels en banken zijn geplaatst, alwaar&mdash;in elk dorp
-en gedurende den ganschen dag&mdash;<span class="ex">alles</span>
-gevonden wordt, hetgeen de Javaan tot leeftogt als anderzins behoeft,
-voornamelijk rijst, gedroogde visch, gedroogde smalle strooken vleesch
-(Dendeng), zout, Spaansche peper, allerlei vruchten, zoomede fijn
-gesnedene tabak, benevens daaruit vervaardigde, in bladeren gewikkelde
-cigaren; wijders palmwijn (Toeak), dikwerf ook koffij en Chinesche
-thee, welriekende bloemen, rijst- en honiggebak, enz., enz. De Javaan
-staat op <span class="sc">HOOGEREN TRAP</span> van beschaving dan de
-Europe&euml;r, indien de inrigting zijner Warong&rsquo;s, vergeleken
-met de restaurati&euml;n des laatstgenoemden, daarbij tot maatstaf
-wordt genomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5280src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5421" href="#xd21e5421src" name="xd21e5421">12</a></span> Deze
-waaijerpalmen worden, ter plaatse waar zij in het wild groeijen, steeds
-op <span class="ex">zekeren</span> afstand van de kust aangetroffen:
-zij overschrijden den afstand van hoogstens drie palen landwaarts in
-van de zee gerekend <span class="ex">niet</span>, ten gevolge waarvan
-deze wouden (die bovendien een droogen en rijzenden bodem verlangen)
-zich altijd in den vorm eener strook uitbreiden.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e5421src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5454" href="#xd21e5454src" name="xd21e5454">13</a></span> Ieder
-Javaan weet bij ervaring dat koningstijgers en paauwen in de wildernis
-onafscheidbaar zijn, weinigen echter zijn in staat de reden er van op
-te geven.&mdash;Het volgende voorbeeld moge ten bewijze strekken, hoe
-innig de band is welke twee zoo geheel verschillende diersoorten, als
-tijgers en paauwen zijn, za&acirc;mverbindt. Bekend is het dat de
-tijger zich bij voorkeur ophoudt in de <span class="ex">heete
-laaglanden</span>; de paauw insgelijks. Op Java echter wordt een
-gebergte gevonden dat, ter hoogte van 9000 voet boven den spiegel der
-zee, den vorm heeft eener hoogvlakte, met uitmuntend voedergras is
-begroeid en (uit dien hoofde) door eene <span class=
-"ex">talr&#307;ke</span>, ja, over talrijke menigte herten is bewoond.
-Niettegenstaande het <span class="ex">koude</span> klimaat dat op deze
-hoogte heerscht, wordt&mdash;als uitzondering op den
-regel&mdash;insgelijks de koningstijger zeer dikwerf aangetroffen op
-dit plateau (waar hij zich zoo gemakkelijk eene prooi kan verschaffen)
-en&mdash;steeds ziet men <span class="ex">paauwen</span> van de eene
-boomgroep naar de andere vliegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5454src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5493" href="#xd21e5493src" name="xd21e5493">14</a></span> Elk
-dorp op Java, uitgezonderd die van de kleinste soort, bevat tevens eene
-vierkante grasplek, Aloen aloen geheeten, te midden waarvan gewoonlijk
-een <span class="corr" id="xd21e5495" title=
-"Bron: Weringinboom">W&#277;ringinboom</span> is geplant, welks breed
-uitgebreid en boogsgewijs afhangend loof een aangenamen lommer geeft.
-Rondom dit opene plein staan, tusschen geboomte verscholen, de
-voornaamste woningen, als die der hoofden, enz.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e5493src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5572" href="#xd21e5572src" name="xd21e5572">15</a></span> Voor
-onze landslieden in Holland nog immer eene ware verschroeijende
-hitte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5572src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5602" href="#xd21e5602src" name="xd21e5602">16</a></span> In de
-pan gebraden leveren zij den Javanen, zelfs onder de hoogere standen,
-eene zeer smakelijke toespijs op bij hunnen
-rijstschotel.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5602src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5675" href="#xd21e5675src" name="xd21e5675">17</a></span> Zoo
-wordt het extract van opium genoemd, hetwelk de dikte van gewone siroop
-heeft en gebezigd wordt om de fijn gesnedene tabaksbladeren mede te
-doorweeken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5675src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5741" href="#xd21e5741src" name="xd21e5741">18</a></span> Slechts
-weinige boomen der tropische kustflora, die in den eigenlijken zin des
-woords behooren tot het zeestrand, bereiken eene dergelijke hoogte.
-Even als de boomen welke gevonden worden aan de tegenovergestelde
-grenzen van het plantenrijk, op de hoogste bergtoppen, zijn zij
-meerendeels dwergachtig klein, in vergelijking van de 100 &agrave; 150
-voet hoog groeijende woudreuzen, die in het binnenland tot op eene
-tamelijke hoogte boven den spiegel der zee aangetroffen
-worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5741src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5764" href="#xd21e5764src" name="xd21e5764">19</a></span> De
-Javasche krokodil (Boeaja, door de Europe&euml;rs ten onregte Kaiman
-geheeten) wordt aan de zuider kust in alle kleine beken, in de
-nabijheid harer mondingen welke gewoonlijk diep zijn, aangetroffen en
-zwemt door de zee of kruipt langs het strand van de eene riviermonding
-naar de andere.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5764src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5780" href="#xd21e5780src" name="xd21e5780">20</a></span>
-G&ograve;lok: een korte, zeer zware dikke sabel, welken de Javanen als
-bijl en als hakmes gebruiken.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5780src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5790" href="#xd21e5790src" name="xd21e5790">21</a></span> Het is
-eene bekende zaak, dat er schildpadden zijn gevangen, die bijna acht
-centenaars wogen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5790src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5887" href="#xd21e5887src" name="xd21e5887">22</a></span> Een
-roofdier (Paradoxurus Musanga) dat, even als de Europesche vos, ook
-vruchten niet versmaadt en vooral verlekkerd is op rijpe
-koffijbessen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5887src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5933" href="#xd21e5933src" name="xd21e5933">23</a></span>
-Angklong, dat is, een houten raam of gestel, waarin verscheidene nevens
-elkander geplaatste Bamboesbuizen staan, wier boveneinde schuin is
-afgesneden en die op de wijze van orgelpijpen trapsgewijs kleiner
-worden. Door deze buizen of pijpen gaan houten staven, door middel
-waarvan het bovenste gedeelte van het raam met het benedengedeelte in
-verbinding is gebragt; deze staven brengen door het aanslaan in de veel
-wijdere buizen de toonen voort, indien het raam dat met beide handen
-wordt vastgehouden, op de maat ginds en herwaarts wordt
-bewogen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5933src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5936" href="#xd21e5936src" name="xd21e5936">24</a></span> Loerah,
-hetgeen in andere streken wordt genoemd Patingi, enz., beteekent
-dorpshoofd, plaatselijke overheid, zooveel als burgemeester in
-Holland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5936src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5946" href="#xd21e5946src" name="xd21e5946">25</a></span> Sarong:
-kleedingstuk, dat in Indi&euml; personen van beiderlei kunne algemeen
-bezigen en gewoonlijk het <span class="ex">eenige</span> is, dat
-gedragen wordt; het reikt van de heup tot aan de voeten en wordt, daar
-het zeer wijd is, in vele plooijen gevouwen. Alleen de hoofden dragen
-onder den Sarong eene lange broek, hetgeen insgelijks door de Javanen
-van lageren rang bij plegtige gelegenheden wordt
-nagevolgd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5946src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5954" href="#xd21e5954src" name="xd21e5954">26</a></span> Kris:
-het onafscheidelijk wapen van elken Javaan die niet doodarm is, een
-lange, tweesnijdende dolk met een zeer groot handvatsel, dat een
-eigenaardigen vorm heeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5954src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5962" href="#xd21e5962src" name="xd21e5962">27</a></span> Ik
-geloof niet dat eene <span class="ex">tot in de geringste
-b&#307;zonderheden afdalende</span> beschrijving der
-bruiloftsfeestelijkheden bij de Javanen bijzonder nuttig of der moeite
-waardig zou mogen geacht worden, evenmin als <span class=
-"ex">uitvoerige</span> beschrijvingen van de gebruiken en
-ceremoni&euml;n welke bij de geboorte, besnijdenis, begrafenis, enz.,
-enz., worden in acht genomen. De ervaring toch heeft mij geleerd dat
-deze gebruiken&mdash;al komen zij algemeen genomen, wat de hoofdzaak
-betreft, overal vrij wel overeen,&mdash;in de bijzonderheden
-verschillen, niet alleen bij de drie groote, door hunne taal
-verschillende hoofdstammen op Java (bij de Soendanezen, Javanen en
-Madoerezen), en niet slechts bij de verschillende standen der
-maatschappij in elken stam, van den vorstelijken prins tot aan den
-geringsten Koeli, maar dat zij ook in de verschillende
-residenti&euml;n, distrikten en bewoonde plaatsen, van een en
-denzelfden stam (in de bijzonderheden der ceremoni&euml;n) onderling
-zeer van elkander afwijken.&mdash;Pendopo is een open huis dat op palen
-is gebouwd en wel een dak, maar geen muren of wanden
-heeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5962src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6080" href="#xd21e6080src" name="xd21e6080">28</a></span>
-<i>Soesah</i>: onrust, moeite, bezwaar, verdriet, hinderpaal,
-moeijelijkheid.&mdash;Sedert den oogenblik dat (op verlangen mijns
-broeders) de proef was genomen om alleen van <span class=
-"ex">vr&#307;willig</span> dienstbetoon der Javanen gebruik te maken,
-was geen enkele dag, ter naauwernood een uur verloopen waarop ons geene
-klaagliederen <i>Soesah soesah,&mdash;Soesah sakali!</i> van onze
-bedienden in de ooren hadden geklonken.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e6080src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6318" href="#xd21e6318src" name="xd21e6318">29</a></span> Pidjit
-is de benaming welke aan een mechanisch geneesmiddel, namelijk, aan de
-manipulatie wordt gegeven welke (gewoonlijk door eene vrouwenhand) op
-de volgende wijze geschiedt: het geheel ontkleede en uitgestrekte
-ligchaam wordt van de toppen der vingers en teenen tot aan het hoofd en
-terug, voornamelijk op de gewrichten en dikkere spieren, zacht
-gestreken, gekneed en gedrukt. Na sterke vermoeijenis en hevige
-spierbeweging, of verslapping ten gevolge van overmatige hitte, heeft
-dit Pidjiten iets zeer verkwikkends en herstelt het de verlorene
-krachten, maar wordt tevens menigwerf uitsluitend aangewend om de
-aangename gewaarwording die het te weeg brengt.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e6318src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<div id="avondrood" class="div1 preface"><span class=
-"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Was w&auml;r ein Gott der nur von Aussen
-stiesse,</p>
-<p class="line">Im Kreis das All am Finger laufen liesse?</p>
-<p class="line">Ihm ziemt&rsquo;s die Welt im Innern zu bewegen,</p>
-<p class="line">Natur in sich, sich in Natur zu hegen,</p>
-<p class="line">So dass, was in ihm lebt und webt und ist,</p>
-<p class="line">Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first xd21e203"><span class="sc">G&ouml;the.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">God is de bezielde <span class=
-"ex">natuur</span>.</p>
-<p class="par">De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de
-kracht van de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur,
-welken zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de
-natuur stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij &egrave;n de
-natuur &egrave;n zich zelven in den eigenlijken zin des woords
-God&rsquo;<span class="ex">loos</span>. Zij verlagen de schoone, overal
-levende en in millioenen polsen slaande natuur tot een geesteloos,
-mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode wetten blind gehoorzaamt en
-van buiten de kracht moet ontvangen, welke het drijft.&mdash;Voor mij
-zou de natuur al hare bekoorlijkheid verliezen, indien ik haar als zoo
-een werktuigelijk knoeiwerk moest beschouwen.&mdash;En wat maken de
-<span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315" name=
-"pb315">315</a>]</span>dualisten van hunnen <span class="ex">God</span>
-dien zij uit de natuur hebben verdreven?&mdash;een horologiemaker die
-het raderwerk heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar
-nederzit en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe
-alles gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.</p>
-<p class="par">Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden
-is, mag beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars,
-als een zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege
-zie, dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel
-zijn. Er is derhalve niets dan de <span class="ex">natuur</span>, welke
-alles is. Maar even als ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze
-hersenen tot ontwikkeling komt, zoo moet insgelijks de natuur, als
-geheel, eene ziel hebben, welke <span class="ex">algemeen</span>
-bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd eeuwig en
-onvergankelijk&mdash;beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte, de
-bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de
-wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden,
-geindividualiseerd,&mdash;<i>ge</i>bonden even als latente warmte. Deze
-verbinding is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot
-bijzondere gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk
-getrouw van de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische
-krachten, welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen
-behooren; zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats
-heeft, zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij
-zich uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij
-aanneemt,&mdash;in deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den
-kever, in het werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch),
-zoowel in de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten,
-soorten en individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den
-volkomen tot rijpheid <span class="pagenum">[<a id="pb316" href=
-"#pb316" name="pb316">316</a>]</span>opgewassen mensch; deze uiting
-staat in zulk eene bepaalde, als het ware aequivalente verhouding tot
-de bewerktuiging van elk afzonderlijk wezen (den vorm en chemische
-zamenstelling), dat het resultaat der ontwikkeling van het stille
-(passive) plantenleven tot aan het menschelijke bewustzijn, van de
-kunstdrift van het insekt tot aan den hoogsten trap van zedelijke
-ontwikkeling des menschen en tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen
-in wetenschap en kunst, niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van
-de onderscheidene en onder verschillende omstandigheden plaats
-grijpende zamenwerking van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en
-zeer grondige natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij
-kennen geen anderen God dan de <span class=
-"ex">natuurnoodzakel&#307;kheid</span>, geene andere krachten dan die
-welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen verbreide
-physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen eigenaardige
-chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof aan onweegbare
-stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene ziel als een
-verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen ongegrond
-<i>bij</i>geloof. <span class="ex">Maar</span>&mdash;tegen deze
-gevolgtrekking van zoogenaamde materialisten kunnen eenige gewigtige
-bedenkingen in het midden worden gebragt. Ik wil niet spreken van eene
-zedelijke wereldorde, van een zedelijk beginsel in den mensch, van den
-onuitputtelijken rijkdom en de kracht van gedachten welke zich in de
-kunsten en wetenschappen heeft geopenbaard,&mdash;ik wil niet spreken
-van de moeijelijkheid om den verbazenden rijkdom aan gestalten in de
-dieren- en plantenwereld, die echter voor elke soort niet alle organen
-welke het ligchaam heeft, met alle eigenschappen en aandriften die het
-dier bezit, onveranderd blijft,&mdash;of niet gewagen van de
-moeijelijkheid om de verscheidenheid der geslachten bij eene en
-dezelfde soort af te leiden uit de algemeen verbreide <span class=
-"pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" name=
-"pb317">317</a>]</span>natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte,
-electriciteit, magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en
-capillaire aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige
-chemische krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen,<a class=
-"noteref" id="xd21e6520src" href="#xd21e6520" name=
-"xd21e6520src">1</a>&mdash;ik wil slechts aan <span class=
-"ex">een</span> feit herinneren, aan het <span class=
-"ex">bewustz&#307;n</span> in den mensch, die van zijn aanwezen, van
-den toestand waarin hij zich bevindt en van zijne eigendommelijkheden
-duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft dat zijn
-oorsprong?&mdash;Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn, al is
-het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch geene
-physische of chemische kracht worden geheeten.</p>
-<p class="par">Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene
-kracht, geene stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof
-nieuw ontstaan kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet
-beschouwd worden als van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders
-dat geene grondstof in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante,
-waaronder zij zich voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide
-grondstoffen van het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de
-zamenstellingen welke zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten
-onophoudelijk afwisselende verbindingen aan; maar hare massa ziet zich
-met geen enkel atoom verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de
-krachten, zoowel de physische welke tot de stof in het algemeen, als de
-eigenaardige chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen
-en hunne verbindingen, onveranderlijk dezelfden.</p>
-<p class="par">Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit
-eene onweerswolk naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar
-slechts de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide <span class=
-"pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name=
-"pb318">318</a>]</span>(electrische) kracht, derhalve voortvloeit uit
-eene <span class="ex">reeds lang bestaande</span> bron, op gelijke
-wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene reeds
-bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn elken
-dag geheel nieuw&mdash;uit niets&mdash;in millioenen van menschen zich
-ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch den
-mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen, al
-zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling
-brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder
-dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen
-kan?&mdash;Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de
-zuur-, kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkali&euml;n,
-aardsoorten, enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde
-voedingsmiddelen bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer
-voortdurende stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet
-harer wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar
-eigenaardige, door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met
-elkander te verbinden, gehoorzamen en die <span class="ex">zonder te
-weten wat z&#307; doen</span>, bloed, beenderen, spieren, hersenen en
-andere deelen vormen,&mdash;zouden het deze krachten der elementen
-zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is ontstaan, plotseling
-beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou het bewustzijn kunnen
-voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid bezit en aan het kind,
-het schepsel, den mensch eene hoogere mate van volkomenheid eigen zijn
-dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem het aanzijn gaf; zou
-<i>hij</i> rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze slechts wetten
-en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos haren invloed doen
-gelden?&mdash;in deze natuur waarvan hij toch zoo geheel afhankelijk
-is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid ondervindt en
-<span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name=
-"pb319">319</a>]</span>de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan
-haar is verbonden?&mdash;Dat toch zou het grootste van alle wonderen
-zijn, waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!</p>
-<p class="par">Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede
-als met de wetten der natuur.&mdash;Het feit van het aanwezen van eene
-bewustheid in den mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn
-veronderstellen, eener <span class="ex">natuurziel</span>, die zich van
-gene stoffen en van de daarin aanwezige krachten slechts als middelen
-bedient om, naar eeuwig onveranderlijke wetten, in de plant als
-plantenziel, in het dier als dierenziel en in den mensch als
-menschenziel tot ontwikkeling te geraken.</p>
-<p class="par">Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit
-bewustzijn tot ons komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat
-ons denkvermogen met <span class="ex">stoffel&#307;ke krachten
-allengs</span> in ons ontwaakt; de loop der gansche zaak schijnt ons
-raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in het ei, het
-bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons het tijdstip
-niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste maal tot ons
-zeiden: &bdquo;<span class="ex">ik ben</span>;&rdquo;&mdash;thans zijn
-wij echter inderdaad en het bewustzijn is in ons
-ontwaakt&mdash;&mdash;; laat ons voor een oogenblik in eene nadere
-beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben niet,
-gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal een
-afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen, min
-of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd
-geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit
-de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die deze
-kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de
-natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen
-heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen,
-als het ware de wegen te leeren kennen, <span class="pagenum">[<a id=
-"pb320" href="#pb320" name="pb320">320</a>]</span>welke de
-electriciteit volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen,
-totdat de schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!&mdash;Zouden
-wij nu <span class="ex">daarom</span> niet aan het bestaan der ziel
-gelooven, dewijl voor ons kenvermogen de weg in duisternis is gehuld,
-langs welken zij in ons binnenste komt?</p>
-<p class="par">Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig,
-is tevens het eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God,
-dewijl alle andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het
-bewustzijn uitgaan en daarop steunen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik denk, derhalve ben ik.&rdquo; <span class=
-"ex">Ik ben: God is</span>.&mdash;Dit heet inderdaad: <i>ik</i> ben
-God, <i>gij</i> zijt God, <i>hij</i> is God; gindsch zachtaardig meisje
-hetwelk den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer
-als deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en
-hem van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te
-maken,&mdash;en de gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de
-arme geit welke hij heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen
-muil wegsnelt.&mdash;God is de (bezielde) natuur. Buiten haar is
-niets.</p>
-<p class="par">Uit deze leer volgt: <i>ten eerste</i> dat het
-voortbestaan der menschelijke ziel na den ligchamelijken dood slechts
-in zoo verre denkbaar is, als aangenomen mag worden dat de algemeene
-wereldziel alle eigenschappen, welke het deel zijn onzer
-ge&iuml;soleerde d. i. menschelijke ziel en waaronder <span class=
-"ex">herinneringsvermogen</span>, <span class="ex">geheugen</span>
-moeten gerangschikt worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad
-van volkomenheid bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God
-latent is (als het ware zich zelven niet meer kent), opgehouden
-he&eacute;ft te bestaan, moeten wij, hiernaar te oordeelen, wederom een
-integrerend deel der algemeene zielkracht (der Godziel) worden; maar de
-herinnering onzer bij deze ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in
-den toestand van het vrij zijn aan dien van het <span class=
-"pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name=
-"pb321">321</a>]</span>gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De
-menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding
-als vrije tot latente warmte.&mdash;Aan te nemen dat de menschelijke
-ziel ook na den ligchamelijken dood nog <span class=
-"ex">ge&iuml;soleerd</span>&mdash;als op zich zelve staande&mdash;zal
-blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven, dat elke
-afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is, terwijl toch
-slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit welke den
-bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is het
-mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk of
-individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat het
-ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materi&euml;le
-aanzijn overgegaan is, <span class="ex">noch vorm noch inhoud</span>
-meer bezit?&mdash;Slechts als algemeene geestelijke kracht is het
-bestaan der ziel denkbaar, dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen,
-wel is waar, veranderlijk en aan afwisseling onderhevig) als
-<span class="ex">geheel</span> beschouwd inderdaad vorm en inhoud
-heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke ziel
-daarentegen kan als <span class="ex">beperkt</span> wezen, als individu
-slechts zoo lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof
-blijft voortduren.&mdash;Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke
-zielen moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van
-elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich
-onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op dien
-voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het
-oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een
-tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig
-waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen
-van jaren had bestaan. <span class="ex">Slechts hetgeen nimmer een
-aanvang had</span>, dat kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen
-echter zijn slechts gedachten <span class="pagenum">[<a id="pb322"
-href="#pb322" name="pb322">322</a>]</span>Godes en kunnen
-all&eacute;&eacute;n in zijne herinnering voortleven.</p>
-<p class="par">Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk
-ligchaam twee koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke
-ligchamen bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden
-zijn, gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en
-Eng in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche
-gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des ligchaams
-aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van 22 jaren
-bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en verrigtingen
-des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen en de
-gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het ligchaam
-wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider brein. Hoe zal
-nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze <span class=
-"ex">afzonderl&#307;k</span> moeten voortleven?</p>
-<p class="par"><i>Ten tweede.</i> De mensch bezit geen vrijen wil,
-evenmin als de plant en het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij
-een vrijen wil bezit, wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt,
-<span class="ex">moet</span> zij zulks niet doen?&mdash;Weet de
-kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd, waaruit zij
-haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een regelmatig
-web spint, welks draden gedeeltelijk uit &eacute;&eacute;n punt
-uitloopen om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft
-het van haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin
-is?&mdash;spint zij daarentegen niet, dewijl zij door hare
-bewerktuiging, door eene zekere aandrift onwe&ecirc;rstaanbaar daartoe
-<span class="ex">gedwongen</span> is?&mdash;Is de hond vrij, wanneer
-hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw, waarom hij hond
-is? kan hij het veranderen&mdash;is de mensch in staat te veranderen
-dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte haren heeft? Heb
-ik het geringste tot mijn ontstaan <span class="pagenum">[<a id="pb323"
-href="#pb323" name="pb323">323</a>]</span>bijgedragen, ben ik niet
-geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal ik niet
-op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef, van de
-wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen, <span class=
-"ex">wanneer</span> deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal
-plaats grijpen?&mdash;Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben,
-terwijl ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet
-in Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat
-mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard
-van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb
-overge&euml;rfd van mijne moeder?&mdash;Weet ik waarom ik een afkeer
-gevoel voor wortelen en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik
-gaarne spinasie en bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al
-gedwongen? Hoe kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al
-hetgeen aan hem is, zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en
-<span class="ex">juist zoodanig als het is</span>, hem gegeven is
-geworden?&mdash;Slaat zijn hart niet naar werktuigelijke en
-natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en zoo vele malen in
-elke minuut <span class="ex">zonder z&#307;n
-toedoen</span>,&mdash;haalt hij niet, geheel onbemerkbaar, zoo en zoo
-vele keeren adem in elke minuut en moet hij dit niet doen, ten einde
-niet te stikken en op die wijze het leven te verliezen? <span class=
-"ex">Dwingt</span> de honger hem niet om voedsel tot zich te nemen,
-<span class="ex">noodzaakt</span> de dorst hem niet tot drinken,
-<span class="ex">dwingt</span> hem de wellust niet met kracht tot
-vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting het menschelijke
-geslacht in stand te houden),&mdash;<span class="ex">verpligt</span>
-hem niet een pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen
-(benevens andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te
-verwijderen&mdash;en <span class="ex">houdt</span> de vrees voor den
-dood hem niet terug van in het water te springen, dewijl hij in het
-leven blijven <span class="ex">moet</span>?&mdash;In dit alles ligt
-niets <span class="pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324" name=
-"pb324">324</a>]</span>vrijwilligs. Nu echter zegt men, &bdquo;de
-geest, de ziel is toch vrij!&rdquo;&mdash;Neen; ook deze is
-<span class="ex">niet vr&#307;</span>. Ziel en ligchaam, kracht en stof
-zijn slechts &eacute;&eacute;n geheel en ook deze ziel werd ons met de
-stof gegeven <span class="ex">zoo als z&#307; is</span>, dat wil
-zeggen, in zoodanige verbinding met de bewerktuigde stof dat zij zich
-onder de bepaalde omstandigheden welke invloed er op uitoefenden, niet
-anders ontwikkelen kon en zich thans niet anders uiten kan
-dan&mdash;<span class="ex">juist zoo als zulks geschiedt</span>. De
-domme zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem
-afhing; de platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem
-niet. De verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te
-zijn) in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en
-<span class="ex">kan</span> niet dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij
-zulks, en even zoo is het den goeden, deugdzamen mensch <span class=
-"ex">onmogel&#307;k</span>, slecht en misdadig te handelen, terwijl de
-booze mensch zich menigwerf door eene onwe&ecirc;rstaanbare neiging tot
-het plegen van misdaden <span class="ex">gedrongen</span> gevoelt.</p>
-<p class="par">Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke
-omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des
-menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting van
-onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of naar den
-schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn voornemen
