diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52477-8.txt | 12973 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52477-8.zip | bin | 297801 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h.zip | bin | 409634 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/52477-h.htm | 15856 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/book.png | bin | 218 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/card.png | bin | 249 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/external.png | bin | 172 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg | bin | 10608 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/new-cover.jpg | bin | 51341 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/rbrace2.png | bin | 236 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52477-h/images/titlepage.png | bin | 12662 -> 0 bytes |
14 files changed, 17 insertions, 28829 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..beb729a --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #52477 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52477) diff --git a/old/52477-8.txt b/old/52477-8.txt deleted file mode 100644 index bc8051b..0000000 --- a/old/52477-8.txt +++ /dev/null @@ -1,12973 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de -Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java - -Author: F. W. Junghuhn - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52477] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - - - - - LICHT- EN SCHADUWBEELDEN - UIT DE - BINNENLANDEN VAN JAVA. - - OVER HET KARAKTER, DE MATE VAN BESCHAVING, - DE ZEDEN EN GEBRUIKEN DER JAVANEN; - OVER DE INVOERING VAN HET CHRISTENDOM OP JAVA, - HET BEZIGEN VAN VRIJEN ARBEID - EN ANDERE VRAGEN VAN DEN DAG. - - VERHALEN EN GESPREKKEN - - VERZAMELD OP REIZEN DOOR GEBERGTEN EN BOSSCHEN, - IN DE WONINGEN VAN ARMEN EN RIJKEN. - - - - DOOR DE GEBROEDERS - - DAG EN NACHT. - - MEDEGEDEELD DOOR DEN EERSTGENOEMDE. - - - - TE LEIDEN, BIJ - JACS. HAZENBERG CORNS. ZOON. - 1854. - - - - - - - - - "Grau, theurer Freund, ist alle Theorie, - Und grün des Lebens goldner Baum." - - Göthe. - - - - - - - - -VOORREDE. - - -Ik ben kortelings met mijn broeder Nacht uit de binnenlanden van -Java alhier aangekomen, en zie met genoegen, dat men zich ook hier -te lande het lot aantrekt dier goede zielen, in wier midden wij in -gehuchten, dorpen, steden en in de wildernissen bij het wachtvuur, -zoo menig jaar hebben doorgebragt. De onderwerpen, welke wij destijds -hebben behandeld, worden hier overwogen door staatsmannen, ministers, -leden der tweede kamer, liefhebbers, spekulanten, presidenten van -Zendeling-genootschappen, door ingewijden en leeken, door mannen van -de theorie en van de praktijk; zij worden er door gewikt en gewogen, -het voor en tegen er van in het licht gesteld, door dezen aangeprezen, -door genen gelaakt. Het pleit is echter nog niet beslist. Toen ik dit -alles zag, dacht ik nogmaals na over hetgeen ons in der tijd bezig -hield en het scheen mij toe, dat onze verhalen en gesprekken--al dragen -zij niet het gewaad van geleerdheid, al zijn zij niet gevoerd door -mannen, ervaren in het staatsregt, de staathuishoudkunde, dogmatiek, -christologie en in de hoogere en lagere politiek, maar toch, zoo als -ik met bescheidenheid vermeen te durven hopen, met een weinig gezond -verstand onder den groenen boom des levens ter neêr gesteld,--niet -geheel onwaardig mogen beschouwd worden, om onder het oog van het -publiek te worden gebragt. - -Eenige kleinigheden daargelaten, die ik er heb bijgevoegd, naar -aanleiding van hetgeen ik na mijne aankomst in Europa vernam en -ontwaarde, komen ze onveranderd in het licht. - -Wij hopen, dat onze verhalen en gesprekken goedgunstig door den lezer -mogen worden ontvangen. - -Mijn broeder Nacht is reeds sedert lang door den dageraad verlicht -geworden. Hij wenscht echter onbekend te blijven en heeft zijn -naam veranderd. De Correspondenten van onze voormalige firma worden -derhalve verzocht zich voortaan uitsluitend te wenden tot dengene, -die van het navolgende is - - - S.... Februarij, 1854. DE MEDEDEELER. - - - - - - - - - VERHALEN EN GESPREKKEN - UIT DE - BINNENLANDEN VAN JAVA. - -1. - - -Na een vermoeijenden dagmarsch over bergen en dalen, waren wij -te Gnoerag aangekomen. Onze kleederen en overige reisbehoeften -hadden wij in kleine lederen koffers gepakt, ligt genoeg om ze, met -eene hand vastgehouden wordende, op den schouder of op het hoofd te -dragen. Maar de Koeli's, die zich daarmede hadden belast--een tiental -Javanen uit het dorp, dat wij des morgens hadden verlaten--waren -achter gebleven. Twee uren vóór onze afreis uit Gnoetnig waren -zij van daar vertrokken. Wij haalden hen echter in en vonden ze -onderweg, in de schaduw van een Bamboesboschje, uitgestrekt op -den grond liggen. Sommigen hielden hunne siesta en bezigden onze -koffertjes, die daartoe juist groot genoeg waren, tot hoofdkussens; -anderen, die reeds uitgeslapen waren, maakten kleine cigaren van fijn -gesneden tabak en Djagongbladeren.--"Saja banjak tjapé, Toean!" (Ik -ben dood moede, heer) zeide de een; "Terlaloe panas, korang koewat" -('t is ondragelijk heet, ik kan niet meer) voegde een ander mij toe, -en "Sakit prot" (ik heb pijn in 't lijf) was de jeremiade van een -derde. Wij lieten eenigen onzer bedienden bij hen achter en zetteden -onzen togt voort, nadat wij een der koffers hadden geopend om wat -sigaren te krijgen en die onder hen te verdeelen. Wij beloofden ieder -van hen een halven gulden boven het bedongen loon (dat wij reeds vooraf -hadden betaald), benevens Koewé koewé (suikergebak) met Kopi (koffij) -tot eene versnapering, indien zij zorg droegen vóór het vallen van -den avond te Gnoerag te zijn. "Ja wel, beste heer!" riepen zij allen -verheugd als uit eenen mond; "wat een goede heer is hij toch"--voegden -anderen er bij. Hunne wil was inderdaad goed. Maar zij lagen daar zoo -vrolijk bijeen! Hun goedig, slaperig oog, waarin de genoegelijkheid -als het ware te lezen stond,--want zij waren zoo blij, zoo zonder -zorgen,--hielden ze onafgebroken gerigt op den blaauwen rook hunner -cigaren; zij schenen aldaar zoo regt gelukkig te zijn, beter nog -dan het eerste menschenpaar in het Paradijs; een beekje murmelde in -hunne nabijheid en Paradijsvijgen, die hun het groote blad bij wijze -van bord voor hunnen medegevoerden rijstmaaltijd hadden opgeleverd, -namelijk, Pisangboomen, spiegelden zich werkelijk in het effen vlak -van het kristallijnen vocht der beek. - -Had ik mijn zin gevolgd, dan had ik ze vooruitgezonden, maar mijn -broeder Nacht zeide "ze zullen wel achter aan komen" en wij gingen -vooruit met een Loerah (een dorpshoofd), drie van onze bedienden -en een paar andere Javanen, die onze instrumenten en jagtgeweren -droegen.--Eindelijk werd het tijd naar een nachtkwartier om te zien -en nog waren zij niet aangekomen. - -De avondzon wierp reeds hare roode stralen op de oostelijke dalhelling; -weldra verlichtte zij nog slechts haren bovensten rand, deze heldere -strook werd allengs smaller en bleeker; reusachtige vledermuizen -(Kalong's) togen reeds over onze hoofden naar de oorden, waar zij -hunne nachtelijke feesten vieren en het geschreeuw der paauwen in -de naburige wouden klonk al luider en luider in ons oor, toen wij -het eenzame dorpje naderden, dat slechts uit een vijf- of zestal -hutten bestond. De donkere schaduwen, die op het breede dal waren -nedergedaald, hadden ook het kleine dorp met zijne vruchtboomen -reeds verzwolgen. Zoo even hadden de vrouwen op de houten blokken -(Lesoeng) rijst voor het avondeten gestampt en reeds een kwartieruur -vroeger had de regelmatige, heldere klank der neêrvallende stampers -ons oor getroffen, toen wij ons nog op een verren afstand van hier -bevonden.--Naauwelijks echter hadden zij ons in het oog gekregen of -zij wierpen hare stampers (Aloe's) neder en vloden ijlings binnen hare -hutten. Huilend werden zij achtervolgd door hare kinderen en de honden -verscholen zich onder den vloer der woningen, die, zoo als gewoonlijk -het geval is, aan de vier hoeken op palen of Bamboesstijlen waren -gebouwd. Uit die schuilhoeken lieten zij hunne blaffende symphonie, -fortissimo, hooren en stoorden de kippen in den slaap, die ter zelfder -plaatse reeds sedert geruimen tijd op het roest zaten. In de hutten -zelven werd niet de minste beweging vernomen. Allen, die zich er in -bevonden, hielden zich zoo stil als een muis; slechts hier en daar -liet zich een half gezigt, een oog, bespeuren, dat nieuwsgierig door -eene reet der Bamboeswanden gluurde. - -Wij zetteden ons onder een klein afdak neder op een stampblok -(Lesoeng), dat voor de hutten stond en benoemden den Loerah tot onzen -ambassadeur en plenipotentiaris, ten einde met den waarschijnlijk -levenden inhoud der geslotene vestingen--niet zoo als Prins Menzikoff -met de Verheven Porte--neen, vriendschappelijk te onderhandelen. - -Onze diplomaat hield eene roerende aanspraak, gaf zijne smart te -kennen, dat onze komst vensters en deuren had doen sluiten--en ter -naauwernood had hij zijne sierlijke rede geëindigd of eerst werd -eene, vervolgens eene tweede en weldra eene derde deur geopend, -waarop, hoewel aarzelend, eenige mannen naar buiten traden met rijst -en Pisang, welke levensmiddelen de Loerah verklaard had tegen goed -geld te willen inruilen. Wij nuttigden nu ons eenvoudig avondmaal, -dat ons op een Pisangblad werd toegediend. De honden kropen uit hunne -schuilhoeken te voorschijn en kwamen al kwispelstaartend naar ons -toe; weldra verschenen enkele rimpelige sybillen op het tooneel, -die op eenigen afstand bleven staan en ons met luide, krijschende -stemmen, maar niettemin met regt vriendelijke gebaren, een "welkom te -Gnoerag!" toeriepen. Het duurde niet lang of eenige jongere vrouwen, -met hare kinderen op den arm, traden op ons toe, ja, zelfs de jonge -meisjes slopen de eene na de andere in den kring. Anderen verwijderden -zich weder en bragten ons ongevraagd eenige lekkernijen, die zij -in hunne hutten hadden bewaard. Deze bood ons een kleinen pot aan, -gevuld met Sambal gòreng, gene bragt de helft van een gebraden hoen -(Ajam panggang) te voorschijn, dat hij ons als lekker aanbeval, een -ander gaf ons een paar gedroogde schildpadeijeren, of een stukje -Dendeng; een vierde spreidde eene mat (Tikar), van Pandanbladeren -gevlochten, op den Lesoeng uit en eindelijk--toen de overtuiging -zich algemeen had gevestigd, dat wij geene zeeroovers waren,--zagen -wij ons vertrouwelijk omringd door ouden en jongen, door mannen, -vrouwen en kinderen, met al hun huisgedierte, in één woord, door al -wat in het dorp leven ontvangen had. - -NACHT. Ziet ge wel, dat de Javanen beste menschen zijn? - -IK. Ziet ge wel, dat men goed en gastvrij zijn kan, zonder Christen -te zijn? Maar ziet ge ook wel, dat onze Koeli's niet komen? - -NACHT. Hebt slechts geduld; het is nog niet volkomen avond en -buitendien wij hebben maneschijn. Zij zullen wel komen. - -Intusschen hadden onze "jongens" (spreek uit: Javasche bedienden, die -somtijds reeds vrij bejaard zijn) kennis gemaakt met de bewoners van -het dorp en slaapplaatsen voor ons uitgezocht. Het laatste overblijfsel -van het vooroordeel, dat de dorpelingen tegen ons "menschen met blanke -gezigten" nog koesterden, was door hunne bemoeijingen weggenomen. Mijn -jongen Sidin komt daar aanstappen met eene jeugdige vrouw, die haar -kind op den arm heeft; zij biedt ons hare hut tot tijdelijk verblijf -aan en wil ten onzen gevalle zoo lang bij hare buurvrouw haren intrek -nemen.--Waar is dan uw man? "Ach, heer" gaf zij ten antwoord, "acht -dagen geleden heeft een tijger hem opgegeten." Dit zeide zij met een -lagchend gezigt als of zij een grap verhaalde. Op grond hiervan beelde -de lezer zich niet in, dat de Javanen hardvochtig en gevoelloos zijn; -dat is volstrekt niet het geval. De zaak is deze: in alle wisselingen -van hun lot gedragen zij zich als geboren philosophen en weten zich -spoedig naar alles te schikken. Zoodra het lijk aan de aarde is -toevertrouwd, al heeft men den overledene bij zijn leven nog zoo lief -gehad, dan wordt er niet meer om getreurd. "Het treuren helpt toch -niet, en gedane zaken nemen daardoor geen keer! Waartoe zal men iemand -lang beweenen, daar men elken dag zelf sterven kan?"--Op die wijze -ongeveer beschouwen zij de zaken. Het heete klimaat, de verbazend -snelle ontbinding en vergankelijkheid van al dat bewerktuigd is, -zoodra het leven daaruit is geweken, de voortdurende gelijkvormigheid -in alle verschijnselen der natuur, die hen omringt, waarin geene -afwisseling van jaargetijden wordt waargenomen, dit alles oefent -noodzakelijkerwijze invloed uit op hun karakter en hunne innerlijke -gemoedstemming. Met gelatenheid dragen zij hun lot, dat door hen -als iets onvermijdelijks wordt beschouwd. Het gevaar, waaraan zij -voortdurend zijn blootgesteld, ontneemt hun alle vrees en maakt hen -onverschillig omtrent hetgeen haar bij anderen doet ontstaan. - -Wij namen bezit van de hut, die op eenigen afstand van de overigen, -tusschen ooft- en wilde boomen verscholen, was gebouwd. De rosse -gloed eener lamp met Djarak- (Ricinus-) olie gevuld, wierp een flaauw -licht op den vloer en de vier berookte wanden, van gevlochten Bamboes -vervaardigd, waaruit het eenige vertrek der hut bestond. De vloer -rustte op stijlen, ter hoogte van ongeveer vier voet boven den grond: -de bank, die met eenige Tikar's was belegd en ons tot rustplaats -moest dienen, bestond mede uit gespleten Bamboes. - -Wij verlangden zeer naar een bad;--wij wenschten ons te ontdoen -van onze kleederen, die doornat van zweet en daarenboven met stof -en vuil bedekt waren. Maar wat moesten wij aantrekken? De Koeli's, -die onze koffers droegen, waren nog niet aangekomen. Een sigaar, -een glas wijn konden wij wel ontberen, maar zouden wij ons nu ook -genoodzaakt zien het tenue der inboorlingen aan te nemen, en in het -kostuum van Adam rond te wandelen?--Al hetgeen de goede luitjes hier -in het dorp in hunne garderobe overcompleet hadden en dit bestond -uit een paar Selendang's (lange, smalle omslagdoeken) en Sarong's -(een kleedingstuk, dat den vorm heeft van een vrouwenrok), werd ons -ten gebruike afgestaan. Wij deden derhalve als of wij ons in het -Paradijs bevonden en het kostte weinig moeite ons in te beelden, -dat dit werkelijk het geval was. Ademden wij hier niet eene zuivere, -zachte, geurige lucht in?--strekte zich hoog boven onze hoofden niet -de schoonste blaauwe hemel uit?--stond hier nevens onze hutten niet de -Musa "uit het Paradijs" (gelijk Linnaeus haar heeft genoemd), met hare -reusachtige, reeds aanrijpende trosvormige vruchten?--blonken ginds -niet goudkleurige Mangga's, roode Djamboe's, Doeren's en Nangka's, -beide ter grootte van een menschenhoofd, benevens vele andere -schoone vruchten in het oog, half verscholen tusschen het loof der -boomen, die in en rondom het dorpje waren aangeplant?--verhief zich -niet boven onze hoofden, zagen wij niet verre beneden ons in het -lagere gedeelte van het dal, het loofgewelf der allerprachtigste, -bloemrijke wouden?--geleken de bewoners van het eenzame dorpje, in -de eenvoudigheid huns harten, niet op het eerste menschenpaar, toen -het in onschuld het Paradijs tot woning had? en murmelde ginds achter -ons, in de onmiddellijke nabijheid der hut, niet een beekje, waarvan -het kristalheldere water ons uitlokte tot het verfrissend genot van -een bad?--Een gedeelte van het water liep door eene Bamboesbuis naar -eene plek, waar het terrein met een steilen wand 5 à 6 voet afdaalde -en plaste van die hoogte bij wijze van stortbad (Pantòran) op den -badende neder. Wij droogden ons in de lucht, sloegen den Sarong om -onze lendenen en den Selendang over de schouders en begaven ons naar -den nabij gelegen rand der kloof, van waar wij den ganschen, zooveel -lager gelegenen bodem van het dal konden overzien. Aldaar vleiden wij -ons neder in het gras onder het geboomte en lieten onzen geest ten -speelbal van de indrukken, te weeg gebragt door de omringende schoone -natuur, die zich meer en meer in haar schemerend avondkleed hulde. - -Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der westelijke -dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten rand een -zacht glooijend plat vormt en vervolgens steil in den eigenlijken -bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons bevonden, -verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte des -dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht -glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk -als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van -den westelijken rand welligt 1 1/2 à 2 Javasche palen [1] verwijderd -was. Op den voorsprong lagen hier en daar kleine, drooge rijstvelden -(Tipar en Oema) verstrooid in eene wildernis van Alang-alanggras, -welke laatstgenoemde zelf de plaats weder had ingenomen van velden, -in voormaligen tijd bebouwd. De bodem van het dal daarentegen, benevens -de steile hellingen, die het ter wederzijde insloten, waren bedekt met -een majestueus oorspronkelijk woud, met boomen wier zuilvormige stammen -zich 100, ja, 120 voet hoog verhieven, alvorens zij hunne rondachtige -loofkroonen vormden. Als wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven -zij hunne kruinen de eene boven de andere aan den steilen dalwand en -slechts enkele gedeelten, die volkomen loodregt oprezen, vielen hier -en daar als kale plekjes tusschen het geboomte in het oog. [2] - -Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het dal -overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht -der maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht was zoo helder, -dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen waarnemen, -toen de dagtoorts [3] werd uitgebluscht. In het azuren uitspansel -liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het zintuig -van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon was -gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het -geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere -algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet -langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had -te weeg gebragt,--de zonnestralen, welke er op neêrschoten,--stegen -niet langer luchtstroomen loodregt opwaarts en werd de zijwaartsche -voortplanting van het geluid niet meer verhinderd. De branding -van de meer dan 20 palen van ons verwijderde zuider kust liet zich -allengs duidelijker vernemen en het bruischen van den stroom, die, -in zijn langen loop uit het binnenste van het hooggebergte tot aan -de kust, zich al kronkelend door den bodem van het dal slingert, -trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze algemeene, -doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke mate -verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke -bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en -kinderen, die zich met haar tam gedierte--hoenders, honden, geiten, -een paar buffels en paarden--in dit dal had nedergezet en mijlen ver -door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij lagen nu allen -op hunne Balé balé's in de hutten uitgestrekt, waar zij zich, ieder -in den kring van zijn gezin, geheel en al overgaven aan het zalige -gevoel van een volkomen onbezorgd gemoed. Uit eenige hutten klonken -ons nog de langgerekte toonen van een gezang te gemoet, dat noch eene -bepaalde melodie, noch woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen -wordt geïmproviseerd en gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen -en zich gelukkig gevoelen. Ook dit eentoonige gezang hield allengs -op; onze bedienden, die zich in gezelschap van eenige dorpelingen -achter ons in het gras hadden nedergelegd, slopen de een voor en de -andere na in stilte weg, om ook voor zich eene nachtelijke rustplaats -op te zoeken; de eene deur werd na de andere gesloten; de lampjes, -waarvan het schijnsel door de reten der wanden schemerde, werden de -eene na de andere gebluscht; het geluid der huisdieren liet zich -allengs zeldzamer hooren, en eindelijk verkondigde niets meer de -nabijheid der menschelijke wezens, die met al hunne levende have, -met al hun geluk en ongeluk, zich in onze onmiddellijke nabijheid -bevonden en nu in diepen slaap verzonken waren. - -Wij alléén nog zaten daar--en langen tijd zwijgend--nevens -elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu eens vestigden wij mijmerend -de blikken op den tegenover gelegen dalwand, waarvan hier eene bogt, -met donkere schaduwen bedekt, in een geheimzinnig duister verdween, -terwijl elders eene voorwaarts springende rotspunt of de reusachtige -zuil eens boomstams door het volle licht der maan werd beschenen;--dan -weder rustten zij op het bladerengewelf, waarmede het woud den bodem -van het diep beneden ons liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke -duisternis liet zich hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als -zagen wij door eene spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse -waar in de diepe, met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog -volkomen onzigtbaar, maar door den donder harer schuimende golven luid -hoorbaar de Tji-Nagnéak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok, -van rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop -voort naar de kust. Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds, -vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen, -waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid -gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen -van den avond, de echo's van alle bergwanden had doen ontwaken, maar -die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte zaten.--Van -tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons voorbij; somtijds -vloog een krassende uil langs de helling van het dal, doch dit was de -eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde en verre lag de -natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe geruisch van den -snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het regelmatig -geklep van een Caprimulgus, [4] dat als kletterende hamerslagen op -een aanbeeld alom door het dal klonk, en slechts zelden vernamen wij -uit het woud beneden ons een geluid als van loeijende buffels, maar -fijner, meer schor en wilder van toon; het waren rhinocerossen, die -zich slechts in den speeltijd laten hooren. Overigens was de dierlijke -schepping dood stil en nergens was eenige beweging zigtbaar.--Maar met -welke nachtelijke schoonheid was het omringende landschap getooid! welk -een tooverachtigen schijn gaf daaraan de maan, die het als door een -floers, door een zilverkleurig, half doorschijnend glas bescheen! Waar -vind ik woorden om zoo veel schoonheid te beschrijven,--of kleuren om -haar naar waarde af te malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo -iets laat zich slechts gevoelen, waarnemen. - -NACHT. Beste broeder Dag; wanneer ik mijn oog laat gaan over dit -vruchtbare, door de natuur zoo rijk gezegende landschap, dat een waar -paradijs mag worden geheeten en in den schoonsten schemerschijn van -het liefelijke maanlicht daar voor ons ligt, wanneer ik daarbij denk -aan de goede Javanen, die, voor hooger ontwikkeling zoo vatbaar, -in deze oorden gevestigd zijn, maar wier geest nog in de diepste -duisternis der onwetendheid is gehuld, wier mate van intellectuele -beschaving naauwelijks met dat schemerlicht der maan kan vergeleken -worden,--wanneer ik mij dit alles voor den geest stel, dan vind ik -het ten uiterste beklagenswaardig, dat zij de openbaring van het -Evangelie, de zegeningen des Christendoms nog niet deelachtig zijn -geworden, dat hun eeuwig heil, het heil hunner onsterfelijke ziel, -zoo schromelijk wordt verwaarloosd! - -DAG. Beste Nacht, die klagt wordt door mij niet gedeeld. Voor ik -den wensch kan koesteren om de "Javanen tot Christenen te bekeeren," -gelijk gij dat gewoon zijt te noemen, moet ik eerst leeren inzien, -dat de Christelijke leer niets dan zuivere waarheid bevat, dat de -kennis dier leer voor alle volken der aarde als eene zegening zij te -beschouwen, en met den besten wil ter wereld heb ik mij hiervan nog -niet de overtuiging kunnen verschaffen. - -NACHT. Hoe is het toch mogelijk, dat ge zoo kunt spreken! Bedenk -eens tot welk een hoogen graad van beschaving, wij Christenvolken -zijn opgeklommen; overweeg eens hoezeer wij Christenen door de -meerdere ontwikkeling onzer verstandelijke vermogens, in handel en -nijverheid, in het staatkundige en door onze zedelijke overmagt, -boven alle niet-Christennatiën verheven zijn; denk toch aan het licht -der wetenschappen dat zijne heldere stralen over Europa verspreidt, -de hooge vlugt welke het geestesleven bij ons heeft genomen, de -verbazende ontwikkeling aan alle nuttige kunsten, aan alle takken -van nijverheid gegeven, waarin geen enkel niet-Christenvolk zich met -ons meten kan,--waaraan hebben wij dat alles te danken? dan juist -aan het Christendom, 't welk wij belijden, aan onze heilige Kerk, -aan de leer des bijbels, zoo overvloeijende van menschenliefde, -aan de zegeningen der geopenbaarde godsdienst, die de Heiland en -Verlosser ons heeft geschonken? - -DAG. In geenen deele, broeder Nacht. Gij verkeert in dwaling, -waarin trouwens eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn -vervallen. Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren, -dat gij het spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim -achttien eeuwen verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer -verkondigde en ongeveer 12 à 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop -die leer onder de Germaansche volkstammen, in het hart van Europa -gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer -dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industriële -ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een hoogeren -trap hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde Heidensche volken -staan, als de Japannezen, Chinezen, Hindoes?--Zij dagteekent ter -naauwernood van vóór 200 jaren, en wat betreft de tegenwoordige hooge -vlugt, de buitengewone vooruitgang, die in alle takken van nijverheid -wordt waargenomen--het heldere licht, verspreid door de ontdekkingen, -op het gebied der natuurlijke wetenschappen gemaakt, waardoor het -leven en het verkeer der volken eene gansch andere, nieuwe, vroeger -niet mogelijk geachte gedaante heeft verkregen, eene vlugt die nog -dagelijks als met arendsvleugelen hooger stijgt,--deze dagteekent nog -niet van vóór een honderd jaren! En op welken trap van intellectuele -en industriële beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de -voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms? - -De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag als een -dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf à -twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling des geestes; -het geloof aan de openbaringen des bijbels, aan de onfeilbaarheid -der kerkelijke orakelspreuken, verstikte alle zelfstandigheid van -denken, weêrstreefde elk onderzoek der natuur en stelde wonderen in -de plaats der natuurwet, verbreidde duisternis, waar het licht had -moeten aanbrengen. Ge zult mij toch wel niet tegenspreken, dat de -oude Grieken en Romeinen, lang vóór de geboorte van Christus, een -veel hoogeren graad van beschaving bezaten, dan den Christenvolken -gedurende de middeleeuwen eigen was?--En wee! die zeldzame mannen, -die het durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te -willen werpen! Was aan Galileï het treurige lot niet beschoren nog -in de 17de eeuw door de priesters van Christus als ketter te worden -vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en verdedigde, -welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,--moest hij niet, -nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te gelooven, -dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het midden 18de -eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters verbrand, heksen op de -pijnbank der inquisitie gefolterd werden?--ja, wat zeg ik, heeft men -niet nog vóór korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw, -gezien dat deze priesters "van Christus," gelijk zij zich noemen, van -Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid predikte--den vloek, -den banvloek! uitspraken en menschen, die den bijbel hadden gelezen, -tot de galeien doemden?--Ik wil hopen, dat Jesus niet andermaal zal -geboren worden; want indien dit geschiedde en hij optrad tegen deze -priesters, die zich naar zijnen naam noemen--en zeker zou hij zulks -doen, gelijk hij reeds eenmaal te velde trok tegen de huichelarij der -Joodsche priesters, der Pharizeën--dan zouden zij hem als een valschen -Messias aanklagen, veroordeelen, en ten tweeden male kruisigen! - -NACHT. Het is zeer wel mogelijk. Ge weet, dat ik, wel is waar, -in het Katholieke geloof ben opgevoed, echter geenszins behoor -tot de vereerders der hierarchie, sedert ik zelfstandig heb leeren -denken. Gij spreekt van de gruwelen door het Pausdom veroorzaakt, van -de huichelende priesterschaar, die heerschen wil en gaarne in troebel -water vischt; maar al hetgeen door u is aangevoerd strekt eigenlijk -toch slechts ter verheerlijking van het Christendom! Want ge zult toch -met mij bekennen, dat het licht der gezuiverde Christelijke leer, -sedert den tijd dat Luther in 1520 de Pausselijke bul verbrandde, -op eene zegevierende wijze al deze nevelen voor zich uit heeft -gedreven en thans een groot gedeelte der oude en nieuwe wereld met -zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en weldadige warmte -kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en krachtdadigste -ontwikkeling zijn gekomen? - -DAG. Broeder Nacht, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde -gevolgtrekking. Het Christendom heeft niets gemeens met dezen bloei -der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen -ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in -zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding -en aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het -navorschen van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en -bovenal voorschrijft te gelooven aan wonderen, vast te gelooven aan -het onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met -alle ervaring, met alle bekende wetten der natuur.--Het is waar, -de zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig, -moet hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het -kwade te onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt -medelijden jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is -de menschelijke natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan, -en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in -de laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industriële -leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd -aan de natuurlijke wetenschappen, aan de geniale en grondige studie -der natuurwetten en der werken van den verheven Schepper,--aan de -steeds in zekerheid toenemende kennis van hetgeen wij daar boven -aan den hemel, hier beneden op de aarde ontwaren, en is bovenal in -ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen, gedaan op het gebied der -geologie, der sterre- en scheikunde, der physica en physiologie; -hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den dag gebragt en alom -verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof steeds binnen -engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de Christelijke -priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel gevoeld -en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting der -hierarchie tot op den tijd van Galileï en van Galileï tot op den -huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken, de -vatbaarheid daarvoor--door hunne wijze van onderrigt--in het kinderlijk -gemoed te verstikken, den natuuronderzoeker in zijne navorschingen te -breidelen of hem er om te vervolgen; want de natuurkundigen zijn het, -die vijandig tegen hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke -de priesterrok rondom zich werpt, door een steeds grooter wordend -tal van lichtstralen in helderen dag dreigen te herscheppen. Zij, -de obscuranten, leven en bewegen zich met welbehagen alleen in die -met nevelen der onwetendheid bezwangerde lucht, waarin geen ander -licht kan doordringen dan hetgeen door wonderen en bijgeloof, als -door beschilderde vensterglazen, is verdonkerd en gebroken. Het is -de pligt van den natuuronderzoeker tegenover hun geloof aan wonderen -de natuurwet--de duidelijke verklaring--te stellen. Hij zou met zich -zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei- -of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien hij aan wonderen -geloofde, indien hij in staat was zijn eerste axioma--zijn evangelie: -de eeuwige onveranderlijkheid en regelmatigheid der natuurwetten, -te verloochenen. Alle wetenschap houdt op, zoodra de mogelijkheid -van het tegendeel wordt aangenomen. - -NACHT. Maar dewijl gij toch met mij gelooft, dat God almagtig -is,--waarom zou hij dan niet ééne enkele maal de werking van eenige -zijner natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een -tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren -zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te maken? - -DAG. Beste broeder, vergeef het mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn -mond niet uitspreken, kan mijn verstand niet bevatten. - -Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27 zoogenaamde -kleine planeten of asteroïden in kringen om de zon wentelen en die -gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De zon zelve -is slechts een van de duizende, insgelijks veel grootere zonnen, -die--ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde vaste sterren -zigtbaar--aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch niet aannemen, dat -van al die duizende zonnen slechts om deze ééne--om de onze, die niet -tot de grootsten behoort--planeten zich wentelen, en nog veel minder, -dat onder al die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere -zonnen behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen, -met geest- en denkvermogen begaafd?--Zou het niet hoogst ongerijmd -zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten -en trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn geroepen om den wille -der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven en dat deze -schaar van zoo onvolkomene wezens,--gelijk de menschen inderdaad zijn, -die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich op niets met zoo -veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te vermoorden, te kwellen -en te plunderen,--dat zij in het oog van den Schepper des heelals zoo -hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille van hen en om hen alléén -die verbazende menigte veel grootere hemelligchamen heeft geschapen, -welke wij in de onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden -ontdekken, tot waar ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij -moeten derhalve noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat -ook op al deze andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke, -welke geschikt zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond) -levende, met verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten -dat zij welligt eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij. - -En wat heeft God nu gedaan, volgens de Christelijke geloofsleer?--Nadat -de menschen reeds gedurende vijf duizend jaren of iets langer op -de aarde hadden voortgestrompeld,--gedurende welk tijdperk reeds -vele rijken ontstaan en weder te gronde waren gegaan, natiën op -het schouwtooneel der wereld waren getreden en het hadden verlaten, -waarbij veel bloed vergoten, veel gruwzaamheid gepleegd, vele zonden -waren bedreven,--zag de Schepper ten laatste in, dat het zoo niet -langer gaan kon; hij begreep eindelijk, dat hij zijn werk (den mensch) -niet doelmatig genoeg had ingerigt en dat dit werk noodzakelijkerwijze -eenige reparatien en verbeteringen moest ondergaan. "Hij had of schiep -een zoon" en zond dezen op de aarde om het menschdom deugd en liefde -tot den naaste te prediken en te doen beoefenen, hetgeen hij dan -ook met zulk uitstekend gevolg in praktijk bragte, dat de dankbare -tijdgenooten hem daarvoor bespotteden, hoonden, beschuldigden, ja, -eindelijk tot den martelaarsdood veroordeelden en aan het kruishout -nagelden!--Maar nu was God met zijne schepselen verzoend; nu mogten -zij zondigen naar hartelust en zoolang zij verkozen, of nog zullen -verkiezen, mits zij er te eeniger tijd slechts berouw over gevoelen, -dan kunnen zij de zaligheid toch nog deelachtig worden; want heeft hij -niet zijn eigen zoon--het lam [5] Gods--tot verzoening voor de zonde -der menschen gegeven en hem--aan wien--daarvoor ten offer gebragt?--: -aan zich zelven. - -Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der hemelen komen, -en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat de overige -705 millioen menschen betreft--Joden, Mohammedanen en zoogenaamde -Heidenen,--die behalve de zoo even genoemden op de aarde wonen, -hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in Jezus -bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen -Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters -(die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke -magt van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer "der -alleen zaligmakende heilige kerk," geen haar breed beter gesteld dan -met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen -bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen -(Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke -zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.--En wat -zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden -van planeten en zonnen, welke in het heelal zweven en zich in -elliptische banen bewegen?--dat kan niemand bepalen, indien zij, -namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn -gevormd dan wij--of indien zij geene Christenen zijn,--indien de zoon -Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,--niet den oneindig -langen togt door het heelal heeft ondernomen,--indien hij niet van -trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen naar -melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk zijns -vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te -herstellen en te verbeteren!--Waarachtig, broeder Nacht, wat zou -ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat hebben van den alwijzen -Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen kon gelooven,--indien -ik zoo iets dacht van den oneindigen, eeuwigen Maker van het heelal, -die niets onvolkomen heeft daargesteld, die het kleinste wormpje, het -onbeduidendste plantje en hoe veel te meer niet den mensch! van den -aanvang af zoodanig heeft gevormd, dat, door de krachten waarmede -Hij hem heeft begiftigd en die Hij aan eeuwig onveranderlijke, -onverbreekbare wetten onderwierp, alles wat leeft en zich beweegt en -door zijnen adem wordt bezield, door zich zelven en uit zich zelven -zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke bestemming onfeilbaar te -gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de wetten, de eenmaal in -het leven geroepen krachten, herstelling of verbetering behoeven.--En, -aangenomen dat zulks denkbaar, dat zulks mogelijk was, dan vraag -ik u: wat heeft dan dat buitengewone gezantschap van God op aarde -uitgerigt? Wat heeft het geholpen?--zoudt ge durven beweren, dat de -menschen sedert dien tijd beter en gelukkiger zijn geworden? - -Wend uwe blikken om u heen, sla Europa gade! Wat ziet ge? Ellende, -armoede, hongersnood, gevangenissen en andere dergelijke -strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel, die onder -de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt gedreven; -diefstal, moord,--ontevredenheid door de volken gevoed jegens hunne -regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers voor hunne -volken,--oorlog!--schepen en vestingen laat men in de lucht springen en -duizenden van menschen vallen in één enkelen oogenblik als een offer -des doods; hier ontwaart gij wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen -de onderscheidene Christensekten, ginds aanmatiging der priesters, -kuiperijen der Jesuïten; van godsdienst vindt gij buiten de kerken -zelfs geen spoor, in de kerken veel huichelarij en schijnheiligheid. - -Werp uwe blikken achter u. Daar ontwaart gij een vreesselijk -schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De aanbidders -der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan; bloedig -vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels -besluiten het, waarop Christenen Christenen--tot vreugde van -Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het ijzingwekkende -cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en bloedige -kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald. Langzaam -ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij niets -dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der middeleeuwen, -zoo vol gruwelen;--te vergeefs tracht gij eenig schemerlicht van -geestesleven te ontdekken;--dikke wolken verduisteren den hemel, -zij rusten op de aarde, het schrikbewind der hierarchie bespiedt -der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan den oogenblik van -zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden gekluisterd;--het -vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder alle volken van Europa -en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens, die in hen sluimeren, -wordt zorgvuldig onderdrukt;--rijke kloosters zweven bij duizenden -aan uwe blikken voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in -het zweet zijns aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne -poorten neder, en, onder de bescherming des kruises, worden zij door -weelderige monniken en nonnen verbrasd;--processiën trekken voorbij -met reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer -wordt bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen -kan, de knieën ootmoedig buigt;--hier hoort gij het aflaatgeld, -betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven, -in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de -stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch geëxcommuniceerd -of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk drukt; zelfs de -lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot der aarde -worden toevertrouwd;--maar eensklaps wordt de stikdonkere duisternis -door een helder licht vervangen, de hooge hemel is met een rooden -gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich boven den -horizon, Auto da Fé's worden gehouden! en--een en dertig duizend -menschen, beschuldigd of slechts verdacht van af te zijn geweken -van het eenig ware geloof der Pausselijke kerk, worden de een na -den anderen, somtijds een half dozijn te gelijk, levend voor uwe -oogen verbrand!--Welk somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd, -en welke jammertoonen treffen van daar uw oor?--Het zijn de kerkers, -casa santa, der inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren, -die het voorvaderlijk geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen -doen rammelen;--uit gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van -onschuldige heksen op, die door de priesters van Christus verdacht -zijn geworden, dat zij met booze geesten in betrekking stonden; zij -worden gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu hun gekerm, -dat te vergeefs om "erbarming" smeekt, uw oor doorklieft en uw hart -doet bloeden!--en zie hier--een schavot is opgerigt en ge ontwaart -zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd van getwijfeld te hebben -aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de hand der "heilige -Christelijke beulsknechten" levend worden geradbraakt!--Het panorama -ontrolt zich verder; zal het dan nimmer eenige verblijdende, eenige -lichttooneelen opleveren?--Een koene monnik staat daar te Wittenberg; -hij heeft zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk -aangeplakt en werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter -vervloekt en in den ban doet, in het flikkerende vuur;--maar dit vuur -verbreidt zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en -dorpen staan in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, dertig jaren -lang, in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!--De heerschzucht van -Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen -anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en -bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het -licht der Hervorming;--de schoonste gewesten van Duitschland worden -verwoest, ontvolkt;--in de Nederlanden neemt een Hertog van Alba het -ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000 bewoners -vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd gedurende den -Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met afgrijzen; uwe -haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome staat de "Stedehouder -van Christus"; hij viert een plegtig Te Deum en schrijft een jubileum -uit voor den welgelukten moord van 35000 Hugenooten!--Maar nog is -de schilderij vol jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt -eindeloos te zijn en ontplooit zich voortdurend verder en verder -voor uwe blikken;--in Spanje zet het "heilig officie" zijn woeden -voort;--in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken en aldaar -worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk geloof -(dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt, verbrand! - -Eindelijk,--eindelijk schijnt het eenigzins rustiger, lichter te willen -worden op het tooneel waar 't Christelijk treurspel wordt vertoond. In -de plaats van het blind gelooven begint een meer bevruchtend weten te -treden, en de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden -allengs zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het -geval was, geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;--ja, in -plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te -ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur -daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen--voor -het papendom ware banstralen--meer en meer naar alle zijden heen; -de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder vooruit -gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de hierarchie -zich zoo gaarne bediende tot "bekeering of uitroeijing" van degenen, -die zij "ketters" noemde, 't geen meestal slechts geschiedde uit -gouddorst, uit heersch- of hebzucht, wordt met elken dag meer en -meer onmogelijk;--maar in plaats van hel en vagevuur, in plaats van -interdikt, vergift, dolk, kerker, pijnbank, galg, rad en brandstapel -sluipen nu Jezuïten rond, Jezuïten!--die overal en nergens zijn, -die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de lucht vliegen, -dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond heenwroeten, -maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig zijn om -het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden, -zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne BRON te verstoppen, het -kinderlijk gemoed zoodanig te verstompen, dat het de vatbaarheid -verliest voor de indrukken van waarheid en licht, den geest in de -kiem te verstikken:--zich het onderrigt der jeugd in de handen te -spelen!--Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag geheel en -al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die den naam er -van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen, zwart als de raven, -die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn achtergebleven; -want Jezuïten in grondstellingen en daden zijn zij allen, ALLEN, die -trouw hebben gezworen aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong -zijne woorden te herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde. - -Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het voor uwe -blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich allengs -ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar 1853 -de verzuchtingen nog hooren van twee "ketters", die door de inquisitie -tot levenslange kerkering waren gedoemd! - -Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke geloofsleer tot heden -slechts onwetendheid en bijgeloof heeft bevorderd, slechts misleiding -des geestes, tot heersch- en hebzuchtige doeleinden, heeft begunstigd, -niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat, oorlog en vervolgingzucht, -met alle gruwelen, waartoe hardvochtige priesters in staat zijn, -heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk sedert een of anderhalf -honderd jaar in den nacht van waangeloof en bedrog--doch in verre na -nog niet algemeen genoeg--is begonnen te gloren, zijn oorsprong is -verschuldigd aan de beoefening der natuurlijke wetenschappen. - -NACHT. Gij hebt in uwe rede bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke -kerk gedoeld.... - -DAG. Eenvoudig hierom: de gevolgen, welke uit het geloof aan wonderen -voortspruiten, laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen; -daarenboven bevat zij in haren schoot de groote meerderheid der -Christenen, want met inbegrip der Grieksch-Katholieken telt zij, -volgens de laatste berekeningen, 185 millioen zielen, en de -gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen slechts ongeveer 60 millioen. - -NACHT. Maar gij zijt toch niet onbillijk genoeg om de misbruiken en -gruwelen, die gij hebt opgesomd, aan de Christelijke leer te willen -wijten; gij zult toch de schuld van al de jammeren, welke eene -sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht over de Christenwereld -heeft uitgestort, niet op Hem willen werpen, die de zuiverste -menschenliefde predikte, die om onzentwille den marteldood aan het -kruishout stierf,--namelijk, op Jezus Christus van Nazareth? - -DAG. Verre van daar. Hij was ontwijfelbaar een best mensch en zijn -handel en wandel was overeenkomstig met de voorschriften zijner -leer. Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door -zijne aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de -wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin -gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met -het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als "regtstreeksche -hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon, opstanding uit -den doode ten derden dage, hemelvaart" en andere wonderen, door -nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd, wij zouden -welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove verbastering des -Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de aanbidding -van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele secten, van de -vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de Christelijke -leer het geloof aan wonderen, aan het onmogelijke en onnatuurlijke -op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met een wonder en wel het -allergrootste wonder begint, waarop het gansche gebouw steunt en -rust--de "bevruchting door een heiligen geest" en de geboorte eener -"Godheid uit eene sterfelijke vrouw",--zoo kan het Christendom, gelijk -wij het hier voor ons zien, aan de menschheid nimmer geluk of vrede -aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de eerste grondslag, -waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan één wonder, dan -kunt gij even gemakkelijk honderd, ja, honderd duizend wonderen als -mogelijk aannemen, dan is niets meer onmogelijk. Het eene wonder -brengt het andere voort. Ieder geloovige kiest uit de massa dat -wonder of dogma tot zijn palladium, hetwelk hij het meest gepast -acht voor zijne bijzondere behoeften, of dat het meest overeenkomt -met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar dit is eene ware bron -van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in verschillende, van -elkander afwijkende meeningen en dit is de eigenlijke oorzaak van -de verdeeling der Kerk in verschillende sekten. Het duurt vervolgens -niet lang of sektegeest wordt in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid, -welke allengs ontaardt in haat, nijd en vervolgingszucht. - -Dewijl toch een wonder geene waarheid is en voor de juistheid van een -blind gelooven geen bewijs kan worden gegeven, missen de aanhangers der -godsdienstige secten (belijdenissen) die kalme, rustige gelatenheid -des geestes, welke alleen kan geboren worden uit de overtuiging van -de waarheid, uit een helder inzigt in de natuurwet. Bewijzen, welke -mystieke godgeleerden willen ontleenen uit zoogenaamde "openbaringen -en goddelijke ingevingen", welke mannen uit den Joodschen volksstam -voor meer dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in -de zoogenaamde "heilige schriften" moeten geboekstaafd zijn, deze -zal geen natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn -in lijnregte tegenspraak met alles, dat in de groote schepping -Gods leeft en zich beweegt. In de natuur alleen openbaart God zich -aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in -staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij, -tot een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen -eindelijk tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen -krenkt de ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo -gaarne als onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is, -komt laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere -den spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat -zij,--in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne leer -is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk te -koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch -die zij uit het oog hebben verloren,--dat zij zich steeds verder -van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen elkander -voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te dwingen, -ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800 jaren is dáár -om zulks te bewijzen, en nog op den huidigen dag kan men daarvan de -treurigste ondervinding opdoen. Het geloof aan wonderen werd gezaaid, -en het onkruid schoot op als eene duizendhoofdige hydra, waarvan elke -afgehouwen kop telkens op nieuw door een anderen wordt vervangen. Maar -zelfs dan, wanneer de Christelijke leer van al dat onkruid,--het geloof -aan wonderen, aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken -des bijbels, en andere dergelijke zaken,--werd gezuiverd, wanneer al -de nadeelige vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het -nog voortdurend tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden -verbannen, weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der -Christelijke leer, hare schoone, verhevene, hare lichtzijde,--ik heb -hierbij het oog op hare zedeleer--van menige overdrijving ontdaan -worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in -de kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords, -in het maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden. - -NACHT. Gij spreekt toch niet in ernst? O! ongeloovige Dag; zoudt gij -het wagen, zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het -overige gedeelte van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong -verraadt, namelijk, zijne voorschriften omtrent de menschenliefde, -de liefde tot den naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken -of het als onverdedigbaar willen doen voorkomen? - -DAG. Zoo iets komt niet, ja, kan niet in mij opkomen. De liefde tot -onze natuurgenooten, het sympathetische gevoel, dat zich voor het -geluk of ongeluk van anderen van ons meester maakt, het medelijden, -hetwelk wij ondervinden met behoeftigen en lijdenden, de zucht die -zulks bij ons doet ontwaken om te helpen en wel te doen, ik koester -daarvoor de grootste vereering, ik beschouw zulks als de schoonste -bloem in den tuin van ons gemoed geplant, die meer en meer aangekweekt, -uitgebreid en op alle mogelijke wijze verdient te worden veredeld. Ik -zal u echter bewijzen, dat de menschenliefde, gelijk Jezus die leerde -[6] in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij anderen alles, -zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan worden gebragt, -dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de persoonlijke -regten, de waarde van het eigene ik, er door worden miskend. - -De bijbel leert: "Hebt uwen naaste lief gelijk u zelven." Dat doet -niemand en kan niemand doen, dewijl het volstrekt onmogelijk is. De -aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt ieder om zich zelven iets meer -lief te hebben dan anderen. Om die reden behoorde het voorschrift -aldus vervat te zijn: indien hongersnood u en anderen aangrijnst -en gij kunt u voedsel verschaffen, nuttig er dan zoo veel van als -noodig is om niet van honger te sterven; blijft er dan nog iets over, -geef dit aan de anderen en behoudt het niet voor u zelven; spaar het -uwe niet, wanneer anderen gebrek hebben; help anderen, wanneer gij -u zelven niet in gevaar stelt er door om te komen. - -Er staat geschreven: "Hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u -vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor hen, die u geweld -doen en u vervolgen." Dat klinkt alles zeer verheven, goddelijk, -en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar niet dan engelen -wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet verbrand of -gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de maatschappij, -waarin wij leven, op te volgen.--Zij, die zich priesters "van Christus" -noemen, van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg -in 1854, hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt -meesterlijke wijze vervloekt, geradbraakt en verbrand. De hemel behoede -mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet vertrapt, niet -naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als grondregel aan: -tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd heeft gehandeld, -beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo mogelijk tot vriend -te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden zien, en houd hem -op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort aanslagen tegen -u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk in gevaar gebragt, neem -dan de wapenen ter hand en verdelg hem. - -Op eene andere plaats wordt gelezen: "Indien iemand u op de regterwang -slaat, keer hem ook de andere toe." Neen zeg ik; indien gij niet -voor een dwaas, een lafaard of een gek wilt doorgaan, geef hem dan -een ferme klap terug. - -De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van zinnelijke begeerte, -het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij zondig noemt; gij zult -u losmaken van al wat aardsch is en het vleesch verloochenen, opdat -"uwe onsterfelijke ziel aan God meer gelijk worde, tot den Vader in -den hemel opklimme en de eeuwige zaligheid beërve."--God echter heeft -den mensch, gelijk alle andere levende wezens, tot genot geschapen en -alle organen en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste -doelmatigheid zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van -spijs en drank, maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij -dienen, met een aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen -genieten dagelijks en duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige -bedoelingen des Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn; -maar anatomici en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen, -de wet aan, waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.--De Schepper -heeft aan het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle -andere schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog -behaagt, het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam -niet in die schoone gedaante, opdat het onopgemerkt zou blijven, -de organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich -van alle genot zou onthouden!--Het is niet mogelijk het vleesch te -verloochenen. Maar het Christendom eischt verloochening, kastijding des -vleesches, onderdrukking der zinnelijke lusten, eene liefde tot zijn -naaste als tot zich zelven, onbeperkte weldadigheid, mededeeling van -hetgeen men bezit aan hen, die minder met aardsche goederen gezegend -zijn (naar grondstellingen van het echte communismus); het schrijft -voor zijne vijanden te vergeven, voor zijnen beleediger en vervolger -te bidden, hen wel te doen, en wanneer men op de eene wang geslagen -wordt, ook de andere toe te keeren,--al te maal leerstellingen, die -men elken zondag met veel zalving van den kansel in alle kerken hoort -verkondigen, maar die, daar buiten, door niemand kunnen betracht en -uitgeoefend worden. Welke zijn nu de gevolgen, die uit dezen valschen -toestand, uit deze onevenredigheid tusschen godsdienstleer en de -physieke mogelijkheid, de betrachting er van, noodzakelijkerwijze -voortspruiten?--: HUICHELARIJ, SCHIJNHEILIGHEID, welke ondeugden bij -de belijders van niet één geloofstelsel in zulk eene buitengewone -mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de Christenen het geval -is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij, huichelarij,--op zich zelf -beschouwd reeds diep te verachten, gelijk alle leugen en bedrog--is een -verdoovend, langzaam werkend vergift, waardoor de mensch zich in zijn -eigen oogen verlaagt, zijn karakter bedorven en de grond wordt gelegd -tot velerlei kwaad in de maatschappij, die daardoor ten deele geheel -ontzedelijkt wordt. Al ware het slechts om den wille der huichelarij, -dat noodzakelijke gevolg van het aankleven der Christelijke leer, -dit alleen zou mij reeds nopen het Christendom, zoo als het thans is, -te verwerpen. - -Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken der Christelijke -volkszeden onder de aandacht breng, welke als het gevolg mogen worden -beschouwd van den valschen toestand, waarin de belijders tegenover -deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn geplaatst. In vele -oorden van ons vaderland is het, zoo als ge weet, gebruikelijk in de -huisgezinnen een jaar lang over een gestorvene rouw te dragen, zich -een jaar lang van alle gezellige vreugde te onthouden, geen concert -bij te wonen, geen schouwburg te bezoeken en gedurende dien tijd -op geene openbare plaats van vermaak te komen. Gij zult mij toch -wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat men zich gedurende -datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen de vier muren -zijner woning, niet onthoudt van het genot, dat men aldaar smaken -kan; wat is nu die eenjarige rouw anders dan eene gehuichelde rouw, -eene ceremonieuse pralerij met de smart, die men veinst gedurende een -geheel jaar te gevoelen, en al dien tijd schijnheilig in het openbaar -vertoont?--Zoudt gij vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare -hut heeft afgestaan en ons heden avond verhaalde, dat haar man acht -dagen geleden door een tijger was opgevreten, geen smart daarover -gevoelt, nu zij met haar kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld -doet zulks haar leed, maar zij kent de Christelijke huichelarij nog -niet. Ja, wat meer zegt, indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i., -in het gevoel bestond, indien het gemoed zóó lang met smart ware -vervuld, ik zou mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen, -zulks te meer laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn -onverstandig, onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het -geluk zoo der bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij. - -Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij gelegenheid -van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der drie -academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar -behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de -buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door -langdurige oefening in staat is te bereiken, insgelijks zoogenaamde -tableaux vivants werden gegeven. De voorstellingen waren, wat betreft -de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer der Grieken en -Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen ten voorbeeld -genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij moesten -bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij werden -voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java nooit -gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen van -het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en houding -op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het gracieuse -behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid der -vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige -bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen dominé, geen professor -in de theologie en vooral geene dames. Men zei den ondernemer, -dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en dominésgezinde) -L...sche dames den mensch, zoo als God hem levend heeft geschapen, -en zoo als de beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit -marmer beitelden, voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden -en dat de kleermaker komen en hem "fatsoenlijk" moest maken.--De -kleermaker kwam; de bloote tricotkleeding der levende standbeelden -werd met lintjes, doeken en andere gewaden omhangen en--wat gebeurt -er!--de oude goden en godinnen van Griekenland verschenen, geheel -onverwacht, met hoeden, mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons, -geduchte schorten! en omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van -iedereen, te L....n op het tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier -kwam een gedeelte van eene naakte knie onder het schort eener Venus -te voorschijn en ginds werd een vleeschkleurigen schouder onder een -opgeslagen tip van den groenen sjaal der Psyche zigtbaar.--"Foei, -foei!" zeiden de Christelijke dames en--gingen heen. De heeren -echter, die een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden -van Kr.... vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu insgelijks -weg; want zijden omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers -in elken modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en--de -ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder Nacht, dat is het -gevolg van uwe Christelijke leer, die u voorschrijft den ouden Adam, -welke in u is, te desavoueren, het zondige vleesch te verloochenen en -uwe onsterfelijke ziel niet met aardsche lusten te bevlekken, neen, -haar voortdurend te louteren en tot den smaak van de eeuwige zaligheid -te dresseren. Deze leer heeft den goeden, aardschen smaak bedorven en -de menschen tot huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de -oogen af te wenden van dat beeld, hetwelk God als de schoonste bloem -uit het beste gedeelte van het paradijs nam en als zijn meesterstuk -op deze aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants -niet wilden zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben -toch vijf zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen -slechts in het geheim, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner -kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen, -o! hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving, -hoe vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke -lust veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer -zoo als de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig -op nieuw weder aangroeit). - -Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan alle -menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten -aanbevelen: welk kwaad moet in de Christen-maatschappij als de oorzaak -worden beschouwd van die kindermoorden, die zich in ons vaderland -op zulk eene schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks, -jaar in jaar uit, de treurigste berigten daarvan in de couranten -worden medegedeeld?!--Hebt gij gedurende het verloop van meer dan -een tiental jaren wel van een enkelen kindermoord! onder de Javanen -(die geen Christenen zijn) hooren spreken? - -NACHT. Het is inderdaad zoo als gij zegt.--Wat nu het overige betreft, -uwe aantijgingen tegen het Christendom zijn zeer talrijk en in -verscheidene opzigten, ik moet zulks bekennen, maar al te gegrond; -anderen zal ik later, zoo ik hoop, bondig wederleggen. Voorshands -zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover uwe beschuldigingen nogmaals -die groote waarheid te stellen, die ik reeds vroeger heb aangevoerd, -en waarvan de kracht nog in geenen deele door u is ontzenuwd. Wij -zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van vervlogen eeuwen, -maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat ons de mate -van beschaving, welke bij de Christennatiën thans wordt opgemerkt, -vergelijken met die, welke andere volken des aardbols in dat -opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten duidelijkste blijken, -dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap van beschaving -staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de dwalingen en -misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in lateren -tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots, buitengewoon -verheffends moet gelegen zijn!--Het is waar, gij hebt dat vroeger -tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende wijze aan te toonen -welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden hebben te weeg gebragt, -en zoo lang gij daartoe niet in staat zijt, moet ik het Christendom, -in spijt van al de beschuldigingen, welke gij er op hebt geworpen, -blijven beschouwen als den grondslag, als de bron, waaruit de hoogere -Europesche beschaving is voortgevloeid. Gij zult toch wel toestemmen, -dat het thans juist de Christelijke natiën zijn, die zich door hare -beschaving het meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de -eenigen zijn, die door hunne intellectuele, industriële en politieke -ontwikkeling boven alle andere volken uitblinken en alle anderen de -wet voorschrijven?!--Dat is toch een onloochenbaar feit! - -DAG. Ongetwijfeld. Maar de grondslag daarvan ligt niet in het -Christendom. In tegendeel; ik heb reeds vroeger met een woord gezegd, -dat het Christendom, verre van zulks te bevorderen, daaraan de hand -te leenen, zulks te bespoedigen, die hoogere ontwikkeling heeft -tegengehouden en vertraagd. Wat zeg ik, tegengehouden heeft? Neen, -het Christendom gelijk het thans bestaat,--en hiermede bedoel ik -niet uitsluitend de Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle -andere Christelijke kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne -duistere, geheimzinnige dogma's van het eene geslacht op het andere -overplanten (hoewel deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de -eerstgenoemde),--het Christendom gaat nog op den huidigen dag voort de -vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen of te stremmen, -blijft nog voortdurend de erkenning weêrstreven der eenvoudigste, maar -groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs het geval in landen, -die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan, indien, namelijk, -deze waarheden met het overgeërfde, blinde geloof of met de woorden des -bijbels in strijd zijn. Het zou mij gemakkelijk vallen duizenden van -voorbeelden, uit den tegenwoordigen tijd ontleend, tot staving van mijn -gezegde aan te voeren; dit zal wel niet noodig zijn, dewijl zij u even -goed als mij voor den geest moeten staan. De hoogere beschaving der -Europesche volkstammen is uit eene gansch andere bron voortgevloeid. - -Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras, waartoe de -volken behooren, die den aardbol bewonen. Een groot natuuronderzoeker -heeft, wel is waar, gezegd, dat het niet zeer "verblijdend" mag -worden genoemd te beweren, dat het eene ras, ten opzigte van zijne -werktuigelijke zamenstelling, aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling, -boven anderen is bevoorregt; ik stem dit in zoo verre toe, als zij -allen gelijke regten hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw -het bewijs als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den -slavenhandel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of minder -volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar van -de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig -onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm -en de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken -dragen van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het -hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren--en niet -ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europeërs in dat opzigt -minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden dan de -Papoea's, de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Amerikaansche -wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk ooit tot een -hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij thans hebben -bereikt. Alle volken echter, die de leer van het Christendom belijden, -enkele uitzonderingen hier en daar niet medegerekend, behooren tot -het Kaukasische menschenras. - -De hooge trap van beschaving, de bloei der wetenschappen, de -uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van nijverheid gegeven, -gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles moet als een -natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken: als de -eerste komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch te warme, -noch te koude klimaat des lands, dat zij bewonen, hetwelk eene -jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en winter, van lente en -herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een zeer opwekkenden, -verheffenden, bezielenden invloed uit op 's menschen geest;--ten -tweede de geographische ligging van Europa, in welk opzigt het boven -andere werelddeelen verre is bevoorregt, dewijl het, verdeeld in -zoo vele verschillende deelen of leden, doorsneden door uitgestrekte -binnenzeeën, in het bezit zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen, -eene veel gunstiger gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en -scheepvaart als eenig ander land ter wereld, en--ten derde de betere -physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van -geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg -hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en -zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om -tot eene veel hoogere intellectuele en industriële ontwikkeling op -te klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende -menschenrassen.--Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de hoogere -ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende vermeerdering der -bevolking, welke laatste weldra in overbevolking ontaardde, zoodat de -bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van onderhoud moesten omzien, -de bestaande meer en meer verbeteren, en zich eindelijk gedwongen zagen -naar andere oorden heen te trekken, kolonien of nieuwe rijken aan -gene zijde des oceaans te stichten, waar de landverhuizers de reeds -verkregen beschaving overplantten. Diezelfde mate van beschaving zou -echter in het moederland reeds veel vroeger zijn verkregen geworden, -indien het Christendom daarop zijn nadeeligen invloed niet had -uitgeoefend. - -NACHT. Uwe wijze van beschouwing kan ik, in al hare deelen, niet de -mijne noemen. Ik wil voor den oogenblik toegeven, dat het Christendom -misvormd, miskend, en door duizenden van menschen is misbruikt geworden -tot het bereiken van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel -en al vreemd zijn, waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard; -maar aan de andere zijde moet niet uit het oog worden verloren, -dat er door alle eeuwen heen duizend anderen werden gevonden, die de -leer der menschenliefde in al hare zuiverheid hebben betracht. Dit -moest natuurlijkerwijze een weldadigen invloed uitoefenen op den -toestand der maatschappij in het algemeen. De vroegere ruwheid -van zeden, de barbaarschheid moest langzamerhand plaats maken voor -zachtere wetten; hierdoor moest het gemoed veredeld, de veiligheid -van personen en goederen beter gewaarborgd en de snelle aanwas der -bevolking begunstigd worden, welke laatste, gelijk gij vroeger reeds -en te regt hebt aangemerkt, steeds gepaard gaat met de hoogere vlugt -zoowel der industriële als intellectuele ontwikkeling. - -DAG. Zeer zeker. Maar ook des te grooter waren de verwoestingen -door het Christendom op andere tijden en in andere oorden aangerigt, -terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat het allerwege den vooruitgang -tegenhield, dewijl het den geest aan banden legt. In vergelijking -van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige invloed, -uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering, -ja, hoogst onbeduidend te heeten.--En deze menschenliefde, deze -belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk -van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat -het menschdom is verschuldigd aan het Christendom? Is zij eene deugd, -welke slechts Christenen bezitten? Het is waar, luid en heerlijk is -zij door Jezus van Nazareth ter beoefening aangeprezen,--maar zij -bestaat sedert de mensch deze aarde bewoont; bij alle volken, bij de -belijders der verschillendste godsdiensten, bij Mohammedanen en bij -zoogenaamde Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken, -overal zult gij dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een -ruwen, ginds in een meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan -weder onzuiver, ja, zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk -geheel verstikt,--maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in -alle deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken, -dat de beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van -niemand geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te -kennen. Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier -onder de bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen -zijn? Het is zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant, -op aarde wordt gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en -het kwade, de liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds -bij de schepping des menschen werd de kiem van dit gevoel door den -Almagtigen zelven in 's menschen borst geplant. - -Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk het -bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig weefsel -vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen? werd hun -dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet bij hunne -schepping toebedeeld?--in wiens borst echter heeft zich het gevoel van -menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate geopenbaard, -dan juist in de borst dier priesters des Christendoms, die de leer van -Jezus predikten, maar godsdienst- en verdelgingsoorlogen aanstookten -en honderd duizenden hunner medemenschen op de pijnbank folterden, -naar galg en rad verwezen of levend in de vlammen van den brandstapel -wierpen, dewijl--deze honderd duizenden niet blindelings wilden of -konden gelooven, hetgeen heersch- en hebzucht hadden voorschreven. - -NACHT. De gruwelen dier dagen zijn lang voorbij. Verlies toch het goede -niet uit het oog, dat de tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet -erkennen, dat de Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet -naar de letter kan worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent -op het karakter der menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?--Ga -eens na welk een groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn -daargesteld, alwaar onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele -genootschappen ter ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt, -als vondelingshuizen, armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze -Hollandsche hofjes,--in een woord, aan de menigte inrigtingen van -weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van -het Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten -van den boom der Christelijke liefde? - -DAG. Zeg dan liever menschenliefde. Ik geloof echter niet, dat -loutere menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen -van weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij -melding hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware -het niet, dat de ijzeren noodzakelijkheid allengs luider aan de deur -had geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking -en van het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des -lands, hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen -beantwoorden. Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio -in elk land van Europa. Willen de rijken zich zelven niet laten -verslinden door degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets -anders te eten geven en hen verzorgen.--Wat nu betreft de veredeling -des menschen door de Christelijke zedeleer, gij hebt toch even als ik -in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle -volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten, -Joden en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en -zoogenaamde Heidenen, vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks -hebben bespeurd, dat het geloof dier verschillende volken niet den -geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en handelen; -wijders dat onder een gelijk aantal Christenen even vele slechte -menschen werden gevonden als onder de overigen, ja, dat de zedelijk -goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer dikwijls -geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt van -hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving -en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de -anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel -van hen te behalen. - -NACHT. Hoedanig ik over uwe anti-christelijke beschouwingen oordeel, -zal ik u later mededeelen; ik wensch zulks uit te stellen, totdat -wij onze reis door Java afgelegd en vermogende, zoowel als behoeftige -inlanders zullen bezocht hebben. Alsdan zal ik meer ervaring hebben -opgedaan en beter in staat zijn om eene vergelijking te maken tusschen -de inboorlingen van dit eiland en de Christenen in Europa.--Maar -zeg mij eens, indien gij volstrekt niet gelooft noch aan wonderen, -noch aan eene hoogere openbaring in den innerlijken mensch, dan kunt -gij immers ook geene bevrediging, geen troost vinden in de beloften, -vervat in den bijbel waarop, als zijnde Gods heilig woord, zoo vele -millioenen menschen hunne hoop bouwen en--hoe verklaart gij dan den -oorsprong der wereld en de verschijnselen in de natuur? - -DAG. De bijbel bevat menig schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen, -waarvan de lezing niet slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij -is echter zoodanig doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat -het hoogst gevaarlijk is den bijbel als iets anders te beschouwen, -dan als een boek, geschreven door zwakke, feilbare menschen, of -hem te willen doen doorgaan als het "onmiddellijk woord van God," -als eene "uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen -van Christus."--Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied- en -taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den oorsprong -van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin het is te -boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde Apostelen -zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden en -derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw -onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici -daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar na Christus, in den -vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers, wier -namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen, welke -destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op die -wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de meest onbevooroordeelde, -de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn het, die tot dit -laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog lateren tijd werden -de verschillende gedeelten en brieven bijeengevoegd tot dat geheel, -hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe Testament te noemen. Het is derhalve -niet eens mogelijk, om uit te maken of Jezus van Nazareth, al hetgeen -in dit Nieuwe Testament staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft -en of hij het zoo, gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken. - -Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men, gelijk vele -godgeleerden ("Christelijke schriftgeleerden en pharizeën") doen, -indien men groote waarheden der natuur wil bestrijden met de woorden -van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar volksverhalen en zulks -in een tijd, toen nog geen Kopernicus en Galileï, nog geen Newton -en Francklin geleefd hadden, toen nog geene enkele der gewigtige -sterrekundige en physiek-chemische ontdekkingen was gedaan, waaraan -onze eeuw haar licht, hare hooge vlugt moet dank wijten,--in een -tijd toen men de magnetische kracht, de electriciteit niet kende, -niet wist wat de bliksem was; toen men nog waande, dat de aarde in -het hemelruim stil stond, en men zon, maan, benevens alle sterren, -nog dagelijks om dezen kleinen aardbol liet ronddraaijen!--Waren de -verschillende gedeelten des bijbels naar hoogere ingeving ter neder -gesteld geworden, dan zou men toch billijkerwijze mogen verwachten, -dat hier of daar eene natuurkundige waarheid, eene juiste verklaring -van verschijnselen in de natuur er in werd aangetroffen; zoowel in -het Oude als in het Nieuwe Testament zult gij niet alleen te vergeefs -er naar zoeken, maar allerwege het tegendeel vinden. - -Er is slechts eene openbaring, en dat is de natuur; slechts eene -waarheid, namelijk die, welke geput wordt uit de grondige studie -dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al hetgeen in het -heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze verklaren uit -de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren kennen -en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de -werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven- -en ondermaansche verschijnselen, eene enkele uitgezonderd:--het -innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de geest, die haar -bezielt, benevens de millioenen van verschillende gestalten, -waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en te -verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel -ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in -steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij -in den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch -gelijk in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid, -alwijsheid en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende -wezens zijn geschapen, is: genot en geluk. Al moge het mij nu niet -gegeven zijn dit wezen der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die -alles onderhoudt, te bevatten,--ik gevoel zijn aanwezen, ik gevoel, -dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in vereering -en in aanbidding noem ik hem--God. - -Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen: "er is geen God -dan God", zoo zeg ik: er is geen wonder dan Hij. Want terwijl alles -bestaat en zich beweegt naar wetten, terwijl alles uit wetten kan -worden verklaard, waarvan nog nimmer, sedert duizenden van jaren, -sedert de mensch die wetten navorscht, het geringste uit zijne baan -is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs om Hem te begrijpen, -die voor ons verstand onbegrijpelijk is, dewijl ook wij een deel -uitmaken van hetgeen door hem is geschapen. Gij zult mij gereedelijk -moeten toestemmen, dat gij met al uwe godgeleerde kennis niet meer -er van begrijpt dan ik, en dat van den anderen kant de goede Javanen -er juist even veel van weten als wij beide, maar ook niets minder; -want ook zij en zelfs die, welke niet tot de Mohammedanen behooren -of dit slechts in naam zijn, gelooven aan God en aan dien naam -verbinden zij, even als wij, diezelfde eigenschappen van alwijsheid -en algoedheid. Dit geloof behoort, even als het gevoel van liefde tot -den naaste, onafscheidbaar tot den mensch; bij zijne schepping werd -hem dit ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd -dit geloof luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben -het uit geene andere bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste, -in een woord, bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten -geest, aan een almagtigen Schepper aller dingen. - -NACHT. Maar bij de meeste wilde volken is het begrip van God zoo -onduidelijk, zoo onbepaald,--de zwakke lichtstraal des geloofs aan -een hoogsten geest is bij hen achter zoo vele bijgeloovigheden, -vooroordeelen en geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware -God wordt bij deze volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene -groote menigte ondergeschikte geesten, Sétan's, Dewa's, Begoe's, enz., -enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond gesteld, als het ware -verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog slechts een flaauw -spoor van te ontdekken is?! - -DAG. Broeder Nacht, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan -den eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,--te -midden der allerchristelijkste staten,--niet veel beter gesteld is, -dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar -wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld -verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem -welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken; -ik gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar -in een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat, -waar alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan -geene kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf ook ik -voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van -mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de eenige aanhanger er van ware. - -Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch Mohammedaan, -noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-, Roomsch- of -Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent, Puriteinsch, -Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, Mährisch, Wederdoopend, Kwakend -of Afgescheiden Christen, maar behoor tot de hooggewelfde kerk, -waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de kerk der regtzinnige -natuurkundigen, die GOD aanbidden, die Hem in zijne werken en in de -krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen. - -Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden, waar Hij -of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij bijna -onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche -kerk. Wat aanschouwt gij daar?--Op den achtergrond ziet gij een -kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth; -de priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge -gebaren en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem -liggen biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield; -ginds worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen -aangebeden en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch -zich nedergezet op den troon van God, om (tegen betaling)--bedreven -zonden te vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt -gij dan? Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser, -Zaligmaker, Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige -moeder, Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen -van de kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen -u menigmaal te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden, -heilige biecht, aflaat en vagevuur,--maar van God, den alwijzen, -algoeden, die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven -gaf en geeft, van Hem zult gij daar niet veel te zien of te hooren -krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Battaërs, Alfoerezen en -Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan -in de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de Mesigit's op Java, -den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen. - -En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze goede -menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet? - -NACHT. Reeds vroeger heb ik u gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks -in het Katholieke geloof ben opgevoed, maar, even min als gij, -mijn gemoed gesloten heb gehouden voor beter licht, in tegendeel -steeds geneigd ben geweest deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan -te hooren. Daar gij het gezuiverde, door de Hervorming gelouterde -Christendom reeds vroeger hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet -spreken en bovendien mijn oordeel over de vraag nopens de invoering -des Christendoms onder de Javanen opschorten tot tijd en wijle dat -wij onze reize door Java hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan -daaromtrent ook zal mogen koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik -het nimmer zou durven wagen, dergelijke beschouwingen als de uwe, -omtrent de Christelijke leer en kerk, althans niet in Europa, openlijk -te verkondigen.--Zij zouden ons in den ban doen, excommuniceren! - -DAG. Laten zij het doen. Gij behoeft niet in hunne kerken te gaan, -waar van den waren God toch niet veel te vinden is. Van hen behoeft gij -geen troost te ontvangen.--Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van -waar de zon, de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring -u te gemoet schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt: -God, Alwijze, Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in -de bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde -ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring -verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het -lot, dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd; -ik heb afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb -mijnen naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel -in mijn vermogen is,--dan bezit gij de ware godsdienst, dan hebt gij -hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten; -dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder -opstaan van uwe legerstede, want God is met u. De waarheid, het regt, -hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk maken -tegen alle wederpartijders. - -NACHT. Hetgeen gij daar zegt, heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De -vrees echter, die ik koester om mij openlijk te verklaren tegen de -leerbegrippen der gevestigde kerk, kunt gij niet weg redeneren. Ik kan -dit niet zoo ligt tillen als gij. Hierop zal ik welligt later nogmaals -terugkomen. Maar nu wenschte ik wel van u te vernemen,--dewijl gij -de invoering van het Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt: -wat wilt gij dan de Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder -eenig onderrigt, blijven zoo als zij zijn? - -DAG. Het is beter, dat zij blijven, 't geen zij zijn, dan dat er -Christenen van hen worden gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet, -om hen te laten blijven, zoo als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne -denkbeelden mededeel omtrent de wijze, waarop de Javanen behooren -onderwezen te worden, wil ik nogmaals met korte woorden herhalen, -hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en hetgeen ik ten allen tijde -bereid ben uitvoeriger en grondiger te bewijzen, namelijk: 1o. dat de -hoogere trap van maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet -het gevolg is der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel -dat het Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen -heeft tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover -staat;--2o. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van de beoefening -der natuurlijke wetenschappen, welke langzamerhand licht en kennis in -den langen nacht van het Christendom verbreidden, en dat de hoogere -vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de oorspronkelijk -grootere geschiktheid, welke de volken van het Kaukasische ras voor -geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen hersengestel en in -hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen, waarbij vooral niet -over het hoofd mag worden gezien de opwekkende invloed, uitgeoefend -door het gematigde luchtgestel en de bij uitnemendheid gunstige -geographische ligging;--3o. dat het Christendom de menschheid geen -duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van -waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan -wonderen aankweekt;--4o. dat zelfs de lichtzijde van het Christendom, -de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde tot den naaste, -de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding van aardsch -genot--in die mate als dit wordt geleerd, niet betracht kan worden, -wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve gemeenlijk slechts -huichelarij en schijnheiligheid doet rijpen;--5o. dat het geloof -aan eenen grooten, algoeden God alreeds in het gemoed der Javanen -levendig is;--en 6o. dat zij menschenliefde bezitten en beoefenen, -ja, beter en met zuiverder bedoelingen beoefenen dan duizenden dier -Christenpriesters in Europa gedaan hebben. - -De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve geene waarheid -leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven, dat zij niet -reeds bezitten. En nu vraag ik: waarom wilt gij het Christendom -invoeren onder deze goede, nog onbedorven menschen?--Wilt gij tweedragt -onder hen zaaijen, het onvermijdelijk gevolg eener godsdienst, -welke met het geloof aan een wonder aanvangt en met wonderen eindigt; -wilt gij sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen -opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het -onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te -houden over dogmatische spitsvindigheden?--Wilt gij hen dan volstrekt -onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame hutten, -velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol en Gòlok -wegwerpen en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen -naar razende kerkvergaderingen,--opdat onder dezen zoo gelukkigen, -Oost-Indischen hemel het eerste bedrijf van gindsche geschiedenis -des Christendoms op nieuw worde aangevangen,--opdat hier op Java -dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten tooneele worde -gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang voorbereide bedrijf -in Europa nog niet vertoond is geworden? - -Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u zelven, -niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of, wilt -gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter aankweeking -der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen reeds meer, -bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is; leer -hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper -en onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen -de gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden -regen doet neêrstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de -innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur, -maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit -hen zelven moet opwellen,--dat zij de goddelijke kiem, die in hen -ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren -(niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als -hun schoonste erfdeel moeten beschouwen,--maar, kwel hen niet met -evangeliën en dogma's, hoe één is drie en drie is één, met de leer -van gemeenschap en transsubstantiatie; verschoon hen van hostiën, -wierookvaten en andere dergelijke "heilige" gereedschappen; voer de -biecht, de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java -(waar het buitendien reeds heet genoeg is);--laat toch den priesterrok -weg en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil, -het schrikkelijke--kruis! niet op hunne vreedzame bergen,--verspreid -geene wondersproken, geene bijbels onder hen!--want dergelijk zaad zou -onvermijdelijk, hetzij vroeger of later, een monster doen opwassen, -dat zijne woede tegen zich zelven zou keeren en u allen zou verslinden. - -Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste geruststelling -omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging, die bij -mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn zal de -Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.--Het verlossingsproces -des menschen van de zonden en de verzoening met God door het zenden -en opofferen "van den levenden God, zijnen zoon, dien Maria van den -Heiligen geest heeft ontvangen" (!) of, gelijk anderen zeggen van den -"Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest door -het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken, -gevoelen, willen en handelen in God," (!) enz., de opstandings- en -hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en dergelijke -fraaijigheden meer,--dit alles hebben de meest ervaren, diepzinnigste -godgeleerden in Europa nimmer kunnen begrijpen, om welke reden zij -het juist gelooven (dat is, hun verstand tegen wil en dank opdringen) -moesten; het eenvoudige gezond verstand der Javanen zal het nog veel -minder begrijpen; op het vernemen van dergelijke leerstellingen, zullen -zij elkander verwonderd aanzien en het hoofd schudden. Stel voor den -oogenblik, dat het u gelukt zij den Javanen dit geloof op te dringen, -wat zult gij daarmede gewonnen hebben?--Vroeger heb ik de tallooze -en schrikbarende onheilen opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft -berokkend. Het geringste van al die onheilen was, dat het de menschen -tot schijnheiligen en huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java -niet blijven. De inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in -vele deelen en residentiën van het eiland oefenen de Mohammedaansche -priesters een grooten invloed uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een -gedeelte van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren; anderen -zouden Mohammedanen blijven--en daardoor zoudt gij al dadelijk en -van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile zwangere -tweedragt gezaaid en de kloof tusschen andersdenkenden gedolven hebben, -die zich allengs verwijdt en met haat gevuld wordt,--daargelaten de -kiem van oneenigheid, welke de Christelijke leer (gelijk elke leer, -die het geloof aan wonderen voorschrijft) in zich zelve bevat. - -NACHT. Mag er niet worden gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor -de gevolgen van de invoering van het Christendom, van het geloof aan -wonderen, gelijk gij het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft -tot eenige overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze -zoo goede, zoo zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan -om den wille van geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden -zijn daarom krijg te voeren?--Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en -gehoorzaamheid, ja, de vredelievendheid in eigen persoon? - -DAG. Och, broeder Nacht, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet -kent. Gij zult het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot -wilt blijven vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de -lagchende vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de -eenzame hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam's -en Kraton's hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige -van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat, -waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van -Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om -hen in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en--geef acht op -de uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen, -indien gij, voor wij onze reis door de binnenlanden hebben afgelegd, -niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen zijn. Op gelijke -wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen arbeid, van het -volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander, waar omtrent gij -reeds op den huidigen dag eene niet onaardige ervaring, hoewel nog -slechts zeer in het klein, hebt opgedaan! - -Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende geschiktheid tot -velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor alle kunsten en -handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij beminnen den vrede en -de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult tevens de vonk, die de -hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe geringer de zedelijke en -intellectuele ontwikkeling van een volk is, hoe minder het zich door -beschaving boven den oorspronkelijken, eenvoudigen natuurstaat heeft -verheven, des te gevaarlijker zijn zijne hartstogten, wanneer zij -ontvlammen. Wacht u daarvoor--zie toe, dat gij den slapenden leeuw -niet wekt. Denk aan het Amok en de woede, die zich van hen meester -maakt, wanneer zij later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn -bedrogen geworden. Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen -dergelijk gebak te eten, dat even als Koewé koewé, met Ketjoeboeng -aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later -beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat -zij vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen -zij zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u -allen verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de Klok:--"jedoch das -Schrecklichste der Schrecken, das ist der Mensch in seinem Wahn!". [7] - -NACHT. Nog nimmer heb ik hen door drift vervoerd gezien en zou...... - - - -"Toean, toean!--Lakas, lakas! Matjan, matjan!"- - - Onder het uiten -dezer noodkreten ijlde een onzer jongens naar ons toe en deed ons -verschrikt opspringen van de plaats, waar wij digt bij den rand -der kloof op ons gemak lagen te praten. Het middernachtsuur was -nabij. Achter Sidin kwamen twee andere Javanen aanstormen, die met -knuppels en een brandend stuk hout woedend in het rond zwaaiden. "Een -tijger, een tijger!--Holla, ho! Val aan, val aan, een tijger!"--Deze -noodkreten deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik -ontwaken en in één oogenblik was alles op de been;--in de hutten -hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw -aan,--de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden zij -naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken, -hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste -ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar -onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den -stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit, -die hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter, -dat hij door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op -eenigen afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van -onze kogels, die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat -hij op den grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong -en andermaal over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op -hem, zoodat een paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren, -het eindelijk durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en -hem--door hunne pieken zoo diep in zijn lijf te steken, dat hij, als -ware het aan den grond werd vastgespiest--voor goed te dooden. Deze -pieken waren, behalve de hakmessen (Gòlok) en enkele dolken (Kris) -de eenige wapenen in het gansche dorp. - -De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar het -dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels -schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna -stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij -bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had -ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den -vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons -nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen -liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten -Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het -inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan -de klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander -zij zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen, -had hen uit den slaap gewekt. - -De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den dalwand genaderd -en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine rigting, al -sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar haar licht -scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te kunnen zien, -dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag. Het was een -koningstijger van de grootste soort, stellig even lang, maar slanker -dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de scherp en -dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk gebit, -de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog teekende, -boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied, eene -schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken, -waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid was bezoedeld, -niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en kinderen scheen de -angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode dier niet dan -op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe alleen, -voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings nader -en hield vlak voor den tijger stil.--Haar lang, zwart haar had zich -ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste vrouwen, -die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood verschrikt -van hare Ambèn (rustbank) waren opgesprongen. Haar bovenlijf was, -zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den Sarong, welke om -de lendenen was geslagen en van daar in breede plooijen hare verdere -ledematen bedekte.--De jeugdige weduwe stond daar met opgeheven armen, -voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt hoofd en staarde met -fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der wildernis, die daar -voor haar lag. "Dat is de tijger, die mijn armen man heeft verscheurd -en nu ook mijne geit heeft geroofd!" riep zij op snerpend luiden, -huilenden toon en wierp zich met eene soort van gebrul op het doode -dier. Zij wroette met beide handen in zijne wonden, verwde zich -met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg hem op de oogen, beet -hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen bloed op, sprong -tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich andermaal onder -het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op den tijger, dien -zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde hare onstuimige -drift zich mede aan de overige vrouwen, de ééne verdrong de andere, -ja, zelfs de kinderen kwamen eindelijk toesnellen om den tijger te -schoppen, te slaan, uiteen te rukken of althans hunne voeten in des -tijgers bloed te baden. De mannen hielden zich stiller, bedaarder; -maar naauwelijks ontstond er eene opening tusschen de vrouwen en -kinderen, kwam er eene vrije plaats, en kregen zij de gelegenheid -om het dier te naderen, dan staken zij hunne lange dolken (Kris) -tot aan het hecht in zijn lijf,--herhaalden dit met onmiskenbaren -wellust zoo vele honderde malen en doorsneden en doorboorden den dooden -tijger zoodanig, dat hij eindelijk eene zeef geleek;--daar lag nu het -Koninklijke roofdier uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den -dolk in de hand op hunne knieën er nevens; de kinderen baadden hunne -voeten in zijn bloed--en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf, -met heur loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt, -dreigend en huilend daarbij--in groepen, waarop het wegstervend licht -der maan nog eenige laatste stralen wierp. - -Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder Nacht eenigzins -achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij Javanen in drift ontstoken -gezien en het scheen, dat hij op dezen oogenblik grooter vrees -koesterde voor deze menschen dan vroeger voor den levenden tijger. En -toch was deze vrees geheel en al ongegrond; wij hadden hen immers -volstrekt geen leed gedaan; wij hadden hunne rust, hunnen vrede -niet gestoord, hun stil geluk niet verwoest!--Langzamerhand scheen -hunne wraaklust zich te bekoelen; zij hadden uitgewoed en kwamen tot -bedaring. De maan ging onder en de een na den anderen verliet den -kring, keerde naar zijne hut terug, waarvan de deur zorgvuldig van -binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog slechts een paar mannen over, -die op hunne knieën naast den tijger lagen en zich oefenden in het -gebruik van de Kris. Door woorden en gebaren gaf de weduwe ons nu te -kennen, dat het haar "goed deed aan het hart, wraak te hebben kunnen -nemen aan den tijger, dat wij beste heeren waren, dat zij ons ten -zeerste bedankte, want wij hadden den tijger neêrgeschoten, wij hadden -zegen in haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als -ons eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven als wij wenschten, -hetgeen haar hoogst aangenaam zou zijn."--"Banjak tabé, toean! Slamat -tidor, toean!" (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!) - -Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken, waarbij -twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te -onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine -Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons -en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar, -zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen -op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten -uit alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Balé balé), -die van nevens elkander gelegde strooken gespleten Bamboes vervaardigd -was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie gevuld, was uitgebrand en -slechts het schijnsel der wachtvuren, dat door de reten der gevlochten -Bamboeswanden binnen drong, verlichtte eenigzins het kleine vertrek. - -Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want al was de -temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70° Fahrenheit -gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den loop -des daags aan een veel hoogeren hittegraad,--van 85 à 90° en in -den zonneschijn nog veel meer,--waren blootgesteld geweest. Maar -onze Koeli's waren niet aangekomen, en nu konden wij hen ook niet -meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven reizen door -wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.--Wij vouwden onze -reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot een -hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den Selendang, bedekten -ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid zijnde, -zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap. - - - (Vervolg hierna.) - - - - - - - - - VERHALEN EN GESPREKKEN - UIT DE - BINNENLANDEN VAN JAVA. - -2. - - -Ik droomde. - -Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, waar geen leek -mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in Spanje of in -een ander land was. Een jonge geestelijke zou de priesterlijke wijding -ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, naar een verwijderd -land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad gedost waren aldaar -vereenigd, ter bijwoning van de heilige plegtigheid. Verscheidene -kardinalen, met de breede hoeden en prachtige purperen mantels, zaten -in het gestoelte aan de eene zijde der hooggewelfde kapel, benevens -eene menigte bisschoppen met hunne hooge mutsen en van goud blinkende -herderstaven en kruisen, en hierop volgde eene lange rij priesters -van minderen rang. Allen waren in prachtige, schitterende gewaden -gedost. En--hetgeen ten hoogste mijne verwondering wekte--tegenover -hen zat een gelijk aantal dominé's, die met hunne driekante hoeden en -zwarte kleedij eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange -rij vormden. Ik en mijn broeder Nacht waren de eenige oningewijden -aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was gekomen, dit -wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar ik was er en -stond met mijn broeder Nacht in een der verwijderde hoeken van de kapel -achter een pilaar verborgen. Hoog verhieven zich in de beide zijgevels -der kapel de spits toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen -het invallend daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den -vloer in het midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en -nissen in een tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters -ontwaarde men allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw, -waarop verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat -en stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op -eene dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest -op de Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der -dooden. De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste -schilderij was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts -een kruis verhief zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na -zijne opstanding uit het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij -verlaat hij onze aarde, keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader, -nadat hij zijn verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is -verheerlijkt, zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is, -heeft hij overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht, -welke hij doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de -aarde, staren hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking -na. Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en tusschen gulden -wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, de plaats -der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van heilige -engelen hem begeleiden. - -Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; een zwaar -gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. Vóór deze -nis stond eene tafel met een purperen kleed bedekt; op een opengeslagen -Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, lag een groot zilveren kruis. - -Een der oudste dominé's stond van zijnen zetel op en sprak deze -woorden: "Katholieke broeders! Wij zijn alhier gekomen om, na -het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult vieren, met u te -beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen worden afgekeerd, -die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde bedreigen. Het kille -ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, verbreidt zich allerwege -meer en meer in het rond; de leeringen der natuuronderzoekers komen, -als een verblindend weerlicht, al nader en nader tot ons, ten einde -door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige Woord der Openbaring -in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van natuurwetten, -in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen zich in -staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de natuur, -dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift--in den bijbel--ons -daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het vetste land -des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld zoo zeer -door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al het aanzien, -dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die eeuwen -lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet meer -aan wonderen gelooft. Dit moet worden verhoed, deze goddelooze zucht -moet worden tegengegaan. Maar, mijne waarde Katholieke ambtgenooten, -slechts dan wanneer wij met vereende krachten te werk gaan, kunnen -wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den stroom der -verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider kerken -zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig -tegen elkander over. Wordt de zaak echter van naderbij onderzocht, -dan blijkt dat het onderscheid inderdaad niet groot is. Gij draagt -een ronden, wij een driekanten hoed, maar toch gelooven wij beide -aan het driemaal een is een, en bovendien wanneer het eene zaak geldt -zoo hoog gewigtig als deze, dan zouden wij de punten onzer hoeden wel -wat kunnen laten bijronden. Gij vereert, het is waar, de moeder Gods -bijna meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen, -want de scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en -vrouwelijk tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de -tafereelen, die wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,--zijn -het niet allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke -leert? Welnu, datzelfde leeren wij insgelijks.--Jezus Christus is Gods -Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte -maagd Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd -geworden; hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel; -dat leert gij en dat leeren wij insgelijks.--Gij acht het noodzakelijk -ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan wonderen gelooft; -wij insgelijks.--Gij vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood, -of in de hostie het ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te -nuttigen, en wij denken slechts daarbij aan zijn gebroken vleesch -en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als -een der heiligste sacramenten, en wij insgelijks.--Gij houdt het -omsluijerde beeld in de nis voor het oog der menigte verborgen; -wij insgelijks.--Welk onderscheid bestaat nu tusschen uwe en onze -leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, waarin zij -van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, het zijn -niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, ten einde -de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij de steeds -dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte negentiende -eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld zijn gebleven, -vereenigen, opdat het gansche gebouw, waarop uwe zoo wel als onze -magt steunt, niet instorte. Gij hebt, wel is waar, een opperhoofd -der kerk, waaraan gij onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er -geen en ieder onzer is liever zelf, elk in zijn eigen kring--een -paus. Bij de gevaren echter, welke het heilige orthodoxe geloof -aangrimmen, zou het niet dan verderfelijk voor ons beide zijn, indien -de bestaande verdeeldheid en versnippering onzer krachten langer bleef -voortduren. Door dergelijke kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het -geval is, waar een verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting -ons steeds heftiger toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt, -naar een hechten pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is -aan geen twijfel onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd -en wij door een hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen, -tienmaal meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder -afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst -uwe dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In -den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen." - -De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de volgende -woorden tot hem: "Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om het hoofd der -kerk den eed van onverbrekelijke gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt -onderwezen in onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen -hier niet te herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het -geheugen roepen. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijt gij aan de kerk -verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een blind geloof. Daarover -na te denken is zonde, twijfel te voeden is ketterij. Ketters worden -gestraft met den ligchamelijken dood en de eeuwige verdoemenis. Allen -hopen wij met God, onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd -weder zal aanbreken, waarop wij magt zullen hebben alle twijfelaars -en ketters te verdelgen en u, mijn zoon, hebben wij uitverkoren -en waardig gekeurd om een medearbeider en ons werktuig te zijn, -ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het hoofd onzer kerk, -de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de ingewijden, die hij -zijn vertrouwen waardig keurt, alléén het regt de stellingen onzer -heilige godsdienst te onderzoeken en te beoordeelen. Gij en alle -anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort slechts te gelooven en -te gehoorzamen en dit geloof moet gij door alle mogelijke middelen -uitbreiden en tegen de ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter -verdelgen, zoo moogt gij geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door -God vervloekt. Verlies nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat -de kerk u leert en gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God--meer moet -gehoorzamen dan aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van -jaren, u waarlijk getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht -u de heerlijkste belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden -overladen en onder het tal van ingewijden opgenomen worden. Hef -uwe oogen op naar het tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet -en aanschouw het voorhangsel, dat het binnenste der nis beneden de -schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het -ware beeld. Maar hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk zou het voor onze -belangen zijn, indien wij dat beeld den volke vertoonden, want zagen -zij het of konden zij het zien, dan ware het met onze heerschappij -gedaan. Om die reden moet de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim -gehouden worden. Het volk mag niet verlicht zijn, maar moet gelooven, -hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan -laat het zich 't gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij -ons aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is, -wij houden die zelven daardoor in bedwang en heerschen over haar. Dat -het groote doel der hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij -over alle volken der aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit -het oog worde verloren, en vergeet niet, dat het zekerste middel -om daartoe te geraken, is: het onderrigt der jeugd. Prent derhalve -de grondstellingen onzer leer vooral diep in het kinderlijk gemoed; -want hetgeen het kind gewoon is als heilig te vereeren--al was het -louter onzin, dwaling of bedrog--de vereering daarvan zal hem eene -behoefte worden, welke in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk -ontbeerd, waaraan het geloof ter naauwernood geschokt zal kunnen -worden. De jeugd zij derhalve bij voorkeur het voorwerp uwer zorg, -en stel u steeds levendig voor den geest, dat een van onze eerste en -krachtigste middelen, om ons tot het beoogde doel te voeren, is: het -schoolonderwijs te leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen. En -gij, mijn zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de -uitoefening uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk, -onwankelbaar getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn -het voorhangsel ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt -en gij zult een onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen -eed te zweren. Benedicite!" - -Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het orgel hooren; -zijne krachtige toonen wekten de echo's van het hooge gothische -gewelf en een koor van priesters hief geestelijke liederen aan, -waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich paarde aan het -orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar en in het -wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier welriekende -dampwolken al hooger en hooger opstegen. - -De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste mijner ziel -geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich van mij meester -om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het ware beeld -had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet mogelijk dit verlangen -te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder Nacht mij bij den arm -vasthield en mij toefluisterde: "Om Gods wil, Dag! houdt u toch stil; -wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier bevinden, -is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, indien -zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn weg, -dat gindsche nis bedekt, dan zou het u 't leven kunnen kosten! Ik bid -u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in stilte van -hier vlieden." Ik werd echter door de sterkste begeerte geprikkeld -om dat beeld in de nis te ontsluijeren,--ik trad nader en rukte het -gordijn weg. - -Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der schilderij, welke -boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van Christus omgaf, -verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel zweeg en het -maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De wierookwolken werden -snel als door een storm weggevaagd en al de kardinalen, bisschoppen, -pastoors en dominé's vloden ontsteld, verschrikt, in de grootste -verwarring uit de kerk.--En wat zag ik nu?--Wat geschiedde aldaar? - -De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich bevond in de -nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich te bewegen, -zij werd levend en--voor mij stond een mensch,--een man met joodsche -gelaatstrekken, zwart van baard en van hoofdhaar,--met een bleek, -door lijden vermagerd gelaat; hij was gekleed in een eenvoudig, -grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag zeggen, treurig was de blik, -dien hij op mij wierp. Aan zijne handen bespeurde ik blaauwe, dik -opgezwollene lidteekenen. - -Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te gevoelen over de -daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van medelijden op -het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had gevestigd. Zij -was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger omgaf, om -haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen uiterlijken -glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, mishandelde -mensch!--ja, mensch.--En toch boeide mij die verschijning, stond ik -als vastgenageld op de plek, waar ik mij bevond, was het mij niet -mogelijk eene schrede voor- of achterwaarts te doen. De blik, welken -deze mensch op mij sloeg, was zoo wonderbaarlijk zacht en teeder, dat -mijne oogen aan de zijnen als gekluisterd waren en de menschenliefde, -die hij zoo bij uitnemendheid schoon en luide heeft gepredikt, het -medegevoel, de sympathie met onze natuurgenooten, werd in mijn boezem -steeds levendiger en warmer, hoe langer ik hem aanzag. Zijn verhevene, -rustige blik was op mij gerigt, op mij, die met vermetele hand hem -had ontdaan van den stralenkrans en kerkelijken luister, waarmede -de priesters hem vroeger hadden versierd; en toch was zijn blik zoo -zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, ja, tot op den bodem -des harten door, en deze ziel volle blik, de glans der oogen, welke -steeds helderder werd, hoe langer men hem aanzag, wekte zulk eene -geestvervoering in mij op, dat ook mijne oogen vochtig werden;--hij -bemerkte het, hij verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar, -deed zijne lippen trillen,--hij strekte de hand naar mij uit en--ik -viel neder op mijne knieën om haar te kussen. - -Nu sprak hij: "Laat af, mijn vriend. Ik ben, gelijk gij, eens menschen -zoon. Voor God alleen zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij -eerst mishandeld en gekruisigd,--druk mijne handen niet zoo sterk, -de wonden, die zij mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,--duizend -anderen, die na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen -ik beleed, hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne -leer vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In -de plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop -hunne magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden -te verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te -meer zekerheid te doen, hebben zij mij God den eeuwige genoemd en -zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op -aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei -in het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge -van bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;--later moest ik -mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de -gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden, -die mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede -zaak te bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te -sieren. Zij verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren, -maar helaas! door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt -aan de menschheid als juist door deze sprookjes, die zij hebben -uitgestrooid. Wij allen zijn kinderen Gods, want de Heer heeft ons -boven het gedierte, dat in de wildernis leeft, begiftigd met eene -redelijke ziel;--maar zij zeiden: dat ik Gods ligchamelijke zoon -was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk verstand waar en juist ten -opzigte van de schepping en haren maker erkend en geleerd had, dat -alles gaven zij nu uit voor "het geopenbaarde woord Gods." Niet altijd -hadden zij mij begrepen, menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne -woorden opgevat; veel hadden zij vergeten van 't geen ik hen geleerd -had, en andere dingen er bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd; -maar niettegenstaande dat stelden zij dit alles later te boek gelijk -zij zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu -werd dit doode woord als "heilige schrift of bijbel," onveranderlijk -van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats van in het -ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij dag en -bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich te -laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in -de diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van -het bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit, -zij verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan -aan de regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt; -zij vonden er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene, -hetwelk hun verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche -geloofstelsels en stelden den mensch het aanbidden van hunnen -waan ten heiligen plagt; zij grondvestten hierarchien, rigtten -brandstapels op en offerden ketters in de vlammen; zij begonnen -te twijfelen, oneenigheid ontstond onder hen, zij scheidden zich -van één, stichtten eene oneindige menigte sekten en op die wijze -dwaalde een groot gedeelte der menschheid in de duisternis voort,--het -weldadige licht der waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte -geloofswaan allen vooruitgang belette en dewijl zij datgene, hetwelk -niet anders is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk -verstand--mijne leer, en zelfs deze niet dan vervalscht,--voor Gods -woord uitgaven.--Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw -hoofd is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles -naar wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en -steeds voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast -bepaalde wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al -deze wetten te doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder -zeker, dat de mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te -gemoet gaat als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou -dan het volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de Eeuwige, -Onvergankelijke een deel zijner kracht, het verstand, de redelijke, -van zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel schonk, zou dit buiten -de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt verzekerd, de -mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in den toestand -van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door het licht -van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene in de -natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te vergeefs -trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de waarheid te -omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen gereed zijn -om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg te rukken, -opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een diergenen, en -gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld bedekte. Ik dank u -daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, het bijgeloof en -het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De voortgang des -tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der ontwikkeling en -de magt der boozen is reeds in eene groote mate geknakt. Zij zullen u -beschimpen, belasteren, zij zullen pogingen aanwenden om uwe bedoeling -in een verkeerd daglicht te stellen. Maar vrees niet, want Groot is -de waarheid en zij zal zegevieren. Zij echter, die de waarheid kennen -en haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt, -die op hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het, -die de onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij -ontrooven den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga -voort op den weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen -gevoelt, maar doe zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de -boozen en huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn." - -Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken als de -heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik dezelven -op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel geleden -heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat teekende -vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.--Ja, ik erken u, -gij zijt het--Jezus van Nazareth! die tot mij spreekt en u vereer -ik. Ook ik wil mijn penningske bijdragen en eene poging doen om -de aanbidding Gods in zuiverder, warer vorm te doen stand grijpen, -om het verkeerde, het bijgeloof er uit te verwijderen, opdat sluwe -menschen niet langer misbruik maken van de behoefte aan godsdienst -hunner medebroederen,--ik wil mij scharen aan de zijde dergenen, -die pogingen aanwenden om de voorschriften der zedeleer zoodanig in -te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen worden opgevolgd, -opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te bestaan. - -Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde hij onverwacht -eenig voorwerp achter mij,--ik keerde mij om en zag twee pastoors -en drie dominé's, die teruggekeerd waren,--zij hadden hunne ronde en -driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met ontbloot hoofd, -vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het ware beeld van -Jezus heen;--ik stond verlegen, getroffen, doch tevens aangenaam -verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter zijde,--daar klonk het -geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de ooren; ik hoorde zachte -en welluidende toonen als van slaginstrumenten en de schoone gestalte -van Jezus, het ontsluijerde beeld verdween uit mijne oogen. - - - -Daar buiten in het dorp werd de Gamelan gespeeld, waarvan het -geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder Nacht lag -nog verzonken in den periodieken schijndood der ziel,--hij sliep nog -nevens mij, toen ik in stilte opstond en de deur der hut opende.--Het -oog des daags was nog niet geheel en al ontwaakt; het gebroken -zonnelicht, dat de hoogere luchtlagen, door de zon reeds beschenen, -terugkaatsten, de schemering, omhulde nog de natuur, toen ik van den -ladder afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden -adem toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje -reeds was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor -onze woning, onder het geboomte, rondom eene Gamelan gerangschikt was. - -Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, die niet weet -wat eene Gamelan is. Dewijl het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks -niet met alle lezers in Nederland het geval is, zal het navolgende -ter verduidelijking kunnen dienen. Onder eene Gamelan verstaan de -Javanen eene vereeniging van groote en kleine muziekinstrumenten, -voornamelijk van metaal vervaardigd, welke meerendeels den vorm -hebben van een bekken en wat betreft de grootere soorten (de Gong's) -deels aan fraai bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang's -en Kenong's) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den klank te -verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen koorden -liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool met -twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bedoeg), vervolgens een -aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven verscheidene -in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene rij nevens -elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen aan koorden -(Gendèr), of zijn door middel van houten pennetjes op den rand der -kist bevestigd en deels van metaal (Saron), deels van hout (Gambang -kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten hamers geslagen, -die met leder of garen omwonden zijn en geven, niettegenstaande de -voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige Javasche melodien, -een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke eenige overeenkomst -heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die veel zachter van -toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot een volledig -orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de instrumenten te -bespelen en eene of twee Ronggeng's, d. i. dans- of zangeressen. De -Ronggeng's zijn eene navolging der Indische bajadèren, die op Java -uit den voormohammedaanschen tijd--den tijd der Hindoerijken, der -Brahma- en Boedhagodsdienst--zijn overgebleven; deze treden echter -alleen bij plegtige gelegenheden op. - -Eene dergelijke Gamelan nu stond, met onze pakkaadje daaromheen, -als het ware voor onze oogen nedergetooverd, terwijl eenige -Javanen welluidende toonen aan de verschillende muziekinstrumenten -ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings over elkander -geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, met de -speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij schenen -slechts het oogenblik te verbeiden, dat de zon boven den horizon -zou verschijnen,--het tijdstip waarop onder dezen tropischen hemel -iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk verlaat,--om hunne -instrumenten onder zwaardere slagen te doen klinken. Ik was vóór dien -tijd ontwaakt, doch gaf hen te verstaan, dat mijn oudere broeder nog -sliep en te gelijk roerden zij hunne handen sneller; zij speelden -de melodie van Poetjoeng kanginan, een luid allegro werd gehoord, -bim, bam, bim, en--boem klonk de zware basstem van den grooten -Gong als een klok boven alles uit, en ziet, mijn broeder Nacht trad -aangenaam verrast naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef -van verwondering zijne oogen, toen hij de Gamelan en onze koffers -gewaar werd.--Sluipend naderde zijn bediende Lapiah, die met een mijner -jongens gisteren de Koeli's begeleid en reeds vóór het vallen van den -avond hier had moeten zijn. Hij hinkte--en maakte een erbarmelijk -figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij trad. Eindelijk vatte -hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk compliment en begon -nu met een "Banjak tabé Toean, djangan mara Toean" een en ander tot -zijne verontschuldiging in te brengen. Deze redenering kwam ongeveer -hierop neder: Ja, mijn heer, de Koeli's liepen zoo snel als mogelijk -was en ik spoorde hen daarenboven voortdurend aan om nog grooteren -spoed te maken, ten einde vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar -aan de Tji-Roké genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die -beet mij in mijn linkerbeen. - -NACHT. Eene slang, gebeten? - -LAPIAH. Ja, mijn heer, maar zij was niet vergiftig.--Mas Poetri -heeft haar dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer Dag -(bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging voor mij) -medegebragt. Toen de Koeli's dit zagen, zeiden zij: dat is een kwaad -teeken; op dezen weg durven wij niet verder voortgaan, want wij -krijgen stellig een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een -sloegen zij een zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt, -zoodat wij door Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer, -hoe toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist -bruiloft gehouden en de Gameelan gespeeld, er waren Ronggeng's en ons -werd thee en Koewé koewé aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli's, -dat wij geluk hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers van -hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pendopo en wat wij -ook deden, wat wij hiertegen inbragten--wij baden, wij dreigden hen, -wij stompten er op--maar 't was alles te vergeefs, eenigen vlijden -zich neêr, aten Koewé koewé en luisterden naar de Gamelan, anderen -tandakten (d. i. dansten) met de Ronggeng's en al onze pogingen waren -vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen -ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den -weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den -Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend, -dat het beter was de gansche Gamelan maar mede te brengen. Ik weet -immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel, -dat het mijne schuld niet is. - -NACHT. Gij slimme vos! De klappen, die gij de Koeli's hebt gegeven, -zullen wel niet veel pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak -gezigt en eenige andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen -te verbergen.) Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met -de Ronggeng's getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt, -hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; ten -anderen hebt gij die arme menschen nog bovendien gedwongen midden in -den nacht de Gamelan herwaarts te brengen en nu zoudt gij mij nog wel -willen wijs maken, dat dit alles geschied is om mij te believen. Maar -gij zult zelf de kosten er van dragen. - -LAPIAH. Baïk, Toean. Saja poenja oewang abis, kapan soeka pindjam -sepoeloe roepia. (Zeer gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd; -heb de goedheid mij tien gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg. - -NACHT. (lagchend) 't Is wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat -gij weg komt en breng koffij voor ons beiden. - -Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in zijn ijver -om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong hij meer -dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel vergeten, -hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu kwam ook -mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil achter -de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang, -die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij -voor zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op -gelijke manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer -hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: "Ja, mijn -Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar nu -heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt, -indien gij de slang op spiritus wilt zetten." - -IK. Ga heen! Gij weet zeer goed, dat het eene gemeene soort van slang -is, die voor mijne verzameling hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil -u niet berispen, omdat gij u een onschuldig genoegen hebt verschaft, -door deel te nemen aan de bruiloft; maar zoudt ge u niet beter van -uwen pligt hebben gekweten, indien gij ons vooraf eene matras, onze -dekens, eenige cigaren en wijn had toegezonden? - -MAS POETRI. Ach, mij beste Heer! Ik dacht: wij jongens drinken nooit -wijn en slapen alle dagen zonder dekens op den blooten grond; wat zal -het nu voor kwaad doen, indien onze Heeren eens eenen enkelen nacht -op die wijze doorbrengen? - -IK. Nu, pak u voort, help de koffij zetten en draag zorg, dat die -gereed is, wanneer wij terugkomen. Wij gaan den Goenoeng-Soesoe -beklimmen (zoo heeten de bewoners van Gnoerag een kleinen heuvel, -achter hun dorp gelegen), om van daar de zon te zien opgaan. - -NACHT. Zeg eens broeder, hoe zou iemand op die menschen boos kunnen -zijn? - -DAG. Het is mij niet mogelijk. Hun karakter is een zonderling weefsel -van goedhartigheid en zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis -naive sluwheid. Zij hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet -om den dag van morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een -jaar na heden is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om -die reden genieten zij gaarne de vreugde van den oogenblik. Treft men -hen aan, wanneer zij een onderwerp van eigen liefhebberij behandelen, -bij voorbeeld, tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van -boom tot boom, ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren, -hoe behendig zijn zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of -onverschilligheid bij hen bemerken;--welk eene kracht ontwikkelen -zij dan, welk eene vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene -volharding leggen zij aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij -alles uit eigen beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.--Wenscht -gij echter, dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang -hebt, waaraan zij vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat -zij zich bezig houden met dien arbeid, welke de producten, voor de -Europesche markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel, -ja, meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt -gij, dat zij dien arbeid vrijwillig verrigten, wilt gij het wat en -het hoeveel zij planten zullen geheel en al aan hun eigen goeddunken -overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde behoeften, -dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben verkregen -als wij bezitten; dan zullen zij het doen, even goed als wij. Maar -wenscht ge, dat zij het vroeger doen, reeds nu doen, dan behoort gij -hen te leiden en toezigt te houden over hunnen arbeid. Ik wil gaarne -gelooven, dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen -van eenige groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn, -met het toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het -niet noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland -echter,--en hiervan zult gij weldra de overtuiging erlangen,--heeft -de inboorling (op weinige uitzondering na) nog zoo weinig behoefte, -dat een arbeid van twee à drie uren daags voldoende is om ze allen -te bevredigen, en dat binnen den omtrek van één of een half uur -afstands van zijne woning alles gevonden wordt, wat hij behoeft en -waarnaar hij verlangt. De rijkelijkste belooning, de duurste betaling -is aldaar niet in staat hem te bewegen om meer te verrigten. Wat zal -hij aanvangen met het vele geld? Europesche waren en producten heeft -hij niet noodig, en rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er -van, acht hij volstrekt niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de -rust in het kleine Eden, dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de -natuur zoo wonderschoon meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij -van den arbeid, waartoe wij de Javanen verpligten, uit een materieel -oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin eene -onloochenbare waarheid, dat het houden van toezigt over dien arbeid -ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een overtuigend bewijs -daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en fabriekstreken des -eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans vrijwillig verrigten, -waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. Door ons leeren zij al -het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid kennen; het doelmatig -verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, en door hunnen -omgang met de Europeërs vermeerderen hunne behoeften en worden zij -van zelf beschaafder. Reeds gedurende den korten tijd van uw verblijf -op Java is de beschaving der inboorlingen, zelfs in het binnenland, -onmiskenbaar toegenomen. - -NACHT. Maar ook hun schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren, -op het gebied van zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch -iets leeren! - -DAG. Ongetwijfeld; mits het slechts geene zoogenaamde heilige -openbaringen, geene abstracte dogmen zijn der leer: driemaal een is -een. Deel hen nuttige kennis mede der stellige wetenschappen, die zij -kunnen toepassen ter verbetering hunner huisselijke inrigting en van -hun handwerk, waardoor zij hun materieel welzijn verhoogen. Wanneer -zij zich toeleggen op de beschouwing der natuur, die in hun land zoo -majestueus groot en schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis--van -de wederkeerige werking der krachten, naar gelang van het onderling -verband der verschijnselen--voor hen in elk opzigt niet dan nuttig zijn -kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden veredeld en de ware, -natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer bij hen ontluiken; -want al dat in de natuur bestaat, ademt Gods wijzen geest. - -Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top des heuvels bereikt -(benevens eenige Javanen, die achteraan waren gekomen),--toen de morgen -aanving de openbaring Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het -opgaan der zon is overal, in alle landen, in elk jaargetijde een -heerlijk verschijnsel, het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig -sluimerend gevoel in onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven, -hoe prachtig en verkwikkend tevens lacht hij ons toe! - -Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de geringste -ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt slechts -eene toenemende verandering, namelijk, aan den hemel, vooral aan den -oostelijken hemel, die tot hoog in het zenith allengs helderder wordt; -gekleurde stralen schieten, in eene divergerende rigting even als -de speeken van een wiel, opwaarts,--eenige dezer stralen, namelijk -die deelen der atmospheer, welke door de zon worden beschenen, -blinken in gulden gloor, anderen, namelijk die niet door de zon -worden getroffen, waarop ver verwijderde oneffenheden des horizons, -als boomen, bergen, hunne schaduw werpen, doen zich aan het oog voor -als azuurblaauwe strepen tusschen de vorigen;--geen enkel wolkje is -aan het gansche uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die -juist op dezen oogenblik, nu de verwarmende zon het langst afwezig -was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, in de -lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en dauw, -en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,--alles is vochtig en -het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is gevallen; de -bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water gekregen,--daar -gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een prisma, blinkt in -alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten fonkelen aan alle -grashalmen, die zich buigen aan alle boomen en struiken. Tallooze -vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en fladderen door het -gebladerte een nieuw leven te gemoet;--de paauwen verlaten den tak, -waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen gedurende den nacht -stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid geschreeuw over het -dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende vederdos, waarop de -eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de apen, die zich -tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te schreeuwen: oeh -äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit 20, 50, ja, somtijds uit een grooter -getal kelen te gelijk heffen zij, nu eens in zwellende, dan weder -in dalende akkoorden, hun koraalgezang aan, waarvan de echo door de -bergen terug wordt gekaatst, om op hunne wijze den levend makenden, -verwarmenden straal der zon te begroeten en--de mensch?--De Javanen -zitten op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht -hebben zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het -oosten gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen, -waarvan wij een duidelijker bewustzijn omdragen,--want ik strekte mijne -armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts een -der werken van den Onvergankelijke, die met een enkelen slag duizend -draden vlecht, maar ik begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat -voor ons aardbewoners bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende -openbaring Gods in de natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw -straal elken morgen getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw -weder alles in beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en -zonder u kon zij niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder -u ontbeerden wij jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het -aardsche leven alles voor allen. In minder dan één oogenblik verspreidt -uw straal het licht en maakt de dingen zigtbaar. Zonder u hadden wij -geene oogen, want waartoe zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een -tooverslag schept uw licht zijne half aardsche, half hemelsche dochter: -de kleurenpracht, waardoor gij schoonheid geeft aan alle dingen. Ja, -met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de warmte, en -gij maakt het harde week en veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde -mogelijk zijn zonder u? Hoe zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn, -hoe zou een geluid kunnen gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf -de ligchamen luchtvormig of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen -ademhalen zonder lucht en tot welk einde zouden wij het gehoor hebben -verkregen, indien er geen geluid was? Hoe zouden planten groeijen, -beken vlieten, hoe zouden wolken zweven en winden waaijen zonder uwen -verwarmenden straal, o schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar -worden en alle beweging in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt, -zoo mede in het luchtruim uitlokt. Ja, zelfs de electriciteit in de -wolken gehoorzaamt u en gij gebiedt den donder.--Slechts éénen nacht -waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is de dampkring zoodanig -bekoeld, dat al het water, 't welk gisteren, door de warmte opgelost, -als een onzigtbare damp in het luchtruim zweefde, nu als dauw op -de aarde is nedergeploft. Nu paarlen nog millioenen druppels aan de -boomen; nog staat de luchtzee stil, niet het geringste togtje laat -zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit voortduren? Naauwelijks heeft -de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit plekje der aarde naar -uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft uw opgaand licht -zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw schijn getroffen, -begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk de mensch en de -gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, zich op nieuw -beginnen te bewegen,--gelijk in het plantenrijk millioenen knoppen -ontluiken, zoo worden insgelijks het water en de lucht in beweging -gebragt. Spoedig zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst -nabij de aarde zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer -warmte, zullen zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en -vlak of lager gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen, -die tot hooge bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee -zal niet in die mate worden verwarmd als het land,--ten gevolge hiervan -zal de lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land -en zee ongelijkmatig uitgezet en verdund worden, de digtere en koudere -lucht zal naar de meer verdunde streken des dampkrings heenstroomen, -de stilte, die thans nog in het luchtruim heerscht, zal daardoor weldra -gestoord worden en winden zullen door de toppen der boomen waaijen;--te -gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede -worden opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt -nedergeploft tot mist en nevel,--wolken zullen dan worden gevormd; -deze zullen steeds talrijker en grooter worden en eindelijk, bij het -toenemen der warmte en snellere verdikking van den waterdamp, zal de -electriciteit in de wolken ontwaken, de donder zal rollen, de regen zal -nederstroomen op den verkwikten bodem, stortbeken zullen in sprongen -van de rotswanden vallen en Bandjer's met onweerstaanbare kracht door -de bergkloven bruisen--en van dit alles, van deze herscheppingen -des dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op -en boven de aarde, hiervan zult gij de eenige oorzaak geweest zijn, -gij blinkende, zoo rustig stralende zon!--En zou uw straal, die met -eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en -nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge hebben, -die echter allen gezamenlijk door zulk een harmonischen band verbonden -en zoo innig met elkander zijn verknocht, dat geen enkele schakel der -keten afzonderlijk kan bestaan en de gansche keten zelf niet denkbaar -is, indien slechts één enkele schakel daaraan wordt ontnomen,--zou -uw straal ook niet door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in -het binnenste mijner ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die -zegt: ik erken u, hoogste doelmatigheid in de natuur; geen ding, -geene kracht staat op zich zelf; elk deel van het geschapene is -daar om den wille van andere deelen van het geheel en alles is in -onverbrekelijken zamenhang naar wijze wetten geordend;--wel weet ik -niet, of mijn oog om het licht is geschapen of het licht om mijn oog, -maar het eene is om het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij -leeft, welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig -wederkeerig verband staat met de gansche natuur, die mij omringt, -dat ik mij het gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en -geluid, en dat het geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn -zonder oor en zonder oogen,--zou deze ziel ook niet om iets anders -geschapen zijn, zou zij in geene betrekking tot iets anders staan? - -Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, mag ik nadenken, -dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven bewust;--er was -een tijd, dat ik niet bestond, thans ben ik;--gedurende langen tijd -wist ik niet werwaarts ik kwam, van waar deze met denkvermogen, -met rede begaafde ziel zijn oorsprong had; ik wist evenmin waarheen -zij gaat;--uit mijzelven ontstond ik niet;--in de natuur schiep ik -niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts -een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in -verband en wederkeerige werking staat;--een draad kan het slechts zijn -van waar, als uit een brandpunt, die millioenen draden der schepping -uitloopen; een eeuwige, onvergankelijke ziel, een wijze, volkomene -geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven, -mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,--die de natuur schiep en -onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid, -doelmatigheid en goedheid!--Ja, gij hebt u geopenbaard en openbaart -u voortdurend in de gansche schepping gelijk in ieders boezem,--tot -U sta ik in betrekking!--eeuwige en onvergankelijke God! - -Een dergelijk "morgengebed" zal wel zijn opgeweld in den boezem -van mijn broeder Nacht, en in dien van de aanwezige Javanen, want -zij waren verzonken in de beschouwing van het heerlijke schouwspel -en bewonderden het opgaan der zon. En terwijl de vogelen floten, -de insekten gonsden en alle andere dieren der wildernis, elk naar -zijn aard en zijn bijzonder instinkt, het morgen- en loflied der -schepping mede instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die -van de gevolgen tot de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering, -dankend en aanbiddend, onze blikken rigtten tot den Schepper. - -Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als behoefte, het -ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van een verkoelend -bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels weder te verlaten -en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den Pantjòran te begeven, -toen wij de bedienden gewaar werden, die onze terugkomst niet hadden -willen verbeiden en ons de stoomende koffij te gemoet droegen. Zij -hadden het vochtig element reeds bezocht en klommen druipend nat als -Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang hoofdhaar los en vrij om hunne -schouders zwierde en hun bovenlijf bedekte. Wij dronken onze koffij met -wat geitenmelk, welke zij hadden medegebragt, hetgeen de spotlust der -inboorlingen gaande maakte, die ons om deze reden met jonge kinderen, -ja, met jonge geiten vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk, -is hun volstrekt onbekend en in het binnenland van Java wordt die -nooit gedronken. - -Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en kwamen tot het -besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond verder te gaan, -ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere dorpen te bereiken, -alwaar ons verblijf aan de bewoners minder bezwarend zou zijn dan hier, -in dit kleine gehucht, het geval was. Wij hadden het voornemen opgevat -om dwars over het gebergte onzen togt in eene westelijke rigting voort -te zetten tot aan het naastbij gelegene groote dal, van daar uit de -zuidkust te bezoeken en vervolgens te trachten in het hoog gelegene -binnenland door te dringen. Op een afstand van eene kleine dagreize -van hier moest, aan de tegenovergestelde zijde van het gebergte, een -groot dorp liggen; daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen -koers te rigten. Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad -te nemen, gaven wij aan onze jongens last intusschen de benoodigde -Koeli's op te zoeken en te huren. - -Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden begeven, hadden -wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten hadden na te -komen: om in deze streken des eilands slechts vrijwillig hulpbetoon -der inboorlingen, tegen goede betaling en welwillende behandeling, -in te roepen,--ten einde eens te zien hoe ver wij op die wijze zouden -komen. Wij hadden besloten alleen in zeer dringende omstandigheden onze -toevlugt te nemen tot de bevelschriften der Residenten en Regenten, -waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche -taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend -verlangen van Nacht, aan wien ik in dit opzigt had toegegeven, was -dit tot regel aangenomen. - -Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende berigt: -"Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli's vinden; de Koeli's, die te -Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts tot aan Paréang -medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door mannen uit die plaats -hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij nog hier waren, maar -zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, totdat zij betaling -hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, dat zij nog verder -zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen mensch te vinden, -uitgenomen de vrouwen en een paar knapen." - -Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de tijgerjagt, was er -meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu waren zij allen, -op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: "mijn man is op -den Oema" (het drooge rijstveld), "mijn man is gaan visschen, mijn -man zoekt Rotan in het woud,"--de meesten echter hielden zich in hunne -hutten verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij -stelden den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand -en verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde -te beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden -komen. Na lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige -Javanen--wel is waar, schoorvoetend en langzaam--buiten hunne hutten -traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging mede. De -een spoorde den anderen aan en zei: "Kom! gaat gij mede; de Heer kan -toch zelf zijn koffers niet dragen;"--de aangesprokene moedigde weder -een derde aan om mede te gaan,--de derde een vierde en ieder van hen -had gaarne gezien, dat een ander zich daartoe bereid had betoond, -maar om het zelf te doen, daartoe gevoelde de eerste zoo min lust als -de tweede, de derde of de vierde.--Onder de Gamelanspelers was er een, -die een begeerig oog sloeg op de Spaansche matten, welke de Loerah hem -voorhield; hij nam er een in de hand, draaide ze om, bekeek haar nu -aan dezen, dan weder aan den anderen kant;--zij beviel hem uitmuntend, -gaarne had hij ze behouden, maar--daaraan zijn gemak op te offeren, -zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te gaan! ver -van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te dragen! op -het heetste van den dag!--neen, dat was te veel gevergd. Hij trok -een bedenkelijk gezigt, gaf, met de blikken naar den grond gewend, -den dollar aarzelend terug, zette zich neder, zweeg en--kaauwde Siri. - -Eindelijk naderden eenige knapen: "ik, mijn Heer! ik wil meê!" en een -derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die de oudste van hen scheen -te zijn, zeide: "indien ik de Spaansche mat krijg, ga ik meê." Maar -wat zouden wij uitrigten met deze drie knapen, waarvan twee nog -volslagen kinderen waren. Toen nu de Loerah uit Gnoetnig gewaar werd, -dat onze zaken verkeerd liepen, verontschuldigde hij zich insgelijks -zeer beleefdelijk en verzocht om onze toestemming, ten einde nu mede -naar zijn dorp terug te keeren. Hoe ongaarne wij ons dezen laatsten -troost zagen ontvallen, was zijn verlangen toch te billijk om van de -hand gewezen te worden. Wij beloonden hem voor zijne moeite en hij -vertrok. De weduwe, in welker hut wij onzen intrek hadden genomen, -naderde nu en zeide: "Och, mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een -haast! Bevindt gij u hier niet naar uw wensch? Gij kunt vertoeven, -zoo lang gij verkiest,--morgen of overmorgen zullen er wel Koeli's te -vinden zijn;--wij blijven immers voortdurend hier!"--en stellig houd ik -mij overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden kunnen vertoeven, -zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een onvriendelijk -gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij deel hadden -genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van leven -hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest -zijn. Maar--een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten, -daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden -zij hun gemak en--bleven arm, gelijk zij waren, te huis. - -Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte bevelschriften wilden -wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik maken. Zouden wij -derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het voortzetten van onzen -togt kon althans heden, welligt ook morgen of overmorgen, niet -worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam een brief aan -het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons 12 Koeli's -toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen pas, ten einde -hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd waren om in de -binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat gevouwen en -met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij gaven -nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief van -'t hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd worden en -dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief niet aan -hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad van -ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte het -ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van 2 -1/2 gulden, waarvan wij er 1 1/2 vooruit moesten geven, te brengen -naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), hetwelk -ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.--Van eene voldoende -hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in Pisangbladeren en -schellen van den Pisangstam was gepakt--onze brief had hij behoorlijk -in drooge bladscheeden van den Djambé-(of Penang-) palm gewikkeld, -ten einde hem voor nat worden te bewaren,--stapte onze bode, met den -Gòlok op zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn -hoofd, alwaar hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak, -omstreeks negen ure het dorp uit. - -Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, gaven eenigen -onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in te rigten, -en bevalen den kok--dit gewigtige ambt bekleedde een ander van hen--om -voor een goeden maaltijd zorg te dragen.--Welgemoed behoort men zich -te onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden -wij derhalve alle verdriet van ons af, beraamden dadelijk een nieuw -plan voor datgene, 't welk den bodem was ingeslagen en besloten -om, met de helft onzer bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg -te beklimmen. Wij voorzagen ons van eene kleine hoeveelheid Nasi, -Pisang, Dendeng, eene kruik water (Gindi), namen een jagtgeweer, -eenige natuurkundige instrumenten en dergelijken mede en joegen de -drie dorpsjongens, die zich vroeger tot het verrigten van Koelidiensten -hadden aangeboden, voor ons uit, om ons nu bij onzen togt bergopwaarts -te begeleiden. Want zelfs tegen ruime betaling wilden zij vrijwillig -"zulk een hoogen berg" niet beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt -noodig om de vroeger opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl -moeten een bitter kruid is, zoo--verschaften zij ons het genoegen van -hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en stapten vrolijk naar -den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder noordwaarts gelegen en -wel het hoogste gedeelte der lange bergketen, welke het Tji-Nagnéakdal -aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich in de opgenoemde rigting -tot een hoog en steil bergjuk, dat met een somber, onafgebroken woud -is bedekt; door dit woud wilden wij ons een weg naar den bergtop -banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het luchtruim bespeuren. - -Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde en verre met -hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs echter liet zich -nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras golfde als een -korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De omgebogen -bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen terug -en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, waarvan -de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer toe, -terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die zich -voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin -wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe -verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan -het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen--de alledaagsche -kost der tijgers--sprongen allerwege op en verdwenen al knorrend even -spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine Oema-velden aan, -waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas (kleine katoenstruiken) -groeiden en die als opene, van alle onkruid gezuiverde plekjes in de -graswildernis verstrooid lagen. - -Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den voet van het -gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende bergribben om -het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs korter en -geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen wordende, -verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche weidevelden. Hier -groeide tusschen het gras eene menigte prachtige purperroode bloemen, -Onjé of Koening, waarvan de aromatische wortelen het hoofdbestanddeel -vormen der Keri, aan welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele -plaatsen verhieven zich afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter -ter wederzijde van de bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld -woud vormden. De wind ruischte allengs sterker door het loofgewelf; -het ritselen van het fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze -hoofden boogsgewijs vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts -hing, nam hand over hand toe en het geknars der over elkander heen -en weder bewogen wordende Bamboesbuizen,--de kolossale stengels dezer -grassoort,--die de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider, -naar mate wij hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten -(Mendjangan) huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel) -werden wij hier en daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne -holen aan de zijwaarts gekeerde hellingen der bergrib trachtten te -verschuilen. IJlings wierpen de Javasche knapen den last, welken zij -droegen, neder, liepen deze kleine, volkomen onschadelijke dieren -na om ze te vangen of te dooden, niettegenstaande zij oneetbaar -zijn. Niet dan met moeite kon Nacht hen daar van terug houden; hij -sprak hen op de volgende wijze toe: "wij moeten nimmer eenig dier -mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen, -mogen wij - - -" paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin, -die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten -had. Nacht had willen zeggen: - - - die ons geen nadeel toebrengen, -mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in dier voege voltooid: -wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en mogen dezulken -onder de onschadelijke dieren wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten, -dewijl plantenvoedsel alleen voor onze behoefte niet toereikend is. - -Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen wedervinden, waar -het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak midden in den weg en -zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder voort.--Langzamerhand -verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats daarvan verhieven zich -groepen fijn gebladerde acacia's (Djoendjingboomen); hun in de breedte -uitgestrekt loofdak scheen een floers, dat tusschen ons oog en den -hemel was uitgespannen en eene menigte grijze apen (Monjet) sprongen -al schommelend, als het ware ons ten spot en met elkander spelende, -over de lang uitgestrekte takken dezer boomen in het rond. - -Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het oorspronkelijke -woud, dat zich voor onze blikken verhief als zuilenrijen met gangen -tusschen de pilaren, waardoor men in het binnenste kon zien als in eene -hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke afzonderlijke zuil met eene -koepelvormig zich verheffende loofmassa als het ware met eene groene -wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf binnen en nu veranderde -het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij 200 voet hooger in -dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was reeds verdwenen, -en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. Slechts hier -en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het loofdak, als -door een geopend venster, nog een gedeelte van den blaauwen hemel; -in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden wij nu eene -koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, dat wij zoo -straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan een groen met -millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide kleinere boomen, -struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem verhieven, -aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts hingen, -en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte tusschen de -boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, ja, nog -hooger, terwijl daarenboven wilde wijngaardtakken (Aroï ki barera) -en andere slingerplanten, namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken -menigwerf de dikte van een mansarm bereiken, tot in de toppen der -boomen opklauterden, van daar weder naar den bodem afdaalden, zich op -nieuw verhieven en het woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet -de geringste adem des winds bragt de minste beweging voort in het -binnenste van dit woud, maar hoog boven ons in de toppen der boomen -ruischte de wind en veroorzaakte een voortdurend gesuis, 't welk -zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en dof van toon was, dat men op -het denkbeeld zou hebben kunnen geraken het gebruis te vernemen eener -branding, klotsend tegen een ver verwijderd strand. Het waren Poespa-, -Ki terong-, Bengang-, Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten, -wier stammen zich hier allen onder elkander, in een woud, slank -en hoog als kunstmatig gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen -bloemen lagen op den bodem verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen -rees hier en daar een reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts, -die als het ware uit honderd andere ineengedraaide of door elkander -gevlochtene stammen is gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen -door hunne takken rond, terwijl groote vogelen (jaarvogels), die -zich slechts door hun luid snuiven verrieden, hoog boven het woud -heenvlogen. Eindelijk--wij naderden nu den top des bergs--ontwaarden -wij eiken-, laurier- en Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs -dunner werden en verder van elkander schenen op te groeijen. Het was -nu ongeveer 12 ure. Onze togt door het woud had twee uren geduurd; -een open plekje bereikt hebbende, zetteden wij ons neder om uit -te rusten. Wij luisterden naar het gezang eens vogels, Manoek kaso -geheeten, welks slagen verre door het woud klonken en waarvan wij -in de lager gelegene streken des bergs niets hadden gehoord. Te -oordeelen naar den stand des barometers, bevonden wij ons nu ter -hoogte van ongeveer 4000 voet. Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree -en valeriaan groeiden hier in het rond, benevens nog andere bloemen, -die zooveel overeenkomst hadden met onze Hollandsche flora, dat mijn -broeder Nacht er niet weinig van verrast stond. - -NACHT. Hoe wonderbaar toch!--Op onzen korten togt van het dorp tot aan -deze woudgrens hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan -tot voedsel, woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de -schaduw van velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie -opleverende vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en -schenkt hem het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé), -welke hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet, -groeit niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen -de velden, die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen -opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang, -dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger -bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels -(buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den -vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit -hij alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige -schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen -bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild -wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen, -dat de Javaan, te midden van eene zoo rijke, zoo vruchtbare natuur -levende, die hem bijna alles, wat hij behoeft, reeds kant en klaar -oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is. - -DAG. Dat is volkomen waar. De verscheidenheid der producten van -het plantenrijk, zoo mede der dieren, welke daarvan afhangen, -is buitengewoon groot in dit land, alwaar het gansche jaar door -eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge bergen worden -gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger bergopwaarts -stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander land en -klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op den het -naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook weder, -gelijk overal elders in de gansche schepping, eene enkele oorzaak--de -afnemende warmte naar mate de aardoppervlakte hooger rijst--duizend -andere werkingen te weeg. Eerst hebt ge, beneden in het heete land, -Alang alanggras met wilde zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen, -en tijgers welke zich hoofdzakelijk met wilde zwijnen (met in vleesch -en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken ontwaard -met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten voorkomen -die gras eten, benevens Bioel's die op wormen en insekten azen, -welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen vermolmde -boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst voorkomen;--later hebt -ge acacia's aangetroffen, waarin grijze apen rondsprongen, die zich -voeden met de peulvruchten van dit geboomte; vervolgens kwaamt ge aan -het hoogstammnige oorspronkelijke woud, dat met vijgenboomen aanving -en hier met Ki mérakboomen eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit, -dewijl hij zich met de bessen van deze boomen voedt.--Overal waarheen -gij uwe vorschende blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur -zult gij bevestigd zien, dat immer het eene van het andere afhangt -en hieruit weder andere gevolgen voortspruiten, en dat een schoon, -van het allerhoogste vernuft getuigende, consequent gevolgde plan in -het gansche scheppingswerk zigtbaar is, waarvan de grondstelling is: -door de eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid -voort te brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren- -en plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij -brengt in tegendeel overal overeenkomstige--verwante en analoge--vormen -voort, die echter, indien de bodem en het klimaat verschillen, toch -niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze bloemen, deze -frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het diepland van Java -zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden wij ons bijna -4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar ginds beneden -ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, namelijk, -dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer noordelijk gelegen -vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, dan ziet ge, dat -zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat het echter niet -dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad zelfs hier -op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer aanmerkelijk -van het onze in Holland. - -Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich zaamgepakt -en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten einde zoo -spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu toe een -naauw pad gevolgd, 't welk wij hadden beschouwd als een weg, door -houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter begaanbaar, hoe -hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een ure den hoogsten -top bereikten, zagen wij met verwondering een Pendopo voor ons, dat -is, een open gebouw met een op vier stijlen rustend dak en onder dit -dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste steenen bedekt en omringd -graf. Vóór den grafheuvel stond eene offerschaal met wierook en enkele -nog niet geheel verwelkte bloemen. - -Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met schrik uit onze -overpeinzing,--wij zagen om en bemerkten, dat de spaanders van een Ki -mérakboom in het rond vlogen, die, op een geringen afstand beneden den -bergtop staande, door den bliksem getroffen en geheel en al van zijne -schors beroofd was geworden. Wit gelijk een spook stond nu daar, aan de -helling, de ontzaggelijk hooge boomzuil, die een oogenblik te voren nog -beladen was geweest met donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast -vormde met de zwarte wolken, die zich steeds digter en dreigender -rondom ons zamenpakten. Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij, -door eene spleet tusschen de wolken, een klein gedeelte van het dal, -dat, ver beneden ons door het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was, -doch ook dit verdween weldra achter de steeds lager dalende en zich -verder uitbreidende wolken.--Wij bevonden ons te midden van eene -onweêrswolk.--Al onze begeleiders zaten stil nedergehurkt rondom het -graf; zij durfden naauwelijks adem halen, terwijl de bliksemstralen -uit hunne zwarte geboorteplaats voortgeschoten, blaauw van schijnsel, -maar tevens even hel verlichtend, oogverblindend als het zonnelicht, in -zikzak digt voorbij onze oogen de lucht doorkliefden, terwijl de donder -ratelde, zoo vreesselijk luide, dat het ons gehoor verdoofde, dat wij -verstomd ter aarde zonken,--terwijl tevens de regen in ontzaggelijk -groote droppels begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de -bliksemstralen, die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links, -dan regts, dan van alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend, -ratelend en oorverdoovend te gelijk,--terwijl de nagalm van den donder -weerklonk daar boven in de wolken en beneden langs de berghellingen -rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk eene basstem en zoo -geweldig dreunend, dat de gansche berg onder onze voeten scheen te -beven en het ons voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine -aardbol boven ons hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts--en -onder onze voeten langs het gebergte afwaarts gerold werden,--daar -doorkliefde ratelend weder een straal de lucht,--een dof geschrei werd -ter naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht -in den grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,--wij namen hem in -ons midden, wreven hem,--maar tot in het binnenste der ziel geschokt -door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar -digt nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot -met hem te deelen,--terwijl de vreesselijkste plasregen neêrstroomde, -die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te spoelen. - -Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde watervloeden en -stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts stroomden,--maar -de onweêrswolken begonnen te dalen en zich verder uit te breiden. De -eerste en heftigste uitbarsting had plaats gehad digt boven en rondom -den hoogsten bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich -het meest en het eerst hadden verdikt. Nu daalde de onweêrsbui reeds -lager langs de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen -voor ons uit, terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken -voortschoten.--De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg -weldra zijne bezinning. - -NACHT. Zijt gij niet angstig, bevreesd? - -DAG. Neen; maar ik ben verbaasd en opgetogen tevens. Het schouwspel is -vreesselijk schoon en prachtig. Het oogenblikkelijke van het gevaar -echter, waaraan ik blootsta en dat ik niet kan ontvlieden,--het -plotselinge van het lot, dat mij hier elken oogenblik kan treffen, -maakt dat ik mij in mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor den -donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal nemen -en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt worden -getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens het -oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien -de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den -top eens bergs begraven zijn. - -NACHT. Gelooft gij aan de onsterfelijkheid der ziel? - -DAG. Zeer zeker. - -NACHT. Het is mij aangenaam die woorden van u te hooren. Voor mij -is dit geloof eene behoefte; zonder dat zou ik niet gelukkig kunnen -leven.--Maar zeg mij eens, indien gij daaraan gelooft, hoe verklaart -gij dan het zoo allengs ontwaken van het bewustzijn in den mensch, -de zoo langzame ontwikkeling van het verstand en van het denkvermogen, -welk een en ander juist gelijken tred houdt met de voortgaande vorming -der ligchamelijke organen, der hersenen, die van lieverlede volkomener -worden?--Hoe brengt gij dat in overeenstemming met de zelfstandigheid -en de onvergankelijkheid der ziel,--waar neemt zij haren aanvang in -de embryo, in de foetus of in het pas geboren wicht en waar houdt -zij op bij den kindsch geworden grijsaard!--waar is de grens tusschen -dier en mensch? - -DAG. Die grens kan ik u niet aanwijzen; wanneer mijne ziel aanving, -van zich zelve bewust te zijn, weet ik niet. Overal zie ik de kracht -aan de stof gebonden en ik ken geene kracht zonder ligchamelijken -grondslag, en even zoo is het omgekeerde het geval; de koorts kan -mijnen geest verduisteren, kan mij onzamenhangende woorden doen -spreken, ja, een slag op mijn hoofd, zonder aan het ligchamelijk -leven noodwendig hinder toe te brengen, kan mijn bewustzijn doen -ophouden.--Maar beschouw daarentegen het onweder, dat zich voor ons -oog heeft ontlast. Wie zou dezen morgen bij het ontwaren der blinkende -dauwdruppelen, die zoo rustig parelden aan grashalmen en struiken, -wie zou er aan gedacht hebben, dat daarin zulk eene vreesselijke -kracht sluimerde, eene kracht, welke de stem des donders verwekt, de -duisternis der wolken verlicht, de boomen vaneensplijt, ja, die alle -zenuwen van uw binnenste hevig schokt!--Toch is het niet anders dan -de door warmte opgeloste, als waterdamp opgestegene, vervolgens snel -bekoelde en verdikte, in millioenen van nevelblaasjes herschapene, -wolkenvormende dauwdruppel, waaruit nu door wrijving en spanning -de electriciteit te voorschijn treedt.--En wanneer nu morgen vroeg -wederom de dauwdruppel, even stil glinsterend als heden morgen, gelijk -een paarl aan grashalmen en struiken hangt, durft gij dan gelooven, -dat de kracht, welke hij thans onder de teekenen van bliksem en -donder voor uwe blikken heeft ontwikkeld, er aan is ontweken, niet -meer voorhanden is, of dat zij er heden morgen vroeg niet in bestaan -heeft?--Zeer zeker zult gij dat niet gelooven. - -Zoodanig is het ook gelegen met 's menschen geest.--De dauwdruppel -is gelijk aan het nog ongeboren of het pas geboren kind; in -zijn binnenste, hoewel nog stil en sluimerend, ligt de kracht -verborgen,--gelijk de waterdamp rijst hij, zich ontwikkelend, opwaarts; -in het onweêr lichtend staat hij daar, de volwassen mensch, wiens -geest de gansche wereld omvat en--in de regenstroomen, de stortbeken, -daalt hij neder naar de oneindige zee, die hem het eerst zijne wording -schonk:--de grijsaard buigt het verzwakte hoofd neder in den schoot -des Eeuwigen. - -Terwijl het onweder steeds lager afdaalde langs de berghellingen -en wederom hier en daar blaauwe plekken boven onze hoofden zigtbaar -werden tusschen de wolken, die zich meer en meer verdeelden, begon -onze kleine karavaan zich te herstellen van de uitgestane angst en -haalden de Javanen weder vrijer adem. Eindelijk zagen wij den bliksem -ver beneden ons uit de wolken te voorschijn komen en de donder, -die zich van daar voortplantte, maakte op ons, die op den bergtop -stonden, juist zulk een indruk als kwam hij uit het binnenste van -het gebergte voort. Waarschijnlijk stortregende het nu te Gnoerag, -dat wij nog niet hadden kunnen zien; maar reeds ten 2 ure bescheen de -vriendelijke zon weder den bergtop, zoo mede de oppervlakte der wolken -die, zich meer en meer ontlastende, ver beneden ons waren gedaald. - -Wij, benevens onze begeleiders, nuttigden nu het door ons medegebragte -ontbijt en besloten nog een uurtje op den bergtop te vertoeven en te -wachten, totdat de Bandjer's, d. i., het zaamgevloeide water, dat nu -alle kleine beken in bruisende stroomen herschapen had, hunne woede -zouden hebben uitgeput. De Javanen wisten ons omtrent het grafgesticht -niet veel meer te verhalen, dan dat aldaar iemand uit den "zeer ouden" -(voormaligen) tijd begraven lag. Mohammedanen zijnde, gelooven zij, -even als de Joden en Christenen, aan de wederopstandig des vleesches -en hebben een grooten eerbied voor de graven der afgestorvenen. Het ter -aarde bestellen op bergtoppen schijnt in de Soendalanden bij vorsten en -voorname personen reeds eene gewoonte te zijn geweest voor den tijd van -de Hindoerijken op Java,--de Brahma- en Boedhagodsdienst,--derhalve -reeds tijdens het bestaan van het oorspronkelijke polytheismus der -Soendanezen, en eerst sedert de invoering van den koran in onbruik -te zijn geraakt. Op zeer vele, voornamelijk geïsoleerde bergtoppen -vindt men dergelijke oude, met steenen omringde graven. - -NACHT. Dewijl het zich laat aanzien, dat wij het waarschijnlijk voor -lief zullen moeten nemen om nog eenige dagen te Gnoerag te vertoeven, -komt het mij voor, dat wij onzen tijd, vooral gedurende de lange -avonden, op eene nuttige wijze zouden kunnen besteden door te beproeven -om de Javanen in de zedeleer en de godsdienst te onderwijzen. Zoo -gaarne zou ik hen bekend maken met den inhoud van het Christelijk -evangelie; ik kan niet ontveinzen, mijn broeder, dat gij menigen -twijfel bij mij hebt opgewekt, maar de zedelijke waarheden, welke -de Christelijke leer bevat, hebt gij niet kunnen loochenen, ja, er -zelfs bijgevoegd, dat dit denkbeeld nimmer bij u was opgekomen.--Het -staat u echter niet vrij het geloof van anderen aan het wankelen te -brengen en twijfel in hen gaande te maken, indien gij niet in staat -zijt iets beters aan te bieden, in de plaats van hetgeen gij aan hen -ontneemt of ontnemen wilt. Die de stormklok luidt en de menschen uit -den slaap doet opspringen, moet hun de rust weêr hergeven. - -DAG. Laat ons de proef er van nemen. Geef heden avond aan de bewoners -van dit dorpje, die wij in eene der ruimste hutten bijeen zullen -doen komen, onderrigt in uw evangelie; morgen avond zal ik hun het -mijne verkondigen. Gij kunt alsdan onder mijne toehoorders plaats -nemen en wij zullen dan later zien welke der beide leerstellingen -den voordeeligsten indruk op de Javanen heeft gemaakt, en of mijn -evangelie in staat is geweest u tot overtuiging te brengen. - -NACHT. Met genoegen neem ik dit voorstel aan en ben bereid heden avond -de zaak te beginnen. Ik zal hun de Christelijke geloofsbelijdenis -juist zoodanig voordragen, en wel woordelijk, al is het dan ook -verkort of, beter gezegd, ik zal hen met het wezenlijke er van, bij -wijze van uittreksel, op die wijze bekend maken gelijk zij aan de -jeugd in ons vaderland overal wordt geleerd. Ik zal daarbij een der -meest gebruikelijke leerboeken tot leiddraad nemen en dit getrouw -volgen, en zulks te eerder, dewijl het mij waarschijnlijk voorkomt, -dat toekomstige zendelingen denzelfden of een dergelijken weg zullen -inslaan. Ik ben zeer verlangend om den indruk na te gaan, welken -deze leer op de Javanen zal maken. Het spreekt van zelf, dat deze -leer voor u, indien gij onder mijne toehoorders plaats mogt nemen, -niets nieuws zal behelzen. - -DAG. In mijn evangelie zult gij evenmin iets nieuws aantreffen; -gij zult daarin slechts al de hoofdstellingen terugvinden omtrent -godsdienst en zedeleer, die reeds door Jezus, ja, grootendeels door -anderen als Mozes, Boedha en Confucius, langen tijd voor hem zijn -geleerd en gepredikt geworden.--Het ligt niet in mijne bedoeling, -de verdienste te willen verkleinen dezer voortreffelijke mannen, -in wier gemoed het godsdienstig gevoel zoo luide en zuiver zich deed -hooren. Ik geloof in tegendeel, dat hunne verdienste des te grooter is, -naar gelang het tijdperk, waarin zij hebben geleefd, verder van ons -verwijderd is en de trap van wetenschappelijke beschaving en kennis, -waarop de maatschappij destijds stond, lager moet worden gesteld. Ik -streef naar de bereiking van een dubbel doelwit: ten eersten om de -geloofsleer te zuiveren, haar te ontdoen van al 't geen bepaaldelijk -dwaling en bijgeloof moet worden geacht en ten anderen datgene, -'t welk van de godsdienst en zedeleer overig blijft, nadat zij -gezuiverd zullen zijn van de besmetting van bijgeloof en dwaling, -uit de verschijnselen in de natuur en hare wetten, met inbegrip van -den mensch en zijne geschiedenis, op te helderen, en er door te -staven, ten einde op die wijze het verderfelijke geloof aan eene -regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring voor goed uit te -roeijen en den mensch te nopen zich aan de echte en onuitputtelijke -bron van kennis, de natuur, te laven. Ik herhaal u nogmaals--en ik -verzoek uitdrukkelijk, dat zulks niet worde over het hoofd gezien, -ten einde de beschuldiging van ongepaste aanmatiging of onbillijkheid -door u op mij niet worde geworpen,--ik geloof, dat een groot gedeelte -der leer, welke mijn evangelie bevat nopens de hoedanigheden van God -en de zedelijke wetten der menschen, reeds door Jezus, ja, langen -tijd vóór hem door de vroeger genoemde leeraars in Egypte, Indië -en China met dezelfde of meer of min verschillende bewoordingen is -gepredikt geworden. - -NACHT. Maar indien gij dit erkent en te gelijk aanmerkt, dat de kennis -der natuur en van hare wetten ten tijde van Jezus nog geheel en al -in het duister lag, ja, dat het onderzoek der natuur, waaruit gij -de bewijzen voor de waarheid uwer leerstellingen, naar uw beweren, -wenscht af te leiden, toenmaals nog niet was aangevangen,--waaruit kan -Jezus, waaruit kunnen zijne voorgangers Boedha, Mozes, de kennis dezer -waarheden toch geput hebben, dan uit eene regtstreeksche goddelijke -ingeving?--Gij erkent hierdoor immers met der daad de goddelijke -openbaring, die gij wilt wederleggen! - -DAG. Neen, mijn geliefde broeder.--De ziel des menschen is zoo van -nabij verwant met den geest, die het geschapene heeft daargesteld en -onderhoudt; door middel zijner vijf zinnen staat de gezonde mensch -in zulk eene innige betrekking tot de schakels van de oneindige -keten der natuur, waarvan hij slechts eene kleine schakel is,--dat -de verschijnselen, die hij rondom zich waarneemt, voor twee of drie -duizend jaren onfeilbaar denzelfden indruk op hem moesten maken als -thans het geval is. Destijds bespeurde hij de regelmatigheid, de -harmonie in de verschijnselen, de doelmatigheid in alle inrigtingen -der natuur even goed als thans,--hij zag hoe elk diertje zich -verheugde in het genot zijns levens;--hij gevoelde zich tevens -overtuigd van zijne eigene vergankelijkheid en onmagt; daardoor kwam -hij tot de gevolgtrekking, dat er een hooger wezen moest bestaan, -als de grondoorzaak aller dingen, wiens hoedanigheden hij afleidde -uit de schepping, die noodzakelijker wijze indruk op hem moest -maken, al kon hij de verschijnselen, door hem waargenomen, niet -zoodanig verklaren als wij, die de wetten hebben nagespeurd. Ja, -de beschouwing onzer eigene, redelijke ziel leidt reeds tot het -denkbeeld van het bestaan eens redelijken scheppers: "ik ben, God is -er," en dit moest vóór duizenden van jaren evenzeer het geval zijn -als thans.--Deze bevattelijkheid is voor den met rede begaafden -mensch een even eigendommelijk en onvervreemdbaar erfdeel als het -instinct der bijen om cellen te bouwen of de kunstdrift der spin om een -regelmatig weefsel te vlechten!--En lag niet reeds een groot gedeelte -der wereldgeschiedenis, dat zich over vele duizende jaren uitstrekte, -lag dat niet reeds achter Jezus? Was het godsdienstig bewustzijn in -den Semitischen volkstam, waartoe Jezus behoorde, niet van oudsher -en bij uitnemendheid, meer dan bij andere volken levendig geweest, -en ontving hij van zijne voorvaderen niet een schat van wijsheid -en kennis Gods ten erfdeel, welke, als kiem in den rijk begaafden -knaap gelegd, tot een eigendommelijken bloei geraakte?--Uit welke -bron hebben dan de oude Hindoes, Egyptiërs, Chinezen, Perzen hunne -zedeleer geput,--wie heeft haar aan de Amerikaansche wilden verkondigd, -die toch, in denzelfden stam, jegens elkander menschlievend, getrouw -zijn en vele andere deugden beoefenen?--Waant gij, dat God ook aan -hen een Messias gezonden, hun eene openbaring heeft geschonken? - -NACHT. Toegestaan voor den oogenblik, dat de Amerikaansche wilden -in denzelfden bevrienden stam zich menschlievend jegens elkander -gedroegen, zoo waren zij echter des te gruwzamer jegens andere stammen -en tegen de blanken, die zij scalpeerden. Men behoort menschlievend -te zijn jegens alle menschen, zelfs jegens zijne vijanden.--Hoe is -het dan toch mogelijk, dat er, naar uw beweren, menschlievendheid -wordt gevonden bij de Amerikaansche wilden?! - -DAG. Ik kan en durf beweren, dat zulks het geval is, mijn broeder; uit -de geschiedenis kan ik u bewijzen, dat zij menschlievendheid bezaten, -deugden beoefenden, waarvan bij de Jezuïten en andere blanken, -die hen tot het Christendom wilden bekeeren, geen spoor te vinden -was. Maar zij beschouwden de vreemde stammen en blanken als vijanden -en scalpeerden hen. Of waren die blanken niet hunne vijanden? Wat deden -zij dan? Overal waar zij kwamen, bragten zij hunne Christelijke liefde -met zich, om--de roodhuiden, ware het mogelijk, van den aardbodem te -verdelgen. En indien gij nu hier tegen aanvoert, dat de Amerikaansche -wilden ook onderling, stam tegen stam, gruwzame oorlogen voerden, dan -vraag ik u, hoedanig handelen in onze 19de eeuw, ja, te dezer stonde -de Christenstammen, de groote mogendheden van Europa, hoe handelen -die onderling?--Zij prediken op hunne schepen: "hebt uwe naasten lief -gelijk u zelven, zijt vergevensgezind jegens uwe vijanden, zegent ze -die u vervloeken, doet wel degenen die u haten,"--en hoe volgen zij -deze leer op?--Zij bombarderen van diezelfde schepen de kuststeden van -hunnen christenbroeder, steken zijne magazijnen in brand, boren zijne -schepen in den grond, en vernietigen alles dat zij vernietigen kunnen. - -NACHT. Laat ons daarover niet verder uitweiden, - - - gij zult mij -bij eene volgende gelegenheid wel eens ophelderen, waarom het geloof -aan goddelijke openbaring door u verderfelijk wordt genoemd, - - zie -daar ginds!--een regenboog, hoe prachtig! en wend uwe blikken naar -beneden in het dal, dat door de zon wordt beschenen; hoe vriendelijk -lacht het ons weder toe! - -Het onweder had zich nu ook in het dal geheel en al ontlast en voor ons -geene zigtbare sporen nagelaten dan gindschen ontschorsten boom en het -opgewoelde plekje aarde in de nabijheid van het graf. Slechts het dof -geruisch der gezwollene bergstroomen getuigde nog van de omkeering, -welke in het luchtruim had plaats gegrepen. De wolken echter waren -uiteengestuwd en slechts hier en daar hing nog eene enkele aan de -met woudgeboomte bedekte hellingen van het gebergte. - -Onze blikken gleden langs deze sombere wouden benedenwaarts en -rustten op de velden en beemden, bedekt met Alang alanggras, die -als een helderkleurig tapijt zich beneden de wouden uitstrekten, -terwijl nog lager, te midden des dalbodems, op enkele plaatsen de -Tji-Nagnéak zigtbaar was, die als een zilveren band zich door de vallei -kronkelde. Gelijk de stralen der zon ons hier op nieuw beschenen, zoo -lachte zijn vriendelijk schijnsel ons ook uit dit dal weder te gemoet, -alwaar wij ons klein dorpje op den voorsprong des bergs ontwaarden; -duidelijk viel het ons echter niet in het oog, want de bruinkleurige -hutten kwamen slechts op enkele plaatsen en nog ter naauwernood uit het -bosch van vruchtboomen te voorschijn. De natuur was op nieuw verkwikt, -de lucht bekoeld en hare opstijgende, dampenopvoerende stroomen hadden -opgehouden; de ongelijkmatigheid in de uitzetting des dampkrings boven -de verschillende gedeelten des lands was weggenomen, de rust hersteld -en geen togtje liet zich meer bespeuren.--Insektenkoren begonnen in -het woud te snorren, te gonzen, te fluiten en te zingen; de Manoek -kaso verhief weder zijne stem en het kontrast tusschen het vorige -en het tegenwoordige tooneel schonk aan het groene en bloeijende -landschap en aan den zonneschijn, die het zoo liefelijk bescheen, -eene dubbele bekoorlijkheid.--Zoo wordt ook in het menschelijk leven -elk genot verhoogd door de ontbering; zonder ongeluk, zonder ellende, -zou geen geluk worden gesmaakt;--zonder leelijkheid zou de schoonheid -niet erkend,--zonder de zekerheid des doods het leven niet gewaardeerd -worden. De wederwaardigheden des levens moeten ons nimmer den moed -doen verliezen, maar wij behooren te gelooven, dat ongeluk, ziekte, -ellende, armoede en ontbering door den wijzen Schepper der natuur -worden toegelaten, dewijl zij nuttig zijn voor het geheel en moeten uit -het onweêr leeren, dat ook de ongelukken, die het leven van enkelen -teisteren, zoo mede de stormen in de geschiedenis der menschheid tot -het wijze plan behooren, waarnaar het geheel door Hem wordt geregeld, -dat zonneschijn en bloesems veel schooner dan vroeger daarop zullen -volgen, en dat dit alles slechts verschijnselen zijn eener groote, -steeds voorwaarts strevende wet der ontwikkeling. - -Ten 3 ure begonnen wij den terugtogt;--wel bleek het gaan over -den humusrijken woudbodem, die door den regen was opgelost, zeer -bezwaarlijk te zijn, doch wij bereikten echter behouden het dorpje -Gnoerag, van waar ons de toonen der Gamelan te gemoet klonken en ons -een voortreffelijke maaltijd was bereid. Wij verhaalden de Javanen, -dat wij een hert hadden geschoten, hetwelk wij niet in de gelegenheid -waren geweest mede te brengen, en oogenblikkelijk was een half dozijn -mannen--veel meer dan noodig was--op de been om het te gaan halen. Dat -deden zij gaarne. - -Nu gaven wij aan de dorpsbewoners te kennen, dat wij hen een en ander -omtrent onze godsdienst en zedeleer wenschten mede te deelen, en daar -zij bereidwillig verklaarden ons gaarne te zullen hooren, zeiden wij -hun, dat wij beide tot eene verschillende geloofsbelijdenis behoorden, -omtrent welk onderwerp wij nog niet tot eenstemmigheid hadden kunnen -geraken. Indien zij nu genegen mogten zijn, ons gedurende een of -twee uren de noodige aandacht te verleenen, dan zou mijn broeder -Nacht hun heden avond zijne leer ontvouwen, terwijl ik hun morgen -avond mijne geloofsleer zou verklaren. Toen zij hiermede volgaarne -instemden, rieden wij hen aan over hetgeen zij zouden hooren, later -na te denken en dit te bepeinzen. Wij gaven hun de verzekering, -dat wij zulks deden met de goede bedoeling om hun nuttig te zijn, -dat het hun echter volkomen zou vrijstaan in hun tegenwoordig geloof -te blijven, in geval geen van ons beide in staat zou zijn hen van -iets beters te overtuigen.--Nadat dit alles voor goed was bepaald, -werd de grootste hut in het dorp gekozen tot de plaats van zamenkomst; -al het huisraad werd bijeen op den achtergrond gelegd en hiervoor een -gordijn gespannen, ten einde zulks aan het oog te onttrekken.--Het -was zes ure. De zon was ondergegaan en de gezamenlijke bewoners van -het dorp, zoo mannen, vrouwen als kinderen, waren in de hut bijeen, -alwaar Nacht de volgende voordragt hield.--De Javanen hadden zich, -met de beenen kruisselings over elkander, op den grond nedergezet -en Nacht zat op een stoel in de nabijheid van den wand, waaraan twee -brandende lampen waren bevestigd. - -Voor zich op eene bank had hij den bijbel, benevens een vraagboekje tot -onderwijzing in de Christelijke leer nedergelegd, en hier tusschen -beide stond het zinnebeeld van het Christelijk geloof, een houten -kruisbeeld. - - - - - - -I. HET EVANGELIE VAN NACHT. - -GETROKKEN UIT HET - -"VRAAGBOEKJE TOT ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER." - -(Te Amsterdam, bij Mortier Covens en Zoon.) - - -Alles wat wij weten en geleerd hebben, weten wij uit den Bijbel; -p. 92. [8] - -In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook het oude -testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd. De Bijbel -is eene verzameling van Goddelijke,--door God ingegevene--boeken, -waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en 95. - -Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der Goddelijke -liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen regel van -ons geloof en wandel aannemen; p. 95. - -Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel getrokken, die voor -ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en onveranderd is gebleven, -zoo als hij hier voor mij op de bank ligt. - -God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en goed; ik moet -hem eeren en liefhebben; p. 1. - -God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene vrouw Eva, naar -zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en gelukkig; p. 2. - -Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij aten van de -vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in dwaze, -verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen -waren.--God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en 3. - -Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij luisterden niet naar -hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo dat aan God geen -ander middel overbleef, dan het geheele menschdom, behalve Noach en -zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te verzuipen; p. 4. - -Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen werden, na den -zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren; zij zondigden -noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5. - -God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg Sinaï de tien -geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene vreemde Goden -nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk aanroepen, -den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet doodslaan, -geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis afleggen, -uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren; p. 10. - -Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig voort -zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde -zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later -openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou -voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en 16. - -Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst, Afgoderij en -allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens door buitengewone -leeraars, Profeten, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook -dit had weinig nut; p. 17 en 18. - -Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd te Bethlehem, -door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte maagd Maria -geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i. Zaligmaker -genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd, daalde de -Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den hemel riep: -deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn welbehagen heb.