diff options
Diffstat (limited to 'old/52415-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/52415-0.txt | 2976 |
1 files changed, 0 insertions, 2976 deletions
diff --git a/old/52415-0.txt b/old/52415-0.txt deleted file mode 100644 index f547d2e..0000000 --- a/old/52415-0.txt +++ /dev/null @@ -1,2976 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Vertellingen, by -Alberdina Hermanna Schlüter and Jan Wiegman - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Vertellingen - -Author: Alberdina Hermanna Schlüter - Jan Wiegman - -Release Date: June 26, 2016 [EBook #52415] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELLINGEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - ONS SCHEMERUURTJE. - - - XII. - - - H. MEULENHOFF--AMSTERDAM--1918. - - - - - - - - - VERTELLINGEN - - DOOR HERMANNA. - - GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN. - - - H. MEULENHOFF-- AMSTERDAM--1918. - - - - - - - - -PIM. - - -Pim was op een nieuwe, prettige school gekomen; een heel prettige -school was het, zei Pim, als je er hem naar vroeg. - -Moeder, die de school voor Pim had uitgezocht, vond 't ook; alleen -jammer was 't, dat die school zoo'n eind buiten de eigenlijke -stad lag en je het spoor moest oversteken om er te komen. Voor -groote jongens was dat niet zoo erg, maar Pim was nog maar zoo'n -klein ventje! Betje, 't dagmeisje, moest hem daarom altijd tot over -de rails brengen, waar hij geen kwaad meer kon. Als Betje dan thuis -kwam, deed ze verhalen over de onvoorzichtigheid van sommige jongens: -ze kropen onder de afsluitbomen door, als er locomotieven rangeerden, -en liepen nog over, als de trein in zicht was. Pim wou nooit hebben, -dat Betje een stapje verder meeging dan tot net over de rails, dat -vond hij zoo kinderachtig staan, en als Betje dan was omgekeerd, -huppelde hij vroolijk met kameraadjes 't plantsoen door--ook bleef -hij er nog wel eens even knikkeren of tollen--naar zijn school. - -Een heel prettige school was het. Er gingen niet zoo heel veel jongens -op en je hadt er dus gezellig kleine klassen. - -Behalve in de gewone vakken kreeg je er ook les in slöjd en -kleiwerken en bij mooi weer leerde je er tuinieren en allerlei echte -jongensspelen. En dan was er nog iets leuks: je kreeg niet alleen -cijfers voor je leeren, maar óók voor je gedrag! - -Op een andere school ook, zal je zeggen. - -Nu ja, maar dan toch enkel voor je gedrag onder de les en tegenover -den onderwijzer en hier ging 't er ook naar hoe je op de speelplaats -en in den tuin was met de jongens.... of je wel eens valsch speelde -of gniepig deedt.... of je slordig was op je tuingereedschap of -kleinzeerig, als je wat hardhandig werdt aangepakt.... dit alles had er -invloed op, en zoo kwam het, dat 't gedragcijfer hier veel meer in tel -was bij de jongens dan meestal op een andere school het geval is. Dan -kijken ze maar naar de vorderingen, dat's de hoofdzaak, en wie daar -no. 1 in is, die voelt zich een baas, al is zijn gedragcijfer ook nóg -zoo leelijk. Op Pims school kon je no. 1 zijn óók door je gedragcijfer -en daaraan hechtte meneer bijna nog meer dan aan 't no. 1 zijn door je -vorderingen. Nu moet je niet denken, dat er zoodoende allemaal "zoete" -jongens werden gekweekt, aan wie de meeste ferme Hollandsche klanten -een hekel hebben! Neen, hoor! En 'k geloof ook niet, dat zulke "zoete" -jongens veel kans hadden ooit no. 1 te worden, want die zijn meestal -flauw, en meneer lette er vooral op, dat zijn jongens flink waren, -flink in de echte beteekenis van het woord. - -"No. 1 voor gedrag" was zoo'n lange naam, vonden de jongens, daarom -hadden ze met meneer samen er wat anders op verzonnen. - -Rex noemden ze hem; dat klinkt kort en krachtig en 't beteekent -"koning".... of 't dus ook een eerenaam was! Den "no. 1 voor -vorderingen" noemden ze Prins. - -Prins kon natuurlijk niet iedereen worden; dat hing er van af of je -goed kon leeren. Er waren jongens, die 't nooit zoover konden brengen, -al blokten ze nog zoo hard--maar Rex te worden stond voor ieder open -en dat was er juist het mooie van. Om de drie maanden werd er een -nieuwe Rex gekozen uit al de klassen te zamen. Prins was je alleen -maar van je eigen klas, maar Rex van de heele school. - -Iedere jongen wou graag Rex worden en als hij iets had uitgevoerd, -waardoor de kans er voor hem op verkeken was, hoopte hij toch, dat -dan een andere jongen uit zijn klas het zou worden. - -De jongens uit de hoogste verbeeldden zich, dat zij veel meer kans -hadden dan die uit de derde, en de "kleine aapjes," die pas op school -waren, konden er naar hun idee al heelemaal niet op rekenen nu al -Rex te worden. Maar toen meneer hen zoo hoorde spreken, legde hij -'t hun wel anders uit en ook in de lagere klassen zei hij, dat flink -zijn volstrekt niet afhangt van je leeftijd; een groote jongen kon -wel heel laf en een kleine vent van zeven jaar juist heel flink zijn. - -Pim zat meneer met groote oogen aan te kijken, terwijl hem geen -woordje van 't gesprokene ontsnapte; hij was óók zeven jaar, zie -je! Kon hij dus ook al Rex worden? Dat was iets heel groots en dat -zou moeder stellig plezier doen; dan werd moeder misschien ook weer -vroolijk, net als vroeger, toen vader nog leefde en ze prettig met -elkaar buiten woonden. - -Pims gezichtje stond heel vastberaden en ernstig. - -Maar nu praatte meneer over te laat komen; dan was je niet flink--en -zoovelen van de kleinere jongens kwamen geregeld te laat, omdat ze te -lang in 't plantsoen bleven knikkeren en tollen. Pim kreeg een kleur, -terwijl hij eens in zijn zak voelde; daar had hij een tol en.... hij -kwam ook vaak te laat. Dat mocht dus voortaan ook niet meer, als hij -Rex wou worden!.... Den volgenden morgen liet hij zijn tol expres -thuis liggen. - -Hij voelde zich op eens een groote jongen; niet alleen om die mooie -plannen, maar ook omdat hij vandaag voor 't eerst niet weggebracht -zou worden. - -Betje had vanmorgen een boodschap gestuurd, dat ze wegens ziekte -niet kon komen. Moeder moest nu voor alles alleen zorgen: kleine -zus aankleeden, telkens opendoen, o, en honderd andere dingen meer; -zij kon Pim dus ook niet brengen.... - -Pims hartje zwol van trots, toen hij dit hoorde. "Ik kan ook best -alleen gaan," zei hij vol vertrouwen, terwijl hij moeder ferm aankeek; -"ik zal wel heel voorzichtig zijn bij 't spoor." - -Moeder hield hem nog eens vóór hoe gevaarlijk 't er was met 't -rangeeren van de treinen en liet Pim vast beloven, niet onder de -boomen door te zullen kruipen, als ze dicht waren. - -"O," zei Pim nu, "maar dat hindert niets, als je maar voorzichtig -bent; alle jongens doen het; ze gaan zooveel te vroeg dicht en soms -zegt de man, die er bij staat zelf: ga je gang maar!" - -Moeder trok hem naar zich toe. "Pim, jongen, moeder heeft het toch -liever niet. Beloof je mij het niet te zullen doen, ook al schijnt -het alsof 't nog wel kan?" - -Pim beloofde het en toen was moeder gerust, want, hoe klein haar -jongetje ook was, ze wist, dat ze op hem aan kon. - -'t Ontbijt was later dan anders; doordat Betje er niet was, kwam er -telkens oponthoud. Kleine zus was ook zoo onrustig; ze schreide gedurig -en dan moest moeder weer naar boven, waar ze nog in haar wiegje lag. - -Pim pakte zelf zijn tasch in; anders keek moeder altijd, of alles -er wel in was, nu deed hij het alleen. De sponzedoos was eerst zoek, -toen moest hij zijn nieuwe griffels nog uit zijn kastje halen. Door -een en ander ging Pim veel later van huis dan gewoonlijk, maar daar -hij nu niet wou tollen, hinderde het niet. Als hij flink aanstapte, -kon hij best op tijd komen; "tenminste...." zei Pim bij zich zelf -terwijl hij op een draf door de drukke straten liep;--hij voltooide -zijn zinnetje niet--wou er maar liever niet verder aan denken. - -Andere jongens van school kwamen hem achterop; ze waren uit een -hoogere klas. 't Leek wel alsof ze vandaag geen van allen te laat -wilden komen; zeker dachten ze aan wat meneer gisteren ook in hun klas -daarover had gezegd, want in plaats van zooals anders te slenteren of -kattekwaad uit te voeren onderweg, stapten ze nu stevig door en één, -die al een horloge had, spoorde hen aan nog harder te loopen, want 't -werd tijd. Pim kon met zijn korte beentjes die veel grootere jongens -niet bijhouden; hij bleef al gauw een eindje achter, hoe hij zich ook -inspande en tot overmaat van ramp zag hij in de verte de afsluitboomen -dicht. Daar hadt je het nu al! De jongens waren daar al en kropen er -onder door. O, Pim hoopte zóó, dat ze weer open zouden zijn tegen den -tijd dat hij er was; maar dat viel tegen. Er werd druk gerangeerd; -onophoudelijk reden er losse locomotieven met vervaarlijk geblaas en -gepuf heen en weer. - -Pims hartje klopte hem in de keel van 't harde loopen, en nu zou -dat allemaal nog tevergeefs wezen, als.... als die boomen niet gauw -opengingen. - -O, er kropen wel meer jongens onder door, groote menschen ook. En -Pim zou 't ook best durven, maar.... maar.... hij had moeder immers -beloofd het niet te zullen doen. - -Hij popelde.--Aan een mijnheer, die ook stond te wachten, vroeg hij -met een beverig stemmetje hoe laat het was. - -"Op slag van negen, ventje," was het antwoord; "je mag straks wel -hard loopen, anders kom je nog te laat op school!" - -"Kruip er onder door!" ried een slagersjongen aan, terwijl hij 't zelf -ook deed; "dat duurt hier altijd zoo bar lang en nou op 't oogenblik is -er geen trein." Toen hij midden op de rails was, bleef hij even staan -en keerde zich om; "kom maar gauw," riep hij Pim toe, "'t kan best!" - -De mijnheer sprak met den wachter; die deed den boom al een klein -beetje omhoog voor Pim; ja, 't kon nu wel even. Hij liet ze gewoonlijk -maar dicht, omdat er anders op eens zoo'n aandrang kwam van wagens en -fietsen, en zoo lang was de weg niet vrij, maar even, heel even kon -'t wel,--zeker! - -De mijnheer maakte er gebruik van. - -Pim aarzelde. Zou hij ook? Zou hij?--Als 't nu toch kon! Deed hij -'t niet, dan kwam hij te laat--dan kon hij geen Rex worden, moeder -er niet blij mee maken.... Moeder blij maken! Ja, maar.... hij had -moeder daarnet toch beloofd.... De kleine jongen werd beurtelings -warm en koud. Zou hij?--Zou hij niet?-- - -"Toe dan!" riep de wachter op barschen toon. "Ik kan den boom niet -eindeloos ophouden voor jou!" - -Pim zuchtte diep, terwijl hij een paar stappen achteruit ging. "Dank -u," zei hij, "ik vind 't heel vriendelijk, maar.... maar...." - -Met een harden slag viel de boom dicht, het traliewerk aan den -onderkant rinkelde; de wachter keerde Pim den rug toe. - -Die stond daar zoo kleintjes, zoo wanhopig in een hoekje. Wat kon -'t hém schelen dat de trein daar voorbij snorde, dat nu over een -paar minuten, als er ook een van den anderen kant zou zijn gekomen, -de weg weer vrij werd.... Hij kwam nu tòch te laat, hij kon nu geen -Rex worden; uit was het met zijn mooie plannen. En of hij straks al -zei, dat het kwam door den overweg, de jongens, die gelijk met hem -hadden geloopen, waren toch wèl op tijd geweest, zou meneer zeggen, -en dát was waar; Pim wist er niets tegen in te brengen. Heel langzaam -slofte hij naar school. 't Had al negen uur geslagen; Pim had 't wel -goed gehoord; iedere slag had hem in zijn hartje pijn gedaan. ------- - -Pim zat met neergeslagen oogen in zijn bank. Meneer was zoo juist -in de klas gekomen om de te-laat-komers op te schrijven. Pim was de -eenige en alle jongens keken naar hem, terwijl meneer zei, dat hij -dit toch zeker niet meer van Pim had verwacht, nadat ze er gisteren -zóó over gesproken hadden. Pim antwoordde niets; zijn lippen trilden, -hij zou zeker in tranen zijn uitgebarsten, als hij geprobeerd had -wat te zeggen, en dat mocht niet; hij wou flink zijn. Nu riep op -eens 't broertje van een der jongens, die Pim zooeven voorbij waren -geloopen--een klein, vinnig ventje was 't, dat graag klikte en anderen -zwart maakte: "Pim zou niet te laat zijn gekomen, als hij maar niet -zoo flauw was geweest; hij is ook zóó bang, zegt mijn broer!" - -Dat was te veel voor hem! Hij flauw? Hij bang?--En hij wist zoo heel -zeker, dat hij 't ook best zou hebben gedurfd, dat, wat die anderen -hadden gedaan! - -Hij liet zich voorover op zijn lessenaar vallen en riep driftig onder -'t snikken door: "Dàt's nietis, dàt's nietis, dat's nietis! Ik durfde -'t óók best!" - -De klikspaan schrikte er van; hij had spijt, dat hij zich maar niet -had stilgehouden, want nu nam meneer Pim en hem samen mee naar zijn -eigen kamer. Hier werden ze beiden ondervraagd. - -In de klas was 't erg onrustig. Telkens keken de jongens naar de -deur. Wat Pim toch wel voor flauws zou gedaan hebben? Of meneer erg -boos op hem zou wezen? - -Maar ze zouden 't gauw anders hooren. - -Toen ze even later naar buiten gingen om in hun tuintjes te werken, -voegde meneer zich bij hen; hij hield Pim aan de hand en praatte -vriendelijk tegen hem. Pims gezichtje was nog wel behuild, maar hij -keek toch weer vroolijk. De klikspaan-jongen daarentegen zag er uit, -alsof hij pas eens ferm op zijn plaats was gezet; ongemerkt probeerde -hij achter meneer om naar zijn tuintje te sluipen; daar ging hij -dadelijk aan 't graven. - -"Jongens," zei meneer, toen ze allemaal bij elkaar waren, ook die van -de hoogere klassen, "ik wil jullie even zeggen, dat een jongen, die te -laat komt, doordat hij niet een belofte aan zijn moeder heeft willen -verbreken, volstrekt niet de kans heeft verloren om Rex te worden; -integendeel, hij heeft daardoor bewezen flink te zijn, echt flink, -zooals juist een eerste vereischte is voor dezen eeretitel!" - -Allen, behalve de klikspaan, keken weer naar Pim; die van de hoogste -klas nu ook, want ze gisten wel, dat meneer op hem doelde, hoewel -ze er natuurlijk niet allemaal 't rechte van begrepen--maar wat zij -wèl begrepen, was, dat zij, grooten, dezen keer een harden dobber -zouden hebben om het Rex-schap te verkrijgen, daar er heel veel -kans op bestond, dat zoo'n klein aapje uit de eerste klas er mee zou -gaan strijken. - - - - - - - - -DE BOON - - -'t Was Driekoningendag en volgens oud gebruik was er 's middags een -Driekoningenbrood met een krans van brandende kaarsjes er om heen op -de zaal gebracht, waar de herstellende kinderen waren. Zuster Mina's -oogen schitterden net zoo vroolijk als de kaarsjes, toen ze den schotel -op de tafel, in 't midden van de zaal, zette, waar alle kinderen er -goed naar konden kijken. Straks zouden ze er van mogen proeven, maar -nu moesten de kaarsjes eerst maar wat vroolijkheid brengen met hun -lichte vlammetjes en onderwijl vertelde Zuster Mina met haar zachte, -duidelijke stem van de drie Wijzen, of drie Koningen, uit het Oosten, -die de verre, verre reis deden op hun kameelen, geleid door 't licht -van de Ster, om het Kindeke in de kribbe te zoeken. - -De meeste kinderen waren met Kerstmis ook al in 't Ziekenhuis geweest -en hadden toen bij den Kerstboom hooren vertellen van 't Kindeke in -de kribbe, geboren in den stillen Kerstnacht.