-van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer gemakkelijken,
-maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla, hoewel hij smal en
-glibberig is, of indien het leven mij ten last is en ik aanstalten tot
-zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het eene te doen of het
-andere te laten? is in al deze gevallen mijn wil die tot het een of het
-andere besluit, niet vrij?&mdash;Neen; deze vrijheid is eene
-begoocheling; onze wil <span class="ex">sch&#307;nt</span> ons toe vrij
-te zijn, dewijl de natuurlijke band <span class="pagenum">[<a id=
-"pb325" href="#pb325" name="pb325">325</a>]</span>welke oorzaak en
-gevolg verbindt, voor ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen
-te ingewikkeld, te za&acirc;mgesteld zijn, dan dat het verband naar de
-wetten die het regelen, duidelijk door ons zou worden
-ingezien.<a class="noteref" id="xd21e6686src" href="#xd21e6686" name=
-"xd21e6686src">2</a> Dat een dergelijke zamenhang niettemin werkelijk
-bestaat, dat insgelijks de verschijnselen in den zedelijken kring
-waarin de mensch zich beweegt,&mdash;zijne denkbeelden, zijne
-besluiten, zijne handelingen&mdash;de <span class=
-"ex">noodzakel&#307;ke</span> gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn
-die haren invloed op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen
-van Quetelet<a class="noteref" id="xd21e6698src" href="#xd21e6698"
-name="xd21e6698src">3</a> en van Fransche en Engelsche
-staathuishoudkundigen, waaruit is gebleken dat het aantal misdaden van
-elke soort steeds eene <span class="ex">bepaalde</span> breuk van
-<span class="corr" id="xd21e6705" title="Bron: het het">het</span>
-getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de omstandigheden
-onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, <span class="ex">hoe
-vele</span> diefstallen, <span class="ex">hoe vele</span> moorden uit
-jaloezij, moorden uit hebzucht, <span class="ex">hoe vele</span>
-kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd van een jaar
-onder de bevolking der verschillende landen en klimaten voor een
-bepaald aantal individuen, b. v. <span class="ex">eene</span> misdaad
-op duizend of 600 individuen&mdash;gepleegd zullen worden. Gelijk
-bekend is heeft de groote Belgische sterrekundige deze statistieke
-regelmatigheid in de verrigtingen van den menschelijken geest het eerst
-door vaste getallen aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze
-zedelijke eigenschappen, even als de neiging: aan de verlokkingen
-<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name=
-"pb326">326</a>]</span>(ten kwade) die invloed op ons uitoefenen, aan
-de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor te geven (waaruit
-misdaden ontstaan), aan <span class="ex">vaste wetten</span> gebonden
-zijn.</p>
-<p class="par">Het regtstreeksche <span class="ex">physiologische
-bew&#307;s</span> dat de wil door stoffelijke bewegingen, door
-electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te weeg gebragt, is
-in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en anderen geleverd
-geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke omtrent dit punt
-mede te deelen.</p>
-<p class="par">Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle
-deelen in den omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg,
-waar zij digt nevens elkander liggen. De <span class=
-"ex">gevoelende</span> zenuwdraden (of gelijk men zegt terugwaarts
-loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van de oppervlakte
-des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze op eenen
-<span class="ex">bewegenden</span> (of regtloopenden) zenuwdraad
-overbrengen, welke nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang
-des ligchaams, tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken
-(verkorten) en het lid daardoor bewegen.&mdash;Eene beweging wordt
-<span class="ex">willekeurig</span> genoemd, indien in de hersenen de
-prikkel der gevoelende zenuwdraden, als gewaarwording tot bewustzijn
-komt, alvorens de beweging plaats heeft, derhalve dan wanneer de
-gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels tot aan de hersenen sterk
-genoeg voortplantte;&mdash;overgebragte of <span class=
-"ex">reflex</span>beweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij
-de prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in
-de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken)
-zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt
-gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den
-steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den
-gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij
-vooraf tot bewustzijn <span class="pagenum">[<a id="pb327" href=
-"#pb327" name="pb327">327</a>]</span>kwam);&mdash;wanneer de
-gewaarwording echter tot bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar
-de mug slaat, dan noemt men de beweging welke hij maakt (zeer
-oneigenlijk) eene &bdquo;willekeurige&rdquo; beweging. Tusschen beiden
-bestaat echter geene scherpe grens; want hoe onverwachter wij een
-wakende kittelen, des te zekerder is het dat hij zal lagchen, en
-menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de onwillekeurige beweging
-reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts nog den zwakken nagalm
-des donders welke hem heeft doen ontwaken.</p>
-<p class="par">Even als het geval is met de prikkels welke door middel
-van het zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het
-ook gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van
-het oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot
-het verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde,
-maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede aan
-de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar de
-andere organen of ligchaamsdeelen.</p>
-<p class="par">Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid
-gedaan, hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden
-door middel van <span class="ex">electrische stroomingen</span> in de
-zenuwen en spieren, en wij kunnen den arm niet buigen zonder dat een
-electrische stroom van de hand naar den schouder gerigt worde. De
-electrische stroomingen en hare veranderingen kunnen wederom slechts
-ontstaan ten gevolge van veranderde stoffelijke toestanden in de
-zenuwen en in de hersenen (te weeg gebragt door zinnelijke prikkels),
-en derhalve kan <span class="ex">zonder eene dergel&#307;ke
-stoffel&#307;ke verandering geene beweging tot stand komen</span>.</p>
-<p class="par">De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van
-een zoogenaamden vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de
-noodzakelijke uitdrukking van een toestand der hersenen, ontstaan
-<span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" name=
-"pb328">328</a>]</span>en gewijzigd door een invloed van buiten. Zelfs
-wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming doet, is dit geene daad
-van den vrijen wil; want de proefneming is het gevolg eener gedachte en
-de gedachte is eene beweging der stof, welke zelve wederom het gevolg
-eener zinnelijke waarneming was.</p>
-<p class="par">Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij
-van het hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf
-geheel gedwongen is hetgeen hij is,&mdash;daar hij niet in staat is het
-kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen,
-wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste
-gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van een
-eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: &bdquo;tijd, sta een
-oogwenk stil,&rdquo; en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar
-zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort, de
-gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan vrij
-zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door
-overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! &bdquo;De mensch is
-het gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en
-we&ecirc;rsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en
-licht.&rdquo; Zijn wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken,
-gebonden aan eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te
-weeg gebragt, herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene
-regte rede tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de
-beschouwing welke ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op &rsquo;t
-papier brengen er van, ja, slechts een enkele der daarin voorkomende
-woorden, het resultaat van mijn vrijen wil zijn?&mdash;</p>
-<p class="par">Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik <span class=
-"ex">kan</span> niet anders denken, ik <span class="ex">moet</span> zoo
-denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg van oorzaken,
-die hare werking op mij <span class="pagenum">[<a id="pb329" href=
-"#pb329" name="pb329">329</a>]</span>hebben uitgeoefend en waarvan
-eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare
-personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter
-naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot
-nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der
-eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd en
-ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte <span class="ex">zelf</span>
-is, d. i. God, kan een vrijen wil hebben.&mdash;En indien iemand
-<span class="ex">gelooft</span> dat Jezus ten hemel gevaren is, een
-ander daarentegen het <span class="ex">niet</span> gelooft, zelfs zijne
-stem er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een
-schadelijk bijgeloof verwerpt: <span class="ex">wie</span> van beiden
-heeft dan een vrijen wil?&mdash;beide?&mdash;of is het gelooven bij
-genen en het niet gelooven bij dezen niet een gevolg van natuurlijke
-oorzaken en omstandigheden des levens, die op ieder van hen op
-verschillende wijze en in verschillende mate invloed hebben
-uitgeoefend?&mdash;<span class="ex">Kunt</span> gij, broeder
-<span class="sc">Dag</span>, b. v. gelooven wanneer gij wilt, dat God
-een zoon of eene dochter, of eene moeder en grootmoeder heeft? Ik
-betwijfel het en even onmogelijk zal het genen zijn, zoo te denken en
-te gelooven of niet te gelooven, als de ziel in <span class=
-"ex">uwe</span> hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt ons
-tot hetgeen wij zijn. Wij <span class="ex">moeten</span> zoo handelen,
-zoo denken gelijk ieder doet. &bdquo;Hier sta ik, ik <i>kan</i> niet
-anders. God helpe mij. Amen<span class="corr" id="xd21e6802" title=
-"Niet in bron">,</span>&rdquo; zeide Luther en ik voeg er bij:
-<i>wij</i> denken eigenlijk niet, wij leven niet,&mdash;wij zijn hier
-niet uit eigen wil, wij zijn <span class="ex">niets</span> uit vrije
-keuze,&mdash;vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer
-zijn:&mdash;wij <i>worden</i> <span class="ex">geleefd</span>. Wij zijn
-gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder den invloed der algemeene
-natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt (gelijk een nieuwe,
-geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke
-magten&mdash;<span class="ex">rede</span>, <span class="ex">wil</span>
-en <span class="ex">liefde</span>&mdash;welke ons bezielen, drijven,
-beheerschen en die volstrekt <span class="pagenum">[<a id="pb330" href=
-"#pb330" name="pb330">330</a>]</span>onwe&ecirc;rstaanbaar zijn. Er kan
-slechts <i>een</i> vrije wil in de gansche wereld zijn en deze zelfs
-<span class="ex">sch&#307;nt ons toe</span> niet vrij te zijn, dewijl
-hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij (zoo ver
-menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.</p>
-<p class="par"><i>Ten derde.</i> Er bestaat geen absoluut onderscheid
-tusschen goed en kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke
-tegenstelling, de schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn
-goed in hunne eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger
-of wolf onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen
-is eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?&mdash;Indien
-nu echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste
-wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van
-voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor&mdash;&rsquo;t is
-waar&mdash;aan de zedeleer, <span class="ex">in den gewonen zin</span>,
-haar grondslag ontnomen en de toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid
-van het individu houdt op te bestaan. Er behoort derhalve een
-<span class="ex">andere</span> maatstaf ter hand te worden genomen ter
-beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd en ondeugd, dan vroeger
-is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet worden gevonden in de natuur
-des menschen zelve.&mdash;&rdquo;<span class="ex">Goed</span> is,
-hetgeen op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de
-behoefte der menschheid; <span class="ex">kwaad</span> is, dat strijdt
-met hetgeen zij vereischt&mdash;en het regt om te straffen ligt in de
-ingeschapen zucht tot zelfbehoud, welke het geslacht beheerscht. Het
-regt daartoe wordt grooter naar gelang van de behoefte er aan. De straf
-zelve wordt slechts dan tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de
-doodstraf) onmenschelijk, wanneer zij gruwzaam is.&rdquo;</p>
-<p class="par">Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets
-anders over, dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te
-keeren en het <span class="ex">gemis</span> aan vrijen wil als eene
-praktische <span class="pagenum">[<a id="pb331" href="#pb331" name=
-"pb331">331</a>]</span>waarheid te beschouwen, maar daarentegen
-theoretisch aan te nemen en zich in te beelden <span class=
-"ex">dat</span> de mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig
-hiernaar te handelen, hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds
-ieder doet.&mdash;De tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen
-wil een verlammenden, verzwakkenden invloed op het karakter zou
-uitoefenen en dat de leer der onverantwoordelijkheid het individu tot
-zucht naar genot, tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten
-zou vervoeren, steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de
-wil aan vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is
-en de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te
-vieren.&mdash;De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de
-overtuiging, dat de deugdzame en wijze mensch <span class=
-"ex">meer</span> geluk en <span class="ex">meer</span> genot in het
-leven zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten
-en hen aansporen <span class="ex">op grond hiervan</span> naar deugd en
-wijsheid te streven.</p>
-<p class="par">Tegen deze mijne beschouwing&mdash;welke God voor de
-natuur zelve houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil
-zeggen gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met
-verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze
-der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,&mdash;mag de
-tegenwerping niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een
-kluchtspel zou schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven,
-waarin geen zin, geen redelijk doeleinde is te ontdekken!&mdash;Wanneer
-<span class="ex">ik</span> u thans vraag wat dan naar <span class=
-"ex">uwe</span> wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens
-zijn moet,&mdash;waar dit bonte, veelvormige en aan vele
-wisselvalligheden onderhevige aanzijn der schepselen die elkander
-menigwerf verslinden, zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk
-drijven der menschen zou geleiden, die elkander zoo menigwerf
-beoorlogen en in den krijg of door epidemische <span class=
-"pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name=
-"pb332">332</a>]</span>ziekten dikwerf bij duizenden plotseling
-weggeraapt worden en die op elkander bij millioenen van geslachten
-volgen, waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane
-opgroeit;&mdash;wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is
-der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde wereld?
-welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan &bdquo;nescio,&rdquo; of
-&bdquo;zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest,&rdquo; of
-indien gij toch iets wilt zeggen om althans een <span class=
-"ex">streven naar</span> een doel uit te drukken en waartoe geologische
-nasporingen gegronde aanleiding geven: &bdquo;de wereld <span class=
-"ex">ontwikkelt</span> zich naar een onbekend! doel; alles wordt
-beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige herschepping
-en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene voorwaarts
-strevende, meer de volkomenheid naderende <span class=
-"ex">ontwikkeling</span>; waar en waarmede deze echter aanving en
-<span class="ex">waarheen</span> zij zal geleiden, <span class=
-"ex">wanneer</span> en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets
-bekend.&rdquo;</p>
-<p class="par">Wat betreft de <span class="ex">ontwikkeling</span> der
-bewerktuigde wezens, ten deze opzigte wordt door de meeste
-natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed, dat de onderscheidene
-soorten van planten en dieren niet dadelijk van den aanvang af die mate
-van volkomenheid hebben bezeten, welke wij thans bij hen waarnemen,
-maar dat in de groote geologische tijdperken scheppingen van hooger
-bewerktuigde planten en dieren op lager staande, op meer eenvoudige
-zijn gevolgd en dat minder volkomen wezens gedurende den loop van
-duizenden, ja, millioenen van jaren&mdash;door van lieverlede plaats
-grijpende veranderingen in hunnen bouw, welke gelijken tred hielden met
-veranderingen van klimaat (warmte, drukking der lucht, vochtigheid,
-grooteren of geringeren rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele
-andere omstandigheden in verband staande met de natuur, welke hen
-omringt),&mdash;zich tot <span class="pagenum">[<a id="pb333" href=
-"#pb333" name="pb333">333</a>]</span>hoogere volkomenheid hebben
-ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook de mensch niet van
-den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook hij verschillende
-physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede ongetwijfeld ook de
-telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even als alle andere
-hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft de mate harer
-volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van sommige nieuwe
-onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen, dat de
-menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze oudste
-voorvaderen <span class="ex">apen</span> (Chimpanse&rsquo;s of Orang
-oetang&rsquo;s en Pongo&rsquo;s) zijn geweest, daarin moge voor onzen
-trotsch iets vernederends gelegen zijn; maar het is niet te min waar,
-dat de ligchaamsbouw der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op
-de aarde leven, de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland
-(Australi&euml;)&mdash;in den vorm van gelaat en schedel, dikken buik,
-hunne lange, smalle ledematen en dunne kuiten&mdash;eene groote mate
-van overeenkomst hebben met de vormen der hoogere aapsoorten, welke zij
-in hoedanigheden des geestes slechts weinig overtreffen, dewijl zij
-eene hoogst onvolmaakte taal hebben, een geheel dierlijk leven leiden,
-geene vaste woonplaatsen bezitten, geene hutten bouwen en niet verder
-dan tot 7 kunnen tellen. Door de geloofwaardigste reizigers is
-daarentegen bevestigd geworden, dat de 5 &agrave; 6 voet hooge
-Chimpanse (Pithecus Troglodites) <span class="ex">hutten</span> bouwt,
-zich bij het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen
-uitdeelt, negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige
-gevangenschap houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer
-gemakkelijk kan leeren aan tafel aan te zitten even als een mensch, of
-achter den stoel te staan om te bedienen.&mdash;Dat de geestvermogens
-bij de dieren van die des menschen niet in aard (qualitatief), maar
-slechts in de <span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334" name=
-"pb334">334</a>]</span>mate welke zij er van bezitten (quantitatief)
-verschillen, dat leert ons op eene onwedersprekelijke wijze eene
-onbevooroordeelde beschouwing hunner zielsverrigtingen en eene
-opmerkzame vergelijking van hunne hersenen en van hunnen schedel met
-dien van het Australische menschenras, der negers en van het
-Kaukasische menschenras. &bdquo;Door het verstand van den hond bestaat
-de wereld,&rdquo; zegt een der oudste gedenkteekenen van menschelijke
-beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta, en langs <span class=
-"ex">welken</span> weg, in welke verbinding met organische stof, in
-welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen (dat wil
-zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand, tot
-ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.</p>
-<p class="par">Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel
-dat het gevolg is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren,
-waaruit steeds edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der
-verschillende menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der
-soorten (species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en
-aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar,
-bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat geene
-tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden
-voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het
-gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van een
-hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in den
-regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring zeer
-beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal
-soorten.&mdash;Niet alle gevallen waarin individuen van <span class=
-"ex">onderscheidene</span> diersoorten zich gepaard en bastaarden
-geteeld hebben die weder vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis
-gekomen. Van het konijn (Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas
-(Lepus timidus L.), <span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335"
-name="pb335">335</a>]</span>en van dezen met den Alpen- of witten haas
-(Lepus variabilis L.) is het echter bewezen; ook de bastaarden van
-gemzenbokken (Antilope Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus
-L.)<a class="noteref" id="xd21e6924src" href="#xd21e6924" name=
-"xd21e6924src">4</a>, van vossen (Canis vulpes L.) met teeven (Canis
-familiaris L.), van honden met wolvinnen (Canis Lupus L.), en van
-steenbokken (Capra Ibex L.) met geiten, waren <span class=
-"ex">vruchtbaar</span>. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om aan
-te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig werd
-waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten vruchtbare
-bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner geslachtsdeelen
-zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En mogten de bastaarden
-van eenige dezer dieren <span class="ex">thans</span> onvruchtbaar
-zijn, dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de
-bastaarden van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den
-invloed van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.&mdash;Om kort
-te gaan, het voortteelingsvermogen der bastaarden van een <span class=
-"ex">aantal</span> verschillende diersoorten van den huidigen tijd is
-<span class="ex">bewezen</span>. Stel nu, dat eenige Chimpanseapen
-negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden, door haar gebaard,
-onderling zich voortplanten, later dan weder met negers of
-Australi&euml;rs (welke laatstgenoemden onder de menschen op den
-laagsten trap staan en het meest met Chimpanse&rsquo;s overeenkomen)
-zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere
-volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen,
-en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en
-kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer
-laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen,
-geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben <span class=
-"pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336" name="pb336">336</a>]</span>dan
-tusschen Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed
-gevormde Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen
-vet<span class="ex">staart</span> draagt gelijk de schapen in haar land
-inheemsch, maar niettemin aan haar ligchaam zeer overeenkomende
-uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid van dit land en zijn klimaat
-vertoonen kan, even als het schaap.</p>
-<p class="par">Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op
-5 &agrave; 6000 jaren v&oacute;&oacute;r onzen tijd; de niet
-opgehelderde duisternis, waarin de oorsprong van het menschelijke
-geslacht zich verliest, strekt even zoo zeer ter bevestiging van de
-hier voorgedragene beschouwing, als de trapsgewijze opklimming van het
-eenvoudigste tot het meest zaamgestelde, welke in de gansche natuur
-wordt waargenomen, en even zoo zeer als de slechts van lieverlede meer
-volkomen wordende, voortgaande ontwikkeling van elk individu,&mdash;en
-de reden er van is waarschijnlijk juist hierin gelegen dat de mensch
-niet onmiddellijk als zoodanig, in <span class="ex">die</span>
-volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt,
-geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype
-langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had,
-om uit zijn half dierlijken toestand welke <span class="corr" id=
-"xd21e6950" title=
-"Verbeterd door de auteur van: overeenkomt">overeenkwam</span> met dien
-der Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland,
-tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en
-familien- of rasgewijze te veredelen, te <span class=
-"ex">ontwikkelen</span>.</p>
-<p class="par">Daar echter de wereldziel welke zich met de stof
-verbindt ten einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons
-raadselachtige, misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op
-geene andere wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen
-welke zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft,
-en welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke
-zamenstelling dezer <span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337"
-name="pb337">337</a>]</span>organen&mdash;b. v. met het spinwerktuig
-bij de spin, met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere
-hersenen bij den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder
-talrijke, in hunne omtrekken onderling meer overeenkomende
-schiereilanden hebben), met de grootere en zich vooral door een veel
-grooteren voorhoofdslap kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de
-hemispheren de kleine hersenen geheel en al bedekken),&mdash;kan
-hieruit, wel is waar, het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het
-menschelijk geslacht zoowel naar het ligchaam als naar den geest steeds
-tot hooger volkomenheid zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit
-eene nieuwe bevestiging van mijne beschouwing: dat de mensch
-<span class="ex">geen vr&#307;en wil</span> hebben kan.</p>
-<p class="par">Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld
-zou moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat
-<i>hij</i> de drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den
-krokodil, in den vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger;
-dat dezelfde God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met
-opofferende liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton
-nadenkt over de wetten van het zuiver verstand, of over de
-zwaartekracht welke de gansche wereld beheerscht,&mdash;insgelijks in
-genen dief of moordenaar werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen
-der roekelooze daad, of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman
-inbreekt om hem te berooven, of in dien vijand des lichts die op den
-drievoudig gekroonden stoel te Rome zit en plannen smeedt om het
-menschelijke geslacht in onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen
-te klinken;&mdash;&mdash;dit toch zou geene wederlegging mijner
-beschouwing, hoogstens eene tegenwerping mogen heeten, waarop ik u
-onder anderen zou kunnen antwoorden, dat de tijger die het lam
-verscheurt, of de kat welke eene vreedzame muis van het <span class=
-"pagenum">[<a id="pb338" href="#pb338" name=
-"pb338">338</a>]</span>leven berooft, <span class="ex">indien</span>
-zij over hunne handelwijze konden nadenken, zeer zekerlijk in hunne
-eigene oogen, even als in de onzen volkomen geregtvaardigd zouden zijn,
-dewijl de ijzeren natuurwet hen onwe&ecirc;rstaanbaar <span class=
-"ex">dwingt</span> andere levende wezens te vermoorden, ten einde
-zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke wijze elke
-dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging voor zijne
-misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen opgeven welke
-hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad, in
-<span class="ex">z&#307;ne eigene oogen</span> regtvaardigt.</p>
-<p class="par">Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en
-kwaad, dewijl elke maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een
-vergelijkende of betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad
-van beschaving dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij
-staan en van waar wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een
-persoonlijken God kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want
-stel, dat gij God van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den
-bok laat zitten en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene
-handen nemen, ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld
-werkzaam zijn, in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf
-te besturen: dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God
-<span class="ex">insgel&#307;ks den t&#307;ger</span> bestuurt, zoomede
-den teugel des wolfs die met het lam in den bloedigen muil wegsnelt, in
-de hand houdt,&mdash;dat hij <span class="ex">mede aan den
-moordenaar</span>, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit
-liever wenscht te hooren) de teugels somwijlen <span class=
-"ex">loslaat</span>, opdat de dief of moordenaar <span class=
-"ex">z&#307;n eigen weg</span> gaan en de misdaad bedrijven
-<span class="ex">kan</span>. Gij moet dan toch toestemmen dat uw
-persoonlijk regerende (almagtige) God het kwaad, het booze, de zonde,
-het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan van een schip, aan boord
-waarvan zich 72 ten <span class="pagenum">[<a id="pb339" href="#pb339"
-name="pb339">339</a>]</span>deele zeer onschuldige en goede menschen
-bevonden, <span class="ex">toelaat</span>.&mdash;En nu vraag ik u,
-heeft het niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin
-betreft, ten slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de
-Christenen doen: &bdquo;de persoonlijk regerende, Almagtige God
-<span class="ex">laat</span> het booze <span class="ex">toe</span>,
-veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven en te
-moorden,&rdquo;&mdash;of wanneer men zegt gelijk broeder <span class=
-"sc">Avondrood</span> doet: &bdquo;de tijger, de moordenaar is God
-zelf, dat wil zeggen eene vereeniging der wereldziel met
-verschillendsoortig gevormde stof.&rdquo;&mdash; &mdash;?</p>
-<p class="par">Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de
-stof en de uit de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne
-verbeelding bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is
-in der daad niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich
-zelven te staan:&mdash;eene som van menschelijke eigenschappen, die men
-zich in eene oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van
-<i>al</i>-magtig, <i>al</i>-goed, <i>al</i>-wijs. Er kan evenmin een
-God zijn zonder wereld, als eene kracht zonder stoffelijken drager.
-Even als het wezen van elk afzonderlijk ding de som zijner
-eigenschappen is, zoo kan God niets anders zijn dan de som van de
-eigenschappen der natuur, dat is het <span class="ex">wezen</span> der
-natuur, of met andere woorden <span class="ex">de natuur
-zelve</span>.</p>
-<p class="par">Vele menschen vormen zich van datgene &rsquo;t welk men
-het &bdquo;wezen&rdquo; van iets noemt, de wonderlijkste, verwardste
-denkbeelden. Het zal misschien niet ongepast, maar in tegendeel hier de
-regte plaats zijn om aan te toonen, zoo als reeds Spinoza heeft
-geleerd, dat het wezen van iets niet anders is dan de som zijner
-eigenschappen. Ten einde dit te bewijzen, moeten wij datgene hetwelk
-gewoonlijk <span class="ex">stof</span>, <span class=
-"ex">materie</span> wordt geheeten, wat van naderbij en grondiger
-beschouwen en ik verzoek u, waarde broeders, mij tot dat einde nog
-gedurende <span class="pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340" name=
-"pb340">340</a>]</span>eenige oogenblikken uwe aandacht te willen
-verleenen.</p>
-<p class="par">Ontleden wij dit begrip &bdquo;stof&rdquo; en kiezen wij
-tot voorwerp van ons onderzoek <span class="ex">eenig</span> ligchaam
-naar welgevallen, welks eigenschappen ons het best bekend zijn, b. v.