--Wat -kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen, dat Jezus, te Bethlehem -geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser, de Christus is!? p. 26 -tot 29. - -Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen zijne -leer alom verkondigden. De Farizeën en Schriftgeleerden waren zijne -vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak gelijk "zijn -Vader" (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid van zijne leer bleek -vooral uit de wonderwerken, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34. - -Door den haat der Farizeën en Schriftgeleerden werd hij valschelijk -beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en gekruisigd. Na zes -uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee vrienden deftig en -eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig was, leed en stierf -hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40. - -Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan, gelijk hij te -voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.--Dat was ten hoogste -noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de Christus was, -die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien Jezus in den -dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p. 40 tot 42. - -Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen zijner -discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is hij nu gezeten -aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om al -de zijnen volkomen zalig te maken.--En zijne discipelen werden, -onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den -Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42 -tot 45.--Deze leer luidt als volgt. - -God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren Zoon. De Heilige -geest is de geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Deze drie -Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige waarachtige God en -wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid toekennen.--Want -deze drie zijn een.--Dit begrijpen wij, wel is waar, niet, maar wij -moeten ons verheugen, dat wij God dus uit zijn woord tot zaligheid -hebben leeren kennen; p. 53 en 54. - -God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een overal -tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, onafhankelijke -en almagtige, goedertierende, barmhartige, lankmoedige, heilige, -regtvaardige en eeuwige Geest.--Hij onderhoudt en bestuurt alles, -ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 tot 57. - -Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog andere wezens, volkomener -dan wij, namelijk goede en booze engelen. De goede engelen zijn -voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der geloovigen. Maar de -kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. 61. - -Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den eersten mensch Adam -ellendige zondaren en worden uit onze ouders verdorven geboren. Door -de zonde is de dood in de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle -menschen onderworpen geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en -uit het binnenste van ons hart komen voort kwade gedachten.--De zonde -is snoode ondankbaarheid tegen God en zal zwaar gestraft worden in een -onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.--Door de zonde worden wij -dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade onherstelbaar verloren -geweest zijn; p. 61 tot 63.--Want God was boos op ons en toornig. - -Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig en zond ons -in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen heiligen -Verlosser; hij zond ons zijn eenigen Zoon!--Deze heeft door zijn -gehoorzaam lijden en sterven de straf onzer zonden gedragen, en door -dit lijden en sterven is God nu met ons zondaren verzoend en schenkt -ons genade, vergeving der zonden. Gods zoon heeft zich voor ons ten -offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66. - -Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze belangen bij -den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den Vader. Hij -brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, zonder wien -wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68. - -Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer Jezus komen -zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te houden.--De -ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, zijne stem zullen -hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de Opstanding -des levens,--zij zullen zalig gesproken worden en eeuwig bij Christus -en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan hebben, zij zullen -uitgaan tot de Opstanding der verdoemenis! p. 67. - -Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons bekeeren; -wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze -eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij -vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69. - -Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven alles, zelfs -boven ouders en kinderen, liefhebben; p. 73 en 74. - -Wij moeten alle menschen, zelfs onze vijanden liefhebben. Wij moeten -het kwaad en de beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd -gaarne vergeven; p. 74 en 75. - -Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze geringheid -en onwaardigheid gevoelen, ons zelven verloochenen en onzen naaste -liefhebben gelijk ons zelven; p. 76 tot 79. - -Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80. - -Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, en wanneer -wij in Jezus naam bidden, dan zal God onze gebeden verhooren; p. 83. - -De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om derzelver dwalingen -afgescheiden; p. 80. - -Gij moet u laten doopen om christen te worden.--In den Doop leert -en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar zij alleen -worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen gedaan, -geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd -worden; p. 88.--De ontvangen Doop verpligt ons om christen te zijn, -zelfs indien wij nog jonge kinderen waren, toen wij gedoopt werden. - -Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.--Want het gebroken brood en -de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat Christus ligchaam -gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonden, p. 90. - - - -Elk der vermelde stellingen had Nacht nader toegelicht door er langere -of kortere verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de -bijbelplaatsen, welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te -deelen. Hoe dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden -voor Javasche toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van -hier in Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer bekend is. Geen -enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne rede gestoord; -allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam toegeluisterd; hunne op -elkander gelegde handen rustten op hunnen schoot en velen verhieven -ze van tijd tot tijd en bragten de vingertoppen eerbiedig aan het -voorover gebogen voorhoofd (dat wil zeggen, zij maakten een Sembah), -zoo menigwerf de naam Toean Allah (God) werd genoemd.--Nadat Nacht -zijne rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen -nog eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan -zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe: - -Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder Nacht u zoo even -heeft voorgedragen, is de leer der Christelijk Hervormde kerk, -gelijk zij in Negara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en -gepredikt. Zij steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne -beurt den bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte -der bewoners van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel -door de onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende -wijze wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele -sekten verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk, -welke de Katholieke of Roomsch-Katholieke kerk wordt geheeten en deze -telt het overige derde gedeelte der bewoners van Nederland tot hare -belijders.--Naar de wijsselijk gestelde bepalingen onzer grondwet -mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig wil aannemen; ditzelfde -is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien Katholieke Christenen te -worden, dan moet gij gelooven: dat in het brood en den wijn bij het -avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van Jezus wordt genuttigd, -die voor meer dan 1800 jaren is gestorven,--dat de Paus (zoo noemen -de Katholieken hunnen opperpriester, die te Rome, dat is ver van -Holland, woont) de stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken -onfeilbaar zijn en wien gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja, -die het regt heeft al uwe zonden te vergeven of te doen vergeven;--gij -moet vlijtig ter biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de -wonderdadige kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij -God in den hemel uwe voorspraak zijn,--hoofdzakelijk echter moet gij, -behalve God den VADER en den Zoon, ook de heilige Maria aanbidden; -want zij was de--MOEDER--van--Gods--Zoon. - -Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of boven het lage -gordijn, dat op den achtergrond der hut was uitgespannen, verhief -zich een man, wiens hoofd met een witten tulband was omwonden. Wij -waren beide, zoowel Nacht als ik, zeer verwonderd in dit kleine -gehucht zulk eene verschijning te zien, maar loochenen konden wij -het niet,--zijne kleederdragt toonde zulks duidelijk aan,--het was -een Mohammedaansche priester. Hij hield eene Maleische overzetting -van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een -onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende, -zoo dikwerf een der alhier cursief gedrukte woorden zijn mond ontrolde, -riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half gillende stem: - - -Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet van eene -drieheid. Er is slechts een, eenige God. - - (Koran, 4de soera.) - - -Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde ook mogen -gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het oog -verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen. - - -De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk afgoden. - - (Koran, 12de soera.) - - -Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen zoon; maar daarmede -spreken zij godslastering, en weinig verschilde het, dat de hemel werd -vaneengereten en de aarde zich opende, en de bergen instortten, dewijl -zij het durfden wagen den Albarmhartige kinderen toe te schrijven, -dien het niet voegzaam is kinderen te verwekken. Niemand in den hemel -en op de aarde mag den Albarmhartige naderen, dan slechts om zijn -dienaar te willen zijn. - - (Koran, 19de soera.) - - -Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de hut; stil, -bijna beangst slopen de Javanen weg. Nacht verkeerde blijkbaar in -eene onaangename stemming en was met zich zelven in tweestrijd. Ik -was nog minder bevredigd dan hij, ja, ik was treurig gestemd en -gevoelde geene neiging om te slapen. Nacht trad onze hut binnen. Ik -begaf mij naar den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn -nederzette. Ik trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten -uit de beschouwing der natuur, der levende schepping van den goeden -God en--vond die. Terwijl, op mijn verzoek, de Gamelan de toonen van -zachte melodiën in de verte deed hooren, die plegtig en droefgeestig -schoon door het eenzame dal weêrklonken,--terwijl elk geruisch in de -diepste nachtelijke stilte verzonken lag, viel ook ik eindelijk in -slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij -voor gevaren te hoeden, rondom mij en--zij sliepen nog, toen ik den -volgenden morgen op dezelfde plaats ontwaakte. - - - -Gedurende den loop des daags hadden wij ons met kruidkundige en -geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu weder -bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar Nacht gisteren avond zijn -evangelie gepredikt had. Het was reeds 6 ure en nog was onze bode -niet teruggekeerd. Gisteren was ik een toehoorder van Nacht geweest, -nu zag ik hem in de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks -den Mohammedaanschen priester, die zijn incognito nu had afgelegd, -onder de overige Javanen.--Ik deelde hierop den Javanen, deels bij -wijze van korte uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen, -het navolgende mede. - -Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, een sextant en -kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer, -een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet, -een microscoop, een aräometer van Nicholson, een driezijdig prisma, -eene draagbare camera obscura, een daguerréotypetoestel, een kastje met -scheikundige reagentia en andere dergelijke werktuigen der toegepaste -wetenschap, als zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld. - - - - - - -II. HET EVANGELIE VAN DAG. - -KORTE ONTWIKKELING DER NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER. OF -GELOOFSBELIJDENIS - -van den Regtzinnig Geloovigen Mensch. - -In 25 HOOFDSTELLINGEN. - - -ALGEMEENE GRONDSTELLINGEN. - - -"Wat ieder mensch moet gelooven, behoort ook voor ieder mensch -begrijpelijk te zijn." - -"Van elke leerstelling moet, door mondelinge voordragt of in -geschrifte nader ontwikkeld, het bewijs harer waarheid uit de natuur -en de geschiedenis geleverd en zij door voorbeelden aanschouwelijk -gemaakt worden." - - - "Im Anfang war das Wort. - Ich kann das Wort so hoch unmöglich schätzen, - Ich muss es anders übersetzen. - "Im Anfang war die That." - - (Göthe.) - - - -1. - -De levende mensch is aan de aarde verbonden door de zwaartekracht. Door -de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn aanzijn verbonden aan -de atmospherische lucht. Zijn spijsverteeringstoestel maakt hem -afhankelijk van de gansche overige natuur. Hij bestaat en leeft slechts -door omzetting van reeds aanwezige organische stoffen in het planten- -en dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er -weder uit verwijderd worden.--Van zijn aanwezen verkrijgt hij het -bewustzijn door middel van zijne vijf zintuigen, door het vermogen, -'t welk hij bezit, om te zien, te hooren, te ruiken, te smaken en -te gevoelen. Door middel van deze vijf zinnen staat zijn innerlijk -geestelijk wezen in verband met de hem omringende schepping. Berooft -den mensch van het zintuig des gezigts, en voor hem heeft het licht -opgehouden te zijn, ontneem hem het gehoor en het geluid bestaat voor -hem niet meer. De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel, -de schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als -een alleen staand wezen niet denkbaar. - - - -2. - -Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons binnenste als vijf -draden, die in eenen draad uitloopen, aan eenen inwendigen knoop -zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk, dien wij door de -zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een brandpunt van -vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot voorstelling, -tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of dikwerf -worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij hebben -geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de -gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan -andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken: -wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij -teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te -brengen.--Op gelijke wijze als de verschijnselen in de buitenwereld -komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en denken of -(welligt reeds vóór duizende jaren) zich hebben voorgesteld en gedacht, -op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door middel van ons gehoor -en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is overgekomen of door -overlevering is bewaard gebleven. Wij hebben voorstellingskracht, -begripsvermogen. Wij kunnen denken. - - - -3. - -Al hetgeen wij weten, hebben wij aan deze vijf zinnen te danken. Alle -kennis, die wij bezitten, is een gevolg der indrukken, welke de -voorwerpen en verschijnselen in de buitenwereld door middel onzer -vijf zintuigen op ons hebben voortgebragt. Andere eigenschappen der -ligchamen, die zich niet door middel dezer vijf zinnen of door een of -meer derzelven aan ons kenbaar maakten, kunnen wij ons niet voorstellen -en een zesde zin is voor ons geheel ondenkbaar. Al hetgeen wij denken -en weten, komt of is slechts door middel van onze vijf zinnen tot -ons gekomen. Er bestaat geen andere weg langs welken voorstellingen, -denkbeelden in ons binnenste zouden kunnen geraken. - - - -4. - -De zintuigen echter zijn lichamelijke organen, die bij alle individuën -niet een gelijken graad van volkomene ontwikkeling bereiken. Buitendien -kan aanhoudende oefening hunne verrigtingen bij eenige menschen in eene -hooge mate scherpen, terwijl daarentegen gebrek aan oefening of ziekte -hunne werkzaamheid bij anderen zeer kan verzwakken of wijzigen. Wij -zijn derhalve menigwerf aan vergissing of dwaling onderhevig en mogen -niets van hetgeen menschen leeren of leerden, onvoorwaardelijk als -waarheid beschouwen, indien wij het niet vooraf getoetst hebben en het, -na gedaan onderzoek, niet is gebleken proefhoudend te zijn. - - - -5. - -De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo als dit b. v. bij de -doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan het innerlijk leven -eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden van de werkzaamheid -van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de mogelijkheid op -te bestaan eener uiting van eene innerlijke voorstelling, en een -dergelijke toestand kan niet lang blijven voortduren, zonder dat het -ligchamelijk leven wordt uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft -zijn ligchaam, wel is waar, voort; de longen, het hart, de lever, de -maag, het darmkanaal en alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams -houden niet op hunne gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf -zinnen zijn als het ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet, -ruikt niet, smaakt en gevoelt niet;--de vijf draden zijn afgesneden, -de voortplanting der indrukken van buiten naar binnen en omgekeerd -heeft opgehouden. Slechts onze vijf zinnen maken het ons mogelijk -ons in betrekking te stellen met de buitenwereld en doen ons onze -gewaarwordingen uitdrukken door gebaarmaking, door spreken en handelen. - - - -6. - -Maar de slapende kan droomen, in den droom denken, ja, zich op de -levendigste en duidelijkste wijze voorstellen datgene, of wel iets -daarmede overeenkomende, hetwelk hij vroeger in wakenden toestand -heeft gedacht of zich voorgesteld. Hieruit volgt, dat de leiddraden -gewoonlijk, wel is waar, den indruk van buiten, den prikkel -overplanten, waardoor de inwendige knoop der gedachten ontvlamt, -maar dat er echter in 's menschen binnenste iets aanwezig moet zijn, -hetwelk ontstoken kan worden en dat, zelfs wanneer de voortplanting -der indrukken van buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te -bestaan, denkbeelden zich in ons binnenste kunnen ontwikkelen. Het -denkvermogen kan geene eigenschap zijn noch der vijf zintuigen, noch -van hunne gemeenschappelijke werking, maar moet tot eene bijzondere, -zelfstandige kracht behooren, die werkzaam wordt, zoodra die prikkel -zijnen invloed er op uitoefent. - - - -7. - -Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop dier vijf draden -vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling te verbinden, te -vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer van verschijnselen -waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats grijpt, daaruit af; -wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel afhangt van het andere -en leeren de werking van de oorzaak onderscheiden; wij onderzoeken -den bouw van ons eigen ligchaam en de krachten, welke het leven er -van voortbrengen; wij streven er naar om al hetgeen wij waarnemen, -te begrijpen;--wij bepeinzen dit alles,--lossen de moeijelijkste -vragen op, berekenen en geven honderde jaren vooruit het tijdstip op, -waarop natuurverschijnselen zullen plaats hebben, ja, wij trachten -het wezen te doorgronden van datzelfde innerlijke denkvermogen, -dat ons in staat stelt tot al de opgenoemde overwegingen; wij -hebben het duidelijke bewustzijn van deze kracht, zoo als van ons -gansche aanwezen;--en al zien wij ook, dat deze kracht aan aardsch, -vergankelijk (spoedig wederom tot zijne elementen terugkeerend) stof, -de hersenen, is verbonden, wij bezitten niet te min deze met verstand -begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar geest of ziel. - -In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus, sluimert deze -kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan begint te uiten, -wanneer de ligchamelijke organen en zintuigen een hoogeren graad van -ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan -de stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht -te uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het aanwezen dier -kracht van den oogenblik af dat aan de voorwaarden, vereischt tot het -doen ontstaan van een nieuw individu, voldaan is, mag evenmin worden -betwijfeld als het geloochend kan worden, dat de slapende, die daar -voor ons ligt, denkvermogen bezit, al is het dat hij gedurende den -slapenden toestand niet het geringste bewijs er van geeft. - -Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder op. Daaruit -volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het stoffelijke -ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij kunnen niet -meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de eenvoudige reden, -dat wij niets anders kunnen waarnemen, dan hetgeen op onze vijf -zinnen werkt. Een geestelijk wezen, of eene verrigting des geestes -daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld, eene gedachte, welke bij -een ander mensch opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts, -des gevoels, noch onder dat van het gehoor, van den smaak en van het -reukzintuig, uithoofde zulks onligchamelijk is.--En al brengen algemeen -in de natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge -van hare vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende -omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke -stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden, -waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke -in het doode ligchaam zeer spoedig weder uitéén gaan, zoo kunnen -echter deze chemische en physische krachten de levenskracht zelve -niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht, -die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam -bijeen te blijven en vereenigd te werken. Wij gelooven derhalve aan -eene onvergankelijke kracht, die, als een met rede begaafde geest, -als ziel in ons leeft. - - - -8. - -Door ons verstand weten wij al het overige tot ons doel te gebruiken, -en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze heerschappij -onderworpen.--Wij hebben ons echter niet zelf geschapen; eene -geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee verschillende -polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende oorzaak tot -ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij namen toe in -grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons bezielt, verkreeg -eene steeds grooter wordende volkomenheid van uitingsvermogen;--maar -weldra zullen wij weder terugzinken in het stof, waaruit wij zijn -voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans levend ligchaam zal in -zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na eenige tientallen van -jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van ter plaatse zal zijn -verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij zullen in aarde, water -en lucht verspreid worden; andere planten en dieren zullen uit het -stof ontstaan, dat thans de deelen van ons ligchaam uitmaakt en--tot -dit alles zullen wij niet in het geringste hebben bijgedragen! Wij -waren de oorzaak van ons worden niet, wij kunnen ons vergaan niet -eene enkele seconde tegenhouden; wij gevoelen ons geheel afhankelijk -van eene allergeduchtste kracht, die buiten ons is--en toch zijn wij -van ons zelven bewust, eene redelijke ziel leeft en denkt in ons: -er moet derhalve eene nog hoogere redelijke ziel zijn dan de onze, -welke de oorzaak is van ons aanwezen, zoo mede van dat der gansche -schepping. Wij gelooven aan een onzigtbaren, grooten en redelijken -geest in de natuur en noemen dien God. - - - -9. - -Al hetgeen in de natuur aanwezig is, staat met elkander in het -innigste harmonische verband. Hoe naauwkeuriger wij de verschijnselen -onderzoeken, des te eenvoudiger worden zij en laten zij zich tot -een steeds geringer wordend tal van krachten terugbrengen, die, -gelijk de electrieke en magnetische kracht, ja, misschien het licht -en de warmte daar onder begrepen, insgelijks weder zamenloopen in -eene eeuwige, alom verbreide kracht.--In het uitspansel draaijen -kleinere om grootere wereldbollen en deze grooteren om nog grooteren, -maar ook deze grootsten kan men zich niet voorstellen als stil of in -rust staande; ook zij moeten zich wederom draaijen om nog grootere -bollen, - - - er moet een allereerst of allerlaatst middelpunt -zijn, waarom alles zich wentelt en zich beweegt.--De opgaande zon -doet dagelijks duizenden van werkingen ontstaan in het luchtruim, -op de oppervlakte der aarde, in het dieren- en plantenrijk, welke -toch allen gezamenlijk slechts kinderen zijn van een eenige oorzaak: -der op de aarde vallende lichtstraal.--Alle planten en dieren zijn -geschapen naar eene gelijkvormige type, naar een plan, dat de gansche -schepping door is gevolgd. Ja, door alle tijdperken der aardvorming, -door alle op elkander gevolgde, onderscheidene formatiën kan men, in de -fossile fauna's, en flora's, aanvangende met het overgangsgebergte en -voortgaande tot aan de hedendaagsche schepping, dezelfde harmonische -wet naspeuren. Een alles omvattend plan van ontwikkeling is zigtbaar -in al de onderscheidene plant- en diervormingen, waarvan de eene uit -de andere is voortgesproten, totdat de mensch, het toppunt van al -het bewerktuigde, in wiens ligchaam al die honderd duizend andere -of vroegere uitgaven van die type tot een meer volkomen geheel -zijn vereenigd, bezield met een vonkje van het goddelijke licht, -op het tooneel trad.--De overeenkomst in geestelijken aanleg van alle -menschen, de overeenstemming, welke wordt opgemerkt in de eigenschappen -huns gemoeds, zij wijzen ons op eene oorzaak. Er bestaat slechts Eene -grondoorzaak van alle dingen, slechts Een ondeelbare God. - - - -10. - -Dewijl God de grondoorzaak van al het bestaande is, de maker der -oneindige schepping,--dewijl hij eenig is, kan zonder hem niets -ontstaan, kan zonder hem niets zijn, niets worden. God is almagtig. - - - -11. - -Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer zintuigen waarnemen, -dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke inrigting, -dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier duur -onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij -het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij -millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds -voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en zonder -iets te ontdekken, dat grond geeft om te zeggen: hier staan wij aan -den aanvang der dingen.--In de hemelsche spheren bewegen zich, naar -onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om -planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van -kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop -1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt -rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan -kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten -draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze -aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende -punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels -volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte -van andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige -seconden in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten -gevorderd worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om -hare centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat -zij in het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet -millioenen malen af te leggen?--Waar ons ongewapend oog aan den hemel -niets meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van -telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog, -met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te -zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen, -nog verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke -zich op zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het -licht, hetwelk van de 20 millioen mijlen van ons verwijderde zon toch -binnen den tijd van 8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van -jaren noodig heeft om van daar onze aarde te bereiken. Wij zouden, -deze verwijderde hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien, -indien zij niet reeds voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren -geweest.--Even grenzenloos als ons de uitgestrektheid der ruimte -aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks de -verdeelbaarheid van de ruimte vullende stof in kleinere deelen voor, -die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen om--zelfs met de sterkste -vergrootingswerktuigen--de kleinste, de oorspronkelijke deeltjes, -de atomen waar te nemen. Indien wij in de schepping noch aanvang, -noch grenzen kunnen ontdekken, geen einde daarvan kunnen bedenken, -moet hij, die de schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder -aanvang, zonder einde--oneindig, eeuwig, onvergankelijk zijn. - - - -12. - -Maar een geest, die eenig, almagtig, zonder begin en einde, dat wil -zeggen, eeuwig is, de maker van al dat aanzijn heeft, moet ook alom -tegenwoordig zijn en voor hem kan niets verborgen wezen. God is alom -tegenwoordig en alwetend. - - - -13. - -Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur voor de instandhouding -zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens, als van de soorten -(waartoe deze behooren), is de bewondering, welke ons vervult, -niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons inboezemde,--de -band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het een van het andere -afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in betrekking stelt. Wij -weten niet wat meer onze verbazing moet wekken, de eenvoudigheid -der middelen, waardoor de menigvuldigste gevolgen te weeg gebragt -worden, of de doelmatigheid van alle inrigtingen, die wij ontwaren, -en die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel -hebben.--Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk wezen, -elke soort is zoodanig ingerigt en zoowel met de andere organen, -afzonderlijke wezens en soorten, als met alle andere deelen van het -geschapene in verband gebragt, dat het doel, dat is, de instandhouding -der soort door levensgenot van elk afzonderlijk wezen, volkomen -wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid, welke de ontleedkundige en -physioloog bewondert bij de beschouwing van den inwendigen bouw van -het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede van de wederkeerig op -elkander invloed uitoefenende verrigtingen der verschillende organen, -diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige in de hemelsche spheren; -ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om de wet der doelmatigheid -in de schepping aan te toonen, zijn even talloos als de dingen in de -natuur, even onuitputtelijk als de natuur zelve, want elk plantje, -elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en elk deel, elk orgaan -des menschen levert daartoe de menigvuldigste bewijzen. Ten einde de -waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij slechts een paar voorbeelden -aanhalen uit de vele duizenden, die daarvan voorhanden zijn. - -In het planetenstelsel bewegen zich de vaste (digte) hemelligchamen, -de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en op zoodanige afstanden -van elkander om de zon, en in de ligging harer banen wordt zoo groote -overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin zij zich elk afzonderlijk -bewegen, helt niet te zeer naar dat van anderen), dat eene botsing -dier ligchamen onderling niet mogelijk is.--De kometen echter bewegen -zich in zoodanig in de lengte uitgestrekte parabolische ellipsen, -zij doorkruisen het planetenstelsel in zoo vele verschillende, ja, -in alle mogelijke rigtingen, dat zij de planetenbanen doorsnijden -kunnen, of gelijk het geval was met de Bilasche komeet ten opzigte -van den loopbaan der aarde, die zeer nabij kunnen komen. Dewijl nu -het aantal kometen zoo groot is, dat nog voortdurend nieuwen zigtbaar -worden, die men vroeger nimmer had gezien, zoo behoort eene botsing -eener komeet met de aarde of met eene andere planeet niet tot de -onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone grootte.--Welk eene -vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien eene dergelijke botsing -plaats greep! welke de vernieling van een der beide, welligt van -beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou hebben,--namelijk, -indien de komeet een digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar -daarvoor is zorg gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte, -besloten tusschen de zon en de banen der om de zon draaijende planeten, -in zoo vele verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing -met een derzelven plaats hebben kan, zijn de minst gevaarlijken -van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan, verzwakt en -breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster, is nog -dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den staart -of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in het -minst te kunnen bespeuren.--Nog duidelijker bewijs voor de wet der -doelmatigheid zien wij in die inrigting van het planetenstelsel, welke -de massa der hemelligchamen in verhouding tot hunne afstanden en den -tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare storingen (perturbatien), -dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten gevolge der wederkeerige -aantrekking, van de ware elliptische loopbaan maken, zich van zelf -weder moeten herstellen. Dit is gebleken uit de onderzoekingen van -Laplace, die de analyse van het oneindige (waarvan Newton en Leibnitz -het eerst de regelen hebben vastgesteld) toepaste op de storingen -der beide planeten, die het grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter -en Saturnus. Deze, op zich zelf beschouwd, geringe storingen, nemen -in den loop der eeuwen steeds toe en zouden eindelijk, indien zij, -gelijk Newton geloofde, voortdurend grooter werden, op eene onfeilbare -wijze de vernietiging der genoemde hemelligchamen, ja, van het gansche -planetenstelsel ten gevolge hebben, of wel "de scheppende almagt moest -door buitengewone maatregelen de begane fout verbeteren." Later echter -bleek het uit de analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den -aanvang af zoodanig had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde -te worden en dat die storingen (de veranderingen der groote assen, -derhalve de gemiddelde afstand dier planeten van de zon) niets anders -zijn dan slingeringen binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal -der seculaire veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat -het instandblijven dezer hemelligchamen voor eeuwig verzekerd schijnt. - -De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke ligchaam -in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze hoogste -bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst zich, -aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de spaakbeen- -en ellepijpslagader (a. radialis & ulnaris). Zij ligt zeer oppervlakkig -en kan--ook bij aderlatingen--ligtelijk gekwetst worden. Ver boven -het punt van verdeeling zet zij echter dieper liggende neventakken -af, die zich met terugloopende vertakkingen van de spaakbeen- -en ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel -loopt niet terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing -van den hoofdtak, der brachialslagader, plaats of ontstaat er een -slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam -gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting -te verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het -helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche -benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer -moeten versterven,--nu echter heeft er eene langzame verwijding -dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en -ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve -den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven. - -Deze bewonderenswaardige doelmatigheid, die wij in de gansche -schepping, zoowel in het groote geheel als in elk afzonderlijk deel -er van ontwaren, getuigt van een goed geordend, diep doordacht plan; -zij bewijst, dat het verstand van het wezen, hetwelk deze schepping -in het aanzijn riep, den hoogst mogelijken graad van volkomenheid -heeft bereikt, zij bevestigt de Alwijsheid Gods. - - - -14. - -Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen onderzoekenden blik -in de overige ruimte der schepping werpen, dan ontwaren wij, dat alle -levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het aanzijn hun genoegen, -geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank nuttigen, waarvan de -instandhouding van het menschelijk leven afhangt, dan genieten wij. Aan -elke andere natuurlijke verrigting onzes ligchaams is het behagelijke -gevoel van genot verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in deze -wet, maar het tal dergenen, dat gezond is, 't welk geniet, is oneindig -grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het herstel der gezondheid, -het ophouden der ellende is een nieuw genot. Het kontrast toch, dat -tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel bestaat, verhoogt -het genot van het laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen -dikwijls meer dan de rijken, die in overvloed leven.--Wanneer wij, -door inspanning uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van -een koel bad verfrisschen of met een koelen drank laven, dan genieten -wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze legerstede nederleggen, -dan genieten wij, terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij -gesterkt weder ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen -ons tegenlacht, dan genieten wij. Elk dier, ja, zelfs het kleinste -wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging, verheugt -zich in zijn aanwezen, het geniet. De kikvorsch, die gedurende een -warmen zomeravond in het water kwaakt, geniet; de nachtegaal ondervindt -genot, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en zingt, en gij, -die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den zilverklank zijner -stem en geniet. De vogel, die zijne jongen voedert, het hondje, dat -zijne kleinen zoogt, geniet en de moeder, die haren jeugdigen lieveling -toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste genot. - -God schonk den mensch de heerschappij over al het gedierte en gaf aan -zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de aanblik insgelijks -genot verschaft. Ter voortplanting der soort koos Hij de scheiding -des geslachts en verbond aan de zinnelijke drift, welker bevrediging -aan het dier slechts eene aangename gewaarwording verschaft, in -den mensch den band der vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk -hij aan de stervelingen het edelste genot: de liefde. Wij kunnen -den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden over -de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en -wouden, zonder te genieten, ja, wij weten niet aan welke der vele -duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het woud en op het veld -aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen vinden wij ze schoon, -het aanschouwen er van geeft ons genot. Veel zeldzamer komt ons -iets onder de oogen, hetwelk wij leelijk vinden of dat ons afschuw -inboezemt. De overgroote meerderheid der dingen in de natuur is in -harmonie met ons schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig -heeft ingerigt, dat het beschouwen der natuur ons genot verschaft. - -En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de vreugde, welke de -beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de goddelijke vonk, die -in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn verstandsvermogen -aankweekt en oefent;--de dichter verheugt zich, wanneer het hem -mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te ontlokken, die, het -schoone en ware bezingende, duizende harten roeren;--de sterrekundige -gevoelt, dat de triomf der wetenschap zijn boezem doorgloeit, -wanneer de komeet wordt gezien, welker verschijning vooraf door hem is -aangekondigd of de planeet ontdekt wordt, waarvan hij door berekening -de standplaats aan het hemelgewelf heeft aangewezen;--de geoloog, -die licht verspreidt over de donkerste ruimten der aarde, ja, die -het gansche ontwikkelingsverhaal des aardbols in het binnenste der -gebergten leest,--gelijk mede de scheikundige, die een ligchaam in -zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk vroeger steeds als enkelvoudig -werd beschouwd, of die aantoont, dat twee ligchamen op gelijke wijze -zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk zeer verschillend van elkander -zijn, zij ondervinden genot, even als de physicus, die de identiteit -der electrieke en magnetische kracht het eerst door proefnemingen -aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf zweven -en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan zonnen -verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van deze -aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,--want die mensch, -die goed en regtvaardig was, draagt het bewustzijn met zich zijnen -pligt te hebben vervuld en geeft zich op zijn sterfbed vol vertrouwen -over aan den eeuwigen bestuurder der natuur, want van Hem toch alleen -kan het licht, dat zijn aardsch omkleedsel zoo lang bezielde en het -nu dreigt te verlaten, herkomstig wezen,--het ligchamelijk gevoel -wordt bij het sterven meer verstompt, alle smarten verminderen, -maar des te levendiger ontwaakt de zielehoop in zijn binnenste, -en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur nog tot genot. - -Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat alle levende -wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot genot, zoowel -ligchamelijk als geestelijk genot. God is goed; uit alle deelen der -schepping, boven en beneden ons, van verre en van nabij, straalt ons -de goddelijke liefde te gemoet. - - - -15. - -Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen, kan men van een -alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk aannemen. Wij, -beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen, terwijl wij daardoor -tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen. Schijnt het nu, -dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is in het leven -der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven, dat zulks met -enkelen of tijdelijk het geval was of ons slechts zoodanig toescheen, -dat zulks echter in het algemeen en op eene uitgebreide schaal niet -zijn kan en dat het ons in enkele gevallen alléén om die reden zoo -toescheen, dewijl wij de wet, waarnaar de ontwikkelingsgeschiedenis -der menschheid zich regelt, nog niet konden doorgronden. In de -schepping echter erlangt het eene door het andere zijne volkomenheid, -en alle deelen van het groote heelal staan wederkeerig tot elkander -in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed, regtschapen mensch, -na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te hebben, van deze -wereld scheidt met het bewustzijn het goede te hebben gewild, -met een onwankelbaar vertrouwen op zich zelven en met het vaste -geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam van den aanvang bezielde, -slechts een straal van het eeuwige licht is,--hoe durven wij ons -dan vermeten om te zeggen, dat God eene onregtvaardigheid jegens -dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten, waartoe hij uitverkoren -was? Wij zijn slechts schakels eener keten en een ieder van ons heeft -zijne roeping!--En zien wij niet in de meeste gevallen, dat de goede -beloond, de booze gestraft wordt door 's menschen hand? Draagt de -heimelijke booswicht zijne straf niet in zijn boezem met zich? foltert -hem niet de geheimzinnige innerlijke stem, die hij nimmer geheel het -zwijgen kan opleggen, het geweten, dat vroeger of later ontwaakt, ja, -hem menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde -misdaden brengt?--Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast: -dat, dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt, -God ook regtvaardig is. - - - -16. - -Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt te zijn. [9] -De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens opgaat; zij -verspreidt licht en warmte, gelijk zij voormaals deed. De spijs, die -wij nuttigen verkwikt ons, de koele drank laaft ons, gelijk wij zulks -verwachten.--Alle verschijnselen in de natuur keeren regelmatig weder -en de bewegingen der hemelligchamen herhalen zich met nimmer falende -zekerheid. De maan draait zoo regelmatig om de aarde, de aarde om de -zon, dat wij de standplaats dezer drie hemelligchamen, zoo mede van -alle andere planeten en trawanten ten opzigte van elkander, voor elken -dag, ja, voor elken oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen -en opgeven kunnen. De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere -verschijnselen wordt door ons natuurwet geheeten en de ervaring heeft -ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter gezegd, sedert -menschen aanwezig waren om de natuur waar te nemen, geen enkele dezer -wetten ons bedrogen,--dat geen wereldligchaam ooit in het geringste -van zijne baan afweek en geene enkele minuut vroeger of later kwam, -dan de wet eischte. [10] Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard, -geen insektje zijn instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit -te botten en doet elk jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede -zij velden en beemden reeds vóór eeuwen sierde.--De zee rijst bij -het vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt zoo onveranderlijk -getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de aantrekkingskracht der -maan), dat voor elke plek des aardbols het uur, waarop dit verschijnsel -zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met naauwkeurigheid kan berekend -worden.--Geen ligchaam daalde ooit uit de lucht naar de aarde, dat -ligter was dan de hoeveelheid van deze lucht, welke het verplaatst, -en geen ligchaam, 't welk zwaarder was dan zij, rees ooit opwaarts -in de lucht; nog nimmer bevroor het water bij eenen geringeren graad -van koude dan die van nul graad Réaumur; nimmer verloor de kleiaarde -de eigenschap om zich met zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen; -ligtelijk wordt goud opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur; -ten allen tijde smolt keukenzout in water,--maar nimmer heeft iemand -gezien, dat goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie -verbond. Godgeleerden hebben, wel is waar, aan "wonderen" van deze -en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de -geringste afwijking van eene natuurwet waargenomen.--Dezelfde fouten -en gebreken, die den mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn -nog heden zijn erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat onze -blikken hemelwaarts trekt en ons heden aanspoort de hoedanigheden van -den Schepper des heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons -en ons maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel -bezielde den mensch op gelijke wijze reeds vóór anderhalf duizend -jaren.--Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den hemel -en op aarde alles wat daar is,--in het water, in de lucht, in het -planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,--bestaat en zich beweegt -naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste afwijking -toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug. God is -eeuwiglijk dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig. - - - -17. - -Men moet zich God niet voorstellen als eene kracht, welke van de -natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in tegendeel als eene -kracht in haar aanwezig, als de algemeene geest in de natuur--als de -wereldgeest. Op het eerste gezigt zal het velen kunnen toeschijnen, -dat deze geestelijke kracht uitsluitend in 's menschen verbeelding -bestaat, eene bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn--dat zij -niets anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich -heeft gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in -de natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen -verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog -onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. "Deze oorzaak echter -ligt," naar het beweren der atheisten, "in de natuur zelve en onze God -is niets anders dan het abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in -onzen geest." Naar deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even -zeer een deel zijn der Godheid als de trouwe hond, die ons op onze -wandeling vergezelt, of als de woeste, bloeddorstige wolf, die ons -dreigt te verslinden,--even zeer als de koe, die in gindsche weide -graast, of als de bliksem, die uit de wolken te voorschijn komt, -of de planeet, die, door eene onzigtbare hand gedreven, rondom de -zon draait.--Met andere woorden: "de natuur heeft hare oorzaak in -zich zelve en er bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke -daaraan onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot -verschillende onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt." - -Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het verstand, dat -zegt: "ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter niet geschapen, er moet -derhalve een nog hooger verstand, eene nog hoogere, denkende kracht -zijn dan ik"--er wordt buitendien nog een regtstreeksch bewijs gevonden -voor het bestaan van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene -oorspronkelijke kracht, welke zich aan ons op eene regtstreeksche -wijze te kennen geeft. - -Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht zullen wij nu -pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden Gods hebben -opgenoemd, welke wij door gevolgtrekking uit de verschijnselen in de -natuur afleiden.--Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als -eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan -al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken, -ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs -alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer -wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld -ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van ruimte eene voorwaarde om -het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te maken, maar welke -de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam, noch geest -voorstellen zonder deze kracht.--Deze kracht is met den bliksem, -welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het graf, zij -kruipt vóór den worm op den bodem heen, zij ijlt den klank vooruit, -ja, zij is sneller dan het licht en moge de lichtstraal, die van de -zon uitgaat, 42000 mijlen in ééne seconde doorloopen om, zoo snel -mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken, deze kracht echter is -nog acht minuten voor hem aldaar.--Ofschoon deze magtigste van alle -krachten zuiver geestelijk, ja, onligchamelijker is dan eene gedachte, -wij zien niettemin elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is; -zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde -stil. Hoort gij de klok slaan?--Een,--twee. Tusschen beide slagen -verliep tijd;--elke slag vordert tijd en de vlugtigste gedachte, -die bij ons opkomt, doet nog tijd verloopen. Niets kan buiten den -tijd treden en niemand kan zich zelfs het geringste gedeelte van -een oogenblik aan den invloed des tijds onttrekken.--De tijd brengt -alle krachten eerst aan het werken en stuwt alles, dat bestaat, -onwederstaanbaar voort. Men kan zich hem niet anders voorstellen, -dan voortijlend; hij beleeft en overleeft alles. - -De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de zigtbare schepping -mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is het mogelijk, -dat nog iets anders dan God bestaat. De tijd is de overgang Gods in -de wereld. - -Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich voorstellen, dat God -rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld heeft geschapen, -dewijl hij, gelijk zij beweren, "de natuurkrachten en wetten in zijne -plaats laat regeren";--deze krachten en wetten toch zijn geschapen, -zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet kunnen blijven bestaan, -indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet aanwezig ware, -waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in de natuur, -welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden, onophoudelijk -voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en werkzaamheid op -te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil. God rust nimmer. God -is voortdurend werkzaam. - - - -Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de leer der -kennis van God geput uit de natuur. Het volgende is de kennis van -God toegepast op het menschelijk leven of de zedeleer, waarvan -hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in algemeene korte -bewoordingen medegedeeld kunnen worden. - -Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in den hemel, -noch op de aarde. - -Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts eene waarheid,--slechts -eene ware godsdienst en zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen, -dan die uit de natuur en hare verschijnselen--de voortdurende -openbaring Gods,--is afgeleid. Hierop berust het evangelie van den -regtzinnig geloovigen mensch. - - - -18. - -Door de beschouwing van ons zelven en van de schepping, die ons -omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene denkende, met rede -begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons ligchaam woont, in staat -om de taal der schepping te verstaan. De schepping sprak tot ons door -middel onzer vijf zinnen, als door den mond van even zoo vele tolken; -zij gaf ons te kennen, dat wij slechts een klein, van alle zijden -afhankelijk lid in de groote, oneindige schepping zijn en dat de Maker -dezer schepping één almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend, -alwijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend -werkzaam God is.--Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch -een einde zal hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de -natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een flaauw afschijnsel, -als het ware een twijgje van den boom des levens, een straal van het -algemeene, groote, geestelijke licht is.--Kunnen wij nu het eigenlijke -wezen dezer goddelijke kracht, die wij ons onligchamelijk, als geest -moeten voorstellen, niet begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat -onze menschelijke geest met den goddelijken geest verwant moet zijn, -dewijl wij overigens in de gansche schepping niets vinden, waarmede wij -onze redelijke ziel zouden kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur -staat derhalve in betrekking tot God, is met hem verwant en het streven -van geheel ons leven moet daarheen zijn gerigt om op Hem te gelijken. - - - -19. - -Hij echter is almagtig; dat kunnen wij niet zijn, want wij zijn -slechts eene kleine schakel in de groote keten der schepping, -die hij aaneenverbindt. Hij is eeuwig en ons leven omvat eene zoo -korte, ons vooraf zelfs geheel onbekende handbreedte tijds. Hij is -alomtegenwoordig en wij zijn slechts op eene enkele plek te gelijk -aanwezig en hebben maanden tijds noodig om slechts een vierde gedeelte -van den omvang dezer kleine aarde te doorreizen. Hij is alwetend en -wij weten slechts hetgeen wij door middel onzer vijf zinnen ervaren -en in ons geheugen ingeprent hebben; hetgeen nevens ons voorvalt op -eene plaats, die door een enkelen wand van ons is gescheiden, kunnen -wij niet weten; den dag van gisteren kenden wij eergisteren niet; -de dag van morgen is voor ons een geheim en hetgeen ons de dag van -overmorgen baren zal, blijft ons heden en morgen nog onbekend.--Maar -God is mede alwijs, algoed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en -voortdurend werkzaam en deze vijf hoedanigheden zijn het, die ons den -weg aanwijzen, dien wij behooren te bewandelen. Vijf woorden vatten -den inhoud zamen der zedeleer, die wij behooren te volgen. Wij moeten -er naar streven om wijs, goed, regtvaardig, getrouw en waarachtig en -werkzaam te zijn. - - - -20. - -God is alwijs: Wij moeten er naar streven om wijs te zijn. - -Bij dit streven moeten wij vier algemeene grondstellingen tot rigtsnoer -nemen.--1o. Wij moeten ons gewennen, over al hetgeen wij waarnemen, -zelf na te denken en dit te onderzoeken.--2o. Wij moeten niets zeggen, -niets bedrijven, zonder vooraf de gevolgen van hetgeen wij zeggen of -doen zullen, naauwkeurig te hebben overwogen.--3o. Wij moeten elke -zaak van hare beide zijden beschouwen. Wordt, b. v., iets goeds van -iemand verhaald, wordt een geschrift als een voortreffelijk werk -geprezen, dan behooren wij ons te verheugen, dewijl wij iets goeds -hebben vernomen, zonder het daarom onvoorwaardelijk te gelooven; -wij behooren het eerst dan als waar aan te nemen, wanneer de persoon -of het boek ons een genoegzaam belang inboezemde, zoodat wij ons -geneigd gevoelden door eigen onderzoek ons van de waarheid van het -gezegde te overtuigen. Wordt echter iets kwaads van iemand verhaald, -of wordt een geschrift als slecht en verderfelijk veroordeeld, dan -moeten wij zulks niet gelooven, wij moeten eerst de verdediging van den -beschuldigden persoon hooren, wij moeten het geschrift eerst lezen en -dan besluiten.--4o. Wij moeten alle onvoorwaardelijk of blind geloof -verwerpen, als zijnde zulks den redelijken mensch onwaardig. Wij -moeten geene voorschriften en leerstellingen, onverschillig of zij -gezegd worden te moeten doorgaan als goddelijke openbaring of niet, -aannemen en opvolgen, indien zij niet vooraf, onder het voorzitterschap -van het gezond verstand, zijn onderworpen geworden aan de vuurproef der -natuurwet; komen zij ons, na dit onderzoek, redelijk, dat wil zeggen, -begrijpelijk voor en in overeenstemming met de wetten der natuur, -eerst dan moeten wij er geloof aan hechten, ze als waar aannemen -en opvolgen.--Die deze vier grondregelen niet tot rigtsnoer zijner -handelingen neemt, zal zijn gansche leven door een dwaas blijven, -die aan den leiband zal loopen van ieder, die meer verstand heeft of -sluwer is dan hij. - -Niet alle menschen bereiken een gelijken graad van volkomenheid, wat -betreft hunne ligchamelijke en geestelijke ontwikkeling. Terwijl vele -menschen dom voortleven en sterven, verheft zich bij anderen de kennis -van het ware en schoone tot geestdrift; terwijl eenige menschen den -tijd in eene logge rust doorbrengen, gevoelen anderen zich voortdurend -aangespoord tot werkzaamheid; terwijl velen de uitgebreidste kennis, -die zij bezitten, zelfs bij de beste bedoelingen, welke hen bezielen, -niet kunnen mededeelen, hebben anderen de gaaf verkregen hetgeen zij -weten zoodanig in te kleeden en voor te dragen, dat het snel den weg -naar het hart der menschen vindt. De mededeelingen, door dergelijke -begaafde personen gedaan, hetzij deze mondeling of in geschrifte -geschieden, moeten wij in eere houden--onderzoeken en--indien zij -blijken proefhoudend te zijn, als waarheid aannemen en opvolgen. - -Gij begaafden echter, die vermeent waarheden te hebben ontdekt, welke -andere menschen niet algemeen genoeg kennen; zoo mede gij die door -meerdere ervaring of door eene betere opvoeding meer kennis hebt -vergaderd dan andere menschen, gij zijt verpligt van het uwe aan -anderen mede te deelen. Dit is eene zedelijke wet, welke Jezus van -Nazareth reeds voor meer dan 1800 jaren voor waar erkende en leerde, -toen hij sprak: "Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat zij uwe -goede werken zien en uwen vader, die in de hemelen is, verheerlijken." - -De redelijke geest, welke de mensch bezit, verheft hem boven alle -dieren, doet hem op God gelijken. Nevens de zorg, welke wij voor ons -ligchaam behooren te dragen, moeten wij derhalve er naar streven om -onzen geest met kennis te verrijken en trachten om wetenschappelijke -ontwikkeling onder alle standen der maatschappij te bevorderen. Wij -behooren zorg te dragen, dat die wetenschappen, welke ons tot zekere -(positive) kennis brengen, de natuurwetenschappen, na voorafgaande -beoefening der taal- en wiskunde, benevens de geschiedenis der -menschheid, bij voorkeur in alle scholen worden onderwezen en dat -elke burger van den staat door de uit zijne godsdienst afgeleide -wet verpligt zij, zich bekend te maken met den hoofdinhoud van de -verschillende takken der natuurwetenschappen, opdat hij in de inrigting -van het zonnestelsel even zeer als in de organen van het menschelijk -ligchaam, gelijk mede in het planten- en dierenrijk de doelmatigheid -van alle gemaakte inrigtingen leere bewonderen en daaruit de wijsheid -en goedheid des Scheppers in zijne werken leere kennen. De eigenlijke -natuuronderzoekers echter--de mineraloog, botanicus, zoöloog, -de ontleedkundige, physioloog, geoloog, scheikundige, physicus, -meteoroloog en de sterrekundige--zouden het niet beneden hunne -waardigheid behooren te achten, met allen ijver er naar te streven -om hunne wetenschap in eene steeds eenvoudiger en meer algemeen -verstaanbaar wordende taal te verklaren en meer of minder volledige -en grondig behandelde opstellen daaromtrent te leveren, op zulk eene -leest geschoeid, dat zij onder het begrip vallen van de verschillende -meer of min beschaafde klassen der maatschappij;--hierbij zou steeds -het oog moeten worden gehouden op de voornaamste uitkomsten door het -natuuronderzoek verkregen, met aanwijzing van het nut, 't welk uit de -toepassing er van in het praktisch leven zij te trekken, opdat ook de -minder ontwikkelden, de handwerksman en de daglooner, den weldadigen -invloed der verlichting zouden gevoelen en niet langer, tot nadeel der -meer verstandigen, bijgeloof en dwaalbegrippen zouden aankleven. Voor -de verspreiding van dergelijke werken, zoo veel slechts immer mogelijk -verrijkt met afbeeldingen ter opheldering der behandelde onderwerpen, -behoorde de staat zorg te dragen. - -Gelijk elke wetenschap en elke tak van wetenschap zijne geestdriftvolle -beoefenaars heeft gevonden, die meer dan anderen geschikt waren om -den bloei er van te bevorderen, ditzelfde is insgelijks het geval -geweest op het gebied der godsdienst en zedeleer. Abraham, die voor -meer dan 3800 jaren, Mozes, die 400 jaren later in Egypte en Syrië, -Zoroaster, die voor ongeveer 2700 jaren in noordoostelijk Persië en -Gautama (Boedha), die voor 2400 jaren in Indië, zoo mede Kong foe tse, -die slechts 100 jaren na dezen in China predikte, waren mannen die -met geestdrift dit gebied van kennis hebben bewandeld, evenzeer als -Jezus van Nazareth, die vóór 1830 jaren onder de Joden en Mohammed, -die vóór 1240 jaren onder zijne landslieden in Arabië optrad en hen -leerde. Vele andere minder algemeen beroemd gewordene mannen zijn -na hen gekomen. Hetgeen van de leer dezer vroegste godsdienst- -en zedeleeraren tot op ons is overgekomen, zult gij met vrucht -lezen, indien gij den inhoud der vroeger medegedeelde, tot leiddraad -strekkende grondstellingen niet uit het oog verliest en het kaf van -het koorn weet te onderscheiden. Indien gij daartoe in staat zijt, -zult gij zelfs in de oudste godsdienstige geschriften, even als in den -bijbel, menige goede zedeles en voortreffelijke leefregelen vinden, -die gij met voordeel kunt opvolgen. Jezus van Nazareth beval boven -alles luide en schoon aan het betrachten der menschenliefde en hij -ijverde tegen de schijnheiligheid der toenmalige priesters. Gij kunt -deze leer met vrucht toepassen op de hedendaagsche priesters. Nadeelig -echter is het voor uwe vorming, indien gij geen ander boek leest dan -den bijbel; op die wijze wordt gij eenzijdig van oordeel, bijgeloovig, -onverdraagzaam, schijnheilig-vroom, gij verliest zelfs den goeden smaak -en in het gezellige leven wordt gij voor anderen onuitstaanbaar.--Is -dan de wereld, sedert Jezus zijne leer verkondigde, niet meer dan -1800 jaren ouder geworden? Bevat deze achttien honderd jaren lange -geschiedenis van het menschelijke geslacht niet vele gewigtige lessen -en ervaringen? Is de beschaving der menschheid sedert dien tijd niet -vooruitgegaan en heeft het onderzoek der natuur niet tot ontdekkingen -geleid, zijn niet waarheden aan het licht gebragt, waarvan destijds -nog niemand zich eenig denkbeeld kon maken? En wat is nu het geval; -van al deze uitkomsten en vruchten der nasporing, der beschaving en -der gansche 1800 jaren lange geschiedenis vindt men in den bijbel -niets.--Maar ook niet alle godsdienstleeraren, welke in verschillende -tijden zijn opgetreden, of die nog heden bij duizenden leven, zijn -mannen door de waarheid met geestdrift vervuld. De leer, welke velen -belijden, wijkt zoodanig af van alle natuurwetten, zij druischt zoo -zeer in tegen het gezond verstand, dat de verkondigers van dergelijke -leerstellingen niet anders kunnen zijn dan a. dweepers, dat wil zeggen, -kranken naar het gemoed en den geest, of b. bedriegers; meestal gaan -zij aan beide kwalen te gelijk mank: of wel zij pleegden bij hun -optreden reeds bedrog en de opgang, dien zij maakten, vervoerde hen -tot geestdrijverij, of zij waren aanvankelijk dweepers, die zich later -tot het plegen van bedrog lieten overhalen. Tot de eerstgenoemde soort -behoorde onder anderen Joe Smith, de profeet der Mormonen.--Leest gij -nu geen ander boek dan dien eenen bijbel en zwelgt gij buitendien -nog met volle teugen fanatiek-narcotische dranken in, zoo als, -bij voorbeeld: "de Opstanding der dooden, het Boek der toekomst, -het Brood des levens, de Kruisiging, de Christusregering voltooid, -het Visioen der opstanding, de Verschijning aan meer dan vijf honderd, -de Slaande engel!" enz., enz.,--niets dan heldendichten, ingegeven -door eene koortsachtige phantasie, die zich van alle banden heeft -ontslagen, dan ontvlamt het koude vuur der dweepzucht in uwen boezem -en uwe ziel verdroogt gelijk eene mummie, gelijk het groene veld, -waarover de sirocco waait, door den droogen adem "van het woord," -dat gij eeuwiglijk en eeuwiglijk op nieuw op denzelfden oudjoodschen -Prophetentoon verneemt;--gij zijt dan gelijk een schaap op de dorre -heide; een booze geest, die u aan den leidband heeft gebonden en -u tot zijn doel wil gebruiken, voert u gedurig rond in een kring -en--aan alle kanten ligt de schoonste groene weide! namelijk, -de schepping, de levende openbaring Gods, maar waarin gij o, arme -schapen! nimmer zult grazen, indien een goede geest zich niet over u -erbarmt en u haalt uit den kring op de dorre heide.--Ik zal u eenige -der goede geesten opnoemen en raad u aan hunne geschriften te lezen; -daarin zult gij zekere waarheden vinden, welke nuttig voor u zijn, -u zullen verkwikken en die op elke bladzijde de hoedanigheden van den -algoeden Schepper der natuur uit zijne werken verkondigen. Algemeen -verstaanbare geschriften in onze taal zijn onder anderen de -volgende.--De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen -beschouwd, ter verheffing van God en tot bevordering van nuttige -natuurkennis. Nieuw bewerkt door F. Kaiser, C. I. Matthes, J. van -der Hoeven, H. C. van Hall en E. A. Beima. 1849-1852.--F. Kaiser, -de sterrehemel. 1853.--F. Kaiser, populair sterrekundig jaarboek voor -1854.--Album der Natuur, een werk ter verspreiding van natuurkennis -onder beschaafde lezers van allerlei stand. 1852-1853.--Practische -Volksalmanak of jaarboekje ter verspreiding van kennis der toegepaste -wetenschappen onder allerlei standen der Maatschappij. 1854--P. van -der Burg, eerste grondbeginselen der natuurkunde. 1853.--D. Lubach, -eerste grondbeginselen der natuurkunde van den mensch (over het -zamenstel des menschelijken ligchaams en de verrigtingen van zijne -deelen). 1853.--C. I. Matthes, de lucht en de verschijnselen van -onzen dampkring.--Handleiding tot de kennis der natuur; schoolboek; -uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. 1851; -benevens vele andere natuurkundige werken door diezelfde Maatschappij -uitgegeven, bij voorbeeld, Volks wis- en werktuigkundig lees- en -leerboek, Volks-meetkunde, Volks-scheikunde, het kind in zijne eerste -levensjaren, enz.--P. Harting, de magt van het kleine, zigtbaar in -de vorming van onze aarde. Utrecht, 1849.--Sommer, beschrijving -van 't Heelal.--M. I. Schleiden, populaire voorlezingen over de -plant en haar leven. Amsterdam, 1853.--Sporen van de natuurlijke -Geschiedenis der Schepping. Uit het engelsch door van den Broek, met -een voorwoord van G. I. Mulder. Utrecht, 1849.--J. L. de Bruijn Kops, -Beginselen der Staathuishoudkunde. Leiden, 1850.--F. W. Hoffmann, -overzigt der Algemeene Aardkunde, een leer- en leesboek voor alle -standen. 1853. Buitendien bestaan er nog vele andere populaire, -bevattelijk geschreven werken over de natuurwetenschappen, die -elk geleerde, ieder in zijn vak, den onderzoeklievende gaarne zal -opgeven. Leest die; zij zijn door goede geesten geschreven. - -Andere menschenvrienden leidden uit de geschiedenis en hunne eigene -ervaring lessen van levenswijsheid af, en verzamelden zedespreuken, -die zij in verschillende werken mededeelden. Ook dergelijke geschriften -moeten wij in eere houden en hunnen inhoud in ons geheugen prenten. Ik -zal uwe aandacht hier slechts op een derzelven bij uitnemendheid -vestigen. Leest Benjamin Francklin's "spreekwoorden van den ouden -Hendrik of de Wijsheid van den goeden Richard," die onder anderen -in onze taal zijn uitgegeven als "Leerrijke keur uit B. Francklin's -zedekundige schriften. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't -Algemeen" (1843. Amsterdam), een boek, hetwelk in weinige bladzijden -een schat van waarheid en levenswijsheid bevat. - -De beste en onuitputtelijke bron van wijsheid echter voor iedereen is -zijn eigene geest en de levende schepping, die hem omringt en waarmede -hij door middel zijner vijf zinnen in betrekking staat. Indien wij de -vier eerste onzer algemeene grondstellingen aan het stuurrad plaatsen -en de natuur gadeslaan met den mensch, die zich daarin rondom ons -beweegt, dan zullen wij in korten tijd in staat zijn zelven de regelen -vast te stellen, die wij op ons levenspad, in den omgang met andere -menschen moeten opvolgen, ten einde ons voor struikelen te behoeden, -ja, bij dit onderzoek kunnen vele dieren der wildernis ons leeren -en ons beschamen, indien wij zondigden tegen de voorschriften der -spaarzaamheid, der matigheid, der voorzigtigheid, der werkzaamheid -en der vlijt, of indien het mogt gebeurd zijn, dat eene moeder de -liefde jegens haar jong geboren kind uit het oog verloor. - -De roeping der priesters echter moet deze zijn: het ware, het schoone, -dat de gezamenlijke krachten van alle menschen op het vereenigd gebied -der natuurwetenschappen door onderzoek hebben ontdekt, den volke mede -te deelen, op eene wijze, die voor ieder verstaanbaar is en daarbij -zoowel in de onderdeelen als in het groote geheel de heerlijkheid -des Scheppers aan te toonen; vervolgens te verklaren hoe in al -het geschapene, in de verschijnselen en in de wetten der natuur, de -hoedanigheden Gods--zijne oneindige wijsheid en goedheid--doorblinken, -en hieruit af te leiden de deugden, naar welker bezit wij moeten -streven, de zedelijke wet, die wij behooren op te volgen.--De levende -natuur in al hare deelen, de geschiedenis der menschheid in al hare -verschillende tijdperken, zijn zoo onuitputbaar rijk in bouwstoffen -van dezen aard, dat een priester, die dagelijks twee voorbeelden -er van wilde uitkiezen, om ze tot tekst voor zijne leerrede, als -onderwerp zijner voordragt te bezigen, gelijk zulks thans met één -per week het geval is, niet zou behoeven te vreezen, dat de stof zou -worden uitgeput, al werd hij 500 jaar oud! - -Aan dit doel behoorde de eerste helft van elken zondag te zijn -gewijd, en de kerken zouden steeds blijven, hetgeen de school was -voor het kind, den jongeling: een tempel der wijsheid en der kennis -voor iedereen, maar bovenal voor de middel- en lagere klassen des -volks, die het meest behoefte hebben aan onderrigt. De priesters -behoorden hunne eigenlijke, schoone roeping: "volksleeraren te zijn," -te beseffen en bovenal naar wijsheid en kennis te streven en die den -volke leeren! Want God is alwijs! - - - -21. - -God is goed; uit alle deelen der schepping straalt ons de goddelijke -liefde te gemoet: Wij moeten er naar streven om goed te zijn. - -Wij moeten geen dier kwellen, maar in tegendeel goedaardig zijn jegens -alle levende wezens en elk diertje het genot zijns levens gunnen. Wij -mogen geen onschadelijk dier dooden, welks bestanddeelen--gedood -zijnde--ons geen nut aanbrengen. - -Wij moeten onze medemenschen liefhebben en welwillend zijn jegens -iedereen. Wij moeten het lijden en de ellende, overal waar wij zulks -ontwaren, pogen te verzachten en de armen ondersteunen. Wij behooren -anderen, die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen -van hetgeen wij meer hebben, dan wij behoeven. - -De stem van het goddelijk bewustzijn in ons binnenste,--het -geweten,--zegt ons duidelijker, dan wij in leerstellingen kunnen -zamenvatten, hetgeen regt en hetgeen onregt is; volgen wij de stem van -het geweten, die reeds vóór duizende jaren, even goed als nog heden, -den mensch toeriep: "Gij zult niet begeeren eens anderen goed, niet -echtbreken, niet dooden, niet stelen, niet bedriegen, geen valsche -getuigenis afleggen, het verhevene en heilige niet bespotten en -u zelven, uw eigen, van God herkomstigen geest niet beschimpen en -vernederen door afgoden te aanbidden." - -Menschenliefde jegens iedereen--indien zij werkelijk ons gemoed -doorgloeit--verheft ons hoog boven de dieren; zij veredelt ons in onze -eigene oogen en verschaft ons, wanneer wij haar beoefenen, de reinste -vreugde, meer dan aan dengene, die het voorwerp er van is. Dat toch -deze bloem geen enkel oogenblik van ons gansche leven in ons verwelke! - -Die ons het leven gaven, ons voedden, liefhadden en verzorgden, -toen wij nog jong en hulpeloos waren,--onze ouders,--moeten wij -beminnen tot aan hunnen dood en steeds blijven eeren. Zijn onze -ouders behoeftig en hebben wij rijkdommen verworven, zijn wij tot -waardigheden opgeklommen, dan behooren wij hen met ons gelijk te -stellen, hen tot ons op te heffen en hen te ondersteunen. Hij is een -verachtelijk mensch, die zich schaamt te belijden, wie zijne ouders -zijn. "Een oog, dat den vader bespot en de moeder veracht, zal door -de raven uitgehaald en door de jonge arenden verslonden worden." Dat -leerde bijna negentien honderd jaren geleden de man uit Nazareth, -wiens boezem zoo warm voor waarheid en deugd gloeide en datzelfde -staat nog heden geschreven in het geweten van elken mensch. - -Wij zijn groot gebragt en opgevoed door onze ouders of, indien -zij vroegtijdig zijn gestorven, door menschenvrienden, die hen -vervingen. Wij zijn in zoo verre ons bestaan verschuldigd aan de -liefde en zorg onzer ouders en behooren derhalve ook onze kinderen -lief te hebben, te verzorgen en op te voeden.--Wanneer gij hoort, -dat eene moeder haar jong geboren wicht van het leven heeft beroofd, -houdt haar dan geen geschreven woord, bijbel, gebeden- of wetboek voor, -spreekt niet van verloochening des vleesches,--want juist daardoor -hebt gij haar tot zondares gemaakt; gij hebt haar huichelarij en -schijnheiligheid geleerd, hetgeen haar bewoog hare zwangerschap voor -het oog der wereld te verbergen, totdat zij eindelijk doof werd voor -de stem der natuur;--neen, hangt een nest met jonge vogelen voor hare -gevangenis op, dan zal de kindermoorderes zien met welk eene liefde de -dieren der wildernis voor hunne jongen zorgen, hoe zij ijlend naar hen -toevliegen, hoe zij zelfs de schuwheid voor den mensch hebben afgelegd -en rondom de kooi fladderen, waarin hunne jongen zich bevinden,--hoe -zij hun in den snavel voedsel toevoeren, dat zij in veld en beemd -hebben bijeenvergaard:--welligt zijn zij zelven hongerig, maar zij -voeden er zich niet mede, zij houden het onaangetast in den snavel en -brengen het van eene verwijderde plek derwaarts om het hunne jongen te -geven;--zij vliegen weg, maar ziet, zij komen weder,--zij verlaten -hunne jongen niet, zelfs toen het nest door menschenhanden werd -weggeroofd, zij hebben het toch gevolgd;--zij steken hunnen snavel -tusschen de tralien door, ten einde hunne jongen te voederen, ja, zij -zouden gaarne in de kooi trachten binnen te dringen om bij hunne jongen -te blijven, die nog zoo naakt en hulpeloos zijn, - - heeft nu uwe leer -der "heiligmaking, van de verloochening des vleesches, verloochening -van de stem der natuur," nog niet het laatste overblijfsel van dit -gevoel, dezer stem, in het gemoed der kindermoorderes verstikt, -dan zal zij zich voor de vogelen schamen en--weenen. - -Heeft het dier aan de wet der liefde tot zijn gelijke voldaan, wanneer -het voor zijne jongen zoo lang zorgde, totdat deze zelven in staat zijn -voor hunne eigene instandhouding te waken, op den met rede begaafden -mensch rust de meer gewigtige pligt om insgelijks voor de zedelijke -opvoeding zijner kinderen, voor de ontwikkeling des geestes, zorg te -dragen en hen in datgene te onderrigten, waarin de hoogste kracht -des menschen ligt: in kunst en wetenschap.--Bij de opvoeding der -kinderen moeten wij twee hoofdgrondregelen tot rigtsnoer nemen; ten -eersten moeten wij door voldoende zorg, eenvoudige opvoedingsstoffen -zonder prikkelende middelen, doelmatige wijde kleeding, zindelijkheid, -later door allengs toenemende oefening van alle spieren door middel -van de verschillendste ligchaamsbewegingen, door hen te gewennen aan -de vrije lucht en de afwisseling van het weder--voor de krachtige -ontwikkeling des ligchaams zorg dragen, en ten tweede moeten wij het -kind, na voorafgaand onderrigt in de taal, datgene leeren, hetwelk als -eene onbetwiste en zekere waarheid algemeen is aangenomen en erkend, -namelijk: wiskunde en de verschillende takken der natuurwetenschappen, -benevens de geschiedenis van het menschelijk geslacht; dit als de -hoofdzaak behandeld wordende, mag gepaard gaan met het onderrigt -in de algemeene zedeleer. Wij behooren echter zorgvuldig te waken, -dat het kind, hetzij jongeling of meisje, geene vooroordeelen, -geene godsdienstige begrippen of leerstellingen worden ingeprent, -alvorens het zelfstandig denken en onderzoeken kan, en wij moeten -derhalve elke handelwijze ten stelligste afkeuren, die, gelijk de -doop en de besnijdenis, reeds het kind in de wieg met een kruis, -een toekomstigen Messias of ander dogma stempelt, waardoor de geest -van het kind reeds aan banden gelegd, in ketenen geklonken wordt, -alvorens hij volkomen is ontwaakt, waardoor elke vrije ontwikkeling -belet en de mensch gedwongen wordt zijn gansche leven door tot deze -of gene bepaalde sekte te behooren. Aan den tot man opgewassen, met al -de vereischte kennis der stellige wetenschappen toegerusten jongeling -(zoo mede aan de jonge dochter) moet de keus worden overgelaten om -zich voor eene der veelvuldige geloofsbelijdenissen te verklaren -of, indien hem geene van allen bevredigend voorkomt, den Schepper -der natuur op eigene wijze, naar eigene overtuiging, te aanbidden, -maar nimmer moet men het kind geloofsstellingen leeren of inprenten, -alvorens het rijp geworden is om zelf daarover te oordeelen. - -Het tegenover gestelde van dezen grondregel is sedert vele eeuwen en -wordt nog op den huidigen dag in praktijk gebragt. Deze omstandigheid -alleen maakt het verklaarbaar, dat op dezen oogenblik nog vele -millioenen van menschen aan leerstellingen hechten, die als heilig -vereeren, waarover de latere nakomelingschap zich in dier voege -zal verwonderen, dat zij zal vragen: "Hoe toch was het mogelijk, -dat millioenen van menschen gedurende duizende jaren konden gelooven, -hetgeen tegen het gezond verstand, ja, volkomen in strijd is met alle -wetten der natuur?--Waren zij, die vóór ons deze aarde bewoonden, -nog niet met verstand begaafd?"--waarop welligt een bearbeider van -de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zal antwoorden: - -"Wel degelijk waren zij met verstand begaafd of, juister gesproken, -de kiem er van was in hen gelegd; maar op dezen kiem entten zij -met geweld het onverstand, zij zetteden een stempel op het kind en -prentten het weeke, voor elken indruk vatbare kinderlijke gemoed -gedurende zestien of meer jaren dagelijks en onophoudelijk in: -datgene als een onaanrandbaar heiligdom, zoowel voor het tijdelijke -als eeuwige geluk te vereeren en te aanbidden, hetwelk wij heden, nu -de komeet van 1807 wederom zigtbaar is, welks omloop Bessel, op een -verschil van 25 jaren na, tamelijk juist berekende, reeds lang als -eene groote dwaling hebben leeren beschouwen. Want slechts weinigen -van onze toenmalig levende voorvaderen konden zich in hunnen rijperen -leeftijd weder vrijmaken van de indrukken, ontvangen in hunne jeugd, -die zoo lange jaren hadden geduurd; bij de meesten bleef de vorm des -stempels, waarmede zij reeds bij den doop, even als jonge schapen, -werden geteekend, hun gansche leven door zigtbaar, (al was die ook -door verloop van tijd meer of min onduidelijk geworden). [11]--Danken -wij derhalve den Heer der Schepping! dat wij de waarheid en den -eersten en voornaamsten hefboom van alle ontwikkeling, van alle -wetenschap, van alle maatschappelijk geluk, in zijne volle waarde -hebben leeren erkennen en in zijn zuiveren vorm aangewend hebben: -het schoolonderwijs, de opvoeding onzer jeugd." - -Ons zelven moeten wij echter het meest liefhebben,--meer dan andere -menschen. Dit is niet alleen regtmatig, maar dit is onze pligt, -namelijk, de pligt van zelfbehoud. Ons ligchaam toch, waarin de ziel -woont, werd ons door den algoeden Schepper der natuur geschonken, -opdat wij zouden leven, en geen ander mensch kan of zal in zulk eene -mate--zoo goed--voor ons zorgen als wij zelven in staat zijn zulks -te doen. Onze grondregel, met betrekking tot de liefde jegens onze -naasten (zie vroeger bladz. 160), luidde aldus: Wij behooren anderen, -die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen van hetgeen -wij meer hebben dan wij behoeven.--Dezen grondregel moeten wij in -overeenstemming trachten te brengen met de pligten jegens ons zelven. - -Wanneer wij zien, dat iemand in nood verkeert en er hoop bestaat, -dat hij door ons kan geholpen worden, zonder dat wij zelven er door -verloren gaan, dan moeten wij trachten hem hulp te verleenen, al is -zulks van gevaar vergezeld. - -Wij moeten ons echter ook zelven in eere houden en ons door niemand -laten beleedigen of beschimpen. Indien iemand u een slag in het -aangezigt geeft en uw geweten u zegt, dat gij deze beleediging -of deze bestraffing hebt verdiend, ga dan beschaamd heen naar eene -afgezonderde plaats en--verbeter u. Draagt gij echter in uw binnenste -het bewustzijn om, dat gij die oorveeg niet hebt verdiend, eisch dan -van den beleediger, dat hij u vergiffenis vrage en weigert hij zulks: -geef hem die oorveeg terug en een andere tot zijne straf er bij. - -Wij moeten alle menschen liefhebben en onze vijanden zelfs niet -haten. Grootmoedigheid verheft en veredelt den mensch. Wij behooren -pogingen aan te wenden om onzen vijand te overtuigen, dat hij -onregtmatig heeft gehandeld. Ziet hij het begane onregt in, gevoelt hij -er berouw over, dan moeten wij hem vergevensgezindheid betoonen en hem -op die wijze tot vriend trachten te maken. Gelukt dit echter niet en -gaat hij voort met ons te verontrusten, dan moeten wij hem onschadelijk -trachten te maken. Kunnen wij dit niet, wordt hij gevaarlijk voor -ons, dan behooren wij hem met alle magt te bestrijden en, indien hij -ons dooden wil en wij niet in staat zijn ons leven op eene andere -wijze te redden, dan hebben wij het regt hem te dooden. (Zie over de -practische toepassing dezer grondstellingen in het midden der 19de -eeuw, den krijg tusschen Rusland en de westersche mogendheden.) - -Veronachtzaming van ons eigen ligchaam is zonde, en zelfmoord de -grootste zonde. - -Wij behooren zorg te dragen voor ons ligchaam, wij moeten het -behoorlijk voeden met spijs en drank en wij moeten ons--op eene -geoorloofde, deugdzame wijze--al dat genot pogen te verschaffen, -hetwelk wij tot ons ligchamelijk welzijn behoeven en waartoe wij de -middelen bezitten. - -Daar echter onmatigheid den mensch tot een dier verlaagt, en zij -hare eigene straf medebrengt, namelijk, tegenzin, berouw, uitputting -of ziekte, moeten wij in alles matig zijn. Het genot, dat wij door -elk onzer zinnen kunnen smaken, verandert door onmatigheid in het -tegendeel, ja, de toonen der welluidendste muziek zouden eindelijk ons -oor vermoeijen, zelfs pijnlijk aandoen, indien wij ze den ganschen dag -en onophoudelijk moesten hooren. Houden wij daarentegen de matigheid -in het oog, dan oefenen alle ligchamelijke genietingen--het genot -des gevoels, van het gehoor, des gezigts, van den reuk en van den -smaak--niet slechts een weldadigen en bevredigenden invloed uit op het -ligchaam, maar insgelijks op het gemoed; zij verzwakken den geest niet, -maar versterken hem en stellen hem in staat nog edeler genot te smaken: -om de diepzinnigste wetenschappelijke vraagstukken te kunnen bepeinzen. - -In een zwak of ziekelijk ligchaam kan geen sterke of gezonde geest -wonen. Van onze vroegste jeugd af moeten wij ons derhalve er op -toeleggen om het ligchaam te versterken en alle mogelijke zorg -aanwenden om het volkomen te ontwikkelen. Het nuttigen van spijs en -drank onderhoudt het leven, maar oefening der krachten maakt ons -sterk. Aan elke school zonder onderscheid behoorde eene inrigting -te worden verbonden voor ligchaamsoefening, alwaar de jeugd in de -gelegenheid werd gesteld door loopen, springen, klauteren, schommelen, -werpen, kaatsen, kegelen, worstelen, zwemmen, paardrijden--in één -woord, door de verschillendste ligchaamsbeweging de spierkracht te -oefenen. Deze ligchaamsbewegingen moeten op rijperen leeftijd op eene -doelmatige wijze worden voortgezet. Wij behooren veel beweging te -nemen in de vrije lucht, en niet voor elk windje of elke regenvlaag -te gaan schuilen. Wij moeten pogingen in het werk stellen om eene -meer doelmatige wijze van kleeden in te voeren, die de natuurlijke -schoonheid van den ligchamelijken vorm voordeeliger doet uitkomen, -zoomede om de naauw sluitende, stijve keurslijven bij de vrouwen in -onbruik te doen geraken.--Reinheid des ligchaams is een der meest -geschikte middelen ter bevordering van de gezondheid. In elke stad, -in elk dorp behoorde een badhuis te zijn. Indien, bij voorbeeld, van -een viertal kroegen, dat menigwerf in één klein dorp wordt gevonden, -er twee gesloten en door een badhuis werden vervangen en het geld, -daar vroeger aan genever verdronken, nu werd besteed tot het nemen -van een koud of warm bad, dan zou zulks niet slechts nuttiger zijn -voor de maatschappij, maar tevens aangenamer genot opleveren aan ieder -afzonderlijk lid er van. Indien gij iemand ziet, die in een prachtig -huis woont en fraai en zindelijk gekleed gaat, maar ten opzigte -van zijn eigen ligchaam de reinheid uit het oog verliest, waarmede -vergelijkt gij hem?--Wanneer het den Mohammedaan in zijn wetboek wordt -voorgeschreven zich herhaaldelijk te wasschen, behoorden de bewoners -van het koudere noorden, zelfs van den geringsten stand, hieraan -een voorbeeld te nemen en het als een hunner godsdienstige pligten -te beschouwen, minstens éénmaal per dag die deelen des ligchaams -te wasschen, welke naar de voorschriften der zindelijkheid zulks -het meest behoeven en zich althans eens per week te baden. Daardoor -zouden vele ziekten voorgekomen worden en het opkomende geslacht een -krachtigeren wasdom verkrijgen. - -Wij moeten ons ligchaam niet verloochenen, maar het in eere houden -en God den Heer danken, dat hij het zoo fraai en doelmatig heeft -gevormd. Wij mogen ons ligchamelijk genot verschaffen; want dat wij -zouden genieten, lag in de bedoeling des Scheppers, toen hij ons -het aanzijn schonk, dewijl hij alle organen onzes ligchaams zoodanig -heeft zamengesteld, dat alle natuurlijke verrigtingen, welke strekken -moeten tot instandhouding, zoowel der individuen als der soort, -waartoe zij behooren, met een behagelijk gevoel gepaard gaan. Hij -schiep ons tot het smaken van geluk en genot, zoowel naar het ligchaam -als naar den geest. Degenen, die zeggen: "verloochent u zelven, doodt -alle zinnelijke lusten en begeerten, arbeidt aan uwe heiligmaking, -legt u ontberingen op, bestrijdt uw vleesch door onthouding, door -vasten en kastijden, opdat uwe onsterfelijke ziel des te vlekkeloozer -worde en het goddelijke licht des te helderder in u schijne"--zijn of -huichelaars of dweepers, die zondigen tegen de weldadige bedoeling des -Scheppers, want zij dienen toch te weten, dat in een door vasten en -kastijden verzwakt ligchaam geen krachtige en gezonde geest kan wonen. - -Indien gij honger hebt, u voedsel kunt verschaffen en u toch er van -onthoudt, dan zondigt gij. Alleen de arts, niet de priester, heeft -het regt u de onthouding er van voor te schrijven. - -Het is de pligt der overheid om openlijke volksspelen en -volksvermakelijkheden, gepaard met doelmatige ligchaamsoefeningen, met -alle krachten aan te moedigen. Het volk zou dan tevredener zijn, zijne -pligten met meer vreugde nakomen en niet zoo dikwerf, gelijk thans het -geval is, verstrooijing zoeken in de geneverflesch, die, helaas, in -vele oorden, onder vele klassen der maatschappij, zijn eenige troost, -zijn eenig geluk is!--Wanneer toch de arme man zes dagen lang heeft -gewerkt om zich "in het zweet zijns aanschijns zijn dagelijksch brood" -te verschaffen en de zevende dag komt eindelijk aan, welke vreugde -biedt hem deze dag?--Vooreerst de vreugde in de kerk te gaan, om -treurige, droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën -aan te hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke -liefde; ten tweede de vreugde in de kerk te gaan, om treurige, -droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te -hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde; -ten derde de vreugde om uit de kerk te gaan en--reeds bij de eerste -schrede, die hij buiten de kerkdeur doet, de onmogelijkheid in te zien -om eene enkele dier voorschriften na te komen en eindelijk--ten vierde, -gedurende de vier of vijf uren van den dag, die nu nog overblijven, -het genoegen om onbevredigd in zijn binnenste te zijn en nergens iets -te vinden, dat het ledige in zijn gemoed vervullen en genoegdoening -kan geven aan eene onbestemde, maar niettemin duidelijk gevoelde -behoefte!--Zou die behoefte ook misschien de genever zijn?--Neen; -waarheid is het in plaats van dwaling, natuurlijke godsdienst die -voor het gezond verstand begrijpelijk is en het gemoed vervrolijkt, -waaraan hij in de kerk behoefte heeft--en gezellige vreugde, openbaar -vermaak, spel met ligchaamsoefening, genot is het, dat hij buiten de -kerk wenscht te smaken, en aan het smaken van zulk maatschappelijk -genoegen, vooral der lagere volksklassen, die dit het meest noodig -hebben, behoorde minstens de tweede helft van elken zondag te worden -gewijd.--De mensch is door God geschapen om te genieten en het volk -heeft er behoefte aan. Gij, die de kermissen hebt afgeschaft, gij hebt -het goede met het kwade te gelijk weggenomen en, indien gij het heil -des volks werkelijk zoekt, dan zijt gij nu verpligt iets beters er voor -in de plaats te stellen. Het ware te wenschen, dat het veelzijdig nut, -'t welk de schouwburg kan verspreiden, meer algemeen werd erkend en -gewaardeerd, en dat zelfs in de kleinere steden volksschouwburgen -werden opgerigt. Of zou iemand durven beweren, dat er een krachtiger -middel gevonden wordt tot verheffing van het zedelijke gevoel bij het -volk, dan het opvoeren van tooneelstukken, waarin zedelijke waarheden -worden ontwikkeld?--Want daarbij is toch het nuttige vereenigd met -het vermakelijke, met een aangenaam tijdverdrijf! - -Het instinkt tot voortplanting zijner soort, dat elk dier is ingeplant, -gaat bij den mensch gepaard met het veel edeler gevoel van liefde--en -bindt op die wijze de beide geslachten zamen. Deze liefde, welke ons -verheft boven het dier, dat slechts geslachtsdrift gevoelt, moeten -wij rein bewaren en haar heiligen door eerbaarheid. - -De band, welke kinderen aan ouders, ouders aan kinderen, zoo mede -zusters en broeders onderling verbindt, zou verbroken worden, -de reinste vreugde, welke de mensch in den kring van zijn eigen -huisgezin,--aan eigen haard,--geniet, zou verloren gaan, de teedere -zorg voor de jeugd en hare opvoeding ontaarden in onverschilligheid, -de band der trouw tusschen de verschillende geslachten en te gelijk -daarmede vele van de schoonste bloemen der beschaving, der edelste -deugden, zouden ophouden het menschelijk leven te sieren, zij zouden -vervangen worden door zedelijke ruwheid, ja, de geslachtsliefde zou -eindelijk worden verlaagd tot bloote dierlijke lust en de orde en tucht -in de maatschappij worden vervangen door een woesten chaos,--indien wij -het voorschrift der wet "een man en eene vrouw" niet in acht namen. Om -die reden moet het genot der geslachtsliefde het geheim van twee -personen zijn, de zaamgeknoopte band der liefde--het huwelijk--moet ons -heilig blijven en de jeugd zal dezen band veredelen door kuischheid. - -Die staat echter zal het welzijn des volks bevorderen, die de wettige -vereeniging ook onder de onvermogenden met alle onder zijn bereik -staande middelen vergemakkelijkt, en die priester zijn pligt vervullen, -die het niet beneden zijne waardigheid acht de waarschuwende stem te -verheffen tegen de nadeelige gevolgen van te vroegtijdig geslotene -huwelijken, indien de materiële middelen der beide partijen niet -toereikend zijn voor hunne behoeften,--maar die, in plaats van de -"verloochening des vleesches" te prediken, den armen liever toeroept, -dat de mensch slechts door den band der trouw zich boven het dier -kan verheffen en dat zij dezen band moeten aaneenhechten, alvorens -het genot der liefde te smaken. - -Welligt zou op die wijze veel zedelijke ellende worden verhoed. Hebt -uwen naaste lief! Want God is goed en alle deelen der schepping -getuigen van zijne liefde. - - - -22. - -God is regtvaardig: wij moeten pogen regtvaardig te zijn. - -Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan -goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te -beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral -van hen, die hoog geplaatst zijn--der magtigen en vorsten--onder -de stervelingen. - -Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen, waar hij in -de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt om later -op nieuw zijn arbeid te hervatten--en tegenover hem zit een rijk -man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten, gebraad -en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden, -waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te -nuttigen, zegt dan niet: "dat is onregtvaardig;" want den arbeider -smaakt welligt zijnen maaltijd beter dan gindschen rijkaard zijne -pasteijen, en deze behoeftige man, die des avonds naar huis keert en -in den kring der zijnen uitrust van de vermoeijenissen des daags, -ondervindt stellig meer genot dan de rijke, die nog nooit vermoeid -was. Ontneemt gij echter den rijke, die in overvloed is groot geworden, -zijne schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als -gindsche handwerksman, dan handelt gij onregtvaardiglijk; want dan -zal de rijke zeer ongelukkig en beklagenswaardig zijn, dewijl hij -niet gewoon is droog brood te eten,--en indien gij den handwerksman, -die, ten gevolge van ziekte of duurte van levensmiddelen, minder -verdient dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van -hetgeen gij meer hebt dan gij behoeft, dan handelt gij insgelijks -onregtvaardiglijk en zondigt tegen de wet der menschenliefde. - -Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om aan ieder te -geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De mate nu van -behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel, waarnaar wij -ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is dezelfde die -Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de navolgende woorden: -"gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doe hun desgelijks." - -Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig toeschijnt. Wie -zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van alle boom- -en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de rottende -overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de kolibri, -welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den zoetsten -honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen gehuld -op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te vragen, -ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des avonds -huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet toebereid, -nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft verkregen, -zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag gaan -bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem tot -behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man daarentegen, -die, met ridderorden behangen, daar ginds in dat groote huis woont, -feesten aanrigt, waarop alle fijne wijnen paarlen, terwijl de tafel -onder den last der spijzen buigt, zegt niet, dat hij gelukkiger is -dan de bedelaar!--hij weet hoedanig hij de schatten heeft verworven, -waarmede hij pronkt, hoe hij aan de veêren is gekomen, waarmede hij -zich heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van -pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den -rijk voorzienen disch,--de wroeging van een boos geweten vervult -zijnen boezem! God is regtvaardig! - -En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren op een grooten -voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op een kantoor een -sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk te beklagen; -wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet, welke daden -hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig voor hem, -het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit hij, -naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden -en gelukkiger worden dan hij te voren was. - -Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer den moed -behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt, dewijl wij -niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten wij ons -onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en werkzaam -zijn, want "God helpt, die zich zelven helpt."--Heeft het ongeluk -vooraf zijne komst niet aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht -komen! - -Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar om voor hare -instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des geregts de -plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den staat.--Gelijk -in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om een grooter scharen -en vele planeten om eene zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles -wat leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog -oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar -eene enkele grondoorzaak leiden, zoo heeft zich ook in de maatschappij -reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen gelden. De beste -regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel mogelijk is -nagevolgd.--Een God, een Koning!--Maar God regeert de wereld niet -willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten zijn de natuurkrachten, -die hij schiep, en zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste -wetten, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij moeten -ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen -koning eerbiedigen. - -Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder op eenige -andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de getrouwe -pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten. - -Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is, maar in -tegendeel dikwerf door de menschen geëerd en met wereldsche goederen -gezegend wordt. - -Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar geene straf zoo -zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich zelve straft: -een kwaad geweten.--Een kwaad geweten brengt de begane zonden aan -den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft door den arm -der wereldlijke geregtigheid. - -Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter zedelijk ik -door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen geworden, -indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd hebben, maar -berouw gevoelen over onze overijling of slechte handelwijze, innig, -waarachtig berouw er over gevoelen: dan is de zonde ons vergeven. - -Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons gepleegd en het -vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te handelen, dan mogen -wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet gaan, ook dan -wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is toegepast. De -orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken worde. - -Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet op het spel -zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger genade schenken, -en daardoor het schoonste bewijs geven van de magt, die hij -bezit.--Dewijl alle misdaden deels haren grond hebben in aangeboren -ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken, hoofdzakelijk echter in -verkeerde opvoeding en gebrek aan beschaving en--bij een dergelijken -aanleg--door ongelukkige uiterlijke omstandigheden ligt veroorzaakt -worden, behooren wij medelijden te hebben met de misdadigers en -trachten hen te verbeteren of te genezen. - -Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk wezen, al zet -hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat is ons eene -enkele zonde te vergeven. - -God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige plaatsbekleeder -op aarde is: het geweten, dat in den boezem van elk mensch woont. - -De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel met zich -om. Zij zullen hunnen hemel en hunne hel met zich nemen; want hunne -ziel is onsterfelijk. - -Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene andere hel. Wat -aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen. Stellen wij -ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij hiervoor zorg: -dat wij een hemel in onzen boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij -voortdurend er naar gestreefd hebben om regtvaardig te zijn! Want -God is volkomen regtvaardig. - - - -23. - -God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig: -ons streven moet zijn in al onze handelingen getrouw en waarachtig -te wezen. - -Wij moeten waarachtig zijn in woorden en daden, en nimmer -huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren kunnen, en -overeenkomstig onze leer behooren wij ook te handelen. - -Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te kleeden (behalve -wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets schijnen te zijn, -dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den schijn aan van iets, -'t geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de menschen. - -Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet ligtvaardig te -beloven, zonder vooraf te overleggen of wij onze belofte kunnen houden. - -Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben gesloten, -behooren wij heilig te bewaren. - -Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste zonde, die ons in -onze eigene oogen vernedert. - -Wij moeten niet leeren: andere menschen even lief te hebben als ons -zelven; elken dag, ja, elken oogenblik zien wij, dat wij niet in staat -zijn om zulks te doen; geven wij niettemin voor, dat wij dit doen, -dan maken wij ons schuldig aan huichelarij. - -Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons zelven meer dan -anderen. Leeren wij dit, dan kunnen wij zulks nakomen en wij zijn -waarachtig.--Ik ken een bekwamen, braven man, die door ongelukken -tot armoede en ellende is vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs -alle pogingen heeft beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft -echter kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn, behoeft hij 2000 -gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben in het bezit -van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta, stort ik mij -zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas of bezig -het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet meer lief dan -genen?--Indien iemand mij met de wapenen in de hand aantast, en ik -mijn leven alléén redden kan door den aanvaller te dooden en ik redde -mijn leven: heb ik mij zelven dan niet meer lief gehad dan genen?--Of -wordt er iemand onder ons gevonden, die zich zelven in het verderf -wil storten om een ander te helpen? die zich wil laten vermoorden, -opdat een ander het leven zal behouden?--En indien zoo iemand onder -ons werd gevonden, welk nut zou hij gesticht hebben door zich zelven -op te offeren, dewijl toch één van beiden verloren gaat? Daardoor -had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als zich -zelven, maar in tegendeel dat hij zich zelven minder lief had dan -genen! Zou hij op die wijze niet zondigen tegen den eersten pligt, -die ieder mensch is voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud? - -Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen der liefde -tot onze naasten opvolgen, maar de leer "onze naasten lief te hebben -als ons zelven" verwerpen, omdat het opvolgen van dit voorschrift eene -natuurlijke onmogelijkheid is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk -van elken kansel gepredikt, in alle Christelijke geschriften wordt -aanbevolen, maar die nog nimmer opgevolgd kon worden en ook nooit, -zoo min nu als in het vervolg, nagekomen zal worden,--slechts leiden -kan tot schijnheiligheid, huichelarij en valschheid.--Zijt waarachtig -en getrouw aan u zelven! - -De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van huichelarij is -de schijnheiligheid, welke iemand pleegt wanneer hij degenen, die -hem zien, wil diets maken, dat hij in het gebed tot God spreekt, -terwijl hij inderdaad aan niets hoegenaamd denkt of geheel andere -gedachten koestert dan hij voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden -is vervuld;--dit is eene soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij -de Christenen veel algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van -eenige andere godsdienst. De reden daarvan is: 1o. de zoo even genoemde -omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid -gevoelt (die zijn mond weigert te bekennen) om de eerste grondregelen -des Christendoms in het leven na te komen, zoo als: zijn naaste lief -te hebben als zich zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte -te vergeven, zich op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten -te dooden, zich zelven geheel en al te verloochenen, enz., en 2o. dat -de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig bidden, bidden, -bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering van tijdelijk en -eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter eene uitgemaakte -waarheid is, dat de mensch slechts zeer zelden zoo diep geroerd is, in -zulk eene heilige stemming verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot -God, en hij niettemin een half dozijn malen daags behoort te bidden, -vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts, -zet een onnoozel gezigt--en houdt zich als of hij bidt. - -Die een medebelijder is der natuurlijke godsdienst en zedeleer van -den regtzinnig geloovigen mensch, moet het werktuigelijk aframmelen -van vooraf geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en slechts dan -God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken aandrang daartoe -gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of menigwerf, elken dag, -elke week of slechts eens in de veertien dagen openbaart. - -De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en wenschen en -geen enkele onzer gebeden--ja, al baden wij op onze knieën drie weken -lang zonder ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,--is in staat -om te bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten, -waarnaar hij de wereld regeert. - -Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende daartoe de -aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den Eeuwige -opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt. Bezielt -hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook zal hij troost -in het gebed vinden. - -Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft geleerd en die -op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij voorbeeld, -bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten, een -dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht, -waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in -zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk, -huichelarij, het aannemen van een valschen schijn. Dit wordt eene -gewoonte en deze gewoonte spiegelt zich onwillekeurig in alle andere -verrigtingen der menschen af. - -Handelt naar behooren, leidt een deugdzaam leven, maar waant niet, -dat gij aan uwen pligt voldoet, indien gij menigwerf ter kerk gaat of -uren lang op uwe knieën gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke -uitspraken, kunt gij dan vrome menschen heeten, inderdaad echter -misschien zeer slechte menschen zijn. - -De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter kerk gaan, -het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de meest -gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks alléén, dewijl -zij weten, dat zij hunne ondeugden het zekerst achter schijnheiligheid -kunnen verbergen, en anderen dewijl zij werkelijk gelooven, dat zij -zich met God kunnen verzoenen, indien zij des zondags ter kerk gaan, -vurig bidden, belijden dat zij ellendige, diep gezonken schepselen -zijn, ja, van berouw vervuld zich ter aarde buigen, weeklagen en -"genade! genade! erbarming! voor mij armen verworpen zondaar" -roepen;--dan zijn hun (zoo wanen ze) de zonden, die zij in de -afgeloopene week hebben begaan, kwijt gescholden; zij hebben immers -"God gediend" en--zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne -medemenschen des te slechter dienen en hen op alle mogelijke wijze -bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden zondag door nieuwe -en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon van berouw en -herhaalde bekentenis, dat zij arme "onverbeterlijke" zondaars zijn, -op nieuw vergeving vinden. Deze zullen zich stellig niet verbeteren, -maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed scheppen -tot vernieuwde slechte daden. - -Niet met bidden--slechts door goed te handelen kan men God dienen. - -Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u heilig, gelijk de -eerbaarheid aan de jonge maagd. Ontheiligt het heilige niet, door -het aan ieders oog bloot te stellen. Bidt in eenzaamheid. - -Wij moeten aan de bestendige onveranderlijkheid der natuurwetten -gelooven en naar waarheid trachten. Deze waarheid moeten wij hoogachten -en beminnen. - -Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en dwaling -voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn, maar -elk toeval, 't welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen doen -ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de -dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar -te streven, om ons zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden -der natuur bekend en vertrouwd te maken. - -Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het geloof aan -goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan dergelijke -(hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende) gebeurtenissen, -die in strijd zijn met de natuurwetten. Er bestaat geene regtstreeksche -goddelijke ingeving of openbaring in het binnenste des menschen.--Het -is waar, somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong -wij niet verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons toeschijnt, -dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke, regtstreeksche bron -van kennis, zonder in eenig verband te staan met de omringende -natuur.--Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan zien wij, -dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het ware de -nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd door onze zinnen -ervaren hebben,--onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben -geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld -bevat van een nog levend of vóór langen tijd door den dood van deze -aarde gescheiden mensch.--Zeer zeldzaam echter kan iemand iets denken, -dat niet reeds andere menschen vóór hem hebben gedacht. - -Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke openbaring is -verderfelijk, dewijl het de kritiek van het gezond verstand uitsluit -en de zoogenaamde geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor -onfeilbaar worden gehouden.--Want gaat men uit van de mogelijkheid van -eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook toegegeven worden, -dat deze openbaring Gods in ieder mensch kan plaats hebben, dewijl wij -niet weten kunnen welken sterveling--hetzij bedelaar of koning--God -de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om zijne openbaring te -ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide gedaan worden: of -ieder moet op zijn woord worden geloofd, die voorgeeft goddelijke -openbaringen te hebben ontvangen, welke nu door hem als "Gods word" -worden verkondigd, aan wier heiligheid geen criticus de roekelooze -hand mag slaan; doet gij dat, dan heeft Joe Smith--de stichter van -de sekte der Heiligen van den jongsten dag (der Mormonen)--even goed -als Mohammed of ieder ander mensch, die later welligt zal optreden, -het regt om te zeggen: "ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan -mijne woorden;" en gij moogt er niet aan twijfelen;--of gij moet de -kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven openbaringen -van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid (als -Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen, -welke door den mond eens menschen verkondigd of door 's menschen hand -te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en gij -bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het gezond -verstand kunnen doorstaan.--Het is derhalve natuurlijk, dat dan ook -de bijbel op dergelijke wijze moet worden onderzocht en zulks doende -zult gij de overtuiging erlangen, dat de daarin vervatte leeringen -niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar ook openbare en zeer groote -dwalingen bevatten, waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet -kunnen zijn.--De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben -deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn -gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet -gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot -rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg -hiervan zou zijn, dat elke natuurkundige ontdekking, die deze proef -glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de mensch ooit waars en goeds -heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene goddelijke openbaring -zou genoemd moeten worden!--Waarheen voert u dit geloof! - -Zegt derhalve niet: "Jezus van Nazareth was het, aan wien God zich -heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen bijbel vervat -en dit is Gods woord;"--want daarop kan ieder te regt antwoorden: -"ook aan mij heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan -genen en aan duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden -om de openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te -verstaan. Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,--vooral -sedert uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan -niet meer iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche -leven kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden -en niemand meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der -schepping na te vorschen, de levende natuur te onderzoeken,--sedert -dien tijd heeft God den mensch zaken geopenbaard, waarvan in uwen -bijbel zelfs geen enkele letter wordt gevonden--zoo groot, zoo schoon, -zoo heerlijk!--en waarvan gij tot heden niets zoudt vernomen hebben, -indien er niet waarlijk godvruchtige mannen waren geweest, zoo als -Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus, -Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von -Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday, -Arago, Johannes Müller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder, -Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien -deze niet getracht hadden in het ware boek der openbaringen te lezen. - -De ontdekking van de ware beweging der planeten, der wetten van Kepler, -van de drukking der dampkringslucht door Torricelli,--de ontdekking -der undulatie-theorie van het licht, der waarschijnlijkheidsrekening, -van de wet der zwaartekracht, welke de beweging der hemelligchamen -aan vaste berekening onderwerpt,--de ontdekking der wet van Mariotte: -dat de digtheid der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op -drukt, of aan de zamenpersende kracht,--de ontdekking der elektrieke -hoedanigheid des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande -verband tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit -der electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand -tot het uitvinden der electrieke telegraphen,--de ontdekking der -nieuwe classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen, -der metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht, -van de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn -te brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus, -der polarisatie van het licht,--de ontdekking der theorie van de -opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken, -van de gemeenschappelijke basis (van het proteïne) der eiwitachtige -ligchamen,--de ontdekking der galvanoplastiek door Jacobi, even zeer -als de ontleding van het witte licht in zijne kleuren, de berekening -der loopbaan van kometen, de uitvinding der spiegelsextanten, of de -leer over de gisting en over de metamorphosen in de bewerktuigde natuur -in het algemeen,----al deze en andere gewigtige ontdekkingen moet gij -dan (naar de grondregelen van uw geloof) beschouwen als waarheden, -die God aan de opgenoemde mannen heeft geopenbaard,--even goed als gij -aanneemt, dat God de zedelijke wet: "gij zult uwen naaste liefhebben," -aan Jezus van Nazareth--of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes -openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte, -dat het onregtvaardig is te stelen en te dooden. - -Dan moet gij insgelijks de werken, waarin de vroeger genoemde -ontdekkingen zijn ter neder gesteld, bij voorbeeld, de Libri VI -de orbium coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie -natuurrijken, Blumenbach's werk de generis humani varietate nativa, -het Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt's Kosmos, de Mécanique -céleste van Laplace, Newton's philosophiae naturalis principia -mathematica en duizend andere voortreffelijke geschriften even zeer -als "Gods woord" beschouwen, als uw oud en nieuw testament--en dan -behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als -aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken -en behoort hen "apostelen, door God bezielde en verlichte profeten" -te noemen.--Er behoeft, waarlijk, geen engel uit den hemel te komen -om ons te leeren, dat een goede God in de schepping leeft, en dat -wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze medemenschen moeten -liefhebben om gelukkig te kunnen leven,--die wet staat diep in ons -gemoed gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg -werden erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk, -zuiver menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het -vooroordeel aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt -en met ijver er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping -te ontcijferen.--Aan die dwazen echter, die hun gezond verstand aan het -blind geloof ten offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren. - -Maar daar hoor ik eenigen van u zeggen: "God heeft zich niet aan een -mensch geopenbaard, volstrekt niet; hij heeft zijn zoon gezonden om -ons zijn woord, dat in den bijbel is vervat, te verkondigen en Jezus -Christus was geen mensch, neen, God!--Want de menschen waren slecht en -zondig geworden en hadden zich strafschuldig gemaakt; maar God erbarmde -zich over hen en teelde derhalve (4 of 6000 jaar na de schepping van -den mensch) een zoon, dien hij op de aarde zond. Door de kracht des -Heiligen Geestes verwekte hij hem in de onbevlekte maagd Maria. Hij -redde het menschelijk geslacht van zijn ondergang, want door zijn -onschuldig lijden en sterven droeg hij de straf weg, die de menschen -hadden moeten lijden. Hij bragt zich ten offer aan God en God was nu -verzoend en schonk den mensch genade en vergeving van zonde." - -Daarop antwoord ik u: 1o. Hoe kan dat gebeuren? God is eenig en -ondeelbaar, hoe kan hij een zoon hebben?--2o. God is alwetend; hoe was -het mogelijk, dat de menschen zondig werden en hij zulks niet vooraf -zag?--3o. God is almagtig en alwijs; hoe kon het geschieden, dat hij -de zonde toeliet en den mensch niet reeds van den aanvang af zoodanig -inrigtte, dat de zonde werd verhoed?--4o. God is regtvaardig; maar hoe -kan hij gezegd worden regtvaardig te zijn, indien hij al de millioenen -van menschen, die reeds vier of zes honderd eeuwen vroeger op aarde -geleefd hadden, uitsloot van de weldaden, die hij nu vóór 1854 jaren -den mensch door zijn zoon liet aanbieden?--5o. God is eeuwig dezelfde, -onveranderlijk getrouw en waarachtig; maar hoe kan dat mogelijk zijn, -indien hij 1854 jaren vóór heden andere maatregelen nam dan die, -welke hij gedurende duizenden van jaren te voren had genomen? indien -hij naar geheel verschillende plannen dan vroeger en geheel en al in -strijd met de wetten der natuur handelde, die hij zelf in het wezen -had geroepen?--6o. Welk regt meent gij dan toch wel te hebben om te -gelooven, dat Jezus van Nazareth een God was? Is zulks welligt op -grond hiervan, dat onder het Joodsche volk eene overlevering bestond, -dat vóór zoo of zoo veel jaren de leerlingen van Jezus het zoo verhaald -hadden en dewijl deze overlevering later te boek gesteld en nog later -"Nieuw Testament" genoemd werd? Worden dan in nog oudere schriftelijke -gedenkstukken der Hebreërs, zoo mede in die van vele andere volken niet -nog wonderbaarlijker verhalen gevonden. Moet dan alles worden geloofd, -hetgeen menschen hebben uitgedacht, al was het dan ook, dat zij door -vromen ijver waren bezield?--7o. Dewijl God almagtig en alwijs is: -hoe laat het zich dan verklaren, dat de buitengewone maatregelen, -die hij (naar uwe bewering) vóór 1854 jaren heeft genomen, zoo weinig -hebben geholpen, ja, het doel (waartoe zij, naar uw vermeenen, moesten -leiden) geheel en al hebben gemist? Of zoudt gij durven beweren, -dat de menschen gedurende de 18 1/2 eeuwen, die sedert dien tijd zijn -verloopen, gelukkiger waren dan vóór dien tijd? of dat zij tegenwoordig -minder zondigen dan destijds?--8o. Indien gij welligt mogt zeggen: "ja, -zij zondigen nog evenzeer als destijds, maar God is door het gebragte -offer verzoend en wij kunnen nu zalig worden," dan vraag ik u: hoe is -het toch mogelijk, dat gij u zulk een onheilig begrip kunt vormen van -den Eeuwige, den Onvergankelijke, om te gelooven, dat hij in staat -zij een bloedig offer aan te nemen, dat een aangeboden zoenoffer hem -kon bevredigen of omkoopen?--9o. Naar uwe leer heeft God de zoon het -bloedige offer,--namelijk, zich zelven--aan God den Vader aangeboden; -God de Vader heeft dit (--menschen- of goden-?--) offer aangenomen -en het zondig menschelijk geslacht is nu gered! En dewijl nu God -de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest slechts een God zijn -(naar uw geloof), heeft God zich zelven--aan zich zelven--om onzent -wille (die hij met zijnen alvoorzienenden, alwetenden en almagtigen -wil schiep) ten zoenoffer gegeven!--Ik vraag het u: Wat is dat? - -Deze vraag heb ik mijn gezond verstand gedaan en daarop een antwoord -gekregen, dat uit vijf letters bestaat, met eene o begint en eene -n eindigt. Ik zou echter zeer onbescheiden handelen, indien ik -dit antwoord alhier ter nederschreef, want ik zou daardoor als het -ware te verstaan geven van oordeel te zijn, dat zij, die dit lezen, -geen gezond verstand bezitten! Dit zij verre van mij. Ik houd mij in -tegendeel overtuigd, dat ieder, die dit leest, gezond verstand bezit, -hetwelk zoodanig op het mijne gelijkt, als het linker- op het regteroog -of de hersenen van den eenen mensch op die van den anderen. Ik wend -mij derhalve aan al die lezers, die deze vraag beantwoord wenschen te -zien, met het vriendelijk verzoek, haar aan hun eigen gezond verstand -te doen en ik houd mij overtuigd, dat van honderd lezers honderd een -antwoord zullen ontvangen, dat, eensluidend met het mijne, uit niet -meer en niet minder dan vijf letters bestaat, met eene o begint en met -eene n eindigt. Slechts in het geval dat er onder de honderd lezers -eenigen mogten gevonden worden, die hun gezond verstand geheel en al -ten offer hebben gebragt aan het blinde geloof, zou het mogelijk kunnen -zijn, dat het antwoord op de vraag verkregen bij hen uit drie letters -bestond, beginnende met eene z en eindigende met eene n. Ik neem de -vrijheid deze heeren met betamelijke bescheidenheid onder de aandacht -te brengen, dat de grootste schat, welken de Eeuwige den mensch heeft -geschonken, die hem boven alles dierbaar moet zijn, zijne redelijke -ziel, zijn gezond verstand is, dewijl hij alles, waardoor hij zich -boven het dier verheft, met inbegrip van zijn heilig geloof aan God, -uitsluitend aan zijn verstand te danken heeft. - -Tot zulke tegenstrijdigheden komt gij door aan te nemen, dat eene -menschwording Gods of eene regtstreeksche goddelijke openbaring in -den mensch tot de mogelijkheden behoort. Het is de EENIGE bron van -alle dwaling en bijgeloof, welke de Christelijke godsdienst aankleeft, -zoo mede van de vreesselijke misbruiken, die, in den loop der laatste -achttien honderd jaren, met wereldsche bedoelingen, zijn gemaakt van -de behoefte der menschen aan godsdienst. Niemand toch zou zich hebben -durven schuldig maken aan dergelijke misbruiken, indien hij zich niet -op de woorden des bijbels (die buitendien voor zeer verschillende -uitlegging vatbaar zijn), als op Gods woord, had kunnen beroepen; -nimmer zou hij echter den bijbel voor Gods woord hebben kunnen -uitgeven, indien hij niet het geloof aan de menschwording Gods of de -regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch als eene vaste en -algemeen erkende waarheid op den voorgrond had kunnen stellen.--Bewijst -hem nu, dat God zich op geene andere wijze aan den mensch openbaart -dan door zijne schepping, dan moet noodzakelijkerwijze, met het vroeger -genoemde bijgeloof, tevens al het misbruik verdwijnen en de bijbel van -dien oogenblik af ophouden meer te zijn dan het gebrekkige werk van -menschen, die voor dwalingen bloot staan. (In het voorafgaande ligt -echter niet de strekking om te beweren, dat niet zeer veel schoons, -goeds en voortreffelijks in den bijbel wordt gevonden.)--Blijft gij -echter vasthouden aan het bijgeloof, dan kunt gij, met den bijbel in -de hand, alles bewijzen, dat gij wilt;--dan staat de aarde stil;--de -dooden herrijzen;--goede en booze engelen zweven in het rond;--al, -dat wonderbaar en in strijd is met de natuur, wordt mogelijk;--gij -behoeft den bijbel slechts open te slaan om iets te vinden, dat voor -uw doel past,--om dezen als ketter te vervloeken of aan gindsch boek -een steen te binden en het, aldus bezwaard, in het diepste der wateren -te laten zinken; ja, kon het nog twee duizend jaren op denzelfden voet -voortgaan, zoo als thans het geval is, dan zoudt gij de woorden des -bijbels zoo lang ginds en herwaarts draaijen, verzetten, verklaren en -uitleggen, totdat--uwe Christelijke kerk in zoo vele sekten verdeeld is -als er menschen op aarde wonen of als er woorden in den bijbel staan! - -Dewijl er slechts eene waarheid zijn kan, vertoont uwe Christelijke -kerk, met hare honderden van verschillende sekten, wier aantal nog -dagelijks toeneemt, reeds naar het uitwendige--wanneer wij haar -uitsluitend van een praktisch standpunt, als geschiedkundig feit -beschouwen, gelijk zij daar staat,--het bewijs, dat zij niet in de -waarheid is.--Ga ik die kerk binnen: welk eene duffe lucht komt mij -te gemoet! alles is vermolmd en ondermijnd; de grondslagen zijn -weggebroken en de muren rusten op dunne planken, welke over deze -gaten zijn gelegd,--de planken zelven zijn echter ook reeds sedert -langen tijd vermolmd en het gansche gebouw moet onfeilbaar vroeger -of later instorten! - -De waarheid kan onmogelijk in tweeën worden verdeeld of anders worden -uitgelegd, dan zij werkelijk is. Zij is één en ondeelbaar en vertoont -zich gelijk zij is: als waar. De NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER -VAN DEN REGTZINNIG GELOOVIGEN MENSCH kan nooit meer dan eene kerk, -eene sekte vormen, en de zuilen des tempels, welken zij zal stichten, -zijn op een hechten grond gebouwd: de gansche schepping is haar -grondslag. Het binnenste dezes tempels is voor niemand gesloten, -het altaarblad verbergt geene mysteriën. Uit de met groene bloesems -gesierde natuur waaijen eeuwiglijk welriekende geuren den tempel -binnen, en zoo lang het vriendelijke licht van zon, maan en sterren -niet verbleekt, zal ook de waarheid in deze kerk niet ophouden te -schijnen. - -Gij echter, die aan openbaringen gelooft, gij bevindt u in een doolhof -met oneindig lange gangen, die zich in allerlei bogten uitstrekken -en elkander in de verschillendste rigtingen doorkruisen. Deze gangen -splitsen zich tot in het oneindige in nevengangen, en gij treedt ze -binnen en doorloopt ze dagen lang, nachten lang;--gij dwaalt er in -rond, zonder een uitweg te vinden, gij hebt geen kompas, waarnaar -gij uwe schreden kunt rigten;--hoe verder gij op deze bogtige paden -voortgaat, des te donkerder wordt het rondom u,--geen schijnsel van -verlichting dringt daarin door,--slechts dwaallichten flikkeren hier -en daar voor u op;--in plaats van opbeurenden troost maakt angst zich -meester van uwe ziel,--maar gij volgt het bedriegelijke spoor der -dwaallichten, gij begeeft u immer verder en--ten laatste staat gij aan -den rand eens afgronds, die zich voor uwe voeten opent--onpeilbaar -diep en somber;--uwe verhitte verbeeldingskracht ziet allerlei -bedriegelijke gestalten, die in den afgrond rondwaren, ja, op den -achtergrond ontwaart gij den rossen gloed van hel en vagevuur. - -Een letterlijk geloof aan de woorden des bijbels dwingt u niet alleen -aan te nemen, dat er vroeger wonderen zijn geschied, maar dat er in -de toekomst wonderen zullen plaats hebben, zoo als de ligchamelijke -opstanding der dooden. - -Volgens de natuurwet zijn alle bewerktuigde ligchamen onderhevig aan -eene voortdurende verandering, en ondergaat de materie, waaruit zij -bestaan, eene onophoudelijke omzetting.--De ligchamelijke stoffen, -welke door de levenskracht in drie- en viervoudige verbindingen worden -zaâmgehouden, scheiden zich na den dood des ligchaams spoedig vanéén, -de zuurstof der lucht oefent hare werking uit en andere, eenvoudiger -verbindingen worden gevormd. Het ligchaam gaat tot verrotting -over, er ontstaan luchtvormige, druipbaar-vloeibare en aardachtige -stoffen. Eenige dezer stoffen blijven voorloopig ter plaatse waar -het lijk verrot; zij bemesten den bodem, groeijen op als gras en -moeskruiden en worden door mensch en dier gegeten; anderen geraken -verstrooid, worden door water weggespoeld en kunnen door winden en -waterstroomingen in alle deelen der aarde, en van de noord- tot aan -de zuidpool geraken!--Eenige stofdeelen of moleculen van menschen, -die voor duizend jaren in Friesland zijn begraven geworden, vielen -welligt met den regen in lateren tijd in de Chinesche zee uit de lucht -neder; anderen kwamen door stroomingen of met schepen aan de kusten -van Amerika of naar Engeland;--zij werden door visschen opgeslokt, deze -visschen zwommen verder,--werden door Chinezen of Nieuw-Zeelanders of -door Franschen en Engelschen gevangen, opgegeten en kwamen op die wijze -in menschelijke ligchamen;--deze menschen stierven; gras wies op hunne -grafplaats; dieren aten dit gras, gaven melk en kaas;--menschen aten -deze kaas of het vleesch der dieren en stierven;--nieuw gras groeide -op, nieuwe dieren aten het gras en strekten aan andere menschen tot -spijs; deze stierven en andermaal groeide er gras of er verhieven -zich wouden boven de overblijfselen dezer dieren en menschen.--Het -hout dezer wouden werd deels tot den scheepsbouw gebezigd en eenige -der daaruit getimmerde schepen beploegden de zeeën van de zuidelijke -helft des aardbols; zij strandden op de koraalriffen van het eiland -Malicolo en leverden de stof, waaruit met pijl en boog gewapende -Polynesiërs ontstonden;--anderen voerden Sir John Franklin naar de -IJszee, waar hij met man en muis verging; deze schepen waren, even goed -als de anderen, ruim geproviandeerd met Hollandsche boter en kaas, -waarvan de officieren en het overige scheepsvolk hadden gegeten, -die nu door ijsbeeren en visschen, zoo als deze laatsten weder door -zeehonden verslonden werden, die op hunne beurt aan Eskimo's tot -voedsel strekten;--een ander gedeelte van het hout werd verbrand, -de asch werd gebezigd om den grond te bemesten, waarop weldra weder -nieuw gras en groentesoorten wiessen, die de stof hielpen leveren -tot verschillende na elkander opgroeijende geslachten van menschen -en dieren. - -Het is derhalve zeer wel mogelijk, dat eenige stofdeelen (of -der grondbestanddeelen of van hunne verbindingen d. i. atomen -of moleculen) van de menschelijke ligchamen, welke vóór duizend -jaren in Friesland zijn begraven, thans zich bevinden in Engeland -en behooren tot het ligchaam van een lid van het Parlement, die -lord Aberdeen interpelleert over het Turksche vraagstuk,--anderen -aan de kusten der Hudsonsstraat of van de Baffinsbaai ronddwalen -in de gedaante van Eskimo's, die zich aan robbenvet vergasten, of -thans rollen in de aderen van een Papoea op Nieuw-Guinea;--het is -mogelijk, dat anderen tot een mandarijn zijn geworden, die thans voor -Peking het zwaard in de hand houdt om de regten van zijnen keizer -te verdedigen;--anderen hebben welligt gedurende eenige geslachten -een stam van Noord-Amerikaansche wilden helpen vormen en zijn thans -in Californië, alwaar deze wilden zijn begraven geworden, tot hooge -boomen opgegroeid--en het kan wel waar zijn, dat nog andere moleculen -der stoffen, waaruit voor duizend jaren de oude Friezen bestonden, -zich thans bevinden in de tweede kamer der Staten-Generaal te 's Hage, -in het hoofd van een der volksvertegenwoordigers, die oppositie voert -tegen het ministerie,--of dat eenige dezer deelen, nadat zij reeds -door vele tientallen van andere menschelijke ligchamen zijn gegaan, -en achtereenvolgens aan eenige schoenmakers, kleêrmakers, doodgravers, -schouwspelers of dominé's hebben behoord,--nu kortelings weder door de -koeijen in de weide zijn opgegeten en op dezen oogenblik in den vorm -van boter en kaas of een rundergebraad op een van uwe tafels staan, -die morgen (wanneer gij die spijzen genuttigd hebt) in uwe aderen -rollen, overmorgen echter reeds wederom op een andere plaats zich -zullen bevinden. - -Gesteld, dat nu heden de "Jongste dag" ware aangebroken en de voor -duizend jaren begraven oude Friezen wederom moesten opstaan uit hunne -graven, welk een onbeschrijfelijk schouwspel van opstanding zou zich -dan aan uwe blikken voordoen!--Hoe zouden de ligchamelijke deelen (de -stoffen waaruit de Friezen vóór duizend jaar bestonden), die thans -allerwege op de aardoppervlakte verspreid zijn, zich moeten haasten -om--uit den arm van den mandarijn in China, uit Engeland, Malicolo, -van de kusten der Baffinsbaai, uit Nieuw-Guinea, Californië, uit de -tweede kamer der Staten-Generaal te 's Hage, uit de kaas of uit het -rundergebraad, die nog op uwe tafel staan, en uit duizend andere -ligchamen, uit gras, boomen, koeijen in de weide, visschen in het -water, menschen in de stad en op het platte land,--hoe zouden zij zich -haasten om zoo snel mogelijk naar Friesland te komen, hoe zouden zij -van verre en van nabij door de lucht vliegen, om nog te regter tijd -aan het oude graf te kunnen zijn!--Eenigen moeten slechts 5, anderen -30 en er zijn er die 3000 mijlen moeten afleggen,--maar alle deelen -en atomen (waterstof-, zuurstof-, stikstof-, phosphorus-, kalkaarde-, -ijzer- en andere atomen) allen reizen even snel,--geen atome kan -zelfs één enkel oogenblik op het andere wachten,--de kalkaarde -toch heeft den phosphorus noodig en de phosphorus verlangt naar de -zuurstof.--Atomen, haast u! haast u!--maakt onderweg geene kennis met -elkander, wanneer gij daar dooreen snort in de lucht,--verloochent -voor heden uwe verwantschap,--in Friesland! is uw rendez-vous,--daar -moogt gij u verbinden, maar houdt u nu niet op, elke seconde is -kostbaar,--draagt zorg, dat gij aan het graf komt!--Hoort gij het luide -"geschal der bazuin?"--spoedt u voort!--"de dag van het wereldgerigt -is aangebroken! de ure der opstanding heeft geslagen!"--Ziet hoe zij -ijlen, hoe zij vliegen, hoort hoe zij snorren!--zij komen!--daar zijn -zij!--Ja, het goddelijke magtwoord heeft uitgewerkt, dat zij allen, -allen te regter tijd aan het graf zijn bijéén gekomen, opdat--de -doode zou kunnen opstaan. - -Goed. De doode rijst op. Daar staat de Fries! - -Hoe zonderbaar dit alles ook moge toeschijnen, het is echter denkbaar -en zou derhalve mogelijk zijn voor de goddelijke almagt.--Maar wacht -eens! halt!--Wat moet er gebeuren met het lid van het parlement, -die lord Aberdeen interpelleerde? Wat moet er worden van den braven -John Franklin en van de Eskimo's,--van den ongelukkigen Lapeyrouse -en van zijne matrozen,--van de Papoea's, van den mandarijn in -China, van de Noord-Amerikaansche wilden, van het oppositie lid der -Staten-Generaal te 's Gravenhage,--van de schoenmakers, kleêrmakers, -professoren, doodgravers, schouwspelers, en bovenal wat moet er van -de dominé's worden? die zullen toch ook gaarne willen herrijzen en -hebben even billijke aanspraken op de goddelijke geregtigheid!--Hoe -moet daarmede nu gehandeld worden?--De ligchamelijke stof, waaruit -zij--ten deele--bestonden, is immers naar Friesland teruggekeerd, -en aldaar gebezigd geworden tot eene hernieuwde daarstelling van de -ligchamen der oude Friezen!--voor de menschen, die later uit deze -stof zijn gevormd geworden, is toch niets meer overig gebleven of -er ontbreekt althans iets aan!--deze hebben een arm, genen een been -te weinig, aan den één ontbreken 95 atomen stikstof, bij den anderen -1000 atomen waterstof, en aan het oppositie lid der Staten-Generaal te -'s Hage ontbreekt welligt het gansche hoofd!--Zonder hoofd kan men -toch niet uit den dood opstaan!--Neen, dat gaat niet. - -Dezelfde stof heeft toch achtereenvolgens, op verschillende tijden, -zeer vele ligchamen van menschen gevormd,--de materie loopt immers in -een eeuwigdurenden kring en gaat onophoudelijk van het onbewerktuigde -rijk in het bewerktuigde, in planten, dieren en menschen over en -keert uit deze weder in het onbewerktuigde rijk terug!--De stof neemt -nimmer toe, noch af, maar ondergaat eene voortdurende omzetting en -een en hetzelfde atome zal tot aan den "jongsten dag" welligt tot een -millioenen ligchamen of meer hebben behoord, welke het achtereenvolgens -hielp daarstellen! - - - Gemakkelijk laat het zich bevroeden, dat het -zelfs voor de goddelijke almagt volstrekt onmogelijk zou zijn, dat -millioen menschen in eens in hunne vroegere ligchamelijke gestalte te -voorschijn te doen komen, dewijl toch hetzelfde atome slechts aan een -hunner te gelijker tijd kan toebehooren en, zoo lang het aan dezen -eenen behoort, natuurlijkerwijze aan de overige 999999 ontbreken -moet!--Maar wat meer zegt, zelfs gedurende het leven bestaat het -bewerktuigde ligchaam geen twee dagen lang uit dezelfde stof, dewijl -het onophoudelijk nieuwe stofdeelen opneemt en de ouden uitwerpt.--De -gansche schepping van dieren en menschen, welke uit vele millioenen -van individuen kan bestaan hebben, en vóór 3000 jaren op de aarde -leefde,--vervolgens stierf en begraven werd, zij ligt thans niet meer -in de aarde, maar is reeds sedert lang opgestaan!--Dezelfde stof, -waaruit zij bestond, bevindt zich in dezen oogenblik misschien in -ons,--in de thans levende schepping van dieren en menschen,--nadat -zij intusschen gedurende de verloopene 3000 jaren door talrijke andere -levende geslachten is gegaan. - -"Het ligchaam zal tot stof wederkeeren, waaruit het genomen is;" -dat wil zeggen, de stof is, wel is waar, onvergankelijk,--maar -veranderlijk van gedaante; zij is onophoudelijk in beweging en de -stoffen scheiden zich vaneen of gaan nieuwe verbindingen aan zonder -ophouden. De geestelijke kracht, de ziel alleen, is onveranderlijk -en eeuwig. Wij behooren derhalve de ligchamelijke opstanding der -dooden als een schadelijk bijgeloof te verwerpen en slechts aan -een wonder te gelooven, dat is, aan HEM, dien wij aanbidden en niet -begrijpen, van wiens aanwezen echter wij zelven, zoo mede de gansche -schepping en de eeuwige onveranderlijke wetten, die haar beheerschen, -de getuigen zijn. Want God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw -en waarachtig. - - - -24. - -God is voortdurend werkzaam: wij moeten arbeidzaam en vlijtig zijn. - -In de natuur blijft niets, zelfs niet gedurende een enkelen oogenblik -onveranderd, staat niets gedurende een enkelen oogenblik stil; de -tijd gaat onophoudelijk voort.--Laat ons een nuttig gebruik maken -van de handbreedte tijds, welke de maat is van onzen levensduur en -verslapen wij dien niet. Wij moeten vlijtig zijn en, indien wij ons -doel willen bereiken, volhardend in vlijt. - -Wij zullen het genot der rust eerst dan leeren schatten, wanneer wij -vermoeid zijn van den arbeid. Wij moeten arbeiden, elk in zijn vak, -totdat wij vermoeid zijn. Wij moeten nimmer ledig gaan, indien wij -niet vermoeid zijn. - -God heeft ons geschapen, opdat wij op hem zouden gelijken en -leven. Indien wij langer slapen dan noodig is, indien wij zonder -vermoeid te zijn, ons op de rustbank nederleggen, dan handelen wij -ondankbaar jegens de weldadige bedoeling van God, wij verkorten -ons leven en leven dan slechts half. Lediggang is zonde. Wij moeten -vlijtig en arbeidzaam zijn, want God is voortdurend werkzaam. - - - -25. - -Wanneer wij bij het nadenken over het geschapene en zijn oorsprong -aan de grens zijn genaderd, alwaar ons begripsvermogen ophoudt, dan -verrijst de hoop voor onze blikken.--Uit de beschouwing der natuur en -van ons zelven zijn wij tot de erkentenis gekomen, dat een eeuwige, -verstandige geest in deze schepping leeft. Zijn wezen, zoo mede -onze bestemming en toekomst kunnen wij niet doorgronden. Maar uit de -verschijnselen en wetten der natuur hebben wij de hoedanigheden Gods -afgeleid, en hierin de voorschriften onzer godsdienst en zedeleer -gevonden.--Dit zijn de hemelsche sterren, die het aardsche leven -vriendelijk beschijnen. Bij deze helderblinkende sterren voegde -de Onvergankelijke nog eene zachte maan en hij gebood, dat haar -weldadig licht nimmer zou worden uitgedoofd in het gemoed van den -deugdzamen mensch: hoop is haar naam.--Nergens kunnen wij waarheid, -nergens duurzame bevrediging des harten vinden, dan in de beoefening -der natuur,--in de beschouwing harer ligchamen, harer stille, eeuwig -zich gelijk blijvende krachten; want hierin zien wij de sporen van den -Onvergankelijke, die zich weder in onze eigene ziel afspiegelen.--Wij -moeten het verhevene, het groote, dat zich in de natuur openbaart, -niet bespotten. God moet ons heilig zijn.--God is wijs, goed, -regtvaardig, onveranderlijk getrouw en werkzaam. Wij moeten er naar -streven dit insgelijks te zijn. Dit geloof moeten wij gedurende ons -gansche leven geen oogenblik laten varen; wij zullen er vertrouwen op -ons zelven uit putten en het zal ons sterken in de wederwaardigheden -onzes levens, ja, het zal ons troosten, wanneer wij twijfelen of aan -iets onbegrijpelijks komen. - -Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen, die zoo vol -landen, klippen en eilanden is, moet dit geloof zijn;--liefde moet de -kracht wezen, die onze zeilen doet zwellen; wijsheid behoort aan het -stuurrad te staan en--ons plegtanker, dat vóór aan den boeg hangt, -'t welk men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de -oneindige zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat, -dit moet zijn--de hoop. - - - -EPILOOG. - -Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne preek tegen -het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan openbaring. - -Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen gerangschikt mogen -worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is, begrijpen en met -mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de maatschappij, dat -het aantal diergenen groot moge zijn.--Trouwens, gij--heiligen van den -jongsten dag, gij, Groene, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat -tot over de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist -als de visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche -wereld uit water bestaat. En wanneer nu eens bij een geleerde onder -hen--onder de visschen--een duister voorgevoel opkomt, dat er welligt -ook lucht in de wereld is, dan verbeeldt hij zich toch, dat die eene -doodelijke gassoort moet zijn, waarin al dat leven heeft, onfeilbaar -moet verstikken!--En wie mag zich daarover verwonderen? Gij hoort, -ziet, ruikt, smaakt en gevoelt toch van uwe prille jeugd tot aan -uw zalig uiteinde niets anders dan Christelijke polsen, Christelijk -brood en wijn, Christelijken wierook of damp, Christelijke kerken en -Christelijke predikatiën,--gij schrijft Christelijke anthropologien, -draagt Christelijke brillen op uw neus,--de menschenliefde hebt -gij afgeschaft, 't moet Christenliefde heeten, "dampkringslucht" -is eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan -Christelijke lucht, gij drinkt echt Christelijk water en, moogt gij -ook somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des -te Christelijker,--gij laat u Christelijk begraven en vaart dan--op -naar den Christelijken hemel, die zich met de zon, de maan en alle -sterren dagelijks om de kleine aarde draait. - -Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een dergelijken bril -draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de visschen predikt: -"Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht, die men hier tusschen -de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is het heldere licht, het -licht der waarheid, dat hier boven schijnt!--Gij arme visschen, wilt -gij dan eeuwig in het troebele water blijven en u over den modderigen -bodem rondwentelen? of u zelfs laten visschen en vangen met den angel -Groen--angel geel of angel blaauw?--of van welke kleur zij mogen -zijn, deze takken van den boom met twee wortelen: a en b. Komt toch -boven en volgt mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u -visschen."--Hu! dat hebben de getrouwe geburen der visschen, namelijk, -de kikvorschen, die aan den kant zitten, gehoord en nu beginnen zij te -kwaken, allen te gelijk, met eene stem: "Visschen! Visschen! Wacht u -voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom; maar gij kunt immers -hooren? Gij kunt immers gelooven?--wel nu, gelooft hem niet! Hoort niet -naar hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind, -naar dezen bezetene!--Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft -ons kikvorschen: wij zeggen u de waarheid! het heldere licht daarboven -kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht moet gij verstikken, -geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs kunnen haar niet goed -verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer wij kwaken willen, -ademen wij die lucht eens even in. Dat weet gij immers wel.--Wij -blijven het liefst bij u in het moeras! Is dat dan niet volkomen -waar?--Daarvan kunt gij u met uwe eigene oogen overtuigen!"--en plomp, -plomp! daar springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar -schieten zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het -hart der visschen van vreugde bonst."--Dat zijn eerst overtuigende -bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door de gehoudene -predikatie en--zwemmen voort. - - - (Vervolg hierna.) - - - - - - - - -VERKLARING. - - -De mededeeler der "Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van -Java," heeft zijnen naam niet genoemd. Hij hoopt zelfs, dat zijn naam -nimmer bekend zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen -en dwalingen bestreden en daarentegen de goede zaak der waarheid en -verlichting verdedigd, welke hij door een persoon onder den verdichten -naam van Dag liet vertegenwoordigen. Het is eene groote en schoone -zaak. Duizenden--en deze niet de minst edelaardigen in den lande--zijn -in de stilte met geestdrift daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder -geschreven wordt, beteekent een individu. Een mensch is klein en zwak, -en ieder heeft zijne gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare -eigene verdedigster zal zijn, en het is niet uit onbescheidenheid, -dat hij zijnen naam verzwijgt. - -Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is naauwelijks het -honderdduizendste gedeelte zijn eigendom, en ook dit honderdduizendste -gedeelte slechts in zoo verre als hij een weinig heeft mede gearbeid -aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij zijne eigene -vijf zinnen niet ongebruikt heeft gelaten, om in het levende boek -der natuur te lezen en de schriftteekenen der schepping zoo getrouw -mogelijk te verklaren. Al het overige gedeelte des inhouds van dit -geschrift is het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben -geleverd tot verklaring van het boek der schepping, die allen hebben -medegewerkt om waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor -bijgeloof en dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een -bewijs van aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler -dezes zijnen naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van -personen op den titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld -te worden van die duizenden, welke sedert den tijd van Galilei en -Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter -een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der -namen van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de -mededeeler hen allen te zamen onder den naam van Dag, d. i. waarheid, -verlichting, welken hij op den titel stelde. De billijkheid vorderde -derhalve, dat hij zijn eigen naam verzweeg, dewijl hij hoogstens naar -de eer kan dingen één dier duizenden te zijn. - -Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten, zonder in eene -wederlegging der zaak zelve te treden, hunne aanvallen gerigt tegen den -schrijver,--hoezeer deze onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van -"verregaande domheid," anderen van "verregaande onbeschaamdheid;" zij -noemden zijn boek een "vuilaardig schotschrift;" zij gaven den lezer -den raad "er een steen aan te binden en het in den Eufraat te werpen;" -er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de schrijver "zijn -naam zou noemen" (--waarom?--) en anderen verheugden zich, dat hij -"zijn naam verzwegen had, dewijl zij dit als een bewijs beschouwden, -dat hij nog niet alle gevoel van schaamte had uitgeschud, maar -integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te verdedigen." - -Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog doen -verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder. Zij -namen het zelfs den uitgever kwalijk, dat hij een "dergelijk boek" -in het licht had gezonden en gaven hem duidelijk te verstaan, dat -hij wel zou doen het vervolg er van niet te leveren. - -Deze en andere beschuldigingen, welke den uitgever--geheel -onverdiend--werden te last gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest, -dat hij mij heeft verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven, -tenzij ik, door het stellen van mijnen naam voor het geschrift, -de verantwoordelijkheid daarvan op mij--op mij alleen--nam, onder -bijvoeging dat het gansche werk op mijne kosten werd uitgegeven. - -Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al overeenkomstig is met de -waarheid, dat de UITGEVER volkomen vreemd is aan den inhoud van het -geschrift, dat het op MIJNE kosten is uitgegeven en dat IK ALLEEN -verantwoordelijk ben voor den inhoud. - -Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet noemen, tenzij -ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. Gij, heeren recensenten, -kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft alleen bewerkt, dat -het boek een anderen uitgever heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt -u gaarne tot eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen, -de vrijheid van drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de -uitgave verhinderen van zulke geschriften, die u mishagen,--of, -indien dat niet gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des -schrijvers kennen. Velen onder u zouden zoo gaarne een persoon als -doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun -dan gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek -van de zaak af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen: "Hij heeft -den moed niet zijn naam te noemen." Ik verklaar, echter dat het -mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als een lafaard -beschouwen, dan dat de vrienden der zaak door broeder Dag verdedigd, -mij van onbescheidenheid kunnen beschuldigen. En daarenboven al -uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen! Het is -waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb -mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt: -innige, vaste, onwankelbare overtuiging!--Op dit pantser zullen al -uwe pijlen afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij -slechts in zoo verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt, -u de woorden toe te roepen, die gij Lukas XXIII vs. 34 lezen kunt. - -Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite niet, -het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers -te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te -bestrijden, waarom verzwijgt ook gij niet liever uwe namen?--Spreekt -toch niet van personen, maar blijft bij de zaak,-- --noemt u Nacht!--en -wederlegt (indien gij kunt) de leerstellingen van Dag. - - - S. ... Julij, 1854. Dag. - - - - - - - - - VERHALEN EN GESPREKKEN - UIT DE - BINNENLANDEN VAN JAVA. - -3. - - -Toen ik den volgenden morgen [12] ontwaakte en van mijne legerstede -opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder Nacht de hut reeds had -verlaten. Ik zocht hem overal in het dorp, maar nergens kon ik hem -vinden. Eindelijk kreeg ik hem in het oog; ik zag hem in de verte -op den top des Goenoeng-Soesoe, waar hij, in diep gepeins verzonken, -den oogenblik scheen af te wachten, waarop de zon boven den horizon zou -verrijzen. Later verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke -godsdienst meer had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de -gronden vroeger door mij tot staving mijner gevoelens aangevoerd. Mijne -zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij -verdedigd ter bestrijding van de "geopenbaarde godsdienst," wenschte -hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den huidigen -dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de hand en -ging toen mijn eigen weg. - -Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche priester mij te -gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne landslieden, in het -dorp aanwezig, slechts één enkele werd gevonden die Orang Natsarani, -dat wil zeggen, Christen of, woordelijk gesproken, Nazarenermensch -wilde worden. Mijne agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op -al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht, -dat ik hem mijn boek "Kitab" (eigenlijk heilig boek of bijbel) zou -leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te lezen en -vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne voldeed -ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het Maleisch -geschreven uittreksel af van het "Evangelie van den regtzinnig -geloovigen mensch," welks geest en strekking ik den vorigen avond -getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne vraag, wie dan -toch de nieuwe Orang el Meseh [13] was, verkreeg ik ten antwoord dat -het de bediende mijns broeders was, welke dien wensch had te kennen -gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat een spotachtige trek -zich op het gelaat van den Imam (priester) vertoonde, toen hij den -naam van "Lapiah" noemde, van den slimmen vogel, dien de lezer reeds -ten deele aan zijne vederen heeft leeren kennen. - -In mijn binnenste speet het mij, dat de goede kern van de zedeleer des -Hebreërs van Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen; -wat echter de handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde -ik mij in geenen deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa, -behalve de werkelijk goeden en de van harte geloovigen, [14] zeer -dikwerf ook dergelijke personen aan den Messias en aan de leer -"der verlossing van zonden door het bloedige offer van Gods zoon" -gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben bedreven, en grooten -lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke menschen brengen -hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort met zondigen), -zoomede dezulken die volstrekt geene behoefte aan godsdienst hebben, -zoodat het hun onverschillig is wat zij gelooven of uit eigenbaat -huichelen te gelooven. Indien echter een goede kern in Europa -geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen, -bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en -onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden -kon dan eenen Lapiah,--dan moet zij inderdaad wel zeer dik met stof -en dwalingen bedekt zijn!--Wat broeder Nacht hierover wel zal zeggen? - -Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij met twee -mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke wijze als -gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg begaf naar -een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten einde dien -te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en aan de -reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. Met -de beschrijving van mijn "dagelijkschen arbeid" wil ik echter den -lezer dezer bladen niet vermoeijen. - -Door en door warm van de brandende zonnestralen en druipnat van zweet, -kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in de gelegenheid om -de oude spreuk te bevestigen: "in het zweet uwes aanschijns zult gij -uw brood eten."--Zweet? Ja.--Brood? Ja, en nog iets beters dan dat: -lust tot den arbeid, levensgenot, menschenliefde, geluk en--een van -dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst was insgelijks -de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het distriktshoofd -hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij mijn broeder -had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander geslagen, -zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven in zijne -op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem daarvan wilde -ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, bragt die met -eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief uit den -omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde daarop -even plegtig als vroeger zijn "Sembah." Niet vóór ik den brief geopend -en hem gezegd had, dat alles goed was, stond hij op en verwijderde -hij zich in eene bukkende, onderdanige houding. De lezer zal wel -bevroeden dat deze eerbewijzingen niet mij, maar den brief golden, -die van een zijner hoofden kwam. - -Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in de nabij staande -hutten en vond hem in een er van in eene hevige woordenwisseling -met Lapiah, dien hij beval zich te verwijderen en welke mompelend -gehoorzaamde. Drie andere Javanen die zich in de hut bevonden, -zwegen nu insgelijks stil, dewijl zij bespeurden dat mijn broeder -toornig was. Uit eenige woorden die ik had opgevangen, als Isa el -Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het vermoeden dat zij over -onderwerpen, het geloof betreffende, hadden gesproken. Ik erlangde -hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders mond, die mij te kennen -gaf dat hij, in gevolge van zijn wensch en dien der dorpsbewoners, -dezen avond weder bestemd had tot het houden eener bijeenkomst en, -dewijl hij behoefte gevoelde om verscheidene punten nader toe te -lichten, hoopte hij dat deze afspraak mij niet ongelegen zou komen. - -Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval was, las ik -hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die met eene -zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer van den -volgenden inhoud was: "Vele groeten aan de Heeren Dag en Nacht van mij -Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden [15] Kapala tjoetak, enz. Het is -mij niet mogelijk Koeli's aan de Heeren te zenden buiten de grenzen -van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het grensdorp -Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe aankomst -aldaar tien Koeli's te verschaffen en u tot aan het volgende dorp te -vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn bevel verder -moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel duiden, indien ik u de -opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving moeten bekomen, -wanneer Orang Wolanda's in het binnenland reizen; ik heb echter nog -geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve het plan opgevat -onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten einde den regent -om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte van de wijze -waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen." Wij zagen nu duidelijk -in dat er voor ons niets anders overschoot, dan nogmaals een beroep -te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten einde door hunne -tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij gelegen distrikt -te kunnen bereiken. - -De Kalong's togen weder over onze hoofden naar het gebergte, -de paauwen vlogen al gillend door het dal en het insektengegons, -waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, werd allengs -meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in dezelfde hut -vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op den vloer -bijeen; ook de Imam zat met de beenen kruislings over elkander vóór -hen en wij hadden onze oude plaats in de nabijheid van den wand weder -ingenomen, waar de beide lampen een schemerachtig licht verspreidden. - -IMAM. Zeer geachte heeren! Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid -gehad ons, onwetende Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst, -waarvoor wij u bij deze onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven -dat gij het werkelijk goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is -almagtig, alomtegenwoordig, alwijs, algoed en volkomen regtvaardig; -dat alles is ons sedert lang bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar -streven moeten om Gode gelijk te worden, om deugdzaam te zijn en onze -medemenschen lief te hebben; ook dat weten wij sinds lang en dit staat -mede zeer schoon beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer Nacht -[16] gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden bestaat, een Vader, -een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op aarde moet gekomen -zijn om zich voor het menschdom op te offeren en allen, die in hem -gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den hemel te brengen; -dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou onregtvaardig gehandeld -zijn van den Albarmhartige, dewijl wij niet daaraan gelooven. Wij -gelooven veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet -of berouw koestert over zijne zonden, in den hemel komt, en dat de -Albarmhartige een Eenig groote God is. Mijne landslieden, hier om mij -verzameld, hebben mij den last opgedragen den zeer geëerden Heer Nacht -te verzoeken, het hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen -willen worden en niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen Lapiah, -de bediende van den Heer Nacht. - -LAPIAH. Neen; ik ook niet. Mijn Heer heeft mij gezegd dat elk Christen -zijne medechristenen even lief moet hebben, als zich zelven; dat -heeft hij echter niet willen doen. Mijn Heer rookt dagelijks twaalf -manilacigaren; ik ben ook een liefhebber er van en heb slechts twee -van de twaalf voor mij gevraagd, maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn -Heer is rijk genoeg en ik heb hem slechts om 5 gulden toelaag per -maand tot mijn loon verzocht, ten einde, na den afloop der reis, -mij nog eene vrouw te kunnen aanschaffen; maar op het hooren van dit -voorstel is mijn Heer boos geworden en heeft mij toegevoegd: maak je -weg, lummel! Jij behoeft geen Christen te worden. Wat helpt nu zulk -een fraaije leer, indien zij slechts in boeken te lezen staat en er -niet naar gehandeld wordt? Om die reden blijf ik liever hetgeen ik ben. - -NACHT. Luister eens Lapiah; gij zijt steeds vriendelijk door mij -behandeld geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet -zijt en het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of -gij u Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het -gebod "hebt uwe naasten lief gelijk u zelven", kan en mag niet uit -het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften heeft, -hetgeen zoo veel wil zeggen als: "iedereen lief te hebben naar de -mate waarop hij aanspraak heeft." Dat ik deze leer inderdaad navolg, -hiervan zal ik u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee -van mijne manilacigaren hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5 -gulden toelaag bekomen en behouden, zoo lang gij uwe vrouwen liefderijk -bejegent en u goed gedraagt. Maar--Christen zult gij niet worden, -dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten, -dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken, -slechts misbruik er van wilt maken. - -(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: "ongeveer gelijk -dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk algemeen, loffelijk -gebruik geworden is.") - -IMAM. Ik ben zeer beducht, achtingswaardige Heer! dat zulks met het -grootste gedeelte mijner landgenooten het geval zijn zou. Duidt -mij de aanmerking niet ten kwade, maar eene leer, die eerst moet -uitgelegd en verklaard worden, alvorens haar toe te kunnen passen, -kan geene volle, van God afkomstige waarheid zijn, zoo als trouwens -mijn Heer uw broeder Dag zelf reeds heeft gezegd. - -NACHT. Daar hebt gij het!--Ware deze heer Imam met zijn Koran en gij -met uw "Evangelie der natuur" er niet tusschen beide gekomen, dan -zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig schoon gevonden -en aangenomen hebben. - -DAG. Maar, beste broeder, hoe kunt gij u bedroeven over deze -tusschenkomst? Of zoudt gij durven beweren dat er eenige verdienste -in gelegen was, het Christendom in te voeren onder een volk dat -nog op den allereersten trap van zedelijke ontwikkeling staat, zoo -als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, wier oordeel weinig -geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe mate ontwikkeld -zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, zulke menschen te -overreden om het Christelijk geloof te omhelzen, die nog nimmer van -eene andere leer hebben gehoord, aan wie slechts deze eene leer--en -dat nog zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling--wordt -kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd geene sprake kan zijn van het -doen eener keuze tusschen deze en eene andere leer?--Wat verhinderde -dan deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te -verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op -hen uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten -tusschen ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat -kan hen daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen -moet gezocht worden in hunne overtuiging, in de overtuiging dat de -grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die zij begrepen, -werkelijk op de waarheid steunen?--En deze zoudt gij met voorbedacht -voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de hand en -fluisterde mij toe: "gij hebt gelijk; terstond zal ik mij nader -verklaren." Ik ging hierop voort.) Ik weet welke bewijsgronden door -orthodoxe predikanten, presidenten van zendelinggenootschappen en -dergelijken ter verdediging hunner Evangelische woelingen in vreemde -landen gewoonlijk worden gebezigd. Zij zeggen dat de invoering van -het Evangelie b. v. op de Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de -wildste menschen, ja, geheel ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen -heeft in de zachtaardigste lammeren!--Ik echter antwoord daarop: dat -heeft het Christelijke dogma niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling, -de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming -van menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs, -die zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor -oogen hadden,--deze moeten beschouwd worden als de oorzaken, welke -die verandering bij gindsche woeste volken hebben te weeg gebragt, en -deze verandering zou bij hen hebben plaats gegrepen, al hadden zij het -Christendom niet op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats van -deze, eene andere godsdienst, b. v. de Boedha- of de Mohammedaansche -godsdienst nog mede op de koop daarbij hadden ontvangen. - -IMAM. Hetgeen gij, waarde Heer Dag, ons voorgedragen en later op -schrift ter lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja, -wat meer is, wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden -mij verzocht hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te -verklaren. Ik ben in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit -G. hier heen gekomen om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het -besluit opgevat, om mij alhier neder te zetten en het Evangelie van -den regtzinnig geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te -dragen en daarin onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat -wij Isa el Meseh als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en -hierin stemt uw Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval -is, met ons wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden -wij nopens twee onderscheidene punten eenige nadere inlichting van -u wenschen te ontvangen. - -Het eerste punt is van den navolgenden aard. Wij Javanen hebben van -oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den doode, welke ons -in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De mogelijkheid daarvan -wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. Dit doet ons -leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der afgestorvenen, -de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom achten -en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en -gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien, -naar hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd -vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht -en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar -het werd begraven. Indien dat het geval ware, zouden wij het even goed -dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!--Zou echter zulk eene -ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige werking uitoefenen op -de levenden en eene wederkeerige onverschilligheid of liefdeloosheid -ten gevolge kunnen hebben? - -DAG. Er waren in der tijd vele volken, gelijk er nog heden ten dage -gevonden worden, die hunne dooden verbranden; ja, hier op Java zelf -bestond vroeger diezelfde gewoonte, alvorens met den Koran de leer -van de ligchamelijke opstanding uit den doode en de heilige eerbied -voor de graven alhier werd ingevoerd. Sommige volksstammen werpen -de lijken hunner afgestorvenen op bepaalde plaatsen neder, waar -zij door gieren en ander wild gedierte worden verslonden.--Verre -zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter navolging zou willen -aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij overeenkomstig de natuur -een lijk slechts zoo lang met eerbied en teedere belangstelling kunnen -behandelen, als het den menschelijken vorm nog bezit welke ons den -geliefden afgestorvene herinnert; zoodra echter de ontbinding aanvangt -dezen vorm te vernietigen en het lijk (dat nu geen mensch meer is) -in onaangenaam riekenden stof doet overgaan, moeten wij het ook als -onaangenaam riekende stof behandelen, begraven of verbranden. Eene -langduriger vereering van lijken en begraafplaatsen heeft reeds -menigwerf een verderfelijken invloed op de levenden uitgeoefend. De -akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, indien de begraafplaatsen -om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene plek, nadat zij gedurende -10 à 15 jaren onaangeroerd was gelaten, op nieuw tot bouwland werd -gebezigd.--In zijne werken, in zijne lessen is het dat de werkelijk -brave mensch op aarde blijft voortleven, en het beste, het meest -eervolle gedenkteeken dat wij hem kunnen stichten, zal steeds zijn de -dankbare herinnering aan hem die ons gemoed vervult, en deze kunnen -wij natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere -dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt, -hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam -in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te -haken of te verlangen. - -WEDUWE. Indien de Heeren het niet kwalijk nemen, wenschte ik -eenvoudige vrouw insgelijks een woordje te spreken. Te gelooven aan -eene ligchamelijke opstanding, dat is mij niet mogelijk, al stond -het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan mijn armen man niet -te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. De tijger heeft -hem echter opgevreten en verteerd!--Hoe is het nu mogelijk, dat -hij weder kan opstaan? Dan zou hij immers een tijger moeten worden, -dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger -dien wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds -weder van Rajap's en andere gewormte half verteerd! - -DAG. Zeer juist aangemerkt--en in den eeuwigen kringloop der -stoffen zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen -aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te -maken van dwaalbegrippen die ons lief en waard zijn geworden. Dat is -de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om onze kinderen -geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in tegendeel zoo -vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur naauwkeurig -bekend te maken.--Het gaat u met de opstanding der dooden ongeveer op -gelijke wijze als den Christenen met de goddelijkheid van Jezus. Zij -vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer al hare waarde verliezen -zal, indien aan haren stichter het praedikaat van goddelijkheid wordt -ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van zien, geheel ongegrond -is. Wat meer zegt, ik geloof dat zij daarbij noodzakelijker wijze -gewinnen moeten, indien hun wordt geleerd dat zij Jezus slechts -als mensch moeten eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij -de reinste deugd leerde en beoefende, dat hij eene alles ten offer -brengende menschenmin bezat en een God was, dan volgt hieruit dat zijne -hoedanigheden ons een onnavolgbaar voorbeeld moeten toeschijnen, dewijl -het een God niet moeijelijk vallen kon deugdzaam te zijn. Gelooven -wij daarentegen dat hij niets meer of niets minder was dan een mensch -gelijk wij, en niettegenstaande dat al die deugden beoefende,--moet -de overtuiging hiervan voor ons niet veel opwekkender zijn, dewijl -zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat wij, indien wij zulks -willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen zijn als hij -was?--Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid van hunnen Jezus -zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de opstanding der -dooden, indien gij niet langer gelooft aan iets, hetgeen gij elken -dag kunt zien, dat eene natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene -erbarmelijke inrigting zou het toch zijn, indien de natuur die zulk -een onuitputtelijken rijkdom aan nieuwe scheppingskracht bezit, oude, -voormalige individuele vormen weder te voorschijn moest brengen en -kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en verminkte menschen, -of misgeboorten die twee hoofden hadden, melaatschen, blinden, enz., -enz., allen, allen juist zoo als zij in hun leven waren, andermaal in -het aanzijn moest roepen?--Zoudt gij zoo iets kunnen wenschen? Wel nu, -dat zou ook geen redelijke wensch zijn. Ik raad u derhalve: onderwerpt -u aan de wetten der natuur, waarin de wil des Eeuwigen zich openbaart, -en houdt u overtuigd dat de dooden die gij hebt begraven, nimmer zullen -opstaan; bemint hen des te vuriger, zoo lang zij leven en gelooft -aan de onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in u is, en aan -de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den mensch, -welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet gaat. - -IMAM. Ik neem dit alles gaarne aan en zal met alle krachten er naar -streven, om uwe natuurlijke beschouwingen onder mijne landslieden -meer en meer ingang te doen vinden.--Ten opzigte van het eerste punt -hebt gij de goedheid gehad, mij de noodige opheldering te geven; -thans blijft nog een ander punt over, waaromtrent ik eene vraag tot -u wenschte te rigten. - -Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke menschen in -Negara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en datgene gelooven, -hetwelk de Heer Nacht ons gisteren uit het bijbelboek heeft -voorgelezen, hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen -kunnen. Zulk eene tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst -is niet geschikt voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de -Heer Nacht ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als het zien -van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of wanneer -wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) lijden.--Hetgeen gij -daarentegen, Heer Dag, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd, -kwam met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk -begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als waar.--Hoe -komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle blanke menschen, -die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten dan wij, aan de -Messiasleer van den Heer Nacht gelooven, en dat zij begrijpen kunnen -of troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk -is als eene bergopwaarts stroomende beek, in iets dat een indruk op -ons maakt als eene sombere, zware regenbui? - -DAG. Mijn goede Imam. De geleerde en ongeleerde bewoners van Holland -begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten verbeelden -zich slechts dat zij het gelooven, dewijl zij niet anders weten, dan -'t geen zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter -weten, wenden huichelachtig voor dat zij er aan gelooven. Deze beide -klassen maken de meerderheid uit der bevolking.--Maar buitendien -worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over hand toe, -die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen echter -niet openlijk voor hunne grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar, -te opregt en te braaf om te huichelen, maar----zij verbergen den -schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems; -zij houden hunne godsdienstige overtuiging geheim. - -IMAM. Hoe is dat mogelijk! Er is mij toch verhaald, dat in uw land -volkomen vrijheid van godsdienst bestaat en dat daar alle sekten, -Mohammedanen, Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen -gelijke regten genieten! - -DAG. Van staatswege, in gevolge de bepalingen van de grondwet: -ja. De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en -ik meen te mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal -beantwoorden. Stel, dat duizenden in stilte van geestdrift gloeijen -voor de natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een -tiental dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens eens -van naderbij.--De een van deze tien heeft een broeder, die dominé of -pastoor is. Een andere is een dominé's zoon. Deze vreest door den -invloed der geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien -hij laat zien dat hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst -koestert dan zij;--ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er -inderdaad zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar -hunne overtuiging zouden prediken, dan op den kansel komedie spelen; -maar--zij hebben eene vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun -gevoelen niet openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe -predikant neder te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte -"het kan zoo veel kwaad niet" en accommoderen zich naar de heerschende -begrippen.--Gene is een koopman, welligt een boekverkooper, wiens -winkel aan hem het eenige middel van bestaan oplevert en onder wiens -klanten vele priesters worden gevonden, die hij stellig zoude verliezen -en die hem daarenboven nog vele andere klanten zouden aftroonen, -indien hij het durft wagen openlijk eene andere leer te belijden -dan het orthodoxe geloof. Een vijfde, een zeer verlichte man, hoopt -op de nalatenschap van eene rijke, zeer bigotte dame (bij voorbeeld -van zijne schoonmoeder), die hem stellig zou onterven, indien hij -niet elken zondag ter kerk ging en met een uitgestreken, aandachtig -gelaat, met zaâmgevouwen handen naar den kansel zat te kijken, waar -de predikant met de armen in het rond zwaait en, als door geestdrift -vervoerd, van de heilige Drieëenheid, van Gods eenig geboren Zoon -en van de verlossing van de zonden spreekt. Een zesde heeft voor -dit alles, wel is waar, niet te duchten; het vermogen hetwelk hij -bezit, maakt hem onafhankelijk, maar--hij heeft vrouw en kinderen, -die hij toch naar de Christelijke kerken en scholen moet zenden, zoo -lang er nog geene kerken en scholen van zijn geloof worden gevonden; -hoewel volkomen overtuigd dat het Christelijke dogma eene dwaling -is, laat hij zijne kinderen niettemin in het Christendom onderrigt -geven, dewijl hij vermeent dat het hun welligt als een gangbare pas -op hunne reis door het leven zou kunnen dienstig zijn,--en een zevende -eindelijk die vermogend is en geene kinderen heeft, derhalve geheel en -al onafhankelijk mag geacht worden, is te zeer op gesteld om rustig en -gemakkelijk te leven; hij wenscht op een goeden voet te blijven met -degenen met wie hij in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en -verloochent om die reden zijne eigene betere overtuiging. Er blijven -dus van de tien nog slechts drie over die het nu en dan eens wagen, om -hunne denkbeelden met woorden te omkleeden en die gehoor geven aan een -krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de vijandschap -die zij zich van andersdenkenden op den hals laden.--Vijandschap? Wel -degelijk; want de takken van den boom met twee wortelen a en b, [17] -welke de uitbreiding der waarheid verhinderen en het ontluiken der -ware godsdienst en zedeleer onderdrukken, breiden zich heinde en verre -bij millioenen uit, door alle standen en klassen der maatschappij. De -orthodoxe priesters die, als openbaar erkende godsdienstleeraars, als -dienaren der heerschende kerk een aanmerkelijken invloed op het volk -uitoefenen, zijn onverpoosd werkzaam om de pogingen te verijdelen, -welke strekken ter verspreiding van meerdere verlichting; ja, zij -zouden de domheid en het blinde geloof gaarne tot in alle eeuwigheid -willen voortplanten, en waarom?--dewijl zij daarvan leven, dewijl -zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een boek--als -bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit--te zweren, waartoe -niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt vereischt. - -Nu zal het u, waarde Imam, wel duidelijk zijn, waarom de verlichten in -Holland die in rust en vrede willen leven, stilzwijgen moeten. Want -wagen zij het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan -hebben zij als het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare -giftige angelen bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het -harnas gejaagd. Zelfs over den boekhandel oefenen deze wespen een soort -van schrikbewind uit, de ijverigste pogingen in het werk stellende -om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers te fnuiken, -doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en kwellen, hem -haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen bedreigen en -vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een gevonden, -die het durft wagen--'t geen zelden gebeurt--een boek uit te geven, -waarvan de schrijver heeft gepoogd de waarheid in het licht te stellen, -dan weten gene priesters de verspreiding van het boek te beletten, -zoodat de groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de -leer der kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte -van den inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die -vrome mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr -op den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het "een -verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het -Christendom" te noemen en van den kansel de woorden uit te bazuinen: -"die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus Christus." - -Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in steden en op -het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken elken zondag -tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een paar keeren -'s weeks hun leerstuk van de Drieëenheid te verkondigen, over het -verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder en grootmoeder [18] -te prediken en bovenal het gemoed van het opkomende geslacht, van de -jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden, -opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet -slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar -insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken, -gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige -dwaling worden besprenkeld. - -Zoodanig aangekweekt, wordt de onzin meer en meer verspreid en -duizenden slaan er geloof aan. Het boek echter, hetwelk waarheid -bevatte, bij voorbeeld: Gedachten ten aanzien eener toekomstige, -meer algemeene Godsdienstige geloofsleer (Gebr. Diederichs te -Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: Belangrijke vragen -over de verrigtingen der Christen-Zendelingen (1851, bij denzelfden -uitgever in het licht verschenen), Algemeen protest van Christenen in -Nederland tegen eene nieuwe woordelijke vertaling van den ouden bijbel -(1853, bij F. Günst te Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem -welke daaruit spreekt, is als die des roependen in de woestijn en -het eenige middel om den triomf der waarheid te bespoedigen: - - - Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde - doeleinden, - Stichting eener nieuwe kerk en gemeente, - Oprigting van scholen, - Overeenkomstig den geest der natuurlijke godsdienst en zedeleer, - - -wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke gronden niet -ter hand genomen, of wordt hoogstens verwezenlijkt binnen de muren -van eene afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet -erkende Vrijmetselaarsloge. - -IMAM. Waarde Heer Dag. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de -Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche -maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren -boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk -door Rajap's (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige -betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van -de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd -hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel -doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de -eerste aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig, -beklemd gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste -Heer, wanneer ik er aan denk, dat men ons--arme Javanen--in zulk een -broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten. - -(De Imam wierp zich vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad -met opgeheven handen:) - -"Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean Allah! De wegen -die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden die Gij wilt -bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en Uwe -wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.--Maar hier liggen -wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed voor -U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk -eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche -godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani) -in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. O! groote Toean Allah, -albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij willen ernstig er naar -streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te vereeren. Amen!" - -De gansche vergadering herhaalde: "Amen!" - -NACHT. (Na eene korte tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig -zijt en bovenal aan u, geliefde broeder, ben ik eene opheldering -verschuldigd. Waar en openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil -u niet verbergen dat reeds eergisteren, toen ik u de hoofdregelen -van het orthodoxe Christelijke Evangelie voordroeg, mijn geloof aan -de waarheid dezer leer aanmerkelijk aan 't wankelen was gebragt -door de gronden, welke ik menigwerf uit den mond mijns broeders -had vernomen. Ik was echter nog niet volkomen overtuigd en wenschte -gaarne den indruk te kennen, welken de Christelijke geloofsleer op -u, Javanen! zou maken. Ik wenschte het oordeel te vernemen dat gij, -in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik -vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij -bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere -zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland -elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die -door geen talisman tegen de besmetting der dwalingen zijn beschut, -aan wie geene keus tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten, -zoo iets mogt immers (dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden -medegedeeld, en zulks te meer dewijl mijn broeder u reeds tegen -den daarop volgenden avond eene andere voordragt, namelijk, over de -natuurlijke godsdienst en zedeleer had toegezegd. Gij zoudt derhalve -de vrije beoordeeling, de keuze hebben tusschen twee zaken en hierdoor -bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte -tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van -welks waarheid ik zelf niet meer overtuigd was. - -Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van het Evangelie -van den regtzinnig geloovigen mensch gehoord en haar aangenomen. Maar -ook ik ben tot een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig, -dat ik de gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot -staving zijner leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke -dogma eene dwaling acht en het zuivere geloof aan God en de hieruit, -in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot rigtsnoer -mijns levens kies.--Indien honderd duizenden in de Europesche landen -genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot een afgod hebben -gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat ons daarentegen -met liefde en achting aan hem gedenken als aan een voortreffelijk -mensch, die reeds vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde: -"Hebt als broeders elkander lief!" - -Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de aanwezigen groote -vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat ik hem gaarne -in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid der Javanen -mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, driftige uiting -van onze aandoeningen en hartstogten wordt door hen als ongepast, ja, -min of meer als onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige, -kalme gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden -des levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen, -bij hen als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid -geldt.--Toen echter gevoelde ik meer dan ooit dat ware vriendschap -slechts daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat -niets in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt, -zoo vast zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze, -in zedelijke en godsdienstige overtuiging. - -Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen wij kort daarop -uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, namen wij den Imam die zeer -leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een -thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een -eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier -gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer -werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons -het Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden -te verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk -onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het -gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp, -welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die, -hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom -zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen! - - - -Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de reis te -aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur onzer -hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli's aangeboden; -zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den grond, -nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden hunne -Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren echter -nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in het -dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen -en een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen -slechts weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten -van Bamboes, het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid; -zij hielden zich als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet -wisten, dat wij Koeli's noodig hadden. De meesten hielden zich schuil -in hunne hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze -oproeping om, tegen betaling van 10 centen [19] per uur, benevens -eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het naastbij -gelegene grensdorp te brengen.--Daar kwam onze vriend, de Imam, aan -die ons zijn vriendelijken morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak -van onze verlegenheid had vernomen, scheen hij werkelijk boos op -zijne landslieden te worden. Aan zijne ontevredenheid gaf hij lucht -in de volgende bewoordingen, die hij met luider stemme tusschen de -hutten uitgalmde. - -IMAM. Schaamt gij u niet, de Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld -hebben, nu zonder hulp te laten zitten?--Foei! foei! hebt hij reeds -vergeten, hetgeen Toean Dag en ik u geleerd hebben, dat wij menschen -vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den -onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?--Kunt gij dan niet -zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd werkt en -dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen opgaan?--Hoort -gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen in het geboomte -rondklauteren?--Alles ontwaakt tot een nieuw leven, alles roert en -beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en slaperig in uwe hutten -blijven zitten?--Holla! hei! De hut uit! Hier moet gij zijn; pakt aan! - -Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige mannen uit de -hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende naderden; -glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij zich -nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan's (pakken) -over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der overige -Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit te -kunnen komen en deze tot de daad te doen overgaan. Mijn ongeduld nam -intusschen des te sneller toe, naar mate ik langer moest wachten; de -oostelijke hemel begon allengs helderder te worden en toen eindelijk -de eerste morgenstraal de dauwdruppelen aan 't geboomte deed fonkelen, -riep ik mijne bedienden toe: "Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat, -Ario, Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om -hier te blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan, -vlug, vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier, -maar wij moeten toch eten ook!--Heden slagten wij deze geit, morgen -eene andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij alles -opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! Al uwe kippen gaan de eene -na de andere denzelfden weg, ja, al de geiten, buffels, in één woord, -al dat leven ontvangen heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!" - -Dat had invloed.--Vlug als de wind snelden al degenen die in de hutten -waren, naar buiten; die voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid -en in een oogenblik was alles op de been. 't Was koddig om te zien hoe -zij zich haastten, niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging -zouden vervullen, neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid -beschouwden, als eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste, -opgeruimdste stemming bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij -Hollanders, met ons beiden, alles dat eetbaar in het dorp was, zouden -opeten, vonden zij regt vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander -toe: Lakas, lakas! Bekin ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé -ramé! (Vlug, vlug! Vrolijk aan 't werk! Oud en jong snelt de hutten -uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)--Nu hadden -wij niet alleen Koeli's genoeg, maar zelfs meer dan wij behoefden; -eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in Ramé ramé, -naast de dragers en het gansche dorp was op de been geraakt. Wij namen -nu een vrolijk afscheid van allen en drukten den Imam de hand; zelfs -verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en -een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan -(voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe. - -Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want wij zonden -de dragers met onze pakkaadje vooruit; wij volgden met de overige -jongens, waarvan de een een barometer in den arm droeg, terwijl de -andere onze geweren, eenige thermometers, een kleinen pijlcompas en -andere dergelijke werktuigen bij zich hadden, die wij tot het doen -van waarnemingen onder weg zouden behoeven. Welgemoed zetteden wij -onzen togt voort over de smalle paden, welke hier door het hoog -opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk ongebaand tusschen -het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure waren wij den -eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van Gnoerag -verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap doorwaad, -welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug volgt -en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren bergrug -op.--De zon steeg immer hooger en hooger aan den wolkenloozen hemel en -schoot hare brandende stralen allengs in eene meer loodregte rigting -op ons neder; de helling welke wij beklommen, werd allengs steiler -en onze Koeli's, die tot op den lendendoek geheel naakt waren en wie -'t zweet van het ligchaam gudste, stapten in gelijke mate langzamer -voort, naar gelang wij de nok naderden der bergketen, die wij nu -moesten overtrekken. Het eene kleedingstuk na het andere hadden -wij reeds uitgetrokken en, meer verslapt van de hitte, als het ware -dampende in den vuurgloed der atmospheer, waaraan geen luchttogtje, -hoe gering ook, eenige verfrissching schonk,--dan vermoeid van den -togt, kwamen wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan. - -Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens hoorden -wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het kleinste -insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich voor -den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde -in het loof van 't geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in -de Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit -eentoonige gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze, -dan geelachtig groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling -der bergketen lag het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien -afstand onduidelijk, weikleurig van tint door de troebele lucht -toeschenen. Want al liet zich geen wolkje aan den hemel bespeuren, -al was de dampkring zeer droog, toch bezat deze, op groote afstanden -genomen, slechts eene geringe mate van doorzigtigheid. Van de -gloeijend heete oppervlakte der aarde verhief zich voortdurend -een loodregt opstijgende luchtstroom, ten gevolge waarvan de zoom -van alle verwijderde voorwerpen waarop wij het oog vestigden,--de -oppervlakte der Alangzee, de rand der bergterrassen, de kroonen van het -geboomte,--in trillende beweging was. Behalve het pijnlijke gevoel der -hitte, de verstikkende gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer -uitgezette lucht veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag; -want het zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst, -verblindde ons de oogen.--Reikhalzend verlangende naar een koel togtje, -zetteden wij ons neder tusschen de Koeli's, die geheel buiten adem -tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar -in het 3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot -op 100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig -verkwikking worden gevonden. Wij kropen nu naar een klein boschje, -waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en met -welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen bevochtigden. - -Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger groeijende boomen -een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks hadden wij ons op -den grond nedergevleid, toen wij en al de Koeli's door opstijgende -rookmassa's en vlammen op de vlugt gejaagd en genoodzaakt werden, -zoo snel mogelijk onze goederen bijeen te pakken en bergafwaarts te -ijlen. Het vuur van het in brand gestokene Alangveld had zich aan het -woud medegedeeld. De Javanen hebben, namelijk, de gewoonte om gedurende -de droogste maanden des jaars (Augustus en September) het hooge gras, -waarin hier en daar 3 à 4 maal hoogere en eilandvormig groeijende -Glagah-groepen en vele min of meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid -voorkomen, op duizende van plaatsen aan te steken en te branden; -dit geschiedt eensdeels met het doel om de tijgers te verjagen, ten -andere om plaats te winnen tot het aanleggen van akkers, welke alsdan -met de asch van het verbrande hout en gras te gelijker tijd worden -bemest. Toen wij langs de berghelling afdaalden en naar den kant van -het dorp heensnelden, zagen wij verscheidene dergelijke afgebrande -plekken, welke de grijsachtig groene kleur van het grasveld plaatselijk -hadden vernietigd en uit het dal als zwarte, onregelmatige strooken -slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen waren reeds uitgedoofd; anderen -daarentegen brandden aan het hoogste gedeelte nog voort, alwaar dan -eene rookzuil, waardoor vlammen speelden, zich al kronkelend verhief. - -Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, welke somtijds -eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in vuur en vlam zettede, -was verdund, stroomden van de zijde van het dal de koudere en digtere -luchtmassa's toe en veroorzaakten daardoor, niettegenstaande de -algemeen heerschende windstilte, een plaatselijken storm welke -onmiddellijk volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het -vuur, dat wij met ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger -bergopwaarts zagen voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een -boschaadje in de rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het -met den storm steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende -vuur zich als een wervelwind op in,--binnen een oogwenk stond het -gansche bosch in lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo -brandbare, drooge Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk, -oorverdoovend loeijen en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend -was en waar boven zich dan nog van tijd tot tijd het gekraak deed -hooren van een neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van -een zwaren boom.--Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de -ooren toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord -te spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook -en vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een -draf achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst -dat een zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en -verzengen.--Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit tropische -tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, om -met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor -oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier -en daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen -liggen,--niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel schijnende, -hare brandende stralen uit het zenith op ons nederschoot! - -Kort vóór 2 ure kwamen wij in het dorp Oewoetagnis aan en installeerden -ons, zonder pligtplegingen te maken, in de voorgalerij van de -woning des Loerah, terwijl de Koeli's daar buiten, waar slechts -eenige schaduw was, zich nedervleiden of naar den Pantjòran gingen -om zich in het water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun -voorbeeld en nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst, -Pisang, Sambal en Dendeng, 't geen wij hier ter plaatse hadden bijeen -gekregen. Onze bedienden haalden de geldzakken [20] te voorschijn en -betaalden de Gnoerager Koeli's, terwijl de Loerah, luide brommende, -in het dorp rondliep om andere Koeli's op te sporen. Wij waren zeer -verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig Desa-Gnarak aan -de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde nog heden -naar Desa- [21]Roetab te gaan, een dorp dat ons om zijne aangename -ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen tot het houden -van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje hadden halt -gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze pakkaadje op de -schouders van tien versche Koeli's te zien laden die, met den Loerah -achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij, door nieuwsgierige -dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers zaten en lagen, -hunne cigaren rookende, in den Warong, [22] en hadden waarschijnlijk -geen plan om voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun -dorp te aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer -jongens, en het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten -offer brengen en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde, -doorwaadden wij de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen -aan de overzijde weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis -over bergen en dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de -zijde der zuider kust allengs afloopt.--Het verwijderde hooggebergte -dat noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht -gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter -brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen hemel. - - - -Nadat wij onzen marsch gedurende 1 1/2 uur hadden voortgezet, kwamen -wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen tegenover ons, -aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, allerliefst -tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven de Kokos- -en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange stengels her- en -derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een zachte zuidewind, -een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust bevonden, had zich -sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde eenigzins de hitte. De -verfrissching welke wij op die wijze ondervonden, deed ons goed, want -wij waren nu werkelijk vermoeid en zagen met een zeker huisselijk -verlangen naar de overzijde heen, naar de hutten van het dorpje, -die zoodanig tusschen het heldere, frissche groen van Pisangblaâren -verscholen lagen en zoo digt door het loof der vruchtboomen waren -omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden en Alangdaken ons ter -naauwernood hier en daar in het oog vielen. De blaauwachtige rook welke -dwarrelend uit de nok der daken oprees, verhoogde nog de uitlokkende -werking die de aanblik van dit tooneel bij ons veroorzaakte, want hij -verkondigde ons dat de tijd van het avondeten naderde, dat vuur aan den -gastvrijen haard brandde.