--En dit, waar Zuster -Mina nu van sprak, geleek hun een vervolg toe van die mooie, oude -geschiedenis.-- - -De kaarsjes waren nog maar kleine stompjes en 't was begon af te -druppelen. Zuster Mina blies ze nu voorzichtig één voor één uit.--Alle -kinderen keken er met gespannen aandacht naar, hoe 't ééne lichtje na -'t andere verdween. - -Hè, zoo jammer, vonden ze 't, toen er geen een meer over was; -'t Driekoningenbrood, zonder zijn stralenkrans, geleek zoo nuchter -en gewoon. - -Maar Zuster Mina had al weer wat te vertellen. Nù sprak ze niet zacht -en eerbiedig, want dit, wat er nù kwam, had met die mooie geschiedenis -niets te maken; dit was maar een grapje, een aardigheid, die de -menschen later verzonnen hadden, toen ze Driekoningenfeest gingen -vieren en daarvoor Driekoningenbrood bakten. Al heel lang was 't de -gewoonte geweest een boon in 't deeg te bakken. En wie dan straks, -bij 't ronddeelen, de boon op zijn bord zou krijgen, werd "koning" -genoemd en moest trakteeren. - -En nu was er in dit Driekoningenbrood ook een boon verborgen. - -Dàt vonden de kinderen leuk, vooral toen ze hoorden dat degene, -die de boon zou krijgen, vandaag ook "koning" zou wezen. - -"Moet hij dan ook trakteeren?" vroeg Betje de Bruin en ze strompelde op -haar krukken naar de tafel om 't gebak eens goed te bekijken. Misschien -zag ze de boon wel, dacht ze, maar dat was mis. - -"Neen," zei Zuster Mina, "wij doen 't zóó: wie "koning" is, mag -kiezen wat voor spelletje er gespeeld zal worden en mag dan 't eerst -een beurt hebben. En op zijn bord zetten we een nieuw kaarsje. Dat -steken we aan en zoo lang 't brandt, mag de "koning" een mooie kroon -op hebben van goudpapier." - -"Of de "koningin"," riep Betje. - -Zuster lachte. "Ja, natuurlijk, als jij de boon treft, ben je koningin -en dan mag jij de kroon op hebben. Kijk, hier heb ik 'm!" - -De mooie gouden kroon ging voorzichtig van hand tot hand. - -"Pas op, niet scheuren," waarschuwde Dora Bergen, toen Hansje 'm van -haar aanpakte. Hans was zoo'n wilde jongen. Door zijn wildheid kwam -'t ook, dat hij hier was: hij was achter op een wagen geklommen, -had een leelijken val gedaan en had zijn hoofdje erg bezeerd. 't Zat -nog in verband, hoewel hij al weer vroolijk rondliep. - -Zuster Mina kreeg de kroon weer goed en wel terug. Zij zette 'm op -een kastje en ging nu 't Driekoningenbrood snijden. Heel langzaam, -dat allen 't goed konden zien. 't Was een gewichtig werkje, vonden -de kinderen. - -Twaalf gelijke stukken lei Zuster op een schotel. 't Gebak was precies -op gedeeld. In één van die stukken was dus de boon verscholen!-- - -"Hè, 'k hoop dat ik 'm tref!" zei Piet. - -"Nee ik!" riep Dirk. - -"Och jongen, jij bent al zoo groot!" - -"Nou, wat zou dat? 'k Wil toch wel 's "koning" zijn; dat is me nog -nooit gebeurd. Wat zeit u, Zuster?" - -"Of je gelijk hebt," lachte Zuster Mina en begon rond te deelen. - -"Wachten tot ieder een stuk heeft, kinderen, en dan tegelijk beginnen," -riep zij. - -De grooten gehoorzaamden dadelijk en lieten hun deel rustig liggen, -maar voor de kleintjes was 't een toer er af te blijven. - -"Hans zit er telkens met zijn vingers aan, Zuster," klikte Betje. - -"Nietes," bromde Hans met een vuurroode kleur. - -"Ziezoo, nu kunnen jullie beginnen! Wat ik benieuwd ben," zei Zuster -Mina, "wie straks de kroon op zal krijgen!" En ze ging vast een nieuw -kaarsje klaar maken. - -Al gauw klonk het: "Ik heb 'm!" Dat was 't schrille stemmetje van -Hans. Hij hield een boontje omhoog. - -"Wel, wel," zei Zuster: "zoo'n kleine "koning"--als de kroon je -maar past!" - -'t Kaarsje werd aangestoken en Hans kreeg de kroon op; ja, dat ging -best. Alle kinderen lachten en riepen: "Leve koning Hans"! - -Maar "koning Hans" zei niets en at stilletjes zijn gebak verder op, -zonder haast naar 't kaarsje te kijken. De anderen hapten lustig -van hun stuk; ze behoefden niet meer zoo voorzichtig te doen, want -ze wisten nu, dat er toch niets in was. Maar 't smaakte er hun even -lekker om, hoor! - -Opeens, zoo onverwacht, dat ze er allemaal van schrikten, klonk -'t heel hard: "hé!" Dat was Dirk. - -"Ik heb óók een boon," riep hij verbaasd; "'k had 'm bijna ingeslikt, -kijk!" en op zijn bord liet hij 't boontje rondgaan. - -"Dan zal de bakker er twee in hebben gebakken," zei Zuster Mina,--"nu -hebben we dus twee koningen--dat 's een raar geval, want er is maar -één kroon!" - -"O, laat Hans 'm gerust ophouden," riep groote Dirk gauw en hij lachte, -"'t Is maar de aardigheid; ik ben best tevreden, als jullie allemaal -"leve koning Dirk!" roepen!" - -Dàt deden ze. Tot de laatste kruimeltjes toe werd 't lekkere -Driekoningenbrood opgegeten. Toen was ook meteen Hans' kaarsje -opgebrand. Zuster nam hem de kroon af, want de kinderen moesten nu een -uurtje rusten. Straks zouden er spelletjes gespeeld worden en Hans en -Dirk mochten dan om beurten kiezen. Omdat ze allebei "koning" waren, -was dat 't eerlijkste. - -Dirk was 't best, maar Hans zei niet veel. Of hij moe was? - -'s Middags, bij het spelletjes doen, moest Zuster telkens naar hem -kijken; hij was zoo hangerig en zat maar 't liefst in een grooten -stoel te droomen. - -Toen de dokter kwam, sprak ze even apart met hem over den kleinen -jongen en 't gevolg was, dat Hansjeman al heel vroeg in zijn bedje -werd gestopt. - -"Wel te rusten "koning" Hansje!" zei Zuster Mina uit de grap, terwijl -zij zich over zijn bedje boog om hem toe te stoppen. - -Daar begon Hans plotseling te schreien, zoo bitter bedroefd, dat -Zuster er van ontstelde. Ze nam hem in haar armen en suste hem en -eindelijk was de kleine jongen zoover bedaard, dat hij zeggen kon, -wat er aan scheelde. O, dat was een naar verhaal, dat Zuster te hooren -kreeg. Hansje had toch zoo valsch gedaan vanmiddag met de boon! Hij -was zoo bang geweest, dat de boon niet in zijn stuk zou wezen en toch -had hij zoo dolgraag de mooie kroon op willen hebben; daarom had -hij gauw, stilletjes, 't boontje uit zijn sponzendoos in zijn stuk -Driekoningenbrood gestopt. De boon van Dirk, dat was wel de echte -boon geweest, maar Hans had zich, toen Dirk 'm vond, zóó geschaamd: -hij had 't niet durven zeggen. En nu had hij er toch zoo'n vreeselijken -spijt van! 't Was aldoor zoo'n akelig gevoel geweest, niks leuk om zóó -"koning" te zijn en de kroon had hem zóó gedrukt,--hoewel 't maar een -licht dingetje was, dat je wel weg kon blazen,--en 't lichtje had hem -zoo in de oogen geschenen, dat was nog 't ergste geweest, dat mooie, -heldere lichtje, dat tot in Hansje's hart scheen door te stralen--o, -hij had 't haast niet uit kunnen houden. - -Zuster praatte zachtjes nog een poosje met Hans. Toen werd hij rustiger -en viel kalm in slaap. - -Den volgenden morgen was Hans veel beter; hij mocht weer op den gewonen -tijd opstaan en 't leek voor de andere kinderen of er niets veranderd -was, of alles bij 't oude was gebleven. - -Maar er was wèl wat anders geworden--dat wist Hansje heel goed. - -Toen hij na eenigen tijd weer heelemaal beter was en naar huis -kon gaan, was hij wat ongerust, dat Zuster Mina vergeten zou zijn -sponzendoos bij zijn goed te pakken. - -In die sponzendoos had Hans een boontje. - -Zuster wist 't wel; ze had 't gezien, maar zei er niets van.-- -- ---'t Was de boon van den Driekoningendag.-- - - - - - - - - -DE NIEUWE SLEE. - - -"Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?" - -"Och, niks!"--en Wim legde gauw zijn arm over 't papier, terwijl hij -Nette met een donkeren blik aankeek. - -"Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag," vertelde Otto, -die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de -dictionnaire opzocht. - -"Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat 's kijken, -Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik -niet eens mag zien wat er op staat?" - -Wim schoof voorzichtig een vloeitje over 't begin van zijn lijst en -terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette -een kijkje op de rest te geven. - -"Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel," -las Nette halfluid. - -"En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft," -viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier, -die Wim hem naar 't hoofd gooide, te ontwijken. - -"Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?" voer Wim vuurrood -van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het -vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters -boven aan de verlanglijst: "een ijzeren slee zooals Vic heeft." - -"Dat 's gemeen," bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en -gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel. - -"Och, mannetje, heb toch niet zoo'n praats! Je hebt zeker wel een -half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond -'t met letters als koeien; als 't zoo'n geheim was, hadt je maar wat -beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik 't helpen, -dat ik 't zoo heb gelezen?" - -"Nou ja," mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij -wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde -zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo'n grooten wensch -voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma -een boek en verder een paar kleinigheden.--Maar een slee--dat was -zoo iets groots,--Wim had 't bijna niet durven opschrijven--en -toch, en tòch--hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor -sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een -lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan -goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo'n vaart, dat je -heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de -Schuttershei, doorgleedt.--Heerlijk! Wim vond 't nog prettiger dan -schaatsenrijden!--Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve -misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen, -want de zijne had 't verleden winter afgelegd, er was geen herstellen -meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan had hij nu spijt -genoeg, maar dat was een schrale troost en 't hielp hem niet aan een -nieuwe slee!--Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma -misschien?? In elk geval kon hij 't probeeren, en zoo kwam het, dat op -Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond: een ijzeren slee. - -"Zou je er een krijgen van Ma?" vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim, -die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder -'t hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat. - -Wim haalde zijn schouders op. - -"Och." - -"Och, wel nee," zei Otto; "dat kan je begrijpen, zoo'n ijzeren slee -is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim 't durft vragen--als 't nu nog -een prikker was...." - -"Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook," mompelde Wim zonder -op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden -uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende. - -"Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo'n lompe prikker! Ze -zouden er je nog om uitlachen!" - -"Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt -je tenminste niet uitgelachen!--'t Kan mij niet schelen! Ik sleed -liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar -naar kijken mag. Dat zeg ik je!" - -In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui -en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven -sleden met een prikker--en beide jongens raakten zoo in vuur, dat -'t weinig scheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen. - -Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst -en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had -ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen -zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen -klaar was. - -"Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten -schrappen. Dat is wel een erg groote wensch, vindt je niet?--Je weet -wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!" - -Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog: -"Maar in plaats van 't boek, Ma?" - -"Ma vindt 't erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen, -maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk -je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch -niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet -je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei -andere noodzakelijke dingen!" - -Wim liet 't hoofd hangen.--Ma gaf hem een kus en vervolgde op -opgewekten toon: - -"Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens -leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school -en thuis wat minder wild bent, of je dan 't volgend jaar niet zelf -weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan, -hoor!" en Ma dreigde hem lachend met den vinger. - -Wim gaf een flauw lachje terug. 