summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/52415-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/52415-0.txt')
-rw-r--r--old/52415-0.txt2976
1 files changed, 0 insertions, 2976 deletions
diff --git a/old/52415-0.txt b/old/52415-0.txt
deleted file mode 100644
index f547d2e..0000000
--- a/old/52415-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2976 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Vertellingen, by
-Alberdina Hermanna Schlüter and Jan Wiegman
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-
-
-Title: Vertellingen
-
-Author: Alberdina Hermanna Schlüter
- Jan Wiegman
-
-Release Date: June 26, 2016 [EBook #52415]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELLINGEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- ONS SCHEMERUURTJE.
-
-
- XII.
-
-
- H. MEULENHOFF--AMSTERDAM--1918.
-
-
-
-
-
-
-
-
- VERTELLINGEN
-
- DOOR HERMANNA.
-
- GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN.
-
-
- H. MEULENHOFF-- AMSTERDAM--1918.
-
-
-
-
-
-
-
-
-PIM.
-
-
-Pim was op een nieuwe, prettige school gekomen; een heel prettige
-school was het, zei Pim, als je er hem naar vroeg.
-
-Moeder, die de school voor Pim had uitgezocht, vond 't ook; alleen
-jammer was 't, dat die school zoo'n eind buiten de eigenlijke
-stad lag en je het spoor moest oversteken om er te komen. Voor
-groote jongens was dat niet zoo erg, maar Pim was nog maar zoo'n
-klein ventje! Betje, 't dagmeisje, moest hem daarom altijd tot over
-de rails brengen, waar hij geen kwaad meer kon. Als Betje dan thuis
-kwam, deed ze verhalen over de onvoorzichtigheid van sommige jongens:
-ze kropen onder de afsluitbomen door, als er locomotieven rangeerden,
-en liepen nog over, als de trein in zicht was. Pim wou nooit hebben,
-dat Betje een stapje verder meeging dan tot net over de rails, dat
-vond hij zoo kinderachtig staan, en als Betje dan was omgekeerd,
-huppelde hij vroolijk met kameraadjes 't plantsoen door--ook bleef
-hij er nog wel eens even knikkeren of tollen--naar zijn school.
-
-Een heel prettige school was het. Er gingen niet zoo heel veel jongens
-op en je hadt er dus gezellig kleine klassen.
-
-Behalve in de gewone vakken kreeg je er ook les in slöjd en
-kleiwerken en bij mooi weer leerde je er tuinieren en allerlei echte
-jongensspelen. En dan was er nog iets leuks: je kreeg niet alleen
-cijfers voor je leeren, maar óók voor je gedrag!
-
-Op een andere school ook, zal je zeggen.
-
-Nu ja, maar dan toch enkel voor je gedrag onder de les en tegenover
-den onderwijzer en hier ging 't er ook naar hoe je op de speelplaats
-en in den tuin was met de jongens.... of je wel eens valsch speelde
-of gniepig deedt.... of je slordig was op je tuingereedschap of
-kleinzeerig, als je wat hardhandig werdt aangepakt.... dit alles had er
-invloed op, en zoo kwam het, dat 't gedragcijfer hier veel meer in tel
-was bij de jongens dan meestal op een andere school het geval is. Dan
-kijken ze maar naar de vorderingen, dat's de hoofdzaak, en wie daar
-no. 1 in is, die voelt zich een baas, al is zijn gedragcijfer ook nóg
-zoo leelijk. Op Pims school kon je no. 1 zijn óók door je gedragcijfer
-en daaraan hechtte meneer bijna nog meer dan aan 't no. 1 zijn door je
-vorderingen. Nu moet je niet denken, dat er zoodoende allemaal "zoete"
-jongens werden gekweekt, aan wie de meeste ferme Hollandsche klanten
-een hekel hebben! Neen, hoor! En 'k geloof ook niet, dat zulke "zoete"
-jongens veel kans hadden ooit no. 1 te worden, want die zijn meestal
-flauw, en meneer lette er vooral op, dat zijn jongens flink waren,
-flink in de echte beteekenis van het woord.
-
-"No. 1 voor gedrag" was zoo'n lange naam, vonden de jongens, daarom
-hadden ze met meneer samen er wat anders op verzonnen.
-
-Rex noemden ze hem; dat klinkt kort en krachtig en 't beteekent
-"koning".... of 't dus ook een eerenaam was! Den "no. 1 voor
-vorderingen" noemden ze Prins.
-
-Prins kon natuurlijk niet iedereen worden; dat hing er van af of je
-goed kon leeren. Er waren jongens, die 't nooit zoover konden brengen,
-al blokten ze nog zoo hard--maar Rex te worden stond voor ieder open
-en dat was er juist het mooie van. Om de drie maanden werd er een
-nieuwe Rex gekozen uit al de klassen te zamen. Prins was je alleen
-maar van je eigen klas, maar Rex van de heele school.
-
-Iedere jongen wou graag Rex worden en als hij iets had uitgevoerd,
-waardoor de kans er voor hem op verkeken was, hoopte hij toch, dat
-dan een andere jongen uit zijn klas het zou worden.
-
-De jongens uit de hoogste verbeeldden zich, dat zij veel meer kans
-hadden dan die uit de derde, en de "kleine aapjes," die pas op school
-waren, konden er naar hun idee al heelemaal niet op rekenen nu al
-Rex te worden. Maar toen meneer hen zoo hoorde spreken, legde hij
-'t hun wel anders uit en ook in de lagere klassen zei hij, dat flink
-zijn volstrekt niet afhangt van je leeftijd; een groote jongen kon
-wel heel laf en een kleine vent van zeven jaar juist heel flink zijn.