--Wij spoorden derhalve de Koeli's aan om zich -zoo veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak; -want zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone -zorgeloosheid: "het dorp ligt immers in onze onmiddellijke nabijheid, -wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen." Zonderling, dat de Javanen -de despotieke bevelen hunner eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig -gehoorzamen, terwijl noch een verzoek, noch geld, noch goede woorden -van een Europeër in staat zijn, hen te bewegen tot het verrigten van -eenig vrijwillig dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een -vol uur op versche Koeli's moeten wachten; hier hadden wij andermaal -oponthoud en wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede -dragers na een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen. - -Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, daalden -langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en kwamen -tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal over -moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de waterstand -echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den overkant te -bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den snellen -stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne vaart als -schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli's met onze pakkaadje -hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad des Loerah, -gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, waarbij wij -nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden door het -nabij gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene streek aan, -waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend voet en -de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper was, -eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts in -de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder Nacht -en ik gaven de anderen een goed voorbeeld en de Koeli's volgden ons -de een na den anderen; reeds waren wij den eersten, kleineren arm al -wadende doorgegaan, hadden wij eene rolsteenbank (een eiland tusschen -twee armen van den vloed) bereikt en stonden wij gereed om den tweeden -arm te doorwaden, toen plotseling van den dalwand, langs welken de -achtersten van onzen togt nog af klommen, de kreet ons te gemoet klonk: -"Bandjer! Terug, terug! Redt u! Bandjer, Bandjer!!" - -Deze woorden oefenden op de Koeli's die achter ons aankwamen, eene -werking uit die aan tooverkracht grensde, want plotseling maakten -zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke zij op hoofd of -schouders droegen, meer door het water sprongen dan liepen; zonder -veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te denken,--want -ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de geschiedenis van Lot's -huisvrouw en van de zoutzuil naar de bijbelsche verdichting,--volgden -wij hen ijlend na, terwijl een vreesselijk, steeds nader komend -gebruis ons in de ooren dreunde. Wij hielden niet op, dan nadat wij -de dalhelling tot zoo ver hadden beklommen dat wij zekere hoogte -boven den oever hadden bereikt, waar wij schier ademloos op den grond -vielen en omzagen:--eene bruine massa welke zich berghoog verhief, -wentelde over den dalbodem naar beneden; verbrijzelde boomstammen -rezen hier en daar er uit op; rotsblokken werden met donderend -gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, meer vloeibare massa's welke -schuimend voorwaarts bruisten, stortten zich over dezen dam heen, -verbraken hem, verdeelden zich, breidden zich uit en--binnen weinige -minuten was de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden -gestaan om door te trekken, herschapen in een hol staand meer van -bruinachtig troebel water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en -spattend voortijlde, boomstammen en geheele uit den grond gerukte -boomen met zich voerde en dit met zulk eene kracht, dat de grootste -rotsblokken om hunne as wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger -hadden gestaan, in één oogenblik was vernield en weggestuwd,--het was -een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing -aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij -hadden ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het -schuimen en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en -het ratelen der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank -een enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar boven -slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden Oeroek -zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed geschokt, -beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want niemand -was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een Bandjer -'t geen wij voor oogen hadden, dat is eene verre buiten hare oevers -tredende beek, ten gevolge van den toevoer van water, ontstaan door -zwaren regen in het verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende -stortvloed was geboren die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij -op zijnen weg ontmoette. Waar de kloof smal en de wanden die haar -ter wederzijde insloten, steil waren, werd de voet dezer zijwanden -door de schuring der rotsblokken welke het water met zich voerde, -zoodanig uitgehold en weggespoeld, dat Oeroek's, dat wil zeggen aard- -en bergstortingen ontstonden; uitgestrekte gedeelten van het gebergte -met wouden en alles wat zich er op bevond, gleden op die wijze met -donderend geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen -de steeds toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg -voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar -wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk -eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door nieuwe, van het -gebergte afstroomende massa's nog voortdurend werd vergroot, al hooger -en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de gansche vlakke dalkom, -niettegenstaande deze eene breedte had van minstens 2000 voet, binnen -weinige oogenblikken in hare gansche uitgestrektheid met water was -bedekt en herschapen geworden in één enkel troebel meer van ongeveer -12 voet gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts -nog de toppen van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren. - -Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde van het dorpje, -gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, viel er nu toch -aan eene voortzetting van den togt op heden niet te denken, en zulks -te minder dewijl de zon reeds ten ondergang neigde. - -Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot legerplaats op, -pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen boomstammen -op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen kleine hutten -bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste takken die met -wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij een aantal -vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even broederlijk mede -van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt de Javaan een -togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van onzen wijn -gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen maaltijd hebben -gehad, indien de Bandjer ons niet geheel onverwacht aan een smakelijk -stuk gebraden rundvleesch had geholpen. Eenige Koeli's, namelijk, -die aan den oever stonden om visch te vangen welke door den Bandjer -was bedwelmd, bragten ons ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en -een Banteng (een wilde stier) op den oever gespoeld waren.--Dit was -werkelijk het geval. Met vereende krachten trokken wij den stier -op het drooge; het scheen dat hij eerst vóór korten tijd tusschen -verbrijzelde boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide -nog uit de versche wonden.--Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali), -een paar ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden -(welke bij het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn), -hadden wij steeds bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade, -want weldra hingen de beste stukken van den stier over het vuur te -braden, terwijl anderen met rijst in potten werden gekookt om ons eene -krachtige soep te leveren.--Wijders werd bepaald dat vijf Javanen, -benevens twee van onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden -en door anderen om de drie uren zouden worden afgelost. - -De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het houden van den -maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts zelden vernamen -wij nog het krijschend geluid van een over het dal vliegende paauw; -maar naauwelijks was het licht der laatste zonnestralen verbleekt, -toen overal in het gansche woud insektenkoren begonnen te gonzen en te -snorren. De Javasche spitsoorige honden der Koeli's die vroeger langs -den oever liepen rondsnuffelen, legden zich nu in de vertrouwelijke -nabijheid der menschen neder, als of zij wisten dat het des nachts -niet veilig was in het woud. Weldra ontwaarden wij niets meer dan -de zorgvuldig door de Javanen onderhoudene wachtvuren, welke een -roodachtig schijnsel op de omringende boomstammen wierpen en geen -geluid trof ons oor behalve het algemeen gegons der levende natuur, -dat met het bruisen van den verder en verder zich verwijderenden -stortvloed zamensmolt. - -Toen eindelijk nog alléén dit gebruis gedurende de nachtelijke -stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid onzer zintuigen tot -diep in het binnenste van ons gemoed was teruggekeerd, hetgeen ten -verhoogden prikkel aan ons denkvermogen strekte, werden wij als het -ware onwillekeurig heengeleid tot het bepeinzen van de oorzaken -der verschijnselen die zich voor onze blikken hadden ontwikkeld, -der krachten die wij daarbij in het spel hadden gezien en, het -geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene kracht tot -eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die op -hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had -(als gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen -des bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken, -waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de -allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan 20 -1/2 millioen mijlen van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest -gezocht worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het, -die hitte doet geboren worden welke het water dampvormig optrekt en -opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het zeer heet en -helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij de koelere -bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens of wolkbreuken -neêrstroomen;--dan bruist de waterdamp die dezen voormiddag nog -onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, als Bandjer door -de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet Oeroek's ontstaan, -verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare plaats gerukte aard- -en rotsmassa's in andere, lager gelegene oorden, in de nabijheid der -zee weder af, verbreedt de kusten, veroorzaakt derhalve aanmerkelijke -veranderingen in de gestalte der oppervlakte van den vasten bodem en -doodt daarbij eene menigte dieren, die door andere levende dieren en -menschen worden opgegeten en aan hen tot voedsel verstrekken;--ja, -heeft de zonnestraal, door de verslappende hitte welke hij deed -ontstaan, niet zelfs te weeg gebragt, dat onze Koeli's met langzamer -schreden voortgingen? en is hij niet daardoor de oorzaak geworden, -dat wij getuigen der omkeering zijn geweest, dat deze denkbeelden -thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden waarvan de eigenlijke -oorsprong, de wording, dus in de verre van ons verwijderde zon moet -gezocht worden?--Vloeit dit alles niet voort uit eene bron? En zou -nu dat zonne- of sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in -deze duizendvoudig aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen, -welke wij hier voor ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet -het gevolg zijn van--of te weeg gebragt worden door eene andere, -nog verder verwijderde, algemeenere oorzaak,--en zouden alle oorzaken -die aan onze in de diepte vorschende blikken oorspronkelijke oorzaken -toeschijnen, niet voortvloeijen uit eene eenige eerste bron welke voor -geene verdere ontleding vatbaar is?--Ongetwijfeld, ongetwijfeld;--zoo -verre het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van het -andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten -navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den -grond vermogen wij niet te peilen--en slechts in heiligen, vromen -eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste, -Eeuwige Oorzaak, waaruit alle oorzaken voortvloeijen, waaruit, gelijk -het licht uit de zon, stralen voortschieten die het oneindige heelal -bezielende en met leven vervullende, zich in millioenen en nogmaals -millioenen stralen verdeelen. - -Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit toen wij, -steeds dieper in ons eigen boezem tastende, zoo kort mogelijk -ineengedrongen in onze hangmatten lagen en den oogenblik afwachtten, -dat de slaap onze oogleden zou sluiten.--Duizenden van stemmen die ons -volkomen onbekend waren, klonken en snorden door het woud,--woeste -natuurkrachten waaraan geen weêrstand van onze zijde denkbaar was, -woedden om ons heen,--tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar, -slopen rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te -hebben was levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige -doel zijner natuurwetten,--wij gevoelden een hemel in onzen boezem -en rustig sliepen wij in. - -Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander schouwspel voor -oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste gedeelte van den -dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven dezen rand -zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. Liefelijk -blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. Alles -rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren -vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich -meer hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was -weggevloeid en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte, -bedekt met modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen -en takken, tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde -armen heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen -en maakten ons gereed om den togt voort te zetten.--De Javanen -maakten ons op een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom -ons bivouak en in de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was, -hoewel allen die wacht hadden gehouden, eenstemmig verzekerden, -dat zij niet het minste geruisch hadden vernomen. Slechts een paar -malen waren de honden bevende, met den staart tusschen de beenen, -digter bij hen gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons -bivouak aan de plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden -stier hadden laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was; -wij volgden het spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts -nog eenige beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne -huid, zijn kop en ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild -gedierte geknaagd.--De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden -doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand -en rolsteenen bedekt, en daarop lagen hier en daar doode herten, -vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het rond, welke -door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook deze waren -gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner roofgedierte, -die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden gehouden en door -de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan hunne uitwerpselen, -hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken hunner tanden. Bij het -doorwaden van den laatsten arm der beek vingen onze jongens nog eene -krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie voet, een zoogenaamden -Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken zij aan een touw bonden -en mede voortsleepten. - -Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te hebben voortgezet, -bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons gastvrij ontvingen -en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, hetgeen zij -bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, wilden ook zij -voor deze giften der gastvrijheid geene betaling aannemen, maar zagen -wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne daarentegen namen -zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen zeer smakelijk -wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli's te bekomen. De -meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en ons dezen -morgen welligt aan onze kleeding als Europeërs konden hebben herkend, -hadden zich uit de voeten gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts -vijf nieuwe dragers konden krijgen en gedwongen waren om vijf van -de Koeli's die wij gisteren hadden medegebragt, tegen wil en dank -bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige -rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen -uit en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een -extra geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren -smaak van het kruid bedwang eenigermate te verzoeten. Het eenige paard -dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van den Loerah, -eene kleine, magere rosinant, werd door Nacht in beslag genomen, -dewijl hij, aan het maken van voetreizen niet gewoon, zich gisteren -de voeten reeds had doorgeloopen. - - - -Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, tamelijk -vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs lager -daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van -elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem -beken schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden -hier en daar aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende -laagten en kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan -hoofdzakelijk woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige -gedeelte der oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende, -grijsachtig groene kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde -men slechts enkele verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de -golvende graszee voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche -streek eenigermate het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de -lilablaauwe Boengoerbloemen (Adambea glabra) of de groote gele bloemen -van den Sempoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen der -kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus russa) -dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen sprongen -zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon in het -binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus vittatus) -die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands blootgesteld -zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de plassen die, -nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden aangetroffen op -de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen zij dan uit den -weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar het andere, of -zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn blinkend gevederte -op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, hunnen maaltijd -hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, wies hier -en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger opschietende -soort, namelijk het Manjagras, aan welks omgebogene aren zeer groote, -peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 voet boven den -grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden zij eene opening -en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja geheeten, welke -op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne jongen tegen -de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de aanvallen -van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen draad -in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije gevogelte -(Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt heen.--Uit -het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van tortelduiven te -gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai van een wilden -haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der grasetende dieren is -verbonden, werden in deze streek niet gemist, waar zulk een grooter -aantal herten en Kidang's (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen -wordt aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd -tot tijd gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die -zoo groot en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk -mijn broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne -leden weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het -dier had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen -was. Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en -verraden des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet, -al gaat men digt langs hunne schuilplaats heen. - -Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het middaguur een -hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, verkwikten wij -ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene vruchten van -het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij kaauwden, en die -op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze gemakkelijk -konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer boompjes -opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog en den -helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een allerliefelijkst -gezigt opleverde.--Van lieverlede veranderde het tooneel dat wij om -ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de kust naderbij -kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs zeldzamer en de -zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet waarnemen, -voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra zagen -wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen, -tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande -stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op -eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras -bedekten bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter regter- -en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, als -een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene -bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of Gebangpalmen -(Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge bladeren waarin de -wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over elkander heen en -weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er beneden door het hooge -gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die gelegenheid groote -jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen der palmboomen -zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die vogels -zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud vlogen.--Wij -daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange strook [23] met -waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de kust, maar namen onzen -koers in eene schuine rigting naar het westen, alwaar eene iets hooger -rijzende landstreek of vlakke bergrug in den vorm eener kaap (Oedjoeng) -ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid van vogelnestholen, het -dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons eerstvolgend nachtkwartier -bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend geboomte bestaande woud hetwelk -dit gedeelte des lands tot aan den uitersten rand der kust onder zijne -schaduwen dekte, vormde een scherp kontrast met de dorre Alangvelden -waarop geen lommer was te vinden, en met de waaijerpalmen welke zich -aan deze zijde er van uitbreidden; reeds in de verte duidde zulks, -door de geheel verschillende physiognomie der bewerktuigde natuur, -eene zeer verschillende hoedanigheid des bodems aan. - -Welligt is niets geschikter om den reiziger aanschouwelijk te maken, -welk een harmonische band al het geschapene verbindt, dan een togt -uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van een tropisch land, -over zandsteenterrassen en andere neptunische bergsoorten, afdalende -naar de kust. Het verschil in hoogte des lands boven den spiegel der -zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg (een anderen gemiddelden -warmtegraad), en de oorspronkelijk verschillende bestanddeelen waaruit -de bodem bestaat, voor elken verschillenden trap van opheffing--van elk -verschillend klimaat--andere levende vormen. Andere planten: andere -dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde (kwarts) -houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die vol -reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur en -ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde -aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen, -trachietribben);--ginds schaduwrijke vijgen- en honderd andere -hooge boomen, met wier vruchten tallooze scharen vogelen, apen, en -eekhoorntjes zich voeden, die door wilde katten worden nagejaagd;--hier -overvloed van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens -zwijnen die van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen -van het Alang alanggras leven en--tijgers aan wie de zwijnen ten prooi -verstrekken en--paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden, -maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der -dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op -wormen, maar vooral op ingewandswormen.--Wij zien derhalve, dat eene -eerste oorzaak--het oorspronkelijke delfstoffelijke en scheikundige -zamenstel der rotskorst, de meerdere of mindere verheffing er van -boven den spiegel der zee--duizend anderen te weeg brengt die, als -aardsoort (verweringsaarde), klimaat (hoogere of lagere warmtegraad), -Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van ééne -keten, waarvan niet kan worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe -gering zij oogenschijnlijk moge zijn, als b. v. een ingewandsworm, -[24] nutteloos of van gewigt ontbloot is. - -Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen bezit van -het kleine, ledigstaande Bamboeshuisje--Pasanggrahan,--dat op een -geringen afstand van het dorp, meer naar de zijde der kust heen was -gebouwd. Achter ons klotste de branding der zee en rondom ons verhieven -schaduwrijke vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf -van het naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij -dankten de Koeli's af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog -eene extra belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad -en een kop koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener) -der vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de -bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven -wij ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden, -zagen wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei -slag en grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen -eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze na zich sleepten. - -Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een weg door -het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en de -struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan -een rand, alwaar--digt vóór ons--de bodem met een steilen wand van -eenige honderd voet hoogte plotseling in zee afdaalde. Het tooneel -dat zich hier voor onze blikken opende, mogt indrukwekkend worden -geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, spiegelende vlakte der -zee welke schijnbaar stil was, tot in een oneindig verschiet zich vóór -ons uit. Maar diep beneden ons beukten de hooge, elkander rusteloos -opvolgende baren met zulk een donderend geweld tegen den kustmuur, -dat de rots waarop wij stonden en van waar wij dit schouwspel gade -sloegen, er van daverde. Naar het westen heen volgden onze blikken de -rigting der kust, en hier zagen wij de branding welke tegen het strand -sloeg, eene lijn vormen zoo wit als sneeuw, die zich tot op een voor -het oog onafzienbaren afstand uitstrekte, als grens tusschen land en -zee. Boven deze gansche kust zweefde een eigenaardige, fijne nevel -of damp, blijkbaar gevormd uit het fijn verdeelde stof van het tot -schuim geslagen zeewater, dewijl zelfs de tropische middagzon deze -nevellaag niet kon oplossen. Alle verwijderde deelen van het strand -deden zich door dezen geheel onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp -of stof slechts schemerachtig, onduidelijk aan het oog voor, als -zagen wij ze door een dun floers. Van het bovenste gedeelte van den -kustmuur blikte op dit witte schuim der woedende zee het groen van het -ons omringende woud, dat niet slechts over den rand reikte, maar er -verre beneden hing, als ware de ruimte van het drooge land te gering -voor zijn weligen wasdom;--ja, aan de steile wanden zelfs wortelden -nog velerlei struiken en Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen -hunne vruchten die de grootte hebben van een menschenhoofd, door hun -helder vermiljoenrood in ons oog blonken. - -Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand heenbogen, konden -wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, boven het ziedende -en schuimende water, den ingang van het hol bespeuren, in hetwelk de -kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo esculenta) hare eetbare nesten -bouwen. Elke oprijzende baar sloeg bulderend in het hol, en dan stond -het water hooger dan zijn ingang die voor het oog bedekt was;--maar -eenige oogenblikken later werd door de tegendrukking der lucht, in -het hol aanwezig, die op eene veel geringere ruimte was zaâmgeperst, -de baar met geweld weder er uitgeblazen, eene zuil van waterstof -werd dan horizontaal en sissend over de branding heengespoten en -men kon de zwermen der kleine zwaluwen zien, die juist het regte -tijdstip tusschen het terugtrekken en het weder strandwaarts rollen -eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het hol te vliegen, terwijl -anderen het in denzelfden oogenblik verlieten.--Lang boeide ons dit -bewonderenswaardige schouwspel, maar wij benijdden het lot niet der -vogelnestplukkers uit Gnarak, die driemalen 's jaars langs ladders -hier naar beneden klimmen, ten einde--bij zeer stille zee--in het -hol te klouteren en de (door Chinezen duur betaalde) vogelnesten -van de rotsen af te plukken. Het meerendeel wordt gevonden aan het -gewelf van het hol, dat veel hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo -vervolgt de mensch deze vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de -roofzucht van elk dier beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen -vijand zich in zekerheid bevinden. - -Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde brengen -van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, menig -schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad der lucht was in -onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° Fahr. verminderd, maar -scheen niet lager te willen dalen. Deze aanmerkelijk hooge warmtegraad -welke hier jaar uit jaar in bijna zonder afwisseling heerscht, die -daarenboven gepaard gaat met eene groote mate van vochtigheid des -dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem welke deze streek -bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en dierenrijk ten -gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat zich daar van -ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij onzen blik -lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in het kleinste -reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette men de -menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.--De kamer die wij tot -ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat te betrekken, -dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote kikvorschen -(Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens terugkeerden om ons het -bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen zeer behendig tegen den -vier voet hoogen ladder op en de deur van den Pasanggrahan in, die -zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het hoogste gedeelte van -onze woning klonk ons het gepiep in het oor van vledermuizen (Lalaï) -die daar ter plaatse, waar zij den dag in rust doorbrengen, bij wijze -van groote zwarte klompen aan de nok van het dak hingen. Langs de -wanden en aan de zoldering (alleen het middenvertrek van het huisje -was hiervan voorzien) liepen tientallen van Tjitjak's (Hemidactylus -fraenatus, kleine grijsachtige hagedissen) in het rond, allerliefste -diertjes die ons door hunne behendigheid buitengewoon vermaakten; -zij waren, namelijk, druk bezig met het vangen van vliegen en muggen, -die ons voortdurend al gonzende langs de ooren vlogen. In de reten der -wanden huisden schorpioenen (Buthus cyaneus), waarvan onze jongens er -verscheidenen vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en -de evenmin geluidgevende, nuttige Tjitjak's, waren voor ons de Toké's -(Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen ongeveer ter lengte -van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte huid ons afschuw -inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in de woning met -luider stem en riepen ons, telkens een tiental keeren achtereen, hun -"gek-koh, ghék-koo"--allengs op meer slependen toon en somtijds op drie -verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen niet -zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen zien. - -Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde gebragt, zetteden -wij ons op het kleine Aloen aloenplein [25] van het naburige dorpje dat -slechts door eene groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden, -in de verkwikkende schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de -stille beschouwing van het omringende tooneel. Onze jongens hadden -onder den Weringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst; -sommigen hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij -vertrouwelijk met de kinderen uit het dorp speelden of zich met -hun gesnap vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter -gebleven. Aan alle zijden was de kleine opene plek van nabij door -het omringende woud ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het -plein bestond dit woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier -stammen de bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog -vielen. Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke -zich op vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven, -zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen (Garcinia Mangostana) -of der Mangifera indica met hare goud-gele appelen;--ginds stond een -Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) welks takken onder den last der -roodachtige vruchten zoo zeer waren gebogen, dat zij tot aan het dak -van het nabij zijnde huis afwaarts hingen; hier zag men de vruchten -van een Nangkaboom (Artocarpus integrifolia) welke de grootte van eene -pompoen bereiken, of de groote getande bladeren van een broodvruchtboom -(A. incisa) en op eene andere plaats breidde de Wol- of Kapokboom -(Gossampinus alba) zijne horizontale takken uit. Nog vele tientallen -van andere kultuurboomen stonden hier tusschen de reeds genoemden -en vormden met hunne gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van -het dorp, waarboven de regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos- -en Pinangpalmen met de bladerenpluimen welke den top er van sierden, -zich verhieven. Hoog boven het loofdak ruischte de wind in de toppen -dezer palmen, die nog in de heldere zonnestralen blonken, toen de -schaduwen der loofboomen zich reeds over het gansche Aloen aloenplein -hadden verbreid. - -Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine rijstpakhuizen -(Loembong) welke er nevens stonden, strekten de vruchtboomen van het -dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het oorspronkelijke -woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, dat geene -grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp -van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van -meer dan 50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en -vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den -rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjempaka- en Manglitboomen -(Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), benevens Kiaraboomen -(Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed van omvang zijn, -kwamen het menigvuldigst in deze streek voor, waar tusschen echter -insgelijks vele Myrtaceën en Rubiaceën werden gevonden. Enkele -Karet- of Kolelètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap, -blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het -bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak -der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen -aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen, -Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de -takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid -van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de Pisang's -en andere zoete vruchten--en groot was het tal van verschillende -soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond zwierden, of -hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne stemmen of -hun pikken verrieden.--Zoo zaten wij daar verdiept in de beschouwing -dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte in onze ziel -deed ontwaken. - -DAG. Zijt gij met mij niet van gevoelen, broeder, dat het karakter -van een volk, zijne zeden, gewoonten en gebruiken voor het grootste -gedeelte afhankelijk zijn van het eigenaardige karakter der natuur -waarin de mensch leeft,--van het uitwendige dat invloed op zijne -zinnen uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante -der planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van -den bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte -der dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de -hem omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die -hij voor zijne blikken ziet plaats grijpen? - -NACHT. Ongetwijfeld geloof ik dat de uitwendige natuur een krachtigen -invloed uitoefent op het gemoed des menschen en dat, indien de indruk -door de natuur te weeg gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van -'s menschen jeugd af tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene -uitwerking op hem kan hebben, die zich in bepaalde gewoonten en -karaktertrekken openbaart. Kon een jong Javaasch kind in het land -der Samojeden of der Eskimo's opgroeijen, dan zou het een Eskimo -van karakter worden,--of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo -in de Javasche natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit -worden. Aan de andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke -de buitenwereld op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan -aanmerkelijk kan zijn, in geval dat volk nog op den eersten trap -van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot -een hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur -verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een -dergelijk volk toch bekleedt de opvoeding der jeugd eene gewigtige -plaats; zij vormt als het ware een scheidsmuur tusschen den mensch -en de natuur, welke echter bij een minder ontwikkeld volk niet in -die mate voorhanden is. - -DAG. In zeker opzigt ben ik dat volkomen met u eens. Een beroemde -Duitsche dichter zegt niettemin: "Niemand wandelt ongestraft onder -palmboomen en gewisselijk veranderen de zeden in een land, waar -olifanten en tijgers inheemsch zijn."--Er bestaan weinige voorbeelden -van beschaafde volken, die zich blijvend "onder de palmboomen," hebben -neêrgezet. Wij Hollanders laten onze kinderen in Europa opvoeden en -zijn geene eigenlijke kolonisten op Java. - -NACHT. Welligt zweefden aan Göthe, toen hij deze woorden ter neder -schreef, de volken van Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk -niet mogen geacht worden een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze, -dat de meer ontwikkelde mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem -omringende natuur. - -DAG. Voor den oogenblik de zedelijke zelfstandigheid van den -ontwikkelden mensch in alle klimaten in het midden latende, meen -ik toch te mogen gelooven dat de buitenwereld insgelijks op hem een -aanmerkelijken invloed uitoefent, en dat het karakter van den mensch -die op een lageren trap van ontwikkeling staat, grootendeels afhangt -van de natuur welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk -te achten, dat een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst -de natuur waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner studie -make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het -onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen, -zijne zeden en gewoonten te verstaan en te begrijpen, zonder eene -voorafgaande kennis der natuur, der landstreek waarin dat volk woont, -en der indrukken welke van der jeugd af invloed op den mensch hebben -uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig gene oorspronkelijk -zijn. - -Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs op der -tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de meeste -hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars van -het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven -(Manoek gegoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn kanarievogel -of het gezang der nachtegalen.--De avond viel. Slechts nog enkele -Badjing's (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag men hier en daar tegen -de boomstammen opklauteren en de laatste straal der zon verdween van -de toppen der palmboomen. De Kalong's daarentegen die ginds aan een -grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, begonnen zich te bewegen en -vlugten kleine groene papegaaijen (Psittacus vernalis) naderden en -gierden, onder een ontzaggelijk gekrijsch, rondom de takken van een -hoogen Baloengdangboom (Stravadium excelsum), welke ter linkerzijde -van ons stond. Zij zetteden zich op de takken neder, snelden weder weg, -kwamen op nieuw terug, vlogen rondom den boom, waren onophoudelijk in -beweging en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het -doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene -onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier, -waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde -rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich -in groote zwermen nedergezet in den Weringinboom, waarnevens wij -gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven -zich ter rust.--Nu echter vingen de Kalong's hunne nachtelijke -togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen -onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote, -zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen -zij bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare -vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden -(Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer -van eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de -achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan, -wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte -te verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken -morgen keeren zij naar dezen boom, hunne dagelijksche rustplaats -terug en laten zich blakeren door den vollen gloed der zonnestralen, -die van den vroegen morgen tot den laten avond op hun schraal met haar -bezet ligchaam branden. Geen enkel blaadje schenkt hun de geringste -schaduw. Hunne uitwerpselen deelen, namelijk, langzamerhand zulk een -overvloed van dierlijke meststof aan den bodem mede, dat de daarin -wortelende boom spoedig sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak -verraadt reeds op een aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame -vruchten, welke aan zijne dorre twijgen hangen. - -Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen zich stil -tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en rijstvogels -terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der zon -voor deze Kalong's het sein om hunne nachtelijke togten aan te -vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met -logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht -heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand -achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter -hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting -landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands, -uit het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong's, en deze scheen iets -hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting -kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een -schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven, -digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne -vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk -der afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt -acht te slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar een -en hetzelfde doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld verschillende -bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk naauwkeurig -scheen te weten in welke streek der wouden de boom stond, waar zij hun -nachtelijk maal wenschten te houden, niettegenstaande deze menigwerf -op een afstand van vele mijlen werd gevonden van de plaats, welke zij -hadden verlaten. Vroeger had ik reeds menigmaal des avonds zwermen -van deze dieren aan een dergelijken boom gezien, voornamelijk aan -een Genitriboom (Elaeocarpus angustifolius), op welks vruchten zij -het meest gesteld zijn en rondom welken boom zij dan schreeuwend, -kwakend en elkander de vruchten betwistend, heenvlogen. - -Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende koelte des -dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° Fahr. [26] was -gedaald, insgelijks toe en de welriekende geur der Kenangabloemen--van -een hoogen boom (Uvaria odorata) welke op de eene of andere plaats -in het dorp stond--verspreidde zich in gelijke mate al sterker door -de boschachtige streek. Nu werd van tijd tot tijd een vliegend -eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) zigtbaar dat van den eenen -Kokosboom naar den anderen zweefde, en de Javanen begonnen de -hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en te grendelen. Er -sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige roofdieren -(Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang's) tuk op buit in -het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de Legoean's, -komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten einde in de -hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te leggen.--Door het -aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, waarbij eenige wachters -waren gesteld van lansen en Gonggong's voorzien, ten einde alarm te -maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, trachtten onze dorpsbewoners -de grootere roovers, de panters en tijgers, van hunne woningen -verwijderd te houden; want het wijd en zijd in het rond klinkende, -leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen beweren, het vertrek -der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, het geschreeuw der -paauwen, werd nu op verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet -slechts waren alle andere vogelen stil, maar ook buitendien liet -geen geluid in het woud zich vernemen.--Alleen het gegons der muggen -(Moskiten, Tjamok) werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe, -dat het in deze vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard -ging met den naderenden nacht die met eene snelheid inviel, welke op -den nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds -een zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen -sedert den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp -en woud waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets -liet zich onderscheidenlijk meer waarnemen. - -Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met het bespelen -hunner instrumenten--geluidorganen, tracheën, longblaasjes, snorgaten, -enz.,--die allen den oogenblik slechts schenen te hebben afgewacht, -waarop de duisternis een zekeren graad had bereikt om plotseling, -als op een gegeven teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal -concert te doen weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken -boom eene stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was -geworden; de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden, -tallooze insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de -verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten -bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen -geleek op het aanhoudend klinken van eene trillende vioolsnaar, -anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het gezang van -een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als het -ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar -zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel -verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van -kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af -tot aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak -illumineerden. - -Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons noordelijk -vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar alles -bij het toenemen der nachtelijke stilte langzaam tot rust komt. Hoe -geheel anders was het hier?--Bijna plotseling volgde hier de diepste -duisternis op het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts -hield de stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend -gonzende, tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat -uit duizende insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;--millioenen van -Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders, -termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke -Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal -ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag -hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen -hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen -voort, die allen zamensmolten tot een oorverdoovend, tjilpend gegons, -waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, die -zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle -plassen accompagneerden.--Somtijds gebeurde het, terwijl het algemeene -gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en snorren iets -verminderde, ja, menigwerf geheel en al ophield,--eensklaps echter, -als ware het op het gegeven sein eens kapelmeesters, begon weder -op nieuw een koor van honderd duizend muziekanten, allen te gelijk, -hunne krijschende diskantstemmen te verheffen, die zoo luide klonken -dat het ons door het hoofd dreunde. Tot deze laatstgenoemden die het -hardst schreeuwden, moesten meer bijzonder worden gerekend groote -Cicaden (Tosena-soorten en anderen) die zich in de toppen der boomen -ophouden. Onze jongens wisten ze echter, door middel eener brandende -kaars welke zij in het digtste gebladerte hadden gesteld, uit hunne -hooge verblijfplaats naar beneden te lokken en met honderd andere -soorten van insekten in hunne netten te vangen. - -Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende menigte -gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn gekomen, -dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet ongebraden [27] te -moeten opeten. Zij strekten aan de fladderende, insekten vangende -vledermuizen tot eene gemakkelijk te verkrijgen prooi. Ook eenige -Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds terugkeerende kringen over -het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de snelste vlugt daar heen -zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den meer helderen hemel -zigtbaar werden.--Even als met de groote meerderheid der vogelen des -morgens en gedurende den loop van den dag het geval was geweest, -vierden de ontelbare zwermen insekten nu des avonds en gedurende -de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo menigwerf een -koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede instemden -in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker tijd, -eensklaps aan, zwegen allen te gelijker tijd plotseling, op eens, -en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, uithoofde van de duisternis -welke ons omringde, moesten gelooven, dat zij elkander konden hooren -(hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of dat zij op de eene of -andere wijze met elkander in verstandhouding stonden. Even als onder -de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks onder deze cicaden op -het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van soorten onderkennen, -aan den meer of minder schellen of diepen toon, waarin zich steeds -eene zekere soort van maat liet waarnemen. - -Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar deze stemmen -van den nacht.--Vele duizenden van dieren bewogen zich om ons heen, -omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, welligt nooit iets -te weten zullen komen. Door het loof des Weringinbooms zagen wij -boven ons hoofd het flikkeren van sterren,--het licht van vreemde, -ver van ons verwijderde hemelligchamen,--waaromtrent wij nog veel -geringere kennis bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de -zwakke krachten van een mensch, aan den korten duur van 's menschen -leven en wij verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den -onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle -rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in -het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.--De zon -der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal -zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter -tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;--in de oneindige -verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt toch -Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier geniet -naar zijn aard; het is zoodanig ingerigt om te kunnen genieten, het -eene des daags, het andere des nachts, het eene in den zonneschijn, -het andere in de schaduw;--al deze duizenden met leven begaafde -gestalten verheugen zich in het genot huns levens, zij genieten en -de grondoorzaak der natuur welke zich in dergelijke wetten openbaart, -moet noodzakelijker wijze eene goede, weldadige, liefderijke oorzaak -wezen, die volkomen bewust is van het doel waarnaar zij streeft - - - - -daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, dweepzucht -kweekende maan voor ons op, en toen zij hare eerste stralen wierp -over het loof der boomen en een gering gedeelte van het Aloenplein -bescheen, werd ons gemoed vervuld met een troostend gevoel dat, als -het ware door dien straal gewekt, oprees tot de oorzaak die het had -doen geboren worden.--"Een band moet toch aanwezig zijn welke al deze -millioenen van levende wezens zaâmverbindt; Eene van alles bewuste -ziel, Een God moet boven allen leven!--Ja, in den glans der zon, in -het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, in de -wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur omvat,--in ons -eigen boezem ligt Uwe openbaring!--Alwetende! Uwe wereld is schoon!" - -Het insektengegons was grootendeels verstomd;--slechts het kleppend -geluid der Kaprimulgen die nu verzadigd op boomtakken zaten, liet -zich in het stiller geworden woud nog hooren, toen wij omstreeks -middernacht, zonder een woord te spreken, maar opgetogen van -bewondering over de grootheid der natuur, den geest vervuld met -denkbeelden die dit alles bij ons had doen oprijzen, in stilte naar -onze legerplaats terugkeerden. - - - -Op den volgenden dag. Dewijl de Loerah van het dorp afwezig was -(hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter bruiloft in een -nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de tusschenkomst van -den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te danken, dat -wij Koeli's konden bekomen om onze reis voort te zetten, namelijk, -de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze wilden echter -de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde verrigten, dat -zij een veel hooger loon zouden ontvangen; waarschijnlijk zouden zij -ook dit van de hand hebben gewezen, indien zij ten gevolge van hunne -verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken, niet meer behoefte aan -geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij waren verpligt het hun -vooruit te betalen, ten einde hen in de gelegenheid te stellen een -nieuwen voorraad Madat [28] op te doen. - - - -Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, welke door -mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder Nacht alle nieuwe of -zeldzame voorwerpen die wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij -slechts aan een enkel klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden -en zetteden vervolgens onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den -namiddag, door vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar -eene geschikte plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water -moest gevonden worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene -halve dagreis verder westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de -kust liggen, hetwelk wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te -bereiken, om van daar in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts -gelegene hoogland door te dringen.--Wij kozen tot ons nachtkwartier -de oostzijde eener kaap, der Tandjoeng-Gnodos, in welker nabijheid -eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar wij ons -bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte oorspronkelijke wouden -reikten van het hooge gebergte tot aan de kust zonder ergens afgebroken -te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende twijgen in de baren, zoodat -slechts op enkele plekken, voornamelijk op den achtergrond der kleine -inhammen, een smal zandig strand overbleef dat niet met woudgeboomte -was bedekt. Waarheen wij het oog mogten wenden, van verre noch van -nabij, nergens liet zich eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid -ontdekken.--IJlings werden nu de noodige aanstalten gemaakt tot het -opslaan van ons bivouak; onze jongens en de Koeli's kapten takken van -het naburige geboomte, bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij, -vergezeld van mijn broeder Nacht en twee Javanen, verder westwaarts -heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren kennen. De kaap -of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch Oedjoeng) was het -uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en vormde een vlakken -bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte van 15 à 25 voet -boven het strand der aangrenzende bogten verhief. Vele dergelijke, -iets lager of hooger rijzende Oedjoeng's reikten hier in deze streek, -tusschen vlakker afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en -waren allen met woudgeboomte bedekt. - -Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en uit het woud -te voorschijn traden, hadden wij een merkwaardig schouwspel voor -oogen. Het strand dat tusschen deze en de eerstvolgende kaap lag -ingesloten, had den vorm eener halve maan, was geheel dor en kaal en -rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot op een afstand van -ongeveer 500 à 700 voet van het strand der zee, waar het zich eindigde -en in zandheuvelen overging; aan de landwaarts gekeerde zijde dezer -heuvelen verhief zich, in de onmiddellijke nabijheid er van, weder -het woud dat zich verder onafgebroken tot diep in het steeds hooger -rijzende gebergte uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust -eener bogt) had welligt eene lengte van driekwartier uurs.--Hoog -boven onze hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten) -en beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde -beenderen en ontzaggelijk groote schilden van schildpadden, deels -gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in -het rond. - -Het was een woest tooneel. Door verbazing en nieuwsgierigheid -geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op het dorre -strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond eene -menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan de -indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge -van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts -op, zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der -heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige -glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar -was het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen -opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het -scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd -met elkander hadden gestreden.--Deze gansche strandvlakte was als -bezaaid met beenderen en schilden van schildpadden; binnen het bereik -van ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen, -verscheidene tientallen geheele schilden en zeer zeker mag aangenomen -worden, dat hun aantal over het gansche strand verspreid, verscheidene -honderden bedroeg. Het meerendeel werd gevonden op het verst van de -zee verwijderde gedeelte der kust, aan den voet der heuvelen; hetgeen -ons het meest verwonderde was, dat zij allen omgekeerd, op den rug -lagen. Het waren schilden van den reuzenschildpad (Chelonia Mydas, -zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene -lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen -en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt -en glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog -voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er -gevonden, die nog vrij versch waren; met opgereten buikschild en -op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, stinkende -ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene plekken -zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte van -3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig voortloopende -groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder ligchaam over -het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen vingen aan bij -den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de geraamten heen, -in eene lijnregte rigting uit tot aan den voet der heuvelen. De twee -Javanen die bij ons waren, schenen dit verschijnsel te kennen, want -zij hadden een der sporen gevolgd en riepen ons van de heuvelen, -waar wij hen bezig zagen met het zand om te wroeten, op vrolijken -toon toe: Tampat telor, telor! (een nest met eijeren!) - -De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de onmiddelijke -nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit drooge, -helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon katang -(Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe bloemen -waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere plekken -was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige kruipende -grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den schedel -der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia argentea) -en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van Pandaneën op ons -neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op eene enkele plek, -in een nest, op eene geringe diepte onder het zand bedolven, meer -dan honderd kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van kleur, -hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, perkamentachtige -schaal.--Die lange banen waren derhalve sporen van reuzenschildpadden -die, uit den boezem des oceaans opgestegen zijnde, hier 500 à 700 voet -ver over het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het -zand aan den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over -laten aan de koesterende stralen der zon?!--En op dezen korten togt te -land, welken zij misschien slechts een paar malen 's jaars ondernemen, -worden zij door roofdieren aangevallen?-- -- - -Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten einde te -bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede als wij -bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het -kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere -physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna -uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het -levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 à 40 voet boven den -grond [29] tot een digt schaduwdak zich vereenigde. Duizende witte -bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de lucht met -de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich reeds op -eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die zich -wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun neêrwaarts -gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke horizontale -takken, ongeveer 7 à 8 voet boven den grond, hadden de Javanen -onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren tot -dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander -gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen -de boomstammen waren vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer Javanen -hadden, namelijk, Krokodillen, Boeaja (Crocodilus biporcatus) voor de -monding der beek bespeurd; gelijk bekend is, verlaten zij des nachts -hun vochtig element en sluipen langs het strand rond; dit gedierte -is nog gevaarlijker dan de tijger, uithoofde van het harde pantser -hetwelk zijn ligchaam bedekt.--Eene dergelijke zitplaats hoog boven den -grond, waar wij tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een -Kiboenagaboom gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het -beenderenveld stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan -de smakelijke schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt, -bestegen wij omstreeks 6 ure den boom.--De overige Javanen hadden -den last ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen, -zoo spoedig mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken -hout) naar de plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen. - -Wij loerden. De avond viel.--Wij zagen eerst een, vervolgens -verscheidene schildpadden hun vochtig element verlaten;--zoodra -zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog slechts een ligte -golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een oogenblik -stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de hoogte, -wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik -in het rond en--kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel -zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met -hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den -voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij -naauwelijks een vierde gedeelte van het strand in de lengte gerekend -overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog onderscheidenlijk -konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere plompe ligchamen -die zich over de strandvlakte heenschoven. Geen geruisch trof ons oor, -dan de doffe toon der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps -iets plassen en klateren beneden ons,--het was veel langer dan eene -schildpad en kroop veel behendiger dan deze over het strand,--het was -een krokodil ter lengte van minstens 15 voet, die eene prooi zocht? en -nu insgelijks al waggelend naar den voet der heuvelen ging. Doodstil, -met ingehouden adem, vestigden wij de blikken op het voor ons liggend -tooneel.--In de verte kroop een schildpad terug en verdween in de -zee.--Het duurde niet lang of in de onmiddellijke nabijheid van de -plaats waar wij ons bevonden, keerde insgelijks een donker ligchaam -van de heuvelen zeewaarts en naderde ons meer en meer,--maar nog had -het de helft des wegs niet afgelegd, toen plotseling uit het naburige -woud een groot aantal dieren te voorschijn snelde; aanvankelijk gaven -zij niet het geringste geluid van zich, maar op den oogenblik dat zij -den schildpad bereikten, lieten zij een snuivend, kort afgebroken -gehuil hooren, terwijl zij in een oogopslag het dier omsingelden -en op de woedendste wijze aangrepen. Naar onze schatting waren er -minstens een dertigtal aanvallers. Zij pakten hun slagtoffer bij den -kop, den hals, bij de als vinnen gevormde pooten, bij den staart, -aan het achterste, trokken en scheurden het de stukken van het lijf, -draaiden het in een kring rond en verrieden door hun fijn en schor -klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de ijsselijkste -vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te werk en -schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die daar--stil, -met ligten, zachten tred--even als een Tjitjak welke aan den wand -van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam aankruipen--al -nader en nader,--vervolgens eensklaps, als een pijl uit een boog, -voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende honden tusschen -zijne vreesselijke kaken had verbrijzeld, alvorens de anderen het -bemerkten, doch die eindelijk eensklaps tot op zekeren afstand uit -elkander stoven. - -Het waren Andjing adjag's (Canis rutilans), zoogenaamde wilde honden -die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn dan wolven, maar veel -vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan deze. Wel was de -schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel geleden om zich te -kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk eene goede vangst -had gemaakt, trok zeewaarts af. [30]--De Adjag's wierpen zich nu van -alle zijden andermaal op hunne prooi, vielen haar met vereenigde -krachten aan en schenen druk bezig om haar de schilden uiteen te -rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om los te drukken, toen -een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij eenige beteekenisvolle -woorden toefluisterde.--Zijn scherp oog had de gedaante, welke uit -het duistere woud te voorschijn was getreden reeds bespeurd; zij -stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende blikken over de -schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder en--viel plotseling -met een verbazenden sprong te midden van de honden,--een vreesselijk -ratelend gebrul dat uit het diepste van de keel scheen op te komen, -werd daarbij vernomen en de Adjag's stoven, als door een panischen -schrik bevangen, naar alle zijden uiteen. Onder het slaken van een -meer fluitend dan knorrend gehuil, snelden zij ijlings terug naar het -woud en de tiran der wildernis, de koningstijger die ten tooneele -was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning op het -schild van het voor hem liggende dier.--Een tweede, kleinere tijger, -welligt een panter, sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich -knorrend, blazend om,--ik lag het geweer aan, drukte los en de knal -van het schot weêrklonk in den stillen avond heinde en verre door -het gebergte. De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde -honden en tijgers had voor ditmaal een einde. - -Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder Nacht een schot -gedaan. Onder het loofgewelf van den boom in welks takken wij gezeten -waren, was het echter reeds veel te donker geworden om ergens goed op -te kunnen aanleggen, hoewel wij de omtrekken der voorwerpen die zich -voor ons op het kale, helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk -goed konden onderscheiden. Wij hadden mis geschoten--of althans geene -doodelijke wond toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel -konden wij nog twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten -het evenwel voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren -juist bezig van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons -bivouak achter gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder -een luid geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de -brandende stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In -de nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven -van het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter -vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne Gòlok's [31] -voor goed afgemaakt. Dewijl zeeschildpadden kop, noch pooten onder het -schild kunnen terugtrekken, vallen zij niettegenstaande de buitengewone -grootte en stevigheid van dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk -ten prooi zelfs aan zulke roofdieren, die veel kleiner zijn dan zij, -wanneer deze (zoo als hier de wilde honden) hen in grooten getale -te gelijk aanvallen. Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate -van waar die groote menigte geraamten en schilden haren oorsprong -heeft, welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren -bedekt. Dat gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde -honden, tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het -buikschild hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles -met geweld er uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door -zeeadelaars en andere roofvogels verslonden, en steeds ziet men -verscheidenen hoog in de lucht boven dit oord rondzweven. - -Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de reuzenschildpad reeds -omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk opengereten) buikschild naar -boven lag; wij konden echter niet beslissen of dit het werk was van den -tijger, dan wel of zulks reeds vroeger door de vereenigde krachten der -wilde honden was geschied. De Javanen beweerden dat het laatstgenoemde -het geval was.--Wij sloegen de touwen onzer Pikalan's om de schildpad -en bevestigden deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes -Koeli's, waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken -op hunne schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den -last te torschen. [32] In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier -afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel -in zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen -als wij sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar -insgelijks eene ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren, -ter grootte van eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden geheel -en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons een -uiterst smakelijk voedsel. - -Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan het wachtvuur -door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling van -verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der -doelmatigheid welke zich in de natuur laat waarnemen. Zou het louter -toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal zulk een groot aantal -eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? Zouden wij zoo -iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden gezien -hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de landdieren, -welke op de eijerenleggende moeder loeren,--wij, die wisten dat -het meerendeel der gelegde eijeren verloren gaat, doordien kleine -viervoetige roofdieren, zelfs apen en, in bewoonde oorden, de mensch -ze begeerig uit het zand opdelven en weghalen, en dat een ander -gedeelte der eijeren bij somber regenachtig weder volstrekt niet -wordt uitgebroeid?--Waarom echter aan dit dier zoo talrijke vijanden -zijn gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks -is geschied met het doel om de grootst mogelijke verscheidenheid -des levens met de eenvoudigste middelen te bereiken. Maar door de -groote menigte eijeren die niet allen verloren kunnen gaan, is toch -voor de instandhouding der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld -zou uitsterven, indien het getal eijeren slechts tien in plaats van -honderd bedroeg, of indien er zelfs niet 10, maar (even als dit met -het jongen bij olifanten en tijgers het geval is) slechts 1 ei werd -gelegd!--In den harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo -veelvuldig aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen, -waar het eene om den wille van het andere bestaat, het een van het -andere afhangt, laat zich een redelijk plan waarnemen; onmogelijk -kan dit het werk zijn eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar, -het einddoel der schepping te begrijpen gaat boven onze bevatting; -maar dewijl zoo veel redelijkheid doorstraalt in de middelen welke -tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten, -dat het einddoel niet redelijk zou zijn?--Zulke denkbeelden bezielden -ons en zelfs de nachtelijke strijd der dieren, het woeste, schijnbaar -stelsellooze dooreen woelen en werken der organische krachten, was -niet in staat ons geloof aan het bestaan van een hoogste redelijk -wezen aan het wankelen te brengen. Neen, wij hadden besloten om -dit geloof steeds inniger aan te kweeken en vaster wortel te doen -schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging van het aanwezen van -een levenden God ons troost zou schenken in alle rampen, in alle voor -ons onbegrijpelijke gebeurtenissen des levens. - -Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven wij ons -eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer -vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt -meêdeelden dat--al onze Koeli's waren weggeloopen. En dit was werkelijk -het geval. Ten einde zich niet in de noodzakelijkheid gebragt te zien -om nog verder met ons mede te gaan, hadden zij zich allen uit de voeten -gemaakt, en nu zaten wij hier met onze instrumenten en koffers geheel -alleen in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers, -krokodillen en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters! - -Wat moesten wij nu aanvangen?--"Bidden!" zou hierop welligt een -bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden -echter een waardiger denkbeeld van de grootheid en de wijsheid Gods om -te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een enkelen of van eenige -weinige menschen, eene verandering in zijne natuurwetten maken en -"wonderen" zou verrigten,--dat hij zich misschien aan een tiental -Koeli's in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch -of in eene lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen: -zich zoo snel mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.--God werkt -slechts door middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft -geroepen en naar wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de -eeuwige, onwankelbare trouw dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij -ze heeft leeren kennen, met vertrouwen vervult; deze bestendigheid en -onverbiddelijke consequentie der natuurwetten is het alleen, waardoor -het aan beschaafde volken mogelijk is geworden zich op te voeren tot -dien trap van ontwikkeling, van kunst en wetenschap, waarop zij thans -staan. Niet het bidden, maar de kennis van de natuurwetten heeft hen -op die hoogte gebragt. - -Dit geloofden wij en in overeenstemming daarmede werd de behendigste -klauteraar die zich onder onze jongens bevond, namelijk Soengsang, -gelast om in den top van een hoogen Kampakboom (Hernandia sonora) -te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen afstand van het -Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of in de omliggende -streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid konden waargenomen -worden.--Soengsang klom in den boom en riep ons uit den top toe: -dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit het woud zag -opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een Kokospalm -boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang weder -naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en ons -een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek, -waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een -Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer mede; -de overige jongens lieten wij met onze beide andere geweren in het -bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, met Soengsang -vooraan een pad door de wildernis. - -Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad hebben om op deze -wijze eene halve mijl ver door het digt ineengegroeide struikgewas heen -te dringen, indien wij het geluk niet hadden gehad een gebaand pad te -vinden dat blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts -liep. Wij volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen -togt hadden voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing -opwaarts rees, kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde, -met onkruid begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met -hare kiekens al pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van -een haan, en tot onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een -open, slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn -Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven; -eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine -gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen -zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden -mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den -drempel hunner hutten stonden. - -Het blaffen der honden verried onze komst; zoodra de spelende jeugd -ons in het oog kreeg, bleef zij, als van den donder getroffen, van -schrik eensklaps roerloos staan;--de moeders pakten hare kinderen -snel bij den arm en ijlden er mede weg, de mannen volgden haar in -woeste vaart en alles wat loopen kon, snelde voort en nam onder een -aanhoudend geroep van: "help! help! erbarming!" op den voet gevolgd -door de blaffende honden--in allerijl de vlugt. - -Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard bleef, met -de beenen kruiselings over elkander geslagen, rustig voor een der -hutten zitten en zeide, ons bedaard groetende (een Sembah makende): -"Goeden dag, heeren Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij -neder. Ik ben een oud man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil -van den Albarmhartigen Toean Allah,--gij kunt mij dooden." - -Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat, tegenover den grijsaard -op den grond, leiden de geweren tusschen hem en ons neder, namen -eenige cigaren in de hand en reikten ze hem toe.--Hij bezag ons nu -met meer aandacht en sprak: "Zijt gij geene roovers? Zijt gij Orang -poetih (blanken)?--Hollanders? Het is lang, zeer lang geleden; ons -dorp stond destijds nog beneden aan de kust, toen kwamen zeeroovers -(Badjak's), zij overvielen ons en hebben mijne vrouw en mijne kinderen -vermoord. Sedert dien tijd hebben wij ons hier hooger bergopwaarts in -het woud nedergezet. Onze Oema's (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf -jaren geleden is een Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij -heeft ons Bibit kopi (koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij -koffij moeten planten. Daar staan de struiken. De Moesang's [33] eten -de bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om -naar de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld noodig." - -De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard maakten op ons een -diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van menschelijke waardigheid -in het kleed van den eenvoudigsten natuurstaat. Daar hij vertrouwen -in ons begon te stellen, waren wij de zaak spoedig met hem eens. Op -ons verzoek verklaarde hij zich bereid zijne gevlugte landslieden -op te sporen en terug te roepen. Wij gaven hem een onzer geweren -mede, ten einde dit den vreesachtigen ten bewijze onzer vredelievende -gezindheid te toonen.--Een half uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen -terug. De vrouwen slopen binnen de hutten en de mannen, benevens de -grijsaard en eenige half volwassene knapen, elf in getal, zetteden -zich op eenigen afstand van ons op den grond neder.--Wij gaven hun -nu te verstaan dat wij, tegen ruime betaling en goede behandeling, -voor een halven dag niets anders van hen verlangden dan Koelidiensten -en dat wij ons naar het groote, westwaarts van hier gelegen dorp -wenschten te begeven. Hun antwoord was: "Trada boleh Toean (dat is -onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis -ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene -dagreize van hier verwijderd is." Zij verklaarden zich echter bereid, -om ons eenige uren ver langs het strand in eene oostelijke rigting -te geleiden--wij zouden derhalve terug moeten gaan--en ons van daar -landwaarts in naar een groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan -werd gevonden en waarheen de togt, naar hunne meening, in eene halve -dagreis kon worden afgelegd. Wat stond ons nu te doen?--Wij waren ten -laatste nog blijde, dat er gelegenheid bestond om van hier weder weg -te komen; wij lieten derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen -en namen het aanbod hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij -zijnde, oostwaarts van hier gelegene groote dorp te begeleiden. - -De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen den -gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een -paar gedroogde vischjes of eenige schildpadeijeren ten gebruike op -reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan -bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden -noch buffels; hunne huisdieren bestonden uit kippen, honden en vier -geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal dikke -Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het uitstekende -gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3 à 4 voet; in het -voorgedeelte dezer buizen was eene opening, waar eene soort van kleine -bijen die geen angel hebben en niet veel grooter zijn dan muggen, -zonder het minste gegons te maken uit- en in vlogen. Deze diertjes, -Selemprang (Melipona minuta), bereiden behalve honig insgelijk was -(Towol), hetwelk de vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde -teekeningen (Batik) op de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven -weven. Uit dien hoofde worden zij voor huisdieren gekweekt. "Hebben -wij was noodig," zeide ons een der bewoners van dit gehucht, "dan -behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis vóór onze -woning op te hangen, spoedig nestelt zich daarin eene talrijke zwerm -bijen en binnen eenige weken is de gansche ruimte grootendeels met -Towol gevuld."--Deze allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier -regt op hare plaats te zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in -van de even zoo eenvoudige huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig -geluid te maken, vreedzaam en weêrloos verrigten deze kleine diertjes -ijverig hunnen arbeid. Even weinig geschikt om zich te verdedigen, -maar niet minder stil en te vreden slijten deze Javanen hun leven hier -in de eenzaamheid.--En toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig -toe. Hoe minder behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar -echter weinig wordt geleden: daar geniet men ook weinig vreugde, -en hoe talrijker de behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap -van ontwikkeling is welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal -hij moeten zijn en des te grooter, des te menigvuldiger zal het genot -wezen, dat het leven hem kan verschaffen.--Het speet mij slechts van de -arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten -bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan toezigt en leiding -tot den arbeid daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen -verdord aan de twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te -verrotten. "Trada soeka minom--of Trada adat tanam kopi (wij drinken -geen koffij--of het is bij ons geen gebruik (Adat) koffij te planten)," -was het gewone phlegmatische antwoord der dorpelingen op onze vragen. - -Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in het dorp -moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli's dat met ons ten 9 ure -in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg hiervan was, -dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli's de behulpzame hand -moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen echter niet -verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten, zoomede -hunne eigene zakken vol te stoppen met schildpadeijeren.--En honderde -dergelijke eijeren werden er weggeworpen. - - - -In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt aan en -kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in -eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde; -wij volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het -schoone Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen -vrolijk in den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele -dorpjes verrieden. Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende -waaijers verhieven zich hoog boven het bladerendak der loofdragende -vruchtboomen, waar tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen -der Javanen verborgen waren. Tusschen deze boschjes werden onder -water staande rijstvelden (Sawah's) gevonden, waarin eene menigte -dominé's (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende naar hun -lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het rond -waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op dominé's -gesteld zijn, houden echter veel van de Maraboevederen, welke deze -vogel verschaft. - -Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed geheeten, -dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; de -slagen van Gamelan's klonken ons luide uit meer dan een Pendopo -te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke geluid des -Angklong. [34] Eerepoorten van helder groen loof waren hier en daar -opgerigt, en in feestgewaad gedoste en opgesierde inlanders van -allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar ons verhaald werd, -vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De zoon van den Loerah -[35] was den vorigen dag gehuwd met de dochter van een Mandor -goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) en het scheen, dat -hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang door het dorp te -maken.--Onze Koeli's bragten ons in den ledigstaanden Pasanggrahan, -ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk van de pakken en koffers, -en spoedden zich onmiddellijk daarop weder voort, ten einde deel te -nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens volgden hun voorbeeld -en wij insgelijks, dewijl het er in den Pasanggrahan zoo armoedig en -leêg uitzag als het geval kan geweest zijn op het drooge land tijdens -de silurische formatie. - -De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even langzaam, in -plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het Aloenplein -dat daar vóór gelegen is. De bruid zat in een open, bontkleurigen -draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede Javanen werd -gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij werden -voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen gevulde, -geelkoperen kwispeldoors (Kembar majang) droegen. Het bovenlijf der -bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar aangezigt was -wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare borsten en -het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren geel geverwd -met Boreh; om de armen droeg zij zilveren ringen en in de ooren -lange gouden versierselen. Overigens had zij ter bedekking van het -benedengedeelte des ligchaams slechts een prachtig kleed, Sarong, [36] -terwijl het zwarte hoofdhaar was gesierd met welriekende witte Melati- -en gele Tjempakabloemen.--Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke -het Kempar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en hij, -gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk -opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens -gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het -benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn -bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook zijn gelaat was wit, -de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt. Achter in den gordel -waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden, stak de met bloemen -gesierde Kris. [37] Zijn lang zwart hoofdhaar hing, insgelijks met -bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne schouders, en in plaats van -den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek (eene parademuts).--Dan -kwamen eenige priesters (Imam's en Modin's), herkenbaar aan hunne witte -hoofddoeken en aan hunne kleederdragt in het algemeen;--hierop volgden, -in feestgewaad gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en -achter deze huppelden Angklong- en op trommels (Terbang) of bekkens -(Kenong) slaande Gamelanspelers, waarna eene tallooze schaar van -andere inlanders--oud en jong, mannen, vrouwen en kinderen, allen -met de beste kleêren aan, den plegtigen optogt besloot. - -Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des bruidegoms -vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed (Padjangan) -dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest ontvangen worden. In -den Pendopo die vóór deze woning stond, waren de noodige toebereidselen -voor het bruiloftsmaal gemaakt. [38]--Weinig tijds nadat wij van het -Aloenplein naar den Pasanggrahan waren teruggekeerd, verscheen de -Loerah aan het hoofd eener bezending, bestaande uit mannen en vrouwen -die korven, groote houten schotels, drinkschalen en schenkbladen, -alles gevuld en beladen met rijst, thee, suiker, velerlei soorten -van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of honig (Koewé koewé) -van verschillenden aard voor zich uit droegen. Deze lekkernijen werden -ons aangeboden en op den vloer in den Pasanggrahan nedergezet, dewijl -er banken, tafels, noch stoelen voorhanden waren. Bovendien werden wij -door den Loerah op het bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later -deel te nemen aan den daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij -de Gamelan geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van -de vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem -om ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te -bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij -ons onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De -Javanen bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard -in overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de -armoedige wijze waarop wij waren aangekomen--te voet, niet onder -geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van -onze eigene bedienden--op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed -waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder -de Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat niemand -van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli, -onbevredigd blijve of treurig mag wezen. - -Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust, slaap, -vonden wij, helaas! het minst.--Het slaan op den Gamelan, het -geschal der groote Gong's, het luid gillend gezang der Ronggèng's -(dansmeisjes, Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke -menigte personen in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen -van raketten en ander vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde -ons den ganschen nacht in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen -werd berigt dat dit vrolijke leven (Ramé ramé) nog twee dagen en twee -nachten zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te -verlaten--verder te reizen en zonden derhalve boden naar den Loerah met -verzoek, dat hij ons Koeli's zou verschaffen om onzen togt te kunnen -voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het berigt, dat het -volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende dagen Koeli's te -bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf, die weldra bij ons kwam -en met de beenen kruiselings op den grond zich voor ons nederzette; nu -kregen wij het bevelschrift (Soerat printah) van den resident en leiden -het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen, en--onder het maken van -buitengewoon vele pligtplegingen, er bijvoegende: "dat wij het hem, -zoo hij hoopte, toch vooral niet kwalijk zouden nemen"--gaf hij ons -te verstaan: dat de bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te -bieden, hem vroeger steeds mondeling door het distriktshoofd waren -medegedeeld, en dat het geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke -bevelen als wij hadden. Gaarne zou hij ons Koeli's verschaffen, indien -wij slechts twee dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was -het hem echter volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen; -de dorpsbewoners wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet. - -Nu gingen wij beproeven om als man met man te onderhandelen en gingen -met onze jongens in het dorp rond, haalden de beurs te voorschijn -en boden elken ledigstaanden of rondslenterenden Javaan dien wij -aantroffen, drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan -om onze ligte pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats -der residentie te helpen dragen; zij keken het geld eens aan, -glimlachten--maar, de Ronggèng's wier stemmen hen uit den Pendopo -te gemoet klonken, de welluidende slagen van den Gamelan die uit de -verte weêrgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond, -de overvloed van Koewé koewé, de prachtige optogten van bruid en -bruidegom--neen! daarvan konden zij niet scheiden.--Ruim een uur lang -hadden wij het dorp doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk -gesteld om langs den weg van overreding tot ons doel te geraken, den -ganschen voorraad van ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren -guldens en Spaansche matten die wij nog over hadden, in onzen buidel -doen rammelen, maar--alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde -middelen schonk eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij -konden geen enkelen Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met -loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar -onzen Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de -voorgalerij geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een -getrappel, wij keerden ons om en--wat zagen wij daar? een ruiter kwam -met lossen teugel het dorp binnen rennen---- - -een tiental anderen galloppeerde hem achter na,--zoodra de voorste -ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op een afstand van 500 voet -den teugel in,--steeg van zijn paard en trad in eene bukkende, -onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot op ongeveer een -tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op den grond neder, -maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn Sembah herhalende, -de volgende woorden tot ons: "Ik vraag duizendmaal om verschooning, -hooggeërbiedigde heeren! Duidt mij toch niet ten kwade, dat ik vóór -vijf dagen toen ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u -gekomen ben. Ik wist niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik -u echter overal nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest -u te vinden. Ik smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt -het mij toch niet kwalijk. Ik moet u vele groeten overbrengen van -den heer regent. Gij kunt vijftig Koeli's krijgen, ja, honderd of, -in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het -mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien -het mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen -en--hier--is mede een brief van Toean Abingrot." - -IK. Abingrot?!--Snel brak ik den brief open, zag wie de onderteekenaar -er van was en daar las ik de volgende woorden:--"Uw liefhebbende -broeder Avondrood." - -NACHT. Wat! Avondrood? Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt -in onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee! - -Ik las: "Aan het meer Telaga-Nagnetap. Lieve jongste broeder! Sedert -drie dagen ben ik met broeder Morgenrood" - - - Wat! is Morgenrood -insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene verrassing! welk een -onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders, die elkander sedert -jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden dezer heerlijke -natuur ons zullen wederzien!--"alhier aangekomen en heb tot mijne -groote verrassing gehoord, dat gij met broeder Nacht insgelijks in -deze residentie zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas bevond -en waren in twijfel, of gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als -men ons de namen noemde) waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen -in het werk stelden om de Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en -een waar Koeli's leven leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd -van Gnodnab alhier aan, met bevelen van den regent om u op te zoeken -en den noodigen bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van -u, en nu was alle twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten -wij slechts waar gij ronddwaalt, dan ijlden wij u onmiddellijk te -gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van hier verwijderen, -want onze wakkere vriend, de resident Praktischman dien gij, beste -Dag, insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot -aan Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst -van Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.--Derhalve, beste -broeders, komt naar ons toe, spoedig, ijlt herwaarts naar het meer, -opdat wij u omhelzen.--P. S. Wij hebben ons hutten gebouwd en plaats -en levensmiddelen in overvloed voor u allen." - -De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op ons beiden en -Nacht was zoo opgetogen op het vernemen van dit onverwachte berigt, -dat hij het goedhartige distriktshoofd van vreugde in zijne armen -sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden, want -het ontvangen eerbewijs--eene openbare schending van den Adat--had -hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons zijn verlangen -te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te verwijderen; -hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet geringe -verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien minuten, -als door tooverij, met--Koeli's om zoo te zeggen bedekt geraakte, die -zich ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over -elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.--Dat was de -tooverkracht der Argumenta ad hominem die alleen het distriktshoofd -scheen te kennen, dewijl onze drangredenen kort te voren bij zijne -landslieden niets hadden uitgewerkt. Onze jongens echter, die in -het moeijelijke "Koelileven" in het maken van voetreizen volstrekt -geen behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke aanstalten te -zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah soesah [39] -verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen niet zoo druk in de -weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden luid hunne bevelen -uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk na het andere -den trap af naar het plein,--de Koeli's die daar zaten, sprongen -op en wedijverden! om de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje -het eerst opnemen en wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande -spoedden zij zich met hunne lasten het dorp uit;--want de Heer baron -(of Raden) distriktshoofd Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz., -gedost in galakostuum, met de Kris in de gouden scheede gesierd, trad -daar zoo even weder op het tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop -(onder het telkens en herhaald maken van Sembah's) een getrouwe echo, -ja, ja, ja, ja,--weêrklonk. - -Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en getuigd, die door -hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe vurig zij -waren. Vóór bij den ingang van het Aloenplein hadden twee voorrijders, -met vaantjes aan hunne lansen, post gevat, slechts wachtende op den -oogenblik dat wij den voet in den stijgbeugel zouden zetten, om in -allerijl ons vooruit te rennen. Wij zetteden ons eindelijk in den -zadel, daar snelden de voorrijders weg aan 't hoofd van den togt, -de slagen van den Gamelan volgden steeds sneller elkander op, en een -luid en vrolijk allegro klonk door het dorp,--wij galoppeerden hen -achterna, gevolgd door het distriktshoofd--en achter hem draafden -onze en zijne bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere -hoofden en andere Javanen.--Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet -ongelijk aan eene woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit, -terwijl de luide toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche -muziek langs de bergwanden weêrgalmden en het gehinnik der paarden -de frissche morgenlucht deed trillen. - -De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig, zij snoven en -brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de ruiters die ze -bereden, schertsten met elkander en lachten elkander uit, wanneer door -het ordelooze van den togt de een den anderen in het voorbij rijden -knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade welke wij op die -wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig uit. Behalve -mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met een breed -geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan reden, -werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen en -schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart -katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige -Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe -buizen (Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen -daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen -droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong, -niets anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later -door den snellen rid verloren. Dan zaten zij van top tot teen in -het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard en--werden -uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke dan als een -lange wimpel achter hen in lucht fladderde;--de ruiters die het -verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden, sprongen dan -van het paard, maar vergaten de teugels vast te houden,--de paarden -draafden dan mede door en hunne voormalige berijders liepen ze, -met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna en genoten het -vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier pooten van hun -paard te kunnen vergelijken.--Op die wijze ging de togt in vluggen -draf naar het gebergte heen, in de rigting van de plaats, waar te -midden der sombere wouden die het overschaduwen, het meer Nagnetap -moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli's ingehaald, die onze -pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet omtrent hen te -bekommeren, want wij wisten dat het heden niet noodig was om ze aan -te sporen en bovendien dat wij aan het meer alles zouden aantreffen, -hetgeen wij noodig mogten hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe -goed doorgeloopen hadden, begonnen hunne drift allengs te matigen en -staakten hun snuiven en brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte, -namelijk, begon met steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in -staat om, nevens elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling -een gesprek te voeren. - -NACHT. Er zijn nu omtrent veertien dagen verloopen sedert wij de -hoofdplaats der residentie B. hebben verlaten, tot waar wij de reis -met postpaarden hadden voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch -moet ik tot mijne smart bekennen dat ik reeds begin te twijfelen, -of men door middel van vrijen arbeid in het binnenland van Java tot -een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben althans -bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze klinkende -munt, onze overredingskracht en goede woorden, als man tegen man, -nergens veel konden uitrigten. - -DAG. Natuurlijk niet; daartoe is noodig aanzien en magt, dat wil zeggen -het regt om te bevelen. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke -beschouwen,--zoo als met ons het geval is geweest, sedert wij te voet -en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden waren gezonden, -het land doorkruisten,--dan doen zij voor hem juist zoo veel als -voor hun gelijke, maar ook niets meer. In de wildernis westwaarts -van den Tandjoeng-Gnodos hadden zij niets te verrigten en om die -reden hebben zij ook ons derwaarts niet willen begeleiden. In het -meer beschaafde Europa is geld de drangreden welke individuen noopt, -meer voor anderen dan voor zich zelven en zijn gelijke te doen; -maar welke waarde kan geld toch wel hebben hier in het binnenste -van Java, in het oog van den eenvoudigen bergbewoner die bijna al -zijne behoeften zonder geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer -waard. Hoe gastvrij zij ons ook overal ontvingen, wij hadden echter -voortdurend met Soesah soesah te kampen, en het is u bekend dat wij -ons doel of slechts ter naauwernood, of in het geheel niet hebben -kunnen bereiken.--Maar welk eene uitwerking had niet dezen morgen de -verschijning van den Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet -op den grond en een geheel leger Koeli's stond op zijne wenken te -wachten! Wat repten deze Koeli's zich met armen en beenen, wat waren -zij eensklaps behendig en vlug geworden!--en toch waren het dezelfde -menschen die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede -woorden van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden -van den grond waarop zij zich hadden nedergevleid.--En gedraagt het -distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor -eenige dagen,--is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent gerezen, -sedert hij weet dat wij van regeringswege alle ondersteuning welke wij -verlangen, op reis bekomen kunnen en dat wij op een vriendschappelijken -voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident? - -NACHT. Hetgeen gij daar zegt, is slechts al te waar. Maar het -doet mij leed, te moeten zien dat onder een volk hetwelk zulk een -voortreffelijken aanleg bezit, zulk een slaafsche geest heerscht, -dat steeds bevelen van hooger hand volstrekt vereischt worden om -den reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze -bevelen met blinde gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het schijnt, dat -de despotieke regeringsvorm der Javanen bij hen elken kiem van achting -voor den mensch op zich zelven--als mensch--in zijne ontwikkeling -heeft verstikt. - -DAG. Er ligt veel waars in hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar -toch hapert er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om volkomen -waar en overeenkomstig de natuur te zijn. Was het gedrag der Javanen -jegens ons niet altijd beleefd? Hebben zij ons ooit met minachting -behandeld?--Ja, ik vraag het u, zouden wij bij de Christenboeren in -Holland wel zoo gastvrij zijn ontvangen geworden, als hier bij deze -zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde -blanke menschen ontmoetten, het geval is geweest?--Het schijnt u -te hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich -omgeeft met aanzien en aardsche pracht, die als despoot optreedt, -zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter uit het -oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran laten -beheerschen die nog veel minder achting verdient, namelijk:--geld. Wat -mij betreft, ik verklaar u openhartig en ik kom er rond voor uit dat, -indien mij ter eeniger tijd geen uitweg mogt overblijven en ik tusschen -twee dingen had te kiezen, namelijk, of een grooten geldzak als afgod -moest aanbidden of een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt -in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid--, in zulk een -geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de -Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, toen hun hoofd te Oegoed -aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem voldoende was om -tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen vollen geldbuidel -niet hadden kunnen bewerken. - -De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is gevorderd, om -menschelijke eigenschappen--als zieleadel, hooge deugd, scherp -verstand, diepe wetenschappelijke kennis--in absoluten zin, om en -op zich zelven, te schatten, meet de waarde der menschen af naar -de wijze waarop zij zich uiterlijk aan hem voor doen, naar den -rang welken zij in de maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook -bij onze landslieden in Europa de uiterlijke rang van een individu -en zijne kleeding of de uiterlijke eereteekenen welke hij draagt, -althans de eerste en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt -beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens -gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed -uitoefenen, die hem allen onderwerping, geduld, gehoorzaamheid luide -verkondigen?--Kan hij de donderende vulkanen die hunnen vuurgloed over -zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust weder te keeren, -of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne voeten trilt en -beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem mogelijk den -gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem nederschiet, -of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die, tuk op roof, -des nachts rondom zijne stallen sluipen?--Is zijne bijl of zijn hakmes -in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang te houden, die -zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf zamenvoegt?--En strekt -deze zelfde allerrijkste plantengroei, op dezen vruchtbaarsten -aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst gemakkelijk middel -om al zijne behoeften overvloediglijk te bevredigen?--Moet de nog -onbeschaafde mensch die te midden van zulk eene vruchtbare natuur -geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks -aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem -uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer -noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen -tot traagheid en zinnelijkheid? ja, zou voor een dergelijk volk, -zoo lang het nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, een -despotieke regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden? - -Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden dat het -verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger is, -hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat -de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren, -maar geregeerd moeten worden. Al hetgeen de Javaan van der jeugd af -ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan zijne blikken voor -als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat onderwerping hem ten -gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste bevrediging voor -zijn gemoed: in het gehoorzamen aan billijke bevelen; het is hem een -lust een hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden -zijns gevolgs te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot: -deel te nemen in de vreugde, in den feestmaaltijd zijns heerschers, -terwijl de muziek des Gamelan weêrklinkt, die immers de Koeli even zoo -goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als de Groote des -lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke mate grootere -tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger gehoorzamen -en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang zij aan zich -zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding stonden, -op grond van denzelfden karaktertrek welke de geringen gedwee maakte, -steeds zeer slecht, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam -geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan het u stellig geen spijt -inboezemen dat de teugels der regering in Europesche handen gelegd -zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat, sedert het Nederlandsche -gouvernement over Java regeert, de bewoners niet slechts aanmerkelijk -in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet alleen het land--de -middelen van vervoer en van gemeenschap, de binnenlandsche handel, -de nijverheid, de administratieve inrigtingen van allerlei aard -en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den grond--tot zulk -een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de toestand waarin -Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan uitstaan met dien -waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel ander tropisch land -zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven leeren inzien dat -insgelijks de Javaan, sedert wij hem naar billijke wetten regeren, -sedert zijne persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd, -veel gelukkiger en meer welvarend is dan vroeger, en zulks vooral -dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken: de bevelen -regtstreeks van zijne eigene hoofden te ontvangen. - -Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een koffijtuin -binnen gereden.--De koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor -als een helder groene strook of gordel tegen den donkeren achtergrond -der oorspronkelijke wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele -lichtkleurige plek meer wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt -men slechts de Dadapboomen (Erythrina indica) welke in den koffijtuin -zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof veel -lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd. De -koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende -rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen, -blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als -eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig geplaatste en afwaarts -hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje heeft den vorm eener -spits toeloopende piramide en het eene staat zoo digt bij het andere, -dat het daar tusschen aangelegde pad ter wederzijde ingesloten schijnt -door een groenen, 7 à 10 voet hoogen wand. In dezen koffijtuin--een -eigenlijk koffijbosch--was alles vol leven en beweging. Honderden -van Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den -grond tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal -keken vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden -Mandor's en Loerah's, wier pligt het was het volk vlijtig aan den -arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons distriktshoofd -verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om van tijd tot -tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen. Breede, goed -onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg doorsnijdende welken -wij bereden, openden van tijd tot tijd een vergezigt op Bamboeshuizen -uit wier geveltop een kronkelende rookzuil opsteeg, of op een kleinen -Pasanggrahan, of Pendopo's en droogschuren, voor welke effen gemaakte -terrassen zich uitstrekten. Al hetgeen wij hier zagen, ademde orde, -welstand, vrolijkheid en nuttige bedrijvigheid. - -IK. Zeg eens, broeder, wat zou er wel van dezen schoonen koffijtuin -worden die, naar de berekening van het distriktshoofd, 350000 -afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de Javanen wier naarstigheid -hem thans in stand houdt, aan zich zelven werden overgelaten>? - -NACHT. Ik vrees dat hij weldra in het lot zou deelen der koffijstruiken -die binnen de haag van het dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen, -dat hij verlaten zou worden, dat hij zou verwilderen! - -IK. Ha ha! Gij hebt u derhalve reeds overtuigd van deze natuurwaarheid, -die inderdaad niet overeenkomt met de theoriën van menigen voorstander -van hervormingen. Waarlijk, ik verheug mij daar over.--Indien het -mogt gebeuren dat de arbeid in het binnenland van dit gedeelte van -Java werd vrijgelaten, dan maak ik mij sterk om al de koffij, die dan -nog binnen een jaar tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden, -op eene behoorlijke manier gezet, binnen drie dagen geheel alleen -te verbruiken. - -Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was oorzaak -dat wij ons in den zadel omwendden,--daar zagen wij dat de Raden -distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde -van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen -bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had -zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens -aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen--en zoo voorts, -totdat eindelijk de gansche ruiterschaar even luid medelachte, zonder -eigenlijk te weten waarom hij lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de -paarden onwillekeurig medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond -de goede Raden een weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke -ik mijn broeder had toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl -hij nog steeds den buik vasthield van 't lagchen, stamelde hij -eindelijk (onder het maken van vele verontschuldigingen wegens -zijne onbescheidenheid) de volgende woorden: "Betoel Toean! betoel -sakali! Orang kitjil trada soeka kerdja,--trada maoe bekin bresih -kopi, kapan trada soedah jang dapat printah; ter lebi jang soeka -tinggal di roemah, dan majin sama dija poenja parampoean, tidoran di -atas balé balé,--pidjit, pidjit, enak!" (Het is waar, mijnheer! 't -is volkomen waar! De geringe man houdt niet van arbeiden,--wil de -koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet is bevolen geworden; -hij blijft veel liever te huis om zich met zijne vrouw te vermaken, -gemakkelijk op de Balé balé te liggen, zich te laten strijken, kneden, -[40] lekker!) - -Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en zagen ons omringd -door de donkere schaduwen van het hoogstammige, oorspronkelijke woud -dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller, moeijelijker te -berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij bevonden ons nu -ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den spiegel der zee. De -laatste sporen van menschelijk verkeer en menschelijke bedrijvigheid -waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen en ter naauwernood verried -nog hier en daar een voetstap, welke in den weeken, leemachtigen -woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan, met het doel welligt -om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij zetteden onzen -togt voort over smalle paden gebaand door rhinocerossen en wilde -stieren, door een maagdelijk woud dat nog nimmer door de vernielende -bijl was geschonden en ons wijd en zijd omgaf. Hoewel het gebergte -hier geene vlakte vormt, maar doorsneden is met kloven en dalen wier -wanden en hellingen menigwerf zeer steil zijn, waar tusschen meer of -minder breede, deels vlakke, deels zeer oneffene bergruggen liggen, -heeft het hier echter op dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote -uitgestrektheid; dit gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte -van verscheidene dagreizen heeft, is alom bedekt met oorspronkelijke -wouden waarin slechts wilde dieren huizen. - -De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van de rijstteelt -leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer hoog gelegene -bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang voortbrengende heete -laagland hem de vereischte ruimte verschaft tot verdere uitbreiding -van den landbouw door hem beoefend. - -Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en Podocarpussoorten, -dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op andere -plaatsen uit Laurineën, waar tusschen echter allerwege eene groote -menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki terong -(Fagraea lanceolata)-, Bengang (Thespesia altissima)-, Palaglar -(Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en andere -soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige stammen -van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven onze -hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden, -waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een -hoogen koepel dof weêrgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke -beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt, -waar tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchideën in -het oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen -tak met den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam, -strekten zich menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom -tot den anderen uit en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als -reusachtige touwen van de hoogste toppen der boomen tot op den grond, -waar sierlijk gevinde boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over -het digt ineengegroeide kreupelhout. Hier en daar verhief zich de -slanke stam van een Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje -van den bodem, hoe gering ook, was onbedekt; ja, digt aan den rand -der kloven stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en -vormden aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand -heen reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken -boom een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren -(Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke -eene lengte hebben van 3 à 4 voet en in den vorm van een rad of -roos zijn geplaatst,--dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den -afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en -herwaarts geschommeld. - -Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd uitgestrekte woud -heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister hetwelk onder het -loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke gemoed een diepen -indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen zonnestraal -drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater onzer vrolijke -karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin wij ons -bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner onbewust -was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg bragt. In -diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk geruisch, elk -gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het woud weêrgalmde -het schallend geluid van den koekoek (Cuculus chalcites) welke zich -van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe, koerende bastoon der -groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der spechten die tegen -de boomstammen opliepen,--somtijds ook het gefluit van een Soerili-aap -(Semnopithecus mitratus) die zich bij onze nadering snel tusschen het -loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak) en wilde stieren (Banteng) -hoorden wij niets en zagen slechts het spoor dat zij in den weeken -bodem hadden achtergelaten, en de groote eekhoorntjes (Sciurus bicolor) -die over de takken rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen -een ligt geritsel in het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten -sprong van den eenen tak op den anderen gemaakt hadden.--Een paar -malen verschrikte ons een dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het -diepste van den gorgel eens roofdiers scheen voort te komen en hol -weêrgalmde door het woud; de paarden stapten echter rustig voort, want -zij schenen den klank te kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige -zwarte aap Loetoeng (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden, -de plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt. - -Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te doorklauteren, -waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken afstand -vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren bodem -stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het gedruisch -der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat wij aan den -rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der wateren -verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen om -ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs -den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan -trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed -en over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter -die niet had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het -paard heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in -den zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende, -door den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond, -ging dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond -dan nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam, -want het liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of -over de gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter en al in het -koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na den anderen, -den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de paarden bij -den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na den anderen -tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen zoowel als -paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine springbloedzuigers, -Padjet (Hirudo zeylanica), die in deze hoog gelegene wouden, vooral -op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van beken, bij millioenen -werden gevonden. Zij springen van het eene blad op het andere en -kunnen zich in éénen zet op een afstand van eenige voeten vrij door -de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene lengte van een halven tot -een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun zijn als een draad, zoo -kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der kousen en zuigen zich in -een oogenblik vast aan de voeten, aan den hals, aan de armen, waar -zij eindelijk ter dikte van een pink opzwellen, indien zij niet van -het ligchaam worden verwijderd.--Zoodra wij dan weder eene drooge -plaats in het woud hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons -allereerste werk om elkander wederkeerig rondom te bezien en van de -lastige Padjet's te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene -kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden. - -Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het schemerduister van -het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren voortgezet. Van -tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix) zijne stem -hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar eentoonig, -doch niettemin liefelijk gezang terstond herkenden,--wijd en zijd -weêrklonk het dan onder het groene gewelf en verheugde het ons; -maar wij waren vermoeid, onze paarden waren vermoeid, de hemel was -bewolkt, het sombere weder vermeerderde nog de duisternis van het -woud----daar schemerde ons door het geboomte iets helders in het oog, -de paarden begonnen te brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en -versnelden den stap,--de boomen weken ter zijde, het woud opende zich -en vóór ons lag het spiegelende vlak van een fraai, uitgestrekt meer. - -Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen togt een -juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud rondom -het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij -bevonden ons aan den westelijken oever van de Telaga-Nagnetap en -ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van -het aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere -hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen -den donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het -de van Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders -waren. Uit een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in -het woud verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer -in de breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een -hoog en schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen -zag men ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.--Welk een -heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!--Een gezigt -des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den spiegel -des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en bloeijende -oevers,--met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk verwijderd -oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom die het -omvat, beletten!--De hutten onzer broeders waren gebouwd op een -schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in -de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer -zich nog verder scheen uit te strekken; want aan die zijde verloor -het zich geheimzinnig tusschen de sombere, met woudgeboomte bedekte -oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich rotsen aan den oever -of rezen er te midden van het meer boven het water, op welks spiegel -hier en daar eene Fulica lugubris of een waterhoen (Gallinula-soorten) -zich schommelden, terwijl op andere plaatsen hals en kop van den onder -water gedoken slangenvogel (Plotus melanogaster) werden gezien.--Het -geboomte van het woud dat zich overal reeds op een geringen afstand -van den oever verhief, op menige plek in de onmiddellijke nabijheid -er van oprees, bestond voornamelijk uit Podocarpussoorten (Ki bima-, -Ki poetri- en Ki mérakboomen), waar onder de prachtvolle, statige -Kimérak met fijne naaldvormige bladeren (P. cupressina) het meest -werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond. - -Al onze begeleiders hadden zich op den grond nedergelegd. De paarden, -hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend langs den oever en wij -verzadigden onze blikken aan het heerlijke schouwspel dat dit schoone, -vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten ze voornamelijk naar die -streek waar--de hutten stonden. Naar het scheen, had men ons aldaar -nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de -Loetoeng's van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen -en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen -fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend -over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend -(Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel -heeft. Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover -gestelden oever zigtbaar,--wij zagen een vuurglans in verscheidene -rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op -de onzen werden gelost,--een donker voorwerp, als eene boot, verliet -den oever, gleed over den spiegel van het meer naar ons toe,--het -kwam nader, wij herkenden onze broeders - - - - -Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar zijne eigene -behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar de -herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds -vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen -dit hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt gelukkig -waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons verheugden. Ook -mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de mensch die zich in -de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen bevindt, zich inniger -verbonden gevoelt met den mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij -in naauwer betrekking tot hem staat dan in bevolkte steden.--Mijne -broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen, door middel van -daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met Bamboesbuizen, -matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede waren zij -overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons bevonden. Dewijl -echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste Javanen die als -roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee personen kon dragen, -besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons vieren (met Avondrood) -het nieuwerwetsche vaartuig, terwijl mijn broeder Nacht, in gezelschap -van Morgenrood benevens de bij ons behoorende Javanen, zijn weg -nam langs den oever van het meer, ten einde op die wijze de hutten -te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij aldaar ten 12 ure aan en -bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich regt comfortabel hadden -ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid tusschen het geboomte -en in de grootste (waaraan de eenigzins hoogdravende benaming van -"Pasanggrahan" was gegeven) waren de bedienden juist bezig om de tafel -te dekken. Mijn broeder Nacht en ik sprongen eerst in het meer, om een -bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld te volgen, -dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De Javanen -zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken, dewijl zij -uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water, en uit -dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in het -laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal daags -te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen (Boeaja), -hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op zulk eene -hoogte waarop dit meer gelegen is (4790 voet boven den spiegel der -zee), ja, zelfs veel lager geene krokodillen meer gevonden worden. - -Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij die gelegenheid -nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren blijven zitten, -ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel, ten einde -ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch gebruik -vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn meester, -ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt, bestaande -uit rijst, Keri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch, gebradene wilde -eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons uitmuntend -smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden wij -het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen -maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten, -van waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning -gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut, -welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel -zaten, kwamen de Koeli's reeds! aan met onze pakkaadje, die weldra -geopend en in de voor ieder onzer afzonderlijk bestemde hutten werd -gebragt. Nadat wij verzadigd waren en het overschot van onzen maaltijd -weder aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte -rijst, werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten -(Tikar), die vóór den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid; -hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de -overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar 's lands gebruik -bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten met de -beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu insgelijks -hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun als bord, de -vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte Spaansche peper was -hun geliefkoosde specerij.--In dit land der onbegrensde gastvrijheid -en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van morgen zal baren, zou het -hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der spijzen van een gehouden -maaltijd voor zich of voor den volgenden dag te bewaren. De Adat -vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de bedienden of Koeli's -wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten, aan de honden (indien er -zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het meer wordt gegeven.--Met -genoegen beschouwden wij de bonte groepen Javanen die daar op den -grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette spijzen nuttigden, -schertsten en lachten,--vervolgens zich plat op den rug nedervleiden -en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en insliepen. - -Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven voorbeeld, begaven ons -in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de met matrassen belegde -Balé balé's die in het rond nevens de wanden waren geplaatst. Weldra -hadden wij elkander wederzijds onze ontmoetingen medegedeeld en -kreeg het gesprek eene andere wending, hetwelk nu over godsdienstige -onderwerpen werd gevoerd. Mijne broeders Avondrood en Morgenrood -schonken, algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat -ten doel had, de invoering van het Christendom op Java op grond van -degelijke bewijzen te bestrijden; maar deze bewijzen benevens het -stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in plaats van -het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen, wenschten zij -nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de doelmatigheid onzer -pogingen te kunnen beoordeelen.--Ik begaf mij derhalve naar mijne hut, -haalde het handschrift en las mijne broeders de 25 hoofdstellingen -voor der "natuurlijke godsdienst en zedeleer," zoo als ik die vroeger -het eerst in onze taal had te boek gesteld. (De Maleische overzetting -was later bearbeid geworden en bevatte slechts een kort overzigt er -van.)--Aan menige stelling viel de onverdeelde bijval mijner broeders -ten deel; op het hooren van anderen schudden zij het hoofd of gaven -hun ongeduld op de eene of andere wijze te kennen. Toen ik geëindigd -had, heerschte er gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte -welke door Avondrood met de navolgende woorden werd afgebroken. - -AVONDROOD. Lieve broeder! Uw streven: het bijgeloof met redelijke -bewijzen te bestrijden en tegenover de dwalingen natuurwaarheden te -stellen, mag lofwaardig worden genoemd. Het is het eenige middel om den -weg te banen ter invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst -en om Java te behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er -aan willen berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij -in de plaats van het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te -zien, kan mede niet anders zijn dan een overgangsmaatregel en in zoo -verre--als een overgangstoestand daardoor wordt te weeg gebragt--wel -is waar nuttig, echter niet bestendig van duur zijn, dewijl zij niet -de volkomene waarheid bevat. - -Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen verklaren, toen -eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep rollend geluid -'t welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat het tijdstip van -den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp verzadigde hoogere -luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen. Terstond daarop -vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote vallende droppelen, -dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van den regen welke -zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde. Onze bedienden -snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles zorgvuldig gesloten -was en werden later weggezonden met het uitdrukkelijke bevel, dat -zij tegen het invallen der schemering (na 6 ure) ons avondeten gereed -moesten maken, doch zich overigens tot dien tijd van alle zorg voor ons -ontslagen konden rekenen, indien zij niet geroepen werden. De gevolgen -van een onweêrsregen in het gebergte kenden wij te goed, dan dat wij -ons niet geluk wenschten: vóór het invallen er van onder dak te zijn -gekomen.--Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger gelegene, -bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke, westelijke -gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij vóór twee ure, -en kan het zijn vóór een ure des middags ter bestemder plaatse zijn -aangekomen. In het binnenland van Java bestaat weinig onderscheid -tusschen den droogen en den regenachtigen moesson. Des nachts en -gedurende den voormiddag is de hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1 -en 3 ure echter begint het in 't gebergte bijna dagelijks te regenen, -onverschillig in welk jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem -opgelost en herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot -over de enkels inzinkt,--een troebel, modderachtig water stroomt -den reiziger van alle zijden der berghellingen te gemoet,--de tot -stroomen opgezwollene beken kan men niet meer doorwaden en de bliksem -die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van -het geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is -waar, dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen -van den nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt, -zoo niet geheel en al afgebroken. - -Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte drooge hut zoo -vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is waar, het scheen -dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van de streek waar -wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een fijne regen zoo -gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er van konden -rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des dampkrings -(welke 65° Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om naar buiten -te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere ondernemingen voor -heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze hut blijven -en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent onze -godsdienstige beschouwingen. - -Avondrood werd nu andermaal uitgenoodigd om zich nader te verklaren -nopens den vroeger door hem geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te -kennen dat hij dit, naar zijn oordeel, het best zou kunnen doen door -ons een geschrift voor te lezen, waarin hij zijne wijze van beschouwen -had uiteen gezet; uithoofde dit handschrift echter tamelijk uitgebreid -was, durfde hij--zonder vooraf verkregene toestemming daartoe--met -de lezing er van geen begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons -geduld daardoor op eene te sterke proef te zullen stellen. - -Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend waren -zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende -geloofsbekentenis voorlas, welke hij de zijne noemde. - - - - - - -GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER AVONDROOD. - - "Was wär ein Gott der nur von Aussen stiesse, - Im Kreis das All am Finger laufen liesse? - Ihm ziemt's die Welt im Innern zu bewegen, - Natur in sich, sich in Natur zu hegen, - So dass, was in ihm lebt und webt und ist, - Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst." - - Göthe. - - -God is de bezielde natuur. - -De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de kracht van -de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, welken -zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de natuur -stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de natuur èn -zich zelven in den eigenlijken zin des woords God'loos. Zij verlagen -de schoone, overal levende en in millioenen polsen slaande natuur -tot een geesteloos, mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode -wetten blind gehoorzaamt en van buiten de kracht moet ontvangen, -welke het drijft.--Voor mij zou de natuur al hare bekoorlijkheid -verliezen, indien ik haar als zoo een werktuigelijk knoeiwerk moest -beschouwen.--En wat maken de dualisten van hunnen God dien zij uit -de natuur hebben verdreven?--een horologiemaker die het raderwerk -heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar nederzit -en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe alles -gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven. - -Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag -beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een -zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege zie, -dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel -zijn. Er is derhalve niets dan de natuur, welke alles is. Maar even als -ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze hersenen tot ontwikkeling -komt, zoo moet insgelijks de natuur, als geheel, eene ziel hebben, -welke algemeen bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd -eeuwig en onvergankelijk--beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte, -de bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de -wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden, -geindividualiseerd,--gebonden even als latente warmte. Deze verbinding -is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot bijzondere -gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk getrouw van -de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische krachten, -welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen behooren; -zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats heeft, -zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij zich -uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij aanneemt,--in -deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den kever, in het -werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), zoowel in -de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, soorten en -individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den volkomen tot -rijpheid opgewassen mensch; deze uiting staat in zulk eene bepaalde, -als het ware aequivalente verhouding tot de bewerktuiging van elk -afzonderlijk wezen (den vorm en chemische zamenstelling), dat het -resultaat der ontwikkeling van het stille (passive) plantenleven tot -aan het menschelijke bewustzijn, van de kunstdrift van het insekt -tot aan den hoogsten trap van zedelijke ontwikkeling des menschen en -tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen in wetenschap en kunst, -niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van de onderscheidene en -onder verschillende omstandigheden plaats grijpende zamenwerking -van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en zeer grondige -natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij kennen geen -anderen God dan de natuurnoodzakelijkheid, geene andere krachten -dan die welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen -verbreide physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen -eigenaardige chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof -aan onweegbare stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene -ziel als een verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen -ongegrond bijgeloof. Maar--tegen deze gevolgtrekking van zoogenaamde -materialisten kunnen eenige gewigtige bedenkingen in het midden worden -gebragt. Ik wil niet spreken van eene zedelijke wereldorde, van een -zedelijk beginsel in den mensch, van den onuitputtelijken rijkdom -en de kracht van gedachten welke zich in de kunsten en wetenschappen -heeft geopenbaard,--ik wil niet spreken van de moeijelijkheid om den -verbazenden rijkdom aan gestalten in de dieren- en plantenwereld, -die echter voor elke soort niet alle organen welke het ligchaam heeft, -met alle eigenschappen en aandriften die het dier bezit, onveranderd -blijft,--of niet gewagen van de moeijelijkheid om de verscheidenheid -der geslachten bij eene en dezelfde soort af te leiden uit de algemeen -verbreide natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, electriciteit, -magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en capillaire -aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige chemische -krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen, [41]--ik wil -slechts aan een feit herinneren, aan het bewustzijn in den mensch, -die van zijn aanwezen, van den toestand waarin hij zich bevindt en van -zijne eigendommelijkheden duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft -dat zijn oorsprong?--Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn, -al is het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch -geene physische of chemische kracht worden geheeten. - -Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene kracht, geene -stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof nieuw ontstaan -kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet beschouwd worden als -van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders dat geene grondstof -in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, waaronder zij zich -voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide grondstoffen van -het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de zamenstellingen welke -zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten onophoudelijk afwisselende -verbindingen aan; maar hare massa ziet zich met geen enkel atoom -verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de krachten, zoowel -de physische welke tot de stof in het algemeen, als de eigenaardige -chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen en hunne -verbindingen, onveranderlijk dezelfden. - -Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit eene onweerswolk -naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar slechts -de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide (electrische) -kracht, derhalve voortvloeit uit eene reeds lang bestaande bron, -op gelijke wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene -reeds bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn -elken dag geheel nieuw--uit niets--in millioenen van menschen zich -ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch -den mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen, -al zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling -brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder -dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen -kan?--Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de zuur-, -kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, aardsoorten, -enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde voedingsmiddelen -bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer voortdurende -stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet harer -wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar eigenaardige, -door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met elkander te -verbinden, gehoorzamen en die zonder te weten wat zij doen, bloed, -beenderen, spieren, hersenen en andere deelen vormen,--zouden het deze -krachten der elementen zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is -ontstaan, plotseling beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou -het bewustzijn kunnen voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid -bezit en aan het kind, het schepsel, den mensch eene hoogere mate van -volkomenheid eigen zijn dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem -het aanzijn gaf; zou hij rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze -slechts wetten en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos -haren invloed doen gelden?--in deze natuur waarvan hij toch zoo -geheel afhankelijk is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid -ondervindt en de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan haar -is verbonden?--Dat toch zou het grootste van alle wonderen zijn, -waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven! - -Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede als met de wetten -der natuur.--Het feit van het aanwezen van eene bewustheid in den -mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn veronderstellen, -eener natuurziel, die zich van gene stoffen en van de daarin aanwezige -krachten slechts als middelen bedient om, naar eeuwig onveranderlijke -wetten, in de plant als plantenziel, in het dier als dierenziel en -in den mensch als menschenziel tot ontwikkeling te geraken. - -Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit bewustzijn tot ons -komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat ons denkvermogen -met stoffelijke krachten allengs in ons ontwaakt; de loop der gansche -zaak schijnt ons raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in -het ei, het bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons -het tijdstip niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste -maal tot ons zeiden: "ik ben;"--thans zijn wij echter inderdaad en het -bewustzijn is in ons ontwaakt----; laat ons voor een oogenblik in eene -nadere beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben -niet, gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal -een afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen, -min of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd -geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit -de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die -deze kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de -natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen -heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen, -als het ware de wegen te leeren kennen, welke de electriciteit -volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, totdat de -schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!--Zouden wij nu daarom -niet aan het bestaan der ziel gelooven, dewijl voor ons kenvermogen -de weg in duisternis is gehuld, langs welken zij in ons binnenste komt? - -Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, is tevens het -eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, dewijl alle -andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het bewustzijn -uitgaan en daarop steunen. - -"Ik denk, derhalve ben ik." Ik ben: God is.--Dit heet inderdaad: ik -ben God, gij zijt God, hij is God; gindsch zachtaardig meisje hetwelk -den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer als -deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en hem -van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te maken,--en de -gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de arme geit welke hij -heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen muil wegsnelt.--God -is de (bezielde) natuur. Buiten haar is niets. - -Uit deze leer volgt: ten eerste dat het voortbestaan der menschelijke -ziel na den ligchamelijken dood slechts in zoo verre denkbaar is, als -aangenomen mag worden dat de algemeene wereldziel alle eigenschappen, -welke het deel zijn onzer geïsoleerde d. i. menschelijke ziel -en waaronder herinneringsvermogen, geheugen moeten gerangschikt -worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad van volkomenheid -bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God latent is (als het -ware zich zelven niet meer kent), opgehouden heéft te bestaan, moeten -wij, hiernaar te oordeelen, wederom een integrerend deel der algemeene -zielkracht (der Godziel) worden; maar de herinnering onzer bij deze -ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in den toestand van het vrij -zijn aan dien van het gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De -menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding -als vrije tot latente warmte.--Aan te nemen dat de menschelijke ziel -ook na den ligchamelijken dood nog geïsoleerd--als op zich zelve -staande--zal blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven, -dat elke afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is, -terwijl toch slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit -welke den bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is -het mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk -of individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat -het ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële -aanzijn overgegaan is, noch vorm noch inhoud meer bezit?--Slechts -als algemeene geestelijke kracht is het bestaan der ziel denkbaar, -dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, wel is waar, veranderlijk -en aan afwisseling onderhevig) als geheel beschouwd inderdaad vorm -en inhoud heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke -ziel daarentegen kan als beperkt wezen, als individu slechts zoo -lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof blijft -voortduren.--Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke zielen -moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van -elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich -onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op -dien voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het -oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een -tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig -waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen -van jaren had bestaan. Slechts hetgeen nimmer een aanvang had, dat -kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen echter zijn slechts -gedachten Godes en kunnen alléén in zijne herinnering voortleven. - -Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk ligchaam twee -koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke ligchamen -bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden zijn, -gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en Eng -in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche -gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des -ligchaams aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van -22 jaren bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en -verrigtingen des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen -en de gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het -ligchaam wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider -brein. Hoe zal nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze -afzonderlijk moeten voortleven? - -Ten tweede. De mensch bezit geen vrijen wil, evenmin als de plant en -het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij een vrijen wil bezit, -wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, moet zij zulks niet -doen?--Weet de kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd, -waaruit zij haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een -regelmatig web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt uitloopen -om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft het van -haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin is?--spint -zij daarentegen niet, dewijl zij door hare bewerktuiging, door eene -zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe gedwongen is?--Is de hond -vrij, wanneer hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw, -waarom hij hond is? kan hij het veranderen--is de mensch in staat -te veranderen dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte -haren heeft? Heb ik het geringste tot mijn ontstaan bijgedragen, ben -ik niet geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal -ik niet op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef, -van de wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen, -wanneer deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal plaats -grijpen?--Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, terwijl -ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet in -Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat -mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard -van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb overgeërfd -van mijne moeder?--Weet ik waarom ik een afkeer gevoel voor wortelen -en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik gaarne spinasie en -bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al gedwongen? Hoe kan de -mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al hetgeen aan hem is, -zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en juist zoodanig -als het is, hem gegeven is geworden?--Slaat zijn hart niet naar -werktuigelijke en natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en -zoo vele malen in elke minuut zonder zijn toedoen,--haalt hij niet, -geheel onbemerkbaar, zoo en zoo vele keeren adem in elke minuut en -moet hij dit niet doen, ten einde niet te stikken en op die wijze het -leven te verliezen? Dwingt de honger hem niet om voedsel tot zich te -nemen, noodzaakt de dorst hem niet tot drinken, dwingt hem de wellust -niet met kracht tot vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting -het menschelijke geslacht in stand te houden),--verpligt hem niet een -pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen (benevens -andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te verwijderen--en -houdt de vrees voor den dood hem niet terug van in het water te -springen, dewijl hij in het leven blijven moet?--In dit alles ligt -niets vrijwilligs. Nu echter zegt men, "de geest, de ziel is toch -vrij!"--Neen; ook deze is niet vrij. Ziel en ligchaam, kracht en -stof zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de stof -gegeven zoo als zij is, dat wil zeggen, in zoodanige verbinding met de -bewerktuigde stof dat zij zich onder de bepaalde omstandigheden welke -invloed er op uitoefenden, niet anders ontwikkelen kon en zich thans -niet anders uiten kan dan--juist zoo als zulks geschiedt. De domme -zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem afhing; de -platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem niet. De -verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te zijn) -in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en kan niet -dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij zulks, en even zoo is het den -goeden, deugdzamen mensch onmogelijk, slecht en misdadig te handelen, -terwijl de booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare -neiging tot het plegen van misdaden gedrongen gevoelt. - -Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke -omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des -menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting -van onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of -naar den schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn -voornemen van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer -gemakkelijken, maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla, -hoewel hij smal en glibberig is, of indien het leven mij ten last is -en ik aanstalten tot zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het -eene te doen of het andere te laten? is in al deze gevallen mijn -wil die tot het een of het andere besluit, niet vrij?--Neen; deze -vrijheid is eene begoocheling; onze wil schijnt ons toe vrij te zijn, -dewijl de natuurlijke band welke oorzaak en gevolg verbindt, voor -ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen te ingewikkeld, -te zaâmgesteld zijn, dan dat het verband naar de wetten die het -regelen, duidelijk door ons zou worden ingezien. [42] Dat een -dergelijke zamenhang niettemin werkelijk bestaat, dat insgelijks -de verschijnselen in den zedelijken kring waarin de mensch zich -beweegt,--zijne denkbeelden, zijne besluiten, zijne handelingen--de -noodzakelijke gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn die haren invloed -op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen van Quetelet -[43] en van Fransche en Engelsche staathuishoudkundigen, waaruit is -gebleken dat het aantal misdaden van elke soort steeds eene bepaalde -breuk van het getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de -omstandigheden onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, hoe -vele diefstallen, hoe vele moorden uit jaloezij, moorden uit hebzucht, -hoe vele kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd -van een jaar onder de bevolking der verschillende landen en klimaten -voor een bepaald aantal individuen, b. v. eene misdaad op duizend -of 600 individuen--gepleegd zullen worden. Gelijk bekend is heeft de -groote Belgische sterrekundige deze statistieke regelmatigheid in de -verrigtingen van den menschelijken geest het eerst door vaste getallen -aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze zedelijke eigenschappen, -even als de neiging: aan de verlokkingen (ten kwade) die invloed op ons -uitoefenen, aan de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor -te geven (waaruit misdaden ontstaan), aan vaste wetten gebonden zijn. - -Het regtstreeksche physiologische bewijs dat de wil door stoffelijke -bewegingen, door electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te -weeg gebragt, is in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en -anderen geleverd geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke -omtrent dit punt mede te deelen. - -Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle deelen in den -omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, waar zij digt -nevens elkander liggen. De gevoelende zenuwdraden (of gelijk men zegt -terugwaarts loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van -de oppervlakte des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze -op eenen bewegenden (of regtloopenden) zenuwdraad overbrengen, welke -nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang des ligchaams, -tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken (verkorten) en -het lid daardoor bewegen.--Eene beweging wordt willekeurig genoemd, -indien in de hersenen de prikkel der gevoelende zenuwdraden, als -gewaarwording tot bewustzijn komt, alvorens de beweging plaats heeft, -derhalve dan wanneer de gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels -tot aan de hersenen sterk genoeg voortplantte;--overgebragte -of reflexbeweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij de -prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in -de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken) -zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt -gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den -steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den -gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij -vooraf tot bewustzijn kwam);--wanneer de gewaarwording echter tot -bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar de mug slaat, dan noemt -men de beweging welke hij maakt (zeer oneigenlijk) eene "willekeurige" -beweging. Tusschen beiden bestaat echter geene scherpe grens; want -hoe onverwachter wij een wakende kittelen, des te zekerder is het -dat hij zal lagchen, en menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de -onwillekeurige beweging reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts -nog den zwakken nagalm des donders welke hem heeft doen ontwaken. - -Even als het geval is met de prikkels welke door middel van het -zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het ook -gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van het -oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot het -verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde, -maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede -aan de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar -de andere organen of ligchaamsdeelen. - -Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid gedaan, -hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden door -middel van electrische stroomingen in de zenuwen en spieren, en wij -kunnen den arm niet buigen zonder dat een electrische stroom van de -hand naar den schouder gerigt worde. De electrische stroomingen en -hare veranderingen kunnen wederom slechts ontstaan ten gevolge van -veranderde stoffelijke toestanden in de zenuwen en in de hersenen -(te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), en derhalve kan zonder -eene dergelijke stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen. - -De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van een zoogenaamden -vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de noodzakelijke uitdrukking -van een toestand der hersenen, ontstaan en gewijzigd door een invloed -van buiten. Zelfs wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming -doet, is dit geene daad van den vrijen wil; want de proefneming is -het gevolg eener gedachte en de gedachte is eene beweging der stof, -welke zelve wederom het gevolg eener zinnelijke waarneming was. - -Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van het -hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf -geheel gedwongen is hetgeen hij is,--daar hij niet in staat is het -kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen, -wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste -gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van -een eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: "tijd, sta een -oogwenk stil," en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar -zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort, -de gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan -vrij zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door -overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! "De mensch is het -gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en -weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en licht." Zijn -wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, gebonden aan -eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te weeg gebragt, -herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene regte rede -tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de beschouwing welke -ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op 't papier brengen er van, -ja, slechts een enkele der daarin voorkomende woorden, het resultaat -van mijn vrijen wil zijn?-- - -Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik kan niet anders denken, -ik moet zoo denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg -van oorzaken, die hare werking op mij hebben uitgeoefend en waarvan -eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare -personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter -naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot -nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der -eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd -en ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte zelf is, d. i. God, kan -een vrijen wil hebben.--En indien iemand gelooft dat Jezus ten hemel -gevaren is, een ander daarentegen het niet gelooft, zelfs zijne stem -er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een -schadelijk bijgeloof verwerpt: wie van beiden heeft dan een vrijen -wil?--beide?--of is het gelooven bij genen en het niet gelooven bij -dezen niet een gevolg van natuurlijke oorzaken en omstandigheden des -levens, die op ieder van hen op verschillende wijze en in verschillende -mate invloed hebben uitgeoefend?--Kunt gij, broeder Dag, b. v. gelooven -wanneer gij wilt, dat God een zoon of eene dochter, of eene moeder -en grootmoeder heeft? Ik betwijfel het en even onmogelijk zal het -genen zijn, zoo te denken en te gelooven of niet te gelooven, als -de ziel in uwe hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt -ons tot hetgeen wij zijn. Wij moeten zoo handelen, zoo denken gelijk -ieder doet. "Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen," -zeide Luther en ik voeg er bij: wij denken eigenlijk niet, wij leven -niet,--wij zijn hier niet uit eigen wil, wij zijn niets uit vrije -keuze,--vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer zijn:--wij -worden geleefd. Wij zijn gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder -den invloed der algemeene natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt -(gelijk een nieuwe, geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke -magten--rede, wil en liefde--welke ons bezielen, drijven, beheerschen -en die volstrekt onweêrstaanbaar zijn. Er kan slechts een vrije wil -in de gansche wereld zijn en deze zelfs schijnt ons toe niet vrij -te zijn, dewijl hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij -(zoo ver menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken. - -Ten derde. Er bestaat geen absoluut onderscheid tusschen goed en -kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke tegenstelling, de -schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn goed in hunne -eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger of wolf -onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen is -eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?--Indien nu -echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste -wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg -van voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor--'t is waar--aan -de zedeleer, in den gewonen zin, haar grondslag ontnomen en de -toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid van het individu houdt -op te bestaan. Er behoort derhalve een andere maatstaf ter hand te -worden genomen ter beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd -en ondeugd, dan vroeger is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet -worden gevonden in de natuur des menschen zelve.--"Goed is, hetgeen -op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de behoefte -der menschheid; kwaad is, dat strijdt met hetgeen zij vereischt--en -het regt om te straffen ligt in de ingeschapen zucht tot zelfbehoud, -welke het geslacht beheerscht. Het regt daartoe wordt grooter naar -gelang van de behoefte er aan. De straf zelve wordt slechts dan -tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de doodstraf) onmenschelijk, -wanneer zij gruwzaam is." - -Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets anders over, -dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te keeren en -het gemis aan vrijen wil als eene praktische waarheid te beschouwen, -maar daarentegen theoretisch aan te nemen en zich in te beelden dat de -mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig hiernaar te handelen, -hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds ieder doet.--De -tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen wil een verlammenden, -verzwakkenden invloed op het karakter zou uitoefenen en dat de -leer der onverantwoordelijkheid het individu tot zucht naar genot, -tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten zou vervoeren, -steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de wil aan -vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is en -de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te -vieren.--De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de overtuiging, -dat de deugdzame en wijze mensch meer geluk en meer genot in het leven -zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten en -hen aansporen op grond hiervan naar deugd en wijsheid te streven. - -Tegen deze mijne beschouwing--welke God voor de natuur zelve -houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil zeggen -gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met -verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze -der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,--mag de tegenwerping -niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een kluchtspel zou -schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, waarin geen zin, -geen redelijk doeleinde is te ontdekken!--Wanneer ik u thans vraag -wat dan naar uwe wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens -zijn moet,--waar dit bonte, veelvormige en aan vele wisselvalligheden -onderhevige aanzijn der schepselen die elkander menigwerf verslinden, -zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk drijven der menschen zou -geleiden, die elkander zoo menigwerf beoorlogen en in den krijg of -door epidemische ziekten dikwerf bij duizenden plotseling weggeraapt -worden en die op elkander bij millioenen van geslachten volgen, -waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane -opgroeit;--wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is -der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde -wereld? welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan "nescio," of -"zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest," of indien -gij toch iets wilt zeggen om althans een streven naar een doel uit -te drukken en waartoe geologische nasporingen gegronde aanleiding -geven: "de wereld ontwikkelt zich naar een onbekend! doel; alles -wordt beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige -herschepping en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene -voorwaarts strevende, meer de volkomenheid naderende ontwikkeling; -waar en waarmede deze echter aanving en waarheen zij zal geleiden, -wanneer en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets bekend." - -Wat betreft de ontwikkeling der bewerktuigde wezens, ten deze opzigte -wordt door de meeste natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed, -dat de onderscheidene soorten van planten en dieren niet dadelijk -van den aanvang af die mate van volkomenheid hebben bezeten, welke -wij thans bij hen waarnemen, maar dat in de groote geologische -tijdperken scheppingen van hooger bewerktuigde planten en dieren -op lager staande, op meer eenvoudige zijn gevolgd en dat minder -volkomen wezens gedurende den loop van duizenden, ja, millioenen van -jaren--door van lieverlede plaats grijpende veranderingen in hunnen -bouw, welke gelijken tred hielden met veranderingen van klimaat -(warmte, drukking der lucht, vochtigheid, grooteren of geringeren -rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele andere omstandigheden in -verband staande met de natuur, welke hen omringt),--zich tot hoogere -volkomenheid hebben ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook -de mensch niet van den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook -hij verschillende physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede -ongetwijfeld ook de telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even -als alle andere hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft -de mate harer volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van -sommige nieuwe onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen, -dat de menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze -oudste voorvaderen apen (Chimpanse's of Orang oetang's en Pongo's) -zijn geweest, daarin moge voor onzen trotsch iets vernederends -gelegen zijn; maar het is niet te min waar, dat de ligchaamsbouw -der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op de aarde leven, de -oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland (Australië)--in den vorm -van gelaat en schedel, dikken buik, hunne lange, smalle ledematen en -dunne kuiten--eene groote mate van overeenkomst hebben met de vormen -der hoogere aapsoorten, welke zij in hoedanigheden des geestes slechts -weinig overtreffen, dewijl zij eene hoogst onvolmaakte taal hebben, -een geheel dierlijk leven leiden, geene vaste woonplaatsen bezitten, -geene hutten bouwen en niet verder dan tot 7 kunnen tellen. Door de -geloofwaardigste reizigers is daarentegen bevestigd geworden, dat de 5 -à 6 voet hooge Chimpanse (Pithecus Troglodites) hutten bouwt, zich bij -het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen uitdeelt, -negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige gevangenschap -houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer gemakkelijk kan leeren -aan tafel aan te zitten even als een mensch, of achter den stoel te -staan om te bedienen.--Dat de geestvermogens bij de dieren van die -des menschen niet in aard (qualitatief), maar slechts in de mate welke -zij er van bezitten (quantitatief) verschillen, dat leert ons op eene -onwedersprekelijke wijze eene onbevooroordeelde beschouwing hunner -zielsverrigtingen en eene opmerkzame vergelijking van hunne hersenen -en van hunnen schedel met dien van het Australische menschenras, -der negers en van het Kaukasische menschenras. "Door het verstand -van den hond bestaat de wereld," zegt een der oudste gedenkteekenen -van menschelijke beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta, -en langs welken weg, in welke verbinding met organische stof, -in welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen -(dat wil zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand, -tot ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet. - -Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel dat het gevolg -is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, waaruit steeds -edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der verschillende -menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der soorten -(species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en -aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar, -bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat -geene tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden -voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het -gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van -een hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in -den regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring -zeer beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal -soorten.--Niet alle gevallen waarin individuen van onderscheidene -diersoorten zich gepaard en bastaarden geteeld hebben die weder -vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis gekomen. Van het konijn -(Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas (Lepus timidus L.), en -van dezen met den Alpen- of witten haas (Lepus variabilis L.) is -het echter bewezen; ook de bastaarden van gemzenbokken (Antilope -Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus L.) [44], van vossen -(Canis vulpes L.) met teeven (Canis familiaris L.), van honden met -wolvinnen (Canis Lupus L.), en van steenbokken (Capra Ibex L.) met -geiten, waren vruchtbaar. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om -aan te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig -werd waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten -vruchtbare bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner -geslachtsdeelen zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En -mogten de bastaarden van eenige dezer dieren thans onvruchtbaar zijn, -dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de bastaarden -van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den invloed -van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.--Om kort te gaan, -het voortteelingsvermogen der bastaarden van een aantal verschillende -diersoorten van den huidigen tijd is bewezen. Stel nu, dat eenige -Chimpanseapen negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden, -door haar gebaard, onderling zich voortplanten, later dan weder met -negers of Australiërs (welke laatstgenoemden onder de menschen op -den laagsten trap staan en het meest met Chimpanse's overeenkomen) -zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere -volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen, -en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en -kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer -laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen, -geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben dan tusschen -Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed gevormde -Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen vetstaart draagt -gelijk de schapen in haar land inheemsch, maar niettemin aan haar -ligchaam zeer overeenkomende uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid -van dit land en zijn klimaat vertoonen kan, even als het schaap. - -Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op 5 à 6000 -jaren vóór onzen tijd; de niet opgehelderde duisternis, waarin de -oorsprong van het menschelijke geslacht zich verliest, strekt even -zoo zeer ter bevestiging van de hier voorgedragene beschouwing, -als de trapsgewijze opklimming van het eenvoudigste tot het meest -zaamgestelde, welke in de gansche natuur wordt waargenomen, en even zoo -zeer als de slechts van lieverlede meer volkomen wordende, voortgaande -ontwikkeling van elk individu,--en de reden er van is waarschijnlijk -juist hierin gelegen dat de mensch niet onmiddellijk als zoodanig, in -die volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt, -geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype -langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had, -om uit zijn half dierlijken toestand welke overeenkwam met dien der -Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland, -tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en -familien- of rasgewijze te veredelen, te ontwikkelen. - -Daar echter de wereldziel welke zich met de stof verbindt ten -einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons raadselachtige, -misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op geene andere -wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen welke -zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, en -welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke -zamenstelling dezer organen--b. v. met het spinwerktuig bij de spin, -met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere hersenen bij -den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder talrijke, in -hunne omtrekken onderling meer overeenkomende schiereilanden hebben), -met de grootere en zich vooral door een veel grooteren voorhoofdslap -kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de hemispheren de -kleine hersenen geheel en al bedekken),--kan hieruit, wel is waar, -het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het menschelijk geslacht zoowel -naar het ligchaam als naar den geest steeds tot hooger volkomenheid -zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit eene nieuwe bevestiging -van mijne beschouwing: dat de mensch geen vrijen wil hebben kan. - -Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld zou -moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat hij de -drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den krokodil, in den -vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; dat dezelfde -God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met opofferende -liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton nadenkt -over de wetten van het zuiver verstand, of over de zwaartekracht welke -de gansche wereld beheerscht,--insgelijks in genen dief of moordenaar -werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen der roekelooze daad, -of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman inbreekt om hem te -berooven, of in dien vijand des lichts die op den drievoudig gekroonden -stoel te Rome zit en plannen smeedt om het menschelijke geslacht in -onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen te klinken;----dit toch -zou geene wederlegging mijner beschouwing, hoogstens eene tegenwerping -mogen heeten, waarop ik u onder anderen zou kunnen antwoorden, dat -de tijger die het lam verscheurt, of de kat welke eene vreedzame -muis van het leven berooft, indien zij over hunne handelwijze konden -nadenken, zeer zekerlijk in hunne eigene oogen, even als in de onzen -volkomen geregtvaardigd zouden zijn, dewijl de ijzeren natuurwet -hen onweêrstaanbaar dwingt andere levende wezens te vermoorden, -ten einde zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke -wijze elke dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging -voor zijne misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen -opgeven welke hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad, -in zijne eigene oogen regtvaardigt. - -Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en kwaad, dewijl elke -maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een vergelijkende of -betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad van beschaving -dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij staan en van waar -wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een persoonlijken God -kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want stel, dat gij God -van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den bok laat zitten -en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene handen nemen, -ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld werkzaam zijn, -in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf te besturen: -dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God insgelijks den -tijger bestuurt, zoomede den teugel des wolfs die met het lam in den -bloedigen muil wegsnelt, in de hand houdt,--dat hij mede aan den -moordenaar, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit liever -wenscht te hooren) de teugels somwijlen loslaat, opdat de dief of -moordenaar zijn eigen weg gaan en de misdaad bedrijven kan. Gij moet -dan toch toestemmen dat uw persoonlijk regerende (almagtige) God het -kwaad, het booze, de zonde, het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan -van een schip, aan boord waarvan zich 72 ten deele zeer onschuldige -en goede menschen bevonden, toelaat.--En nu vraag ik u, heeft het -niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin betreft, ten -slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de Christenen -doen: "de persoonlijk regerende, Almagtige God laat het booze toe, -veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven -en te moorden,"--of wanneer men zegt gelijk broeder Avondrood doet: -"de tijger, de moordenaar is God zelf, dat wil zeggen eene vereeniging -der wereldziel met verschillendsoortig gevormde stof."-- --? - -Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de stof en de uit -de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne verbeelding -bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is in der daad -niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich zelven te -staan:--eene som van menschelijke eigenschappen, die men zich in eene -oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van al-magtig, -al-goed, al-wijs. Er kan evenmin een God zijn zonder wereld, als -eene kracht zonder stoffelijken drager. Even als het wezen van elk -afzonderlijk ding de som zijner eigenschappen is, zoo kan God niets -anders zijn dan de som van de eigenschappen der natuur, dat is het -wezen der natuur, of met andere woorden de natuur zelve. - -Vele menschen vormen zich van datgene 't welk men het "wezen" van iets -noemt, de wonderlijkste, verwardste denkbeelden. Het zal misschien -niet ongepast, maar in tegendeel hier de regte plaats zijn om aan te -toonen, zoo als reeds Spinoza heeft geleerd, dat het wezen van iets -niet anders is dan de som zijner eigenschappen. Ten einde dit te -bewijzen, moeten wij datgene hetwelk gewoonlijk stof, materie wordt -geheeten, wat van naderbij en grondiger beschouwen en ik verzoek u, -waarde broeders, mij tot dat einde nog gedurende eenige oogenblikken -uwe aandacht te willen verleenen. - -Ontleden wij dit begrip "stof" en kiezen wij tot voorwerp van ons -onderzoek eenig ligchaam naar welgevallen, welks eigenschappen ons -het best bekend zijn, b. v. het papier waarop wij schrijven, dezen -inktkoker met hetgeen hij bevat, of een billardbal, eene ijzeren staaf, -of dit stuk gemunt goud dat ik hier in de hand heb. - -Dit goud heeft de navolgende eigenschappen, welke ik door -middel van mijne zintuigen deels regtstreeks kan waarnemen, -ten deele eerst na in het werk gestelde proefnemingen kan leeren -kennen. Het heeft--1o. uitgebreidheid, volumen, dat wil zeggen het -beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander -ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen, -"ondoordringbaar." Zijne kleinste deelen worden door "cohaesiekracht" -aan elkander gehouden.--2o. Het bezit logheid (traagheid, vermogen -om weêrstand te bieden), dat wil zeggen, het kan geene verandering in -zijn toestand te weeg brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve -liggende oorzaak noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van -rust in beweging te brengen.--3o. Het bezit de eigenschap (ten gevolge -van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te veranderen, -namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte te beslaan; -het laat zich tot in zekere mate zamendrukken en door middel van warmte -uitzetten; een hoogen graad van warmte geeft aan de kleinste deeltjes -"uitzettingskracht," ten gevolge waarvan hun aggregatie-toestand -verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs gedeeltelijk dampvormig -wordt.--4o. Het beslaat de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande -zijne digtheid, niet volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst -kleine (onzigtbare) tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen -eene plaats kunnen vinden, door welke b. v. water kan heendringen, -wanneer men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer -zware drukking blootstelt; het is derhalve poreus.--5o. Het is in -kleine en immer kleinere deelen deelbaar, welke eindelijk zoo klein -zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet meer kan -waarnemen en dat het bestaan er van als "atomen" slechts gedacht kan -worden.--6o. Het is zwaar, dat wil zeggen, het bezit de neiging om -naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de -vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere -ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit. - -Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke eigenschappen, -waardoor het zich van alle andere ligchamen onderscheidt. Het -heeft een soortelijk gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19 -3/10 maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water, -dat wil zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen -(19,325) meer dan van water.--7o. Indien de gewigtsverhouding (het -zoogenaamde chemische aequivalent) van de waterstof gelijk 1 gesteld -wordt, dan heeft het de eigenschap zich in de gewigtsverhouding -van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te vereenigen. Het -aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele gewigtsdeelen -(grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en nimmer een -grooter, nimmer een kleiner aantal gewigtsdeelen (grein, lood, -enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en evenzoo verbindt zich -driemaal zooveel chloor met hetzelfde aequivalent (196,4) goud tot -drievoudig chloorgoud.--8o. Deze eigenschap om zich met chloor tot -drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer men het -in koningswater (een mengsel van chloorwaterstof- en salpeterzuur) -oplost; dan vormt het eene geele vloeistof, die geene der vroeger -genoemde en volgende eigenschappen van het goud meer bezit en -waaruit enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en -deze wederom met verschillende eigenschappen daargesteld kunnen -worden. Alle andere zuren echter, zoomede zwavel oefenen er -geenen invloed op uit, evenmin als de zuurstof des dampkrings, -waardoor het niet aangedaan wordt; het roest niet en behoudt -voortdurend zijn glans.--9o. Het is een goede geleider van warmte -en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit) -bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke -vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul -graad tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt, -dan is deze hoeveelheid voor het goud slechts 0,0324.--10o. Het smelt -bij sterke witgloeihitte (van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de -stroom eener sterke electrische batterij door een gouddraad wordt -ontladen, zelfs dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het -in teerlingvorm.--11o. Het bezit de hoogste mate van rekbaarheid, -meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren tot zeer dunne -blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan lood en wordt -in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters eerst door een -gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander gescheiden.--12o. Het -heeft een sterken glans, is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap -die lichtstralen terug te kaatsen, welke ons geel toeschijnen. - -De som dezer eigenschappen is het wezen van het goud. Stellen wij ons -nu voor, dat deze eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud -worden ontnomen, wat blijft er dan van het goud over?--Antwoord: -geen GOUD, derhalve niets, volstrekt niets.--Ontnemen wij er -b. v. de twaalfde eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het -goud de eigenschap: lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet -bezit, dan zou het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben, -maar daarentegen doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor -ons volkomen onzigtbaar;--nemen wij verder voor den oogenblik aan -dat zijne onder no. 6 opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 malen -zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te drukken,--zoomede -zijne 1ste eigenschap, de z.g. cohaesie, de kracht van zamenhang -zijner kleinste deeltjes, waardoor het zijne bepaalde grenzen en -ondoordringbaarheid behoudt, niet aanwezig zijn,--dan zou het stukje -goud uit mijne hand spoorloos verdwijnen, dewijl al de andere negen -eigenschappen slechts in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn, -met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn -massief of regulinisch goud te noemen.--Indien ik op gelijke wijze -de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen -van den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne -geringe zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds -bij 44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige -kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten -gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in -de duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed -des dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid, -enz.,--wat blijft er dan van den phosphorus over?--Natuurlijk: geen -phosphorus, derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets. - -Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven zoogenaamde -stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als zamengestelden, -bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing onderwerpen, -die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde slotsom -zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt geene stof -bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere soort van -stof voorkomt, slechts de hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij -grooter of kleiner getal eigenschappen is, die bij hare ontmoeting met -andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen -ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel -laten waarnemen.--De stelling derhalve dat geene kracht bestaat -welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid, -dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen -en waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het -product van eigenschappen, die onderling in verbinding tot elkander -zijn getreden en haren invloed gelijktijdig uitoefenen, waardoor zij -zich als "stof" aan onze zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke -zamenwerkende eigenschappen zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige -stoffen of elementen der scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen -hunner eigenschappen, zoo als vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur, -zwaarte, warmte laten zich door ons regtstreeks waarnemen, dat wil -zeggen, onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder -wij in den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn -bij hare ontmoeting van vreemde eigenschappen ("aanraking met andere -stoffen") b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium heeten, -zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen welke water -wordt geheeten,--of wanneer het geheel der eigenschappen genaamd zink, -in aanraking komt met de som van eigenschappen, geheeten verdund -zwavelzuur, enz. - -In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen de stof -op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene langdurige -misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar juist -als ware zij het eenige dat positief aanwezig is en geeft aan al de -vereenigingen van gelijktijdige eigenschappen, welke zich onder de -gewone omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene -verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, zoo lang als aan een -eigendommelijk ligchaam of stof eene afzonderlijke benaming, totdat -het ijzer in roest is overgegaan, of het hout tot koolzuur, water -en asch is verbrand geworden. Deze benamingen mogen kortheidshalve -voor het geheel der telkens aanwezige gelijktijdige eigenschappen -volstrekt onontbeerlijk worden geacht. - -Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, vóór zijne -schaal zit, met deze zoogenaamde stoffen volkomen op dezelfde wijze, -als den criminelen regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen, -met den vrijen wil der menschen. Gene schrijft stof toe aan elke -vereeniging van eigenschappen welke de schaal zijner balans naar -de aarde doet neigen, derhalve zwaarte heeft,--deze vrijen wil aan -elken mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is -echter evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van -vrijen wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene -eigenschap, eene betrekking tot een middenpunt in het heelal, welke -zich kan openbaren in verband of in zamenwerking met eene grootere of -geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met die welke wij lood, -staal, steen noemen, maar die niet noodzakelijk met alle eigenschappen -zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen -genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus niet verbonden -is.--Zonderling toch dat de natuurkundigen juist op grond hiervan -en in tegenspraak met zich zelven deze eigenschappen "onweegbare -stoffen!" noemden, niettegenstaande zij toch, even als de zwaarte, -slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. Andere -geleerden scherpten hun verstand, om tegenover de leer der zoogenaamde -materialisten, iets geestelijks in de natuur te ontdekken. Zonderbare -misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof, -welke ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht -worden, het bestaan van stof, van materie in absoluten zin te bewijzen. - -Indien er werkelijk stof of stoffen bestonden en zij niet uitsluitend -betrekkelijkerwijze tot onze zinnelijk grove opvatting voorhanden -waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder alle omstandigheden -steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een stuk kalium op het -water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor mijne oogen spoorloos -verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van het water verbindt, het -gevormde kalihydraat in het water wordt opgelost en de vrij geworden -waterstof verbrandt),--of wanneer ik 4 deelen zwavel met 25 deelen kwik -dooreenwrijf en dan deze beide zie veranderen in zwart kwikzilvermoor -dat, door sublimatie, weder wordt omgezet in vermiljoen, hetwelk ik -tot in de allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder -dat ik in staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een -enkel der vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,--moet ik -dan hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden, -als kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest, -maar slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende -met andere tegengestelde eigenschappen, hare vroegere eigenschappen -moesten afleggen, terwijl zich in de plaats daarvan nieuwe, tot -dusverre sluimerende eigenschappen ontwikkelden. - -Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: ongetwijfeld -veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen wanneer -zij zich met andere stoffen verbinden, dewijl dan eene nieuwe stof -ontstaat welke wederom andere vormen en eigenschappen heeft; voor -elke soort van stof echter is vorm en eigenschap even onveranderlijk -als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant zijn, waaronder -zij zich verbinden;--maar waarmede, vraag ik weder, verbindt zich dan -de phosphorus--eene enkelvoudige stof--wanneer hij in de luchtledige -ruimte (geheel en al afgesloten van elke aanraking met de zuurstof -der lucht en van alle andere stoffen), alléén doordien de zon er op -schijnt of eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het -oog des beschouwers wordt omgezet in een karmijnrood poeder, dat niet -vergiftig is en in het algemeen geheel andere eigenschappen bezit -dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde destillatie in eene -koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder verlies van gewigt -in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus met al zijne -eigenschappen overgaat? Zou men ook deze verschijnselen stof mogen -noemen?--Onmogelijk; want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene -stof, eene enkelvoudige stof gelijk de phosphorus, kan overgaan -in eene andere welke geheel verschillende eigenschappen bezit, -en dat deze tweede stof zich op nieuw kan herscheppen in de eerste -met alle eigenschappen die zij vroeger had, zonder dat er iets aan -toegevoegd of van verloren geraakt is. Wie toch zou het karmijnroode, -onschadelijke poeder, den zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek -beschouwen met de halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare, -in de lucht rookende en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige -zelfstandigheid, welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den -overgang van het eene in het andere niet had waargenomen en zulks -niet elken dag in zijn laboratorium kon waarnemen? - -Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, derhalve -volstrekt geene stof in de natuur aanwezig is en dat wij overal slechts -verschijnselen, eigenschappen zien, welke door andere eigenschappen, -gelijk hier bij den phosphorus door het licht of de warmte, in het -leven geroepen, of vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming -onttogen worden. - -Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband tusschen zekere -bijéén behoorende, gelijktijdig werkende eigenschappen steeds naar -vaste wetten wederkeeren en zelfs in de grootste veranderingen, in -de werking der meest mogelijke hoeveelheid eigenschappen welke een -wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, zich dergelijke vaste -wetten laten waarnemen, stelt men zich deze eigenschappen voor als -aan "stof" gebonden; men neemt het bestaan van kleinste of oneindig -kleine deeltjes van deze stof aan, welke men atomen heet en verklaart -de verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op -gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde -toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede -van vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch -door eene "verschillende ligwijze" dezer atomen. - -Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit kunnen worden -gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter waarneming niets -anders zijn dan bloote mathematische punten, die slechts gedacht -kunnen worden en welke men zich moet voorstellen oneindig klein en -in oneindig groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit ten -duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld -zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de -atomen niet als oneindig kleine deelen, maar als de zoodanigen die -niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn. [45] Dit is echter eene -veronderstelling welke tot onoplosbare tegenstrijdigheden voert, -zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk zal doen zien. Suiker, -zetmeel en hout zijn drie verschillende ligchamen welke verschillende -eigenschappen bezitten, en niettemin alle drie gelijkmatig uit 5 -atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan. Deze atomen nu moeten -in de drie verschillende ligchamen eene verschillende ligwijze hebben -(op eene andere wijze geordend of nevens elkander geplaatst zijn) en -daardoor de verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te -weeg brengen. Maar--een atoom moet immers ondeelbaar zijn en echter -bestaat, naar deze theorie, elk atoom suiker uit 5 atomen water-, -5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit zestien verschillende deelen of -enkele atomen! [46]--Hieruit volgt dat het aannemen van het bestaan van -atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een hulpmiddel -ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene verklaring, -voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten gebondene orde -der verschijnselen, maar dat er in absoluten zin geene stof bestaat, -er geene bestaan kan. Daarmede verdwijnt de tegenstelling tusschen -geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof valt weg. - -Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak moge zijn met de -alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter gemakkelijk van -hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot die eigenschap -der zoogenaamde ligchamen, welke het aanwezig zijn van stof op het -handtastelijkste schijnt te bewijzen, namelijk de uitgebreidheid, -het volumen der ligchamen en den tegenstand welken zij bieden aan -een vreemd daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger, -mijne hand. (Ik wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of -gasvormige ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja -de meeste vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden, -maar heb hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid -der vaste ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt -of kamfer, of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een -ligchaam, eene stof. Deze stof kan ik echter voortdurend in kleinere -deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te wrijven, -zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan zien -en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan -waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om -die reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen -te grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort -te zetten.--Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel, -of van muskus.--Dat de verdeeling echter nog veel verder kan gaan, -bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar in mijne kamer kan -liggen zonder van gewigt te verminderen en toch de geheele kamer met -den bekenden, hem eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende -muskusdeeltjes kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer -waarnemen. Er bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische -reden, om te veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes, -wier aanwezen slechts en uitsluitend nog door middel der reukzenuwen -kan worden waargenomen, niet nog verder, ja tot in het oneindige kunnen -verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten -zijn.--Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn datgeen, -hetwelk geene deelen, of GEENE UITGEBREIDHEID heeft. - -Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de som is zijner -eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan voor zich zelven: -het eeuwige bewustzijn, en voor ons: de som of het totaal van alle -eigenschappen der natuur?--Twee zijner eigenschappen zijn ruimte -en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid -maakt. Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij -zijn slechts eene van deze verschijnselen, hoewel wij de slotsom -van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch verschillende -eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten zich zelven -geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen zich in -het kleine terugkaatst,--waarin God zich als het ware ten tweede -male denkt. - -Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan een vrijen -wil hebben? - -Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons tot -tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis -niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig -de atomen in de scheikundige theoriën evenzeer moeten behouden, -als men in het empirische leven, ter meer gemakkelijke opvatting -van de verschijnselen, zal voortgaan om alle bestendig voorkomende -vereenigingen van zekere eigenschappen stof te noemen en daaraan -afzonderlijke benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout, -enz.