't Volgend jaar een prikker--och, -en hij wou nù een ijzeren slee! - -Verdrietig sloop Wim weg. - -Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts -enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden -elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens -uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin. - -"Dat gaat goed," zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker, -dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets -op; hij dacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest -afzetten, en aan Otto's prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit -maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in 't rond -dik onder de sneeuw lag, had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu -zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier -uur en hij zou mogen toekijken! - - - -Ze zaten maar met hun vieren aan 't ontbijt: Ma, de groote zussen, -Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden -gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen. - -Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn -boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker. - -Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden -zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets -van zijn booze bui merkte. - -"Wim, jongen," zei ze, zoo opgewekt mogelijk, "Otto en Net zijn zoo -gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me -doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!" - -"Bij Nicht Saar!" herhaalde Wim langzaam. "Moet ik er naar binnen?" en -zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in 't dorp op -kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij -was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte -gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was, -wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar -voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch -kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen, -want 't scheen dat Nicht 't zich in het hoofd had gezet, dat Wim, -omdat hij Willem heette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen, -en--dat was niet het geval! - -"Neen," zei Ma, "je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk -er aan, 't niet in de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van -of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar -adres aan de juffrouw vragen." - -"Ja Ma," zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham -in den mond stak. - -"Je mag wel wat voortmaken," maande Truus aan, "anders kom je nog -te laat." - -Wim stond op, stopte 't briefje in zijn blouse en verdween met een -halfluid: "Dag Ma, Truus, To," in het aangrenzend kabinetje, waar de -jongens 's avonds hun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon -Wim zijn boeken in 't zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag -er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel -en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren, -hij zonder slee! - -Het riempje zat vastgesjord en Wim was op 't punt weg te gaan, toen -Cato iets zei, dat zijn aandacht trok. - -"Bedoelt u zoo'n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?" vroeg ze -tamelijk luid. - -"Sst," zei Ma. - -"O, maar Wim is al weg," zei Truus nu. - -Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen -deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben -gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn -oor tegen den kier van de deur. - -"De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet," hoorde hij Ma nog -zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim -sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg. - -Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was -er zoo mee vervuld, dat hij 't briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou -Ma tòch nog...? Of misschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde -weer op--ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste -overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg -boos humeur, weg bokkepruik--geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om -twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en -met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker, -die hoogst vergenoegd naar beneden sulden. - -Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar -niet pedant--'t zal te bezien staan of jouw slee de mooiste blijft -van de heele baan! - -Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid -stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl -hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus -deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen. - -Nicht woonde in de Langestraat--als hij hard liep, kon 't nog net. - -Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine -zij straatjes van de Heerenstraat, kwam buiten adem aan 't huis, -waar Nicht Saar en pension was, trok aan de bel alsof er brand was, -en stopte 't briefje gauw in de bus. - -Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij -zich, dat Ma nog zóó had gezegd 't briefje niet in de bus te stoppen, -maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo'n -dringende boodschap zou 't toch wel niet zijn en mogelijk was -Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en -antwoordde volmondig "ja", toen Ma hem aan de koffietafel vroeg, -of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk -mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen -en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou -krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: "Praat maar toe, ik weet -wat ik weet." Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar -de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter 't -aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier en sierlijker werd -de slee en op den jaardag zelf was 't al een pronkjuweel geworden, -waarbij die van Vic maar een prul leek. - -Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in -werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was -nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten, -de huiskamer binnen te gaan. - -"Even nog wachten, vent," zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en -gefeliciteerd had; "ik ben nog niet heelemaal klaar," en Ma verdween -weer in de kamer. - -Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend -onder haar schort--toen Otto, die hem in 't voorbijgaan zijn cadeau -vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte--en 't -laatst van allen Nette. - -Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen. - -Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte. - -"Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de -gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!" klonk 't hem tegemoet. - -Wat ongeduldig weerde hij de zussen af--dat gezoen was 't vervelendste -op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar 't tafeltje -voor 't raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd -vloeipapier, zóó dat ze 't meest voldeden. Een boek in prachtband, -een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer -en een stuk chocola;--en dan nog 't zakmes van Otto, dat Wim er -nu bij legde. Wim bekeek zijn presenten en bedankte, maar hij was -niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van -'t tafeltje door de kamer. De slee--waar was de slee? Wim durfde er -niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat -de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou 't wezen. Toen -werd hij wat opgewekter. - -Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed: -"Is er niets voor mij gekomen?" - -En toen 't antwoord "Neen" luidde, nam Wim 't haar bepaald kwalijk, -en zij kon 't toch allerminst helpen. - -Den heelen middag, 't was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen -een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan. - -Of hij zich dan niet wel voelde? - -Och, jawel--en Wim zat lusteloos in den grooten stoel voor 't raam -wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van -zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet -verscheen. - -"Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren," dacht Ma, -die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. "Zou -'t om de slee wezen? Maar ik heb 't hem immers vooruit gezegd, dat -hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten." - -Ma begreep er 't rechte niet van--ze wist ook niets van Wims -luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma 't rechte niet -begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan -had, als hem was opgedragen. - -Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden -ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar -niet verscheen. 't Was een saaie middag. - -"Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is," zei Cato aan tafel. - -"Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?" vroeg Nette verbaasd. - -"Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagd en ik heb gezien, -dat ze hem opgeschreven heeft." - -"Den mijnen ook?" vroeg Otto. - -"Welnee, alleen dien van Wim." - -"Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!" - -"Daar heb ik ook wat aan," bromde Wim, die, hoewel hij anders niet -op Nicht Saar gesteld was, 't nu toch wel aardig zou hebben gevonden, -als Nicht gekomen was--met een pakje--nu ja, dat hoorde er natuurlijk -bij. 't Zou tenminste zoo'n klein beetje een vergoeding zijn geweest -voor die teleurstelling over de slee. - -"Zou Nicht 't kwalijk hebben genomen, u weet wel?" vroeg Truus met -een wenk aan Ma. - -"'t Kan bijna niet, daar 't alleen een antwoord was op haar vraag--maar -toch, je kunt 't nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet -zeker wist, dat Wim er 't briefje zelf had afgegeven, zou ik denken, -dat 't misschien niet tot haar is gekomen." - -Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over 't briefje? Wat -was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee--'t was al -zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had -'t ook maar half gehoord. - -Om zeven uur een harde ruk aan de bel. - -"Een verrassing voor jou!" riep Truus uit. - -Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. "Ik hoop tenminste, -dat je 't prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo -gauw voldaan." - -Wim kreeg een kleur. Ja, Ma had gelijk: hij was schandelijk ondankbaar -geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was 't gauw vergeten, -dan kwam alles nog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma 't zich -maar wenschen kon. - -Gepraat in de gang--stappen naar de deur, die Otto met een zwaai -opendeed--daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram, -Nico, Piet en Vic. - -Leuk van Ma ze stil te vragen,--maar, waar was--de slee? Wim wierp -achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur -was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit -komen? En hij had toch zelf gehoord, dat Ma er met de meisjes over -sprak! - -Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen -met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging -het alles buiten hem om. - -Tegen negen uur werd er weer gebeld. - -"Nog een verrassing!" riep Nette uit. - -"Nee, nee," zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim; -"'k zou niet weten wat er nu nog moest komen!" - -'t Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch -alle hoop laten varen. Bijna negen uur. Nee, als de slee had moeten -komen, was hij er nu al geweest! - -Jansje tikte. "De post, Mevrouw!" - -"Hé! van Nicht Saar," zei Ma verrast en toen, even later met een -vroolijken blik op Wim: "Luister eens, jongen, dit geldt jou ook." - -"Vanmiddag laat van een driedaagsch uitstapje thuis gekomen, vond -ik je brief met de inlichtingen--die ik trouwens zelf gevraagd -had--van Willems wenschen. 't Is wel niet mijn gewoonte cadeaux -te geven op verjaardagen, maar met Willem wil ik een uitzondering -maken. 't Spijt me zeer, dat ik je brief niet eerder in handen heb -gekregen--nu ben ik niet klaar met mijn cadeau. 't Is nu te laat er -nog voor te zorgen. Eerlijk gezegd, was ik ontevreden, omdat ik op -mijn vraag maar geen antwoord kreeg. We hadden toch afgesproken, -dat je zoudt informeeren of ik nog thuis was; zoo niet, dan zou -de juffrouw je mijn adres geven. Het ontstemde mij, dat ik geen -bericht van je kreeg en daarom kwam ik ook niet, zooals eerst mijn -plan was, vóór Willems jaardag thuis. Enfin, ik heb den brief nu en -'t is zeker een misverstand geweest. 't Is me nu te laat om zelf nog -te komen, bovendien ben ik moe van de reis; maar ik wil den jongen -zijn cadeau nu toch niet onthouden. Geef hem inliggenden brief met -mijn gelukwenschen." - -Vier, vijf, zes handen tegelijk werden naar het papiertje uitgestoken, -dat Ma omhoog hield. - -Wim pakte het en met een kleur als vuur las hij hardop: "Goed voor -een mooie ijzeren slede, uit te kiezen door Willem zelf." - -"O, Ma!" was al wat Wim zeggen kon--de tranen sprongen hem in de oogen, -en als hij zich niet geschaamd had voor de vrindjes, dan... - -Dat werd een heerlijk slot van den dag. Ma verzon het en allen vonden -'t dol. Verbeeld je, ze gingen met hun zessen en de vier vrindjes er -bij, dat was tien, warm ingestopt er nog op uit, naar de Kerkstraat, -om daar bij den smid een slee uit te kiezen. 