-het papier waarop wij schrijven, dezen inktkoker met hetgeen hij bevat,
-of een billardbal, eene ijzeren staaf, of dit stuk gemunt goud dat ik
-hier in de hand heb.</p>
-<p class="par">Dit <span class="ex">goud</span> heeft de navolgende
-eigenschappen, welke ik door middel van mijne zintuigen deels
-regtstreeks kan waarnemen, ten deele eerst na in het werk gestelde
-proefnemingen kan leeren kennen. Het heeft&mdash;<b>1<sup>o</sup>.</b>
-<span class="ex">uitgebreidheid</span>, volumen, dat wil zeggen het
-beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander
-ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen,
-&bdquo;ondoordringbaar.&rdquo; Zijne kleinste deelen worden door
-&bdquo;cohaesiekracht&rdquo; aan elkander
-gehouden.&mdash;<b>2<sup>o</sup>.</b> Het bezit <span class=
-"ex">logheid</span> (traagheid, vermogen om we&ecirc;rstand te bieden),
-dat wil zeggen, het kan geene verandering in zijn toestand te weeg
-brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve liggende oorzaak
-noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van rust in beweging
-te brengen.&mdash;<b>3<sup>o</sup>.</b> Het bezit de eigenschap (ten
-gevolge van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te
-veranderen, namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte
-te beslaan; het laat zich tot in zekere mate <span class=
-"ex">zamendrukken</span> en door middel van warmte <span class=
-"ex">uitzetten</span>; een hoogen graad van warmte geeft aan de
-kleinste deeltjes &bdquo;uitzettingskracht,&rdquo; ten gevolge waarvan
-hun aggregatie-toestand verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs
-gedeeltelijk dampvormig wordt.&mdash;<b>4<sup>o</sup>.</b> Het beslaat
-de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande zijne digtheid, niet
-volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst kleine (onzigtbare)
-tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen eene plaats kunnen
-vinden, <span class="pagenum">[<a id="pb341" href="#pb341" name=
-"pb341">341</a>]</span>door welke b. v. water kan heendringen, wanneer
-men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer zware drukking
-blootstelt; het is derhalve <span class=
-"ex">poreus</span>.&mdash;<b>5<sup>o</sup>.</b> Het is in kleine en
-immer kleinere deelen <span class="ex">deelbaar</span>, welke eindelijk
-zoo klein zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet
-meer kan waarnemen en dat het bestaan er van als &bdquo;atomen&rdquo;
-slechts gedacht kan worden.&mdash;<b>6<sup>o</sup>.</b> Het is
-<span class="ex">zwaar</span>, dat wil zeggen, het bezit de neiging om
-naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de
-vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere
-ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.</p>
-<p class="par">Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke
-eigenschappen, waardoor het zich van alle andere ligchamen
-onderscheidt. Het heeft een <span class="ex">soortel&#307;k</span>
-gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19 &#8203;3&frasl;10&#8203;
-maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water, dat wil
-zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen (19,325)
-meer dan van water.&mdash;<b>7<sup>o</sup>.</b> Indien de
-gewigtsverhouding (het zoogenaamde chemische aequivalent) van de
-waterstof gelijk 1 gesteld wordt, dan heeft het de eigenschap zich in
-de gewigtsverhouding van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te
-vereenigen. Het aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele
-gewigtsdeelen (grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en
-<span class="ex">nimmer een grooter, nimmer een kleiner</span> aantal
-gewigtsdeelen (grein, lood, enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en
-evenzoo verbindt zich driemaal zooveel chloor met hetzelfde
-<span class="corr" id="xd21e7124" title=
-"Bron: aquivalent">aequivalent</span> (196,4) goud tot drievoudig
-chloorgoud.&mdash;<b>8<sup>o</sup>.</b> Deze eigenschap om zich met
-chloor tot drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer
-men het in <span class="ex">koningswater</span> (een mengsel van
-chloorwaterstof- en salpeterzuur) oplost; dan vormt het eene geele
-vloeistof, die geene der vroeger genoemde en volgende <span class=
-"pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342" name=
-"pb342">342</a>]</span>eigenschappen van het goud meer bezit en waaruit
-enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en deze wederom met
-verschillende eigenschappen daargesteld kunnen worden. Alle andere
-zuren echter, zoomede zwavel oefenen er geenen invloed op uit, evenmin
-als de zuurstof des dampkrings, waardoor het niet aangedaan wordt; het
-roest niet en behoudt voortdurend zijn
-glans.&mdash;<b>9<sup>o</sup>.</b> Het is een goede geleider van warmte
-en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit)
-bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke
-vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul graad
-tot op 1&deg; temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt, dan is
-deze hoeveelheid voor het goud slechts
-0,0324.&mdash;<b>10<sup>o</sup>.</b> Het smelt bij sterke witgloeihitte
-(van ongeveer 1200&deg; C.) en wordt, indien de stroom eener sterke
-electrische batterij door een gouddraad wordt ontladen, zelfs
-dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het in
-teerlingvorm.&mdash;<b>11<sup>o</sup>.</b> Het bezit de hoogste mate
-van rekbaarheid, meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren
-tot zeer dunne blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan
-lood en wordt in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters
-eerst door een gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander
-gescheiden.&mdash;<b>12<sup>o</sup>.</b> Het heeft een sterken glans,
-is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap die lichtstralen terug te
-kaatsen, welke ons <span class="ex">geel</span> toeschijnen.</p>
-<p class="par">De som dezer eigenschappen is het <span class=
-"ex">wezen</span> van het goud. Stellen wij ons nu voor, dat deze
-eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud worden ontnomen, wat
-blijft er dan van het goud over?&mdash;Antwoord: <i>geen</i>
-<span class="sc">GOUD</span>, derhalve niets, <span class=
-"ex">volstrekt niets</span>.&mdash;Ontnemen wij er b. v. de twaalfde
-eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het goud de eigenschap:
-lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet bezit, dan <span class=
-"pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343" name="pb343">343</a>]</span>zou
-het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben, maar daarentegen
-doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor ons volkomen
-onzigtbaar;&mdash;nemen wij verder voor den oogenblik aan dat zijne
-onder n<sup>o</sup>. <b>6</b> opgetelde eigenschap: met een gewigt 19
-malen zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te
-drukken,&mdash;zoomede zijne <b>1</b><sup>ste</sup> eigenschap, de z.g.
-cohaesie, de kracht van zamenhang zijner kleinste deeltjes, waardoor
-het zijne bepaalde grenzen en ondoordringbaarheid behoudt, niet
-aanwezig zijn,&mdash;dan zou het stukje goud uit mijne hand spoorloos
-verdwijnen, dewijl al de andere negen eigenschappen <span class=
-"ex">slechts</span> in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn,
-met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn
-massief of regulinisch goud te noemen.&mdash;Indien ik op gelijke wijze
-de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen van
-den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne geringe
-zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds bij
-44,2&deg;), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige
-kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten
-gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in de
-duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed des
-dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid,
-enz.,&mdash;wat blijft er dan van den phosphorus
-over?&mdash;Natuurlijk: <span class="ex">geen</span> phosphorus,
-derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.</p>
-<p class="par">Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven
-zoogenaamde stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als
-zamengestelden, bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing
-onderwerpen, die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde
-slotsom zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt
-geene stof bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere
-soort van stof voorkomt, <span class="pagenum">[<a id="pb344" href=
-"#pb344" name="pb344">344</a>]</span>slechts de <span class=
-"ex">hoeveelheid of de som van een bepaald, hetz&#307; grooter of
-kleiner getal eigenschappen is</span>, die bij hare ontmoeting met
-andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen
-ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel
-laten waarnemen.&mdash;De stelling derhalve dat geene kracht bestaat
-welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid,
-dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen en
-waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het
-product van <span class="ex">eigenschappen, die onderling in verbinding
-tot elkander z&#307;n getreden en haren invloed gel&#307;kt&#307;dig
-uitoefenen</span>, waardoor zij zich als &bdquo;stof&rdquo; aan onze
-zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke zamenwerkende eigenschappen
-zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige stoffen of elementen der
-scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen hunner eigenschappen, zoo als
-vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur, zwaarte, warmte laten zich door
-ons <span class="ex">regtstreeks</span> waarnemen, dat wil zeggen,
-onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder wij in
-den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn bij
-hare ontmoeting van vreemde eigenschappen (&bdquo;aanraking met andere
-stoffen&rdquo;) b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium
-heeten, zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen
-welke water wordt geheeten,&mdash;of wanneer het geheel der
-eigenschappen genaamd zink, in aanraking komt met de som van
-eigenschappen, geheeten verdund zwavelzuur, enz.</p>
-<p class="par">In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen
-de stof op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene
-langdurige misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar
-juist als ware zij het eenige dat <span class="ex">positief</span>
-aanwezig is en geeft aan al de vereenigingen van gelijktijdige
-<span class="pagenum">[<a id="pb345" href="#pb345" name=
-"pb345">345</a>]</span>eigenschappen, welke zich onder de gewone
-omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene
-verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, <span class="ex">zoo
-lang</span> als aan een eigendommelijk ligchaam of stof eene
-afzonderlijke benaming, totdat het ijzer in roest is overgegaan, of het
-hout tot koolzuur, water en asch is verbrand geworden. Deze benamingen
-mogen kortheidshalve voor het geheel der telkens aanwezige
-gelijktijdige eigenschappen volstrekt onontbeerlijk worden geacht.</p>
-<p class="par">Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen,
-v&oacute;&oacute;r zijne schaal zit, met deze zoogenaamde <span class=
-"ex">stoffen</span> volkomen op dezelfde wijze, als den criminelen
-regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen, met den <span class=
-"ex">vr&#307;en wil</span> der menschen. Gene schrijft <span class=
-"ex">stof</span> toe aan elke vereeniging van eigenschappen welke de
-schaal zijner balans naar de aarde doet neigen, derhalve zwaarte
-heeft,&mdash;deze <span class="ex">vr&#307;en wil</span> aan elken
-mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is echter
-evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van vrijen
-wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene
-eigenschap, <span class="ex">eene betrekking tot een middenpunt</span>
-in het heelal, welke zich kan openbaren in verband of in zamenwerking
-met eene grootere of geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met
-die welke wij lood, staal, steen noemen, maar die <span class="ex">niet
-noodzakel&#307;k</span> met <span class="ex">alle</span> eigenschappen
-zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen
-genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus <span class=
-"ex">niet</span> verbonden is.&mdash;Zonderling toch dat de
-natuurkundigen juist op grond hiervan en in tegenspraak met zich zelven
-deze eigenschappen &bdquo;<span class="ex">onweegbare
-stoffen</span>!&rdquo; noemden, niettegenstaande zij toch, even als de
-zwaarte, slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn.
-Andere geleerden scherpten hun verstand, om tegenover <span class=
-"pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346" name="pb346">346</a>]</span>de
-leer der zoogenaamde materialisten, iets <span class=
-"ex">geestel&#307;ks</span> in de natuur te ontdekken. Zonderbare
-misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof, welke
-ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht worden, het
-bestaan van <span class="ex">stof</span>, van materie in absoluten zin
-te bewijzen.</p>
-<p class="par">Indien er <span class="ex">werkel&#307;k</span> stof of
-stoffen bestonden en zij niet uitsluitend <span class=
-"ex">betrekkel&#307;kerw&#307;ze</span> tot onze zinnelijk grove
-opvatting voorhanden waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder
-alle omstandigheden steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een
-stuk kalium op het water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor
-mijne oogen spoorloos verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van
-het water verbindt, het gevormde kalihydraat in het water wordt
-opgelost en de vrij geworden waterstof verbrandt),&mdash;of wanneer ik
-4 deelen zwavel met 25 deelen kwik dooreenwrijf en dan deze beide zie
-veranderen in zwart kwikzilvermoor dat, door sublimatie, weder wordt
-omgezet in <span class="ex">vermiljoen</span>, hetwelk ik tot in de
-allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder dat ik in
-staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een enkel der
-vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,&mdash;moet ik dan
-hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden, als
-kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest, maar
-slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende met
-andere tegengestelde <span class="ex">eigenschappen</span>, hare
-vroegere eigenschappen moesten afleggen, terwijl zich in de plaats
-daarvan nieuwe, tot dusverre sluimerende eigenschappen
-ontwikkelden.</p>
-<p class="par">Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden:
-ongetwijfeld veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen
-<span class="ex">wanneer z&#307; zich met andere stoffen
-verbinden</span>, dewijl dan eene nieuwe stof ontstaat welke wederom
-andere vormen en eigenschappen heeft; voor elke <span class=
-"pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347" name=
-"pb347">347</a>]</span>soort van stof echter is vorm en eigenschap even
-onveranderlijk als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant
-zijn, waaronder zij zich verbinden;&mdash;maar <i>waarmede</i>, vraag
-ik weder, verbindt zich dan de phosphorus&mdash;eene enkelvoudige
-stof&mdash;wanneer hij in de luchtledige ruimte (geheel en al
-afgesloten van elke aanraking met de zuurstof der lucht en van alle
-andere stoffen), all&eacute;&eacute;n doordien de zon er op schijnt of
-eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het oog des
-beschouwers wordt omgezet in een <span class="ex">karm&#307;nrood
-poeder</span>, dat niet vergiftig is en in het algemeen geheel andere
-eigenschappen bezit dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde
-destillatie in eene koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder
-verlies van gewigt in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus
-met al zijne eigenschappen overgaat? Zou men ook <span class=
-"ex">deze</span> verschijnselen stof mogen noemen?&mdash;Onmogelijk;
-want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene stof, eene enkelvoudige
-stof gelijk de phosphorus, kan overgaan in eene andere welke geheel
-verschillende eigenschappen bezit, en dat deze tweede stof zich op
-nieuw kan herscheppen in de eerste met alle eigenschappen die zij
-vroeger had, zonder dat er iets aan toegevoegd of van verloren geraakt
-is. Wie toch zou het karmijnroode, onschadelijke poeder, den
-zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek beschouwen met de
-halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare, in de lucht rookende
-en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige zelfstandigheid,
-welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den overgang van het
-eene in het andere niet had waargenomen en zulks niet elken dag in zijn
-laboratorium kon waarnemen?</p>
-<p class="par">Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke,
-derhalve <span class="ex">volstrekt geene</span> stof in de natuur
-aanwezig is en dat wij overal slechts verschijnselen, eigenschappen
-zien, <span class="pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348" name=
-"pb348">348</a>]</span>welke door andere eigenschappen, gelijk hier bij
-den phosphorus door het licht of de warmte, in het leven geroepen, of
-vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming onttogen worden.</p>
-<p class="par">Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband
-tusschen zekere bij&eacute;&eacute;n behoorende, gelijktijdig werkende
-eigenschappen steeds naar vaste wetten wederkeeren en zelfs in de
-grootste veranderingen, in de werking der meest mogelijke hoeveelheid
-eigenschappen welke een wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen,
-zich dergelijke vaste wetten laten waarnemen, stelt men zich deze
-eigenschappen voor als aan &bdquo;stof&rdquo; gebonden; men neemt het
-bestaan van kleinste of oneindig kleine deeltjes van deze stof aan,
-welke men <span class="ex">atomen</span> heet en verklaart de
-verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op
-gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde
-toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede van
-vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch
-door eene &bdquo;verschillende ligwijze&rdquo; dezer atomen.</p>
-<p class="par">Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit
-kunnen worden gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter
-waarneming niets anders zijn dan bloote mathematische punten, die
-slechts <i>gedacht</i> kunnen worden en welke men zich moet voorstellen
-<span class="ex">oneindig</span> klein en in <span class=
-"ex">oneindig</span> groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit
-ten duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld
-zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de atomen
-niet als <span class="ex">oneindig</span> kleine deelen, maar als de
-zoodanigen die niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn.<a class=
-"noteref" id="xd21e7320src" href="#xd21e7320" name="xd21e7320src">5</a>
-Dit is echter <span class="pagenum">[<a id="pb349" href="#pb349" name=
-"pb349">349</a>]</span>eene veronderstelling welke tot onoplosbare
-tegenstrijdigheden voert, zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk
-zal doen zien. Suiker, zetmeel en hout zijn drie verschillende
-ligchamen welke verschillende eigenschappen bezitten, en niettemin alle
-drie gelijkmatig uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan.
-Deze atomen nu moeten in de drie verschillende ligchamen eene
-verschillende ligwijze hebben (op eene andere wijze geordend of nevens
-elkander geplaatst zijn) en <span class="ex">daardoor</span> de
-verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te weeg
-brengen. Maar&mdash;een atoom moet immers <span class=
-"ex">ondeelbaar</span> zijn en echter bestaat, naar deze theorie, elk
-atoom suiker uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit
-zestien verschillende deelen of enkele atomen!<a class="noteref" id=
-"xd21e7334src" href="#xd21e7334" name=
-"xd21e7334src">6</a>&mdash;Hieruit volgt dat het aannemen van het
-bestaan van atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een
-hulpmiddel ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene
-verklaring, voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten
-gebondene orde der verschijnselen, maar dat er in <span class=
-"ex">absoluten</span> zin geene stof bestaat, er geene bestaan
-<span class="ex">kan</span>. Daarmede verdwijnt de tegenstelling
-tusschen geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof
-valt weg.</p>
-<p class="par">Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak
-moge zijn met de alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter
-gemakkelijk van hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot
-<span class="ex">die</span> eigenschap der zoogenaamde ligchamen, welke
-het aanwezig zijn van stof op het handtastelijkste schijnt te bewijzen,
-namelijk de <span class="ex">uitgebreidheid</span>, het volumen der
-ligchamen en den tegenstand welken <span class="pagenum">[<a id="pb350"
-href="#pb350" name="pb350">350</a>]</span>zij bieden aan een vreemd
-daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger, mijne hand. (Ik
-wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of gasvormige
-ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja de meeste
-vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden, maar heb
-hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid der vaste
-ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt of kamfer,
-of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een ligchaam, eene
-<span class="ex">stof</span>. Deze stof kan ik echter voortdurend in
-kleinere deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te
-wrijven, zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan
-zien en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan
-waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om die
-reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen te
-grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort te
-zetten.&mdash;Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel, of
-van muskus.&mdash;Dat de verdeeling echter nog <span class="ex">veel
-verder</span> kan gaan, bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar
-in mijne kamer kan liggen <span class="ex">zonder van gewigt te
-verminderen</span> en toch de geheele kamer met den bekenden, hem
-eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende muskusdeeltjes
-kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer waarnemen. Er
-bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische reden, om te
-veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes, wier aanwezen
-slechts en <span class="ex">uitsluitend</span> nog door middel der
-reukzenuwen kan worden waargenomen, niet <span class="ex">nog
-verder</span>, ja tot in het <span class="ex">oneindige</span> kunnen
-verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten
-zijn.&mdash;Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn
-<span class="ex">datgeen, hetwelk geene deelen, of</span> <span class=
-"sc">GEENE UITGEBREIDHEID</span> <span class="ex">heeft</span>.
-<span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351" name=
-"pb351">351</a>]</span></p>
-<p class="par">Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de
-som is zijner eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan
-<span class="ex">voor zich zelven</span>: het eeuwige bewustzijn, en
-<span class="ex">voor ons</span>: de som of het totaal van alle
-eigenschappen der natuur?&mdash;Twee zijner eigenschappen zijn ruimte
-en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid maakt.
-Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij zijn slechts
-<span class="ex">eene</span> van deze verschijnselen, hoewel wij de
-slotsom van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch
-verschillende eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten
-zich zelven geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen
-zich in het kleine terugkaatst,&mdash;waarin God zich als het ware ten
-tweede male denkt.</p>
-<p class="par">Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan
-een <span class="ex">vr&#307;en wil</span> hebben?</p>
-<p class="par">Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons
-tot tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis
-niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig de
-<span class="ex">atomen</span> in de scheikundige theori&euml;n
-evenzeer moeten behouden, als men in het empirische leven, ter meer
-gemakkelijke opvatting van de verschijnselen, zal voortgaan om alle
-bestendig voorkomende vereenigingen van zekere eigenschappen
-<span class="ex">stof</span> te noemen en daaraan afzonderlijke
-benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout, enz.&mdash;In
-<span class="ex">dien</span> zin zal ook ik mij in het vervolg van deze
-uitdrukkingen blijven bedienen.</p>
-<p class="par">Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te
-spreken van de groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker
-heeft te kampen bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het
-organische leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den
-rijkdom aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen
-bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij den
-aanvang mijner voordragt <span class="pagenum">[<a id="pb352" href=
-"#pb352" name="pb352">352</a>]</span>heb ik op deze moeijelijkheid
-gewezen, welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote
-aantal gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het
-organismus <span class="ex">op zich zelf beschouwd</span> (als iets
-gegevens) laat zich, wel is waar, uit de ter bedoelde plaats (zie
-vroeger bladzijde <a href="#pb317" class="pageref">317</a>) opgenoemde,
-allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men
-andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke van
-de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; <span class=
-"ex">waarom</span> echter het leven der verschillende organismen
-slechts tijdelijk van duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op
-een onderscheidenen, vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat
-zich daaruit evenmin verklaren,&mdash;als de bijzondere vorm welke elk
-der 100,000 planten- en 130,000 diersoorten bezit die tot heden
-beschreven zijn geworden, daaruit kan worden afgeleid, en welke toch
-allen, niettegenstaande het groote onderscheid in haren vorm en de
-afwijkende, menigwerf wonderbare structuur van de menigte harer
-organen, uit <span class="ex">dezelfde</span> grondstoffen, bij de
-werking van <span class="ex">dezelfde</span> physische en chemische
-krachten zijn ontstaan.</p>
-<p class="par">Moest dan in de <span class="ex">atomen</span> der
-elementen, welke de eiwitstof of den dojer van het vrouwelijke ei
-uitmaken (vergelijk de analysen die lager worden gevonden) het streven
-niet liggen,&mdash;dat door de werking van het mannelijke zaad bij de
-zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk door het indringen der
-spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of werkzaam gemaakt wordt en
-waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van algemeene natuurkrachten
-b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te hoogen, noch te lagen)
-warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt aangenomen,&mdash;moest
-dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn gelegen, om bij
-voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit, bloed) een
-dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te <span class=
-"pagenum">[<a id="pb353" href="#pb353" name=
-"pb353">353</a>]</span>vormen,&mdash;<span class="ex">hier</span> een
-oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar za&acirc;mgesteld en
-toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan, <span class=
-"ex">elders</span> zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een
-borstbeen te vereenigen,&mdash;uit een bepaald aantal spieren,
-beenderen, pezen, aderen en zenuwen een arm, eene hand met vingers te
-maken en al deze deelen en organen in het behoorlijke aantal, ter
-behoorlijker plaats daar te stellen, zoomede in de vereischte
-verhouding der duizenden van cellen, vezelen, membranen, aderen en
-zenuwen, waaruit zij bestaan!&mdash;en deze wondervolle kracht zou in
-de chemische stoffen, in de atomen liggen!</p>
-<p class="par">In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel,
-welke <span class="ex">dit</span> hoenderei <span class=
-"ex">meer</span> bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk
-eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig
-onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te
-toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende
-geslachtsorganen van den <span class="ex">haan</span> met kam, sporen
-en prachtig gevederte te voorschijn te brengen,&mdash;terwijl de
-<span class="ex">afwezigheid</span> van dit paar atomen aan het andere
-ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht geeft om eene
-<span class="ex">hen</span> te doen ontstaan, welke weder geheel
-verschillend gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de
-haan en sporen noch kam heeft,&mdash;ja terwijl misschien bij eene
-gelijke percentsgewijze verhouding der bestanddeelen in een
-<span class="ex">kalkoenenei</span> een geheel ander dier: een
-kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.</p>
-<p class="par">Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben
-bezig gehouden met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van
-de groote menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus
-werkzaam zijn, van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo
-eenvoudige stoffen als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen
-mede. (Van het mannelijke <span class="pagenum">[<a id="pb354" href=
-"#pb354" name="pb354">354</a>]</span>zaad ontbreken naauwkeurige
-chemische analysen nog bijna geheel en al.)</p>
-<p class="par">Het <span class="ex">eiwit</span> bestaat uit stikstof,
-koolstof, waterstof en zuurstof, ongeveer in die verhouding als in
-Mulder&rsquo;s oude prote&iuml;nformule is uitgedrukt: N<sup>5</sup>
-C<sup>40</sup> H<sup>30</sup> O<sup>12</sup>, waarbij echter naar
-gelang van de verschillende soorten van eiwit in het dieren- en
-plantenrijk nog eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook
-phosphorus en nog meer of minder zuurstof komt.</p>
-<p class="par">Honderd deelen <span class="ex">dojer</span> zijn
-volgens Gobley in het kippen- en in het karperei (welke laatsten
-uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan) za&acirc;mgesteld uit:</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom"></td>
-<td class="xd21e7497 cellHeadTop cellHeadBottom">Kippenei.</td>
-<td class="xd21e7497 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">
-Karperei.</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Vitelline</td>
-<td class="xd21e7497">15,76</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">14,08</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Margarine en Ela&iuml;ne</td>
-<td class="xd21e7497">21,30</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">2,57</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Cholesterine</td>
-<td class="xd21e7497">0,44</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,27</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Lecithine</td>
-<td class="xd21e7497">8,43</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">3,04</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Cerebrine</td>
-<td class="xd21e7497">0,30</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,20</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Chloorammonium</td>
-<td class="xd21e7497">0,03</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,04</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Chloornatrium en Chloorkalium</td>
-<td class="xd21e7497">0,28</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,45</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zwavelzure kali</td>
-<td class="xd21e7497">0,28</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,04</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Phosphorzure kali</td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,04</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia</td>
-<td class="xd21e7497">1,02</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,29</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Alcoholextract</td>
-<td class="xd21e7497">0,40</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,39</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Vliezen</td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">14,53</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Kleurstof, sporen van ijzer, enz.</td>
-<td class="xd21e7497">0,55</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,03</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Water</td>
-<td class="xd21e7497 cellBottom">51,49</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight cellBottom">64,08</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">En in honderd deelen asch werden gevonden:</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop"></td>
-<td colspan="2" class="xd21e7497 cellHeadTop"><b>IN DEN DOJER.</b></td>
-<td colspan="2" class="xd21e7497 cellHeadRight cellHeadTop"><b>IN HET
-EIWIT.</b></td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadBottom"></td>
-<td class="xd21e7497 cellHeadBottom">door Poleck.</td>
-<td class="xd21e7497 cellHeadBottom">door Weber.</td>
-<td class="xd21e7497 cellHeadBottom">door Poleck.</td>
-<td class="xd21e7497 cellHeadRight cellHeadBottom">door Weber.</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Kali</td>
-<td class="xd21e7497">8,93</td>
-<td class="xd21e7497">10,90</td>
-<td class="xd21e7497">2,36</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">27,66</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Natron</td>
-<td class="xd21e7497">5,12</td>
-<td class="xd21e7497">1,08</td>
-<td class="xd21e7497">23,04</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">12,09</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Chloorkalium</td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497">41,29</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Chloornatrium</td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497">9,12</td>
-<td class="xd21e7497">9,16</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">39,30</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Kalk</td>
-<td class="xd21e7497">12,21</td>
-<td class="xd21e7497">13,62</td>
-<td class="xd21e7497">1,74</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">2,90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Magnesia</td>
-<td class="xd21e7497">2,07</td>
-<td class="xd21e7497">2,20</td>
-<td class="xd21e7497">1,60</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">2,70</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">IJzeroxyde</td>
-<td class="xd21e7497">1,45</td>
-<td class="xd21e7497">2,30</td>
-<td class="xd21e7497">0,44</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,54</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Phosphorzuur</td>
-<td class="xd21e7497">63,81</td>
-<td class="xd21e7497">60,16</td>
-<td class="xd21e7497">4,83</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">3,16</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Phosphorzuurhydraat</td>
-<td class="xd21e7497">5,72</td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497 cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zwavelzuur</td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497"></td>
-<td class="xd21e7497">2,63</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">1,70</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Kieselzuur</td>
-<td class="xd21e7497">0,55</td>
-<td class="xd21e7497">0,62</td>
-<td class="xd21e7497">0,49</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight">0,28</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Koolzuur</td>
-<td class="xd21e7497 cellBottom"></td>
-<td class="xd21e7497 cellBottom"></td>
-<td class="xd21e7497 cellBottom">11,60</td>
-<td class="xd21e7497 cellRight cellBottom">9,67</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb355" href="#pb355" name=
-"pb355">355</a>]</span></p>
-<p class="par">Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het
-zamenstel van het ei uit zoo <span class="ex">velerlei</span>
-verschillende stoffen die in genen deele enkelvoudige stoffen zijn,
-maar die elk weder bestaan uit eene vereeniging ten minste van 2,
-gewoonlijk van 3, ja 4 zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke
-moeijelijkheden de natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te
-kampen hebben, om de verschijnselen van het organische leven terug te
-brengen tot de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste
-stelling onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene
-voldoende wijze is bekend): dat menging,<a class="noteref" id=
-"xd21e7774src" href="#xd21e7774" name="xd21e7774src">7</a> kracht en
-vorm allen niet anders dan <span class="ex">gel&#307;kt&#307;dig</span>
-zich veranderen en dat, wanneer verandering in de menging plaats heeft,
-noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of eigenschap) en de vorm
-zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk betreft b. v., behoeven wij
-slechts een blik te werpen op onze tuinen en onze tamme aardappelen en
-groentesoorten gade te slaan, waarin men de oorspronkelijke, in het
-wild groeijende stamplanten ter naauwernood kan herkennen, om deze
-stelling ten volle bewaarheid te zien, en wij moeten bekennen dat
-gelijke voeding (gelijke stofcombinatie): gelijke <span class="corr"
-id="xd21e7780" title="Bron: gestaltevormig">gestaltevorming</span>,
-ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie): ongelijke gestaltevorming
-ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan de algemeene geldendheid van
-den regel dezer stelling twijfelen, wanneer men het dierenrijk
-gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei eene hen, uit het andere een haan
-geboren wordt, niettegenstaande de scheikundige niet in staat is eenig
-onderscheid in de zamenstelling dezer eijeren te ontdekken. Dit kan
-echter zijn grond hebben in de onvolkomenheid der methode of wel
-hierin, dat <span class="pagenum">[<a id="pb356" href="#pb356" name=
-"pb356">356</a>]</span>men er tot heden niet in geslaagd is om door
-middel der analyse van organische ligchamen resultaten te verkrijgen,
-welke eene voldoende juistheid bezitten.</p>
-<p class="par">Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en
-zuurstof meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C<sub>12</sub>
-H<sub>11</sub> O<sub>11</sub>) deze wordt omgezet in druivensuiker
-(C<sub>12</sub> H<sub>12</sub> O<sub>12</sub>), of dat vijf atomen
-water, ontnomen aan den <span class="ex">reuk</span>- en smakeloozen,
-fraai gekristalliseerden zoogenaamden terpentijnkamfer (C<sub>20</sub>
-H<sub>16</sub> + <sub>6</sub>HO), dezen veranderen in eene aangename,
-naar hyacinthen riekende olie (C<sub>20</sub> H<sub>17</sub>
-O),&mdash;of dat ligchamen, welke niet slechts wat betreft de
-mengingsgewigten hunner bestanddeelen, maar (even als de 2
-verschillende zuren waarin het druivenzuur zich laat ontleden)
-insgelijks in alle andere eigenschappen <span class=
-"ex">b&#307;na</span> volkomen met elkander overeenstemmen,
-<span class="ex">niettemin</span> van elkander verschillen moeten in de
-menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de gepolariseerde
-lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg brengt en het
-polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere ter linkerzijde
-afwijkt,&mdash; ja dat een geheel onschadelijk zout, als mierenzure
-ammoniak (H<sub>4</sub> NO, C<sub>2</sub> HO<sub>3</sub>) bloot door
-het te verhitten in een sterk werkend vergift, in <span class=
-"ex">blaauwzuur</span> (HC<sub>2</sub> N (+ <sub>4</sub>HO) wordt
-veranderd, hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk
-zuur, weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,&mdash;dat derhalve uit
-schijnbaar zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere
-krachten worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere
-eigenschappen dan vroeger ontstaan,<a class="noteref" id="xd21e7850src"
-href="#xd21e7850" name="xd21e7850src">8</a> dan mogen wij de stellige
-hoop <span class="pagenum">[<a id="pb357" href="#pb357" name=
-"pb357">357</a>]</span>voeden, eenmaal in staat te zullen zijn niet
-slechts in de zaden van alle planten, maar insgelijks in de eijeren van
-alle dieren (waaruit zich zoo verschillende krachten en eigenschappen
-ontwikkelen) eveneens <span class="ex">stoffel&#307;k</span>
-onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige weinige
-meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine, cerebrine
-en dergelijken.</p>
-<p class="par">Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij
-bedenken dat de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet
-meer dan een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen,
-schijnbaar tot in het oneindige voortgaat en dat&mdash;om slechts een
-voorbeeld aan te halen&mdash;alleen het aantal der ontledings- en
-afleidingsproducten welke van de <span class="ex">alcoholen</span>
-afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige aldehyden en de
-bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort behooren) zoo
-buitengewoon groot is, dat naar de berekening van den Franschen
-scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende <span class=
-"ex">alcoholradicaal</span><a class="noteref" id="xd21e7879src" href=
-"#xd21e7879" name="xd21e7879src">9</a> (koolstof en waterstof) en
-<span class="ex">ammoniak</span> (stikstof en waterstof) meer dan 60000
-verschillende verbindingen kunnen worden gevormd die allen
-verschillende eigenschappen bezitten.</p>
-<p class="par">Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de
-hersenen van een orthodoxen pastoor die v&oacute;&oacute;r 500 jaren
-over Gods moeder, Gods vader of over de hemelvaart van Gods
-<span class="pagenum">[<a id="pb358" href="#pb358" name=
-"pb358">358</a>]</span>zoon predikte, uit <span class=
-"ex">dezelfde</span> stofdeelen, of althans grootendeels uit dezelfde
-atomen zuur-, water-, kool- en stikstof, phosphorus, natron, kali en
-kalk bestonden, die deels tot water, deels tot meer za&acirc;mgestelde
-vet- en eiwitachtige verbindingen (als ela&iuml;ne, oliezuur,
-oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine, cerebrinezuur, enz.)