--In dien zin zal ook ik mij in het vervolg van deze uitdrukkingen -blijven bedienen. - -Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te spreken van de -groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker heeft te kampen -bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het organische -leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den rijkdom -aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen -bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij -den aanvang mijner voordragt heb ik op deze moeijelijkheid gewezen, -welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote aantal -gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het organismus -op zich zelf beschouwd (als iets gegevens) laat zich, wel is waar, -uit de ter bedoelde plaats (zie vroeger bladzijde 317) opgenoemde, -allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men -andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke -van de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; waarom -echter het leven der verschillende organismen slechts tijdelijk van -duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op een onderscheidenen, -vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat zich daaruit evenmin -verklaren,--als de bijzondere vorm welke elk der 100,000 planten- -en 130,000 diersoorten bezit die tot heden beschreven zijn geworden, -daaruit kan worden afgeleid, en welke toch allen, niettegenstaande het -groote onderscheid in haren vorm en de afwijkende, menigwerf wonderbare -structuur van de menigte harer organen, uit dezelfde grondstoffen, bij -de werking van dezelfde physische en chemische krachten zijn ontstaan. - -Moest dan in de atomen der elementen, welke de eiwitstof of den dojer -van het vrouwelijke ei uitmaken (vergelijk de analysen die lager -worden gevonden) het streven niet liggen,--dat door de werking van -het mannelijke zaad bij de zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk -door het indringen der spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of -werkzaam gemaakt wordt en waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van -algemeene natuurkrachten b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te -hoogen, noch te lagen) warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt -aangenomen,--moest dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn -gelegen, om bij voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit, -bloed) een dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te -vormen,--hier een oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar -zaâmgesteld en toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan, -elders zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een borstbeen te -vereenigen,--uit een bepaald aantal spieren, beenderen, pezen, aderen -en zenuwen een arm, eene hand met vingers te maken en al deze deelen -en organen in het behoorlijke aantal, ter behoorlijker plaats daar te -stellen, zoomede in de vereischte verhouding der duizenden van cellen, -vezelen, membranen, aderen en zenuwen, waaruit zij bestaan!--en deze -wondervolle kracht zou in de chemische stoffen, in de atomen liggen! - -In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, welke dit -hoenderei meer bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk -eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig -onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te -toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende -geslachtsorganen van den haan met kam, sporen en prachtig gevederte -te voorschijn te brengen,--terwijl de afwezigheid van dit paar atomen -aan het andere ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht -geeft om eene hen te doen ontstaan, welke weder geheel verschillend -gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de haan en sporen -noch kam heeft,--ja terwijl misschien bij eene gelijke percentsgewijze -verhouding der bestanddeelen in een kalkoenenei een geheel ander dier: -een kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid. - -Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben bezig gehouden -met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van de groote -menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus werkzaam zijn, -van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo eenvoudige stoffen -als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen mede. (Van het -mannelijke zaad ontbreken naauwkeurige chemische analysen nog bijna -geheel en al.) - -Het eiwit bestaat uit stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof, -ongeveer in die verhouding als in Mulder's oude proteïnformule -is uitgedrukt: N5 C40 H30 O12, waarbij echter naar gelang van de -verschillende soorten van eiwit in het dieren- en plantenrijk nog -eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook phosphorus en nog -meer of minder zuurstof komt. - -Honderd deelen dojer zijn volgens Gobley in het kippen- en in het -karperei (welke laatsten uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan) -zaâmgesteld uit: - - +----------+----------+ - | Kippenei.| Karperei.| - +----------+----------+ -Vitelline | 15,76 | 14,08 | -Margarine en Elaïne | 21,30 | 2,57 | -Cholesterine | 0,44 | 0,27 | -Lecithine | 8,43 | 3,04 | -Cerebrine | 0,30 | 0,20 | -Chloorammonium | 0,03 | 0,04 | -Chloornatrium en Chloorkalium | 0,28 | 0,45 | -Zwavelzure kali | 0,28 | 0,04 | -Phosphorzure kali | | 0,04 | -Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia | 1,02 | 0,29 | -Alcoholextract | 0,40 | 0,39 | -Vliezen | | 14,53 | -Kleurstof, sporen van ijzer, enz. | 0,55 | 0,03 | -Water | 51,49 | 64,08 | - +----------+----------+ - - -En in honderd deelen asch werden gevonden: - - - +---------------------+---------------------+ - | IN DEN DOJER. | IN HET EIWIT. | - +---------------------+---------------------+ - | door | door | door | door | - | Poleck. | Weber. | Poleck. | Weber. | - +---------------------+---------------------+ -Kali | 8,93 | 10,90 | 2,36 | 27,66 | -Natron | 5,12 | 1,08 | 23,04 | 12,09 | -Chloorkalium | | | 41,29 | | -Chloornatrium | | 9,12 | 9,16 | 39,30 | -Kalk | 12,21 | 13,62 | 1,74 | 2,90 | -Magnesia | 2,07 | 2,20 | 1,60 | 2,70 | -IJzeroxyde | 1,45 | 2,30 | 0,44 | 0,54 | -Phosphorzuur | 63,81 | 60,16 | 4,83 | 3,16 | -Phosphorzuurhydraat | 5,72 | | | | -Zwavelzuur | | | 2,63 | 1,70 | -Kieselzuur | 0,55 | 0,62 | 0,49 | 0,28 | -Koolzuur | | | 11,60 | 9,67 | - +---------------------+---------------------+ - - -Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het zamenstel -van het ei uit zoo velerlei verschillende stoffen die in genen -deele enkelvoudige stoffen zijn, maar die elk weder bestaan -uit eene vereeniging ten minste van 2, gewoonlijk van 3, ja 4 -zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke moeijelijkheden de -natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te kampen hebben, -om de verschijnselen van het organische leven terug te brengen tot -de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste stelling -onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene voldoende -wijze is bekend): dat menging, [47] kracht en vorm allen niet anders -dan gelijktijdig zich veranderen en dat, wanneer verandering in de -menging plaats heeft, noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of -eigenschap) en de vorm zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk -betreft b. v., behoeven wij slechts een blik te werpen op onze tuinen -en onze tamme aardappelen en groentesoorten gade te slaan, waarin men -de oorspronkelijke, in het wild groeijende stamplanten ter naauwernood -kan herkennen, om deze stelling ten volle bewaarheid te zien, en -wij moeten bekennen dat gelijke voeding (gelijke stofcombinatie): -gelijke gestaltevorming, ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie): -ongelijke gestaltevorming ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan -de algemeene geldendheid van den regel dezer stelling twijfelen, -wanneer men het dierenrijk gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei -eene hen, uit het andere een haan geboren wordt, niettegenstaande de -scheikundige niet in staat is eenig onderscheid in de zamenstelling -dezer eijeren te ontdekken. Dit kan echter zijn grond hebben in de -onvolkomenheid der methode of wel hierin, dat men er tot heden niet -in geslaagd is om door middel der analyse van organische ligchamen -resultaten te verkrijgen, welke eene voldoende juistheid bezitten. - -Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof -meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet -in druivensuiker (C12 H12 O12), of dat vijf atomen water, ontnomen -aan den reuk- en smakeloozen, fraai gekristalliseerden zoogenaamden -terpentijnkamfer (C20 H16 + 6HO), dezen veranderen in eene aangename, -naar hyacinthen riekende olie (C20 H17 O),--of dat ligchamen, welke -niet slechts wat betreft de mengingsgewigten hunner bestanddeelen, -maar (even als de 2 verschillende zuren waarin het druivenzuur zich -laat ontleden) insgelijks in alle andere eigenschappen bijna volkomen -met elkander overeenstemmen, niettemin van elkander verschillen -moeten in de menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de -gepolariseerde lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg -brengt en het polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere -ter linkerzijde afwijkt,-- ja dat een geheel onschadelijk zout, als -mierenzure ammoniak (H4 NO, C2 HO3) bloot door het te verhitten in een -sterk werkend vergift, in blaauwzuur (HC2 N (+ 4HO) wordt veranderd, -hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk zuur, -weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,--dat derhalve uit schijnbaar -zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere krachten -worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere eigenschappen -dan vroeger ontstaan, [48] dan mogen wij de stellige hoop voeden, -eenmaal in staat te zullen zijn niet slechts in de zaden van alle -planten, maar insgelijks in de eijeren van alle dieren (waaruit zich -zoo verschillende krachten en eigenschappen ontwikkelen) eveneens -stoffelijk onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige -weinige meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine, -cerebrine en dergelijken. - -Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij bedenken dat -de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet meer dan -een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen, schijnbaar -tot in het oneindige voortgaat en dat--om slechts een voorbeeld aan te -halen--alleen het aantal der ontledings- en afleidingsproducten welke -van de alcoholen afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige -aldehyden en de bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort -behooren) zoo buitengewoon groot is, dat naar de berekening van -den Franschen scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende -alcoholradicaal [49] (koolstof en waterstof) en ammoniak (stikstof -en waterstof) meer dan 60000 verschillende verbindingen kunnen worden -gevormd die allen verschillende eigenschappen bezitten. - -Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de hersenen van een -orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren over Gods moeder, Gods vader of -over de hemelvaart van Gods zoon predikte, uit dezelfde stofdeelen, -of althans grootendeels uit dezelfde atomen zuur-, water-, kool- en -stikstof, phosphorus, natron, kali en kalk bestonden, die deels tot -water, deels tot meer zaâmgestelde vet- en eiwitachtige verbindingen -(als elaïne, oliezuur, oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine, -cerebrinezuur, enz.) zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist -in dergelijke verbindingen) de geheel anders denkende hersenen -van den wijsgeer Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds -hadden medegewerkt tot het daarstellen van den "ketterschen" kop van -Spinoza,--dan moeten wij het insgelijks als mogelijk beschouwen dat het -ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de algemeene overeenstemming -welke in de genoemde verbindingen heerscht, een onderscheid in de -chemische zamenstelling der verschillende individuele hersenen te -ontdekken en daaruit de onderscheidene rigtingen van gedachten der vele -millioenen menschen, die gelijktijdig op aarde leven en na elkander -geleefd hebben, uit de stof te verklaren. Wij durven deze hoop voeden, -hoewel onder al deze millioenen welligt slechts enkele individuen -worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar gelijke uitwendige -omstandigheden waarin zij leven, in de rigting hunner gedachten, -zoomede in de trekken huns karakters en in den uitwendigen vorm des -ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. Verschil in menging, -eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze hersenen meer, -in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige stoffen -tot zaâmgestelde verbindingen,--geringe afwijkingen in den vorm -en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van de -afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan -(in verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg -gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de -rigting der denkbeelden en de mate van geestvermogens dier millioenen -van individuen. - -Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, waarop deze -verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in verband staan -tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en de stoffelijke -wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle verschijnselen -in de organische natuur zich zinnelijk openbaren;--het waarom? deze -wetten echter juist zoodanig en niet anders werken,--waarom aan elke -verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-, -in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook -telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen -of levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere -stofcombinatie ontmoeten,-- dit laatste waarom zullen wij nimmer -doorgronden, maar altijd stuiten op iets dat ons onverklaarbaar is. - -Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het natuurnoodzakelijkheid, -wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, eeuwig zelfbewustzijn; -noemt het God!--wat toch doet de naam ter zake?--Maar dit onbekende -dat op den helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo -geheimzinnige wijze, uitsluitend naar vaste wetten in, met en door -deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen hetwelk wij -"stof" noemen,--het is verheven, het is wonderbaar en schoon! - - (was geteekend) Avondrood. [50] - -NACHT. Niettegenstaande de gematigde slotsom welke gij ten laatste -uit uw stelsel van natuur en God trekt, komt het mij niettemin -huiveringwekkend, ja vreesselijk voor en ik wensch hartelijk dat het -nimmer opgang vinde bij het publiek, dewijl het een verderfelijken -invloed op de maatschappij zou kunnen uitoefenen. Hoe zou ik God als -een rein, heilig, goed wezen kunnen vereeren, indien ik op uw voetspoor -moest gelooven dat Hij bloeddorstig in gindschen tijger rondsluipt -om buit te zoeken, of in dezen moordenaar woedt die zijns nabuurs -vrouw en kind om het leven brengt, of diens huis in brand steekt ten -einde hem te berooven of zich op hem te wreken?--Hoe durf ik dan den -booswicht straffen? Wat zal ik hem antwoorden, wanneer hij zich met de -door u verkondigde leer verontschuldigt en zegt: "ik werd door eene -onweêrstaanbare kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;--deze -mij beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden -in den vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw -en eene bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen; -ik heb geen vrijen wil."--Voert uwe leer niet regtstreeks naar het -geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus, -dat reeds zoo veel onheil heeft gesticht? - -AVONDROOD. Waarde broeder! Indien gij u als geloovige Christen en met -orthodoxe gestrengheid aan de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst -houdt, kan ik u met eene menigte bijbelplaatsen bewijzen dat gij -dan evenzeer in den geest van Augustinus en Calvijn moest gelooven -aan de praedestinatie. Ik wil mij echter niet beroepen op boeken of -autoriteiten, maar uitsluitend op de natuur. Voor den natuuronderzoeker -bestaat er evenmin een vrije wil, als een blind toeval, dewijl alles -wat in de natuur geschiedt, wat de mensch verrigt en wat hij denkt, een -noodzakelijk gevolg is van voorafgegane oorzaken. Ook de menschelijke -wil is, zoo als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen, -slechts een schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel -van oorzaken gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande -de oorzaken waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde -menigwerf zoo verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo -zamengesteld en ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd -mogelijk is ze duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als -zeker worden beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande, -aan uwen persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de -hoedanigheid der voorwetenschap moet toekennen en aannemen moet dat -Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze, de misdaad welke is -gepleegd, vooraf bekend was en dat hij zulks niet verhinderde, hoewel -Hij "almagtig" is. Hetgeen ik reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik -thans niet te herhalen: dat deze voorwetenschap en het niet verhinderen -door den almagtigen God volkomen van gelijke beteekenis is te achten -met het zelf verrigten der daad. Een menschelijk spreekwoord zegt: -"de heler is zoo goed als de steler." - -NACHT. Gij dwaalt, broeder, indien gij mij beschouwt als een -gedachteloozen naprater van de woorden des bijbels. Veroorloof mij -u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof der orthodoxe school reeds -voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede verheven boven het geschrevene -woord, waaraan ik slechts dan geloof, wanneer het met de wetten van het -redelijke denken niet in strijd is. Het dualismus van God en der natuur -schijnt mij echter volstrekt noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid -der ziel van de stof, aan den vrijen wil des menschen moet ik gelooven, -dewijl anders aan de zedeleer hare wezenlijke, d.i. zedelijke grondslag -geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van het -goede en het kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij niet bevredigen. - -Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, moeten wij de -voorwetenschap aan God ontzeggen. - -AVONDROOD. Wat?--dan verlaagt gij uwen God tot beneden den mensch! Wij -menschen weten immers veel van hetgeen over tien, over honderd, -ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te zeggen, namelijk -al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die ons volkomen -bekend zijn geworden!--En zou uw God deze natuurwetten minder goed -kennen dan wij?--Geven wij niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt, -een sterrekundig jaarboek of zeemansalmanak uit, waarin de stand van -alle planeten ten opzigte van elkander en van de zon, der trawanten -ten opzigte van de planeten, zoomede de stand dezer hemelligchamen ten -opzigte van de vaste sterren met betrekking tot onze aarde, voor elken -dag des jaars, voor elk uur van den dag, voor elke minuut, seconde, -ja voor een gering gedeelte eener seconde met juistheid vooraf wordt -bekend gemaakt?--Weten wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den -19den Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben, -en zijn wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij -zigtbaar zal zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en -van het einde der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van -het verduisterde gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke -er mede gepaard zullen gaan?--Hebben de sterrekundigen dan niet even -naauwkeurig als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats -grijpen, insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor -de zon honderden van jaren vooraf berekend!--Weten wij dan niet, dat -de "morgen- en avondster" welke ons zoo menigwerf door haren helderen -glans verheugt, op den 8sten December des jaars 2125--derhalve na -verloop van 271 jaren--als eene kleine zwarte schijf voorbij de zon -zal gaan, nadat zij te rekenen van 1874 tot op 2117 reeds vijfmaal -datzelfde verschijnsel zal hebben opgeleverd?--Ja, heeft men zelfs niet -de wetten ontdekt welke den loop regelen der kometen, die gedeeltelijk -duizenden van jaren behoeven om hare banen te doorloopen, en het weder -verschijnen der Olbersche komeet (welke in 1815 werd waargenomen) -op den 9den Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel -dat van de komeet van 1807 op de 33ste eeuw en dat van de komeet -van 1811, naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf -gezegd?--Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene nog -geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze in -het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog haar -had gezien en zeiden zij niet vooraf, dat men haar daar zou vinden, ter -plaatse waar men haar later werkelijk vond en Neptunus noemde?--Zijn -wij zelfs de wetten niet op het spoor die zoowel op het physieke, -als op het maatschappelijke leven des menschen invloed uitoefenen -en naar welke wij het gemiddelde getal der toekomstige geboorten, -sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons in staat stellen -met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke 650 personen in -Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf zal schuldig maken,--als wij -de hoeveelheid regen naar duimen en strepen vooruit kunnen bepalen, -welke in de eerstvolgende vijf jaren te 's Gravenhage of te Utrecht -zal vallen!--Zou uw God onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de -natuurwetten niet beter kennen dan wij en met behulp daarvan niet -in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, welke van die 650 personen -de misdaad begaan en hoeveel regen dagelijks op elke plaats vallen -zal?--Is het niet duidelijk dat ons onvermogen om het lot van elk -bijzonder mensch, om de weêrsgesteldheid van elken afzonderlijken dag -vooraf te kunnen opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der -verschijnselen, in het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken, -waardoor het heldere overzigt van de wetten die dit alles regeren, -voor ons bemoeijelijkt of onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het -noodzakelijke gevolg, het eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde -zamenwerking van al deze oorzaken of krachten geboren wordt. Uit de -volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis -in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen -voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in -zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer -gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen? - -NACHT. Broeder, dit denkbeeld doet mij duizelen; gij voert mij naar -een afgrond waarin ik vrees te verzinken. - -MORGENROOD. Lieve Nacht! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond -kunt omgaan. Er voert slechts een enkele weg daarom heen. Volg mij -en ik zal u geleiden naar de bloemrijke beemde, waar geen tweespalt -heerscht en alles zich in harmonie oplost. - -AVONDROOD. Vergunt mij vooraf nog een enkel woord hier bij te -voegen. De wijsgeeren hebben reeds van den vroegsten tijd tot op Kant -en van dezen tot op Hegel over den vrijen wil gestreden, maar de -vraag is tot heden onopgelost gebleven. Wij zijn geene wijsgeeren, -geene idealisten, maar natuuronderzoekers en behooren te trachten -om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf zoo duidelijk en zoo -eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een van deze beide gevallen -kan waar zijn. Of (a) wij hebben een vrijen wil en daar deze slechts -denkbaar is als de eigenschap eener zelfstandige, onsterfelijke ziel, -moeten wij eene ziel hebben welke onafhankelijk is van de chemische -en physieke krachten, die in onze hersenen en in de overige deelen -onzes ligchaams werkzaam zijn.--Of (b) de aanwezige verschijnselen -en opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener -zoodanige onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de -werkzaamheid der chemische en physieke krachten in onze hersenen: -maar dan kunnen wij geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer -wel weet, deze chemische en physieke krachten aan onveranderlijke en -onverbiddelijk gestrenge, consequente natuurwetten gehoorzamen. - -Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling a ons leidt. Wij -zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit als natuuronderzoekers -zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel veranderen, maar -dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen geschapen -worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw geschapen -zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm hebben -bestaan. Om nu het aanwezen te verklaren dezer zelfstandige zielen -welke van de naar vaste wetten werkende natuurkrachten onafhankelijk -zijn en een vrijen wil zouden hebben, moeten wij toch het bestaan -van een zielenvoorraad of eene zielenbron aannemen van waar zij -(langs voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen, -derhalve eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze -goddelijke ziel heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons -onbekend is wanneer zulks plaats had, of dit geschiedde bij de -bevruchting, in het embryo, bij de geboorte, of later?) en zich -herschapen in eene bijzondere (individuële, menschelijke) ziel met -bijzonderen vrijen wil. Maar vrijheid van wil en almagt moet toch -bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, dewijl zij zich in -het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had kunnen overstorten, -indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu echter uwe zielen, -zoomede de zielen van zoo vele millioenen andere menschen--elk -afzonderlijk--haren eigen, onafhankelijken vrijen wil heeft, -hoe kan God dan almagtig zijn en een vrijen wil hebben, uithoofde -iets vrijs buiten hem,--uithoofde zoo vele milioenen afzonderlijke, -van hem onafhankelijke gedeelten van vrijen wil aanwezig zijn?--Is -deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en leidt zij -niet regtstreeks tot het geloof aan wonderen, 't welk gij, broeder -Dag, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? Betaamt het -ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten na te -speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan -dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een -dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de -natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan -toezien en--zielen scheppen, namelijk scheppen zoodra de gelegenheid -daartoe gekomen is, derhalve voortdurend oppassen en--zoo spoedig en -zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam -(zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil) -aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad -de vereischte stof daartoe te verschaffen, fluks van zijne zijde -eene ziel in deze stof te scheppen en te zeggen, daar ziel, loop; -ik wil dat gij zijt en na negen maanden vrijen wil hebt. Want dan -zijt gij vrij en kunt uwes weegs gaan; maar geef acht, dat gij de -vingers niet brandt; want allerwege om u heen zijn natuurkrachten -werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, noch om uwen vrijen wil. - -b. Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet gelooven, dewijl zij in -strijd zijn met het verstand en met de waarneming, welke laatste -leert dat de zielsvermogens van den mensch slechts van lieverlede -in, met en door de stof--het ei, embryo, foetus, kind, jongeling en -volwassen mensch--tot ontwikkeling komen. Er blijft ons derhalve niets -over dan de tweede veronderstelling aan te nemen en God met de natuur -te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen wij--naar de stellige of -absolute beteekenis van dit begrip--aan geen vrijen wil gelooven. Dit -denkbeeld van vrijheid van wil is slechts een zelfbedrog, een waan, -waarin de meeste menschen van de wieg tot aan het graf blijven -voortleven.--Enkele diepdenkende personen hebben zich boven dien waan -verheven en onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur, -die zich in hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit -de gedachte: wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn, -aan stof gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder vrij -worden. Als individu hebben wij niets dat ons eigen toebehoort, -behalve dit individuële bewustzijn (deze afspiegeling der gansche -natuur is ons binnenste door middel onzer zintuigen), dat na onzen -dood in de Godziel als herinnering zal voortleven. - -NACHT. Uwe beschouwing is in strijd met mijn innigst gevoel. De -grens tusschen zedelijke en physieke vrijheid wordt door u niet -duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid -onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen -dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van zedelijke beweegredenen -en dat wij in dien zin--zedelijk--wel degelijk vrij moeten zijn. - -AVONDROOD. Vergun mij dan, dat ik dit denkbeeld naauwkeuriger -beschrijf.--De innerlijke opgewektheid, die wij begeerte, willen -noemen, hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen -die, gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg -van uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel, -zoomede van het voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve -niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee -begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene -begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij overleggen en eene -keuze doen, daar schijnen wij ons zelven toe vrij te zijn. Maar eene -andere vraag is deze: of wij de overleggingen, dan of de overleggingen -ons beheerschen.--Ik geloof dat zij ons beheerschen. Want van waar -toch komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons -zelven, maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen -ons hebben gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter -en den aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet -gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke -menging;--hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen van -eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen -zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde -behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling -dragen later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het -opwassende individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen -treden. Maar noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de -wijze van behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch -het stelsel waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van -het individu. Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet -wilde inzien dat onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze -en ons karakter het product zijn der genoemde omstandigheden, welke -de ontwikkeling van het individu beheerschen en waarop deze niet -den geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken -waarop onze keuze niet den geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar -zich (veelal onbemerkbaar, dewijl er geen acht op geslagen wordt--) -in rijperen leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde -moet, gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden -veranderd waarmede wij het goede en kwade meten en behoort deze zuiver -menschelijk te zijn.--Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben -gelezen van den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden -aan den arbeid zat,--tot hij eens plotseling in woede geraakte, -zijne vrouw en kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene -vreeselijke wijze om het leven bragt? Indien hij in het leven ware -gebleven, zou de regter dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem -van moord beschuldigen en als moordenaar hebben durven straffen? Was -de moord aan zijne vrouw en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad -van willekeur of eene onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt -de grens tusschen gezond van geest en krank van geest? - -NACHT. Daarover behoort de geneeskundige te beslissen. Dergelijke -gevallen, waarvan gij zoo even gesproken hebt, waar het moeijelijk -is te beoordeelen of een individu gezond of ziek van geest is, -kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De gezonde echter--hieraan valt -niet te twijfelen--heeft het volle bewustzijn van de beweegredenen -zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk -zijn. Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den zedelijken wil des -menschen als een noodzakelijk gevolg van oorzaken voorstellen, die niet -weder kunnen beschouwd worden als zijn eigen wil, maar daarvan geheel -onafhankelijk zijn!--Ik geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke -wil, als eene eigenschap mijner ziel die mij door God werd geschonken, -slechts van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u wordt beweerd, -van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke willen is geene -natuurwet, maar eene taak, een ideaal, naar welks verwezenlijking de -mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal -meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén het gevolg -zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet integendeel -het gevolg zijn van eene innerlijke, aan wetten gebondene regelmaat -van het geestelijke leven zelf. - -AVONDROOD. Dat heet met andere woorden: "de oorzaak van den wil ligt in -de vatbaarheid van het geestelijk leven om opgewekt te worden."--Gij -geeft daarmede toch tevens te kennen dat er innerlijke drijfveeren, -oorzaken van den wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest -bepaalde wil steeds het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust, -derhalve afhankelijk van beweegredenen is, d. i. van oorzaken -die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op uw voor -indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, waarvan -de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige omstandigheden zich -vereenigen, die opwekkend zijn voor dezen indruk, zal hij zich als -een gevolg dier vroegere oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten. - -NACHT. Het is moeijelijk om met u te redetwisten. Maar gij zult toch -toegeven dat de wil niet in dier voege aan bepaalde beweegredenen is -gebonden, dat niet ook andere oorzaken invloed daarop zouden kunnen -uitoefenen? - -MORGENROOD. Gij lacht en gij (Nacht) fronst het voorhoofd?--Zonderling; -waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische -leven juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten, -positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat, -maar slechts of de mensch als verschijnsel met betrekking tot andere -menschen dezen vrijen wil heeft en dit geloof ik volmondig toestemmend -te moeten beantwoorden. Of de mensch eene daad a als zelfstandig -vrij wezen, dan of b eene onbekende magt in hem de wilsuiting te -weeg brengt, dit is den regter onverschillig. Daarnaar behoeft hij -niet te vragen, dewijl hij zich noodzakelijker wijze in hetzelfde -geval bevindt als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het -geval a of in het geval b. De zederegter en wetgever grondt wel -degelijk zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van -toerekenbaarheid van het individu, niet op de mate waarin hij de -mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan des absoluut vrijen -wils in aanmerking neemt, maar slechts in zoo verre als hij, om te -beloonen of te straffen, noodig heeft ten eerste een persoon aan wien -de wil als een zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en ten -tweede het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld wordt, -als voorbedachte daad is gevolgd.--Het is waar, ook hier loopen de -grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen en -handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is -deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde -wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene -verbetering meer mogelijk is, maar dat onschadelijk worde gemaakt, -hetgeen voor de zamenleving verderfelijk zou kunnen worden. - -AVONDROOD. Toegegeven, broeder! Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van -ouds her werd het als eene deugd der goede en verlichte vorsten -beschouwd, dat zij de misdadigers genade schonken en de doodstraf -slechts in zeldzame gevallen lieten voltrekken, wanneer de toestand -der maatschappij dit vorderde of de openbare meening dit offer scheen -te verlangen. - -NACHT. Dit is eene stelling van uw systeem welke ik zou kunnen beamen, -namelijk in zoo verre het wenschelijk is te achten dat de twijfel -aan de mate van toerekenbaarheid der misdadigers den wetgever tot -eene zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot -afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet -dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid -en de afschrik verwekkende straffen geheel en al afgeschaft waren, -de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden toenemen? - -MORGENROOD. Veroorloof mij op deze vraag te antwoorden. Ik vermeen -mij overtuigd te mogen houden, dat ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen -ben toegedaan als broeder Avondrood en Dag. Vooreerst verzoek ik u uwe -eigene ervaring te raadplegen en neem ik de vrijheid u te herinneren -aan de feiten uit de geschiedenis.--Dit afschrikkingssysteem staat in -dezelfde verhouding tot de voormalige wetgevingen, als de hel en het -vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik loochen niet dat de afschuw -van straf en schande bij vele, niet zeer hartstogtelijke menschen -eene beweegreden kan zijn, welke invloed op hunnen wil uitoefent en -hen terug houdt van het plegen van misdaden. Uit dien hoofde acht ik -het ook goed, dat onze wetboeken strafbepalingen stellen op het booze -d. i. op datgene wat in strijd is met de eischen der maatschappij, -wat een derde schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de -straffen in het algemeen, maar alleen tegen het doel ter afschrikking -hetwelk in gruwzame en onmenschelijke straffen zou gelegen moeten -zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft de geschiedenis ten -klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in eene regtstreeksche -verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger tot het bedrijven -er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets doen. Zoo lang -de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt volstrekt -niet aan gedacht. - -Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad hare galg en haar -halsgerigt, waar gehangen, gevild, Met gloeijende tangen geknepen, -gevierendeeld, geradbraakt en levend verbrand werd? En zijn wel ooit -meer en vreesselijker misdaden bedreven; hebben de papen,--deze -geestelijke Bothriocephali der menschheid--in eenig tijdperk der -geschiedenis ooit erger gewoed dan destijds, toen halsgerigten -en galgen even talrijk waren als kruizen en bidkapellen; toen het -geloof aan hel en vagevuur als het eerste en gewigtigste leerstuk -werd beschouwd, dat wel is waar de menschen niet afschrikte van het -kwaad, maar niettemin een voortreffelijk lokaas was om de kelders -der kloosters met wijnvaten en de buidels der bisschoppen met geld -te vullen? Welke zedeloosheid heerschte destijds in alle rangen der -maatschappij, welke snoodheden werden niet bedreven!--En zou juist -het dagelijksche schouwspel der barbaarsche straffen, het voorbeeld -der beulsknechten die in grooten getale op hunne schavotten werkzaam -waren, niet hebben medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen -nog lager te doen dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te -maken met tooneelen van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het -plegen van nieuwe misdaden voorbereid hebben? - -Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer gevonden die -aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar wordt nog -een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en invloed -hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op den -Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende armoede -kan bedaren,--dat slechts de vrees voor hel en duivel de zucht tot -oproer bedwingen en het "gepeupel", de onwetende volksmassa in toom -houden kan,--maar desniettemin (ja, ik geloof juist om die reden) -zult gij vinden, dat het aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder -een gelijk aantal der bevolking in gelijke mate heeft afgenomen, -als de beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn -innigste overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan -nog veel sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst -de tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer -eerst der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft -en men zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te -jagen met hel en vagevuur, met menschenliefde te verheugen. - -Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen slechts een -schijnbaar geloof, een geloof dat niet gelooft hetgeen zij vermeent -te gelooven; het is niets anders dan een besluiteloos, flaauw -ongeloof,--hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften vervoeren, -van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener hel -is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en -wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in -spijt van de hel met al hare duivelen!--Ja, de ervaring heeft geleerd, -dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te hechten aan -de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal gingen, -in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste -misdaden hebben bedreven. - -De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het kwade, heeft -haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en spruit voort uit -de overtuiging dat hij, het individu, op den duur zelf niet gelukkig -kan zijn, indien hij er niet naar streeft om zijne medemenschen in -wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te maken. Deze waarheid is -zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs openbaart onder een handvol -wilden, zoodra deze hun zwervend leven verlaten, zich onderling naauwer -aanéénsluiten en eene kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine -maatschappelijke vereeniging van menschen die in een gehucht van 6 -à 10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven -bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze -moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken -op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet, -menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden -hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd. - -DAG. Dat is volkomen waar! Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer -dan eenen wilden volkstam in den Indischen archipel waargenomen. Wel -schijnt de ware menschenliefde den Christenen zoo vreemd te zijn,--wel -schijnen zij haar zoo verre van hunne natuur verwijderd te achten, dat -zij den Hebreër die voor 18 1/2 eeuw het aankweeken van menschenliefde -aanbeval en niets meer en niets minder dan menschenliefde aanbeval, -die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden onder -zich doen en jegens elkander in acht nemen,--dat zij dezen man als -een onbereikbaar ideaal vergoden. - -NACHT. Lieve broeders! Ik herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit -het leven dier zoogenaamde wilden en geloof, dat gij ten opzigte van -dit punt de zaak bij het regte einde hebt. Het smart mij te moeten -bekennen dat de vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan -door de wijze waarop onze bigotte oom R.... [51] mij heeft opgevoed, -niettegenstaande zij in strijd zijn met alle regelen van het gezond -verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste weder -trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig -geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld -heeft gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn -het die op het karakter den stempel drukken en den man in rijpen -leeftijd maken tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne -geboorte medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker -ketel met goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan -dezen aanleg de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen, -en de lotgevallen zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle -menschenvrienden hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden -op de opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!--Wat ben ik -niet in gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste -jeugd als heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden -en de arme Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde -Christendom onderrigt te geven! - -U, broeder Dag, zeg ik dank dat gij mij voor dergelijke zonde heb -bewaard die ik zonder opzet, ja, met de beste bedoeling zou begaan -hebben, toen mijn verstand nog beneveld was door het tot eene gewoonte -gewordene, aangeleerde, diep ingewortelde en ingeprente drie-eenheids -dogma.--Nu echter rust ook op u de verpligting, de leerstellingen van -onzen oudsten broeder te wederleggen, die mij in een afgrond dreigen -te storten van waar ik geen uitweg kan vinden. - -DAG. Ik wil u gaarne mijne gevoelens daaromtrent mededeelen en ik -hoop, dat ik eenige van de tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen, -die welligt slechts daarom onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge -tegenspraak te staan, dewijl de veronderstelling niet juist was, -waarop de gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit Avondrood, naar -een consequent beginsel, steeds talrijkere stellingen afleide.--Maar -broeder Morgenrood heeft immers beweerd, den "eenigen" weg te kennen -die rondom gindschen afgrond heen leidt en ons in de harmonische streek -brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij -hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent -mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in -welke stukken hij met Avondrood verschilt of met ons overeenstemt, -ten einde wij later het bijéénbehoorende ook beter in zijn verband -kunnen behandelen? - -MORGENROOD. Zeer gaarne, waarde broeders!--Gelijk met alle godsdiensten -het geval is welke het bestaan der wereld evenmin kunnen verklaren, -als zij het ontstaan (of het worden) er van kunnen begrijpen, zoo -ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die ik u zal voorlezen, -dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd heb, op het papier -heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne beschouwingen -ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien dat ik in -de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer in het -wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder overeenkomt, -met uitzondering van een enkel punt. - -De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij droegen ons -avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en ofschoon het reeds -een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef de hemel nog steeds -met wolken bedekt, waardoor de overgang van het schemerlicht dat nog -in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis werd bespoedigd. De -lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de keerkringen op elkander -volgen. Binnen weinige oogenblikken waren de lampen aangestoken; -spoedig hadden wij onzen eetlust bevredigd en waren de bedienden -met de overblijfselen van het maal weder verdwenen,--toen broeder -Morgenrood zich gereed maakte om aan zijne belofte te voldoen. - - - - - - -GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER MORGENROOD. - - -Mythe. In den beginne was een almagtig geest of God, wiens wezen -slechts bestond uit tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel -alleen was, zich zeer verveelde. Hij schiep zich derhalve eene -tegenstelling, deelde zich in twee gelijke deelen en stiet de eene -helft van zich af, waaruit een tweede, even almagtige geest ontstond -die zich duivel noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde) -tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene dubbele ster, in een -kring rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op -die wijze gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel -verzuimde niet geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest -God scherpte aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste -middel tot tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend -wordt, begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te -vervelen; hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest, -dat hij een onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen -hem verhief, niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts -aan zijne goedheid verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst -voor drie millioen jaren uit de tweede helft van zijn eigen ik had -gemaakt. Hierop gaf de duivel hem met spottend gelach ten antwoord, -dat God hem dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf, -hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en -dat hij daarentegen van den aanvang af, ja nog veel vroeger dan God -had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank hoegenaamd schuldig te -zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den eerstgeboren geest; maar -hij kon den duivel niet meer verbannen, die reeds van den oogenblik -der verdeeling af, even almagtig was geworden als hij en nu met -zijnen toorn spottede.--Op die wijze waren de beide oorspronkelijke -geesten met elkander in twist geraakt; zij konden zich echter niet -van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van verwantschap hen -bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt dwong. - -Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en omdraaijen moede -en beide, God en de duivel besloten op leven en dood met elkander -te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig aantal -oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander vastomstrengelend, -zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen. Zij kwamen verder -overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist een millioen -oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten, welke in -aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden uiten en -door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide eigenschappen -zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd vastgesteld -op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze eigenschappen, -verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen beiden en regelden -de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden worden. - -Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden oogenblik af -hielden God en duivel op te bestaan,--er ontstond eene oneindige -menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en de wereld in nevelvorm, -atomenvorm was ontstaan. - -Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen (in elk -waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met elkander -gestreden; zonnen, planeten en manen zijn ontstaan,--eenige van -gindsche eigenschappen (die wij menschen zwaartekracht, licht, -electriciteit en dergelijken noemen) hebben betrekkelijkerwijze -gesproken eene groote heerschappij verkregen; andere (zoo als b. v. die -welke kalium, natrium heeten) zijn op het punt geweest om verwonnen -te worden; eene menigte atomen hebben zich op de planeet aarde tot -planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren, in den mensch, is -de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest, de zielskracht, -reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden, dan in de -anderen,--maar nog steeds is het twijfelachtig, wie van de beide -geesten, God of de duivel, op deze planeet de zege zal behalen. - -Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich scheiden, zich op -nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen worden herschapen, -totdat de eigenschappen van een der oorspronkelijke geesten (die er -in verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt -de eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan -moeten uit den vorm des menschen op deze aarde meer volkomen vormen -ontstaan, begaafd met meer volkomene eigenschappen,--deze moeten -steeds meer veredeld worden, de zielskrachten moeten steeds helderder, -uitgebreider, meer omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk -de duivel verwonnen en de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke -hoedanigheid weder te voorschijn gekomen,--totdat de mensch God is -geworden.--Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even magtig -uit den strijd terugkeeren?--Of zoude de duivel verwinnen? - -Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording -Gods. Thans is hij nog verborgen in de natuur en de magt der -tegenstelling is groot. Maar hij ontwikkelt zich en de duur van -het ontwikkelingstijdperk der schepping omvat vele millioenen maal -millioenen van jaren. - - - Einde der mythe. - - - -Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of niet weten -kan, dat geloof ik niet.--De grondstelling waarnaar ik mij bij al -mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn grond, -elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet zich -onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne -gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen -veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren -en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne -taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat -zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen, -maar door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te -rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak. - -Even als bloote veronderstellingen schadelijk en verderfelijk zijn -voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het menschelijke geslacht -alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van God. Zij doen -vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel niet, of eerst -later een duidelijk begrip der zaken wordt verkregen. - -In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene stof, gelijk -reeds vroeger broeder Avondrood uitvoerig heeft aangetoond, dewijl -alles wat wij stof noemen, slechts eene vereeniging is van een grooter -of kleiner getal zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk -laten herleiden tot bewegingsverschijnselen (krachten). Niets rust -in het heelal.--In een betrekkelijken zin beschouwd bestaat echter -voor ons alles wat aanwezig is, uit stof en bestaat er niets dan -stof en aan stof gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele -uitzondering voorkomt. Kracht toch is bewogene stof. Onze gedachten -zijn stof in beweging. - -Hetgeen gij, broeder Dag en Nacht God noemt, is gelijk Avondrood reeds -bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal -menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende, -aan de natuur onderschuift en welke gij, dewijl de natuur oneindig -is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen, weshalve het -woordje Al.... er voor wordt geplaatst. Deze God bestaat uitsluitend -in uwe verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als -het gevolg mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de -waarheid hiervan kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel -dienen?--Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde moet -dan nog een God strekken?--Ik ken geen anderen God dan de natuur en -de natuurnoodzakelijkheid, dewijl alle verschijnselen die zich in haar -aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats grijpen. - -Zoo als deze natuur, deze wereld thans is, bestaat het leven slechts -door middel van tegenstellingen. De tegenstelling alleen maakt dat -de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts -denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.--Denkt -hierover na en stemt toe, dat geene deugd mogelijk is zonder ondeugd, -dat de deugd voor u geheel ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van -het kwade welke gij bezit. Het genot, het gevoel van behagelijkheid -is zonder smart en lijden even onmogelijk, als dat het licht kan -bestaan zonder schaduw, dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood. - -Broeder Avondrood, die toch den wil des menschen zeer juist heeft -verklaard als te bestaan in beweging van stof, maakt zich echter aan -eene groote inconsequentie schuldig, terwijl hij het verschijnsel -van het zelfbewustzijn tracht op te helderen en schrijft zonderbaar -genoeg! aan de gansche natuur zelfbewustheid toe, als of het eene -onverklaarbare (gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog -veel onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.--Laat ons toch -zulke onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn -oog een wonder, dan vergenoeg ik mij met dit eene wonder en neem ter -verklaring er van niet een tweede, derde en vierde wonder, d. i. geene -niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld aan.--De stof -is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij vormt, met hare -eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke, van eeuwigheid -er aan verbondene wetten. - -De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor indrukken vatbare -gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met jodium behandelde -zilveren plaat, een indruk, een hersenbeeld te weeg. De som of het -product der hersenbeelden is ons bewustzijn, hetwelk steeds des te -meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen waarmede wij in -wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur, een hoogeren -graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer, deze oefening -langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden, waarin wij -als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als voorwerp -aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding de som -zijner eigenschappen is, zoo is de denkende mensch de som zijner -zinnen, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen staan. - -Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door middel van -stoffelijke beweging die, verbonden met electrische stroomen in -de zenuwen, in de hersenen gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe -menigvuldiger nu deze stoffelijke bewegingen zich herhalen, b. v. hoe -menigvuldiger de klank op ons oor, het licht op ons oog werkt, -des te helderder kennis verkrijgen wij, des te levendiger wordt -het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het kind, gedurende de -eerste maanden zijns levens zeer weinig en bij de lagere diersoorten, -zoomede bij het embryo nog volstrekt niet of slechts ter naauwernood -is ontwaakt. Er zijn gezonde zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen -noodig, om eene gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen) -als een helder bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch -ooren hebben) bezitten een minder volkomen bewustzijn dan meikevers -of spreeuwen,--doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis -waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan -menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30 -jaren lang te oefenen.--Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap -der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate -waarin zij het bezitten.--Hetgeen men verstand, oordeel, rede noemt, -zijn geene op zich zelven staande, enkelvoudige krachten of vermogens, -waarvan men de zoogenaamde geestesverrigtingen als bloote uitingen -of gevolgen zoude kunnen afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid -beschouwde vermogens zijn zelve niet anders dan het resultaat eener -lange rij van schakels in eene keten, tot welker kennis de physiologen -nog ter naauwernood den weg hebben gebaand. - -Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij van den -weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens der -gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige feiten, -overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat God -zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere laat -hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent gij, -met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw -God de voorwetenschap bezit welke den mensch toch in zekere mate wel -degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij hem de kennis toe van -de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het uitvallen van een haar, -en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet voor alle eeuwigheid -vooraf bepalen!--Zijn dat geene ongerijmdheden? - -Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich beweegt, dan -zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde het leven te -behouden, gedwongen zijn andere, met gevoel begaafde wezens die zich in -hun aanzijn verheugen, van het leven te berooven, te vermoorden en te -eten. Dit beschouw ik als een bewijs dat het zonnestelsel, of althans -de planeet die wij bewonen, eene der onvolkomensten, een der minst -ontwikkelden in het heelal is. Er moeten hooger ontwikkelden worden -gevonden, waar alle levende, met eigen gevoel begaafde wezens vreedzaam -met elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts -de hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan -het bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die -hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt, -voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen, -uit de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en -lucht te leeren bereiden. - -Het doel des levens en van 's menschen aanwezen kan toch geen ander -zijn dan dit: steeds grondiger, meer omvattende kennis te verkrijgen -van de natuurwetten, opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen, -opdat wij ze aan ons dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds -onafhankelijker er van worden, opdat de storm ons schip niet meer kan -verbrijzelen, de koude ons niet meer hinderen, de honger ons niet -kwellen, de bliksem ons huis niet meer in brand kan steken, opdat -wij de teugels der natuurwetten--de draden welke oorzaak aan gevolg -verbinden--in onze eigene handen nemen, ja, opdat wij eindelijk buiten -den tooverkring der natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot vrijheid, -tot absolute vrijheid van wil verheffen! - -Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet als kluizenaars, -maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden leven, dewijl slechts -de vereeniging van vele menschen aan de vereischten van een volkomen -en gelukkig aanzijn beantwoordt;--eene tweede natuurwet bevat den -inhoud onzer zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van -zoo vele menschen levende, zelf niet gelukkig zijn, niet vrolijk, -niet tevreden blijven, indien gij er niet naar streeft insgelijks -de anderen gelukkig te maken. Hebt derhalve uwe naasten lief en -betracht de leer, die reeds door genen voortreffelijken Hebreër van -Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij wilt dat anderen u doen, doe -hen desgelijks; wijs den verdwaalden den regten weg, onderrigt de -onwetenden en bedrogenen, schendt de regten van uwe broederen niet -en help hen, indien zij in nood zijn. - -Mijn God zijn wij zelven: de mensch. Mijn godsdienst is de -anthropologie. Mijne voorzienigheid is het verstand, de wil, de liefde, -welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij niet om de vraag -naar absolute vrijheid of niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn -van louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er niets in de -natuur dat vrij is, dewijl het eene van het andere afhangt en alles -gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher, voor den tijd. Ik -ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde bewust ben van de -natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der betrekkingen waarin -ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken kan, der grenzen en -der uitgestrektheid van mijn werkkring.--Mijn lot ligt in mijne hand, -dat ik met te meer vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt -heb in de wetten der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom -als geslacht beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen -voor indrukken bepalen.--Mijn geluk is mijne keuze.--Mijn geloof -is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door eigene, -haar ingeschapene kracht. Moge deze wilskracht door beweegredenen -bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze natuurwetten -zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling begunstigen, -ik kan deze wetten toch leeren kennen, beheerschen, aan mij dienstbaar -maken, mij er boven verheffen, en in dat opzigt is de kring waarin -mijne vrijheid zich beweegt, groot--oneindig groot,--in dat opzigt -is mijn wil vrij! en in het volste bewustzijn dezer vrijheid maak ik -er van gebruik. - -Dit is het doel des levens: het goede moet zich uit de natuur -ontwikkelen, zich verzoenen met zijne tegenstelling;--de mensch moet -de natuurwetten leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen -en zich veredelen tot--God op aarde! - - - -AVONDROOD. (In vervoering geraakt, springt van zijn zetel -op.) Kom in mijne armen, beste broeder! Dit denkbeeld is grootsch, -schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware. Gij hebt de waarheid -gevonden. Heerlijk, heerlijk!--Derhalve: er is een dag, een -algemeene dag, een eenige dag vooraf gegaan;--daarop volgde een -nacht;--maar thans is God herschapen in de natuur, hij bestaat -niet, maar ontwikkelt zich weder uit deze natuur?--Heb ik u goed -begrepen?--Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde over, -ik word Morgenrood.--De mensch is derhalve uw God, in wien het goede -met het kwade strijd voert?--Ja, daarin is het ware der zaak gelegen; -daar verrijst in duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne -oogen, de tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de -voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden -te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij zelven: het booze moeten -wij bestrijden en algemeene liefde voor al onze naasten voeden,--God -moeten wij worden!--Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons; -het noodlot, de gansche wereld ligt in onze eigene handen!--Dank, -broeder, dank zij u! voor dit gelukkige denkbeeld; dit geeft moed, -dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare, voorwaarts strevende -hoop!--Nogmaals, beste broeder, breng ik u mijn innigsten dank voor de -mededeeling van uw voortreffelijk denkbeeld. Menschen willen wij zijn -en de drie absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht -te ontwikkelen, verstand, wil, liefde!--deze willen wij vereeren en -aankweeken.--En wat zeggen nu broeder Dag en broeder Nacht hierop? - -NACHT. (In diep nadenken verzonken, langzaam.) Les extrêmes se -touchent. - -DAG. (De ongehuichelde verrukking van Avondrood die, het laatste -overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich -des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen -storten en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester -te worden.) Mijn beste broeder Morgenrood en Avondrood! Is het niet -vreemd, dat in u--atheisten gelijk men u noemen zal, dewijl gij -aan geen God gelooft--dat deze God, deze wonderbaarlijke, redelijke -geest in de natuur juist in u, die aan zijn bestaan niet gelooft, op -het heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een -deel zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort -de geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,--toch -insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, in de natuur.--Hoe kunt -gij weten, welke schepselen op verwijderde hemelligchamen leven, op -zonnen en planeten die, even als haar omvang grooter is, insgelijks -veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en of in die schepselen -die geest zich niet nog treffender, meer volkomen openbaart? En -deze menschengeest in wien het gansche heelal zich afspiegelt, zou -dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze niets ontstaan? Het is -waar, gij zegt, dat men het eene onverklaarbare niet door eene tweede -dat nog onverklaarbaarder is, den geest des menschen niet door God, -het individuële bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet -trachten te verklaren;--maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle -schijnbare consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt -zeer te regt dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene -nieuwe kracht, geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is, -als van eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert -gij dat er geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke -bewustzijn, deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden -vormen en ontwikkelen in elken opgroeijenden mensch.--Gij tracht, -wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door -alle geestverschijnselen die men van oudsher aan eene ziel heeft -toegeschreven, uit een zuiver materiëel oogpunt te verklaren en tot -stoffelijke bewegingen terug te voeren. - -Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke werkzaamheid des -geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen, wat betreft de -wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof bestaan of -zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand komen,--wat bewijst -dit ten slotte anders dan dat de geest, het denkbeeld, door middel -van de stof tot werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich -zinnelijk te uiten?--De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig, -absoluut aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch! - -Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de menschelijke wil -een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van oorzaken is, -dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden moeten -bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke ons -leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten, -veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben, -dewijl zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individuën -en als geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar -daarentegen aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling -tot iets schooners, meer volkomens openbaart. - -In dien zin, waarin broeder Morgenrood den vrijen wil aan het -slot zijner geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder -Avondrood, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze hebt te -kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de hand. Met -deze beschouwing nopens de vrijheid van den menschelijken wil, kan ik -mij ten volle vereenigen.--Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens -duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een -levenden God in de natuur, aan een eeuwig, redelijk bewustzijn des -heelals, in voege als zulks door mij vroeger in mijn evangelie der -natuurlijke godsdienst en zedeleer is ontwikkeld.--Openbaart hij zich -dan niet overal rondom ons, in ons, door ons? Heeft broeder Avondrood -niet een al te grooten sprong gemaakt, toen hij--na alvorens het -niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat -wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal eigenschappen -is,--eerst God, den geest in alles zag en eensklaps overging tot -het geloofstelsel van broeder Morgenrood, die het bestaan van den -geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl alles stoffelijk -verklaard, d. i. tot bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt -worden?--Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof gevormde -menschen die niet meer en niet minder dan vijf punten van aanraking met -het heelal hebben, als het ware poorten, ingangen waardoor wij eenig -en alleen in staat zijn, kennis te verkrijgen van de verschijnselen -die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet, dat voor ons geen -ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat, hetwelk door -middel der stof geschiedt, terwijl wij hooren, zien, ruiken, smaken, -gevoelen?--Wij toch zouden niets, volstrekt niets van de ziel in de -natuur, van de geest kunnen bespeuren, indien deze zich niet in en -door stofbeweging te verstaan gaf, juist dewijl alleen stofbeweging in -staat is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze -reuk-, smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen, -waarmede andere dan stoffelijke bewegingen of verschijnselen zouden -kunnen waargenomen worden, ons geheel en al ontbreken. - -Broeder Avondrood noemt den mensch eene "gedachte Godes" en verklaart -de individuële onsterfelijkheid der ziel op deze wijze, dat wij in -de "herinnering" Gods voortleven. De onmogelijkheid echter, om zich -dit algemeene, redelijke bewustzijn der natuur voor te stellen als -onbekend met de natuurwetten welke "het zelf is" of "waardoor het -zich openbaart," derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke -gevolgtrekking uit het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen -bekendheid met de natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle -toekomstige gebeurtenissen toe te schrijven,--dit voerde hem op den -glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie -en moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd, -dat hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder -Morgenrood heeft geworpen, toen deze om de klippen van het eeuwig -noodlot te ontwijken waarop troost noch raad gevonden wordt, God -loochende en het bewustzijn aan de natuur ontzei. - -Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een tweesprong. Hier -verdeelt de weg zich in verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit -te vorschen, welke de regte weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer -aanwezig die ons de ware rigting zou kunnen aanduiden.--Aan te nemen -dat de natuur bewusteloos is, dat geen God bestaat, dat kan ik niet, -dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit eene aan -zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de mensch -te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp zijner -beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met bewustzijn -denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid zijner -eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het niettemin -zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al afhankelijk, -waaraan het door middel van duizende ketenen verbonden is.--God van -de natuur te scheiden en hem daaraan persoonlijk--als een tweede -ik--tegenover te stellen, dit kan ik evenmin, dewijl ik daardoor -(gelijk Avondrood reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone, -heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot -een levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, mijn God -is de levende, alles bezielende, redelijke geest in de natuur.--Maar -te gelooven, dat deze wereldgeest alles wat geschieden moet, op -alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt, dit valt mij niet minder -moeijelijk.-- --Ik verzink daarover in steeds dieper gepeins, maar in -plaats van den grond te peilen, hoor ik slechts gene waarschuwende -stem, welke mij de beteekenisvolle woorden toeroept: "Er zijn nog -vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich -zelfs geen denkbeeld kan vormen." - -Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te worden den overgang -van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen, alwaar de uitersten -elkander aanraken, waar licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden -wekkende zone der schemering ligt,--waarlijk gij hebt al uwe krachten -ingespannen om de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen -van den nacht te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig -en verheven is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, weg te -redeneren en te loochenen. "Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat -regeert; het is alles stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip -van hetgeen wij verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije -wil, enz., zijn bewegingen van stof." Zoo spreekt gij.--Maar, waarde -broeders, één ding hebt gij vergeten, dat gij niet kunt weg redeneren -en dat geen stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen; -niet waar? Maar wat is dan TIJD?--Bestaat hij uit stof?--Bezit hij -eigenschappen?--Ik ken er geene. - -MORGENROOD. O, gij dweeper Dag, welke hersenschimmen koestert gij!--De -tijd is een maat, een maat voor den duur der dingen, voor hetgeen -na elkander plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen) -is hij niets. - -DAG. Een maat?--De afstand tusschen twee nevens elkander voorkomende -dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op -zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?--De afstand van twee -na elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot den tijd, -maar is om die reden de tijd, op zich zelf, een maat of, gelijk gij -zegt, eigenlijk niets?--En aan welke na elkander voorkomende dingen -of verschijnselen ontleent gij dan deze maat? Ontleent gij haar aan -de wenteling der aarde om hare as, der maan om de aarde, der aarde -om de zon,--of van Mercurius om de zon, of van Neptunus om de zon, -of van de zon om eene onbekende centraalzon? Hebben niet de aarde, -de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk dezer hemelligchamen -eene andere maat? Waar moet nu echter de ware,--de normaalmaat met -betrekking tot den tijd worden gezocht? - -De tijd heeft geene eigenschappen, is geheel en al onligchamelijk -en toch is hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs, dat -zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste -gedachte zonder hem niet denkbaar is.--Ons voorstellingsvermogen is -bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het eigenlijke -wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene eigenschappen aan -kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen raadselachtig toe. Sta -mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend aan de snelheid van -de beweging des lichts, om aan te toonen dat de tijd zich als het -ware in de ruimte oplossen of terug gaan kan in de ruimte. - -Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van 42000 -geographische mijlen doorloopt. De zon is 20 millioen en 682440 -dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde) van ons -verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8 1/4 minuten.--De -helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met Herschel beschouwde -als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is 10 billioen mijlen -van ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der -zon van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7 2/3 jaren noodig om -dezen afstand--een Siriusafstand--af te leggen. Er zijn echter sterren -of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000, 10000, ja, -30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 billioen mijlen of 7 2/3 jaren -lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het licht derhalve -een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja dertig duizend -maal 7 2/3 jaren vereischt om tot ons te geraken.--In vergelijking van -den afstand waarop deze verwijderste wereldstelsels van ons staan, -die gedeeltelijk slechts W. Herschel door middel zijner reusachtige -telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is een afstand van 763 -1/2 maal eene Siriusverte niet groot, niettegenstaande het licht 5854 -volle jaren noodig heeft om dezen afstand [52] te doorloopen. Van eene -ster der 12de grootte (gerekend op 521 1/2 maal een Siriusafstand) -zou het licht in 4000 jaren tot ons komen. - -Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die 763 1/2 maal een -Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen bevindt, voorzien van -een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs nog voor de zwakste -lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat het alles wat op -deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal dat oog heden -datgene zien hetwelk voor 5854 jaren op aarde geschiedde, dewijl de -lichtstralen die (als teruggekaatst zonnelicht) vóór 5854 jaren deze -aarde verlieten, eerst thans aldaar zijn aangekomen. Wij zullen dit -oog het "Alziend oog" noemen en verder aannemen (om onze gelijkenis -te voleindigen) dat dit wezen niet op gindsche ster bepaaldelijk -moet verblijven, maar dat het 't vermogen bezit om zich van daar -met de snelheid der gedachte, b. v. in een uur of zelfs in eene -seconde tijds op onze aarde en van hier weder terug op gindsche -ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot heden geene kracht, -geene beweging die grootere snelheid bezit dan het licht; maar nog -vóór eenige tientallen van jaren was de snelste beweging welke wij -kenden om onze brieven te bezorgen, een goede coerier die te paard -ongeveer 4 geographische mijlen in twee uren tijds aflegde. Later -vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2 uren -slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog -later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede -van 30 minuten slechts een enkelen oogenblik daartoe noodig hebben, -ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen ver in ééne seconde -kunnen brengen;--hieruit nu volgt dat de maat van tijd nooit anders -dan betrekkelijk is, dewijl wij de ware maat niet kennen. Wij meten -den loop des tijds slechts af naar bewegingen of verschijnselen die -wij kennen, doch weten niet hoe snel de snelste beweging loopen kan -en er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling, -dat het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de -aarde bewegen, derhalve 763 1/2 maal een Siriusafstand binnen dezen -tijd doorloopen kan en in staat is in een uur alles te zien, dat in -den loop van 5854 jaren op deze aarde is geschied. [53] - -Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk, buitengewoon sterk -gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde oog toeschrijven, -zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin als mogelijk moet -beschouwd worden. Onze veronderstelling weêrspreekt zich, naar de -regelen van eene logische en redelijke redenering in geenen deele, -bevat derhalve geen onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit: -aan de voortplanting der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en -omtrekken der ligchamen) door de golfvormige beweging des ethers, welke -met eene snelheid geschiedt van 42000 mijlen in ééne seconde. Het -is waar, het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds -grootere ruimte in de evenredigheid van het vierkant des afstands, -maar het is ons niet mogelijk te bepalen waar de grens ligt van -de voortplanting des lichts, of waar het zoo zeer is verzwakt dat -het zelfs op de volkomenste, allergevoeligste oogen geen indruk meer -maakt, dewijl zelfs menschelijke oogen, gewapend met menschelijk grove -werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand van 35000 maal -een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333 jaren tot ons kon -komen) nog sterrehoopen of nevelvlekken ontdekten, ter plaatse waar -andere waarnemers met hunne minder kolossale telescopen, al waren het -ook voor het overige uitmuntende werktuigen, reeds lang niets meer -zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo gevormd zijn als de onze, -kan de voortplanting des lichts hare grenzen hebben. [54] - -Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den 1sten Januarij 1855, juist -ten 10 ure des voormiddags de ster verlaat en binnen een uur den weg -tot op onze aarde aflegt, dan zal het in dit ééne uur het levendige, -steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche wereldgeschiedenis -en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde gedurende elke 97 jaren -en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het ontmoet alle lichtstralen -welke sedert den aanvang der menschelijke tijdrekening van de aarde -zijn uitgegaan.--Eerst ontwaart het de oudste gebeurtenissen van het -menschelijke geslacht hetwelk in China, in Voor-Indië en in andere -deelen van Azië zich reeds tot groote staten heeft vereenigd, dat -reeds naar Egypte is heengetogen;--het ziet weinige oogenblikken -later koning Menes te Memphis op den troon zitten, welken hij voor -5746 jaren (of 3892 jaren vóór de christelijke tijdrekening) besteeg; -daarop worden de piramiden gebouwd, in Indië verheffen zich tempels, -als eerste vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen -haren zetel in China. - -Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom die, met -Abraham aan de spits, Mesopotamië verliet om zich naar Kanaän heen -te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den heertogt der -joden die Mozes (vóór 3374 jaren of ten jare 1520 vóór Christus) -uit Egypte geleide, door de Roode Zee, waarin Pharao door den vloed -werd verzwolgen.--Ras komen nu volkstammen in Griekenland en Rome -tot bloei en wassen op tot magtige staten; anderen zinken weder in -het niet;--de val van Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels -van Jeruzalem (voor 2440 jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de -bloeitijd van Griekenland en Rome, de daden van Alexander den Groote -en eindelijk Rome's onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al -de treffende gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de -anderen voorbij het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een -man met 12 jongeren rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten -en menschenliefde prediken,--totdat het ten 10 ure en 41 minuten bijna -drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar ontwaart het op -een berg voor Jeruzalem dienzelfden man aan een kruis genageld en -gehoond tusschen twee misdadigers,--een droevig beeld dat van hier -af aan nog 4000 jaren lang door het wereldrond moet wandelen om, -tot schande der menschheid, aan de bewoners van gene ster zigtbaar -te worden. Voor het Alziende oog echter zijn vierduizend aardjaren -binnen minder dan 42 minuten verloopen. - -Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder voort en nadert -het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe ontstaan; -ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt, in -beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij -weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de -drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en -keizers zalven, die zich nu "christelijke en allerchristelijkste" -noemen. Zij verheffen zich met hunnen schepter en hunne kroon, de -eene na den anderen en verdwijnen in het niet.--Ons oog echter zet -zijn vlugt onophoudelijk voort en komt ten 10 ure 52 minuten aan in -de streek, waar het beeld van het slotplein van Canossa voorbijsnelt -en waar (in 1077 na Ch., derhalve vóór 777 jaren) een keizer--in het -hemd, barrevoets en ootmoedig--voor een paap nederknielt en boete -doet. De bisschoppen van Rome toch doen het tegendeel van de leer -die zij bespotten: "mijn rijk is niet van deze wereld,"--want zij -heerschen nu over keizer en bedelaar en de rook van brandstapels, -waarop zij menschen verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne -magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da Fé's in het -Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus bespeurt op zijn schip -(in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld wil ontdekken,--den -monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg (in 1520) de pauselijke -bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij Lützen aanschouwt waarin -(ten jare 1632) Gustaaf Adolf sneuvelde,--allen beelden welke binnen -een verloop van weinige minuten op elkander volgen en van eene reactie, -van een nieuwen geest getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10 -ure 59 minuten is het Alziende oog tot op dien afstand van de aarde -genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart -die (in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en -het behoeft nog slechts eene minuut om van daar op aarde aan te komen -en het nog overige 97 1/2 jaar lange stukje van de geschiedenis der -menschheid af te zien. - -Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en is 32 -seconden vóór elf ure ooggetuige van een veldslag, waarin Napoleon -de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het eenige minuten -na 10 ure--voor 5354 aardjaren--eerst had zien bouwen. Nog een paar -seconden en de intusschen gekroonde keizer komt zegevierend terug -uit vele veldslagen in Duitschland,--een vreeselijke brand verdrijft -hem uit het rijk des Czars en de veldslag bij Leipzig maakt een einde -aan zijne wereldheerschappij.--Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog -aan in de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde, -welke 10 billioen mijlen bedraagt en door den lichtstraal in 7 2/3 -jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de bewoners der aarde in -hun 1846ste jaar na Christus, vredelievend kunsten en wetenschappen -beoefende, die hun eene betere, meer gelukkige toekomst schijnen te -belooven. De magt van het papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken -te zijn. Maar neen; bij zijne aankomst ten 11 ure op het aardrijk is -de eerste indruk welken het oog ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen -ten strijde,--het belegeren van Sebastopol. - -Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van gindsche 763 1/2 maal -een Siriusafstand van ons verwijderde ster tot aan de oppervlakte der -aarde gevolgd en de beelden van de geschiedenis der menschheid van -af het jaar 4000 voor de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot -aan het belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont. - -Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip, heden ten 11 -ure, hoe scherp van gezigt zij ook mogen zijn, eerst datgene ontwaren -hetwelk voor 5854 jaren op de aarde is voorgevallen, ligt ten gevolge -daarvan ons aardsche heden voor hen nog in eene verwijderde toekomst, -dewijl het licht zoo vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan -te komen. - -Met den lichtstraal gaat de tijd terugwaarts in de ruimte voort. - -Reist echter het "Alziende oog," na zijne aankomst op de aarde ten 11 -ure, terstond weder af en ijlt het met gelijke snelheid waarmede het -naar beneden kwam, weder terug naar gindsche ster, alwaar het ten 12 -ure aankomt, dan zal het weten hetgeen daar nog niemand weet, hetgeen -(wat ginds betreft) nog niet gebeurd is en het zal de bewoners dier -ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle jaren vooraf kunnen zeggen -al hetgeen sedert den bouw der piramiden op onze aarde, dag voor dag, -jaar voor jaar, tot op de belegering van Sebastopol zal voorvallen. - -Indien het oog, in plaats van in één uur, zich in één enkel oogenblik -van de ster naar de aarde en van deze terug naar de ster begeeft, -dan zal het--even als de tijd--"Alomtegenwoordig" en Alwetend genoemd -kunnen worden. - -Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen slechts een tweede -raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb, dewijl slechts de -mogelijkheid der goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en -zuiver physieken zin door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij -ook niet deze vraag der voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre -van daar; maar ik roep u met Shakespeare andermaal de woorden toe: "Er -zijn vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid -zelfs niets vermoedt!" - -Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij dagteekenen onze -geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde gebeurtenis, maar zijn -niet in staat te zeggen sedert wanneer wij zijn, sedert wanneer het -zonnestelsel en die sterrehemel bestaat die wij in de oneindige ruimte -aanschouwen, en wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn -in de schepping.--Zouden onze oogen de eenige in het heelal zijn -die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij, juist wij--op -deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van hare geologische -omkeeringen tot rust gekomene planeet--de volkomenste wezens zijn, -die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in het onmetelijke heelal, -op al de groote en menigte zonnen die wij vaste sterren noemen (en -hare planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja, -zou er niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan, dat---- - -Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt, vangt het -geloof aan. Of God alles vooraf weten kan, weet ik niet; ja, wanneer -ik geloof dat hij het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof -aan de heilige, eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een alzienden, -alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt, dien ik juist -daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, aanbidden moet. - -MORGENROOD. Indien de schoonheid en verhevenheid der natuur u -dwingt, een denkend, alziend wezen er in te plaatsen en dit wezen te -aanbidden, wel nu--bid dan in vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin -hinderen. Elk heeft zijne eigene behoefte. In mijn oog is de natuur -schoon en verheven gelijk zij is, ook zonder dat ik mij een dergelijke -God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in stilte. Maar ik bid -niet; ik onderzoek en handel. Niets heeft der menschheid sedert anno: -"driemaal een is één" zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling -dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden. - -Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja zij vinden een -luiden weêrklank in ons gemoed. Zij verdienen alle achting. Wat mij -echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl zij in mijn -oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve feiten -door mij daartegen aangevoerd.--Waartoe toch kan mij zulk een God -strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop laat, dien -ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die mij niet hoort wanneer -ik hem aanroep, mij niet antwoordt wanneer ik hem iets vraag; die -mijne bede nimmer vervult, mij nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan -behoefte heb, wanneer ik mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt -wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan, -door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij -zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,--een God die -mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan mij zelven, -de natuur aan zich zelven overlaat en die daarenboven nimmer het -geringste teeken van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan -er klaarblijkelijk niet zijn voor mij, hij moet derhalve slechts -uitsluitend voor zich zelven bestaan, namelijk in uwe verbeelding. - -Ik weet maar al te wel wat de "vrome" lieden, die van de -ligtgeloovigheid des volks leven en met zijne domheid zich mesten, -die de verlichting schuwen als de das de stralen der zon, dewijl -zij duchten met de ligtgeloovigheid des volks hun vet, d. i. hunne -"geestelijke" goederen: hunne pastorijen, prebenden, tienden, -kloosters, vrome legaten, vicarijen, erfenissen enz., enz., te -verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten en professoren in de -theologie, kapellaans, diakenen, pastoors, dominé's, pausen, monniken, -bedelmonniken, bisschoppen, aartsbisschoppen of welken naam aan al -die paapjes moet gegeven worden, daarop ten antwoord zullen geven. Zij -zeggen: "God liet het schip vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en -verwachting, benevens onschuldige kinderen het leven verloren, ten -einde een voorbeeld te geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten -einde ons tot ootmoed aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de -gedaante der cholera ""de slaande engel"" gezonden, ten einde het volk -over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen," Ik echter zeg u, het -schip zou niet zijn vergaan, indien wij de natuurwetten beter gekend, -indien wij den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet -der winden naauwkeuriger in acht genomen en ons daarnaar gerigt hadden; -de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt of genezen worden, -zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de natuurwetten zoo diep -zullen hebben doorvorscht, dat wij hare stoffelijke oorzaken hebben -leeren kennen.--Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd gedraaid -en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of heeft een -stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen bedelaar van -den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit: "aanschouwt dit, gij -ongeloovige! O! knielt neder en erkent in dien veranderden rukwind, -in dit stukje brood des milden gevers, Gods wijze besturing; erkent -de zorg welke de genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt, -die hij tot bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar -nimmer laat vergaan." Zeer juist! antwoord ik u: erkent de natuurwet -welke de instandhouding van het geslacht ten doel heeft; ziet de -natuurkrachten, de natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en -verstout u om haar te leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze -"vreesselijke" natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij durft het kind -niet bij den regten naam te noemen. - -Mijn geloof is in overeenstemming met mijn weten. Sedert millioenen -van jaren bestaat God slechts als natuur en natuurwetten, waarin hij -zich heeft herschapen. Deze zijn de ware God en deze moet de mensch -leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, leiden, opdat God zich uit -hem en door hem op nieuw ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt -zich werkelijk nog in het allereerste begin zijner ontwikkeling. Wat -toch beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?--Wanneer -gij den bewonderenswaardigen vooruitgang gadeslaat, welke in de -natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte -tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken -ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de -onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij 't mij zekerlijk niet -ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de schitterendste -verwachtingen voor de toekomst mag koesteren! - -DAG. Beste broeders! Wij allen zijn, even als gij Morgenrood, -doordrongen van den wensch om ons weten in overeenstemming te brengen -met ons geloof, en gevoelen ons door eene bijna onweerstaanbare -weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen in ons en rondom ons te -leeren doorgronden, om de natuur in haren zamenhang, als een geheel, -als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen echter is het toppunt van den -berg der kennis, die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. Vele -wegen geleiden tot een en hetzelfde doel. Ieder kiest dien weg, welken -hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg gaan wij -lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij verklaren de -verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een harmonisch -verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd, maar--daar stuiten -wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden, onoplosbare problemen die ons -tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu een anderen weg en komen langs -allen ongeveer even ver vooruit; maar de een voert ons ten laatste -aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt in eene diepe kloof, -aan den voet van een hoogen rotswand die een onoverkomelijk beletsel -aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in den weg stelt; de derde -verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden van zijpaden, waarvan -men niet weet welke als de regte moet beschouwd worden, en de vierde -voert den wandelaar aan den oever van een onmetelijk groot meer, -waarover geen veer is, geen vaartuig wordt gevonden om zich te doen -overzetten.--Wij keeren dan om en niemand van ons allen heeft den -top des bergs gezien. Maar een top moet de berg toch hebben!--Dat -gelooven wij allen en derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen -top; wij maken ons een denkbeeld hoedanig de top wel zou kunnen -zijn en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend -is en eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg -dien wij naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden, -de opvoeding die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden, -bij allen verschillend waren. - -Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te bedroeven over -het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige beschouwingen, -al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om elkander -wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het toegepaste gedeelte -onzer geloofsleer met elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons -ingeslagen bij het eerst door ons in het oog gevatte doel ineenloopen, -mits wij slechts wat onze ZEDELEER betreft met elkander instemmen en -menschenliefde, gepaard met het streven naar eene steeds grondiger -kennis der natuur, als de eenige bron der openbaring, in de eerste -plaats stellen. - -Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het toppunt der kennis te -bereiken. Wij spannen te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken -grondslag der verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons -open,--maar welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij -verder komen dan tot aan zeker punt, alwaar wij moeten bekennen, hier -houdt ons bevattingsvermogen op; hier is de grens, aan de overzijde -waarvan wij niets meer begrijpen kunnen! - -"Bravo, juist zoo! Ja, daar staan zij met de handen in 't haar en -zijn ten einde raad!" - - - -Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden gesproken, klonken -onverwachts door de geopende deur; getroffen en min of meer ontevreden -wendden wij ons om en--zagen binnentreden, gevolgd door den regent, -eenige distriktshoofden en eene menigte Javanen die brandende fakkels -droegen, den--resident Praktischman. - -"Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt gij onverstandig! Ik -heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die speculeert, gelijkt een -beest op het dorre veld, door eenen boozen geest steeds in het rond -geleid en om dien kring ligt aan alle kanten eene schoone, groene -weide.--Eene weide, ja, visschen in het meer, eenden in het riet; -hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan jagen! Kom aan! Maar -eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel! Karang! ambil makanan, -boeka botol anggor, bawa champagne!" en zoo ging het nog eenigen tijd -voort. Alles geraakte op de been en in een oogwenk was het gansche -tooneel veranderd. - -Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer Praktischman -was, ijlden wij hem gezamenlijk te gemoet, drukten hem de hand en -heetten hem hartelijk welkom.--Groot was onze verrassing, toen wij -hem in deze wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in -ons midden zagen.--De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt -en haren inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften -gevoegd. Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten -wij aan. De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten -einde zich eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere hoofden -na hem, de een voor en de andere na, in de stilte en eerbiedig -wegslopen.--Terwijl de resident zich het eten goed liet smaken, -verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van tafel waren opgestaan, -elkander nog het een en ander van 't geen ons was bejegend, sedert -wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen het einde van den maaltijd -kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en traktaatgenootschappen. - -PRAKTISCHMAN. Luistert eens, beste vrienden. Ik stem volkomen met u -in dat het christelijke dogma niet de waarheid bevat en haar niet -bevatten kan, en dat het derhalve niet geoorloofd is eenvoudige -menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op te willen dringen waaraan -duizenden onder de Christenen zelven niet gelooven, ja, hetgeen juist -de beste en verlichtste koppen in Europa voor dwaling houden. Maar -buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op Java als -hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik van -hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk -gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen -en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen. - -DAG. Ik ben van oordeel dat onze regering te verstandig en tevens -te wel met den zedelijken toestand der Javanen en hunne behoeften -bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden behoeven te duchten. Het -eenige ware toch dat het Christendom bevat, de kern zijner zedeleer, -is immers lang onder de Javanen inheemsch. - -PRAKTISCHMAN. Ja stellig; dit geloof ik ook. Maar die -bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en al die vrome lui, die -zich veel minder laten gelegen liggen aan eene christelijke aarde dan -aan den christelijken hemel, die "Gods Zoon met scharen van heilige -engelen" gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien, -deze maken het de regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u: is het -niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij reeds -van zelven doen, ja, wat zij beschouwen als iets dat niet behoeft -geleerd te worden, dewijl iedereen dit van zelf verstaat, namelijk -"elkander lief te hebben en elkander te helpen," en is het niet -beschamend voor ons, wanneer wij hen dat leeren moeten, terwijl zij -toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote meerderheid -onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel geringere -mate doet dan zij Javanen zelven?--Gesteld dat het aan de zendelingen -eenmaal gelukt ware, de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid -te overtuigen van "andere menschen even lief te hebben als zich -zelven," en dat de Javanen van ons consequent verlangden dat ook wij -deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens tot ons zeiden: -"komt hier, lieve Christenbroeders, helpt ons koffij planten; hebt -ons lief gelijk u zelven; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh, -zijn eenig geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt -ons suikerriet snijden; wij gebruiken noch koffij noch suiker; wij -doen dit slechts ter liefde van u;--komt hier, verrigt nu de helft -van het werk ter liefde van ons!"--Wat zal er dan gebeuren? He?--Dan -pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken bijéén; de Javasche -broeders brengen ons uit Christelijke liefde aan boord en wij gaan -uit Christelijke liefde--naar huis. Abis perkara. - -DAG. Belon abis perkara. Neen; dan komen andere Christelijke broeders -uit Europa, welke de Javanen minder Christelijk zullen behandelen -dan wij Nederlanders thans doen. - -PRAKTISCHMAN. Juist. Engelschen, Noord-Amerikanen, enz., zouden -allen gaarne hunne Christelijke liefde op Java zaaijen, om--koffij, -suiker en indigo als vruchten daarvan naar huis te voeren. Luistert, -beste jongens! wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de -zendelingen beter zouden doen met het evangelie der Christelijke -liefde onder de Christenen in Europa te prediken in plaats van -hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder -op begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25 -jaar ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren -kennen en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan -de Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op -Java.--De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet -anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne -innigste overtuiging. Indien wij hun welzijn willen betrachten uit -ware, wel begrepene menschenliefde, zonder ons zelven op die wijze -te benadeelen, dan behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen -werkzaam te houden, dewijl zij even als alle tropische volken tot -traagheid geneigd zijn. Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding -en wij behooren hen bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen; -wij moeten hunne positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der -natuurkrachten pogen te vermeerderen;--wij behooren hen te onderrigten -in het lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste -beginselen der natuurwetenschappen; wij moeten hen praktisch opvoeden: -dan zullen zij in dezelfde mate als hunne beschaving toeneemt, steeds -meer en meer leeren inzien dat de leer "alle menschen even lief te -hebben als zich zelven" eene even groote onmogelijkheid is, als eene -volkomen maatschappelijke gelijkheid onder de stervelingen, die ten -gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der vatbaarheid voor -ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan de verschillende -individuen, nimmer kan verwezenlijkt worden. Dan zullen beide, Javanen -en meer verlichte Europeërs, in vrede en gelukkig nevens elkander -kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil, ontevredenheid, verwarring, -oproer, omverwerping van al het bestaande,--regeringloosheid onder de -Javanen en het verlies der kolonien voor ons--kunnen de gevolgen zijn -van de ontijdige of plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde -bekeering of beschaving der Javanen, waartoe de zich noemende -vrijheidsapostelen, hervormingspredikers en evangeliedweepers de -regering op eene onmatige wijze trachten aan te sporen. - -MORGENROOD. Dat zijn de theoretici die de Javanen, zoo als zij -werkelijk zijn, niet kennen. Een man die 25 jaren lang in hun midden -heeft doorgebragt, zal hen wel degelijk kennen en de spreuk "groen -is des levens gulden boom" niet logenstraffen. Ik ben het volkomen -eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten -te leeren kennen gelijk zij zijn en ons daarnaar te rigten. Alleen -daardoor is het, dat wij wind en water hebben gedwongen koorn te -malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats dat wij zulks -met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke natuurwet -op hare wijze, elk in haar eigen spoor laten werken, hebben wij den -waterdamp genoodzaakt onze wagens voort te trekken in plaats van -daartoe paarden te bezigen; ja, de electriciteit zelve heeft zich er -moeten schikken om aan onzen wil te gehoorzamen en als onze brievenpost -langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen wij willen -dat zij loopen moet. - -Handelen wij echter in strijd met de natuurwetten of doen wij ze, -tegen hare natuur geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van -koperen of ijzeren draden nemen om de electriciteit er langs voort te -planten; indien wij den stoomketel bovenmate verhitten, het buskruid op -den gloeijenden oven droogen, indien wij tegen wind en stroom zeilen -en het Christelijk evangelie prediken willen waar het niet past, -of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van drukpers willen -invoeren bij een volk, hetwelk nog niet tot dien trap van ontwikkeling -is gestegen om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de overladene -maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige spijsvertering -zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander resultaat -verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking, verwarring. - -PRAKTISCHMAN. (Lagchend.) Sidoekari! Sidoekari!--Gij beide, -beste Morgen- en Avondrood, gij hebt het exemplaar van slechte -spijsverteering gezien! Het is jammer, Dag en Nacht, dat gij er niet -bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne residentie. Ik -zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier in de wildernis -willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den tijd. Overmorgen -vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug naar mijn -nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een zoogenaamd -Christendorp onder de Javanen zien en leeren kennen, een waar model -(zoo als Morgenrood zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid -van maag, een zendelingmiserere, eene echte Christenakeligheid!--Ik -zal u daarentegen ook andere dingen laten zien, scholen die ik op last -der regering heb gesticht en een menigte andere inrigtingen, alwaar de -Javaan de gelegenheid vindt om nuttige dingen van verschillenden aard -aan te leeren, zich te oefenen in handwerken, kunsten en dergelijke -zaken, en die u zullen doen ontwaren dat die mannen van de oppositie -quand même zich aan laster schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren -dat onze regering niets uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk -welzijn en de verlichting der Javanen te bevorderen. - -Broeder Nacht was buitengemeen ingenomen met den voorslag van den -resident en verzocht mij dringend, de uitnoodiging aan te nemen en -mede naar de residentie S.... te gaan. Hij reikhalsde van verlangen om -eene Javasche Christengemeente waarover hij in eene reisbeschrijving -gelezen had, met eigene oogen te zien en algemeen genomen, een meer -bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker en meer beschaafde -bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden wij ons lang -genoeg in "oorspronkelijke wouden" opgehouden.--Ik voor mij had -liever nog eenigen tijd in dit gedeelte van Java, bij mijne andere -broeders verwijld; maar de gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn -broeder in den kortst mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der -maatschappij onder de Javanen bekend te maken en hem in den kring van -vorsten en hoofden in te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt -te laten voorbijgaan.--Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en -er werd nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de -naastbij gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden -vertrekken, terwijl Avond- en Morgenrood besloten nog langer hier te -blijven en hunne onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands -voort te zetten. - -De resident onderhield zich daarop nog met mijne broeders over Javasche -bijbelvertalingen en daarmede verwante onderwerpen. Ik verontschuldigde -mij echter uithoofde van vermoeidheid--het was reeds laat geworden--en -wenschte het gezelschap "goeden nacht." - -Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede nedervleide en mij -aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde, dreef een vurig -doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om vooraf nog een -afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi gedost -te ontvangen en--als stof tot droomen--mede naar mijn leger te -nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in dit nachtelijk -uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een mijner -jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak. - -Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn bewustzijn op, -toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder het geboomte, -ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen die met -den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen (Obor) -in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten hier en -daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat zij -in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden -teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich -als donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De -handen dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid -en het meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De -anderen sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen, -wier doffe gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak -des wouds te verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog -slechts enkele der naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze -verloren zich bijna allen in de duisternis van den achtergrond, toen -ik uit het woud te voorschijn trad en den oever van het meer bereikte. - -Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de volle maan, van -licht omstraald en op een grooteren afstand door duizende flikkerende -sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder en, bijna even helder, -van beneden uit den diepen boezem der wateren naar mij opwaarts. - -Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil. Spiegelglad -was de oppervlakte van het meer en slechts zelden rimpelde zich het -beeld der maan en vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer -de plassende eenden van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever -eene ligte golving in het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater -'t welk volkomen geleek op dat der Europesche tamme eenden, was -bijna het eenige geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd -tot tijd werd afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte -gelegen, geheel en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen -geluid meer vernemen. Hooge Kimérakboomen welfden zich ter linker- -en ter regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom -hunner kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit -gewelf zag men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds, -dat even somber door de naastbij gelegene strook van het meer werd -teruggekaatst. Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen -als helder verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden -van het meer weêrkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn -binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen. - - - "Was von Menschen nicht gewusst oder nicht bedacht, - Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der Nacht." - - -De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige schuilhoeken en de -wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen hier en daar nog -enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die tusschen het geboomte -overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze hoogte, dewijl het -niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en reeën worden gevonden; -hier is niets dan woud, en gras en weidevelden worden er niet dan -schaarsch aangetroffen. De Kalong's van het laagland worden op -deze hoogte niet gezien; geen Kaprimulgus laat hier zijn geklap -bij nachtelijke stilte rondschallen, ja ter naauwernood verneemt -men hier het gegons van een insekt, het tjilpende gezang van eene -cicade of ziet men hier en daar een enkelen vuurkever langs den -oever rondflikkeren. De zwarte apen, Loetoeng, roeren zich niet in de -loofkroonen, zij zitten stil op de takken; de eekhoorntjes hebben zich -in hunne nesten of in de spleet van een ouden boomstam verscholen -en alle vogels slapen. Misschien klautert nog hier of daar eene -wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen voorzigtig op de -bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest te overvallen, -of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en behoedzaam over den -grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te kapen; maar alle andere -dieren zijn ter rust gegaan. Ook de waterhoenders en de slangenvogels -(Plotussoorten) zitten stil in het hooge, rietachtige gras der oevers, -of op een omgevallen boomstam die zich over den waterspiegel uitstrekt; -de visschen in het meer bewegen zich niet, de kleine kreeften, -de schelpen maken geen geruisch en de gansche overige schepping -zwijgt.--Maar onder dit zwijgen gaat het leven voort, in het water, -in de lucht en op de aarde, in millioenen geheime polsen te slaan die -weldra, wanneer de geleende glans die thans van de schijf der maan -afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn geweken, op nieuw -zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de verschillendste, -door elkander wemelende gestalten zullen verlevendigen.--Natuur, -gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en gij spreekt eene taal welke -slechts hij geheel verstaat, die met genen zoo dikwerf miskenden -en nog menigvuldiger misbruikten man in vromen eenvoud kan vragen: -"die het oor gemaakt heeft, zou die niet hooren?--Die het oog gemaakt -heeft, zou die niet zien?" - -Mijn broeder Morgenrood zegt: "De natuur is bewusteloos, zonder ziel, -zonder God! Het bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel -der natuur die, even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt -in onze hersenen en een indruk maakt, een beeld 't welk uit ons -binnenste terug in de natuur verplaatst en daar als het ware buiten -ons wordt aanschouwd!--Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf -zinnen tot de buitenwereld,--het is de betrekking der buitenwereld -tot onze vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze -zinnen plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische -strooming tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als -in een brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij -bewustzijn noemen.--Niets dan heen- en wederbeweging van stofdeelen, -die onophoudelijk van elkander worden gescheiden en telkens nieuwe -verbindingen aangaan!"--Zoo spreken zij. - -Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als middel -dienen om het bewustzijn daar te stellen en te onderhouden, maar het -gewaarwordende beginsel dat in mij zetelt, 't welk in het brandpunt -dier stralen staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt, -hetgeen--als het ware--van het bewustzijn bewust is,--ik bedoel -datgene, hetwelk aan de stof gewaarwording geeft om het bewustzijn -te kunnen opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan stof!--Dit -kan niet anders zijn dan eene absolute, goddelijke eigenschap. - -Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij dienen, op -het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze bewegingen -plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij u in -staat gesteld zien het feit van het bewuste gewaarworden stoffelijk te -verklaren en nimmer zal het u gelukken, te kunnen bewijzen dat door de -werking van chemische en physieke krachten een oog, een oor kan gevormd -worden. Wat toch zon het licht zijn dat van de zon in 8 1/4 minuten -tot aan de maan en van daar in ééne sekonde tot op de aarde snelt, -alwaar het andermaal door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst, -indien mijn oog niet bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt, -wanneer mijn gewaarwordend binnenste niet daar was waarin het driewerf -teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid wordt, dewijl -het tot bewustzijn komt?--Daar echter het beeld in de maan, in den -spiegel van het meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was, -is het licht voor mijn oog en mijn oog benevens alle andere zintuigen -aanwezig voor het bewustgeraken. Tot bewustzijn geraken is het eerste -doel des levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en -afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het -heelal kunnen omvatten.--Zou nu dit heelal geene ziel hebben waarin -alle verschijnselen tot bewustzijn geraken,--zou er geen algemeen -bewustzijn wezen, waarvan het mijne herkomstig is?--Dat twijfelaars -twijfelen.--De gansche natuur spreekt eene taal en ik geloof aan u, -eeuwig licht, alziend oog, eeuwig redelijk bewustzijn! - -Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever van het meer -welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten rimpel -werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje suisde -mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij in -eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart in -mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had -dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij -den eersten lichtstraal weder te ontwaken,--ja, indien het licht der -maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst, geleend licht) -mij niet verkondigd had: waar licht is--in het gansche heelal--moet -insgelijks warmte, beweging, leven zijn! - -Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte van den -nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het geboomte -klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in de -Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het -loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen, -scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen -te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht -toe en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men -had ligtelijk in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm, -het zuchten van een stervende, menigwerf ook het geschrei van een -jong kind werd gehoord. Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal -gebeurd, dat vroegere reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden -van de oorzaak van dit geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon -er een duivelsspook--een spookachtigen, duivelachtigen vogel van -gemaakt hebben. [55] Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend; -ook zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat -het digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever -was gekomen. Ik zag het hier--met uitgespannen vleugelhuid, strak -en onbewegelijk, als een papieren draak--van den eenen boom naar den -anderen door de lucht zweven; dit geschiedde echter in eene schuine -rigting, zoodat het van den top eens booms afgaande, ongeveer ter -halver hoogte van den stam eens anderen booms aankwam, waartegen -het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het was eene zoogenaamde -vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een geheel onschuldig -dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en in het woud -rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig als zijn -geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het herinneringen aan -menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt, even liefelijk -en troostrijk zal zijn geroep voor de andere Galeopitheken zijn, -dewijl de welbekende stem hun te kennen geeft dat zij niet alleen, -maar dat ook nog anderen huns gelijken aanwezig zijn, die zij vinden -zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen. - -Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot tijd nog -in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het -niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in -het aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de -verwantschap, de sympathie gevoelde, welke alle levende wezens -zaamverbindt.--De maan neigde reeds ten ondergang; ik stond op -van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan en de -sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen bloemen, -knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren die, elk -op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen: goeden -nacht!--Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde natuur, -tot morgen: goeden nacht! - - - (Vervolg hierna.) - - - - - - - - -ZINSTOORENDE DRUKFOUTEN IN NR. 1-3. - - - BLADZ. REGEL. VAN LEES IN PLAATS VAN - - 51 3 en 4 onderen Gòlok Ani ani - - NB. Op Java wordt het afsnijden der aren bij de rijstoogst met het - mes "Ani ani" uitsluitend door vrouwen verrigt. - - 154 7 onderen 1830 1854. - 241 2 boven hangmatten hangmat. - 244 15 onderen namelijk, het het, namelijk. - 336 12 onderen overeenkwam overeenkomt. - 354 20, 21 en 22 boven lees als volgt: - - Chloornatrium en Chloorkalium } 0,45 - } 0,28 - Zwavelzure kali } } - } 0,04 - Phosphorzure kali } - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Een Javasche paal heeft eene lengte van 4800 Rijnl. voet (4637,6 -voet oude Fransche maat) of 1506,0 Ned. el; drie palen worden -gewoonlijk op een uur gaans gerekend. - -[2] Overal waar in dit door zijne groeikracht zoo weelderige land -geen woud wordt gevonden, mag men zeker zijn bebouwde velden, of -Alang-alangwildernissen aan te treffen, die de plaats van voormalige -akkers hebben vervangen. Dit is de reden waarom een vreemdeling op -Java, in zeer bebouwde bergachtige streken zich bevindende, het voor -hem zoo verrassende schouwspel ontwaart van hoogstammige wouden op de -allersteilste bergwanden en in de diepste kloven te zien--dewijl zij -in al de overige, toegankelijke streken van het gebergte geveld zijn. - -[3] De eenige benaming, welke de Maleiërs aan de zon geven, is Mata -hari: oog des daags. - -[4] Een kleine nachtvogel (eene soort van Geitemelker). - -[5] In het Maleisch: Anak kambing wolanda. - -[6] Of die men Hem in den mond heeft gelegd; niemand toch kan bewijzen, -dat hetgeen lang na zijn dood, naar luid van volksverhalen, is te boek -gesteld en ons in het Nieuwe Testament wordt medegedeeld, letterlijk -zijne leer bevat. - -[7] 't Gebrul des leeuws moge elk vervaren, 't Vliede al des tijgers - felle klaauw; - Maar o! van al wat schrik kan baren, Het schrikkelijkst is een - toomloos graauw. - - (van Lennep.) - -[8] Deze getallen beteekenen de bladzijden van het vermelde -"Vraagboekje", waarop de spreker zich beroept. - -[9] Hierop maakt de mensch somtijds eene uitzondering, bij voorbeeld, -de huichelaar en schijnheilige. - -[10] De komeet van Encke maakt hierop geene uitzondering, want zoodra -de oorzaak der versnelde beweging met zekerheid bekend zal zijn, -zullen de berekeningen met de verschijnselen overeenstemmen. - -[11] "Toch werden ook toen reeds enkelen gevonden, die zich vrij hadden -gemaakt van het bijgeloof hunner tijdgenooten. Ten bewijze hiervan -strekt onder anderen eene brochure, gedrukt in 1851 en getiteld: -Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen -onder de Heidenen, door een Christen, te Amsterdam bij gebroeders -Diederichs,--waar op bladz. 10 de volgende merkwaardige woorden -te lezen staan: "Hoe lang zullen wij dan nog werk hebben, eer wij -naderhand van het tegendeel overtuigd worden? Menig geloovig Christen -heeft 25 jaren van onderzoek noodig gehad, om van deze dwalingen in -zijne jeugd opgedaan terug te komen, en men bemerkt nog heden ten -dage aan menig Christenleeraar, hoe diep die dwalingen der oudheid -zijn ingeworteld, daar hij dezelve nog verdedigt, ja zelfs tot -stichting zijner gemeente, gelijk hij meent, opentlijk voordraagt, -welke gemeente dan, om kerk en leeraar niet opzettelijk te vermijden, -het een en ander heel wat beter moet weten toe te passen, om zijne -woorden tot stichting te herleiden;--ieder gevoelt hoe moeijelijk -het moet vallen zulke vooroordeelen te overwinnen, in Christenlanden, -waar men die van jongs af heeft ingezogen." - -[12] Gelijk de lezer zich zal herinneren, waren wij vier dagen geleden, -des avonds te Gnoerag aangekomen. - -[13] Orang el Meseh, d. i. Messiasmensch; zoo worden in den Indischen -archipel de Christenen insgelijks genoemd. - -[14] Ik wasch mijne handen in onschuld: het is mijne bedoeling niet -om dezen te krenken. - -[15] Raden wordt gewoonlijk vertaald door Prins, welk woord echter -beter overeenkomt met het Javasche Pangéran, terwijl Raden de titel van -een lageren rang is, ongeveer overeenkomende met ons Baron.--Kapala: -hoofd. Tjoetak: distrikt. De voorafgaande woorden zijn de eigennaam -van het distriktshoofd. - -[16] Mijn naam Dag, of korter Dak, spraken de Javanen vrij juist uit; -het scheen hun echter niet mogelijk te zijn de ch uit te brengen, -want in plaats van Nacht, zeiden zij steeds Nat. - -[17] Zie bladzijde 155. - -[18] De voornaamste dagbladen des lands schamen zich niet mededeelingen -te doen, betrekkelijk dergelijke predikatien, zoo als b. v. van -"het plegtig lof van den nieuwen, allerprachtigsten mantel van onze -lieve vrouwe van den Bosch, met eene welsprekende openingsrede over -de vereering van de Moeder Gods, gehouden door den zeer Eerwaarden -Pater Coemans, superior der Liguoristen te 's Hertogenbosch, op den -30 April 1854. (Zie Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2 Mei, 1854.)--Mag -dat niet echt heidensch genoemd worden, is dat geen afgoden-, geen -fetischdienst? - -[19] Het loon van een Koeli is van regeringswege vastgesteld; het -bedraagt 2 1/2 centen per paal en daar 3 palen op een uur gerekend -worden, hadden wij slechts 7 1/2 centen per uur behoeven te betalen, -maar gaven steeds iets meer, vooral in het gebergte waar de afstand -van de eene plaats tot de andere niet door middel van palen wordt -aangewezen. - -[20] Elke zak bevat 25 gulden aan enkele centen, en wordt uit dunne -strooken van lange palmbladeren gevlochten; zeer dikwerf bedient men -zich tot dat einde van den bast, Tapas, der Kokospalmen, die zich -bevindt tusschen den stam en de bladscheden. - -[21] Desa beteekent in de Javasche en in de Soendasche taal hetzelfde -als Kampong in het Maleisch, namelijk, dorp. - -[22] Warong, een Javasche eetwinkel, bestaat uit eene opene van Bamboes -vervaardigde kraam, waarin tafels en banken zijn geplaatst, alwaar--in -elk dorp en gedurende den ganschen dag--alles gevonden wordt, hetgeen -de Javaan tot leeftogt als anderzins behoeft, voornamelijk rijst, -gedroogde visch, gedroogde smalle strooken vleesch (Dendeng), zout, -Spaansche peper, allerlei vruchten, zoomede fijn gesnedene tabak, -benevens daaruit vervaardigde, in bladeren gewikkelde cigaren; -wijders palmwijn (Toeak), dikwerf ook koffij en Chinesche thee, -welriekende bloemen, rijst- en honiggebak, enz., enz. De Javaan staat -op HOOGEREN TRAP van beschaving dan de Europeër, indien de inrigting -zijner Warong's, vergeleken met de restauratiën des laatstgenoemden, -daarbij tot maatstaf wordt genomen. - -[23] Deze waaijerpalmen worden, ter plaatse waar zij in het wild -groeijen, steeds op zekeren afstand van de kust aangetroffen: zij -overschrijden den afstand van hoogstens drie palen landwaarts in van -de zee gerekend niet, ten gevolge waarvan deze wouden (die bovendien -een droogen en rijzenden bodem verlangen) zich altijd in den vorm -eener strook uitbreiden. - -[24] Ieder Javaan weet bij ervaring dat koningstijgers en paauwen in -de wildernis onafscheidbaar zijn, weinigen echter zijn in staat de -reden er van op te geven.--Het volgende voorbeeld moge ten bewijze -strekken, hoe innig de band is welke twee zoo geheel verschillende -diersoorten, als tijgers en paauwen zijn, zaâmverbindt. Bekend is -het dat de tijger zich bij voorkeur ophoudt in de heete laaglanden; -de paauw insgelijks. Op Java echter wordt een gebergte gevonden -dat, ter hoogte van 9000 voet boven den spiegel der zee, den vorm -heeft eener hoogvlakte, met uitmuntend voedergras is begroeid en -(uit dien hoofde) door eene talrijke, ja, over talrijke menigte -herten is bewoond. Niettegenstaande het koude klimaat dat op deze -hoogte heerscht, wordt--als uitzondering op den regel--insgelijks -de koningstijger zeer dikwerf aangetroffen op dit plateau (waar hij -zich zoo gemakkelijk eene prooi kan verschaffen) en--steeds ziet men -paauwen van de eene boomgroep naar de andere vliegen. - -[25] Elk dorp op Java, uitgezonderd die van de kleinste soort, -bevat tevens eene vierkante grasplek, Aloen aloen geheeten, te midden -waarvan gewoonlijk een Weringinboom is geplant, welks breed uitgebreid -en boogsgewijs afhangend loof een aangenamen lommer geeft. Rondom -dit opene plein staan, tusschen geboomte verscholen, de voornaamste -woningen, als die der hoofden, enz. - -[26] Voor onze landslieden in Holland nog immer eene ware -verschroeijende hitte. - -[27] In de pan gebraden leveren zij den Javanen, zelfs onder de hoogere -standen, eene zeer smakelijke toespijs op bij hunnen rijstschotel. - -[28] Zoo wordt het extract van opium genoemd, hetwelk de dikte -van gewone siroop heeft en gebezigd wordt om de fijn gesnedene -tabaksbladeren mede te doorweeken. - -[29] Slechts weinige boomen der tropische kustflora, die in den -eigenlijken zin des woords behooren tot het zeestrand, bereiken -eene dergelijke hoogte. Even als de boomen welke gevonden worden -aan de tegenovergestelde grenzen van het plantenrijk, op de hoogste -bergtoppen, zijn zij meerendeels dwergachtig klein, in vergelijking van -de 100 à 150 voet hoog groeijende woudreuzen, die in het binnenland tot -op eene tamelijke hoogte boven den spiegel der zee aangetroffen worden. - -[30] De Javasche krokodil (Boeaja, door de Europeërs ten onregte -Kaiman geheeten) wordt aan de zuider kust in alle kleine beken, in de -nabijheid harer mondingen welke gewoonlijk diep zijn, aangetroffen en -zwemt door de zee of kruipt langs het strand van de eene riviermonding -naar de andere. - -[31] Gòlok: een korte, zeer zware dikke sabel, welken de Javanen als -bijl en als hakmes gebruiken. - -[32] Het is eene bekende zaak, dat er schildpadden zijn gevangen, -die bijna acht centenaars wogen. - -[33] Een roofdier (Paradoxurus Musanga) dat, even als de Europesche -vos, ook vruchten niet versmaadt en vooral verlekkerd is op rijpe -koffijbessen. - -[34] Angklong, dat is, een houten raam of gestel, waarin verscheidene -nevens elkander geplaatste Bamboesbuizen staan, wier boveneinde schuin -is afgesneden en die op de wijze van orgelpijpen trapsgewijs kleiner -worden. Door deze buizen of pijpen gaan houten staven, door middel -waarvan het bovenste gedeelte van het raam met het benedengedeelte -in verbinding is gebragt; deze staven brengen door het aanslaan in -de veel wijdere buizen de toonen voort, indien het raam dat met beide -handen wordt vastgehouden, op de maat ginds en herwaarts wordt bewogen. - -[35] Loerah, hetgeen in andere streken wordt genoemd Patingi, enz., -beteekent dorpshoofd, plaatselijke overheid, zooveel als burgemeester -in Holland. - -[36] Sarong: kleedingstuk, dat in Indië personen van beiderlei kunne -algemeen bezigen en gewoonlijk het eenige is, dat gedragen wordt; het -reikt van de heup tot aan de voeten en wordt, daar het zeer wijd is, -in vele plooijen gevouwen. Alleen de hoofden dragen onder den Sarong -eene lange broek, hetgeen insgelijks door de Javanen van lageren rang -bij plegtige gelegenheden wordt nagevolgd. - -[37] Kris: het onafscheidelijk wapen van elken Javaan die niet doodarm -is, een lange, tweesnijdende dolk met een zeer groot handvatsel, -dat een eigenaardigen vorm heeft. - -[38] Ik geloof niet dat eene tot in de geringste bijzonderheden -afdalende beschrijving der bruiloftsfeestelijkheden bij de Javanen -bijzonder nuttig of der moeite waardig zou mogen geacht worden, evenmin -als uitvoerige beschrijvingen van de gebruiken en ceremoniën welke -bij de geboorte, besnijdenis, begrafenis, enz., enz., worden in acht -genomen. De ervaring toch heeft mij geleerd dat deze gebruiken--al -komen zij algemeen genomen, wat de hoofdzaak betreft, overal vrij -wel overeen,--in de bijzonderheden verschillen, niet alleen bij de -drie groote, door hunne taal verschillende hoofdstammen op Java -(bij de Soendanezen, Javanen en Madoerezen), en niet slechts bij -de verschillende standen der maatschappij in elken stam, van den -vorstelijken prins tot aan den geringsten Koeli, maar dat zij ook -in de verschillende residentiën, distrikten en bewoonde plaatsen, -van een en denzelfden stam (in de bijzonderheden der ceremoniën) -onderling zeer van elkander afwijken.--Pendopo is een open huis dat -op palen is gebouwd en wel een dak, maar geen muren of wanden heeft. - -[39] Soesah: onrust, moeite, bezwaar, verdriet, hinderpaal, -moeijelijkheid.--Sedert den oogenblik dat (op verlangen mijns broeders) -de proef was genomen om alleen van vrijwillig dienstbetoon der -Javanen gebruik te maken, was geen enkele dag, ter naauwernood een -uur verloopen waarop ons geene klaagliederen Soesah soesah,--Soesah -sakali! van onze bedienden in de ooren hadden geklonken. - -[40] Pidjit is de benaming welke aan een mechanisch geneesmiddel, -namelijk, aan de manipulatie wordt gegeven welke (gewoonlijk door eene -vrouwenhand) op de volgende wijze geschiedt: het geheel ontkleede -en uitgestrekte ligchaam wordt van de toppen der vingers en teenen -tot aan het hoofd en terug, voornamelijk op de gewrichten en dikkere -spieren, zacht gestreken, gekneed en gedrukt. Na sterke vermoeijenis -en hevige spierbeweging, of verslapping ten gevolge van overmatige -hitte, heeft dit Pidjiten iets zeer verkwikkends en herstelt het de -verlorene krachten, maar wordt tevens menigwerf uitsluitend aangewend -om de aangename gewaarwording die het te weeg brengt. - -[41] Zie de analyse van het dierlijk ei aan het slot van dit -stuk.--Drie en twintig der zoogenaamde elementen, wier gezamenlijk -aantal thans 62 bedraagt, komen zeer zelden voor en zijn gedeeltelijk -slechts onvolkomen bekend. - -[42] Men vergelijke A. von Humboldt's Ansichten der Natur (derde -uitgave, 1849) II. bladz. 312. "De moeijelijkheid welke er in -gelegen is, om de levensverschijnselen van het organismus op eene -bevredigende wijze terug te brengen tot natuur- en scheikundige -wetten, moet grootendeels worden toegeschreven aan de zaâmgesteldheid -der verschijnselen, aan de veelvoudige te gelijker tijd werkzame -krachten en aan de omstandigheden, welke invloed op hare werkzaamheid -uitoefenen, even als zulks ten opzigte van de voorspelling van -meteorologische veranderingen in den dampkring het geval is." - -[43] Sur l'homme et le développement de ses facultés, ou essai de -physique sociale. 2 vol., wijders: Du système social et des lois qui -le régissent, Paris 1848. - -[44] Die waarschijnlijk afstamt van de wilde geit, Capra Aegagrus. - -[45] Deze atomen, al waren zij binnen bepaalde grenzen besloten en -niet oneindig klein, zouden wij echter nimmer, zelfs niet met de -sterkste microscopen kunnen waarnemen, dewijl het medium waardoor -wij heenzien, de lucht, de glaslensen, ja de deelen van ons eigene -oogen insgelijks uit atomen, uit stof bestaan. - -[46] Deze zamengestelde atomen noemt men thans, ten einde eene -achterdeur open te houden, molekulen. - -[47] Scheikundig zamenstel of, bij gelijke menging, doch verschillende -ligging der atomen en verschillende vatbaarheid tot breking van het -gepolariseerde licht. - -[48] Het volgende voorbeeld zal hiervan nog een sprekender bewijs -opleveren. Wanneer twee personen uit een glas drinken, waarin zich -een oplossing van amygdaline bevindt, zijnde een kristalliseerbaar, -volkomen onschadelijk ligchaam dat in bittere amandelen wordt -gevonden, en de een onmiddellijk daarna een glas orgeade drinkt, de -andere echter niet, dan zal de laatste gezond blijven, terwijl zich -bij den eerstgenoemde verschijnselen van hevige vergiftiging zullen -openbaren. Zoodra namelijk amygdaline in aanraking komt met zoete -amandelen en water (amandelmelk), wordt door eene bloote omzetting -der bestanddeelen (behalve suiker, bitteramandelolie en mierenzuur) -blaauwzuur gevormd. - -[49] Alcoholradicalen zijn koolwaterstoffen (4 kool- en 5 waterstof), -welke in verbinding met 1 atoom zuurstof en 1 atoom water ligchamen -vormen, waartoe onder anderen de algemeen bekende wijnalcohol behoort. - -[50] Tot zoo ver gaat het handschrift van mijn oudsten broeder, -dat hij mij ten gebruike heeft afgestaan, nadat hij (zijne voordragt -geëindigd hebbende) er hier en daar meer volledigheid aan gegeven en -het verbeterd had. - -[51] Mijn broeder Nacht was oorspronkelijk tot den zoogenaamden -geestelijken stand bestemd, doch beoefende naderhand de -landhuishoudkunde en houtvesterij. Wij de overige drie broeders leiden -ons reeds vroegtijdig toe op de natuurwetenschappen; de oudste van ons, -Avondrood, had eene bijzondere voorliefde voor de studie der zoölogie -en physiologie, Morgenrood voor de chemie en physica, terwijl ik -(de jongste) mij voornamelijk bezig hield met de beoefening der -botanie en geologie. Het resultaat van nog niet doorgronde wetten, -hetwelk wij "noodlot" noemen, vereenigde ons later, gelijk de lezer -reeds vroeger heeft gezien, alle vier op Java. - -[52] Naauwkeurig genomen bedraagt deze afstand voor 5854 jaren -lichtsnelheid iets meer dan 763 1/2 Siriusverten,--een gering -verschil hetwelk bij deze algemeene beschouwingen niets ter zake -doet, evenmin als de resultaten van latere waarnemingen, b. v. die -van Maclear en Henderson, welke de ster a van den Centaur als -de naastbij staande vaste ster (op 4 1/2 billioen mijlen of 3 -1/2 jaren lichtsnelheid) beschouwen, terwijl Struve de door hem -het naauwkeurigst waargenomen Wega (a in de Lier) op 16 billioen -mijlen of 12 1/12 jaren lichtsnelheid schat en dezen afstand een -"enkelvoudige vastesterafstand" (gelijkstaande met 800000 maal een -zonsafstand) noemt. - -[53] Uithoofde de aarde zich binnen dit tijdperk 5854 malen om de -zon draait en te gelijkertijd 1 millioen 460000 maal om hare eigene -as wentelt, zal het alziende oog haar van alle zijden overzien; een -menschelijk oog echter zou niet in staat zijn de lichtbeelden duidelijk -op te nemen, ten gevolge van de snelheid der beweging, van den korten -duur staande welken de lichtstralen hunne werking uitoefenen. - -[54] Gelijk bekend is, hebben photometrische metingen nog niet tot -zekere resultaten geleid. - -[55] De zoogenaamde "duivelsstem op Ceylon," welke door de overdrevene -beschrijvingen van ligtgeloovige reizigers (zoo als Wolff en Knox) -en mystieke natuurphilosophen (zoo als Schubert) eene zekere mate van -beruchtheid heeft verkregen, is hoogst waarschijnlijk niet anders -dan het onschuldige geschreeuw van een nachtelijk rondfladderenden -Pteropus of Galeopithecus, waarschijnlijk G. volitans. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de -Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT *** - -***** This file should be named 52477-8.txt or 52477-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52477/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/52477-8.zip b/old/52477-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index a161039..0000000 --- a/old/52477-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h.zip b/old/52477-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 960c7e7..0000000 --- a/old/52477-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/52477-h.htm b/old/52477-h/52477-h.htm deleted file mode 100644 index 487d687..0000000 --- a/old/52477-h/52477-h.htm +++ /dev/null @@ -1,15856 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2016-07-02T09:01:49Z. --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta name="generator" content= -"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> -<title>Licht- en Schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java</title> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> -<meta name="generator" content= -"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Franz Wilhelm Junghuhn (1809–1864)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href= -"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content= -"Franz Wilhelm Junghuhn (1809–1864)"> -<meta name="DC.Title" content= -"Licht- en Schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -td.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0px solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -.cellDoubleUp { -border: 0px solid black !important; -width: 1em; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0% .5em 0%; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0% 0 0%; -} -span.hemistich { -color: white; -} -.versenum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -}body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -.sp { -font-size: small; -font-weight: bold; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd21e7497 -{ -text-align:right; -} -.xd21e146width -{ -width:480px; -} -.xd21e153width -{ -width:430px; -} -.xd21e203 -{ -text-align:right; -} -.xd21e1362 -{ -text-align:center; -} -.xd21e2218 -{ -text-align:center; -} -.xd21e2520 -{ -text-indent:4em; -} -.xd21e9652 -{ -font-size:small; -} -.xd21e9741 -{ -vertical-align:middle; -} -.xd21e9743 -{ -vertical-align:middle; -} -@media handheld -{ -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de -Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java - -Author: F. W. Junghuhn - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52477] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e146width"><img src="images/new-cover.jpg" alt= -"Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e153width"><img src="images/titlepage.png" alt= -"Oorspronkelijke titelpagina." width="430" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">LICHT- EN SCHADUWBEELDEN<br> -UIT DE<br> -Binnenlanden van Java.</div> -<div class="subTitle">OVER HET KARAKTER, DE MATE VAN BESCHAVING, DE -ZEDEN EN GEBRUIKEN DER JAVANEN; OVER DE INVOERING VAN HET CHRISTENDOM -OP JAVA, HET BEZIGEN VAN VRIJEN ARBEID EN ANDERE VRAGEN VAN DEN -DAG.</div> -<div class="subTitle">VERHALEN EN GESPREKKEN</div> -<div class="subTitle">VERZAMELD OP REIZEN DOOR GEBERGTEN EN BOSSCHEN, -IN DE WONINGEN VAN ARMEN EN RIJKEN.</div> -</div> -<div class="byline">DOOR DE GEBROEDERS<br> -<span class="docAuthor"><i>DAG</i> EN <i>NACHT</i>.</span><br> -MEDEGEDEELD DOOR DEN EERSTGENOEMDE.</div> -<div class="docImprint">TE LEIDEN, BIJ<br> -Jacs. Hazenberg Corns. zoon.<br> -<span class="docDate">1854.</span></div> -</div> -<div id="epigraph" class="div1 epigraph"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„Grau, theurer Freund, ist alle Theorie,</p> -<p class="line">Und grün des Lebens goldner Baum.”</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e203"><span class="sc"><a class= -"pglink xd21e41" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= -"https://www.gutenberg.org/ebooks/2229">Göthe</a>.</span> -<span class="pagenum">[<a id="xd21e209" href="#xd21e209" name= -"xd21e209">I</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="voorrede" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORREDE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Ik ben kortelings met mijn broeder</i> -<span class="sc">Nacht</span> <i>uit de binnenlanden van Java alhier -aangekomen, en zie met genoegen, dat men zich ook hier te lande het lot -aantrekt dier goede zielen, in wier midden wij in gehuchten, dorpen, -steden en in de wildernissen bij het wachtvuur, zoo menig jaar hebben -doorgebragt. De onderwerpen, welke wij destijds hebben behandeld, -worden hier overwogen door staatsmannen, ministers, leden der tweede -kamer, liefhebbers, spekulanten, presidenten van -Zendeling-genootschappen, door ingewijden en leeken, door mannen van de -theorie en van de praktijk; zij worden er door gewikt en gewogen, het -voor en tegen er van in het licht gesteld, door dezen aangeprezen, door -genen gelaakt. Het pleit is echter nog niet beslist. Toen ik dit alles -zag, dacht ik nogmaals na over hetgeen ons in der tijd bezig hield en -het scheen mij toe, dat onze verhalen en gesprekken—al dragen -<span class="pagenum">[<a id="xd21e222" href="#xd21e222" name= -"xd21e222">II</a>]</span>zij niet het gewaad van geleerdheid, al zijn -zij niet gevoerd door mannen, ervaren in het staatsregt, de -staathuishoudkunde, dogmatiek, christologie en in de hoogere en lagere -politiek, maar toch, zoo als ik met bescheidenheid vermeen te durven -hopen, met een weinig gezond verstand</i> onder den groenen boom des -levens <i>ter neêr gesteld,—niet geheel onwaardig mogen -beschouwd worden, om onder het oog van het publiek te worden -gebragt</i>.</p> -<p class="par"><i>Eenige kleinigheden daargelaten, die ik er heb -bijgevoegd, naar aanleiding van hetgeen ik na mijne aankomst in Europa -vernam en ontwaarde, komen ze onveranderd in het licht.</i></p> -<p class="par"><i>Wij hopen, dat onze verhalen en gesprekken -goedgunstig door den lezer mogen worden ontvangen.</i></p> -<p class="par"><i>Mijn broeder</i> <span class="sc">Nacht</span> <i>is -reeds sedert lang door den dageraad verlicht geworden. Hij wenscht -echter onbekend te blijven en heeft zijn naam veranderd. De -Correspondenten van onze voormalige firma worden derhalve verzocht zich -voortaan uitsluitend te wenden tot dengene, die van het navolgende -is</i></p> -<p class="par signed"><i>S.... Februarij, 1854</i>. <span class="sc">DE -MEDEDEELER.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name= -"pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="pt1" class="div0 part"> -<h2 class="super">VERHALEN EN GESPREKKEN<br> -UIT DE<br> -BINNENLANDEN VAN JAVA.</h2> -<h2 class="label">1.</h2> -<p class="par first">Na een vermoeijenden dagmarsch over bergen en -dalen, waren wij te Gnoerag aangekomen. Onze kleederen en overige -reisbehoeften hadden wij in kleine lederen koffers gepakt, ligt genoeg -om ze, met eene hand vastgehouden wordende, op den schouder of op het -hoofd te dragen. Maar de Koeli’s, die zich daarmede hadden -belast—een tiental Javanen uit het dorp, dat wij des morgens -hadden verlaten—waren achter gebleven. Twee uren -<i>vóór</i> onze afreis uit Gnoetnig waren zij van daar -vertrokken. Wij haalden hen echter in en vonden ze onderweg, in de -schaduw van een Bamboesboschje, uitgestrekt op den grond liggen. -Sommigen hielden hunne siesta en bezigden onze koffertjes, die daartoe -juist groot genoeg waren, tot hoofdkussens; anderen, die reeds -uitgeslapen waren, maakten kleine cigaren van fijn gesneden tabak en -Djagongbladeren.—„Saja banjak tjapé, Toean!” -(Ik ben dood moede, heer) zeide de een; „Terlaloe panas, korang -<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name= -"pb2">2</a>]</span>koewat” (’t is ondragelijk heet, ik kan -niet meer) voegde een ander mij toe, en „Sakit prot” (ik -heb pijn in ’t lijf) was de jeremiade van een derde. Wij lieten -eenigen onzer bedienden bij hen achter en zetteden onzen togt voort, -nadat wij een der koffers hadden geopend om wat sigaren te krijgen en -die onder hen te verdeelen. Wij beloofden ieder van hen een halven -gulden boven het bedongen loon (dat wij reeds vooraf hadden betaald), -benevens Koewé koewé (suikergebak) met Kopi (koffij) tot -eene versnapering, indien zij zorg droegen <i>vóór</i> -het vallen van den avond te Gnoerag te zijn. „Ja wel, beste -heer!” riepen zij allen verheugd als uit eenen mond; „wat -een goede heer is hij toch”—voegden anderen er bij. Hunne -wil was inderdaad goed. Maar zij lagen daar zoo vrolijk bijeen! Hun -goedig, slaperig oog, waarin de genoegelijkheid als het ware te lezen -stond,—want zij waren zoo blij, zoo zonder zorgen,—hielden -ze onafgebroken gerigt op den blaauwen rook hunner cigaren; zij schenen -aldaar zoo regt gelukkig te zijn, beter nog dan het eerste menschenpaar -in het Paradijs; een beekje murmelde in hunne nabijheid en -Paradijsvijgen, die hun het groote blad bij wijze van bord voor hunnen -medegevoerden <span class="corr" id="xd21e274" title= -"Bron: rijstmaalijd">rijstmaaltijd</span> hadden opgeleverd, namelijk, -Pisangboomen, spiegelden zich werkelijk in het effen vlak van het -kristallijnen vocht der beek.</p> -<p class="par">Had ik mijn zin gevolgd, dan had ik ze vooruitgezonden, -maar mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> zeide „ze zullen -wel achter aan komen” en wij gingen vooruit met een Loerah (een -dorpshoofd), drie van onze bedienden en een paar andere Javanen, die -onze instrumenten en jagtgeweren droegen.—Eindelijk werd het tijd -naar een nachtkwartier om te zien en nog waren zij niet aangekomen.</p> -<p class="par">De avondzon wierp reeds hare roode stralen op de -oostelijke dalhelling; weldra verlichtte zij nog slechts haren -<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name= -"pb3">3</a>]</span>bovensten rand, deze heldere strook werd allengs -smaller en bleeker; reusachtige vledermuizen (Kalong’s) togen -reeds over onze hoofden naar de oorden, waar zij hunne nachtelijke -feesten vieren en het geschreeuw der paauwen in de naburige wouden -klonk al luider en luider in ons oor, toen wij het eenzame dorpje -naderden, dat slechts uit een vijf- of zestal hutten bestond. De -donkere schaduwen, die op het breede dal waren nedergedaald, hadden ook -het kleine dorp met zijne vruchtboomen reeds verzwolgen. Zoo even -hadden de vrouwen op de houten blokken (Lĕsoeng) rijst voor het -avondeten gestampt en reeds een kwartieruur vroeger had de regelmatige, -heldere klank der neêrvallende stampers ons oor getroffen, toen -wij ons nog op een verren afstand van hier bevonden.—Naauwelijks -echter hadden zij ons in het oog gekregen of zij wierpen hare stampers -(Aloe’s) neder en vloden ijlings binnen hare hutten. Huilend -werden zij achtervolgd door hare kinderen en de honden verscholen zich -onder den vloer der woningen, die, zoo als gewoonlijk het geval is, aan -de vier hoeken op palen of Bamboesstijlen waren gebouwd. Uit die -schuilhoeken lieten zij hunne blaffende symphonie, fortissimo, hooren -en stoorden de kippen in den slaap, die ter zelfder plaatse reeds -sedert geruimen tijd op het roest zaten. In de hutten zelven werd niet -de minste beweging vernomen. Allen, die zich er in bevonden, hielden -zich zoo stil als een muis; slechts hier en daar liet zich een half -gezigt, een oog, bespeuren, dat nieuwsgierig door eene reet der -Bamboeswanden gluurde.</p> -<p class="par">Wij zetteden ons onder een klein afdak neder op een -stampblok (Lĕsoeng), dat voor de hutten stond en benoemden den -Loerah tot onzen ambassadeur en plenipotentiaris, ten einde met den -waarschijnlijk levenden inhoud der geslotene vestingen—niet zoo -als Prins Menzikoff met de Verheven <span class="pagenum">[<a id="pb4" -href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>Porte—neen, vriendschappelijk -te onderhandelen.</p> -<p class="par">Onze diplomaat hield eene roerende aanspraak, gaf zijne -smart te kennen, dat onze komst vensters en deuren had doen -sluiten—en ter naauwernood had hij zijne sierlijke rede -geëindigd of eerst werd eene, vervolgens eene tweede en weldra -eene derde deur geopend, waarop, hoewel aarzelend, eenige mannen naar -buiten traden met rijst en Pisang, welke levensmiddelen de Loerah -verklaard had tegen goed geld te willen inruilen. Wij nuttigden nu ons -eenvoudig avondmaal, dat ons op een Pisangblad werd toegediend. De -honden kropen uit hunne schuilhoeken te voorschijn en kwamen al -kwispelstaartend naar ons toe; weldra verschenen enkele rimpelige -sybillen op het tooneel, die op eenigen afstand bleven staan en ons met -luide, krijschende stemmen, maar niettemin met regt vriendelijke -gebaren, een „welkom te Gnoerag!” toeriepen. Het duurde -niet lang of eenige jongere vrouwen, met hare kinderen op den arm, -traden op ons toe, ja, zelfs de jonge meisjes slopen de eene na de -andere in den kring. Anderen verwijderden zich weder en bragten ons -ongevraagd eenige lekkernijen, die zij in hunne hutten hadden bewaard. -Deze bood ons een kleinen pot aan, gevuld met Sambal gòreng, -gene bragt de helft van een gebraden hoen (Ajam panggang) te -voorschijn, dat hij ons als lekker aanbeval, een ander gaf ons een paar -gedroogde schildpadeijeren, of een stukje Dendeng; een vierde spreidde -eene mat (Tikar), van Pandanbladeren gevlochten, op den Lĕsoeng -uit en eindelijk—toen de overtuiging zich algemeen had gevestigd, -dat wij geene zeeroovers waren,—zagen wij ons vertrouwelijk -omringd door ouden en jongen, door mannen, vrouwen en kinderen, met al -hun huisgedierte, in één woord, door al wat in het dorp -leven ontvangen had.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT</span>. Ziet ge wel, dat de -Javanen beste menschen zijn? <span class="pagenum">[<a id="pb5" href= -"#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Ziet ge wel, dat men goed en -gastvrij zijn kan, zonder <i>Christen</i> te zijn? Maar ziet ge ook -wel, dat onze Koeli’s niet komen?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hebt slechts geduld; het -is nog niet volkomen avond en buitendien wij hebben maneschijn. Zij -zullen wel komen.</p> -<p class="par">Intusschen hadden onze „jongens” (spreek -uit: Javasche bedienden, die somtijds reeds vrij bejaard zijn) kennis -gemaakt met de bewoners van het dorp en slaapplaatsen voor ons -uitgezocht. Het laatste overblijfsel van het vooroordeel, dat de -dorpelingen tegen ons „menschen met blanke gezigten” nog -koesterden, was door hunne bemoeijingen weggenomen. Mijn jongen Sidin -komt daar aanstappen met eene jeugdige vrouw, die haar kind op den arm -heeft; zij biedt ons hare hut tot tijdelijk verblijf aan en wil ten -onzen gevalle zoo lang bij hare buurvrouw haren intrek -nemen.—Waar is dan uw man? „Ach, heer” gaf zij ten -antwoord, „acht dagen geleden heeft een tijger hem -opgegeten.” Dit zeide zij met een lagchend gezigt als of zij een -grap verhaalde. Op grond hiervan beelde de lezer zich niet in, dat de -Javanen hardvochtig en gevoelloos zijn; dat is volstrekt niet het -geval. De zaak is deze: in alle wisselingen van hun lot gedragen zij -zich als geboren philosophen en weten zich spoedig naar alles te -schikken. Zoodra het lijk aan de aarde is toevertrouwd, al heeft men -den overledene bij zijn leven nog zoo lief gehad, dan wordt er niet -meer om getreurd. „Het treuren helpt toch niet, en gedane zaken -nemen daardoor <i>geen</i> keer! Waartoe zal men iemand lang beweenen, -daar men elken dag zelf sterven kan?”—Op die wijze ongeveer -beschouwen zij de zaken. Het heete klimaat, de verbazend snelle -ontbinding en vergankelijkheid van al dat bewerktuigd is, zoodra het -leven daaruit is geweken, de voortdurende gelijkvormigheid <span class= -"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>in alle -verschijnselen der natuur, die hen omringt, waarin geene afwisseling -van jaargetijden wordt waargenomen, dit alles oefent -noodzakelijkerwijze invloed uit op hun karakter en hunne innerlijke -gemoedstemming. Met gelatenheid dragen zij hun lot, dat door hen als -iets onvermijdelijks wordt beschouwd. Het gevaar, waaraan zij -<i>voortdurend</i> zijn blootgesteld, ontneemt hun alle vrees en maakt -hen onverschillig omtrent hetgeen haar bij anderen doet ontstaan.</p> -<p class="par">Wij namen bezit van de hut, die op eenigen afstand van -de overigen, tusschen ooft- en wilde boomen verscholen, was gebouwd. De -rosse gloed eener lamp met Djarak- (Ricinus-) olie gevuld, wierp een -flaauw licht op den vloer en de vier berookte wanden, van gevlochten -Bamboes vervaardigd, waaruit het eenige vertrek der hut bestond. De -vloer rustte op stijlen, ter hoogte van ongeveer vier voet boven den -grond: de bank, die met eenige Tikar’s was belegd en ons tot -rustplaats moest dienen, bestond mede uit gespleten Bamboes.</p> -<p class="par">Wij verlangden zeer naar een bad;—wij wenschten -ons te ontdoen van onze kleederen, die doornat van zweet en daarenboven -met stof en vuil bedekt waren. Maar wat moesten wij aantrekken? De -Koeli’s, die onze koffers droegen, waren nog niet aangekomen. Een -sigaar, een glas wijn konden wij wel ontberen, maar zouden wij ons nu -ook genoodzaakt zien het tenue der inboorlingen aan te nemen, en in het -kostuum van Adam rond te wandelen?—Al hetgeen de goede luitjes -hier in het dorp in hunne garderobe overcompleet hadden en dit bestond -uit een paar Sĕlendang’s (lange, smalle omslagdoeken) en -Sarong’s (een kleedingstuk, dat den vorm heeft van een -vrouwenrok), werd ons ten gebruike afgestaan. Wij deden derhalve als of -wij ons in het Paradijs bevonden en het kostte weinig moeite ons in te -beelden, dat dit werkelijk het geval was. Ademden wij hier niet eene -zuivere, zachte, geurige lucht in?—<span class="pagenum">[<a id= -"pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>strekte zich hoog boven onze -hoofden niet de schoonste blaauwe hemel uit?—stond hier nevens -onze hutten niet de Musa „uit het Paradijs” (gelijk -Linnaeus haar heeft genoemd), met hare reusachtige, reeds aanrijpende -trosvormige vruchten?—blonken ginds niet goudkleurige -Mangga’s, roode Djamboe’s, Doeren’s en -Nangka’s, beide ter grootte van een menschenhoofd, benevens vele -andere schoone vruchten in het oog, half verscholen tusschen het loof -der boomen, die in en rondom het dorpje waren aangeplant?—verhief -zich niet boven onze hoofden, zagen wij niet verre beneden ons in het -lagere gedeelte van het dal, het loofgewelf der allerprachtigste, -bloemrijke wouden?—geleken de bewoners van het eenzame dorpje, in -de eenvoudigheid huns harten, niet op het eerste menschenpaar, toen het -in onschuld het Paradijs tot woning had? en murmelde ginds achter ons, -in de onmiddellijke nabijheid der hut, niet een beekje, waarvan het -kristalheldere water ons uitlokte tot het verfrissend genot van een -bad?—Een gedeelte van het water liep door eene Bamboesbuis naar -eene plek, waar het terrein met een steilen wand 5 à 6 voet -afdaalde en plaste van die hoogte bij wijze van stortbad -(Pantòran) op den badende neder. Wij droogden ons in de lucht, -sloegen den Sarong om onze lendenen en den Sĕlendang over de -schouders en begaven ons naar den nabij gelegen rand der kloof, van -waar wij den ganschen, zooveel lager gelegenen bodem van het dal konden -overzien. Aldaar vleiden wij ons neder in het gras onder het geboomte -en lieten onzen geest ten speelbal van de indrukken, te weeg gebragt -door de omringende schoone natuur, die zich meer en meer in haar -schemerend avondkleed hulde.</p> -<p class="par">Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der -westelijke dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten -rand een zacht glooijend plat vormt en vervolgens <span class= -"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>steil in den -eigenlijken bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons -bevonden, verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte -des dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht -glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk -als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van -den westelijken rand welligt 1½ à 2 Javasche -palen<a class="noteref" id="xd21e329src" href="#xd21e329" name= -"xd21e329src">1</a> verwijderd was. Op den voorsprong lagen hier en -daar kleine, drooge rijstvelden (Tipar en Oema) verstrooid in eene -wildernis van Alang-alanggras, welke laatstgenoemde zelf de plaats -weder had ingenomen van velden, in voormaligen tijd bebouwd. De bodem -van het dal daarentegen, benevens de steile hellingen, die het ter -wederzijde insloten, waren bedekt met een majestueus oorspronkelijk -woud, met boomen wier zuilvormige stammen zich 100, ja, 120 voet hoog -verhieven, alvorens zij hunne rondachtige loofkroonen vormden. Als -wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven zij hunne kruinen de eene -boven de andere aan den steilen dalwand en slechts enkele gedeelten, -die volkomen loodregt oprezen, vielen hier en daar als kale plekjes -tusschen het geboomte in het oog.<a class="noteref" id="xd21e332src" -href="#xd21e332" name="xd21e332src">2</a></p> -<p class="par">Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het -dal overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht der -maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht <span class= -"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>was zoo -helder, dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen -waarnemen, toen de dagtoorts<a class="noteref" id="xd21e339src" href= -"#xd21e339" name="xd21e339src">3</a> werd uitgebluscht. In het azuren -uitspansel liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het -zintuig van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon -was gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het -geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere -algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet -langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had te -weeg gebragt,—de zonnestralen, welke er op -neêrschoten,—stegen niet langer luchtstroomen loodregt -opwaarts en werd de zijwaartsche voortplanting van het geluid niet meer -verhinderd. De branding van de meer dan 20 palen van ons verwijderde -zuider kust liet zich allengs duidelijker vernemen en het bruischen van -den stroom, die, in zijn langen loop uit het binnenste van het -hooggebergte tot aan de kust, zich al kronkelend door den bodem van het -dal slingert, trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze -algemeene, doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke -mate verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke -bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en -kinderen, die zich met haar tam gedierte—hoenders, honden, -geiten, een paar buffels en paarden—in dit dal had nedergezet en -mijlen ver door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij -lagen nu allen op hunne Balé balé’s in de hutten -uitgestrekt, waar zij zich, ieder in den kring van zijn gezin, geheel -en al overgaven aan het zalige gevoel van een volkomen onbezorgd -gemoed. Uit eenige hutten klonken ons nog de langgerekte toonen van een -gezang <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name= -"pb10">10</a>]</span>te gemoet, dat noch eene bepaalde melodie, noch -woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen wordt geïmproviseerd en -gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen en zich gelukkig gevoelen. -Ook dit eentoonige gezang hield allengs op; onze bedienden, die zich in -gezelschap van eenige dorpelingen achter ons in het gras hadden -nedergelegd, slopen de een voor en de andere na in stilte weg, om ook -voor zich eene nachtelijke rustplaats op te zoeken; de eene deur werd -na de andere gesloten; de lampjes, waarvan het schijnsel door de reten -der wanden schemerde, werden de eene na de andere gebluscht; het geluid -der huisdieren liet zich allengs zeldzamer hooren, en eindelijk -verkondigde niets meer de nabijheid der menschelijke wezens, die met al -hunne levende have, met al hun geluk en ongeluk, zich in onze -onmiddellijke nabijheid bevonden en nu in diepen slaap verzonken -waren.</p> -<p class="par">Wij alléén nog zaten daar—en langen -tijd zwijgend—nevens elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu -eens vestigden wij mijmerend de blikken op den tegenover gelegen -dalwand, waarvan hier eene bogt, met donkere schaduwen bedekt, in een -geheimzinnig duister verdween, terwijl elders eene voorwaarts -springende rotspunt of de reusachtige zuil eens boomstams door het -volle licht der maan werd beschenen;—dan weder rustten zij op het -bladerengewelf, waarmede het woud den bodem van het diep beneden ons -liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke duisternis liet zich -hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als zagen wij door eene -spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse waar in de diepe, -met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog volkomen onzigtbaar, -maar door den donder harer schuimende golven luid hoorbaar de -Tji-Nagnéak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok, van -rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop voort -naar de kust. <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name= -"pb11">11</a>]</span>Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds, -vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen, -waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid -gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen -van den avond, de echo’s van alle bergwanden had doen ontwaken, -maar die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte -zaten.—Van tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons -voorbij; somtijds vloog een krassende uil langs de helling van het dal, -doch dit was de eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde -en verre lag de natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe -geruisch van den snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het -regelmatig geklep van een Caprimulgus,<a class="noteref" id= -"xd21e351src" href="#xd21e351" name="xd21e351src">4</a> dat als -kletterende hamerslagen op een aanbeeld alom door het dal klonk, en -slechts zelden vernamen wij uit het woud beneden ons een geluid als van -loeijende buffels, maar fijner, meer schor en wilder van toon; het -waren rhinocerossen, die zich slechts in den speeltijd laten hooren. -Overigens was de dierlijke schepping dood stil en nergens was eenige -beweging zigtbaar.—Maar met welke nachtelijke schoonheid was het -omringende landschap getooid! welk een tooverachtigen schijn gaf -daaraan de maan, die het als door een floers, door een zilverkleurig, -half doorschijnend glas bescheen! Waar vind ik woorden om zoo veel -schoonheid te beschrijven,—of kleuren om haar naar waarde af te -malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo iets laat zich slechts -gevoelen, waarnemen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Beste broeder -<span class="sc">Dag</span>; wanneer ik mijn oog laat gaan over dit -vruchtbare, door de natuur zoo rijk gezegende landschap, dat een waar -paradijs mag worden geheeten en in den schoonsten schemerschijn van het -liefelijke maanlicht daar <span class="pagenum">[<a id="pb12" href= -"#pb12" name="pb12">12</a>]</span>voor ons ligt, wanneer ik daarbij -denk aan de goede Javanen, die, voor hooger ontwikkeling zoo vatbaar, -in deze oorden gevestigd zijn, maar wier geest nog in de diepste -duisternis der onwetendheid is gehuld, wier mate van intellectuele -beschaving naauwelijks met dat schemerlicht der maan kan vergeleken -worden,—wanneer ik mij dit alles voor den geest stel, dan vind ik -het ten uiterste beklagenswaardig, dat zij de openbaring van het -Evangelie, de zegeningen des <i>Christendoms</i> nog niet deelachtig -zijn geworden, dat hun eeuwig heil, het heil hunner onsterfelijke ziel, -zoo schromelijk wordt verwaarloosd!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Beste <span class= -"sc">Nacht</span>, die klagt wordt door mij niet gedeeld. Voor ik den -wensch kan koesteren om de „Javanen tot Christenen te -bekeeren,” gelijk gij dat gewoon zijt te noemen, moet ik eerst -leeren inzien, dat de Christelijke leer niets dan zuivere waarheid -bevat, dat de kennis dier leer voor alle volken der aarde als eene -zegening zij te beschouwen, en met den besten wil ter wereld heb ik mij -hiervan nog niet de overtuiging kunnen verschaffen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hoe is het toch mogelijk, -dat ge zoo kunt spreken! Bedenk eens tot welk een hoogen graad van -beschaving, wij <i>Christen</i>volken zijn opgeklommen; overweeg eens -hoezeer wij <i>Christenen</i> door de meerdere ontwikkeling onzer -verstandelijke vermogens, in handel en nijverheid, in het staatkundige -en door onze zedelijke overmagt, boven alle niet-Christennatiën -verheven zijn; denk toch aan het licht der wetenschappen dat zijne -heldere stralen over Europa verspreidt, de hooge vlugt welke het -geestesleven bij ons heeft genomen, de verbazende ontwikkeling aan alle -nuttige kunsten, aan alle takken van nijverheid gegeven, waarin geen -enkel niet-Christenvolk zich met ons meten kan,—waaraan hebben -wij dat alles te danken? dan juist aan het <i>Christendom</i>, ’t -welk wij belijden, aan onze heilige Kerk, aan de leer des <span class= -"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>bijbels, -zoo overvloeijende van menschenliefde, aan de zegeningen der -geopenbaarde godsdienst, die de Heiland en Verlosser ons heeft -geschonken?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> In geenen deele, broeder -<span class="sc">Nacht</span>. Gij verkeert in dwaling, waarin trouwens -eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn vervallen. -Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren, dat gij het -spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim achttien eeuwen -verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer verkondigde en -ongeveer 12 à 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop die leer -onder de Germaansche volkstammen, in het hart van <i>Europa</i> -gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer -dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industriële -ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een -<i>hoogeren trap</i> hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde -Heidensche volken staan, als de Japannezen<span class="corr" id= -"xd21e401" title="Niet in bron">,</span> Chinezen, Hindoes?—Zij -dagteekent ter naauwernood van vóór 200 jaren, en wat -betreft de tegenwoordige hooge vlugt, de buitengewone vooruitgang, die -in alle takken van nijverheid wordt waargenomen—het heldere -licht, verspreid door de ontdekkingen, op het gebied der natuurlijke -wetenschappen gemaakt, waardoor het leven en het verkeer der volken -eene gansch andere, nieuwe, vroeger niet mogelijk geachte gedaante -heeft verkregen, eene vlugt die nog dagelijks als met arendsvleugelen -hooger stijgt,—deze dagteekent nog niet van vóór -<i>een</i> honderd jaren! En op welken trap van intellectuele en -industriële beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de -voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms?</p> -<p class="par">De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag -als een dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf -à twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling -<span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name= -"pb14">14</a>]</span>des geestes; het geloof aan de openbaringen des -bijbels, aan de onfeilbaarheid der kerkelijke orakelspreuken, verstikte -alle zelfstandigheid van denken, weêrstreefde elk onderzoek der -natuur en stelde <i>wonderen</i> in de plaats der natuurwet, verbreidde -<i>duisternis</i>, waar het licht had moeten aanbrengen. Ge zult mij -toch wel niet tegenspreken, dat de oude Grieken en Romeinen, lang -vóór de geboorte van Christus, een veel hoogeren graad -van beschaving bezaten, dan den Christenvolken gedurende de -middeleeuwen eigen was?—En wee! die zeldzame mannen, die het -durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te willen -werpen! Was aan Galileï het treurige lot niet beschoren nog in de -17<sup>de</sup> eeuw door de priesters van Christus als ketter te -worden vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en -verdedigde, welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,—moest -hij niet, nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te -gelooven, dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het -midden 18<sup>de</sup> eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters -verbrand, heksen op de pijnbank der inquisitie gefolterd -werden?—ja, wat zeg ik, heeft men niet nog vóór -korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw, gezien dat deze -priesters „van <span class="sc">Christus</span>,” gelijk -zij zich noemen, van Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid -predikte—den <i>vloek</i>, den banvloek! uitspraken en menschen, -die den bijbel hadden gelezen, tot de galeien doemden?—Ik wil -hopen, dat Jesus niet andermaal zal geboren worden; want <i>indien</i> -dit geschiedde en hij optrad tegen deze priesters, die zich naar zijnen -naam noemen—en zeker zou hij zulks doen, gelijk hij reeds eenmaal -te velde trok tegen de huichelarij der Joodsche priesters, der -Pharizeën—dan zouden zij hem als een valschen Messias -aanklagen, veroordeelen, en ten <i>tweeden male</i> kruisigen! -<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name= -"pb15">15</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is zeer wel mogelijk. -Ge weet, dat ik, wel is waar, in het Katholieke geloof ben opgevoed, -echter geenszins behoor tot de vereerders der hierarchie, sedert ik -zelfstandig heb leeren denken. Gij spreekt van de gruwelen door het -Pausdom veroorzaakt, van de huichelende priesterschaar, die heerschen -wil en gaarne in <i>troebel</i> water vischt; maar al hetgeen door u is -aangevoerd strekt eigenlijk toch slechts ter verheerlijking van het -Christendom! Want ge zult toch met mij bekennen, dat het licht der -gezuiverde Christelijke leer, sedert den tijd dat Luther in 1520 de -Pausselijke bul verbrandde, op eene zegevierende wijze al deze nevelen -voor zich uit heeft gedreven en thans een groot gedeelte der oude en -nieuwe wereld met zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en -weldadige warmte kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en -krachtdadigste ontwikkeling zijn gekomen?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Broeder <span class= -"sc">Nacht</span>, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde -gevolgtrekking. Het <i>Christendom</i> heeft niets gemeens met dezen -bloei der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen -ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in -zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding en -aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het navorschen -van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en bovenal -voorschrijft te gelooven aan <i>wonderen</i>, vast te gelooven aan het -onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met alle -ervaring, met alle bekende wetten der natuur.—Het is waar, de -zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig, moet -hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het kwade te -onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt medelijden -jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is de -menschelijke <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= -"pb16">16</a>]</span>natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan, -en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in de -laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industriële -leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd aan -de <i>natuurlijke wetenschappen</i>, aan de geniale en grondige studie -der natuurwetten en der <i>werken</i> van den verheven -Schepper,—aan de steeds in zekerheid toenemende kennis van -hetgeen wij daar boven aan den hemel, hier beneden op de aarde -ontwaren, en is bovenal in ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen, -gedaan op het gebied der geologie, der sterre- en scheikunde, der -physica en physiologie; hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den -dag gebragt en alom verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof -steeds binnen engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de -Christelijke priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel -gevoeld en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting -der hierarchie tot op den tijd van Galileï en van Galileï tot -op den huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken, -de vatbaarheid daarvoor—door <i>hunne</i> wijze van -onderrigt—in het <i>kinderlijk</i> gemoed te verstikken, den -natuuronderzoeker in zijne navorschingen te breidelen of hem er om te -vervolgen; want <i>de natuurkundigen</i> zijn het, die vijandig tegen -hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke de priesterrok rondom -zich werpt, door een steeds grooter wordend tal van lichtstralen in -helderen dag dreigen te herscheppen. Zij, de obscuranten, leven en -bewegen zich met welbehagen alleen in die met nevelen der onwetendheid -bezwangerde lucht, waarin geen ander licht kan doordringen dan hetgeen -door wonderen en bijgeloof, als door beschilderde vensterglazen, is -verdonkerd en gebroken. Het is de pligt van den natuuronderzoeker -tegenover hun geloof aan wonderen de natuurwet—de duidelijke -<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= -"pb17">17</a>]</span>verklaring—te stellen. Hij zou met zich -zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei- -of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien <i>hij</i> aan -wonderen geloofde, indien hij in staat was zijn eerste -axioma—<i>zijn</i> evangelie: de eeuwige onveranderlijkheid en -regelmatigheid der natuurwetten, te verloochenen. Alle wetenschap houdt -op, zoodra de mogelijkheid van het tegendeel wordt aangenomen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar dewijl gij toch met -mij gelooft, dat God almagtig is,—waarom zou hij dan niet -ééne enkele maal de werking van eenige zijner -natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een -tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren -zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te -maken?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Beste broeder, vergeef het -mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn mond niet uitspreken, kan mijn -verstand niet bevatten.</p> -<p class="par">Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27 -zoogenaamde kleine planeten of asteroïden in kringen om de zon -wentelen en die gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De -zon zelve is slechts <i>een</i> van de duizende, insgelijks veel -grootere zonnen, die—ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde -vaste sterren zigtbaar—aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch -niet aannemen, dat van al die duizende zonnen slechts om deze -ééne—om de onze, die niet tot de grootsten -behoort—planeten zich wentelen, en nog veel minder, dat onder al -die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere zonnen -behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen, met -geest- en denkvermogen begaafd?—Zou het niet hoogst ongerijmd -zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten en -trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn <span class= -"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>geroepen -om den wille der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven -en dat deze schaar van zoo onvolkomene wezens,—gelijk de menschen -inderdaad zijn, die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich -op niets met zoo veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te -vermoorden, te kwellen en te plunderen,—dat zij in het oog van -den Schepper des heelals zoo hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille -van hen en om <i>hen alléén</i> die verbazende menigte -veel grootere hemelligchamen heeft geschapen, welke wij in de -onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden ontdekken, tot waar -ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij moeten derhalve -noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat ook op al deze -andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke, welke geschikt -zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond) levende, met -verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten dat zij welligt -eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij.</p> -<p class="par">En wat heeft God nu gedaan, volgens de Christelijke -geloofsleer?—Nadat de menschen reeds gedurende vijf duizend jaren -of iets langer op de aarde hadden voortgestrompeld,—gedurende -welk tijdperk reeds vele rijken ontstaan en weder te gronde waren -gegaan, natiën op het schouwtooneel der wereld waren getreden en -het hadden verlaten, waarbij veel bloed vergoten, veel gruwzaamheid -gepleegd, vele zonden waren bedreven,—zag de Schepper ten laatste -in, dat het zoo niet langer gaan kon; hij begreep eindelijk, dat hij -zijn werk (den mensch) niet doelmatig genoeg had ingerigt en dat dit -werk noodzakelijkerwijze eenige reparatien en verbeteringen moest -ondergaan. „Hij had of schiep een zoon” en zond dezen op de -aarde om het menschdom deugd en liefde tot den naaste te prediken en te -doen beoefenen, hetgeen <span class="pagenum">[<a id="pb19" href= -"#pb19" name="pb19">19</a>]</span>hij dan ook met zulk uitstekend -gevolg in praktijk bragte, dat de dankbare tijdgenooten hem daarvoor -bespotteden, hoonden, beschuldigden, ja, eindelijk tot den -martelaarsdood veroordeelden en aan het kruishout nagelden!—Maar -nu was God met zijne schepselen verzoend; nu mogten zij zondigen naar -hartelust en zoolang zij verkozen, of nog zullen verkiezen, mits zij er -te eeniger tijd slechts berouw over gevoelen, dan kunnen zij de -zaligheid toch nog deelachtig worden; want heeft hij niet zijn eigen -zoon—het <i>lam</i><a class="noteref" id="xd21e509src" href= -"#xd21e509" name="xd21e509src">5</a> Gods—tot verzoening voor de -zonde der menschen gegeven en hem—<i>aan wien</i>—daarvoor -ten offer gebragt?—: <i>aan zich zelven</i>.</p> -<p class="par">Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der -hemelen komen, en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat -de overige 705 millioen menschen betreft—Joden, Mohammedanen en -zoogenaamde Heidenen,—die behalve de zoo even genoemden op de -aarde wonen, hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in -Jezus bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen -Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters -(die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke magt -van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer „der -alleen zaligmakende heilige kerk,” geen haar breed beter gesteld -dan met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen -bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen -(Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke -zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.—En wat -zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden van -planeten en zonnen, welke in het heelal <span class="pagenum">[<a id= -"pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>zweven en zich in -elliptische banen bewegen?—dat kan niemand bepalen, indien zij, -namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn -gevormd dan wij—of indien zij geene Christenen zijn,—indien -de zoon Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,—niet den -oneindig langen togt door het heelal heeft ondernomen,—indien hij -niet van trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen -naar melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk -zijns vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te -herstellen en te verbeteren!—Waarachtig, broeder <span class= -"sc">Nacht</span>, wat zou ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat -hebben van den alwijzen Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen -kon gelooven,—indien ik zoo iets dacht van den oneindigen, -eeuwigen Maker van het heelal, die <i>niets</i> onvolkomen heeft -daargesteld, die het kleinste wormpje, het onbeduidendste plantje en -hoe veel te meer niet den mensch! van den aanvang af zoodanig heeft -gevormd, dat, door de krachten waarmede Hij hem heeft begiftigd en die -Hij aan eeuwig onveranderlijke, onverbreekbare wetten onderwierp, alles -wat leeft en zich beweegt en door zijnen adem wordt bezield, door zich -zelven en uit zich zelven zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke -bestemming onfeilbaar te gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de -wetten, de eenmaal in het leven geroepen krachten, herstelling of -verbetering behoeven.—En, aangenomen dat zulks denkbaar, dat -zulks mogelijk was, dan vraag ik u: wat heeft dan dat buitengewone -gezantschap van God op aarde uitgerigt? Wat heeft het -geholpen?—zoudt ge durven beweren, dat de menschen sedert dien -tijd beter en gelukkiger zijn geworden?</p> -<p class="par"><i>Wend uwe blikken om u heen</i>, sla Europa gade! Wat -ziet ge? Ellende, armoede, hongersnood, gevangenissen en <span class= -"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>andere -dergelijke strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel, -die onder de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt -gedreven; diefstal, moord,—ontevredenheid door de volken gevoed -jegens hunne regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers -voor hunne volken,—oorlog!—schepen en vestingen laat men in -de lucht springen en duizenden van menschen vallen in één -enkelen oogenblik als een offer des doods; hier ontwaart gij -wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen de onderscheidene -Christensekten, ginds aanmatiging der priesters, kuiperijen der -Jesuïten; van godsdienst vindt gij <i>buiten</i> de kerken zelfs -geen spoor, <i>in</i> de kerken veel huichelarij en -schijnheiligheid.</p> -<p class="par"><i>Werp uwe blikken achter u.</i> Daar ontwaart gij een -vreesselijk schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De -aanbidders der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan; -bloedig vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels -besluiten het, waarop Christenen <i>Christenen</i>—tot vreugde -<i>van</i> Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het -ijzingwekkende cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en -bloedige kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald. -Langzaam ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij -niets dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der -middeleeuwen, zoo vol gruwelen;—te vergeefs tracht gij eenig -schemerlicht van geestesleven te ontdekken;—dikke wolken -verduisteren den hemel, zij rusten op de aarde, het schrikbewind der -hierarchie bespiedt der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan -den oogenblik van zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden -gekluisterd;—het vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder -alle volken van Europa en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens, -<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name= -"pb22">22</a>]</span>die in hen sluimeren, wordt zorgvuldig -onderdrukt;—rijke kloosters zweven bij duizenden aan uwe blikken -voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in het zweet zijns -aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne poorten neder, en, -onder de bescherming des kruises, worden zij door weelderige monniken -en nonnen verbrasd;—processiën trekken voorbij met -reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer wordt -bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen kan, de -knieën ootmoedig buigt;—hier hoort gij het aflaatgeld, -betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven, -in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de -stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch -geëxcommuniceerd of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk -drukt; zelfs de lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot -der aarde worden toevertrouwd;—maar eensklaps wordt de -stikdonkere duisternis door een helder licht vervangen, de hooge hemel -is met een rooden gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich -boven den horizon, <i>Auto da Fé’s</i> worden gehouden! -en—een en dertig duizend menschen, beschuldigd of slechts -verdacht van af te zijn geweken van het eenig ware geloof der -Pausselijke kerk, worden de een na den anderen, somtijds een half -dozijn te gelijk, <i>levend voor uwe oogen verbrand</i>!—Welk -somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd, en welke jammertoonen -treffen van daar uw oor?—Het zijn de kerkers, casa santa, der -inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren, die het voorvaderlijk -geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen doen rammelen;—uit -gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van onschuldige heksen op, -die door de priesters van Christus verdacht zijn geworden, dat zij met -booze geesten in betrekking stonden; zij worden <span class= -"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name= -"pb23">23</a>]</span>gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu -hun gekerm, dat te vergeefs om „erbarming” smeekt, uw oor -doorklieft en uw hart doet bloeden!—en zie hier—een schavot -is opgerigt en ge ontwaart zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd -van getwijfeld te hebben aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de -hand der „heilige Christelijke beulsknechten” <i>levend -worden geradbraakt</i>!—Het panorama ontrolt zich verder; zal het -dan nimmer eenige verblijdende, eenige lichttooneelen -opleveren?—Een koene monnik staat daar te Wittenberg; hij heeft -zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk aangeplakt en -werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter vervloekt en in -den ban doet, in het flikkerende vuur;—maar dit vuur verbreidt -zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en dorpen staan -in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, <i>dertig jaren lang</i>, -in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!—De heerschzucht van -Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen -anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en -bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het -licht der Hervorming;—de schoonste gewesten van Duitschland -worden verwoest, ontvolkt;—in de Nederlanden neemt een Hertog van -Alba het ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000 -bewoners vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd -gedurende den Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met -afgrijzen; <i>uwe</i> haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome -staat de „Stedehouder van Christus”; <i>hij</i> viert een -plegtig Te Deum en schrijft een jubileum uit voor den welgelukten moord -van 35000 Hugenooten!—Maar nog is de schilderij vol -jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt eindeloos te zijn en -ontplooit <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name= -"pb24">24</a>]</span>zich voortdurend verder en verder voor uwe -blikken;—in Spanje zet het „heilig officie” zijn -woeden voort;—in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken -en aldaar worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk -geloof (dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt, -verbrand!</p> -<p class="par">Eindelijk,—eindelijk schijnt het eenigzins -rustiger, lichter te willen worden op het tooneel waar ’t -Christelijk treurspel wordt vertoond. In de plaats van het blind -<i>gelooven</i> begint een meer bevruchtend <i>weten</i> te treden, en -de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden allengs -zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het geval was, -geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;—ja, in -plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te -ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur -daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen—voor -het papendom ware <i>ban</i>stralen—meer en meer naar alle zijden -heen; de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder -vooruit gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de -hierarchie zich zoo gaarne bediende tot „bekeering <i>of</i> -uitroeijing” van degenen, die zij „ketters” noemde, -’t geen meestal slechts geschiedde uit gouddorst, uit heersch- of -hebzucht, wordt met elken dag meer en meer onmogelijk;—maar in -plaats van hel en vagevuur, in plaats van interdikt, vergift, dolk, -kerker, <span class="corr" id="xd21e589" title= -"Bron: pijnpank">pijnbank</span>, galg, rad en brandstapel sluipen nu -<i>Jezuïten</i> rond, <i>Jezuïten!</i>—die overal en -nergens zijn, die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de -lucht vliegen, dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond -heenwroeten, maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig -zijn om het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden, -zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne <span class="sc">BRON</span> -<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name= -"pb25">25</a>]</span>te verstoppen, het kinderlijk gemoed zoodanig te -verstompen, dat het de vatbaarheid verliest voor de indrukken van -waarheid en licht, den geest in de <i>kiem</i> te -verstikken:—<i>zich het onderrigt der jeugd in de handen te -spelen!</i>—Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag -geheel en al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die -den <i>naam</i> er van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen, -zwart als de raven, die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn -achtergebleven; want Jezuïten in grondstellingen en daden zijn zij -<i>allen</i>, <span class="sc">ALLEN</span>, die trouw hebben gezworen -aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong zijne woorden te -herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde.</p> -<p class="par">Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het -voor uwe blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich -allengs ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar -1853 de verzuchtingen nog hooren van twee „ketters”, die -door de inquisitie tot levenslange kerkering waren gedoemd!</p> -<p class="par">Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke -geloofsleer tot heden slechts onwetendheid en bijgeloof heeft -bevorderd, slechts misleiding des geestes, tot heersch- en hebzuchtige -doeleinden, heeft begunstigd, niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat, -oorlog en vervolgingzucht, met alle gruwelen, waartoe hardvochtige -priesters in staat zijn, heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk -sedert een of anderhalf honderd jaar in den nacht van waangeloof en -bedrog—doch in verre na nog niet algemeen genoeg—is -begonnen te gloren, zijn oorsprong is verschuldigd aan de beoefening -der <i>natuurlijke wetenschappen</i>.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij hebt in uwe rede -bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke kerk gedoeld....</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Eenvoudig hierom: de -gevolgen, welke uit het <span class="pagenum">[<a id="pb26" href= -"#pb26" name="pb26">26</a>]</span>geloof aan wonderen voortspruiten, -laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen; daarenboven bevat zij in -haren schoot de groote meerderheid der Christenen, want met inbegrip -der Grieksch-Katholieken telt zij, volgens de laatste berekeningen, 185 -millioen zielen, en de gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen -slechts ongeveer 60 millioen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar gij zijt toch niet -onbillijk genoeg om de misbruiken en gruwelen, die gij hebt opgesomd, -aan de Christelijke leer te willen wijten; gij zult toch de schuld van -al de jammeren, welke eene sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht -over de Christenwereld heeft uitgestort, niet op <i>Hem</i> willen -werpen, die de zuiverste menschenliefde predikte, die om onzentwille -den marteldood aan het kruishout stierf,—namelijk, op Jezus -Christus van Nazareth?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Verre van daar. <i>Hij</i> -was ontwijfelbaar een best mensch en zijn <i>handel</i> en -<i>wandel</i> was overeenkomstig met de voorschriften zijner leer. -Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door zijne -aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de -wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin -gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met -het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als -„regtstreeksche hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon, -opstanding uit den doode ten derden dage, hemelvaart” en andere -wonderen, door nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd, -wij zouden welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove -verbastering des Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de -aanbidding van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele -secten, van de vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de -Christelijke leer het geloof aan <i>wonderen</i>, aan het onmogelijke -en onnatuurlijke op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met -<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name= -"pb27">27</a>]</span>een wonder en wel het allergrootste wonder begint, -waarop het gansche gebouw steunt en rust—de „bevruchting -door een heiligen geest” en de geboorte eener „Godheid uit -eene sterfelijke vrouw”,—zoo kan het Christendom, gelijk -wij het hier voor ons zien, aan de menschheid <i>nimmer</i> geluk of -vrede aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de <i>eerste</i> -grondslag, waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan -<i>één</i> wonder, dan kunt gij even gemakkelijk honderd, -ja, honderd duizend wonderen als mogelijk aannemen, dan is niets meer -onmogelijk. Het eene wonder brengt het andere voort. Ieder geloovige -kiest uit de massa <i>dat</i> wonder of dogma tot zijn palladium, -hetwelk hij het meest gepast acht voor zijne bijzondere behoeften, of -dat het meest overeenkomt met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar -dit is eene ware bron van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in -<i>verschillende</i>, van elkander afwijkende meeningen en dit is de -eigenlijke oorzaak van de <i>verdeeling der Kerk in verschillende -sekten</i>. Het duurt vervolgens niet lang of <i>sektegeest</i> wordt -in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid, welke allengs ontaardt in -haat, nijd en vervolgingszucht.</p> -<p class="par">Dewijl toch een <i>wonder</i> geene waarheid is en voor -de juistheid van een blind <i>gelooven</i> geen bewijs kan worden -gegeven, missen de aanhangers der godsdienstige secten (belijdenissen) -die kalme, rustige gelatenheid des geestes, welke alleen kan geboren -worden uit de <i>overtuiging</i> van de waarheid, uit een helder -<i>inzigt</i> in de natuurwet. Bewijzen, welke mystieke godgeleerden -willen ontleenen uit zoogenaamde „openbaringen en goddelijke -ingevingen”, welke mannen uit den Joodschen volksstam voor meer -dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in de zoogenaamde -„heilige schriften” moeten geboekstaafd zijn, deze zal geen -natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn in lijnregte -<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name= -"pb28">28</a>]</span>tegenspraak met alles, dat in de groote schepping -Gods leeft en zich beweegt. In de <i>natuur</i> alleen openbaart God -zich aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in -staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij, tot -een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen eindelijk -tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen krenkt de -ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo gaarne als -onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is, komt -laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere den -spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat -zij,—in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne -leer is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk -te koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch -die <i>zij</i> uit het oog hebben verloren,—dat zij zich steeds -verder van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen -elkander voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te -<i>dwingen</i>, ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800 -jaren is dáár om zulks te bewijzen, en nog op den -huidigen dag kan men daarvan de treurigste ondervinding opdoen. Het -geloof aan wonderen werd gezaaid, en het onkruid schoot op als eene -duizendhoofdige hydra, waarvan elke afgehouwen kop telkens op nieuw -door een anderen wordt vervangen. Maar zelfs dan, wanneer de -Christelijke leer van al dat onkruid,—het geloof aan wonderen, -aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken des bijbels, en -andere dergelijke zaken,—werd gezuiverd, wanneer al de nadeelige -vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het nog voortdurend -tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden verbannen, -weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der Christelijke -leer, hare schoone, verhevene, <span class="pagenum">[<a id="pb29" -href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>hare lichtzijde,—ik heb -hierbij het oog op hare zedeleer—van menige overdrijving ontdaan -worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in de -kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords, in het -maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij spreekt toch niet in -ernst? O! ongeloovige <span class="sc">Dag</span>; zoudt gij het wagen, -zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het overige gedeelte -van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong verraadt, namelijk, -zijne voorschriften omtrent de <i>menschenliefde</i>, de liefde tot den -naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken of het als -onverdedigbaar willen doen voorkomen?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zoo iets komt niet, ja, kan -niet in mij opkomen. De liefde tot onze natuurgenooten, het -sympathetische gevoel, dat zich voor het geluk of ongeluk van anderen -van ons meester maakt, het medelijden, hetwelk wij ondervinden met -behoeftigen en lijdenden, de zucht die zulks bij ons doet ontwaken om -te helpen en wel te doen, ik koester daarvoor de grootste vereering, ik -beschouw zulks als de schoonste bloem in den tuin van ons gemoed -geplant, die meer en meer aangekweekt, uitgebreid en op alle mogelijke -wijze verdient te worden veredeld. Ik zal u echter bewijzen, dat de -menschenliefde, gelijk <span class="sc">Jezus</span> die -leerde<a class="noteref" id="xd21e731src" href="#xd21e731" name= -"xd21e731src">6</a> in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij -anderen alles, zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan -worden gebragt, dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de -persoonlijke regten, de waarde van het eigene ik, er door worden -miskend. <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name= -"pb30">30</a>]</span></p> -<p class="par">De bijbel leert: „Hebt uwen naaste lief gelijk u -zelven.” Dat doet niemand en kan niemand doen, dewijl het -volstrekt onmogelijk is. De aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt -ieder om <i>zich zelven iets meer</i> lief te hebben dan anderen. Om -die reden behoorde het voorschrift aldus vervat te zijn: indien -hongersnood u en anderen aangrijnst en gij kunt u voedsel verschaffen, -nuttig er dan zoo veel van als noodig is om niet van honger te sterven; -blijft er dan nog iets over, geef dit aan de anderen en behoudt het -niet voor u zelven; spaar het uwe niet, <i>wanneer anderen gebrek -hebben</i>; help anderen, wanneer gij u zelven niet in gevaar stelt er -door om te komen.</p> -<p class="par">Er staat geschreven: „Hebt uwe vijanden lief, -zegent ze, die u vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor -hen, die u geweld doen en u vervolgen.” Dat klinkt alles zeer -verheven, goddelijk, en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar -niet dan engelen wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet -verbrand of gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de -maatschappij, waarin wij leven, op te volgen.—Zij, die zich -priesters „van <span class="sc">Christus</span>” noemen, -van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg in 1854, -hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt -meesterlijke wijze <i>vervloekt</i>, geradbraakt en verbrand. De hemel -behoede mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet -vertrapt, niet naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als -grondregel aan: tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd -heeft gehandeld, beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo -mogelijk tot vriend te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden -zien, en houd hem op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort -aanslagen tegen u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk <span class= -"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>in -gevaar gebragt, neem dan de wapenen ter hand en verdelg hem.</p> -<p class="par">Op eene andere plaats wordt gelezen: „Indien -iemand u op de regterwang slaat, keer hem ook de andere toe.” -Neen zeg ik; indien gij niet voor een dwaas, een lafaard of een gek -wilt doorgaan, geef hem dan een ferme klap terug.</p> -<p class="par">De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van -zinnelijke begeerte, het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij -<i>zondig</i> noemt; gij zult u losmaken van al wat aardsch is en het -vleesch verloochenen, opdat „uwe onsterfelijke ziel aan God meer -gelijk worde, tot den Vader in den hemel opklimme en de eeuwige -zaligheid beërve.”—God echter heeft den mensch, gelijk -alle andere levende wezens, <i>tot genot</i> geschapen en alle organen -en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste doelmatigheid -zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van spijs en drank, -maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij dienen, met een -aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen genieten dagelijks en -duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige bedoelingen des -Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn; maar anatomici -en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen, de wet aan, -waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.—De Schepper heeft aan -het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle andere -schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog behaagt, -het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam niet in -die schoone gedaante, opdat het <i>on</i>opgemerkt zou blijven, de -organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich van -alle genot zou <i>onthouden</i>!—Het is niet <i>mogelijk</i> het -vleesch te verloochenen. Maar het Christendom <i>eischt</i> -verloochening, kastijding des vleesches, onderdrukking der zinnelijke -lusten, eene liefde <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" -name="pb32">32</a>]</span>tot zijn naaste als tot zich zelven, -onbeperkte weldadigheid, mededeeling van hetgeen men bezit aan hen, die -minder met aardsche goederen gezegend zijn (naar grondstellingen van -het echte communismus); het schrijft voor zijne vijanden te vergeven, -voor zijnen beleediger en vervolger te bidden, hen wel te doen, en -wanneer men op de eene wang geslagen wordt, ook de andere toe te -keeren,—al te maal leerstellingen, die men elken zondag met veel -zalving van den kansel in alle kerken hoort verkondigen, maar die, daar -buiten, door niemand kunnen betracht en uitgeoefend worden. Welke zijn -nu de gevolgen, die uit dezen valschen toestand, uit deze -onevenredigheid tusschen godsdienst<i>leer</i> en de physieke -mogelijkheid, de <i>betrachting</i> er van, noodzakelijkerwijze -voortspruiten?