't Was Wim alsof hij -droomde, nu hij daar op den laten avond in den winkel stond en zijn -vurige wensch op 't punt was vervuld te worden. - -Hij zocht een prachtslee uit. Zelfs Vic moest bekennen, dat de zijne -er niet bij haalde. - -Of ze haar dadelijk mee mochten nemen? "Wel ja, hoor!" Nette in de -slee--Wim, Otto, Vic en Piet aan 't duwen--hei, wat vloog die er -overheen! Zoo licht als een veer! - -Nu weer terug naar Ma en de anderen, en toen in vroolijken optocht -allen met elkaar de vier vrinden één voor één thuis gebracht. Het -laatste eind mocht Wim zelf in de slee. - -Ma liep er op een drafje bij met de meisjes en pret dat ze hadden. Wim -vooral, hij was door alles heen. - -Maar thuis, toen de nieuwe slee veilig was opgeborgen en de drie -jongsten ook nog even mochten opblijven om na te praten, werd Wim -weer stil. Hij keek zoo ernstig. - -"Jongenlief, wat is er?" vroeg Ma, die zich al ongerust maakte. - -"Ma--ik--ik weet wel hoe 't komt, dat Nicht uw brief zoo laat -kreeg." Ziezoo, nu was 't begin gemaakt, nu was 't hooge woord er -uit: "'t Was mijn schuld, Ma"--en haperend en stotterend, maar toch -al opgelucht, vertelde Wim de heele geschiedenis, ook dat van zijn -luistervink spelen. - -Ma zei er maar niet veel meer van; de jongen had er al narigheid -genoeg over gehad. Maar gelukkig, het eind van den dag was dan toch -goed geweest, vond Ma, terwijl ze haar jongen afkuste en zijn hoofd -weer ophief, dat hij erg beschaamd liet hangen. - -Nou, òf 't goed was geweest! Dat vond Wim ook, toen hij in bed lag -en den heelen dag nog eens naging. "Maar de halve waarheid spreken -en voor luistervink spelen doe 'k van mijn leven niet meer," dacht -hij,--"wat een ellende heb ik me daarmee op den hals gehaald! En--'t -scheelde niet veel of ik was er mijn slee nog door misgeloopen ook!" - - - - - - - - -ER ZIT ZOO'N STOUT, KLEIN MEISJE NAAST ME OP SCHOOL. - - -Annie kwam uit school; ze liep natuurlijk op een drafje, al huppelend; -'k geloof, dat ze heelemaal niet meer gewoon kalm kon loopen. Ma -haalde haar, Ma met Hek, den grooten hond, die zoo goed de school -wist te vinden. Geen wonder, want elken dag mocht hij mee om Annie te -brengen en te halen, alleen als 't regende had Ma 't liever niet. Weet -je waarom? Hektor kon geen parapluutje ophouden en geen cape omslaan -zooals Annie en als 't regende werd zijn mooi vachtje dus druipnat, -en dan maakte hij later alles in huis zóó vuil! Nu was 't droog weer; -prettig voor Hek en voor Annie, want die dacht al aan allerlei prettige -plannetjes voor 's middags; dan had ze geen school, zie je. - -Annie en Hek liepen samen vooruit tot aan den hoek der stille straat; -daar moesten ze op Ma wachten, die veel te bang was dat ze bij het -oversteken niet op de electrische tram zouden letten. Annie gaf Ma nu -een arm, terwijl Hek blaffend bij haar opsprong en de tasch probeerde -te pakken, waarmee Annie telkens langs zijn neus zwaaide. - -Een paar huizen ver zei Annie niets en anders was ze zoo'n -babbeltje. Ma dacht al: "misschien heeft ze op school iets uitgevoerd -en is de juffrouw een klein beetje boos op haar geweest." Juist wou Ma -er naar vragen, toen Annie haar op eens met een heel ernstig gezichtje -aan den arm trok. "Ma," fluisterde ze, "vanmorgen is er een nieuw -kind op school gekomen; ze zit naast me, en 't is toch zoo'n stout, -klein meisje." - -"Zoo," zei Ma, "wat heeft ze dan gedaan?" - -"Ze wou heelemaal niet stil zitten en ze luisterde niet, en toen -heeft de juffrouw haar in den hoek gezet." - -Ja, dat was erg, dat vond Ma ook en toen ze thuis kwamen en Annie er -Pa van vertelde, vond Pa het ook al heel erg om op den eersten dag -van je op school zijn in den hoek terecht te komen. Onder de koffie -begon Annie telkens weer over 't stoute meisje; hoe ze heette wist -ze niet precies, Koosje of Roosje of misschien Toosje, morgen zou ze -'t haar eens vragen. - -"Pas maar op dat Koosje, Roosje of Toosje jou niet stout maakt," zei -Pa, maar Annie schudde van neen. "Ik praat heelemaal niet met haar," -verklaarde ze beslist. - -"Dat vind ik niets lief van je. Onder de les moet je natuurlijk stil -zijn, maar onder 't spelen kan je toch wel aardig voor haar zijn? Je -zit naast elkaar in de klas, en zij zal zich nog zoo vreemd voelen -op school." - -Toen Ma dat zoo zei, moest Annie op eens aan vanmorgen denken hoe -'t nieuwe, kleine meisje daar zoo verlaten bij de deur had gestaan, -terwijl de andere kinderen, die ze geen van allen kende, met elkaar -zulke prettige spelletjes deden. - -"Morgen zal ik vragen of ze mee doet", beloofde ze, terwijl ze 't -laatste hapje van haar boterham in den mond stak. Hek wachtte daar -al op, want hij wou door den tuin hollen en op z'n eentje vond hij -er niets aan. - -'s Middags mochten Annie en Hek met Pa en Ma mee naar het bosch en -wie denk je, dat ze toen tegenkwamen op het Plein?--Annie's buurtje -van school.--Ze liep heel alleen met een grooten zak in haar hand en -keek zoo donker uit haar zwarte kijkers. Annie trok Pa aan zijn jas -en knikte toen, wel een beetje verlegen. 't Kind groette niet terug; -ze zag Annie misschien niet eens, want ze had alleen maar oog voor -Hektor, die op haar af kwam om aan den zak te snuffelen. - -"Hektor, hier", riep Pa, en toen tegen het kleine meisje "hij doet je -niets hoor--kijk maar eens hoe goede vrienden hij met Annie is!" Even -keek ze angstig op naar Pa en naar Annie, en toen vloog ze weg, -het Plein over, met haar zak stevig tegen zich aangeklemd. - -"Dàt was ze nu", zei Annie,--"dàt was 't stoute, kleine meisje, -dat naast me zit op school. "Ze deed niet erg vriendelijk, hè Ma?" - -"Ze was nu bang voor den hond--je moet haar morgen maar eens vertellen -hoe 'n lief dier Hek is, dat vindt ze misschien wel aardig", raadde Ma. - -Den volgenden dag kregen Pa en Ma aan de koffie weer heele verhalen -over 't stoute, kleine meisje; Toosje heette ze, Annie had 't haar -gevraagd en in 't speelkwartiertje had ze ook haar best gedaan -Toosje mee in den kring te nemen, maar Toosje had niet gewild en ja, -dat was wel erg stout geweest, ze had Annie toen een tikje op haar -hand gegeven. Onder de les was Toosje ook weer zóó lastig geweest, -dat de juffrouw haar school had moeten laten blijven! - -"Wat stout, hè?--haar Pa en Ma zijn in Indië en nu woont ze bij een -Mevrouw in de straat, hierachter", vertelde Annie verder. - -"Van onze slaapkamer kan je precies in hun tuin kijken. Ik vind Toosje -toch niets geen aardig meisje, en als ik jarig ben, vraag ik haar -niet. Mientje en Betty wel, die zijn lief, en Jo en Truusje mogen -ook komen, hè Ma?" - -"Hoeveel nachtjes moet je nog slapen?" vroeg Pa. - -"Laat eens zien--nog drie, nee, nog vier nachtjes! Hè, zoo prettig!" Nu -dacht Annie al niet meer aan Toosje, zooveel had ze te bedenken en -te vragen over haar jaardag. Wat of ze wel krijgen zou? Pa plaagde -haar en zei dat hij haar iets heel groots zou geven omdat ze zelf -zoo groot werd--'t moest een plaatsje in de speelkamer krijgen, -maar Annie kon het niet neerzetten. - -"Een plakboek dan?" raadde Annie, "dat kan ik in de kast van de -speelkamer leggen." - -"Nee, 't kan niet in de kast, 't is véél te groot--je kan het ook -niet neerleggen." - -Niet neerzetten en niet neerleggen--dat was moeielijk te raden, maar -meer wou Pa er toch niet van zeggen en Annie moest dus stilletjes -wachten totdat ze nog vier nachtjes had geslapen. Vier nachtjes -en--drie daagjes, 't duurde wel lang, maar eindelijk waren ze toch om. - -Op haar jaardag maakte Ma haar wakker met een kus. Annie deed haar -oogen open en--toen wist ze 't op eens--"vandaag ben ik jarig!" juichte -ze. - -'t Scheelde niet veel of nu had Annie op school in den hoek moeten -staan. Ze kon maar niet stilzitten, want ze had Truusje, die vóór -haar zat, zooveel te vertellen van de mooie presentjes, die, ze -had gekregen. "En weet je wat ik van Pa heb, dat ding, dat ik niet -neer kan zetten of neer kan leggen? Een groot schilderij om in de -speelkamer te hangen! Is dat niet echt? 't Is zoo mooi, je ziet er -twee kleine meisjes op en kippen en kuikentjes, en een klein katje." - -"Annie, als je nu weer zoo druk babbelt, mag je straks niet mee -spelen," klonk opeens de stem van de juffrouw. - -Truus stak haar vinger op. "Juffrouw, ze is jarig!" - -"Ja," knikte Annie blij, terwijl ze vuurrood werd. Nu moest ze even -bij de juffrouw komen om gefeliciteerd te worden en alle kinderen -keken er naar. Annie jarig, wat prettig, ze hadden allemaal wel jarig -willen zijn. Toen Annie weer op haar plaats zat, gaf Toos haar een -stootje. "Krijg je visite?" vroeg ze kortaf. - -"Ja," fluisterde Annie. - -"Vraag mij ook." - -Annie schudde van neen en beduidde haar buurtje dat ze stil moest zijn -om de juffrouw. Toos zei toen niets meer, maar in 't speelkwartiertje -kwam ze op Annie toe, die met haar vriendinnetjes stond te praten en ze -alle vier voor dien middag op visite vroeg, en riep hard in haar oor: -"Ik kom toch!" Meteen zette ze 't op een loopen. - -"Dat durft ze toch niet," zei Mientje zoo stellig, dat Annie er -weer door getroost werd, want ze vond het een akelige gedachte dat -die stoute Toos, die alle pret bedierf, vanmiddag op eens zou komen -aanzetten. Nu deden ze nog met de juffrouw allerlei spelletjes en daar -Toos verder geen woordje meer tegen Annie zei, vergat deze heelemaal -haar bedreiging. - -'t Was een middag zoo prettig, als Annie in lang niet had gehad! De -vier vriendinnen Mientje, Betty, Truus en Jo waren precies op tijd -gekomen; nadat ze de mooie cadeautjes bekeken en 't schilderij -bewonderd hadden, dat een groot deel van den wand in de speelkamer -besloeg, hadden ze spelletjes gedaan en pret gemaakt met Hektor -en nu zaten ze op kleine stoeltjes in 't prieël achter in den tuin -bij de zonnebloemen, waar Ma een tafel vol versnaperingen had laten -brengen: voor ieder een glaasje frambozenlimonade en een schotel vol -taartjes. Annie mocht presenteeren; ze liet de gasten eerst uitzoeken -en nam dàn zelf, dat hoorde zoo, zei Ma. 't Was een echte smulpartij, -waarvan Hek ook zijn deel kreeg omdat 't vrouwtje jarig was. Toen -de schoteltjes leeg waren, stelde Annie voor een beetje te gaan -rondloopen, voordat ze aan 't tweede taartje begonnen en in dien -tusschentijd ....je moet niet schrikken, 't is heusch waar.... wie -zat er toen ze terugkwamen in 't prieël bij de zonnebloemen? Toos? Ja, -'t was Toos! Ze had een leeg schoteltje voor zich staan en likte haar -vingertjes af, terwijl ze al weer met haar oogen een taartje uitzocht -van den schotel. - -"Ik zei dat ik zou komen en daar ben ik," vertelde ze heel kalm, -terwijl ze zich nog wat dieper in haar stoeltje nestelde en de vijf -verschrikte meisjes met haar zwarte oogen donker aankeek; "ik vind -visites prettig en 'k houd veel van taartjes." - -"Maar, je bent niet gevraagd," zei Truus, [1] die den meesten "durf" -had van de vijf. - -"Je mag niet op visite komen als je niet bent gevraagd." - -"Hoe ben je hier gekomen? Door de voordeur?" vroeg Mientje, die achter -Jo kroop, want 't was net alsof ze nu een beetje bang was voor Toos, -wier plotseling dáár zitten ze zich maar niet kon verklaren. - -"Door de heg, 'k heb de takken op zij gebogen," verklaarde ze kortaf, -en peuzelde onderwijl nog een gebakje op. - -De meisjes keken elkaar aan. Gelukkig, daar kwam Ma uit huis om eens te -zien of de kinderen schik hadden. Annie vloog naar haar toe en vertelde -onder tranen van de ongenoode gast. "Nu heb ik heelemaal geen schik -meer; die nare Toos ook, u moet haar wegsturen, ze mag hier niet zijn!" - -"Nu, nu," zei Ma, die 't niet helpen kon dat ze even moest lachen; -"een beetje grappig is het wel van Toosje, maar je mag daarom niet -zoo boos op haar zijn en dat nog wel op je jaardag." - -Toen Toos de vreemde mevrouw zag aankomen, stond ze op en keek verlegen -naar den grond, terwijl ze haar kleverige handjes op haar rug hield. - -"'t Is thuis zoo stil en 'k wou ook zoo graag eens op visite," mompelde -ze toen Annie's Ma haar vriendelijk 't een en ander vroeg. Annie -trok Ma telkens aan haar japon; Ma moest haar nu wegsturen vond -ze, maar dit gebeurde niet, nee, Ma zei juist dat Toosje best mocht -blijven. "Kom," riep Ma vroolijk, "nu gaan we met elkaar een spelletje -doen van, kruip door, sluip door!" Meteen nam ze Toos aan de eene en -Annie aan de andere hand, en maakte ze allemaal zoo aan den gang, dat -'t vreemde gevoel van zooeven heelemaal wegging, Annie weer vroolijk -keek en Toosje ook heel gewoon meedeed, alsof ze er aldoor bij was -geweest; ze was nu heel anders dan op school, niets plagerig, vonden -de meisjes. "Nu nog even uitrusten in de speelkamer voordat jullie -gehaald worden," zei Ma, nadat ze allen terdege moe en warm waren van -'t hollen en draven. "Heeft Toosje je presentjes al gezien, Annie?" - -"Nee, kijk Toos!" Allen stonden om Toos heen bij de tafel, waarop -Annie's moois was uitgestald en ieder deed haar best haar alles te -wijzen. "En kijk nu daar eens Toos!" zei Mientje, terwijl ze naar -den muur wees. - -Toos keek en kreeg 't schilderij in 't oog. - -"Nu, hoe vindt je 't?" vroeg Annie, toen er niet gauw genoeg een -uitroep van bewondering kwam. - -Toos zei nog niets en toen op eens begon ze hard te schreien, zoo hard, -dat de meisjes er bang van werden. - -Annie's Ma kwam toeloopen, nam haar op den schoot en eindelijk vertelde -Toosje onder snikken, dat het op 't schilderij net was als bij Oma -thuis, waar Pa en Ma haar als een heel klein kindje gebracht hadden, -voordat ze naar Indië gingen en waar ze gewoond had tot nu voor een -kort poosje. 't Was er zoo heerlijk bij Oma buiten en ze hield zooveel -van de kippen en eenden, die ze altijd mocht voeren. Juist waren er -kleine gele kuikentjes uitgekomen, toen ze weg moest naar de stad. - -Stilletjes waren de meisjes naderbij gekomen. - -"Waarom ben je daar dan niet gebleven?" vroeg Jo. - -"Er is geen school en ik moet toch een knap meisje worden," zegt Oma, -"maar in de vacantie mag ik weer naar Oma toe en daar hoef 'k niet -stil te zitten zooals op school. Maar dat duurt nog zoo lang!" voegde -ze er met een zucht bij. - -"Je moet maar heel veel bij Annie komen spelen, dan gaat de tijd gauw -om," zei Ma en ze pakte Toosje alsof ze haar eigen Annie was. - -Toen de visite al weg was, kwam Pa thuis. Annie vloog naar de deur -om open te doen en nog voordat zij in de kamer waren, vertelde ze hem -al, dat 't stoute kleine meisje, naast wie ze op school zat, nu haar -vriendinnetje was geworden. "'t Komt eigenlijk door mijn schilderij," -riep ze. "Ra-ra, ra, hoe kan dàt?" - - - - - - - - -PRUL - - -Als kleine Prul ging wandelen, kreeg ze handschoentjes aan; -natuurlijk, want ze was een jongejuffrouwtje en die moeten in de -stad met handschoentjes loopen, zeiden Mama en Juf allebei. Prul -vond 't vreeselijk. Als ze handschoentjes aan had, spreidde ze -haar tien vingertjes zoo ver mogelijk uit en hield haar armpjes een -heel eind van haar lijfje. Wanneer Mama of Juf dan zei, dat ze niet -zoo dwaas moest doen, trok Prul met haar scherpe, witte tandjes de -handschoentjes aan de vingertoppen omhoog en draaide er punten aan, -wat al heel raar stond. - -Maar al haalde ze er ook van alles mee uit----de handschoentjes -moesten aan blijven; daar was Mama heel streng op. - -Haar parasolletje vond Prul haast even erg als haar handschoentjes. Dat -was voor de zon, maar waarom mocht de zon haar niet in 't gezichtje -schijnen? 