-za&acirc;mgegroepeerd waren en welke heden (juist in dergelijke
-verbindingen) de geheel anders denkende hersenen van den wijsgeer
-Feuerbach vormen, nadat zij v&oacute;&oacute;r 176 jaren reeds hadden
-medegewerkt tot het daarstellen van den &bdquo;ketterschen&rdquo; kop
-van Spinoza,&mdash;dan moeten wij het insgelijks als mogelijk
-beschouwen dat het ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de
-algemeene overeenstemming welke in de genoemde verbindingen heerscht,
-een onderscheid in de chemische zamenstelling der verschillende
-individuele hersenen te ontdekken en daaruit de onderscheidene
-rigtingen van gedachten der vele millioenen menschen, die gelijktijdig
-op aarde leven en na elkander geleefd hebben, uit de stof te verklaren.
-Wij durven deze hoop voeden, hoewel onder al deze millioenen welligt
-slechts enkele individuen worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar
-gelijke uitwendige omstandigheden waarin zij leven, in de rigting
-hunner gedachten, zoomede in de trekken huns karakters en in den
-uitwendigen vorm des ligchaams volkomen met elkander overeenkomen.
-Verschil in menging, eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze
-hersenen meer, in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige
-stoffen tot za&acirc;mgestelde verbindingen,&mdash;geringe afwijkingen
-in den vorm en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van
-de afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan (in
-verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg
-gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de
-rigting der denkbeelden en de <span class="pagenum">[<a id="pb359"
-href="#pb359" name="pb359">359</a>]</span>mate van geestvermogens dier
-millioenen van individuen.</p>
-<p class="par">Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken,
-waarop deze verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in
-verband staan tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en
-de stoffelijke wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle
-verschijnselen in de organische natuur zich zinnelijk
-openbaren;&mdash;het <span class="ex">waarom</span>? deze wetten echter
-juist zoodanig en niet anders werken,&mdash;waarom aan elke
-verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-,
-in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook
-telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen of
-levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere
-stofcombinatie ontmoeten,&mdash; dit laatste <span class=
-"ex">waarom</span> zullen wij nimmer doorgronden, maar altijd stuiten
-op iets dat ons onverklaarbaar is.</p>
-<p class="par">Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het
-natuurnoodzakelijkheid, wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil,
-eeuwig zelfbewustzijn; noemt het <span class="ex">God</span>!&mdash;wat
-toch doet de naam ter zake?&mdash;Maar dit onbekende dat op den
-helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo geheimzinnige
-wijze, <span class="ex">uitsluitend naar vaste wetten in, met en
-door</span> deze raadselachtige atomen, welke datgene za&acirc;mstellen
-hetwelk wij &bdquo;stof&rdquo; noemen,&mdash;het is verheven, het is
-wonderbaar en schoon!</p>
-<p class="par signed">(<i>was geteekend</i>) <span class=
-"sc">Avondrood</span>.<a class="noteref" id="xd21e7918src" href=
-"#xd21e7918" name="xd21e7918src">10</a> <span class="pagenum">[<a id=
-"pb360" href="#pb360" name="pb360">360</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Niettegenstaande de
-gematigde slotsom welke gij ten laatste uit uw stelsel van natuur en
-God trekt, komt het mij niettemin huiveringwekkend, ja vreesselijk voor
-en ik wensch hartelijk dat het nimmer opgang vinde bij het publiek,
-dewijl het een verderfelijken invloed op de maatschappij zou kunnen
-uitoefenen. Hoe zou ik God als een rein, heilig, goed wezen kunnen
-vereeren, indien ik op uw voetspoor moest gelooven dat Hij bloeddorstig
-in gindschen tijger rondsluipt om buit te zoeken, of in dezen
-moordenaar woedt die zijns nabuurs vrouw en kind om het leven brengt,
-of diens huis in brand steekt ten einde hem te berooven of zich op hem
-te wreken?&mdash;Hoe durf ik dan den booswicht straffen? Wat zal ik hem
-antwoorden, wanneer hij zich met de door u verkondigde leer
-verontschuldigt en zegt: &bdquo;ik werd door eene onwe&ecirc;rstaanbare
-kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;&mdash;deze mij
-beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden in den
-vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw en eene
-bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen; ik heb geen
-vrijen wil.&rdquo;&mdash;Voert uwe leer niet regtstreeks naar het
-geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus, dat
-reeds zoo veel onheil heeft gesticht?</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Waarde broeder!
-Indien gij u als geloovige Christen en met orthodoxe gestrengheid aan
-de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst houdt, kan ik u met eene menigte
-bijbelplaatsen bewijzen dat gij dan evenzeer in den geest van
-Augustinus en Calvijn moest gelooven aan de praedestinatie. Ik wil mij
-echter niet beroepen op boeken of autoriteiten, maar uitsluitend op de
-natuur. Voor den natuuronderzoeker bestaat er evenmin een vrije wil,
-als een blind toeval, dewijl alles wat in de natuur geschiedt, wat de
-mensch verrigt en wat hij denkt, een noodzakelijk gevolg is van
-voorafgegane oorzaken. <span class="pagenum">[<a id="pb361" href=
-"#pb361" name="pb361">361</a>]</span>Ook de menschelijke wil is, zoo
-als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen, slechts een
-schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel van oorzaken
-gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande de oorzaken
-waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde menigwerf zoo
-verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo zamengesteld en
-ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd mogelijk is ze
-duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als zeker worden
-beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande, aan uwen
-persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de hoedanigheid der
-<span class="ex">voorwetenschap</span> moet toekennen en aannemen moet
-dat Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze<span class="corr"
-id="xd21e7936" title="Niet in bron">,</span> de misdaad welke is
-gepleegd, <span class="ex">vooraf bekend was</span> en dat hij zulks
-niet verhinderde, hoewel Hij &bdquo;almagtig&rdquo; is. Hetgeen ik
-reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik thans niet te herhalen: dat
-deze voorwetenschap en het niet verhinderen door den almagtigen God
-volkomen van gelijke beteekenis is te achten met het zelf verrigten der
-daad. Een menschelijk spreekwoord zegt: &bdquo;de heler is zoo goed als
-de steler.&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij dwaalt, broeder,
-indien gij mij beschouwt als een gedachteloozen naprater van de woorden
-des bijbels. Veroorloof mij u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof
-der orthodoxe school reeds voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede
-verheven boven het geschrevene woord, waaraan ik slechts dan geloof,
-wanneer het met de wetten van het redelijke denken niet in strijd is.
-Het dualismus van God en der natuur schijnt mij echter volstrekt
-noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid der ziel van de stof, aan
-den vrijen wil des menschen moet ik gelooven, dewijl anders aan de
-zedeleer hare wezenlijke, d.i. <span class="ex">zedel&#307;ke</span>
-grondslag geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van
-het goede en het <span class="pagenum">[<a id="pb362" href="#pb362"
-name="pb362">362</a>]</span>kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij
-niet bevredigen.</p>
-<p class="par">Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden,
-moeten wij de voorwetenschap aan God ontzeggen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Wat?&mdash;dan
-verlaagt gij uwen God tot <span class="ex">beneden</span> den mensch!
-Wij <span class="ex">menschen</span> weten immers veel van hetgeen over
-tien, over honderd, ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te
-zeggen, namelijk al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die
-ons <span class="ex">volkomen</span> bekend zijn geworden!&mdash;En zou
-uw God deze natuurwetten minder goed kennen dan wij?&mdash;Geven wij
-niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt, een sterrekundig jaarboek of
-zeemansalmanak uit, waarin de stand van alle planeten ten opzigte van
-elkander en van de zon, der trawanten ten opzigte van de planeten,
-zoomede de stand dezer hemelligchamen ten opzigte van de vaste sterren
-met betrekking tot onze aarde, voor elken dag des jaars, voor elk uur
-van den dag, voor elke minuut, seconde, ja voor een gering gedeelte
-eener seconde met juistheid vooraf wordt bekend gemaakt?&mdash;Weten
-wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den 19<sup>den</sup>
-Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben, en zijn
-wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij zigtbaar zal
-zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en van het einde
-der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van het verduisterde
-gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke er mede gepaard
-zullen gaan?&mdash;Hebben de sterrekundigen dan niet even naauwkeurig
-als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats grijpen,
-insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor de zon
-honderden van jaren vooraf berekend!&mdash;Weten wij dan niet, dat de
-&bdquo;morgen- en avondster&rdquo; welke ons zoo menigwerf door haren
-helderen glans verheugt, op den 8<sup>sten</sup> December des jaars
-2125&mdash;derhalve na verloop <span class="pagenum">[<a id="pb363"
-href="#pb363" name="pb363">363</a>]</span>van 271 jaren&mdash;als eene
-kleine zwarte schijf voorbij de zon zal gaan, nadat zij te rekenen van
-1874 tot op 2117 reeds vijfmaal datzelfde verschijnsel zal hebben
-opgeleverd?&mdash;Ja, heeft men zelfs niet de wetten ontdekt welke den
-loop regelen der kometen, die gedeeltelijk duizenden van jaren behoeven
-om hare banen te doorloopen, en het weder verschijnen der Olbersche
-komeet (welke in 1815 werd waargenomen) op den 9<sup>den</sup>
-Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel dat van de komeet
-van 1807 op de 33<sup>ste</sup> eeuw en dat van de komeet van 1811,
-naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf
-gezegd?&mdash;Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene
-nog geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze
-in het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog
-haar had gezien en zeiden zij niet vooraf, <span class="ex">dat men
-haar daar zou vinden</span>, ter plaatse waar men haar later werkelijk
-vond en Neptunus noemde?&mdash;Zijn wij zelfs de wetten niet op het
-spoor die zoowel op het physieke, als op het maatschappelijke leven des
-menschen invloed uitoefenen en naar welke wij het gemiddelde getal der
-toekomstige geboorten, sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons
-in staat stellen met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke
-650 personen in Frankrijk jaarlijks &eacute;&eacute;n zich aan misdrijf
-zal schuldig maken,&mdash;als wij de hoeveelheid regen naar duimen en
-strepen vooruit kunnen bepalen, welke in de eerstvolgende vijf jaren te
-&rsquo;s Gravenhage of te Utrecht zal vallen!&mdash;Zou uw God
-onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de natuurwetten niet
-<span class="ex">beter</span> kennen dan wij en met behulp daarvan niet
-in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, <span class="ex">welke</span>
-van die 650 personen de misdaad begaan en hoeveel regen <span class=
-"ex">dagel&#307;ks</span> op elke plaats vallen zal?&mdash;Is het niet
-duidelijk dat ons onvermogen om het lot van <span class="ex">elk
-b&#307;zonder <span class="pagenum">[<a id="pb364" href="#pb364" name=
-"pb364">364</a>]</span>mensch</span>, om de we&ecirc;rsgesteldheid van
-<span class="ex">elken afzonderl&#307;ken dag</span> vooraf te kunnen
-opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der verschijnselen, in
-het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken, waardoor het heldere
-overzigt van de wetten die dit alles regeren, voor ons bemoeijelijkt of
-onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het noodzakelijke gevolg, het
-eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde zamenwerking van <i>al</i>
-deze oorzaken of krachten geboren wordt. <span class="ex">Uit</span> de
-volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis
-in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen
-voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in
-zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer
-gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Broeder, dit denkbeeld
-doet mij duizelen; gij voert mij naar een afgrond waarin ik vrees te
-verzinken.</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Lieve <span class=
-"sc">Nacht</span>! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond kunt
-<span class="ex">omgaan</span>. Er voert slechts <span class="ex">een
-enkele</span> weg daarom heen. Volg mij en ik zal u geleiden naar de
-bloemrijke beemde, waar geen tweespalt heerscht en alles zich in
-harmonie oplost.</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Vergunt mij vooraf
-nog een enkel woord hier bij te voegen. De wijsgeeren hebben reeds van
-den vroegsten tijd tot op Kant en van dezen tot op Hegel over den
-vrijen wil gestreden, maar de vraag is tot heden onopgelost gebleven.
-Wij zijn geene wijsgeeren, geene idealisten, maar natuuronderzoekers en
-behooren te trachten om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf
-zoo duidelijk en zoo eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een
-van deze beide gevallen kan waar zijn. <i>Of</i> (<i>a</i>) wij hebben
-een vrijen wil en daar deze slechts denkbaar is als de eigenschap eener
-zelfstandige, onsterfelijke ziel, moeten wij eene ziel hebben welke
-onafhankelijk is van <span class="pagenum">[<a id="pb365" href="#pb365"
-name="pb365">365</a>]</span>de chemische en physieke krachten, die in
-onze hersenen en in de overige deelen onzes ligchaams werkzaam
-zijn.&mdash;<i>Of</i> (<i>b</i>) de aanwezige verschijnselen en
-opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener zoodanige
-onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de werkzaamheid der
-chemische en physieke krachten in onze hersenen: maar dan kunnen wij
-geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer wel weet, deze chemische
-en physieke krachten aan onveranderlijke en onverbiddelijk gestrenge,
-consequente natuurwetten gehoorzamen.</p>
-<p class="par">Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling
-<i>a</i> ons leidt. Wij zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit
-als natuuronderzoekers zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel
-veranderen, maar dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen
-geschapen worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw
-geschapen zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm
-hebben bestaan. Om nu het <span class="ex">aanwezen</span> te verklaren
-dezer zelfstandige zielen welke van de naar vaste wetten werkende
-natuurkrachten onafhankelijk zijn en een vrijen wil zouden hebben,
-moeten wij toch het bestaan van een zielen<span class=
-"ex">voorraad</span> of eene zielenbron aannemen van waar zij (langs
-voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen, derhalve
-eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze goddelijke ziel
-heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons onbekend is wanneer
-zulks plaats had, of dit geschiedde bij de bevruchting, in het embryo,
-bij de geboorte, of later?) en zich herschapen in eene <span class=
-"ex">b&#307;zondere</span> (individu&euml;le, menschelijke) ziel met
-<span class="ex">b&#307;zonderen</span> vrijen wil. Maar vrijheid van
-wil en almagt moet toch bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel,
-dewijl zij zich in het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had
-kunnen overstorten, indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu
-echter uwe zielen, zoomede de zielen van zoo vele millioenen
-<span class="pagenum">[<a id="pb366" href="#pb366" name=
-"pb366">366</a>]</span>andere menschen&mdash;elk
-afzonderlijk&mdash;<span class="ex">haren eigen, onafhankel&#307;ken
-vr&#307;en</span> wil heeft, hoe kan God dan almagtig zijn en een
-vrijen wil hebben, uithoofde iets vrijs buiten hem,&mdash;uithoofde zoo
-vele milioenen <span class="ex">afzonderl&#307;ke, van hem
-onafhankel&#307;ke</span> gedeelten van vrijen wil aanwezig
-zijn?&mdash;Is deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en
-leidt zij niet regtstreeks tot het geloof aan <span class=
-"ex">wonderen</span>, &rsquo;t welk gij, broeder <span class=
-"sc">Dag</span>, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden?
-Betaamt het ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten
-na te speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan
-dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een
-dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de
-natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan
-toezien en&mdash;zielen scheppen, namelijk scheppen <span class=
-"ex">zoodra</span> de gelegenheid daartoe gekomen is, derhalve
-voortdurend oppassen en&mdash;<span class="ex">zoo spoedig</span> en
-zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam
-(zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil)
-aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad de
-vereischte <span class="ex">stof</span> daartoe te verschaffen, fluks
-van zijne zijde eene <span class="ex">ziel</span> in deze stof te
-scheppen en te zeggen, daar ziel, loop; ik wil dat gij zijt en na negen
-maanden vrijen wil hebt. Want dan zijt gij vrij en kunt uwes weegs
-gaan; maar geef acht, dat gij de vingers niet brandt; want allerwege om
-u heen zijn natuurkrachten werkzaam en deze bekommeren zich noch om u,
-noch om uwen vrijen wil.</p>
-<p class="par"><i>b.</i> Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet
-gelooven, dewijl zij in strijd zijn met het verstand en met de
-waarneming, welke laatste leert dat de zielsvermogens van den mensch
-<span class="ex">slechts van lieverlede in</span>, met <span class=
-"ex">en door de <span class="pagenum">[<a id="pb367" href="#pb367"
-name="pb367">367</a>]</span>stof</span>&mdash;het ei, embryo, foetus,
-kind, jongeling en volwassen mensch&mdash;tot ontwikkeling komen. Er
-blijft ons derhalve niets over dan de tweede veronderstelling aan te
-nemen en God met de natuur te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen
-wij&mdash;naar de stellige of absolute beteekenis van dit
-begrip&mdash;aan geen vrijen wil gelooven. Dit denkbeeld van vrijheid
-van wil is slechts een zelfbedrog, een waan, waarin de meeste menschen
-van de wieg tot aan het graf blijven voortleven.&mdash;Enkele
-diepdenkende personen hebben zich boven dien waan verheven en
-onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur, die zich in
-hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit de gedachte:
-wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn, aan stof
-gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder <span class=
-"ex">vr&#307;</span> worden. Als individu hebben wij niets dat ons
-eigen toebehoort, behalve dit individu&euml;le bewustzijn (deze
-afspiegeling der gansche natuur is ons binnenste door middel onzer
-zintuigen), dat na onzen dood in de Godziel als herinnering zal
-voortleven.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Uwe beschouwing is in
-strijd met mijn innigst gevoel. De grens tusschen <span class=
-"ex">zedel&#307;ke</span> en physieke vrijheid wordt door u niet
-duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid
-onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen
-dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van <span class=
-"ex">zedel&#307;ke</span> beweegredenen en dat wij in dien
-zin&mdash;zedelijk&mdash;wel degelijk vrij moeten zijn.</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Vergun mij dan, dat
-ik dit denkbeeld naauwkeuriger beschrijf.&mdash;De innerlijke
-opgewektheid, die wij begeerte, <span class="ex">willen</span> noemen,
-hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen die,
-gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg van
-uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel, zoomede
-van het <span class="pagenum">[<a id="pb368" href="#pb368" name=
-"pb368">368</a>]</span>voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve
-niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee
-begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene
-begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij <span class=
-"ex">overleggen en eene keuze doen</span>, daar schijnen wij ons zelven
-toe vrij te zijn. Maar eene andere vraag is deze: of wij de
-overleggingen, dan of de overleggingen ons beheerschen.&mdash;Ik geloof
-dat zij <span class="ex">ons</span> beheerschen. Want van waar toch
-komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons zelven,
-maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen ons hebben
-gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter en den
-aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet
-gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke
-menging;&mdash;hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen
-van eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen
-zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde
-behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling dragen
-later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het opwassende
-individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen treden. Maar
-noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de wijze van
-behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch het stelsel
-waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van het individu.
-Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet wilde inzien dat
-onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze en ons karakter het
-product zijn der genoemde omstandigheden, welke de ontwikkeling van het
-individu beheerschen en waarop deze niet den geringsten invloed kan
-uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken waarop onze keuze niet den
-geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar zich (veelal onbemerkbaar,
-dewijl er geen acht op geslagen <span class="pagenum">[<a id="pb369"
-href="#pb369" name="pb369">369</a>]</span>wordt&mdash;) in rijperen
-leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde moet, gelijk ik
-reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden veranderd waarmede wij
-het goede en kwade meten en behoort deze zuiver menschelijk te
-zijn.&mdash;Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben gelezen van
-den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden aan den arbeid
-zat,&mdash;tot hij eens plotseling in woede geraakte, zijne vrouw en
-kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene vreeselijke wijze om
-het leven bragt? Indien hij in het leven ware gebleven, zou de regter
-dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem van moord beschuldigen
-en als moordenaar hebben durven straffen? Was de moord aan zijne vrouw
-en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad van willekeur of eene
-onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt de grens tusschen
-gezond van geest en krank van geest?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Daarover behoort de
-geneeskundige te beslissen. Dergelijke gevallen, waarvan gij zoo even
-gesproken hebt, waar het moeijelijk is te beoordeelen of een individu
-gezond of ziek van geest is, kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De
-gezonde echter&mdash;hieraan valt niet te twijfelen&mdash;heeft het
-<span class="ex">volle bewustz&#307;n</span> van de beweegredenen
-zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk zijn.
-Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den <span class=
-"ex">zedel&#307;ken</span> wil des menschen als een noodzakelijk gevolg
-van oorzaken voorstellen, die niet weder kunnen beschouwd worden als
-zijn eigen wil, maar daarvan geheel onafhankelijk zijn!&mdash;<i>Ik</i>
-geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke wil, als eene eigenschap
-mijner ziel die mij door God werd geschonken, <span class=
-"ex">slechts</span> van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u
-wordt beweerd, van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke
-willen is geene natuurwet, maar eene <span class="ex">taak</span>, een
-<span class="ex">ideaal</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb370"
-href="#pb370" name="pb370">370</a>]</span>naar welks verwezenlijking de
-mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal
-meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en all&eacute;&eacute;n
-het gevolg zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet
-integendeel het gevolg zijn van eene <span class="ex">innerl&#307;ke,
-aan wetten gebondene regelmaat van het geestel&#307;ke leven
-zelf</span>.</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Dat heet met andere
-woorden: &bdquo;de oorzaak van den wil ligt in de vatbaarheid van het
-geestelijk leven om opgewekt te worden.&rdquo;&mdash;Gij geeft daarmede
-toch tevens te kennen dat er innerlijke <span class=
-"ex">dr&#307;fveeren</span>, <span class="ex">oorzaken</span> van den
-wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest bepaalde wil steeds
-het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust, derhalve <span class=
-"ex">afhankel&#307;k van beweegredenen</span> is, d. i. van oorzaken
-die eerst v&oacute;&oacute;r korten tijd of reeds vele jaren geleden op
-uw voor indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend,
-waarvan de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige
-omstandigheden zich vereenigen, die <span class="ex">opwekkend</span>
-zijn voor dezen indruk, zal hij zich als een gevolg dier vroegere
-oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is moeijelijk om met
-u te redetwisten. Maar gij zult toch toegeven dat de wil niet
-<span class="ex">in dier voege</span> aan bepaalde beweegredenen is
-gebonden, dat <span class="ex">niet ook andere</span> oorzaken invloed
-daarop zouden kunnen uitoefenen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Gij lacht en gij
-(<span class="sc">Nacht</span>) fronst het voorhoofd?&mdash;Zonderling;
-waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische leven
-juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten,
-positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat,
-maar slechts of de mensch als verschijnsel met <span class=
-"ex">betrekking tot andere menschen</span> dezen vrijen wil heeft en
-dit geloof ik volmondig toestemmend <span class="pagenum">[<a id=
-"pb371" href="#pb371" name="pb371">371</a>]</span>te moeten
-beantwoorden. Of de mensch eene daad <i>a</i> als zelfstandig vrij
-wezen, dan of <i>b</i> eene onbekende magt <span class="ex">in
-hem</span> de wilsuiting te weeg brengt, dit is den regter
-onverschillig. Daarnaar behoeft hij niet te vragen, dewijl hij zich
-noodzakelijker wijze in <span class="ex">hetzelfde</span> geval bevindt
-als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het geval <i>a</i> of
-in het geval <i>b</i>. De zederegter en wetgever grondt wel degelijk
-zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van toerekenbaarheid
-van het individu, niet op de mate waarin hij de mogelijkheid of
-onmogelijkheid van het bestaan des <span class="ex">absoluut</span>
-vrijen wils in aanmerking neemt, maar slechts in <span class="ex">zoo
-verre</span> als hij, om te beloonen of te straffen, noodig heeft
-<span class="ex">ten eerste</span> een persoon aan wien de wil als een
-zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en <span class="ex">ten
-tweede</span> het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld
-wordt, als voorbedachte daad is gevolgd.&mdash;Het is waar, ook hier
-loopen de grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen
-en handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is
-deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde
-wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene
-verbetering meer mogelijk is, maar dat <span class=
-"ex">onschadel&#307;k worde gemaakt</span>, hetgeen voor de zamenleving
-verderfelijk zou kunnen worden.</p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Toegegeven, broeder!
-Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van ouds her werd het als eene deugd
-der goede en verlichte vorsten beschouwd, dat zij de misdadigers genade
-schonken en de doodstraf slechts in zeldzame gevallen lieten
-voltrekken, wanneer de toestand der maatschappij dit vorderde of de
-openbare meening dit offer scheen te verlangen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Dit is eene stelling van
-uw systeem welke ik zou kunnen beamen, namelijk in zoo verre het
-wenschelijk is te achten dat de twijfel aan de mate van
-toerekenbaarheid <span class="pagenum">[<a id="pb372" href="#pb372"
-name="pb372">372</a>]</span>der misdadigers den wetgever tot eene
-zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot
-afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet
-dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid en
-de <span class="ex">afschrik verwekkende</span> straffen geheel en al
-afgeschaft waren, de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden
-toenemen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Veroorloof mij op
-deze vraag te antwoorden. Ik vermeen mij overtuigd te mogen houden, dat
-ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen ben toegedaan als broeder
-<span class="sc">Avondrood</span> en <span class="sc">Dag</span>.
-Vooreerst verzoek ik u uwe eigene ervaring te raadplegen en neem ik de
-vrijheid u te herinneren aan de feiten uit de geschiedenis.&mdash;Dit
-afschrikkingssysteem staat in dezelfde verhouding tot de voormalige
-wetgevingen, als de hel en het vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik
-loochen niet dat de afschuw van straf en schande bij vele, niet zeer
-hartstogtelijke menschen eene beweegreden kan zijn, welke invloed op
-hunnen wil uitoefent en hen terug houdt van het plegen van misdaden.
-Uit dien hoofde acht ik het ook goed, dat onze wetboeken
-strafbepalingen stellen op het booze d. i. op datgene wat in strijd is
-met de eischen der maatschappij, wat <span class="ex">een derde</span>
-schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de straffen in het
-algemeen, maar alleen tegen het doel ter <span class=
-"ex">afschrikking</span> hetwelk in <i>gruwzame en onmenschelijke</i>
-straffen zou gelegen moeten zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft
-de geschiedenis ten klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in
-eene regtstreeksche verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger
-tot het bedrijven er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets
-doen. Zoo lang de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt
-volstrekt niet aan gedacht.</p>
-<p class="par">Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad
-<span class="pagenum">[<a id="pb373" href="#pb373" name=
-"pb373">373</a>]</span>hare galg en haar halsgerigt, waar gehangen,
-gevild, Met gloeijende tangen geknepen, gevierendeeld, geradbraakt en
-levend verbrand werd? En zijn wel ooit meer en vreesselijker misdaden
-bedreven; hebben de papen,&mdash;deze geestelijke Bothriocephali der
-menschheid&mdash;in eenig tijdperk der geschiedenis ooit erger gewoed
-dan destijds, toen halsgerigten en galgen even talrijk waren als
-kruizen en bidkapellen; toen het geloof aan hel en vagevuur als het
-eerste en gewigtigste leerstuk werd beschouwd, dat wel is waar de
-menschen niet afschrikte van het kwaad, maar niettemin een
-voortreffelijk lokaas was om de kelders der kloosters met wijnvaten en
-de buidels der bisschoppen met geld te vullen? Welke zedeloosheid
-heerschte destijds in alle rangen der maatschappij, welke snoodheden
-werden niet bedreven!&mdash;En zou juist het dagelijksche schouwspel
-der barbaarsche straffen, het voorbeeld der beulsknechten die in
-grooten getale op hunne schavotten werkzaam waren, niet hebben
-medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen nog lager te doen
-dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te maken met tooneelen
-van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het plegen van nieuwe
-misdaden voorbereid hebben?</p>
-<p class="par">Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer
-gevonden die aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar
-wordt nog een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en
-invloed hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op
-den Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende
-armoede kan bedaren,&mdash;dat slechts de vrees voor hel en duivel de
-zucht tot oproer bedwingen en het &bdquo;gepeupel&rdquo;, de onwetende
-volksmassa in toom houden kan,&mdash;maar desniettemin (ja, ik geloof
-<span class="ex">juist om die reden</span>) zult gij vinden, dat het
-aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder een gelijk aantal der
-bevolking <span class="pagenum">[<a id="pb374" href="#pb374" name=
-"pb374">374</a>]</span>in gelijke mate heeft afgenomen, als de
-beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn innigste
-overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan nog veel
-sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst de
-tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer eerst
-der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft en men
-zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te jagen met
-hel en vagevuur, met <i>menschenliefde</i> <span class="ex">te
-verheugen</span>.</p>
-<p class="par">Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen
-slechts een schijnbaar geloof, een geloof dat <span class=
-"ex">niet</span> gelooft hetgeen zij vermeent te gelooven; het is niets
-anders dan een <span class="ex">besluiteloos, flaauw
-ongeloof</span>,&mdash;hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften
-vervoeren, van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener
-hel is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en
-wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in
-spijt van de hel met al hare duivelen!&mdash;Ja, de ervaring heeft
-geleerd, dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te
-hechten aan de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal
-gingen, in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste
-misdaden hebben bedreven.</p>
-<p class="par">De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het
-kwade, heeft haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en
-spruit voort uit de overtuiging dat hij, het individu, op den duur
-<i>zelf</i> niet gelukkig kan zijn, indien hij er niet naar streeft om
-zijne medemenschen in wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te
-maken. Deze waarheid is zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs
-openbaart onder een handvol wilden, zoodra deze hun zwervend leven
-verlaten, zich onderling naauwer aan&eacute;&eacute;nsluiten en eene
-kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine maatschappelijke
-vereeniging <span class="pagenum">[<a id="pb375" href="#pb375" name=
-"pb375">375</a>]</span>van menschen die in een gehucht van 6 &agrave;
-10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven
-bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze
-moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken
-op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet,
-menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden
-hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Dat is volkomen waar!
-Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer dan eenen wilden volkstam in den
-Indischen archipel waargenomen. Wel schijnt de ware menschenliefde den
-Christenen zoo vreemd te zijn,&mdash;wel schijnen zij haar zoo verre
-van hunne natuur verwijderd te achten, dat zij den Hebre&euml;r die
-voor 18&frac12; eeuw het aankweeken van menschenliefde aanbeval en
-niets meer en niets minder dan <span class="ex">menschenliefde</span>
-aanbeval, die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden
-onder zich doen en jegens elkander in acht nemen,&mdash;dat zij dezen
-man als een onbereikbaar ideaal vergoden.</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Lieve broeders! Ik
-herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit het leven dier zoogenaamde
-wilden en geloof, dat gij ten opzigte van <i>dit</i> punt de zaak bij
-het regte einde hebt. Het smart mij te moeten bekennen dat de
-vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan door de wijze waarop
-onze bigotte oom R....<a class="noteref" id="xd21e8311src" href=
-"#xd21e8311" name="xd21e8311src">11</a> mij heeft opgevoed,
-niettegenstaande <span class="pagenum">[<a id="pb376" href="#pb376"
-name="pb376">376</a>]</span>zij in strijd zijn met alle regelen van het
-gezond verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste
-weder trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig
-geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld heeft
-gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn het die op
-het karakter den stempel drukken en den man in rijpen leeftijd maken
-tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne geboorte
-medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker ketel met
-goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan dezen aanleg
-de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen, en de lotgevallen
-zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle menschenvrienden
-hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden op de
-opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!&mdash;Wat ben ik niet in
-gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste jeugd als
-heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden en de arme
-Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde Christendom
-onderrigt te geven!</p>
-<p class="par">U, broeder <span class="sc">Dag</span>, zeg ik dank dat
-gij mij voor dergelijke zonde heb bewaard die ik zonder opzet, ja, met
-de beste bedoeling zou begaan hebben, toen mijn verstand nog beneveld
-was door het tot eene gewoonte gewordene, aangeleerde, diep
-ingewortelde en ingeprente drie-eenheids dogma.&mdash;Nu echter rust
-ook op u de verpligting, de leerstellingen van onzen oudsten broeder te
-wederleggen, die mij in een afgrond dreigen te storten van waar ik geen
-uitweg kan vinden.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ik wil u gaarne mijne
-gevoelens daaromtrent mededeelen en ik hoop, dat ik eenige van de
-tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen, die welligt slechts daarom
-onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge tegenspraak te staan, dewijl
-<span class="pagenum">[<a id="pb377" href="#pb377" name=
-"pb377">377</a>]</span>de veronderstelling niet juist was, waarop de
-gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit <span class=
-"sc">Avondrood</span>, naar een consequent beginsel, steeds talrijkere
-stellingen afleide.&mdash;Maar broeder <span class=
-"sc">Morgenrood</span> heeft immers beweerd, den &bdquo;eenigen&rdquo;
-weg te kennen die <span class="ex">rondom</span> gindschen afgrond
-<span class="ex">heen</span> leidt en ons in de harmonische streek
-brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij
-hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent
-mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in welke
-stukken hij met <span class="sc">Avondrood</span> verschilt of met ons
-overeenstemt, ten einde wij later het bij&eacute;&eacute;nbehoorende
-ook beter in zijn verband kunnen behandelen?</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Zeer gaarne, waarde
-broeders!&mdash;Gelijk met alle godsdiensten het geval is welke het
-<span class="ex">bestaan</span> der wereld evenmin kunnen verklaren,
-als zij het <span class="ex">ontstaan</span> (of het worden) er van
-kunnen begrijpen, zoo ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die
-ik u zal voorlezen, dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd
-heb, op het papier heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne
-beschouwingen ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien
-dat ik in de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer
-in het wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder
-overeenkomt, met uitzondering van <span class="ex">een enkel</span>
-punt.</p>
-<p class="par">De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij
-droegen ons avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en
-ofschoon het reeds een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef
-de hemel nog steeds met wolken bedekt, waardoor de overgang van het
-schemerlicht dat nog in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis
-werd bespoedigd. De lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de
-keerkringen op elkander volgen. Binnen weinige oogenblikken waren
-<span class="pagenum">[<a id="pb378" href="#pb378" name=
-"pb378">378</a>]</span>de lampen aangestoken; spoedig hadden wij onzen
-eetlust bevredigd en waren de bedienden met de overblijfselen van het
-maal weder verdwenen,&mdash;toen broeder <span class=
-"sc">Morgenrood</span> zich gereed maakte om aan zijne belofte te
-voldoen. <span class="pagenum">[<a id="pb379" href="#pb379" name=
-"pb379">379</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6520" href="#xd21e6520src" name="xd21e6520">1</a></span> Zie de
-analyse van het dierlijk ei aan het slot van dit stuk.&mdash;Drie en
-twintig der zoogenaamde elementen, wier gezamenlijk aantal thans 62
-bedraagt, komen zeer zelden voor en zijn gedeeltelijk slechts
-onvolkomen bekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e6520src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6686" href="#xd21e6686src" name="xd21e6686">2</a></span> Men
-vergelijke A. von Humboldt&rsquo;s Ansichten der Natur (derde uitgave,
-1849) II. bladz. 312. &bdquo;De moeijelijkheid welke er in gelegen is,
-om de levensverschijnselen van het organismus op eene bevredigende
-wijze terug te brengen tot natuur- en scheikundige wetten, moet
-grootendeels worden toegeschreven aan de <span class=
-"ex">za&acirc;mgesteldheid</span> der verschijnselen, aan de
-<span class="ex">veelvoudige</span> te gelijker tijd werkzame krachten
-en aan de omstandigheden, welke invloed op hare werkzaamheid
-uitoefenen, even als zulks ten opzigte van de voorspelling van
-meteorologische veranderingen in den dampkring het geval
-is.&rdquo;&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e6686src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6698" href="#xd21e6698src" name="xd21e6698">3</a></span> Sur
-l&rsquo;homme et le d&eacute;veloppement de ses facult&eacute;s, ou
-essai de physique sociale. 2 vol., wijders: Du syst&egrave;me social et
-des lois qui le r&eacute;gissent, Paris 1848.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e6698src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6924" href="#xd21e6924src" name="xd21e6924">4</a></span> Die
-waarschijnlijk afstamt van de wilde geit, Capra
-Aegagrus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e6924src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e7320" href="#xd21e7320src" name="xd21e7320">5</a></span> Deze
-atomen, al waren zij binnen bepaalde grenzen besloten en niet oneindig
-klein, zouden wij echter nimmer, zelfs niet met de sterkste microscopen
-kunnen waarnemen, dewijl het medium waardoor wij heenzien, de lucht, de
-glaslensen, ja de deelen van ons eigene oogen insgelijks uit atomen,
-uit stof bestaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e7320src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e7334" href="#xd21e7334src" name="xd21e7334">6</a></span> Deze
-zamengestelde atomen noemt men thans, ten einde eene achterdeur open te
-houden, <span class="ex">molekulen</span>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e7334src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e7774" href="#xd21e7774src" name="xd21e7774">7</a></span>
-Scheikundig zamenstel of, bij gelijke menging, doch verschillende
-ligging der atomen en verschillende vatbaarheid tot breking van het
-gepolariseerde licht.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e7774src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e7850" href="#xd21e7850src" name="xd21e7850">8</a></span> Het
-volgende voorbeeld zal hiervan nog een sprekender bewijs opleveren.
-Wanneer twee personen uit <span class="ex">een</span> glas drinken,
-waarin zich een oplossing van amygdaline bevindt, zijnde een
-kristalliseerbaar, volkomen <span class="ex">onschadel&#307;k</span>
-ligchaam dat in bittere amandelen wordt gevonden, en de een
-onmiddellijk daarna een glas orgeade drinkt, de andere echter niet, dan
-zal de laatste gezond blijven, terwijl zich bij den eerstgenoemde
-verschijnselen van hevige <span class="corr" id="xd21e7860" title=
-"Bron: vegiftiging">vergiftiging</span> zullen openbaren. Zoodra
-namelijk amygdaline in aanraking komt met zoete amandelen en water
-(amandelmelk), wordt door eene bloote omzetting der bestanddeelen
-(behalve suiker, bitteramandelolie en mierenzuur) <span class=
-"ex">blaauwzuur</span> gevormd.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e7850src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e7879" href="#xd21e7879src" name="xd21e7879">9</a></span>
-Alcoholradicalen zijn koolwaterstoffen (4 kool- en 5 waterstof), welke
-in verbinding met 1 atoom zuurstof en 1 atoom water ligchamen vormen,
-waartoe onder anderen de algemeen bekende wijnalcohol
-behoort.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7879src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e7918" href="#xd21e7918src" name="xd21e7918">10</a></span> Tot zoo
-ver gaat het handschrift van mijn oudsten broeder, dat hij mij ten
-gebruike heeft afgestaan, nadat hij (zijne voordragt ge&euml;indigd
-hebbende) er hier en daar meer volledigheid aan gegeven en het
-verbeterd had.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e7918src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e8311" href="#xd21e8311src" name="xd21e8311">11</a></span> Mijn
-broeder <span class="sc">Nacht</span> was oorspronkelijk tot den
-zoogenaamden geestelijken stand bestemd, doch beoefende naderhand de
-landhuishoudkunde en houtvesterij. Wij de overige drie broeders leiden
-ons reeds vroegtijdig toe op de natuurwetenschappen; de oudste van ons,
-<span class="sc">Avondrood</span>, had eene bijzondere voorliefde voor
-de studie der zo&ouml;logie en physiologie, <span class=
-"sc">Morgenrood</span> voor de chemie en physica, terwijl ik (de
-jongste) mij voornamelijk bezig hield met de beoefening der botanie en
-geologie. Het resultaat van nog niet doorgronde wetten, hetwelk wij
-&bdquo;noodlot&rdquo; noemen, vereenigde ons later, gelijk de lezer
-reeds vroeger heeft gezien, alle vier op Java.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e8311src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="morgenrood" class="div1 preface"><span class=
-"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">Geloofsbekentenis van broeder Morgenrood.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Mythe.</i> In den beginne was een almagtig
-geest of <span class="ex">God</span>, wiens wezen slechts bestond uit
-tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel alleen was, zich zeer
-verveelde. Hij schiep zich derhalve eene tegenstelling, deelde zich in
-twee gelijke deelen en stiet de eene helft van zich af, waaruit een
-tweede, even almagtige geest ontstond die zich <span class=
-"ex">duivel</span> noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde)
-tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene <span class="corr" id=
-"xd21e8387" title="Bron: dubbee">dubbele</span> ster, in een kring
-rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op die wijze
-gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel verzuimde niet
-geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest God scherpte
-aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste middel tot
-tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend wordt,
-begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te vervelen;
-hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest, dat hij een
-onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen hem verhief,
-niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts aan zijne goedheid
-verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst voor drie millioen jaren
-uit de tweede helft van zijn eigen ik had gemaakt. Hierop <span class=
-"pagenum">[<a id="pb380" href="#pb380" name="pb380">380</a>]</span>gaf
-de duivel hem met spottend gelach ten antwoord, dat God <span class=
-"ex">hem</span> dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf,
-hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en dat
-<span class="ex">h&#307;</span> daarentegen van den aanvang af, ja nog
-veel vroeger dan God had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank
-hoegenaamd schuldig te zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den
-eerstgeboren geest; maar hij kon den duivel niet meer verbannen, die
-reeds van den oogenblik der verdeeling af, even almagtig was geworden
-als hij en nu met zijnen toorn spottede.&mdash;Op die wijze waren de
-beide oorspronkelijke geesten met elkander in twist geraakt; zij konden
-zich echter niet van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van
-verwantschap hen bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt
-dwong.</p>
-<p class="par">Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en
-omdraaijen moede en beide, God en de duivel besloten<a id="xd21e8401"
-name="xd21e8401"></a> <span class="ex">op leven en dood</span> met
-elkander te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig
-aantal oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander
-vastomstrengelend, zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen.
-Zij kwamen verder overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist
-een millioen oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten,
-welke in aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden
-uiten en door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide
-eigenschappen zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd
-vastgesteld op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze
-eigenschappen, verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen
-beiden en regelden de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden
-worden.</p>
-<p class="par">Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden
-oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb381" href="#pb381" name=
-"pb381">381</a>]</span>af hielden God en duivel op te bestaan,&mdash;er
-ontstond eene oneindige menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en
-de wereld in nevelvorm, atomenvorm was ontstaan.</p>
-<p class="par">Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen
-(in elk waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met
-elkander gestreden; zonnen, planeten en manen zijn
-ontstaan,&mdash;eenige van gindsche eigenschappen (die wij menschen
-zwaartekracht, licht, electriciteit en dergelijken noemen) hebben
-betrekkelijkerwijze gesproken eene groote heerschappij verkregen;
-andere (zoo als b. v. die welke kalium, natrium heeten) zijn op het
-punt geweest om verwonnen te worden; eene menigte atomen hebben zich op
-de planeet aarde tot planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren,
-in den mensch, is de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest,
-de zielskracht, reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden,
-dan in de anderen,&mdash;maar nog steeds is het twijfelachtig,
-<span class="ex">wie</span> van de beide geesten, God of de duivel, op
-deze planeet de zege zal behalen.</p>
-<p class="par">Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich
-scheiden, zich op nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen
-worden herschapen, totdat de eigenschappen van een der <span class=
-"corr" id="xd21e8417" title=
-"Bron: oorsprokelijke">oorspronkelijke</span> geesten (die er in
-verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt de
-eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan moeten
-uit den vorm des menschen op deze aarde <span class="ex">meer
-volkomen</span> vormen ontstaan, begaafd met <span class="ex">meer
-volkomene</span> eigenschappen,&mdash;deze moeten steeds meer veredeld
-worden, de zielskrachten moeten steeds helderder, uitgebreider, meer
-omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk de duivel verwonnen en
-de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke hoedanigheid weder te
-voorschijn gekomen,&mdash;totdat de <span class="pagenum">[<a id=
-"pb382" href="#pb382" name="pb382">382</a>]</span>mensch God is
-geworden.&mdash;Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even
-magtig uit den strijd terugkeeren?&mdash;Of zoude de duivel
-verwinnen?</p>
-<p class="par">Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording
-Gods. Thans is hij nog <span class="ex">verborgen</span> in de natuur
-en de magt der tegenstelling is groot. Maar hij <span class=
-"ex">ontwikkelt</span> zich en de duur van het <span class=
-"ex">ontwikkelingst&#307;dperk</span> der schepping omvat vele
-millioenen maal millioenen van jaren.</p>
-<p class="par"><i>Einde der mythe.</i></p>
-<p class="par">Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of
-niet weten kan, dat geloof ik niet.&mdash;De grondstelling waarnaar ik
-mij bij al mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn
-grond, elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet
-zich onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne
-gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen
-veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren
-en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne
-taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat
-zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen, maar
-door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te
-rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak.</p>
-<p class="par">Even als bloote veronderstellingen schadelijk en
-verderfelijk zijn voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het
-menschelijke geslacht alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van
-God. Zij doen vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel
-niet, of eerst later een duidelijk begrip der zaken wordt
-verkregen.</p>
-<p class="par">In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene
-stof, gelijk reeds vroeger broeder <span class="sc">Avondrood</span>
-uitvoerig heeft aangetoond, dewijl alles wat wij stof noemen, slechts
-eene vereeniging <span class="pagenum">[<a id="pb383" href="#pb383"
-name="pb383">383</a>]</span>is van een grooter of kleiner getal
-zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk laten herleiden tot
-bewegingsverschijnselen (krachten). <span class="ex">Niets</span> rust
-in het heelal.&mdash;In een <span class="ex">betrekkel&#307;ken</span>
-zin beschouwd bestaat echter voor ons alles wat aanwezig is, uit stof
-en bestaat er <span class="ex">niets</span> dan stof en aan stof
-gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele uitzondering
-voorkomt. Kracht toch is <span class="ex">bewogene</span> stof. Onze
-gedachten zijn stof in beweging.</p>
-<p class="par">Hetgeen gij, broeder <span class="sc">Dag</span> en
-<span class="sc">Nacht</span> God noemt, is gelijk Avondrood reeds
-bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal
-menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende,
-<span class="ex">aan de natuur onderschuift</span> en welke gij, dewijl
-de natuur oneindig is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen,
-weshalve het woordje <span class="ex">Al</span>.... er voor wordt
-geplaatst. Deze God bestaat <span class="ex">uitsluitend</span> in uwe
-verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als het gevolg
-mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de waarheid hiervan
-kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel
-dienen?&mdash;Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde
-moet dan nog een God strekken?&mdash;Ik ken geen anderen God dan de
-<span class="ex">natuur</span> en de natuurn<span class=
-"ex">oodzakel&#307;kheid</span>, dewijl alle verschijnselen die zich in
-haar aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats
-grijpen.</p>
-<p class="par">Zoo als deze natuur, deze wereld <span class=
-"ex">thans</span> is, bestaat het leven slechts door middel van
-tegenstellingen. De <span class="ex">tegenstelling</span> alleen maakt
-dat de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts
-denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.&mdash;Denkt
-hierover na en stemt toe, dat geene deugd <span class=
-"ex">mogel&#307;k</span> is zonder ondeugd, dat de deugd voor u geheel
-ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van het kwade welke gij bezit.
-Het genot, het <span class="pagenum">[<a id="pb384" href="#pb384" name=
-"pb384">384</a>]</span>gevoel van behagelijkheid is zonder smart en
-lijden even onmogelijk, als dat het licht kan bestaan zonder schaduw,
-dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood.</p>
-<p class="par">Broeder <span class="sc">Avondrood</span>, die toch den
-wil des menschen zeer juist heeft verklaard als te bestaan in beweging
-van stof, maakt zich echter aan eene groote inconsequentie schuldig,
-terwijl hij het verschijnsel van het zelfbewustzijn tracht op te
-helderen en schrijft zonderbaar genoeg! <span class="ex">aan de gansche
-natuur</span> zelfbewustheid toe, als of het eene onverklaarbare
-(gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog veel
-onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.&mdash;Laat ons toch zulke
-onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn oog een
-wonder, dan vergenoeg ik mij met dit <span class="ex">eene</span>
-wonder en neem ter verklaring er van niet een tweede, derde en vierde
-wonder, d. i. geene niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld
-aan.&mdash;De stof is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij
-vormt, met hare eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke,
-van eeuwigheid er aan verbondene wetten.</p>
-<p class="par">De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor
-indrukken vatbare gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met
-jodium behandelde zilveren plaat, een indruk, een <span class=
-"ex">hersenbeeld</span> te weeg. De som of het product der
-hersenbeelden is ons <span class="ex">bewustz&#307;n</span>, hetwelk
-steeds des te meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen
-waarmede wij in wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur,
-een hoogeren graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer,
-deze oefening langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden,
-waarin wij als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als
-voorwerp aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding
-de som zijner eigenschappen is, zoo is de denkende <span class=
-"pagenum">[<a id="pb385" href="#pb385" name=
-"pb385">385</a>]</span>mensch de <span class="ex">som z&#307;ner
-zinnen</span>, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen
-staan.</p>
-<p class="par">Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door
-middel van <span class="ex">stoffel&#307;ke beweging</span> die,
-verbonden met electrische stroomen in de zenuwen, in de hersenen
-gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe menigvuldiger nu deze stoffelijke
-bewegingen zich herhalen, b. v. hoe menigvuldiger de klank op ons oor,
-het licht op ons oog werkt, des te helderder kennis verkrijgen wij, des
-te levendiger wordt het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het
-<span class="ex">kind</span>, gedurende de eerste maanden zijns levens
-zeer weinig en bij de lagere diersoorten, zoomede bij het embryo nog
-volstrekt niet of slechts ter naauwernood is ontwaakt. Er zijn gezonde
-zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen noodig, om eene
-gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen) als een helder
-bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch ooren hebben) bezitten
-een minder volkomen bewustzijn dan meikevers of
-spreeuwen,&mdash;doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis
-waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan
-menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30
-jaren lang te oefenen.&mdash;Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap
-der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate
-waarin zij het bezitten.&mdash;Hetgeen men verstand, oordeel, rede
-noemt, zijn geene <span class="ex">op zich zelven staande</span>,
-enkelvoudige krachten of vermogens, waarvan men de zoogenaamde
-geestesverrigtingen als bloote uitingen of gevolgen zoude kunnen
-afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid beschouwde vermogens zijn
-zelve niet anders dan het resultaat eener lange rij van schakels in
-eene keten, tot welker kennis de physiologen nog ter naauwernood den
-weg hebben gebaand. <span class="pagenum">[<a id="pb386" href="#pb386"
-name="pb386">386</a>]</span></p>
-<p class="par">Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij
-van den weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens
-der gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige
-feiten, overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat
-God zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere
-laat hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent
-gij, met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw
-God de voorwetenschap bezit welke den <span class="ex">mensch</span>
-toch in zekere mate wel degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij
-hem de kennis toe van de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het
-uitvallen van een haar, en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet
-voor alle eeuwigheid vooraf bepalen!&mdash;Zijn dat geene
-ongerijmdheden?</p>
-<p class="par">Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich
-beweegt, dan zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde
-het leven te behouden, gedwongen zijn <span class="ex">andere, met
-gevoel begaafde wezens die zich in hun aanz&#307;n verheugen, van het
-leven te berooven, te vermoorden</span> en te eten. Dit beschouw ik als
-een bewijs dat het zonnestelsel, of althans de planeet die wij bewonen,
-eene der onvolkomensten, een der minst ontwikkelden in het heelal is.