—: <span class="sc">HUICHELARIJ</span>, -<span class="sc">SCHIJNHEILIGHEID</span>, welke ondeugden bij de -belijders van niet één geloofstelsel in zulk eene -buitengewone mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de -<i>Christenen</i> het geval is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij, -huichelarij,—op zich zelf beschouwd reeds diep te verachten, -gelijk alle leugen en bedrog—is een verdoovend, langzaam werkend -vergift, waardoor de mensch zich in zijn eigen oogen verlaagt, zijn -karakter bedorven en de grond wordt gelegd tot velerlei kwaad in de -maatschappij, die daardoor ten deele geheel ontzedelijkt wordt. Al ware -het slechts om den wille der huichelarij, dat noodzakelijke gevolg van -het aankleven der Christelijke leer, dit alleen zou mij reeds nopen het -Christendom, zoo als het thans is, te verwerpen.</p> -<p class="par">Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken -der Christelijke volkszeden onder de aandacht breng, welke als het -gevolg mogen worden beschouwd van den valschen toestand, waarin de -belijders tegenover deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn -geplaatst. In vele oorden van <span class="pagenum">[<a id="pb33" href= -"#pb33" name="pb33">33</a>]</span>ons vaderland is het, zoo als ge -weet, gebruikelijk in de huisgezinnen <i>een</i> jaar lang over een -gestorvene rouw te dragen, zich <i>een</i> jaar lang van alle gezellige -vreugde te onthouden, geen concert bij te wonen, geen schouwburg te -bezoeken en gedurende dien tijd op geene openbare plaats van vermaak te -komen. Gij zult mij toch wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat -men zich gedurende datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen -de vier muren zijner woning, <i>niet</i> onthoudt van het genot, dat -men aldaar smaken kan; wat is nu die <i>een</i>jarige rouw anders dan -eene <i>gehuichelde</i> rouw, eene ceremonieuse pralerij met de smart, -die men <i>veinst</i> gedurende <i>een geheel jaar</i> te gevoelen, en -al dien tijd schijnheilig in het openbaar vertoont?—Zoudt gij -vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare hut heeft afgestaan en -ons heden avond verhaalde, dat haar man acht dagen geleden door een -tijger was opgevreten, geen smart daarover gevoelt, nu zij met haar -kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld doet zulks haar leed, maar -zij kent de Christelijke huichelarij nog niet. Ja, wat meer zegt, -indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i., in het gevoel bestond, -indien het gemoed zóó lang met smart ware vervuld, ik zou -mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen, zulks te meer -laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn onverstandig, -onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het geluk zoo der -bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij.</p> -<p class="par">Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij -gelegenheid van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der -drie academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar -behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de -buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door -langdurige oefening <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" -name="pb34">34</a>]</span>in staat is te bereiken, insgelijks -zoogenaamde <i>tableaux vivants</i> werden gegeven. De voorstellingen -waren, wat betreft de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer -der Grieken en Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen -ten voorbeeld genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij -moesten bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij -werden voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java -nooit gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen -van het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en -houding op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het -gracieuse behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid -der vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige -bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen dominé, geen professor -in de theologie en vooral geene <i>dames</i>. Men zei den ondernemer, -dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en dominésgezinde) -<span class="abbr" title="Leidsche"><abbr title= -"Leidsche">L...sche</abbr></span> dames den mensch, zoo als -<span class="ex">God</span> hem levend heeft geschapen, en zoo als de -beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit marmer beitelden, -voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden en dat de -<span class="ex">kleermaker</span> komen en hem -„fatsoenlijk” moest maken.—De kleermaker kwam; de -bloote tricotkleeding der levende standbeelden werd met lintjes, doeken -en andere gewaden omhangen en—wat gebeurt er!—de oude goden -en godinnen van Griekenland verschenen, geheel onverwacht, met hoeden, -mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons, geduchte schorten! en -omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van iedereen, te L....n op het -tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier kwam een gedeelte van eene -naakte knie onder het schort eener Venus te voorschijn en ginds werd -een vleeschkleurigen schouder onder een opgeslagen tip van den groenen -sjaal der Psyche zigtbaar.—„Foei, foei!” zeiden de -Christelijke <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name= -"pb35">35</a>]</span>dames en—gingen heen. De heeren echter, die -een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden van Kr.... -vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu <span class="corr" id= -"xd21e849" title="Bron: ingelijks">insgelijks</span> weg; want zijden -omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers in elken -modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en—de -ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder <span class= -"sc">Nacht</span>, dat is het gevolg van uwe Christelijke leer, die u -voorschrijft den ouden Adam, welke in u is, te <i>desavoueren</i>, het -zondige vleesch te <i>verloochenen</i> en uwe onsterfelijke ziel niet -met aardsche lusten te bevlekken, neen, haar voortdurend te louteren en -tot den smaak <i>van de eeuwige zaligheid</i> te dresseren. Deze leer -heeft den goeden, <i>aardschen</i> smaak bedorven en de menschen tot -huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de oogen af te wenden -van <i>dat</i> beeld, hetwelk God als de schoonste bloem uit het beste -gedeelte van het paradijs nam en als zijn <i>meesterstuk</i> op deze -aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants niet wilden -zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben toch vijf -zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen slechts -<i>in het geheim</i>, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner -kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen, o! -hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving, hoe -vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke lust -veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer zoo als -de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig op nieuw -weder aangroeit).</p> -<p class="par">Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan -alle menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten -aanbevelen: welk kwaad moet in de <i>Christen</i>-maatschappij als de -oorzaak worden beschouwd van die <span class="ex">kindermoorden</span>, -<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= -"pb36">36</a>]</span>die zich in ons vaderland op zulk eene -schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks, jaar in jaar uit, de -treurigste berigten daarvan in de couranten worden -medegedeeld?!—Hebt gij gedurende het verloop van meer dan een -tiental jaren wel van een enkelen <i>kinder</i>moord! onder de Javanen -(die geen Christenen zijn) hooren spreken?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is inderdaad zoo als -gij zegt.—Wat nu het overige betreft, uwe aantijgingen tegen het -Christendom zijn zeer talrijk en in verscheidene opzigten, ik moet -zulks bekennen, maar al te gegrond; anderen zal ik later, zoo ik hoop, -bondig wederleggen. Voorshands zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover -uwe beschuldigingen nogmaals die groote waarheid te stellen, die ik -reeds vroeger heb aangevoerd, en waarvan de kracht nog in geenen deele -door u is ontzenuwd. Wij zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van -vervlogen eeuwen, maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat -ons de mate van beschaving, welke bij de Christennatiën -<i>thans</i> wordt opgemerkt, vergelijken met die, welke andere volken -des aardbols in dat opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten -duidelijkste blijken, dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap -van beschaving staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de -dwalingen en misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in -lateren tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots, -buitengewoon <i>verheffends</i> moet gelegen zijn!—Het is waar, -gij hebt dat vroeger tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende -wijze aan te toonen welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden -hebben te weeg gebragt, en zoo lang gij <i>daartoe</i> niet in staat -zijt, moet ik het Christendom, in spijt van al de beschuldigingen, -welke gij er op hebt geworpen, blijven beschouwen als den grondslag, -als de bron, waaruit de hoogere Europesche beschaving is voortgevloeid. -Gij zult <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= -"pb37">37</a>]</span>toch wel toestemmen, dat het thans <i>juist de -Christelijke</i> natiën zijn, die zich door hare beschaving het -meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de <span class= -"ex">eenigen</span> zijn, die door hunne intellectuele, -industriële en politieke ontwikkeling boven alle andere volken -uitblinken en alle anderen de wet voorschrijven?!—<i>Dat</i> is -toch een onloochenbaar feit!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ongetwijfeld. Maar de -grondslag daarvan ligt <i>niet</i> in het Christendom. In tegendeel; ik -heb reeds vroeger met een woord gezegd, dat het Christendom, verre van -zulks te bevorderen, daaraan de hand te leenen, zulks te bespoedigen, -die hoogere ontwikkeling heeft <i>tegengehouden</i> en vertraagd. Wat -zeg ik, tegengehouden <i>heeft</i>? Neen, het Christendom gelijk het -thans bestaat,—en hiermede bedoel ik niet uitsluitend de -Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle andere Christelijke -kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne duistere, geheimzinnige -dogma’s van het eene geslacht op het andere overplanten (hoewel -deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de -eerstgenoemde),—het Christendom gaat nog <i>op den huidigen -dag</i> voort de vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen -of te stremmen, blijft nog voortdurend de erkenning weêrstreven -der eenvoudigste, maar groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs -het geval in landen, die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan, -indien, namelijk, deze waarheden met het overgeërfde, blinde -geloof of met de woorden des bijbels in strijd zijn. Het zou mij -gemakkelijk vallen duizenden van voorbeelden, uit den tegenwoordigen -tijd ontleend, tot staving van mijn gezegde aan te voeren; dit zal wel -niet noodig zijn, dewijl zij u even goed als mij voor den geest moeten -staan. De hoogere beschaving der Europesche volkstammen is uit eene -gansch andere bron voortgevloeid.</p> -<p class="par">Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras, -<span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name= -"pb38">38</a>]</span>waartoe de volken behooren, die den aardbol -bewonen. Een groot natuuronderzoeker heeft, wel is waar, gezegd, dat -het niet zeer „verblijdend” mag worden genoemd te beweren, -dat het eene ras, ten opzigte van zijne werktuigelijke zamenstelling, -aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling, boven anderen is -<i>bevoorregt</i>; ik stem dit in zoo verre toe, als zij allen gelijke -<i>regten</i> hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw het bewijs -als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den -<i>slaven</i>handel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of -minder volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar -van de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig -onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm en -de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken dragen -van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het -hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren—en -niet ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europeërs in dat -opzigt minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden -dan de Papoea’s, de oorspronkelijke bewoners van Australië, -de Amerikaansche wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk -ooit tot een hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij -thans hebben bereikt. Alle volken echter, die de leer van het -Christendom belijden, enkele uitzonderingen hier en daar niet -medegerekend, <i>behooren tot het Kaukasische menschenras</i>.</p> -<p class="par">De hooge trap van beschaving, de bloei der -wetenschappen, de uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van -nijverheid gegeven, gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles -moet als een natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken: -als de <i>eerste</i> komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch -te warme, noch te koude klimaat des lands, <span class= -"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>dat zij -bewonen, hetwelk eene jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en -winter, van lente en herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een -zeer opwekkenden, verheffenden, bezielenden invloed uit op ’s -menschen geest;—<i>ten tweede</i> de geographische ligging van -Europa, in welk opzigt het boven andere werelddeelen verre is -bevoorregt, dewijl het, verdeeld in zoo vele verschillende deelen of -leden, doorsneden door uitgestrekte binnenzeeën, in het bezit -zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen, eene veel gunstiger -gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en scheepvaart als -eenig ander land ter wereld, en—<i>ten derde</i> de betere -physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van -geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg -hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en -zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om tot -eene veel hoogere intellectuele en industriële ontwikkeling op te -klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende -menschenrassen.—Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de -hoogere ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende -vermeerdering der bevolking, welke laatste weldra in overbevolking -ontaardde, zoodat de bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van -onderhoud moesten omzien, de bestaande meer en meer verbeteren, en zich -eindelijk gedwongen zagen naar andere oorden heen te trekken, kolonien -of nieuwe rijken aan gene zijde des oceaans te stichten, waar de -landverhuizers de reeds verkregen beschaving overplantten. Diezelfde -mate van beschaving zou echter in het moederland reeds veel vroeger -zijn verkregen geworden, indien het Christendom daarop zijn nadeeligen -invloed niet had uitgeoefend.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Uwe wijze van beschouwing -kan ik, in al hare deelen, niet de mijne noemen. Ik wil voor den -oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name= -"pb40">40</a>]</span>toegeven, dat het Christendom misvormd, miskend, -en door duizenden van menschen is misbruikt geworden tot het bereiken -van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel en al vreemd zijn, -waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard; maar aan de andere -zijde moet niet uit het oog worden verloren, dat er door alle eeuwen -heen duizend anderen werden gevonden, die de leer der menschenliefde in -al hare zuiverheid hebben betracht. Dit moest natuurlijkerwijze een -weldadigen invloed uitoefenen op den toestand der maatschappij in het -algemeen. De vroegere ruwheid van zeden, de barbaarschheid moest -langzamerhand plaats maken voor zachtere wetten; hierdoor moest het -gemoed veredeld, de veiligheid van personen en goederen beter -gewaarborgd en de snelle aanwas der bevolking begunstigd worden, welke -laatste, gelijk gij vroeger reeds en te regt hebt aangemerkt, steeds -gepaard gaat met de hoogere vlugt zoowel der industriële als -intellectuele ontwikkeling.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeer zeker. Maar ook des te -grooter waren de verwoestingen door het Christendom op andere tijden en -in andere oorden aangerigt, terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat -het allerwege den vooruitgang tegenhield, dewijl het den geest aan -banden <span class="corr" id="xd21e970" title="Bron: lag">legt</span>. -In vergelijking van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige -invloed, uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering, -ja, hoogst onbeduidend te heeten.—En deze menschenliefde, deze -belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk -van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat -het menschdom is verschuldigd aan het <i>Christendom</i>? Is zij eene -deugd, welke slechts <i>Christenen</i> bezitten? Het is waar, luid en -heerlijk is zij door Jezus van Nazareth ter beoefening -aangeprezen,—maar zij bestaat <i>sedert</i> de mensch deze aarde -bewoont; bij alle volken, bij de belijders der verschillendste -<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= -"pb41">41</a>]</span>godsdiensten, bij Mohammedanen en bij zoogenaamde -Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken, overal zult gij -dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een ruwen, ginds in een -meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan weder onzuiver, ja, -zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk geheel -verstikt,—maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in alle -deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken, dat de -beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van niemand -geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te kennen. -Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier onder de -bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen zijn? Het is -zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant, op aarde wordt -gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en het kwade, de -liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds <i>bij de -schepping des menschen</i> werd de kiem van dit gevoel <i>door den -Almagtigen zelven in ’s menschen borst geplant</i>.</p> -<p class="par">Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk -het bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig -weefsel vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen? -werd hun dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet -bij hunne schepping toebedeeld?—in wiens borst echter heeft zich -het gevoel van menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate -geopenbaard, dan juist in de borst dier priesters des -<i>Christendoms</i>, die de leer van Jezus predikten, maar godsdienst- -en verdelgingsoorlogen aanstookten en honderd duizenden hunner -medemenschen op de pijnbank folterden, naar galg en rad verwezen of -levend in de vlammen van den brandstapel wierpen, dewijl—deze -honderd duizenden niet blindelings wilden of konden gelooven, hetgeen -heersch- en hebzucht hadden voorschreven. <span class="pagenum">[<a id= -"pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> De gruwelen dier dagen -zijn lang voorbij. Verlies toch het goede niet uit het oog, dat de -tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet erkennen, dat de -Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet naar de letter kan -worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent op het karakter der -menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?—Ga eens na welk een -groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn daargesteld, alwaar -onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele genootschappen ter -ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt, als vondelingshuizen, -armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze Hollandsche -hofjes,—in een woord, aan de menigte inrigtingen van -weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van het -Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten van -den boom der Christelijke liefde?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeg dan liever <span class= -"ex">menschen</span>liefde. Ik geloof echter niet, dat loutere -menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen van -weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij melding -hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware het niet, dat -de ijzeren <i>noodzakelijkheid</i> allengs luider aan de deur had -geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking en van -het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des lands, -hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen beantwoorden. -Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio in elk land van -Europa. Willen de rijken zich <i>zelven</i> niet laten verslinden door -degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets anders te eten -geven en hen verzorgen.—Wat nu betreft de <i>veredeling</i> des -menschen door de Christelijke zede<i>leer</i>, gij hebt toch even als -ik in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle -volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten, Joden -en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en -zoogenaamde Heidenen, <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" -name="pb43">43</a>]</span>vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks -hebben bespeurd, dat het <i>geloof</i> dier verschillende volken niet -den geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en -<i>handelen</i>; wijders dat onder een gelijk aantal Christenen <i>even -vele</i> slechte menschen werden gevonden als onder de overigen, ja, -dat de zedelijk goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer -dikwijls geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt -van hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving -en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de -anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel van -hen te behalen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hoedanig ik over uwe -anti-christelijke beschouwingen oordeel, zal ik u later mededeelen; ik -wensch zulks uit te stellen, totdat wij onze reis door Java afgelegd en -vermogende, zoowel als behoeftige inlanders zullen bezocht hebben. -Alsdan zal ik meer ervaring hebben opgedaan en beter in staat zijn om -eene vergelijking te maken tusschen de inboorlingen van dit eiland en -de Christenen in Europa.—Maar zeg mij eens, indien gij volstrekt -niet gelooft noch aan wonderen, noch aan eene hoogere openbaring in den -innerlijken mensch, dan kunt gij immers ook geene bevrediging, geen -troost vinden in de beloften, vervat in den bijbel waarop, als zijnde -Gods heilig woord, zoo vele millioenen menschen hunne hoop bouwen -en—hoe verklaart gij dan den oorsprong der wereld en de -verschijnselen in de natuur?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> De bijbel bevat menig -schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen, waarvan de lezing niet -slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij is echter zoodanig -doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat het hoogst gevaarlijk is -den bijbel als <i>iets anders</i> te beschouwen, dan als een boek, -geschreven door zwakke, feilbare menschen, of hem te willen doen -doorgaan als het „onmiddellijk woord van God,” <span class= -"pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>als eene -„uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen van -Christus.”—Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied- -en taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den -oorsprong van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin -het is te boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde -Apostelen zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden -en derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw -onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici -daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar <i>na</i> Christus, in -den vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers, -wier namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen, -welke destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op -die wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de <i>meest -onbevooroordeelde</i>, de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn -het, die tot dit laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog -<i>lateren tijd</i> werden de verschillende gedeelten en brieven -bijeengevoegd tot dat geheel, hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe -Testament te noemen. Het is derhalve niet eens mogelijk, om uit te -maken <i>of</i> Jezus van Nazareth, al hetgeen in dit Nieuwe Testament -staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft en of hij het <i>zoo</i>, -gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken.</p> -<p class="par">Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men, -gelijk vele godgeleerden („Christelijke schriftgeleerden en -pharizeën”) doen, indien men groote waarheden der natuur wil -bestrijden met de woorden van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar -volksverhalen en zulks in een tijd, toen nog geen Kopernicus en -Galileï, nog geen Newton en Francklin geleefd hadden, toen nog -geene enkele der gewigtige sterrekundige en physiek-chemische -ontdekkingen was gedaan, <span class="pagenum">[<a id="pb45" href= -"#pb45" name="pb45">45</a>]</span>waaraan onze eeuw haar licht, hare -hooge vlugt moet dank wijten,—in een tijd toen men de magnetische -kracht, de electriciteit niet kende, niet wist wat de bliksem was; toen -men nog waande, dat de aarde in het hemelruim stil stond, en men zon, -maan, benevens alle sterren, nog dagelijks om dezen kleinen aardbol -liet ronddraaijen!—Waren de verschillende gedeelten des bijbels -naar hoogere ingeving ter neder gesteld geworden, dan zou men toch -billijkerwijze mogen verwachten, dat hier of daar eene natuurkundige -waarheid, eene <i>juiste</i> verklaring van verschijnselen in de natuur -er in werd aangetroffen; zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament -zult gij niet alleen te vergeefs er naar zoeken, maar allerwege het -tegendeel vinden.</p> -<p class="par">Er is slechts <i>eene</i> openbaring, en dat is de -natuur; slechts <i>eene</i> waarheid, namelijk die, welke geput wordt -uit de grondige studie dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al -hetgeen in het heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze -verklaren uit de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren -kennen en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de -werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven- en -ondermaansche verschijnselen, <i>eene</i> enkele -uitgezonderd:—het innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de -geest, die haar bezielt, benevens de millioenen van verschillende -gestalten, waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en -te verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel -ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in -steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij in -den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch gelijk -in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid, alwijsheid -en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende wezens zijn -geschapen, is: <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= -"pb46">46</a>]</span>genot en geluk. Al moge het mij nu niet gegeven -zijn dit <i>wezen</i> der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die -alles onderhoudt, te bevatten,—ik <i>gevoel</i> zijn aanwezen, ik -gevoel, dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in -vereering en in aanbidding noem ik hem—<span class= -"ex">God</span>.</p> -<p class="par">Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen: -„er is geen God dan God”, zoo zeg ik: er is geen wonder dan -<i>Hij</i>. Want terwijl alles bestaat en zich beweegt naar wetten, -terwijl alles uit wetten kan worden verklaard, waarvan nog nimmer, -sedert duizenden van jaren, sedert de mensch die wetten navorscht, het -geringste uit zijne baan is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs -om <i>Hem</i> te begrijpen, die voor ons verstand onbegrijpelijk is, -dewijl ook wij een deel uitmaken van hetgeen door hem is -<i>geschapen</i>. Gij zult mij gereedelijk moeten toestemmen, dat gij -met al uwe godgeleerde kennis niet meer er van begrijpt dan ik, en dat -van den anderen kant de goede Javanen er <i>juist even</i> veel van -weten als wij beide, maar ook niets minder; want ook zij en zelfs die, -welke niet tot de Mohammedanen behooren of dit slechts in naam zijn, -gelooven aan God en aan dien naam verbinden zij, even als wij, -diezelfde eigenschappen van alwijsheid en algoedheid. Dit geloof -behoort, even als het gevoel van liefde tot den naaste, -<i>onafscheidbaar tot den mensch</i>; bij zijne schepping werd hem dit -ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd dit geloof -luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben het uit <i>geene -andere</i> bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste, in een woord, -bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten geest, aan een -almagtigen Schepper aller dingen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar bij de meeste wilde -volken is het begrip van God zoo onduidelijk, zoo onbepaald,—de -zwakke lichtstraal des geloofs aan een hoogsten geest is bij hen -<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name= -"pb47">47</a>]</span>achter zoo vele bijgeloovigheden, vooroordeelen en -geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware God wordt bij deze -volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene groote menigte -ondergeschikte geesten, Sétan’s, Dewa’s, -Begoe’s, enz., enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond -gesteld, als het ware verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog -slechts een flaauw spoor van te ontdekken is?!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Broeder <span class= -"sc">Nacht</span>, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan den -eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,—te -midden der allerchristelijkste staten,—niet veel beter gesteld -is, dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar -wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld -verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem -welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken; ik -gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar in -een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat, waar -alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan geene -kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf <i>ook ik</i> -voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van -mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de <i>eenige</i> aanhanger er van -ware.</p> -<p class="par">Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch -Mohammedaan, noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-, -Roomsch- of Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent, -Puriteinsch, Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, Mährisch, -Wederdoopend, Kwakend of Afgescheiden <i>Christen</i>, maar behoor tot -de hooggewelfde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de -kerk der <span class="sc"><span class="ex">regtzinnige natuurkundigen, -die GOD aanbidden</span></span>, die Hem in zijne werken en in de -krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= -"pb48">48</a>]</span></p> -<p class="par">Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden, -waar Hij of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij -bijna onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche -kerk. Wat aanschouwt gij daar?—Op den achtergrond ziet gij een -kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth; de -priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge gebaren -en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem liggen -biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield; ginds -worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen aangebeden -en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch zich nedergezet -op den troon van God, om (tegen betaling)—bedreven zonden te -vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt gij dan? -Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser, Zaligmaker, -Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige moeder, -Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen van de -kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen u menigmaal -te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden, heilige biecht, -aflaat en vagevuur,—maar van <i>God</i>, den alwijzen, algoeden, -die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven gaf en -geeft, van <i>Hem</i> zult gij daar niet veel te zien of te hooren -krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Battaërs, Alfoerezen en -Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan in -de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de Mĕsigit’s -op Java, den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen.</p> -<p class="par">En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze -goede menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Reeds vroeger heb ik u -gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks in het Katholieke geloof ben -opgevoed, maar, even min als gij, mijn gemoed gesloten heb gehouden -voor beter licht, in <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" -name="pb49">49</a>]</span>tegendeel steeds geneigd ben geweest -deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan te hooren. Daar gij het -gezuiverde, door de Hervorming gelouterde Christendom reeds vroeger -hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet spreken en bovendien mijn -oordeel over de vraag nopens de invoering des Christendoms onder de -Javanen opschorten tot tijd en wijle dat wij onze reize door Java -hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan daaromtrent ook zal mogen -koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik het nimmer zou durven wagen, -dergelijke beschouwingen als de uwe, omtrent de Christelijke leer en -kerk, althans niet in <i>Europa</i>, openlijk te verkondigen.—Zij -zouden ons in den ban doen, excommuniceren!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Laten zij het doen. Gij -behoeft niet in hunne kerken te gaan, waar van den waren God toch niet -veel te vinden is. Van hen behoeft gij geen troost te -ontvangen.—Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van waar de zon, -de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring u te gemoet -schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt: God, Alwijze, -Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in de -bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde -ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring -verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het lot, -dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd; ik heb -afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb mijnen -naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel in mijn -vermogen is,—dan bezit gij de <i>ware godsdienst</i>, dan hebt -gij hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten; -dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder -opstaan van uwe legerstede, want God is <i>met</i> u. De waarheid, het -regt, hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk -maken tegen alle wederpartijders. <span class="pagenum">[<a id="pb50" -href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hetgeen gij daar zegt, -heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De vrees echter, die ik koester om -mij openlijk te verklaren tegen de leerbegrippen der gevestigde kerk, -kunt gij niet weg redeneren. Ik kan dit niet zoo ligt tillen als gij. -Hierop zal ik welligt later nogmaals terugkomen. Maar nu wenschte ik -wel van u te vernemen,—dewijl gij de invoering van het -Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt: wat wilt gij dan de -Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder eenig onderrigt, -blijven zoo als zij zijn?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Het is beter, dat zij -blijven, ’t geen zij zijn, dan dat er Christenen van hen worden -gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet, om hen te laten blijven, zoo -als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne denkbeelden mededeel omtrent de -wijze, waarop de Javanen behooren onderwezen te worden, wil ik nogmaals -met korte woorden herhalen, hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en -hetgeen ik ten allen tijde bereid ben uitvoeriger en grondiger te -bewijzen, namelijk: 1<sup>o</sup>. dat de hoogere trap van -maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet het gevolg is -der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel dat het -Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen heeft -tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover -staat;—2<sup>o</sup>. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van -de beoefening der <i>natuurlijke wetenschappen</i>, welke langzamerhand -licht en kennis in den langen nacht van het Christendom verbreidden, en -dat de hoogere vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de -oorspronkelijk grootere <i>geschiktheid</i>, welke de volken van het -Kaukasische ras voor geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen -hersengestel en in hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen, -waarbij vooral niet over het hoofd mag worden gezien de opwekkende -invloed, uitgeoefend door het gematigde luchtgestel en de bij -<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name= -"pb51">51</a>]</span>uitnemendheid gunstige geographische -ligging;—3<sup>o</sup>. dat het Christendom de menschheid geen -duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van -waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan -wonderen aankweekt;—4<sup>o</sup>. dat zelfs de lichtzijde van -het Christendom, de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde -tot den naaste, de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding -van aardsch genot—in die mate als dit wordt geleerd, niet -betracht kan worden, wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve -gemeenlijk slechts <i>huichelarij en schijnheiligheid</i> doet -rijpen;—5<sup>o</sup>. dat het geloof aan eenen grooten, algoeden -God alreeds in het gemoed der Javanen levendig is<span class="corr" id= -"xd21e1208" title="Bron: ,">;</span>—en 6<sup>o</sup>. dat zij -menschenliefde bezitten en beoefenen, ja, beter en met zuiverder -bedoelingen beoefenen dan duizenden dier Christenpriesters in Europa -gedaan hebben.</p> -<p class="par">De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve -geene waarheid leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven, -dat zij niet reeds bezitten. En nu vraag ik: <i>waarom</i> wilt gij het -Christendom invoeren onder deze goede, nog onbedorven -menschen?—Wilt gij tweedragt onder hen zaaijen, het -<i>onvermijdelijk</i> gevolg eener godsdienst, welke met het geloof aan -een <i>wonder</i> aanvangt en met wonderen eindigt; wilt gij -sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen -opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het -onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te -houden over dogmatische spitsvindigheden?—Wilt gij hen dan -volstrekt onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame -hutten, velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol -en <span class="corr" id="xd21e1225" title= -"Verbeterd door de auteur van: Ani ani">Gòlok</span> wegwerpen -en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen naar -razende kerkvergaderingen,—opdat onder dezen zoo gelukkigen, -Oost-Indischen hemel het eerste <span class="pagenum">[<a id="pb52" -href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>bedrijf van gindsche -geschiedenis des Christendoms op nieuw worde aangevangen,—opdat -hier op Java dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten -tooneele worde gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang -voorbereide bedrijf in Europa nog niet vertoond is geworden?</p> -<p class="par">Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u -zelven, niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of, -wilt gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter -aankweeking der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen -reeds meer, bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is; -leer hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper en -onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen de -gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden regen -doet neêrstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de -innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur, -maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit hen -zelven moet opwellen,—dat zij de goddelijke kiem, die in hen -ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren -(niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als hun -schoonste erfdeel moeten beschouwen,—maar, kwel hen niet met -evangeliën en dogma’s, hoe één is drie en drie -is één, met de leer van gemeenschap en -transsubstantiatie; verschoon hen van hostiën, wierookvaten en -andere dergelijke „heilige” gereedschappen; voer de biecht, -de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java (waar het -buitendien reeds heet genoeg is);—laat toch den priesterrok weg -en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil, het -schrikkelijke—<i>kruis!</i> niet op hunne vreedzame -bergen,—verspreid geene wondersproken, geene bijbels onder -hen!—want dergelijk zaad zou onvermijdelijk, <span class= -"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>hetzij -vroeger of later, een monster doen opwassen, dat zijne woede tegen zich -zelven zou keeren en u allen zou verslinden.</p> -<p class="par">Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste -geruststelling omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging, -die bij mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn -zal de Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.—Het -verlossingsproces des menschen van de zonden en de verzoening met -<i>God</i> door het zenden en opofferen „van den levenden -<i>God</i>, zijnen zoon, dien Maria van den Heiligen geest heeft -ontvangen” (!) of, gelijk anderen zeggen van den -„Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest -door het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken, -gevoelen, willen en handelen in God,” (!) enz., de opstandings- -en hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en -dergelijke fraaijigheden meer,—dit alles hebben de meest ervaren, -diepzinnigste godgeleerden in Europa nimmer kunnen <i>begrijpen</i>, om -welke reden zij het juist <i>gelooven</i> (dat is, hun verstand tegen -wil en dank opdringen) moesten; het eenvoudige gezond verstand der -Javanen zal het nog veel minder begrijpen; op het vernemen van -dergelijke leerstellingen, zullen zij elkander verwonderd aanzien en -het hoofd schudden. Stel voor den oogenblik, dat het u gelukt zij den -Javanen dit geloof op te dringen, wat zult <i>gij</i> daarmede gewonnen -hebben?—Vroeger heb ik de tallooze en schrikbarende onheilen -opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft berokkend. Het geringste -van al die onheilen was, dat het de menschen tot schijnheiligen en -huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java niet blijven. De -inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in vele deelen en -residentiën van het eiland oefenen de Mohammedaansche priesters -een grooten invloed <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" -name="pb54">54</a>]</span>uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een -<i>gedeelte</i> van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren; -anderen zouden Mohammedanen blijven—en daardoor zoudt gij al -dadelijk en van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile -zwangere tweedragt gezaaid en de kloof tusschen <i>anders</i>denkenden -gedolven hebben, die zich allengs verwijdt en met haat gevuld -wordt,—daargelaten de kiem van oneenigheid, welke de Christelijke -leer (gelijk elke leer, die het geloof aan wonderen voorschrijft) in -zich zelve bevat.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Mag er niet worden -gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor de gevolgen van de -invoering van het Christendom, van het geloof aan wonderen, gelijk gij -het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft tot eenige -overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze zoo goede, zoo -zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan om den wille van -geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden zijn daarom krijg te -voeren?—Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en gehoorzaamheid, ja, -de vredelievendheid in eigen persoon?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Och, broeder <span class= -"sc">Nacht</span>, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet kent. Gij zult -het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot wilt blijven -vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de lagchende -vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de eenzame -hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam’s en -Kraton’s hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige -van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat, -waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van -Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om hen -in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en—geef acht op de -uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen, -indien gij, <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name= -"pb55">55</a>]</span><i>voor</i> wij onze reis door de binnenlanden -hebben afgelegd, niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen -zijn. Op gelijke wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen -arbeid, van het volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander, -waar omtrent gij reeds op den huidigen dag eene niet onaardige -ervaring, hoewel nog slechts zeer in het klein, hebt opgedaan!</p> -<p class="par">Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende -geschiktheid tot velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor -alle kunsten en handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij -beminnen den vrede en de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult -tevens de vonk, die de hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe -geringer de zedelijke en intellectuele ontwikkeling van een volk is, -hoe minder het zich door beschaving boven den oorspronkelijken, -eenvoudigen natuurstaat heeft verheven, des te gevaarlijker zijn zijne -hartstogten, <i>wanneer</i> zij ontvlammen. <i>Wacht u -daarvoor—zie toe, dat gij den slapenden leeuw niet wekt.</i> Denk -aan het Amok en de woede, die zich van hen meester maakt, wanneer zij -later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn bedrogen geworden. -Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen dergelijk gebak te -eten, dat even als Koewé koewé, met Kĕtjoeboeng -aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later -beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat zij -vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen zij -zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u allen -verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de -Klok:—”<span lang="de">jedoch das Schrecklichste der -Schrecken, das ist der <i>Mensch</i> in seinem -<i>Wahn</i>!</span>”.<a class="noteref" id="xd21e1295src" href= -"#xd21e1295" name="xd21e1295src">7</a> <span class="pagenum">[<a id= -"pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Nog nimmer heb ik hen -door drift vervoerd gezien en zou......</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">„<i>Toean, toean!—Lakas, lakas! Matjan, -matjan!</i>”- - - Onder het uiten dezer noodkreten ijlde een -onzer jongens naar ons toe en deed ons verschrikt opspringen van de -plaats, waar wij digt bij den rand der kloof op ons gemak lagen te -praten. Het middernachtsuur was nabij. Achter Sidin kwamen twee andere -Javanen aanstormen, die met knuppels en een brandend stuk hout woedend -in het rond zwaaiden. „<i>Een tijger, een tijger!—Holla, -ho! Val aan, val aan, een tijger!</i>”—Deze noodkreten -deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik ontwaken en in -één oogenblik was alles op de been;—in de hutten -hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw -aan,—de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden -zij naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken, -hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste -ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar -onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den -stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit, die -hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter, dat hij -door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op eenigen -afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van onze kogels, -die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat hij op den -grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong en andermaal -over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op hem, zoodat een -paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren, het eindelijk -durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en hem—door hunne -pieken zoo diep in zijn lijf <span class="pagenum">[<a id="pb57" href= -"#pb57" name="pb57">57</a>]</span>te steken, dat hij, als ware het aan -den grond werd vastgespiest—voor goed te dooden. Deze pieken -waren, behalve de hakmessen (Gòlok) en enkele dolken (Kris) de -eenige wapenen in het gansche dorp.</p> -<p class="par">De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar -het dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels -schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna -stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij -bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had -ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den -vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons -nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen -liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten -Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het -inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan de -klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander zij -zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen, had -hen uit den slaap gewekt.</p> -<p class="par">De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den -dalwand genaderd en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine -rigting, al sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar -haar licht scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te -kunnen zien, dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag. -Het was een koningstijger van de grootste soort, stellig even lang, -maar slanker dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de -scherp en dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk -gebit, de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog -teekende, boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied, -eene schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken, -<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name= -"pb58">58</a>]</span>waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid -was bezoedeld, niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en -kinderen scheen de angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode -dier niet dan op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe -alleen, voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings -nader en hield vlak voor den tijger stil.—Haar lang, zwart haar -had zich ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste -vrouwen, die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood -verschrikt van hare Ambèn (rustbank) waren opgesprongen. Haar -bovenlijf was, zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den -Sarong, welke om de lendenen was geslagen en van daar in breede -plooijen hare verdere ledematen bedekte.—De jeugdige weduwe stond -daar met opgeheven armen, voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt -hoofd en staarde met fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der -wildernis, die daar voor haar lag. „Dat is de tijger, die mijn -armen man heeft verscheurd en nu ook mijne geit heeft geroofd!” -riep zij op snerpend luiden, huilenden toon en wierp zich met eene -soort van gebrul op het doode dier. Zij wroette met beide handen in -zijne wonden, verwde zich met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg -hem op de oogen, beet hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen -bloed op, sprong tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich -andermaal onder het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op -den tijger, dien zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde -hare onstuimige drift zich mede aan de overige vrouwen, de -ééne verdrong de andere, ja, zelfs de kinderen kwamen -eindelijk toesnellen om den tijger te schoppen, te slaan, uiteen te -rukken of althans <i>hunne voeten in des tijgers bloed te baden</i>. De -mannen hielden zich stiller, bedaarder; maar naauwelijks ontstond er -eene opening tusschen de vrouwen en kinderen, kwam er eene <span class= -"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>vrije -plaats, en kregen zij de gelegenheid om het dier te naderen, dan staken -zij hunne lange dolken (Kris) tot aan het hecht in zijn -lijf,—herhaalden dit met onmiskenbaren wellust zoo vele honderde -malen en doorsneden en doorboorden den dooden tijger zoodanig, dat hij -eindelijk eene zeef geleek;—daar lag nu het Koninklijke roofdier -uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den dolk in de hand op -hunne knieën er nevens; de kinderen baadden hunne voeten in zijn -bloed—en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf, met heur -loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt, dreigend en -huilend daarbij—in groepen, waarop het wegstervend licht der maan -nog eenige laatste stralen wierp.</p> -<p class="par">Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder <span class= -"sc">Nacht</span> eenigzins achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij -Javanen in drift ontstoken gezien en het scheen, dat hij op dezen -oogenblik grooter vrees koesterde voor deze menschen dan vroeger voor -den levenden tijger. En toch was deze vrees geheel en al ongegrond; -<i>wij</i> hadden hen immers volstrekt geen leed gedaan; <i>wij</i> -hadden hunne rust, hunnen vrede niet gestoord, hun stil geluk niet -verwoest!—Langzamerhand scheen hunne wraaklust zich te bekoelen; -zij hadden uitgewoed en kwamen tot bedaring. De maan ging onder en de -een na den anderen verliet den kring, keerde naar zijne hut terug, -waarvan de deur zorgvuldig van binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog -slechts een paar mannen over, die op hunne knieën naast den tijger -lagen en zich oefenden in het gebruik van de Kris. Door woorden en -gebaren gaf de weduwe ons nu te kennen, dat het haar „goed deed -aan het hart, <i>wraak</i> te hebben kunnen nemen aan den tijger, dat -wij beste heeren waren, dat zij ons ten zeerste bedankte, want -<i>wij</i> hadden den tijger neêrgeschoten, wij hadden zegen in -haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als ons -eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven <span class= -"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>als wij -wenschten, hetgeen haar hoogst aangenaam zou -zijn.”—„Banjak tabé, toean! Slamat tidor, -toean!” (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!)</p> -<p class="par">Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken, -waarbij twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te -onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine -Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons -en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar, -zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen -op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten uit -alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Balé -balé), die van nevens elkander gelegde strooken gespleten -Bamboes vervaardigd was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie -gevuld, was uitgebrand en slechts het schijnsel der wachtvuren, dat -door de reten der gevlochten Bamboeswanden binnen drong, verlichtte -eenigzins het kleine vertrek.</p> -<p class="par">Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want -al was de temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70° -Fahrenheit gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den -loop des daags aan een veel hoogeren hittegraad,—van 85 à -90° en in den zonneschijn nog veel meer,—waren blootgesteld -geweest. Maar onze Koeli’s waren niet aangekomen, en nu konden -wij hen ook niet meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven -reizen door wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.—Wij -vouwden onze reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot -een hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den Sĕlendang, -bedekten ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid -zijnde, zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap.</p> -<p class="trailer xd21e1362">(<i>Vervolg hierna.</i>)</p> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name= -"pb61">61</a>]</span></p> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e329" href="#xd21e329src" name="xd21e329">1</a></span> Een -Javasche paal heeft eene lengte van 4800 Rijnl. voet (4637,6 voet oude -Fransche maat) of 1506,0 Ned. el; drie palen worden gewoonlijk op een -uur gaans gerekend. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e329src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e332" href="#xd21e332src" name="xd21e332">2</a></span> Overal waar -in dit door zijne groeikracht zoo weelderige land geen woud wordt -gevonden, mag men zeker zijn bebouwde velden, of -Alang-alangwildernissen aan te treffen, die de plaats van voormalige -akkers hebben vervangen. Dit is de reden waarom een vreemdeling op -Java, in zeer bebouwde bergachtige streken zich bevindende, het voor -hem zoo verrassende schouwspel ontwaart van hoogstammige wouden op de -allersteilste bergwanden en in de diepste kloven te zien—dewijl -zij in al de overige, toegankelijke streken van het gebergte geveld -zijn. <a class="fnarrow" href="#xd21e332src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e339" href="#xd21e339src" name="xd21e339">3</a></span> De eenige -benaming, welke de Maleiërs aan de zon geven, is <i>Mata hari</i>: -oog des daags. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e339src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e351" href="#xd21e351src" name="xd21e351">4</a></span> Een kleine -nachtvogel (eene soort van Geitemelker). <a class="fnarrow" href= -"#xd21e351src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e509" href="#xd21e509src" name="xd21e509">5</a></span> In het -Maleisch: Anak kambing wolanda. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e509src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e731" href="#xd21e731src" name="xd21e731">6</a></span> Of die men -Hem in den mond heeft gelegd; niemand toch kan bewijzen, dat hetgeen -lang na zijn dood, naar luid van <i>volksverhalen</i>, is te boek -gesteld en ons in het Nieuwe Testament wordt medegedeeld, letterlijk -<i>zijne</i> leer bevat. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e731src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e1295" href="#xd21e1295src" name="xd21e1295">7</a></span></p> -<div class="q"> -<div class="nestedtext"> -<div class="nestedbody"> -<div class="lgouter footnote"> -<p class="line">’t Gebrul des leeuws moge elk vervaren, ’t -Vliede al des tijgers felle klaauw;</p> -<p class="line">Maar o! van al wat schrik kan baren, Het schrikkelijkst -is een toomloos graauw.</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par footnote cont xd21e203">(van Lennep.) <a class= -"fnarrow" href="#xd21e1295src">↑</a></p> -</div> -</div> -<div id="pt2" class="div0 part"> -<h2 class="super">VERHALEN EN GESPREKKEN<br> -UIT DE<br> -BINNENLANDEN VAN JAVA.</h2> -<h2 class="label">2.</h2> -<p class="par first"><i>Ik droomde.</i></p> -<p class="par">Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, -waar geen leek mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in -Spanje of in een ander land was. Een jonge geestelijke zou de -priesterlijke wijding ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, -naar een verwijderd land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad -gedost waren aldaar vereenigd, ter bijwoning van de heilige -plegtigheid. Verscheidene kardinalen, met de breede hoeden en prachtige -purperen mantels, zaten in het gestoelte aan de eene zijde der -hooggewelfde kapel, benevens eene menigte bisschoppen met hunne hooge -mutsen en van goud blinkende herderstaven en kruisen, en hierop volgde -eene lange rij priesters van minderen rang. Allen waren in prachtige, -schitterende gewaden <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" -name="pb62">62</a>]</span>gedost. En—hetgeen ten hoogste mijne -verwondering wekte—tegenover hen zat een gelijk aantal -dominé’s, die met hunne driekante hoeden en zwarte kleedij -eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange rij vormden. Ik -en mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> waren de eenige -oningewijden aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was -gekomen, dit wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar -ik was er en stond met mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> in -een der verwijderde hoeken van de kapel achter een pilaar verborgen. -Hoog verhieven zich in de beide zijgevels der kapel de spits -toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen het invallend -daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den vloer in het -midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en nissen in een -tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters ontwaarde men -allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw, waarop -verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat en -stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op eene -dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest op de -Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der dooden. -De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste schilderij -was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts een kruis verhief -zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na zijne opstanding uit -het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij verlaat hij onze aarde, -keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader, nadat hij zijn -verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is verheerlijkt, -zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is, heeft hij -overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht, welke hij -doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de aarde, staren -hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking na. -<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name= -"pb63">63</a>]</span>Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en -tusschen gulden wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, -de plaats der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van -heilige engelen hem begeleiden.</p> -<p class="par">Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; -een zwaar gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. -Vóór deze nis stond eene tafel met een purperen kleed -bedekt; op een opengeslagen Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, -lag een groot zilveren kruis.</p> -<p class="par">Een der oudste dominé’s stond van zijnen -zetel op en sprak deze woorden: „Katholieke broeders! Wij zijn -alhier gekomen om, na het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult -vieren, met u te beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen -worden afgekeerd, die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde -bedreigen. Het kille ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, -verbreidt zich allerwege meer en meer in het rond; de leeringen der -natuuronderzoekers komen, als een verblindend weerlicht, al nader en -nader tot ons, ten einde door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige -Woord der Openbaring in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van -natuurwetten, in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen -zich in staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de -natuur, dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift—in den -bijbel—ons daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het -vetste land des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld -zoo zeer door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al -het aanzien, dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die -eeuwen lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet -meer aan wonderen gelooft. <i>Dit</i> moet worden verhoed, <i>deze</i> -goddelooze zucht moet worden tegengegaan. Maar, mijne <span class= -"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>waarde -Katholieke ambtgenooten, slechts dan wanneer wij met vereende krachten -te werk gaan, kunnen wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den -stroom der verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider -kerken zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig -tegen elkander over. Wordt de zaak echter <span class="ex">van -naderbij</span> onderzocht, dan blijkt dat het onderscheid -inderdaad niet groot is. Gij draagt een ronden, wij een driekanten -hoed, maar toch gelooven wij beide aan het driemaal een is <i>een</i>, -en bovendien wanneer het eene zaak geldt zoo hoog gewigtig als deze, -dan zouden wij de punten onzer hoeden wel wat kunnen laten bijronden. -Gij vereert, het is waar, de <span class="ex">moeder</span> Gods bijna -meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen, want de -scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en vrouwelijk -tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de tafereelen, die -wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,—zijn het niet -allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke leert? -Welnu, datzelfde leeren wij <span class= -"ex">insgelijks</span>.—Jezus Christus is Gods Zoon, -ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte maagd -Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd geworden; -hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel; dat leert -gij en dat leeren wij <span class="ex">insgelijks</span>.—Gij -acht het noodzakelijk ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan -wonderen gelooft; wij <span class="ex">insgelijks</span>.—Gij -vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood, of in de hostie het -ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te nuttigen, en wij -<span class="ex">denken</span> slechts daarbij aan zijn gebroken -vleesch en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als -een der heiligste sacramenten, en wij <span class= -"ex">insgelijks</span>.—Gij houdt het omsluijerde beeld in de -nis voor het oog der menigte <span class="pagenum">[<a id="pb65" href= -"#pb65" name="pb65">65</a>]</span>verborgen; wij <span class= -"ex">insgelijks</span>.—Welk onderscheid bestaat nu tusschen -uwe en onze leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, -waarin zij van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, -het zijn niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, -ten einde de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij -de steeds dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte -negentiende eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld -zijn gebleven, vereenigen, opdat het <span class="ex">gansche</span> -gebouw, waarop uwe zoo wel als onze magt steunt, niet instorte. Gij -hebt, wel is waar, een opperhoofd der kerk, waaraan gij -onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er geen en ieder onzer is -liever zelf, elk in zijn eigen kring—een paus. Bij de gevaren -echter, welke het heilige orthodoxe geloof aangrimmen, zou het niet dan -verderfelijk voor ons beide zijn, indien de bestaande verdeeldheid en -versnippering onzer krachten langer bleef voortduren. Door dergelijke -kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het geval is, waar een -verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting ons steeds heftiger -toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt, naar een hechten -pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is aan geen twijfel -onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd en wij door -<i>een</i> hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen, tienmaal -meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder -afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst uwe -dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In den naam -des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.”</p> -<p class="par">De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de -volgende woorden tot hem: „Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om -het hoofd der kerk den eed van onverbrekelijke <span class= -"pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= -"pb66">66</a>]</span>gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt onderwezen in -onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen hier niet te -herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het geheugen roepen. -<span class="ex">Onvoorwaardelijke</span> gehoorzaamheid zijt gij -aan de kerk verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een <span class= -"ex">blind</span> geloof. Daarover na te denken is zonde, twijfel te -voeden is ketterij. Ketters worden gestraft met den ligchamelijken dood -en de eeuwige verdoemenis. Allen hopen wij met God, onzen Heer en -Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd weder zal aanbreken, waarop wij -magt zullen hebben alle twijfelaars en ketters te verdelgen en u, mijn -zoon, hebben wij uitverkoren en waardig gekeurd om een medearbeider en -ons werktuig te zijn, ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het -hoofd onzer kerk, de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de -ingewijden, die hij zijn vertrouwen waardig keurt, alléén -het regt de stellingen onzer heilige godsdienst te onderzoeken en te -beoordeelen. Gij en alle anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort -<span class="ex">slechts</span> te gelooven en te gehoorzamen en dit -geloof moet gij door alle mogelijke middelen uitbreiden en tegen de -ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter verdelgen, zoo moogt gij -geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door God vervloekt. Verlies -nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat de kerk u leert en -gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God—meer moet gehoorzamen dan -aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van jaren, u waarlijk -getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht u de heerlijkste -belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden overladen en onder het -tal van ingewijden opgenomen worden. Hef uwe oogen op naar het -tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet en aanschouw het -voorhangsel, dat het binnenste der nis <span class="ex">beneden</span> -de schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het -<i>ware</i> beeld. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb67" href= -"#pb67" name="pb67">67</a>]</span>hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk -zou het voor onze belangen zijn, indien wij dat beeld den volke -vertoonden, want zagen zij het of <span class="ex">konden</span> zij -het zien, dan ware het met onze heerschappij gedaan. Om die reden moet -de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim gehouden worden. Het volk -mag niet verlicht zijn, maar moet <span class="ex">gelooven</span>, -hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan laat -het zich ’t gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij ons -aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is, wij -houden die <span class="ex">zelven</span> daardoor in bedwang en -heerschen over <span class="ex">haar</span>. Dat het groote doel der -hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij over alle volken der -aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit het oog worde verloren, -en vergeet niet, dat het zekerste middel om daartoe te geraken, is: het -onderrigt der jeugd. Prent derhalve de grondstellingen onzer leer -vooral diep in het kinderlijk gemoed; want hetgeen het kind gewoon is -als heilig te vereeren—al was het louter onzin, dwaling of -bedrog—de vereering daarvan zal hem eene behoefte worden, welke -in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk ontbeerd, waaraan het geloof -ter naauwernood geschokt zal kunnen worden. De jeugd zij derhalve bij -voorkeur het voorwerp uwer zorg, en stel u steeds levendig voor den -geest, dat een van onze eerste en krachtigste middelen, om ons tot het -beoogde doel te voeren, is: <span class="ex">het schoolonderwijs te -leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen</span>. En gij, mijn -zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de uitoefening -uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk, onwankelbaar -getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn het voorhangsel -ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt en gij zult een -onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen eed te zweren. -Benedicite!” <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" -name="pb68">68</a>]</span></p> -<p class="par">Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het -orgel hooren; zijne krachtige toonen wekten de echo’s van het -hooge gothische gewelf en een koor van priesters hief geestelijke -liederen aan, waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich -paarde aan het orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar -en in het wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier -welriekende dampwolken al hooger en hooger opstegen.</p> -<p class="par">De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste -mijner ziel geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich -van mij meester om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het -<i>ware</i> beeld had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet -mogelijk dit verlangen te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> mij bij den arm vasthield en mij -toefluisterde: „Om Gods wil, <span class="sc">Dag</span>! houdt u -toch stil; wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier -bevinden, is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, -indien zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn -weg, dat gindsche nis bedekt, dan zou het u ’t leven kunnen -kosten! Ik bid u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in -stilte van hier vlieden.” Ik werd echter door de sterkste -begeerte geprikkeld om dat beeld in de nis te ontsluijeren,—ik -trad nader en rukte het gordijn weg.</p> -<p class="par">Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der -schilderij, welke boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van -Christus omgaf, verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel -zweeg en het maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De -wierookwolken werden snel als door een storm weggevaagd en al de -kardinalen, bisschoppen, pastoors en dominé’s vloden -ontsteld, verschrikt, in de grootste verwarring uit de kerk.—En -wat zag ik nu?—Wat geschiedde aldaar? <span class= -"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span></p> -<p class="par">De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich -bevond in de nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich -te bewegen, zij werd levend en—voor mij stond een -mensch,—een man met joodsche gelaatstrekken, zwart van baard en -van hoofdhaar,—met een bleek, door lijden vermagerd gelaat; hij -was gekleed in een eenvoudig, grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag -zeggen, treurig was de blik, dien hij op mij wierp. Aan zijne handen -bespeurde ik blaauwe, dik opgezwollene lidteekenen.</p> -<p class="par">Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te -gevoelen over de daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van -medelijden op het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had -gevestigd. Zij was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger -omgaf, om haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen -uiterlijken glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, -mishandelde mensch!—ja, <span class="ex">mensch</span>.—En -toch boeide mij die verschijning, stond ik als vastgenageld op de plek, -waar ik mij bevond, was het mij niet mogelijk eene schrede voor- of -achterwaarts te doen. De blik, welken deze mensch op mij sloeg, was zoo -wonderbaarlijk zacht en teeder, dat mijne oogen aan de zijnen als -gekluisterd waren en de menschenliefde, die hij zoo bij uitnemendheid -schoon en luide heeft gepredikt, het medegevoel, de sympathie met onze -natuurgenooten, werd in mijn boezem steeds levendiger en warmer, hoe -langer ik hem aanzag. Zijn verhevene, rustige blik was op mij gerigt, -op mij, die met vermetele hand hem had ontdaan van den stralenkrans en -kerkelijken luister, waarmede de priesters hem vroeger hadden versierd; -en toch was zijn blik zoo zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, -ja, tot op den bodem des harten door, en deze ziel volle blik, de glans -der oogen, welke steeds helderder werd, hoe langer <span class= -"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>men hem -aanzag, wekte zulk eene geestvervoering in mij op, dat <span class= -"ex">ook</span> mijne oogen vochtig werden;—hij bemerkte het, hij -verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar, deed zijne lippen -trillen,—hij strekte de hand naar mij uit en—ik viel neder -op mijne knieën om haar te kussen.</p> -<p class="par">Nu sprak hij: „Laat af, mijn vriend. Ik ben, -gelijk gij, eens menschen zoon. Voor <span class="ex">God alleen</span> -zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij eerst mishandeld en -gekruisigd,—druk mijne handen niet zoo sterk, de wonden, die zij -mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,—duizend anderen, die -na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen ik beleed, -hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne leer -vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In de -plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop hunne -magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden te -verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te meer -zekerheid te doen, hebben zij <i>mij</i> God den eeuwige genoemd en -zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op -aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei in -het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge van -bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;—later moest ik -mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de -gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden, die -mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede zaak te -bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te sieren. Zij -verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren, maar helaas! -door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt aan de menschheid als -juist door deze sprookjes, die zij hebben uitgestrooid. Wij allen zijn -kinderen Gods, want de Heer heeft ons boven het gedierte, dat in de -wildernis <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name= -"pb71">71</a>]</span>leeft, begiftigd met eene <span class= -"ex">redelijke</span> ziel;—maar zij zeiden: dat <i>ik</i> -Gods ligchamelijke zoon was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk -verstand waar en juist ten opzigte van de schepping en haren maker -erkend en geleerd had, dat alles gaven zij nu uit voor „het -geopenbaarde woord Gods.” Niet altijd hadden zij mij begrepen, -menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne woorden opgevat; veel hadden -zij vergeten van ’t geen ik hen geleerd had, en andere dingen er -bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd; maar niettegenstaande dat -stelden zij dit alles later te boek <span class="ex">gelijk</span> -<i>zij</i> zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu -werd dit doode woord als „heilige schrift of bijbel,” -onveranderlijk van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats -van in het ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij -dag en bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich -te laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in de -diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van het -bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit, zij -verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan aan de -regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt; zij vonden -er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene, hetwelk hun -verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche geloofstelsels -en stelden den mensch het aanbidden van hunnen waan ten heiligen plagt; -zij grondvestten hierarchien, rigtten brandstapels op en offerden -ketters in de vlammen; zij begonnen te twijfelen, oneenigheid ontstond -onder hen, zij scheidden zich van één, stichtten eene -oneindige menigte sekten en op die wijze dwaalde een groot gedeelte der -menschheid in de duisternis voort,—het weldadige licht der -waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte geloofswaan allen -vooruitgang <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name= -"pb72">72</a>]</span>belette en dewijl zij datgene, hetwelk niet anders -is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk -verstand—mijne leer, en zelfs deze niet dan -vervalscht,—voor <span class="ex">Gods woord</span> -uitgaven.—Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw hoofd -is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles naar -wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en steeds -voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast bepaalde -wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al deze wetten te -doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder zeker, dat de -mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te gemoet gaat -als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou dan het -volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de <span class= -"sc">Eeuwige</span>, <span class="sc">Onvergankelijke</span> een deel -zijner kracht, het verstand, de <span class="ex">redelijke, van -zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel</span> schonk, zou dit -buiten de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt -verzekerd, de mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in -den toestand van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door -het licht van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene -in de natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te -vergeefs trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de -waarheid te omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen -gereed zijn om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg -te rukken, opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een -diergenen, en gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld -bedekte. Ik dank u daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, -het bijgeloof en het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De -voortgang des tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der -ontwikkeling en de magt der boozen is reeds in <span class= -"pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span>eene -groote mate geknakt. Zij zullen u beschimpen, belasteren, zij zullen -pogingen aanwenden om uwe bedoeling in een verkeerd daglicht te -stellen. Maar vrees niet, want <span class="ex">Groot is de waarheid en -zij zal zegevieren</span>. Zij echter, die de waarheid kennen en -haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt, die op -hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het, die de -onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij ontrooven -den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga voort op den -weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen gevoelt, maar doe -zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de boozen en -huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn.”</p> -<p class="par">Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken -als de heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik -dezelven op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel -geleden heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat -teekende vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.—Ja, ik -erken u, gij zijt het—<span class="sc">Jezus van Nazareth</span>! -die tot mij spreekt en u vereer ik. Ook ik wil mijn penningske -bijdragen en eene poging doen om de aanbidding Gods in zuiverder, warer -vorm te doen stand grijpen, om het verkeerde, het bijgeloof er uit te -verwijderen, opdat sluwe menschen niet langer misbruik maken van de -behoefte aan godsdienst hunner medebroederen,—ik wil mij scharen -aan de zijde dergenen, die pogingen aanwenden om de voorschriften der -zedeleer zoodanig in te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen -worden opgevolgd, opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te -bestaan.</p> -<p class="par">Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde -hij onverwacht eenig voorwerp <span class="ex">achter</span> -mij,—ik keerde mij om en zag twee pastoors en drie -dominé’s, die teruggekeerd <span class="pagenum">[<a id= -"pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>waren,—zij hadden -hunne ronde en driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met -ontbloot hoofd, vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het -<i>ware</i> beeld van Jezus heen;—ik stond verlegen, getroffen, -doch tevens aangenaam verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter -zijde,—daar klonk het geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de -ooren; ik hoorde zachte en welluidende toonen als van slaginstrumenten -en de schoone gestalte van Jezus, het <i><span class= -"ex">onts</span>luijerde</i> <span class="ex">beeld</span> verdween uit -mijne oogen.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Daar buiten in het dorp werd de Gamĕlan gespeeld, -waarvan het geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> lag nog verzonken in den periodieken -schijndood der ziel,—hij sliep nog nevens mij, toen ik in stilte -opstond en de deur der hut opende.—Het oog des daags was nog niet -geheel en al ontwaakt; het gebroken zonnelicht, dat de hoogere -luchtlagen, door de zon reeds beschenen, terugkaatsten, de <span class= -"ex">schemering</span>, omhulde nog de natuur, toen ik van den ladder -afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden adem -toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje reeds -was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor onze -woning, onder het geboomte, rondom eene Gamĕlan gerangschikt -was.</p> -<p class="par">Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, -die niet weet wat eene <span class="ex">Gamĕlan</span> is. Dewijl -het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks niet met alle lezers in Nederland -het geval is, zal het navolgende ter verduidelijking kunnen dienen. -Onder eene Gamĕlan verstaan de Javanen eene vereeniging van groote -en kleine muziekinstrumenten, voornamelijk van metaal vervaardigd, -welke meerendeels den vorm hebben van een bekken en wat betreft de -grootere soorten (de Gong’s) deels aan <span class= -"pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>fraai -bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang’s en -Kĕnong’s) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den -klank te verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen -koorden liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool -met twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bĕdoeg), -vervolgens een aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven -verscheidene in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene -rij nevens elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen -aan koorden (Gĕndèr), of zijn door middel van houten -pennetjes op den rand der kist bevestigd en deels van metaal (Saron), -deels van hout (Gambang kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten -hamers geslagen, die met leder of garen omwonden zijn en geven, -niettegenstaande de voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige -Javasche melodien, een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke -eenige overeenkomst heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die -veel zachter van toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot -een volledig orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de -instrumenten te bespelen en eene of twee Ronggeng’s, d. i. dans- -of zangeressen. De Ronggeng’s zijn eene navolging der Indische -bajadèren, die op Java uit den voormohammedaanschen -tijd—den tijd der Hindoerijken, der Brahma- en -Boedhagodsdienst—zijn overgebleven; deze treden echter alleen bij -plegtige gelegenheden op.</p> -<p class="par">Eene dergelijke Gamĕlan nu stond, met onze -pakkaadje daaromheen, als het ware voor onze oogen nedergetooverd, -terwijl eenige Javanen welluidende toonen aan de verschillende -muziekinstrumenten ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings -over elkander geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, -met de speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij -schenen slechts het oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb76" href= -"#pb76" name="pb76">76</a>]</span>te verbeiden, dat de zon boven den -horizon zou verschijnen,—het tijdstip waarop onder dezen -tropischen hemel iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk -verlaat,—om hunne instrumenten onder zwaardere slagen te doen -klinken. Ik was vóór dien tijd ontwaakt, doch gaf hen te -verstaan, dat mijn oudere broeder nog sliep en te gelijk roerden zij -hunne handen sneller; zij speelden de melodie van Poetjoeng kanginan, -een luid allegro werd gehoord, bim, bam, bim, en—boem klonk de -zware basstem van den grooten Gong als een klok boven alles uit, en -ziet, mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> trad aangenaam verrast -naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef van verwondering zijne -oogen, toen hij de Gamĕlan en onze koffers gewaar -werd.—Sluipend naderde zijn bediende <span class= -"sc">Lapiah</span>, die met een mijner jongens gisteren de -Koeli’s begeleid en reeds vóór het vallen van den -avond hier had moeten zijn. Hij <span class="ex">hinkte</span>—en -maakte een erbarmelijk figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij -trad. Eindelijk vatte hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk -compliment en begon nu met een „Banjak tabé Toean, djangan -mara Toean” een en ander tot zijne verontschuldiging in te -brengen. Deze redenering kwam ongeveer hierop neder: Ja, mijn heer, de -Koeli’s liepen zoo snel als mogelijk was en ik spoorde hen -daarenboven voortdurend aan om nog grooteren spoed te maken, ten einde -vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar aan de Tji-Roké -genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die beet mij in mijn -linkerbeen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Eene slang, gebeten?</p> -<p class="par"><span class="sp">LAPIAH.</span> Ja, mijn heer, maar zij -was niet vergiftig.—<span class="sc">Mas Poetri</span> heeft haar -dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer <span class= -"sc">Dag</span> (bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging -voor mij) medegebragt. Toen de Koeli’s dit <span class= -"pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>zagen, -zeiden zij: dat is een kwaad teeken; <span class="ex">op dezen -weg</span> durven wij niet verder voortgaan, want wij krijgen stellig -een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een sloegen zij een -zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt, zoodat wij door -Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer, hoe -toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist -bruiloft gehouden en de Gameĕlan gespeeld, er waren -Ronggeng’s en ons werd thee en Koewé koewé -aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli’s, dat wij <span class= -"ex">geluk</span> hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers -van hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pĕndopo -en wat wij ook deden, wat wij hiertegen inbragten—wij baden, wij -dreigden hen, wij stompten er op—maar ’t was alles te -vergeefs, eenigen vlijden zich neêr, aten Koewé -koewé en luisterden naar de Gamĕlan, anderen tandakten (d. -i. dansten) met de Ronggeng’s en al onze pogingen waren -vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen -ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den -weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den -Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend, -dat het beter was de gansche Gamĕlan maar mede te brengen. Ik weet -immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel, -dat het mijne schuld niet is.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij slimme vos! De -klappen, die gij de Koeli’s hebt gegeven, zullen wel niet veel -pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak gezigt en eenige -andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen te verbergen.) -Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met de -Ronggeng’s getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt, -hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; -<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name= -"pb78">78</a>]</span>ten anderen hebt gij die arme menschen nog -bovendien gedwongen midden in den nacht de Gamĕlan herwaarts te -brengen en nu zoudt gij mij nog wel willen wijs maken, dat dit alles -geschied is om <i>mij</i> te believen. Maar gij zult zelf de kosten er -van dragen.</p> -<p class="par"><span class="sp">LAPIAH.</span> Baïk, Toean. Saja -poenja oewang abis, kapan soeka pindjam sĕpoeloe roepia. (Zeer -gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd; heb de goedheid mij tien -gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> (lagchend) ’t Is -wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat gij weg komt en breng -koffij voor ons beiden.</p> -<p class="par">Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in -zijn ijver om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong -hij meer dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel -vergeten, hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu -kwam ook mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil -achter de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang, -die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij voor -zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op gelijke -manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer -hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: „Ja, -mijn Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar -nu heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt, -indien gij de slang op spiritus wilt zetten.”</p> -<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Ga heen! Gij weet zeer goed, -dat het eene gemeene soort van slang is, die voor mijne verzameling -hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil u niet berispen, omdat gij u een -onschuldig genoegen hebt verschaft, door deel te nemen aan de bruiloft; -maar zoudt ge u niet beter van uwen pligt hebben gekweten, indien gij -ons vooraf eene matras, onze dekens, eenige cigaren en wijn had -toegezonden? <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= -"pb79">79</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">MAS POETRI.</span> Ach, mij beste Heer! -Ik dacht: wij jongens drinken nooit wijn en slapen alle dagen zonder -dekens op den blooten grond; wat zal het nu voor kwaad doen, indien -onze Heeren eens eenen enkelen nacht op die wijze doorbrengen?</p> -<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Nu, pak u voort, help de -koffij zetten en draag zorg, dat die gereed is, wanneer wij terugkomen. -Wij gaan den Goenoeng-Soesoe beklimmen (zoo heeten de bewoners van -Gnoerag een kleinen heuvel, achter hun dorp gelegen), om van daar de -zon te zien opgaan.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Zeg eens broeder, hoe zou -iemand op <span class="ex">die</span> menschen boos kunnen zijn?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Het is mij niet mogelijk. -Hun karakter is een zonderling weefsel van goedhartigheid en -zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis naive sluwheid. Zij -hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet om den dag van -morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een jaar na heden -is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om die reden -genieten zij gaarne de vreugde van den <span class= -"ex">oogenblik</span>. Treft men hen aan, wanneer zij een onderwerp van -<span class="ex">eigen</span> liefhebberij behandelen, bij voorbeeld, -tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van boom tot boom, -ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren, hoe behendig zijn -zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of onverschilligheid -bij hen bemerken;—welk eene kracht ontwikkelen zij dan, welk eene -vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene volharding leggen zij -aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij alles uit eigen -beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.—Wenscht gij echter, -dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang hebt, waaraan zij -vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat zij zich bezig -houden met dien arbeid, welke de <span class="pagenum">[<a id="pb80" -href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>producten, voor de Europesche -markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel, ja, -meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt gij, dat -zij dien arbeid <span class="ex">vrijwillig</span> verrigten, wilt -gij het <span class="ex">wat</span> en het <span class= -"ex">hoeveel</span> zij planten zullen geheel en al aan hun eigen -goeddunken overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde -behoeften, dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben -verkregen als wij bezitten; <i>dan</i> zullen zij het doen, even goed -als wij. Maar wenscht ge, dat zij het <span class="ex">vroeger</span> -doen, reeds nu doen, dan behoort gij <span class="ex">hen te leiden en -toezigt te houden over hunnen arbeid</span>. Ik wil gaarne gelooven, -dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen van eenige -groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn, met het -toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het niet -noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland -echter,—en hiervan zult gij weldra de overtuiging -erlangen,—heeft de inboorling (op weinige uitzondering na) nog -zoo weinig behoefte, dat een arbeid van twee à drie uren daags -voldoende is om ze allen te bevredigen, en dat binnen den omtrek van -één of een half uur afstands van zijne woning alles -gevonden wordt, wat hij behoeft en waarnaar hij verlangt. De -rijkelijkste belooning, de duurste betaling is aldaar niet in staat hem -te bewegen om meer te verrigten. Wat zal hij aanvangen met het vele -geld? Europesche waren en producten heeft hij niet noodig, en -rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er van, acht hij volstrekt -niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de rust in het kleine Eden, -dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de natuur zoo wonderschoon -meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij van den arbeid, waartoe wij -de Javanen <span class="ex">verpligten</span>, uit een materieel -oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin -<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= -"pb81">81</a>]</span>eene onloochenbare waarheid, dat het houden van -toezigt over dien arbeid ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een -overtuigend bewijs daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en -fabriekstreken des eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans -vrijwillig verrigten, waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. -Door ons leeren zij al het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid -kennen; het doelmatig verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, -en door hunnen omgang met de Europeërs vermeerderen hunne -behoeften en worden zij van zelf beschaafder. Reeds gedurende den -korten tijd van uw verblijf op Java is de beschaving der inboorlingen, -zelfs in het binnenland, onmiskenbaar toegenomen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar ook hun -schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren, op het gebied van -zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch iets leeren!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ongetwijfeld; mits het -slechts geene zoogenaamde heilige openbaringen, geene abstracte dogmen -zijn der leer: driemaal een is een. Deel hen nuttige kennis mede der -<span class="ex">stellige</span> wetenschappen, die zij kunnen -<span class="ex">toepassen</span> ter verbetering hunner huisselijke -inrigting en van hun handwerk, waardoor zij hun <span class= -"ex">materieel</span> welzijn verhoogen. Wanneer zij zich toeleggen op -de beschouwing der natuur, die in hun land zoo majestueus groot en -schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis—van de wederkeerige -werking der krachten, naar gelang van het onderling verband der -verschijnselen—voor hen <span class="ex">in elk opzigt</span> -niet dan nuttig zijn kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden -veredeld en de ware, natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer -bij hen ontluiken; want <span class="ex">al</span> dat in de natuur -bestaat, ademt Gods wijzen geest.</p> -<p class="par">Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top -<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name= -"pb82">82</a>]</span>des heuvels bereikt (benevens eenige Javanen, die -achteraan waren gekomen),—toen de morgen aanving de openbaring -Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het opgaan der zon is -overal, in alle landen, in elk jaargetijde een heerlijk verschijnsel, -het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig sluimerend gevoel in -onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven, hoe prachtig en -verkwikkend tevens lacht hij ons toe!</p> -<p class="par">Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de -geringste ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt -slechts <span class="ex">eene</span> toenemende verandering, namelijk, -aan den hemel, vooral aan den oostelijken hemel, die tot hoog in het -zenith allengs helderder wordt; gekleurde stralen schieten, in eene -divergerende rigting even als de speeken van een wiel, -opwaarts,—eenige dezer stralen, namelijk die deelen der -atmospheer, welke door de zon worden beschenen, blinken in gulden -gloor, anderen, namelijk die niet door de zon worden getroffen, waarop -ver verwijderde oneffenheden des horizons, als boomen, bergen, hunne -schaduw werpen, doen zich aan het oog voor als azuurblaauwe strepen -tusschen de vorigen;—geen enkel wolkje is aan het gansche -uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die juist op dezen -oogenblik, nu de verwarmende zon het <span class="ex">langst</span> -afwezig was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, -in de lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en -dauw, en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,—alles is -vochtig en het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is -gevallen; de bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water -gekregen,—daar gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een -prisma, blinkt in alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten -fonkelen aan alle grashalmen, die zich <span class="pagenum">[<a id= -"pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>buigen aan alle boomen en -struiken. Tallooze vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en -fladderen door het gebladerte een nieuw leven te gemoet;—de -paauwen verlaten den tak, waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen -gedurende den nacht stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid -geschreeuw over het dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende -vederdos, waarop de eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de -apen, die zich tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te -schreeuwen: oeh äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit -20, 50, ja, somtijds uit een grooter getal kelen te gelijk heffen zij, -nu eens in zwellende, dan weder in dalende akkoorden, hun koraalgezang -aan, waarvan de echo door de bergen terug wordt gekaatst, om op -<span class="ex">hunne</span> wijze den levend makenden, verwarmenden -straal der zon te begroeten en—de mensch?—De Javanen zitten -op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht hebben -zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het oosten -gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen, waarvan -wij een duidelijker bewustzijn omdragen,—want ik strekte mijne -armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts -<span class="ex">een</span> der werken van den Onvergankelijke, die met -<span class="ex">een</span> enkelen slag duizend draden vlecht, maar ik -begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat voor ons aardbewoners -bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende openbaring Gods in de -natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw straal elken morgen -getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw weder alles in -beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en zonder u kon zij -niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder u ontbeerden wij -jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het aardsche leven -alles <span class="ex">voor allen</span>. In minder dan -één oogenblik verspreidt uw straal het licht en maakt de -dingen zigtbaar. <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name= -"pb84">84</a>]</span>Zonder u hadden wij geene oogen, want waartoe -zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een tooverslag schept uw licht -zijne half aardsche, half hemelsche dochter: de <span class= -"ex">kleurenpracht</span>, waardoor gij schoonheid geeft aan alle -dingen. Ja, met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de -<span class="ex">warmte</span>, en gij maakt het harde week en -veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde mogelijk zijn zonder u? Hoe -zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn, hoe zou een geluid kunnen -gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf de ligchamen luchtvormig -of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen ademhalen zonder lucht en -tot welk einde zouden wij het gehoor hebben verkregen, indien er geen -geluid was? Hoe zouden planten groeijen, beken vlieten, hoe zouden -wolken zweven en winden waaijen zonder uwen verwarmenden straal, o -schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar worden en alle beweging -in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt, zoo mede in het luchtruim -uitlokt. <span class="ex">Ja</span>, zelfs de electriciteit in de -wolken gehoorzaamt <span class="ex">u</span> en <span class= -"ex">gij</span> gebiedt den donder.—Slechts -éénen nacht waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is -de dampkring zoodanig bekoeld, dat al het water, ’t welk -gisteren, door de warmte opgelost, als een onzigtbare damp in het -luchtruim zweefde, nu als dauw op de aarde is nedergeploft. Nu paarlen -nog millioenen druppels aan de boomen; nog staat de luchtzee stil, niet -het geringste togtje laat zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit -voortduren? Naauwelijks heeft de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit -plekje der aarde naar uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft -uw opgaand licht zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw -schijn getroffen, begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk -de mensch en de gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, -zich op nieuw beginnen te bewegen,—gelijk in het <span class= -"pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name= -"pb85">85</a>]</span>plantenrijk millioenen knoppen ontluiken, zoo -worden insgelijks het water en de lucht in beweging gebragt. Spoedig -zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst nabij de aarde -zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer warmte, zullen -zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en vlak of lager -gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen, die tot hooge -bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee zal niet in -die mate worden verwarmd als het land,—ten gevolge hiervan zal de -lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land en zee -<span class="ex">ongelijkmatig</span> uitgezet en verdund worden, -de digtere en koudere lucht zal naar de meer verdunde streken des -dampkrings heenstroomen, de stilte, die thans nog in het luchtruim -heerscht, zal daardoor weldra gestoord worden en <span class= -"ex">winden</span> zullen door de toppen der boomen waaijen;—te -gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede worden -opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt -nedergeploft tot mist en nevel,—<span class="ex">wolken</span> -zullen dan worden gevormd; deze zullen steeds talrijker en grooter -worden en eindelijk, bij het toenemen der warmte en snellere verdikking -van den waterdamp, zal de electriciteit in de wolken ontwaken, de -donder zal rollen, de regen zal nederstroomen op den verkwikten bodem, -stortbeken zullen in sprongen van de rotswanden vallen en -Bandjĕr’s met onweerstaanbare kracht door de bergkloven -bruisen—en van dit alles, van deze herscheppingen des -dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op en boven -de aarde, hiervan zult <i>gij</i> de eenige oorzaak geweest zijn, gij -blinkende, zoo rustig stralende zon!—En zou uw straal, die met -eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en -nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge -<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= -"pb86">86</a>]</span>hebben, die echter allen gezamenlijk door zulk een -harmonischen band verbonden en zoo innig met elkander zijn verknocht, -dat geen enkele schakel der keten afzonderlijk kan bestaan en de -gansche keten zelf niet denkbaar is, indien slechts één -enkele schakel daaraan wordt ontnomen,—zou uw straal ook niet -door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in het binnenste mijner -ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die zegt: ik erken u, hoogste -doelmatigheid in de natuur; geen ding, geene kracht staat op zich zelf; -elk deel van het geschapene is daar om den wille van andere deelen van -het geheel en alles is in <span class="corr" id="xd21e1790" title= -"Bron: overbrekelijken">onverbrekelijken</span> zamenhang naar wijze -wetten geordend;—wel weet ik niet, of mijn oog om het -<span class="ex">licht</span> is geschapen of het licht om mijn -<span class="ex">oog</span>, maar het eene is <span class= -"ex">om</span> het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij leeft, -welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig wederkeerig -verband staat met de gansche natuur, die mij omringt, dat ik mij het -gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en geluid, en dat het -geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn zonder oor en zonder -oogen,—zou deze ziel ook niet om iets anders geschapen zijn, zou -<i>zij</i> in geene betrekking <span class="ex">tot iets anders</span> -staan?</p> -<p class="par">Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, -mag ik nadenken, dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven -bewust;—er was een tijd, dat ik niet bestond, thans <span class= -"ex">ben</span> ik;—gedurende langen tijd wist ik niet werwaarts -ik kwam, van waar deze met denkvermogen, met rede begaafde ziel zijn -oorsprong had; ik wist <span class="corr" id="xd21e1815" title= -"Bron: evemin">evenmin</span> waarheen zij gaat;—uit mijzelven -ontstond ik <span class="ex">niet</span>;—in de natuur schiep ik -niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts -een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in -verband en wederkeerige werking staat;—<span class= -"ex">een</span> draad kan het slechts zijn van waar, als <span class= -"pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>uit een -brandpunt, die millioenen draden der schepping uitloopen; een eeuwige, -onvergankelijke ziel, <span class="ex">een</span> wijze, volkomene -geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven, -mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,—die de natuur schiep en -onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid, -doelmatigheid en goedheid!—Ja, gij hebt u geopenbaard en -openbaart u <span class="ex">voortdurend</span> in de gansche schepping -gelijk in ieders boezem,—tot <i>U</i> sta ik in -betrekking!—eeuwige en onvergankelijke God!</p> -<p class="par">Een dergelijk „morgengebed” zal wel zijn -opgeweld in den boezem van mijn broeder <span class="sc">Nacht</span>, -en in dien van de aanwezige Javanen, want zij waren verzonken in de -beschouwing van het heerlijke schouwspel en bewonderden het opgaan der -zon. En terwijl de vogelen floten, de insekten gonsden en alle andere -dieren der wildernis, elk naar zijn aard en zijn bijzonder instinkt, -het morgen- en loflied der <span class="ex">schepping</span> mede -instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die van de gevolgen tot -de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering, dankend en aanbiddend, -onze blikken rigtten tot den <span class="ex">Schepper</span>.</p> -<p class="par">Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als -behoefte, het ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van -een verkoelend bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels -weder te verlaten en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den -Pantjòran te begeven, toen wij de bedienden gewaar werden, die -onze terugkomst niet hadden willen verbeiden en ons de stoomende koffij -te gemoet droegen. Zij hadden het vochtig element reeds bezocht en -klommen druipend nat als Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang -hoofdhaar los en vrij om hunne schouders zwierde en hun bovenlijf -bedekte. Wij dronken onze koffij met wat geitenmelk, welke zij hadden -medegebragt, hetgeen de spotlust <span class="pagenum">[<a id="pb88" -href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span>der inboorlingen gaande maakte, -die ons om deze reden met jonge kinderen, ja, met jonge geiten -vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk, is hun volstrekt onbekend -en in het binnenland van Java wordt die nooit gedronken.</p> -<p class="par">Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en -kwamen tot het besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond -verder te gaan, ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere -dorpen te bereiken, alwaar ons verblijf aan de bewoners minder -bezwarend zou zijn dan hier, in dit kleine gehucht, het geval was. Wij -hadden het voornemen opgevat om dwars over het gebergte onzen togt in -eene westelijke rigting voort te zetten tot aan het naastbij gelegene -groote dal, van daar uit de zuidkust te bezoeken en vervolgens te -trachten in het hoog gelegene binnenland door te dringen. Op een -afstand van eene kleine dagreize van hier moest, aan de -tegenovergestelde zijde van het gebergte, een groot dorp liggen; -daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen koers te rigten. -Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad te nemen, gaven wij -aan onze jongens last intusschen de benoodigde Koeli’s op te -zoeken en te huren.</p> -<p class="par">Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden -begeven, hadden wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten -hadden na te komen: om in deze streken des eilands slechts <span class= -"ex">vrijwillig</span> hulpbetoon der inboorlingen, tegen goede -betaling en welwillende behandeling, in te roepen,—ten einde eens -te zien hoe ver wij op die wijze zouden komen. Wij hadden besloten -alleen in zeer dringende omstandigheden onze toevlugt te nemen tot de -<span class="ex">bevelschriften</span> der Residenten en Regenten, -waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche -taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend -verlangen <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name= -"pb89">89</a>]</span>van <span class="sc">Nacht</span>, aan wien ik in -dit opzigt had toegegeven, was dit tot regel aangenomen.</p> -<p class="par">Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende -berigt: „Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli’s vinden; de -Koeli’s, die te Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts -tot aan Paréang medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door -mannen uit die plaats hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij -nog hier waren, maar zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, -totdat zij betaling hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, -dat zij nog verder zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen -mensch te vinden, uitgenomen de vrouwen en een paar knapen.”</p> -<p class="par">Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de -tijgerjagt, was er meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu -waren zij allen, op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: -„mijn man is op den Oema” (het drooge rijstveld), -„mijn man is gaan visschen, mijn man zoekt Rotan in het -woud,”—de meesten echter hielden zich in hunne hutten -verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij stelden -den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand en -verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde te -beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden komen. Na -lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige -Javanen—wel is waar, schoorvoetend en langzaam—buiten hunne -hutten traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging -mede. De een spoorde den anderen aan en zei: „Kom! gaat gij mede; -de Heer kan toch zelf zijn koffers niet dragen;”—de -aangesprokene moedigde weder een derde aan om mede te gaan,—de -derde een vierde en ieder van hen had gaarne gezien, dat een -<span class="ex">ander</span> zich daartoe bereid had betoond, maar om -het <span class="ex">zelf</span> te doen, daartoe gevoelde <span class= -"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>de -eerste zoo min lust als de tweede, de derde of de vierde.—Onder -de Gamĕlanspelers was er een, die een begeerig oog sloeg op de -Spaansche matten, welke de Loerah hem voorhield; hij nam er een in de -hand, draaide ze om, bekeek haar nu aan dezen, dan weder aan den -anderen kant;—zij beviel hem uitmuntend, gaarne had hij ze -behouden, <span class="ex">maar</span>—daaraan zijn gemak op te -offeren, zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te -gaan! ver van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te -dragen! op het heetste van den dag!—neen, <span class= -"ex">dat</span> was te veel gevergd. Hij trok een bedenkelijk gezigt, -gaf, met de blikken naar den grond gewend, den dollar aarzelend terug, -zette zich neder, zweeg en—kaauwde Siri.</p> -<p class="par">Eindelijk naderden eenige knapen: „<span class= -"ex">ik</span>, mijn Heer! <span class="ex">ik</span> wil -meê!” en een derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die -de oudste van hen scheen te zijn, zeide: „indien ik de Spaansche -mat krijg, ga ik meê.” Maar wat zouden wij uitrigten met -deze drie knapen, waarvan twee nog volslagen kinderen waren. Toen nu de -Loerah uit Gnoetnig gewaar werd, dat onze zaken verkeerd liepen, -verontschuldigde hij zich insgelijks zeer beleefdelijk en verzocht om -onze toestemming, ten einde nu mede naar zijn dorp terug te keeren. Hoe -ongaarne wij ons dezen laatsten troost zagen ontvallen, was zijn -verlangen toch te billijk om van de hand gewezen te worden. Wij -beloonden hem voor zijne moeite en hij vertrok. De weduwe, in welker -hut wij onzen intrek hadden genomen, naderde nu en zeide: „Och, -mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een haast! Bevindt gij u hier niet -naar uw wensch? Gij kunt vertoeven, zoo lang gij verkiest,—morgen -of overmorgen zullen er wel Koeli’s te vinden zijn;—wij -blijven immers voortdurend hier!”—en stellig houd ik mij -overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden <span class= -"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>kunnen -vertoeven, zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een -onvriendelijk gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij -deel hadden genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van -leven hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest -zijn. Maar—een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten, -daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden -zij hun <span class="ex">gemak</span> en—bleven arm, gelijk zij -waren, te huis.</p> -<p class="par">Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte -bevelschriften wilden wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik -maken. Zouden wij derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het -voortzetten van onzen togt kon althans heden, welligt ook morgen of -overmorgen, niet worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam -een brief aan het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons -12 Koeli’s toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen -pas, ten einde hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd -waren om in de binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat -gevouwen en met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij -gaven nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief -van ’t hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd -worden en dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief -niet aan hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad -van ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte -het ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van -2½ gulden, waarvan wij er 1½ vooruit moesten geven, te -brengen naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), -hetwelk ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.—Van -eene voldoende hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in -Pisangbladeren <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name= -"pb92">92</a>]</span>en schellen van den Pisangstam was -gepakt—onze brief had hij behoorlijk in drooge bladscheeden van -den Djambé-(of Pĕnang-) palm gewikkeld, ten einde hem voor -nat worden te bewaren,—stapte onze bode, met den Gòlok op -zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn hoofd, alwaar -hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak, omstreeks negen ure -het dorp uit.</p> -<p class="par">Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, -gaven eenigen onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in -te rigten, en bevalen den kok—dit gewigtige ambt bekleedde een -ander van hen—om voor een goeden maaltijd zorg te -dragen.—Welgemoed behoort men zich te onderwerpen aan hetgeen -onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden wij derhalve alle verdriet -van ons af, beraamden dadelijk een nieuw plan voor datgene, ’t -welk den bodem was ingeslagen en besloten om, met de helft onzer -bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg te beklimmen. Wij voorzagen -ons van eene kleine hoeveelheid Nasi, Pisang, Dendeng, eene kruik water -(Gindi), namen een jagtgeweer, eenige natuurkundige instrumenten en -dergelijken mede en joegen de drie dorpsjongens, die zich vroeger tot -het verrigten van Koelidiensten hadden aangeboden, voor ons uit, om ons -nu bij onzen togt bergopwaarts te begeleiden. Want zelfs tegen ruime -betaling wilden zij vrijwillig „zulk een hoogen berg” niet -beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt noodig om de vroeger -opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl <span class= -"ex">moeten</span> een bitter kruid is, zoo—verschaften zij ons -het genoegen van hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en -stapten vrolijk naar den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder -noordwaarts gelegen en wel het hoogste gedeelte der lange <span class= -"corr" id="xd21e1906" title="Bron: kergketen">bergketen</span>, welke -het Tji-Nagnéakdal aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich -in de opgenoemde rigting tot een <span class="pagenum">[<a id="pb93" -href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>hoog en steil bergjuk, dat met -een somber, onafgebroken woud is bedekt; door dit woud wilden wij ons -een weg naar den bergtop banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het -luchtruim bespeuren.</p> -<p class="par">Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde -en verre met hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs -echter liet zich nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras -golfde als een korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De -omgebogen bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen -terug en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, -waarvan de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer -toe, terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die -zich voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin -wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe -verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan -het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen—de -alledaagsche kost der tijgers—sprongen allerwege op en verdwenen -al knorrend even spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine -Oema-velden aan, waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas -(kleine katoenstruiken) groeiden en die als opene, van alle onkruid -gezuiverde plekjes in de graswildernis verstrooid lagen.</p> -<p class="par">Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den -voet van het gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende -bergribben om het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs -korter en geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen -wordende, verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche -weidevelden. Hier groeide tusschen het gras eene menigte prachtige -purperroode bloemen, Onjé of Koening, waarvan de aromatische -wortelen <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= -"pb94">94</a>]</span>het hoofdbestanddeel vormen der Kĕri, aan -welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele plaatsen verhieven zich -afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter ter wederzijde van de -bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld woud vormden. De wind -ruischte allengs sterker door het loofgewelf; het ritselen van het -fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze hoofden boogsgewijs -vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts hing, nam hand over hand -toe en het geknars der over elkander heen en weder bewogen wordende -Bamboesbuizen,—de kolossale stengels dezer grassoort,—die -de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider, naar mate wij -hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten (Mĕndjangan) -huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel) werden wij hier en -daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne holen aan de zijwaarts -gekeerde hellingen der bergrib trachtten te verschuilen. IJlings -wierpen de Javasche knapen den last, welken zij droegen, neder, liepen -deze kleine, volkomen onschadelijke dieren na om ze te vangen of te -dooden, niettegenstaande zij oneetbaar zijn. Niet dan met moeite kon -<span class="sc">Nacht</span> hen daar van terug houden; hij sprak hen -op de volgende wijze toe: „wij moeten nimmer eenig dier -mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen, mogen -wij - - -” paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin, -die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten -had. <span class="sc">Nacht</span> had willen zeggen: - - - die ons -geen nadeel toebrengen, mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in -dier voege voltooid: wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en -mogen <span class="ex">dezulken</span> onder de onschadelijke dieren -wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten, dewijl plantenvoedsel -<span class="ex">alleen</span> voor onze behoefte niet toereikend -is.</p> -<p class="par">Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen -wedervinden, <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name= -"pb95">95</a>]</span>waar het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak -midden in den weg en zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder -voort.—Langzamerhand verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats -daarvan verhieven zich groepen fijn gebladerde acacia’s -(Djoendjingboomen); hun in de breedte uitgestrekt loofdak scheen een -floers, dat tusschen ons oog en den hemel was uitgespannen en eene -menigte grijze apen (Monjet) sprongen al schommelend, als het ware ons -ten spot en met elkander spelende, over de lang uitgestrekte takken -dezer boomen in het rond.</p> -<p class="par">Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het -oorspronkelijke woud, dat zich voor onze blikken verhief als -zuilenrijen met gangen tusschen de pilaren, waardoor men in het -binnenste kon zien als in eene hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke -afzonderlijke zuil met eene koepelvormig zich verheffende loofmassa als -het ware met eene groene wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf -binnen en nu veranderde het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij -200 voet hooger in dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was -reeds verdwenen, en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. -Slechts hier en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het -loofdak, als door een geopend venster, nog een gedeelte van den -blaauwen hemel; in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden -wij nu eene koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, -dat wij zoo straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan -een groen met millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide -kleinere boomen, struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem -verhieven, aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts -hingen, en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte -tusschen de boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, -<span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name= -"pb96">96</a>]</span>ja, nog hooger, terwijl daarenboven wilde -wijngaardtakken (Aroï ki barera) en andere slingerplanten, -namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken menigwerf de dikte van -een mansarm bereiken, tot in de toppen der boomen opklauterden, van -daar weder naar den bodem afdaalden, zich op nieuw verhieven en het -woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet de geringste adem des winds -bragt de minste beweging voort in het binnenste van dit woud, maar hoog -boven ons in de toppen der boomen ruischte de wind en veroorzaakte een -voortdurend gesuis, ’t welk zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en -dof van toon was, dat men op het denkbeeld zou hebben kunnen geraken -het gebruis te vernemen eener branding, klotsend tegen een ver -verwijderd strand. Het waren Poespa-, Ki tĕrong-, Bĕngang-, -Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten, wier stammen zich hier -allen onder elkander, in een woud, slank en hoog als kunstmatig -gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen bloemen lagen op den bodem -verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen rees hier en daar een -reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts, die als het ware uit -honderd andere ineengedraaide of door elkander gevlochtene stammen is -gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen door hunne takken rond, -terwijl groote vogelen (jaarvogels), die zich slechts door hun luid -snuiven verrieden, hoog boven het woud heenvlogen. Eindelijk—wij -naderden nu den top des bergs—ontwaarden wij eiken-, laurier- en -Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs dunner werden en -verder van elkander schenen op te groeijen. Het was nu ongeveer 12 ure. -Onze togt door het woud had twee uren geduurd; een open plekje bereikt -hebbende, zetteden wij ons neder om uit te rusten. Wij luisterden naar -het gezang eens vogels, Manoek kaso geheeten, welks slagen verre door -het woud klonken en waarvan wij in de <span class="pagenum">[<a id= -"pb97" href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>lager gelegene streken -des bergs niets hadden gehoord. Te oordeelen naar den stand des -barometers, bevonden wij ons nu ter hoogte van ongeveer 4000 voet. -Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree en valeriaan groeiden hier in -het rond, benevens nog andere bloemen, die zooveel overeenkomst hadden -met onze Hollandsche flora, dat mijn broeder <span class= -"sc">Nacht</span> er niet weinig van verrast stond.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hoe wonderbaar -toch!—Op onzen korten togt van het dorp tot aan deze woudgrens -hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan tot voedsel, -woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de schaduw van -velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie opleverende -vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en schenkt hem -het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé), welke -hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet, groeit -niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen de velden, -die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen -opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang, -dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger -bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels -(buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den -vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit hij -alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige -schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen -bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild -wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen, -dat de Javaan, te midden van eene <span class="ex">zoo</span> rijke, -<span class="ex">zoo</span> vruchtbare natuur levende, die hem bijna -alles, wat hij behoeft, reeds <span class="ex">kant en klaar</span> -oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is. -<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name= -"pb98">98</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Dat is volkomen waar. De -verscheidenheid der producten van het plantenrijk, zoo mede der dieren, -welke daarvan afhangen, is buitengewoon groot in dit land, alwaar het -gansche jaar door eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge -bergen worden gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger -bergopwaarts stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander -land en klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op -den het naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook -weder, gelijk overal elders in de gansche schepping, eene <span class= -"ex">enkele</span> oorzaak—de afnemende warmte naar mate de -aardoppervlakte hooger rijst—duizend andere werkingen te weeg. -Eerst hebt ge, beneden in het heete land, Alang alanggras met wilde -zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen, en tijgers welke zich -hoofdzakelijk met <span class="ex">wilde zwijnen</span> (met in -vleesch en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken -ontwaard met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten -voorkomen die gras eten, benevens Bioel’s die op wormen en -insekten azen, welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen -vermolmde boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst -voorkomen;—later hebt ge acacia’s aangetroffen, waarin -grijze apen rondsprongen, die zich voeden met de peulvruchten van dit -geboomte; vervolgens kwaamt ge aan het hoogstammnige oorspronkelijke -woud, dat met vijgenboomen aanving en hier met Ki mérakboomen -eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit, dewijl hij zich met de -bessen van deze boomen voedt.—Overal waarheen gij uwe vorschende -blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur zult gij bevestigd -zien, dat immer het eene van het andere afhangt en hieruit weder andere -gevolgen voortspruiten, en dat een schoon, van het allerhoogste vernuft -getuigende, consequent gevolgde plan in het gansche scheppingswerk -<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name= -"pb99">99</a>]</span>zigtbaar is, waarvan de grondstelling is: door de -eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid voort te -brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren- en -plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij -brengt in tegendeel overal overeenkomstige—verwante en -analoge—vormen voort, die echter, indien de bodem en het klimaat -verschillen, toch niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze -bloemen, deze frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het -diepland van Java zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden -wij ons bijna 4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar -ginds beneden ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, -namelijk, dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer -noordelijk gelegen vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, -dan ziet ge, dat zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat -het echter niet dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad -zelfs hier op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer -aanmerkelijk van het onze in Holland.</p> -<p class="par">Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich -zaamgepakt en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten -einde zoo spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu -toe een naauw pad gevolgd, ’t welk wij hadden beschouwd als een -weg, door houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter -begaanbaar, hoe hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een -ure den hoogsten top bereikten, zagen wij met verwondering een -Pĕndopo voor ons, dat is, een open gebouw met een op vier stijlen -rustend dak en onder dit dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste -steenen bedekt en omringd graf. Vóór den grafheuvel stond -eene offerschaal met wierook en enkele nog niet geheel verwelkte -bloemen. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= -"pb100">100</a>]</span></p> -<p class="par">Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met -schrik uit onze overpeinzing,—wij zagen om en bemerkten, dat de -spaanders van een Ki mérakboom in het rond vlogen, die, op een -geringen afstand beneden den bergtop staande, door den bliksem -getroffen en geheel en al van zijne schors beroofd was geworden. Wit -gelijk een spook stond nu daar, aan de helling, de ontzaggelijk hooge -boomzuil, die een oogenblik te voren nog beladen was geweest met -donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast vormde met de zwarte -wolken, die zich steeds digter en dreigender rondom ons zamenpakten. -Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij, door eene spleet tusschen -de wolken, een klein gedeelte van het dal, dat, ver beneden ons door -het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was, doch ook dit verdween -weldra achter de steeds lager dalende en zich verder uitbreidende -wolken.—Wij bevonden ons te <span class="ex">midden</span> van -eene onweêrswolk.—Al onze begeleiders zaten stil -nedergehurkt rondom het graf; zij durfden naauwelijks adem halen, -terwijl de bliksemstralen uit hunne zwarte geboorteplaats -voortgeschoten, blaauw van schijnsel, maar tevens even hel verlichtend, -oogverblindend als het zonnelicht, in zikzak digt voorbij onze oogen de -lucht doorkliefden, terwijl de donder ratelde, zoo vreesselijk luide, -dat het ons gehoor verdoofde, dat wij verstomd ter aarde -zonken,—terwijl tevens de regen in ontzaggelijk groote droppels -begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de bliksemstralen, -die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links, dan regts, dan van -alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend, ratelend en -oorverdoovend <span class="ex">te gelijk</span>,—terwijl de -nagalm van den donder weerklonk daar boven in de wolken en beneden -langs de berghellingen rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk -eene basstem en zoo geweldig dreunend, dat de gansche berg <span class= -"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name= -"pb101">101</a>]</span>onder onze voeten scheen te beven en het ons -voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine aardbol boven ons -hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts—en onder onze voeten -langs het gebergte afwaarts gerold werden,—daar doorkliefde -ratelend weder een straal de lucht,—een dof geschrei werd ter -naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht in den -grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,—wij namen hem in ons -midden, wreven hem,—maar tot in het binnenste der ziel geschokt -door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar digt -nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot met hem -te deelen,—terwijl de vreesselijkste plasregen -neêrstroomde, die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te -spoelen.</p> -<p class="par">Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde -watervloeden en stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts -stroomden,—maar de onweêrswolken begonnen te dalen en zich -verder uit te breiden. De eerste en heftigste uitbarsting had plaats -gehad <span class="ex">digt boven en rondom</span> den hoogsten -bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich het meest en het -eerst hadden verdikt. Nu daalde de onweêrsbui reeds lager langs -de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen voor ons uit, -terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken -voortschoten.—De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg -weldra zijne bezinning.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Zijt gij niet angstig, -bevreesd?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Neen; maar ik ben verbaasd -en opgetogen tevens. Het schouwspel is vreesselijk schoon en prachtig. -Het oogenblikkelijke van het gevaar echter, waaraan ik blootsta en dat -ik niet kan ontvlieden,—het plotselinge van het lot, dat mij hier -elken oogenblik kan treffen, maakt dat ik mij in <span class= -"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= -"pb102">102</a>]</span>mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor -den donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal -nemen en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt -worden getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens -het oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien -de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den -top eens bergs begraven zijn.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gelooft gij aan de -onsterfelijkheid der ziel?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeer zeker.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is mij aangenaam die -woorden van u te hooren. Voor mij is dit geloof eene behoefte; zonder -dat zou ik <span class="ex">niet</span> gelukkig kunnen -leven.—Maar zeg mij eens, indien gij daaraan gelooft, hoe -verklaart gij dan <span class="ex">het zoo allengs</span> ontwaken van -het bewustzijn in den mensch, de zoo langzame ontwikkeling van het -verstand en van het denkvermogen, welk een en ander juist gelijken tred -houdt met de voortgaande vorming der ligchamelijke organen, der -hersenen, die van lieverlede volkomener worden?—Hoe brengt gij -dat in overeenstemming met de zelfstandigheid en de onvergankelijkheid -der ziel,—waar neemt zij haren aanvang in de embryo, in de foetus -of in het pas geboren wicht en waar houdt zij op bij den kindsch -geworden grijsaard!—<span class="ex">waar</span> is de grens -tusschen dier en mensch?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Die grens kan ik u niet -aanwijzen; wanneer mijne ziel aanving, van zich zelve bewust te zijn, -weet ik niet. Overal zie ik de kracht aan de stof gebonden en ik ken -geene kracht zonder ligchamelijken grondslag, en even zoo is het -omgekeerde het geval; de koorts kan mijnen geest verduisteren, kan mij -onzamenhangende woorden doen spreken, ja, een slag op mijn hoofd, -zonder aan het ligchamelijk leven noodwendig hinder toe te brengen, kan -mijn bewustzijn <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" -name="pb103">103</a>]</span>doen ophouden.—Maar beschouw -daarentegen het onweder, dat zich voor ons oog heeft ontlast. Wie zou -dezen morgen bij het ontwaren der blinkende dauwdruppelen, die zoo -rustig parelden aan grashalmen en struiken, wie zou er aan gedacht -hebben, dat daarin zulk eene vreesselijke kracht sluimerde, eene -kracht, welke de stem des donders verwekt, de duisternis der wolken -verlicht, de boomen vaneensplijt, ja, die alle zenuwen van uw binnenste -hevig schokt!—Toch is het niet anders dan de door warmte -opgeloste, als waterdamp opgestegene, vervolgens snel bekoelde en -verdikte, in millioenen van nevelblaasjes herschapene, wolkenvormende -dauwdruppel, waaruit nu door wrijving en spanning de electriciteit te -voorschijn treedt.—En wanneer nu morgen vroeg <span class= -"ex">wederom</span> de dauwdruppel, even stil glinsterend als -<span class="ex">heden</span> morgen, gelijk een paarl aan grashalmen -en struiken hangt, durft gij dan gelooven, dat de kracht, welke hij -thans onder de teekenen van bliksem en donder voor uwe blikken heeft -ontwikkeld, er aan is ontweken, niet meer voorhanden is, of dat zij er -heden morgen vroeg niet in bestaan heeft?—Zeer zeker zult gij dat -niet gelooven.</p> -<p class="par">Zoodanig is het ook gelegen met ’s menschen -geest.—De dauwdruppel is gelijk aan het nog ongeboren of het pas -geboren kind; in zijn binnenste, hoewel nog stil en sluimerend, ligt de -kracht verborgen,—gelijk de waterdamp rijst hij, zich -ontwikkelend, opwaarts; in het onweêr lichtend staat hij daar, de -volwassen mensch, wiens geest de gansche wereld omvat en—in de -regenstroomen, de stortbeken, daalt hij neder naar de oneindige zee, -die hem het eerst zijne wording schonk:—de grijsaard buigt het -verzwakte hoofd neder in den schoot des <span class= -"ex">Eeuwigen</span>.</p> -<p class="par">Terwijl het onweder steeds lager afdaalde langs de -berghellingen en wederom hier en daar blaauwe plekken boven -<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= -"pb104">104</a>]</span>onze hoofden zigtbaar werden tusschen de wolken, -die zich meer en meer verdeelden, begon onze kleine karavaan zich te -herstellen van de uitgestane angst en haalden de Javanen weder vrijer -adem. Eindelijk zagen wij den bliksem ver beneden ons uit de wolken te -voorschijn komen en de donder, die zich van daar voortplantte, maakte -op ons, die op den bergtop stonden, juist zulk een indruk als kwam hij -uit het binnenste van het gebergte voort. Waarschijnlijk stortregende -het nu te Gnoerag, dat wij nog niet hadden kunnen zien; maar reeds ten -2 ure bescheen de vriendelijke zon weder den bergtop, zoo mede de -oppervlakte der wolken die, zich meer en meer ontlastende, ver beneden -ons waren gedaald.</p> -<p class="par">Wij, benevens onze begeleiders, nuttigden nu het door -ons medegebragte ontbijt en besloten nog een uurtje op den bergtop te -vertoeven en te wachten, totdat de Bandjĕr’s, d. i., het -zaamgevloeide water, dat nu alle kleine beken in bruisende stroomen -herschapen had, hunne woede zouden hebben uitgeput. De Javanen wisten -ons omtrent het grafgesticht niet veel meer te verhalen, dan dat aldaar -<span class="ex">iemand uit den</span> „<span class="ex">zeer -ouden</span>” (<span class="ex">voormaligen</span>) <span class= -"ex">tijd</span> begraven lag. Mohammedanen zijnde, gelooven zij, -even als de Joden en Christenen, aan de wederopstandig des vleesches en -hebben een grooten eerbied voor de graven der afgestorvenen. Het ter -aarde bestellen op bergtoppen schijnt in de Soendalanden bij vorsten en -voorname personen reeds eene gewoonte te zijn geweest <span class= -"ex">voor</span> den tijd van de Hindoerijken op Java,—de Brahma- -en Boedhagodsdienst,—derhalve reeds tijdens het bestaan van het -oorspronkelijke polytheismus der Soendanezen, en eerst sedert de -invoering van den koran in onbruik te zijn geraakt. Op zeer vele, -voornamelijk geïsoleerde bergtoppen vindt men dergelijke oude, met -steenen omringde graven.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Dewijl het zich laat -aanzien, dat wij het waarschijnlijk <span class="pagenum">[<a id= -"pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>voor lief zullen -moeten nemen om nog eenige dagen te Gnoerag te vertoeven, komt het mij -voor, dat wij onzen tijd, vooral gedurende de lange avonden, op eene -nuttige wijze zouden kunnen besteden door te beproeven om de Javanen in -de zedeleer en de godsdienst te onderwijzen. Zoo gaarne zou ik hen -bekend maken met den inhoud van het Christelijk evangelie; ik kan niet -ontveinzen, mijn broeder, dat gij menigen twijfel bij mij hebt -opgewekt, maar de zedelijke waarheden, welke de Christelijke leer -bevat, hebt gij niet kunnen loochenen, ja, er zelfs bijgevoegd, dat dit -denkbeeld nimmer bij u was opgekomen.—Het staat u echter niet -vrij het geloof van anderen aan het wankelen te brengen en twijfel in -hen gaande te maken, indien gij niet in staat zijt iets beters aan te -bieden, in de plaats van hetgeen gij aan hen ontneemt of ontnemen wilt. -Die de stormklok luidt en de menschen uit den slaap doet opspringen, -moet hun de rust weêr hergeven.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Laat ons de proef er van -nemen. Geef heden avond aan de bewoners van dit dorpje, die wij in eene -der ruimste hutten bijeen zullen doen komen, onderrigt in <span class= -"ex">uw</span> evangelie; morgen avond zal ik hun het <span class= -"ex">mijne</span> verkondigen. Gij kunt alsdan onder mijne -toehoorders plaats nemen en wij zullen dan later zien welke der beide -leerstellingen den voordeeligsten indruk op de Javanen heeft gemaakt, -en of mijn evangelie in staat is geweest u tot overtuiging te -brengen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Met genoegen neem ik dit -voorstel aan en ben bereid heden avond de zaak te beginnen. Ik zal hun -de Christelijke geloofsbelijdenis <span class="ex">juist -zoodanig</span> voordragen, en wel woordelijk, al is het dan ook -verkort of, beter gezegd, ik zal hen met het <span class= -"ex">wezenlijke</span> er van, bij wijze van uittreksel, op die -wijze bekend maken gelijk zij aan de jeugd in ons vaderland overal -wordt geleerd. Ik zal daarbij een der meest <span class= -"pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= -"pb106">106</a>]</span>gebruikelijke leerboeken tot leiddraad nemen en -dit getrouw volgen, en zulks te eerder, dewijl het mij waarschijnlijk -voorkomt, dat toekomstige zendelingen denzelfden of een dergelijken weg -zullen inslaan. Ik ben zeer verlangend om den indruk na te gaan, welken -deze leer op de Javanen zal maken. Het spreekt van zelf, dat deze leer -voor u, indien gij onder mijne toehoorders plaats mogt nemen, niets -nieuws zal behelzen.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> In mijn evangelie zult gij -evenmin iets nieuws aantreffen; gij zult daarin slechts al de -hoofdstellingen terugvinden omtrent godsdienst en zedeleer, die reeds -door Jezus, ja, grootendeels door anderen als Mozes, Boedha en -Confucius, <span class="ex">langen tijd voor hem</span> zijn -geleerd en gepredikt geworden.—Het ligt niet in mijne bedoeling, -de verdienste te willen verkleinen dezer voortreffelijke mannen, in -wier gemoed het godsdienstig gevoel zoo luide en zuiver zich deed -hooren. Ik geloof in tegendeel, dat hunne verdienste des te grooter is, -naar gelang het tijdperk, waarin zij hebben geleefd, verder van ons -verwijderd is en de trap van wetenschappelijke beschaving en kennis, -waarop de maatschappij destijds stond, lager moet worden gesteld. Ik -streef naar de bereiking van een dubbel doelwit: <i>ten eersten</i> om -de geloofsleer te zuiveren, haar te ontdoen van al ’t geen -<span class="ex">bepaaldelijk</span> dwaling en bijgeloof moet -worden geacht en <i>ten anderen</i> datgene, ’t welk van de -godsdienst en zedeleer overig blijft, nadat zij gezuiverd zullen zijn -van de besmetting van bijgeloof en dwaling, <span class="ex">uit de -verschijnselen in de natuur en hare wetten</span>, met inbegrip van -den mensch en zijne geschiedenis, op <span class="ex">te helderen, en -er door te staven</span>, ten einde op die wijze het verderfelijke -geloof aan eene regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring voor -goed uit te roeijen en den mensch te nopen zich aan de echte en -onuitputtelijke bron <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" -name="pb107">107</a>]</span>van kennis, de natuur, te laven. Ik herhaal -u nogmaals—en ik verzoek uitdrukkelijk, dat zulks niet worde over -het hoofd gezien, ten einde de beschuldiging van ongepaste aanmatiging -of onbillijkheid door u op mij niet worde geworpen,—ik geloof, -dat een groot gedeelte der leer, welke mijn evangelie bevat nopens de -hoedanigheden van God en de zedelijke wetten der menschen, reeds door -Jezus, ja, langen tijd vóór hem door de vroeger genoemde -leeraars in Egypte, Indië en China met dezelfde of meer of min -verschillende bewoordingen is gepredikt geworden.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Maar indien gij dit -erkent en te gelijk aanmerkt, dat de kennis der natuur en van hare -wetten ten tijde van Jezus nog geheel en al in het duister lag, ja, dat -het onderzoek der natuur, waaruit gij de bewijzen voor de waarheid uwer -leerstellingen, naar uw beweren, wenscht af te leiden, toenmaals nog -niet was aangevangen,—waaruit kan Jezus, waaruit kunnen zijne -voorgangers Boedha, Mozes, de kennis dezer waarheden toch geput hebben, -dan uit eene regtstreeksche goddelijke ingeving?—Gij erkent -hierdoor immers met der daad de goddelijke openbaring, die gij wilt -wederleggen!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Neen, mijn geliefde -broeder.—De ziel des menschen is zoo van nabij verwant met den -geest, die het geschapene heeft daargesteld en onderhoudt; door middel -zijner vijf zinnen staat de gezonde mensch in zulk eene innige -betrekking tot de schakels van de oneindige keten der natuur, waarvan -hij slechts <span class="ex">eene</span> kleine schakel is,—dat -de verschijnselen, die hij rondom zich waarneemt, voor twee of drie -duizend jaren onfeilbaar denzelfden indruk op hem moesten maken als -thans het geval is. Destijds bespeurde hij de regelmatigheid, de -harmonie in de verschijnselen, de doelmatigheid in alle inrigtingen der -natuur even goed als thans,—<span class="pagenum">[<a id="pb108" -href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>hij zag hoe elk diertje zich -verheugde in het genot zijns levens;—hij gevoelde zich tevens -overtuigd van zijne eigene vergankelijkheid en onmagt; daardoor kwam -hij tot de gevolgtrekking, dat er een hooger wezen moest bestaan, als -de grondoorzaak aller dingen, wiens hoedanigheden hij afleidde uit de -schepping, die noodzakelijker wijze indruk op hem moest maken, al kon -hij de verschijnselen, door hem waargenomen, niet zoodanig verklaren -als wij, die de wetten hebben nagespeurd. Ja, de beschouwing onzer -eigene, redelijke ziel leidt reeds tot het denkbeeld van het bestaan -eens redelijken scheppers: „ik ben, God is er,” en dit -moest vóór duizenden van jaren evenzeer het geval zijn -als thans.—Deze bevattelijkheid is voor den met rede begaafden -mensch een even eigendommelijk en onvervreemdbaar erfdeel als het -instinct der bijen om cellen te bouwen of de kunstdrift der spin om een -regelmatig weefsel te vlechten!—En lag niet reeds een groot -gedeelte der wereldgeschiedenis, dat zich over vele duizende jaren -uitstrekte, lag dat niet reeds <span class="ex">achter</span> Jezus? -Was het godsdienstig bewustzijn in den Semitischen volkstam, waartoe -Jezus behoorde, niet van oudsher en bij uitnemendheid, meer dan bij -andere volken levendig geweest, en ontving hij van zijne voorvaderen -niet een schat van wijsheid en kennis Gods ten erfdeel, welke, als kiem -in den rijk begaafden knaap gelegd, tot een eigendommelijken bloei -geraakte?—Uit welke bron hebben dan de oude Hindoes, -Egyptiërs, Chinezen, Perzen hunne zedeleer geput,—wie heeft -haar aan de Amerikaansche wilden verkondigd, die toch, in denzelfden -stam, <span class="ex">jegens elkander</span> menschlievend, getrouw -zijn en vele andere deugden beoefenen?—Waant gij, dat God ook aan -hen een Messias gezonden, hun eene openbaring heeft geschonken?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Toegestaan voor den -oogenblik, dat de Amerikaansche <span class="pagenum">[<a id="pb109" -href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>wilden in denzelfden -bevrienden stam zich menschlievend jegens elkander gedroegen, zoo waren -zij echter des te gruwzamer jegens andere stammen en tegen de blanken, -die zij scalpeerden. Men behoort menschlievend te zijn jegens -<span class="ex">alle</span> menschen, zelfs jegens zijne -vijanden.—Hoe is het dan toch mogelijk, dat er, naar uw beweren, -menschlievendheid wordt gevonden bij de Amerikaansche <span class= -"ex">wilden</span>?!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ik kan en durf beweren, dat -zulks het geval is, mijn broeder; uit de geschiedenis kan ik u -bewijzen, dat zij menschlievendheid bezaten, deugden beoefenden, -waarvan bij de <span class="corr" id="xd21e2146" title= -"Bron: Jezuiten">Jezuïten</span> en andere blanken, die hen tot -het Christendom wilden bekeeren, geen spoor te vinden was. Maar zij -beschouwden de vreemde stammen en blanken als vijanden en scalpeerden -hen. Of waren die blanken <span class="ex">niet</span> hunne vijanden? -Wat deden zij dan? Overal waar zij kwamen, bragten zij hunne -Christelijke liefde met zich, om—de roodhuiden, ware het -mogelijk, van den aardbodem te verdelgen. En indien gij nu hier tegen -aanvoert, dat de Amerikaansche wilden ook <span class= -"ex">onderling</span>, stam tegen stam, gruwzame oorlogen voerden, dan -vraag ik u, hoedanig handelen in onze 19<sup>de</sup> eeuw, ja, te -dezer stonde de <span class="ex">Christen</span>stammen, de groote -mogendheden van Europa, hoe handelen die <span class= -"ex">onderling</span>?—Zij <i>prediken</i> op hunne schepen: -„hebt uwe naasten lief gelijk u zelven, zijt vergevensgezind -jegens uwe vijanden, zegent ze die u vervloeken, doet wel degenen die u -haten,”—en hoe <i>volgen</i> zij deze leer op?—Zij -bombarderen van diezelfde schepen de kuststeden van hunnen -christenbroeder, steken zijne magazijnen in brand, boren zijne schepen -in den grond, en vernietigen alles dat zij vernietigen kunnen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Laat ons daarover niet -verder uitweiden, - - - gij zult mij bij eene volgende gelegenheid wel -eens ophelderen, waarom het geloof aan goddelijke openbaring door u -<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name= -"pb110">110</a>]</span><span class="ex">verderfelijk</span> wordt -genoemd, - - zie daar ginds!—een regenboog, hoe prachtig! en wend -uwe blikken naar beneden in het dal, dat door de zon wordt beschenen; -hoe vriendelijk lacht het ons weder toe!</p> -<p class="par">Het onweder had zich nu ook in het dal geheel en al -ontlast en voor ons geene zigtbare sporen nagelaten dan gindschen -ontschorsten boom en het opgewoelde plekje aarde in de nabijheid van -het graf. Slechts het dof geruisch der gezwollene bergstroomen getuigde -nog van de omkeering, welke in het luchtruim had plaats gegrepen. De -wolken echter waren uiteengestuwd en slechts hier en daar hing nog eene -enkele aan de met woudgeboomte bedekte hellingen van het gebergte.</p> -<p class="par">Onze blikken gleden langs deze sombere wouden -benedenwaarts en rustten op de velden en beemden, bedekt met Alang -alanggras, die als een helderkleurig tapijt zich beneden de wouden -uitstrekten, terwijl nog lager, te midden des dalbodems, op enkele -plaatsen de Tji-Nagnéak zigtbaar was, die als een zilveren band -zich door de vallei kronkelde. Gelijk de stralen der zon ons hier op -nieuw beschenen, zoo lachte zijn vriendelijk schijnsel ons ook uit dit -dal weder te gemoet, alwaar wij ons klein dorpje op den voorsprong des -bergs ontwaarden; duidelijk viel het ons echter niet in het oog, want -de bruinkleurige hutten kwamen slechts op enkele plaatsen en nog ter -naauwernood uit het bosch van vruchtboomen te voorschijn. De natuur was -op nieuw verkwikt, de lucht bekoeld en hare opstijgende, -dampenopvoerende stroomen hadden opgehouden; de ongelijkmatigheid in de -uitzetting des dampkrings boven de verschillende gedeelten des lands -was weggenomen, de rust hersteld en geen togtje liet zich meer -bespeuren.—Insektenkoren begonnen in het woud te snorren, te -gonzen, te fluiten en te zingen; de <span class="pagenum">[<a id= -"pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>Manoek kaso verhief -weder zijne stem en het kontrast tusschen het vorige en het -tegenwoordige tooneel schonk aan het groene en bloeijende landschap en -aan den zonneschijn, die het zoo liefelijk bescheen, eene dubbele -bekoorlijkheid.—Zoo wordt ook in het menschelijk leven elk genot -verhoogd door de ontbering; zonder ongeluk, zonder ellende, zou geen -geluk worden gesmaakt;—zonder leelijkheid zou de schoonheid niet -erkend,—zonder de zekerheid des doods het leven niet gewaardeerd -worden. De wederwaardigheden des levens moeten ons nimmer den moed doen -verliezen, maar wij behooren te gelooven, dat ongeluk, ziekte, ellende, -armoede en ontbering door den wijzen Schepper der natuur worden -toegelaten, dewijl zij nuttig zijn voor het geheel en moeten uit het -onweêr leeren, dat ook de ongelukken, die het leven van enkelen -teisteren, zoo mede de stormen in de geschiedenis der menschheid tot -het wijze plan behooren, waarnaar het geheel door Hem wordt geregeld, -dat zonneschijn en bloesems veel schooner dan vroeger daarop zullen -volgen, en dat dit alles slechts verschijnselen zijn eener groote, -steeds voorwaarts strevende wet der ontwikkeling.</p> -<p class="par">Ten 3 ure begonnen wij den terugtogt;—wel bleek -het gaan over den humusrijken woudbodem, die door den regen was -opgelost, zeer bezwaarlijk te zijn, doch wij bereikten echter behouden -het dorpje Gnoerag, van waar ons de toonen der Gamĕlan te gemoet -klonken en ons een voortreffelijke maaltijd was bereid. Wij verhaalden -de Javanen, dat wij een hert hadden geschoten, hetwelk wij niet in de -gelegenheid waren geweest mede te brengen, en oogenblikkelijk was een -half dozijn mannen—veel meer dan noodig was—op de been om -het te gaan halen. <span class="ex">Dat</span> deden zij gaarne.</p> -<p class="par">Nu gaven wij aan de dorpsbewoners te kennen, dat wij hen -een en ander omtrent onze godsdienst en zedeleer wenschten <span class= -"pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>mede -te deelen, en daar zij bereidwillig verklaarden ons gaarne te zullen -hooren, zeiden wij hun, dat wij beide tot eene verschillende -geloofsbelijdenis behoorden, omtrent welk onderwerp wij nog niet tot -eenstemmigheid hadden kunnen geraken. Indien zij nu genegen mogten -zijn, ons gedurende een of twee uren de noodige aandacht te verleenen, -dan zou mijn broeder <span class="sc">Nacht</span> hun heden avond -zijne leer ontvouwen, terwijl ik hun morgen avond <span class= -"ex">mijne</span> geloofsleer zou verklaren. Toen zij hiermede -volgaarne instemden, rieden wij hen aan over hetgeen zij zouden hooren, -later na te denken en dit te bepeinzen. Wij gaven hun de verzekering, -dat wij zulks deden met de goede bedoeling om hun nuttig te zijn, dat -het hun echter volkomen zou vrijstaan in hun tegenwoordig geloof te -blijven, in geval geen van ons beide in staat zou zijn hen van iets -beters te overtuigen.—Nadat dit alles voor goed was bepaald, werd -de grootste hut in het dorp gekozen tot de plaats van zamenkomst; al -het huisraad werd bijeen op den achtergrond gelegd en hiervoor een -gordijn gespannen, ten einde zulks aan het oog te onttrekken.—Het -was zes ure. De zon was ondergegaan en de gezamenlijke bewoners van het -dorp, zoo mannen, vrouwen als kinderen, waren in de hut bijeen, alwaar -<span class="sc">Nacht</span> de volgende voordragt hield.—De -Javanen hadden zich, met de beenen kruisselings over elkander, op den -grond nedergezet en <span class="sc">Nacht</span> zat op een stoel in -de nabijheid van den wand, waaraan twee brandende lampen waren -bevestigd.</p> -<p class="par">Voor zich op eene bank had hij den bijbel, benevens een -vraagboekje tot onderwijzing in de Christelijke leer nedergelegd, en -hier tusschen beide stond het zinnebeeld van het Christelijk geloof, -een houten kruisbeeld. <span class="pagenum">[<a id="pb113" href= -"#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p> -<div id="evna" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">I.</span> Het Evangelie van -Nacht.</h2> -<h2 class="sub">GETROKKEN UIT HET<br> -„Vraagboekje tot Onderwijzing in de Christelijke -leer.”</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e2218">(<i>Te Amsterdam, bij Mortier Covens en -Zoon.</i>)</p> -<p class="par">Alles wat wij weten en geleerd hebben, weten wij uit den -Bijbel; p. 92.<a class="noteref" id="xd21e2225src" href="#xd21e2225" -name="xd21e2225src">1</a></p> -<p class="par">In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook -het oude testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd. -De Bijbel is eene verzameling van Goddelijke,—door God -ingegevene—boeken, waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en -95.</p> -<p class="par">Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der -Goddelijke liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen -regel van ons geloof en wandel aannemen; p. 95.</p> -<p class="par">Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel -getrokken, die voor ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en -onveranderd is gebleven, zoo als hij hier voor mij op de bank ligt.</p> -<p class="par">God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en -goed; ik moet hem eeren en liefhebben; p. 1. <span class= -"pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span></p> -<p class="par">God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene -vrouw Eva, naar zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en -gelukkig; p. 2.</p> -<p class="par">Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij -aten van de vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in -dwaze, verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen -waren.—God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en -3.</p> -<p class="par">Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij -luisterden niet naar hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo -dat aan God geen ander middel overbleef, dan het geheele menschdom, -behalve Noach en zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te -verzuipen; p. 4.</p> -<p class="par">Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen -werden, na den zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren; -zij zondigden noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5.</p> -<p class="par">God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg -Sinaï de tien geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene -vreemde Goden nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk -aanroepen, den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet -doodslaan, geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis -afleggen, uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren; -p. 10.</p> -<p class="par">Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig -voort zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde -zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later -openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou -voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en -16.</p> -<p class="par">Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst, -Afgoderij en allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens -<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name= -"pb115">115</a>]</span>door buitengewone leeraars, <span class= -"ex">Profeten</span>, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook -dit had weinig nut; p. 17 en 18.</p> -<p class="par">Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd -te Bethlehem, door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte -maagd Maria geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i. -Zaligmaker genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd, -daalde de Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den -hemel riep: deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn -welbehagen heb.—Wat kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen, -dat Jezus, te Bethlehem geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser, -de Christus is!? p. 26 tot 29.</p> -<p class="par">Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen -zijne leer alom verkondigden. De Farizeën en Schriftgeleerden -waren zijne vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak -gelijk „zijn Vader” (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid -van zijne leer bleek vooral uit de <span class= -"ex">wonderwerken</span>, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34.</p> -<p class="par">Door den haat der Farizeën en Schriftgeleerden werd -hij valschelijk beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en -gekruisigd. Na zes uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee -vrienden deftig en eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig -was, leed en stierf hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40.</p> -<p class="par">Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan, -gelijk hij te voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.—Dat -was ten hoogste noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de -Christus was, die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien -Jezus in den dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p. -40 tot 42.</p> -<p class="par">Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen -zijner discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is <span class= -"pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>hij -nu gezeten aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om -al de zijnen volkomen zalig te maken.—En zijne discipelen werden, -onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den -Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42 tot -45.—Deze leer luidt als volgt.</p> -<p class="par">God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren -Zoon. De Heilige geest is de geest der waarheid, die van den Vader -uitgaat. Deze drie Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige -waarachtige God en wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid -toekennen.—Want deze drie zijn <i>een</i>.—Dit begrijpen -wij, wel is waar, niet, maar wij moeten ons verheugen, dat wij God dus -uit zijn woord tot zaligheid hebben leeren kennen; p. 53 en 54.</p> -<p class="par">God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een -overal tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, -onafhankelijke en almagtige, <span class="corr" id="xd21e2282" title= -"Bron: goedertierene">goedertierende</span>, barmhartige, lankmoedige, -heilige, regtvaardige en eeuwige Geest.—Hij onderhoudt en -bestuurt alles, ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 -tot 57.</p> -<p class="par">Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog -andere wezens, volkomener dan wij, namelijk goede en booze engelen. De -goede engelen zijn voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der -geloovigen. Maar de kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. -61.</p> -<p class="par">Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den -<i>eersten</i> mensch Adam ellendige zondaren en worden uit onze ouders -<span class="ex">verdorven</span> geboren. Door de zonde is de dood in -de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle menschen onderworpen -geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en uit het binnenste -van ons hart komen voort kwade gedachten.—De zonde is snoode -ondankbaarheid tegen God en zal zwaar <span class="pagenum">[<a id= -"pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>gestraft worden in -een onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.—Door de zonde -worden wij dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade -onherstelbaar verloren geweest zijn; p. 61 tot 63.—Want God was -boos op ons en toornig.</p> -<p class="par">Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig -en zond ons in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen -heiligen Verlosser; hij zond ons zijn <span class="ex">eenigen -Zoon</span>!—Deze heeft door zijn gehoorzaam lijden en sterven de -straf onzer zonden gedragen, en door dit lijden en sterven is God nu -met ons zondaren <span class="ex">verzoend</span> en schenkt ons -genade, <span class="ex">vergeving der zonden</span>. Gods zoon heeft -zich voor ons ten offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.</p> -<p class="par">Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze -belangen bij den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den -Vader. Hij brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, -zonder wien wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.</p> -<p class="par">Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer -Jezus komen zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te -houden.—De ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, -zijne stem zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben -tot de Opstanding des levens,—zij zullen zalig gesproken worden -en eeuwig bij Christus en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan -hebben, zij zullen uitgaan tot de Opstanding der <span class= -"ex">verdoemenis</span>! p. 67.</p> -<p class="par">Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons -bekeeren; wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze -eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij -vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.</p> -<p class="par">Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven -alles, <span class="ex">zelfs boven ouders en kinderen</span>, -liefhebben; p. 73 en 74. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href= -"#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p> -<p class="par">Wij moeten alle menschen, zelfs onze <span class= -"ex">vijanden</span> liefhebben. Wij moeten het kwaad en de -beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd gaarne vergeven; p. -74 en 75.</p> -<p class="par">Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze -geringheid en onwaardigheid gevoelen, ons <span class="ex">zelven -verloochenen</span> en onzen naaste liefhebben <span class= -"ex">gelijk ons zelven</span>; p. 76 tot 79.</p> -<p class="par">Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.</p> -<p class="par">Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, -en wanneer wij in <span class="ex">Jezus naam</span> bidden, -<span class="ex">dan</span> zal God onze gebeden verhooren; p. 83.</p> -<p class="par">De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om -derzelver dwalingen afgescheiden; p. 80.</p> -<p class="par">Gij moet u laten doopen om christen te worden.—In -den Doop leert en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar -zij alleen worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen -gedaan, geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, -<span class="ex">zal verdoemd</span> worden; p. 88.—De ontvangen -Doop verpligt ons om christen te zijn, zelfs indien wij nog jonge -kinderen waren, toen wij gedoopt werden.</p> -<p class="par">Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.—Want het -gebroken brood en de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat -Christus ligchaam gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der -zonden, p. 90.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Elk der vermelde stellingen had <span class= -"sc">Nacht</span> nader toegelicht door er langere of kortere -verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de bijbelplaatsen, -welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te deelen. Hoe -dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden voor Javasche -toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van hier in -<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name= -"pb119">119</a>]</span>Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer -bekend is. Geen enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne -rede gestoord; allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam -toegeluisterd; hunne op elkander gelegde handen rustten op hunnen -schoot en velen verhieven ze van tijd tot tijd en bragten de -vingertoppen eerbiedig aan het voorover gebogen voorhoofd (dat wil -zeggen, zij maakten een Sĕmbah), zoo menigwerf de naam Toean Allah -(God) werd genoemd.—Nadat <span class="sc">Nacht</span> zijne -rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen nog -eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan -zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:</p> -<p class="par">Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> u zoo even heeft voorgedragen, is de leer -der Christelijk <span class="ex">Hervormde</span> kerk, gelijk zij in -Nĕgara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en gepredikt. Zij -steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne beurt den -bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte der bewoners -van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel door de -onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende wijze -wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele sekten -verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk, welke de -<span class="ex">Katholieke</span> of Roomsch-Katholieke kerk wordt -geheeten en deze telt het overige derde gedeelte der bewoners van -Nederland tot hare belijders.—Naar de wijsselijk gestelde -bepalingen onzer grondwet mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig -wil aannemen; ditzelfde is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien -Katholieke Christenen te worden, dan moet gij gelooven: dat in het -brood en den wijn bij het avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van -Jezus wordt genuttigd, die voor meer dan 1800 jaren is -gestorven,—dat de Paus <span class="pagenum">[<a id="pb120" href= -"#pb120" name="pb120">120</a>]</span>(zoo noemen de Katholieken hunnen -opperpriester, die te Rome, dat is ver van Holland, woont) de -stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken onfeilbaar zijn en wien -gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja, die het regt heeft al uwe -zonden te vergeven of te doen vergeven;—gij moet vlijtig ter -biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de wonderdadige -kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij God in den -hemel uwe voorspraak zijn,—hoofdzakelijk echter moet gij, behalve -God den VADER en den <span class="ex">Zoon</span>, ook de heilige Maria -aanbidden; want zij was de—MOEDER—<span class= -"ex">van</span>—<span class="ex">Gods</span>—<span class= -"ex">Zoon</span>.</p> -<p class="par">Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of -boven het lage gordijn, dat op den achtergrond der hut was -uitgespannen, verhief zich een man, wiens hoofd met een witten tulband -was omwonden. Wij waren beide, zoowel <span class="sc">Nacht</span> als -ik, zeer verwonderd in dit kleine gehucht zulk eene verschijning te -zien, maar loochenen konden wij het niet,—zijne kleederdragt -toonde zulks duidelijk aan,—het was een Mohammedaansche -<span class="ex">priester</span>. Hij hield eene Maleische overzetting -van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een -onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende, zoo -dikwerf een der alhier <i>cursief</i> gedrukte woorden zijn mond -ontrolde, riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half -gillende stem:</p> -<p class="par">Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet -van eene <i>drieheid</i>. Er is slechts <i>een</i>, <i>eenige</i> -God.</p> -<p class="par xd21e203">(Koran, 4<sup>de</sup> soera.)</p> -<p class="par">Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde -ook mogen gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het -oog verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p> -<p class="par">De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk -<i>afgoden</i>.</p> -<p class="par xd21e203">(Koran, 12<sup>de</sup> soera.)</p> -<p class="par">Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen <i>zoon</i>; -maar daarmede spreken zij <i>godslastering</i>, en weinig verschilde -het, dat de hemel werd vaneengereten en de aarde zich opende, en de -bergen instortten, dewijl zij het durfden wagen den Albarmhartige -<i>kinderen</i> toe te schrijven, dien het niet voegzaam is kinderen te -verwekken. Niemand in den hemel en op de aarde mag den Albarmhartige -naderen, dan slechts om zijn <i>dienaar</i> te willen zijn.</p> -<p class="par xd21e203">(Koran, 19<sup>de</sup> soera.)</p> -<p class="par">Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de -hut; stil, bijna beangst slopen de Javanen weg. <span class= -"sc">Nacht</span> verkeerde blijkbaar in eene onaangename stemming en -was met zich zelven in tweestrijd. Ik was nog minder bevredigd dan hij, -ja, ik was treurig gestemd en gevoelde geene neiging om te slapen. -<span class="sc">Nacht</span> trad onze hut binnen. Ik begaf mij naar -den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn nederzette. Ik -trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten uit de beschouwing -der <span class="ex">natuur</span>, der <span class="ex">levende</span> -schepping van den goeden God en—vond die. Terwijl, op mijn -verzoek, de Gamĕlan de toonen van zachte melodiën in de verte -deed hooren, die plegtig en droefgeestig schoon door het eenzame dal -weêrklonken,—terwijl elk geruisch in de diepste nachtelijke -stilte verzonken lag, viel ook <span class="ex">ik</span> eindelijk in -slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij voor -gevaren te hoeden, rondom mij en—zij sliepen <span class= -"ex">nog</span>, toen ik den volgenden morgen op dezelfde plaats -ontwaakte. <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= -"pb122">122</a>]</span></p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Gedurende den loop des daags hadden wij ons met -kruidkundige en geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu -weder bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar <span class= -"sc">Nacht</span> gisteren avond zijn evangelie gepredikt had. Het was -reeds 6 ure en nog was onze bode niet teruggekeerd. Gisteren was ik een -toehoorder van <span class="sc">Nacht</span> geweest, nu zag ik hem in -de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks den Mohammedaanschen -priester, die zijn incognito nu had <span class="corr" id="xd21e2488" -title="Bron: afgegelegd">afgelegd</span>, onder de overige -Javanen.—Ik deelde hierop den Javanen, deels bij wijze van korte -uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen, het navolgende -mede.</p> -<p class="par">Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, -een sextant en kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, -een barometer, een thermometer, een psychrometer, een kompas, een -kunstmagneet, een microscoop, een aräometer van Nicholson, een -driezijdig prisma, eene draagbare camera obscura, een -daguerréotypetoestel, een kastje met scheikundige reagentia en -andere dergelijke werktuigen der toegepaste wetenschap, als -zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld. <span class= -"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e2225" href="#xd21e2225src" name="xd21e2225">1</a></span> Deze -getallen beteekenen de bladzijden van het vermelde -„<b>Vraagboekje</b>”, waarop de spreker zich -beroept. <a class="fnarrow" href="#xd21e2225src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="evda" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">II.</span> Het Evangelie van -Dag.</h2> -<h2 class="sub">KORTE ONTWIKKELING DER NATUURLIJKE GODSDIENST EN -ZEDELEER. OF GELOOFSBELIJDENIS<br> -van den Regtzinnig Geloovigen Mensch.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e2218">In 25 HOOFDSTELLINGEN.</p> -<p class="par">ALGEMEENE GRONDSTELLINGEN.</p> -<p class="par">„<i>Wat ieder mensch moet gelooven, behoort ook -voor ieder mensch begrijpelijk te zijn.</i>”</p> -<p class="par">„<i>Van elke leerstelling moet, door mondelinge -voordragt of in geschrifte nader ontwikkeld, het bewijs harer waarheid -uit de natuur en de geschiedenis geleverd en zij door voorbeelden -aanschouwelijk gemaakt worden.</i>” <span class="pagenum">[<a id= -"pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line xd21e2520">„Im Anfang war das Wort.</p> -<p class="line">Ich kann das Wort so hoch unmöglich -schätzen,</p> -<p class="line">Ich muss es anders übersetzen.</p> -<p class="line xd21e2520">„<i>Im Anfang war die -That.</i>”</p> -</div> -<p class="par first xd21e203">(<span class="sc"><a class= -"pglink xd21e41" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= -"https://www.gutenberg.org/ebooks/2229">Göthe</a>.</span>) -<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name= -"pb125">125</a>]</span></p> -<div id="ch1" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">1.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De levende mensch is aan de aarde verbonden door -de zwaartekracht. Door de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn -aanzijn verbonden aan de atmospherische lucht. Zijn -spijsverteeringstoestel maakt hem afhankelijk van de gansche overige -natuur. Hij bestaat en leeft slechts door omzetting van <span class= -"ex">reeds aanwezige</span> organische stoffen in het planten- en -dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er weder -uit verwijderd worden.—Van zijn aanwezen verkrijgt hij het -bewustzijn door middel van zijne <span class="ex">vijf -zintuigen</span>, door het vermogen, ’t welk hij bezit, om te -zien, te hooren, te ruiken, te smaken en te gevoelen. Door middel van -deze vijf zinnen staat zijn innerlijk geestelijk wezen in verband met -de hem omringende schepping. Berooft den mensch van het zintuig des -gezigts, en voor hem heeft het licht opgehouden te zijn, ontneem hem -het gehoor en het geluid bestaat voor hem niet meer. <span class= -"ex"><i>De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel, de -schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als een -alleen staand wezen niet denkbaar.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">2.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons -binnenste <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= -"pb126">126</a>]</span>als vijf draden, die in <span class= -"ex">eenen</span> draad uitloopen, aan <span class="ex">eenen</span> -inwendigen knoop zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk, -dien wij door de zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een -brandpunt van vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot -voorstelling, tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of -dikwerf worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij -hebben geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de -gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan -andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken: -wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij -teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te -brengen.—Op gelijke wijze als de verschijnselen in de -buitenwereld komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en -denken of (welligt reeds vóór duizende jaren) zich hebben -voorgesteld en gedacht, op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door -middel van ons gehoor en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is -overgekomen of door overlevering is bewaard gebleven. <span class= -"ex"><i>Wij hebben voorstellingskracht, begripsvermogen. Wij -kunnen denken.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">3.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Al hetgeen wij weten, hebben wij aan deze vijf -zinnen te danken. Alle kennis, die wij bezitten, is een gevolg der -indrukken, welke de voorwerpen en verschijnselen in de buitenwereld -door middel onzer vijf zintuigen op ons hebben voortgebragt. -<span class="ex">Andere</span> eigenschappen der ligchamen, die zich -niet door middel dezer vijf zinnen of door een of meer derzelven aan -ons kenbaar maakten, kunnen wij ons niet voorstellen <span class= -"pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span>en -een zesde zin is voor ons geheel ondenkbaar. <span class="ex"><i>Al -hetgeen wij denken en weten, komt of is slechts door middel van -onze vijf zinnen tot ons gekomen. Er bestaat geen andere weg langs -welken voorstellingen, denkbeelden in ons binnenste zouden kunnen -geraken.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">4.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De zintuigen echter zijn lichamelijke organen, die -bij alle individuën niet een gelijken graad van volkomene -ontwikkeling bereiken. Buitendien kan aanhoudende oefening hunne -verrigtingen bij eenige menschen in eene hooge mate scherpen, terwijl -daarentegen gebrek aan oefening of ziekte hunne werkzaamheid bij -anderen zeer kan verzwakken of wijzigen. <span class="ex"><i>Wij -zijn derhalve menigwerf aan vergissing of dwaling onderhevig en -mogen niets van hetgeen menschen leeren of leerden, onvoorwaardelijk -als waarheid beschouwen, indien wij het niet vooraf getoetst hebben -en het, na gedaan onderzoek, niet is gebleken proefhoudend te -zijn.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">5.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo -als dit b. v. bij de doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan -het innerlijk leven eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden -van de werkzaamheid van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de -mogelijkheid op te bestaan eener uiting van eene innerlijke -voorstelling, en een dergelijke <span class="pagenum">[<a id="pb128" -href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span>toestand kan niet lang -blijven voortduren, zonder dat het ligchamelijk leven wordt -uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft zijn ligchaam, wel is -waar, voort; de longen, het hart, de lever, de maag, het darmkanaal en -alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams houden niet op hunne -gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf zinnen zijn als het -ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet, ruikt niet, smaakt en -gevoelt niet;—de vijf draden zijn afgesneden, de <span class= -"ex">voortplanting</span> der indrukken van buiten naar binnen en -omgekeerd heeft opgehouden. <span class="ex"><i>Slechts onze vijf -zinnen maken het ons mogelijk ons in betrekking te stellen met de -buitenwereld en doen ons onze gewaarwordingen uitdrukken door -gebaarmaking, door spreken en handelen.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">6.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Maar de slapende kan <span class="ex">droomen, in -den droom denken</span>, ja, zich op de levendigste en duidelijkste -wijze voorstellen datgene, of wel iets daarmede overeenkomende, hetwelk -hij vroeger in wakenden toestand heeft gedacht of zich voorgesteld. -Hieruit volgt, dat de leiddraden gewoonlijk, wel is waar, den indruk -van buiten, den prikkel overplanten, waardoor de inwendige knoop der -gedachten ontvlamt, maar dat er echter in ’s menschen binnenste -<span class="ex">iets aanwezig moet zijn, hetwelk ontstoken kan -worden</span> en dat, zelfs wanneer de voortplanting der indrukken van -buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te bestaan, denkbeelden zich -in ons binnenste kunnen ontwikkelen. <span class="ex"><i>Het -denkvermogen kan geene eigenschap zijn noch der vijf zintuigen, -noch van hunne gemeenschappelijke werking, maar moet <span class= -"pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>tot -eene bijzondere, zelfstandige kracht behooren, die</i> werkzaam -<i>wordt, zoodra die prikkel zijnen invloed er op -uitoefent.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">7.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop -dier vijf draden vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling -te verbinden, te vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer -van verschijnselen waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats -grijpt, daaruit af; wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel -afhangt van het andere en leeren de werking van de oorzaak -onderscheiden; wij onderzoeken den bouw van ons eigen ligchaam en de -krachten, welke het leven er van voortbrengen; wij streven er naar om -al hetgeen wij waarnemen, te begrijpen;—wij bepeinzen dit -alles,—lossen de moeijelijkste vragen op, berekenen en geven -honderde jaren vooruit het tijdstip op, waarop natuurverschijnselen -zullen plaats hebben, ja, wij trachten het wezen te doorgronden van -datzelfde innerlijke denkvermogen, dat ons in staat stelt tot al de -opgenoemde overwegingen; wij hebben het duidelijke bewustzijn van deze -kracht, zoo als van ons gansche aanwezen;—en al zien wij ook, dat -deze kracht aan aardsch, vergankelijk (spoedig wederom tot zijne -elementen terugkeerend) stof, de hersenen, is verbonden, wij -<span class="ex">bezitten</span> niet te min deze met verstand -begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar <span class= -"ex">geest</span> of <span class="ex">ziel</span>.</p> -<p class="par">In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus, -sluimert deze kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan -begint te <span class="ex">uiten</span>, wanneer de ligchamelijke -<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name= -"pb130">130</a>]</span>organen en zintuigen een hoogeren graad van -ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan de -stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht te -uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het <span class= -"ex">aanwezen</span> dier kracht van den oogenblik af dat aan de -voorwaarden, vereischt tot het doen ontstaan van een nieuw individu, -voldaan is, mag evenmin worden betwijfeld als het geloochend kan -worden, dat de slapende, die daar voor ons ligt, denkvermogen bezit, al -is het dat hij gedurende den slapenden toestand niet het geringste -bewijs er van geeft.</p> -<p class="par">Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder -op. Daaruit volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het -stoffelijke ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij -kunnen niet meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de -eenvoudige reden, dat wij <span class="ex">niets anders</span> kunnen -waarnemen, dan hetgeen op onze vijf zinnen werkt. Een geestelijk wezen, -of eene verrigting des geestes daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld, -eene gedachte, welke bij een <span class="ex">ander</span> mensch -opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts, des gevoels, noch -onder dat van het gehoor, van den smaak en van het reukzintuig, -uithoofde zulks onligchamelijk is.—En al brengen algemeen in de -natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge van hare -vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende -omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke -stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden, -waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke in -het doode ligchaam zeer spoedig weder uitéén gaan, zoo -kunnen echter deze chemische en physische krachten de levenskracht -zelve niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht, -die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam -<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= -"pb131">131</a>]</span>bijeen te blijven en vereenigd te werken. -<span class="ex"><i>Wij gelooven derhalve aan eene -onvergankelijke kracht, die, als een met rede begaafde geest, als -ziel in ons leeft.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">8.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Door ons verstand weten wij al het overige tot ons -doel te gebruiken, en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze -heerschappij onderworpen.—Wij hebben ons echter niet zelf -geschapen; eene geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee -verschillende polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende -oorzaak tot ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij -namen toe in grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons -bezielt, verkreeg eene steeds grooter wordende volkomenheid van -uitingsvermogen;—maar weldra zullen wij weder terugzinken in het -stof, waaruit wij zijn voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans -levend ligchaam zal in zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na -eenige tientallen van jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van -ter plaatse zal zijn verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij -zullen in aarde, water en lucht verspreid worden; andere planten en -dieren zullen uit het stof ontstaan, dat thans de deelen van ons -ligchaam uitmaakt en—tot dit alles zullen wij niet in het -geringste hebben bijgedragen! Wij waren de oorzaak van ons worden niet, -wij kunnen ons vergaan niet eene enkele seconde tegenhouden; wij -gevoelen ons geheel <span class="ex">afhankelijk</span> van eene -allergeduchtste kracht, die buiten ons is—en toch zijn wij van -ons zelven <span class="ex">bewust</span>, eene redelijke ziel leeft en -denkt in ons: er moet derhalve eene <span class="ex">nog</span> hoogere -redelijke ziel zijn dan de onze, welke de oorzaak is van ons aanwezen, -<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name= -"pb132">132</a>]</span>zoo mede van dat der gansche schepping. -<span class="ex"><i>Wij gelooven aan een onzigtbaren, grooten en -redelijken geest in de natuur en noemen dien God.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">9.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Al hetgeen in de natuur aanwezig is, staat met -elkander in het innigste harmonische verband. Hoe naauwkeuriger wij de -verschijnselen onderzoeken, des te eenvoudiger worden zij en laten zij -zich tot een steeds geringer wordend tal van krachten terugbrengen, -die, gelijk de electrieke en magnetische kracht, ja, misschien het -licht en de warmte daar onder begrepen, insgelijks weder zamenloopen in -<span class="ex">eene</span> eeuwige, alom verbreide kracht.—In -het uitspansel draaijen kleinere om grootere wereldbollen en deze -grooteren om nog grooteren, maar ook deze grootsten kan men zich niet -voorstellen als stil of in rust staande; ook zij moeten zich wederom -draaijen om nog grootere bollen, - - - er moet <span class= -"ex">een</span> allereerst of allerlaatst middelpunt zijn, waarom alles -zich wentelt en zich beweegt.—De opgaande zon doet dagelijks -duizenden van werkingen ontstaan in het luchtruim, op de oppervlakte -der aarde, in het dieren- en plantenrijk, welke toch allen gezamenlijk -slechts kinderen zijn van <span class="ex">een eenige</span> oorzaak: -der op de aarde vallende lichtstraal.—Alle planten en dieren zijn -geschapen naar <span class="ex">eene</span> gelijkvormige type, naar -een plan, dat de gansche schepping door is gevolgd. Ja, door alle -tijdperken der aardvorming, door alle op elkander gevolgde, -onderscheidene formatiën kan men, in de fossile fauna’s, en -flora’s, aanvangende met het overgangsgebergte en voortgaande tot -aan de hedendaagsche schepping, dezelfde harmonische wet naspeuren. Een -alles omvattend <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" -name="pb133">133</a>]</span>plan van ontwikkeling is zigtbaar in al de -onderscheidene plant- en diervormingen, waarvan de eene uit de andere -is voortgesproten, totdat de mensch, het toppunt van al het -bewerktuigde, in wiens ligchaam al die honderd duizend andere of -vroegere uitgaven van die type tot een meer volkomen geheel zijn -vereenigd, bezield met een vonkje van het goddelijke licht, op het -tooneel trad.—De overeenkomst in geestelijken aanleg van alle -menschen, de overeenstemming, welke wordt opgemerkt in de eigenschappen -huns gemoeds, zij wijzen ons op <span class="ex">eene</span> oorzaak. -<span class="ex"><i>Er bestaat slechts Eene grondoorzaak van alle -dingen, slechts Een ondeelbare God.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">10.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Dewijl God de grondoorzaak van al het bestaande -is, de maker der oneindige schepping,—dewijl hij eenig is, kan -zonder hem niets ontstaan, kan zonder hem niets zijn, niets worden. -<span class="ex"><i>God is almagtig.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">11.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer -zintuigen waarnemen, dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke -inrigting, dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier -duur onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij -het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij -millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds -voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en -<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name= -"pb134">134</a>]</span>zonder iets te ontdekken, dat grond geeft om te -zeggen: <span class="ex">hier</span> staan wij aan den aanvang der -dingen.—In de hemelsche spheren bewegen zich, naar -onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om -planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van -kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop -1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt -rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan -kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten -draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze -aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende -punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels -volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte van -andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige seconden -in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten gevorderd -worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om hare -centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat zij in -het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet millioenen -malen af te leggen?—Waar ons ongewapend oog aan den hemel niets -meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van -telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog, -met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te -zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen, nog -verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke zich op -zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het licht, -hetwelk van de <span class="measure" title="143 millioen km">20 -millioen mijlen</span> van ons verwijderde zon toch binnen den tijd van -8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van jaren noodig heeft om van -daar onze aarde te bereiken. Wij zouden, <span class="pagenum">[<a id= -"pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span>deze verwijderde -hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien, indien zij niet reeds -voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren geweest.—Even -grenzenloos als ons de <span class="ex">uitgestrektheid</span> der -ruimte aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks -de <span class="ex">verdeelbaarheid</span> van de ruimte vullende stof -in kleinere deelen voor, die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen -om—zelfs met de sterkste vergrootingswerktuigen—de -kleinste, de oorspronkelijke deeltjes, de atomen waar te nemen. Indien -wij in de schepping noch aanvang, noch grenzen kunnen ontdekken, geen -einde daarvan kunnen bedenken, <span class="ex"><i>moet hij, die de -schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder aanvang, zonder -einde—oneindig, eeuwig, onvergankelijk -zijn.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">12.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Maar een geest, die eenig, almagtig, zonder begin -en einde, dat wil zeggen, eeuwig is, de maker van al dat aanzijn heeft, -moet ook alom tegenwoordig zijn en voor hem kan niets verborgen wezen. -<span class="ex"><i>God is alom tegenwoordig en -alwetend.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">13.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur -voor de instandhouding zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens, -als van de soorten (waartoe deze behooren), is de bewondering, welke -ons vervult, niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons -inboezemde,—de band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het -een van het andere afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in -betrekking <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name= -"pb136">136</a>]</span>stelt. Wij weten niet wat meer onze verbazing -moet wekken, de eenvoudigheid der middelen, waardoor de menigvuldigste -gevolgen te weeg gebragt worden, of de <span class= -"ex">doelmatigheid</span> van alle inrigtingen, die wij ontwaren, en -die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel -hebben.—Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk -wezen, elke soort is <span class="ex">zoodanig</span> ingerigt en -zoowel met de andere organen, afzonderlijke wezens en soorten, als met -alle andere deelen van het geschapene in verband gebragt, dat het doel, -dat is, de instandhouding der soort door levensgenot van elk -afzonderlijk wezen, volkomen wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid, -welke de ontleedkundige en physioloog bewondert bij de beschouwing van -den inwendigen bouw van het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede -van de wederkeerig op elkander invloed uitoefenende verrigtingen der -verschillende organen, diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige -in de hemelsche spheren; ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om -de wet der doelmatigheid in de schepping aan te toonen, zijn even -talloos als de dingen in de natuur, even onuitputtelijk als de natuur -zelve, want elk plantje, elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en -elk deel, elk orgaan des menschen levert daartoe de menigvuldigste -bewijzen. Ten einde de waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij -slechts een paar voorbeelden aanhalen uit de vele duizenden, die -daarvan voorhanden zijn.</p> -<p class="par">In het <span class="corr" id="xd21e2773" title= -"Bron: plantenstelsel">planetenstelsel</span> bewegen zich de vaste -(digte) hemelligchamen, de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en -op zoodanige afstanden van elkander om de zon, en in de ligging harer -banen wordt zoo groote overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin -zij zich elk afzonderlijk bewegen, helt niet te zeer naar dat van -anderen), dat eene botsing dier ligchamen onderling niet mogelijk -is.—De <span class="ex">kometen</span> <span class= -"pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= -"pb137">137</a>]</span>echter bewegen zich in zoodanig in de lengte -uitgestrekte parabolische ellipsen, zij doorkruisen het planetenstelsel -in zoo vele verschillende, ja, in alle mogelijke rigtingen, dat zij de -planetenbanen doorsnijden kunnen, of gelijk het geval was met de -Bilasche komeet ten opzigte van den loopbaan der aarde, die zeer nabij -kunnen komen. Dewijl nu het aantal kometen zoo groot is, dat nog -voortdurend nieuwen zigtbaar worden, die men vroeger nimmer had gezien, -zoo behoort eene botsing eener komeet met de aarde of met eene andere -planeet niet tot de onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone -grootte.—Welk eene vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien -eene dergelijke botsing plaats greep! welke de vernieling van een der -beide, welligt van beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou -hebben,—namelijk, <span class="ex">indien</span> de komeet een -digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar daarvoor is zorg -gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte, besloten tusschen -de zon en de banen der om de zon draaijende planeten, in zoo vele -verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing met een -derzelven plaats hebben <span class="ex">kan</span>, zijn de minst -gevaarlijken van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan, -verzwakt en breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster, -is nog dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den -staart of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in -het minst te kunnen bespeuren.—Nog duidelijker bewijs voor de wet -der doelmatigheid zien wij in <span class="ex">die</span> inrigting van -het planetenstelsel, welke de massa der hemelligchamen in verhouding -tot hunne afstanden en den tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare -storingen (perturbatien), dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten -gevolge der wederkeerige aantrekking, van de ware elliptische loopbaan -maken, zich <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= -"pb138">138</a>]</span>van zelf weder moeten herstellen. Dit is -gebleken uit de onderzoekingen van Laplace, die de analyse van het -oneindige (waarvan Newton en Leibnitz het eerst de regelen hebben -vastgesteld) toepaste op de storingen der beide planeten, die het -grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter en Saturnus. Deze, op zich -zelf beschouwd, geringe storingen, nemen in den loop der eeuwen -<span class="ex">steeds</span> toe en zouden eindelijk, indien zij, -gelijk Newton geloofde, <span class="ex">voortdurend</span> grooter -werden, op eene onfeilbare wijze de vernietiging der genoemde -hemelligchamen, ja, van het gansche planetenstelsel ten gevolge hebben, -of wel „de scheppende almagt moest door buitengewone maatregelen -de begane fout verbeteren.” Later echter bleek het uit de -analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den aanvang af zoodanig -had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde te worden en dat die -storingen (de veranderingen der groote assen, derhalve de gemiddelde -afstand dier planeten van de zon) niets anders zijn dan slingeringen -binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal der seculaire -veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat het -instandblijven dezer hemelligchamen voor <span class="ex">eeuwig</span> -verzekerd schijnt.