't Zou juist lekker zijn, meende Prul. - -Juf dacht er anders over; ze zei, dat de zon Pruls gezichtje bruin -zou maken en dat mocht niet, want Prul was een stadsjuffertje en -geen buitenkind. - -"Loopen buitenkinderen altijd zonder parasols en zonder -handschoenen?" vroeg Prul aan Juf en toen Juf "ja" zei, had Prul geen -grooter verlangen dan ook een buitenkind te mogen zijn. - -Dienzelfden dag aan de koffietafel kwam ze al met haar wensch voor -den dag. Oom Julius was onverwacht overgekomen en vroeg zoo uit de -grap aan Prul, die tegenover hem zat, wat zij wel zou willen worden. - -Prul behoefde zich daar niet lang op te bedenken. - -"Een buitenkindje, Oom," antwoordde ze dadelijk tot groote verbazing -van Papa en Mama, die niet begrepen hoe Prul daarbij kwam. - -"Wel kleine meid, dat kan best," zei Oom; "ga straks maar met mij -mee--ik woon buiten en je mag net zoo lang bij me logeeren als Papa -en Mama je kunnen missen. Wanneer je dan terugkomt, zijn je wangetjes -niet meer mager en bleek; dan heb je dikke, roode koonen." - -"Neen, bruine," riep Prul, die aan de buitenkinderen dacht, van wie -Juf gezegd had, dat ze zonder parasol mochten loopen. - -"Goed, bruine dan," lachte Oom; "en dan heb je ook meer trek dan nu; -in plaats van één dun boterhammetje niet eens heelemaal te kunnen -opeten, wil je er wel graag vier of vijf hebben en flinke dikke, hoor!" - -Prul keek een beetje verlegen, omdat Oom er op gelet had hoe -ze met haar boterham knoeide, maar toen Oom verder van buiten -vertelde, luisterde ze weer met allebei haar oortjes wijd open en -wou niets liever dan een buitenkind zijn. Ze vroeg Papa en Mama of -'t mocht. Beiden vonden 't goed, dat Prul met Oom mee zou gaan om -te probeeren of ze 't buiten heusch zoo prettig zou vinden als ze -nu dacht. - -Toen Prul 's middags werd aangekleed voor de reis, wou Juf haar -ook handschoentjes aandoen. Prul stribbelde tegen: "ik ben nù een -buitenkindje," riep ze. - -'t Hielp haar niets; Juf zette het tòch door en bijna zou Prul zijn -gaan schreien, als Oom haar niet had ingefluisterd, dat ze nu nog, -totdat ze in den trein zat, een stadsjuffertje was. Tot zoo lang -moest ze, om Juf plezier te doen, die nare dingen maar aanhouden. - -Prul lachte op eens weer en liet zich goed helpen; zelfs haar -parasolletje nam ze zonder pruttelen mee. - -Toen Prul een week weg was, konden Papa en Mama het niet langer -uithouden, zóó verlangden ze naar hun kleine meisje. Zij gingen dus -eens naar Prul kijken en dachten ook, dat 't stadsjuffertje het buiten -niets prettig zou vinden, nu 't nieuwtje er af was en wel graag mee -terug zou willen gaan. - -Papa en Mama hadden niet vooruit geschreven, dat zij zouden komen. Ze -werden dus niet afgehaald en wandelden met hun beiden den weg af, -die van het station naar het huis van Oom Julius voerde. Aan den -eenen kant van dien weg was een sloot en aan den anderen kant een -groot weiland, waar druk werd gehooid. Eén wagen stond al volgeladen -en een eind verder op 't land waren de knechts van Oom Julius bezig -het hooi op hoopen te harken. Een vroolijk troepje kinderen speelde -krijgertje om hen heen; hier gooiden een paar elkaar met hooi, daar -stoeiden en rolden anderen over de kort afgemaaide stoppels en de -drukste van allen was----Prul. Juichend van pret kwam ze op Papa en -Mama toeloopen; die kenden hun bleeke, stille Prul haast niet meer, -zulke dikke wangen had ze gekregen en zoo vroolijk was ze. - -"En bruin ben ik ook," riep ze; "kijk maar, ik ben nu een echt -buitenkind, zegt Oom. Ik laat ook nooit meer mijn boterham staan." - -Wat had die Prul veel te vertellen, nu ze tusschen Papa en Mama in -naar het huis van Oom Julius stapte: van 't prettige logeeren bij -Oom, van de kippen en de andere dieren, van de aardige kennisjes, -die ze gekregen had. Maar op eens hield Prul op en keek bedrukt. - -"Wat is er, kindje?" vroeg Mama, die al dacht, dat ze zich te moe -had gemaakt in 't hooi. - -Maar dàt was 't niet, wat Prul hinderde. Toen Mama nog eens navroeg, -kwam 't hooge woord er uit: - -"Ik heb mijn parasolletje en mijn handschoentjes weggegeven aan een -klein meisje. Betje heet ze en zij wou zoo dolgraag handschoentjes en -een echt parasolletje hebben. 't Mocht wel, hè Ma? 'k Heb ze hier toch -niet noodig.--Betje was er zoo blij mee; ze zei: als stadskinderen -zoo mooi gingen wandelen, wou ze veel liever een stadskind zijn. Hoe -vindt u dàt nu--en ik juist veel liever een buitenkind!" - -"Dan moeten jullie ruilen," zei Papa met een ernstig gezicht. "Als -we naar huis gaan, zullen we Betje meenemen naar de stad, en jou hier -buiten laten." - -Prul keek met groote oogen of Papa dàt meende. Toen zag ze Mama aan, -die even knipoogde. - -"Neen, neen, dat 's maar een grapje; ik blijf uw eigen Prul," riep -ze zoo hard ze kon; "'k ben nu maar voor een poosje een buitenkind." - -"Hoe zou je 't vinden om voor altijd een buitenkindje te mogen -blijven?" vroeg Papa en nu maakte hij geen grapje. "Kijk Prul, dan -gaan we ook hier op 't dorp wonen in net zoo'n prettig huis als Oom -Julius heeft. Dan houdt mijn Prul haar dikke wangen en haar trek -in boterhammen." - -"'k Zou 't heerlijk vinden," zei Prul. - -"Ik ook," voegde Mama er bij en toen werd 't maar meteen afgesproken -dat 't zoo zou wezen. - -Prul werd dus een echt buitenkind en mocht spelen en draven en stoeien, -alles zonder handschoentjes en parasol. Mama en Juf vonden dit nu -allebei goed. - -Toen Prul evenwel wat ouder werd en wel eens werd meegenomen naar -de stad voor boodschappen en visites, moest ze er toch weer aan -gelooven en keurig netjes als een stadsjuffertje gekleed zijn.--Maar -is 't niet grappig: toen had Prul niet eens zoo'n hekel meer aan -haar handschoentjes en parasol. Dat kwam zeker, doordat ze buiten -zoo groot en verstandig was geworden.-- - - - - - - - - -EEN VACANTIEMIDDAG. - - -Jet en Riek waren van plan eens goed van hun eenigen vacantiemiddag -te genieten. - -Eén vacantiemiddag maar? - -Nu ja, van school hadden ze natuurlijk veel langer vacantie: wel drie -weken, net als andere kinderen. Maar ze hadden thuis altijd zooveel -te doen met op de kleintjes te passen als Moeder uit werken was of -aan de waschtobbe stond, en alles netjes te maken tegen dat Vader -'s avonds van het land kwam, dat voor haar beidjes de vacantietijd -nog veel drukker was dan de schooltijd. - -Nù had Moeder evenwel haar meisjes eens een heel vrij middagje -gegeven. Zij waren er dadelijk na 't eten op uitgetrokken en zaten -nu op 't dijkje langs de spoorlijn, midden tusschen de bramen. - -Eén emmertje hadden ze al volgeplukt en nog zagen ze er een massa, van -die donkere, overrijpe, die loslieten als zij ze maar even aanraakten. - -"Hè, lekker," zuchtte Jet, terwijl ze er een in haar mond stak; -"prettig wij zoo met ons beiden en geen kleintjes er bij op wie we -moeten passen. Toe, Riek, waar kijk je zoo naar? Pluk nu ook weer!" - -"Jet, ik geloof vast en zeker, dat die schapen vreeselijken dorst -hebben. Hoor ze eens blaten. Vanmorgen heb ik 't ook telkens al -gehoord en nu is 't nog weer veel warmer geworden." - -"Ja, gunst, maar daaraan kunnen wij toch niets doen?" riep Jet -ongeduldig terwijl ze nu, evenals haar zus, naar den afgehaakten waggon -op het zijspoor keek, waaruit een klagend geblaat en gemekker opsteeg. - -"Ze komen den waggon misschien straks wel halen om ze verder te -vervoeren; dan hoor je 't niet meer." - -Maar nu werd Riek boos. - -"Al hoor ik 't niet meer, daarmee gaat hun dorst toch niet over en -als ze nu nog een lange reis in de hitte moeten maken, zal het nog -veel erger worden. Ik moet er wat aan doen!" - -Vastberaden schudde Riek het volgeplukte emmertje leeg en liep het -dijkje af naar de pomp, die een eind verder het land in stond. - -Jet volgde haar pruttelend van verre, maar toen Riek even later bij -den waggon stond en ze zag hoe de arme schapen hun koppen door het -latwerk staken en zich verdrongen om bij het emmertje te komen, kreeg -'t medelijden ook bij haar de overhand. Zoo hard ze kon liep ze naar -het bleekveld achter hun huisje om het bakje met den langen steel te -halen, waarmee Moeder het waschgoed altijd besproeide en nam meteen -een emmer water mee. - -"Hè, heerlijk, dat je me komt helpen," zei Riek. "Er zijn er zooveel: -ik kan ze alléén niet allemaal een beurt geven. Geen wonder, dat -de stumperds zoo'n dorst hebben; de zon brandt op den waggon. O, -het schepbakje, dat is prachtig bedacht! Die kleine lammetjes, daar -achteraan, worden aldoor weggeduwd door de groote schapen.--Wacht maar, -nu krijgen jullie allemaal wat!" - -"De emmers zijn leeg; zal ik ze weer vullen?" vroeg Jet en, zonder -'t antwoord af te wachten, draafde ze er mee naar de pomp. - -Oef, wat was het warm. Riek en Jet werden rood gestoofd door de -zon. 't Was bijna niet uit te houden daar op 't zijspoor, maar de -dappere zusjes hielden 't wèl uit. Zij rustten niet, voordat alle, -alle schapen en lammetjes zich ruimschoots te goed hadden gedaan aan -'t frissche water. - -Je kunt wel nagaan hoe lang het duurde, want er was een waggon vol -van die wollige reizigers en ze wilden er geen overslaan. Daarbij -kwam nog, dat ze gedurig den kluts kwijt raakten, want de schapen -stonden geen oogenblik stil en geleken zóó op elkaar, dat 't moeilijk -uit te maken was, of zij nu eigenlijk al een beurt hadden gehad of -niet. Maar in zoo'n geval lieten Riek en Jet ze voor alle zekerheid -nòg maar eens drinken. - -Toen zij eindelijk klaar waren, was de vacantiemiddag juist om. De -klok sloeg zes uur en ze hadden Moeder beloofd niet later thuis te -zullen komen om 't avondeten voor Vader klaar te maken. - -Moe en warm kwamen ze er met de leege emmertjes aan. - -"Schik gehad?" vroeg Moeder, die in den tuin bezig was. - -"Schik?"--Even keken de zusjes elkaar aan. "Schik" kon je 't eigenlijk -niet noemen, maar toch.. - -"Ja, 't was een heerlijke middag," riepen ze beiden als uit één mond. - -"Waar zijn de bramen?" vroeg kleine Jaap, terwijl hij naar de leege -emmertjes keek en Anton stak de tong tegen die twee luie pluksters -uit. Ze moesten nog maar gauw een emmervol gaan halen, vond hij. - -"De bramen? Die zou ik heel vergeten; ze liggen nog op 't dijkje," -antwoordde Riek. - -Moeder keek vreemd op. Die kostelijke bramen zoo maar te laten -liggen! Zoo iets was ze niet van haar meisjes gewoon. - -Maar toen Jet haar alles had uitgelegd, knikte Moeder goedkeurend; -ze zei, dat ze zelf wel voor Vaders eten zou zorgen en Anton moest -de bramen maar even halen. De meisjes hadden nu wel wat rust verdiend! - - - - - - - - -KAREL'S HORLOGE - - -Er was eens een jongen--Karel heette hij--die dolgraag een horloge -wou hebben. Zijn groote broers hadden er allebei een en nu was 't -dus zijn beurt om er een te krijgen, vond hij. - -"Wacht maar tot je jarig bent," zei zijn vader; "misschien, als je -goed oppast, dan...." Meer zei Vader niet. - -Of Karel ook goed oppaste! - -Toen kwam zijn jaardag.--Op de slaapkamer kreeg hij de presenten van de -broers en kleine zus. Vader en Moeder feliciteerden hem ook--maar----er -was geen pakje van hen. - -Even keek Karel op zijn neus; toen deed hij direct weer vroolijk--hij -was immers jarig! - -Aan 't ontbijt gekomen zag hij toch nog een pakje op zijn bord liggen. - -"Dat heb je van Vader en mij," zei Moeder. - -Gauw maakte Karel het open. Wat er wel in zat?---- - -Een horloge--ja, een echt stevig jongenshorloge aan een koordje! Wat -was Karel blij; hij vloog Vader en Moeder om den hals en kuste hen dat -'t klapte. - -"Mag ik 't mee naar school?" vroeg hij. - -"Vandaag wel, omdat je jarig bent, maar dan niet meer. Je kunt het -'s Zondags dragen," antwoordde Vader en hij wees hem hoe hij 't moest -opwinden en hoe hij 't gelijk kon zetten. - -Niemand blijder dan Karel, toen hij met zijn horloge naar school -stapte. Meneer en de jongens moesten 't allen zien en onder de les -keek Karel er gedurig op of zat er mee te spelen. - -Omdat hij jarig was, zag Meneer het maar door de vingers. - -'t Was Karel zoo goed bevallen zijn horloge mee naar school te hebben, -dat hij het wel graag den volgenden dag weer had meegenomen. Maar dit -mocht niet van Vader; hij mocht het alleen 's Zondags dragen--door -de week zou Moeder 't in haar groote linnenkast bewaren. - -Eenigen tijd later kwam er een nieuwe burgemeester op het dorp -waar Karel woonde. Die burgemeester had een zoontje van Karels -leeftijd--Felix geheeten. - -Felix was een eenig kind en werd erg verwend; wat hij hebben wou, -kreeg hij van zijn ouders. Natuurlijk had Felix ook al een horloge. - -Karel zag 't dadelijk, toen Meneer den nieuwen jongen binnenbracht -en hem de plaats naast Karel aanwees. Felix had er zelfs een mooien -ketting aan; Karel kon er zijn oogen niet afhouden. - -"Ik heb óók een horloge," fluisterde hij hem toe, juist toen Meneer -een taaloefening ging dicteeren. - -"Dat jok je," zei Felix schamper lachend; "als je er een hadt, zou je -'t wel bij je hebben; ik geloof er niets van." - -"Vanmiddag neem ik 't mee, dan kan je 't zelf zien," riep Karel, die -niet velen kon, dat die vreemde jongen hem niet geloofde, driftig uit. - -"Echt waar, hoor!" - -"Niet praten," zei Meneer--"allen opletten!" - -Toen hielden zij zich stil. - -Aan de koffie had Karel niets te vertellen en anders kon hij toch -zoo'n praats hebben. Dat kwam, omdat hij nu aan niets kon denken -dan aan zijn horloge, dat in Moeders linnenkast lag en dat hij tòch -vanmiddag mee naar school wou nemen. - -Toen de boterhammen op waren, draaide hij steeds om Moeder heen. - -"Jongen, wat wil je toch?" vroeg Moeder verwonderd. - -"Een zakdoek," fluisterde Karel verlegen, "alstublieft een schoonen -zakdoek uit de linnenkast." - -"Nu, dien kan je krijgen," antwoordde Moeder lachend. "Daar behoef -je niet zoo benauwd bij te kijken. Haal er zelf maar een; je weet -waar ze liggen; ik moet zusje nu eerst helpen."