-Er moeten hooger ontwikkelden worden gevonden, waar alle levende, met
-<span class="ex">eigen gevoel begaafde</span> wezens vreedzaam met
-elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts de
-hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan het
-bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die
-hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt,
-voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen, uit
-de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en lucht te
-leeren bereiden. <span class="pagenum">[<a id="pb387" href="#pb387"
-name="pb387">387</a>]</span></p>
-<p class="par">Het doel des levens en van &rsquo;s menschen aanwezen
-kan toch geen ander zijn dan dit: <span class="ex">steeds grondiger,
-meer omvattende kennis te verkr&#307;gen van de natuurwetten</span>,
-opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen, opdat wij ze aan ons
-dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds onafhankelijker er van
-worden, opdat de storm ons schip niet meer kan verbrijzelen, de koude
-ons niet meer hinderen, de honger ons niet kwellen, de bliksem ons huis
-niet meer in brand kan steken, opdat wij de teugels der
-natuurwetten&mdash;de draden welke oorzaak aan gevolg
-verbinden&mdash;in <span class="ex">onze eigene handen</span> nemen,
-ja, opdat wij eindelijk buiten den tooverkring der
-natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot <span class=
-"ex">vr&#307;heid</span>, tot absolute vrijheid van wil verheffen!</p>
-<p class="par">Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet
-als kluizenaars, maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden
-leven, dewijl slechts de vereeniging van <span class="ex">vele</span>
-menschen aan de vereischten van een volkomen en gelukkig aanzijn
-beantwoordt;&mdash;eene tweede natuurwet bevat den inhoud onzer
-zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van zoo vele menschen
-levende, <i>zelf</i> niet gelukkig zijn, niet vrolijk, niet tevreden
-blijven, indien gij er niet naar streeft <span class=
-"ex">insgel&#307;ks de anderen</span> gelukkig te maken. <span class=
-"ex">Hebt</span> derhalve uwe naasten <span class="ex">lief</span> en
-<span class="ex">betracht</span> de leer, die reeds door genen
-voortreffelijken Hebre&euml;r van Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij
-wilt dat anderen u doen, doe hen desgelijks; wijs den verdwaalden den
-regten weg, onderrigt de onwetenden en bedrogenen, schendt de regten
-van uwe broederen niet en <span class="ex">help</span> hen, indien zij
-in nood zijn.</p>
-<p class="par">Mijn God zijn wij zelven: de <span class=
-"ex">mensch</span>. Mijn godsdienst is de <span class=
-"ex">anthropologie</span>. Mijne voorzienigheid is het verstand, de
-wil, de liefde, welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij
-niet om de vraag naar <span class="ex">absolute</span> vrijheid of
-<span class="pagenum">[<a id="pb388" href="#pb388" name=
-"pb388">388</a>]</span>niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn van
-louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er <span class=
-"ex">niets</span> in de natuur dat vrij is, dewijl het eene van het
-andere afhangt en alles gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher,
-voor den tijd. Ik ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde
-bewust ben van de natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der
-betrekkingen waarin ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken
-kan, der grenzen en der uitgestrektheid van mijn werkkring.&mdash;Mijn
-lot ligt in <span class="ex">m&#307;ne</span> hand, dat ik met te meer
-vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt heb in de wetten
-der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom als geslacht
-beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen voor
-indrukken bepalen.&mdash;Mijn geluk is mijne keuze.&mdash;Mijn geloof
-is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door <span class=
-"ex">eigene, haar ingeschapene</span> kracht. Moge deze wilskracht door
-beweegredenen bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze
-natuurwetten zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling
-begunstigen, ik kan deze wetten toch <span class="ex">leeren kennen,
-beheerschen</span>, aan mij dienstbaar maken, mij er boven verheffen,
-en in <span class="ex">dat</span> opzigt is de kring waarin mijne
-vrijheid zich beweegt, groot&mdash;oneindig groot,&mdash;in
-<span class="ex">dat</span> opzigt is mijn wil vrij! en in het volste
-bewustzijn dezer vrijheid maak ik er van gebruik.</p>
-<p class="par"><span class="ex">Dit</span> is het doel des levens: het
-goede moet zich uit de natuur <span class="ex">ontwikkelen</span>, zich
-verzoenen met zijne tegenstelling;&mdash;de mensch moet de natuurwetten
-leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen en zich veredelen
-tot&mdash;<span class="ex">God</span> op aarde! <span class=
-"pagenum">[<a id="pb389" href="#pb389" name="pb389">389</a>]</span></p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> (In vervoering
-geraakt, springt van zijn zetel op.) Kom in mijne armen, beste broeder!
-Dit denkbeeld is grootsch, schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware.
-Gij hebt de waarheid gevonden. Heerlijk, heerlijk!&mdash;Derhalve: er
-is een dag, een algemeene dag, een eenige dag vooraf
-gegaan;&mdash;daarop volgde een nacht;&mdash;maar thans is God
-<span class="ex">herschapen</span> in de natuur, hij bestaat niet, maar
-ontwikkelt zich weder uit deze natuur?&mdash;Heb ik u goed
-begrepen?&mdash;Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde
-over, ik word Morgenrood.&mdash;De <span class="ex">mensch</span> is
-derhalve uw God, in wien het goede met het kwade strijd
-voert?&mdash;Ja, daarin is het ware der zaak gelegen; daar verrijst in
-duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne oogen, de
-tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de
-voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden
-te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij <span class=
-"ex">zelven</span>: het booze moeten wij bestrijden en algemeene liefde
-voor al onze naasten voeden,&mdash;<span class="ex">God</span> moeten
-wij worden!&mdash;Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons; het
-noodlot, de gansche wereld ligt in onze <span class="ex">eigene
-handen</span>!&mdash;Dank, broeder, dank zij u! voor dit gelukkige
-denkbeeld; dit geeft moed, dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare,
-voorwaarts strevende hoop!&mdash;Nogmaals, beste broeder, breng ik u
-mijn innigsten dank voor de mededeeling van uw voortreffelijk
-denkbeeld. <span class="ex">Menschen</span> willen wij zijn en de drie
-absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht te
-ontwikkelen, <span class="ex">verstand</span>, <span class=
-"ex">wil</span>, <span class="ex">liefde</span>!&mdash;deze willen wij
-vereeren en aankweeken.&mdash;En wat zeggen nu broeder <span class=
-"sc">Dag</span> en broeder <span class="sc">Nacht</span> hierop?</p>
-<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> (In diep nadenken
-verzonken, langzaam.) Les extr&ecirc;mes se touchent.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> (De ongehuichelde
-verrukking van <span class="sc">Avondrood</span> die, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb390" href="#pb390" name="pb390">390</a>]</span>het
-laatste overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich
-des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen storten
-en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester te worden.)
-Mijn beste broeder <span class="sc">Morgenrood</span> en <span class=
-"sc">Avondrood</span>! Is het niet vreemd, dat in u&mdash;atheisten
-gelijk men u noemen zal, dewijl gij aan geen God gelooft&mdash;dat deze
-God, deze wonderbaarlijke, redelijke geest in de natuur juist in u, die
-aan zijn bestaan niet <span class="ex">gelooft</span>, op het
-heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een deel
-zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort de
-geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,&mdash;toch
-insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, <i>in</i> de
-natuur.&mdash;Hoe kunt gij weten, welke schepselen op <span class=
-"corr" id="xd21e8701" title="Bron: verwijderderde">verwijderde</span>
-hemelligchamen leven, op zonnen en planeten die, even als haar omvang
-grooter is, insgelijks veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en
-of in die schepselen die geest zich niet nog treffender, meer volkomen
-openbaart? En deze menschengeest in wien het gansche heelal zich
-afspiegelt, zou dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze
-<span class="ex">niets</span> ontstaan? Het is waar, gij zegt, dat men
-het eene onverklaarbare niet door eene tweede dat nog onverklaarbaarder
-is, den geest des menschen niet door God, het individu&euml;le
-bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet trachten te
-verklaren;&mdash;maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle schijnbare
-consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt zeer te regt
-dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene nieuwe kracht,
-geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is, als van
-eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert gij dat er
-geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke bewustzijn,
-deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden vormen en
-ontwikkelen <span class="pagenum">[<a id="pb391" href="#pb391" name=
-"pb391">391</a>]</span>in elken opgroeijenden mensch.&mdash;Gij tracht,
-wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door alle
-geestverschijnselen die men van oudsher aan <span class="ex">eene
-ziel</span> heeft toegeschreven, uit een zuiver materi&euml;el oogpunt
-te verklaren en tot stoffelijke bewegingen terug te voeren.</p>
-<p class="par">Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke
-werkzaamheid des geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen,
-wat betreft de wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof
-bestaan of zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand
-komen,&mdash;wat bewijst dit ten slotte anders dan dat de geest, het
-denkbeeld, <i>door</i> <span class="ex">middel van de stof</span> tot
-werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich zinnelijk te
-uiten?&mdash;De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig, absoluut
-aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch!</p>
-<p class="par">Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de
-menschelijke wil een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van
-oorzaken is, dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden
-moeten bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke
-ons leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten,
-veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben, dewijl
-zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individu&euml;n en als
-geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar daarentegen
-aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling tot iets
-schooners, meer volkomens openbaart.</p>
-<p class="par">In <span class="ex">dien</span> zin, waarin broeder
-<span class="sc">Morgenrood</span> den vrijen wil aan het slot zijner
-geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder <span class=
-"sc">Avondrood</span>, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze
-hebt te kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de
-hand. Met deze beschouwing nopens de <span class="ex">vr&#307;heid van
-den menschel&#307;ken wil</span>, kan ik mij <span class=
-"pagenum">[<a id="pb392" href="#pb392" name="pb392">392</a>]</span>ten
-volle vereenigen.&mdash;Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens
-duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een
-levenden <span class="ex">God in de natuur</span>, aan een eeuwig,
-redelijk bewustzijn des heelals, in voege als zulks door mij vroeger in
-mijn evangelie der natuurlijke godsdienst en zedeleer is
-ontwikkeld.&mdash;Openbaart hij zich dan niet overal rondom ons, in
-ons, door ons? Heeft broeder <span class="sc">Avondrood</span> niet een
-al te grooten sprong gemaakt, toen hij&mdash;na alvorens het
-niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat
-wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal <span class=
-"ex">eigenschappen</span> is,&mdash;eerst God, den <span class=
-"ex">geest in alles</span> zag en eensklaps overging tot het
-geloofstelsel van broeder <span class="sc">Morgenrood</span>, die het
-bestaan van den geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl
-<span class="ex">alles stoffel&#307;k</span> verklaard, d. i. tot
-bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt
-worden?&mdash;Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof
-gevormde menschen die niet meer en niet minder dan <span class=
-"ex">v&#307;f</span> punten van aanraking met het heelal hebben, als
-het ware poorten, ingangen waardoor wij <span class="ex">eenig</span>
-en <span class="ex">alleen</span> in staat zijn, kennis te verkrijgen
-van de verschijnselen die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet,
-dat voor ons geen ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat,
-hetwelk door middel der <span class="ex">stof</span> geschiedt, terwijl
-wij hooren, zien, ruiken, smaken, gevoelen?&mdash;Wij toch zouden
-niets, volstrekt niets van de ziel in de natuur, van de geest kunnen
-bespeuren, indien deze zich niet in en door stofbeweging te verstaan
-gaf, juist dewijl <span class="ex">alleen</span> stofbeweging in staat
-is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze reuk-,
-smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen,
-waarmede andere dan <span class="ex">stoffel&#307;ke</span> bewegingen
-of verschijnselen zouden kunnen waargenomen <span class="corr" id=
-"xd21e8777" title="Bron: wordeu">worden</span>, ons geheel en al
-ontbreken. <span class="pagenum">[<a id="pb393" href="#pb393" name=
-"pb393">393</a>]</span></p>
-<p class="par">Broeder <span class="sc">Avondrood</span> noemt den
-mensch eene &bdquo;gedachte Godes&rdquo; en verklaart de
-individu&euml;le <span class="ex">onsterfel&#307;kheid der ziel</span>
-op deze wijze, dat wij in de &bdquo;herinnering&rdquo; Gods voortleven.
-De onmogelijkheid echter, om zich dit algemeene, redelijke bewustzijn
-der natuur voor te stellen als onbekend met de natuurwetten welke
-&bdquo;het zelf is&rdquo; of &bdquo;waardoor het zich openbaart,&rdquo;
-derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke gevolgtrekking uit
-het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen bekendheid met de
-natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle toekomstige
-gebeurtenissen toe te schrijven,&mdash;dit voerde hem op den
-glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie en
-moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd, dat
-hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder
-<span class="sc">Morgenrood</span> heeft geworpen, toen deze om de
-klippen van het eeuwig noodlot te ontwijken waarop troost noch raad
-gevonden wordt, God loochende en het bewustzijn aan de natuur
-ontzei.</p>
-<p class="par">Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een
-<span class="ex">tweesprong</span>. Hier verdeelt de weg zich in
-verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit te vorschen, welke de regte
-weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer aanwezig die ons de ware
-rigting zou kunnen aanduiden.&mdash;Aan te nemen dat de natuur
-<span class="corr" id="xd21e8797" title=
-"Bron: bewustteloos">bewusteloos</span> is, dat geen God bestaat, dat
-kan ik niet, dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit
-eene aan zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de
-mensch te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp
-zijner beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met
-bewustzijn denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid
-zijner eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het
-niettemin zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al
-afhankelijk, waaraan <span class="pagenum">[<a id="pb394" href="#pb394"
-name="pb394">394</a>]</span>het door middel van duizende ketenen
-verbonden is.&mdash;God van de natuur te scheiden en hem daaraan
-persoonlijk&mdash;als een tweede ik&mdash;tegenover te stellen, dit kan
-ik evenmin, dewijl ik daardoor (gelijk <span class=
-"sc">Avondrood</span> reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone,
-heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot een
-levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, <span class=
-"ex">m&#307;n</span> God is de levende, alles bezielende, redelijke
-geest <i>in</i> de natuur.&mdash;Maar te gelooven, dat deze wereldgeest
-alles wat geschieden moet, op alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt,
-dit valt mij niet minder moeijelijk.&mdash; &mdash;Ik verzink daarover
-in steeds dieper gepeins, maar in plaats van den grond te peilen, hoor
-ik slechts gene waarschuwende stem, welke mij de beteekenisvolle
-woorden toeroept: &bdquo;Er zijn nog vele dingen tusschen hemel en
-aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich zelfs geen denkbeeld kan
-vormen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te
-worden den overgang van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen,
-alwaar de <span class="ex">uitersten elkander aanraken</span>, waar
-licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden wekkende zone der
-schemering ligt,&mdash;waarlijk gij hebt al uwe krachten ingespannen om
-de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen van den nacht
-te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig en verheven
-is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, <span class=
-"ex">weg</span> te redeneren en te loochenen.
-&bdquo;Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat regeert; het is alles
-stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip van hetgeen wij
-verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije wil, enz., zijn
-bewegingen van stof.&rdquo; Zoo spreekt gij.&mdash;Maar, waarde
-broeders, &eacute;&eacute;n ding hebt gij vergeten, dat gij
-<span class="ex">niet</span> kunt weg redeneren en dat <span class=
-"ex">geen</span> stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen;
-niet waar? Maar wat is dan <span class="pagenum">[<a id="pb395" href=
-"#pb395" name="pb395">395</a>]</span><span class=
-"sc">TIJD</span>?&mdash;Bestaat hij uit stof?&mdash;Bezit hij
-eigenschappen?&mdash;Ik ken er geene.</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> O, gij dweeper
-<span class="sc">Dag</span>, welke hersenschimmen koestert
-gij!&mdash;De tijd is een <span class="ex">maat</span>, een maat voor
-den duur der dingen, voor hetgeen <span class="ex">na</span> elkander
-plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen) is hij
-niets.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Een maat?&mdash;De afstand
-tusschen twee <span class="ex">nevens</span> elkander voorkomende
-dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op
-zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?&mdash;De afstand van
-twee <span class="ex">na</span> elkander voorkomende dingen is een maat
-met betrekking tot den tijd, maar is om die reden de tijd, op zich
-zelf, een maat of, gelijk gij zegt, eigenlijk niets?&mdash;En aan welke
-na elkander voorkomende dingen of verschijnselen ontleent gij dan deze
-maat? Ontleent gij haar aan de wenteling der aarde om hare as, der maan
-om de aarde, der aarde om de zon,&mdash;of van Mercurius om de zon, of
-van Neptunus om de zon, of van de zon om eene onbekende centraalzon?
-Hebben niet de aarde, de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk
-dezer hemelligchamen eene andere maat? <span class="ex">Waar</span>
-moet nu echter de ware,&mdash;de <span class="ex">normaal</span>maat
-met betrekking tot den tijd worden gezocht?</p>
-<p class="par">De tijd heeft geene eigenschappen, is <span class=
-"ex">geheel en al</span> onligchamelijk en toch <span class=
-"ex">is</span> hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs,
-dat zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste
-gedachte zonder hem niet denkbaar is.&mdash;Ons voorstellingsvermogen
-is bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het
-eigenlijke wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene
-eigenschappen aan kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen
-raadselachtig toe. Sta mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend
-aan de snelheid van de beweging des lichts, om aan te toonen dat
-<span class="pagenum">[<a id="pb396" href="#pb396" name=
-"pb396">396</a>]</span>de tijd zich als het ware in de ruimte oplossen
-of <span class="ex">terug gaan</span> kan in de ruimte.</p>
-<p class="par">Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van
-<span class="measure" title=
-"300.594 km (moderne waarde: 299.792,458 km)">42000 geographische
-mijlen</span> doorloopt. De zon is <span class="measure" title=
-"148.024.223 km (moderne waarde: 149.597.870,700 km)">20 millioen en
-682440</span> dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde)
-van ons verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8&frac14;
-minuten.&mdash;De helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met
-Herschel beschouwde als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is
-<span class="measure" title="71,57 billioen km">10 <span class="corr"
-id="xd21e8883" title="Bron: millioen">billioen</span> mijlen</span> van
-ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der zon
-van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7&#8532; jaren noodig om
-dezen afstand&mdash;een Siriusafstand&mdash;af te leggen. Er zijn
-echter sterren of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000,
-10000, ja, 30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 <span class="corr"
-id="xd21e8887" title="Bron: millioen">billioen</span> mijlen of
-7&#8532; jaren lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het
-licht derhalve een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja
-dertig duizend maal 7&#8532; jaren vereischt om tot ons te
-geraken.&mdash;In vergelijking van den afstand waarop deze verwijderste
-wereldstelsels van ons staan, die gedeeltelijk slechts W. Herschel door
-middel zijner reusachtige telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is
-een afstand van 763&frac12; maal eene Siriusverte niet groot,
-niettegenstaande het licht 5854 volle jaren noodig heeft om dezen
-afstand<a class="noteref" id="xd21e8890src" href="#xd21e8890" name=
-"xd21e8890src">1</a> te doorloopen. Van eene ster der 12<sup>de</sup>
-grootte (gerekend op 521&frac12; <span class="pagenum">[<a id="pb397"
-href="#pb397" name="pb397">397</a>]</span>maal een Siriusafstand) zou
-het licht in 4000 jaren tot ons komen.</p>
-<p class="par">Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die
-763&frac12; maal een Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen
-bevindt, voorzien van een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs
-nog voor de zwakste lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat
-het alles wat op deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal
-dat oog <span class="ex">heden</span> datgene zien hetwelk voor 5854
-jaren op aarde geschiedde, dewijl de lichtstralen die (als
-teruggekaatst zonnelicht) v&oacute;&oacute;r 5854 jaren deze aarde
-verlieten, eerst <span class="ex">thans</span> aldaar zijn aangekomen.
-Wij zullen dit oog het &bdquo;Alziend oog&rdquo; noemen en verder
-aannemen (om onze gelijkenis te voleindigen) dat dit wezen niet op
-gindsche ster bepaaldelijk moet verblijven, maar dat het &rsquo;t
-vermogen bezit om zich van daar met de snelheid der gedachte, b. v. in
-een uur of zelfs in eene seconde tijds op onze aarde en van hier weder
-terug op gindsche ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot
-heden geene kracht, geene beweging die grootere snelheid bezit dan het
-licht; maar nog v&oacute;&oacute;r eenige tientallen van jaren was de
-snelste beweging welke wij kenden om onze brieven te bezorgen, een
-goede coerier die te paard ongeveer <span class="measure" title=
-"28,6 km">4 geographische mijlen</span> in twee uren tijds aflegde.