</p> -<p class="par">De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke -ligchaam in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze -hoogste bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst -zich, aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de -spaakbeen- en ellepijpslagader (a. radialis & ulnaris). Zij ligt -zeer oppervlakkig en kan—ook bij aderlatingen—ligtelijk -gekwetst worden. Ver boven het punt van verdeeling zet zij echter -dieper liggende neventakken af, die zich met <span class= -"ex">terugloopende</span> vertakkingen van de spaakbeen- en -ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel loopt niet -terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing van den hoofdtak, -der brachialslagader, <span class="pagenum">[<a id="pb139" href= -"#pb139" name="pb139">139</a>]</span>plaats of ontstaat er een -slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam -gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting te -verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het -helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche -benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer -moeten versterven,—nu echter heeft er eene langzame verwijding -dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en -ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve -den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven.</p> -<p class="par">Deze bewonderenswaardige <span class= -"ex">doelmatigheid</span>, die wij in de gansche schepping, zoowel in -het groote geheel als in elk afzonderlijk deel er van ontwaren, getuigt -van een goed geordend, diep doordacht plan; zij bewijst, dat het -verstand van het wezen, hetwelk deze schepping in het aanzijn riep, den -hoogst mogelijken graad van volkomenheid heeft bereikt, zij bevestigt -de <span class="ex"><i>Alwijsheid Gods.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">14.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen -onderzoekenden blik in de overige ruimte der schepping werpen, dan -ontwaren wij, dat alle levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het -aanzijn hun genoegen, geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank -nuttigen, waarvan de instandhouding van het menschelijk leven afhangt, -dan <span class="ex">genieten</span> wij. Aan elke andere natuurlijke -verrigting onzes ligchaams is het behagelijke gevoel van <span class= -"ex">genot</span> verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in -deze wet, maar het <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" -name="pb140">140</a>]</span>tal dergenen, dat gezond is, ’t welk -geniet, is oneindig grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het -herstel der gezondheid, het ophouden der ellende is een nieuw genot. -Het kontrast toch, dat tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel -bestaat, <span class="ex">verhoogt</span> het genot van het -laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen dikwijls meer dan de -rijken, die in overvloed leven.—Wanneer wij, door inspanning -uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van een koel bad -verfrisschen of met een koelen drank laven, dan <span class= -"ex">genieten</span> wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze -legerstede nederleggen, dan <span class="ex">genieten</span> wij, -terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij gesterkt weder -ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen ons tegenlacht, -dan <span class="ex">genieten</span> wij. Elk dier, ja, zelfs het -kleinste wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging, -verheugt zich in zijn aanwezen, het <span class="ex">geniet</span>. De -kikvorsch, die gedurende een warmen zomeravond in het water kwaakt, -<span class="ex">geniet</span><span class="corr" id="xd21e2849" title= -"Bron: ,">;</span> de nachtegaal ondervindt <span class= -"ex">genot</span>, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en -zingt, en gij, die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den -zilverklank zijner stem en <span class="ex">geniet</span>. De vogel, -die zijne jongen voedert, het hondje, dat zijne kleinen zoogt, -<span class="ex">geniet</span> en de moeder, die haren jeugdigen -lieveling toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste -<span class="ex">genot</span>.</p> -<p class="par">God schonk den mensch de heerschappij over al het -gedierte en gaf aan zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de -aanblik insgelijks <span class="ex">genot</span> verschaft. Ter -voortplanting der soort koos Hij de scheiding des geslachts en verbond -aan de zinnelijke drift, welker bevrediging aan het dier slechts eene -aangename gewaarwording verschaft, in den mensch den band der -vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk hij aan de stervelingen het -edelste <span class="ex">genot</span>: de liefde. <span class= -"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>Wij -kunnen den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden -over de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en -wouden, zonder te <span class="ex">genieten</span>, ja, wij weten niet -aan welke der vele duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het -woud en op het veld aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen -vinden wij ze schoon, het aanschouwen er van geeft ons <span class= -"ex">genot</span>. Veel zeldzamer komt ons iets onder de oogen, hetwelk -wij leelijk vinden of dat ons afschuw inboezemt. De overgroote -meerderheid der dingen in de natuur is in harmonie met ons -schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig heeft ingerigt, dat het -beschouwen der natuur ons <span class="ex">genot</span> verschaft.</p> -<p class="par">En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de -vreugde, welke de beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de -goddelijke vonk, die in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn -verstandsvermogen aankweekt en oefent;—de dichter verheugt zich, -wanneer het hem mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te -ontlokken, die, het schoone en ware bezingende, duizende harten -roeren;—de sterrekundige gevoelt, dat de triomf der wetenschap -zijn boezem doorgloeit, wanneer de komeet wordt gezien, welker -verschijning vooraf door hem is aangekondigd of de planeet ontdekt -wordt, waarvan hij door berekening de standplaats aan het hemelgewelf -heeft aangewezen;—de geoloog, die licht verspreidt over de -donkerste ruimten der aarde, ja, die het gansche ontwikkelingsverhaal -des aardbols in het binnenste der gebergten leest,—gelijk mede de -scheikundige, die een ligchaam in zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk -vroeger steeds als enkelvoudig werd beschouwd, of die aantoont, dat -twee ligchamen op gelijke wijze zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk -zeer verschillend van elkander zijn, zij ondervinden <span class= -"ex">genot</span>, even als de physicus, die de identiteit der -<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= -"pb142">142</a>]</span>electrieke en magnetische kracht het eerst door -proefnemingen aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf -zweven en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan -zonnen verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van -deze aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,—want -<span class="ex">die</span> mensch, die goed en regtvaardig was, draagt -het bewustzijn met zich zijnen pligt te hebben vervuld en geeft zich op -zijn sterfbed vol vertrouwen over aan den eeuwigen bestuurder der -natuur, want van Hem toch alleen kan het licht, dat zijn aardsch -omkleedsel zoo lang bezielde en het nu dreigt te verlaten, herkomstig -wezen,—het ligchamelijk gevoel wordt bij het sterven meer -verstompt, alle smarten verminderen, maar des te levendiger ontwaakt de -zielehoop in zijn binnenste, en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur -nog tot <span class="ex">genot</span>.</p> -<p class="par">Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat -alle levende wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot -genot, zoowel ligchamelijk als geestelijk genot. <span class= -"ex"><i>God is goed; uit alle deelen der schepping, boven en beneden -ons, van verre en van nabij, straalt ons de goddelijke liefde -te gemoet.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">15.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen, -kan men van een alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk -aannemen. Wij, beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen, -terwijl wij daardoor tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen. -Schijnt het nu, dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is -in het leven der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven, -dat zulks <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name= -"pb143">143</a>]</span>met <span class="ex">enkelen</span> of -<span class="ex">tijdelijk</span> het geval was of <span class= -"ex">ons slechts zoodanig toescheen</span>, dat zulks echter in het -algemeen en op eene uitgebreide schaal niet zijn kan en dat het ons in -enkele gevallen alléén om die reden zoo toescheen, dewijl -wij de <span class="ex">wet</span>, waarnaar de -ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zich regelt, nog niet konden -doorgronden. In de schepping echter erlangt het eene door het andere -zijne volkomenheid, en alle deelen van het groote heelal staan -wederkeerig tot elkander in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed, -regtschapen mensch, na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te -hebben, van deze wereld scheidt met het bewustzijn het <span class= -"ex">goede</span> te hebben gewild, met een onwankelbaar vertrouwen op -zich zelven en met het vaste geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam -van den aanvang bezielde, slechts een straal van het eeuwige licht -is,—hoe durven wij ons dan vermeten om te zeggen, dat God eene -onregtvaardigheid jegens dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten, -waartoe hij uitverkoren was? Wij zijn slechts schakels eener keten en -een ieder van ons heeft zijne roeping!—En zien wij niet in de -meeste gevallen, dat de goede beloond, de booze gestraft wordt door -’s menschen hand? Draagt de heimelijke booswicht zijne straf niet -in zijn boezem met zich? foltert hem niet de geheimzinnige innerlijke -stem, die hij nimmer geheel het zwijgen kan opleggen, <span class= -"ex">het geweten</span>, dat vroeger of later ontwaakt, ja, hem -menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde misdaden -brengt?—Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast: dat, -dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt, -<span class="ex"><i>God ook regtvaardig is.</i></span> <span class= -"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">16.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt -te zijn.<a class="noteref" id="xd21e2941src" href="#xd21e2941" name= -"xd21e2941src">1</a> De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens -opgaat; zij <span class="ex">verspreidt</span> licht en warmte, gelijk -zij voormaals deed. De spijs, die wij nuttigen <span class= -"ex">verkwikt</span> ons, de koele drank <span class="ex">laaft</span> -ons, gelijk wij zulks verwachten.—Alle verschijnselen in de -natuur keeren regelmatig weder en de bewegingen der hemelligchamen -herhalen zich met nimmer falende zekerheid. De maan draait zoo -regelmatig om de aarde, de aarde om de zon, dat wij de standplaats -dezer drie hemelligchamen, zoo mede van alle andere planeten en -trawanten ten opzigte van elkander, voor elken dag, ja, voor elken -oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen en opgeven kunnen. -De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere verschijnselen -wordt door ons <span class="ex">natuurwet</span> geheeten en de -ervaring heeft ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter -gezegd, <span class="ex">sedert menschen aanwezig waren om de natuur -waar te nemen</span>, geen enkele dezer wetten ons bedrogen,—dat -geen wereldligchaam ooit in het geringste van zijne baan afweek en -geene enkele minuut vroeger of later kwam, dan de wet eischte.<a class= -"noteref" id="xd21e2960src" href="#xd21e2960" name="xd21e2960src">2</a> -Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard, geen insektje zijn -instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit te botten en doet elk -jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede zij velden en beemden -reeds vóór eeuwen sierde.—De zee rijst bij het -<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name= -"pb145">145</a>]</span>vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt -zoo onveranderlijk getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de -aantrekkingskracht der maan), dat voor elke plek des aardbols het uur, -waarop dit verschijnsel zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met -naauwkeurigheid kan berekend worden.—Geen ligchaam daalde ooit -uit de lucht naar de aarde, dat ligter was dan de hoeveelheid van deze -lucht, welke het verplaatst, en geen ligchaam, ’t welk zwaarder -was dan zij, rees ooit opwaarts in de lucht; nog nimmer bevroor het -water bij eenen geringeren graad van koude dan die van nul graad -Réaumur; nimmer verloor de kleiaarde de eigenschap om zich met -zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen; ligtelijk wordt goud -opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur; ten allen tijde -smolt keukenzout in water,—maar nimmer heeft iemand gezien, dat -goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie verbond. -Godgeleerden hebben, wel is waar, aan „wonderen” van deze -en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de -geringste afwijking van eene natuurwet <span class= -"ex">waargenomen</span>.—Dezelfde fouten en gebreken, die den -mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn nog heden zijn -erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat <span class= -"ex">onze</span> blikken hemelwaarts trekt en ons <span class= -"ex">heden</span> aanspoort de hoedanigheden van den Schepper des -heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons en ons -maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel bezielde -den mensch op gelijke wijze reeds vóór anderhalf duizend -jaren.—Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den -hemel en op aarde alles wat daar is,—in het water, in de lucht, -in het planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,—bestaat en -zich beweegt naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste -afwijking toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug. -<span class="ex"><i>God is <span class="pagenum">[<a id="pb146" href= -"#pb146" name="pb146">146</a>]</span>eeuwiglijk dezelfde, -onveranderlijk getrouw en waarachtig.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">17.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Men moet zich God niet voorstellen als eene -kracht, welke van de natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in -tegendeel als eene kracht <i>in</i> haar aanwezig, als de algemeene -geest in de natuur—als de wereldgeest. Op het eerste gezigt zal -het velen kunnen toeschijnen, dat deze geestelijke kracht <span class= -"ex">uitsluitend</span> in ’s menschen verbeelding bestaat, eene -bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn—dat zij niets -anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich heeft -gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in de -natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen -verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog -onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. „Deze oorzaak -echter ligt,” naar het beweren der atheisten, „<span class= -"ex">in de natuur zelve</span> en onze God is niets anders dan het -abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in onzen geest.” Naar -deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even zeer een deel zijn der -Godheid als de trouwe hond, die ons op onze wandeling vergezelt, of als -de woeste, bloeddorstige wolf, die ons dreigt te verslinden,—even -zeer als de koe, die in gindsche weide graast, of als de bliksem, die -uit de wolken te voorschijn komt, of de planeet, die, door eene -onzigtbare hand gedreven, rondom de zon draait.—Met andere -woorden: „de natuur heeft hare oorzaak in zich zelve en er -bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke daaraan -onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot verschillende -onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt.” -<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= -"pb147">147</a>]</span></p> -<p class="par">Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het -verstand, dat zegt: „ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter -niet geschapen, er moet derhalve <span class="ex">een nog hooger -verstand</span>, eene <span class="ex">nog hoogere, denkende -kracht</span> zijn dan ik”—er wordt buitendien nog een -<span class="ex">regtstreeksch</span> bewijs gevonden voor het bestaan -van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene oorspronkelijke -kracht, welke zich aan ons op eene <span class= -"ex">regtstreeksche</span> wijze te kennen geeft.</p> -<p class="par">Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht -zullen wij nu pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden -Gods hebben opgenoemd, welke wij door <span class= -"ex">gevolgtrekking</span> uit de verschijnselen in de natuur -afleiden.—Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als -eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan -al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken, -ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs -alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer -wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld -ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van <span class="ex">ruimte</span> -eene voorwaarde om het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te -maken, maar welke de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam, -noch geest voorstellen zonder deze kracht.—Deze kracht is met den -bliksem, welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het -graf, zij kruipt vóór den worm op den bodem heen, zij -ijlt den klank vooruit, ja, zij is sneller dan het licht en moge de -lichtstraal, die van de zon uitgaat, <span class="measure" title= -"300.594 km">42000 mijlen</span> in ééne seconde -doorloopen om, zoo snel mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken, -deze kracht echter is nog acht minuten voor hem aldaar.—Ofschoon -deze magtigste van alle krachten zuiver geestelijk, ja, -onligchamelijker is dan eene gedachte, wij zien niettemin <span class= -"pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name= -"pb148">148</a>]</span>elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is; -zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde -stil. Hoort gij de klok slaan?—Een,—twee. Tusschen beide -slagen verliep <i>tijd</i>;—elke slag vordert <span class= -"ex">tijd</span> en de vlugtigste gedachte, die bij ons opkomt, -doet nog <span class="ex">tijd</span> verloopen. Niets kan buiten -den <span class="ex">tijd</span> treden en niemand kan zich zelfs -het geringste gedeelte van een oogenblik aan den invloed des tijds -onttrekken.—De <i>tijd</i> brengt alle krachten eerst aan het -werken en stuwt alles, dat bestaat, onwederstaanbaar voort. Men kan -zich hem niet anders voorstellen, dan voortijlend; hij beleeft en -overleeft alles.</p> -<p class="par">De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de -zigtbare schepping mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is -het mogelijk, dat nog iets anders dan God bestaat. <span class="ex">De -tijd is de overgang Gods in de wereld.</span></p> -<p class="par">Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich -voorstellen, dat God rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld -heeft geschapen, dewijl hij, gelijk zij beweren, „de -natuurkrachten en wetten in zijne plaats laat -regeren”;—deze krachten en wetten toch zijn <span class= -"ex">geschapen</span>, zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet -kunnen blijven bestaan, indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet -aanwezig ware, waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in -de natuur, welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden, -onophoudelijk voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en -werkzaamheid op te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil. -<span class="ex"><i>God rust nimmer. God is voortdurend -werkzaam.</i></span></p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de -<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name= -"pb149">149</a>]</span>leer der kennis van God geput uit de natuur. Het -volgende is de kennis van God toegepast op het menschelijk leven of de -zedeleer, waarvan hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in -algemeene korte bewoordingen medegedeeld kunnen worden.</p> -<p class="par">Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in -den hemel, noch op de aarde.</p> -<p class="par">Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts <i>eene</i> -waarheid,—slechts <span class="ex">eene</span> ware godsdienst en -zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen, dan die uit de natuur en -hare verschijnselen—de voortdurende openbaring Gods,—is -afgeleid. Hierop berust het evangelie van den regtzinnig geloovigen -mensch.</p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">18.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Door de beschouwing van ons zelven en van de -schepping, die ons omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene -denkende, met rede begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons -ligchaam woont, in staat om de taal der schepping te verstaan. De -schepping sprak tot ons door middel onzer vijf zinnen, als door den -mond van even zoo vele tolken; zij gaf ons te kennen, dat wij slechts -een klein, van alle zijden afhankelijk lid in de groote, oneindige -schepping zijn en dat de Maker dezer schepping één -almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend, alwijs, goed, -regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend werkzaam God -is.—Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch een einde zal -hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de <span class= -"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name= -"pb150">150</a>]</span>natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een -flaauw afschijnsel, als het ware een twijgje van den boom des levens, -een straal van het algemeene, groote, geestelijke licht -is.—Kunnen wij nu het eigenlijke wezen dezer goddelijke kracht, -die wij ons onligchamelijk, als geest moeten voorstellen, niet -begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat onze menschelijke geest met -den goddelijken geest verwant moet zijn, dewijl wij overigens in de -gansche schepping niets vinden, waarmede wij onze redelijke ziel zouden -kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur staat derhalve in -betrekking tot God, is met hem verwant en <span class="ex"><i>het -streven van geheel ons leven moet daarheen zijn gerigt om op Hem te -gelijken.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">19.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Hij echter is <span class="ex">almagtig</span>; -dat kunnen wij niet zijn, want wij zijn slechts eene kleine schakel in -de groote keten der schepping, die hij aaneenverbindt. Hij is -<span class="ex">eeuwig</span> en ons leven omvat eene zoo korte, ons -vooraf zelfs geheel onbekende handbreedte tijds. Hij is <span class= -"ex">alomtegenwoordig</span> en wij zijn slechts op eene enkele plek te -gelijk aanwezig en hebben maanden tijds noodig om slechts een vierde -gedeelte van den omvang dezer kleine aarde te doorreizen. Hij is -<span class="ex">alwetend</span> en wij weten slechts hetgeen wij door -middel onzer vijf zinnen ervaren en in ons geheugen ingeprent hebben; -hetgeen nevens ons voorvalt op eene plaats, die door een enkelen wand -van ons is gescheiden, kunnen wij niet weten; den dag van gisteren -kenden wij eergisteren niet; de dag van morgen is voor ons een geheim -en hetgeen ons de dag van overmorgen baren zal, blijft ons heden en -morgen nog onbekend.—Maar God is mede <span class= -"ex">alwijs</span>, <span class="ex">algoed</span>, <span class= -"ex">regtvaardig</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb151" href= -"#pb151" name="pb151">151</a>]</span><span class= -"ex">onveranderlijk waarachtig</span> en <span class= -"ex">voortdurend werkzaam</span> en deze vijf hoedanigheden zijn het, -die ons den weg aanwijzen, dien wij behooren te bewandelen. Vijf -woorden vatten den inhoud zamen der zedeleer, die wij behooren te -volgen. <span class="ex"><i>Wij moeten er naar streven om wijs, -goed, regtvaardig, getrouw en waarachtig en werkzaam te -zijn.</i></span></p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">20.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>God is alwijs: <span class="ex">Wij moeten er -naar streven om wijs te zijn</span>.</i></p> -<p class="par">Bij dit streven moeten wij vier algemeene -grondstellingen tot rigtsnoer nemen.—1<sup>o</sup>. Wij moeten -ons gewennen, over al hetgeen wij waarnemen, <span class="ex">zelf na -te denken</span> en dit te onderzoeken.—2<sup>o</sup>. Wij moeten -niets zeggen, niets bedrijven, zonder vooraf de <span class= -"ex">gevolgen</span> van hetgeen wij zeggen of doen zullen, naauwkeurig -te hebben overwogen.—3<sup>o</sup>. Wij moeten elke zaak van hare -<span class="ex">beide zijden beschouwen</span>. Wordt, b. v., iets -goeds van iemand verhaald, wordt een geschrift als een voortreffelijk -werk geprezen, dan behooren wij ons te verheugen, dewijl wij iets goeds -hebben vernomen, zonder het daarom <span class= -"ex">onvoorwaardelijk</span> te gelooven; wij behooren het eerst -dan als waar aan te nemen, wanneer de persoon of het boek ons een -genoegzaam belang inboezemde, zoodat wij ons geneigd gevoelden door -eigen onderzoek ons van de waarheid van het gezegde te overtuigen. -Wordt echter iets kwaads van iemand verhaald, of wordt een geschrift -als slecht en verderfelijk veroordeeld, dan moeten wij zulks -<span class="ex">niet</span> gelooven, wij moeten eerst de verdediging -van den beschuldigden persoon hooren, wij moeten het geschrift eerst -lezen en <span class="ex">dan</span> besluiten.—4<sup>o</sup>. -Wij moeten alle onvoorwaardelijk of <span class="ex">blind <span class= -"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= -"pb152">152</a>]</span>geloof verwerpen</span>, als zijnde zulks den -redelijken mensch onwaardig. Wij moeten geene voorschriften en -leerstellingen, onverschillig of zij gezegd worden te moeten doorgaan -als goddelijke openbaring of niet, aannemen en opvolgen, indien zij -niet vooraf, onder het voorzitterschap van het gezond verstand, zijn -onderworpen geworden aan de vuurproef der natuurwet; komen zij ons, -<i>na</i> dit onderzoek, redelijk, dat wil zeggen, begrijpelijk voor en -in overeenstemming met de wetten der natuur, eerst dan moeten wij er -geloof aan hechten, ze als waar aannemen en opvolgen.—Die deze -vier grondregelen niet tot rigtsnoer zijner handelingen neemt, zal zijn -gansche leven door een dwaas blijven, die aan den leiband zal loopen -van ieder, die meer verstand heeft of sluwer is dan hij.</p> -<p class="par">Niet alle menschen bereiken een gelijken graad van -volkomenheid, wat betreft hunne ligchamelijke en geestelijke -ontwikkeling. Terwijl vele menschen dom voortleven en sterven, verheft -zich bij anderen de kennis van het ware en schoone tot geestdrift; -terwijl eenige menschen den tijd in eene logge rust doorbrengen, -gevoelen anderen zich voortdurend aangespoord tot werkzaamheid; terwijl -velen de uitgebreidste kennis, die zij bezitten, zelfs bij de beste -bedoelingen, welke hen bezielen, niet kunnen mededeelen, hebben anderen -de gaaf verkregen hetgeen zij weten zoodanig in te kleeden en voor te -dragen, dat het snel den weg naar het hart der menschen vindt. De -mededeelingen, door dergelijke begaafde personen gedaan, hetzij deze -mondeling of in geschrifte geschieden, moeten wij in eere -houden—<span class="ex">onderzoeken</span> en—indien zij -blijken proefhoudend te zijn, als waarheid aannemen en opvolgen.</p> -<p class="par">Gij begaafden echter, die vermeent waarheden te hebben -ontdekt, welke andere menschen niet algemeen genoeg kennen; zoo mede -gij die door meerdere ervaring of door eene <span class= -"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name= -"pb153">153</a>]</span>betere opvoeding meer kennis hebt vergaderd dan -andere menschen, gij zijt <span class="ex">verpligt</span> van het uwe -aan anderen mede te deelen. Dit is eene zedelijke wet, welke Jezus van -Nazareth reeds voor meer dan 1800 jaren voor waar erkende en leerde, -toen hij sprak: „Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat -zij uwe goede werken zien en uwen vader, die in de hemelen is, -verheerlijken.”</p> -<p class="par">De redelijke geest, welke de mensch bezit, verheft hem -boven alle dieren, doet hem op God gelijken. Nevens de zorg, welke wij -voor ons ligchaam behooren te dragen, moeten wij derhalve er naar -streven om onzen geest met kennis te verrijken en trachten om -wetenschappelijke ontwikkeling onder alle standen der maatschappij te -bevorderen. Wij behooren zorg te dragen, dat die wetenschappen, welke -ons tot zekere (positive) kennis brengen, de natuurwetenschappen, na -voorafgaande beoefening der taal- en wiskunde, benevens de geschiedenis -der menschheid, bij <span class="ex">voorkeur</span> in alle scholen -worden onderwezen en dat elke burger van den staat door de uit zijne -godsdienst afgeleide wet verpligt zij, zich bekend te maken met den -hoofdinhoud van de verschillende takken der natuurwetenschappen, opdat -hij in de inrigting van het zonnestelsel even zeer als in de organen -van het menschelijk ligchaam, gelijk mede in het planten- en dierenrijk -de <span class="ex">doelmatigheid</span> van alle gemaakte inrigtingen -leere bewonderen en daaruit <span class="ex">de wijsheid en -goedheid des Scheppers in zijne werken</span> leere kennen. De -eigenlijke natuuronderzoekers echter—de mineraloog, botanicus, -zoöloog, de ontleedkundige, physioloog, geoloog, scheikundige, -physicus, meteoroloog en de sterrekundige—zouden het niet beneden -hunne waardigheid behooren te achten, met allen ijver er naar te -streven om hunne wetenschap in eene steeds eenvoudiger en meer algemeen -verstaanbaar wordende taal te verklaren en meer of minder volledige en -<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name= -"pb154">154</a>]</span>grondig behandelde opstellen daaromtrent te -leveren, op zulk eene leest geschoeid, dat zij onder het begrip vallen -van de verschillende meer of min beschaafde klassen der -maatschappij;—hierbij zou steeds het oog moeten worden gehouden -op de <span class="ex">voornaamste</span> uitkomsten door het -natuuronderzoek verkregen, met aanwijzing van het nut, ’t welk -uit de toepassing er van in het praktisch leven zij te trekken, opdat -ook de minder ontwikkelden, de handwerksman en de daglooner, den -weldadigen invloed der verlichting zouden gevoelen en niet langer, tot -nadeel der meer verstandigen, bijgeloof en dwaalbegrippen zouden -aankleven. Voor de verspreiding van dergelijke werken, zoo veel slechts -immer mogelijk verrijkt met afbeeldingen ter opheldering der behandelde -onderwerpen, behoorde de staat zorg te dragen.</p> -<p class="par">Gelijk elke wetenschap en elke tak van wetenschap zijne -geestdriftvolle beoefenaars heeft gevonden, die meer dan anderen -geschikt waren om den bloei er van te bevorderen, ditzelfde is -insgelijks het geval geweest op het gebied der <span class= -"ex">godsdienst en zedeleer</span>. Abraham, die voor meer dan 3800 -jaren, Mozes, die 400 jaren later in Egypte en Syrië, Zoroaster, -die voor ongeveer 2700 jaren in noordoostelijk Persië en Gautama -(Boedha), die voor 2400 jaren in Indië, zoo mede Kong foe tse, die -slechts 100 jaren na dezen in China predikte, waren mannen die met -geestdrift dit gebied van kennis hebben bewandeld, evenzeer als Jezus -van Nazareth, die vóór <span class="corr" id="xd21e3203" -title="Verbeterd door de auteur van: 1854">1830</span> jaren onder de -Joden en Mohammed, die vóór 1240 jaren onder <span class= -"ex">zijne</span> landslieden in Arabië optrad en hen leerde. -Vele andere minder algemeen beroemd gewordene mannen zijn na hen -gekomen. Hetgeen van de leer dezer vroegste godsdienst- en zedeleeraren -tot op ons is overgekomen, zult gij met vrucht lezen, indien gij den -inhoud der vroeger medegedeelde, tot leiddraad strekkende -grondstellingen <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" -name="pb155">155</a>]</span>niet uit het oog verliest en het kaf van -het koorn weet te onderscheiden. Indien gij daartoe in staat zijt, zult -gij zelfs in de oudste godsdienstige geschriften, even als in den -bijbel, menige goede zedeles en voortreffelijke leefregelen vinden, die -gij met voordeel kunt opvolgen. Jezus van Nazareth beval boven alles -luide en schoon aan het betrachten der menschenliefde en hij ijverde -tegen de schijnheiligheid der toenmalige priesters. Gij kunt deze leer -met vrucht toepassen op de hedendaagsche priesters. Nadeelig echter is -het voor uwe vorming, indien gij <span class="ex">geen ander</span> -boek leest dan den bijbel; op die wijze wordt gij eenzijdig van -oordeel, bijgeloovig, onverdraagzaam, schijnheilig-vroom, gij verliest -zelfs den goeden smaak en in het gezellige leven wordt gij voor anderen -onuitstaanbaar.—Is dan de wereld, sedert Jezus zijne leer -verkondigde, niet meer dan 1800 jaren ouder geworden? Bevat deze -achttien honderd jaren lange geschiedenis van het menschelijke geslacht -niet vele gewigtige lessen en ervaringen? Is de beschaving der -menschheid sedert dien tijd niet vooruitgegaan en heeft het onderzoek -der natuur niet tot ontdekkingen geleid, zijn niet waarheden aan het -licht gebragt, waarvan destijds nog niemand zich eenig denkbeeld kon -maken? En wat is nu het geval; van al deze uitkomsten en vruchten der -nasporing, der beschaving en der gansche 1800 jaren lange geschiedenis -vindt men in den bijbel <span class="ex">niets</span>.—Maar ook -niet alle godsdienstleeraren, welke in verschillende tijden zijn -opgetreden, of die nog heden bij duizenden leven, zijn mannen door de -<span class="ex">waarheid</span> met geestdrift vervuld. De leer, welke -velen belijden, wijkt <span class="ex">zoodanig</span> af van alle -natuurwetten, zij druischt zoo zeer in tegen het gezond verstand, dat -de verkondigers van dergelijke leerstellingen niet anders kunnen zijn -dan <i>a.</i> dweepers, dat wil zeggen, kranken naar het gemoed en den -geest, of <i>b.</i> bedriegers; meestal <span class="pagenum">[<a id= -"pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>gaan zij aan beide -kwalen te gelijk mank: of wel zij pleegden bij hun optreden reeds -bedrog en de opgang, dien zij maakten, vervoerde hen tot -geestdrijverij, of zij waren aanvankelijk dweepers, die zich later tot -het plegen van bedrog lieten overhalen. Tot de eerstgenoemde soort -behoorde onder anderen Joe Smith, de profeet der Mormonen.—Leest -gij nu geen ander boek dan dien <span class="ex">eenen</span> bijbel en -zwelgt gij buitendien nog met volle teugen fanatiek-narcotische dranken -in, zoo als, bij voorbeeld: „de Opstanding der dooden, het Boek -der toekomst, het Brood des levens, de Kruisiging, de Christusregering -voltooid, het Visioen der opstanding, de Verschijning aan meer dan vijf -honderd, de Slaande engel!” enz., enz.,—niets dan -heldendichten, ingegeven door eene koortsachtige phantasie, die zich -van alle banden heeft ontslagen, dan ontvlamt het koude vuur der -dweepzucht in uwen boezem en uwe ziel verdroogt gelijk eene mummie, -gelijk het groene veld, waarover de sirocco waait, door den droogen -adem „van het woord,” dat gij eeuwiglijk en eeuwiglijk op -nieuw op denzelfden oudjoodschen Prophetentoon verneemt;—gij zijt -dan gelijk een schaap op de dorre heide; een booze geest, die u aan den -leidband heeft gebonden en u tot <span class="ex">zijn</span> doel -wil gebruiken, voert u gedurig rond in een kring en—aan alle -kanten ligt de schoonste groene weide! namelijk, de schepping, de -levende openbaring Gods, maar waarin gij o, arme schapen! nimmer zult -grazen, indien een goede geest zich niet over u erbarmt en u haalt uit -den kring op de dorre heide.—Ik zal u eenige der goede geesten -opnoemen en raad u aan hunne geschriften te lezen; daarin zult gij -zekere waarheden vinden, welke nuttig voor u zijn, u zullen verkwikken -en die op elke bladzijde de hoedanigheden van den algoeden Schepper der -natuur uit zijne werken verkondigen. Algemeen verstaanbare geschriften -<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name= -"pb157">157</a>]</span>in onze taal zijn onder anderen de -volgende.—De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen -beschouwd, ter verheffing van God en tot bevordering van nuttige -natuurkennis. Nieuw bewerkt door <span class="ex">F. Kaiser, C. I. -Matthes, J. van der Hoeven, H. C. van Hall</span> en <span class= -"ex">E. A. Beima</span>. 1849–1852.—<span class="ex">F. -Kaiser</span>, de sterrehemel. 1853.—<span class="ex">F. -Kaiser</span>, populair sterrekundig jaarboek voor -1854.—<span class="ex">Album der Natuur</span>, een werk ter -verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei -stand. 1852–1853.—<span class="ex">Practische -Volksalmanak</span> of jaarboekje ter verspreiding van kennis der -toegepaste wetenschappen onder allerlei standen der Maatschappij. -1854—<span class="ex">P. van der Burg</span>, eerste -grondbeginselen der natuurkunde. 1853.—<span class="ex">D. -Lubach</span>, eerste grondbeginselen der natuurkunde van den mensch -(over het zamenstel des menschelijken ligchaams en de verrigtingen van -zijne deelen). 1853.—<span class="ex">C. I. Matthes</span>, de -lucht en de verschijnselen van onzen dampkring.—<span class= -"ex">Handleiding tot de kennis der natuur</span>; schoolboek; -uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. 1851; -benevens vele andere natuurkundige werken door diezelfde Maatschappij -uitgegeven, bij voorbeeld, Volks wis- en werktuigkundig lees- en -leerboek, Volks-meetkunde, Volks-scheikunde, het kind in zijne eerste -levensjaren, enz.—<span class="ex">P. Harting</span>, de magt van -het kleine, zigtbaar in de vorming van onze aarde. Utrecht, -1849.—<span class="ex">Sommer</span>, beschrijving van ’t -Heelal.—<span class="ex">M. I. Schleiden</span>, populaire -voorlezingen over de plant en haar leven. Amsterdam, -1853.—<span class="ex">Sporen van de natuurlijke Geschiedenis -der Schepping</span>. Uit het engelsch door van den Broek, met een -voorwoord van <span class="ex">G. I. Mulder</span>. Utrecht, -1849.—<span class="ex">J. L. de Bruijn Kops</span>, -Beginselen der Staathuishoudkunde. Leiden, 1850.—<span class= -"ex">F. W. Hoffmann</span>, overzigt der Algemeene Aardkunde, een leer- -<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name= -"pb158">158</a>]</span>en leesboek voor alle standen. 1853. Buitendien -bestaan er nog vele andere populaire, bevattelijk geschreven werken -over de natuurwetenschappen, die elk geleerde, ieder in zijn vak, den -onderzoeklievende gaarne zal opgeven. <span class="ex">Leest -die</span>; zij zijn door <span class="ex">goede</span> geesten -geschreven.</p> -<p class="par">Andere menschenvrienden leidden uit de geschiedenis en -hunne eigene ervaring lessen van levenswijsheid af, en verzamelden -zedespreuken, die zij in verschillende werken mededeelden. Ook -dergelijke geschriften moeten wij in eere houden en hunnen inhoud in -ons geheugen prenten. Ik zal uwe aandacht hier slechts op een derzelven -bij uitnemendheid vestigen. Leest <span class="ex">Benjamin -Francklin’s</span> „spreekwoorden van den ouden Hendrik of -de Wijsheid van den goeden Richard,” die onder anderen in onze -taal zijn uitgegeven als „Leerrijke keur uit B. Francklin’s -zedekundige schriften. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van -’t Algemeen” (1843. Amsterdam), een boek, hetwelk in -weinige bladzijden een schat van waarheid en levenswijsheid bevat.</p> -<p class="par">De beste en onuitputtelijke bron van wijsheid echter -voor iedereen is zijn eigene geest en de levende schepping, die hem -omringt en waarmede hij door middel zijner vijf zinnen in betrekking -staat. Indien wij de vier eerste onzer algemeene grondstellingen aan -het stuurrad plaatsen en de natuur gadeslaan met den mensch, die zich -daarin rondom ons beweegt, dan zullen wij in korten tijd in staat zijn -zelven de regelen vast te stellen, die wij op ons levenspad, in den -omgang met andere menschen moeten opvolgen, ten einde ons voor -struikelen te behoeden, ja, bij dit onderzoek kunnen vele dieren der -wildernis ons leeren en ons beschamen, indien wij zondigden tegen de -voorschriften der spaarzaamheid, der matigheid, der voorzigtigheid, der -werkzaamheid en der vlijt, of indien het mogt gebeurd zijn, dat eene -moeder de liefde jegens haar jong geboren kind uit het oog verloor. -<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name= -"pb159">159</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="ex">De roeping der</span> <i>priesters</i> -echter moet deze zijn: het ware, het schoone, dat de gezamenlijke -krachten van alle menschen op het vereenigd gebied der -natuurwetenschappen door onderzoek hebben ontdekt, den <span class= -"ex">volke</span> mede te deelen, op eene wijze, die voor ieder -verstaanbaar is en daarbij zoowel in de onderdeelen als in het groote -geheel de heerlijkheid des Scheppers aan te toonen; vervolgens te -verklaren hoe in al het geschapene, in de verschijnselen en in de -wetten der natuur, de hoedanigheden Gods—zijne oneindige wijsheid -en goedheid—doorblinken, en hieruit af te leiden de deugden, naar -welker bezit wij moeten streven, de zedelijke wet, die wij behooren op -te volgen.—De levende natuur in al hare deelen, de geschiedenis -der menschheid in al hare verschillende tijdperken, zijn zoo -onuitputbaar rijk in bouwstoffen van dezen aard, dat een priester, die -dagelijks twee voorbeelden er van wilde uitkiezen, om ze tot -<i>tekst</i> voor zijne leerrede, als onderwerp zijner voordragt te -bezigen, gelijk zulks thans met één per week het geval -is, niet zou behoeven te vreezen, dat de stof zou worden uitgeput, al -werd hij 500 jaar oud!</p> -<p class="par">Aan dit doel behoorde de eerste helft van elken zondag -te zijn gewijd, en de kerken zouden steeds blijven, hetgeen de school -was voor het kind, den jongeling: een tempel der wijsheid en der kennis -voor iedereen, maar bovenal voor de middel- en lagere klassen des -volks, die het meest behoefte hebben aan onderrigt. De priesters -behoorden hunne eigenlijke, schoone roeping: „volksleeraren te -zijn,” te beseffen en bovenal naar wijsheid en kennis te streven -en die den volke leeren! <span class="ex">Want God is -alwijs!</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch21" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">21.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>God is goed; uit alle deelen der schepping -straalt ons de <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= -"pb160">160</a>]</span>goddelijke liefde te gemoet: <span class= -"ex">Wij moeten er naar streven om goed te zijn</span>.</i></p> -<p class="par">Wij moeten geen dier kwellen, maar in tegendeel -goedaardig zijn jegens alle levende wezens en elk diertje het genot -zijns levens gunnen. Wij mogen geen <span class= -"ex">onschadelijk</span> dier dooden, welks -bestanddeelen—gedood zijnde—ons geen nut aanbrengen.</p> -<p class="par">Wij moeten onze medemenschen liefhebben en welwillend -zijn jegens iedereen. Wij moeten het lijden en de ellende, overal waar -wij zulks ontwaren, pogen te verzachten en de armen ondersteunen. -<span class="ex">Wij behooren anderen, die</span> <i>minder</i> -<span class="ex">bezitten dan</span> <i>zij</i> <span class="ex">noodig -hebben, mede te deelen van hetgeen wij</span> <i>meer</i> -<span class="ex">hebben, dan</span> <i>wij</i> <span class= -"ex">behoeven</span>.</p> -<p class="par">De stem van het goddelijk bewustzijn in ons -binnenste,—het geweten,—zegt ons duidelijker, dan wij in -leerstellingen kunnen zamenvatten, <span class="ex">hetgeen</span> regt -en hetgeen onregt is; volgen wij de stem van het geweten, die reeds -vóór duizende jaren, even goed als nog heden, den mensch -toeriep: „Gij zult niet begeeren eens anderen goed, niet -echtbreken, niet dooden, niet stelen, niet bedriegen, geen valsche -getuigenis afleggen, het verhevene en heilige niet bespotten en u -zelven, uw eigen, van God herkomstigen geest niet beschimpen en -vernederen door afgoden te aanbidden.”</p> -<p class="par"><span class="ex">Menschenliefde</span> jegens -iedereen—indien zij werkelijk ons gemoed doorgloeit—verheft -ons hoog boven de dieren; zij veredelt ons in onze eigene oogen en -verschaft ons, wanneer wij haar beoefenen, de reinste vreugde, meer dan -aan dengene, die het voorwerp er van is. Dat toch deze bloem geen enkel -oogenblik van ons gansche leven in ons verwelke!</p> -<p class="par">Die ons het leven gaven, ons voedden, liefhadden en -verzorgden, toen wij nog jong en hulpeloos waren,—onze -ouders,—moeten wij beminnen tot aan hunnen dood en <span class= -"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name= -"pb161">161</a>]</span>steeds blijven eeren. Zijn onze ouders behoeftig -en hebben wij rijkdommen verworven, zijn wij tot waardigheden -opgeklommen, dan behooren wij hen met ons gelijk te stellen, hen tot -ons op te heffen en hen te ondersteunen. <span class= -"ex">Hij</span> is een verachtelijk mensch, die zich schaamt te -belijden, wie zijne ouders zijn. „Een oog, dat den vader bespot -en de moeder veracht, zal door de raven uitgehaald en door de jonge -arenden verslonden worden.” Dat leerde bijna negentien honderd -jaren geleden de man uit Nazareth, wiens boezem zoo warm voor waarheid -en deugd gloeide en datzelfde staat nog heden geschreven in het geweten -van elken mensch.</p> -<p class="par">Wij zijn groot gebragt en opgevoed door onze ouders of, -indien zij vroegtijdig zijn gestorven, door menschenvrienden, die hen -vervingen. Wij zijn in zoo verre ons bestaan verschuldigd aan de liefde -en zorg onzer ouders en behooren derhalve ook <span class= -"ex">onze</span> kinderen lief te hebben, te verzorgen en op te -voeden.—Wanneer gij hoort, dat eene moeder haar jong geboren -wicht van het leven heeft beroofd, houdt haar dan geen geschreven -woord, bijbel, gebeden- of wetboek voor, spreekt niet van verloochening -des vleesches,—want juist daardoor hebt gij haar tot zondares -gemaakt; gij hebt haar huichelarij en schijnheiligheid geleerd, hetgeen -haar bewoog hare zwangerschap voor het oog der wereld te verbergen, -totdat zij eindelijk doof werd voor de stem der natuur;—neen, -hangt een nest met jonge vogelen voor hare gevangenis op, dan zal de -kindermoorderes zien met welk eene liefde de dieren der wildernis voor -hunne <span class="corr" id="xd21e3397" title= -"Bron: jonge">jongen</span> zorgen, hoe zij ijlend naar hen toevliegen, -hoe zij zelfs de schuwheid voor den mensch hebben afgelegd en rondom de -kooi fladderen, waarin hunne jongen zich bevinden,—hoe zij hun in -den snavel voedsel toevoeren, dat zij in veld en beemd hebben -bijeenvergaard:—welligt zijn zij zelven hongerig, maar zij -<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name= -"pb162">162</a>]</span>voeden er zich niet mede, zij houden het -onaangetast in den snavel en brengen het van eene verwijderde plek -derwaarts om het hunne jongen te geven;—zij vliegen weg, maar -ziet, zij komen weder,—zij verlaten hunne jongen niet, zelfs toen -het nest door menschenhanden werd weggeroofd, zij hebben het toch -gevolgd;—zij steken hunnen snavel tusschen de tralien door, ten -einde hunne jongen te voederen, ja, zij zouden gaarne in de kooi -trachten binnen te dringen om bij hunne jongen te blijven, die nog zoo -naakt en hulpeloos zijn, - - heeft nu uwe leer der „heiligmaking, -van de <span class="ex">verloochening</span> des vleesches, -verloochening van de stem der natuur,” nog niet het laatste -overblijfsel van dit gevoel, dezer stem, in het gemoed der -kindermoorderes verstikt, dan zal zij zich voor de vogelen schamen -en—weenen.</p> -<p class="par">Heeft het dier aan de wet der liefde tot zijn gelijke -voldaan, wanneer het voor zijne jongen zoo lang zorgde, totdat deze -zelven in staat zijn voor hunne eigene instandhouding te waken, op den -met rede begaafden mensch rust de meer gewigtige pligt om insgelijks -voor de zedelijke opvoeding zijner kinderen, voor de ontwikkeling des -geestes, zorg te dragen en hen in datgene te onderrigten, waarin de -hoogste kracht des menschen ligt: in kunst en wetenschap.—Bij de -opvoeding der kinderen moeten wij twee hoofdgrondregelen tot rigtsnoer -nemen; <i>ten eersten</i> moeten wij door voldoende zorg, eenvoudige -opvoedingsstoffen zonder prikkelende middelen, doelmatige wijde -kleeding, zindelijkheid, later door allengs toenemende oefening van -alle spieren door middel van de verschillendste ligchaamsbewegingen, -door hen te gewennen aan de vrije lucht en de afwisseling van het -weder—voor de krachtige ontwikkeling des ligchaams zorg dragen, -en <i>ten tweede</i> moeten wij het kind, na voorafgaand onderrigt in -de taal, <span class="ex">datgene</span> leeren, hetwelk als eene -onbetwiste <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name= -"pb163">163</a>]</span>en zekere waarheid algemeen is aangenomen en -erkend, namelijk: wiskunde en de verschillende takken der <span class= -"ex">natuurwetenschappen</span>, benevens de geschiedenis van het -menschelijk geslacht; dit als de hoofdzaak behandeld wordende, mag -gepaard gaan met het onderrigt in de algemeene zedeleer. Wij behooren -echter zorgvuldig te waken, dat het kind, hetzij jongeling of meisje, -geene vooroordeelen, geene godsdienstige begrippen of leerstellingen -worden ingeprent, alvorens het zelfstandig denken en onderzoeken kan, -en wij moeten derhalve elke handelwijze ten stelligste afkeuren, die, -gelijk de doop en de besnijdenis, reeds het kind in de wieg met een -kruis, een toekomstigen Messias of ander dogma stempelt, waardoor de -geest van het kind reeds aan banden gelegd, in ketenen geklonken wordt, -alvorens hij volkomen is ontwaakt, waardoor elke vrije ontwikkeling -belet en de mensch gedwongen wordt zijn gansche leven door tot deze of -gene bepaalde sekte te behooren. Aan den tot man opgewassen, met al de -vereischte kennis der stellige wetenschappen toegerusten jongeling (zoo -mede aan de jonge dochter) moet de keus worden overgelaten om zich voor -eene der veelvuldige geloofsbelijdenissen te verklaren of, indien hem -geene van allen bevredigend voorkomt, den Schepper der natuur op eigene -wijze, naar eigene overtuiging, te aanbidden, maar nimmer moet men het -kind geloofsstellingen leeren of inprenten, alvorens het rijp geworden -is om zelf daarover te oordeelen.</p> -<p class="par">Het tegenover gestelde van dezen grondregel is sedert -vele eeuwen en wordt nog op den huidigen dag in praktijk gebragt. Deze -omstandigheid alleen maakt het verklaarbaar, dat op dezen oogenblik nog -vele millioenen van menschen aan leerstellingen hechten, die als heilig -vereeren, waarover de latere nakomelingschap zich in dier voege zal -verwonderen, dat zij zal vragen: „Hoe toch was het mogelijk, dat -<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name= -"pb164">164</a>]</span>millioenen van menschen gedurende duizende jaren -konden gelooven, hetgeen tegen het gezond verstand, ja, volkomen in -strijd is met alle wetten der natuur?—Waren zij, die -vóór ons deze aarde bewoonden, nog niet met verstand -begaafd?”—waarop welligt een bearbeider van de -ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zal antwoorden:</p> -<p class="par">„Wel degelijk waren zij met verstand begaafd of, -juister gesproken, de kiem er van was in hen gelegd; maar op dezen kiem -entten zij met geweld het onverstand, zij zetteden <span class="ex">een -stempel</span> op het kind en prentten het weeke, voor elken indruk -vatbare kinderlijke gemoed gedurende zestien of meer jaren dagelijks en -onophoudelijk in: datgene als een onaanrandbaar heiligdom, zoowel voor -het tijdelijke als eeuwige geluk te vereeren en te aanbidden, hetwelk -wij heden, nu de komeet van 1807 wederom zigtbaar is, welks omloop -Bessel, op een verschil van 25 jaren na, tamelijk juist berekende, -reeds lang als eene groote dwaling hebben leeren beschouwen. Want -slechts weinigen van onze toenmalig levende voorvaderen konden zich in -hunnen rijperen leeftijd weder vrijmaken van de indrukken, ontvangen in -hunne jeugd, die zoo lange jaren hadden geduurd; bij de meesten bleef -de vorm des stempels, waarmede zij reeds bij den doop, even als jonge -schapen, werden geteekend, hun gansche leven door zigtbaar, (al was die -ook door verloop van tijd meer of min onduidelijk geworden).<a class= -"noteref" id="xd21e3430src" href="#xd21e3430" name= -"xd21e3430src">3</a>—Danken <span class="ex">wij</span> -derhalve den Heer der Schepping! <span class="pagenum">[<a id="pb165" -href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span>dat wij de waarheid en den -eersten en voornaamsten hefboom van alle ontwikkeling, van alle -wetenschap, van alle maatschappelijk geluk, in zijne volle waarde -hebben leeren erkennen en in zijn zuiveren vorm aangewend hebben: het -schoolonderwijs, de opvoeding onzer jeugd.”</p> -<p class="par"><span class="ex">Ons zelven moeten wij echter het -meest liefhebben</span>,—<span class="ex">meer</span> dan andere -menschen. Dit is niet alleen regtmatig, maar dit is onze <span class= -"ex">pligt</span>, namelijk, de pligt van zelfbehoud. Ons ligchaam -toch, waarin de ziel woont, werd ons door den algoeden Schepper der -natuur geschonken, opdat wij zouden leven, en geen ander mensch kan of -zal in zulk eene mate—zoo goed—voor ons zorgen als wij -zelven in staat zijn zulks te doen. Onze grondregel, met betrekking tot -de liefde jegens onze naasten (zie vroeger bladz. 160), luidde aldus: -Wij behooren anderen, die <span class="ex">minder</span> bezitten dan -<span class="ex">zij</span> noodig hebben, mede te deelen van -hetgeen wij <span class="ex">meer</span> hebben dan <span class= -"ex">wij</span> behoeven.—Dezen grondregel moeten wij in -overeenstemming trachten te brengen met de pligten jegens ons -zelven.</p> -<p class="par">Wanneer wij zien, dat iemand in nood verkeert en er hoop -bestaat, dat hij door ons kan geholpen worden, zonder dat wij zelven er -door verloren gaan, dan moeten wij trachten hem hulp te verleenen, al -is zulks van gevaar vergezeld.</p> -<p class="par">Wij moeten ons echter ook zelven in eere houden en ons -door niemand laten beleedigen of beschimpen. Indien iemand u een -<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name= -"pb166">166</a>]</span>slag in het aangezigt geeft en uw geweten u -zegt, dat gij deze beleediging of deze bestraffing hebt verdiend, ga -dan beschaamd heen naar eene afgezonderde plaats en—verbeter u. -Draagt gij echter in uw binnenste het bewustzijn om, dat gij die -oorveeg <span class="ex">niet</span> hebt verdiend, eisch dan van den -beleediger, dat hij u <span class="ex">vergiffenis</span> vrage en -weigert hij zulks: geef hem die oorveeg terug en een andere tot zijne -straf er bij.</p> -<p class="par">Wij moeten alle menschen liefhebben en onze vijanden -zelfs niet haten. <span class="ex">Grootmoedigheid</span> verheft en -veredelt den mensch. Wij behooren pogingen aan te wenden om onzen -vijand te <span class="ex">overtuigen</span>, dat hij onregtmatig heeft -gehandeld. Ziet hij het begane onregt in, gevoelt hij er berouw over, -dan moeten wij hem <span class="ex">vergevensgezindheid</span> betoonen -en hem op die wijze tot vriend trachten te maken. Gelukt dit echter -niet en gaat hij voort met ons te verontrusten, dan moeten wij hem -onschadelijk trachten te maken. Kunnen wij dit niet, wordt hij -gevaarlijk voor ons, dan behooren wij hem met alle magt te bestrijden -en, indien hij ons dooden wil en wij niet in staat zijn ons leven -<span class="ex">op eene andere wijze</span> te redden, dan hebben -wij het regt <span class="ex">hem</span> te dooden. (Zie over de -practische toepassing dezer grondstellingen in het midden der -19<sup>de</sup> eeuw, den krijg tusschen Rusland en de westersche -mogendheden.)</p> -<p class="par">Veronachtzaming van ons eigen ligchaam is zonde, en -zelfmoord de <span class="ex">grootste</span> zonde.</p> -<p class="par">Wij behooren zorg te dragen voor ons ligchaam, wij -moeten het behoorlijk voeden met spijs en drank en wij moeten -ons—op eene geoorloofde, deugdzame wijze—al dat genot pogen -te verschaffen, hetwelk wij tot ons ligchamelijk welzijn behoeven en -waartoe wij de middelen bezitten.</p> -<p class="par">Daar echter onmatigheid den mensch tot een dier -verlaagt, <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name= -"pb167">167</a>]</span>en zij hare eigene straf medebrengt, namelijk, -tegenzin, berouw, uitputting of ziekte, moeten wij in alles -<span class="ex">matig</span> zijn. Het genot, dat wij door elk onzer -zinnen kunnen smaken, verandert door onmatigheid in het tegendeel, ja, -de toonen der welluidendste muziek zouden eindelijk ons oor vermoeijen, -zelfs pijnlijk aandoen, indien wij ze den ganschen dag en onophoudelijk -moesten hooren. Houden wij daarentegen de <span class= -"ex">matigheid</span> in het oog, dan oefenen alle ligchamelijke -genietingen—het genot des gevoels, van het gehoor, des gezigts, -van den reuk en van den smaak—niet slechts een weldadigen en -bevredigenden invloed uit op het ligchaam, maar insgelijks op het -gemoed; zij verzwakken den geest niet, maar versterken hem en stellen -hem in staat nog edeler genot te smaken: om de diepzinnigste -wetenschappelijke vraagstukken te kunnen bepeinzen.</p> -<p class="par">In een zwak of ziekelijk ligchaam kan geen sterke of -gezonde geest wonen. Van onze vroegste jeugd af moeten wij ons derhalve -er op toeleggen om het ligchaam te versterken en alle mogelijke zorg -aanwenden om het volkomen te ontwikkelen. Het nuttigen van spijs en -drank onderhoudt het leven, maar <span class="ex">oefening der -krachten</span> maakt ons sterk. Aan elke school zonder onderscheid -behoorde eene inrigting te worden verbonden voor ligchaamsoefening, -alwaar de jeugd in de gelegenheid werd gesteld door loopen, springen, -klauteren, schommelen, werpen, kaatsen, kegelen, worstelen, zwemmen, -paardrijden—in één woord, door de verschillendste -ligchaamsbeweging de spierkracht te oefenen. Deze ligchaamsbewegingen -moeten op rijperen leeftijd op eene doelmatige wijze worden voortgezet. -Wij behooren veel beweging te nemen in de vrije lucht, en niet voor elk -windje of elke regenvlaag te gaan schuilen. Wij moeten pogingen in het -werk stellen om eene meer doelmatige wijze van kleeden in te voeren, -<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name= -"pb168">168</a>]</span>die de natuurlijke schoonheid van den -ligchamelijken vorm voordeeliger doet uitkomen, zoomede om de naauw -sluitende, stijve keurslijven bij de vrouwen in onbruik te doen -geraken.—Reinheid des ligchaams is een der meest geschikte -middelen ter bevordering van de gezondheid. In elke stad, in elk dorp -behoorde een badhuis te zijn. Indien, bij voorbeeld, van een viertal -kroegen, dat menigwerf in één klein dorp wordt gevonden, -er twee gesloten en door een badhuis werden vervangen en het geld, daar -vroeger aan genever verdronken, nu werd besteed tot het nemen van een -koud of warm bad, dan zou zulks niet slechts nuttiger zijn voor de -maatschappij, maar tevens aangenamer genot opleveren aan ieder -afzonderlijk lid er van. Indien gij iemand ziet, die in een prachtig -huis woont en fraai en zindelijk gekleed gaat, maar ten opzigte van -zijn eigen ligchaam de reinheid uit het oog verliest, waarmede -vergelijkt gij hem?—Wanneer het den Mohammedaan in zijn wetboek -wordt voorgeschreven zich herhaaldelijk te wasschen, behoorden de -bewoners van het koudere noorden, zelfs van den geringsten stand, -hieraan een voorbeeld te nemen en het als een hunner godsdienstige -pligten te beschouwen, minstens éénmaal per dag die -deelen des ligchaams te wasschen, welke naar de voorschriften der -zindelijkheid zulks het meest behoeven en zich althans eens per week te -baden. Daardoor zouden vele ziekten voorgekomen worden en het opkomende -geslacht een krachtigeren wasdom verkrijgen.</p> -<p class="par">Wij moeten ons ligchaam <span class="ex">niet</span> -verloochenen, maar het in eere houden en God den Heer danken, dat hij -het zoo fraai en doelmatig heeft gevormd. Wij <span class= -"ex">mogen</span> ons ligchamelijk genot verschaffen; want <span class= -"ex">dat</span> wij zouden genieten, lag in de bedoeling des Scheppers, -toen hij ons het aanzijn schonk, dewijl hij alle organen onzes -ligchaams zoodanig <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" -name="pb169">169</a>]</span>heeft zamengesteld, dat alle natuurlijke -verrigtingen, welke strekken moeten tot instandhouding, zoowel der -individuen als der soort, waartoe zij behooren, met een behagelijk -gevoel gepaard gaan. Hij schiep ons tot het smaken van geluk en genot, -zoowel naar het ligchaam als naar den geest. Degenen, die zeggen: -„verloochent u zelven, doodt alle zinnelijke lusten en begeerten, -arbeidt aan uwe heiligmaking, legt u ontberingen op, bestrijdt uw -vleesch door onthouding, door vasten en kastijden, opdat uwe -onsterfelijke ziel des te vlekkeloozer worde en het goddelijke licht -des te helderder in u schijne”—zijn of huichelaars of -dweepers, die zondigen tegen de weldadige bedoeling des Scheppers, want -zij dienen toch te weten, dat in een door vasten en kastijden verzwakt -ligchaam geen krachtige en gezonde geest kan wonen.</p> -<p class="par">Indien gij honger hebt, u voedsel kunt verschaffen en u -toch er van onthoudt, dan zondigt gij. Alleen de arts, niet de -priester, heeft het regt u de <span class="ex">onthouding</span> er van -voor te schrijven.</p> -<p class="par">Het is de pligt der overheid om openlijke volksspelen en -volksvermakelijkheden, gepaard met <span class="ex">doelmatige -ligchaamsoefeningen</span>, met alle krachten aan te moedigen. Het volk -zou dan tevredener zijn, zijne pligten met meer vreugde nakomen en niet -zoo dikwerf, gelijk thans het geval is, verstrooijing zoeken in de -geneverflesch, die, helaas, in vele oorden, onder vele klassen der -maatschappij, zijn <span class="ex">eenige</span> troost, zijn -<span class="ex">eenig</span> geluk is!—Wanneer toch de arme man -zes dagen lang heeft gewerkt om zich „in het zweet zijns -aanschijns zijn dagelijksch brood” te verschaffen en de zevende -dag komt eindelijk aan, welke vreugde biedt hem deze -dag?—<i>Vooreerst</i> de vreugde in de kerk te gaan, om treurige, -droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te -hooren over <span class="corr" id="xd21e3559" title= -"Bron: onbegrende">onbegrensde</span>, alles ten offer brengende -Christelijke liefde; <i>ten tweede</i> de vreugde in de kerk -<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name= -"pb170">170</a>]</span>te gaan, om treurige, droefgeestige -geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te hooren over -onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde; <i>ten -derde</i> de vreugde om <span class="ex">uit</span> de kerk te gaan -en—reeds bij de eerste schrede, die hij buiten de kerkdeur doet, -de onmogelijkheid in te zien om eene enkele dier voorschriften na te -komen en eindelijk—<i>ten vierde</i>, gedurende de vier of vijf -uren van den dag, die nu nog overblijven, het genoegen om <span class= -"ex">onbevredigd</span> in zijn binnenste te zijn en nergens iets te -vinden, dat het <span class="ex">ledige</span> in zijn gemoed vervullen -en genoegdoening kan geven aan eene onbestemde, maar niettemin -duidelijk gevoelde behoefte!—Zou die behoefte ook misschien de -genever zijn?—Neen; <span class="ex">waarheid</span> is het in -plaats van dwaling, <span class="ex">natuurlijke godsdienst</span> -die voor het gezond verstand begrijpelijk is en het gemoed vervrolijkt, -waaraan hij <i>in</i> de kerk behoefte heeft—en gezellige -vreugde, openbaar vermaak, spel met ligchaamsoefening, <span class= -"ex">genot</span> is het, dat hij <i>buiten</i> de kerk wenscht te -smaken, en aan het smaken van zulk maatschappelijk genoegen, vooral der -lagere volksklassen, die dit het meest noodig hebben, behoorde minstens -de tweede helft van elken zondag te worden gewijd.—De mensch is -door God geschapen om te genieten en het volk heeft er behoefte aan. -Gij, die de kermissen hebt afgeschaft, gij hebt het goede met het kwade -te gelijk weggenomen en, indien gij het heil des volks werkelijk zoekt, -dan zijt gij nu verpligt <span class="ex">iets beters er voor in de -plaats te stellen</span>. Het ware te wenschen, dat het veelzijdig nut, -’t welk de schouwburg kan verspreiden, meer algemeen werd erkend -en gewaardeerd, en dat zelfs in de kleinere steden <span class= -"ex">volksschouwburgen</span> werden opgerigt. Of zou iemand durven -beweren, dat er een krachtiger middel gevonden wordt tot verheffing van -het zedelijke gevoel bij het volk, dan het opvoeren van tooneelstukken, -waarin <span class="ex">zedelijke waarheden</span> worden -ontwikkeld?—Want daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb171" -href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>is toch het nuttige vereenigd -met het vermakelijke, met een aangenaam tijdverdrijf!</p> -<p class="par">Het instinkt tot voortplanting zijner soort, dat elk -dier is ingeplant, gaat bij den mensch gepaard met het veel edeler -gevoel <span class="ex">van liefde</span>—en bindt op die wijze -de beide geslachten zamen. Deze liefde, welke ons verheft boven het -dier, dat slechts geslachtsdrift gevoelt, moeten wij rein bewaren en -haar heiligen door <span class="ex">eerbaarheid</span>.</p> -<p class="par">De band, welke kinderen aan ouders, ouders aan kinderen, -zoo mede zusters en broeders onderling verbindt, zou verbroken worden, -de reinste vreugde, welke de mensch in den kring van zijn eigen -huisgezin,—aan <span class="ex">eigen</span> haard,—geniet, -zou verloren gaan, de teedere zorg voor de jeugd en hare opvoeding -ontaarden in onverschilligheid, de band der trouw tusschen de -verschillende geslachten en te gelijk daarmede vele van de schoonste -bloemen der beschaving, der edelste deugden, zouden ophouden het -menschelijk leven te sieren, zij zouden vervangen worden door zedelijke -ruwheid, ja, de geslachtsliefde zou eindelijk worden verlaagd tot -bloote dierlijke lust en de orde en tucht in de maatschappij worden -vervangen door een woesten chaos,—indien wij het voorschrift der -wet „<span class="ex">een man en eene vrouw</span>” niet in -acht namen. Om die reden moet het genot der geslachtsliefde het geheim -van twee personen zijn, de zaamgeknoopte band der liefde—het -huwelijk—moet ons heilig blijven en de jeugd zal dezen band -veredelen door <span class="ex">kuischheid</span>.</p> -<p class="par"><span class="ex">Die</span> staat echter zal het welzijn -des volks bevorderen, die de wettige vereeniging ook onder de -onvermogenden met alle onder zijn bereik staande middelen -vergemakkelijkt, en <span class="ex">die</span> priester zijn pligt -vervullen, die het niet beneden zijne waardigheid acht de waarschuwende -stem te verheffen tegen de nadeelige gevolgen van te vroegtijdig -geslotene huwelijken, <span class="pagenum">[<a id="pb172" href= -"#pb172" name="pb172">172</a>]</span>indien de <span class="corr" id= -"xd21e3640" title="Bron: materiele">materiële</span> middelen der -beide partijen niet toereikend zijn voor hunne behoeften,—maar -die, in plaats van de „verloochening des vleesches” te -prediken, den armen liever toeroept, dat de mensch slechts door den -band der <span class="ex">trouw</span> zich boven het dier kan -verheffen en dat zij dezen band moeten aaneenhechten, alvorens het -genot der liefde te smaken.</p> -<p class="par">Welligt zou op die wijze veel zedelijke ellende worden -verhoed. Hebt uwen naaste lief! <span class="ex">Want God is goed en -alle deelen der schepping getuigen van zijne liefde.</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch22" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">22.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>God is regtvaardig: <span class="ex">wij -moeten pogen regtvaardig te zijn</span>.</i></p> -<p class="par">Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan -goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te -beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral -van hen, die hoog geplaatst zijn—der magtigen en -vorsten—onder de stervelingen.</p> -<p class="par">Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen, -waar hij in de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt -om later op nieuw zijn arbeid te hervatten—en tegenover hem zit -een rijk man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten, -gebraad en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden, -waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te -nuttigen, zegt dan niet: „dat is onregtvaardig;” want den -arbeider smaakt welligt <span class="ex">zijnen</span> maaltijd -beter dan gindschen rijkaard zijne pasteijen, en deze behoeftige man, -die des avonds naar huis keert en in den kring der zijnen uitrust van -de vermoeijenissen des daags, ondervindt stellig meer genot dan de -rijke, die nog <span class="ex">nooit</span> vermoeid was. Ontneemt gij -echter den rijke, <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" -name="pb173">173</a>]</span>die in overvloed is groot geworden, zijne -schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als gindsche -handwerksman, dan <span class="ex">handelt gij -onregtvaardiglijk</span>; want dan zal de rijke zeer ongelukkig en -beklagenswaardig zijn, dewijl hij niet gewoon is droog brood te -eten,—en indien gij den handwerksman, die, ten gevolge van ziekte -of duurte van levensmiddelen, <span class="ex">minder</span> verdient -dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van hetgeen gij -<span class="ex">meer</span> hebt dan gij behoeft, dan handelt -<span class="ex">gij insgelijks onregtvaardiglijk</span> en -zondigt tegen de wet der menschenliefde.</p> -<p class="par">Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om -aan ieder te geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De -mate nu van behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel, -waarnaar wij ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is -dezelfde die Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de -navolgende woorden: „gelijk gij wilt, dat u de menschen doen -zullen, doe hun desgelijks.”</p> -<p class="par">Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig -toeschijnt. Wie zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van -alle boom- en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de -rottende overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de -kolibri, welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den -zoetsten honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen -gehuld op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te -vragen, ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des -avonds huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet -toebereid, nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft -verkregen, zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag -gaan bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem -tot behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man -daarentegen, die, met ridderorden behangen, <span class= -"pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span>daar -ginds in dat groote huis woont, feesten aanrigt, waarop alle fijne -wijnen paarlen, terwijl de tafel onder den last der spijzen buigt, zegt -niet, dat hij gelukkiger is dan de bedelaar!—<span class= -"ex">hij</span> weet <span class="ex">hoedanig</span> hij de -schatten heeft verworven, waarmede hij pronkt, <span class= -"ex">hoe</span> hij aan de veêren is gekomen, waarmede hij zich -heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van -pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den rijk -voorzienen disch,—de wroeging van een boos geweten vervult zijnen -boezem! God is regtvaardig!</p> -<p class="par">En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren -op een grooten voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op -een kantoor een sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk -te beklagen; wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet, -welke daden hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig -voor hem, het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit -hij, naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden -en gelukkiger worden dan hij te voren was.</p> -<p class="par">Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer -den moed behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt, -dewijl wij niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten -wij ons onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en -werkzaam zijn, want „God helpt, die zich zelven -helpt.”—Heeft het ongeluk vooraf zijne komst niet -aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht komen!</p> -<p class="par">Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar -om voor hare instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des -geregts de plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den -staat.—Gelijk in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om -een grooter scharen en vele planeten om <span class="ex">eene</span> -<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name= -"pb175">175</a>]</span>zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles wat -leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog -oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar -eene <span class="ex">enkele</span> grondoorzaak leiden, zoo heeft zich -ook in de maatschappij reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen -gelden. De beste regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel -mogelijk is nagevolgd.—Een God, een Koning!—Maar God -regeert de wereld niet willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten -zijn de <span class="ex">natuurkrachten</span>, die hij schiep, en -zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste <span class= -"ex">wetten</span>, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij -moeten ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen -koning eerbiedigen.</p> -<p class="par">Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder -op eenige andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de -getrouwe pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten.</p> -<p class="par">Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is, -maar in tegendeel dikwerf door de menschen geëerd en met -wereldsche goederen gezegend wordt.</p> -<p class="par">Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar -geene straf zoo zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich -zelve straft: een kwaad geweten.—Een kwaad geweten brengt de -begane zonden aan den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft -door den arm der wereldlijke geregtigheid.</p> -<p class="par">Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter -zedelijk ik door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen -geworden, indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd -hebben, maar berouw gevoelen over onze overijling of slechte -handelwijze, innig, waarachtig berouw er over gevoelen: <span class= -"ex">dan is de zonde ons vergeven</span>. <span class="pagenum">[<a id= -"pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p> -<p class="par">Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons -gepleegd en het vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te -handelen, dan mogen wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet -gaan, ook dan wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is -toegepast. De orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken -worde.</p> -<p class="par">Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet -op het spel zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger <span class= -"ex">genade</span> schenken, en daardoor het schoonste bewijs geven van -de magt, die hij bezit.—Dewijl alle misdaden deels haren grond -hebben in aangeboren ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken, -hoofdzakelijk echter in verkeerde <span class="corr" id="xd21e3741" -title="Bron: opvoedig">opvoeding</span> en gebrek aan beschaving -en—bij een dergelijken aanleg—door ongelukkige uiterlijke -omstandigheden ligt veroorzaakt worden, behooren wij <span class= -"ex">medelijden</span> te hebben met de misdadigers en trachten hen -te verbeteren of te genezen.</p> -<p class="par">Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk -wezen, al zet hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat -is ons eene enkele zonde te vergeven.</p> -<p class="par">God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige -plaatsbekleeder op aarde is: <span class="ex">het geweten</span>, dat -in den boezem van elk mensch woont.</p> -<p class="par">De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel -met zich om. <span class="ex">Zij zullen hunnen hemel en hunne hel -met zich nemen</span>; want hunne ziel is onsterfelijk.</p> -<p class="par">Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene -andere hel. Wat aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen. -Stellen wij ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij -hiervoor zorg: dat wij een <span class="ex">hemel</span> in onzen -boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij voortdurend er naar gestreefd -hebben om regtvaardig te zijn! <span class="ex">Want God is volkomen -regtvaardig.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" -name="pb177">177</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch23" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">23.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw -en waarachtig: <span class="ex">ons streven moet zijn in al onze -handelingen getrouw en waarachtig te wezen</span>.</i></p> -<p class="par"><span class="sc">Wij moeten waarachtig zijn in woorden -en daden, en nimmer huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren -kunnen, en overeenkomstig onze leer behooren wij ook te -handelen.</span></p> -<p class="par">Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te -kleeden (behalve wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets -schijnen te zijn, dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den -schijn aan van iets, ’t geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de -menschen.</p> -<p class="par">Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet -ligtvaardig te beloven, zonder vooraf te overleggen <i>of</i> wij onze -belofte kunnen houden.</p> -<p class="par">Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben -gesloten, behooren wij heilig te bewaren.</p> -<p class="par">Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste -zonde, die ons in onze eigene oogen vernedert.</p> -<p class="par">Wij moeten niet leeren: andere menschen <span class= -"ex">even lief</span> te hebben als ons zelven; elken dag, ja, elken -oogenblik zien wij, dat wij niet in staat zijn om zulks te doen; geven -wij niettemin voor, dat wij dit doen, dan maken wij ons schuldig aan -huichelarij.</p> -<p class="par">Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons -zelven <span class="ex">meer</span> dan anderen. Leeren wij dit, dan -kunnen wij zulks nakomen en wij zijn waarachtig.—Ik ken een -bekwamen, braven man, die door ongelukken tot armoede en ellende is -vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs alle pogingen heeft -beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft echter <span class= -"pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name= -"pb178">178</a>]</span>kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn, -behoeft hij 2000 gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben -in het bezit van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta, -stort ik mij zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas -of bezig het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet -<span class="ex">meer</span> lief dan genen?—Indien iemand mij -met de wapenen in de hand aantast, en ik mijn leven -alléén redden kan door den aanvaller te dooden en ik -redde mijn leven: heb ik mij zelven dan niet <span class= -"ex">meer</span> lief gehad dan genen?—Of wordt er iemand onder -ons gevonden, die zich zelven in het verderf wil storten om een ander -te helpen? die zich wil laten vermoorden, opdat een ander het leven zal -behouden?—En indien zoo iemand onder ons werd gevonden, welk nut -zou hij gesticht hebben door zich zelven op te offeren, dewijl toch -<span class="ex">één</span> van beiden verloren gaat? -Daardoor had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als -zich zelven, maar in tegendeel dat hij <span class="ex">zich -zelven</span> <i>minder</i> lief had dan genen! Zou hij op die wijze -niet zondigen tegen den eersten pligt, die ieder mensch is -voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud?</p> -<p class="par">Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen -der liefde tot onze naasten opvolgen, maar de leer „onze naasten -lief te hebben <span class="ex">als ons zelven</span>” verwerpen, -omdat het opvolgen van dit voorschrift eene natuurlijke onmogelijkheid -is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk van elken kansel gepredikt, -in alle Christelijke geschriften wordt aanbevolen, maar die nog nimmer -opgevolgd kon worden en ook nooit, zoo min nu als in het vervolg, -nagekomen zal worden,—slechts leiden kan tot schijnheiligheid, -huichelarij en valschheid.—<span class="ex">Zijt waarachtig -en getrouw aan u zelven!</span></p> -<p class="par">De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van -huichelarij is de <span class="ex">schijnheiligheid</span>, welke -iemand pleegt wanneer hij degenen, <span class="pagenum">[<a id="pb179" -href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span>die hem zien, wil diets -maken, dat hij in het gebed tot God spreekt, terwijl hij inderdaad aan -niets hoegenaamd denkt of geheel andere gedachten koestert dan hij -voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden is vervuld;—dit is eene -soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij de Christenen veel -algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van eenige andere -godsdienst. De reden daarvan is: 1<sup>o</sup>. de zoo even genoemde -omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid -<span class="ex">gevoelt</span> (die zijn mond weigert te bekennen) om -de eerste grondregelen des Christendoms in het leven <span class= -"ex">na te komen</span>, zoo als: zijn naaste lief te hebben als zich -zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte te vergeven, zich -op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten te dooden, zich -zelven geheel en al te <span class="ex">verloochenen</span>, enz., en -2<sup>o</sup>. dat de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig -bidden, bidden, bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering -van tijdelijk en eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter -eene uitgemaakte waarheid is, dat de mensch slechts zeer <span class= -"ex">zelden</span> zoo diep geroerd is, in zulk eene heilige stemming -verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot God, en hij niettemin een -half dozijn malen daags <span class="ex">behoort</span> te bidden, -vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts, zet -een onnoozel gezigt—en <span class="ex">houdt</span> zich als of -hij bidt.</p> -<p class="par">Die een medebelijder is der <span class= -"ex">natuurlijke godsdienst en zedeleer van den regtzinnig -geloovigen mensch</span>, moet het werktuigelijk aframmelen van vooraf -geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en <span class="ex">slechts -dan</span> God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken -aandrang daartoe gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of -menigwerf, elken dag, elke week of slechts eens in de veertien dagen -openbaart.</p> -<p class="par">De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en -wenschen en geen enkele onzer gebeden—ja, al baden wij -<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name= -"pb180">180</a>]</span>op onze knieën drie weken lang zonder -ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,—is in staat om te -bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten, -waarnaar hij de wereld regeert.</p> -<p class="par">Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende -daartoe de aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den -Eeuwige opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt. -Bezielt hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook -<span class="ex">zal</span> hij troost in het gebed vinden.</p> -<p class="par">Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft -geleerd en die op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij -voorbeeld, bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten, -een dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht, -waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in -zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk, -huichelarij, het <span class="ex">aannemen van een valschen -schijn</span>. Dit wordt eene gewoonte en deze gewoonte spiegelt -zich onwillekeurig in alle andere verrigtingen der menschen af.</p> -<p class="par"><span class="ex">Handelt</span> naar behooren, leidt een -deugdzaam leven, maar waant niet, dat gij aan uwen pligt voldoet, -indien gij menigwerf ter kerk gaat of uren lang op uwe knieën -gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke uitspraken, kunt gij dan -<span class="ex">vrome</span> menschen heeten, inderdaad echter -misschien zeer <span class="ex">slechte</span> menschen zijn.</p> -<p class="par">De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter -kerk gaan, het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de -meest gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks -alléén, dewijl zij weten, dat zij hunne ondeugden het -zekerst achter schijnheiligheid kunnen verbergen, en anderen dewijl zij -werkelijk gelooven, dat zij zich met God kunnen verzoenen, indien zij -des zondags ter kerk gaan, <span class="pagenum">[<a id="pb181" href= -"#pb181" name="pb181">181</a>]</span>vurig bidden, belijden dat zij -ellendige, diep gezonken schepselen zijn, ja, van berouw vervuld zich -ter aarde buigen, weeklagen en „genade! genade! erbarming! voor -mij armen verworpen zondaar” roepen;—dan zijn hun (zoo -wanen ze) de zonden, die zij in de afgeloopene week hebben begaan, -kwijt gescholden; zij hebben immers „God gediend” -en—zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne -medemenschen <span class="ex">des te slechter dienen</span> en hen op -alle mogelijke wijze bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden -zondag door nieuwe en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon -van berouw en herhaalde bekentenis, dat zij arme „<span class= -"ex">onverbeterlijke</span>” zondaars zijn, op nieuw -vergeving vinden. <span class="ex">Deze</span> zullen zich stellig niet -verbeteren, maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed -scheppen tot vernieuwde slechte daden.</p> -<p class="par">Niet met bidden—slechts door <span class="ex">goed -te handelen</span> kan men God dienen.</p> -<p class="par">Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u <span class= -"ex">heilig</span>, gelijk de eerbaarheid aan de jonge maagd. -Ontheiligt het heilige niet, door het aan ieders oog bloot te stellen. -<span class="ex">Bidt in eenzaamheid.</span></p> -<p class="par"><span class="sc">Wij moeten aan de bestendige -onveranderlijkheid der natuurwetten gelooven en naar waarheid trachten. -Deze waarheid moeten wij hoogachten en beminnen.</span></p> -<p class="par">Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en -dwaling voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn, -maar elk toeval, ’t welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen -doen ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de -dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar te -streven, <span class="ex">om ons zoo vroegtijdig mogelijk met -de eeuwige waarheden der natuur bekend en vertrouwd te maken</span>. -<span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name= -"pb182">182</a>]</span></p> -<p class="par">Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het -geloof aan goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan -dergelijke (hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende) -gebeurtenissen, die in strijd zijn met de natuurwetten. <span class= -"ex">Er bestaat geene regtstreeksche goddelijke ingeving of -openbaring in het binnenste des menschen.</span>—Het is waar, -somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong wij niet -verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons <span class= -"ex">toeschijnt</span>, dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke, -regtstreeksche bron van kennis, zonder in eenig verband te staan met de -omringende natuur.—Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan -zien wij, dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het -ware de nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd -<span class="ex">door onze zinnen</span> ervaren -hebben,—onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben -geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld -bevat van een nog levend of vóór langen tijd door den -dood van deze aarde gescheiden mensch.—Zeer zeldzaam echter kan -iemand iets denken, dat niet reeds andere menschen vóór -hem hebben gedacht.</p> -<p class="par">Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke -openbaring is <span class="ex">verderfelijk</span>, dewijl het de -kritiek van het gezond verstand uitsluit en de zoogenaamde -geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor <span class= -"ex">onfeilbaar</span> worden gehouden.—Want gaat men uit van de -mogelijkheid van eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook -toegegeven worden, dat deze openbaring Gods in <span class= -"ex">ieder</span> mensch kan plaats hebben, dewijl wij niet weten -kunnen <span class="ex">welken</span> sterveling—hetzij bedelaar -of koning—God de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om -zijne openbaring te ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide -gedaan worden: <i>of</i> ieder moet op zijn woord worden geloofd, die -voorgeeft goddelijke openbaringen <span class="pagenum">[<a id="pb183" -href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>te hebben ontvangen, welke nu -door hem als „Gods word” worden verkondigd, aan wier -heiligheid geen criticus de roekelooze hand mag slaan; doet gij dat, -dan heeft Joe Smith—de stichter van de sekte der Heiligen van den -jongsten dag (der Mormonen)—even goed als Mohammed of ieder ander -mensch, die later welligt zal optreden, het regt om te zeggen: -„ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan mijne -woorden;” en gij moogt er niet aan twijfelen;—<i>of</i> gij -moet de kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven -openbaringen van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid -(als Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen, -welke door den mond eens menschen verkondigd of door ’s menschen -hand te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en -gij bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het -gezond verstand kunnen doorstaan.—Het is derhalve natuurlijk, dat -dan ook de <span class="ex">bijbel</span> op dergelijke wijze moet -worden onderzocht en zulks doende zult gij de overtuiging erlangen, dat -de daarin vervatte leeringen niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar -ook <span class="ex">openbare en zeer groote dwalingen</span> bevatten, -waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet kunnen -zijn.—De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben -deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn -gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet -gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot -rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg -hiervan zou zijn, dat <span class="ex">elke</span> natuurkundige -ontdekking, die deze proef glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de -mensch ooit waars en goeds heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene -goddelijke openbaring zou genoemd moeten worden!—Waarheen voert u -dit geloof! <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name= -"pb184">184</a>]</span></p> -<p class="par">Zegt derhalve niet: „Jezus van Nazareth was het, -aan wien God zich heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen -bijbel vervat en dit is Gods woord;”—want daarop kan ieder -te regt antwoorden: „ook aan <span class="ex">mij</span> -heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan genen en aan -duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden om de -openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te verstaan. -Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,—vooral sedert -uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan niet meer -iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche leven -kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden en niemand -meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der schepping na te -vorschen, de levende natuur te onderzoeken,—<span class= -"ex">sedert dien tijd</span> heeft God den mensch zaken -geopenbaard, waarvan in uwen bijbel zelfs geen enkele letter wordt -gevonden—zoo groot, zoo schoon, zoo heerlijk!—en waarvan -gij tot heden niets zoudt vernomen hebben, indien er niet <span class= -"ex">waarlijk godvruchtige mannen</span> waren geweest, zoo als -Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus, -Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von -Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday, -Arago, Johannes Müller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder, -Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien -deze niet getracht hadden in het <span class="ex">ware</span> boek der -openbaringen te lezen.</p> -<p class="par">De ontdekking van de ware beweging der planeten, der -wetten van Kepler, van de drukking der dampkringslucht door -Torricelli,—de ontdekking der undulatie-theorie van het licht, -der waarschijnlijkheidsrekening, van de wet der zwaartekracht, welke de -beweging der hemelligchamen aan <span class="pagenum">[<a id="pb185" -href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span>vaste berekening -onderwerpt,—de ontdekking der wet van Mariotte: dat de digtheid -der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op drukt, of aan de -zamenpersende kracht,—de ontdekking der elektrieke hoedanigheid -des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande verband -tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit der -electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand tot het -uitvinden der electrieke telegraphen,—de ontdekking der nieuwe -classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen, der -metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht, van -de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn te -brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus, der -polarisatie van het licht,—de ontdekking der theorie van de -opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken, -van de gemeenschappelijke basis (van het proteïne) der -eiwitachtige ligchamen,—de ontdekking der galvanoplastiek door -Jacobi, even zeer als de ontleding van het witte licht in zijne -kleuren, de berekening der loopbaan van kometen, de uitvinding der -spiegelsextanten, of de leer over de gisting en over de metamorphosen -in de bewerktuigde natuur in het algemeen,——al deze en -andere gewigtige ontdekkingen moet gij dan (naar de grondregelen van uw -geloof) beschouwen als waarheden, die <span class="ex">God</span> aan -de opgenoemde mannen heeft <span class= -"ex">geopenbaard</span>,—even goed als gij aanneemt, dat God de -zedelijke wet: „gij zult uwen naaste liefhebben,” aan Jezus -van Nazareth—of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes -openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte, -dat het <span class="ex">onregtvaardig</span> is te stelen en te -dooden.</p> -<p class="par">Dan moet gij insgelijks de <span class= -"ex">werken</span>, waarin de vroeger genoemde ontdekkingen zijn ter -neder gesteld, bij voorbeeld, <span class="pagenum">[<a id="pb186" -href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span>de Libri VI de orbium -coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie natuurrijken, -Blumenbach’s werk de generis humani varietate nativa, het -Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt’s Kosmos, de -Mécanique céleste van Laplace, Newton’s -philosophiae naturalis principia mathematica en duizend andere -voortreffelijke geschriften even zeer als „<span class="ex">Gods -woord</span>” beschouwen, als uw oud en nieuw testament—en -dan behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als -aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken -en behoort hen „apostelen, door God bezielde en verlichte -profeten” te noemen.—Er behoeft, waarlijk, geen engel uit -den hemel te komen om ons te leeren, dat een goede God in de schepping -leeft, en dat wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze -medemenschen moeten liefhebben om gelukkig te kunnen -leven,—<span class="ex">die</span> wet staat diep in ons gemoed -gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg werden -erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk, zuiver -menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het vooroordeel -aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt en met ijver -er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping te -ontcijferen.—Aan <span class="ex">die</span> dwazen echter, die -hun gezond verstand aan het <span class="ex">blind</span> geloof ten -offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren.</p> -<p class="par">Maar daar hoor ik eenigen van u zeggen: „God heeft -zich niet aan een mensch geopenbaard, volstrekt niet; hij heeft -<span class="ex">zijn zoon</span> gezonden om ons zijn woord, dat -in den bijbel is vervat, te verkondigen en Jezus Christus was geen -mensch, neen, <span class="ex">God</span>!—Want de menschen waren -slecht en zondig geworden en hadden zich strafschuldig gemaakt; maar -God erbarmde zich over hen en teelde derhalve (4 of 6000 jaar na de -schepping van den mensch) <span class="ex">een zoon</span>, dien hij -<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name= -"pb187">187</a>]</span>op de aarde zond. Door de kracht des Heiligen -Geestes verwekte hij hem in de onbevlekte maagd Maria. Hij redde het -menschelijk geslacht van zijn ondergang, want door zijn onschuldig -lijden en sterven droeg hij de straf weg, die de menschen hadden moeten -lijden. Hij bragt zich ten offer aan God en God was nu verzoend en -schonk den mensch genade en vergeving van zonde.”</p> -<p class="par">Daarop antwoord ik u: 1<sup>o</sup>. Hoe kan dat -gebeuren? God is eenig en ondeelbaar, hoe kan hij een zoon -hebben?—2<sup>o</sup>. God is alwetend; hoe was het mogelijk, dat -de menschen zondig werden en hij zulks niet vooraf -zag?—3<sup>o</sup>. God is almagtig en alwijs; hoe kon het -geschieden, dat hij de zonde toeliet en den mensch niet reeds van den -aanvang af zoodanig inrigtte, dat de zonde werd -verhoed?—4<sup>o</sup>. God is regtvaardig; maar hoe kan hij -gezegd worden regtvaardig te zijn, indien hij al de millioenen van -menschen, die reeds vier of zes honderd eeuwen vroeger op aarde geleefd -hadden, uitsloot van de weldaden, die hij nu vóór 1854 -jaren den mensch door zijn zoon liet aanbieden?—5<sup>o</sup>. -God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig; maar hoe -kan dat mogelijk zijn, indien hij 1854 jaren vóór heden -<span class="ex">andere</span> maatregelen nam dan die, welke hij -gedurende duizenden van jaren te voren had genomen? indien hij naar -<span class="ex">geheel verschillende</span> plannen dan vroeger en -geheel en al in strijd met de wetten der natuur handelde, die hij zelf -in het wezen had geroepen?—6<sup>o</sup>. Welk regt meent gij dan -toch wel te hebben om te gelooven, dat Jezus van Nazareth een God was? -Is zulks welligt op grond hiervan, dat onder het Joodsche volk eene -<span class="ex">overlevering</span> bestond, dat vóór -zoo of zoo veel jaren de leerlingen van Jezus het zoo verhaald hadden -en dewijl deze <span class="ex">overlevering</span> later te boek -gesteld en nog later „Nieuw Testament” genoemd werd? Worden -dan in nog <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name= -"pb188">188</a>]</span>oudere schriftelijke gedenkstukken der -Hebreërs, zoo mede in die van vele andere volken niet <span class= -"ex">nog wonderbaarlijker</span> verhalen gevonden. Moet dan alles -worden geloofd, hetgeen menschen hebben uitgedacht, al was het dan ook, -dat zij door vromen ijver waren bezield?—7<sup>o</sup>. Dewijl -God almagtig en alwijs is: hoe laat het zich dan verklaren, dat de -buitengewone maatregelen, die hij (naar uwe bewering) -vóór 1854 jaren heeft genomen, zoo weinig hebben -geholpen, ja, het doel (waartoe zij, naar uw vermeenen, moesten leiden) -geheel en al hebben gemist? Of zoudt gij durven beweren, dat de -menschen gedurende de 18½ eeuwen, die <span class= -"ex">sedert</span> dien tijd zijn verloopen, gelukkiger waren dan -vóór dien tijd? of dat zij tegenwoordig <span class= -"ex">minder</span> zondigen dan destijds?—8<sup>o</sup>. Indien -gij welligt mogt zeggen: „ja, zij zondigen nog evenzeer als -destijds, maar God is door het gebragte offer verzoend en wij kunnen nu -zalig worden,” dan vraag ik u: hoe is het toch mogelijk, dat gij -u zulk een <span class="ex">onheilig</span> begrip kunt vormen van den -<span class="sc">Eeuwige</span>, den <span class= -"sc">Onvergankelijke</span>, om te gelooven, dat hij in staat zij een -bloedig <span class="ex">offer</span> aan te nemen, dat een aangeboden -zoenoffer hem kon bevredigen of omkoopen?—9<sup>o</sup>. Naar uwe -leer heeft God de zoon het bloedige offer,—namelijk, zich -zelven—aan God den Vader aangeboden; God de Vader heeft dit -(—menschen- of goden-?—) offer aangenomen en het zondig -menschelijk geslacht is nu <span class="ex">gered</span>! En dewijl nu -God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest slechts <i>een</i> -God zijn (naar uw geloof), heeft God <span class="ex">zich -zelven</span>—<span class="ex">aan zich zelven</span>—om -onzent wille (die hij met zijnen alvoorzienenden, alwetenden en -almagtigen wil schiep) ten zoenoffer gegeven!—Ik vraag het u: Wat -is dat?</p> -<p class="par">Deze vraag heb ik mijn gezond verstand gedaan en daarop -een antwoord gekregen, dat uit vijf letters bestaat, met eene o begint -<span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name= -"pb189">189</a>]</span>en eene n eindigt. Ik zou echter zeer -onbescheiden handelen, indien ik dit antwoord alhier ter nederschreef, -want ik zou daardoor als het ware te verstaan geven van oordeel te -zijn, dat zij, die dit lezen, <span class="ex">geen</span> gezond -verstand bezitten! Dit zij verre van mij. Ik houd mij in tegendeel -overtuigd, dat <span class="ex">ieder, die dit leest</span>, gezond -verstand bezit, hetwelk zoodanig op het mijne gelijkt, als het linker- -op het regteroog of de hersenen van den eenen mensch op die van den -anderen. Ik wend mij derhalve aan al die lezers, die deze vraag -beantwoord wenschen te zien, met het vriendelijk verzoek, haar aan -<span class="ex">hun eigen</span> gezond verstand te doen en ik houd -mij overtuigd, dat van honderd lezers <span class="ex">honderd</span> -een antwoord zullen ontvangen, dat, eensluidend met het mijne, uit niet -meer en niet minder dan vijf letters bestaat, met eene o begint en met -eene n eindigt. Slechts in het geval dat er onder de honderd lezers -eenigen mogten gevonden worden, die hun gezond verstand <span class= -"ex">geheel en al</span> ten offer hebben gebragt aan het blinde -geloof, zou het mogelijk kunnen zijn, dat het antwoord op de vraag -verkregen bij hen uit <span class="ex">drie</span> letters bestond, -beginnende met eene z en eindigende met eene n. Ik neem de vrijheid -deze heeren met betamelijke bescheidenheid onder de aandacht te -brengen, dat de <span class="ex">grootste</span> schat, welken de -Eeuwige den mensch heeft geschonken, die hem boven alles dierbaar moet -zijn, zijne redelijke ziel, zijn <span class="ex">gezond -verstand</span> is, dewijl hij <span class="ex">alles</span>, waardoor -hij zich boven het dier verheft, met inbegrip van zijn heilig geloof -aan God, uitsluitend aan zijn verstand te danken heeft.</p> -<p class="par">Tot zulke tegenstrijdigheden komt gij door aan te nemen, -dat eene menschwording Gods of eene regtstreeksche goddelijke -openbaring in den mensch tot de mogelijkheden behoort<span class="corr" -id="xd21e4149" title="Niet in bron">.</span> Het is de <span class= -"ex"><span class="sc">EENIGE</span></span> bron van alle dwaling en -bijgeloof, welke de Christelijke godsdienst aankleeft, zoo mede van de -vreesselijke <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name= -"pb190">190</a>]</span>misbruiken, die, in den loop der laatste -achttien honderd jaren, met wereldsche bedoelingen, zijn gemaakt van de -behoefte der menschen aan godsdienst. Niemand toch zou zich hebben -durven schuldig maken aan dergelijke misbruiken, indien hij zich niet -op de <i>woorden</i> des bijbels (die buitendien voor zeer -verschillende uitlegging vatbaar zijn), als op <i>Gods</i> woord, had -kunnen beroepen; nimmer zou hij echter den bijbel voor Gods woord -hebben kunnen uitgeven, indien hij niet het geloof aan de menschwording -Gods of de regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch als eene -vaste en algemeen erkende waarheid op den voorgrond had kunnen -stellen.—Bewijst hem nu, dat God zich op geene andere wijze aan -den mensch openbaart dan <span class="ex">door zijne -schepping</span>, dan moet noodzakelijkerwijze, <span class= -"ex">met</span> het vroeger genoemde bijgeloof, tevens al het misbruik -verdwijnen en de bijbel van dien oogenblik af ophouden <span class= -"ex">meer</span> te zijn dan het gebrekkige werk van menschen, die voor -dwalingen bloot staan. (In het voorafgaande ligt echter niet de -strekking om te beweren, dat niet zeer veel schoons, goeds en -voortreffelijks in den bijbel wordt gevonden.)—Blijft gij echter -vasthouden aan het bijgeloof, dan kunt gij, met den bijbel in de hand, -alles bewijzen, dat gij wilt;—dan staat de aarde stil;—de -dooden herrijzen;—goede en booze engelen zweven in het -rond;—al, dat wonderbaar en in strijd is met de natuur, wordt -mogelijk;—gij behoeft den bijbel slechts open te slaan om iets te -vinden, dat voor uw doel past,—om <span class="ex">dezen</span> -als ketter te vervloeken of aan gindsch boek een steen te binden en -het, aldus bezwaard, in het diepste der wateren te laten zinken; ja, -<span class="ex">kon</span> het nog twee duizend jaren op denzelfden -voet voortgaan, zoo als thans het geval is, dan zoudt gij de woorden -des bijbels zoo lang ginds en herwaarts draaijen, verzetten, verklaren -en uitleggen, totdat—<span class="pagenum">[<a id="pb191" href= -"#pb191" name="pb191">191</a>]</span>uwe Christelijke kerk <span class= -"ex">in zoo vele sekten verdeeld is als er menschen op aarde wonen of -als er woorden in den bijbel staan!</span></p> -<p class="par">Dewijl er slechts <i>eene</i> waarheid zijn kan, -vertoont uwe Christelijke kerk, met hare honderden van verschillende -sekten, wier aantal nog dagelijks toeneemt, reeds naar het -uitwendige—wanneer wij haar uitsluitend van een praktisch -standpunt, als geschiedkundig feit beschouwen, gelijk zij daar -staat,—het bewijs, dat zij <i>niet</i> in de waarheid -is.—Ga ik die kerk binnen: welk eene duffe lucht komt mij te -gemoet! alles is vermolmd en ondermijnd; de grondslagen zijn -weggebroken en de muren rusten op dunne planken, welke over deze gaten -zijn gelegd,—de planken zelven zijn echter ook reeds sedert -langen tijd vermolmd en het gansche gebouw moet onfeilbaar vroeger of -later instorten!</p> -<p class="par">De waarheid kan onmogelijk in tweeën worden -verdeeld of anders worden uitgelegd, dan zij werkelijk is. Zij is -<span class="ex">één</span> en ondeelbaar en vertoont -zich gelijk zij is: als <span class="ex">waar</span>. De <span class= -"sc">NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER VAN DEN REGTZINNIG GELOOVIGEN -MENSCH</span> kan nooit meer dan <span class="ex">eene</span> kerk, -<span class="ex">eene</span> sekte vormen, en de zuilen des tempels, -welken zij zal stichten, zijn op een hechten grond gebouwd: de gansche -schepping is haar grondslag. Het binnenste dezes tempels is voor -niemand gesloten, het altaarblad verbergt geene mysteriën. Uit de -met groene bloesems gesierde natuur waaijen eeuwiglijk welriekende -geuren den tempel binnen, en zoo lang het vriendelijke licht van zon, -maan en sterren niet verbleekt, zal ook de waarheid <span class="ex">in -deze kerk</span> niet ophouden te schijnen.</p> -<p class="par">Gij echter, die aan openbaringen gelooft, gij bevindt u -in een doolhof met oneindig lange gangen, die zich in allerlei bogten -uitstrekken en elkander in de verschillendste rigtingen doorkruisen. -Deze gangen splitsen zich tot in het oneindige <span class= -"pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span>in -nevengangen, en gij treedt ze binnen en doorloopt ze dagen lang, -nachten lang;—gij dwaalt er in rond, zonder een uitweg te vinden, -gij hebt geen kompas, waarnaar gij uwe schreden kunt rigten;—hoe -verder gij op deze bogtige paden voortgaat, des te donkerder wordt het -rondom u,—geen schijnsel van verlichting dringt daarin -door,—slechts <span class="ex">dwaallichten</span> flikkeren hier -en daar voor u op;—in plaats van opbeurenden troost maakt angst -zich meester van uwe ziel,—maar gij volgt het bedriegelijke spoor -der dwaallichten, gij begeeft u immer verder en—ten laatste staat -gij aan den rand eens afgronds, die zich voor uwe voeten -opent—onpeilbaar diep en somber;—uwe verhitte -verbeeldingskracht ziet allerlei bedriegelijke gestalten, die in den -afgrond rondwaren, ja, op den achtergrond ontwaart gij den rossen gloed -van hel en vagevuur.</p> -<p class="par">Een letterlijk geloof aan de woorden des bijbels dwingt -u niet alleen aan te nemen, dat er vroeger wonderen zijn geschied, maar -dat er in de toekomst wonderen zullen plaats hebben, zoo als de -<span class="ex">ligchamelijke opstanding der dooden</span>.</p> -<p class="par">Volgens de natuurwet zijn alle bewerktuigde ligchamen -onderhevig aan eene voortdurende verandering, en ondergaat de materie, -waaruit zij bestaan, eene onophoudelijke omzetting.—De -ligchamelijke stoffen, welke door de levenskracht in drie- en -viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden, scheiden zich na -den dood des ligchaams spoedig vanéén, de zuurstof der -lucht oefent hare werking uit en andere, eenvoudiger verbindingen -worden gevormd. Het ligchaam gaat tot verrotting over, er ontstaan -luchtvormige, druipbaar-vloeibare en aardachtige stoffen. Eenige dezer -stoffen blijven voorloopig ter plaatse waar het lijk verrot; zij -bemesten den bodem, groeijen op als gras en moeskruiden <span class= -"pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>en -worden door mensch en dier gegeten; anderen geraken verstrooid, worden -door water weggespoeld en kunnen door winden en waterstroomingen in -alle deelen der aarde, en van de noord- tot aan de zuidpool -geraken!—Eenige stofdeelen of moleculen van menschen, die voor -duizend jaren in Friesland zijn begraven geworden, vielen welligt met -den regen in lateren tijd in de Chinesche zee uit de lucht neder; -anderen kwamen door stroomingen of met schepen aan de kusten van -Amerika of naar Engeland;—zij werden door visschen opgeslokt, -deze visschen zwommen verder,—werden door Chinezen of -Nieuw-Zeelanders of door Franschen en Engelschen gevangen, opgegeten en -kwamen op die wijze in menschelijke ligchamen;—deze menschen -stierven; gras wies op hunne grafplaats; dieren aten dit gras, gaven -melk en kaas;—menschen aten deze kaas of het vleesch der dieren -en stierven;—nieuw gras groeide op, nieuwe dieren aten het gras -en strekten aan andere menschen tot spijs; deze stierven en andermaal -groeide er gras of er verhieven zich wouden boven de overblijfselen -dezer dieren en menschen.—Het hout dezer wouden werd deels tot -den scheepsbouw gebezigd en eenige der daaruit getimmerde schepen -beploegden de zeeën van de zuidelijke helft des aardbols; zij -strandden op de koraalriffen van het eiland Malicolo en leverden de -stof, waaruit met pijl en boog gewapende Polynesiërs -ontstonden;—anderen voerden Sir John Franklin naar de IJszee, -waar hij met man en muis verging; deze schepen waren, even goed als de -anderen, ruim geproviandeerd met Hollandsche boter en kaas, waarvan de -officieren en het overige scheepsvolk hadden gegeten, die nu door -ijsbeeren en visschen, zoo als deze laatsten weder door zeehonden -verslonden werden, die op hunne beurt aan Eskimo’s tot voedsel -strekten;—een ander gedeelte van het hout werd verbrand, de asch -<span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name= -"pb194">194</a>]</span>werd gebezigd om den grond te bemesten, waarop -weldra weder nieuw gras en groentesoorten wiessen, die de stof hielpen -leveren tot verschillende na elkander opgroeijende geslachten van -menschen en dieren.</p> -<p class="par">Het is derhalve zeer wel mogelijk, dat eenige stofdeelen -(of der grondbestanddeelen of van hunne verbindingen d. i. atomen of -moleculen) van de menschelijke ligchamen, welke vóór -duizend jaren in Friesland zijn begraven, thans zich bevinden in -Engeland en behooren tot het ligchaam van een lid van het Parlement, -die lord Aberdeen interpelleert over het Turksche -vraagstuk,—anderen aan de kusten der Hudsonsstraat of van de -Baffinsbaai ronddwalen in de gedaante van Eskimo’s, die zich aan -robbenvet vergasten, of thans rollen in de aderen van een Papoea op -Nieuw-Guinea;—het is mogelijk, dat anderen tot een mandarijn zijn -geworden, die thans voor Peking het zwaard in de hand houdt om de -regten van zijnen keizer te verdedigen;—anderen hebben welligt -gedurende eenige geslachten een stam van Noord-Amerikaansche wilden -helpen vormen en zijn thans in Californië, alwaar deze wilden zijn -begraven geworden, tot hooge boomen opgegroeid—en het kan wel -waar zijn, dat nog andere moleculen der stoffen, waaruit voor duizend -jaren de oude Friezen bestonden, zich thans bevinden in de tweede kamer -der Staten-Generaal te ’s Hage, in het hoofd van een der -volksvertegenwoordigers, die oppositie voert tegen het -ministerie,—of dat eenige dezer deelen, nadat zij reeds door vele -tientallen van andere menschelijke ligchamen zijn gegaan, en -achtereenvolgens aan eenige schoenmakers, kleêrmakers, -doodgravers, schouwspelers of dominé’s hebben -behoord,—nu kortelings weder door de koeijen in de weide zijn -opgegeten en op dezen oogenblik in den vorm van boter en kaas of een -rundergebraad op een van uwe tafels staan, die morgen (wanneer -<span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name= -"pb195">195</a>]</span>gij die spijzen genuttigd hebt) in uwe aderen -rollen, overmorgen echter reeds wederom op een <span class= -"ex">andere</span> plaats zich zullen bevinden.</p> -<p class="par">Gesteld, dat nu heden de „Jongste dag” ware -aangebroken en de voor duizend jaren begraven oude Friezen wederom -moesten opstaan uit hunne graven, welk een onbeschrijfelijk schouwspel -van opstanding zou zich dan aan uwe blikken voordoen!—Hoe zouden -de ligchamelijke deelen (de stoffen waaruit de Friezen -vóór duizend jaar bestonden), die thans allerwege op de -aardoppervlakte verspreid zijn, zich moeten haasten om—uit den -arm van den mandarijn in China, uit Engeland, Malicolo, van de kusten -der Baffinsbaai, uit Nieuw-Guinea, Californië, uit de tweede kamer -der Staten-Generaal te ’s Hage, uit de kaas of uit het -rundergebraad, die nog op uwe tafel staan, en uit duizend andere -ligchamen, uit gras, boomen, koeijen in de weide, visschen in het -water, menschen in de stad en op het platte land,—hoe zouden zij -zich haasten om zoo snel mogelijk naar Friesland te komen, hoe zouden -zij van verre en van nabij door de lucht vliegen, om nog te regter tijd -aan het oude graf te kunnen zijn!—Eenigen moeten slechts 5, -anderen 30 en er zijn er die 3000 mijlen moeten afleggen,—maar -alle deelen en atomen (waterstof-, zuurstof-, stikstof-, phosphorus-, -kalkaarde-, ijzer- en andere atomen) allen reizen even snel,—geen -atome kan zelfs één enkel oogenblik op het andere -wachten,—de kalkaarde toch heeft den phosphorus noodig en de -phosphorus verlangt naar de zuurstof.—Atomen, haast u! haast -u!—maakt onderweg geene kennis met elkander, wanneer gij daar -dooreen snort in de lucht,—verloochent voor heden uwe -verwantschap,—in Friesland! is uw rendez-vous,—<span class= -"ex">daar</span> moogt gij u verbinden, maar houdt u nu niet op, elke -seconde is kostbaar,—draagt zorg, dat gij aan het graf -komt!—Hoort gij het luide „geschal der -bazuin?”—<span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" -name="pb196">196</a>]</span>spoedt u voort!—„de dag van het -wereldgerigt is aangebroken! de ure der opstanding heeft -geslagen!”—Ziet hoe zij ijlen, hoe zij vliegen, hoort hoe -zij snorren!—zij komen!—daar zijn zij!—Ja, het -goddelijke magtwoord heeft uitgewerkt, dat zij allen, allen te regter -tijd aan het graf zijn bijéén gekomen, opdat—de -doode zou kunnen opstaan.</p> -<p class="par">Goed. De doode rijst op. Daar staat de Fries!</p> -<p class="par">Hoe zonderbaar dit alles ook moge toeschijnen, het is -echter <span class="ex">denkbaar</span> en zou derhalve mogelijk zijn -voor de goddelijke almagt.—Maar wacht eens! halt!—Wat moet -er gebeuren met het lid van het parlement, die lord Aberdeen -interpelleerde? Wat moet er worden van den braven John Franklin en van -de Eskimo’s,—van den ongelukkigen Lapeyrouse en van zijne -matrozen,—van de Papoea’s, van den mandarijn in China, van -de Noord-Amerikaansche wilden, van het oppositie lid der -Staten-Generaal te ’s Gravenhage,—van de schoenmakers, -kleêrmakers, professoren, doodgravers, schouwspelers, en bovenal -wat moet er van de dominé’s worden? die zullen toch ook -gaarne willen herrijzen en hebben even billijke aanspraken op de -goddelijke geregtigheid!—Hoe moet daarmede nu gehandeld -worden?—De ligchamelijke stof, waaruit zij—ten -deele—bestonden, is immers naar Friesland teruggekeerd, en aldaar -gebezigd geworden tot eene hernieuwde daarstelling van de ligchamen der -oude Friezen!—voor de menschen, die <span class="ex">later</span> -uit deze stof zijn gevormd geworden, is toch niets meer overig gebleven -of er ontbreekt althans iets aan!—deze hebben een arm, genen een -been te weinig, aan den één ontbreken 95 atomen stikstof, -bij den anderen 1000 atomen waterstof, en aan het oppositie lid der -Staten-Generaal te ’s Hage ontbreekt welligt het gansche -hoofd!—Zonder hoofd kan men toch niet uit den dood -opstaan!—Neen, dat gaat niet. <span class="pagenum">[<a id= -"pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="ex">Dezelfde stof</span> heeft toch -<span class="ex">achtereenvolgens</span>, op verschillende tijden, zeer -vele ligchamen van menschen gevormd,—de materie loopt immers in -een eeuwigdurenden kring en gaat onophoudelijk van het onbewerktuigde -rijk in het bewerktuigde, in planten, dieren en menschen over en keert -uit deze weder in het onbewerktuigde rijk terug!—De stof neemt -nimmer toe, noch af, maar ondergaat eene voortdurende omzetting en een -en hetzelfde atome zal tot aan den „jongsten dag” welligt -tot een millioenen ligchamen of meer hebben behoord, welke het -achtereenvolgens hielp daarstellen! - - - Gemakkelijk laat het zich -bevroeden, dat het zelfs voor de goddelijke almagt volstrekt onmogelijk -zou zijn, dat millioen menschen in eens in hunne vroegere ligchamelijke -gestalte te voorschijn te doen komen, dewijl toch <span class= -"ex">hetzelfde</span> atome slechts aan <span class="ex">een</span> -hunner te gelijker tijd kan toebehooren en, zoo lang het aan dezen -eenen behoort, natuurlijkerwijze aan de overige 999999 ontbreken -moet!—Maar wat meer zegt, zelfs gedurende het leven bestaat het -bewerktuigde ligchaam geen twee dagen lang uit <span class= -"ex">dezelfde</span> stof, dewijl het onophoudelijk nieuwe stofdeelen -opneemt en de ouden uitwerpt.—De gansche schepping van dieren en -menschen, welke uit vele millioenen van individuen kan bestaan hebben, -en vóór 3000 jaren op de aarde leefde,—vervolgens -stierf en begraven werd, <span class="ex">zij ligt thans niet meer -in de aarde</span>, maar is reeds sedert lang -opgestaan!—<span class="ex">Dezelfde</span> stof, waaruit zij -bestond, bevindt zich in dezen oogenblik misschien in <span class= -"ex">ons</span>,—in de thans levende schepping van dieren en -menschen,—nadat zij intusschen gedurende de verloopene 3000 jaren -door talrijke andere levende geslachten is gegaan.</p> -<p class="par">„Het ligchaam zal tot stof wederkeeren, waaruit -het genomen is;” dat wil zeggen, de stof is, wel is waar, -onvergankelijk,<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= -"pb198">198</a>]</span>—maar <span class="ex">veranderlijk -van gedaante</span>; zij is onophoudelijk in beweging en de stoffen -scheiden zich vaneen of gaan nieuwe verbindingen aan zonder ophouden. -De geestelijke kracht, de ziel alleen, is onveranderlijk en eeuwig. Wij -behooren derhalve de ligchamelijke opstanding der dooden als een -schadelijk bijgeloof te verwerpen en slechts aan een wonder te -gelooven, dat is, aan <span class="sc">HEM</span>, dien wij aanbidden -en niet begrijpen, van wiens aanwezen echter wij zelven, zoo mede de -gansche schepping en de eeuwige onveranderlijke wetten, die haar -beheerschen, de getuigen zijn. <span class="ex">Want God is eeuwig -dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig</span>.</p> -</div> -</div> -<div id="ch24" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">24.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>God is voortdurend werkzaam: <span class= -"ex">wij moeten arbeidzaam en vlijtig zijn</span>.</i></p> -<p class="par">In de natuur blijft niets, zelfs niet gedurende een -enkelen oogenblik onveranderd, staat niets gedurende een enkelen -oogenblik stil; de tijd gaat onophoudelijk voort.—Laat ons een -nuttig gebruik maken van de handbreedte tijds, welke de maat is van -onzen levensduur en verslapen wij dien niet. Wij moeten vlijtig zijn -en, indien wij ons doel willen bereiken, volhardend in vlijt.</p> -<p class="par">Wij zullen het genot der rust eerst dan leeren schatten, -wanneer wij vermoeid zijn van den arbeid. Wij moeten arbeiden, elk in -zijn vak, <span class="ex">totdat</span> wij vermoeid zijn. -<span class="ex">Wij moeten nimmer ledig gaan, indien wij niet -vermoeid zijn.</span></p> -<p class="par">God heeft ons geschapen, opdat wij op hem zouden -gelijken en <span class="ex">leven</span>. Indien wij langer slapen dan -noodig is, <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name= -"pb199">199</a>]</span>indien wij zonder vermoeid te zijn, ons op de -rustbank nederleggen, dan handelen wij ondankbaar jegens de weldadige -bedoeling van God, wij verkorten ons leven en leven dan slechts half. -Lediggang is zonde. Wij moeten vlijtig en arbeidzaam zijn, <span class= -"ex">want God is voortdurend werkzaam</span>.</p> -</div> -</div> -<div id="ch25" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">25.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wanneer wij bij het nadenken over het geschapene -en zijn oorsprong aan de grens zijn genaderd, alwaar ons -begripsvermogen ophoudt, dan verrijst de hoop voor onze -blikken.—Uit de beschouwing der natuur en van ons zelven zijn wij -tot de erkentenis gekomen, dat een eeuwige, verstandige geest in deze -schepping leeft. Zijn wezen, zoo mede onze bestemming en toekomst -kunnen wij niet doorgronden. Maar uit de verschijnselen en wetten der -natuur hebben wij de hoedanigheden Gods afgeleid, en hierin de -voorschriften onzer godsdienst en zedeleer gevonden.—Dit zijn de -hemelsche sterren, die het aardsche leven vriendelijk beschijnen. Bij -deze helderblinkende sterren voegde de Onvergankelijke nog eene zachte -maan en hij gebood, dat haar weldadig licht nimmer zou worden -uitgedoofd in het gemoed van den deugdzamen mensch: <span class= -"ex">hoop</span> is haar naam.—Nergens kunnen wij waarheid, -nergens duurzame bevrediging des harten vinden, dan in de beoefening -der natuur,—in de beschouwing harer ligchamen, harer stille, -eeuwig zich gelijk blijvende krachten; want hierin zien wij de sporen -van den Onvergankelijke, die zich weder in onze eigene ziel -afspiegelen.—Wij moeten het verhevene, het groote, dat zich in de -natuur openbaart, niet bespotten. God moet ons heilig zijn.—God -is wijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk getrouw <span class= -"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>en -werkzaam. Wij moeten er naar streven dit <span class= -"ex">insgelijks</span> te zijn. Dit geloof moeten wij gedurende ons -gansche leven geen oogenblik laten varen; wij zullen er <span class= -"ex">vertrouwen op ons</span> zelven uit putten en het zal ons sterken -in de wederwaardigheden onzes levens, ja, het zal ons troosten, wanneer -wij twijfelen of aan iets onbegrijpelijks komen.</p> -<p class="par">Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen, -die zoo vol landen, klippen en eilanden is, moet dit <span class= -"ex"><i>geloof</i></span> zijn;—<span class= -"ex"><i>liefde</i></span> moet de kracht wezen, die onze zeilen doet -zwellen; wijsheid behoort aan het stuurrad te staan en—ons -plegtanker, dat vóór aan den boeg hangt, ’t welk -men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de oneindige -zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat, dit moet -zijn—de <span class="ex"><i>hoop</i></span>.</p> -<p class="par">EPILOOG.</p> -<p class="par">Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne -preek tegen het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan -openbaring.</p> -<p class="par">Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen -gerangschikt mogen worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is, -begrijpen en met mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de -maatschappij, dat het aantal diergenen groot moge zijn.—Trouwens, -gij—heiligen van den jongsten dag, gij, <span class= -"ex">Groene</span>, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat tot over -de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist als de -visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche wereld uit -water bestaat. En wanneer <span class="pagenum">[<a id="pb201" href= -"#pb201" name="pb201">201</a>]</span>nu eens bij een geleerde onder -hen—onder de visschen—een duister voorgevoel opkomt, dat er -welligt ook <span class="ex">lucht</span> in de wereld is, dan -verbeeldt hij zich toch, dat die eene doodelijke gassoort moet zijn, -waarin al dat leven heeft, onfeilbaar moet verstikken!—En wie mag -zich daarover verwonderen? Gij hoort, ziet, ruikt, smaakt en gevoelt -toch van uwe prille jeugd tot aan uw zalig uiteinde niets anders dan -<span class="ex">Christelijke</span> polsen, <span class= -"ex">Christelijk</span> brood en wijn, <span class= -"ex">Christelijken</span> wierook of damp, <span class= -"ex">Christelijke</span> kerken en <span class= -"ex">Christelijke</span> predikatiën,—gij schrijft -<span class="ex">Christelijke</span> anthropologien, draagt -<span class="ex">Christelijke</span> brillen op uw neus,—de -menschenliefde hebt gij afgeschaft, ’t moet <span class= -"ex">Christen</span>liefde heeten, „dampkringslucht” is -eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan -<span class="ex">Christelijke</span> lucht, gij drinkt echt -<span class="ex">Christelijk</span> water en, moogt gij ook -somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des te -<span class="ex">Christelijker</span>,—gij laat u -<span class="ex">Christelijk</span> begraven en vaart dan—op -naar den <span class="ex">Christelijken</span> hemel, die zich met -de zon, de maan en alle sterren dagelijks om de kleine aarde -draait.</p> -<p class="par">Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een -dergelijken bril draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de -visschen predikt: „Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht, -die men hier tusschen de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is -het heldere licht, het licht der waarheid, dat hier boven -schijnt!—Gij arme visschen, wilt gij dan eeuwig in het troebele -water blijven en u over den modderigen bodem rondwentelen? of u zelfs -laten <span class="ex">visschen</span> en vangen met den angel -<span class="ex">Groen</span>—angel geel of angel -blaauw?—of van welke kleur zij mogen zijn, deze takken van den -boom met twee wortelen: <i>a</i> en <i>b</i>. Komt toch boven en volgt -mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u -visschen.”—Hu! dat hebben de getrouwe geburen der -<span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name= -"pb202">202</a>]</span>visschen, namelijk, de <span class= -"ex">kikvorschen</span>, die aan den kant zitten, gehoord en nu -beginnen zij te kwaken, <span class="ex">allen te gelijk, -met</span> <i>eene</i> <span class="ex">stem</span>: „Visschen! -Visschen! Wacht u voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom; -maar gij kunt immers <span class="ex">hooren</span>? Gij kunt immers -<span class="ex">gelooven</span>?—wel nu, gelooft hem -<span class="ex">niet</span>! Hoort <span class="ex">niet</span> naar -hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind, naar -dezen bezetene!—Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft ons -kikvorschen: <span class="ex">wij</span> zeggen u de waarheid! het -heldere licht daarboven kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht -moet gij verstikken, geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs -kunnen haar niet goed verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer -wij <span class="ex">kwaken</span> willen, ademen wij die lucht eens -even in. Dat weet gij immers wel.—Wij blijven het liefst bij u in -het moeras! Is dat dan niet volkomen waar?—Daarvan kunt gij u met -uwe eigene oogen overtuigen!”—en plomp, plomp! daar -springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar schieten -zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het hart der -visschen van vreugde bonst.”—<i>Dat</i> zijn eerst -overtuigende bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door -de gehoudene predikatie en—zwemmen voort.</p> -<p class="trailer xd21e1362">(<i>Vervolg hierna.</i>)</p> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb202.1" href="#pb202.1" name= -"pb202.1">I</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e2941" href="#xd21e2941src" name="xd21e2941">1</a></span> Hierop -maakt de mensch somtijds eene uitzondering, bij voorbeeld, de -huichelaar en schijnheilige. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e2941src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e2960" href="#xd21e2960src" name="xd21e2960">2</a></span> De -komeet van Encke maakt hierop geene uitzondering, want zoodra de -oorzaak der versnelde beweging met zekerheid bekend zal zijn, zullen de -berekeningen met de verschijnselen overeenstemmen. <a class= -"fnarrow" href="#xd21e2960src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e3430" href="#xd21e3430src" name="xd21e3430">3</a></span> -„Toch werden ook toen reeds enkelen gevonden, die zich vrij -hadden gemaakt van het bijgeloof hunner tijdgenooten. Ten bewijze -hiervan strekt onder anderen eene brochure, gedrukt in 1851 en -getiteld: Belangrijke vragen over de verrigtingen der -Christen-Zendelingen onder de Heidenen, door een Christen, te Amsterdam -bij gebroeders Diederichs,—waar op bladz. 10 de volgende -merkwaardige woorden te lezen staan: „Hoe lang zullen wij dan nog -werk hebben, eer wij naderhand van het tegendeel overtuigd worden? -<span class="ex">Menig geloovig Christen heeft 25 jaren van onderzoek -noodig gehad, om van deze dwalingen in zijne jeugd opgedaan terug -te komen</span>, en men bemerkt nog heden ten dage aan menig -Christenleeraar, hoe diep die dwalingen der oudheid zijn ingeworteld, -daar hij dezelve nog verdedigt, ja zelfs tot stichting zijner gemeente, -gelijk hij meent, opentlijk voordraagt, welke gemeente dan, om kerk en -leeraar niet opzettelijk te vermijden, het een en ander heel wat beter -moet weten toe te passen, om zijne woorden tot stichting te -herleiden;—<span class="ex">ieder gevoelt hoe moeijelijk het -moet vallen zulke vooroordeelen te overwinnen, in Christenlanden, waar -men die van jongs af heeft ingezogen</span>.” <a class= -"fnarrow" href="#xd21e3430src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="verklaring" class="div1 preface"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VERKLARING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De mededeeler der „Licht- en Schaduwbeelden -uit de binnenlanden van Java,” heeft zijnen naam niet genoemd. -Hij hoopt zelfs, dat zijn naam <span class="ex">nimmer</span> bekend -zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen en dwalingen -bestreden en daarentegen de goede zaak der <span class="ex">waarheid en -verlichting</span> verdedigd, welke hij door een persoon onder den -verdichten naam van <span class="sc">Dag</span> liet vertegenwoordigen. -Het is eene groote en schoone zaak. Duizenden—en deze niet de -minst edelaardigen in den lande—zijn in de stilte met geestdrift -daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder geschreven wordt, beteekent -een individu. Een mensch is klein en zwak, en ieder heeft zijne -gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare <span class= -"ex">eigene verdedigster</span> zal zijn, en het is niet uit -<span class="ex">on</span>bescheidenheid, dat hij zijnen naam -verzwijgt.</p> -<p class="par">Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is -naauwelijks het honderdduizendste gedeelte <span class= -"ex">zijn</span> eigendom, en ook dit honderdduizendste gedeelte -slechts in zoo verre als hij <span class="ex">een weinig</span> heeft -mede gearbeid aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij -<span class="ex">zijne eigene</span> vijf zinnen niet ongebruikt -heeft gelaten, om in het levende boek der natuur te lezen en de -schriftteekenen der schepping zoo getrouw mogelijk te verklaren. Al het -overige gedeelte des <span class="pagenum">[<a id="pb202.2" href= -"#pb202.2" name="pb202.2">II</a>]</span>inhouds van dit geschrift is -het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben geleverd tot -verklaring van het boek der schepping, die allen hebben medegewerkt om -waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor bijgeloof en -dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een bewijs van -aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler dezes zijnen -naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van personen op den -titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld te worden van die -<span class="ex">duizenden</span>, welke sedert den tijd van Galilei en -Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter -een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der namen -van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de -mededeeler hen allen te zamen onder den naam van <span class= -"sc">Dag</span>, d. i. waarheid, verlichting, welken hij op den titel -stelde. De billijkheid vorderde derhalve, dat hij zijn eigen naam -verzweeg, dewijl hij hoogstens naar de eer kan dingen <span class= -"ex">één</span> dier duizenden te zijn.</p> -<p class="par">Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten, -zonder in eene wederlegging der <span class="ex">zaak zelve</span> te -treden, hunne aanvallen gerigt tegen den schrijver,—hoezeer deze -onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van „<i>verregaande -domheid</i>,” anderen van „<i>verregaande -onbeschaamdheid</i>;” zij noemden zijn boek een -„<i>vuilaardig schotschrift</i>;” zij gaven den lezer den -raad „<i>er een steen aan te binden en het in den Eufraat te -werpen</i>;” er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de -schrijver „<i>zijn <span class="ex">naam</span> zou -noemen</i>” (—waarom?—) en anderen verheugden zich, -dat hij „<i>zijn naam <span class="ex">verzwegen</span> had, -dewijl zij dit als een bewijs beschouwden, dat hij nog niet -<span class="ex">alle</span> gevoel van schaamte had uitgeschud, maar -integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te -verdedigen</i>.” <span class="pagenum">[<a id="pb202.3" href= -"#pb202.3" name="pb202.3">III</a>]</span></p> -<p class="par">Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog -doen verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder. -Zij namen het zelfs den <span class="ex">uitgever</span> kwalijk, dat -hij een „dergelijk boek” in het licht had gezonden en gaven -hem duidelijk te verstaan, dat hij wel zou doen het vervolg er van -<span class="ex">niet</span> te leveren.</p> -<p class="par">Deze en andere beschuldigingen, welke den <span class= -"ex">uitgever</span>—geheel onverdiend—werden te last -gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest, dat hij mij heeft -verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven, tenzij ik, door -het stellen van mijnen naam voor het geschrift, de verantwoordelijkheid -daarvan op mij—<span class="ex">op mij -alleen</span>—nam, onder bijvoeging dat het gansche werk op -<span class="ex">mijne</span> kosten werd uitgegeven.</p> -<p class="par"><i>Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al -overeenkomstig is met de waarheid, dat de</i> <span class= -"sc">UITGEVER</span> <i>volkomen vreemd is aan den inhoud van het -geschrift, dat het op</i> <span class="sc">MIJNE</span> kosten is -uitgegeven en dat <span class="sc">IK ALLEEN</span> <i>verantwoordelijk -ben voor den inhoud</i>.</p> -<p class="par">Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet -noemen, tenzij ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. <i>Gij</i>, -heeren recensenten, kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft -alleen bewerkt, dat het boek <span class="ex">een anderen -uitgever</span> heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt u gaarne tot -eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen, de vrijheid van -drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de uitgave verhinderen -van zulke geschriften, die u mishagen,—of, indien dat niet -gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des schrijvers kennen. Velen -onder u zouden zoo gaarne een <span class="ex">persoon</span> als -doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun dan -gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek van de -<span class="ex">zaak</span> af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen: -„Hij heeft den <span class="ex">moed</span> <span class= -"pagenum">[<a id="pb202.4" href="#pb202.4" name= -"pb202.4">IV</a>]</span>niet zijn naam te noemen.” Ik verklaar, -echter dat het mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als -een <span class="ex">lafaard</span> beschouwen, dan dat de vrienden der -zaak door broeder <span class="sc">Dag</span> verdedigd, mij van -<span class="ex">onbescheidenheid</span> kunnen beschuldigen. En -daarenboven al uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen! -Het is waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb -mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt: -innige, vaste, onwankelbare <span class= -"ex">overtuiging</span>!—Op dit pantser zullen al uwe pijlen -afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij slechts in zoo -verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt, u de woorden toe -te roepen, die gij <a class="biblink xd21e41" title= -"Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href= -"https://www.biblegateway.com/passage/?search=Lk%2023:34&version=HTB"> -Lukas XXIII vs. 34</a> lezen kunt.</p> -<p class="par">Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite -niet, het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers -te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te -bestrijden, waarom verzwijgt <span class="ex">ook gij</span> niet -liever <span class="ex">uwe namen</span>?—Spreekt toch niet van -personen, maar blijft bij de zaak,— —<span class="ex">noemt -u <span class="sc">Nacht</span>!</span>—en wederlegt (indien gij -kunt) de leerstellingen van <span class="sc">Dag</span>.</p> -<p class="par signed"><i>S. ... Julij</i>, 1854. <span class= -"sc">Dag.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" -name="pb203">203</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="pt3" class="div0 part"> -<h2 class="super">VERHALEN EN GESPREKKEN<br> -UIT DE<br> -BINNENLANDEN VAN JAVA.</h2> -<h2 class="label">3.</h2> -<p class="par first">Toen ik den volgenden morgen<a class="noteref" id= -"xd21e4657src" href="#xd21e4657" name="xd21e4657src">1</a> ontwaakte en -van mijne legerstede opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> de hut reeds had verlaten. Ik zocht hem -overal in het dorp, maar nergens kon ik hem vinden. Eindelijk kreeg ik -hem in het oog; ik zag hem in de verte op den top des Goenoeng-Soesoe, -waar hij, in diep gepeins verzonken, den oogenblik scheen af te -wachten, waarop de zon boven den horizon zou verrijzen. Later -verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke godsdienst meer -had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de gronden vroeger -door mij tot staving <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" -name="pb204">204</a>]</span>mijner gevoelens aangevoerd. Mijne -zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij -verdedigd ter bestrijding van de „geopenbaarde godsdienst,” -wenschte hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den -huidigen dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de -hand en ging toen mijn eigen weg.</p> -<p class="par">Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche -priester mij te gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne -landslieden, in het dorp aanwezig, slechts één enkele -werd gevonden die Orang Natsarani, dat wil zeggen, Christen of, -woordelijk gesproken, Nazarenermensch wilde worden. <span class= -"ex">Mijne</span> agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op -al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht, -dat ik hem mijn boek „Kitab” (eigenlijk heilig boek of -bijbel) zou leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te -lezen en vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne -voldeed ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het -Maleisch geschreven uittreksel af van het „Evangelie van den -regtzinnig geloovigen mensch,” welks geest en strekking ik den -vorigen avond getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne -vraag, wie dan toch de nieuwe Orang el Meseh<a class="noteref" id= -"xd21e4670src" href="#xd21e4670" name="xd21e4670src">2</a> was, -verkreeg ik ten antwoord dat het de bediende mijns broeders was, welke -dien wensch had te kennen gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat -een spotachtige trek zich op het gelaat van den Imam (priester) -vertoonde, toen hij den naam van „Lapiah” noemde, van den -slimmen vogel, dien de lezer reeds ten deele aan zijne vederen heeft -leeren kennen.</p> -<p class="par">In mijn binnenste speet het mij, dat de <span class= -"ex">goede kern</span> van <span class="pagenum">[<a id="pb205" href= -"#pb205" name="pb205">205</a>]</span>de zedeleer des Hebreërs van -Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen; wat echter de -handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde ik mij in geenen -deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa, behalve de werkelijk -goeden en de van harte geloovigen,<a class="noteref" id="xd21e4680src" -href="#xd21e4680" name="xd21e4680src">3</a> zeer dikwerf ook -<span class="ex">dergelijke</span> personen aan den Messias en aan -de leer „der verlossing van zonden door het bloedige offer van -Gods zoon” gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben -bedreven, en grooten lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke -menschen brengen hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort -met zondigen), zoomede <span class="ex">dezulken</span> die volstrekt -geene behoefte aan godsdienst hebben, zoodat het hun onverschillig is -<span class="ex">wat</span> zij gelooven of uit eigenbaat <span class= -"ex">huichelen</span> te gelooven. Indien echter een goede kern in -Europa geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen, -bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en -onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden -kon dan eenen <span class="sc">Lapiah</span>,—dan moet zij -inderdaad wel <i>zeer</i> dik met stof en dwalingen bedekt -zijn!—Wat broeder <span class="sc">Nacht</span> hierover wel zal -zeggen?</p> -<p class="par">Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij -met twee mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke -wijze als gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg -begaf naar een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten -einde dien te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en -aan de reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. -Met de beschrijving van mijn „dagelijkschen arbeid” wil ik -echter den lezer <span class="ex">dezer</span> bladen niet vermoeijen. -<span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name= -"pb206">206</a>]</span></p> -<p class="par">Door en door warm van de brandende zonnestralen en -druipnat van zweet, kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in -de gelegenheid om de oude spreuk te bevestigen: „in het zweet -uwes aanschijns zult gij uw brood eten.”—Zweet? -Ja.—Brood? Ja, en nog iets beters dan dat: lust tot den arbeid, -levensgenot, menschenliefde, <span class="ex">geluk</span> en—een -van dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst -was insgelijks de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het -distriktshoofd hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij -mijn broeder had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander -geslagen, zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven -in zijne op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem -daarvan wilde ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, -bragt die met eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief -uit den omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde -daarop even plegtig als vroeger zijn „Sĕmbah.” Niet -vóór ik den brief geopend en hem gezegd had, dat alles -goed was, stond hij op en verwijderde hij zich in eene bukkende, -onderdanige houding. De lezer zal wel bevroeden dat deze eerbewijzingen -niet mij, maar den <span class="ex">brief</span> golden, die van een -zijner <span class="ex">hoofden</span> kwam.</p> -<p class="par">Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in -de nabij staande hutten en vond hem in een er van in eene hevige -woordenwisseling met <span class="sc">Lapiah</span>, dien hij beval -zich te verwijderen en welke mompelend gehoorzaamde. Drie andere -Javanen die zich in de hut bevonden, zwegen nu insgelijks stil, dewijl -zij bespeurden dat mijn broeder toornig was. Uit eenige woorden die ik -had opgevangen, als Isa el Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het -vermoeden dat zij over onderwerpen, het geloof betreffende, hadden -gesproken. Ik erlangde hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders -<span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name= -"pb207">207</a>]</span>mond, die mij te kennen gaf dat hij, in gevolge -van zijn wensch en dien der dorpsbewoners, dezen avond weder bestemd -had tot het houden eener bijeenkomst en, dewijl hij behoefte gevoelde -om verscheidene punten nader toe te lichten, hoopte hij dat deze -afspraak mij niet ongelegen zou komen.</p> -<p class="par">Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval -was, las ik hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die -met eene zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer -van den volgenden inhoud was: „Vele groeten aan de Heeren -<span class="sc">Dag</span> en <span class="sc">Nacht</span> van mij -Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden<a class="noteref" id="xd21e4740src" -href="#xd21e4740" name="xd21e4740src">4</a> Kapala tjoetak, enz. Het is -mij niet mogelijk Koeli’s aan de Heeren te zenden buiten de -grenzen van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het -grensdorp Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe -aankomst aldaar tien Koeli’s te verschaffen en u tot aan het -volgende dorp te vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn -bevel verder moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel -<span class="corr" id="xd21e4746" title="Bron: dniden">duiden</span>, -indien ik u de opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving -moeten bekomen, wanneer Orang Wolanda’s in het binnenland reizen; -ik heb echter nog geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve -het plan opgevat onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten -einde den regent om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte -van de wijze waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen.” Wij -zagen nu duidelijk in dat er voor ons niets anders overschoot, dan -nogmaals een beroep te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten -einde door hunne tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij -gelegen distrikt te kunnen bereiken. <span class="pagenum">[<a id= -"pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span></p> -<p class="par">De Kalong’s togen weder over onze hoofden naar het -gebergte, de paauwen vlogen al gillend door het dal en het -insektengegons, waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, -werd allengs meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in -dezelfde hut vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op -den vloer bijeen; ook de <span class="sc">Imam</span> zat met de beenen -kruislings over elkander vóór hen en wij hadden onze oude -plaats in de nabijheid van den wand weder ingenomen, waar de beide -lampen een schemerachtig licht verspreidden.</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Zeer geachte heeren! -Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid gehad ons, onwetende -Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst, waarvoor wij u bij deze -onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven dat gij het werkelijk -goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is almagtig, alomtegenwoordig, -alwijs, algoed en volkomen regtvaardig; dat alles is ons sedert lang -bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar streven moeten om Gode gelijk -te worden, om deugdzaam te zijn en onze medemenschen lief te hebben; -ook dat weten wij <span class="corr" id="xd21e4759" title= -"Bron: sints">sinds</span> lang en dit staat mede zeer schoon -beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer <span class= -"sc">Nacht</span><a class="noteref" id="xd21e4764src" href="#xd21e4764" -name="xd21e4764src">5</a> gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden -bestaat, een Vader, een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op -aarde moet gekomen zijn om zich voor het menschdom op te offeren en -allen, die in hem gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den -hemel te brengen; dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou -onregtvaardig gehandeld zijn van den Albarmhartige, <span class= -"ex">dewijl wij niet daaraan gelooven</span>. Wij gelooven -veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet of berouw -koestert over zijne zonden, <span class="pagenum">[<a id="pb209" href= -"#pb209" name="pb209">209</a>]</span>in den hemel komt, en dat de -Albarmhartige een <span class="ex">Eenig</span> groote God is. Mijne -landslieden, hier om mij verzameld, hebben mij den last opgedragen den -zeer geëerden Heer <span class="sc">Nacht</span> te verzoeken, het -hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen willen worden en -niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen <span class= -"sc">Lapiah</span>, de bediende van den Heer <span class= -"sc">Nacht</span>.</p> -<p class="par"><span class="sp">LAPIAH.</span> Neen; ik ook niet. Mijn -Heer heeft mij gezegd dat elk Christen zijne medechristenen even lief -moet hebben, als zich zelven; dat heeft hij echter niet willen doen. -Mijn Heer rookt dagelijks twaalf manilacigaren; ik ben ook een -liefhebber er van en heb slechts twee van de twaalf voor mij gevraagd, -maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn Heer is rijk genoeg en ik heb hem -slechts om 5 gulden toelaag per maand tot mijn loon verzocht, ten -einde, na den afloop der reis, mij nog eene vrouw te kunnen -aanschaffen; maar op het hooren van dit voorstel is mijn Heer boos -geworden en heeft mij toegevoegd: maak je weg, lummel! Jij behoeft geen -Christen te worden. Wat helpt nu zulk een fraaije leer, indien zij -slechts in boeken te lezen staat en er niet naar gehandeld wordt? Om -die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Luister eens <span class= -"sc">Lapiah</span>; gij zijt steeds vriendelijk door mij behandeld -geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet zijt en -het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of gij u -Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het gebod -„hebt uwe naasten lief gelijk u zelven”, kan en mag niet -uit het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften -heeft, hetgeen zoo veel wil zeggen als: „iedereen lief te hebben -<span class="ex">naar de mate waarop hij aanspraak -heeft</span>.” Dat ik deze leer inderdaad navolg, hiervan zal ik -u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee van mijne -manilacigaren <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name= -"pb210">210</a>]</span>hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5 -gulden toelaag bekomen en <span class="ex">behouden, zoo lang gij -uwe vrouwen liefderijk bejegent</span> en u goed gedraagt. -Maar—Christen zult <span class="ex">gij niet</span> worden, -dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten, -dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken, -slechts <i>mis</i>bruik er van wilt maken.</p> -<p class="par">(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: -„ongeveer gelijk dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk -algemeen, loffelijk gebruik geworden is.”)</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Ik ben zeer beducht, -achtingswaardige Heer! dat zulks met het grootste gedeelte mijner -landgenooten het geval zijn zou. Duidt mij de aanmerking niet ten -kwade, maar eene leer, die eerst moet uitgelegd en verklaard worden, -alvorens haar toe te kunnen passen, kan geene volle, van God afkomstige -waarheid zijn, zoo als trouwens mijn Heer uw broeder <span class= -"sc">Dag</span> zelf reeds heeft gezegd.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Daar hebt gij -het!—Ware deze heer <span class="sc">Imam</span> met zijn Koran -en gij met uw „Evangelie der natuur” er niet tusschen beide -gekomen, dan zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig -schoon gevonden en aangenomen hebben.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Maar, beste broeder, hoe -kunt gij u bedroeven over deze tusschenkomst? Of zoudt gij durven -beweren dat er eenige verdienste in gelegen was, het Christendom in te -voeren onder een volk dat nog op den allereersten trap van zedelijke -ontwikkeling staat, zoo als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, -wier oordeel weinig geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe -mate ontwikkeld zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, -<span class="ex">zulke</span> menschen te overreden om het Christelijk -geloof te omhelzen, die nog nimmer van eene andere leer hebben gehoord, -aan wie slechts deze <span class="ex">eene</span> leer—en dat nog -zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling—<span class= -"pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name= -"pb211">211</a>]</span>wordt kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd -geene sprake kan zijn van het doen eener <span class="ex">keuze -tusschen deze</span> en eene andere leer?—Wat verhinderde dan -deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te -verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op hen -uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten tusschen -ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat kan hen -daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen moet -gezocht worden in hunne <span class="ex">overtuiging</span>, in de -overtuiging dat de grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die -zij begrepen, werkelijk op de waarheid steunen?—En deze zoudt gij -met voorbedacht voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de -hand en fluisterde mij toe: „gij hebt gelijk; terstond zal ik mij -nader verklaren.” Ik ging hierop voort.) Ik weet welke -bewijsgronden door orthodoxe predikanten, presidenten van -zendelinggenootschappen en dergelijken ter verdediging hunner -Evangelische woelingen in vreemde landen gewoonlijk worden gebezigd. -Zij zeggen dat de invoering van het Evangelie b. v. op de -Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de wildste menschen, ja, geheel -ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen heeft in de zachtaardigste -lammeren!—Ik echter antwoord daarop: dat heeft het Christelijke -<span class="ex">dogma</span> niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling, -de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming van -menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs, die -zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor -oogen hadden,—<span class="ex">deze</span> moeten beschouwd -worden als de oorzaken, welke die verandering bij gindsche woeste -volken hebben te weeg gebragt, en deze verandering zou bij hen hebben -plaats gegrepen, al hadden zij het Christendom <span class= -"ex">niet</span> op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats -<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name= -"pb212">212</a>]</span>van deze, eene andere godsdienst, b. v. de -Boedha- of de Mohammedaansche godsdienst nog <span class= -"ex">mede</span> op de koop daarbij hadden ontvangen.</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Hetgeen gij, waarde Heer -<span class="sc">Dag</span>, ons voorgedragen en later op schrift ter -lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja, wat meer is, -wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden mij verzocht -hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te verklaren. Ik ben -in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit G. hier heen gekomen -om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het besluit opgevat, om -mij alhier neder te zetten en het Evangelie van den regtzinnig -geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te dragen en daarin -onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat wij Isa el Meseh -als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en hierin stemt uw -Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval is, met ons -wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden wij nopens twee -onderscheidene punten eenige nadere inlichting van u wenschen te -ontvangen.</p> -<p class="par">Het <i>eerste</i> punt is van den navolgenden aard. Wij -Javanen hebben van oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den -doode, welke ons in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De -mogelijkheid daarvan wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. -Dit doet ons leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der -afgestorvenen, de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom -achten en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en -gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien, naar -hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd -vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht -en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar het -werd begraven. Indien dat het <span class="pagenum">[<a id="pb213" -href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>geval ware, zouden wij het -even goed dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!—Zou -echter zulk eene ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige -werking uitoefenen op de levenden en eene wederkeerige -onverschilligheid of liefdeloosheid ten gevolge kunnen hebben?</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Er waren in der tijd vele -volken, gelijk er nog heden ten dage gevonden worden, die hunne dooden -verbranden; ja, hier op Java zelf bestond vroeger diezelfde gewoonte, -alvorens met den Koran de leer van de ligchamelijke opstanding uit den -doode en de heilige eerbied voor de graven alhier werd ingevoerd. -Sommige volksstammen werpen de lijken <span class="corr" id="xd21e4885" -title="Bron: hurner">hunner</span> afgestorvenen op bepaalde plaatsen -neder, waar zij door gieren en ander wild gedierte worden -verslonden.—Verre zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter -navolging zou willen aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij -overeenkomstig de natuur een lijk slechts zoo lang met eerbied en -teedere belangstelling kunnen behandelen, als het den menschelijken -vorm nog bezit welke ons den geliefden afgestorvene herinnert; zoodra -echter de ontbinding aanvangt dezen vorm te vernietigen en het lijk -(dat nu geen mensch meer is) in onaangenaam riekenden stof doet -overgaan, moeten wij het ook als onaangenaam riekende stof behandelen, -begraven of verbranden. Eene langduriger vereering van lijken en -begraafplaatsen heeft reeds menigwerf een verderfelijken invloed op de -levenden uitgeoefend. De akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, -indien de begraafplaatsen om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene -plek, nadat zij gedurende 10 à 15 jaren onaangeroerd was -gelaten, op nieuw tot bouwland werd gebezigd.—In zijne werken, in -zijne lessen is het dat de werkelijk brave mensch op aarde blijft -voortleven, en het beste, het meest eervolle gedenkteeken dat wij hem -kunnen stichten, zal steeds zijn de dankbare herinnering aan hem -<span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name= -"pb214">214</a>]</span>die ons gemoed vervult, en deze kunnen wij -natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere -dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt, -hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam -in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te -haken of te verlangen.</p> -<p class="par"><span class="sp">WEDUWE.</span> Indien de Heeren het -niet kwalijk nemen, wenschte ik eenvoudige vrouw insgelijks een woordje -te spreken. Te gelooven aan eene ligchamelijke opstanding, dat is mij -niet mogelijk, al stond het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan -mijn armen man niet te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. -De tijger <span class="ex">heeft</span> hem echter opgevreten en -verteerd!—Hoe is het nu mogelijk, dat hij weder kan opstaan? Dan -zou hij immers <span class="ex">een tijger</span> moeten worden, -dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger dien -wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds weder van -Rajap’s en andere gewormte half verteerd!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zeer juist -aangemerkt—en <span class="ex">in den eeuwigen kringloop der -stoffen</span> zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen -aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te maken -van dwaalbegrippen die <span class="ex">ons lief en waard</span> zijn -geworden. Dat is de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om -onze kinderen geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in -tegendeel zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur -naauwkeurig bekend te maken.—Het gaat u met de opstanding der -dooden ongeveer op gelijke wijze als den Christenen met de -goddelijkheid van Jezus. Zij vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer -al hare waarde verliezen zal, indien aan haren stichter het praedikaat -van goddelijkheid wordt ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van -zien, <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name= -"pb215">215</a>]</span>geheel ongegrond is. Wat meer zegt, ik geloof -dat zij daarbij noodzakelijker wijze gewinnen moeten, indien hun wordt -geleerd dat zij Jezus slechts als <span class="ex">mensch</span> moeten -eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij de reinste deugd leerde en -beoefende, dat hij eene alles ten offer brengende menschenmin bezat en -een <span class="ex">God</span> was, dan volgt hieruit dat zijne -hoedanigheden ons een <span class="ex">onnavolgbaar</span> voorbeeld -moeten toeschijnen, dewijl het een God niet moeijelijk vallen kon -deugdzaam te zijn. Gelooven wij daarentegen dat hij niets meer of niets -minder was dan een mensch gelijk wij, en niettegenstaande dat al die -deugden beoefende,—moet de overtuiging hiervan voor ons niet veel -opwekkender zijn, dewijl zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat -wij, indien wij zulks willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen -zijn als hij was?—Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid -van hunnen Jezus zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de -opstanding der dooden, indien gij niet langer <span class= -"ex">gelooft</span> aan iets, hetgeen gij elken dag kunt zien, dat eene -natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene erbarmelijke inrigting zou het -toch zijn, indien de natuur die zulk een onuitputtelijken rijkdom aan -<span class="ex">nieuwe</span> scheppingskracht bezit, <span class= -"ex">oude</span>, voormalige individuele vormen weder te voorschijn -moest brengen en kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en -verminkte menschen, of misgeboorten die twee hoofden hadden, -melaatschen, blinden, enz., enz., allen, allen juist zoo als zij in hun -leven waren, andermaal in het aanzijn moest roepen?—Zoudt gij zoo -iets kunnen wenschen? Wel nu, dat zou ook geen redelijke wensch zijn. -Ik raad u derhalve: onderwerpt u aan de wetten der natuur, waarin de -wil des Eeuwigen zich openbaart, en houdt u overtuigd dat de dooden die -gij hebt begraven, nimmer zullen opstaan; <span class="ex">bemint hen -des te vuriger, zoo lang zij leven</span> en gelooft aan de -<span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name= -"pb216">216</a>]</span>onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in -u is, en aan de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den -mensch, welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet -gaat.</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Ik neem dit alles gaarne -aan en zal met alle krachten er naar streven, om uwe natuurlijke -beschouwingen onder mijne landslieden meer en meer ingang te doen -vinden.—Ten opzigte van het eerste punt hebt gij de goedheid -gehad, mij de noodige opheldering te geven; thans blijft nog een -<i>ander</i> punt over, waaromtrent ik eene vraag tot u wenschte te -rigten.</p> -<p class="par">Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke -menschen in Nĕgara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en -<span class="ex">datgene</span> gelooven, hetwelk de Heer <span class= -"sc">Nacht</span> ons gisteren uit het bijbelboek heeft voorgelezen, -hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen kunnen. Zulk eene -tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst is niet geschikt -voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de Heer <span class= -"sc">Nacht</span> ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als -het zien van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of -wanneer wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) -lijden.—Hetgeen gij daarentegen, Heer <span class= -"sc">Dag</span>, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd, kwam -met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk -begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als -waar.—Hoe komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle -blanke menschen, die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten -dan wij, aan de <span class="ex">Messiasleer van den Heer</span> -<span class="sc">Nacht</span> gelooven, en dat zij begrijpen kunnen of -troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk is -als eene <span class="ex">bergopwaarts</span> stroomende beek, in iets -dat een indruk op ons maakt als eene sombere, zware regenbui? -<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= -"pb217">217</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Mijn goede <span class= -"sc"><span class="corr" id="xd21e4974" title= -"Bron: Iman">Imam</span></span>. De geleerde en ongeleerde bewoners van -Holland begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten -<span class="ex">verbeelden zich slechts</span> dat zij het gelooven, -dewijl zij <span class="ex">niet anders weten</span>, dan ’t geen -zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter weten, wenden -<span class="ex">huichelachtig</span> voor dat zij er aan gelooven. -Deze beide klassen maken de meerderheid uit der bevolking.—Maar -buitendien worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over -hand toe, die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen -echter niet <span class="ex">openlijk</span> voor hunne -grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar, te opregt en te braaf om te -<span class="ex">huichelen</span>, maar——zij verbergen den -schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems; zij -houden hunne godsdienstige overtuiging <i>geheim</i>.</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Hoe is dat mogelijk! Er is -mij toch verhaald, dat in uw land volkomen vrijheid van godsdienst -bestaat en dat daar <span class="ex">alle</span> sekten, Mohammedanen, -Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen gelijke regten -genieten!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Van <span class= -"ex">staatswege</span>, in gevolge de bepalingen van de grondwet: ja. -De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en ik meen te -mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal beantwoorden. -Stel, dat <i>duizenden</i> in stilte van geestdrift gloeijen voor de -natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een -<i>tiental</i> dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens -eens van naderbij.—De <i>een</i> van deze tien heeft een broeder, -die dominé of pastoor is. Een <i>andere</i> is een -dominé’s zoon. <i>Deze</i> vreest door den invloed der -geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien hij laat zien dat -hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst koestert dan -zij;—ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er inderdaad -zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar hunne -overtuiging zouden prediken, dan op den kansel <span class= -"pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name= -"pb218">218</a>]</span>komedie spelen; maar—zij hebben eene -vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun gevoelen niet -openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe predikant neder -te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte „het kan -zoo veel kwaad niet” en <span class="ex">accommoderen zich</span> -naar de heerschende begrippen.—<i>Gene</i> is een koopman, -welligt een boekverkooper, wiens winkel aan hem het eenige middel van -bestaan oplevert en onder wiens klanten vele priesters worden gevonden, -die hij stellig zoude verliezen en die hem daarenboven nog vele andere -klanten zouden aftroonen, indien hij het durft wagen openlijk eene -andere leer te belijden dan het orthodoxe geloof. Een <i>vijfde</i>, -een zeer verlichte man, hoopt op de nalatenschap van eene rijke, zeer -bigotte dame (bij voorbeeld van zijne schoonmoeder), die hem stellig -zou onterven, indien hij niet elken zondag ter kerk ging en met een -uitgestreken, aandachtig gelaat, met zaâmgevouwen handen naar den -kansel zat te kijken, waar de predikant met de armen in het rond zwaait -en, als door geestdrift vervoerd, van de heilige Drieëenheid, van -Gods eenig geboren Zoon en van de verlossing van de zonden spreekt. Een -<i>zesde</i> heeft voor dit alles, wel is waar, niet te duchten; het -vermogen hetwelk hij bezit, maakt hem onafhankelijk, maar—hij -heeft vrouw en kinderen, die hij toch naar de Christelijke kerken en -scholen moet zenden, zoo lang er nog geene kerken en scholen van -<i>zijn</i> geloof worden gevonden; hoewel volkomen overtuigd dat het -Christelijke dogma eene dwaling is, laat hij zijne kinderen niettemin -in het Christendom onderrigt geven, dewijl hij vermeent dat het hun -welligt als een gangbare pas op hunne reis door het leven zou kunnen -dienstig zijn,—en een <i>zevende</i> eindelijk die vermogend is -en geene kinderen heeft, derhalve geheel en al onafhankelijk mag geacht -worden, is te zeer op gesteld om rustig en gemakkelijk te leven; hij -wenscht op een goeden voet te blijven met <span class="pagenum">[<a id= -"pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>degenen met wie hij -in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en verloochent om die reden -zijne eigene betere overtuiging. Er blijven dus van de tien nog slechts -drie over die het nu en dan eens wagen, om hunne denkbeelden met -<span class="ex">woorden</span> te omkleeden en die gehoor geven aan -een krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de -vijandschap die zij zich van andersdenkenden op den hals -laden.—Vijandschap? Wel degelijk; want de takken van den boom met -twee wortelen <i>a</i> en <i>b</i>,<a class="noteref" id="xd21e5059src" -href="#xd21e5059" name="xd21e5059src">6</a> welke de uitbreiding der -waarheid verhinderen en het ontluiken der ware godsdienst en zedeleer -onderdrukken, breiden zich heinde en verre bij millioenen uit, door -alle standen en klassen der maatschappij. De orthodoxe priesters die, -als openbaar erkende godsdienstleeraars, als dienaren der heerschende -kerk een aanmerkelijken invloed op het volk uitoefenen, zijn onverpoosd -werkzaam om de pogingen te verijdelen, welke strekken ter verspreiding -van meerdere verlichting; ja, zij zouden de domheid en het blinde -geloof gaarne tot in alle eeuwigheid willen voortplanten, en -waarom?—<span class="ex">dewijl zij daarvan leven</span>, -dewijl zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een -boek—als bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit—te -zweren, waartoe niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt -vereischt.</p> -<p class="par">Nu zal het u, waarde <span class="sc">Imam</span>, wel -duidelijk zijn, waarom de verlichten in Holland <span class="ex">die in -rust en vrede</span> willen leven, stilzwijgen moeten. Want wagen zij -het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan hebben zij als -het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare giftige angelen -bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het harnas gejaagd. -Zelfs over den boekhandel oefenen deze <span class="pagenum">[<a id= -"pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>wespen een soort van -<span class="ex">schrikbewind</span> uit, de ijverigste pogingen in het -werk stellende om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers -te fnuiken, doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en -kwellen, hem haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen -bedreigen en vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een -gevonden, die het durft wagen—’t geen zelden -gebeurt—een boek uit te geven, waarvan de schrijver heeft gepoogd -de <span class="ex">waarheid</span> in het licht te stellen, dan weten -gene priesters de verspreiding van het boek te beletten, zoodat de -groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de leer der -kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte van den -inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die vrome -mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr op -den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het „een -verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het -Christendom” te noemen en van den kansel de woorden uit te -bazuinen: „die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus -Christus.”</p> -<p class="par">Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in -steden en op het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken -elken zondag tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een -paar keeren ’s weeks hun leerstuk van de Drieëenheid te -verkondigen, over het verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder -en grootmoeder<a class="noteref" id="xd21e5086src" href="#xd21e5086" -name="xd21e5086src">7</a> te prediken <span class="pagenum">[<a id= -"pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span>en bovenal het gemoed -van het <i>opkomende</i> <span class="ex">geslacht</span>, van de -jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden, -opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet -slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar -insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken, -gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige -dwaling worden besprenkeld.</p> -<p class="par">Zoodanig <span class="ex">aangekweekt</span>, wordt de -onzin meer en meer verspreid en duizenden slaan er geloof aan. Het boek -echter, hetwelk waarheid bevatte, bij voorbeeld: <i>Gedachten ten -aanzien eener toekomstige, meer algemeene Godsdienstige geloofsleer</i> -(Gebr. Diederichs te Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: -<i>Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen</i> -(1851, bij denzelfden uitgever in het licht verschenen), <i>Algemeen -protest van Christenen in Nederland tegen eene nieuwe woordelijke -vertaling van den ouden bijbel</i> (1853, bij F. Günst te -Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem welke daaruit spreekt, is -als die des roependen in de woestijn en het eenige middel om den triomf -der waarheid te bespoedigen:</p> -<ul> -<li><i>Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde -doeleinden</i>,</li> -<li><i>Stichting eener nieuwe kerk en gemeente</i>,</li> -<li><i>Oprigting van scholen</i>,</li> -<li><span class="ex"><i>Overeenkomstig den geest der natuurlijke -godsdienst en zedeleer</i></span>,</li> -</ul> -<p class="par"></p> -<p class="par">wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke -<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name= -"pb222">222</a>]</span>gronden niet ter hand genomen, of wordt -hoogstens verwezenlijkt binnen de muren van eene <span class= -"ex">afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet erkende -Vrijmetselaarsloge</span>.</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Waarde Heer <span class= -"sc">Dag</span>. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de -Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche -maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren -boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk door -Rajap’s (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige -betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van -de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd -hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel -doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de eerste -aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig, beklemd -gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste Heer, -wanneer ik er aan denk, dat men ons—arme Javanen—in zulk -een broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.</p> -<p class="par">(De <span class="sc">Imam</span> wierp zich -vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad met -opgeheven handen:)</p> -<p class="par">„Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean -Allah! De wegen die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden -die Gij wilt bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en -Uwe wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.—Maar hier -liggen wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed -voor U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk -eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche -godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani) -in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. <span class= -"pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span>O! -groote Toean Allah, albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij -willen ernstig er naar streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te -vereeren. Amen!”</p> -<p class="par">De gansche vergadering herhaalde: -„Amen!”</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> (Na eene korte -tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig zijt en bovenal aan u, -geliefde broeder, ben ik eene opheldering verschuldigd. Waar en -openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil u niet verbergen dat reeds -eergisteren, toen ik u de hoofdregelen van het orthodoxe Christelijke -Evangelie voordroeg, mijn geloof aan de waarheid dezer leer -aanmerkelijk aan ’t wankelen was gebragt door de gronden, welke -ik menigwerf uit den mond mijns broeders had vernomen. Ik was echter -nog niet volkomen overtuigd en wenschte gaarne den indruk te kennen, -welken de Christelijke geloofsleer op u, Javanen! zou maken. Ik -wenschte het oordeel te vernemen dat <span class="ex">gij</span>, -in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik -vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij -bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere -zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland -elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die -door <span class="ex">geen</span> talisman tegen de besmetting der -dwalingen zijn beschut, aan wie <span class="ex">geene</span> keus -tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten, zoo iets mogt immers -(dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden medegedeeld, en zulks te -meer dewijl mijn broeder u reeds tegen den daarop volgenden avond eene -andere voordragt, namelijk, over de natuurlijke godsdienst en zedeleer -had toegezegd. Gij zoudt derhalve de vrije beoordeeling, de -<span class="ex">keuze</span> hebben tusschen twee zaken en hierdoor -bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte -tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van welks -waarheid ik zelf niet meer overtuigd was. <span class="pagenum">[<a id= -"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p> -<p class="par">Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van -het <span class="ex">Evangelie van den regtzinnig geloovigen -mensch</span> gehoord en haar aangenomen. Maar ook <i>ik</i> ben tot -een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig, dat ik de -gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot staving zijner -leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke dogma eene dwaling -acht en het <span class="ex">zuivere</span> geloof aan God en de -hieruit, in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot -rigtsnoer mijns levens kies.—Indien honderd duizenden in de -Europesche landen genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot -een afgod hebben gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat -ons daarentegen met liefde en achting aan hem gedenken als aan een -<span class="ex">voortreffelijk mensch</span>, die reeds -vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde: -„Hebt als broeders elkander lief!”</p> -<p class="par">Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de -aanwezigen groote vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat -ik hem gaarne in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid -der Javanen mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, -<span class="ex">driftige</span> uiting van onze aandoeningen en -hartstogten wordt door hen als ongepast, ja, min of meer als -onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige, kalme -gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden des -levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen, bij hen -als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid -geldt.—Toen echter gevoelde ik meer dan <span class= -"ex">ooit</span> dat <span class="ex">ware</span> vriendschap slechts -daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat niets -in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt, zoo vast -zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze, in -zedelijke en godsdienstige overtuiging.</p> -<p class="par">Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen -wij kort daarop uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, <span class= -"pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name= -"pb225">225</a>]</span>namen wij den <span class="sc">Imam</span> die -zeer leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een -thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een -eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier -gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer -werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons het -Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden te -verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk -onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het -gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp, -welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die, -hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom -zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de -reis te aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur -onzer hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli’s -aangeboden; zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den -grond, nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden -hunne Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren -echter nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in -het dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen en -een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen slechts -weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten van Bamboes, -het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid; zij hielden zich -als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet wisten, dat wij -Koeli’s noodig hadden. De meesten hielden zich schuil in hunne -hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze oproeping om, -tegen <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name= -"pb226">226</a>]</span>betaling van 10 centen<a class="noteref" id= -"xd21e5218src" href="#xd21e5218" name="xd21e5218src">8</a> per uur, -benevens eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het -naastbij gelegene grensdorp te brengen.—Daar kwam onze vriend, de -<span class="sc">Imam</span>, aan die ons zijn vriendelijken -morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak van onze verlegenheid had -vernomen, scheen hij werkelijk boos op zijne landslieden te worden. Aan -zijne ontevredenheid gaf hij lucht in de volgende bewoordingen, die hij -met luider stemme tusschen de hutten uitgalmde.</p> -<p class="par"><span class="sp">IMAM.</span> Schaamt gij u niet, de -Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld hebben, nu zonder hulp te laten -zitten?—Foei! foei! hebt hij reeds vergeten, hetgeen Toean -<span class="sc">Dag</span> en ik u geleerd hebben, dat wij menschen -vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den -onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?—Kunt gij dan -niet zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd -werkt en dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen -opgaan?—Hoort gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen -in het geboomte rondklauteren?—Alles ontwaakt tot een nieuw -leven, alles roert en beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en -slaperig in uwe hutten blijven zitten?—Holla! hei! De hut uit! -Hier moet gij zijn; pakt aan!</p> -<p class="par">Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige -mannen uit de hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende -naderden; glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij -zich nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan’s -(pakken) over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der -overige Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit -te kunnen komen en deze tot de <span class="pagenum">[<a id="pb227" -href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span><span class="ex">daad</span> -te doen overgaan. Mijn ongeduld nam intusschen des te sneller toe, naar -mate ik langer moest wachten; de oostelijke hemel begon allengs -helderder te worden en toen eindelijk de eerste morgenstraal de -dauwdruppelen aan ’t geboomte deed fonkelen, riep ik mijne -bedienden toe: „Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat, Ario, -Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om hier te -blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan, vlug, -vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier, maar wij -moeten toch eten ook!—Heden slagten wij deze geit, morgen eene -andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij -<span class="ex">alles</span> opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! -Al uwe kippen gaan de eene na de andere denzelfden weg, ja, al de -geiten, buffels, in één woord, al dat leven ontvangen -heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!”</p> -<p class="par"><span class="ex">Dat</span> had invloed.—Vlug als -de wind snelden al degenen die in de hutten waren, naar buiten; die -voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid en in een oogenblik was -alles op de been. ’t Was koddig om te zien hoe zij zich haastten, -niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging zouden vervullen, -neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid beschouwden, als -eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste, opgeruimdste stemming -bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij Hollanders, met ons beiden, -alles dat eetbaar in het dorp was, zouden opeten, vonden zij regt -vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander toe: Lakas, lakas! Bekin -ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé ramé! -(Vlug, vlug! Vrolijk aan ’t werk! Oud en jong snelt de hutten -uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)—Nu hadden -wij niet alleen Koeli’s genoeg, maar zelfs meer dan wij -behoefden; eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in -Ramé ramé, <span class="pagenum">[<a id="pb228" href= -"#pb228" name="pb228">228</a>]</span>naast de dragers en het gansche -dorp was op de been geraakt. Wij namen nu een vrolijk afscheid van -allen en drukten den <span class="sc">Imam</span> de hand; zelfs -verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en -een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan -(voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.</p> -<p class="par">Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want -wij zonden de dragers met onze pakkaadje <span class= -"ex">vooruit</span>; wij volgden met de overige jongens, waarvan de een -een barometer in den arm droeg, terwijl de andere onze geweren, eenige -thermometers, een kleinen pijlcompas en andere dergelijke werktuigen -bij zich hadden, die wij tot het doen van waarnemingen onder weg zouden -behoeven. Welgemoed zetteden wij onzen togt voort over de smalle paden, -welke hier door het hoog opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk -ongebaand tusschen het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure -waren wij den eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van -Gnoerag verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap -doorwaad, welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug -volgt en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren -bergrug op.—De zon steeg immer hooger en hooger aan den -wolkenloozen hemel en schoot hare brandende stralen allengs in eene -meer loodregte rigting op ons neder; de helling welke wij beklommen, -werd allengs steiler en onze Koeli’s, die tot op den lendendoek -geheel naakt waren en wie ’t zweet van het ligchaam gudste, -stapten in gelijke mate langzamer voort, naar gelang wij de nok -naderden der bergketen, die wij nu moesten overtrekken. Het eene -kleedingstuk na het andere hadden wij reeds uitgetrokken en, meer -verslapt van de hitte, als het ware dampende in den vuurgloed der -atmospheer, waaraan geen luchttogtje, hoe gering ook, eenige -verfrissching schonk,—<span class="pagenum">[<a id="pb229" href= -"#pb229" name="pb229">229</a>]</span>dan vermoeid van den togt, kwamen -wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan.</p> -<p class="par">Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens -hoorden wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het -kleinste insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich -voor den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde -in het loof van ’t geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in de -Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit eentoonige -gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze, dan geelachtig -groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling der bergketen lag -het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien afstand onduidelijk, -weikleurig van tint door de troebele lucht toeschenen. Want al liet -zich geen wolkje aan den hemel bespeuren, al was de dampkring zeer -droog, toch bezat deze, op groote afstanden genomen, slechts eene -geringe mate van doorzigtigheid. Van de gloeijend heete oppervlakte der -aarde verhief zich voortdurend een loodregt opstijgende luchtstroom, -ten gevolge waarvan de zoom van alle verwijderde voorwerpen waarop wij -het oog vestigden,—de oppervlakte der Alangzee, de rand der -bergterrassen, de kroonen van het geboomte,—in trillende beweging -was. Behalve het pijnlijke gevoel der hitte, de verstikkende -gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer uitgezette lucht -veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag; want het -zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst, verblindde ons -de oogen.—Reikhalzend verlangende naar een koel togtje, zetteden -wij ons neder tusschen de Koeli’s, die geheel buiten adem -tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar in het -3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot op -100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig -verkwikking worden gevonden. Wij kropen <span class="pagenum">[<a id= -"pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span>nu naar een klein -boschje, waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en -met welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen -bevochtigden.</p> -<p class="par">Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger -groeijende boomen een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks -hadden wij ons op den grond nedergevleid, toen wij en al de -Koeli’s door opstijgende rookmassa’s en vlammen op de vlugt -gejaagd en genoodzaakt werden, zoo snel mogelijk onze goederen bijeen -te pakken en bergafwaarts te ijlen. Het vuur van het in brand gestokene -Alangveld had zich aan het woud medegedeeld. De Javanen hebben, -namelijk, de gewoonte om gedurende de droogste maanden des jaars -(Augustus en September) het hooge gras, waarin hier en daar 3 à -4 maal hoogere en eilandvormig groeijende Glagah-groepen en vele min of -meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid voorkomen, op duizende van -plaatsen aan te steken en te branden; dit geschiedt eensdeels met het -doel om de tijgers te verjagen, ten andere om plaats te winnen tot het -aanleggen van akkers, welke alsdan met de asch van het verbrande hout -en gras te gelijker tijd worden bemest. Toen wij langs de berghelling -afdaalden en naar den kant van het dorp heensnelden, zagen wij -verscheidene dergelijke afgebrande plekken, welke de grijsachtig groene -kleur van het grasveld plaatselijk hadden vernietigd en uit het dal als -zwarte, onregelmatige strooken slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen -waren reeds uitgedoofd; anderen daarentegen brandden aan het hoogste -gedeelte nog voort, alwaar dan eene rookzuil, waardoor vlammen -speelden, zich al kronkelend verhief.</p> -<p class="par">Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, -welke somtijds eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in -vuur en vlam zettede, was verdund, stroomden van de zijde van het dal -de koudere en digtere luchtmassa’s toe en veroorzaakten daardoor, -niettegenstaande de algemeen heerschende windstilte, <span class= -"pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span>een -<span class="ex">plaatselijken storm</span> welke onmiddellijk -volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het vuur, dat wij met -ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger bergopwaarts zagen -voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een boschaadje in de -rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het met den storm -steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende vuur zich als een -wervelwind op in,—binnen een oogwenk stond het gansche bosch in -lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo brandbare, drooge -Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk, oorverdoovend loeijen -en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend was en waar boven zich dan -nog van tijd tot tijd het gekraak deed hooren van een -neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van een zwaren -boom.—Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de ooren -toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord te -spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook en -vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een draf -achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst dat een -zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en -verzengen.—Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit -tropische tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, -om met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor -oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier en -daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen -liggen,—niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel -schijnende, hare brandende stralen uit het zenith op ons -nederschoot!</p> -<p class="par">Kort vóór 2 ure kwamen wij in het dorp -Oewoetagnis aan en installeerden ons, zonder pligtplegingen te maken, -in de voorgalerij van de woning des Loerah, terwijl de Koeli’s -<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name= -"pb232">232</a>]</span>daar buiten, waar slechts eenige schaduw was, -zich nedervleiden of naar den Pantjòran gingen om zich in het -water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun voorbeeld en -nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst, Pisang, Sambal -en Dendeng, ’t geen wij hier ter plaatse hadden bijeen gekregen. -Onze bedienden haalden de geldzakken<a class="noteref" id= -"xd21e5274src" href="#xd21e5274" name="xd21e5274src">9</a> te -voorschijn en betaalden de Gnoerager Koeli’s, terwijl de Loerah, -luide brommende, in het dorp rondliep om andere Koeli’s op te -sporen. Wij waren zeer verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig -Desa-Gnarak aan de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde -nog heden naar Desa-<a class="noteref" id="xd21e5277src" href= -"#xd21e5277" name="xd21e5277src">10</a>Roetab te gaan, een dorp dat ons -om zijne aangename ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen -tot het houden van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje -hadden halt gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze -pakkaadje op de schouders van tien versche Koeli’s te zien laden -die, met den Loerah achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij, -door nieuwsgierige dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers -zaten en lagen, hunne cigaren rookende, in den Warong,<a class= -"noteref" id="xd21e5280src" href="#xd21e5280" name= -"xd21e5280src">11</a> en hadden <span class="pagenum">[<a id="pb233" -href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>waarschijnlijk geen plan om -voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun dorp te -aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer jongens, en -het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten offer brengen -en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde, doorwaadden wij -de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen aan de overzijde -weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis over bergen en -dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de zijde der -zuider kust allengs afloopt.—Het verwijderde hooggebergte dat -noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht -gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter -brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen -hemel.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Nadat wij onzen marsch gedurende 1½ uur hadden -voortgezet, kwamen wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen -tegenover ons, aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, -allerliefst tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven -de Kokos- en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange -stengels her- en derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een -zachte zuidewind, een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust -bevonden, had zich sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde -eenigzins de hitte. De verfrissching welke wij op die wijze -ondervonden, deed ons goed, want wij waren nu werkelijk vermoeid en -zagen met een zeker huisselijk verlangen naar de overzijde heen, naar -de hutten van het dorpje, die zoodanig tusschen het heldere, frissche -groen van Pisangblaâren verscholen lagen en zoo digt door het -loof der vruchtboomen waren omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden -en Alangdaken ons ter naauwernood hier en daar in het oog vielen. De -blaauwachtige rook welke <span class="pagenum">[<a id="pb234" href= -"#pb234" name="pb234">234</a>]</span>dwarrelend uit de nok der daken -oprees, verhoogde nog de uitlokkende werking die de aanblik van dit -tooneel bij ons veroorzaakte, want hij verkondigde ons dat de tijd van -het avondeten naderde, dat vuur aan den gastvrijen haard -brandde.—Wij spoorden derhalve de Koeli’s aan om zich zoo -veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak; want -zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone -zorgeloosheid: „het dorp ligt immers in onze onmiddellijke -nabijheid, wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen.” Zonderling, -dat de Javanen de <span class="ex">despotieke</span> bevelen hunner -eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig gehoorzamen, terwijl noch een -verzoek, noch geld, noch goede woorden van een Europeër in staat -zijn, hen te bewegen tot het verrigten van eenig vrijwillig -dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een vol uur op versche -Koeli’s moeten wachten; hier hadden wij andermaal oponthoud en -wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede dragers na -een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.</p> -<p class="par">Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, -daalden langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en -kwamen tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal -over moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de -waterstand echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den -overkant te bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den -snellen stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne -vaart als schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli’s met -onze pakkaadje hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad -des Loerah, gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, -waarbij wij nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden -door het nabij <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name= -"pb235">235</a>]</span>gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene -streek aan, waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend -voet en de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper -was, eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts -in de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> en ik gaven de anderen een goed voorbeeld -en de Koeli’s volgden ons de een na den anderen; reeds waren wij -den eersten, kleineren arm al wadende doorgegaan, hadden wij eene -rolsteenbank (een eiland tusschen twee armen van den vloed) bereikt en -stonden wij gereed om den tweeden arm te doorwaden, toen plotseling van -den dalwand, langs welken de achtersten van onzen togt nog af klommen, -de kreet ons te gemoet klonk: „<i>Bandjĕr</i>! Terug, terug! -Redt u! Bandjĕr, Bandjĕr!!”</p> -<p class="par">Deze woorden oefenden op de Koeli’s die achter ons -aankwamen, eene werking uit die aan tooverkracht grensde, want -plotseling maakten zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke -zij op hoofd of schouders droegen, meer door het water sprongen dan -liepen; zonder veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te -denken,—want ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de -geschiedenis van Lot’s huisvrouw en van de zoutzuil naar de -bijbelsche verdichting,—volgden wij hen ijlend na, terwijl een -vreesselijk, steeds nader komend gebruis ons in de ooren dreunde. Wij -hielden niet op, dan nadat wij de dalhelling tot zoo ver hadden -beklommen dat wij zekere hoogte boven den oever hadden bereikt, waar -wij schier ademloos op den grond vielen en omzagen:—eene bruine -massa welke zich berghoog verhief, wentelde over den dalbodem naar -beneden; verbrijzelde boomstammen rezen hier en daar er uit op; -rotsblokken werden met donderend gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, -meer vloeibare massa’s welke schuimend voorwaarts bruisten, -stortten <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name= -"pb236">236</a>]</span>zich over dezen dam heen, verbraken hem, -verdeelden zich, breidden zich uit en—binnen weinige minuten was -de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden gestaan om door -te trekken, herschapen in een hol staand meer van bruinachtig troebel -water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en spattend voortijlde, -boomstammen en geheele uit den grond gerukte boomen met zich voerde en -dit met zulk eene kracht, dat de grootste rotsblokken om hunne as -wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger hadden gestaan, in -één oogenblik was vernield en weggestuwd,—het was -een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing -aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij hadden -ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het schuimen -en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en het ratelen -der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank <span class= -"ex">een</span> enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar -boven slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden -Oeroek zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed -geschokt, beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want -niemand was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een -<span class="ex">Bandjĕr</span> ’t geen wij voor oogen -hadden, dat is eene verre buiten hare oevers tredende beek, ten gevolge -van den toevoer van water, ontstaan door zwaren regen in het -verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende stortvloed was geboren -die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij op zijnen weg ontmoette. -Waar de kloof smal en de wanden die haar ter wederzijde insloten, steil -waren, werd de voet dezer zijwanden door de schuring der rotsblokken -welke het water met zich voerde, zoodanig <span class="corr" id= -"xd21e5321" title="Bron: uitgehoold">uitgehold</span> en weggespoeld, -dat Oeroek’s, dat wil zeggen aard- en bergstortingen ontstonden; -uitgestrekte gedeelten van het gebergte met wouden en alles wat zich -<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name= -"pb237">237</a>]</span>er op bevond, gleden op die wijze met donderend -geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen de steeds -toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg -voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar -wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk -eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door -nieuwe, van het gebergte afstroomende massa’s nog voortdurend -werd vergroot, al hooger en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de -gansche vlakke dalkom, niettegenstaande deze eene breedte had van -minstens 2000 voet, binnen weinige oogenblikken in hare gansche -uitgestrektheid met water was bedekt en herschapen geworden in -<i>één</i> enkel troebel meer van ongeveer 12 voet -gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts nog de toppen -van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.</p> -<p class="par">Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde -van het dorpje, gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, -viel er nu toch aan eene voortzetting van den togt op heden niet te -denken, en zulks te minder dewijl de zon reeds ten ondergang -neigde.</p> -<p class="par">Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot -legerplaats op, pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen -boomstammen op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen -kleine hutten bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste -takken die met wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij -een aantal vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even -broederlijk mede van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt -de Javaan een togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van -onzen wijn gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen -maaltijd hebben gehad, indien de Bandjĕr ons niet geheel -onverwacht <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name= -"pb238">238</a>]</span>aan een smakelijk stuk gebraden rundvleesch had -geholpen. Eenige Koeli’s, namelijk, die aan den oever stonden om -visch te vangen welke door den Bandjĕr was bedwelmd, bragten ons -ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en een Banteng (een wilde stier) -op den oever gespoeld waren.—Dit was werkelijk het geval. Met -vereende krachten trokken wij den stier op het drooge; het scheen dat -hij eerst vóór korten tijd tusschen verbrijzelde -boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide nog uit de -versche wonden.—Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali), een paar -ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden (welke bij -het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn), hadden wij steeds -bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade, want weldra hingen -de beste stukken van den stier over het vuur te braden, terwijl anderen -met rijst in potten werden gekookt om ons eene krachtige soep te -leveren.—Wijders werd bepaald dat vijf Javanen, benevens twee van -onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden en door anderen om -de drie uren zouden worden afgelost.</p> -<p class="par">De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het -houden van den maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts -zelden vernamen wij nog het krijschend geluid van een over het dal -vliegende paauw; maar naauwelijks was het licht der laatste -zonnestralen verbleekt, toen overal in het gansche woud insektenkoren -begonnen te gonzen en te snorren. De Javasche spitsoorige honden der -Koeli’s die vroeger langs den oever liepen rondsnuffelen, legden -zich nu in de vertrouwelijke nabijheid der menschen neder, als of zij -wisten dat het des nachts niet veilig was in het woud. Weldra -ontwaarden wij niets meer dan de zorgvuldig door de Javanen -onderhoudene wachtvuren, welke een roodachtig schijnsel op de -omringende boomstammen wierpen en geen geluid trof <span class= -"pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>ons -oor behalve het algemeen gegons der levende natuur, dat met het bruisen -van den verder en verder zich verwijderenden stortvloed zamensmolt.