--En Moeder gaf Karel -den sleutel. - -O, wat bonsde zijn hart, toen hij de kast opendeed en er daarop mèt -den zakdoek ook 't horloge uithaalde. Hij stopte het met koordje en -al diep in zijn zak. Toen hij Moeder den sleutel teruggaf, durfde hij -haar niet aan te kijken, maar Moeder, die met 't kleintje bezig was, -had er geen erg in. - -Langs een omweg sloop Karel naar school. Hij wou maar 't liefst -niemand tegenkomen. - -Toen de jongens, die op 't schoolplein speelden, wat tegen hem zeiden, -schrikte hij en liep gauw naar binnen. Eerst toen Felix kwam, monterde -Karel weer wat op. Nu zou Felix toch zien, dat hij niet gejokt had. Vol -trots lei Karel 't horloge vóór zich op den lessenaar. - -Felix keek er even naar. "'t Is niet eens van zilver," zei hij -minachtend "en er is ook geen ketting aan."--Toen draaide hij 't -hoofd om en wou er heel niet meer naar kijken. - -Karel kon wel huilen van spijt. Had hij nu dáárvoor Moeder -bedrogen? was hij dáárvoor Vader ongehoorzaam geweest?---- - -Meneer kwam binnen en de les begon. - -Karel kon geen enkel goed antwoord geven en lette niet op als Meneer -wat op 't bord schreef. Dit was Meneer niet van hem gewend. Hij kwam -naar hem toe en zag toen 't horloge nog vóór hem liggen. Dit zou wel -de oorzaak van Karels onoplettendheid wezen, dacht Meneer; op zijn -jaardag had hij er immers ook zoo mee zitten spelen? - -"Weet je wat, Karel," zei hij daarom, "ik zal dat horloge maar eens -een poos voor je bewaren. Je bent nog veel te klein voor een horloge; -dat zie ik wel." En Meneer nam 't horloge van den lessenaar en ging -naar zijn plaats voor de klas terug. - -Van schrik kon Karel geen woord uitbrengen. Dit was wel 't ergste -wat hem had kunnen overkomen!----Als Meneer 't nu maar om vier uur -teruggaf.---- - -Maar neen, Meneer schudde 't hoofd, toen Karel 't hem na schooltijd -met neergeslagen oogen kwam vragen. - -"Dan hebben we morgen weer 't zelfde liedje met jou. Je bent veel te -speelsch om al een horloge op school te dragen. 't Verwondert mij, dat -je Vader dàt wil hebben." Bij deze woorden keek hij hem doordringend -aan. Toen liet Karel 't hoofd hangen en durfde niets meer zeggen. - -"Dat dacht ik wel," sprak Meneer in zichzelf, terwijl hij den jongen -nakeek, die langzaam, op z'n eentje naar huis slenterde. "Dat is -bepaald niet in orde"--en hij besloot Karels Vader, met wien hij dien -avond een vergadering zou bijwonen, 't horloge zelf terug te geven -en er met hem over te spreken. - -Maar hiervan wist Karel natuurlijk niets; hij dacht, dat Meneer -'t horloge voor altijd zou houden en voelde zich erg ongelukkig. - -Zoo werd 't eindelijk weer Zondag. - -Anders vond Karel den Zondag de prettigste dag van de heele week, -maar nu zat hij stil in een hoek te kniezen en deed niet mee aan de -vroolijke spelletjes, die Vader na kerktijd met de kinderen speelde. - -Hij zat steeds in angst, dat Moeder hem zou vragen of hij zijn -horloge niet wou hebben of--nog erger--dat Moeder naar de linnenkast -zou gaan om 't voor hem te halen en dan ontdekken zou, dat 't er uit -verdwenen was. - -'s Middags zouden ze allen met elkaar een groote wandeling doen. - -"Om drie uur gaan we er op uit, jongens," had Vader gezegd. - -Toen het bijna drie uur was, liep Karel den tuin in; hij wou liever -niet mee en hoopte, dat zij weg zouden gaan zonder hem te missen. - -Hè, wat vervelend, daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in. Op -andere Zondagen kon Karel zich niets genoeglijkers voorstellen dan arm -in arm tusschen Vader en Moeder in, door den grooten tuin te wandelen -en bij ieder bloemperk of groentebed even te blijven staan--maar -nu----o, hij wou Vader en Moeder wel weg kijken!-- - -"Kom Karel," riep Moeder, "ga je mee? Wij willen nog even den tuin -doorloopen."--En zij stak haar arm door dien van Karel. Zoo moest -hij wel mee. - -Toen ze den tuin één keer door waren geweest, zei Vader: "'t zal, -dunkt me, haast tijd wezen voor onze wandeling. De anderen zijn -misschien al langzaam vooruitgegaan. Karel kijk jij eens hoe laat -het is; mijn horloge gaat niet goed." - -Karel wou naar binnen loopen om op de groote gang-klok te kijken, -maar Vader hield hem tegen. "Waar is je horloge?" vroeg hij. - -Toen barstte Karel in snikken uit. - -"Waarom kijk je dáár niet op?" vroeg Vader nog en zijn toon klonk nu -heel streng. - -"M-m-meneer heeft het," stotterde Karel al schreiend en toen -kwamen Vader en Moeder bij stukjes en beetjes 't heele verhaal te -hooren. Karel verzweeg niets. Dat hij Moeder bedrogen had, drukte -hem nog het zwaarst van alles op 't hart. - -"Ik zal 't nooit weer doen; ik heb er zoo'n spijt van," riep hij -telkens weer. - -Omdat Karel er zoo'n berouw over had, vergaven Vader en Moeder hem -graag wat hij gedaan had, maar de straf konden zij hem toch niet -kwijtschelden: een maand lang mocht hij zijn horloge niet dragen, -neen, nog erger, hij mocht 't zelfs niet zien. - -Toen, op een Zondag, deed Vader hem zelf weer het koordje om den hals -en liet 't horloge in zijn blousezakje glijden. - -"Nu vertrouw ik je weer, Karel," was alles wat Vader zei. Moeder -gaf hem een kus en fluisterde hem toe: "ik ook"--toen was Karel o, -zoo gelukkig. - - - - - - - - -GRAPPIGE APPELTJES. - - -Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes, -duiven, en--nu kreeg ze er nog zes witte muizen bij van Oom Kees. In -een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad -woonde, ze met den bode meegegeven. - -Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de -nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze 't overal -erg vuil zouden maken, maar--er was nog geen week voorbij of Moeder -had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes, -die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin -ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan. - -In 't begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens -vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet -wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone -grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn -jongens uit de stad, om ook eens naar zijn "cadeautje" te zien. Bep -had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met -Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was; -ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken! - -Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze -had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch -juist schoon had gemaakt; frisch zaagsel, om er 's nachts onder te -kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes -'t zoo best hadden! - -Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw -babbelen; ze liep in één vaart naar huis. - -Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten. - -"Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?" - -"Dat weet 'k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?" - -"In den tuin, bij de rozen." - -Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. "Dag Oom -Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar -zijn de jongens?--U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?" - -Oom Kees, die met Vader en Moeder in 't rozenpriëel zat, begon te -lachen. Zooveel vragen op eens. - -"Ja Beppie," zei hij, "de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best -op gepast. De jongens vinden ze ook zoo aardig. Ze zijn net weer naar -binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken." - -"Roep Henk en Bram maar hier," zei Moeder, die limonade inschonk; -"ze zullen ook wel dorst hebben." - -"Henkie! Bra-am!" riep Bep zoo hard ze kon, onder 't loopen. - -"Ja-a! Kom eens kijken!" klonk het terug. - -Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. "Toe dan, Bep!" - -"Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?" - -Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw -Bep bij hen was. - -"Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de -dokter, weet u en 'k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet -genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een -wandelingetje doen." - -"Ja," zei "Meneer" Henk, proestend van 't lachen; "ik heb maar dadelijk -gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden 't erg prettig." - -Bep keek angstig van den een naar den ander. - -"Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?" - -"O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt," begon Bram, maar Bep -duwde hem op zij en liep naar binnen, naar 't tafeltje, waarop de -stopflesch stond. - -De muizen waren niet te zien. - -Eerst dacht Bep nog, dat ze onder 't zaagsel waren gekropen, maar neen, -ze waren niet meer in de flesch. - -"Waar zijn mijn muisjes? 't Is jullie schuld, dat ze weg zijn," -riep ze half schreiend uit. "Nare jongens!" - -"Hè, wat flauw om dadelijk te huilen," zei Henk en trok Bep mee -naar buiten. "De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen -doen? Kijk, dáár kuieren ze." Hij wees naar boven, naar de kruin van -den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes -over de takken. - -Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; 't was ook zoo'n -grappig gezicht! - -"Wat zijn ze al hoog," riep Bram, die er ook bij kwam. "Hoe krijgen -we ze nu terug?" - -Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan 't schreien zijn -gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote -menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn! - -Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een -eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger -dan hij. - -"Neen, jongen, zoo krijg je ze niet," zei Oom; "wacht, ik weet iets!" - -Op een draf liep hij naar 't schuurtje, waar het tuingereedschap werd -geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit -den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig, -ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker. - -Was dàt niet mooi?--Maar 't mooiste is nog, dat 't heusch gebeurd is -van dien appelplukker, die, in plaats van appels, muizen uit den boom -moest halen----Bep heeft 't me zelf verteld. - - - - - - - - -JAN'S VERRASSING. - - -Vanavond laat of vannacht zou St. Nicolaas zeker komen, had groote -broer Frans gezegd, toen Jan naar bed ging. Frans was mee naar boven -gegaan en had grapjes gemaakt onder 't uitkleeden en toen hadden ze, -op den rand van Jan's ledikantje gezeten, samen nog gepraat over -St. Nicolaas en bedacht wat Janneman morgen wel in zijn pantoffeltjes -zou vinden. Ze stonden ginds bij den schoorsteen met hooi er in en -roggebrood en----een paar dikke wortels. - -De wortels had Frans er bij gedaan, omdat de schimmel van St. Nicolaas -daarvan zooveel hield. - -"Wat zal hij smullen," dacht Jan, toen Frans weggegaan was en hij van -uit zijn bedje juist de wortels kon zien, die uit zijn pantoffeltjes -staken. - -Hij was vast van plan wakker te blijven, totdat St. Nicolaas zou -komen, maar zijn oogen wilden 't niet; die hadden den heelen dag -zooveel rondgekeken, nu moesten de luikjes dicht, vonden ze en Jan -was zoo goed niet of hij moest ze hun zin geven.---- - -Anders werd Janneman 's nachts nooit wakker, maar nu----. - -Dat kwam zeker, omdat hij zoo verlangde naar morgen, naar den -verjaardag van St. Nicolaas. - -Jan deed zijn oogen wijd open. 't Nachtlichtje brandde met een stil, -rustig vlammetje op de tafel bij 't raam, maar waar 't schijnsel niet -kwam, in den hoek bij de deur, dáár was 't pikdonker. - -"Is 't dan nog geen morgen?" dacht Jan en hij ging overeind zitten -om naar zijn pantoffeltjes te zien. - -Ze stonden nog net zooals Frans en hij ze samen hadden neergezet, -'t Brood was er nog in en 't hooi en----de dikke, mooie wortels. - -Hè, die lekkere wortels! De schimmel van St. Nicolaas kon er niet meer -van houden dan Janneman zelf. Hij was er gewoonweg dol op. Twee waren -'t er; uit ieder pantoffeltje stak er één.-- - -"'k Geloof bepaald, dat Schimmel ziek zal worden als hij dat alles -alleen opeet--bij ieder kind staat vanavond wat voor hem klaar en -als hij nu overal wortels krijgt----" zei Jan in zichzelf. "Eigenlijk -kon ik er wel ééntje bij weg nemen!" - -Wip sprong hij uit bed--geschuifel van bloote voetjes over den grond, -toen knabbel-de-knabbel van scherpe tandjes... en--Schimmel zou straks -maar één wortel vinden. - -"Eén staat toch wel wat gek," dacht Jan daarop; "'t is zoo'n groote--ik -zal er twee van maken: doorbijten of een stuk er afbreken." Meteen -nam hij den overgebleven wortel op. - -Rrt ging 't in den schoorsteen, alsof er roet naar beneden viel, -of----was het misschien----! - -Jan vol schrik op een holletje naar bed. Toen hij echter goed en wel -lag, met de dekens hoog opgetrokken, zoodat alleen zijn neusje er uit -kwam, bemerkte hij, dat hij den grooten wortel nog in zijn hand had. - -'t Bleef alles doodstil in den schoorsteen. Toch had Janneman geen -zin meer om uit bed te komen; met den wortel gaan slapen kon hij ook -niet--neen, er zat niets anders op, nu moest hij dien óók wel opeten! - -"'t Is maar goed ook, 't is zoo'n dikke; Schimmel zou bepaald ziek -worden," overlegde Jan; "stel je voor, dat Schimmel dan niet verder -kon--hoe zou St. Nicolaas dan vannacht nog bij al de kinderen kunnen -komen? Als hij dat loopende zou moeten doen, kwam hij zeker in geen -week klaar."--En toen vond Jan zichzelf nog erg braaf op den koop toe, -omdat hij er zoo goed voor zorgde, dat Schimmel niet ziek zou worden. - -De wortel was bijna op, toen kwam de slaap en met den slaap nog iemand -anders ook, maar dien zag Janneman niet. Hij had zijn oogen al dicht -en in zijn hand hield hij 't laatste stukje afgeknabbelden wortel -stevig vast.-- - -Den volgenden morgen keek Jan, zoo gauw hij wakker werd, naar zijn -pantoffeltjes; hij was er zóó benieuwd naar wat daar wel in zou -wezen!--Maar wat denk je, dat hij toen zag?---- - -Worteltjes, niets dan worteltjes, dikke en dunne, groote en kleine -worteltjes! Zijn pantoffeltjes waren er tot aan 't randje mee gevuld -en op den grond er naast lagen er ook nog. - -Janneman wist niet of hij zou lachen of huilen.