-Later vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2
-uren slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog
-later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede van
-30 minuten slechts <span class="ex">een enkelen oogenblik</span>
-daartoe noodig hebben, ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen
-ver in &eacute;&eacute;ne seconde kunnen brengen;&mdash;hieruit nu
-volgt dat de maat van tijd nooit anders dan betrekkelijk is, dewijl wij
-de ware maat niet kennen. Wij meten den loop des tijds slechts af naar
-bewegingen of verschijnselen <span class="pagenum">[<a id="pb398" href=
-"#pb398" name="pb398">398</a>]</span>die <i>wij</i> kennen, doch weten
-niet hoe snel de snelste beweging loopen <span class="ex">kan</span> en
-er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling, dat
-het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de aarde
-bewegen, derhalve 763&frac12; maal een Siriusafstand binnen dezen tijd
-doorloopen kan en in staat is <span class="ex">in een uur</span> alles
-te zien, dat in den loop van 5854 jaren op deze aarde is
-geschied.<a class="noteref" id="xd21e8944src" href="#xd21e8944" name=
-"xd21e8944src">2</a></p>
-<p class="par">Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk,
-buitengewoon sterk gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde
-oog toeschrijven, zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin
-als <span class="ex">mogel&#307;k</span> moet beschouwd worden. Onze
-veronderstelling we&ecirc;rspreekt zich, naar de regelen van eene
-logische en redelijke redenering in geenen deele, bevat derhalve geen
-onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit: aan de voortplanting
-der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en omtrekken der ligchamen)
-door de golfvormige beweging des ethers, welke met eene snelheid
-geschiedt van 42000 mijlen in &eacute;&eacute;ne seconde. Het is waar,
-het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds grootere ruimte
-in de evenredigheid van het vierkant des afstands, maar het is ons niet
-mogelijk te bepalen waar de grens ligt van de voortplanting des lichts,
-of waar het zoo zeer is verzwakt dat het zelfs op de volkomenste,
-allergevoeligste oogen geen indruk meer maakt, dewijl zelfs
-<span class="ex">menschel&#307;ke</span> oogen, gewapend met
-menschelijk grove werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand
-van 35000 maal een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333
-jaren tot ons kon komen) <span class="pagenum">[<a id="pb399" href=
-"#pb399" name="pb399">399</a>]</span>nog sterrehoopen of nevelvlekken
-ontdekten, ter plaatse waar andere waarnemers met hunne minder
-kolossale telescopen, al waren het ook voor het overige uitmuntende
-werktuigen, reeds lang niets <span class="corr" id="xd21e8957" title=
-"Bron: weer">meer</span> zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo
-gevormd zijn als <span class="ex">de onze, kan</span> de voortplanting
-des lichts hare grenzen hebben.<a class="noteref" id="xd21e8964src"
-href="#xd21e8964" name="xd21e8964src">3</a></p>
-<p class="par">Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den
-1<sup>sten</sup> Januarij 1855, juist ten 10 ure des voormiddags de
-ster verlaat en binnen <span class="ex">een uur</span> den weg tot op
-onze aarde aflegt, dan zal het in dit &eacute;&eacute;ne uur het
-levendige, steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche
-wereldgeschiedenis en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde
-gedurende elke 97 jaren en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het
-ontmoet alle lichtstralen welke sedert den aanvang der menschelijke
-tijdrekening van de aarde zijn uitgegaan.&mdash;Eerst ontwaart het de
-oudste gebeurtenissen van het menschelijke geslacht hetwelk in China,
-in Voor-Indi&euml; en in andere deelen van Azi&euml; zich reeds tot
-groote staten heeft vereenigd, dat reeds naar Egypte is
-heengetogen;&mdash;het ziet weinige oogenblikken later koning Menes te
-Memphis op den troon zitten, welken hij voor 5746 jaren (of 3892 jaren
-v&oacute;&oacute;r de christelijke tijdrekening) besteeg; daarop worden
-de piramiden gebouwd, in Indi&euml; verheffen zich tempels, als eerste
-vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen haren zetel in
-China.</p>
-<p class="par">Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom
-die, met Abraham aan de spits, Mesopotami&euml; verliet om zich naar
-Kana&auml;n heen te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den
-heertogt der joden die Mozes (v&oacute;&oacute;r 3374 jaren of ten jare
-1520 v&oacute;&oacute;r Christus) uit Egypte geleide, door <span class=
-"pagenum">[<a id="pb400" href="#pb400" name="pb400">400</a>]</span>de
-Roode Zee, waarin Pharao door den vloed werd verzwolgen.&mdash;Ras
-komen nu volkstammen in Griekenland en Rome tot bloei en wassen op tot
-magtige staten; anderen zinken weder in het niet;&mdash;de val van
-Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels van Jeruzalem (voor 2440
-jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de bloeitijd van Griekenland
-en Rome, de daden van Alexander den Groote en eindelijk Rome&rsquo;s
-onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al de treffende
-gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de anderen voorbij
-het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een man met 12 jongeren
-rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten en <span class=
-"ex">menschenliefde</span> prediken,&mdash;totdat het ten 10 ure en 41
-minuten bijna drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar
-ontwaart het op een berg voor Jeruzalem dienzelfden man <span class=
-"ex">aan een kruis genageld</span> en gehoond tusschen twee
-misdadigers,&mdash;een droevig beeld dat van hier af aan nog 4000 jaren
-lang door het wereldrond moet wandelen om, tot schande der menschheid,
-aan de bewoners van gene ster zigtbaar te worden. Voor het Alziende oog
-echter zijn vierduizend aardjaren binnen minder dan 42 minuten
-verloopen.</p>
-<p class="par">Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder
-voort en nadert het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe
-ontstaan; ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt,
-in beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij
-weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de
-drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en
-keizers zalven, die zich nu &bdquo;christelijke en
-allerchristelijkste&rdquo; noemen. Zij verheffen zich met hunnen
-schepter en hunne kroon, de eene na den anderen en verdwijnen in het
-niet.&mdash;Ons oog echter zet zijn vlugt onophoudelijk voort en komt
-ten 10 ure 52 <span class="pagenum">[<a id="pb401" href="#pb401" name=
-"pb401">401</a>]</span>minuten aan in de streek, waar het beeld van het
-slotplein van Canossa voorbijsnelt en waar (in 1077 na Ch., derhalve
-v&oacute;&oacute;r 777 jaren) een <i>keizer</i>&mdash;in het hemd,
-barrevoets en ootmoedig&mdash;voor een <span class="ex">paap</span>
-nederknielt en boete doet. De bisschoppen van Rome toch doen het
-<span class="ex">tegendeel</span> van de leer die zij bespotten:
-&bdquo;<span class="ex">m&#307;n r&#307;k is niet van deze
-wereld</span>,&rdquo;&mdash;want zij heerschen nu over keizer en
-bedelaar en de rook van brandstapels, waarop zij <span class=
-"ex">menschen</span> verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne
-magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da
-F&eacute;&rsquo;s in het Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus
-bespeurt op zijn schip (in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld
-wil ontdekken,&mdash;den monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg
-(in 1520) de pauselijke bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij
-L&uuml;tzen aanschouwt waarin (ten jare 1632) Gustaaf Adolf
-sneuvelde,&mdash;allen beelden welke binnen een verloop van weinige
-minuten op elkander volgen en van eene reactie, van een nieuwen geest
-getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10 ure 59 minuten is het
-Alziende oog tot op <span class="ex">dien</span> afstand van de aarde
-genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart die
-(in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en het
-behoeft nog slechts <span class="ex">eene</span> minuut om van daar op
-aarde aan te komen en het nog overige 97&frac12; jaar lange stukje van
-de geschiedenis der menschheid af te zien.</p>
-<p class="par">Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en
-is 32 seconden v&oacute;&oacute;r elf ure ooggetuige van een veldslag,
-waarin Napoleon de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het
-eenige minuten na 10 ure&mdash;voor 5354 aardjaren&mdash;eerst had zien
-bouwen. Nog een paar seconden en de intusschen gekroonde keizer komt
-zegevierend terug uit vele veldslagen in Duitschland,&mdash;een
-vreeselijke brand verdrijft <span class="pagenum">[<a id="pb402" href=
-"#pb402" name="pb402">402</a>]</span>hem uit het rijk des Czars en de
-veldslag bij Leipzig maakt een einde aan zijne
-wereldheerschappij.&mdash;Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog aan in
-de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde, welke 10
-<span class="corr" id="xd21e9015" title=
-"Bron: millioen">billioen</span> mijlen bedraagt en door den
-lichtstraal in 7&#8532; jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de
-bewoners der aarde in hun 1846<sup>ste</sup> jaar na Christus,
-vredelievend kunsten en wetenschappen beoefende, die hun eene betere,
-meer gelukkige toekomst schijnen te belooven. De magt van het
-papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken te zijn. Maar neen; bij zijne
-aankomst ten 11 ure op het aardrijk is de eerste indruk welken het oog
-ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen ten strijde,&mdash;<span class=
-"ex">het belegeren van Sebastopol</span>.</p>
-<p class="par">Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van
-gindsche 763&frac12; maal een Siriusafstand van ons verwijderde ster
-tot aan de oppervlakte der aarde gevolgd en de beelden van de
-geschiedenis der menschheid van af het jaar 4000 <span class=
-"ex">voor</span> de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot aan het
-belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont.</p>
-<p class="par">Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip,
-<span class="ex">heden</span> ten 11 ure, hoe scherp van gezigt zij ook
-mogen zijn, eerst datgene ontwaren <span class="ex">hetwelk voor 5854
-jaren op de aarde is voorgevallen</span>, ligt ten gevolge daarvan
-<span class="ex">ons</span> aardsche heden voor <span class=
-"ex">hen</span> nog in eene verwijderde toekomst, dewijl het licht zoo
-vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan te komen.</p>
-<p class="par"><span class="ex">Met den lichtstraal gaat de t&#307;d
-terugwaarts in de ruimte voort.</span></p>
-<p class="par">Reist echter het &bdquo;Alziende oog,&rdquo; na zijne
-aankomst op de aarde ten 11 ure, terstond weder af en ijlt het met
-gelijke snelheid waarmede het naar beneden kwam, weder terug naar
-gindsche ster, alwaar het ten 12 ure aankomt, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb403" href="#pb403" name="pb403">403</a>]</span>dan
-zal het weten hetgeen <span class="ex">daar nog niemand weet</span>,
-hetgeen (wat ginds betreft) <span class="ex">nog niet gebeurd</span> is
-en het zal de bewoners dier ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle
-jaren <i>vooraf</i> kunnen zeggen al hetgeen sedert den bouw der
-piramiden op onze aarde, dag voor dag, jaar voor jaar, tot op de
-belegering van Sebastopol <span class="ex">zal</span> voorvallen.</p>
-<p class="par">Indien het oog, in plaats van in &eacute;&eacute;n uur,
-zich in &eacute;&eacute;n enkel oogenblik van de ster naar de aarde en
-van deze terug naar de ster begeeft, dan zal het&mdash;even als de
-tijd&mdash;&bdquo;Alomtegenwoordig&rdquo; en Alwetend genoemd kunnen
-worden.</p>
-<p class="par">Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen
-slechts een tweede raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb,
-dewijl slechts de <span class="ex">mogel&#307;kheid</span> der
-goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en zuiver physieken zin
-door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij ook niet deze vraag der
-voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre van daar; maar ik roep u met
-Shakespeare andermaal de woorden toe: &bdquo;Er zijn vele dingen
-tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zelfs niets
-vermoedt!&rdquo;</p>
-<p class="par">Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij
-dagteekenen onze geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde
-gebeurtenis, maar zijn niet in staat te zeggen sedert <span class=
-"ex">wanneer</span> wij zijn, sedert <span class="ex">wanneer</span>
-het zonnestelsel en <span class="ex">die</span> sterrehemel bestaat die
-<span class="ex">w&#307;</span> in de oneindige ruimte aanschouwen, en
-wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn in de
-schepping.&mdash;Zouden onze oogen de <span class="ex">eenige</span> in
-het heelal zijn die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij,
-juist wij&mdash;op deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van
-hare geologische omkeeringen tot rust gekomene planeet&mdash;de
-volkomenste wezens zijn, die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in
-het onmetelijke heelal, op al de groote en menigte <span class=
-"pagenum">[<a id="pb404" href="#pb404" name=
-"pb404">404</a>]</span>zonnen die wij vaste sterren noemen (en hare
-planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja, zou er
-niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan,
-dat&mdash;&mdash;</p>
-<p class="par">Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt,
-vangt het geloof aan. Of God <span class="ex">alles</span>
-<i>vooraf</i> weten kan, weet ik niet; ja, wanneer ik geloof dat hij
-het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof aan de heilige,
-eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een <span class="ex">alzienden,
-alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt</span>, dien ik
-juist daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, <span class=
-"ex">aanbidden</span> moet.</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Indien de schoonheid
-en verhevenheid der natuur u dwingt, een denkend, alziend wezen er in
-te plaatsen en dit wezen te aanbidden, wel nu&mdash;bid dan in
-vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin hinderen. Elk heeft zijne
-eigene behoefte. In mijn oog is de natuur schoon en verheven
-<span class="ex">gel&#307;k z&#307; is</span>, ook zonder dat ik mij
-een dergelijke God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in
-stilte. Maar ik bid niet; ik <span class="ex">onderzoek en
-handel</span>. Niets heeft der <span class="corr" id="xd21e9115" title=
-"Bron: menscheid">menschheid</span> sedert anno: &bdquo;driemaal een is
-&eacute;&eacute;n&rdquo; zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling
-dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden.</p>
-<p class="par">Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja
-zij vinden een luiden we&ecirc;rklank in ons gemoed. Zij verdienen alle
-achting. Wat mij echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl
-zij in mijn oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve
-feiten door mij daartegen aangevoerd.&mdash;Waartoe toch kan mij zulk
-een God strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop
-laat, dien ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die <i>mij</i> niet
-hoort wanneer ik hem aanroep, <i>mij</i> niet antwoordt wanneer ik hem
-iets vraag; die mijne bede <span class="ex">nimmer</span> vervult, mij
-nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan behoefte heb, wanneer ik
-<span class="pagenum">[<a id="pb405" href="#pb405" name=
-"pb405">405</a>]</span>mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt
-wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan,
-door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij
-zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,&mdash;een God
-die mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan <span class=
-"ex">m&#307; zelven</span>, de natuur aan <span class="ex">zich
-zelven</span> overlaat en die daarenboven nimmer het geringste teeken
-van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan er klaarblijkelijk
-niet zijn voor <i>mij</i>, hij moet derhalve slechts uitsluitend
-<span class="ex">voor zich zelven</span> bestaan, namelijk in uwe
-verbeelding.</p>
-<p class="par">Ik weet maar al te wel wat de &bdquo;vrome&rdquo;
-lieden, die van de <span class="ex">ligtgeloovigheid</span> des volks
-leven en met zijne domheid zich mesten, die de verlichting schuwen als
-de das de stralen der zon, dewijl zij duchten met de ligtgeloovigheid
-des volks <span class="ex">hun</span> vet, d. i. hunne
-&bdquo;<span class="ex">geestel&#307;ke</span>&rdquo; goederen: hunne
-pastorijen, prebenden, tienden, kloosters, vrome legaten, vicarijen,
-erfenissen enz., enz., te verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten
-en professoren in de theologie, kapellaans, diakenen, pastoors,
-domin&eacute;&rsquo;s, pausen, monniken, bedelmonniken, bisschoppen,
-aartsbisschoppen of welken naam aan al die paapjes moet gegeven worden,
-daarop ten antwoord zullen geven. Zij zeggen: &bdquo;God liet het schip
-vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en verwachting, benevens
-onschuldige kinderen het leven verloren, ten einde een voorbeeld te
-geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten einde ons tot ootmoed
-aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de gedaante der cholera
-&bdquo;&bdquo;de slaande engel&rdquo;&rdquo; gezonden, ten einde het
-volk over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen,&rdquo; Ik echter
-zeg u, het schip zou <span class="ex">niet</span> zijn vergaan, indien
-wij de <span class="ex">natuurwetten beter gekend</span>, indien wij
-den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet <span class=
-"pagenum">[<a id="pb406" href="#pb406" name="pb406">406</a>]</span>der
-winden naauwkeuriger in acht genomen en <span class="ex">ons daarnaar
-gerigt hadden</span>; de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt
-of genezen worden, zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de
-natuurwetten zoo diep zullen hebben doorvorscht, dat wij <span class=
-"ex">hare stoffel&#307;ke oorzaken hebben leeren
-kennen</span>.&mdash;Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd
-gedraaid en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of
-heeft een stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen
-bedelaar van den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit:
-&bdquo;aanschouwt dit, gij ongeloovige! O! knielt neder en erkent in
-dien veranderden rukwind, in dit stukje brood des milden gevers,
-<span class="ex">Gods</span> wijze besturing; erkent de zorg welke de
-genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt, die hij tot
-bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar nimmer laat
-vergaan.&rdquo; Zeer juist! antwoord ik u: erkent de <span class=
-"ex">natuurwet</span> welke de instandhouding van het <span class=
-"ex">geslacht</span> ten doel heeft; ziet de natuurkrachten, de
-natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en verstout u om haar te
-leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze
-&bdquo;vreesselijke&rdquo; natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij
-<span class="ex">durft het kind niet b&#307; den regten naam te
-noemen</span>.</p>
-<p class="par">Mijn geloof <i>is</i> in overeenstemming met mijn weten.
-Sedert millioenen van jaren bestaat God slechts als natuur en
-natuurwetten, waarin hij zich heeft herschapen. <span class="ex">Deze
-z&#307;n de</span> <i>ware</i> <span class="ex">God</span> en deze moet
-de mensch leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, <span class=
-"ex">leiden</span>, opdat God zich uit hem en door hem op nieuw
-ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt zich werkelijk nog in het
-<span class="ex">allereerste begin</span> zijner ontwikkeling. Wat toch
-beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?&mdash;Wanneer gij
-den bewonderenswaardigen vooruitgang <span class="pagenum">[<a id=
-"pb407" href="#pb407" name="pb407">407</a>]</span>gadeslaat, welke in
-de natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte
-tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken
-ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de
-onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij &rsquo;t mij zekerlijk
-niet ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de
-schitterendste verwachtingen voor de toekomst mag koesteren!</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Beste broeders! Wij
-<span class="ex">allen</span> zijn, even als gij <span class=
-"sc">Morgenrood</span>, doordrongen van den wensch om ons weten in
-overeenstemming te brengen met ons geloof, en gevoelen ons door eene
-bijna onweerstaanbare weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen
-in ons en rondom ons te leeren doorgronden, om de natuur in haren
-zamenhang, als een geheel, als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen
-echter is het <span class="ex">toppunt</span> van den berg der kennis,
-die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. <span class="ex">Vele
-wegen geleiden tot een en hetzelfde doel.</span> Ieder kiest dien weg,
-welken hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg
-gaan wij lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij
-verklaren de verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een
-harmonisch verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd,
-maar&mdash;daar stuiten wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden,
-onoplosbare problemen die ons tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu
-een anderen weg en komen langs allen ongeveer even ver vooruit; maar de
-een voert ons ten laatste aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt
-in eene diepe kloof, aan den voet van een hoogen rotswand die een
-onoverkomelijk beletsel aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in
-den weg stelt; de derde verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden
-van zijpaden, waarvan men niet weet welke als de regte moet beschouwd
-worden, en de vierde <span class="pagenum">[<a id="pb408" href="#pb408"
-name="pb408">408</a>]</span>voert den wandelaar aan den oever van een
-onmetelijk groot meer, waarover geen veer is, geen vaartuig wordt
-gevonden om zich te doen overzetten.&mdash;Wij keeren dan om en niemand
-van ons allen heeft den top des bergs gezien. Maar een top <span class=
-"ex">moet</span> de berg toch hebben!&mdash;Dat gelooven wij allen en
-derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen top; wij maken ons een
-denkbeeld hoedanig de top wel zou <span class="ex">kunnen</span> zijn
-en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend is en
-eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg dien wij
-naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden, de opvoeding
-die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden, bij allen
-verschillend waren.</p>
-<p class="par">Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te
-bedroeven over het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige
-beschouwingen, al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om
-elkander wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het
-<span class="ex">toegepaste gedeelte</span> onzer geloofsleer met
-elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons ingeslagen bij
-<span class="ex">het eerst door ons in het oog gevatte doel</span>
-ineenloopen, mits wij slechts wat onze <span class="sc">ZEDELEER</span>
-betreft met elkander instemmen en <span class="ex">menschenliefde,
-gepaard met het streven naar eene steeds grondiger kennis der natuur,
-als de eenige bron der openbaring, in de eerste plaats
-stellen</span>.</p>
-<p class="par">Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het
-toppunt der kennis te bereiken. <span class="ex">W&#307;</span> spannen
-te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken grondslag der
-verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons open,&mdash;maar
-welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij verder komen
-dan <span class="ex">tot aan zeker punt</span>, alwaar wij moeten
-bekennen, <span class="ex">hier</span> houdt ons bevattingsvermogen op;
-<span class="ex">hier</span> is de grens, aan de overzijde waarvan wij
-<span class="ex">niets</span> meer begrijpen kunnen! <span class=
-"pagenum">[<a id="pb409" href="#pb409" name="pb409">409</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Bravo, juist zoo! Ja, <i>daar</i> staan zij met
-de handen in &rsquo;t haar en zijn ten einde raad!&rdquo;</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden
-gesproken, klonken onverwachts door de geopende deur; getroffen en min
-of meer ontevreden wendden wij ons om en&mdash;zagen binnentreden,
-gevolgd door den regent, eenige distriktshoofden en eene menigte
-Javanen die brandende fakkels droegen, den&mdash;resident <span class=
-"sc">Praktischman</span>.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt
-gij onverstandig! Ik heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die
-speculeert, gelijkt een beest op het dorre veld, door eenen boozen
-geest steeds in het rond geleid en om dien kring ligt aan alle kanten
-eene schoone, groene weide.&mdash;Eene weide, ja, visschen in het meer,
-eenden in het riet; hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan
-jagen! Kom aan! Maar eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel!
-Karang! ambil makanan, boeka botol anggor, bawa champagne!&rdquo; en
-zoo ging het nog eenigen tijd voort. Alles geraakte op de been en in
-een oogwenk was het gansche tooneel veranderd.</p>
-<p class="par">Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer
-<span class="sc">Praktischman</span> was, ijlden wij hem gezamenlijk te
-gemoet, drukten hem de hand en heetten hem hartelijk
-welkom.&mdash;Groot was onze verrassing, toen wij hem in deze
-wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in ons midden
-zagen.&mdash;De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt en haren
-inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften gevoegd.
-Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten wij aan.
-De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten einde zich
-eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere <span class=
-"pagenum">[<a id="pb410" href="#pb410" name=
-"pb410">410</a>]</span>hoofden na hem, de een voor en de andere na, in
-de stilte en eerbiedig wegslopen.&mdash;Terwijl de resident zich het
-eten goed liet smaken, verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van
-tafel waren opgestaan, elkander nog het een en ander van &rsquo;t geen
-ons was bejegend, sedert wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen
-het einde van den maaltijd kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en
-traktaatgenootschappen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> Luistert eens,
-beste vrienden. Ik stem volkomen met u in dat het christelijke dogma
-niet de waarheid bevat en haar niet bevatten kan, en dat het derhalve
-niet geoorloofd is eenvoudige menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op
-te willen dringen waaraan duizenden onder de Christenen zelven niet
-gelooven, ja, hetgeen juist de <span class="ex">beste</span> en
-<span class="ex">verlichtste</span> koppen in Europa voor dwaling
-houden. Maar buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op
-Java als hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik
-van hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk
-gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen
-en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ik ben van oordeel dat onze
-regering te verstandig en tevens te wel met den zedelijken toestand der
-Javanen en hunne behoeften bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden
-behoeven te duchten. Het eenige ware toch dat het Christendom bevat, de
-<span class="ex">kern</span> zijner zedeleer, is immers lang onder de
-Javanen inheemsch.</p>
-<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> Ja stellig; dit
-geloof ik ook. Maar die bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en
-al die vrome lui, die zich veel minder laten gelegen liggen aan eene
-christelijke aarde dan aan den christelijken <span class=
-"ex">hemel</span>, die &bdquo;Gods Zoon met scharen van heilige
-engelen&rdquo; gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien,
-deze maken het de <span class="pagenum">[<a id="pb411" href="#pb411"
-name="pb411">411</a>]</span>regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u:
-is het niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij
-reeds <span class="ex">van zelven doen</span>, ja, wat zij beschouwen
-als iets dat niet behoeft geleerd te worden, dewijl iedereen dit
-<span class="ex">van zelf verstaat</span>, namelijk &bdquo;elkander
-lief te hebben en elkander te helpen,&rdquo; en is het niet beschamend
-voor ons, wanneer wij hen dat <span class="ex">leeren</span> moeten,
-terwijl zij toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote
-meerderheid onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel
-geringere mate <span class="ex">doet</span> dan zij Javanen
-zelven?&mdash;Gesteld dat het aan de zendelingen eenmaal gelukt ware,
-de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid te overtuigen van
-&bdquo;andere menschen <span class="ex">even lief te hebben als zich
-zelven</span>,&rdquo; en dat de Javanen van ons consequent verlangden
-dat ook <i>wij</i> deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens
-tot ons zeiden: <span class="corr" id="xd21e9331" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>komt hier, lieve Christenbroeders, helpt
-ons koffij planten; hebt ons <span class="ex">lief gel&#307;k u
-zelven</span>; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh, zijn eenig
-geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt ons
-suikerriet snijden; <i>wij</i> gebruiken noch koffij noch suiker; wij
-doen dit slechts ter liefde <i>van u</i>;&mdash;komt hier, verrigt nu
-de helft van het werk ter liefde van <span class=
-"ex">ons</span>!&rdquo;&mdash;Wat zal er dan gebeuren? He?&mdash;Dan
-pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken <span class=
-"ex">b&#307;&eacute;&eacute;n</span>; de Javasche broeders brengen ons
-uit Christelijke liefde <span class="ex">aan boord</span> en wij gaan
-uit Christelijke liefde&mdash;<span class="ex">naar huis</span>. Abis
-perkara.</p>
-<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Belon abis perkara. Neen;
-dan komen andere Christelijke broeders uit Europa, welke de Javanen
-minder Christelijk zullen behandelen dan <i>wij</i> Nederlanders thans
-doen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> Juist. Engelschen,
-Noord-Amerikanen, enz., zouden allen gaarne hunne Christelijke liefde
-op Java zaaijen, om&mdash;koffij, suiker en indigo als vruchten daarvan
-<span class="pagenum">[<a id="pb412" href="#pb412" name=
-"pb412">412</a>]</span>naar huis te voeren. Luistert, beste jongens!
-wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de zendelingen beter
-zouden doen met het evangelie der Christelijke liefde <span class=
-"ex">onder de Christenen in Europa</span> te prediken in plaats van
-hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder op
-begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25 jaar
-ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren kennen
-en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan de
-Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op
-Java.&mdash;De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet
-anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne
-innigste overtuiging. Indien wij <span class="ex">hun</span> welzijn
-willen betrachten uit ware, wel begrepene menschenliefde, zonder
-<span class="ex">ons zelven</span> op die wijze te benadeelen, dan
-behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen werkzaam te houden,
-dewijl zij even als alle tropische volken tot traagheid geneigd zijn.
-Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding en wij behooren hen
-bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen; wij moeten hunne
-positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der natuurkrachten
-pogen te vermeerderen;&mdash;wij behooren hen te onderrigten in het
-lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste beginselen der
-natuurwetenschappen; wij moeten hen <span class="ex">praktisch</span>
-opvoeden: <span class="ex">dan</span> zullen zij in dezelfde mate als
-hunne beschaving toeneemt, steeds meer en meer leeren inzien dat de
-leer &bdquo;alle menschen even lief te hebben als zich zelven&rdquo;
-eene even groote onmogelijkheid is, als eene volkomen <span class=
-"ex">maatschappel&#307;ke gel&#307;kheid</span> onder de stervelingen,
-die ten gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der
-vatbaarheid voor ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan
-de verschillende individuen, nimmer kan verwezenlijkt <span class=
-"pagenum">[<a id="pb413" href="#pb413" name=
-"pb413">413</a>]</span>worden. <span class="ex">Dan</span> zullen
-beide, Javanen en meer verlichte Europe&euml;rs, in vrede en gelukkig
-nevens elkander kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil,
-ontevredenheid, verwarring, oproer, omverwerping van al het
-bestaande,&mdash;regeringloosheid onder de Javanen en het verlies der
-kolonien voor ons&mdash;kunnen de gevolgen zijn van de ontijdige of
-plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde bekeering of beschaving
-der Javanen, waartoe de zich noemende vrijheidsapostelen,
-hervormingspredikers en evangeliedweepers de regering op eene onmatige
-wijze trachten aan te sporen.</p>
-<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Dat zijn de
-theoretici die de Javanen, zoo als zij werkelijk zijn, niet kennen. Een
-man die 25 jaren lang in hun midden heeft doorgebragt, zal hen wel
-degelijk kennen en de spreuk &bdquo;<span class="ex">groen</span> is
-des levens gulden boom&rdquo; niet logenstraffen. Ik ben het volkomen
-eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten te
-leeren kennen gelijk zij zijn en <span class="ex">ons daarnaar te
-rigten</span>. Alleen daardoor is het, dat wij wind en water hebben
-gedwongen koorn te malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats
-dat wij zulks met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke
-natuurwet <span class="ex">op hare w&#307;ze, elk in haar eigen
-spoor</span> laten werken, hebben wij den waterdamp genoodzaakt onze
-wagens voort te trekken in plaats van daartoe paarden te bezigen; ja,
-de electriciteit zelve heeft zich er moeten schikken om aan onzen
-<span class="ex">wil</span> te gehoorzamen en als onze brievenpost
-langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen <span class=
-"ex">w&#307; willen</span> dat zij loopen <span class=
-"ex">moet</span>.</p>
-<p class="par">Handelen wij echter <span class="ex">in
-str&#307;d</span> met de natuurwetten of doen wij ze, tegen hare natuur
-geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van <span class=
-"ex">koperen</span> of <span class="ex">&#307;zeren</span> draden nemen
-om de electriciteit er langs voort te planten; indien wij den
-stoomketel <span class="ex">bovenmate</span> verhitten, het buskruid op
-den <span class="pagenum">[<a id="pb414" href="#pb414" name=
-"pb414">414</a>]</span><span class="ex">gloeijenden oven</span>
-droogen, indien wij <span class="ex">tegen</span> wind en stroom zeilen
-en het Christelijk evangelie prediken willen <span class="ex">waar het
-niet past</span>, of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van
-drukpers willen invoeren bij een volk, hetwelk <span class="ex">nog
-niet</span> tot dien trap van ontwikkeling <span class="ex">is
-gestegen</span> om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de
-overladene maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige
-spijsvertering zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander
-resultaat verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking,
-verwarring.</p>
-<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> (Lagchend.)
-Sidoekari! Sidoekari!&mdash;Gij beide, beste <span class=
-"sc">Morgen</span>- en <span class="sc">Avondrood</span>, gij hebt het
-exemplaar van slechte spijsverteering gezien! Het is jammer,
-<span class="sc">Dag</span> en <span class="sc">Nacht</span>, dat gij
-er niet bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne
-residentie. Ik zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier
-in de wildernis willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den
-tijd. Overmorgen vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug
-naar mijn nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een
-zoogenaamd <span class="ex">Christendorp</span> onder de Javanen zien
-en leeren kennen, een waar model (zoo als <span class=
-"sc">Morgenrood</span> zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid
-van maag, een zendelingmiserere, eene echte
-Christenakeligheid!&mdash;Ik zal u daarentegen ook andere dingen laten
-zien, scholen die ik op last der regering heb gesticht en een menigte
-andere inrigtingen, alwaar de Javaan de gelegenheid vindt om nuttige
-dingen van verschillenden aard aan te leeren, zich te oefenen in
-handwerken, kunsten en dergelijke zaken, en die u zullen doen ontwaren
-dat die mannen van de oppositie quand m&ecirc;me zich aan laster
-schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren dat onze regering niets
-uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk welzijn en de verlichting
-der Javanen te bevorderen. <span class="pagenum">[<a id="pb415" href=
-"#pb415" name="pb415">415</a>]</span></p>
-<p class="par">Broeder <span class="sc">Nacht</span> was buitengemeen
-ingenomen met den voorslag van den resident en verzocht mij dringend,
-de uitnoodiging aan te nemen en mede naar de residentie S.... te gaan.