</p> -<p class="par">Toen eindelijk nog alléén dit gebruis -gedurende de nachtelijke stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid -onzer zintuigen tot diep in het binnenste van ons gemoed was -teruggekeerd, hetgeen ten verhoogden prikkel aan ons denkvermogen -strekte, werden wij als het ware onwillekeurig heengeleid tot het -bepeinzen van de oorzaken der verschijnselen die zich voor onze blikken -hadden ontwikkeld, der krachten die wij daarbij in het spel hadden -gezien en, het geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene -kracht tot eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die -op hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had (als -gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen des -bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken, -waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de -allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan -<span class="measure" title="146,7 millioen km">20½ millioen -mijlen</span> van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest gezocht -worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het, die hitte doet -geboren worden welke het water <span class="ex">damp</span>vormig -optrekt en opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het -zeer heet en helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij -de koelere bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens -of wolkbreuken neêrstroomen;—dan bruist de waterdamp die -dezen voormiddag nog onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, -als Bandjĕr door de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet -Oeroek’s ontstaan, verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare -plaats gerukte aard- en rotsmassa’s in andere, lager gelegene -oorden, in de nabijheid der zee weder af, verbreedt de kusten, -veroorzaakt derhalve <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" -name="pb240">240</a>]</span>aanmerkelijke veranderingen in de gestalte -der oppervlakte van den vasten bodem en doodt daarbij eene menigte -dieren, die door andere levende dieren en menschen worden opgegeten en -aan hen tot voedsel verstrekken;—ja, heeft de zonnestraal, door -de verslappende hitte welke hij deed ontstaan, niet zelfs te weeg -gebragt, dat onze Koeli’s met langzamer schreden voortgingen? en -is hij niet daardoor de oorzaak geworden, dat wij <span class= -"ex">getuigen</span> der omkeering zijn geweest, dat deze <span class= -"ex">denkbeelden</span> thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden -waarvan de eigenlijke oorsprong, de wording, dus in de verre van ons -verwijderde zon moet gezocht worden?—Vloeit dit alles niet voort -uit <span class="ex">eene</span> bron? En zou nu dat zonne- of -sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in deze duizendvoudig -aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen, welke wij hier voor -ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet het gevolg zijn -van—of te weeg gebragt worden door eene <span class="ex">andere, -nog verder verwijderde</span>, algemeenere oorzaak,—en zouden -alle oorzaken die aan onze in de diepte vorschende blikken -oorspronkelijke oorzaken toeschijnen, niet voortvloeijen uit <i>eene -eenige</i> eerste bron welke voor geene verdere ontleding vatbaar -is?—Ongetwijfeld, ongetwijfeld;—<span class="ex">zoo -verre</span> het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van -het andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten -navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den grond -vermogen wij niet te peilen—en slechts in heiligen, vromen -eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste, -Eeuwige Oorzaak, waaruit <span class="ex">alle</span> oorzaken -voortvloeijen, waaruit, gelijk het licht uit de zon, stralen -voortschieten die het oneindige heelal bezielende en met leven -vervullende, zich in millioenen en nogmaals millioenen stralen -verdeelen.</p> -<p class="par">Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit -<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name= -"pb241">241</a>]</span>toen wij, steeds dieper in ons eigen boezem -tastende, zoo kort mogelijk ineengedrongen in onze <span class="corr" -id="xd21e5377" title= -"Verbeterd door de auteur van: hangmat">hangmatten</span> lagen en den -oogenblik afwachtten, dat de slaap onze oogleden zou -sluiten.—Duizenden van stemmen die ons volkomen onbekend waren, -klonken en snorden door het woud,—woeste natuurkrachten waaraan -geen weêrstand van onze zijde denkbaar was, woedden om ons -heen,—tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar, slopen -rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te hebben was -levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige doel zijner -natuurwetten,—<span class="ex">wij gevoelden een hemel in -onzen boezem</span> en rustig sliepen wij in.</p> -<p class="par">Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander -schouwspel voor oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste -gedeelte van den dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven -dezen rand zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. -Liefelijk blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. -Alles rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren -vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich meer -hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was weggevloeid -en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte, bedekt met -modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen en takken, -tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde armen -heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen en maakten -ons gereed om den togt voort te zetten.—De Javanen maakten ons op -een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom ons bivouak en in -de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was, hoewel allen die wacht -hadden gehouden, eenstemmig verzekerden, dat zij niet het minste -geruisch hadden vernomen. Slechts een paar malen waren de honden -bevende, met den staart tusschen <span class="pagenum">[<a id="pb242" -href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span>de beenen, digter bij hen -gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons bivouak aan de -plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden stier hadden -laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was; wij volgden het -spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts nog eenige -beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne huid, zijn kop en -ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild gedierte -geknaagd.—De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden -doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand en -<span class="ex">rolsteenen</span> bedekt, en daarop lagen hier en daar -doode herten, vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het -rond, welke door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook -deze waren gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner -roofgedierte, die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden -gehouden en door de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan -hunne uitwerpselen, hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken -hunner tanden. Bij het doorwaden van den laatsten arm der beek vingen -onze jongens nog eene krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie -voet, een zoogenaamden Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken -zij aan een touw bonden en mede voortsleepten.</p> -<p class="par">Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te -hebben voortgezet, bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons -gastvrij ontvingen en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, -hetgeen zij bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, -wilden ook zij voor deze giften der gastvrijheid geene betaling -aannemen, maar zagen wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne -daarentegen namen zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen -zeer smakelijk wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli’s te -bekomen. De meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en -ons <span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= -"pb243">243</a>]</span>dezen morgen welligt aan onze kleeding als -Europeërs konden hebben herkend, hadden zich uit de voeten -gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts vijf nieuwe dragers konden -krijgen en gedwongen waren om vijf van de Koeli’s die wij -gisteren hadden medegebragt, <span class="ex">tegen wil en dank</span> -bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige -rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen uit -en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een extra -geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren smaak van -het kruid <span class="ex">bedwang</span> eenigermate te verzoeten. Het -eenige paard dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van -den Loerah, eene kleine, magere rosinant, werd door <span class= -"sc">Nacht</span> in beslag genomen, dewijl hij, aan het maken van -voetreizen niet gewoon, zich gisteren de voeten reeds had -doorgeloopen.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, -tamelijk vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs -lager daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van -elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem beken -schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden hier en daar -aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende laagten en -kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan hoofdzakelijk -woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige gedeelte der -oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende, grijsachtig groene -kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde men slechts enkele -verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de golvende graszee -voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche streek eenigermate -het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de lilablaauwe -Boengoerbloemen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" -name="pb244">244</a>]</span>(Adambea glabra) of de groote gele bloemen -van den Sĕmpoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen -der kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus -russa) dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen -sprongen zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon -in het binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus -vittatus) die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands -blootgesteld zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de -plassen die, nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden -aangetroffen op de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen -zij dan uit den weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar -het andere, of zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn -blinkend gevederte op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, -hunnen maaltijd hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, -wies hier en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger -opschietende soort, <span class="corr" id="xd21e5409" title= -"Verbeterd door de auteur van: het namelijk,">namelijk het</span> -<span class="ex">Manja</span>gras, aan welks omgebogene aren zeer -groote, peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 -voet boven den grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden -zij eene opening en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja -geheeten, welke op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne -jongen tegen de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de -aanvallen van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen -draad in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije -gevogelte (Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt -heen.—Uit het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van -tortelduiven te gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai -van een wilden haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der -grasetende dieren is verbonden, werden in deze streek niet <span class= -"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name= -"pb245">245</a>]</span>gemist, waar zulk een grooter aantal herten en -Kidang’s (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen wordt -aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd tot tijd -gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die zoo groot -en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk mijn -broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne leden -weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het dier -had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen was. -Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en verraden -des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet, al gaat men -digt langs hunne schuilplaats heen.</p> -<p class="par">Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het -middaguur een hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, -verkwikten wij ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene -vruchten van het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij -kaauwden, en die op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze -gemakkelijk konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer -boompjes opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog -en den helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een -allerliefelijkst gezigt opleverde.—Van lieverlede veranderde het -tooneel dat wij om ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de -kust naderbij kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs -zeldzamer en de zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet -waarnemen, voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra -zagen wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen, -tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande -stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op -eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras -bedekten <span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name= -"pb246">246</a>]</span>bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter -regter- en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, -als een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene -bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of -Gĕbangpalmen (Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge -bladeren waarin de wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over -elkander heen en weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er -beneden door het hooge gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die -gelegenheid groote jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen -der palmboomen zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die -vogels zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud -vlogen.—Wij daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange -strook<a class="noteref" id="xd21e5421src" href="#xd21e5421" name= -"xd21e5421src">12</a> met waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de -kust, maar namen onzen koers in eene schuine rigting naar het westen, -alwaar eene iets hooger rijzende landstreek of vlakke bergrug in den -vorm eener kaap (Oedjoeng) ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid -van vogelnestholen, het dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons -eerstvolgend nachtkwartier bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend -geboomte bestaande woud hetwelk dit gedeelte des lands tot aan den -uitersten rand der kust onder zijne schaduwen dekte, vormde een scherp -kontrast met de dorre Alangvelden waarop geen lommer was te vinden, en -met de waaijerpalmen welke zich aan deze zijde er van uitbreidden; -reeds in de verte duidde zulks, door de geheel verschillende -physiognomie der bewerktuigde natuur, eene zeer verschillende -hoedanigheid des bodems aan. <span class="pagenum">[<a id="pb247" href= -"#pb247" name="pb247">247</a>]</span></p> -<p class="par">Welligt is niets geschikter om den reiziger -aanschouwelijk te maken, welk een harmonische band al het geschapene -verbindt, dan een togt uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van -een tropisch land, over zandsteenterrassen en andere neptunische -bergsoorten, afdalende naar de kust. Het verschil in hoogte des lands -boven den spiegel der zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg -(een anderen gemiddelden warmtegraad), en de oorspronkelijk -verschillende bestanddeelen waaruit de bodem bestaat, voor elken -verschillenden trap van opheffing—van elk verschillend -klimaat—<span class="ex">andere</span> levende vormen. Andere -planten: andere dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde -(kwarts) houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die -vol reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur -en ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde -aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen, -trachietribben);—<span class="ex">ginds</span> schaduwrijke -vijgen- en honderd andere hooge boomen, met wier vruchten tallooze -scharen vogelen, apen, en eekhoorntjes zich voeden, die door wilde -katten worden nagejaagd;—<span class="ex">hier</span> overvloed -van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens zwijnen die -van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen van het -Alang alanggras leven en—tijgers aan wie de zwijnen ten prooi -verstrekken en—paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden, -maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der -dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op -wormen, maar vooral op ingewandswormen.—Wij zien derhalve, dat -<span class="ex">eene</span> eerste oorzaak—het oorspronkelijke -delfstoffelijke en scheikundige zamenstel der rotskorst, de meerdere of -mindere verheffing er van boven den spiegel der zee—duizend -anderen te weeg brengt die, als aardsoort (verweringsaarde), -<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name= -"pb248">248</a>]</span>klimaat (hoogere of lagere warmtegraad), -Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van -<span class="ex">ééne</span> keten, waarvan niet kan -worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe gering zij oogenschijnlijk -moge zijn, als b. v. een <span class= -"ex">ingewandsworm</span>,<a class="noteref" id="xd21e5454src" href= -"#xd21e5454" name="xd21e5454src">13</a> nutteloos of van gewigt -ontbloot is.</p> -<p class="par">Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen -bezit van het kleine, ledigstaande -Bamboeshuisje—Pasanggrahan,—dat op een geringen afstand van -het dorp, meer naar de zijde der kust heen was gebouwd. Achter ons -klotste de branding der zee en rondom ons verhieven schaduwrijke -vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf van het -naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij dankten de -Koeli’s af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog eene extra -belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad en een kop -koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener) der -vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de -bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven wij -ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden, zagen -wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei slag en -grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen -<span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name= -"pb249">249</a>]</span>eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze -na zich sleepten.</p> -<p class="par">Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een -weg door het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en -de struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan -een rand, alwaar—digt vóór ons—de bodem met -een steilen wand van eenige honderd voet hoogte plotseling in zee -afdaalde. Het tooneel dat zich hier voor onze blikken opende, mogt -indrukwekkend worden geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, -spiegelende vlakte der zee welke schijnbaar stil was, tot in een -oneindig verschiet zich vóór ons uit. Maar diep beneden -ons beukten de hooge, elkander rusteloos opvolgende baren met zulk een -donderend geweld tegen den kustmuur, dat de rots waarop wij stonden en -van waar wij dit schouwspel gade sloegen, er van daverde. Naar het -westen heen volgden onze blikken de rigting der kust, en hier zagen wij -de branding welke tegen het strand sloeg, eene lijn vormen zoo wit als -sneeuw, die zich tot op een voor het oog onafzienbaren afstand -uitstrekte, als grens tusschen land en zee. Boven deze gansche kust -zweefde een eigenaardige, fijne nevel of damp, blijkbaar gevormd uit -het fijn verdeelde stof van het tot schuim geslagen zeewater, dewijl -zelfs de tropische middagzon deze nevellaag niet kon oplossen. Alle -verwijderde deelen van het strand deden zich door dezen geheel -onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp of stof slechts schemerachtig, -onduidelijk aan het oog voor, als zagen wij ze door een dun floers. Van -het bovenste gedeelte van den kustmuur blikte op dit witte schuim der -woedende zee het groen van het ons omringende woud, dat niet slechts -over den rand reikte, maar er verre beneden hing, als ware de ruimte -van het drooge land te gering voor zijn weligen wasdom;—ja, aan -de steile wanden zelfs wortelden nog velerlei struiken <span class= -"pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span>en -Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen hunne vruchten die de -grootte hebben van een menschenhoofd, door hun helder vermiljoenrood in -ons oog blonken.</p> -<p class="par">Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand -heenbogen, konden wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, -boven het ziedende en schuimende water, den ingang van het hol -bespeuren, in hetwelk de kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo -esculenta) hare eetbare nesten bouwen. Elke oprijzende baar sloeg -bulderend in het hol, en dan stond het water hooger dan zijn ingang die -voor het oog bedekt was;—maar eenige oogenblikken later werd door -de tegendrukking der lucht, in het hol aanwezig, die op eene veel -geringere ruimte was zaâmgeperst, de baar met geweld weder er -uitgeblazen, eene zuil van waterstof werd dan <span class="corr" id= -"xd21e5479" title="Bron: horitaal">horizontaal</span> en sissend over -de branding heengespoten en men kon de zwermen der kleine zwaluwen -zien, die juist het regte tijdstip tusschen het terugtrekken en het -weder strandwaarts rollen eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het -hol te vliegen, terwijl anderen het in denzelfden oogenblik -verlieten.—Lang boeide ons dit bewonderenswaardige schouwspel, -maar wij benijdden het lot niet der vogelnestplukkers uit Gnarak, die -driemalen ’s jaars langs ladders hier naar beneden klimmen, ten -einde—bij zeer stille zee—in het hol te klouteren en de -(door Chinezen duur betaalde) vogelnesten van de rotsen af te plukken. -Het meerendeel wordt gevonden aan het gewelf van het hol, dat veel -hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo vervolgt de mensch deze -vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de roofzucht van elk dier -beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen vijand zich in zekerheid -bevinden.</p> -<p class="par">Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde -brengen van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, -menig schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad <span class= -"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span>der -lucht was in onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° -Fahr. verminderd, maar scheen niet lager te willen dalen. Deze -aanmerkelijk hooge warmtegraad welke hier jaar uit jaar in bijna zonder -afwisseling heerscht, die daarenboven gepaard gaat met eene groote mate -van vochtigheid des dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem -welke deze streek bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en -dierenrijk ten gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat -zich daar van ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij -onzen blik lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in -het kleinste reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette -men de menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.—De kamer -die wij tot ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat -te betrekken, dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote -kikvorschen (Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens -terugkeerden om ons het bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen -zeer behendig tegen den vier voet hoogen ladder op en de deur van den -Pasanggrahan in, die zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het -hoogste gedeelte van onze woning klonk ons het gepiep in het oor van -vledermuizen (Lalaï) die daar ter plaatse, waar zij den dag in -rust doorbrengen, bij wijze van groote zwarte klompen aan de nok van -het dak hingen. Langs de wanden en aan de zoldering (alleen het -middenvertrek van het huisje was hiervan voorzien) liepen tientallen -van Tjitjak’s (Hemidactylus fraenatus, kleine grijsachtige -hagedissen) in het rond, allerliefste diertjes die ons door hunne -behendigheid buitengewoon vermaakten; zij waren, namelijk, druk bezig -met het vangen van vliegen en muggen, die ons voortdurend al gonzende -langs de ooren vlogen. In de reten der wanden huisden schorpioenen -(Buthus cyaneus), waarvan onze <span class="pagenum">[<a id="pb252" -href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>jongens er verscheidenen -vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en de evenmin -geluidgevende, nuttige Tjitjak’s, waren voor ons de -Toké’s (Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen -ongeveer ter lengte van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte -huid ons afschuw inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in -de woning met <span class="ex">luider</span> stem en riepen ons, -telkens een tiental keeren achtereen, hun „gek-koh, -ghék-koo”—allengs op meer slependen toon en somtijds -op drie verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen -niet zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen -zien.</p> -<p class="par">Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde -gebragt, zetteden wij ons op het kleine Aloen aloenplein<a class= -"noteref" id="xd21e5493src" href="#xd21e5493" name= -"xd21e5493src">14</a> van het naburige dorpje dat slechts door eene -groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden, in de verkwikkende -schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de stille beschouwing -van het omringende tooneel. Onze jongens hadden onder den -Wĕringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst; sommigen -hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij vertrouwelijk -met de kinderen uit het dorp speelden of zich met hun gesnap -vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter gebleven. Aan alle -zijden was de kleine opene plek van nabij door het omringende woud -ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het plein bestond dit -woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier stammen de -bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog vielen. -Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke zich op -vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven, -<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name= -"pb253">253</a>]</span>zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen -(Garcinia Mangostana) of der Mangifera indica met hare goud-gele -appelen;—ginds stond een Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) -welks takken onder den last der roodachtige vruchten zoo zeer waren -gebogen, dat zij tot aan het dak van het nabij zijnde huis afwaarts -hingen; hier zag men de vruchten van een Nangkaboom (Artocarpus -integrifolia) welke de grootte van eene pompoen bereiken, of de groote -getande bladeren van een broodvruchtboom (A. incisa) en op eene andere -plaats breidde de Wol- of Kapokboom (Gossampinus alba) zijne -horizontale takken uit. Nog vele tientallen van andere kultuurboomen -stonden hier tusschen de reeds genoemden en vormden met hunne -gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van het dorp, waarboven de -regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos- en Pinangpalmen met de -bladerenpluimen welke den top er van sierden, zich verhieven. Hoog -boven het loofdak ruischte de wind in de toppen dezer palmen, die nog -in de heldere zonnestralen blonken, toen de schaduwen der loofboomen -zich reeds over het gansche Aloen aloenplein hadden verbreid.</p> -<p class="par">Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine -rijstpakhuizen (Loembong) welke er nevens stonden, strekten de -vruchtboomen van het dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het -oorspronkelijke woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, -dat geene grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp -van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van meer dan -50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en -vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den -rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjĕmpaka- en -Manglitboomen (Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), -benevens Kiaraboomen (Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed -van omvang zijn, kwamen <span class="pagenum">[<a id="pb254" href= -"#pb254" name="pb254">254</a>]</span>het menigvuldigst in deze streek -voor, waar tusschen echter insgelijks vele Myrtaceën en -Rubiaceën werden gevonden. Enkele Karet- of -Kolĕlètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap, -blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het -bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak -der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen -aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen, -Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de -takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid -van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de -Pisang’s en andere zoete vruchten—en groot was het tal van -verschillende soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond -zwierden, of hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne -stemmen of hun pikken verrieden.—Zoo zaten wij daar verdiept in -de beschouwing dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte -in onze ziel deed ontwaken.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Zijt gij met mij niet van -gevoelen, broeder, dat het karakter van een volk, zijne zeden, -gewoonten en gebruiken voor het grootste gedeelte afhankelijk zijn van -het eigenaardige karakter der <span class="ex">natuur</span> waarin de -mensch leeft,—van het uitwendige dat invloed op zijne zinnen -uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante der -planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van den -bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte der -dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de hem -omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die hij -voor zijne blikken ziet plaats grijpen?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Ongetwijfeld geloof ik -dat de uitwendige natuur een krachtigen invloed uitoefent op het gemoed -des menschen <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name= -"pb255">255</a>]</span>en dat, indien de indruk door de natuur te weeg -gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van ’s menschen jeugd af -tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene uitwerking op hem kan -hebben, die zich in bepaalde gewoonten en karaktertrekken openbaart. -Kon een jong Javaasch kind in het land der Samojeden of der -Eskimo’s opgroeijen, dan zou het een Eskimo van karakter -worden,—of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo in de Javasche -natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit worden. Aan de -andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke de buitenwereld -op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan aanmerkelijk kan -zijn, in geval dat volk nog op den <span class="ex">eersten</span> trap -van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot een -hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur -verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een -dergelijk volk toch bekleedt de <span class="ex">opvoeding der -jeugd</span> eene gewigtige plaats; zij vormt als het ware een -scheidsmuur tusschen den mensch en de natuur, welke echter bij een -minder ontwikkeld volk niet in die mate voorhanden is.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> In zeker opzigt ben ik dat -volkomen met u eens. Een beroemde Duitsche dichter zegt niettemin: -„Niemand wandelt ongestraft onder palmboomen en gewisselijk -veranderen de zeden in een land, waar olifanten en tijgers inheemsch -zijn.”—Er bestaan weinige voorbeelden van beschaafde -volken, die zich <span class="ex">blijvend</span> „onder de -palmboomen,” hebben neêrgezet. Wij Hollanders laten onze -kinderen in Europa opvoeden en zijn geene eigenlijke <span class= -"ex">kolonisten</span> op Java.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Welligt zweefden aan -Göthe, toen hij deze woorden ter neder schreef, de volken van -Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk niet mogen geacht worden -een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze, dat de meer ontwikkelde -mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem omringende natuur. -<span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name= -"pb256">256</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Voor den oogenblik de -zedelijke zelfstandigheid van den ontwikkelden mensch in alle klimaten -in het midden latende, meen ik toch te mogen gelooven dat de -buitenwereld insgelijks op hem een aanmerkelijken invloed uitoefent, en -dat het karakter van den mensch die op een <span class="ex">lageren -trap van ontwikkeling</span> staat, grootendeels afhangt van de natuur -welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk te achten, dat -een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst de <span class= -"ex">natuur</span> waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner -studie make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het -onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen, -zijne zeden en gewoonten te <span class="ex">verstaan</span> en te -begrijpen, zonder eene voorafgaande kennis der natuur, der landstreek -waarin dat volk woont, en der indrukken welke van der jeugd af invloed -op den mensch hebben uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig -gene oorspronkelijk zijn.</p> -<p class="par">Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs -op der tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de -meeste hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars -van het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven -(Manoek gĕgoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn -kanarievogel of het gezang der nachtegalen.—De avond viel. -Slechts nog enkele Badjing’s (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag -men hier en daar tegen de boomstammen opklauteren en de laatste straal -der zon verdween van de toppen der palmboomen. De Kalong’s -daarentegen die ginds aan een grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, -begonnen zich te bewegen en vlugten kleine groene papegaaijen -(Psittacus vernalis) naderden en gierden, onder een ontzaggelijk -gekrijsch, rondom de takken van een hoogen Baloengdangboom (Stravadium -excelsum), welke ter linkerzijde van ons stond. Zij zetteden zich op de -takken neder, snelden weder weg, kwamen op nieuw terug, vlogen -<span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name= -"pb257">257</a>]</span>rondom den boom, waren onophoudelijk in beweging -en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het -doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene -onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier, -waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde -rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich in -groote zwermen nedergezet in den Wĕringinboom, waarnevens wij -gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven zich -ter rust.—Nu echter vingen de Kalong’s hunne nachtelijke -togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen -onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote, -zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen zij -bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare -vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden -(Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer van -eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de -achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan, -wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte te -verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken morgen -keeren zij naar dezen boom, hunne <span class= -"ex">dagelijksche</span> rustplaats terug en laten zich blakeren -door den vollen gloed der zonnestralen, die van den vroegen morgen tot -den laten avond op hun schraal met haar bezet ligchaam branden. Geen -enkel blaadje schenkt hun de geringste schaduw. Hunne uitwerpselen -deelen, namelijk, langzamerhand zulk een overvloed van dierlijke -meststof aan den bodem mede, dat de daarin wortelende boom spoedig -sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak verraadt reeds op een -aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame vruchten, welke aan zijne -dorre twijgen hangen. <span class="pagenum">[<a id="pb258" href= -"#pb258" name="pb258">258</a>]</span></p> -<p class="par">Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen -zich stil tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en -rijstvogels terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der -zon voor deze Kalong’s het sein om hunne nachtelijke togten aan -te vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met -logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht -heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand -achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter -hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting -landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands, uit -het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong’s, en deze scheen iets -hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting -kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een -schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven, -digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne -vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk der -afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt acht te -slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar <span class= -"ex">een en hetzelfde</span> doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld -verschillende bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk -naauwkeurig scheen te weten in <span class="ex">welke</span> streek der -wouden de boom stond, waar zij hun nachtelijk maal wenschten te houden, -niettegenstaande deze menigwerf op een afstand van vele mijlen werd -gevonden van de plaats, welke zij hadden verlaten. Vroeger had ik reeds -menigmaal des avonds zwermen van deze dieren aan een dergelijken boom -gezien, voornamelijk aan een Gĕnitriboom (Elaeocarpus -angustifolius), op welks vruchten zij het meest gesteld zijn en rondom -welken boom zij dan schreeuwend, kwakend en elkander de vruchten -betwistend, heenvlogen. <span class="pagenum">[<a id="pb259" href= -"#pb259" name="pb259">259</a>]</span></p> -<p class="par">Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende -koelte des dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° -Fahr.<a class="noteref" id="xd21e5572src" href="#xd21e5572" name= -"xd21e5572src">15</a> was gedaald, insgelijks toe en de welriekende -geur der Kĕnangabloemen—van een hoogen boom (Uvaria odorata) -welke op de eene of andere plaats in het dorp stond—verspreidde -zich in gelijke mate al sterker door de boschachtige streek. Nu werd -van tijd tot tijd een vliegend eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) -zigtbaar dat van den eenen Kokosboom naar den anderen zweefde, en de -Javanen begonnen de hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en -te grendelen. Er sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige -roofdieren (Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang’s) -tuk op buit in het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de -Legoean’s, komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten -einde in de hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te -leggen.—Door het aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, -waarbij eenige wachters waren gesteld van lansen en Gonggong’s -voorzien, ten einde alarm te maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, -trachtten onze dorpsbewoners de grootere roovers, de panters en -tijgers, van hunne woningen verwijderd te houden; want het wijd en zijd -in het rond klinkende, leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen -beweren, het vertrek der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, -het geschreeuw der <span class="ex">paauwen</span>, werd nu op -verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet slechts waren alle -andere vogelen stil, maar ook buitendien liet geen geluid in het woud -zich vernemen.—Alleen het gegons der muggen (Moskiten, Tjamok) -werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe, dat het in deze -vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard ging met den -naderenden <span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name= -"pb260">260</a>]</span>nacht die met eene snelheid inviel, welke op den -nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds een -zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen sedert -den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp en woud -waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets liet zich -onderscheidenlijk meer waarnemen.</p> -<p class="par">Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met -het bespelen hunner instrumenten—geluidorganen, tracheën, -longblaasjes, snorgaten, enz.,—die allen den oogenblik slechts -schenen te hebben afgewacht, waarop de duisternis een <span class= -"ex">zekeren</span> graad had bereikt om plotseling, als op een gegeven -teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal concert te doen -weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken boom eene -stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was geworden; -de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden, tallooze -insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de -verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten -bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen geleek -op het <span class="corr" id="xd21e5585" title= -"Bron: aanhondend">aanhoudend</span> klinken van eene trillende -vioolsnaar, anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het -gezang van een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als -het ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar -zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel -verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van -kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af tot -aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak -illumineerden.</p> -<p class="par">Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons -noordelijk vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar -alles bij het toenemen der <span class="ex">nachtelijke -stilte</span> <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name= -"pb261">261</a>]</span>langzaam tot rust komt. Hoe geheel anders was -het hier?—Bijna plotseling volgde hier de diepste duisternis op -het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts hield de -stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend gonzende, -tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat uit duizende -insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;—millioenen van -Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders, -termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke -Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal -ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag -hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen -hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen -voort, die allen zamensmolten tot <i>een</i> oorverdoovend, tjilpend -gegons, waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, -die zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle -plassen accompagneerden.—Somtijds gebeurde het, terwijl het -algemeene gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en -snorren iets verminderde, ja, menigwerf geheel en al -ophield,—eensklaps echter, als ware het op het gegeven sein eens -kapelmeesters, begon weder op nieuw een koor van honderd duizend -muziekanten, allen te gelijk, hunne krijschende diskantstemmen te -verheffen, die zoo luide klonken dat het ons door het hoofd dreunde. -Tot deze laatstgenoemden die het hardst schreeuwden, moesten meer -bijzonder worden gerekend groote Cicaden (Tosena-soorten en anderen) -die zich in de toppen der boomen ophouden. Onze jongens wisten ze -echter, door middel eener brandende kaars welke zij in het digtste -gebladerte hadden gesteld, uit hunne hooge verblijfplaats naar beneden -te lokken en met honderd andere soorten van insekten in hunne netten te -vangen. <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name= -"pb262">262</a>]</span></p> -<p class="par">Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende -menigte gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn -gekomen, dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet -ongebraden<a class="noteref" id="xd21e5602src" href="#xd21e5602" name= -"xd21e5602src">16</a> te moeten opeten. Zij strekten aan de -fladderende, insekten vangende vledermuizen tot eene gemakkelijk te -verkrijgen prooi. Ook eenige Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds -terugkeerende kringen over het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de -snelste vlugt daar heen zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den -meer helderen hemel zigtbaar werden.—Even als met de groote -meerderheid der vogelen des morgens en gedurende den loop van den dag -het geval was geweest, vierden de ontelbare zwermen insekten nu des -avonds en gedurende de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo -menigwerf een koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede -instemden in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker -tijd, <span class="ex">eensklaps</span> aan, zwegen allen te gelijker -tijd plotseling, op eens, en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, -uithoofde van de duisternis welke ons omringde, moesten gelooven, dat -zij elkander konden hooren (hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of -dat zij op de eene of andere wijze met elkander in verstandhouding -stonden. Even als onder de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks -onder deze cicaden op het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van -soorten onderkennen, aan den meer of minder schellen of diepen toon, -waarin zich steeds eene zekere soort van maat liet waarnemen.</p> -<p class="par">Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar -deze stemmen van den nacht.—Vele duizenden van dieren bewogen -zich om ons heen, omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, -welligt nooit iets te weten zullen komen. Door <span class= -"pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span>het -loof des Wĕringinbooms zagen wij boven ons hoofd het flikkeren van -sterren,—het licht van vreemde, ver van ons verwijderde -hemelligchamen,—waaromtrent wij nog veel geringere kennis -bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de zwakke krachten -van een mensch, aan den korten duur van ’s menschen leven en wij -verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den -onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle -rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in -het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.—De -zon der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal -zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter -tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;—in de -oneindige verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt -toch Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier -<span class="ex">geniet</span> naar zijn aard; het is <span class= -"ex">zoodanig ingerigt</span> om te <span class="ex">kunnen</span> -genieten, het eene des daags, het andere des nachts, het eene in den -zonneschijn, het andere in de schaduw;—al deze duizenden met -leven begaafde gestalten <span class="ex">verheugen</span> zich in het -genot huns levens, zij <span class="ex">genieten</span> en de -grondoorzaak der natuur welke zich in <span class= -"ex">dergelijke</span> wetten openbaart, moet noodzakelijker wijze -eene <span class="ex">goede</span>, <span class="ex">weldadige</span>, -<span class="ex">liefderijke</span> oorzaak wezen, die volkomen -<span class="ex">bewust</span> is van het doel waarnaar zij streeft - - --</p> -<p class="par">daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, -dweepzucht kweekende <span class="ex">maan</span> voor ons op, en toen -zij hare eerste stralen wierp over het loof der boomen en een gering -gedeelte van het Aloenplein bescheen, werd ons gemoed vervuld met een -troostend gevoel dat, als het ware door dien straal gewekt, oprees tot -de oorzaak die het had doen geboren worden.—”<span class= -"ex">Een</span> band moet toch aanwezig zijn welke al deze <span class= -"pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name= -"pb264">264</a>]</span>millioenen van levende wezens -zaâmverbindt; Eene van alles bewuste ziel, <span class= -"ex">Een</span> God moet boven allen leven!—Ja, in den glans der -zon, in het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, -in de wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur -omvat,—in ons eigen boezem ligt <i>Uwe</i> -openbaring!—<i>Alwetende!</i> Uwe wereld is schoon!”</p> -<p class="par">Het insektengegons was grootendeels -verstomd;—slechts het kleppend geluid der Kaprimulgen die nu -verzadigd op boomtakken zaten, liet zich in het stiller geworden woud -nog hooren, toen wij omstreeks middernacht, zonder een woord te -spreken, maar opgetogen van bewondering over de grootheid der natuur, -den geest vervuld met denkbeelden die dit alles bij ons had doen -oprijzen, in stilte naar onze legerplaats terugkeerden.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par"><i>Op den volgenden dag.</i> Dewijl de Loerah van het -dorp afwezig was (hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter -bruiloft in een nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de -tusschenkomst van den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te -danken, dat wij Koeli’s konden bekomen om onze reis voort te -zetten, namelijk, de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze -wilden echter de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde -verrigten, dat zij een veel hooger loon zouden ontvangen; -waarschijnlijk zouden zij ook dit van de hand hebben gewezen, indien -zij ten gevolge van hunne verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken, -niet meer behoefte aan geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij -waren verpligt het hun vooruit te betalen, ten einde hen in de -gelegenheid <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name= -"pb265">265</a>]</span>te stellen een nieuwen voorraad Madat<a class= -"noteref" id="xd21e5675src" href="#xd21e5675" name= -"xd21e5675src">17</a> op te doen.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, -welke door mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> alle nieuwe of zeldzame voorwerpen die -wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij slechts aan een enkel -klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden en zetteden vervolgens -onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den namiddag, door -vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar eene geschikte -plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water moest gevonden -worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene halve dagreis verder -westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de kust liggen, hetwelk -wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te bereiken, om van daar -in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts gelegene hoogland -door te dringen.—Wij kozen tot ons nachtkwartier de oostzijde -eener kaap, der <span class="ex">Tandjoeng-Gnodos</span>, in welker -nabijheid eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar -wij ons bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte -oorspronkelijke wouden reikten van het hooge gebergte tot aan de kust -zonder ergens afgebroken te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende -twijgen in de baren, zoodat slechts op enkele plekken, voornamelijk op -den achtergrond der kleine inhammen, een smal zandig strand overbleef -dat niet met woudgeboomte <span class="pagenum">[<a id="pb266" href= -"#pb266" name="pb266">266</a>]</span>was bedekt. Waarheen wij het oog -mogten wenden, van verre noch van nabij, nergens liet zich eenig spoor -van menschelijke bedrijvigheid ontdekken.—IJlings werden nu de -noodige aanstalten gemaakt tot het opslaan van ons bivouak; onze -jongens en de Koeli’s kapten takken van het naburige geboomte, -bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij, vergezeld van mijn -broeder <span class="sc">Nacht</span> en twee Javanen, verder -westwaarts heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren -kennen. De kaap of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch -Oedjoeng) was het uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en -vormde een vlakken bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte -van 15 à 25 voet boven het strand der aangrenzende bogten -verhief. Vele dergelijke, iets lager of hooger rijzende -Oedjoeng’s reikten hier in deze streek, tusschen vlakker -afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en waren allen met -woudgeboomte bedekt.</p> -<p class="par">Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en -uit het <span class="corr" id="xd21e5695" title= -"Bron: wond">woud</span> te voorschijn traden, hadden wij een -merkwaardig schouwspel voor oogen. Het strand dat tusschen deze en de -eerstvolgende kaap lag ingesloten, had den vorm eener halve maan, was -geheel dor en kaal en rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot -op een afstand van ongeveer 500 à 700 voet van het strand der -zee, waar het zich eindigde en in zandheuvelen overging; aan de -landwaarts gekeerde zijde dezer heuvelen verhief zich, in de -onmiddellijke nabijheid er van, weder het woud dat zich verder -onafgebroken tot diep in het steeds hooger rijzende gebergte -uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust eener bogt) had -welligt eene lengte van driekwartier uurs.—Hoog boven onze -hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten) en -beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde -beenderen en ontzaggelijk groote schilden <span class="pagenum">[<a id= -"pb267" href="#pb267" name="pb267">267</a>]</span>van <span class= -"corr" id="xd21e5700" title="Bron: schilpadden">schildpadden</span>, -deels gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in -het rond.</p> -<p class="par">Het was een woest tooneel. Door verbazing en -nieuwsgierigheid geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op -het dorre strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond -eene menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan -de indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge -van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts op, -zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der -heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige -glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar was -het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen -opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het -scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd -met elkander hadden gestreden.—Deze gansche strandvlakte was als -bezaaid met beenderen en schilden van <span class="corr" id="xd21e5705" -title="Bron: schilpadden">schildpadden</span>; binnen het bereik van -ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen, -verscheidene tientallen <span class="ex">geheele</span> schilden en -zeer zeker mag aangenomen worden, dat hun aantal over het gansche -strand verspreid, verscheidene honderden bedroeg. Het meerendeel werd -gevonden op het verst van de zee verwijderde gedeelte der kust, aan den -voet der heuvelen; hetgeen ons het meest verwonderde was, dat zij allen -<span class="ex">omgekeerd</span>, op den rug lagen. Het waren schilden -van den <span class="corr" id="xd21e5714" title= -"Bron: reuzenschilpad">reuzenschildpad</span> (Chelonia Mydas, -zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene -lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen -en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt en -glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog -voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er -gevonden, <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name= -"pb268">268</a>]</span>die nog vrij versch waren; met opgereten -buikschild en op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, -stinkende ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene -plekken zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte -van 3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig -voortloopende groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder -ligchaam over het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen -vingen aan bij den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de -geraamten heen, in eene <span class="ex">lijnregte</span> rigting -uit tot aan den voet der heuvelen. De twee Javanen die bij ons waren, -schenen dit verschijnsel te kennen, want zij hadden een der sporen -gevolgd en riepen ons van de heuvelen, waar wij hen bezig zagen met het -zand om te wroeten, op vrolijken toon toe: <span class="ex">Tampat -telor, telor!</span> (een nest met eijeren!)</p> -<p class="par">De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de -onmiddelijke nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit -drooge, helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon -katang (Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe -bloemen waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere -plekken was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige -kruipende grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den -schedel der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia -argentea) en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van -Pandaneën op ons neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op -<span class="ex">eene enkele</span> plek, in een nest, op eene geringe -diepte onder het zand bedolven, meer dan <span class= -"ex">honderd</span> kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van -kleur, hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, -perkamentachtige schaal.—Die lange banen waren derhalve sporen -van <span class="ex">reuzenschildpadden</span> die, uit den boezem des -oceaans opgestegen <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" -name="pb269">269</a>]</span>zijnde, hier 500 à 700 voet ver over -het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het zand aan -den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over laten aan -de koesterende stralen der zon?!—En op dezen korten togt te land, -welken zij misschien slechts een paar malen ’s jaars ondernemen, -worden zij door roofdieren aangevallen?— —</p> -<p class="par">Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten -einde te bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede -als wij bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het -kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere -physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna -uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het -levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 à 40 voet -boven den grond<a class="noteref" id="xd21e5741src" href="#xd21e5741" -name="xd21e5741src">18</a> tot een digt schaduwdak zich vereenigde. -Duizende witte bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de -lucht met de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich -reeds op eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die -zich wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun -neêrwaarts gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke -horizontale takken, ongeveer 7 à 8 voet boven den grond, hadden -de Javanen onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren -tot dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander -gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen -de boomstammen waren <span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" -name="pb270">270</a>]</span>vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer -Javanen hadden, namelijk, <span class="ex">Krokodillen</span>, Boeaja -(Crocodilus biporcatus) voor de monding der beek bespeurd; gelijk -bekend is, verlaten zij des nachts hun vochtig element en sluipen langs -het strand rond; dit gedierte is nog gevaarlijker dan de tijger, -uithoofde van het harde pantser hetwelk zijn ligchaam -bedekt.—Eene dergelijke zitplaats hoog boven den grond, waar wij -tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een Kiboenagaboom -gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het beenderenveld -stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan de smakelijke -schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt, bestegen wij -omstreeks 6 ure den boom.—De overige Javanen hadden den last -ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen, zoo spoedig -mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken hout) naar de -plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen.</p> -<p class="par">Wij loerden. De avond viel.—Wij zagen eerst een, -vervolgens verscheidene schildpadden hun vochtig element -verlaten;—zoodra zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog -slechts een ligte golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een -oogenblik stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de -hoogte, wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik -in het rond en—kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel -zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met -hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den -voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij -naauwelijks een <span class="corr" id="xd21e5751" title= -"Bron: vierdegedeelte">vierde gedeelte</span> van het strand in de -lengte gerekend overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog -onderscheidenlijk konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere -plompe ligchamen die zich over de strandvlakte heenschoven. -<span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name= -"pb271">271</a>]</span>Geen geruisch trof ons oor, dan de doffe toon -der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps iets plassen en -klateren beneden ons,—het was veel langer dan eene schildpad en -kroop veel behendiger dan deze over het strand,—het was een -<span class="ex">krokodil</span> ter lengte van minstens 15 voet, die -eene prooi zocht? en nu insgelijks al waggelend naar den voet der -heuvelen ging. Doodstil, met ingehouden adem, vestigden wij de blikken -op het voor ons liggend tooneel.—In de verte kroop een schildpad -terug en verdween in de zee.—Het duurde niet lang of in de -onmiddellijke nabijheid van de plaats waar wij ons bevonden, keerde -insgelijks een donker ligchaam van de heuvelen zeewaarts en naderde ons -meer en meer,—maar nog had het de helft des wegs niet afgelegd, -toen plotseling uit het naburige woud een groot aantal dieren te -voorschijn snelde; aanvankelijk gaven zij niet het geringste geluid van -zich, maar op den oogenblik dat zij den schildpad bereikten, lieten zij -een snuivend, kort afgebroken gehuil hooren, terwijl zij in een -oogopslag het dier omsingelden en op de woedendste wijze aangrepen. -Naar onze schatting waren er minstens een dertigtal aanvallers. Zij -pakten hun slagtoffer bij den kop, den hals, bij de als vinnen gevormde -pooten, bij den staart, aan het achterste, trokken en scheurden het de -stukken van het lijf, draaiden het in een kring rond en verrieden door -hun fijn en schor klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de -ijsselijkste vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te -werk en schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die -daar—stil, met ligten, zachten tred—even als een Tjitjak -welke aan den wand van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam -aankruipen—al nader en nader,—vervolgens eensklaps, als een -pijl uit een boog, voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende -honden <span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name= -"pb272">272</a>]</span>tusschen zijne vreesselijke kaken had -verbrijzeld, alvorens de anderen het bemerkten, doch die eindelijk -eensklaps tot op zekeren afstand uit elkander stoven.</p> -<p class="par">Het waren Andjing adjag’s (Canis rutilans), -zoogenaamde wilde honden die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn -dan wolven, maar veel vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan -deze. Wel was de schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel -geleden om zich te kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk -eene goede vangst had gemaakt, trok zeewaarts af.<a class="noteref" id= -"xd21e5764src" href="#xd21e5764" name="xd21e5764src">19</a>—De -Adjag’s wierpen zich nu van alle zijden andermaal op hunne prooi, -vielen haar met vereenigde krachten aan en schenen druk bezig om haar -de schilden uiteen te rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om -los te drukken, toen een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij -eenige beteekenisvolle woorden toefluisterde.—Zijn scherp oog had -de gedaante, welke uit het duistere woud te voorschijn was getreden -reeds bespeurd; zij stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende -blikken over de schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder -en—viel plotseling met een verbazenden sprong te midden van de -honden,—een vreesselijk ratelend gebrul dat uit het diepste van -de keel scheen op te komen, werd daarbij vernomen en de Adjag’s -stoven, als door een panischen schrik bevangen, naar alle zijden -uiteen. Onder het slaken van een meer fluitend dan knorrend gehuil, -snelden zij ijlings terug naar het woud en de <span class="ex">tiran -der wildernis</span>, de <span class="ex">koningstijger</span> die -ten tooneele was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning -op het schild van het voor hem liggende dier.—Een <span class= -"pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name= -"pb273">273</a>]</span>tweede, kleinere tijger, welligt een panter, -sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich knorrend, blazend -om,—ik lag het geweer aan, drukte los en de knal van het schot -weêrklonk in den stillen avond heinde en verre door het gebergte. -De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde honden en tijgers -had voor ditmaal een einde.</p> -<p class="par">Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> een schot gedaan. Onder het loofgewelf -van den boom in welks takken wij gezeten waren, was het echter reeds -veel te donker geworden om ergens goed op te kunnen aanleggen, hoewel -wij de omtrekken der voorwerpen die zich voor ons op het kale, -helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk goed konden onderscheiden. -Wij hadden mis geschoten—of althans geene doodelijke wond -toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel konden wij nog -twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten het evenwel -voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren juist bezig -van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons bivouak achter -gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder een luid -geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de brandende -stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In de -nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven van -het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter -vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne -Gòlok’s<a class="noteref" id="xd21e5780src" href= -"#xd21e5780" name="xd21e5780src">20</a> voor goed afgemaakt. Dewijl -zeeschildpadden kop, noch pooten onder het schild kunnen terugtrekken, -vallen zij niettegenstaande de buitengewone grootte en stevigheid van -dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk ten prooi zelfs aan zulke -roofdieren, <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name= -"pb274">274</a>]</span>die veel kleiner zijn dan zij, wanneer deze (zoo -als hier de wilde honden) hen in grooten getale te gelijk aanvallen. -Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate van waar die <span class= -"ex">groote menigte</span> geraamten en schilden haren oorsprong heeft, -welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren bedekt. Dat -gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde honden, -tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het buikschild -hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles met geweld er -uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door zeeadelaars en andere -roofvogels verslonden, en steeds ziet men verscheidenen hoog in de -lucht boven dit oord rondzweven.</p> -<p class="par">Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de -reuzenschildpad reeds omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk -opengereten) buikschild naar boven lag; wij konden echter niet -beslissen of dit het werk was van den tijger, dan wel of zulks reeds -vroeger door de vereenigde krachten der wilde honden was geschied. De -Javanen beweerden dat het laatstgenoemde het geval was.—Wij -sloegen de touwen onzer Pikalan’s om de schildpad en bevestigden -deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes Koeli’s, -waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken op hunne -schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den last te -torschen.<a class="noteref" id="xd21e5790src" href="#xd21e5790" name= -"xd21e5790src">21</a> In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier -afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel in -zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen als wij -sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar insgelijks eene -ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren, ter grootte van -<span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name= -"pb275">275</a>]</span>eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden -geheel en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons -een uiterst smakelijk voedsel.</p> -<p class="par">Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan -het wachtvuur door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling -van verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der -<span class="ex">doelmatigheid</span> welke zich in de natuur laat -waarnemen. Zou het louter toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal -zulk een groot aantal eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? -Zouden wij zoo iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden -gezien hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de -<span class="ex">landdieren</span>, welke op de eijerenleggende moeder -loeren,—wij, die wisten dat het meerendeel der gelegde eijeren -verloren gaat, doordien kleine viervoetige roofdieren, zelfs apen en, -in bewoonde oorden, de mensch ze begeerig uit het zand opdelven en -weghalen, en dat een ander gedeelte der eijeren bij somber regenachtig -weder volstrekt niet wordt uitgebroeid?—<span class= -"ex">Waarom</span> echter aan dit dier zoo talrijke vijanden zijn -gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks is geschied -met het doel om de grootst mogelijke <span class= -"ex">verscheidenheid</span> des levens met de eenvoudigste middelen te -bereiken. Maar door de groote menigte eijeren die niet <span class= -"ex">allen</span> verloren kunnen gaan, is toch voor de instandhouding -der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld zou uitsterven, indien het -getal eijeren slechts tien in plaats van honderd bedroeg, of indien er -zelfs niet 10, maar (even als dit met het jongen bij olifanten en -tijgers het geval is) slechts 1 ei werd gelegd!—In den -harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo veelvuldig -aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen, waar het eene -om den wille van het andere bestaat, het een van het andere afhangt, -laat zich <span class="ex">een redelijk plan</span> <span class= -"pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name= -"pb276">276</a>]</span>waarnemen; onmogelijk kan dit het werk zijn -eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar, het einddoel der schepping -te begrijpen gaat boven onze bevatting; maar dewijl zoo veel -redelijkheid doorstraalt in de <span class="ex">middelen</span> welke -tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten, -dat het <span class="ex">einddoel</span> niet redelijk zou -zijn?—Zulke denkbeelden bezielden ons en zelfs de nachtelijke -strijd der dieren, het woeste, schijnbaar stelsellooze dooreen woelen -en werken der organische krachten, was niet in staat ons geloof aan het -bestaan van een hoogste redelijk wezen aan het wankelen te brengen. -Neen, wij hadden besloten om dit geloof steeds inniger aan te kweeken -en vaster wortel te doen schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging -van het aanwezen van een levenden God ons troost zou schenken in alle -rampen, in alle voor <span class="ex">ons</span> onbegrijpelijke -gebeurtenissen des levens.</p> -<p class="par">Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven -wij ons eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer -vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt -meêdeelden dat—<span class="ex">al onze Koeli’s waren -weggeloopen</span>. En dit was werkelijk het geval. Ten einde zich niet -in de noodzakelijkheid gebragt te zien om nog verder met ons mede te -gaan, hadden zij zich allen uit de voeten gemaakt, en nu zaten wij hier -met onze instrumenten en koffers geheel <span class="ex">alleen</span> -in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers, krokodillen -en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!</p> -<p class="par">Wat moesten wij nu -aanvangen?—„<i>Bidden!</i>” zou hierop welligt een -bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden -echter een <span class="ex">waardiger</span> denkbeeld van de grootheid -en de wijsheid Gods om te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een -enkelen of van eenige weinige menschen, eene verandering in zijne -natuurwetten maken en <span class="pagenum">[<a id="pb277" href= -"#pb277" name="pb277">277</a>]</span>„wonderen” zou -verrigten,—dat hij zich misschien aan een tiental Koeli’s -in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch of in eene -lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen: zich zoo snel -mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.—God werkt slechts door -middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft geroepen en naar -wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de eeuwige, -onwankelbare <i>trouw</i> dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij ze -heeft leeren kennen, met <span class="ex">vertrouwen</span> vervult; -<i>deze bestendigheid en onverbiddelijke consequentie der -natuurwetten</i> <span class="ex">is het</span> <i>alleen</i>, -<span class="ex">waardoor het aan beschaafde volken mogelijk is -geworden zich op te voeren tot dien trap van ontwikkeling, van kunst en -wetenschap, waarop zij thans staan</span>. Niet het bidden, maar de -kennis van de natuurwetten heeft hen op die hoogte gebragt.</p> -<p class="par">Dit geloofden <i>wij</i> en in overeenstemming daarmede -werd de behendigste klauteraar die zich onder onze jongens bevond, -namelijk Soengsang, gelast om in den top van een hoogen Kampakboom -(Hernandia sonora) te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen -afstand van het Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of -in de omliggende streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid -konden waargenomen worden.—Soengsang klom in den boom en riep ons -uit den top toe: dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit -het woud zag opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een -Kokospalm boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang -weder naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en -ons een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek, -waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een -Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer -mede; de overige jongens <span class="pagenum">[<a id="pb278" href= -"#pb278" name="pb278">278</a>]</span>lieten wij met onze beide andere -geweren in het bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, -met Soengsang vooraan een pad door de wildernis.</p> -<p class="par">Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad -hebben om op deze wijze eene halve mijl ver door het digt -ineengegroeide struikgewas heen te dringen, indien wij het geluk niet -hadden gehad een gebaand <span class="ex">pad</span> te vinden dat -blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts liep. Wij -volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen togt hadden -voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing opwaarts rees, -kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde, met onkruid -begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met hare kiekens al -pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van een haan, en tot -onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een open, -slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn -Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven; -eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine -gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen -zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden -mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den -drempel hunner hutten stonden.</p> -<p class="par">Het blaffen der honden verried onze komst; <span class= -"ex">zoodra</span> de spelende jeugd ons in het oog kreeg, bleef zij, -als van den donder getroffen, van schrik eensklaps roerloos -staan;—de moeders pakten hare kinderen snel bij den arm en ijlden -er mede weg, de mannen volgden haar in woeste vaart en alles wat loopen -kon, snelde voort en nam onder een aanhoudend geroep van: „help! -help! erbarming!” op den voet gevolgd door de blaffende -honden—in allerijl de vlugt.</p> -<p class="par">Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard -<span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name= -"pb279">279</a>]</span>bleef, met de beenen kruiselings over elkander -geslagen, rustig voor een der hutten zitten en zeide, ons bedaard -groetende (een Sĕmbah makende): „Goeden dag, heeren -Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij neder. Ik ben een oud -man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil van den Albarmhartigen -Toean Allah,—gij kunt mij dooden.”</p> -<p class="par">Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat, -tegenover den grijsaard op den grond, leiden de geweren tusschen hem en -ons neder, namen eenige cigaren in de hand en reikten ze hem -toe.—Hij bezag ons nu met meer aandacht en sprak: „Zijt gij -geene roovers? Zijt gij Orang poetih (blanken)?—Hollanders? Het -is lang, zeer lang geleden; ons dorp stond destijds nog beneden aan de -kust, toen kwamen zeeroovers (Badjak’s), zij overvielen ons en -hebben mijne vrouw en mijne kinderen vermoord. Sedert dien tijd hebben -wij ons hier hooger bergopwaarts in het woud nedergezet. Onze -Oema’s (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf jaren geleden is een -Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij heeft ons Bibit kopi -(koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij koffij moeten planten. -Daar staan de struiken. De Moesang’s<a class="noteref" id= -"xd21e5887src" href="#xd21e5887" name="xd21e5887src">22</a> eten de -bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om naar -de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld -noodig.”</p> -<p class="par">De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard -maakten op ons een diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van -menschelijke waardigheid in het kleed van den eenvoudigsten -natuurstaat. Daar hij vertrouwen in ons begon te stellen, waren wij de -zaak spoedig met hem eens. Op ons verzoek verklaarde hij zich bereid -zijne gevlugte landslieden <span class="pagenum">[<a id="pb280" href= -"#pb280" name="pb280">280</a>]</span>op te sporen en terug te roepen. -Wij gaven hem een onzer geweren mede, ten einde dit den vreesachtigen -ten bewijze onzer vredelievende gezindheid te toonen.—Een half -uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen terug. De vrouwen slopen binnen -de hutten en de mannen, benevens de grijsaard en eenige half volwassene -knapen, elf in getal, zetteden zich op eenigen afstand van ons op den -grond neder.—Wij gaven hun nu te verstaan dat wij, tegen ruime -betaling en goede behandeling, voor een halven dag niets anders van hen -verlangden dan Koelidiensten en dat wij ons naar het groote, -<span class="corr" id="xd21e5895" title= -"Bron: westwaars">westwaarts</span> van hier gelegen dorp wenschten te -begeven. Hun antwoord was: „Trada boleh Toean (dat is -onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis -ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene -dagreize van hier verwijderd is.” Zij verklaarden zich echter -bereid, om ons eenige uren ver langs het strand in eene <span class= -"ex">oostelijke</span> rigting te geleiden—wij zouden -derhalve terug moeten gaan—en ons van daar landwaarts in naar een -groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan werd gevonden en waarheen -de togt, naar hunne meening, in eene halve dagreis kon worden afgelegd. -Wat stond ons nu te doen?—Wij waren ten laatste nog blijde, dat -er gelegenheid bestond om van hier weder weg te komen; wij lieten -derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen en namen het aanbod -hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij zijnde, oostwaarts -van hier gelegene groote dorp te begeleiden.</p> -<p class="par">De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen -den gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een -paar gedroogde vischjes of eenige <span class="corr" id="xd21e5903" -title="Bron: schilpadeijeren">schildpadeijeren</span> ten gebruike op -reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan -bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden -noch buffels; hunne <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" -name="pb281">281</a>]</span>huisdieren bestonden uit kippen, honden en -vier geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal -dikke Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het -uitstekende gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3 -à 4 voet; in het voorgedeelte dezer buizen was eene opening, -waar eene soort van kleine bijen die geen angel hebben en niet veel -grooter zijn dan muggen, zonder het minste gegons te maken uit- en in -vlogen. Deze diertjes, Sĕlemprang (Melipona minuta), bereiden -behalve honig insgelijk <span class="ex">was</span> (Towol), hetwelk de -vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde teekeningen (Batik) op -de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven weven. Uit dien hoofde -worden zij voor huisdieren gekweekt. „Hebben wij was -noodig,” zeide ons een der bewoners van dit gehucht, „dan -behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis -vóór onze woning op te hangen, spoedig nestelt zich -daarin eene talrijke zwerm bijen en binnen eenige weken is de gansche -ruimte grootendeels met Towol gevuld.”—Deze -allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier regt op hare plaats te -zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in van de even zoo eenvoudige -huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig geluid te maken, vreedzaam -en weêrloos verrigten deze kleine diertjes ijverig hunnen arbeid. -Even weinig geschikt om zich te verdedigen, maar niet minder stil en te -vreden slijten deze Javanen hun leven hier in de eenzaamheid.—En -toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig toe. Hoe minder -behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar echter weinig wordt -geleden: daar geniet men ook weinig vreugde, en hoe talrijker de -behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap van ontwikkeling is -welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal hij moeten zijn en des -te grooter, des te menigvuldiger zal het genot wezen, dat het leven hem -kan verschaffen.—Het speet mij slechts <span class= -"pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name="pb282">282</a>]</span>van -de arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten -bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan <span class= -"ex">toezigt</span> en <span class="ex">leiding</span> tot den arbeid -daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen verdord aan de -twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te verrotten. -„Trada soeka minom—of Trada <span class="ex">adat</span> -tanam kopi (wij drinken geen koffij—of het is bij ons geen -gebruik (Adat) koffij te planten),” was het gewone phlegmatische -antwoord der dorpelingen op onze vragen.</p> -<p class="par">Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in -het dorp moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli’s dat met -ons ten 9 ure in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg -hiervan was, dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli’s de -behulpzame hand moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen -echter niet verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten, -zoomede hunne eigene zakken vol te stoppen met -schildpadeijeren.—En honderde dergelijke eijeren werden er -weggeworpen.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt -aan en kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in -eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde; wij -volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het schoone -Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen vrolijk in -den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele dorpjes verrieden. -Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende waaijers verhieven -zich hoog boven het bladerendak der loofdragende vruchtboomen, waar -tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen der Javanen verborgen -waren. Tusschen deze boschjes <span class="pagenum">[<a id="pb283" -href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span>werden onder water staande -rijstvelden (Sawah’s) gevonden, waarin eene menigte -dominé’s (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende -naar hun lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het -rond waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op -dominé’s gesteld zijn, houden echter veel van de -Maraboevederen, welke deze vogel verschaft.</p> -<p class="par">Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed -geheeten, dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; -de slagen van Gamĕlan’s klonken ons luide uit meer dan een -Pĕndopo te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke -geluid des Angklong.<a class="noteref" id="xd21e5933src" href= -"#xd21e5933" name="xd21e5933src">23</a> Eerepoorten van helder groen -loof waren hier en daar opgerigt, en in feestgewaad gedoste en -opgesierde inlanders van allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar -ons verhaald werd, vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De -zoon van den Loerah<a class="noteref" id="xd21e5936src" href= -"#xd21e5936" name="xd21e5936src">24</a> was den vorigen dag gehuwd met -de dochter van een Mandor goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) -en het scheen, dat hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang -door het dorp te maken.—Onze Koeli’s bragten ons in den -ledigstaanden Pasanggrahan, ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk -van de pakken en koffers, en spoedden zich onmiddellijk daarop weder -voort, ten einde deel te nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens -volgden hun voorbeeld <span class="pagenum">[<a id="pb284" href= -"#pb284" name="pb284">284</a>]</span>en wij insgelijks, dewijl het er -in den Pasanggrahan zoo armoedig en leêg uitzag als het geval kan -geweest zijn op het drooge land tijdens de silurische formatie.</p> -<p class="par">De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even -langzaam, in plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het -Aloenplein dat daar vóór gelegen is. De bruid zat in een -open, bontkleurigen draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede -Javanen werd gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij -werden voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen -gevulde, geelkoperen kwispeldoors (Kĕmbar majang) droegen. Het -bovenlijf der bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar -aangezigt was wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare -borsten en het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren -<span class="ex">geel</span> geverwd met Boreh; om de armen droeg zij -zilveren ringen en in de ooren lange gouden versierselen. Overigens had -zij ter bedekking van het benedengedeelte des ligchaams slechts een -prachtig kleed, Sarong,<a class="noteref" id="xd21e5946src" href= -"#xd21e5946" name="xd21e5946src">25</a> terwijl het zwarte hoofdhaar -was gesierd met welriekende witte Mĕlati- en gele -Tjĕmpakabloemen.—Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke -het Kĕmpar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en -hij, gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk -opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens -gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het -benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn -<span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name= -"pb285">285</a>]</span>bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook -zijn gelaat was wit, de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt. -Achter in den gordel waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden, -stak de met bloemen gesierde Kris.<a class="noteref" id="xd21e5954src" -href="#xd21e5954" name="xd21e5954src">26</a> Zijn lang zwart hoofdhaar -hing, insgelijks met bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne -schouders, en in plaats van den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek -(eene parademuts).—Dan kwamen eenige priesters (Imam’s en -Modin’s), herkenbaar aan hunne witte hoofddoeken en aan hunne -kleederdragt in het algemeen;—hierop volgden, in feestgewaad -gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en achter -<span class="ex">deze</span> huppelden Angklong- en op trommels -(Terbang) of bekkens (Kĕnong) slaande Gamĕlanspelers, waarna -eene tallooze schaar van andere inlanders—oud en jong, mannen, -vrouwen en kinderen, allen met de beste kleêren aan, den -plegtigen optogt besloot.</p> -<p class="par">Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des -bruidegoms vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed -(Padjangan) dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest -ontvangen worden. In den Pĕndopo die vóór deze -woning stond, waren de noodige toebereidselen voor het bruiloftsmaal -gemaakt.<a class="noteref" id="xd21e5962src" href="#xd21e5962" name= -"xd21e5962src">27</a>—Weinig tijds nadat wij van het <span class= -"pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name= -"pb286">286</a>]</span>Aloenplein naar den Pasanggrahan waren -teruggekeerd, verscheen de Loerah aan het hoofd eener bezending, -bestaande uit mannen en vrouwen die korven, groote houten schotels, -drinkschalen en schenkbladen, alles gevuld en beladen met rijst, thee, -suiker, velerlei soorten van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of -honig (Koewé koewé) van verschillenden aard voor zich uit -droegen. Deze lekkernijen werden ons aangeboden en op den vloer in den -Pasanggrahan nedergezet, dewijl er banken, tafels, noch stoelen -voorhanden waren. Bovendien werden wij door den Loerah op het -bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later deel te nemen aan den -daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij de Gamĕlan -geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van de -vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem om -ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te -bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij ons -onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De Javanen -bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard in -overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de -armoedige wijze waarop wij waren aangekomen—te voet, niet onder -geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van onze -eigene bedienden—op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed -waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder de -Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat <i>niemand</i> -van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli, -onbevredigd <span class="corr" id="xd21e5978" title= -"Bron: blijven">blijve</span> of treurig mag wezen.</p> -<p class="par">Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust, -<span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name= -"pb287">287</a>]</span>slaap, vonden wij, helaas! het minst.—Het -slaan op den Gamĕlan, het geschal der groote Gong’s, het -luid gillend gezang der Ronggèng’s (dansmeisjes, -Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke menigte personen -in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen van raketten en ander -vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde ons den ganschen nacht -in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen werd berigt dat dit -vrolijke leven (Ramé ramé) nog twee dagen en twee nachten -zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te -verlaten—verder te reizen en zonden derhalve boden naar den -Loerah met verzoek, dat hij ons Koeli’s zou verschaffen om onzen -togt te kunnen voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het -berigt, dat het volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende -dagen Koeli’s te bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf, -die weldra bij ons kwam en met de beenen kruiselings op den grond zich -voor ons nederzette; nu kregen wij het bevelschrift (Soerat printah) -van den resident en leiden het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen, -en—onder het maken van buitengewoon vele pligtplegingen, er -bijvoegende: „dat wij het hem, zoo hij hoopte, toch vooral niet -kwalijk zouden nemen”—gaf hij ons te verstaan: dat de -bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te bieden, hem vroeger -steeds mondeling door het distriktshoofd waren medegedeeld, en dat het -geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke bevelen als wij hadden. -Gaarne zou hij ons Koeli’s verschaffen, indien wij slechts twee -dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was het hem echter -volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen; de dorpsbewoners -wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet.</p> -<p class="par">Nu gingen wij beproeven om als <span class="ex">man met -man</span> te onderhandelen en gingen met onze jongens in het dorp -rond, haalden de beurs te voorschijn en boden elken ledigstaanden of -<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name= -"pb288">288</a>]</span>rondslenterenden Javaan dien wij aantroffen, -drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan om onze ligte -pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats der residentie te -helpen dragen; zij keken het geld eens aan, glimlachten—maar, de -Ronggèng’s wier stemmen hen uit den Pĕndopo te gemoet -klonken, de welluidende slagen van den Gamĕlan die uit de verte -weêrgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond, -de overvloed van Koewé koewé, de prachtige optogten van -bruid en bruidegom—neen! <span class="ex">daarvan</span> konden -zij niet scheiden.—Ruim een uur lang hadden wij het dorp -doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk gesteld om langs den -weg van overreding tot ons doel te geraken, den ganschen voorraad van -ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren guldens en Spaansche -matten die wij nog over hadden, in onzen buidel doen rammelen, -maar—alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde middelen schonk -eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij konden <span class= -"ex">geen enkelen</span> Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met -loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar onzen -Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de voorgalerij -geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een getrappel, -wij keerden ons om en—wat zagen wij daar? een ruiter kwam met -lossen teugel het dorp binnen rennen——</p> -<p class="par">een tiental anderen galloppeerde hem achter -na,—zoodra de voorste ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op -een afstand van 500 voet den teugel in,—steeg van zijn paard en -trad in eene bukkende, onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot -op ongeveer een tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op -den grond neder, maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn -Sĕmbah herhalende, de volgende woorden tot ons: „Ik vraag -duizendmaal om verschooning, hooggeërbiedigde heeren! Duidt mij -toch niet ten <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name= -"pb289">289</a>]</span>kwade, dat ik vóór vijf dagen toen -ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u gekomen ben. Ik wist -niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik u echter overal -nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest u te vinden. Ik -smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt het mij toch niet -kwalijk. Ik moet u vele <span class="corr" id="xd21e6004" title= -"Bron: groete">groeten</span> overbrengen van den heer regent. Gij kunt -vijftig Koeli’s krijgen, ja, <span class="ex">honderd</span> of, -in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het -mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien het -mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen -en—hier—is mede een brief van Toean Abingrot.”</p> -<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Abingrot?!—Snel brak -ik den brief open, zag wie de onderteekenaar er van was en daar las ik -de volgende woorden:—„Uw liefhebbende broeder <span class= -"sc">Avondrood</span>.”</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Wat! <span class= -"sc">Avondrood?</span> Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt in -onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee!</p> -<p class="par">Ik las: „<i>Aan het meer Tĕlaga-Nagnetap</i>. -Lieve jongste broeder! Sedert drie dagen ben ik met broeder -<span class="sc">Morgenrood</span>” - - - Wat! is <span class= -"sc">Morgenrood</span> insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene -verrassing! welk een onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders, -die elkander sedert jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden -dezer heerlijke natuur ons zullen wederzien!—„alhier -aangekomen en heb tot mijne groote verrassing gehoord, dat gij met -broeder <span class="sc">Nacht</span> insgelijks in deze residentie -zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas <span class="corr" id= -"xd21e6039" title="Bron: bevondt">bevond</span> en waren in twijfel, of -gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als men ons de namen noemde) -waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen in het werk stelden om de -Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en een waar Koeli’s leven -leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd van Gnodnab alhier aan, -met bevelen van den regent om u op <span class="pagenum">[<a id="pb290" -href="#pb290" name="pb290">290</a>]</span>te zoeken en den noodigen -bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van u, en nu was alle -twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten wij slechts -<span class="ex">waar</span> gij ronddwaalt, dan ijlden wij u -onmiddellijk te gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van -hier verwijderen, want onze wakkere vriend, de resident <span class= -"sc">Praktischman</span> dien gij, beste <span class="sc">Dag</span>, -insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot aan -Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst van -Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.—Derhalve, beste -broeders, komt naar <span class="ex">ons</span> toe, spoedig, ijlt -herwaarts naar het meer, opdat wij u omhelzen.—<i>P. S.</i> Wij -hebben ons hutten gebouwd en plaats en levensmiddelen in overvloed voor -u allen.”</p> -<p class="par">De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op -ons beiden en <span class="sc">Nacht</span> was zoo opgetogen op het -vernemen van dit onverwachte berigt, dat hij het goedhartige -<span class="corr" id="xd21e6065" title= -"Bron: disstriktshoofd">distriktshoofd</span> van vreugde in zijne -armen sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden, -want het ontvangen eerbewijs—eene openbare schending van den -Adat—had hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons -zijn verlangen te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te -verwijderen; hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet -geringe verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien -minuten, als door tooverij, met—<span class= -"ex">Koeli’s</span> om zoo te zeggen bedekt geraakte, die zich -ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over -elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.—Dat was de -tooverkracht der <i lang="la">Argumenta ad hominem</i> die alleen het -distriktshoofd scheen te kennen, dewijl <span class="ex">onze</span> -drangredenen kort te voren bij zijne landslieden niets hadden -uitgewerkt. Onze jongens echter, die in het moeijelijke -„Koelileven” in het maken van voetreizen volstrekt geen -<span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name= -"pb291">291</a>]</span>behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke -aanstalten te zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah -soesah<a class="noteref" id="xd21e6080src" href="#xd21e6080" name= -"xd21e6080src">28</a> verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen -niet zoo druk in de weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden -luid hunne bevelen uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk -na het andere den trap af naar het plein,—de Koeli’s die -daar zaten, sprongen op en <span class="ex">wedijverden!</span> om -de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje het eerst opnemen en -wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande spoedden zij zich met hunne -lasten het dorp uit;—want de Heer baron (of Raden) distriktshoofd -Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz., gedost in galakostuum, met de -Kris in de gouden scheede gesierd, trad daar zoo even weder op het -tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop (onder het telkens en -herhaald maken van Sĕmbah’s) een getrouwe echo, ja, ja, ja, -ja,—weêrklonk.</p> -<p class="par">Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en -getuigd, die door hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe -vurig zij waren. Vóór bij den ingang van het Aloenplein -hadden twee voorrijders, met vaantjes aan hunne lansen, post gevat, -slechts wachtende op den oogenblik dat <i>wij</i> den voet in den -stijgbeugel zouden zetten, om in allerijl ons vooruit te rennen. Wij -zetteden ons eindelijk in den zadel, daar snelden de voorrijders weg -aan ’t hoofd van den togt, de slagen van den Gamĕlan volgden -steeds sneller elkander op, en een luid en vrolijk allegro klonk door -het dorp,—wij galoppeerden hen achterna, gevolgd door het -distriktshoofd—en <span class="pagenum">[<a id="pb292" href= -"#pb292" name="pb292">292</a>]</span>achter hem draafden onze en zijne -bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere hoofden en andere -Javanen.—Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet ongelijk aan eene -woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit, terwijl de luide -toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche muziek langs de -bergwanden weêrgalmden en het gehinnik der paarden de frissche -morgenlucht deed trillen.</p> -<p class="par">De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig, -zij snoven en brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de -ruiters die ze bereden, schertsten met elkander en lachten elkander -uit, wanneer door het ordelooze van den togt de een den anderen in het -voorbij rijden knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade -welke wij op die wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig -uit. Behalve mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met -een breed geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan -reden, werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen -en schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart -katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige -Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe buizen -(Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen -daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen -droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong, niets -anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later door den -snellen rid verloren. Dan zaten zij <span class="ex">van top tot -teen</span> in het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard -en—werden uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke -dan als een lange wimpel achter hen in lucht fladderde;—de -ruiters die het verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden, -sprongen dan van het paard, maar vergaten <span class="pagenum">[<a id= -"pb293" href="#pb293" name="pb293">293</a>]</span>de teugels vast te -houden,—de paarden draafden dan mede door en hunne voormalige -berijders liepen ze, met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna -en genoten het vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier -pooten van hun paard te kunnen vergelijken.—Op die wijze ging de -togt in vluggen draf naar het gebergte heen, in de rigting van de -plaats, waar te midden der sombere wouden die het overschaduwen, het -meer Nagnetap moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli’s -ingehaald, die onze pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet -omtrent hen te bekommeren, want wij wisten dat het <span class= -"ex">heden</span> niet noodig was om ze aan te sporen en bovendien dat -wij aan het meer alles zouden aantreffen, hetgeen wij noodig mogten -hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe goed doorgeloopen hadden, -begonnen hunne drift allengs te matigen en staakten hun snuiven en -brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte, namelijk, begon met -steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in staat om, nevens -elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling een gesprek te -voeren.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Er zijn nu omtrent -veertien dagen verloopen sedert wij de hoofdplaats der residentie B. -hebben verlaten, tot waar wij de reis met postpaarden hadden -voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch moet ik tot mijne smart -bekennen dat ik reeds begin te twijfelen, of men door middel van -<span class="ex">vrijen arbeid</span> in het binnenland van Java -tot een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben -althans bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze -klinkende munt, onze overredingskracht en goede woorden, als -<span class="ex">man tegen man</span>, nergens veel konden -uitrigten.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Natuurlijk niet; daartoe is -noodig aanzien en magt, dat wil zeggen het <span class="ex">regt om te -bevelen</span>. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke -beschouwen,—zoo als met <span class="pagenum">[<a id="pb294" -href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span>ons het geval is geweest, -sedert wij te voet en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden -waren gezonden, het land doorkruisten,—dan doen zij voor hem -juist zoo veel als voor <span class="ex">hun gelijke</span>, maar -ook niets meer. In de wildernis westwaarts van den Tandjoeng-Gnodos -hadden <i>zij</i> niets te verrigten en om die reden hebben zij ook -<i>ons</i> derwaarts niet willen begeleiden. In het meer beschaafde -Europa is <span class="ex">geld</span> de drangreden welke individuen -noopt, <span class="ex">meer</span> voor anderen dan voor zich zelven -en zijn gelijke te doen; maar welke waarde kan geld toch wel hebben -hier in het binnenste van Java, in het oog van den eenvoudigen -bergbewoner die bijna al zijne behoeften <span class="ex">zonder</span> -geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer waard. Hoe gastvrij zij ons -ook overal ontvingen, wij hadden echter voortdurend met Soesah soesah -te kampen, en het is u bekend dat wij ons doel of slechts ter -naauwernood, of in het geheel niet hebben kunnen bereiken.—Maar -welk eene uitwerking had niet dezen morgen de verschijning van den -Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet op den grond en een -geheel leger Koeli’s stond op zijne wenken te wachten! Wat repten -deze Koeli’s zich met armen en beenen, wat waren zij eensklaps -behendig en vlug geworden!—en toch waren het dezelfde menschen -die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede woorden -van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden van den -grond waarop zij zich hadden nedergevleid.—En gedraagt het -distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor -eenige dagen,—is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent -gerezen, <span class="ex">sedert hij weet</span> dat wij van -regeringswege alle ondersteuning welke wij verlangen, op reis bekomen -<span class="ex">kunnen</span> en dat wij op een vriendschappelijken -voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Hetgeen gij daar zegt, is -slechts al te waar. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb295" href= -"#pb295" name="pb295">295</a>]</span>het doet mij leed, te moeten zien -dat onder een volk hetwelk zulk een voortreffelijken aanleg bezit, zulk -een slaafsche geest heerscht, dat steeds <span class= -"ex">bevelen</span> van hooger hand volstrekt vereischt worden om den -reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze bevelen -met <span class="ex">blinde</span> gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het -schijnt, dat de <span class="ex">despotieke</span> regeringsvorm der -Javanen bij hen elken kiem van achting voor den mensch <span class= -"ex">op zich zelven</span>—<span class="ex">als -mensch</span>—in zijne ontwikkeling heeft verstikt.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Er ligt veel waars in -hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar toch <span class= -"ex">hapert</span> er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om -<span class="ex">volkomen</span> waar en overeenkomstig de natuur te -zijn. Was het gedrag der Javanen jegens ons niet altijd beleefd? Hebben -zij ons ooit met minachting behandeld?—Ja, ik vraag het u, zouden -wij bij de Christenboeren in Holland wel zoo <span class= -"ex">gastvrij</span> zijn ontvangen geworden, als hier bij deze -zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde blanke -menschen ontmoetten, het geval is geweest?—Het schijnt u te -hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich omgeeft -met aanzien en aardsche pracht, die als <span class="ex">despoot</span> -optreedt, zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter -uit het oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran -laten beheerschen die nog veel minder achting verdient, -namelijk:—<i>geld</i>. Wat mij betreft, ik verklaar u openhartig -en ik kom er rond voor uit dat, indien mij ter eeniger tijd geen uitweg -mogt overblijven en ik tusschen <span class="ex">twee</span> dingen had -te kiezen, namelijk, <i>of</i> een grooten geldzak als afgod moest -aanbidden <i>of</i> een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt -in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid—, in zulk een -geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de -Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, <span class= -"pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span>toen -hun hoofd te Oegoed aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem -voldoende was om tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen -vollen geldbuidel niet hadden kunnen bewerken.</p> -<p class="par">De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is -gevorderd, om menschelijke eigenschappen—als zieleadel, hooge -deugd, scherp verstand, diepe wetenschappelijke kennis—in -<span class="ex">absoluten</span> zin, om en op zich zelven, te -schatten, meet de waarde der menschen af naar de wijze waarop zij zich -uiterlijk aan hem voor doen, naar den rang welken zij in de -maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook bij onze landslieden in -Europa de uiterlijke rang van een individu en zijne kleeding of de -uiterlijke eereteekenen welke hij draagt, althans de <span class= -"ex">eerste</span> en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt -beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens -gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed -uitoefenen, die hem allen <span class="ex">onderwerping</span>, -<span class="ex">geduld</span>, <span class="ex">gehoorzaamheid</span> -luide verkondigen?—Kan hij de donderende vulkanen die hunnen -vuurgloed over zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust -weder te keeren, of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne -voeten trilt en beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem -mogelijk den gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem -nederschiet, of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die, -tuk op roof, des nachts rondom zijne stallen sluipen?—Is zijne -bijl of zijn hakmes in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang -te houden, die zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf -zamenvoegt?—En strekt deze zelfde allerrijkste plantengroei, op -dezen vruchtbaarsten aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst -gemakkelijk middel om al zijne behoeften overvloediglijk te -bevredigen?—Moet de nog onbeschaafde mensch <span class= -"pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span>die -te midden van <span class="ex">zulk eene</span> vruchtbare natuur -geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks -aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem -uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer -noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen -tot <span class="ex">traagheid en zinnelijkheid</span>? ja, zou -voor een dergelijk volk, zoo lang het nog op den eersten trap van -ontwikkeling staat, een <span class="ex">despotieke</span> -regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden?</p> -<p class="par">Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden -dat het verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger -is, hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat -de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren, maar -<span class="ex">geregeerd moeten worden</span>. Al hetgeen de Javaan -van der jeugd af ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan -zijne blikken voor als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat -onderwerping hem ten gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste -bevrediging voor zijn gemoed: in het <span class= -"ex">gehoorzamen</span> aan billijke bevelen; het is hem een lust een -hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden zijns gevolgs -te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot: deel te nemen in de -vreugde, in den feestmaaltijd zijns <span class="ex">heerschers</span>, -terwijl de muziek des Gamĕlan weêrklinkt, die immers de -Koeli even zoo goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als -de Groote des lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke -mate grootere tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger -gehoorzamen en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang -zij aan zich zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding -stonden, op grond van <span class="ex">denzelfden</span> karaktertrek -welke de geringen gedwee maakte, steeds <span class="ex">zeer -slecht</span>, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam -<span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name= -"pb298">298</a>]</span>geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan -het u stellig geen spijt inboezemen dat de teugels der regering in -Europesche handen gelegd zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat, -sedert het Nederlandsche gouvernement over Java regeert, de bewoners -niet slechts aanmerkelijk in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet -alleen het land—de middelen van vervoer en van gemeenschap, de -binnenlandsche handel, de nijverheid, de administratieve inrigtingen -van allerlei aard en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den -grond—tot zulk een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de -toestand waarin Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan -uitstaan met dien waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel -ander tropisch land zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven -leeren inzien dat insgelijks de Javaan, sedert <i>wij</i> hem naar -billijke <span class="ex">wetten</span> regeren, sedert zijne -persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd, veel <span class= -"ex">gelukkiger</span> en meer welvarend is dan vroeger, en zulks -vooral dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken: -<span class="ex">de bevelen regtstreeks van zijne eigene hoofden te -ontvangen</span>.</p> -<p class="par">Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een -<span class="ex">koffijtuin</span> binnen gereden.—De -koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor als een helder groene -strook of gordel tegen den donkeren achtergrond der oorspronkelijke -wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele lichtkleurige plek meer -wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt men slechts de -<span class="ex">Dadapboomen</span> (Erythrina indica) welke in den -koffijtuin zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof -veel lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd. -De koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende -rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen, -blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als -<span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" name= -"pb299">299</a>]</span>eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig -geplaatste en afwaarts hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje -heeft den vorm eener spits toeloopende piramide en het eene staat zoo -digt bij het andere, dat het daar tusschen aangelegde pad ter -wederzijde ingesloten schijnt door een groenen, 7 à 10 voet -hoogen wand. In dezen koffijtuin—een eigenlijk koffij<span class= -"ex">bosch</span>—was alles vol leven en beweging. Honderden van -Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den grond -tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal keken -vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden -Mandor’s en Loerah’s, wier pligt het was het volk vlijtig -aan den arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons -distriktshoofd verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om -van tijd tot tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen. -Breede, goed onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg -doorsnijdende welken wij bereden, openden van tijd tot tijd een -vergezigt op Bamboeshuizen uit wier geveltop een kronkelende rookzuil -opsteeg, of op een kleinen Pasanggrahan, of Pĕndopo’s en -droogschuren, voor welke effen gemaakte terrassen zich uitstrekten. Al -hetgeen wij hier zagen, ademde orde, welstand, vrolijkheid en nuttige -bedrijvigheid.</p> -<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Zeg eens, broeder, wat zou -er wel van dezen schoonen koffijtuin worden die, naar de berekening van -het distriktshoofd, 350000 afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de -Javanen wier naarstigheid hem thans in stand houdt, <span class= -"ex">aan zich zelven werden overgelaten</span>>?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Ik vrees dat hij weldra -in het lot zou deelen der koffijstruiken die binnen de haag van het -dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen, dat hij verlaten zou -worden, dat hij zou verwilderen!</p> -<p class="par"><span class="sp">IK.</span> Ha ha! Gij hebt u derhalve -reeds overtuigd van deze <span class="pagenum">[<a id="pb300" href= -"#pb300" name="pb300">300</a>]</span><span class= -"ex">natuurwaarheid</span>, die inderdaad niet overeenkomt met de -theoriën van menigen voorstander van hervormingen. Waarlijk, ik -verheug mij daar over.—Indien het mogt gebeuren dat de arbeid in -het binnenland van dit gedeelte van Java werd vrijgelaten, dan maak ik -mij sterk om al de koffij, die dan nog binnen <span class="ex">een -jaar</span> tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden, op eene -behoorlijke manier gezet, binnen <span class="ex">drie dagen</span> -geheel alleen te verbruiken.</p> -<p class="par">Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was -oorzaak dat wij ons in den zadel omwendden,—daar zagen wij dat de -Raden distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde -van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen -bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had -zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens -aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen—en zoo -voorts, totdat eindelijk de <span class="ex">gansche</span> -ruiterschaar even luid medelachte, zonder eigenlijk te weten waarom -<i>hij</i> lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de paarden onwillekeurig -medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond de goede Raden een -weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke ik mijn broeder had -toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl hij nog steeds den buik -vasthield van ’t lagchen, stamelde hij eindelijk (onder het maken -van vele verontschuldigingen wegens zijne onbescheidenheid) de volgende -woorden: „Betoel Toean! betoel sakali! Orang kitjil trada soeka -kerdja,—trada maoe bekin bresih kopi, kapan trada soedah jang -dapat printah; ter lebi jang soeka tinggal di roemah, dan majin sama -dija poenja parampoean, tidoran di atas balé -balé,—pidjit, pidjit, enak!” (Het is waar, mijnheer! -’t is volkomen waar! De geringe man houdt niet van -arbeiden,—wil de koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet -is bevolen geworden; hij <span class="pagenum">[<a id="pb301" href= -"#pb301" name="pb301">301</a>]</span>blijft veel liever te huis om zich -met zijne vrouw te vermaken, gemakkelijk op de Balé balé -te liggen, zich te laten strijken, kneden,<a class="noteref" id= -"xd21e6318src" href="#xd21e6318" name="xd21e6318src">29</a> -lekker!)</p> -<p class="par">Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en -zagen ons omringd door de donkere schaduwen van het hoogstammige, -oorspronkelijke woud dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller, -moeijelijker te berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij -bevonden ons nu ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den -spiegel der zee. De laatste sporen van menschelijk verkeer en -menschelijke bedrijvigheid waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen -en ter naauwernood verried nog hier en daar een voetstap, welke in den -weeken, leemachtigen woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan, -met het doel welligt om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij -zetteden onzen togt voort over smalle paden gebaand door <span class= -"ex">rhinocerossen en wilde stieren</span>, door een maagdelijk woud -dat nog nimmer door de vernielende bijl was geschonden en ons wijd en -zijd omgaf. Hoewel het gebergte hier geene vlakte vormt, maar -doorsneden is met kloven en dalen wier wanden en hellingen menigwerf -zeer steil zijn, waar tusschen meer of minder breede, deels vlakke, -deels zeer oneffene bergruggen liggen, heeft het hier echter op -dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote uitgestrektheid; dit -gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte van verscheidene -dagreizen heeft, is <span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302" -name="pb302">302</a>]</span>alom bedekt met oorspronkelijke wouden -waarin slechts wilde dieren huizen.</p> -<p class="par">De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van -de rijstteelt leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer -hoog gelegene bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang -voortbrengende heete <span class="ex">laagland</span> hem de vereischte -ruimte verschaft tot verdere uitbreiding van den landbouw door hem -beoefend.</p> -<p class="par">Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en -Podocarpussoorten, dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op -andere plaatsen uit Laurineën, waar tusschen echter allerwege eene -groote menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki -tĕrong (Fagraea lanceolata)-, Bĕngang (Thespesia altissima)-, -Palaglar (Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en -andere soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige -stammen van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven -onze hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden, -waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een hoogen -koepel dof weêrgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke -beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt, waar -tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchideën in het -oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen tak met -den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam, strekten zich -menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom tot den anderen uit -en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als reusachtige touwen van -de hoogste toppen der boomen tot op den grond, waar sierlijk gevinde -boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over het digt ineengegroeide -kreupelhout. Hier en daar verhief zich de slanke stam van een -Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje van den bodem, hoe -gering ook, was <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" -name="pb303">303</a>]</span>onbedekt; ja, digt aan den rand der kloven -stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en vormden -aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand heen -reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken boom -een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren -(Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke eene -lengte hebben van 3 à 4 voet en in den vorm van een rad of roos -zijn geplaatst,—dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den -afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en -herwaarts geschommeld.</p> -<p class="par">Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd -uitgestrekte woud heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister -hetwelk onder het loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke -gemoed een diepen indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen -zonnestraal drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater -onzer vrolijke karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin -wij ons bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner -onbewust was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg -bragt. In diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk -geruisch, elk gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het -woud weêrgalmde het schallend geluid van den koekoek (Cuculus -chalcites) welke zich van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe, -koerende bastoon der groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der -spechten die tegen de boomstammen opliepen,—somtijds ook het -gefluit van een Soerili-aap (Semnopithecus mitratus) die zich bij onze -nadering snel tusschen het loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak) -en wilde stieren (Banteng) hoorden wij niets en zagen slechts het spoor -dat zij in den weeken bodem hadden achtergelaten, en de groote -eekhoorntjes (Sciurus <span class="pagenum">[<a id="pb304" href= -"#pb304" name="pb304">304</a>]</span>bicolor) die over de takken -rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen een ligt geritsel in -het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten sprong van den eenen tak -op den anderen gemaakt hadden.—Een paar malen verschrikte ons een -dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het diepste van den gorgel eens -roofdiers scheen voort te komen en hol weêrgalmde door het woud; -de paarden stapten echter rustig voort, want zij schenen den klank te -kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige zwarte aap <span class= -"ex">Loetoeng</span> (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden, de -plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt.</p> -<p class="par">Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te -doorklauteren, waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken -afstand vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren -bodem stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het -gedruisch der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat -wij aan den rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der -wateren verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen -om ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs -den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan -trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed en -over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter die niet -had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het paard -heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in den -zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende, door -den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond, ging -dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond dan -nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam, want het -liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of over de -<span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name= -"pb305">305</a>]</span>gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter -en al in het koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na -den anderen, den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de -paarden bij den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na -den anderen tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen -zoowel als paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine -springbloedzuigers, Padjĕt (Hirudo zeylanica), die in deze hoog -gelegene wouden, vooral op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van -beken, bij millioenen werden gevonden. Zij springen van het eene blad -op het andere en kunnen zich in éénen zet op een afstand -van eenige voeten vrij door de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene -lengte van een halven tot een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun -zijn als een draad, zoo kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der -kousen en zuigen zich in een oogenblik vast aan de voeten, aan den -hals, aan de armen, waar zij eindelijk ter dikte van een pink -opzwellen, indien zij niet van het ligchaam worden -verwijderd.—Zoodra wij dan weder eene drooge plaats in het woud -hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons allereerste werk om -elkander wederkeerig rondom te bezien en van de lastige -Padjĕt’s te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene -kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden.</p> -<p class="par">Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het -schemerduister van het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren -voortgezet. Van tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix) -zijne stem hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar -eentoonig, doch niettemin liefelijk gezang terstond -herkenden,—wijd en zijd weêrklonk het dan onder het groene -gewelf en verheugde het ons; maar wij waren vermoeid, onze paarden -waren vermoeid, de hemel was bewolkt, het sombere weder vermeerderde -nog de duisternis <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" -name="pb306">306</a>]</span>van het woud——daar schemerde -ons door het geboomte iets helders in het oog, de paarden begonnen te -brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en versnelden den -stap,—de boomen weken ter zijde, het woud opende zich en -vóór ons lag het spiegelende vlak van een fraai, -uitgestrekt meer.</p> -<p class="par">Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen -togt een juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud -rondom het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij -bevonden ons aan den westelijken oever van de Tĕlaga-Nagnetap en -ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van het -aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere -hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen den -donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het de van -Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders waren. Uit -een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in het woud -verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer in de -breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een hoog en -schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen zag men -ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.—Welk een -heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!—Een -gezigt des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den -spiegel des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en -bloeijende oevers,—met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk -verwijderd oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom -die het omvat, beletten!—De hutten onzer broeders waren gebouwd -op een schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in -de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer -zich nog verder scheen uit te <span class="pagenum">[<a id="pb307" -href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span>strekken; want aan die zijde -verloor het zich <span class="corr" id="xd21e6357" title= -"Bron: geheimzinning">geheimzinnig</span> tusschen de sombere, met -woudgeboomte bedekte oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich -rotsen aan den oever of rezen er te midden van het meer boven het -water, op welks spiegel hier en daar eene Fulica lugubris of een -waterhoen (Gallinula-soorten) zich schommelden, terwijl op andere -plaatsen hals en kop van den onder water gedoken slangenvogel (Plotus -melanogaster) werden gezien.—Het geboomte van het woud dat zich -overal reeds op een geringen afstand van den oever verhief, op menige -plek in de onmiddellijke nabijheid er van oprees, bestond voornamelijk -uit Podocarpussoorten (Ki bima-, Ki poetri- en Ki mérakboomen), -waar onder de prachtvolle, statige Kimérak met fijne -<span class="ex">naald</span>vormige bladeren (P. cupressina) het meest -werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond.</p> -<p class="par">Al onze begeleiders hadden zich op den grond -nedergelegd. De paarden, hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend -langs den oever en wij verzadigden onze blikken aan het heerlijke -schouwspel dat dit schoone, vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten -ze voornamelijk naar <span class="ex">die</span> streek waar—de -<span class="ex">hutten</span> stonden. Naar het scheen, had men ons -aldaar nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de -Loetoeng’s van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen -en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen -fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend -over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend -(Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel heeft. -Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover gestelden -oever zigtbaar,—wij zagen een vuurglans in verscheidene -rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op -de onzen werden gelost,—een donker voorwerp, <span class= -"pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>als -eene boot, verliet den oever, gleed over den spiegel van het meer naar -ons toe,—het kwam nader, wij herkenden onze broeders - - -</p> -<p class="par">Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar -zijne eigene behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar -de herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds -vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen dit -hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt <span class= -"ex">gelukkig</span> waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons -verheugden. Ook mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de -mensch die zich in de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen -bevindt, zich <span class="ex">inniger</span> verbonden gevoelt met den -mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij in <span class= -"ex">naauwer</span> betrekking tot hem staat dan in bevolkte -steden.—Mijne broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen, -door middel van daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met -Bamboesbuizen, matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede -waren zij overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons -bevonden. Dewijl echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste -Javanen die als roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee -personen kon dragen, besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons -vieren (met <span class="sc">Avondrood</span>) het nieuwerwetsche -vaartuig, terwijl mijn broeder <span class="sc">Nacht</span>, in -gezelschap van <span class="sc">Morgenrood</span> benevens de bij ons -behoorende Javanen, zijn weg nam langs den oever van het meer, ten -einde op die wijze de hutten te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij -aldaar ten 12 ure aan en bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich -regt comfortabel hadden ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid -tusschen het geboomte en in de grootste (waaraan de eenigzins -hoogdravende benaming van „Pasanggrahan” was gegeven) waren -de bedienden juist bezig om de tafel te dekken. Mijn broeder -<span class="sc">Nacht</span> <span class="pagenum">[<a id="pb309" -href="#pb309" name="pb309">309</a>]</span>en ik sprongen eerst in het -meer, om een bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld -te volgen, dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De -Javanen zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken, -dewijl zij uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water, -en uit dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in -het laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal -daags te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen -(Boeaja), hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op -<span class="ex">zulk</span> eene hoogte waarop dit meer gelegen is -(4790 voet boven den spiegel der zee), ja, zelfs veel lager geene -krokodillen meer gevonden worden.</p> -<p class="par">Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij -die gelegenheid nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren -blijven zitten, ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel, -ten einde ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch -gebruik vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn -meester, ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt, -bestaande uit rijst, Kĕri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch, -gebradene wilde eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons -uitmuntend smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden -wij het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen -maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten, van -waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning -gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut, -welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel -zaten, kwamen de <span class="ex">Koeli’s</span> reeds! aan met -onze pakkaadje, die weldra geopend en in de voor ieder onzer -afzonderlijk bestemde hutten werd gebragt. Nadat wij verzadigd -<span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310" name= -"pb310">310</a>]</span>waren en het overschot van onzen maaltijd weder -aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte rijst, -werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten (Tikar), die -vóór den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid; -hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de -overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar ’s lands -gebruik bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten -met de beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu -insgelijks hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun -als bord, de vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte -Spaansche peper was hun geliefkoosde specerij.—In dit land der -onbegrensde gastvrijheid en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van -morgen zal baren, zou het hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der -spijzen van een gehouden maaltijd voor zich of voor den volgenden dag -te bewaren. De Adat vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de -bedienden of Koeli’s wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten, -aan de honden (indien er zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het -meer wordt gegeven.—Met genoegen beschouwden wij de bonte groepen -Javanen die daar op den grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette -spijzen nuttigden, schertsten en lachten,—vervolgens zich plat op -den rug nedervleiden en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en -insliepen.</p> -<p class="par">Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven -voorbeeld, begaven ons in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de -met matrassen belegde Balé balé’s die in het rond -nevens de wanden waren geplaatst. Weldra hadden wij elkander wederzijds -onze ontmoetingen medegedeeld en kreeg het gesprek eene andere wending, -hetwelk nu over <span class="ex">godsdienstige onderwerpen</span> werd -gevoerd. Mijne broeders <span class="sc">Avondrood</span> en -<span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" name= -"pb311">311</a>]</span><span class="sc">Morgenrood</span> schonken, -algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat ten doel had, -de invoering van het Christendom op Java <span class="ex">op grond van -degelijke bewijzen</span> te bestrijden; maar deze bewijzen -benevens het stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in -plaats van het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen, -wenschten zij nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de -doelmatigheid onzer pogingen te kunnen beoordeelen.—Ik begaf mij -derhalve naar mijne hut, haalde het handschrift en las mijne broeders -de 25 hoofdstellingen voor der „natuurlijke godsdienst en -zedeleer,” zoo als ik die vroeger het eerst in onze taal had te -boek gesteld. (De Maleische overzetting was later bearbeid geworden en -bevatte slechts een kort overzigt er van.)—Aan menige stelling -viel de onverdeelde bijval mijner broeders ten deel; op het hooren van -anderen schudden zij het hoofd of gaven hun ongeduld op de eene of -andere wijze te kennen. Toen ik geëindigd had, heerschte er -gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte welke door -<span class="sc">Avondrood</span> met de navolgende woorden werd -afgebroken.</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Lieve broeder! Uw -streven: het bijgeloof met redelijke bewijzen te bestrijden en -tegenover de dwalingen natuurwaarheden te stellen, mag lofwaardig -worden genoemd. Het is het eenige middel om den weg te banen ter -invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst en om Java te -behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er aan willen -berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij in de plaats van -het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te zien, kan mede niet -anders zijn dan een <span class="ex">overgangs</span>maatregel en in -zoo verre—als een <span class="ex">overgangs</span>toestand -daardoor wordt te weeg gebragt—wel is waar nuttig, echter niet -bestendig van duur zijn, dewijl zij niet de <i>volkomene</i> waarheid -bevat. <span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name= -"pb312">312</a>]</span></p> -<p class="par">Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen -verklaren, toen eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep -rollend geluid ’t welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat -het tijdstip van den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp -verzadigde hoogere luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen. -Terstond daarop vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote -vallende droppelen, dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van -den regen welke zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde. -Onze bedienden snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles -zorgvuldig gesloten was en werden later weggezonden met het -uitdrukkelijke bevel, dat zij tegen het invallen der schemering (na 6 -ure) ons avondeten gereed moesten maken, doch zich overigens tot dien -tijd van alle zorg voor ons ontslagen konden rekenen, indien zij niet -geroepen werden. De gevolgen van een onweêrsregen in het gebergte -kenden wij te goed, dan dat wij ons niet geluk wenschten: -vóór het invallen er van onder dak te zijn -gekomen.—Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger -gelegene, bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke, -westelijke gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij -vóór twee ure, en kan het zijn vóór een ure -des middags ter bestemder plaatse zijn aangekomen. In het binnenland -van Java bestaat weinig onderscheid tusschen den droogen en den -regenachtigen moesson. Des nachts en gedurende den voormiddag is de -hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1 en 3 ure echter begint het in -’t gebergte bijna dagelijks te regenen, onverschillig in welk -jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem opgelost en -herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot over de enkels -inzinkt,—een troebel, modderachtig water stroomt den reiziger van -alle zijden der berghellingen te gemoet,—de tot stroomen -opgezwollene beken kan men niet <span class="pagenum">[<a id="pb313" -href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span>meer doorwaden en de bliksem -die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van het -geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is waar, -dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen van den -nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt, zoo niet -geheel en al afgebroken.</p> -<p class="par">Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte -drooge hut zoo vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is -waar, het scheen dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van -de streek waar wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een -fijne regen zoo gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er -van konden rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des -dampkrings (welke 65° Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om -naar buiten te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere -ondernemingen voor heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze -hut blijven en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent -onze <span class="ex">godsdienstige beschouwingen</span>.</p> -<p class="par"><span class="sc">Avondrood</span> werd nu andermaal -uitgenoodigd om zich nader te verklaren nopens den vroeger door hem -geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te kennen dat hij dit, naar zijn -oordeel, het best zou kunnen doen door ons een geschrift voor te lezen, -waarin hij zijne wijze van beschouwen had uiteen gezet; uithoofde dit -handschrift echter tamelijk uitgebreid was, durfde hij—zonder -vooraf verkregene toestemming daartoe—met de lezing er van geen -begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons geduld daardoor op eene -te sterke proef te zullen stellen.</p> -<p class="par">Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend -waren zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende -geloofsbekentenis voorlas, welke hij de <span class= -"ex">zijne</span> noemde. <span class="pagenum">[<a id="pb314" -href="#pb314" name="pb314">314</a>]</span></p> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e4657" href="#xd21e4657src" name="xd21e4657">1</a></span> Gelijk -de lezer zich zal herinneren, waren wij vier dagen geleden, des avonds -te Gnoerag aangekomen. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e4657src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e4670" href="#xd21e4670src" name="xd21e4670">2</a></span> Orang el -Meseh, d. i. Messiasmensch; zoo worden in den Indischen archipel de -Christenen insgelijks genoemd. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e4670src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e4680" href="#xd21e4680src" name="xd21e4680">3</a></span> Ik wasch -mijne handen in onschuld: het is mijne bedoeling niet om <span class= -"ex">dezen</span> te krenken. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e4680src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e4740" href="#xd21e4740src" name="xd21e4740">4</a></span> Raden -wordt gewoonlijk vertaald door <span class="ex">Prins</span>, welk -woord echter beter overeenkomt met het Javasche Pangéran, -terwijl Raden de titel van een lageren rang is, ongeveer overeenkomende -met ons Baron.—Kapala: hoofd. Tjoetak: distrikt. De voorafgaande -woorden zijn de eigennaam van het distriktshoofd. <a class= -"fnarrow" href="#xd21e4740src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e4764" href="#xd21e4764src" name="xd21e4764">5</a></span> Mijn -naam Dag, of korter Dak, spraken de Javanen vrij juist uit; het scheen -hun echter niet mogelijk te zijn de <i>ch</i> uit te brengen, want in -plaats van Nacht, zeiden zij steeds <span class= -"ex">Nat</span>. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e4764src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5059" href="#xd21e5059src" name="xd21e5059">6</a></span> Zie -bladzijde <a href="#pb155" class="pageref">155</a>. <a class= -"fnarrow" href="#xd21e5059src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5086" href="#xd21e5086src" name="xd21e5086">7</a></span> De -voornaamste dagbladen des lands schamen zich niet mededeelingen te -doen, betrekkelijk dergelijke predikatien, zoo als b. v. van „het -plegtig lof van den nieuwen, allerprachtigsten mantel van onze lieve -vrouwe van den Bosch, met eene welsprekende openingsrede over de -vereering van de Moeder Gods, gehouden door den zeer Eerwaarden Pater -Coemans, superior der Liguoristen te ’s Hertogenbosch, op den 30 -April 1854. (Zie <i>Nieuwe Rotterdamsche Courant</i>, 2 Mei, -1854.)—Mag dat niet <span class="ex"><i>echt</i></span> heidensch -genoemd worden, is dat geen afgoden-, geen -fetischdienst? <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5086src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5218" href="#xd21e5218src" name="xd21e5218">8</a></span> Het loon -van een Koeli is van regeringswege vastgesteld; het bedraagt 2½ -centen per paal en daar 3 palen op een uur gerekend worden, hadden wij -slechts 7½ centen per uur behoeven te betalen, maar gaven steeds -iets meer, vooral in het gebergte waar de afstand van de eene plaats -tot de andere niet door middel van palen wordt -aangewezen. <a class="fnarrow" href="#xd21e5218src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5274" href="#xd21e5274src" name="xd21e5274">9</a></span> Elke zak -bevat 25 gulden aan enkele centen, en wordt uit dunne strooken van -lange palmbladeren gevlochten; zeer dikwerf bedient men zich tot dat -einde van den bast, Tapas, der Kokospalmen, die zich bevindt tusschen -den stam en de bladscheden. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5274src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5277" href="#xd21e5277src" name="xd21e5277">10</a></span> Desa -beteekent in de Javasche en in de Soendasche taal hetzelfde als Kampong -in het Maleisch, namelijk, dorp. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5277src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5280" href="#xd21e5280src" name="xd21e5280">11</a></span> Warong, -een Javasche eetwinkel, bestaat uit eene opene van Bamboes vervaardigde -kraam, waarin tafels en banken zijn geplaatst, alwaar—in elk dorp -en gedurende den ganschen dag—<span class="ex">alles</span> -gevonden wordt, hetgeen de Javaan tot leeftogt als anderzins behoeft, -voornamelijk rijst, gedroogde visch, gedroogde smalle strooken vleesch -(Dendeng), zout, Spaansche peper, allerlei vruchten, zoomede fijn -gesnedene tabak, benevens daaruit vervaardigde, in bladeren gewikkelde -cigaren; wijders palmwijn (Toeak), dikwerf ook koffij en Chinesche -thee, welriekende bloemen, rijst- en honiggebak, enz., enz. De Javaan -staat op <span class="sc">HOOGEREN TRAP</span> van beschaving dan de -Europeër, indien de inrigting zijner Warong’s, vergeleken -met de restauratiën des laatstgenoemden, daarbij tot maatstaf -wordt genomen. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5280src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5421" href="#xd21e5421src" name="xd21e5421">12</a></span> Deze -waaijerpalmen worden, ter plaatse waar zij in het wild groeijen, steeds -op <span class="ex">zekeren</span> afstand van de kust aangetroffen: -zij overschrijden den afstand van hoogstens drie palen landwaarts in -van de zee gerekend <span class="ex">niet</span>, ten gevolge waarvan -deze wouden (die bovendien een droogen en rijzenden bodem verlangen) -zich altijd in den vorm eener strook uitbreiden. <a class= -"fnarrow" href="#xd21e5421src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5454" href="#xd21e5454src" name="xd21e5454">13</a></span> Ieder -Javaan weet bij ervaring dat koningstijgers en paauwen in de wildernis -onafscheidbaar zijn, weinigen echter zijn in staat de reden er van op -te geven.—Het volgende voorbeeld moge ten bewijze strekken, hoe -innig de band is welke twee zoo geheel verschillende diersoorten, als -tijgers en paauwen zijn, zaâmverbindt. Bekend is het dat de -tijger zich bij voorkeur ophoudt in de <span class="ex">heete -laaglanden</span>; de paauw insgelijks. Op Java echter wordt een -gebergte gevonden dat, ter hoogte van 9000 voet boven den spiegel der -zee, den vorm heeft eener hoogvlakte, met uitmuntend voedergras is -begroeid en (uit dien hoofde) door eene <span class= -"ex">talrijke</span>, ja, over talrijke menigte herten is bewoond. -Niettegenstaande het <span class="ex">koude</span> klimaat dat op deze -hoogte heerscht, wordt—als uitzondering op den -regel—insgelijks de koningstijger zeer dikwerf aangetroffen op -dit plateau (waar hij zich zoo gemakkelijk eene prooi kan verschaffen) -en—steeds ziet men <span class="ex">paauwen</span> van de eene -boomgroep naar de andere vliegen. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5454src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5493" href="#xd21e5493src" name="xd21e5493">14</a></span> Elk -dorp op Java, uitgezonderd die van de kleinste soort, bevat tevens eene -vierkante grasplek, Aloen aloen geheeten, te midden waarvan gewoonlijk -een <span class="corr" id="xd21e5495" title= -"Bron: Weringinboom">Wĕringinboom</span> is geplant, welks breed -uitgebreid en boogsgewijs afhangend loof een aangenamen lommer geeft. -Rondom dit opene plein staan, tusschen geboomte verscholen, de -voornaamste woningen, als die der hoofden, enz. <a class="fnarrow" -href="#xd21e5493src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5572" href="#xd21e5572src" name="xd21e5572">15</a></span> Voor -onze landslieden in Holland nog immer eene ware verschroeijende -hitte. <a class="fnarrow" href="#xd21e5572src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5602" href="#xd21e5602src" name="xd21e5602">16</a></span> In de -pan gebraden leveren zij den Javanen, zelfs onder de hoogere standen, -eene zeer smakelijke toespijs op bij hunnen -rijstschotel. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5602src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5675" href="#xd21e5675src" name="xd21e5675">17</a></span> Zoo -wordt het extract van opium genoemd, hetwelk de dikte van gewone siroop -heeft en gebezigd wordt om de fijn gesnedene tabaksbladeren mede te -doorweeken. <a class="fnarrow" href="#xd21e5675src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5741" href="#xd21e5741src" name="xd21e5741">18</a></span> Slechts -weinige boomen der tropische kustflora, die in den eigenlijken zin des -woords behooren tot het zeestrand, bereiken eene dergelijke hoogte. -Even als de boomen welke gevonden worden aan de tegenovergestelde -grenzen van het plantenrijk, op de hoogste bergtoppen, zijn zij -meerendeels dwergachtig klein, in vergelijking van de 100 à 150 -voet hoog groeijende woudreuzen, die in het binnenland tot op eene -tamelijke hoogte boven den spiegel der zee aangetroffen -worden. <a class="fnarrow" href="#xd21e5741src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5764" href="#xd21e5764src" name="xd21e5764">19</a></span> De -Javasche krokodil (Boeaja, door de Europeërs ten onregte Kaiman -geheeten) wordt aan de zuider kust in alle kleine beken, in de -nabijheid harer mondingen welke gewoonlijk diep zijn, aangetroffen en -zwemt door de zee of kruipt langs het strand van de eene riviermonding -naar de andere. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5764src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5780" href="#xd21e5780src" name="xd21e5780">20</a></span> -Gòlok: een korte, zeer zware dikke sabel, welken de Javanen als -bijl en als hakmes gebruiken. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5780src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5790" href="#xd21e5790src" name="xd21e5790">21</a></span> Het is -eene bekende zaak, dat er schildpadden zijn gevangen, die bijna acht -centenaars wogen. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5790src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5887" href="#xd21e5887src" name="xd21e5887">22</a></span> Een -roofdier (Paradoxurus Musanga) dat, even als de Europesche vos, ook -vruchten niet versmaadt en vooral verlekkerd is op rijpe -koffijbessen. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5887src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5933" href="#xd21e5933src" name="xd21e5933">23</a></span> -Angklong, dat is, een houten raam of gestel, waarin verscheidene nevens -elkander geplaatste Bamboesbuizen staan, wier boveneinde schuin is -afgesneden en die op de wijze van orgelpijpen trapsgewijs kleiner -worden. Door deze buizen of pijpen gaan houten staven, door middel -waarvan het bovenste gedeelte van het raam met het benedengedeelte in -verbinding is gebragt; deze staven brengen door het aanslaan in de veel -wijdere buizen de toonen voort, indien het raam dat met beide handen -wordt vastgehouden, op de maat ginds en herwaarts wordt -bewogen. <a class="fnarrow" href="#xd21e5933src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5936" href="#xd21e5936src" name="xd21e5936">24</a></span> Loerah, -hetgeen in andere streken wordt genoemd Patingi, enz., beteekent -dorpshoofd, plaatselijke overheid, zooveel als burgemeester in -Holland. <a class="fnarrow" href="#xd21e5936src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5946" href="#xd21e5946src" name="xd21e5946">25</a></span> Sarong: -kleedingstuk, dat in Indië personen van beiderlei kunne algemeen -bezigen en gewoonlijk het <span class="ex">eenige</span> is, dat -gedragen wordt; het reikt van de heup tot aan de voeten en wordt, daar -het zeer wijd is, in vele plooijen gevouwen. Alleen de hoofden dragen -onder den Sarong eene lange broek, hetgeen insgelijks door de Javanen -van lageren rang bij plegtige gelegenheden wordt -nagevolgd. <a class="fnarrow" href="#xd21e5946src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5954" href="#xd21e5954src" name="xd21e5954">26</a></span> Kris: -het onafscheidelijk wapen van elken Javaan die niet doodarm is, een -lange, tweesnijdende dolk met een zeer groot handvatsel, dat een -eigenaardigen vorm heeft. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e5954src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e5962" href="#xd21e5962src" name="xd21e5962">27</a></span> Ik -geloof niet dat eene <span class="ex">tot in de geringste -bijzonderheden afdalende</span> beschrijving der -bruiloftsfeestelijkheden bij de Javanen bijzonder nuttig of der moeite -waardig zou mogen geacht worden, evenmin als <span class= -"ex">uitvoerige</span> beschrijvingen van de gebruiken en -ceremoniën welke bij de geboorte, besnijdenis, begrafenis, enz., -enz., worden in acht genomen. De ervaring toch heeft mij geleerd dat -deze gebruiken—al komen zij algemeen genomen, wat de hoofdzaak -betreft, overal vrij wel overeen,—in de bijzonderheden -verschillen, niet alleen bij de drie groote, door hunne taal -verschillende hoofdstammen op Java (bij de Soendanezen, Javanen en -Madoerezen), en niet slechts bij de verschillende standen der -maatschappij in elken stam, van den vorstelijken prins tot aan den -geringsten Koeli, maar dat zij ook in de verschillende -residentiën, distrikten en bewoonde plaatsen, van een en -denzelfden stam (in de bijzonderheden der ceremoniën) onderling -zeer van elkander afwijken.—Pendopo is een open huis dat op palen -is gebouwd en wel een dak, maar geen muren of wanden -heeft. <a class="fnarrow" href="#xd21e5962src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e6080" href="#xd21e6080src" name="xd21e6080">28</a></span> -<i>Soesah</i>: onrust, moeite, bezwaar, verdriet, hinderpaal, -moeijelijkheid.—Sedert den oogenblik dat (op verlangen mijns -broeders) de proef was genomen om alleen van <span class= -"ex">vrijwillig</span> dienstbetoon der Javanen gebruik te maken, -was geen enkele dag, ter naauwernood een uur verloopen waarop ons geene -klaagliederen <i>Soesah soesah,—Soesah sakali!</i> van onze -bedienden in de ooren hadden geklonken. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e6080src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e6318" href="#xd21e6318src" name="xd21e6318">29</a></span> Pidjit -is de benaming welke aan een mechanisch geneesmiddel, namelijk, aan de -manipulatie wordt gegeven welke (gewoonlijk door eene vrouwenhand) op -de volgende wijze geschiedt: het geheel ontkleede en uitgestrekte -ligchaam wordt van de toppen der vingers en teenen tot aan het hoofd en -terug, voornamelijk op de gewrichten en dikkere spieren, zacht -gestreken, gekneed en gedrukt. Na sterke vermoeijenis en hevige -spierbeweging, of verslapping ten gevolge van overmatige hitte, heeft -dit Pidjiten iets zeer verkwikkends en herstelt het de verlorene -krachten, maar wordt tevens menigwerf uitsluitend aangewend om de -aangename gewaarwording die het te weeg brengt. <a class="fnarrow" -href="#xd21e6318src">↑</a></p> -</div> -<div id="avondrood" class="div1 preface"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.</h2> -<div class="epigraph"> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„Was wär ein Gott der nur von Aussen -stiesse,</p> -<p class="line">Im Kreis das All am Finger laufen liesse?</p> -<p class="line">Ihm ziemt’s die Welt im Innern zu bewegen,</p> -<p class="line">Natur in sich, sich in Natur zu hegen,</p> -<p class="line">So dass, was in ihm lebt und webt und ist,</p> -<p class="line">Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst.”</p> -</div> -<p class="par first xd21e203"><span class="sc">Göthe.</span></p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">God is de bezielde <span class= -"ex">natuur</span>.</p> -<p class="par">De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de -kracht van de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, -welken zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de -natuur stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de -natuur èn zich zelven in den eigenlijken zin des woords -God’<span class="ex">loos</span>. Zij verlagen de schoone, overal -levende en in millioenen polsen slaande natuur tot een geesteloos, -mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode wetten blind gehoorzaamt en -van buiten de kracht moet ontvangen, welke het drijft.—Voor mij -zou de natuur al hare bekoorlijkheid verliezen, indien ik haar als zoo -een werktuigelijk knoeiwerk moest beschouwen.—En wat maken de -<span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315" name= -"pb315">315</a>]</span>dualisten van hunnen <span class="ex">God</span> -dien zij uit de natuur hebben verdreven?—een horologiemaker die -het raderwerk heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar -nederzit en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe -alles gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.</p> -<p class="par">Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden -is, mag beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, -als een zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege -zie, dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel -zijn. Er is derhalve niets dan de <span class="ex">natuur</span>, welke -alles is. Maar even als ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze -hersenen tot ontwikkeling komt, zoo moet insgelijks de natuur, als -geheel, eene ziel hebben, welke <span class="ex">algemeen</span> -bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd eeuwig en -onvergankelijk—beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte, de -bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de -wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden, -geindividualiseerd,—<i>ge</i>bonden even als latente warmte. Deze -verbinding is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot -bijzondere gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk -getrouw van de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische -krachten, welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen -behooren; zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats -heeft, zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij -zich uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij -aanneemt,—in deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den -kever, in het werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), -zoowel in de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, -soorten en individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den -volkomen tot rijpheid <span class="pagenum">[<a id="pb316" href= -"#pb316" name="pb316">316</a>]</span>opgewassen mensch; deze uiting -staat in zulk eene bepaalde, als het ware aequivalente verhouding tot -de bewerktuiging van elk afzonderlijk wezen (den vorm en chemische -zamenstelling), dat het resultaat der ontwikkeling van het stille -(passive) plantenleven tot aan het menschelijke bewustzijn, van de -kunstdrift van het insekt tot aan den hoogsten trap van zedelijke -ontwikkeling des menschen en tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen -in wetenschap en kunst, niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van -de onderscheidene en onder verschillende omstandigheden plaats -grijpende zamenwerking van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en -zeer grondige natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij -kennen geen anderen God dan de <span class= -"ex">natuurnoodzakelijkheid</span>, geene andere krachten dan die -welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen verbreide -physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen eigenaardige -chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof aan onweegbare -stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene ziel als een -verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen ongegrond -<i>bij</i>geloof. <span class="ex">Maar</span>—tegen deze -gevolgtrekking van zoogenaamde materialisten kunnen eenige gewigtige -bedenkingen in het midden worden gebragt. Ik wil niet spreken van eene -zedelijke wereldorde, van een zedelijk beginsel in den mensch, van den -onuitputtelijken rijkdom en de kracht van gedachten welke zich in de -kunsten en wetenschappen heeft geopenbaard,—ik wil niet spreken -van de moeijelijkheid om den verbazenden rijkdom aan gestalten in de -dieren- en plantenwereld, die echter voor elke soort niet alle organen -welke het ligchaam heeft, met alle eigenschappen en aandriften die het -dier bezit, onveranderd blijft,—of niet gewagen van de -moeijelijkheid om de verscheidenheid der geslachten bij eene en -dezelfde soort af te leiden uit de algemeen verbreide <span class= -"pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" name= -"pb317">317</a>]</span>natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, -electriciteit, magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en -capillaire aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige -chemische krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen,<a class= -"noteref" id="xd21e6520src" href="#xd21e6520" name= -"xd21e6520src">1</a>—ik wil slechts aan <span class= -"ex">een</span> feit herinneren, aan het <span class= -"ex">bewustzijn</span> in den mensch, die van zijn aanwezen, van -den toestand waarin hij zich bevindt en van zijne eigendommelijkheden -duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft dat zijn -oorsprong?—Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn, al is -het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch geene -physische of chemische kracht worden geheeten.</p> -<p class="par">Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene -kracht, geene stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof -nieuw ontstaan kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet -beschouwd worden als van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders -dat geene grondstof in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, -waaronder zij zich voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide -grondstoffen van het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de -zamenstellingen welke zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten -onophoudelijk afwisselende verbindingen aan; maar hare massa ziet zich -met geen enkel atoom verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de -krachten, zoowel de physische welke tot de stof in het algemeen, als de -eigenaardige chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen -en hunne verbindingen, onveranderlijk dezelfden.</p> -<p class="par">Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit -eene onweerswolk naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar -slechts de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide <span class= -"pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name= -"pb318">318</a>]</span>(electrische) kracht, derhalve voortvloeit uit -eene <span class="ex">reeds lang bestaande</span> bron, op gelijke -wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene reeds -bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn elken -dag geheel nieuw—uit niets—in millioenen van menschen zich -ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch den -mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen, al -zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling -brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder -dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen -kan?—Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de -zuur-, kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, -aardsoorten, enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde -voedingsmiddelen bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer -voortdurende stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet -harer wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar -eigenaardige, door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met -elkander te verbinden, gehoorzamen en die <span class="ex">zonder te -weten wat zij doen</span>, bloed, beenderen, spieren, hersenen en -andere deelen vormen,—zouden het deze krachten der elementen -zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is ontstaan, plotseling -beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou het bewustzijn kunnen -voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid bezit en aan het kind, -het schepsel, den mensch eene hoogere mate van volkomenheid eigen zijn -dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem het aanzijn gaf; zou -<i>hij</i> rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze slechts wetten -en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos haren invloed doen -gelden?—in deze natuur waarvan hij toch zoo geheel afhankelijk -is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid ondervindt en -<span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name= -"pb319">319</a>]</span>de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan -haar is verbonden?—Dat toch zou het grootste van alle wonderen -zijn, waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!</p> -<p class="par">Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede -als met de wetten der natuur.—Het feit van het aanwezen van eene -bewustheid in den mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn -veronderstellen, eener <span class="ex">natuurziel</span>, die zich van -gene stoffen en van de daarin aanwezige krachten slechts als middelen -bedient om, naar eeuwig onveranderlijke wetten, in de plant als -plantenziel, in het dier als dierenziel en in den mensch als -menschenziel tot ontwikkeling te geraken.</p> -<p class="par">Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit -bewustzijn tot ons komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat -ons denkvermogen met <span class="ex">stoffelijke krachten -allengs</span> in ons ontwaakt; de loop der gansche zaak schijnt ons -raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in het ei, het -bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons het tijdstip -niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste maal tot ons -zeiden: „<span class="ex">ik ben</span>;”—thans zijn -wij echter inderdaad en het bewustzijn is in ons -ontwaakt——; laat ons voor een oogenblik in eene nadere -beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben niet, -gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal een -afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen, min -of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd -geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit -de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die deze -kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de -natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen -heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen, -als het ware de wegen te leeren kennen, <span class="pagenum">[<a id= -"pb320" href="#pb320" name="pb320">320</a>]</span>welke de -electriciteit volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, -totdat de schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!—Zouden -wij nu <span class="ex">daarom</span> niet aan het bestaan der ziel -gelooven, dewijl voor ons kenvermogen de weg in duisternis is gehuld, -langs welken zij in ons binnenste komt?</p> -<p class="par">Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, -is tevens het eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, -dewijl alle andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het -bewustzijn uitgaan en daarop steunen.</p> -<p class="par">„Ik denk, derhalve ben ik.” <span class= -"ex">Ik ben: God is</span>.—Dit heet inderdaad: <i>ik</i> ben -God, <i>gij</i> zijt God, <i>hij</i> is God; gindsch zachtaardig meisje -hetwelk den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer -als deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en -hem van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te -maken,—en de gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de -arme geit welke hij heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen -muil wegsnelt.—God is de (bezielde) natuur. Buiten haar is -niets.</p> -<p class="par">Uit deze leer volgt: <i>ten eerste</i> dat het -voortbestaan der menschelijke ziel na den ligchamelijken dood slechts -in zoo verre denkbaar is, als aangenomen mag worden dat de algemeene -wereldziel alle eigenschappen, welke het deel zijn onzer -geïsoleerde d. i. menschelijke ziel en waaronder <span class= -"ex">herinneringsvermogen</span>, <span class="ex">geheugen</span> -moeten gerangschikt worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad -van volkomenheid bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God -latent is (als het ware zich zelven niet meer kent), opgehouden -heéft te bestaan, moeten wij, hiernaar te oordeelen, wederom een -integrerend deel der algemeene zielkracht (der Godziel) worden; maar de -herinnering onzer bij deze ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in -den toestand van het vrij zijn aan dien van het <span class= -"pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name= -"pb321">321</a>]</span>gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De -menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding -als vrije tot latente warmte.—Aan te nemen dat de menschelijke -ziel ook na den ligchamelijken dood nog <span class= -"ex">geïsoleerd</span>—als op zich zelve staande—zal -blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven, dat elke -afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is, terwijl toch -slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit welke den -bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is het -mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk of -individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat het -ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële -aanzijn overgegaan is, <span class="ex">noch vorm noch inhoud</span> -meer bezit?—Slechts als algemeene geestelijke kracht is het -bestaan der ziel denkbaar, dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, -wel is waar, veranderlijk en aan afwisseling onderhevig) als -<span class="ex">geheel</span> beschouwd inderdaad vorm en inhoud -heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke ziel -daarentegen kan als <span class="ex">beperkt</span> wezen, als individu -slechts zoo lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof -blijft voortduren.—Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke -zielen moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van -elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich -onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op dien -voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het -oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een -tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig -waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen -van jaren had bestaan. <span class="ex">Slechts hetgeen nimmer een -aanvang had</span>, dat kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen -echter zijn slechts gedachten <span class="pagenum">[<a id="pb322" -href="#pb322" name="pb322">322</a>]</span>Godes en kunnen -alléén in zijne herinnering voortleven.</p> -<p class="par">Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk -ligchaam twee koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke -ligchamen bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden -zijn, gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en -Eng in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche -gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des ligchaams -aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van 22 jaren -bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en verrigtingen -des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen en de -gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het ligchaam -wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider brein. Hoe zal -nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze <span class= -"ex">afzonderlijk</span> moeten voortleven?</p> -<p class="par"><i>Ten tweede.</i> De mensch bezit geen vrijen wil, -evenmin als de plant en het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij -een vrijen wil bezit, wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, -<span class="ex">moet</span> zij zulks niet doen?—Weet de -kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd, waaruit zij -haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een regelmatig -web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt -uitloopen om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft -het van haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin -is?—spint zij daarentegen niet, dewijl zij door hare -bewerktuiging, door eene zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe -<span class="ex">gedwongen</span> is?—Is de hond vrij, wanneer -hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw, waarom hij hond -is? kan hij het veranderen—is de mensch in staat te veranderen -dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte haren heeft? Heb -ik het geringste tot mijn ontstaan <span class="pagenum">[<a id="pb323" -href="#pb323" name="pb323">323</a>]</span>bijgedragen, ben ik niet -geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal ik niet -op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef, van de -wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen, <span class= -"ex">wanneer</span> deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal -plaats grijpen?—Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, -terwijl ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet -in Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat -mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard -van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb -overgeërfd van mijne moeder?—Weet ik waarom ik een afkeer -gevoel voor wortelen en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik -gaarne spinasie en bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al -gedwongen? Hoe kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al -hetgeen aan hem is, zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en -<span class="ex">juist zoodanig als het is</span>, hem gegeven is -geworden?—Slaat zijn hart niet naar werktuigelijke en -natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en zoo vele malen in -elke minuut <span class="ex">zonder zijn -toedoen</span>,—haalt hij niet, geheel onbemerkbaar, zoo en zoo -vele keeren adem in elke minuut en moet hij dit niet doen, ten einde -niet te stikken en op die wijze het leven te verliezen? <span class= -"ex">Dwingt</span> de honger hem niet om voedsel tot zich te nemen, -<span class="ex">noodzaakt</span> de dorst hem niet tot drinken, -<span class="ex">dwingt</span> hem de wellust niet met kracht tot -vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting het menschelijke -geslacht in stand te houden),—<span class="ex">verpligt</span> -hem niet een pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen -(benevens andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te -verwijderen—en <span class="ex">houdt</span> de vrees voor den -dood hem niet terug van in het water te springen, dewijl hij in het -leven blijven <span class="ex">moet</span>?—In dit alles ligt -niets <span class="pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324" name= -"pb324">324</a>]</span>vrijwilligs. Nu echter zegt men, „de -geest, de ziel is toch vrij!”—Neen; ook deze is -<span class="ex">niet vrij</span>. Ziel en ligchaam, kracht en stof -zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de -stof gegeven <span class="ex">zoo als zij is</span>, dat wil -zeggen, in zoodanige verbinding met de bewerktuigde stof dat zij zich -onder de bepaalde omstandigheden welke invloed er op uitoefenden, niet -anders ontwikkelen kon en zich thans niet anders uiten kan -dan—<span class="ex">juist zoo als zulks geschiedt</span>. De -domme zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem -afhing; de platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem -niet. De verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te -zijn) in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en -<span class="ex">kan</span> niet dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij -zulks, en even zoo is het den goeden, deugdzamen mensch <span class= -"ex">onmogelijk</span>, slecht en misdadig te handelen, terwijl de -booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare neiging tot -het plegen van misdaden <span class="ex">gedrongen</span> gevoelt.</p> -<p class="par">Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke -omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des -menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting van -onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of naar den -schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn voornemen -van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer gemakkelijken, -maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla, hoewel hij smal en -glibberig is, of indien het leven mij ten last is en ik aanstalten tot -zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het eene te doen of het -andere te laten? is in al deze gevallen mijn wil die tot het een of het -andere besluit, niet vrij?—Neen; deze vrijheid is eene -begoocheling; onze wil <span class="ex">schijnt</span> ons toe vrij -te zijn, dewijl de natuurlijke band <span class="pagenum">[<a id= -"pb325" href="#pb325" name="pb325">325</a>]</span>welke oorzaak en -gevolg verbindt, voor ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen -te ingewikkeld, te zaâmgesteld zijn, dan dat het verband naar de -wetten die het regelen, duidelijk door ons zou worden -ingezien.<a class="noteref" id="xd21e6686src" href="#xd21e6686" name= -"xd21e6686src">2</a> Dat een dergelijke zamenhang niettemin werkelijk -bestaat, dat insgelijks de verschijnselen in den zedelijken kring -waarin de mensch zich beweegt,—zijne denkbeelden, zijne -besluiten, zijne handelingen—de <span class= -"ex">noodzakelijke</span> gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn -die haren invloed op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen -van Quetelet<a class="noteref" id="xd21e6698src" href="#xd21e6698" -name="xd21e6698src">3</a> en van Fransche en Engelsche -staathuishoudkundigen, waaruit is gebleken dat het aantal misdaden van -elke soort steeds eene <span class="ex">bepaalde</span> breuk van -<span class="corr" id="xd21e6705" title="Bron: het het">het</span> -getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de omstandigheden -onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, <span class="ex">hoe -vele</span> diefstallen, <span class="ex">hoe vele</span> moorden uit -jaloezij, moorden uit hebzucht, <span class="ex">hoe vele</span> -kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd van een jaar -onder de bevolking der verschillende landen en klimaten voor een -bepaald aantal individuen, b. v. <span class="ex">eene</span> misdaad -op duizend of 600 individuen—gepleegd zullen worden. Gelijk -bekend is heeft de groote Belgische sterrekundige deze statistieke -regelmatigheid in de verrigtingen van den menschelijken geest het eerst -door vaste getallen aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze -zedelijke eigenschappen, even als de neiging: aan de verlokkingen -<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name= -"pb326">326</a>]</span>(ten kwade) die invloed op ons uitoefenen, aan -de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor te geven (waaruit -misdaden ontstaan), aan <span class="ex">vaste wetten</span> gebonden -zijn.</p> -<p class="par">Het regtstreeksche <span class="ex">physiologische -bewijs</span> dat de wil door stoffelijke bewegingen, door -electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te weeg gebragt, is -in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en anderen geleverd -geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke omtrent dit punt -mede te deelen.</p> -<p class="par">Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle -deelen in den omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, -waar zij digt nevens elkander liggen. De <span class= -"ex">gevoelende</span> zenuwdraden (of gelijk men zegt terugwaarts -loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van de oppervlakte -des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze op eenen -<span class="ex">bewegenden</span> (of regtloopenden) zenuwdraad -overbrengen, welke nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang -des ligchaams, tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken -(verkorten) en het lid daardoor bewegen.—Eene beweging wordt -<span class="ex">willekeurig</span> genoemd, indien in de hersenen de -prikkel der gevoelende zenuwdraden, als gewaarwording tot bewustzijn -komt, alvorens de beweging plaats heeft, derhalve dan wanneer de -gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels tot aan de hersenen sterk -genoeg voortplantte;—overgebragte of <span class= -"ex">reflex</span>beweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij -de prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in -de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken) -zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt -gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den -steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den -gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij -vooraf tot bewustzijn <span class="pagenum">[<a id="pb327" href= -"#pb327" name="pb327">327</a>]</span>kwam);—wanneer de -gewaarwording echter tot bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar -de mug slaat, dan noemt men de beweging welke hij maakt (zeer -oneigenlijk) eene „willekeurige” beweging. Tusschen beiden -bestaat echter geene scherpe grens; want hoe onverwachter wij een -wakende kittelen, des te zekerder is het dat hij zal lagchen, en -menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de onwillekeurige beweging -reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts nog den zwakken nagalm -des donders welke hem heeft doen ontwaken.</p> -<p class="par">Even als het geval is met de prikkels welke door middel -van het zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het -ook gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van -het oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot -het verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde, -maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede aan -de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar de -andere organen of ligchaamsdeelen.</p> -<p class="par">Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid -gedaan, hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden -door middel van <span class="ex">electrische stroomingen</span> in de -zenuwen en spieren, en wij kunnen den arm niet buigen zonder dat een -electrische stroom van de hand naar den schouder gerigt worde. De -electrische stroomingen en hare veranderingen kunnen wederom slechts -ontstaan ten gevolge van veranderde stoffelijke toestanden in de -zenuwen en in de hersenen (te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), -en derhalve kan <span class="ex">zonder eene dergelijke -stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen</span>.</p> -<p class="par">De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van -een zoogenaamden vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de -noodzakelijke uitdrukking van een toestand der hersenen, ontstaan -<span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" name= -"pb328">328</a>]</span>en gewijzigd door een invloed van buiten. Zelfs -wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming doet, is dit geene daad -van den vrijen wil; want de proefneming is het gevolg eener gedachte en -de gedachte is eene beweging der stof, welke zelve wederom het gevolg -eener zinnelijke waarneming was.</p> -<p class="par">Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij -van het hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf -geheel gedwongen is hetgeen hij is,—daar hij niet in staat is het -kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen, -wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste -gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van een -eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: „tijd, sta een -oogwenk stil,” en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar -zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort, de -gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan vrij -zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door -overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! „De mensch is -het gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en -weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en -licht.” Zijn wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, -gebonden aan eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te -weeg gebragt, herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene -regte rede tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de -beschouwing welke ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op ’t -papier brengen er van, ja, slechts een enkele der daarin voorkomende -woorden, het resultaat van mijn vrijen wil zijn?—</p> -<p class="par">Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik <span class= -"ex">kan</span> niet anders denken, ik <span class="ex">moet</span> zoo -denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg van oorzaken, -die hare werking op mij <span class="pagenum">[<a id="pb329" href= -"#pb329" name="pb329">329</a>]</span>hebben uitgeoefend en waarvan -eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare -personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter -naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot -nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der -eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd en -ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte <span class="ex">zelf</span> -is, d. i. God, kan een vrijen wil hebben.—En indien iemand -<span class="ex">gelooft</span> dat Jezus ten hemel gevaren is, een -ander daarentegen het <span class="ex">niet</span> gelooft, zelfs zijne -stem er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een -schadelijk bijgeloof verwerpt: <span class="ex">wie</span> van beiden -heeft dan een vrijen wil?—beide?—of is het gelooven bij -genen en het niet gelooven bij dezen niet een gevolg van natuurlijke -oorzaken en omstandigheden des levens, die op ieder van hen op -verschillende wijze en in verschillende mate invloed hebben -uitgeoefend?—<span class="ex">Kunt</span> gij, broeder -<span class="sc">Dag</span>, b. v. gelooven wanneer gij wilt, dat God -een zoon of eene dochter, of eene moeder en grootmoeder heeft? Ik -betwijfel het en even onmogelijk zal het genen zijn, zoo te denken en -te gelooven of niet te gelooven, als de ziel in <span class= -"ex">uwe</span> hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt ons -tot hetgeen wij zijn. Wij <span class="ex">moeten</span> zoo handelen, -zoo denken gelijk ieder doet. „Hier sta ik, ik <i>kan</i> niet -anders. God helpe mij. Amen<span class="corr" id="xd21e6802" title= -"Niet in bron">,</span>” zeide Luther en ik voeg er bij: -<i>wij</i> denken eigenlijk niet, wij leven niet,—wij zijn hier -niet uit eigen wil, wij zijn <span class="ex">niets</span> uit vrije -keuze,—vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer -zijn:—wij <i>worden</i> <span class="ex">geleefd</span>. Wij zijn -gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder den invloed der algemeene -natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt (gelijk een nieuwe, -geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke -magten—<span class="ex">rede</span>, <span class="ex">wil</span> -en <span class="ex">liefde</span>—welke ons bezielen, drijven, -beheerschen en die volstrekt <span class="pagenum">[<a id="pb330" href= -"#pb330" name="pb330">330</a>]</span>onweêrstaanbaar zijn. Er kan -slechts <i>een</i> vrije wil in de gansche wereld zijn en deze zelfs -<span class="ex">schijnt ons toe</span> niet vrij te zijn, dewijl -hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij (zoo ver -menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.</p> -<p class="par"><i>Ten derde.</i> Er bestaat geen absoluut onderscheid -tusschen goed en kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke -tegenstelling, de schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn -goed in hunne eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger -of wolf onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen -is eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?—Indien -nu echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste -wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van -voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor—’t is -waar—aan de zedeleer, <span class="ex">in den gewonen zin</span>, -haar grondslag ontnomen en de toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid -van het individu houdt op te bestaan. Er behoort derhalve een -<span class="ex">andere</span> maatstaf ter hand te worden genomen ter -beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd en ondeugd, dan vroeger -is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet worden gevonden in de natuur -des menschen zelve.—”<span class="ex">Goed</span> is, -hetgeen op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de -behoefte der menschheid; <span class="ex">kwaad</span> is, dat strijdt -met hetgeen zij vereischt—en het regt om te straffen ligt in de -ingeschapen zucht tot zelfbehoud, welke het geslacht beheerscht. Het -regt daartoe wordt grooter naar gelang van de behoefte er aan. De straf -zelve wordt slechts dan tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de -doodstraf) onmenschelijk, wanneer zij gruwzaam is.”</p> -<p class="par">Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets -anders over, dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te -keeren en het <span class="ex">gemis</span> aan vrijen wil als eene -praktische <span class="pagenum">[<a id="pb331" href="#pb331" name= -"pb331">331</a>]</span>waarheid te beschouwen, maar daarentegen -theoretisch aan te nemen en zich in te beelden <span class= -"ex">dat</span> de mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig -hiernaar te handelen, hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds -ieder doet.—De tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen -wil een verlammenden, verzwakkenden invloed op het karakter zou -uitoefenen en dat de leer der onverantwoordelijkheid het individu tot -zucht naar genot, tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten -zou vervoeren, steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de -wil aan vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is -en de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te -vieren.—De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de -overtuiging, dat de deugdzame en wijze mensch <span class= -"ex">meer</span> geluk en <span class="ex">meer</span> genot in het -leven zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten -en hen aansporen <span class="ex">op grond hiervan</span> naar deugd en -wijsheid te streven.</p> -<p class="par">Tegen deze mijne beschouwing—welke God voor de -natuur zelve houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil -zeggen gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met -verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze -der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,—mag de -tegenwerping niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een -kluchtspel zou schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, -waarin geen zin, geen redelijk doeleinde is te ontdekken!—Wanneer -<span class="ex">ik</span> u thans vraag wat dan naar <span class= -"ex">uwe</span> wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens -zijn moet,—waar dit bonte, veelvormige en aan vele -wisselvalligheden onderhevige aanzijn der schepselen die elkander -menigwerf verslinden, zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk -drijven der menschen zou geleiden, die elkander zoo menigwerf -beoorlogen en in den krijg of door epidemische <span class= -"pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name= -"pb332">332</a>]</span>ziekten dikwerf bij duizenden plotseling -weggeraapt worden en die op elkander bij millioenen van geslachten -volgen, waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane -opgroeit;—wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is -der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde wereld? -welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan „nescio,” of -„zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest,” of -indien gij toch iets wilt zeggen om althans een <span class= -"ex">streven naar</span> een doel uit te drukken en waartoe geologische -nasporingen gegronde aanleiding geven: „de wereld <span class= -"ex">ontwikkelt</span> zich naar een onbekend! doel; alles wordt -beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige herschepping -en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene voorwaarts -strevende, meer de volkomenheid naderende <span class= -"ex">ontwikkeling</span>; waar en waarmede deze echter aanving en -<span class="ex">waarheen</span> zij zal geleiden, <span class= -"ex">wanneer</span> en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets -bekend.”</p> -<p class="par">Wat betreft de <span class="ex">ontwikkeling</span> der -bewerktuigde wezens, ten deze opzigte wordt door de meeste -natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed, dat de onderscheidene -soorten van planten en dieren niet dadelijk van den aanvang af die mate -van volkomenheid hebben bezeten, welke wij thans bij hen waarnemen, -maar dat in de groote geologische tijdperken scheppingen van hooger -bewerktuigde planten en dieren op lager staande, op meer eenvoudige -zijn gevolgd en dat minder volkomen wezens gedurende den loop van -duizenden, ja, millioenen van jaren—door van lieverlede plaats -grijpende veranderingen in hunnen bouw, welke gelijken tred hielden met -veranderingen van klimaat (warmte, drukking der lucht, vochtigheid, -grooteren of geringeren rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele -andere omstandigheden in verband staande met de natuur, welke hen -omringt),—zich tot <span class="pagenum">[<a id="pb333" href= -"#pb333" name="pb333">333</a>]</span>hoogere volkomenheid hebben -ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook de mensch niet van -den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook hij verschillende -physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede ongetwijfeld ook de -telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even als alle andere -hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft de mate harer -volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van sommige nieuwe -onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen, dat de -menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze oudste -voorvaderen <span class="ex">apen</span> (Chimpanse’s of Orang -oetang’s en Pongo’s) zijn geweest, daarin moge voor onzen -trotsch iets vernederends gelegen zijn; maar het is niet te min waar, -dat de ligchaamsbouw der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op -de aarde leven, de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland -(Australië)—in den vorm van gelaat en schedel, dikken buik, -hunne lange, smalle ledematen en dunne kuiten—eene groote mate -van overeenkomst hebben met de vormen der hoogere aapsoorten, welke zij -in hoedanigheden des geestes slechts weinig overtreffen, dewijl zij -eene hoogst onvolmaakte taal hebben, een geheel dierlijk leven leiden, -geene vaste woonplaatsen bezitten, geene hutten bouwen en niet verder -dan tot 7 kunnen tellen. Door de geloofwaardigste reizigers is -daarentegen bevestigd geworden, dat de 5 à 6 voet hooge -Chimpanse (Pithecus Troglodites) <span class="ex">hutten</span> bouwt, -zich bij het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen -uitdeelt, negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige -gevangenschap houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer -gemakkelijk kan leeren aan tafel aan te zitten even als een mensch, of -achter den stoel te staan om te bedienen.—Dat de geestvermogens -bij de dieren van die des menschen niet in aard (qualitatief), maar -slechts in de <span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334" name= -"pb334">334</a>]</span>mate welke zij er van bezitten (quantitatief) -verschillen, dat leert ons op eene onwedersprekelijke wijze eene -onbevooroordeelde beschouwing hunner zielsverrigtingen en eene -opmerkzame vergelijking van hunne hersenen en van hunnen schedel met -dien van het Australische menschenras, der negers en van het -Kaukasische menschenras. „Door het verstand van den hond bestaat -de wereld,” zegt een der oudste gedenkteekenen van menschelijke -beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta, en langs <span class= -"ex">welken</span> weg, in welke verbinding met organische stof, in -welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen (dat wil -zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand, tot -ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.</p> -<p class="par">Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel -dat het gevolg is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, -waaruit steeds edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der -verschillende menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der -soorten (species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en -aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar, -bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat geene -tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden -voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het -gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van een -hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in den -regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring zeer -beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal -soorten.—Niet alle gevallen waarin individuen van <span class= -"ex">onderscheidene</span> diersoorten zich gepaard en bastaarden -geteeld hebben die weder vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis -gekomen. Van het konijn (Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas -(Lepus timidus L.), <span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335" -name="pb335">335</a>]</span>en van dezen met den Alpen- of witten haas -(Lepus variabilis L.) is het echter bewezen; ook de bastaarden van -gemzenbokken (Antilope Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus -L.)<a class="noteref" id="xd21e6924src" href="#xd21e6924" name= -"xd21e6924src">4</a>, van vossen (Canis vulpes L.) met teeven (Canis -familiaris L.), van honden met wolvinnen (Canis Lupus L.), en van -steenbokken (Capra Ibex L.) met geiten, waren <span class= -"ex">vruchtbaar</span>. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om aan -te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig werd -waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten vruchtbare -bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner geslachtsdeelen -zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En mogten de bastaarden -van eenige dezer dieren <span class="ex">thans</span> onvruchtbaar -zijn, dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de -bastaarden van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den -invloed van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.—Om kort -te gaan, het voortteelingsvermogen der bastaarden van een <span class= -"ex">aantal</span> verschillende diersoorten van den huidigen tijd is -<span class="ex">bewezen</span>. Stel nu, dat eenige Chimpanseapen -negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden, door haar gebaard, -onderling zich voortplanten, later dan weder met negers of -Australiërs (welke laatstgenoemden onder de menschen op den -laagsten trap staan en het meest met Chimpanse’s overeenkomen) -zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere -volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen, -en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en -kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer -laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen, -geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben <span class= -"pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336" name="pb336">336</a>]</span>dan -tusschen Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed -gevormde Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen -vet<span class="ex">staart</span> draagt gelijk de schapen in haar land -inheemsch, maar niettemin aan haar ligchaam zeer overeenkomende -uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid van dit land en zijn klimaat -vertoonen kan, even als het schaap.</p> -<p class="par">Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op -5 à 6000 jaren vóór onzen tijd; de niet -opgehelderde duisternis, waarin de oorsprong van het menschelijke -geslacht zich verliest, strekt even zoo zeer ter bevestiging van de -hier voorgedragene beschouwing, als de trapsgewijze opklimming van het -eenvoudigste tot het meest zaamgestelde, welke in de gansche natuur -wordt waargenomen, en even zoo zeer als de slechts van lieverlede meer -volkomen wordende, voortgaande ontwikkeling van elk individu,—en -de reden er van is waarschijnlijk juist hierin gelegen dat de mensch -niet onmiddellijk als zoodanig, in <span class="ex">die</span> -volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt, -geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype -langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had, -om uit zijn half dierlijken toestand welke <span class="corr" id= -"xd21e6950" title= -"Verbeterd door de auteur van: overeenkomt">overeenkwam</span> met dien -der Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland, -tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en -familien- of rasgewijze te veredelen, te <span class= -"ex">ontwikkelen</span>.