--Lachen omdat 't -zoo'n grappig gezicht was, al die worteltjes--maar... al houdt je er -nóg zooveel van, niets dan wortels te krijgen is toch ook niet prettig! - -Jan trok dus een pruillip en er zouden zeker tranen gekomen zijn, -als Moeder en Frans niet om 't hoekje van de deur hadden gekeken. - -"Goedenmorgen Jan!" riepen ze vroolijk en toen ging Frans de worteltjes -eens van naderbij bekijken. - -"'t Zijn geen echte, Jan, ze zijn van marsepein," riep hij al gauw; -"maar waarom zou St. Nicolaas jou zooveel wortels geven? Begrijp -jij dat?" - -"Jawel--maar--maar, 'k zeg 't alleen aan Moekie," stotterde Janneman -verlegen, en toen, bij Moeder op schoot, kwam het heele wortelverhaal -voor den dag. - -"Omdat Schimmel niet ziek zou worden, dáárom deed ik het," zei Jan. - -"Neen, eigenlijk omdat ik er zoo'n zin in had," verbeterde Moeder. "Is -'t zóó niet geweest, Jan?" - -"Ja! 't Waren ook zulke lekkere, dikke," zuchtte Jan, die zich nu -wel erg schaamde voor Moeder en Frans, voor St. Nicolaas en voor -Schimmel ook.-- - -Zou St. Nicolaas er boos om zijn geweest? - -Ik denk toch haast van niet, want toen Jan zijn worteltjes ging -opbergen, zag hij onder in 't eene pantoffeltje een briefje, waar in -stond, dat hij eens in de serre moest kijken.--Toen Janneman 't deed, -vond hij daar op de tafel een heele uitstalling van moois en lekkers: -juist allemaal dingen, die hij graag wou hebben!-- - - - - - - - - -ALS DE EERSTE SNEEUW VALT. - - -Doortje en Frits gaven een theepartijtje met 't mooie serviesje, dat -St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk -schonk Doortje in; ze deed 't wat handig en morste geen droppel. Kleine -broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf -zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel, -afgeknabbeld brokje. - -Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan 't kibbelen -zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam. - -'t Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan -'t theeschenken was! - -"Oom ook een kopje?" - -"Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!" - -"Ja Oom," zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een -kopje halfvol suiker schepte;--zóó zou 't Oom toch wel zoet genoeg -wezen, dacht ze. - -"Even allemaal je oogen toe," zei Oom, toen hij zijn thee had. - -"Eén, twee, drie----nù weer kijken!" - -O, die Oom Jan kon tooveren: op 't schaaltje, naast het ongelukkige -stukje beschuit, lag een handvol amandels! - -"Nu maar gauw aan 't kraken en kijken of je ook een philippine hebt!" - -"Een philippine? Wat is dat?" vroeg Doortje. - -"O, dat weet ik wel," riep Mien uit; "dat is als er twee amandels in -één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb, -dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we "bonjour -philippine" tegen elkaar zullen zeggen; wie 't dan 't eerst zegt, -heeft het gewonnen." - -"En krijgt een presentje van mij," zei Oom, die vast hielp kraken. - -Als er nu maar zoo'n philippine bij was! - -"Kijk Oom, probeer deze eens!" - -"Nee, die ik hier heb!" - -"Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een." - -Zoo riepen ze met hun drieën. - -Oom kraakte en kraakte.----"Hoera, daar heb je een -philippine!" Allemaal kijken. Ja, hoor--twee amandeltjes in één dop. - -"Wie zullen 't nu samen doen?" - -Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een -amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten. - -En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben. - -"Zondag," zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep. - -"Och wel neen; dat's veel te gemakkelijk te onthouden." - -"Als Oom Jan weer komt!" - -"Ook niet, want als Oom hier komt, denk ik er natuurlijk aan en dat -'s niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel -moeilijks!" - -"Laat eens zien--als----als de eerste sneeuw valt!" - -"Hè ja, dat 's aardig," riepen de meisjes uit, "als de eerste sneeuw -valt!" en ze dansten van pret met elkaar rond. - -"Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar -beneden dwarrelen, 't vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te -loopen en "bonjour philippine" te roepen," zei Oom. - -"Ik zeker," verklaarde Mien. - -"Neen, 'k weet vast, dat ik 't zal zijn," riep Doortje en bedacht bij -zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar -voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit -bed wippen, kijken wat voor weer 't was en--als ze de eerste sneeuw -zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en -zóó hard door de brievenbus: "bonjour philippine" roepen, dat Mien, -die dan zeker nog niet op zou wezen, 't boven kon hooren.--En als de -eerste sneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel -weer iets op verzinnen; ze zou--ze zou----o, ze zou zóóveel! - -Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht----ze werd erg verkouden -en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol. - -Vervelend! Als 't nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien. - -Maar tòch wou Doortje het winnen en ze zou het winnen ook, dacht ze, -want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken, -veel beter dan Mien, die naar school moest. - -Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje -papier, waarop stond: "bonjour philippine" naar Mien sturen; dan was -ze er toch zeker 't eerst bij. - -Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan -de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een -plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen. - -Teunis kon 't altijd zoo mooi raden van 't weer: als Teunis zei, dat -je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn, -dat er regen kwam, al leek 't er eerst ook niets op. Dat zag hij aan -de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand -haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om -zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens -opmerkt. Zoo was 't Teunis ook gegaan. Hij hield er van op de wolken -en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes, -en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen, -zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft. - -Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even -lachen. "En moet ik je nou zeggen wanneer 't zal gaan sneeuwen? Maar -Mientje, dat kan ik immers niet." - -"Och neen, alleen maar als je 't denkt," zei Mien ongeduldig. - -Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar -'t weer vroeg. "Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van -zeggen," mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis 't van den -regen kon raden, hij 't van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde -vroolijk naar binnen. - -Den volgenden middag ging Teunis net 't hek uit, toen Mien van school -thuiskwam. "Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen," -zei hij; "de lucht zit vol, hoor, en--'k voel het ook in mijn botten." - -"Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?" vroeg Mien blij. - -"'k Weet het natuurlijk niet, maar 't kan zijn----'t kan zijn----" -Weg strompelde oude Teunis. - -Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters -opgeschreven: "bonjour philippine." - -Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze -druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend -onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging. - -Een geheimpje?--Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg -'t gordijn van de kinderkamer ophalen. "Sneeuw, Door! Er ligt al een -heel pak en 't sneeuwt nog." - -"Hoera," kraaide Doortje met haar schorre stem, "de eerste sneeuw," en -ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij 't raam te zien dansen. - -"Kijk eens op je nachtzak," riep kleine Frits uit 't andere bedje, -"'t is net alsof er een brief op zit." - -Doortje keek naar haar nachtzak, die over 't voeteneind van haar -ledikant hing en wat las ze op 't stuk papier, dat er met een speld -aan vast was gemaakt? Met groote letters stond 't er op geschreven: -"bonjour philippine!" O, die Mien, die slimmerd!-- - -Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen -bij Door thuis en--Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig, -maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maar half verloren -had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook. - -Wie moest nu 't presentje hebben, Mien of Door? - -Oom wist 't niet te bedenken en wat deed hij toen?----Hij gaf ieder -der meisjes een mooie, groote pop!-- - - - - - - - - -'T ALLERMOOISTE PRESENT. - - -Er was eens een klein meisje, dat in October jarig was. - -Marietje heette ze en ze was een eenig kind, dat een heel, heel groote -familie had. Zóóveel ooms en tantes, neven en nichten, neefjes en -nichtjes waren er, dat Marietje ze alleen maar met Moeders hulp bij -elkaar kon tellen en dan vergiste ze zich toch nog wel eens met de -namen. Bijna allemaal woonden ze in dezelfde stad als Marietje en -daar ze veel van haar hielden, kwamen ze haar ook feliciteeren. Als je -nu weet dat ieder een presentje meebracht, kan je nagaan hoeveel die -Rie kreeg! Ja, verwend werd ze wel een beetje, maar 't deed haar niet -zooveel kwaad; daar paste Moeder wel op, die Marietje niet verwende -en heel ferm voor haar was. - -De meeste visite was er al geweest toen er nog heel zachtjes aan de bel -werd getrokken. 't Was Truitje, de kindermeid, die vroeger op Marietje -had gepast. Sedert ze niet meer bij Moeder en Rie woonde, kwam ze -toch ieder jaar op dezen dag om haar pleegkindje te feliciteeren en -altijd bracht ze wat voor haar mee: een doosje kraaltjes, een prentje, -pepermuntjes of zoo iets. En ieder jaar was Marietje even blij met -Trui's eenvoudig presentje als met de prachtigste pop of 't mooiste -boek van de ooms of tantes. - -Ook dit jaar had Truitje weer wat bij zich. Het taschje kwam open en -daar haalde ze een bruin papieren zak uit. Verheugd keek Marietje er -in.... wat teleurgesteld trok ze haar hoofdje terug en een heel klein -beetje onzeker klonk haar stemmetje toen ze Trui bedankte. Toen liep -ze gauw naar Moeder, die in de achterkamer een kopje thee voor Truitje -inschonk. Haar lippen beefden en de tranen sprongen haar in de oogen: -"Moeder, kijk eens," fluisterde ze, "wat heb ik daar nu aan, uien! Die -kunnen we toch wel bij den groenteboer koopen en.... en.... ik houd -er niet eens van!" - -Moeder keek en Moeder lachte hardop. "Wel mijn kleine domme Rie! Ja, -dat zijn uien, maar geen gewone om op te eten. Neem dit kopje thee -maar eens mee voor Truitje, dan zullen we 't haar samen vragen!" - -En toen Rie met nog wat beverig stemmetje 't aan Truitje vroeg, -begon Trui ook al te lachen net als Moeder en door haar traantjes -heen lachte Marietje toen ook maar mee, hoewel ze toen eigenlijk nog -niet wist waarom. - -"Bloembollen zijn het," zei Truitje, "en als je nu precies doet zooals -ik zeg, heb je in den winter wat moois om naar te kijken en aan te -ruiken. Kom maar hier, dan zal ik 't je vertellen!" - -Marietje klom bij haar op schoot, daar had ze als heel klein kindje -wat dikwijls gezeten, en luisterde goed naar wat Trui zei. - -De bollen moesten in potten met aarde worden geplant, zoo, dat er -enkel een klein puntje van hun neusjes boven den grond uitstak en -dan moesten die potten wel een maand op een donkere plaats staan. - -"O heden, zoo lang!" zei Marietje, "dan vergeet ik ze bepaald!" Maar -Moeder beloofde 't haar wel te zullen helpen onthouden. Daarna moesten -ze op een zonnig plekje worden gezet, niet al te warm, maar vorstvrij; -een beetje begieten kon dan geen kwaad. En dan, ja dan moest Marietje -maar eens stil afwachten wat er zou gebeuren. "Moeder," zei ze, toen -de goede kindermeid weg was, "dat van Trui is wel een erg langdurig -present, ik bedoel, je moet er zooveel geduld bij hebben, hè?" - -"Ja," zei Moeder, "maar 't is ook een langdurig present, omdat je er -lang plezier van zult hebben. Denk eens even aan, van alles wat je -vandaag hebt gekregen, is van den winter 't nieuwtje toch zeker al -lang af, maar van dit presentje niet, integendeel, dan zal 't eerst -recht beginnen!" - -En nu in Februari voor 't raam in de huiskamer mooie blauwe, witte -en rose hyacinthen en geel met rood gestreepte tulpjes welig groeien -en bloeien en de heele kamer vroolijk maken, ziet Marietje wel in, -dat Moeder al weer gelijk heeft gehad. En dikwijls, als ze heel diep -den lekkeren geur opsnuift, zegt ze: "Weet u nog wel, dat ik eerst -niets blij was en haast huilde om Trui's presentje, en nu vind ik -'t eigenlijk nog 't allermooiste van alles wat ik toen heb gekregen!" - -"Ja," zegt Moeder dan, "ik zou voortaan mijn traantjes maar niet zoo -gauw klaar hebben." - -En dan lachen ze allebei. - - - - - - - - -DE VRIENDJES. - - -Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend. - -Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over -ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en -dáár woonde Henneman. - -Alleen 's winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van -Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke's venster -zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren, -want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was -Jupke's kamertje. - -Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden -ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze -zulke kleine dribbels waren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar -Hennemans Grootmoeder, aan 't andere eind van het dorp! Dat kwam, -doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren. - -Hennemans Grootmoeder had vroeger, toen Grootvader nog leefde, op -een boerderij gewoond. Nu ze alleen was overgebleven, had ze zoo'n -boerderij, met alles wat er bij komt kijken, een veel te groot gedoe -gevonden en was in een klein huisje getrokken, dat geheel met klimop -begroeid was. Toch kon je nog wel zien, dat Hennemans Grootmoeder -eigenlijk een boerin was, aan de muts, weet je. Ze droeg een muts met -strookjes en daar kwam haar gezicht toch zoo aardig uitkijken. Hagelwit -was die muts altijd en zoo precies in de plooi! Hoe Grootmoeder die -toch zoo kreeg? Henneman vond zijn Grootmoeder