-Hij reikhalsde van verlangen om eene Javasche Christengemeente waarover
-hij in eene reisbeschrijving gelezen had, met eigene oogen te zien en
-algemeen genomen, een meer bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker
-en meer beschaafde bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden
-wij ons lang genoeg in &bdquo;oorspronkelijke wouden&rdquo;
-opgehouden.&mdash;Ik voor mij had liever nog eenigen tijd in dit
-gedeelte van Java, bij mijne andere broeders verwijld; maar de
-gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn broeder in den kortst
-mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der maatschappij onder de
-Javanen bekend te maken en hem in den kring van vorsten en hoofden in
-te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt te laten
-voorbijgaan.&mdash;Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en er werd
-nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de naastbij
-gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden vertrekken,
-terwijl <span class="sc">Avond</span>- en <span class=
-"sc">Morgenrood</span> besloten nog langer hier te blijven en hunne
-onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands voort te
-zetten.</p>
-<p class="par">De resident onderhield zich daarop nog met mijne
-broeders over Javasche bijbelvertalingen en daarmede verwante
-onderwerpen. Ik verontschuldigde mij echter uithoofde van
-vermoeidheid&mdash;het was reeds laat geworden&mdash;en wenschte het
-gezelschap &bdquo;goeden nacht.&rdquo;</p>
-<p class="par">Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede
-nedervleide en mij aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde,
-dreef een vurig doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om
-vooraf nog een afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi
-gedost te ontvangen en&mdash;als <span class="pagenum">[<a id="pb416"
-href="#pb416" name="pb416">416</a>]</span>stof tot droomen&mdash;mede
-naar mijn leger te nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in
-dit nachtelijk uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een
-mijner jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak.</p>
-<p class="par">Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn
-bewustzijn op, toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder
-het geboomte, ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen
-die met den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen
-(Obor) in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten
-hier en daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat
-zij in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden
-teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich als
-donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De handen
-dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid en het
-meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De anderen
-sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen, wier doffe
-gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak des wouds te
-verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog slechts enkele der
-naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze verloren zich bijna
-allen in de duisternis van den achtergrond, toen ik uit het woud te
-voorschijn trad en den oever van het meer bereikte.</p>
-<p class="par">Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de
-volle maan, van licht omstraald en op een grooteren afstand door
-duizende flikkerende sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder
-en, bijna even helder, van beneden uit den diepen boezem der wateren
-naar mij opwaarts.</p>
-<p class="par">Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil.
-Spiegelglad was de oppervlakte van het meer en slechts <span class=
-"pagenum">[<a id="pb417" href="#pb417" name=
-"pb417">417</a>]</span>zelden rimpelde zich het beeld der maan en
-vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer de plassende eenden
-van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever eene ligte golving in
-het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater &rsquo;t welk volkomen
-geleek op dat der Europesche tamme eenden, was bijna het eenige
-geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd tot tijd werd
-afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte gelegen, geheel
-en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen geluid meer
-vernemen. Hooge Kim&eacute;rakboomen welfden zich ter linker- en ter
-regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom hunner
-kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit gewelf zag
-men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds, dat even somber
-door de naastbij gelegene strook van het meer werd teruggekaatst.
-Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen als helder
-verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden van het
-meer we&ecirc;rkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn
-binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen.</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Was von Menschen nicht gewusst oder nicht
-bedacht,</p>
-<p class="line">Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der
-Nacht.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige
-schuilhoeken en de wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen
-hier en daar nog enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die
-tusschen het geboomte overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze
-hoogte, dewijl het niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en
-ree&euml;n worden gevonden; hier is niets dan woud, en gras en
-weidevelden worden er niet dan schaarsch aangetroffen. De
-Kalong&rsquo;s van het laagland worden op deze hoogte niet gezien; geen
-Kaprimulgus laat hier zijn <span class="pagenum">[<a id="pb418" href=
-"#pb418" name="pb418">418</a>]</span>geklap bij nachtelijke stilte
-rondschallen, ja ter naauwernood verneemt men hier het gegons van een
-insekt, het tjilpende gezang van eene cicade of ziet men hier en daar
-een enkelen vuurkever langs den oever rondflikkeren. De zwarte apen,
-Loetoeng, roeren zich niet in de loofkroonen, zij zitten stil op de
-takken; de eekhoorntjes hebben zich in hunne nesten of in de spleet van
-een ouden boomstam verscholen en alle vogels slapen. Misschien klautert
-nog hier of daar eene wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen
-voorzigtig op de bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest
-te overvallen, of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en
-behoedzaam over den grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te
-kapen; maar alle andere dieren zijn ter rust gegaan. Ook de
-waterhoenders en de slangenvogels (Plotussoorten) zitten stil in het
-hooge, rietachtige gras der oevers, of op een omgevallen boomstam die
-zich over den waterspiegel uitstrekt; de visschen in het meer bewegen
-zich niet, de kleine kreeften, de schelpen maken geen geruisch en de
-gansche overige schepping zwijgt.&mdash;Maar onder dit zwijgen gaat het
-leven voort, in het water, in de lucht en op de aarde, in millioenen
-geheime polsen te slaan die weldra, wanneer de geleende glans die thans
-van de schijf der maan afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn
-geweken, op nieuw zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de
-verschillendste, door elkander wemelende gestalten zullen
-verlevendigen.&mdash;Natuur, gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en
-gij spreekt eene taal welke slechts <i>hij</i> geheel verstaat, die met
-genen zoo dikwerf miskenden en nog menigvuldiger misbruikten man in
-vromen eenvoud kan vragen: &bdquo;die het oor gemaakt heeft, zou
-<span class="ex">die</span> niet hooren?&mdash;Die het oog gemaakt
-heeft, zou <span class="ex">die</span> niet zien?&rdquo;</p>
-<p class="par">Mijn broeder <span class="sc">Morgenrood</span> zegt:
-&bdquo;De natuur is bewusteloos, <span class="pagenum">[<a id="pb419"
-href="#pb419" name="pb419">419</a>]</span>zonder ziel, zonder God! Het
-bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel der natuur die,
-even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt in onze hersenen en
-een indruk maakt, een beeld &rsquo;t welk uit ons binnenste terug in de
-natuur verplaatst en daar als het ware buiten ons wordt
-aanschouwd!&mdash;Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf zinnen tot
-de buitenwereld,&mdash;het is de betrekking der buitenwereld tot onze
-vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze zinnen
-plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische strooming
-tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als in een
-brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij <span class=
-"ex">bewustz&#307;n</span> noemen.&mdash;Niets dan heen- en
-wederbeweging van stofdeelen, die onophoudelijk van elkander worden
-gescheiden en telkens nieuwe verbindingen aangaan!&rdquo;&mdash;Zoo
-spreken zij.</p>
-<p class="par">Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als
-middel dienen om het bewustzijn <span class="ex">daar te stellen en te
-onderhouden</span>, maar het <span class="ex">gewaarwordende</span>
-beginsel dat in mij zetelt, &rsquo;t welk in het brandpunt dier stralen
-staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt, hetgeen&mdash;als het
-ware&mdash;van het bewustzijn <span class="ex">bewust</span>
-is,&mdash;ik bedoel datgene, hetwelk aan de stof <span class=
-"ex">gewaarwording geeft</span> om het bewustzijn te <span class=
-"ex">kunnen</span> opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan
-stof!&mdash;Dit kan niet anders zijn dan eene <span class=
-"ex">absolute</span>, goddelijke eigenschap.</p>
-<p class="par">Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij
-dienen, op het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze
-bewegingen plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij
-u in staat gesteld zien het feit van het <span class="ex">bewuste
-gewaarworden</span> stoffelijk te verklaren en nimmer zal het u
-gelukken, te kunnen bewijzen dat door <span class="pagenum">[<a id=
-"pb420" href="#pb420" name="pb420">420</a>]</span>de werking van
-chemische en physieke krachten een <span class="ex">oog</span>, een
-<span class="ex">oor</span> kan gevormd worden. Wat toch zon het licht
-zijn dat van de zon in 8&frac14; minuten tot aan de maan en van daar in
-&eacute;&eacute;ne sekonde tot op de aarde snelt, alwaar het andermaal
-door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst, indien mijn oog niet
-bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt, wanneer mijn
-<span class="ex">gewaarwordend binnenste</span> niet daar was waarin
-het driewerf teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid
-wordt, dewijl het tot <span class="ex">bewustz&#307;n</span>
-komt?&mdash;Daar echter het beeld in de maan, in den spiegel van het
-meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was, is het licht
-<span class="ex">voor m&#307;n oog</span> en mijn oog benevens alle
-andere zintuigen aanwezig voor <span class="ex">het
-bewustgeraken</span>. Tot bewustzijn geraken is het eerste doel des
-levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en
-afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het
-heelal kunnen omvatten.&mdash;Zou nu dit <span class="ex">heelal</span>
-geene ziel hebben waarin alle verschijnselen tot bewustzijn
-geraken,&mdash;zou er geen <span class="ex">algemeen
-bewustz&#307;n</span> wezen, waarvan het mijne herkomstig is?&mdash;Dat
-twijfelaars twijfelen.&mdash;De gansche natuur spreekt <span class=
-"ex">eene</span> taal en ik geloof aan u, eeuwig licht, alziend oog,
-eeuwig redelijk bewustzijn!</p>
-<p class="par">Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever
-van het meer welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten
-rimpel werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje
-suisde mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij
-in eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart
-in mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had
-dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij
-den eersten lichtstraal weder <span class="pagenum">[<a id="pb421"
-href="#pb421" name="pb421">421</a>]</span>te ontwaken,&mdash;ja, indien
-het licht der maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst,
-geleend licht) mij niet verkondigd had: waar licht is&mdash;in het
-<span class="ex">gansche heelal</span>&mdash;moet insgelijks warmte,
-beweging, leven zijn!</p>
-<p class="par">Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte
-van den nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het
-geboomte klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in
-de Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het
-loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen,
-scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen
-te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht toe
-en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men had ligtelijk
-in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm, het zuchten van een
-stervende, menigwerf ook het geschrei van een jong kind werd gehoord.
-Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal gebeurd, dat vroegere
-reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden van de oorzaak van dit
-geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon er een
-duivelsspook&mdash;een spookachtigen, duivelachtigen vogel van gemaakt
-hebben.<a class="noteref" id="xd21e9591src" href="#xd21e9591" name=
-"xd21e9591src">4</a> Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend; ook
-zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat het
-digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever was
-gekomen. Ik zag het hier&mdash;met uitgespannen vleugelhuid, strak en
-onbewegelijk, als een papieren draak&mdash;van den eenen boom
-<span class="pagenum">[<a id="pb422" href="#pb422" name=
-"pb422">422</a>]</span>naar den anderen door de lucht zweven; dit
-geschiedde echter in eene schuine rigting, zoodat het van den top eens
-booms afgaande, ongeveer ter halver hoogte van den stam eens anderen
-booms aankwam, waartegen het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het
-was eene zoogenaamde vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een
-geheel onschuldig dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en
-in het woud rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig
-als zijn geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het
-herinneringen aan menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt,
-even liefelijk en troostrijk zal zijn geroep voor de <span class=
-"ex">andere</span> Galeopitheken zijn, dewijl de welbekende stem hun te
-kennen geeft dat zij niet <span class="ex">alleen</span>, maar dat ook
-nog anderen <span class="ex">huns gel&#307;ken</span> aanwezig zijn,
-die zij vinden zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen.</p>
-<p class="par">Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot
-tijd nog in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het
-niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in het
-aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de
-verwantschap, de sympathie gevoelde, welke <span class="ex">alle</span>
-levende wezens zaamverbindt.&mdash;De maan neigde reeds ten ondergang;
-ik stond op van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan
-en de sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen
-bloemen, knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren
-die, elk op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen:
-goeden nacht!&mdash;Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde
-natuur, tot morgen: <span class="ex">goeden nacht</span>!</p>
-<p class="trailer xd21e1362">(<i>Vervolg hierna.</i>)</p>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb423" href="#pb423" name=
-"pb423">423</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e8890" href="#xd21e8890src" name="xd21e8890">1</a></span>
-Naauwkeurig genomen bedraagt deze afstand voor 5854 jaren lichtsnelheid
-<span class="ex">iets meer</span> dan 763&frac12;
-Siriusverten,&mdash;een gering verschil hetwelk bij deze algemeene
-beschouwingen niets ter zake doet, evenmin als de resultaten van latere
-waarnemingen, b. v. die van Maclear en Henderson, welke de ster
-<i>a</i> van den Centaur als de <span class="ex">naast</span>bij
-staande vaste ster (op 4&frac12; <span class="corr" id="xd21e8901"
-title="Bron: millioen">billioen</span> mijlen of 3&frac12; jaren
-lichtsnelheid) beschouwen, terwijl Struve de door hem het naauwkeurigst
-waargenomen Wega (<i>a</i> in de Lier) op 16 billioen mijlen of 12
-&#8203;1&frasl;12&#8203; jaren lichtsnelheid schat en <span class=
-"ex">dezen</span> afstand een &bdquo;enkelvoudige
-vastesterafstand&rdquo; (gelijkstaande met 800000 maal een zonsafstand)
-noemt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8890src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e8944" href="#xd21e8944src" name="xd21e8944">2</a></span>
-Uithoofde de aarde zich binnen dit tijdperk 5854 malen om de zon draait
-en te gelijkertijd 1 millioen 460000 maal om hare eigene as wentelt,
-zal het alziende oog haar van alle zijden overzien; een menschelijk oog
-echter zou niet in staat zijn de lichtbeelden duidelijk op te nemen,
-ten gevolge van de snelheid der beweging, van den korten duur staande
-welken de lichtstralen hunne werking uitoefenen.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e8944src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e8964" href="#xd21e8964src" name="xd21e8964">3</a></span> Gelijk
-bekend is, hebben photometrische metingen nog niet tot zekere
-resultaten geleid.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e8964src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e9591" href="#xd21e9591src" name="xd21e9591">4</a></span> De
-zoogenaamde &bdquo;duivelsstem op Ceylon,&rdquo; welke door de
-overdrevene beschrijvingen van ligtgeloovige reizigers (zoo als Wolff
-en Knox) en mystieke natuurphilosophen (zoo als Schubert) eene zekere
-mate van beruchtheid heeft verkregen, is hoogst waarschijnlijk niet
-anders dan het onschuldige geschreeuw van een nachtelijk
-rondfladderenden Pteropus of Galeopithecus, waarschijnlijk G.
-volitans.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9591src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="errata" class="div1 errata"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">Zinstoorende Drukfouten in Nr. 1&ndash;3.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">BLADZ.</td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">REGEL.</td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">VAN</td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">LEES</td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">IN PLAATS VAN</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><a href="#pb51" class="pageref">51</a></td>
-<td>3 en 4</td>
-<td><i>onderen</i></td>
-<td>G&ograve;lok</td>
-<td class="cellRight">Ani ani
-<p class="par first xd21e9652"><i>NB</i>. Op Java wordt het afsnijden
-der aren bij de rijstoogst met het mes &bdquo;Ani ani&rdquo;
-uitsluitend door <i>vrouwen</i> verrigt.</p>
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><a href="#pb154" class="pageref">154</a></td>
-<td>7</td>
-<td><i>onderen</i></td>
-<td>1830</td>
-<td class="cellRight">1854.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><a href="#pb241" class="pageref">241</a></td>
-<td>2</td>
-<td><i>boven</i></td>
-<td>hangmatten</td>
-<td class="cellRight">hangmat.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><a href="#pb244" class="pageref">244</a></td>
-<td>15</td>
-<td><i>onderen</i></td>
-<td>namelijk, het</td>
-<td class="cellRight">het, namelijk.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><a href="#pb336" class="pageref">336</a></td>
-<td>12</td>
-<td><i>onderen</i></td>
-<td>overeenkwam</td>
-<td class="cellRight">overeenkomt.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><a href="#pb354" class=
-"pageref">354</a></td>
-<td class="cellBottom">20, 21 en 22</td>
-<td class="cellBottom"><i>boven</i></td>
-<td colspan="2" class="cellRight cellBottom">lees als volgt:
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Chloornatrium en Chloorkalium</td>
-<td rowspan="2" class="xd21e9741 cellTop"><img src="images/rbrace2.png"
-alt="" width="12" height="40"></td>
-<td rowspan="2" class="xd21e9743 cellTop">0,28</td>
-<td class="cellTop"></td>
-<td class="cellRight cellTop">0,45</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zwavelzure kali</td>
-<td rowspan="2" class="xd21e9741"><img src="images/rbrace2.png" alt=""
-width="12" height="40"></td>
-<td rowspan="2" class="xd21e9743 cellRight">0,04</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Phosphorzure kali</td>
-<td class="cellRight cellBottom"></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#epigraph">Motto.</a></td>
-<td class="tocPageNum"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href=
-"#voorrede">Voorrede.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorrede">I</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">1.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pt1">Eerste Deel</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt1">1</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">2.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pt2">Tweede Deel</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt2">61</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#evna">Het Evangelie van
-Nacht.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#evna">113</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#evda">Het Evangelie van
-Dag.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#evda">123</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">1.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1">1.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">125</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">2.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2">2.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">125</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">3.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3">3.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">126</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">4.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4">4.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">127</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">5.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5">5.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">127</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">6.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6">6.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">128</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">7.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7">7.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">129</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">8.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8">8.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">131</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">9.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9">9.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">132</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">10.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch10">10.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">133</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">11.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch11">11.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">133</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">12.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch12">12.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">135</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">13.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch13">13.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">135</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">14.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch14">14.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">139</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">15.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch15">15.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">142</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">16.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch16">16.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">144</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">17.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch17">17.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">146</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">18.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch18">18.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">149</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">19.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch19">19.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">150</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">20.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch20">20.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">151</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">21.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch21">21.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">159</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">22.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch22">22.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">172</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">23.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch23">23.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">177</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">24.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch24">24.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">198</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">25.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch25">25.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">199</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href=
-"#verklaring">Verklaring.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#verklaring">I</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">3.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pt3">Derde Deel</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt3">203</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href=
-"#avondrood">Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
-"#avondrood">314</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href=
-"#morgenrood">Geloofsbekentenis van broeder Morgenrood.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
-"#morgenrood">379</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#errata">Zinstoorende
-Drukfouten in Nr. 1&ndash;3.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#errata">423</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcribernote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
-overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
-kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
-<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
-"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
-Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41"
-title="Externe link" href=
-"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
-<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line
-gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd21e41" title=
-"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
-<p class="par">Deze tekst is gebaseerd op de eerste druk uit 1854, die
-onder het pseudoniem &ldquo;Dag&rdquo; verscheen.</p>
-<p class="par">Scans van deze editie zijn te vinden op Google Books
-(copy <a id="xd21e56" class="seclink xd21e41" title="Externe link"
-href="https://books.google.nl/books?id=u1RKAAAAYAAJ" name=
-"xd21e56">1</a>, <a id="xd21e59" class="seclink xd21e41" title=
-"Externe link" href="https://books.google.nl/books?id=raNTAAAAcAAJ"
-name="xd21e59">2</a>).</p>
-<p class="par">De vierde herziene druk uit 1866 is beschikbaar bij de
-<span lang="de">Staatbibliothek Berlin</span> (copy <a class=
-"exlink xd21e41" title="Externe link" href=
-"http://digital.staatsbibliothek-berlin.de/werkansicht/?PPN=PPN629525358">
-1</a>).</p>
-<p class="par">De vijfde herziene druk uit 1867 is beschikbaar via
-Google Books (copy <a id="xd21e72" class="seclink xd21e41" title=
-"Externe link" href="https://books.google.nl/books?id=cNiQjgEACAAJ"
-name="xd21e72">1</a>).</p>
-<p class="par">Historische eenheden die in dit boek voorkomen:</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Geographische mijl
-(&#8203;1&frasl;15&#8203; middelbare meridiaangraad)</td>
-<td class="cellRight cellTop">7407.4074 m (in dit boek is uitgegaan van
-de oudere lengte van 7157 m)</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Rijnlandse voet</td>
-<td class="cellRight">0.313947 m (dit boek gebruikt 0.31375 m)</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Nederlandse el</td>
-<td class="cellRight">1 m</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Javaanse paal</td>
-<td class="cellRight cellBottom">1506.943 m (volgens dit boek 1506.0
-m)</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Bij het opgeven van de astronomische afstanden op
-bladzijde <a href="#pb400" class="pageref">400</a> zijn de termen
-miljoen en biljoen verward. Een biljoen in dit boek is gelijk aan 1000
-miljoen (een waarde waarvoor wij meestal de term miljard
-gebruiken).</p>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
-schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
-stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
-verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
-einde van dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2016-05-26 Begonnen.</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
-dat deze links voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctiontable" summary=
-"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e274">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">rijstmaalijd</td>
-<td class="width40 bottom">rijstmaaltijd</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e401">13</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e6802">329</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e7936">361</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e589">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">pijnpank</td>
-<td class="width40 bottom">pijnbank</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e849">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">ingelijks</td>
-<td class="width40 bottom">insgelijks</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e970">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">lag</td>
-<td class="width40 bottom">legt</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1208">51</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2849">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1225">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ani ani</td>
-<td class="width40 bottom">G&ograve;lok</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1790">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">overbrekelijken</td>
-<td class="width40 bottom">onverbrekelijken</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1815">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">evemin</td>
-<td class="width40 bottom">evenmin</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1906">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">kergketen</td>
-<td class="width40 bottom">bergketen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2146">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">Jezuiten</td>
-<td class="width40 bottom">Jezu&iuml;ten</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2282">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">goedertierene</td>
-<td class="width40 bottom">goedertierende</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2488">122</a></td>
-<td class="width40 bottom">afgegelegd</td>
-<td class="width40 bottom">afgelegd</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2773">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">plantenstelsel</td>
-<td class="width40 bottom">planetenstelsel</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3203">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">1854</td>
-<td class="width40 bottom">1830</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3397">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">jonge</td>
-<td class="width40 bottom">jongen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3559">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">onbegrende</td>
-<td class="width40 bottom">onbegrensde</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3640">172</a></td>
-<td class="width40 bottom">materiele</td>
-<td class="width40 bottom">materi&euml;le</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3741">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">opvoedig</td>
-<td class="width40 bottom">opvoeding</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4149">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4746">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">dniden</td>
-<td class="width40 bottom">duiden</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4759">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">sints</td>
-<td class="width40 bottom">sinds</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4885">213</a></td>
-<td class="width40 bottom">hurner</td>
-<td class="width40 bottom">hunner</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4974">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">Iman</td>
-<td class="width40 bottom">Imam</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5321">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitgehoold</td>
-<td class="width40 bottom">uitgehold</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5377">241</a></td>
-<td class="width40 bottom">hangmat</td>
-<td class="width40 bottom">hangmatten</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5409">244</a></td>
-<td class="width40 bottom">het namelijk,</td>
-<td class="width40 bottom">namelijk het</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5479">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">horitaal</td>
-<td class="width40 bottom">horizontaal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5495">252</a></td>
-<td class="width40 bottom">Weringinboom</td>
-<td class="width40 bottom">W&#277;ringinboom</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5585">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">aanhondend</td>
-<td class="width40 bottom">aanhoudend</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5695">266</a></td>
-<td class="width40 bottom">wond</td>
-<td class="width40 bottom">woud</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5700">267</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e5705">267</a></td>
-<td class="width40 bottom">schilpadden</td>
-<td class="width40 bottom">schildpadden</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5714">267</a></td>
-<td class="width40 bottom">reuzenschilpad</td>
-<td class="width40 bottom">reuzenschildpad</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5751">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">vierdegedeelte</td>
-<td class="width40 bottom">vierde gedeelte</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5895">280</a></td>
-<td class="width40 bottom">westwaars</td>
-<td class="width40 bottom">westwaarts</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5903">280</a></td>
-<td class="width40 bottom">schilpadeijeren</td>
-<td class="width40 bottom">schildpadeijeren</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5978">286</a></td>
-<td class="width40 bottom">blijven</td>
-<td class="width40 bottom">blijve</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6004">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">groete</td>
-<td class="width40 bottom">groeten</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6039">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">bevondt</td>
-<td class="width40 bottom">bevond</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6065">290</a></td>
-<td class="width40 bottom">disstriktshoofd</td>
-<td class="width40 bottom">distriktshoofd</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6357">307</a></td>
-<td class="width40 bottom">geheimzinning</td>
-<td class="width40 bottom">geheimzinnig</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6705">325</a></td>
-<td class="width40 bottom">het het</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6950">336</a></td>
-<td class="width40 bottom">overeenkomt</td>
-<td class="width40 bottom">overeenkwam</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e7124">341</a></td>
-<td class="width40 bottom">aquivalent</td>
-<td class="width40 bottom">aequivalent</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e7780">355</a></td>
-<td class="width40 bottom">gestaltevormig</td>
-<td class="width40 bottom">gestaltevorming</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href=
-"#xd21e7860">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">vegiftiging</td>
-<td class="width40 bottom">vergiftiging</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8387">379</a></td>
-<td class="width40 bottom">dubbee</td>
-<td class="width40 bottom">dubbele</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8401">380</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8417">381</a></td>
-<td class="width40 bottom">oorsprokelijke</td>
-<td class="width40 bottom">oorspronkelijke</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8701">390</a></td>
-<td class="width40 bottom">verwijderderde</td>
-<td class="width40 bottom">verwijderde</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8777">392</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordeu</td>
-<td class="width40 bottom">worden</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8797">393</a></td>
-<td class="width40 bottom">bewustteloos</td>
-<td class="width40 bottom">bewusteloos</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8883">396</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e8887">396</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e8901">396</a>, <a class="pageref" href="#xd21e9015">402</a></td>
-<td class="width40 bottom">millioen</td>
-<td class="width40 bottom">billioen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8957">399</a></td>
-<td class="width40 bottom">weer</td>
-<td class="width40 bottom">meer</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e9115">404</a></td>
-<td class="width40 bottom">menscheid</td>
-<td class="width40 bottom">menschheid</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e9331">411</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de
-Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT ***
-
-***** This file should be named 52477-h.htm or 52477-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52477/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/52477-h/images/book.png b/old/52477-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 8c9ee4f..0000000
--- a/old/52477-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/images/card.png b/old/52477-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 1ffbe1a..0000000
--- a/old/52477-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/images/external.png b/old/52477-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index ba4f205..0000000
--- a/old/52477-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg b/old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg
deleted file mode 100644
index 3fdcebe..0000000
--- a/old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/images/new-cover.jpg b/old/52477-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 4882dfc..0000000
--- a/old/52477-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/images/rbrace2.png b/old/52477-h/images/rbrace2.png
deleted file mode 100644
index 569bc08..0000000
--- a/old/52477-h/images/rbrace2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52477-h/images/titlepage.png b/old/52477-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 08c60a8..0000000
--- a/old/52477-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