</p> -<p class="par">Daar echter de wereldziel welke zich met de stof -verbindt ten einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons -raadselachtige, misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op -geene andere wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen -welke zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, -en welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke -zamenstelling dezer <span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337" -name="pb337">337</a>]</span>organen—b. v. met het spinwerktuig -bij de spin, met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere -hersenen bij den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder -talrijke, in hunne omtrekken onderling meer overeenkomende -schiereilanden hebben), met de grootere en zich vooral door een veel -grooteren voorhoofdslap kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de -hemispheren de kleine hersenen geheel en al bedekken),—kan -hieruit, wel is waar, het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het -menschelijk geslacht zoowel naar het ligchaam als naar den geest steeds -tot hooger volkomenheid zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit -eene nieuwe bevestiging van mijne beschouwing: dat de mensch -<span class="ex">geen vrijen wil</span> hebben kan.</p> -<p class="par">Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld -zou moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat -<i>hij</i> de drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den -krokodil, in den vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; -dat dezelfde God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met -opofferende liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton -nadenkt over de wetten van het zuiver verstand, of over de -zwaartekracht welke de gansche wereld beheerscht,—insgelijks in -genen dief of moordenaar werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen -der roekelooze daad, of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman -inbreekt om hem te berooven, of in dien vijand des lichts die op den -drievoudig gekroonden stoel te Rome zit en plannen smeedt om het -menschelijke geslacht in onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen -te klinken;——dit toch zou geene wederlegging mijner -beschouwing, hoogstens eene tegenwerping mogen heeten, waarop ik u -onder anderen zou kunnen antwoorden, dat de tijger die het lam -verscheurt, of de kat welke eene vreedzame muis van het <span class= -"pagenum">[<a id="pb338" href="#pb338" name= -"pb338">338</a>]</span>leven berooft, <span class="ex">indien</span> -zij over hunne handelwijze konden nadenken, zeer zekerlijk in hunne -eigene oogen, even als in de onzen volkomen geregtvaardigd zouden zijn, -dewijl de ijzeren natuurwet hen onweêrstaanbaar <span class= -"ex">dwingt</span> andere levende wezens te vermoorden, ten einde -zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke wijze elke -dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging voor zijne -misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen opgeven welke -hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad, in -<span class="ex">zijne eigene oogen</span> regtvaardigt.</p> -<p class="par">Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en -kwaad, dewijl elke maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een -vergelijkende of betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad -van beschaving dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij -staan en van waar wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een -persoonlijken God kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want -stel, dat gij God van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den -bok laat zitten en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene -handen nemen, ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld -werkzaam zijn, in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf -te besturen: dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God -<span class="ex">insgelijks den tijger</span> bestuurt, zoomede -den teugel des wolfs die met het lam in den bloedigen muil wegsnelt, in -de hand houdt,—dat hij <span class="ex">mede aan den -moordenaar</span>, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit -liever wenscht te hooren) de teugels somwijlen <span class= -"ex">loslaat</span>, opdat de dief of moordenaar <span class= -"ex">zijn eigen weg</span> gaan en de misdaad bedrijven -<span class="ex">kan</span>. Gij moet dan toch toestemmen dat uw -persoonlijk regerende (almagtige) God het kwaad, het booze, de zonde, -het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan van een schip, aan boord -waarvan zich 72 ten <span class="pagenum">[<a id="pb339" href="#pb339" -name="pb339">339</a>]</span>deele zeer onschuldige en goede menschen -bevonden, <span class="ex">toelaat</span>.—En nu vraag ik u, -heeft het niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin -betreft, ten slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de -Christenen doen: „de persoonlijk regerende, Almagtige God -<span class="ex">laat</span> het booze <span class="ex">toe</span>, -veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven en te -moorden,”—of wanneer men zegt gelijk broeder <span class= -"sc">Avondrood</span> doet: „de tijger, de moordenaar is God -zelf, dat wil zeggen eene vereeniging der wereldziel met -verschillendsoortig gevormde stof.”— —?</p> -<p class="par">Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de -stof en de uit de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne -verbeelding bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is -in der daad niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich -zelven te staan:—eene som van menschelijke eigenschappen, die men -zich in eene oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van -<i>al</i>-magtig, <i>al</i>-goed, <i>al</i>-wijs. Er kan evenmin een -God zijn zonder wereld, als eene kracht zonder stoffelijken drager. -Even als het wezen van elk afzonderlijk ding de som zijner -eigenschappen is, zoo kan God niets anders zijn dan de som van de -eigenschappen der natuur, dat is het <span class="ex">wezen</span> der -natuur, of met andere woorden <span class="ex">de natuur -zelve</span>.</p> -<p class="par">Vele menschen vormen zich van datgene ’t welk men -het „wezen” van iets noemt, de wonderlijkste, verwardste -denkbeelden. Het zal misschien niet ongepast, maar in tegendeel hier de -regte plaats zijn om aan te toonen, zoo als reeds Spinoza heeft -geleerd, dat het wezen van iets niet anders is dan de som zijner -eigenschappen. Ten einde dit te bewijzen, moeten wij datgene hetwelk -gewoonlijk <span class="ex">stof</span>, <span class= -"ex">materie</span> wordt geheeten, wat van naderbij en grondiger -beschouwen en ik verzoek u, waarde broeders, mij tot dat einde nog -gedurende <span class="pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340" name= -"pb340">340</a>]</span>eenige oogenblikken uwe aandacht te willen -verleenen.</p> -<p class="par">Ontleden wij dit begrip „stof” en kiezen wij -tot voorwerp van ons onderzoek <span class="ex">eenig</span> ligchaam -naar welgevallen, welks eigenschappen ons het best bekend zijn, b. v. -het papier waarop wij schrijven, dezen inktkoker met hetgeen hij bevat, -of een billardbal, eene ijzeren staaf, of dit stuk gemunt goud dat ik -hier in de hand heb.</p> -<p class="par">Dit <span class="ex">goud</span> heeft de navolgende -eigenschappen, welke ik door middel van mijne zintuigen deels -regtstreeks kan waarnemen, ten deele eerst na in het werk gestelde -proefnemingen kan leeren kennen. Het heeft—<b>1<sup>o</sup>.</b> -<span class="ex">uitgebreidheid</span>, volumen, dat wil zeggen het -beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander -ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen, -„ondoordringbaar.” Zijne kleinste deelen worden door -„cohaesiekracht” aan elkander -gehouden.—<b>2<sup>o</sup>.</b> Het bezit <span class= -"ex">logheid</span> (traagheid, vermogen om weêrstand te bieden), -dat wil zeggen, het kan geene verandering in zijn toestand te weeg -brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve liggende oorzaak -noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van rust in beweging -te brengen.—<b>3<sup>o</sup>.</b> Het bezit de eigenschap (ten -gevolge van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te -veranderen, namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte -te beslaan; het laat zich tot in zekere mate <span class= -"ex">zamendrukken</span> en door middel van warmte <span class= -"ex">uitzetten</span>; een hoogen graad van warmte geeft aan de -kleinste deeltjes „uitzettingskracht,” ten gevolge waarvan -hun aggregatie-toestand verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs -gedeeltelijk dampvormig wordt.—<b>4<sup>o</sup>.</b> Het beslaat -de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande zijne digtheid, niet -volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst kleine (onzigtbare) -tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen eene plaats kunnen -vinden, <span class="pagenum">[<a id="pb341" href="#pb341" name= -"pb341">341</a>]</span>door welke b. v. water kan heendringen, wanneer -men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer zware drukking -blootstelt; het is derhalve <span class= -"ex">poreus</span>.—<b>5<sup>o</sup>.</b> Het is in kleine en -immer kleinere deelen <span class="ex">deelbaar</span>, welke eindelijk -zoo klein zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet -meer kan waarnemen en dat het bestaan er van als „atomen” -slechts gedacht kan worden.—<b>6<sup>o</sup>.</b> Het is -<span class="ex">zwaar</span>, dat wil zeggen, het bezit de neiging om -naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de -vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere -ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.</p> -<p class="par">Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke -eigenschappen, waardoor het zich van alle andere ligchamen -onderscheidt. Het heeft een <span class="ex">soortelijk</span> -gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19 ​3⁄10​ -maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water, dat wil -zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen (19,325) -meer dan van water.—<b>7<sup>o</sup>.</b> Indien de -gewigtsverhouding (het zoogenaamde chemische aequivalent) van de -waterstof gelijk 1 gesteld wordt, dan heeft het de eigenschap zich in -de gewigtsverhouding van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te -vereenigen. Het aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele -gewigtsdeelen (grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en -<span class="ex">nimmer een grooter, nimmer een kleiner</span> aantal -gewigtsdeelen (grein, lood, enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en -evenzoo verbindt zich driemaal zooveel chloor met hetzelfde -<span class="corr" id="xd21e7124" title= -"Bron: aquivalent">aequivalent</span> (196,4) goud tot drievoudig -chloorgoud.—<b>8<sup>o</sup>.</b> Deze eigenschap om zich met -chloor tot drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer -men het in <span class="ex">koningswater</span> (een mengsel van -chloorwaterstof- en salpeterzuur) oplost; dan vormt het eene geele -vloeistof, die geene der vroeger genoemde en volgende <span class= -"pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342" name= -"pb342">342</a>]</span>eigenschappen van het goud meer bezit en waaruit -enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en deze wederom met -verschillende eigenschappen daargesteld kunnen worden. Alle andere -zuren echter, zoomede zwavel oefenen er geenen invloed op uit, evenmin -als de zuurstof des dampkrings, waardoor het niet aangedaan wordt; het -roest niet en behoudt voortdurend zijn -glans.—<b>9<sup>o</sup>.</b> Het is een goede geleider van warmte -en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit) -bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke -vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul graad -tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt, dan is -deze hoeveelheid voor het goud slechts -0,0324.—<b>10<sup>o</sup>.</b> Het smelt bij sterke witgloeihitte -(van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de stroom eener sterke -electrische batterij door een gouddraad wordt ontladen, zelfs -dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het in -teerlingvorm.—<b>11<sup>o</sup>.</b> Het bezit de hoogste mate -van rekbaarheid, meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren -tot zeer dunne blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan -lood en wordt in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters -eerst door een gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander -gescheiden.—<b>12<sup>o</sup>.</b> Het heeft een sterken glans, -is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap die lichtstralen terug te -kaatsen, welke ons <span class="ex">geel</span> toeschijnen.</p> -<p class="par">De som dezer eigenschappen is het <span class= -"ex">wezen</span> van het goud. Stellen wij ons nu voor, dat deze -eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud worden ontnomen, wat -blijft er dan van het goud over?—Antwoord: <i>geen</i> -<span class="sc">GOUD</span>, derhalve niets, <span class= -"ex">volstrekt niets</span>.—Ontnemen wij er b. v. de twaalfde -eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het goud de eigenschap: -lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet bezit, dan <span class= -"pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343" name="pb343">343</a>]</span>zou -het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben, maar daarentegen -doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor ons volkomen -onzigtbaar;—nemen wij verder voor den oogenblik aan dat zijne -onder n<sup>o</sup>. <b>6</b> opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 -malen zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te -drukken,—zoomede zijne <b>1</b><sup>ste</sup> eigenschap, de z.g. -cohaesie, de kracht van zamenhang zijner kleinste deeltjes, waardoor -het zijne bepaalde grenzen en ondoordringbaarheid behoudt, niet -aanwezig zijn,—dan zou het stukje goud uit mijne hand spoorloos -verdwijnen, dewijl al de andere negen eigenschappen <span class= -"ex">slechts</span> in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn, -met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn -massief of regulinisch goud te noemen.—Indien ik op gelijke wijze -de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen van -den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne geringe -zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds bij -44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige -kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten -gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in de -duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed des -dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid, -enz.,—wat blijft er dan van den phosphorus -over?—Natuurlijk: <span class="ex">geen</span> phosphorus, -derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.</p> -<p class="par">Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven -zoogenaamde stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als -zamengestelden, bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing -onderwerpen, die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde -slotsom zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt -geene stof bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere -soort van stof voorkomt, <span class="pagenum">[<a id="pb344" href= -"#pb344" name="pb344">344</a>]</span>slechts de <span class= -"ex">hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij grooter of -kleiner getal eigenschappen is</span>, die bij hare ontmoeting met -andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen -ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel -laten waarnemen.—De stelling derhalve dat geene kracht bestaat -welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid, -dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen en -waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het -product van <span class="ex">eigenschappen, die onderling in verbinding -tot elkander zijn getreden en haren invloed gelijktijdig -uitoefenen</span>, waardoor zij zich als „stof” aan onze -zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke zamenwerkende eigenschappen -zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige stoffen of elementen der -scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen hunner eigenschappen, zoo als -vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur, zwaarte, warmte laten zich door -ons <span class="ex">regtstreeks</span> waarnemen, dat wil zeggen, -onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder wij in -den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn bij -hare ontmoeting van vreemde eigenschappen („aanraking met andere -stoffen”) b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium -heeten, zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen -welke water wordt geheeten,—of wanneer het geheel der -eigenschappen genaamd zink, in aanraking komt met de som van -eigenschappen, geheeten verdund zwavelzuur, enz.</p> -<p class="par">In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen -de stof op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene -langdurige misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar -juist als ware zij het eenige dat <span class="ex">positief</span> -aanwezig is en geeft aan al de vereenigingen van gelijktijdige -<span class="pagenum">[<a id="pb345" href="#pb345" name= -"pb345">345</a>]</span>eigenschappen, welke zich onder de gewone -omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene -verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, <span class="ex">zoo -lang</span> als aan een eigendommelijk ligchaam of stof eene -afzonderlijke benaming, totdat het ijzer in roest is overgegaan, of het -hout tot koolzuur, water en asch is verbrand geworden. Deze benamingen -mogen kortheidshalve voor het geheel der telkens aanwezige -gelijktijdige eigenschappen volstrekt onontbeerlijk worden geacht.</p> -<p class="par">Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, -vóór zijne schaal zit, met deze zoogenaamde <span class= -"ex">stoffen</span> volkomen op dezelfde wijze, als den criminelen -regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen, met den <span class= -"ex">vrijen wil</span> der menschen. Gene schrijft <span class= -"ex">stof</span> toe aan elke vereeniging van eigenschappen welke de -schaal zijner balans naar de aarde doet neigen, derhalve zwaarte -heeft,—deze <span class="ex">vrijen wil</span> aan elken -mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is echter -evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van vrijen -wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene -eigenschap, <span class="ex">eene betrekking tot een middenpunt</span> -in het heelal, welke zich kan openbaren in verband of in zamenwerking -met eene grootere of geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met -die welke wij lood, staal, steen noemen, maar die <span class="ex">niet -noodzakelijk</span> met <span class="ex">alle</span> eigenschappen -zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen -genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus <span class= -"ex">niet</span> verbonden is.—Zonderling toch dat de -natuurkundigen juist op grond hiervan en in tegenspraak met zich zelven -deze eigenschappen „<span class="ex">onweegbare -stoffen</span>!” noemden, niettegenstaande zij toch, even als de -zwaarte, slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. -Andere geleerden scherpten hun verstand, om tegenover <span class= -"pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346" name="pb346">346</a>]</span>de -leer der zoogenaamde materialisten, iets <span class= -"ex">geestelijks</span> in de natuur te ontdekken. Zonderbare -misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof, welke -ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht worden, het -bestaan van <span class="ex">stof</span>, van materie in absoluten zin -te bewijzen.</p> -<p class="par">Indien er <span class="ex">werkelijk</span> stof of -stoffen bestonden en zij niet uitsluitend <span class= -"ex">betrekkelijkerwijze</span> tot onze zinnelijk grove -opvatting voorhanden waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder -alle omstandigheden steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een -stuk kalium op het water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor -mijne oogen spoorloos verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van -het water verbindt, het gevormde kalihydraat in het water wordt -opgelost en de vrij geworden waterstof verbrandt),—of wanneer ik -4 deelen zwavel met 25 deelen kwik dooreenwrijf en dan deze beide zie -veranderen in zwart kwikzilvermoor dat, door sublimatie, weder wordt -omgezet in <span class="ex">vermiljoen</span>, hetwelk ik tot in de -allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder dat ik in -staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een enkel der -vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,—moet ik dan -hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden, als -kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest, maar -slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende met -andere tegengestelde <span class="ex">eigenschappen</span>, hare -vroegere eigenschappen moesten afleggen, terwijl zich in de plaats -daarvan nieuwe, tot dusverre sluimerende eigenschappen -ontwikkelden.</p> -<p class="par">Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: -ongetwijfeld veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen -<span class="ex">wanneer zij zich met andere stoffen -verbinden</span>, dewijl dan eene nieuwe stof ontstaat welke wederom -andere vormen en eigenschappen heeft; voor elke <span class= -"pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347" name= -"pb347">347</a>]</span>soort van stof echter is vorm en eigenschap even -onveranderlijk als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant -zijn, waaronder zij zich verbinden;—maar <i>waarmede</i>, vraag -ik weder, verbindt zich dan de phosphorus—eene enkelvoudige -stof—wanneer hij in de luchtledige ruimte (geheel en al -afgesloten van elke aanraking met de zuurstof der lucht en van alle -andere stoffen), alléén doordien de zon er op schijnt of -eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het oog des -beschouwers wordt omgezet in een <span class="ex">karmijnrood -poeder</span>, dat niet vergiftig is en in het algemeen geheel andere -eigenschappen bezit dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde -destillatie in eene koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder -verlies van gewigt in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus -met al zijne eigenschappen overgaat? Zou men ook <span class= -"ex">deze</span> verschijnselen stof mogen noemen?—Onmogelijk; -want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene stof, eene enkelvoudige -stof gelijk de phosphorus, kan overgaan in eene andere welke geheel -verschillende eigenschappen bezit, en dat deze tweede stof zich op -nieuw kan herscheppen in de eerste met alle eigenschappen die zij -vroeger had, zonder dat er iets aan toegevoegd of van verloren geraakt -is. Wie toch zou het karmijnroode, onschadelijke poeder, den -zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek beschouwen met de -halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare, in de lucht rookende -en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige zelfstandigheid, -welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den overgang van het -eene in het andere niet had waargenomen en zulks niet elken dag in zijn -laboratorium kon waarnemen?</p> -<p class="par">Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, -derhalve <span class="ex">volstrekt geene</span> stof in de natuur -aanwezig is en dat wij overal slechts verschijnselen, eigenschappen -zien, <span class="pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348" name= -"pb348">348</a>]</span>welke door andere eigenschappen, gelijk hier bij -den phosphorus door het licht of de warmte, in het leven geroepen, of -vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming onttogen worden.</p> -<p class="par">Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband -tusschen zekere bijéén behoorende, gelijktijdig werkende -eigenschappen steeds naar vaste wetten wederkeeren en zelfs in de -grootste veranderingen, in de werking der meest mogelijke hoeveelheid -eigenschappen welke een wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, -zich dergelijke vaste wetten laten waarnemen, stelt men zich deze -eigenschappen voor als aan „stof” gebonden; men neemt het -bestaan van kleinste of oneindig kleine deeltjes van deze stof aan, -welke men <span class="ex">atomen</span> heet en verklaart de -verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op -gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde -toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede van -vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch -door eene „verschillende ligwijze” dezer atomen.</p> -<p class="par">Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit -kunnen worden gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter -waarneming niets anders zijn dan bloote mathematische punten, die -slechts <i>gedacht</i> kunnen worden en welke men zich moet voorstellen -<span class="ex">oneindig</span> klein en in <span class= -"ex">oneindig</span> groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit -ten duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld -zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de atomen -niet als <span class="ex">oneindig</span> kleine deelen, maar als de -zoodanigen die niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn.<a class= -"noteref" id="xd21e7320src" href="#xd21e7320" name="xd21e7320src">5</a> -Dit is echter <span class="pagenum">[<a id="pb349" href="#pb349" name= -"pb349">349</a>]</span>eene veronderstelling welke tot onoplosbare -tegenstrijdigheden voert, zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk -zal doen zien. Suiker, zetmeel en hout zijn drie verschillende -ligchamen welke verschillende eigenschappen bezitten, en niettemin alle -drie gelijkmatig uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan. -Deze atomen nu moeten in de drie verschillende ligchamen eene -verschillende ligwijze hebben (op eene andere wijze geordend of nevens -elkander geplaatst zijn) en <span class="ex">daardoor</span> de -verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te weeg -brengen. Maar—een atoom moet immers <span class= -"ex">ondeelbaar</span> zijn en echter bestaat, naar deze theorie, elk -atoom suiker uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit -zestien verschillende deelen of enkele atomen!<a class="noteref" id= -"xd21e7334src" href="#xd21e7334" name= -"xd21e7334src">6</a>—Hieruit volgt dat het aannemen van het -bestaan van atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een -hulpmiddel ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene -verklaring, voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten -gebondene orde der verschijnselen, maar dat er in <span class= -"ex">absoluten</span> zin geene stof bestaat, er geene bestaan -<span class="ex">kan</span>. Daarmede verdwijnt de tegenstelling -tusschen geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof -valt weg.</p> -<p class="par">Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak -moge zijn met de alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter -gemakkelijk van hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot -<span class="ex">die</span> eigenschap der zoogenaamde ligchamen, welke -het aanwezig zijn van stof op het handtastelijkste schijnt te bewijzen, -namelijk de <span class="ex">uitgebreidheid</span>, het volumen der -ligchamen en den tegenstand welken <span class="pagenum">[<a id="pb350" -href="#pb350" name="pb350">350</a>]</span>zij bieden aan een vreemd -daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger, mijne hand. (Ik -wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of gasvormige -ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja de meeste -vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden, maar heb -hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid der vaste -ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt of kamfer, -of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een ligchaam, eene -<span class="ex">stof</span>. Deze stof kan ik echter voortdurend in -kleinere deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te -wrijven, zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan -zien en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan -waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om die -reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen te -grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort te -zetten.—Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel, of -van muskus.—Dat de verdeeling echter nog <span class="ex">veel -verder</span> kan gaan, bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar -in mijne kamer kan liggen <span class="ex">zonder van gewigt te -verminderen</span> en toch de geheele kamer met den bekenden, hem -eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende muskusdeeltjes -kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer waarnemen. Er -bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische reden, om te -veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes, wier aanwezen -slechts en <span class="ex">uitsluitend</span> nog door middel der -reukzenuwen kan worden waargenomen, niet <span class="ex">nog -verder</span>, ja tot in het <span class="ex">oneindige</span> kunnen -verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten -zijn.—Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn -<span class="ex">datgeen, hetwelk geene deelen, of</span> <span class= -"sc">GEENE UITGEBREIDHEID</span> <span class="ex">heeft</span>. -<span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351" name= -"pb351">351</a>]</span></p> -<p class="par">Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de -som is zijner eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan -<span class="ex">voor zich zelven</span>: het eeuwige bewustzijn, en -<span class="ex">voor ons</span>: de som of het totaal van alle -eigenschappen der natuur?—Twee zijner eigenschappen zijn ruimte -en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid maakt. -Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij zijn slechts -<span class="ex">eene</span> van deze verschijnselen, hoewel wij de -slotsom van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch -verschillende eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten -zich zelven geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen -zich in het kleine terugkaatst,—waarin God zich als het ware ten -tweede male denkt.</p> -<p class="par">Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan -een <span class="ex">vrijen wil</span> hebben?</p> -<p class="par">Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons -tot tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis -niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig de -<span class="ex">atomen</span> in de scheikundige theoriën -evenzeer moeten behouden, als men in het empirische leven, ter meer -gemakkelijke opvatting van de verschijnselen, zal voortgaan om alle -bestendig voorkomende vereenigingen van zekere eigenschappen -<span class="ex">stof</span> te noemen en daaraan afzonderlijke -benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout, enz.—In -<span class="ex">dien</span> zin zal ook ik mij in het vervolg van deze -uitdrukkingen blijven bedienen.</p> -<p class="par">Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te -spreken van de groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker -heeft te kampen bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het -organische leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den -rijkdom aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen -bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij den -aanvang mijner voordragt <span class="pagenum">[<a id="pb352" href= -"#pb352" name="pb352">352</a>]</span>heb ik op deze moeijelijkheid -gewezen, welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote -aantal gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het -organismus <span class="ex">op zich zelf beschouwd</span> (als iets -gegevens) laat zich, wel is waar, uit de ter bedoelde plaats (zie -vroeger bladzijde <a href="#pb317" class="pageref">317</a>) opgenoemde, -allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men -andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke van -de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; <span class= -"ex">waarom</span> echter het leven der verschillende organismen -slechts tijdelijk van duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op -een onderscheidenen, vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat -zich daaruit evenmin verklaren,—als de bijzondere vorm welke elk -der 100,000 planten- en 130,000 diersoorten bezit die tot heden -beschreven zijn geworden, daaruit kan worden afgeleid, en welke toch -allen, niettegenstaande het groote onderscheid in haren vorm en de -afwijkende, menigwerf wonderbare structuur van de menigte harer -organen, uit <span class="ex">dezelfde</span> grondstoffen, bij de -werking van <span class="ex">dezelfde</span> physische en chemische -krachten zijn ontstaan.</p> -<p class="par">Moest dan in de <span class="ex">atomen</span> der -elementen, welke de eiwitstof of den dojer van het vrouwelijke ei -uitmaken (vergelijk de analysen die lager worden gevonden) het streven -niet liggen,—dat door de werking van het mannelijke zaad bij de -zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk door het indringen der -spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of werkzaam gemaakt wordt en -waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van algemeene natuurkrachten -b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te hoogen, noch te lagen) -warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt aangenomen,—moest -dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn gelegen, om bij -voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit, bloed) een -dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te <span class= -"pagenum">[<a id="pb353" href="#pb353" name= -"pb353">353</a>]</span>vormen,—<span class="ex">hier</span> een -oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar zaâmgesteld en -toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan, <span class= -"ex">elders</span> zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een -borstbeen te vereenigen,—uit een bepaald aantal spieren, -beenderen, pezen, aderen en zenuwen een arm, eene hand met vingers te -maken en al deze deelen en organen in het behoorlijke aantal, ter -behoorlijker plaats daar te stellen, zoomede in de vereischte -verhouding der duizenden van cellen, vezelen, membranen, aderen en -zenuwen, waaruit zij bestaan!—en deze wondervolle kracht zou in -de chemische stoffen, in de atomen liggen!</p> -<p class="par">In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, -welke <span class="ex">dit</span> hoenderei <span class= -"ex">meer</span> bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk -eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig -onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te -toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende -geslachtsorganen van den <span class="ex">haan</span> met kam, sporen -en prachtig gevederte te voorschijn te brengen,—terwijl de -<span class="ex">afwezigheid</span> van dit paar atomen aan het andere -ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht geeft om eene -<span class="ex">hen</span> te doen ontstaan, welke weder geheel -verschillend gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de -haan en sporen noch kam heeft,—ja terwijl misschien bij eene -gelijke percentsgewijze verhouding der bestanddeelen in een -<span class="ex">kalkoenenei</span> een geheel ander dier: een -kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.</p> -<p class="par">Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben -bezig gehouden met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van -de groote menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus -werkzaam zijn, van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo -eenvoudige stoffen als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen -mede. (Van het mannelijke <span class="pagenum">[<a id="pb354" href= -"#pb354" name="pb354">354</a>]</span>zaad ontbreken naauwkeurige -chemische analysen nog bijna geheel en al.)</p> -<p class="par">Het <span class="ex">eiwit</span> bestaat uit stikstof, -koolstof, waterstof en zuurstof, ongeveer in die verhouding als in -Mulder’s oude proteïnformule is uitgedrukt: N<sup>5</sup> -C<sup>40</sup> H<sup>30</sup> O<sup>12</sup>, waarbij echter naar -gelang van de verschillende soorten van eiwit in het dieren- en -plantenrijk nog eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook -phosphorus en nog meer of minder zuurstof komt.</p> -<p class="par">Honderd deelen <span class="ex">dojer</span> zijn -volgens Gobley in het kippen- en in het karperei (welke laatsten -uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan) zaâmgesteld uit:</p> -<p class="par"></p> -<div class="table"> -<table> -<thead> -<tr class="label"> -<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom"></td> -<td class="xd21e7497 cellHeadTop cellHeadBottom">Kippenei.</td> -<td class="xd21e7497 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom"> -Karperei.</td> -</tr> -</thead> -<tbody> -<tr> -<td class="cellLeft">Vitelline</td> -<td class="xd21e7497">15,76</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">14,08</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Margarine en Elaïne</td> -<td class="xd21e7497">21,30</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">2,57</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Cholesterine</td> -<td class="xd21e7497">0,44</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,27</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Lecithine</td> -<td class="xd21e7497">8,43</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">3,04</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Cerebrine</td> -<td class="xd21e7497">0,30</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,20</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Chloorammonium</td> -<td class="xd21e7497">0,03</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,04</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Chloornatrium en Chloorkalium</td> -<td class="xd21e7497">0,28</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,45</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Zwavelzure kali</td> -<td class="xd21e7497">0,28</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,04</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Phosphorzure kali</td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,04</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia</td> -<td class="xd21e7497">1,02</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,29</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Alcoholextract</td> -<td class="xd21e7497">0,40</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,39</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Vliezen</td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497 cellRight">14,53</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Kleurstof, sporen van ijzer, enz.</td> -<td class="xd21e7497">0,55</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,03</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Water</td> -<td class="xd21e7497 cellBottom">51,49</td> -<td class="xd21e7497 cellRight cellBottom">64,08</td> -</tr> -</tbody> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">En in honderd deelen asch werden gevonden:</p> -<p class="par"></p> -<div class="table"> -<table> -<thead> -<tr class="label"> -<td class="cellHeadLeft cellHeadTop"></td> -<td colspan="2" class="xd21e7497 cellHeadTop"><b>IN DEN DOJER.</b></td> -<td colspan="2" class="xd21e7497 cellHeadRight cellHeadTop"><b>IN HET -EIWIT.</b></td> -</tr> -<tr class="label"> -<td class="cellHeadLeft cellHeadBottom"></td> -<td class="xd21e7497 cellHeadBottom">door Poleck.</td> -<td class="xd21e7497 cellHeadBottom">door Weber.</td> -<td class="xd21e7497 cellHeadBottom">door Poleck.</td> -<td class="xd21e7497 cellHeadRight cellHeadBottom">door Weber.</td> -</tr> -</thead> -<tbody> -<tr> -<td class="cellLeft">Kali</td> -<td class="xd21e7497">8,93</td> -<td class="xd21e7497">10,90</td> -<td class="xd21e7497">2,36</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">27,66</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Natron</td> -<td class="xd21e7497">5,12</td> -<td class="xd21e7497">1,08</td> -<td class="xd21e7497">23,04</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">12,09</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Chloorkalium</td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497">41,29</td> -<td class="xd21e7497 cellRight"></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Chloornatrium</td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497">9,12</td> -<td class="xd21e7497">9,16</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">39,30</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Kalk</td> -<td class="xd21e7497">12,21</td> -<td class="xd21e7497">13,62</td> -<td class="xd21e7497">1,74</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">2,90</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Magnesia</td> -<td class="xd21e7497">2,07</td> -<td class="xd21e7497">2,20</td> -<td class="xd21e7497">1,60</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">2,70</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">IJzeroxyde</td> -<td class="xd21e7497">1,45</td> -<td class="xd21e7497">2,30</td> -<td class="xd21e7497">0,44</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,54</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Phosphorzuur</td> -<td class="xd21e7497">63,81</td> -<td class="xd21e7497">60,16</td> -<td class="xd21e7497">4,83</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">3,16</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Phosphorzuurhydraat</td> -<td class="xd21e7497">5,72</td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497 cellRight"></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Zwavelzuur</td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497"></td> -<td class="xd21e7497">2,63</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">1,70</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Kieselzuur</td> -<td class="xd21e7497">0,55</td> -<td class="xd21e7497">0,62</td> -<td class="xd21e7497">0,49</td> -<td class="xd21e7497 cellRight">0,28</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Koolzuur</td> -<td class="xd21e7497 cellBottom"></td> -<td class="xd21e7497 cellBottom"></td> -<td class="xd21e7497 cellBottom">11,60</td> -<td class="xd21e7497 cellRight cellBottom">9,67</td> -</tr> -</tbody> -</table> -</div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb355" href="#pb355" name= -"pb355">355</a>]</span></p> -<p class="par">Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het -zamenstel van het ei uit zoo <span class="ex">velerlei</span> -verschillende stoffen die in genen deele enkelvoudige stoffen zijn, -maar die elk weder bestaan uit eene vereeniging ten minste van 2, -gewoonlijk van 3, ja 4 zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke -moeijelijkheden de natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te -kampen hebben, om de verschijnselen van het organische leven terug te -brengen tot de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste -stelling onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene -voldoende wijze is bekend): dat menging,<a class="noteref" id= -"xd21e7774src" href="#xd21e7774" name="xd21e7774src">7</a> kracht en -vorm allen niet anders dan <span class="ex">gelijktijdig</span> -zich veranderen en dat, wanneer verandering in de menging plaats heeft, -noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of eigenschap) en de vorm -zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk betreft b. v., behoeven wij -slechts een blik te werpen op onze tuinen en onze tamme aardappelen en -groentesoorten gade te slaan, waarin men de oorspronkelijke, in het -wild groeijende stamplanten ter naauwernood kan herkennen, om deze -stelling ten volle bewaarheid te zien, en wij moeten bekennen dat -gelijke voeding (gelijke stofcombinatie): gelijke <span class="corr" -id="xd21e7780" title="Bron: gestaltevormig">gestaltevorming</span>, -ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie): ongelijke gestaltevorming -ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan de algemeene geldendheid van -den regel dezer stelling twijfelen, wanneer men het dierenrijk -gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei eene hen, uit het andere een haan -geboren wordt, niettegenstaande de scheikundige niet in staat is eenig -onderscheid in de zamenstelling dezer eijeren te ontdekken. Dit kan -echter zijn grond hebben in de onvolkomenheid der methode of wel -hierin, dat <span class="pagenum">[<a id="pb356" href="#pb356" name= -"pb356">356</a>]</span>men er tot heden niet in geslaagd is om door -middel der analyse van organische ligchamen resultaten te verkrijgen, -welke eene voldoende juistheid bezitten.</p> -<p class="par">Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en -zuurstof meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C<sub>12</sub> -H<sub>11</sub> O<sub>11</sub>) deze wordt omgezet in druivensuiker -(C<sub>12</sub> H<sub>12</sub> O<sub>12</sub>), of dat vijf atomen -water, ontnomen aan den <span class="ex">reuk</span>- en smakeloozen, -fraai gekristalliseerden zoogenaamden terpentijnkamfer (C<sub>20</sub> -H<sub>16</sub> + <sub>6</sub>HO), dezen veranderen in eene aangename, -naar hyacinthen riekende olie (C<sub>20</sub> H<sub>17</sub> -O),—of dat ligchamen, welke niet slechts wat betreft de -mengingsgewigten hunner bestanddeelen, maar (even als de 2 -verschillende zuren waarin het druivenzuur zich laat ontleden) -insgelijks in alle andere eigenschappen <span class= -"ex">bijna</span> volkomen met elkander overeenstemmen, -<span class="ex">niettemin</span> van elkander verschillen moeten in de -menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de gepolariseerde -lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg brengt en het -polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere ter linkerzijde -afwijkt,— ja dat een geheel onschadelijk zout, als mierenzure -ammoniak (H<sub>4</sub> NO, C<sub>2</sub> HO<sub>3</sub>) bloot door -het te verhitten in een sterk werkend vergift, in <span class= -"ex">blaauwzuur</span> (HC<sub>2</sub> N (+ <sub>4</sub>HO) wordt -veranderd, hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk -zuur, weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,—dat derhalve uit -schijnbaar zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere -krachten worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere -eigenschappen dan vroeger ontstaan,<a class="noteref" id="xd21e7850src" -href="#xd21e7850" name="xd21e7850src">8</a> dan mogen wij de stellige -hoop <span class="pagenum">[<a id="pb357" href="#pb357" name= -"pb357">357</a>]</span>voeden, eenmaal in staat te zullen zijn niet -slechts in de zaden van alle planten, maar insgelijks in de eijeren van -alle dieren (waaruit zich zoo verschillende krachten en eigenschappen -ontwikkelen) eveneens <span class="ex">stoffelijk</span> -onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige weinige -meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine, cerebrine -en dergelijken.</p> -<p class="par">Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij -bedenken dat de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet -meer dan een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen, -schijnbaar tot in het oneindige voortgaat en dat—om slechts een -voorbeeld aan te halen—alleen het aantal der ontledings- en -afleidingsproducten welke van de <span class="ex">alcoholen</span> -afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige aldehyden en de -bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort behooren) zoo -buitengewoon groot is, dat naar de berekening van den Franschen -scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende <span class= -"ex">alcoholradicaal</span><a class="noteref" id="xd21e7879src" href= -"#xd21e7879" name="xd21e7879src">9</a> (koolstof en waterstof) en -<span class="ex">ammoniak</span> (stikstof en waterstof) meer dan 60000 -verschillende verbindingen kunnen worden gevormd die allen -verschillende eigenschappen bezitten.</p> -<p class="par">Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de -hersenen van een orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren -over Gods moeder, Gods vader of over de hemelvaart van Gods -<span class="pagenum">[<a id="pb358" href="#pb358" name= -"pb358">358</a>]</span>zoon predikte, uit <span class= -"ex">dezelfde</span> stofdeelen, of althans grootendeels uit dezelfde -atomen zuur-, water-, kool- en stikstof, phosphorus, natron, kali en -kalk bestonden, die deels tot water, deels tot meer zaâmgestelde -vet- en eiwitachtige verbindingen (als elaïne, oliezuur, -oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine, cerebrinezuur, enz.) -zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist in dergelijke -verbindingen) de geheel anders denkende hersenen van den wijsgeer -Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds hadden -medegewerkt tot het daarstellen van den „ketterschen” kop -van Spinoza,—dan moeten wij het insgelijks als mogelijk -beschouwen dat het ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de -algemeene overeenstemming welke in de genoemde verbindingen heerscht, -een onderscheid in de chemische zamenstelling der verschillende -individuele hersenen te ontdekken en daaruit de onderscheidene -rigtingen van gedachten der vele millioenen menschen, die gelijktijdig -op aarde leven en na elkander geleefd hebben, uit de stof te verklaren. -Wij durven deze hoop voeden, hoewel onder al deze millioenen welligt -slechts enkele individuen worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar -gelijke uitwendige omstandigheden waarin zij leven, in de rigting -hunner gedachten, zoomede in de trekken huns karakters en in den -uitwendigen vorm des ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. -Verschil in menging, eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze -hersenen meer, in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige -stoffen tot zaâmgestelde verbindingen,—geringe afwijkingen -in den vorm en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van -de afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan (in -verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg -gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de -rigting der denkbeelden en de <span class="pagenum">[<a id="pb359" -href="#pb359" name="pb359">359</a>]</span>mate van geestvermogens dier -millioenen van individuen.</p> -<p class="par">Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, -waarop deze verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in -verband staan tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en -de stoffelijke wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle -verschijnselen in de organische natuur zich zinnelijk -openbaren;—het <span class="ex">waarom</span>? deze wetten echter -juist zoodanig en niet anders werken,—waarom aan elke -verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-, -in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook -telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen of -levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere -stofcombinatie ontmoeten,— dit laatste <span class= -"ex">waarom</span> zullen wij nimmer doorgronden, maar altijd stuiten -op iets dat ons onverklaarbaar is.</p> -<p class="par">Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het -natuurnoodzakelijkheid, wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, -eeuwig zelfbewustzijn; noemt het <span class="ex">God</span>!—wat -toch doet de naam ter zake?—Maar dit onbekende dat op den -helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo geheimzinnige -wijze, <span class="ex">uitsluitend naar vaste wetten in, met en -door</span> deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen -hetwelk wij „stof” noemen,—het is verheven, het is -wonderbaar en schoon!</p> -<p class="par signed">(<i>was geteekend</i>) <span class= -"sc">Avondrood</span>.<a class="noteref" id="xd21e7918src" href= -"#xd21e7918" name="xd21e7918src">10</a> <span class="pagenum">[<a id= -"pb360" href="#pb360" name="pb360">360</a>]</span></p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Niettegenstaande de -gematigde slotsom welke gij ten laatste uit uw stelsel van natuur en -God trekt, komt het mij niettemin huiveringwekkend, ja vreesselijk voor -en ik wensch hartelijk dat het nimmer opgang vinde bij het publiek, -dewijl het een verderfelijken invloed op de maatschappij zou kunnen -uitoefenen. Hoe zou ik God als een rein, heilig, goed wezen kunnen -vereeren, indien ik op uw voetspoor moest gelooven dat Hij bloeddorstig -in gindschen tijger rondsluipt om buit te zoeken, of in dezen -moordenaar woedt die zijns nabuurs vrouw en kind om het leven brengt, -of diens huis in brand steekt ten einde hem te berooven of zich op hem -te wreken?—Hoe durf ik dan den booswicht straffen? Wat zal ik hem -antwoorden, wanneer hij zich met de door u verkondigde leer -verontschuldigt en zegt: „ik werd door eene onweêrstaanbare -kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;—deze mij -beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden in den -vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw en eene -bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen; ik heb geen -vrijen wil.”—Voert uwe leer niet regtstreeks naar het -geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus, dat -reeds zoo veel onheil heeft gesticht?</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Waarde broeder! -Indien gij u als geloovige Christen en met orthodoxe gestrengheid aan -de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst houdt, kan ik u met eene menigte -bijbelplaatsen bewijzen dat gij dan evenzeer in den geest van -Augustinus en Calvijn moest gelooven aan de praedestinatie. Ik wil mij -echter niet beroepen op boeken of autoriteiten, maar uitsluitend op de -natuur. Voor den natuuronderzoeker bestaat er evenmin een vrije wil, -als een blind toeval, dewijl alles wat in de natuur geschiedt, wat de -mensch verrigt en wat hij denkt, een noodzakelijk gevolg is van -voorafgegane oorzaken. <span class="pagenum">[<a id="pb361" href= -"#pb361" name="pb361">361</a>]</span>Ook de menschelijke wil is, zoo -als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen, slechts een -schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel van oorzaken -gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande de oorzaken -waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde menigwerf zoo -verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo zamengesteld en -ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd mogelijk is ze -duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als zeker worden -beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande, aan uwen -persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de hoedanigheid der -<span class="ex">voorwetenschap</span> moet toekennen en aannemen moet -dat Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze<span class="corr" -id="xd21e7936" title="Niet in bron">,</span> de misdaad welke is -gepleegd, <span class="ex">vooraf bekend was</span> en dat hij zulks -niet verhinderde, hoewel Hij „almagtig” is. Hetgeen ik -reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik thans niet te herhalen: dat -deze voorwetenschap en het niet verhinderen door den almagtigen God -volkomen van gelijke beteekenis is te achten met het zelf verrigten der -daad. Een menschelijk spreekwoord zegt: „de heler is zoo goed als -de steler.”</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Gij dwaalt, broeder, -indien gij mij beschouwt als een gedachteloozen naprater van de woorden -des bijbels. Veroorloof mij u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof -der orthodoxe school reeds voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede -verheven boven het geschrevene woord, waaraan ik slechts dan geloof, -wanneer het met de wetten van het redelijke denken niet in strijd is. -Het dualismus van God en der natuur schijnt mij echter volstrekt -noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid der ziel van de stof, aan -den vrijen wil des menschen moet ik gelooven, dewijl anders aan de -zedeleer hare wezenlijke, d.i. <span class="ex">zedelijke</span> -grondslag geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van -het goede en het <span class="pagenum">[<a id="pb362" href="#pb362" -name="pb362">362</a>]</span>kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij -niet bevredigen.</p> -<p class="par">Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, -moeten wij de voorwetenschap aan God ontzeggen.</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Wat?—dan -verlaagt gij uwen God tot <span class="ex">beneden</span> den mensch! -Wij <span class="ex">menschen</span> weten immers veel van hetgeen over -tien, over honderd, ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te -zeggen, namelijk al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die -ons <span class="ex">volkomen</span> bekend zijn geworden!—En zou -uw God deze natuurwetten minder goed kennen dan wij?—Geven wij -niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt, een sterrekundig jaarboek of -zeemansalmanak uit, waarin de stand van alle planeten ten opzigte van -elkander en van de zon, der trawanten ten opzigte van de planeten, -zoomede de stand dezer hemelligchamen ten opzigte van de vaste sterren -met betrekking tot onze aarde, voor elken dag des jaars, voor elk uur -van den dag, voor elke minuut, seconde, ja voor een gering gedeelte -eener seconde met juistheid vooraf wordt bekend gemaakt?—Weten -wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den 19<sup>den</sup> -Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben, en zijn -wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij zigtbaar zal -zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en van het einde -der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van het verduisterde -gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke er mede gepaard -zullen gaan?—Hebben de sterrekundigen dan niet even naauwkeurig -als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats grijpen, -insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor de zon -honderden van jaren vooraf berekend!—Weten wij dan niet, dat de -„morgen- en avondster” welke ons zoo menigwerf door haren -helderen glans verheugt, op den 8<sup>sten</sup> December des jaars -2125—derhalve na verloop <span class="pagenum">[<a id="pb363" -href="#pb363" name="pb363">363</a>]</span>van 271 jaren—als eene -kleine zwarte schijf voorbij de zon zal gaan, nadat zij te rekenen van -1874 tot op 2117 reeds vijfmaal datzelfde verschijnsel zal hebben -opgeleverd?—Ja, heeft men zelfs niet de wetten ontdekt welke den -loop regelen der kometen, die gedeeltelijk duizenden van jaren behoeven -om hare banen te doorloopen, en het weder verschijnen der Olbersche -komeet (welke in 1815 werd waargenomen) op den 9<sup>den</sup> -Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel dat van de komeet -van 1807 op de 33<sup>ste</sup> eeuw en dat van de komeet van 1811, -naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf -gezegd?—Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene -nog geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze -in het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog -haar had gezien en zeiden zij niet vooraf, <span class="ex">dat men -haar daar zou vinden</span>, ter plaatse waar men haar later werkelijk -vond en Neptunus noemde?—Zijn wij zelfs de wetten niet op het -spoor die zoowel op het physieke, als op het maatschappelijke leven des -menschen invloed uitoefenen en naar welke wij het gemiddelde getal der -toekomstige geboorten, sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons -in staat stellen met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke -650 personen in Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf -zal schuldig maken,—als wij de hoeveelheid regen naar duimen en -strepen vooruit kunnen bepalen, welke in de eerstvolgende vijf jaren te -’s Gravenhage of te Utrecht zal vallen!—Zou uw God -onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de natuurwetten niet -<span class="ex">beter</span> kennen dan wij en met behulp daarvan niet -in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, <span class="ex">welke</span> -van die 650 personen de misdaad begaan en hoeveel regen <span class= -"ex">dagelijks</span> op elke plaats vallen zal?—Is het niet -duidelijk dat ons onvermogen om het lot van <span class="ex">elk -bijzonder <span class="pagenum">[<a id="pb364" href="#pb364" name= -"pb364">364</a>]</span>mensch</span>, om de weêrsgesteldheid van -<span class="ex">elken afzonderlijken dag</span> vooraf te kunnen -opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der verschijnselen, in -het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken, waardoor het heldere -overzigt van de wetten die dit alles regeren, voor ons bemoeijelijkt of -onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het noodzakelijke gevolg, het -eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde zamenwerking van <i>al</i> -deze oorzaken of krachten geboren wordt. <span class="ex">Uit</span> de -volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis -in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen -voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in -zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer -gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Broeder, dit denkbeeld -doet mij duizelen; gij voert mij naar een afgrond waarin ik vrees te -verzinken.</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Lieve <span class= -"sc">Nacht</span>! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond kunt -<span class="ex">omgaan</span>. Er voert slechts <span class="ex">een -enkele</span> weg daarom heen. Volg mij en ik zal u geleiden naar de -bloemrijke beemde, waar geen tweespalt heerscht en alles zich in -harmonie oplost.</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Vergunt mij vooraf -nog een enkel woord hier bij te voegen. De wijsgeeren hebben reeds van -den vroegsten tijd tot op Kant en van dezen tot op Hegel over den -vrijen wil gestreden, maar de vraag is tot heden onopgelost gebleven. -Wij zijn geene wijsgeeren, geene idealisten, maar natuuronderzoekers en -behooren te trachten om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf -zoo duidelijk en zoo eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een -van deze beide gevallen kan waar zijn. <i>Of</i> (<i>a</i>) wij hebben -een vrijen wil en daar deze slechts denkbaar is als de eigenschap eener -zelfstandige, onsterfelijke ziel, moeten wij eene ziel hebben welke -onafhankelijk is van <span class="pagenum">[<a id="pb365" href="#pb365" -name="pb365">365</a>]</span>de chemische en physieke krachten, die in -onze hersenen en in de overige deelen onzes ligchaams werkzaam -zijn.—<i>Of</i> (<i>b</i>) de aanwezige verschijnselen en -opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener zoodanige -onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de werkzaamheid der -chemische en physieke krachten in onze hersenen: maar dan kunnen wij -geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer wel weet, deze chemische -en physieke krachten aan onveranderlijke en onverbiddelijk gestrenge, -consequente natuurwetten gehoorzamen.</p> -<p class="par">Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling -<i>a</i> ons leidt. Wij zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit -als natuuronderzoekers zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel -veranderen, maar dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen -geschapen worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw -geschapen zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm -hebben bestaan. Om nu het <span class="ex">aanwezen</span> te verklaren -dezer zelfstandige zielen welke van de naar vaste wetten werkende -natuurkrachten onafhankelijk zijn en een vrijen wil zouden hebben, -moeten wij toch het bestaan van een zielen<span class= -"ex">voorraad</span> of eene zielenbron aannemen van waar zij (langs -voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen, derhalve -eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze goddelijke ziel -heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons onbekend is wanneer -zulks plaats had, of dit geschiedde bij de bevruchting, in het embryo, -bij de geboorte, of later?) en zich herschapen in eene <span class= -"ex">bijzondere</span> (individuële, menschelijke) ziel met -<span class="ex">bijzonderen</span> vrijen wil. Maar vrijheid van -wil en almagt moet toch bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, -dewijl zij zich in het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had -kunnen overstorten, indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu -echter uwe zielen, zoomede de zielen van zoo vele millioenen -<span class="pagenum">[<a id="pb366" href="#pb366" name= -"pb366">366</a>]</span>andere menschen—elk -afzonderlijk—<span class="ex">haren eigen, onafhankelijken -vrijen</span> wil heeft, hoe kan God dan almagtig zijn en een -vrijen wil hebben, uithoofde iets vrijs buiten hem,—uithoofde zoo -vele milioenen <span class="ex">afzonderlijke, van hem -onafhankelijke</span> gedeelten van vrijen wil aanwezig -zijn?—Is deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en -leidt zij niet regtstreeks tot het geloof aan <span class= -"ex">wonderen</span>, ’t welk gij, broeder <span class= -"sc">Dag</span>, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? -Betaamt het ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten -na te speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan -dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een -dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de -natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan -toezien en—zielen scheppen, namelijk scheppen <span class= -"ex">zoodra</span> de gelegenheid daartoe gekomen is, derhalve -voortdurend oppassen en—<span class="ex">zoo spoedig</span> en -zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam -(zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil) -aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad de -vereischte <span class="ex">stof</span> daartoe te verschaffen, fluks -van zijne zijde eene <span class="ex">ziel</span> in deze stof te -scheppen en te zeggen, daar ziel, loop; ik wil dat gij zijt en na negen -maanden vrijen wil hebt. Want dan zijt gij vrij en kunt uwes weegs -gaan; maar geef acht, dat gij de vingers niet brandt; want allerwege om -u heen zijn natuurkrachten werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, -noch om uwen vrijen wil.</p> -<p class="par"><i>b.</i> Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet -gelooven, dewijl zij in strijd zijn met het verstand en met de -waarneming, welke laatste leert dat de zielsvermogens van den mensch -<span class="ex">slechts van lieverlede in</span>, met <span class= -"ex">en door de <span class="pagenum">[<a id="pb367" href="#pb367" -name="pb367">367</a>]</span>stof</span>—het ei, embryo, foetus, -kind, jongeling en volwassen mensch—tot ontwikkeling komen. Er -blijft ons derhalve niets over dan de tweede veronderstelling aan te -nemen en God met de natuur te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen -wij—naar de stellige of absolute beteekenis van dit -begrip—aan geen vrijen wil gelooven. Dit denkbeeld van vrijheid -van wil is slechts een zelfbedrog, een waan, waarin de meeste menschen -van de wieg tot aan het graf blijven voortleven.—Enkele -diepdenkende personen hebben zich boven dien waan verheven en -onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur, die zich in -hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit de gedachte: -wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn, aan stof -gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder <span class= -"ex">vrij</span> worden. Als individu hebben wij niets dat ons -eigen toebehoort, behalve dit individuële bewustzijn (deze -afspiegeling der gansche natuur is ons binnenste door middel onzer -zintuigen), dat na onzen dood in de Godziel als herinnering zal -voortleven.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Uwe beschouwing is in -strijd met mijn innigst gevoel. De grens tusschen <span class= -"ex">zedelijke</span> en physieke vrijheid wordt door u niet -duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid -onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen -dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van <span class= -"ex">zedelijke</span> beweegredenen en dat wij in dien -zin—zedelijk—wel degelijk vrij moeten zijn.</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Vergun mij dan, dat -ik dit denkbeeld naauwkeuriger beschrijf.—De innerlijke -opgewektheid, die wij begeerte, <span class="ex">willen</span> noemen, -hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen die, -gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg van -uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel, zoomede -van het <span class="pagenum">[<a id="pb368" href="#pb368" name= -"pb368">368</a>]</span>voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve -niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee -begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene -begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij <span class= -"ex">overleggen en eene keuze doen</span>, daar schijnen wij ons zelven -toe vrij te zijn. Maar eene andere vraag is deze: of wij de -overleggingen, dan of de overleggingen ons beheerschen.—Ik geloof -dat zij <span class="ex">ons</span> beheerschen. Want van waar toch -komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons zelven, -maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen ons hebben -gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter en den -aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet -gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke -menging;—hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen -van eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen -zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde -behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling dragen -later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het opwassende -individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen treden. Maar -noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de wijze van -behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch het stelsel -waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van het individu. -Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet wilde inzien dat -onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze en ons karakter het -product zijn der genoemde omstandigheden, welke de ontwikkeling van het -individu beheerschen en waarop deze niet den geringsten invloed kan -uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken waarop onze keuze niet den -geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar zich (veelal onbemerkbaar, -dewijl er geen acht op geslagen <span class="pagenum">[<a id="pb369" -href="#pb369" name="pb369">369</a>]</span>wordt—) in rijperen -leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde moet, gelijk ik -reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden veranderd waarmede wij -het goede en kwade meten en behoort deze zuiver menschelijk te -zijn.—Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben gelezen van -den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden aan den arbeid -zat,—tot hij eens plotseling in woede geraakte, zijne vrouw en -kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene vreeselijke wijze om -het leven bragt? Indien hij in het leven ware gebleven, zou de regter -dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem van moord beschuldigen -en als moordenaar hebben durven straffen? Was de moord aan zijne vrouw -en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad van willekeur of eene -onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt de grens tusschen -gezond van geest en krank van geest?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Daarover behoort de -geneeskundige te beslissen. Dergelijke gevallen, waarvan gij zoo even -gesproken hebt, waar het moeijelijk is te beoordeelen of een individu -gezond of ziek van geest is, kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De -gezonde echter—hieraan valt niet te twijfelen—heeft het -<span class="ex">volle bewustzijn</span> van de beweegredenen -zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk zijn. -Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den <span class= -"ex">zedelijken</span> wil des menschen als een noodzakelijk gevolg -van oorzaken voorstellen, die niet weder kunnen beschouwd worden als -zijn eigen wil, maar daarvan geheel onafhankelijk zijn!—<i>Ik</i> -geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke wil, als eene eigenschap -mijner ziel die mij door God werd geschonken, <span class= -"ex">slechts</span> van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u -wordt beweerd, van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke -willen is geene natuurwet, maar eene <span class="ex">taak</span>, een -<span class="ex">ideaal</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb370" -href="#pb370" name="pb370">370</a>]</span>naar welks verwezenlijking de -mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal -meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén -het gevolg zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet -integendeel het gevolg zijn van eene <span class="ex">innerlijke, -aan wetten gebondene regelmaat van het geestelijke leven -zelf</span>.</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Dat heet met andere -woorden: „de oorzaak van den wil ligt in de vatbaarheid van het -geestelijk leven om opgewekt te worden.”—Gij geeft daarmede -toch tevens te kennen dat er innerlijke <span class= -"ex">drijfveeren</span>, <span class="ex">oorzaken</span> van den -wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest bepaalde wil steeds -het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust, derhalve <span class= -"ex">afhankelijk van beweegredenen</span> is, d. i. van oorzaken -die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op -uw voor indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, -waarvan de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige -omstandigheden zich vereenigen, die <span class="ex">opwekkend</span> -zijn voor dezen indruk, zal hij zich als een gevolg dier vroegere -oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Het is moeijelijk om met -u te redetwisten. Maar gij zult toch toegeven dat de wil niet -<span class="ex">in dier voege</span> aan bepaalde beweegredenen is -gebonden, dat <span class="ex">niet ook andere</span> oorzaken invloed -daarop zouden kunnen uitoefenen?</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Gij lacht en gij -(<span class="sc">Nacht</span>) fronst het voorhoofd?—Zonderling; -waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische leven -juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten, -positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat, -maar slechts of de mensch als verschijnsel met <span class= -"ex">betrekking tot andere menschen</span> dezen vrijen wil heeft en -dit geloof ik volmondig toestemmend <span class="pagenum">[<a id= -"pb371" href="#pb371" name="pb371">371</a>]</span>te moeten -beantwoorden. Of de mensch eene daad <i>a</i> als zelfstandig vrij -wezen, dan of <i>b</i> eene onbekende magt <span class="ex">in -hem</span> de wilsuiting te weeg brengt, dit is den regter -onverschillig. Daarnaar behoeft hij niet te vragen, dewijl hij zich -noodzakelijker wijze in <span class="ex">hetzelfde</span> geval bevindt -als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het geval <i>a</i> of -in het geval <i>b</i>. De zederegter en wetgever grondt wel degelijk -zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van toerekenbaarheid -van het individu, niet op de mate waarin hij de mogelijkheid of -onmogelijkheid van het bestaan des <span class="ex">absoluut</span> -vrijen wils in aanmerking neemt, maar slechts in <span class="ex">zoo -verre</span> als hij, om te beloonen of te straffen, noodig heeft -<span class="ex">ten eerste</span> een persoon aan wien de wil als een -zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en <span class="ex">ten -tweede</span> het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld -wordt, als voorbedachte daad is gevolgd.—Het is waar, ook hier -loopen de grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen -en handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is -deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde -wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene -verbetering meer mogelijk is, maar dat <span class= -"ex">onschadelijk worde gemaakt</span>, hetgeen voor de zamenleving -verderfelijk zou kunnen worden.</p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> Toegegeven, broeder! -Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van ouds her werd het als eene deugd -der goede en verlichte vorsten beschouwd, dat zij de misdadigers genade -schonken en de doodstraf slechts in zeldzame gevallen lieten -voltrekken, wanneer de toestand der maatschappij dit vorderde of de -openbare meening dit offer scheen te verlangen.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Dit is eene stelling van -uw systeem welke ik zou kunnen beamen, namelijk in zoo verre het -wenschelijk is te achten dat de twijfel aan de mate van -toerekenbaarheid <span class="pagenum">[<a id="pb372" href="#pb372" -name="pb372">372</a>]</span>der misdadigers den wetgever tot eene -zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot -afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet -dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid en -de <span class="ex">afschrik verwekkende</span> straffen geheel en al -afgeschaft waren, de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden -toenemen?</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Veroorloof mij op -deze vraag te antwoorden. Ik vermeen mij overtuigd te mogen houden, dat -ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen ben toegedaan als broeder -<span class="sc">Avondrood</span> en <span class="sc">Dag</span>. -Vooreerst verzoek ik u uwe eigene ervaring te raadplegen en neem ik de -vrijheid u te herinneren aan de feiten uit de geschiedenis.—Dit -afschrikkingssysteem staat in dezelfde verhouding tot de voormalige -wetgevingen, als de hel en het vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik -loochen niet dat de afschuw van straf en schande bij vele, niet zeer -hartstogtelijke menschen eene beweegreden kan zijn, welke invloed op -hunnen wil uitoefent en hen terug houdt van het plegen van misdaden. -Uit dien hoofde acht ik het ook goed, dat onze wetboeken -strafbepalingen stellen op het booze d. i. op datgene wat in strijd is -met de eischen der maatschappij, wat <span class="ex">een derde</span> -schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de straffen in het -algemeen, maar alleen tegen het doel ter <span class= -"ex">afschrikking</span> hetwelk in <i>gruwzame en onmenschelijke</i> -straffen zou gelegen moeten zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft -de geschiedenis ten klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in -eene regtstreeksche verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger -tot het bedrijven er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets -doen. Zoo lang de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt -volstrekt niet aan gedacht.</p> -<p class="par">Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad -<span class="pagenum">[<a id="pb373" href="#pb373" name= -"pb373">373</a>]</span>hare galg en haar halsgerigt, waar gehangen, -gevild, Met gloeijende tangen geknepen, gevierendeeld, geradbraakt en -levend verbrand werd? En zijn wel ooit meer en vreesselijker misdaden -bedreven; hebben de papen,—deze geestelijke Bothriocephali der -menschheid—in eenig tijdperk der geschiedenis ooit erger gewoed -dan destijds, toen halsgerigten en galgen even talrijk waren als -kruizen en bidkapellen; toen het geloof aan hel en vagevuur als het -eerste en gewigtigste leerstuk werd beschouwd, dat wel is waar de -menschen niet afschrikte van het kwaad, maar niettemin een -voortreffelijk lokaas was om de kelders der kloosters met wijnvaten en -de buidels der bisschoppen met geld te vullen? Welke zedeloosheid -heerschte destijds in alle rangen der maatschappij, welke snoodheden -werden niet bedreven!—En zou juist het dagelijksche schouwspel -der barbaarsche straffen, het voorbeeld der beulsknechten die in -grooten getale op hunne schavotten werkzaam waren, niet hebben -medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen nog lager te doen -dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te maken met tooneelen -van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het plegen van nieuwe -misdaden voorbereid hebben?</p> -<p class="par">Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer -gevonden die aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar -wordt nog een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en -invloed hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op -den Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende -armoede kan bedaren,—dat slechts de vrees voor hel en duivel de -zucht tot oproer bedwingen en het „gepeupel”, de onwetende -volksmassa in toom houden kan,—maar desniettemin (ja, ik geloof -<span class="ex">juist om die reden</span>) zult gij vinden, dat het -aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder een gelijk aantal der -bevolking <span class="pagenum">[<a id="pb374" href="#pb374" name= -"pb374">374</a>]</span>in gelijke mate heeft afgenomen, als de -beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn innigste -overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan nog veel -sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst de -tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer eerst -der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft en men -zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te jagen met -hel en vagevuur, met <i>menschenliefde</i> <span class="ex">te -verheugen</span>.</p> -<p class="par">Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen -slechts een schijnbaar geloof, een geloof dat <span class= -"ex">niet</span> gelooft hetgeen zij vermeent te gelooven; het is niets -anders dan een <span class="ex">besluiteloos, flaauw -ongeloof</span>,—hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften -vervoeren, van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener -hel is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en -wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in -spijt van de hel met al hare duivelen!—Ja, de ervaring heeft -geleerd, dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te -hechten aan de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal -gingen, in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste -misdaden hebben bedreven.</p> -<p class="par">De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het -kwade, heeft haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en -spruit voort uit de overtuiging dat hij, het individu, op den duur -<i>zelf</i> niet gelukkig kan zijn, indien hij er niet naar streeft om -zijne medemenschen in wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te -maken. Deze waarheid is zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs -openbaart onder een handvol wilden, zoodra deze hun zwervend leven -verlaten, zich onderling naauwer aanéénsluiten en eene -kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine maatschappelijke -vereeniging <span class="pagenum">[<a id="pb375" href="#pb375" name= -"pb375">375</a>]</span>van menschen die in een gehucht van 6 à -10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven -bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze -moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken -op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet, -menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden -hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Dat is volkomen waar! -Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer dan eenen wilden volkstam in den -Indischen archipel waargenomen. Wel schijnt de ware menschenliefde den -Christenen zoo vreemd te zijn,—wel schijnen zij haar zoo verre -van hunne natuur verwijderd te achten, dat zij den Hebreër die -voor 18½ eeuw het aankweeken van menschenliefde aanbeval en -niets meer en niets minder dan <span class="ex">menschenliefde</span> -aanbeval, die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden -onder zich doen en jegens elkander in acht nemen,—dat zij dezen -man als een onbereikbaar ideaal vergoden.</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> Lieve broeders! Ik -herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit het leven dier zoogenaamde -wilden en geloof, dat gij ten opzigte van <i>dit</i> punt de zaak bij -het regte einde hebt. Het smart mij te moeten bekennen dat de -vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan door de wijze waarop -onze bigotte oom R....<a class="noteref" id="xd21e8311src" href= -"#xd21e8311" name="xd21e8311src">11</a> mij heeft opgevoed, -niettegenstaande <span class="pagenum">[<a id="pb376" href="#pb376" -name="pb376">376</a>]</span>zij in strijd zijn met alle regelen van het -gezond verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste -weder trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig -geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld heeft -gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn het die op -het karakter den stempel drukken en den man in rijpen leeftijd maken -tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne geboorte -medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker ketel met -goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan dezen aanleg -de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen, en de lotgevallen -zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle menschenvrienden -hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden op de -opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!—Wat ben ik niet in -gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste jeugd als -heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden en de arme -Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde Christendom -onderrigt te geven!</p> -<p class="par">U, broeder <span class="sc">Dag</span>, zeg ik dank dat -gij mij voor dergelijke zonde heb bewaard die ik zonder opzet, ja, met -de beste bedoeling zou begaan hebben, toen mijn verstand nog beneveld -was door het tot eene gewoonte gewordene, aangeleerde, diep -ingewortelde en ingeprente drie-eenheids dogma.—Nu echter rust -ook op u de verpligting, de leerstellingen van onzen oudsten broeder te -wederleggen, die mij in een afgrond dreigen te storten van waar ik geen -uitweg kan vinden.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ik wil u gaarne mijne -gevoelens daaromtrent mededeelen en ik hoop, dat ik eenige van de -tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen, die welligt slechts daarom -onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge tegenspraak te staan, dewijl -<span class="pagenum">[<a id="pb377" href="#pb377" name= -"pb377">377</a>]</span>de veronderstelling niet juist was, waarop de -gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit <span class= -"sc">Avondrood</span>, naar een consequent beginsel, steeds talrijkere -stellingen afleide.—Maar broeder <span class= -"sc">Morgenrood</span> heeft immers beweerd, den „eenigen” -weg te kennen die <span class="ex">rondom</span> gindschen afgrond -<span class="ex">heen</span> leidt en ons in de harmonische streek -brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij -hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent -mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in welke -stukken hij met <span class="sc">Avondrood</span> verschilt of met ons -overeenstemt, ten einde wij later het bijéénbehoorende -ook beter in zijn verband kunnen behandelen?</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Zeer gaarne, waarde -broeders!—Gelijk met alle godsdiensten het geval is welke het -<span class="ex">bestaan</span> der wereld evenmin kunnen verklaren, -als zij het <span class="ex">ontstaan</span> (of het worden) er van -kunnen begrijpen, zoo ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die -ik u zal voorlezen, dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd -heb, op het papier heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne -beschouwingen ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien -dat ik in de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer -in het wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder -overeenkomt, met uitzondering van <span class="ex">een enkel</span> -punt.</p> -<p class="par">De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij -droegen ons avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en -ofschoon het reeds een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef -de hemel nog steeds met wolken bedekt, waardoor de overgang van het -schemerlicht dat nog in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis -werd bespoedigd. De lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de -keerkringen op elkander volgen. Binnen weinige oogenblikken waren -<span class="pagenum">[<a id="pb378" href="#pb378" name= -"pb378">378</a>]</span>de lampen aangestoken; spoedig hadden wij onzen -eetlust bevredigd en waren de bedienden met de overblijfselen van het -maal weder verdwenen,—toen broeder <span class= -"sc">Morgenrood</span> zich gereed maakte om aan zijne belofte te -voldoen. <span class="pagenum">[<a id="pb379" href="#pb379" name= -"pb379">379</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e6520" href="#xd21e6520src" name="xd21e6520">1</a></span> Zie de -analyse van het dierlijk ei aan het slot van dit stuk.—Drie en -twintig der zoogenaamde elementen, wier gezamenlijk aantal thans 62 -bedraagt, komen zeer zelden voor en zijn gedeeltelijk slechts -onvolkomen bekend. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e6520src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e6686" href="#xd21e6686src" name="xd21e6686">2</a></span> Men -vergelijke A. von Humboldt’s Ansichten der Natur (derde uitgave, -1849) II. bladz. 312. „De moeijelijkheid welke er in gelegen is, -om de levensverschijnselen van het organismus op eene bevredigende -wijze terug te brengen tot natuur- en scheikundige wetten, moet -grootendeels worden toegeschreven aan de <span class= -"ex">zaâmgesteldheid</span> der verschijnselen, aan de -<span class="ex">veelvoudige</span> te gelijker tijd werkzame krachten -en aan de omstandigheden, welke invloed op hare werkzaamheid -uitoefenen, even als zulks ten opzigte van de voorspelling van -meteorologische veranderingen in den dampkring het geval -is.” <a class="fnarrow" href="#xd21e6686src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e6698" href="#xd21e6698src" name="xd21e6698">3</a></span> Sur -l’homme et le développement de ses facultés, ou -essai de physique sociale. 2 vol., wijders: Du système social et -des lois qui le régissent, Paris 1848. <a class="fnarrow" -href="#xd21e6698src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e6924" href="#xd21e6924src" name="xd21e6924">4</a></span> Die -waarschijnlijk afstamt van de wilde geit, Capra -Aegagrus. <a class="fnarrow" href="#xd21e6924src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e7320" href="#xd21e7320src" name="xd21e7320">5</a></span> Deze -atomen, al waren zij binnen bepaalde grenzen besloten en niet oneindig -klein, zouden wij echter nimmer, zelfs niet met de sterkste microscopen -kunnen waarnemen, dewijl het medium waardoor wij heenzien, de lucht, de -glaslensen, ja de deelen van ons eigene oogen insgelijks uit atomen, -uit stof bestaan. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e7320src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e7334" href="#xd21e7334src" name="xd21e7334">6</a></span> Deze -zamengestelde atomen noemt men thans, ten einde eene achterdeur open te -houden, <span class="ex">molekulen</span>. <a class="fnarrow" -href="#xd21e7334src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e7774" href="#xd21e7774src" name="xd21e7774">7</a></span> -Scheikundig zamenstel of, bij gelijke menging, doch verschillende -ligging der atomen en verschillende vatbaarheid tot breking van het -gepolariseerde licht. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e7774src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e7850" href="#xd21e7850src" name="xd21e7850">8</a></span> Het -volgende voorbeeld zal hiervan nog een sprekender bewijs opleveren. -Wanneer twee personen uit <span class="ex">een</span> glas drinken, -waarin zich een oplossing van amygdaline bevindt, zijnde een -kristalliseerbaar, volkomen <span class="ex">onschadelijk</span> -ligchaam dat in bittere amandelen wordt gevonden, en de een -onmiddellijk daarna een glas orgeade drinkt, de andere echter niet, dan -zal de laatste gezond blijven, terwijl zich bij den eerstgenoemde -verschijnselen van hevige <span class="corr" id="xd21e7860" title= -"Bron: vegiftiging">vergiftiging</span> zullen openbaren. Zoodra -namelijk amygdaline in aanraking komt met zoete amandelen en water -(amandelmelk), wordt door eene bloote omzetting der bestanddeelen -(behalve suiker, bitteramandelolie en mierenzuur) <span class= -"ex">blaauwzuur</span> gevormd. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e7850src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e7879" href="#xd21e7879src" name="xd21e7879">9</a></span> -Alcoholradicalen zijn koolwaterstoffen (4 kool- en 5 waterstof), welke -in verbinding met 1 atoom zuurstof en 1 atoom water ligchamen vormen, -waartoe onder anderen de algemeen bekende wijnalcohol -behoort. <a class="fnarrow" href="#xd21e7879src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e7918" href="#xd21e7918src" name="xd21e7918">10</a></span> Tot zoo -ver gaat het handschrift van mijn oudsten broeder, dat hij mij ten -gebruike heeft afgestaan, nadat hij (zijne voordragt geëindigd -hebbende) er hier en daar meer volledigheid aan gegeven en het -verbeterd had. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e7918src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e8311" href="#xd21e8311src" name="xd21e8311">11</a></span> Mijn -broeder <span class="sc">Nacht</span> was oorspronkelijk tot den -zoogenaamden geestelijken stand bestemd, doch beoefende naderhand de -landhuishoudkunde en houtvesterij. Wij de overige drie broeders leiden -ons reeds vroegtijdig toe op de natuurwetenschappen; de oudste van ons, -<span class="sc">Avondrood</span>, had eene bijzondere voorliefde voor -de studie der zoölogie en physiologie, <span class= -"sc">Morgenrood</span> voor de chemie en physica, terwijl ik (de -jongste) mij voornamelijk bezig hield met de beoefening der botanie en -geologie. Het resultaat van nog niet doorgronde wetten, hetwelk wij -„noodlot” noemen, vereenigde ons later, gelijk de lezer -reeds vroeger heeft gezien, alle vier op Java. <a class="fnarrow" -href="#xd21e8311src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="morgenrood" class="div1 preface"><span class= -"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">Geloofsbekentenis van broeder Morgenrood.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Mythe.</i> In den beginne was een almagtig -geest of <span class="ex">God</span>, wiens wezen slechts bestond uit -tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel alleen was, zich zeer -verveelde. Hij schiep zich derhalve eene tegenstelling, deelde zich in -twee gelijke deelen en stiet de eene helft van zich af, waaruit een -tweede, even almagtige geest ontstond die zich <span class= -"ex">duivel</span> noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde) -tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene <span class="corr" id= -"xd21e8387" title="Bron: dubbee">dubbele</span> ster, in een kring -rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op die wijze -gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel verzuimde niet -geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest God scherpte -aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste middel tot -tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend wordt, -begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te vervelen; -hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest, dat hij een -onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen hem verhief, -niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts aan zijne goedheid -verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst voor drie millioen jaren -uit de tweede helft van zijn eigen ik had gemaakt. Hierop <span class= -"pagenum">[<a id="pb380" href="#pb380" name="pb380">380</a>]</span>gaf -de duivel hem met spottend gelach ten antwoord, dat God <span class= -"ex">hem</span> dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf, -hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en dat -<span class="ex">hij</span> daarentegen van den aanvang af, ja nog -veel vroeger dan God had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank -hoegenaamd schuldig te zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den -eerstgeboren geest; maar hij kon den duivel niet meer verbannen, die -reeds van den oogenblik der verdeeling af, even almagtig was geworden -als hij en nu met zijnen toorn spottede.—Op die wijze waren de -beide oorspronkelijke geesten met elkander in twist geraakt; zij konden -zich echter niet van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van -verwantschap hen bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt -dwong.</p> -<p class="par">Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en -omdraaijen moede en beide, God en de duivel besloten<a id="xd21e8401" -name="xd21e8401"></a> <span class="ex">op leven en dood</span> met -elkander te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig -aantal oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander -vastomstrengelend, zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen. -Zij kwamen verder overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist -een millioen oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten, -welke in aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden -uiten en door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide -eigenschappen zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd -vastgesteld op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze -eigenschappen, verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen -beiden en regelden de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden -worden.</p> -<p class="par">Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden -oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb381" href="#pb381" name= -"pb381">381</a>]</span>af hielden God en duivel op te bestaan,—er -ontstond eene oneindige menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en -de wereld in nevelvorm, atomenvorm was ontstaan.</p> -<p class="par">Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen -(in elk waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met -elkander gestreden; zonnen, planeten en manen zijn -ontstaan,—eenige van gindsche eigenschappen (die wij menschen -zwaartekracht, licht, electriciteit en dergelijken noemen) hebben -betrekkelijkerwijze gesproken eene groote heerschappij verkregen; -andere (zoo als b. v. die welke kalium, natrium heeten) zijn op het -punt geweest om verwonnen te worden; eene menigte atomen hebben zich op -de planeet aarde tot planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren, -in den mensch, is de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest, -de zielskracht, reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden, -dan in de anderen,—maar nog steeds is het twijfelachtig, -<span class="ex">wie</span> van de beide geesten, God of de duivel, op -deze planeet de zege zal behalen.</p> -<p class="par">Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich -scheiden, zich op nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen -worden herschapen, totdat de eigenschappen van een der <span class= -"corr" id="xd21e8417" title= -"Bron: oorsprokelijke">oorspronkelijke</span> geesten (die er in -verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt de -eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan moeten -uit den vorm des menschen op deze aarde <span class="ex">meer -volkomen</span> vormen ontstaan, begaafd met <span class="ex">meer -volkomene</span> eigenschappen,—deze moeten steeds meer veredeld -worden, de zielskrachten moeten steeds helderder, uitgebreider, meer -omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk de duivel verwonnen en -de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke hoedanigheid weder te -voorschijn gekomen,—totdat de <span class="pagenum">[<a id= -"pb382" href="#pb382" name="pb382">382</a>]</span>mensch God is -geworden.—Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even -magtig uit den strijd terugkeeren?—Of zoude de duivel -verwinnen?</p> -<p class="par">Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording -Gods. Thans is hij nog <span class="ex">verborgen</span> in de natuur -en de magt der tegenstelling is groot. Maar hij <span class= -"ex">ontwikkelt</span> zich en de duur van het <span class= -"ex">ontwikkelingstijdperk</span> der schepping omvat vele -millioenen maal millioenen van jaren.</p> -<p class="par"><i>Einde der mythe.</i></p> -<p class="par">Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of -niet weten kan, dat geloof ik niet.—De grondstelling waarnaar ik -mij bij al mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn -grond, elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet -zich onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne -gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen -veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren -en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne -taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat -zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen, maar -door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te -rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak.</p> -<p class="par">Even als bloote veronderstellingen schadelijk en -verderfelijk zijn voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het -menschelijke geslacht alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van -God. Zij doen vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel -niet, of eerst later een duidelijk begrip der zaken wordt -verkregen.</p> -<p class="par">In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene -stof, gelijk reeds vroeger broeder <span class="sc">Avondrood</span> -uitvoerig heeft aangetoond, dewijl alles wat wij stof noemen, slechts -eene vereeniging <span class="pagenum">[<a id="pb383" href="#pb383" -name="pb383">383</a>]</span>is van een grooter of kleiner getal -zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk laten herleiden tot -bewegingsverschijnselen (krachten). <span class="ex">Niets</span> rust -in het heelal.—In een <span class="ex">betrekkelijken</span> -zin beschouwd bestaat echter voor ons alles wat aanwezig is, uit stof -en bestaat er <span class="ex">niets</span> dan stof en aan stof -gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele uitzondering -voorkomt. Kracht toch is <span class="ex">bewogene</span> stof. Onze -gedachten zijn stof in beweging.</p> -<p class="par">Hetgeen gij, broeder <span class="sc">Dag</span> en -<span class="sc">Nacht</span> God noemt, is gelijk Avondrood reeds -bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal -menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende, -<span class="ex">aan de natuur onderschuift</span> en welke gij, dewijl -de natuur oneindig is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen, -weshalve het woordje <span class="ex">Al</span>.... er voor wordt -geplaatst. Deze God bestaat <span class="ex">uitsluitend</span> in uwe -verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als het gevolg -mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de waarheid hiervan -kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel -dienen?—Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde -moet dan nog een God strekken?—Ik ken geen anderen God dan de -<span class="ex">natuur</span> en de natuurn<span class= -"ex">oodzakelijkheid</span>, dewijl alle verschijnselen die zich in -haar aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats -grijpen.</p> -<p class="par">Zoo als deze natuur, deze wereld <span class= -"ex">thans</span> is, bestaat het leven slechts door middel van -tegenstellingen. De <span class="ex">tegenstelling</span> alleen maakt -dat de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts -denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.—Denkt -hierover na en stemt toe, dat geene deugd <span class= -"ex">mogelijk</span> is zonder ondeugd, dat de deugd voor u geheel -ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van het kwade welke gij bezit. -Het genot, het <span class="pagenum">[<a id="pb384" href="#pb384" name= -"pb384">384</a>]</span>gevoel van behagelijkheid is zonder smart en -lijden even onmogelijk, als dat het licht kan bestaan zonder schaduw, -dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood.</p> -<p class="par">Broeder <span class="sc">Avondrood</span>, die toch den -wil des menschen zeer juist heeft verklaard als te bestaan in beweging -van stof, maakt zich echter aan eene groote inconsequentie schuldig, -terwijl hij het verschijnsel van het zelfbewustzijn tracht op te -helderen en schrijft zonderbaar genoeg! <span class="ex">aan de gansche -natuur</span> zelfbewustheid toe, als of het eene onverklaarbare -(gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog veel -onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.—Laat ons toch zulke -onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn oog een -wonder, dan vergenoeg ik mij met dit <span class="ex">eene</span> -wonder en neem ter verklaring er van niet een tweede, derde en vierde -wonder, d. i. geene niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld -aan.—De stof is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij -vormt, met hare eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke, -van eeuwigheid er aan verbondene wetten.</p> -<p class="par">De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor -indrukken vatbare gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met -jodium behandelde zilveren plaat, een indruk, een <span class= -"ex">hersenbeeld</span> te weeg. De som of het product der -hersenbeelden is ons <span class="ex">bewustzijn</span>, hetwelk -steeds des te meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen -waarmede wij in wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur, -een hoogeren graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer, -deze oefening langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden, -waarin wij als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als -voorwerp aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding -de som zijner eigenschappen is, zoo is de denkende <span class= -"pagenum">[<a id="pb385" href="#pb385" name= -"pb385">385</a>]</span>mensch de <span class="ex">som zijner -zinnen</span>, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen -staan.</p> -<p class="par">Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door -middel van <span class="ex">stoffelijke beweging</span> die, -verbonden met electrische stroomen in de zenuwen, in de hersenen -gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe menigvuldiger nu deze stoffelijke -bewegingen zich herhalen, b. v. hoe menigvuldiger de klank op ons oor, -het licht op ons oog werkt, des te helderder kennis verkrijgen wij, des -te levendiger wordt het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het -<span class="ex">kind</span>, gedurende de eerste maanden zijns levens -zeer weinig en bij de lagere diersoorten, zoomede bij het embryo nog -volstrekt niet of slechts ter naauwernood is ontwaakt. Er zijn gezonde -zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen noodig, om eene -gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen) als een helder -bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch ooren hebben) bezitten -een minder volkomen bewustzijn dan meikevers of -spreeuwen,—doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis -waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan -menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30 -jaren lang te oefenen.—Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap -der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate -waarin zij het bezitten.—Hetgeen men verstand, oordeel, rede -noemt, zijn geene <span class="ex">op zich zelven staande</span>, -enkelvoudige krachten of vermogens, waarvan men de zoogenaamde -geestesverrigtingen als bloote uitingen of gevolgen zoude kunnen -afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid beschouwde vermogens zijn -zelve niet anders dan het resultaat eener lange rij van schakels in -eene keten, tot welker kennis de physiologen nog ter naauwernood den -weg hebben gebaand. <span class="pagenum">[<a id="pb386" href="#pb386" -name="pb386">386</a>]</span></p> -<p class="par">Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij -van den weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens -der gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige -feiten, overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat -God zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere -laat hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent -gij, met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw -God de voorwetenschap bezit welke den <span class="ex">mensch</span> -toch in zekere mate wel degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij -hem de kennis toe van de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het -uitvallen van een haar, en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet -voor alle eeuwigheid vooraf bepalen!—Zijn dat geene -ongerijmdheden?</p> -<p class="par">Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich -beweegt, dan zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde -het leven te behouden, gedwongen zijn <span class="ex">andere, met -gevoel begaafde wezens die zich in hun aanzijn verheugen, van het -leven te berooven, te vermoorden</span> en te eten. Dit beschouw ik als -een bewijs dat het zonnestelsel, of althans de planeet die wij bewonen, -eene der onvolkomensten, een der minst ontwikkelden in het heelal is. -Er moeten hooger ontwikkelden worden gevonden, waar alle levende, met -<span class="ex">eigen gevoel begaafde</span> wezens vreedzaam met -elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts de -hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan het -bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die -hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt, -voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen, uit -de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en lucht te -leeren bereiden. <span class="pagenum">[<a id="pb387" href="#pb387" -name="pb387">387</a>]</span></p> -<p class="par">Het doel des levens en van ’s menschen aanwezen -kan toch geen ander zijn dan dit: <span class="ex">steeds grondiger, -meer omvattende kennis te verkrijgen van de natuurwetten</span>, -opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen, opdat wij ze aan ons -dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds onafhankelijker er van -worden, opdat de storm ons schip niet meer kan verbrijzelen, de koude -ons niet meer hinderen, de honger ons niet kwellen, de bliksem ons huis -niet meer in brand kan steken, opdat wij de teugels der -natuurwetten—de draden welke oorzaak aan gevolg -verbinden—in <span class="ex">onze eigene handen</span> nemen, -ja, opdat wij eindelijk buiten den tooverkring der -natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot <span class= -"ex">vrijheid</span>, tot absolute vrijheid van wil verheffen!</p> -<p class="par">Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet -als kluizenaars, maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden -leven, dewijl slechts de vereeniging van <span class="ex">vele</span> -menschen aan de vereischten van een volkomen en gelukkig aanzijn -beantwoordt;—eene tweede natuurwet bevat den inhoud onzer -zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van zoo vele menschen -levende, <i>zelf</i> niet gelukkig zijn, niet vrolijk, niet tevreden -blijven, indien gij er niet naar streeft <span class= -"ex">insgelijks de anderen</span> gelukkig te maken. <span class= -"ex">Hebt</span> derhalve uwe naasten <span class="ex">lief</span> en -<span class="ex">betracht</span> de leer, die reeds door genen -voortreffelijken Hebreër van Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij -wilt dat anderen u doen, doe hen desgelijks; wijs den verdwaalden den -regten weg, onderrigt de onwetenden en bedrogenen, schendt de regten -van uwe broederen niet en <span class="ex">help</span> hen, indien zij -in nood zijn.</p> -<p class="par">Mijn God zijn wij zelven: de <span class= -"ex">mensch</span>. Mijn godsdienst is de <span class= -"ex">anthropologie</span>. Mijne voorzienigheid is het verstand, de -wil, de liefde, welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij -niet om de vraag naar <span class="ex">absolute</span> vrijheid of -<span class="pagenum">[<a id="pb388" href="#pb388" name= -"pb388">388</a>]</span>niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn van -louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er <span class= -"ex">niets</span> in de natuur dat vrij is, dewijl het eene van het -andere afhangt en alles gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher, -voor den tijd. Ik ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde -bewust ben van de natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der -betrekkingen waarin ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken -kan, der grenzen en der uitgestrektheid van mijn werkkring.—Mijn -lot ligt in <span class="ex">mijne</span> hand, dat ik met te meer -vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt heb in de wetten -der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom als geslacht -beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen voor -indrukken bepalen.—Mijn geluk is mijne keuze.—Mijn geloof -is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door <span class= -"ex">eigene, haar ingeschapene</span> kracht. Moge deze wilskracht door -beweegredenen bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze -natuurwetten zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling -begunstigen, ik kan deze wetten toch <span class="ex">leeren kennen, -beheerschen</span>, aan mij dienstbaar maken, mij er boven verheffen, -en in <span class="ex">dat</span> opzigt is de kring waarin mijne -vrijheid zich beweegt, groot—oneindig groot,—in -<span class="ex">dat</span> opzigt is mijn wil vrij! en in het volste -bewustzijn dezer vrijheid maak ik er van gebruik.</p> -<p class="par"><span class="ex">Dit</span> is het doel des levens: het -goede moet zich uit de natuur <span class="ex">ontwikkelen</span>, zich -verzoenen met zijne tegenstelling;—de mensch moet de natuurwetten -leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen en zich veredelen -tot—<span class="ex">God</span> op aarde! <span class= -"pagenum">[<a id="pb389" href="#pb389" name="pb389">389</a>]</span></p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par"><span class="sp">AVONDROOD.</span> (In vervoering -geraakt, springt van zijn zetel op.) Kom in mijne armen, beste broeder! -Dit denkbeeld is grootsch, schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware. -Gij hebt de waarheid gevonden. Heerlijk, heerlijk!—Derhalve: er -is een dag, een algemeene dag, een eenige dag vooraf -gegaan;—daarop volgde een nacht;—maar thans is God -<span class="ex">herschapen</span> in de natuur, hij bestaat niet, maar -ontwikkelt zich weder uit deze natuur?—Heb ik u goed -begrepen?—Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde -over, ik word Morgenrood.—De <span class="ex">mensch</span> is -derhalve uw God, in wien het goede met het kwade strijd -voert?—Ja, daarin is het ware der zaak gelegen; daar verrijst in -duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne oogen, de -tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de -voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden -te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij <span class= -"ex">zelven</span>: het booze moeten wij bestrijden en algemeene liefde -voor al onze naasten voeden,—<span class="ex">God</span> moeten -wij worden!—Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons; het -noodlot, de gansche wereld ligt in onze <span class="ex">eigene -handen</span>!—Dank, broeder, dank zij u! voor dit gelukkige -denkbeeld; dit geeft moed, dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare, -voorwaarts strevende hoop!—Nogmaals, beste broeder, breng ik u -mijn innigsten dank voor de mededeeling van uw voortreffelijk -denkbeeld. <span class="ex">Menschen</span> willen wij zijn en de drie -absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht te -ontwikkelen, <span class="ex">verstand</span>, <span class= -"ex">wil</span>, <span class="ex">liefde</span>!—deze willen wij -vereeren en aankweeken.—En wat zeggen nu broeder <span class= -"sc">Dag</span> en broeder <span class="sc">Nacht</span> hierop?</p> -<p class="par"><span class="sp">NACHT.</span> (In diep nadenken -verzonken, langzaam.) Les extrêmes se touchent.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> (De ongehuichelde -verrukking van <span class="sc">Avondrood</span> die, <span class= -"pagenum">[<a id="pb390" href="#pb390" name="pb390">390</a>]</span>het -laatste overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich -des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen storten -en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester te worden.) -Mijn beste broeder <span class="sc">Morgenrood</span> en <span class= -"sc">Avondrood</span>! Is het niet vreemd, dat in u—atheisten -gelijk men u noemen zal, dewijl gij aan geen God gelooft—dat deze -God, deze wonderbaarlijke, redelijke geest in de natuur juist in u, die -aan zijn bestaan niet <span class="ex">gelooft</span>, op het -heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een deel -zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort de -geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,—toch -insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, <i>in</i> de -natuur.—Hoe kunt gij weten, welke schepselen op <span class= -"corr" id="xd21e8701" title="Bron: verwijderderde">verwijderde</span> -hemelligchamen leven, op zonnen en planeten die, even als haar omvang -grooter is, insgelijks veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en -of in die schepselen die geest zich niet nog treffender, meer volkomen -openbaart? En deze menschengeest in wien het gansche heelal zich -afspiegelt, zou dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze -<span class="ex">niets</span> ontstaan? Het is waar, gij zegt, dat men -het eene onverklaarbare niet door eene tweede dat nog onverklaarbaarder -is, den geest des menschen niet door God, het individuële -bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet trachten te -verklaren;—maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle schijnbare -consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt zeer te regt -dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene nieuwe kracht, -geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is, als van -eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert gij dat er -geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke bewustzijn, -deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden vormen en -ontwikkelen <span class="pagenum">[<a id="pb391" href="#pb391" name= -"pb391">391</a>]</span>in elken opgroeijenden mensch.—Gij tracht, -wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door alle -geestverschijnselen die men van oudsher aan <span class="ex">eene -ziel</span> heeft toegeschreven, uit een zuiver materiëel oogpunt -te verklaren en tot stoffelijke bewegingen terug te voeren.</p> -<p class="par">Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke -werkzaamheid des geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen, -wat betreft de wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof -bestaan of zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand -komen,—wat bewijst dit ten slotte anders dan dat de geest, het -denkbeeld, <i>door</i> <span class="ex">middel van de stof</span> tot -werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich zinnelijk te -uiten?—De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig, absoluut -aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch!</p> -<p class="par">Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de -menschelijke wil een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van -oorzaken is, dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden -moeten bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke -ons leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten, -veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben, dewijl -zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individuën en als -geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar daarentegen -aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling tot iets -schooners, meer volkomens openbaart.</p> -<p class="par">In <span class="ex">dien</span> zin, waarin broeder -<span class="sc">Morgenrood</span> den vrijen wil aan het slot zijner -geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder <span class= -"sc">Avondrood</span>, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze -hebt te kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de -hand. Met deze beschouwing nopens de <span class="ex">vrijheid van -den menschelijken wil</span>, kan ik mij <span class= -"pagenum">[<a id="pb392" href="#pb392" name="pb392">392</a>]</span>ten -volle vereenigen.—Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens -duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een -levenden <span class="ex">God in de natuur</span>, aan een eeuwig, -redelijk bewustzijn des heelals, in voege als zulks door mij vroeger in -mijn evangelie der natuurlijke godsdienst en zedeleer is -ontwikkeld.—Openbaart hij zich dan niet overal rondom ons, in -ons, door ons? Heeft broeder <span class="sc">Avondrood</span> niet een -al te grooten sprong gemaakt, toen hij—na alvorens het -niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat -wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal <span class= -"ex">eigenschappen</span> is,—eerst God, den <span class= -"ex">geest in alles</span> zag en eensklaps overging tot het -geloofstelsel van broeder <span class="sc">Morgenrood</span>, die het -bestaan van den geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl -<span class="ex">alles stoffelijk</span> verklaard, d. i. tot -bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt -worden?—Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof -gevormde menschen die niet meer en niet minder dan <span class= -"ex">vijf</span> punten van aanraking met het heelal hebben, als -het ware poorten, ingangen waardoor wij <span class="ex">eenig</span> -en <span class="ex">alleen</span> in staat zijn, kennis te verkrijgen -van de verschijnselen die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet, -dat voor ons geen ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat, -hetwelk door middel der <span class="ex">stof</span> geschiedt, terwijl -wij hooren, zien, ruiken, smaken, gevoelen?—Wij toch zouden -niets, volstrekt niets van de ziel in de natuur, van de geest kunnen -bespeuren, indien deze zich niet in en door stofbeweging te verstaan -gaf, juist dewijl <span class="ex">alleen</span> stofbeweging in staat -is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze reuk-, -smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen, -waarmede andere dan <span class="ex">stoffelijke</span> bewegingen -of verschijnselen zouden kunnen waargenomen <span class="corr" id= -"xd21e8777" title="Bron: wordeu">worden</span>, ons geheel en al -ontbreken. <span class="pagenum">[<a id="pb393" href="#pb393" name= -"pb393">393</a>]</span></p> -<p class="par">Broeder <span class="sc">Avondrood</span> noemt den -mensch eene „gedachte Godes” en verklaart de -individuële <span class="ex">onsterfelijkheid der ziel</span> -op deze wijze, dat wij in de „herinnering” Gods voortleven. -De onmogelijkheid echter, om zich dit algemeene, redelijke bewustzijn -der natuur voor te stellen als onbekend met de natuurwetten welke -„het zelf is” of „waardoor het zich openbaart,” -derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke gevolgtrekking uit -het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen bekendheid met de -natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle toekomstige -gebeurtenissen toe te schrijven,—dit voerde hem op den -glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie en -moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd, dat -hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder -<span class="sc">Morgenrood</span> heeft geworpen, toen deze om de -klippen van het eeuwig noodlot te ontwijken waarop troost noch raad -gevonden wordt, God loochende en het bewustzijn aan de natuur -ontzei.</p> -<p class="par">Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een -<span class="ex">tweesprong</span>. Hier verdeelt de weg zich in -verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit te vorschen, welke de regte -weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer aanwezig die ons de ware -rigting zou kunnen aanduiden.—Aan te nemen dat de natuur -<span class="corr" id="xd21e8797" title= -"Bron: bewustteloos">bewusteloos</span> is, dat geen God bestaat, dat -kan ik niet, dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit -eene aan zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de -mensch te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp -zijner beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met -bewustzijn denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid -zijner eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het -niettemin zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al -afhankelijk, waaraan <span class="pagenum">[<a id="pb394" href="#pb394" -name="pb394">394</a>]</span>het door middel van duizende ketenen -verbonden is.—God van de natuur te scheiden en hem daaraan -persoonlijk—als een tweede ik—tegenover te stellen, dit kan -ik evenmin, dewijl ik daardoor (gelijk <span class= -"sc">Avondrood</span> reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone, -heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot een -levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, <span class= -"ex">mijn</span> God is de levende, alles bezielende, redelijke -geest <i>in</i> de natuur.—Maar te gelooven, dat deze wereldgeest -alles wat geschieden moet, op alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt, -dit valt mij niet minder moeijelijk.— —Ik verzink daarover -in steeds dieper gepeins, maar in plaats van den grond te peilen, hoor -ik slechts gene waarschuwende stem, welke mij de beteekenisvolle -woorden toeroept: „Er zijn nog vele dingen tusschen hemel en -aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich zelfs geen denkbeeld kan -vormen.”</p> -<p class="par">Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te -worden den overgang van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen, -alwaar de <span class="ex">uitersten elkander aanraken</span>, waar -licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden wekkende zone der -schemering ligt,—waarlijk gij hebt al uwe krachten ingespannen om -de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen van den nacht -te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig en verheven -is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, <span class= -"ex">weg</span> te redeneren en te loochenen. -„Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat regeert; het is alles -stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip van hetgeen wij -verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije wil, enz., zijn -bewegingen van stof.” Zoo spreekt gij.—Maar, waarde -broeders, één ding hebt gij vergeten, dat gij -<span class="ex">niet</span> kunt weg redeneren en dat <span class= -"ex">geen</span> stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen; -niet waar? Maar wat is dan <span class="pagenum">[<a id="pb395" href= -"#pb395" name="pb395">395</a>]</span><span class= -"sc">TIJD</span>?—Bestaat hij uit stof?—Bezit hij -eigenschappen?—Ik ken er geene.</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> O, gij dweeper -<span class="sc">Dag</span>, welke hersenschimmen koestert -gij!—De tijd is een <span class="ex">maat</span>, een maat voor -den duur der dingen, voor hetgeen <span class="ex">na</span> elkander -plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen) is hij -niets.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Een maat?—De afstand -tusschen twee <span class="ex">nevens</span> elkander voorkomende -dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op -zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?—De afstand van -twee <span class="ex">na</span> elkander voorkomende dingen is een maat -met betrekking tot den tijd, maar is om die reden de tijd, op zich -zelf, een maat of, gelijk gij zegt, eigenlijk niets?—En aan welke -na elkander voorkomende dingen of verschijnselen ontleent gij dan deze -maat? Ontleent gij haar aan de wenteling der aarde om hare as, der maan -om de aarde, der aarde om de zon,—of van Mercurius om de zon, of -van Neptunus om de zon, of van de zon om eene onbekende centraalzon? -Hebben niet de aarde, de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk -dezer hemelligchamen eene andere maat? <span class="ex">Waar</span> -moet nu echter de ware,—de <span class="ex">normaal</span>maat -met betrekking tot den tijd worden gezocht?</p> -<p class="par">De tijd heeft geene eigenschappen, is <span class= -"ex">geheel en al</span> onligchamelijk en toch <span class= -"ex">is</span> hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs, -dat zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste -gedachte zonder hem niet denkbaar is.—Ons voorstellingsvermogen -is bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het -eigenlijke wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene -eigenschappen aan kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen -raadselachtig toe. Sta mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend -aan de snelheid van de beweging des lichts, om aan te toonen dat -<span class="pagenum">[<a id="pb396" href="#pb396" name= -"pb396">396</a>]</span>de tijd zich als het ware in de ruimte oplossen -of <span class="ex">terug gaan</span> kan in de ruimte.</p> -<p class="par">Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van -<span class="measure" title= -"300.594 km (moderne waarde: 299.792,458 km)">42000 geographische -mijlen</span> doorloopt. De zon is <span class="measure" title= -"148.024.223 km (moderne waarde: 149.597.870,700 km)">20 millioen en -682440</span> dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde) -van ons verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8¼ -minuten.—De helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met -Herschel beschouwde als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is -<span class="measure" title="71,57 billioen km">10 <span class="corr" -id="xd21e8883" title="Bron: millioen">billioen</span> mijlen</span> van -ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der zon -van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7⅔ jaren noodig om -dezen afstand—een Siriusafstand—af te leggen. Er zijn -echter sterren of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000, -10000, ja, 30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 <span class="corr" -id="xd21e8887" title="Bron: millioen">billioen</span> mijlen of -7⅔ jaren lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het -licht derhalve een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja -dertig duizend maal 7⅔ jaren vereischt om tot ons te -geraken.—In vergelijking van den afstand waarop deze verwijderste -wereldstelsels van ons staan, die gedeeltelijk slechts W. Herschel door -middel zijner reusachtige telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is -een afstand van 763½ maal eene Siriusverte niet groot, -niettegenstaande het licht 5854 volle jaren noodig heeft om dezen -afstand<a class="noteref" id="xd21e8890src" href="#xd21e8890" name= -"xd21e8890src">1</a> te doorloopen. Van eene ster der 12<sup>de</sup> -grootte (gerekend op 521½ <span class="pagenum">[<a id="pb397" -href="#pb397" name="pb397">397</a>]</span>maal een Siriusafstand) zou -het licht in 4000 jaren tot ons komen.</p> -<p class="par">Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die -763½ maal een Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen -bevindt, voorzien van een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs -nog voor de zwakste lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat -het alles wat op deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal -dat oog <span class="ex">heden</span> datgene zien hetwelk voor 5854 -jaren op aarde geschiedde, dewijl de lichtstralen die (als -teruggekaatst zonnelicht) vóór 5854 jaren deze aarde -verlieten, eerst <span class="ex">thans</span> aldaar zijn aangekomen. -Wij zullen dit oog het „Alziend oog” noemen en verder -aannemen (om onze gelijkenis te voleindigen) dat dit wezen niet op -gindsche ster bepaaldelijk moet verblijven, maar dat het ’t -vermogen bezit om zich van daar met de snelheid der gedachte, b. v. in -een uur of zelfs in eene seconde tijds op onze aarde en van hier weder -terug op gindsche ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot -heden geene kracht, geene beweging die grootere snelheid bezit dan het -licht; maar nog vóór eenige tientallen van jaren was de -snelste beweging welke wij kenden om onze brieven te bezorgen, een -goede coerier die te paard ongeveer <span class="measure" title= -"28,6 km">4 geographische mijlen</span> in twee uren tijds aflegde. -Later vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2 -uren slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog -later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede van -30 minuten slechts <span class="ex">een enkelen oogenblik</span> -daartoe noodig hebben, ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen -ver in ééne seconde kunnen brengen;—hieruit nu -volgt dat de maat van tijd nooit anders dan betrekkelijk is, dewijl wij -de ware maat niet kennen. Wij meten den loop des tijds slechts af naar -bewegingen of verschijnselen <span class="pagenum">[<a id="pb398" href= -"#pb398" name="pb398">398</a>]</span>die <i>wij</i> kennen, doch weten -niet hoe snel de snelste beweging loopen <span class="ex">kan</span> en -er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling, dat -het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de aarde -bewegen, derhalve 763½ maal een Siriusafstand binnen dezen tijd -doorloopen kan en in staat is <span class="ex">in een uur</span> alles -te zien, dat in den loop van 5854 jaren op deze aarde is -geschied.<a class="noteref" id="xd21e8944src" href="#xd21e8944" name= -"xd21e8944src">2</a></p> -<p class="par">Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk, -buitengewoon sterk gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde -oog toeschrijven, zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin -als <span class="ex">mogelijk</span> moet beschouwd worden. Onze -veronderstelling weêrspreekt zich, naar de regelen van eene -logische en redelijke redenering in geenen deele, bevat derhalve geen -onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit: aan de voortplanting -der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en omtrekken der ligchamen) -door de golfvormige beweging des ethers, welke met eene snelheid -geschiedt van 42000 mijlen in ééne seconde. Het is waar, -het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds grootere ruimte -in de evenredigheid van het vierkant des afstands, maar het is ons niet -mogelijk te bepalen waar de grens ligt van de voortplanting des lichts, -of waar het zoo zeer is verzwakt dat het zelfs op de volkomenste, -allergevoeligste oogen geen indruk meer maakt, dewijl zelfs -<span class="ex">menschelijke</span> oogen, gewapend met -menschelijk grove werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand -van 35000 maal een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333 -jaren tot ons kon komen) <span class="pagenum">[<a id="pb399" href= -"#pb399" name="pb399">399</a>]</span>nog sterrehoopen of nevelvlekken -ontdekten, ter plaatse waar andere waarnemers met hunne minder -kolossale telescopen, al waren het ook voor het overige uitmuntende -werktuigen, reeds lang niets <span class="corr" id="xd21e8957" title= -"Bron: weer">meer</span> zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo -gevormd zijn als <span class="ex">de onze, kan</span> de voortplanting -des lichts hare grenzen hebben.<a class="noteref" id="xd21e8964src" -href="#xd21e8964" name="xd21e8964src">3</a></p> -<p class="par">Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den -1<sup>sten</sup> Januarij 1855, juist ten 10 ure des voormiddags de -ster verlaat en binnen <span class="ex">een uur</span> den weg tot op -onze aarde aflegt, dan zal het in dit ééne uur het -levendige, steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche -wereldgeschiedenis en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde -gedurende elke 97 jaren en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het -ontmoet alle lichtstralen welke sedert den aanvang der menschelijke -tijdrekening van de aarde zijn uitgegaan.—Eerst ontwaart het de -oudste gebeurtenissen van het menschelijke geslacht hetwelk in China, -in Voor-Indië en in andere deelen van Azië zich reeds tot -groote staten heeft vereenigd, dat reeds naar Egypte is -heengetogen;—het ziet weinige oogenblikken later koning Menes te -Memphis op den troon zitten, welken hij voor 5746 jaren (of 3892 jaren -vóór de christelijke tijdrekening) besteeg; daarop worden -de piramiden gebouwd, in Indië verheffen zich tempels, als eerste -vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen haren zetel in -China.</p> -<p class="par">Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom -die, met Abraham aan de spits, Mesopotamië verliet om zich naar -Kanaän heen te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den -heertogt der joden die Mozes (vóór 3374 jaren of ten jare -1520 vóór Christus) uit Egypte geleide, door <span class= -"pagenum">[<a id="pb400" href="#pb400" name="pb400">400</a>]</span>de -Roode Zee, waarin Pharao door den vloed werd verzwolgen.—Ras -komen nu volkstammen in Griekenland en Rome tot bloei en wassen op tot -magtige staten; anderen zinken weder in het niet;—de val van -Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels van Jeruzalem (voor 2440 -jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de bloeitijd van Griekenland -en Rome, de daden van Alexander den Groote en eindelijk Rome’s -onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al de treffende -gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de anderen voorbij -het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een man met 12 jongeren -rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten en <span class= -"ex">menschenliefde</span> prediken,—totdat het ten 10 ure en 41 -minuten bijna drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar -ontwaart het op een berg voor Jeruzalem dienzelfden man <span class= -"ex">aan een kruis genageld</span> en gehoond tusschen twee -misdadigers,—een droevig beeld dat van hier af aan nog 4000 jaren -lang door het wereldrond moet wandelen om, tot schande der menschheid, -aan de bewoners van gene ster zigtbaar te worden. Voor het Alziende oog -echter zijn vierduizend aardjaren binnen minder dan 42 minuten -verloopen.</p> -<p class="par">Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder -voort en nadert het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe -ontstaan; ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt, -in beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij -weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de -drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en -keizers zalven, die zich nu „christelijke en -allerchristelijkste” noemen. Zij verheffen zich met hunnen -schepter en hunne kroon, de eene na den anderen en verdwijnen in het -niet.—Ons oog echter zet zijn vlugt onophoudelijk voort en komt -ten 10 ure 52 <span class="pagenum">[<a id="pb401" href="#pb401" name= -"pb401">401</a>]</span>minuten aan in de streek, waar het beeld van het -slotplein van Canossa voorbijsnelt en waar (in 1077 na Ch., derhalve -vóór 777 jaren) een <i>keizer</i>—in het hemd, -barrevoets en ootmoedig—voor een <span class="ex">paap</span> -nederknielt en boete doet. De bisschoppen van Rome toch doen het -<span class="ex">tegendeel</span> van de leer die zij bespotten: -„<span class="ex">mijn rijk is niet van deze -wereld</span>,”—want zij heerschen nu over keizer en -bedelaar en de rook van brandstapels, waarop zij <span class= -"ex">menschen</span> verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne -magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da -Fé’s in het Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus -bespeurt op zijn schip (in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld -wil ontdekken,—den monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg -(in 1520) de pauselijke bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij -Lützen aanschouwt waarin (ten jare 1632) Gustaaf Adolf -sneuvelde,—allen beelden welke binnen een verloop van weinige -minuten op elkander volgen en van eene reactie, van een nieuwen geest -getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10 ure 59 minuten is het -Alziende oog tot op <span class="ex">dien</span> afstand van de aarde -genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart die -(in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en het -behoeft nog slechts <span class="ex">eene</span> minuut om van daar op -aarde aan te komen en het nog overige 97½ jaar lange stukje van -de geschiedenis der menschheid af te zien.</p> -<p class="par">Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en -is 32 seconden vóór elf ure ooggetuige van een veldslag, -waarin Napoleon de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het -eenige minuten na 10 ure—voor 5354 aardjaren—eerst had zien -bouwen. Nog een paar seconden en de intusschen gekroonde keizer komt -zegevierend terug uit vele veldslagen in Duitschland,—een -vreeselijke brand verdrijft <span class="pagenum">[<a id="pb402" href= -"#pb402" name="pb402">402</a>]</span>hem uit het rijk des Czars en de -veldslag bij Leipzig maakt een einde aan zijne -wereldheerschappij.—Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog aan in -de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde, welke 10 -<span class="corr" id="xd21e9015" title= -"Bron: millioen">billioen</span> mijlen bedraagt en door den -lichtstraal in 7⅔ jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de -bewoners der aarde in hun 1846<sup>ste</sup> jaar na Christus, -vredelievend kunsten en wetenschappen beoefende, die hun eene betere, -meer gelukkige toekomst schijnen te belooven. De magt van het -papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken te zijn. Maar neen; bij zijne -aankomst ten 11 ure op het aardrijk is de eerste indruk welken het oog -ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen ten strijde,—<span class= -"ex">het belegeren van Sebastopol</span>.</p> -<p class="par">Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van -gindsche 763½ maal een Siriusafstand van ons verwijderde ster -tot aan de oppervlakte der aarde gevolgd en de beelden van de -geschiedenis der menschheid van af het jaar 4000 <span class= -"ex">voor</span> de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot aan het -belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont.</p> -<p class="par">Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip, -<span class="ex">heden</span> ten 11 ure, hoe scherp van gezigt zij ook -mogen zijn, eerst datgene ontwaren <span class="ex">hetwelk voor 5854 -jaren op de aarde is voorgevallen</span>, ligt ten gevolge daarvan -<span class="ex">ons</span> aardsche heden voor <span class= -"ex">hen</span> nog in eene verwijderde toekomst, dewijl het licht zoo -vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan te komen.</p> -<p class="par"><span class="ex">Met den lichtstraal gaat de tijd -terugwaarts in de ruimte voort.</span></p> -<p class="par">Reist echter het „Alziende oog,” na zijne -aankomst op de aarde ten 11 ure, terstond weder af en ijlt het met -gelijke snelheid waarmede het naar beneden kwam, weder terug naar -gindsche ster, alwaar het ten 12 ure aankomt, <span class= -"pagenum">[<a id="pb403" href="#pb403" name="pb403">403</a>]</span>dan -zal het weten hetgeen <span class="ex">daar nog niemand weet</span>, -hetgeen (wat ginds betreft) <span class="ex">nog niet gebeurd</span> is -en het zal de bewoners dier ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle -jaren <i>vooraf</i> kunnen zeggen al hetgeen sedert den bouw der -piramiden op onze aarde, dag voor dag, jaar voor jaar, tot op de -belegering van Sebastopol <span class="ex">zal</span> voorvallen.</p> -<p class="par">Indien het oog, in plaats van in één uur, -zich in één enkel oogenblik van de ster naar de aarde en -van deze terug naar de ster begeeft, dan zal het—even als de -tijd—„Alomtegenwoordig” en Alwetend genoemd kunnen -worden.</p> -<p class="par">Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen -slechts een tweede raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb, -dewijl slechts de <span class="ex">mogelijkheid</span> der -goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en zuiver physieken zin -door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij ook niet deze vraag der -voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre van daar; maar ik roep u met -Shakespeare andermaal de woorden toe: „Er zijn vele dingen -tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zelfs niets -vermoedt!”</p> -<p class="par">Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij -dagteekenen onze geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde -gebeurtenis, maar zijn niet in staat te zeggen sedert <span class= -"ex">wanneer</span> wij zijn, sedert <span class="ex">wanneer</span> -het zonnestelsel en <span class="ex">die</span> sterrehemel bestaat die -<span class="ex">wij</span> in de oneindige ruimte aanschouwen, en -wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn in de -schepping.—Zouden onze oogen de <span class="ex">eenige</span> in -het heelal zijn die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij, -juist wij—op deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van -hare geologische omkeeringen tot rust gekomene planeet—de -volkomenste wezens zijn, die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in -het onmetelijke heelal, op al de groote en menigte <span class= -"pagenum">[<a id="pb404" href="#pb404" name= -"pb404">404</a>]</span>zonnen die wij vaste sterren noemen (en hare -planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja, zou er -niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan, -dat——</p> -<p class="par">Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt, -vangt het geloof aan. Of God <span class="ex">alles</span> -<i>vooraf</i> weten kan, weet ik niet; ja, wanneer ik geloof dat hij -het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof aan de heilige, -eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een <span class="ex">alzienden, -alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt</span>, dien ik -juist daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, <span class= -"ex">aanbidden</span> moet.</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Indien de schoonheid -en verhevenheid der natuur u dwingt, een denkend, alziend wezen er in -te plaatsen en dit wezen te aanbidden, wel nu—bid dan in -vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin hinderen. Elk heeft zijne -eigene behoefte. In mijn oog is de natuur schoon en verheven -<span class="ex">gelijk zij is</span>, ook zonder dat ik mij -een dergelijke God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in -stilte. Maar ik bid niet; ik <span class="ex">onderzoek en -handel</span>. Niets heeft der <span class="corr" id="xd21e9115" title= -"Bron: menscheid">menschheid</span> sedert anno: „driemaal een is -één” zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling -dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden.</p> -<p class="par">Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja -zij vinden een luiden weêrklank in ons gemoed. Zij verdienen alle -achting. Wat mij echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl -zij in mijn oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve -feiten door mij daartegen aangevoerd.—Waartoe toch kan mij zulk -een God strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop -laat, dien ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die <i>mij</i> niet -hoort wanneer ik hem aanroep, <i>mij</i> niet antwoordt wanneer ik hem -iets vraag; die mijne bede <span class="ex">nimmer</span> vervult, mij -nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan behoefte heb, wanneer ik -<span class="pagenum">[<a id="pb405" href="#pb405" name= -"pb405">405</a>]</span>mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt -wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan, -door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij -zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,—een God -die mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan <span class= -"ex">mij zelven</span>, de natuur aan <span class="ex">zich -zelven</span> overlaat en die daarenboven nimmer het geringste teeken -van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan er klaarblijkelijk -niet zijn voor <i>mij</i>, hij moet derhalve slechts uitsluitend -<span class="ex">voor zich zelven</span> bestaan, namelijk in uwe -verbeelding.</p> -<p class="par">Ik weet maar al te wel wat de „vrome” -lieden, die van de <span class="ex">ligtgeloovigheid</span> des volks -leven en met zijne domheid zich mesten, die de verlichting schuwen als -de das de stralen der zon, dewijl zij duchten met de ligtgeloovigheid -des volks <span class="ex">hun</span> vet, d. i. hunne -„<span class="ex">geestelijke</span>” goederen: hunne -pastorijen, prebenden, tienden, kloosters, vrome legaten, vicarijen, -erfenissen enz., enz., te verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten -en professoren in de theologie, kapellaans, diakenen, pastoors, -dominé’s, pausen, monniken, bedelmonniken, bisschoppen, -aartsbisschoppen of welken naam aan al die paapjes moet gegeven worden, -daarop ten antwoord zullen geven. Zij zeggen: „God liet het schip -vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en verwachting, benevens -onschuldige kinderen het leven verloren, ten einde een voorbeeld te -geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten einde ons tot ootmoed -aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de gedaante der cholera -„„de slaande engel”” gezonden, ten einde het -volk over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen,” Ik echter -zeg u, het schip zou <span class="ex">niet</span> zijn vergaan, indien -wij de <span class="ex">natuurwetten beter gekend</span>, indien wij -den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet <span class= -"pagenum">[<a id="pb406" href="#pb406" name="pb406">406</a>]</span>der -winden naauwkeuriger in acht genomen en <span class="ex">ons daarnaar -gerigt hadden</span>; de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt -of genezen worden, zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de -natuurwetten zoo diep zullen hebben doorvorscht, dat wij <span class= -"ex">hare stoffelijke oorzaken hebben leeren -kennen</span>.—Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd -gedraaid en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of -heeft een stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen -bedelaar van den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit: -„aanschouwt dit, gij ongeloovige! O! knielt neder en erkent in -dien veranderden rukwind, in dit stukje brood des milden gevers, -<span class="ex">Gods</span> wijze besturing; erkent de zorg welke de -genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt, die hij tot -bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar nimmer laat -vergaan.” Zeer juist! antwoord ik u: erkent de <span class= -"ex">natuurwet</span> welke de instandhouding van het <span class= -"ex">geslacht</span> ten doel heeft; ziet de natuurkrachten, de -natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en verstout u om haar te -leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze -„vreesselijke” natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij -<span class="ex">durft het kind niet bij den regten naam te -noemen</span>.</p> -<p class="par">Mijn geloof <i>is</i> in overeenstemming met mijn weten. -Sedert millioenen van jaren bestaat God slechts als natuur en -natuurwetten, waarin hij zich heeft herschapen. <span class="ex">Deze -zijn de</span> <i>ware</i> <span class="ex">God</span> en deze moet -de mensch leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, <span class= -"ex">leiden</span>, opdat God zich uit hem en door hem op nieuw -ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt zich werkelijk nog in het -<span class="ex">allereerste begin</span> zijner ontwikkeling. Wat toch -beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?—Wanneer gij -den bewonderenswaardigen vooruitgang <span class="pagenum">[<a id= -"pb407" href="#pb407" name="pb407">407</a>]</span>gadeslaat, welke in -de natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte -tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken -ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de -onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij ’t mij zekerlijk -niet ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de -schitterendste verwachtingen voor de toekomst mag koesteren!</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Beste broeders! Wij -<span class="ex">allen</span> zijn, even als gij <span class= -"sc">Morgenrood</span>, doordrongen van den wensch om ons weten in -overeenstemming te brengen met ons geloof, en gevoelen ons door eene -bijna onweerstaanbare weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen -in ons en rondom ons te leeren doorgronden, om de natuur in haren -zamenhang, als een geheel, als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen -echter is het <span class="ex">toppunt</span> van den berg der kennis, -die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. <span class="ex">Vele -wegen geleiden tot een en hetzelfde doel.</span> Ieder kiest dien weg, -welken hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg -gaan wij lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij -verklaren de verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een -harmonisch verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd, -maar—daar stuiten wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden, -onoplosbare problemen die ons tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu -een anderen weg en komen langs allen ongeveer even ver vooruit; maar de -een voert ons ten laatste aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt -in eene diepe kloof, aan den voet van een hoogen rotswand die een -onoverkomelijk beletsel aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in -den weg stelt; de derde verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden -van zijpaden, waarvan men niet weet welke als de regte moet beschouwd -worden, en de vierde <span class="pagenum">[<a id="pb408" href="#pb408" -name="pb408">408</a>]</span>voert den wandelaar aan den oever van een -onmetelijk groot meer, waarover geen veer is, geen vaartuig wordt -gevonden om zich te doen overzetten.—Wij keeren dan om en niemand -van ons allen heeft den top des bergs gezien. Maar een top <span class= -"ex">moet</span> de berg toch hebben!—Dat gelooven wij allen en -derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen top; wij maken ons een -denkbeeld hoedanig de top wel zou <span class="ex">kunnen</span> zijn -en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend is en -eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg dien wij -naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden, de opvoeding -die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden, bij allen -verschillend waren.</p> -<p class="par">Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te -bedroeven over het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige -beschouwingen, al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om -elkander wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het -<span class="ex">toegepaste gedeelte</span> onzer geloofsleer met -elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons ingeslagen bij -<span class="ex">het eerst door ons in het oog gevatte doel</span> -ineenloopen, mits wij slechts wat onze <span class="sc">ZEDELEER</span> -betreft met elkander instemmen en <span class="ex">menschenliefde, -gepaard met het streven naar eene steeds grondiger kennis der natuur, -als de eenige bron der openbaring, in de eerste plaats -stellen</span>.</p> -<p class="par">Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het -toppunt der kennis te bereiken. <span class="ex">Wij</span> spannen -te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken grondslag der -verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons open,—maar -welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij verder komen -dan <span class="ex">tot aan zeker punt</span>, alwaar wij moeten -bekennen, <span class="ex">hier</span> houdt ons bevattingsvermogen op; -<span class="ex">hier</span> is de grens, aan de overzijde waarvan wij -<span class="ex">niets</span> meer begrijpen kunnen! <span class= -"pagenum">[<a id="pb409" href="#pb409" name="pb409">409</a>]</span></p> -<p class="par">„Bravo, juist zoo! Ja, <i>daar</i> staan zij met -de handen in ’t haar en zijn ten einde raad!”</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden -gesproken, klonken onverwachts door de geopende deur; getroffen en min -of meer ontevreden wendden wij ons om en—zagen binnentreden, -gevolgd door den regent, eenige distriktshoofden en eene menigte -Javanen die brandende fakkels droegen, den—resident <span class= -"sc">Praktischman</span>.</p> -<p class="par">„Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt -gij onverstandig! Ik heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die -speculeert, gelijkt een beest op het dorre veld, door eenen boozen -geest steeds in het rond geleid en om dien kring ligt aan alle kanten -eene schoone, groene weide.—Eene weide, ja, visschen in het meer, -eenden in het riet; hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan -jagen! Kom aan! Maar eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel! -Karang! ambil makanan, boeka botol anggor, bawa champagne!” en -zoo ging het nog eenigen tijd voort. Alles geraakte op de been en in -een oogwenk was het gansche tooneel veranderd.</p> -<p class="par">Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer -<span class="sc">Praktischman</span> was, ijlden wij hem gezamenlijk te -gemoet, drukten hem de hand en heetten hem hartelijk -welkom.—Groot was onze verrassing, toen wij hem in deze -wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in ons midden -zagen.—De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt en haren -inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften gevoegd. -Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten wij aan. -De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten einde zich -eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere <span class= -"pagenum">[<a id="pb410" href="#pb410" name= -"pb410">410</a>]</span>hoofden na hem, de een voor en de andere na, in -de stilte en eerbiedig wegslopen.—Terwijl de resident zich het -eten goed liet smaken, verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van -tafel waren opgestaan, elkander nog het een en ander van ’t geen -ons was bejegend, sedert wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen -het einde van den maaltijd kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en -traktaatgenootschappen.</p> -<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> Luistert eens, -beste vrienden. Ik stem volkomen met u in dat het christelijke dogma -niet de waarheid bevat en haar niet bevatten kan, en dat het derhalve -niet geoorloofd is eenvoudige menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op -te willen dringen waaraan duizenden onder de Christenen zelven niet -gelooven, ja, hetgeen juist de <span class="ex">beste</span> en -<span class="ex">verlichtste</span> koppen in Europa voor dwaling -houden. Maar buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op -Java als hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik -van hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk -gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen -en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Ik ben van oordeel dat onze -regering te verstandig en tevens te wel met den zedelijken toestand der -Javanen en hunne behoeften bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden -behoeven te duchten. Het eenige ware toch dat het Christendom bevat, de -<span class="ex">kern</span> zijner zedeleer, is immers lang onder de -Javanen inheemsch.</p> -<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> Ja stellig; dit -geloof ik ook. Maar die bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en -al die vrome lui, die zich veel minder laten gelegen liggen aan eene -christelijke aarde dan aan den christelijken <span class= -"ex">hemel</span>, die „Gods Zoon met scharen van heilige -engelen” gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien, -deze maken het de <span class="pagenum">[<a id="pb411" href="#pb411" -name="pb411">411</a>]</span>regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u: -is het niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij -reeds <span class="ex">van zelven doen</span>, ja, wat zij beschouwen -als iets dat niet behoeft geleerd te worden, dewijl iedereen dit -<span class="ex">van zelf verstaat</span>, namelijk „elkander -lief te hebben en elkander te helpen,” en is het niet beschamend -voor ons, wanneer wij hen dat <span class="ex">leeren</span> moeten, -terwijl zij toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote -meerderheid onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel -geringere mate <span class="ex">doet</span> dan zij Javanen -zelven?—Gesteld dat het aan de zendelingen eenmaal gelukt ware, -de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid te overtuigen van -„andere menschen <span class="ex">even lief te hebben als zich -zelven</span>,” en dat de Javanen van ons consequent verlangden -dat ook <i>wij</i> deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens -tot ons zeiden: <span class="corr" id="xd21e9331" title= -"Niet in bron">„</span>komt hier, lieve Christenbroeders, helpt -ons koffij planten; hebt ons <span class="ex">lief gelijk u -zelven</span>; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh, zijn eenig -geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt ons -suikerriet snijden; <i>wij</i> gebruiken noch koffij noch suiker; wij -doen dit slechts ter liefde <i>van u</i>;—komt hier, verrigt nu -de helft van het werk ter liefde van <span class= -"ex">ons</span>!”—Wat zal er dan gebeuren? He?—Dan -pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken <span class= -"ex">bijéén</span>; de Javasche broeders brengen ons -uit Christelijke liefde <span class="ex">aan boord</span> en wij gaan -uit Christelijke liefde—<span class="ex">naar huis</span>. Abis -perkara.</p> -<p class="par"><span class="sp">DAG.</span> Belon abis perkara. Neen; -dan komen andere Christelijke broeders uit Europa, welke de Javanen -minder Christelijk zullen behandelen dan <i>wij</i> Nederlanders thans -doen.</p> -<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> Juist. Engelschen, -Noord-Amerikanen, enz., zouden allen gaarne hunne Christelijke liefde -op Java zaaijen, om—koffij, suiker en indigo als vruchten daarvan -<span class="pagenum">[<a id="pb412" href="#pb412" name= -"pb412">412</a>]</span>naar huis te voeren. Luistert, beste jongens! -wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de zendelingen beter -zouden doen met het evangelie der Christelijke liefde <span class= -"ex">onder de Christenen in Europa</span> te prediken in plaats van -hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder op -begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25 jaar -ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren kennen -en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan de -Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op -Java.—De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet -anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne -innigste overtuiging. Indien wij <span class="ex">hun</span> welzijn -willen betrachten uit ware, wel begrepene menschenliefde, zonder -<span class="ex">ons zelven</span> op die wijze te benadeelen, dan -behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen werkzaam te houden, -dewijl zij even als alle tropische volken tot traagheid geneigd zijn. -Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding en wij behooren hen -bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen; wij moeten hunne -positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der natuurkrachten -pogen te vermeerderen;—wij behooren hen te onderrigten in het -lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste beginselen der -natuurwetenschappen; wij moeten hen <span class="ex">praktisch</span> -opvoeden: <span class="ex">dan</span> zullen zij in dezelfde mate als -hunne beschaving toeneemt, steeds meer en meer leeren inzien dat de -leer „alle menschen even lief te hebben als zich zelven” -eene even groote onmogelijkheid is, als eene volkomen <span class= -"ex">maatschappelijke gelijkheid</span> onder de stervelingen, -die ten gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der -vatbaarheid voor ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan -de verschillende individuen, nimmer kan verwezenlijkt <span class= -"pagenum">[<a id="pb413" href="#pb413" name= -"pb413">413</a>]</span>worden. <span class="ex">Dan</span> zullen -beide, Javanen en meer verlichte Europeërs, in vrede en gelukkig -nevens elkander kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil, -ontevredenheid, verwarring, oproer, omverwerping van al het -bestaande,—regeringloosheid onder de Javanen en het verlies der -kolonien voor ons—kunnen de gevolgen zijn van de ontijdige of -plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde bekeering of beschaving -der Javanen, waartoe de zich noemende vrijheidsapostelen, -hervormingspredikers en evangeliedweepers de regering op eene onmatige -wijze trachten aan te sporen.</p> -<p class="par"><span class="sp">MORGENROOD.</span> Dat zijn de -theoretici die de Javanen, zoo als zij werkelijk zijn, niet kennen. Een -man die 25 jaren lang in hun midden heeft doorgebragt, zal hen wel -degelijk kennen en de spreuk „<span class="ex">groen</span> is -des levens gulden boom” niet logenstraffen. Ik ben het volkomen -eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten te -leeren kennen gelijk zij zijn en <span class="ex">ons daarnaar te -rigten</span>. Alleen daardoor is het, dat wij wind en water hebben -gedwongen koorn te malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats -dat wij zulks met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke -natuurwet <span class="ex">op hare wijze, elk in haar eigen -spoor</span> laten werken, hebben wij den waterdamp genoodzaakt onze -wagens voort te trekken in plaats van daartoe paarden te bezigen; ja, -de electriciteit zelve heeft zich er moeten schikken om aan onzen -<span class="ex">wil</span> te gehoorzamen en als onze brievenpost -langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen <span class= -"ex">wij willen</span> dat zij loopen <span class= -"ex">moet</span>.</p> -<p class="par">Handelen wij echter <span class="ex">in -strijd</span> met de natuurwetten of doen wij ze, tegen hare natuur -geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van <span class= -"ex">koperen</span> of <span class="ex">ijzeren</span> draden nemen -om de electriciteit er langs voort te planten; indien wij den -stoomketel <span class="ex">bovenmate</span> verhitten, het buskruid op -den <span class="pagenum">[<a id="pb414" href="#pb414" name= -"pb414">414</a>]</span><span class="ex">gloeijenden oven</span> -droogen, indien wij <span class="ex">tegen</span> wind en stroom zeilen -en het Christelijk evangelie prediken willen <span class="ex">waar het -niet past</span>, of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van -drukpers willen invoeren bij een volk, hetwelk <span class="ex">nog -niet</span> tot dien trap van ontwikkeling <span class="ex">is -gestegen</span> om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de -overladene maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige -spijsvertering zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander -resultaat verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking, -verwarring.</p> -<p class="par"><span class="sp">PRAKTISCHMAN.</span> (Lagchend.) -Sidoekari! Sidoekari!—Gij beide, beste <span class= -"sc">Morgen</span>- en <span class="sc">Avondrood</span>, gij hebt het -exemplaar van slechte spijsverteering gezien! Het is jammer, -<span class="sc">Dag</span> en <span class="sc">Nacht</span>, dat gij -er niet bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne -residentie. Ik zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier -in de wildernis willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den -tijd. Overmorgen vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug -naar mijn nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een -zoogenaamd <span class="ex">Christendorp</span> onder de Javanen zien -en leeren kennen, een waar model (zoo als <span class= -"sc">Morgenrood</span> zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid -van maag, een zendelingmiserere, eene echte -Christenakeligheid!—Ik zal u daarentegen ook andere dingen laten -zien, scholen die ik op last der regering heb gesticht en een menigte -andere inrigtingen, alwaar de Javaan de gelegenheid vindt om nuttige -dingen van verschillenden aard aan te leeren, zich te oefenen in -handwerken, kunsten en dergelijke zaken, en die u zullen doen ontwaren -dat die mannen van de oppositie quand même zich aan laster -schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren dat onze regering niets -uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk welzijn en de verlichting -der Javanen te bevorderen. <span class="pagenum">[<a id="pb415" href= -"#pb415" name="pb415">415</a>]</span></p> -<p class="par">Broeder <span class="sc">Nacht</span> was buitengemeen -ingenomen met den voorslag van den resident en verzocht mij dringend, -de uitnoodiging aan te nemen en mede naar de residentie S.... te gaan. -Hij reikhalsde van verlangen om eene Javasche Christengemeente waarover -hij in eene reisbeschrijving gelezen had, met eigene oogen te zien en -algemeen genomen, een meer bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker -en meer beschaafde bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden -wij ons lang genoeg in „oorspronkelijke wouden” -opgehouden.—Ik voor mij had liever nog eenigen tijd in dit -gedeelte van Java, bij mijne andere broeders verwijld; maar de -gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn broeder in den kortst -mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der maatschappij onder de -Javanen bekend te maken en hem in den kring van vorsten en hoofden in -te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt te laten -voorbijgaan.—Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en er werd -nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de naastbij -gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden vertrekken, -terwijl <span class="sc">Avond</span>- en <span class= -"sc">Morgenrood</span> besloten nog langer hier te blijven en hunne -onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands voort te -zetten.</p> -<p class="par">De resident onderhield zich daarop nog met mijne -broeders over Javasche bijbelvertalingen en daarmede verwante -onderwerpen. Ik verontschuldigde mij echter uithoofde van -vermoeidheid—het was reeds laat geworden—en wenschte het -gezelschap „goeden nacht.”</p> -<p class="par">Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede -nedervleide en mij aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde, -dreef een vurig doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om -vooraf nog een afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi -gedost te ontvangen en—als <span class="pagenum">[<a id="pb416" -href="#pb416" name="pb416">416</a>]</span>stof tot droomen—mede -naar mijn leger te nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in -dit nachtelijk uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een -mijner jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak.</p> -<p class="par">Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn -bewustzijn op, toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder -het geboomte, ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen -die met den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen -(Obor) in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten -hier en daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat -zij in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden -teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich als -donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De handen -dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid en het -meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De anderen -sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen, wier doffe -gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak des wouds te -verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog slechts enkele der -naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze verloren zich bijna -allen in de duisternis van den achtergrond, toen ik uit het woud te -voorschijn trad en den oever van het meer bereikte.</p> -<p class="par">Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de -volle maan, van licht omstraald en op een grooteren afstand door -duizende flikkerende sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder -en, bijna even helder, van beneden uit den diepen boezem der wateren -naar mij opwaarts.</p> -<p class="par">Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil. -Spiegelglad was de oppervlakte van het meer en slechts <span class= -"pagenum">[<a id="pb417" href="#pb417" name= -"pb417">417</a>]</span>zelden rimpelde zich het beeld der maan en -vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer de plassende eenden -van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever eene ligte golving in -het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater ’t welk volkomen -geleek op dat der Europesche tamme eenden, was bijna het eenige -geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd tot tijd werd -afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte gelegen, geheel -en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen geluid meer -vernemen. Hooge Kimérakboomen welfden zich ter linker- en ter -regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom hunner -kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit gewelf zag -men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds, dat even somber -door de naastbij gelegene strook van het meer werd teruggekaatst. -Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen als helder -verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden van het -meer weêrkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn -binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen.</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„Was von Menschen nicht gewusst oder nicht -bedacht,</p> -<p class="line">Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der -Nacht.”</p> -</div> -<p class="par first">De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige -schuilhoeken en de wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen -hier en daar nog enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die -tusschen het geboomte overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze -hoogte, dewijl het niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en -reeën worden gevonden; hier is niets dan woud, en gras en -weidevelden worden er niet dan schaarsch aangetroffen. De -Kalong’s van het laagland worden op deze hoogte niet gezien; geen -Kaprimulgus laat hier zijn <span class="pagenum">[<a id="pb418" href= -"#pb418" name="pb418">418</a>]</span>geklap bij nachtelijke stilte -rondschallen, ja ter naauwernood verneemt men hier het gegons van een -insekt, het tjilpende gezang van eene cicade of ziet men hier en daar -een enkelen vuurkever langs den oever rondflikkeren. De zwarte apen, -Loetoeng, roeren zich niet in de loofkroonen, zij zitten stil op de -takken; de eekhoorntjes hebben zich in hunne nesten of in de spleet van -een ouden boomstam verscholen en alle vogels slapen. Misschien klautert -nog hier of daar eene wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen -voorzigtig op de bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest -te overvallen, of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en -behoedzaam over den grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te -kapen; maar alle andere dieren zijn ter rust gegaan. Ook de -waterhoenders en de slangenvogels (Plotussoorten) zitten stil in het -hooge, rietachtige gras der oevers, of op een omgevallen boomstam die -zich over den waterspiegel uitstrekt; de visschen in het meer bewegen -zich niet, de kleine kreeften, de schelpen maken geen geruisch en de -gansche overige schepping zwijgt.—Maar onder dit zwijgen gaat het -leven voort, in het water, in de lucht en op de aarde, in millioenen -geheime polsen te slaan die weldra, wanneer de geleende glans die thans -van de schijf der maan afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn -geweken, op nieuw zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de -verschillendste, door elkander wemelende gestalten zullen -verlevendigen.—Natuur, gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en -gij spreekt eene taal welke slechts <i>hij</i> geheel verstaat, die met -genen zoo dikwerf miskenden en nog menigvuldiger misbruikten man in -vromen eenvoud kan vragen: „die het oor gemaakt heeft, zou -<span class="ex">die</span> niet hooren?—Die het oog gemaakt -heeft, zou <span class="ex">die</span> niet zien?”</p> -<p class="par">Mijn broeder <span class="sc">Morgenrood</span> zegt: -„De natuur is bewusteloos, <span class="pagenum">[<a id="pb419" -href="#pb419" name="pb419">419</a>]</span>zonder ziel, zonder God! Het -bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel der natuur die, -even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt in onze hersenen en -een indruk maakt, een beeld ’t welk uit ons binnenste terug in de -natuur verplaatst en daar als het ware buiten ons wordt -aanschouwd!—Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf zinnen tot -de buitenwereld,—het is de betrekking der buitenwereld tot onze -vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze zinnen -plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische strooming -tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als in een -brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij <span class= -"ex">bewustzijn</span> noemen.—Niets dan heen- en -wederbeweging van stofdeelen, die onophoudelijk van elkander worden -gescheiden en telkens nieuwe verbindingen aangaan!”—Zoo -spreken zij.</p> -<p class="par">Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als -middel dienen om het bewustzijn <span class="ex">daar te stellen en te -onderhouden</span>, maar het <span class="ex">gewaarwordende</span> -beginsel dat in mij zetelt, ’t welk in het brandpunt dier stralen -staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt, hetgeen—als het -ware—van het bewustzijn <span class="ex">bewust</span> -is,—ik bedoel datgene, hetwelk aan de stof <span class= -"ex">gewaarwording geeft</span> om het bewustzijn te <span class= -"ex">kunnen</span> opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan -stof!—Dit kan niet anders zijn dan eene <span class= -"ex">absolute</span>, goddelijke eigenschap.</p> -<p class="par">Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij -dienen, op het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze -bewegingen plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij -u in staat gesteld zien het feit van het <span class="ex">bewuste -gewaarworden</span> stoffelijk te verklaren en nimmer zal het u -gelukken, te kunnen bewijzen dat door <span class="pagenum">[<a id= -"pb420" href="#pb420" name="pb420">420</a>]</span>de werking van -chemische en physieke krachten een <span class="ex">oog</span>, een -<span class="ex">oor</span> kan gevormd worden. Wat toch zon het licht -zijn dat van de zon in 8¼ minuten tot aan de maan en van daar in -ééne sekonde tot op de aarde snelt, alwaar het andermaal -door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst, indien mijn oog niet -bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt, wanneer mijn -<span class="ex">gewaarwordend binnenste</span> niet daar was waarin -het driewerf teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid -wordt, dewijl het tot <span class="ex">bewustzijn</span> -komt?—Daar echter het beeld in de maan, in den spiegel van het -meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was, is het licht -<span class="ex">voor mijn oog</span> en mijn oog benevens alle -andere zintuigen aanwezig voor <span class="ex">het -bewustgeraken</span>. Tot bewustzijn geraken is het eerste doel des -levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en -afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het -heelal kunnen omvatten.—Zou nu dit <span class="ex">heelal</span> -geene ziel hebben waarin alle verschijnselen tot bewustzijn -geraken,—zou er geen <span class="ex">algemeen -bewustzijn</span> wezen, waarvan het mijne herkomstig is?—Dat -twijfelaars twijfelen.—De gansche natuur spreekt <span class= -"ex">eene</span> taal en ik geloof aan u, eeuwig licht, alziend oog, -eeuwig redelijk bewustzijn!</p> -<p class="par">Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever -van het meer welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten -rimpel werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje -suisde mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij -in eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart -in mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had -dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij -den eersten lichtstraal weder <span class="pagenum">[<a id="pb421" -href="#pb421" name="pb421">421</a>]</span>te ontwaken,—ja, indien -het licht der maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst, -geleend licht) mij niet verkondigd had: waar licht is—in het -<span class="ex">gansche heelal</span>—moet insgelijks warmte, -beweging, leven zijn!</p> -<p class="par">Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte -van den nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het -geboomte klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in -de Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het -loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen, -scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen -te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht toe -en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men had ligtelijk -in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm, het zuchten van een -stervende, menigwerf ook het geschrei van een jong kind werd gehoord. -Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal gebeurd, dat vroegere -reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden van de oorzaak van dit -geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon er een -duivelsspook—een spookachtigen, duivelachtigen vogel van gemaakt -hebben.<a class="noteref" id="xd21e9591src" href="#xd21e9591" name= -"xd21e9591src">4</a> Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend; ook -zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat het -digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever was -gekomen. Ik zag het hier—met uitgespannen vleugelhuid, strak en -onbewegelijk, als een papieren draak—van den eenen boom -<span class="pagenum">[<a id="pb422" href="#pb422" name= -"pb422">422</a>]</span>naar den anderen door de lucht zweven; dit -geschiedde echter in eene schuine rigting, zoodat het van den top eens -booms afgaande, ongeveer ter halver hoogte van den stam eens anderen -booms aankwam, waartegen het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het -was eene zoogenaamde vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een -geheel onschuldig dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en -in het woud rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig -als zijn geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het -herinneringen aan menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt, -even liefelijk en troostrijk zal zijn geroep voor de <span class= -"ex">andere</span> Galeopitheken zijn, dewijl de welbekende stem hun te -kennen geeft dat zij niet <span class="ex">alleen</span>, maar dat ook -nog anderen <span class="ex">huns gelijken</span> aanwezig zijn, -die zij vinden zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen.</p> -<p class="par">Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot -tijd nog in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het -niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in het -aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de -verwantschap, de sympathie gevoelde, welke <span class="ex">alle</span> -levende wezens zaamverbindt.—De maan neigde reeds ten ondergang; -ik stond op van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan -en de sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen -bloemen, knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren -die, elk op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen: -goeden nacht!—Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde -natuur, tot morgen: <span class="ex">goeden nacht</span>!</p> -<p class="trailer xd21e1362">(<i>Vervolg hierna.</i>)</p> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb423" href="#pb423" name= -"pb423">423</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e8890" href="#xd21e8890src" name="xd21e8890">1</a></span> -Naauwkeurig genomen bedraagt deze afstand voor 5854 jaren lichtsnelheid -<span class="ex">iets meer</span> dan 763½ -Siriusverten,—een gering verschil hetwelk bij deze algemeene -beschouwingen niets ter zake doet, evenmin als de resultaten van latere -waarnemingen, b. v. die van Maclear en Henderson, welke de ster -<i>a</i> van den Centaur als de <span class="ex">naast</span>bij -staande vaste ster (op 4½ <span class="corr" id="xd21e8901" -title="Bron: millioen">billioen</span> mijlen of 3½ jaren -lichtsnelheid) beschouwen, terwijl Struve de door hem het naauwkeurigst -waargenomen Wega (<i>a</i> in de Lier) op 16 billioen mijlen of 12 -​1⁄12​ jaren lichtsnelheid schat en <span class= -"ex">dezen</span> afstand een „enkelvoudige -vastesterafstand” (gelijkstaande met 800000 maal een zonsafstand) -noemt. <a class="fnarrow" href="#xd21e8890src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e8944" href="#xd21e8944src" name="xd21e8944">2</a></span> -Uithoofde de aarde zich binnen dit tijdperk 5854 malen om de zon draait -en te gelijkertijd 1 millioen 460000 maal om hare eigene as wentelt, -zal het alziende oog haar van alle zijden overzien; een menschelijk oog -echter zou niet in staat zijn de lichtbeelden duidelijk op te nemen, -ten gevolge van de snelheid der beweging, van den korten duur staande -welken de lichtstralen hunne werking uitoefenen. <a class= -"fnarrow" href="#xd21e8944src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e8964" href="#xd21e8964src" name="xd21e8964">3</a></span> Gelijk -bekend is, hebben photometrische metingen nog niet tot zekere -resultaten geleid. <a class="fnarrow" href= -"#xd21e8964src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd21e9591" href="#xd21e9591src" name="xd21e9591">4</a></span> De -zoogenaamde „duivelsstem op Ceylon,” welke door de -overdrevene beschrijvingen van ligtgeloovige reizigers (zoo als Wolff -en Knox) en mystieke natuurphilosophen (zoo als Schubert) eene zekere -mate van beruchtheid heeft verkregen, is hoogst waarschijnlijk niet -anders dan het onschuldige geschreeuw van een nachtelijk -rondfladderenden Pteropus of Galeopithecus, waarschijnlijk G. -volitans. <a class="fnarrow" href="#xd21e9591src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="errata" class="div1 errata"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">Zinstoorende Drukfouten in Nr. 1–3.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="table"> -<table> -<thead> -<tr class="label"> -<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">BLADZ.</td> -<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">REGEL.</td> -<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">VAN</td> -<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">LEES</td> -<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">IN PLAATS VAN</td> -</tr> -</thead> -<tbody> -<tr> -<td class="cellLeft"><a href="#pb51" class="pageref">51</a></td> -<td>3 en 4</td> -<td><i>onderen</i></td> -<td>Gòlok</td> -<td class="cellRight">Ani ani -<p class="par first xd21e9652"><i>NB</i>. Op Java wordt het afsnijden -der aren bij de rijstoogst met het mes „Ani ani” -uitsluitend door <i>vrouwen</i> verrigt.</p> -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><a href="#pb154" class="pageref">154</a></td> -<td>7</td> -<td><i>onderen</i></td> -<td>1830</td> -<td class="cellRight">1854.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><a href="#pb241" class="pageref">241</a></td> -<td>2</td> -<td><i>boven</i></td> -<td>hangmatten</td> -<td class="cellRight">hangmat.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><a href="#pb244" class="pageref">244</a></td> -<td>15</td> -<td><i>onderen</i></td> -<td>namelijk, het</td> -<td class="cellRight">het, namelijk.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><a href="#pb336" class="pageref">336</a></td> -<td>12</td> -<td><i>onderen</i></td> -<td>overeenkwam</td> -<td class="cellRight">overeenkomt.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom"><a href="#pb354" class= -"pageref">354</a></td> -<td class="cellBottom">20, 21 en 22</td> -<td class="cellBottom"><i>boven</i></td> -<td colspan="2" class="cellRight cellBottom">lees als volgt: -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">Chloornatrium en Chloorkalium</td> -<td rowspan="2" class="xd21e9741 cellTop"><img src="images/rbrace2.png" -alt="" width="12" height="40"></td> -<td rowspan="2" class="xd21e9743 cellTop">0,28</td> -<td class="cellTop"></td> -<td class="cellRight cellTop">0,45</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Zwavelzure kali</td> -<td rowspan="2" class="xd21e9741"><img src="images/rbrace2.png" alt="" -width="12" height="40"></td> -<td rowspan="2" class="xd21e9743 cellRight">0,04</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Phosphorzure kali</td> -<td class="cellRight cellBottom"></td> -</tr> -</table> -</div> -</td> -</tr> -</tbody> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#epigraph">Motto.</a></td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href= -"#voorrede">Voorrede.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorrede">I</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">1.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pt1">Eerste Deel</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">2.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pt2">Tweede Deel</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt2">61</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#evna">Het Evangelie van -Nacht.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#evna">113</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#evda">Het Evangelie van -Dag.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#evda">123</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">1.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1">1.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">125</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">2.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2">2.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">125</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">3.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3">3.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">126</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">4.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4">4.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">127</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">5.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5">5.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">127</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">6.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6">6.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">128</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">7.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7">7.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">129</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">8.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8">8.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">131</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">9.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9">9.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">132</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">10.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch10">10.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">133</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">11.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch11">11.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">133</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">12.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch12">12.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">135</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">13.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch13">13.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">135</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">14.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch14">14.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">139</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">15.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch15">15.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">142</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">16.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch16">16.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">144</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">17.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch17">17.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">146</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">18.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch18">18.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">149</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">19.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch19">19.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">150</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">20.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch20">20.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">151</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">21.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch21">21.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">159</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">22.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch22">22.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">172</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">23.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch23">23.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">177</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">24.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch24">24.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">198</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum">25.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch25">25.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">199</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href= -"#verklaring">Verklaring.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#verklaring">I</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">3.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pt3">Derde Deel</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt3">203</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href= -"#avondrood">Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href= -"#avondrood">314</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href= -"#morgenrood">Geloofsbekentenis van broeder Morgenrood.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href= -"#morgenrood">379</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#errata">Zinstoorende -Drukfouten in Nr. 1–3.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#errata">423</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen -overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het -kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de -<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href= -"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg -Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41" -title="Externe link" href= -"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> -<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line -gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd21e41" title= -"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> -<p class="par">Deze tekst is gebaseerd op de eerste druk uit 1854, die -onder het pseudoniem “Dag” verscheen.</p> -<p class="par">Scans van deze editie zijn te vinden op Google Books -(copy <a id="xd21e56" class="seclink xd21e41" title="Externe link" -href="https://books.google.nl/books?id=u1RKAAAAYAAJ" name= -"xd21e56">1</a>, <a id="xd21e59" class="seclink xd21e41" title= -"Externe link" href="https://books.google.nl/books?id=raNTAAAAcAAJ" -name="xd21e59">2</a>).</p> -<p class="par">De vierde herziene druk uit 1866 is beschikbaar bij de -<span lang="de">Staatbibliothek Berlin</span> (copy <a class= -"exlink xd21e41" title="Externe link" href= -"http://digital.staatsbibliothek-berlin.de/werkansicht/?PPN=PPN629525358"> -1</a>).</p> -<p class="par">De vijfde herziene druk uit 1867 is beschikbaar via -Google Books (copy <a id="xd21e72" class="seclink xd21e41" title= -"Externe link" href="https://books.google.nl/books?id=cNiQjgEACAAJ" -name="xd21e72">1</a>).</p> -<p class="par">Historische eenheden die in dit boek voorkomen:</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">Geographische mijl -(​1⁄15​ middelbare meridiaangraad)</td> -<td class="cellRight cellTop">7407.4074 m (in dit boek is uitgegaan van -de oudere lengte van 7157 m)</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Rijnlandse voet</td> -<td class="cellRight">0.313947 m (dit boek gebruikt 0.31375 m)</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Nederlandse el</td> -<td class="cellRight">1 m</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Javaanse paal</td> -<td class="cellRight cellBottom">1506.943 m (volgens dit boek 1506.0 -m)</td> -</tr> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Bij het opgeven van de astronomische afstanden op -bladzijde <a href="#pb400" class="pageref">400</a> zijn de termen -miljoen en biljoen verward. Een biljoen in dit boek is gelijk aan 1000 -miljoen (een waarde waarvoor wij meestal de term miljard -gebruiken).</p> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke -schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn -stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn -verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het -einde van dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2016-05-26 Begonnen.</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn -dat deze links voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary= -"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e274">2</a></td> -<td class="width40 bottom">rijstmaalijd</td> -<td class="width40 bottom">rijstmaaltijd</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e401">13</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e6802">329</a>, <a class="pageref" href= -"#xd21e7936">361</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e589">24</a></td> -<td class="width40 bottom">pijnpank</td> -<td class="width40 bottom">pijnbank</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e849">35</a></td> -<td class="width40 bottom">ingelijks</td> -<td class="width40 bottom">insgelijks</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e970">40</a></td> -<td class="width40 bottom">lag</td> -<td class="width40 bottom">legt</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1208">51</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e2849">140</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">;</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1225">51</a></td> -<td class="width40 bottom">Ani ani</td> -<td class="width40 bottom">Gòlok</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1790">86</a></td> -<td class="width40 bottom">overbrekelijken</td> -<td class="width40 bottom">onverbrekelijken</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1815">86</a></td> -<td class="width40 bottom">evemin</td> -<td class="width40 bottom">evenmin</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1906">92</a></td> -<td class="width40 bottom">kergketen</td> -<td class="width40 bottom">bergketen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2146">109</a></td> -<td class="width40 bottom">Jezuiten</td> -<td class="width40 bottom">Jezuïten</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2282">116</a></td> -<td class="width40 bottom">goedertierene</td> -<td class="width40 bottom">goedertierende</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2488">122</a></td> -<td class="width40 bottom">afgegelegd</td> -<td class="width40 bottom">afgelegd</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2773">136</a></td> -<td class="width40 bottom">plantenstelsel</td> -<td class="width40 bottom">planetenstelsel</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3203">154</a></td> -<td class="width40 bottom">1854</td> -<td class="width40 bottom">1830</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3397">161</a></td> -<td class="width40 bottom">jonge</td> -<td class="width40 bottom">jongen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3559">169</a></td> -<td class="width40 bottom">onbegrende</td> -<td class="width40 bottom">onbegrensde</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3640">172</a></td> -<td class="width40 bottom">materiele</td> -<td class="width40 bottom">materiële</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3741">176</a></td> -<td class="width40 bottom">opvoedig</td> -<td class="width40 bottom">opvoeding</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4149">189</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4746">207</a></td> -<td class="width40 bottom">dniden</td> -<td class="width40 bottom">duiden</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4759">208</a></td> -<td class="width40 bottom">sints</td> -<td class="width40 bottom">sinds</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4885">213</a></td> -<td class="width40 bottom">hurner</td> -<td class="width40 bottom">hunner</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4974">217</a></td> -<td class="width40 bottom">Iman</td> -<td class="width40 bottom">Imam</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5321">236</a></td> -<td class="width40 bottom">uitgehoold</td> -<td class="width40 bottom">uitgehold</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5377">241</a></td> -<td class="width40 bottom">hangmat</td> -<td class="width40 bottom">hangmatten</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5409">244</a></td> -<td class="width40 bottom">het namelijk,</td> -<td class="width40 bottom">namelijk het</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5479">250</a></td> -<td class="width40 bottom">horitaal</td> -<td class="width40 bottom">horizontaal</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5495">252</a></td> -<td class="width40 bottom">Weringinboom</td> -<td class="width40 bottom">Wĕringinboom</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5585">260</a></td> -<td class="width40 bottom">aanhondend</td> -<td class="width40 bottom">aanhoudend</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5695">266</a></td> -<td class="width40 bottom">wond</td> -<td class="width40 bottom">woud</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5700">267</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e5705">267</a></td> -<td class="width40 bottom">schilpadden</td> -<td class="width40 bottom">schildpadden</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5714">267</a></td> -<td class="width40 bottom">reuzenschilpad</td> -<td class="width40 bottom">reuzenschildpad</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5751">270</a></td> -<td class="width40 bottom">vierdegedeelte</td> -<td class="width40 bottom">vierde gedeelte</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5895">280</a></td> -<td class="width40 bottom">westwaars</td> -<td class="width40 bottom">westwaarts</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5903">280</a></td> -<td class="width40 bottom">schilpadeijeren</td> -<td class="width40 bottom">schildpadeijeren</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5978">286</a></td> -<td class="width40 bottom">blijven</td> -<td class="width40 bottom">blijve</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6004">289</a></td> -<td class="width40 bottom">groete</td> -<td class="width40 bottom">groeten</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6039">289</a></td> -<td class="width40 bottom">bevondt</td> -<td class="width40 bottom">bevond</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6065">290</a></td> -<td class="width40 bottom">disstriktshoofd</td> -<td class="width40 bottom">distriktshoofd</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6357">307</a></td> -<td class="width40 bottom">geheimzinning</td> -<td class="width40 bottom">geheimzinnig</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6705">325</a></td> -<td class="width40 bottom">het het</td> -<td class="width40 bottom">het</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6950">336</a></td> -<td class="width40 bottom">overeenkomt</td> -<td class="width40 bottom">overeenkwam</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e7124">341</a></td> -<td class="width40 bottom">aquivalent</td> -<td class="width40 bottom">aequivalent</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e7780">355</a></td> -<td class="width40 bottom">gestaltevormig</td> -<td class="width40 bottom">gestaltevorming</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href= -"#xd21e7860">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">vegiftiging</td> -<td class="width40 bottom">vergiftiging</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8387">379</a></td> -<td class="width40 bottom">dubbee</td> -<td class="width40 bottom">dubbele</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8401">380</a></td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8417">381</a></td> -<td class="width40 bottom">oorsprokelijke</td> -<td class="width40 bottom">oorspronkelijke</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8701">390</a></td> -<td class="width40 bottom">verwijderderde</td> -<td class="width40 bottom">verwijderde</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8777">392</a></td> -<td class="width40 bottom">wordeu</td> -<td class="width40 bottom">worden</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8797">393</a></td> -<td class="width40 bottom">bewustteloos</td> -<td class="width40 bottom">bewusteloos</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8883">396</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e8887">396</a>, <a class="pageref" href= -"#xd21e8901">396</a>, <a class="pageref" href="#xd21e9015">402</a></td> -<td class="width40 bottom">millioen</td> -<td class="width40 bottom">billioen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e8957">399</a></td> -<td class="width40 bottom">weer</td> -<td class="width40 bottom">meer</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e9115">404</a></td> -<td class="width40 bottom">menscheid</td> -<td class="width40 bottom">menschheid</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e9331">411</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Licht- en schaduwbeelden uit de -Binnenlanden van Java, by F. W. Junghuhn - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT- EN SCHADUWBEELDEN UIT *** - -***** This file should be named 52477-h.htm or 52477-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52477/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/52477-h/images/book.png b/old/52477-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8c9ee4f..0000000 --- a/old/52477-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/images/card.png b/old/52477-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/52477-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/images/external.png b/old/52477-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ba4f205..0000000 --- a/old/52477-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg b/old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3fdcebe..0000000 --- a/old/52477-h/images/new-cover-tn.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/images/new-cover.jpg b/old/52477-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4882dfc..0000000 --- a/old/52477-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/images/rbrace2.png b/old/52477-h/images/rbrace2.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 569bc08..0000000 --- a/old/52477-h/images/rbrace2.png +++ /dev/null diff --git a/old/52477-h/images/titlepage.png b/old/52477-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 08c60a8..0000000 --- a/old/52477-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