erg knap. - -Als schooljongens--ze zaten nu al in de vierde klas--gingen Henneman -en Jupke ook nog graag in 't klimophuisje op visite. Grootmoeder -kon zoo mooi vertellen en zulke lekkere koekjes bakken, vooral haar -knijpkoekjes--die bakte ze met Nieuwjaar--waren beroemd. Grootmoeder -vond 't ook prettig, als de jongens haar wat vertelden: van school, -van thuis, van wat ze speelden.. Grootmoeder kon er altijd echt -inkomen; zoo stilletjes zat zij onderwijl een steekje te breien in -haar rustig hoekje. Bij Jupke in den molen was 't zoo'n druk bedrijf -en in 't meestershuis waren zooveel kleintjes; daar was overdag nooit -gelegenheid voor een rustig babbeltje. - -Prettige dingen vertelden ze aan Grootmoeder, maar.. de minder -prettige ook. Dat ging niet altijd van harte. Als ze, bijvoorbeeld, -ondeugend waren geweest en er straf voor hadden gehad, of wel -als ze stilletjes iets verkeerds hadden uitgevoerd, kijk, dan -wilden ze zoo iets wel liever voor Grootmoeder verzwijgen, maar -dit gelukte toch nooit. Grootmoeder zag 't dadelijk, als er wat aan -haperde. Zij zei dan niet veel, maar ze kon de jongens aanzien, zoo -ernstig-vriendelijk.... dan moesten ze 't wel zeggen en daarná waren -ze toch zoo opgelucht! - -Behalve Jupke had Henneman nog een anderen vriend: Frans van -Kampen! Frans woonde niet op 't dorp, maar kwam op vrije middagen -dikwijls mee, als zijn vader, die dokter in de naburige stad was, er -iemand bezoeken moest. De vader van Frans en die van Henneman kenden -elkaar nog van vroeger. Zoo stapte de dokter, ook zonder dat er daar -iemand ziek was, wel eens in 't meestershuis af en dan speelden Frans -en Henneman met elkaar. - -"Je moet ook 's bij mij komen," had Frans op een keer gezegd. - -Nu, in 't begin van de Kerstvacantie, was er een brief van Frans -gekomen. - -"Beste vriend" stond er boven. Dit vond Henneman wàt gewichtig. En -dan volgde er: "Moeder zegt, nu 't vacantie is, mag ik je een paar -dagen vragen; dat is nog leuker dan enkel een middag spelen. Vraag -maar gauw aan je vader en je moeder, of je mag. Hoe langer je blijft, -des te beter, zegt Moeder. Ik vind 't erg leuk en jij? Groeten voor -allemaal van Frans." - -Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg. Jupke liep mee tot -aan den trein. Hij vond 't saai, dat kon je wel zien, maar Henneman -zei, dat hij met Nieuwjaar terugkwam; dan zouden ze Grootmoeder -samen helpen knijpkoekjes te bakken. En hij beloofde hem ook een -prentbriefkaart uit de stad te zullen sturen. - -Toen keek Jupke vroolijker; hij riep Henneman op 't laatst nog toe, -dat hij er een moest sturen met den Dom er op. - -Nu was Henneman al een week bij Frans. Hij had een mooien Kerstboom -gezien en cadeautjes gekregen en ook was hij nog met Frans en zijn -zusje naar de Kerstfeestviering van hun Zondagschool geweest. Henneman -vond 't heerlijk bij Frans thuis; hij wou er nog wel een week blijven, -zei hij. - -De vader en de moeder van Frans vonden dit best, de vader en moeder -van Henneman ook.... maar Jupke vond het niet best, toen hij er van -hoorde. Dan zou Henneman er immers met Nieuwjaar niet zijn, zooals -hij hem toch beloofd had, om samen bij Grootmoeder van die lekkere -Nieuwjaarskoekjes te bakken en op te eten. Neen, daar was Jupke heel -over uit zijn humeur. Ook was hij een beetje boos, omdat Henneman -vergat hem een prentbriefkaart te sturen en dat had hij hem toch óók -beloofd! Grootmoeder en hij konden er samen wat goed over praten; -Grootmoeder vond 't ook niet mooi, dat Henneman zijn vrindje vergat. - -"Weet je wat," zei Grootmoeder, "morgen is het marktdag--dan ga ik voor -boodschappen even naar stad en stuur je een prentbriefkaart, hoor!" - -"Met den Dom er op?" vroeg Jupke. - -"Ja, met den Dom er op." - -Maar toen Jupke weg zou gaan, riep Grootmoeder hem terug; ze wist toch -nog een beter plan. "Neen, ik stuur je geen prentbriefkaart; als je -vader en je moeder 't goedvinden, neem ik je mee om er zelf een uit te -zoeken; dan doen wij samen boodschappen en bekijken de mooie winkels." - -Toen sprong Jupke hoog in de lucht en gaf Grootmoeder zoo'n onstuimige -omhelzing, dat de keurige muts er scheef van kwam te zitten. - -"Gaan we dan ook naar Henneman en Frans?" - -"Nu, 'k denk, dat we daar wel geen tijd voor zullen hebben, maar weet -je wat, we zullen een prentbriefkaart in de stad koopen voor Henneman -en als we dan weer hier terug zijn, sturen we hem die. Wat zal hij -dan opkijken!" - -"O ja, o ja," juichte Jupke--"dan begrijpt hij er heelemaal niets van!" - -Henneman kende nu al de vriendjes van Frans. Hij werd druk mee -uitgevraagd. 't Leukst van alles vond hij het trammen door de stad, -omdat dit een nieuwtje voor hem was. Dit koos hij dan ook, toen Frans -en hij samen op Oudejaarsdag bij Karel op visite waren en Karels -Moeder hem vroeg, wat hij 's middags graag eens wou doen. - -Frans bleef liever op den zolder gymnastiek doen met Karels grooten -broer en zijn zusje, maar Karel en zijn jonger broertje Wim gingen -mee trammen. - -Oudejaar viel op Zaterdag, marktdag. Juist prettig vonden de jongens -het, zoo door de drukte te komen. - -'t Was een mooie, nieuwe tram met klapbanken. - -Henneman moest dadelijk 's probeeren, hoe dat ging met zoo'n -bank. Karel en Wim wezen 't hem; die wisten het natuurlijk al lang--zij -woonden in de stad en kwamen dus vaak in de tram. - -'t Werd vol. Bij elke halte stonden o zooveel menschen en dan hadden -de jongens den grootsten schik om te kijken, of die er wel allemaal -in zouden kunnen. Ja warempel, 't ging en nòg was er plaats over!--Wat -zoo'n tram toch groot was! - -Bij 't Vreeburg gekomen, drukten ze hun neuzen plat tegen 't glas. - -"Er staan er wel honderd!" riep Henneman opgetogen uit, maar meteen -trok hij zijn hoofd gauw terug. - -"Wat is er, beste jongen?" vroeg Karels Moeder verbaasd. - -"Niks," zei Henneman, die een erge kleur kreeg. Hij had Grootmoeder -en Jupke onder de wachtenden aan de halte ontdekt: Jupke in zijn -Zondagsche pakje, dat--Henneman had er vroeger nooit erg in gehad--hem -toch zoo mal, ouwemannetjesachtig stond, en Grootmoeder daarbij met -haar muts met strookjes... - -Die muts vond Henneman ook op eens zoo gek. Wie had er nu nog een -muts op! Niemand van de menschen, die hij hier kende, droeg een muts! - -Hij hoopte maar, dat Grootmoeder en Jupke niet in de tram zouden -stappen en zat met een hoogroode kleur strak voor zich uit te staren. - -Karel en Wim hipten op en neer van de bank. Hun moeder beduidde -hun, dat ze rustig moesten zijn, de menschen niet mochten -hinderen.--Henneman had geen vermaning noodig; hij was zoo stil als -een muis--van hem hadden de andere passagiers stellig geen last. - -Gedwee schikte hij wat op; een oude heer kwam naast hem zitten. - -Nog meer menschen stapten er in. - -Heel eventjes keek Henneman om; hij kòn 't niet laten.... een muts -zag hij, de muts met strookjes van Grootmoeder.-- - -Een oogenblik herademde, Henneman; er was geen plaats meer binnenin, -dus zouden Grootmoeder en Jupke op 't balkon moeten blijven.... Maar -nee, een jonge man, die dicht bij de deur zat, stond op en gaf -Grootmoeder zijn plaats; men schikte ginds wat op en zoo kwam ook -Jupke te zitten, tegenover Grootmoeder. - -Henneman maakte zich zoo klein mogelijk aan 't andere eind der volle -tram en vond het "gelukkig", dat hij "zoover" van Grootmoeder af -zat! Zoo'n rare Henneman toch! En thuis, als Grootmoeder 's Zondags -zou komen eten, kibbelde hij met zijn broertje om 't plaatsje aan -tafel naast Grootmoeder! - -Henneman bleef in elkaar gedoken zitten en zei niets meer tot aan de -halte, dicht bij 't huis, waar hij vandaag op visite was. - -Karels Moeder stond op, Karel en Wim ook. - -"Kom Henneman, we zijn er!" - -Gauw keek Henneman Grootmoeders kant op; Grootmoeder en Jupke bleven -zitten--dus moest hij hen voorbij! Klein maken hielp niets; ze zouden -hem stellig zien. - -Met neergeslagen oogen sloop Henneman als de laatste van de vier -de tram door, tot aan den uitgang, telkens verwachtend zijn naam te -zullen hooren. - -Bijna was hij bij de deur, de anderen waren al buiten--dáár hadt -je het... "Dag Henneman!" klonk 't blij verrast, met een hooge -jongensstem. - -Henneman struikelde haast over den drempel naar buiten--hij keek niet -om, maar zag toch nog in 't voorbijgaan Grootmoeders gezicht in een -glimp: verwonderd, teleurgesteld, droevig.... Met één sprong was hij -het balkon af; hij zuchtte diep van verlichting en drong gauw door -de wachtende menschen heen. - -"Wat heb jij een haast!" riep Wim uit. - -Henneman had nu eigenlijk blij moeten wezen, dat hij er zoo goed -was afgekomen, maar hij was niet blij, neen hoor, hij had juist een -allerakeligst gevoel over zich en dat maakte, dat hij den heelen -verderen dag geen prettig oogenblik meer had.... - -Toen er aan tafel gebeden zou worden, kreeg Henneman weer een -vreeselijke kleur; hij schaamde zich erg voor God, Die alles wel -gezien had, vanmiddag in de tram. Nu kon Henneman toch maar niet doen, -of er niets gebeurd was en gewoon zijn gebedje opzeggen? - -Hij vouwde zijn handen wel net als de anderen, maar hield zijn oogen -open. Karel keek even verwonderd naar hem en deed toen gauw zijn -oogen dicht. Nu hadden ze allen de oogen gesloten: Karels Vader, -zijn Moeder, Jan, Truus, Wim, Karel en Frans; die spraken nu met God -en hij--hij durfde 't niet.-- - -Zoo ongelukkig als Henneman zich toèn toch voelde!.... - -Henneman bleef de week niet uit, zooals 't plan was geweest. - -Den volgenden morgen bracht de vader van Frans hem al naar huis, -omdat hij zoo erg naar Grootmoeder verlangde en bij Grootmoeder -Nieuwjaarskoekjes wou bakken met Jupke. - -Onder tranen had hij dit 's avonds gezegd, toen hij met Frans van -Karel was teruggekomen. - -En onder het uitkleeden had hij nog meer gezegd, ja--hij had het niet -kunnen uithouden, hij had het moeten vertellen aan de moeder van Frans, -omdat hij nu zijn eigen moeder niet hier had, hoe 'n nare jongen hij -geweest was, 's middags in de tram.--O, hij had zich zoo geschaamd -onder 't vertellen, maar 't had hem toch óók opgelucht. - -Toen had hij God om vergiffenis gevraagd en had daarna ook weer zijn -gewone avondgebedje kunnen doen. Dit had Henneman zoo kalm en rustig -gemaakt. Gauw was hij daarop in slaap gevallen. - -Jupke stond op 't molenerf, toen dokter van Kampen er met Henneman -in zijn Utrechtsch wagentje voorbijreed. - -Henneman dacht aan den vorigen middag en was niets op zijn gemak; -Jupke keek ook verlegen. Dàt was een rare ontmoeting tusschen de -twee vrindjes, maar de dokter wist raad. Hij hield stil en riep Jupke -toe, dat hij maar gauw in 't rijtuig zou klimmen om zijn kameraadje -Nieuwjaar te wenschen. - -Dáár zaten ze nu, Henneman en Jupke, lekker warm ingestopt onder één -reisdeken, maar ze hadden elkaar eerst niets te vertellen. - -Eindelijk zei Jupke: "ik heb een prentbriefkaart van den Dom; kijk -maar",--en hij diepte de al een beetje gekreukte kaart uit zijn zak op. - -"Ik heb den Dom zelf gezien", zei Henneman nu vol trots. - -"Ik óók," riep Jupke, "gisteren, met Grootmoeder en--." Toen hield hij -zich in eens weer stil en keek Henneman van terzijde een beetje schuw -aan. Jupke vond: 't was net of Henneman sedert gisteren Henneman niet -meer was, maar een vreemd jongetje, dat eigenlijk in de stad thuis -behoorde. Henneman zei ook niets meer; onrustig draaide hij op de -bank heen en weer. - -Voor Grootmoeders klimophuisje stonden ze stil. Met een zwaai zette -dokter van Kampen Henneman op den grond. - -"Grootmoeder," riep hij vroolijk naar binnen, "een gelukkig Nieuwjaar, -hoor, en hier heb je je jongen weer; hij verlangde zóó!" - -Toen reed hij gauw weg met Jupke nog in 't rijtuig. - -Ja, dáár had Grootmoeder haar jongen weer! Dàt zag, dàt voelde ze -dadelijk! - -Grootmoeder en Henneman praatten niet veel over gisteren; 't was niet -noodig; ze verstonden elkaar ook zóó wel. - -Grootmoeder nam Henneman op haar schoot, verbeeld je, zoo'n grooten -jongen.... en Grootmoeders muts werd verkreukeld, maar 't lieve, -oude gezicht, dat uit die muts kwam kijken, stond zóó gelukkig en -Henneman keek ook al zoo blij. - -Hand aan hand gingen zij toen later naar Hennemans huis en namen -de knijpkoekjes, die Grootmoeder, omdat Nieuwjaar dezen keer op -Zondag viel, den vorigen dag al gebakken had, in een overdekt mandje -mee. Henneman kon Grootmoeder dus nu niet meer helpen bakken, maar -dat was niets, hij zou ze helpen opeten e.... Jupke ook. Zij haalden -hem onderweg af. - -Nù was 't weer als vroeger: Grootmoeder met Henneman en Jupke -samen! Zóó moest 't nu ook maar blijven, dacht Henneman tevreden, en -hij drukte zijn gezicht, even, liefkoozend tegen Grootmoeders arm aan. - -Grootmoeder glimlachte en zei, dat Henneman nu net als een poesje deed! - -Toen schoten de jongens allebei in den lach; 't vreemde, dat ze -zooeven nog hinderlijk tusschen hen beidjes gevoeld hadden, was nu -ook meteen verdwenen.-- - -Nu was 't wel écht weer zooals vroeger!--Hoe gelukkig begon 't Nieuwe -jaar nu toch voor de beide vriendjes! - - - - - - - - - GEHEEL IN DEZELFDE UITVOERING VERSCHEEN IN: - - "ONS SCHEMERUURTJE" - - BIBLIOTHEEK VOOR HET KIND: - - - - 1. Ida Heijermans, VERTELLINGEN. 2e druk. - 2. Gebrs. Grimm, SPROOKJES. 2e druk. - 3. H. C. Andersen, SPROOKJES. 2e druk. - 4. ONZE OUDE VERSJES. 2e druk. - 5. Ida Heijermans, UIT TANTE'S JEUGD. - 6. TIJL UILENSPIEGEL. - 7. Ida Heijermans, ZOO MOOI ALS ZONNESCHIJN. - 8. Jean Maçé, SPROOKJES. - 9. Wilh. Hauff, VERTELLINGEN. - 10. Ida Heijermans, NANCY'S AVONTUREN. - 11. BARON VON MÜNCHHAUSEN. - 12. Hermanna, VERTELLINGEN. - 13. MIJN SPROOKJESBOEK. - - - - No. 1-13.... à 75 cts. ing., 95 cts. geb. - - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] Zie titelplaat. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Vertellingen, by -Alberdina Hermanna Schlüter and Jan Wiegman - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELLINGEN *** - -***** This file should be named 52415-0.txt or 52415-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/1/52415/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