-
-Pim zat meneer met groote oogen aan te kijken, terwijl hem geen
-woordje van 't gesprokene ontsnapte; hij was óók zeven jaar, zie
-je! Kon hij dus ook al Rex worden? Dat was iets heel groots en dat
-zou moeder stellig plezier doen; dan werd moeder misschien ook weer
-vroolijk, net als vroeger, toen vader nog leefde en ze prettig met
-elkaar buiten woonden.
-
-Pims gezichtje stond heel vastberaden en ernstig.
-
-Maar nu praatte meneer over te laat komen; dan was je niet flink--en
-zoovelen van de kleinere jongens kwamen geregeld te laat, omdat ze te
-lang in 't plantsoen bleven knikkeren en tollen. Pim kreeg een kleur,
-terwijl hij eens in zijn zak voelde; daar had hij een tol en.... hij
-kwam ook vaak te laat. Dat mocht dus voortaan ook niet meer, als hij
-Rex wou worden!.... Den volgenden morgen liet hij zijn tol expres
-thuis liggen.
-
-Hij voelde zich op eens een groote jongen; niet alleen om die mooie
-plannen, maar ook omdat hij vandaag voor 't eerst niet weggebracht
-zou worden.
-
-Betje had vanmorgen een boodschap gestuurd, dat ze wegens ziekte
-niet kon komen. Moeder moest nu voor alles alleen zorgen: kleine
-zus aankleeden, telkens opendoen, o, en honderd andere dingen meer;
-zij kon Pim dus ook niet brengen....
-
-Pims hartje zwol van trots, toen hij dit hoorde. "Ik kan ook best
-alleen gaan," zei hij vol vertrouwen, terwijl hij moeder ferm aankeek;
-"ik zal wel heel voorzichtig zijn bij 't spoor."
-
-Moeder hield hem nog eens vóór hoe gevaarlijk 't er was met 't
-rangeeren van de treinen en liet Pim vast beloven, niet onder de
-boomen door te zullen kruipen, als ze dicht waren.
-
-"O," zei Pim nu, "maar dat hindert niets, als je maar voorzichtig
-bent; alle jongens doen het; ze gaan zooveel te vroeg dicht en soms
-zegt de man, die er bij staat zelf: ga je gang maar!"
-
-Moeder trok hem naar zich toe. "Pim, jongen, moeder heeft het toch
-liever niet. Beloof je mij het niet te zullen doen, ook al schijnt
-het alsof 't nog wel kan?"
-
-Pim beloofde het en toen was moeder gerust, want, hoe klein haar
-jongetje ook was, ze wist, dat ze op hem aan kon.
-
-'t Ontbijt was later dan anders; doordat Betje er niet was, kwam er
-telkens oponthoud. Kleine zus was ook zoo onrustig; ze schreide gedurig
-en dan moest moeder weer naar boven, waar ze nog in haar wiegje lag.
-
-Pim pakte zelf zijn tasch in; anders keek moeder altijd, of alles
-er wel in was, nu deed hij het alleen. De sponzedoos was eerst zoek,
-toen moest hij zijn nieuwe griffels nog uit zijn kastje halen. Door
-een en ander ging Pim veel later van huis dan gewoonlijk, maar daar
-hij nu niet wou tollen, hinderde het niet. Als hij flink aanstapte,
-kon hij best op tijd komen; "tenminste...." zei Pim bij zich zelf
-terwijl hij op een draf door de drukke straten liep;--hij voltooide
-zijn zinnetje niet--wou er maar liever niet verder aan denken.
-
-Andere jongens van school kwamen hem achterop; ze waren uit een
-hoogere klas. 't Leek wel alsof ze vandaag geen van allen te laat
-wilden komen; zeker dachten ze aan wat meneer gisteren ook in hun klas
-daarover had gezegd, want in plaats van zooals anders te slenteren of
-kattekwaad uit te voeren onderweg, stapten ze nu stevig door en één,
-die al een horloge had, spoorde hen aan nog harder te loopen, want 't
-werd tijd. Pim kon met zijn korte beentjes die veel grootere jongens
-niet bijhouden; hij bleef al gauw een eindje achter, hoe hij zich ook
-inspande en tot overmaat van ramp zag hij in de verte de afsluitboomen
-dicht. Daar hadt je het nu al! De jongens waren daar al en kropen er
-onder door. O, Pim hoopte zóó, dat ze weer open zouden zijn tegen den
-tijd dat hij er was; maar dat viel tegen. Er werd druk gerangeerd;
-onophoudelijk reden er losse locomotieven met vervaarlijk geblaas en
-gepuf heen en weer.
-
-Pims hartje klopte hem in de keel van 't harde loopen, en nu zou
-dat allemaal nog tevergeefs wezen, als.... als die boomen niet gauw
-opengingen.
-
-O, er kropen wel meer jongens onder door, groote menschen ook. En
-Pim zou 't ook best durven, maar.... maar.... hij had moeder immers
-beloofd het niet te zullen doen.
-
-Hij popelde.--Aan een mijnheer, die ook stond te wachten, vroeg hij
-met een beverig stemmetje hoe laat het was.
-
-"Op slag van negen, ventje," was het antwoord; "je mag straks wel
-hard loopen, anders kom je nog te laat op school!"
-
-"Kruip er onder door!" ried een slagersjongen aan, terwijl hij 't zelf
-ook deed; "dat duurt hier altijd zoo bar lang en nou op 't oogenblik is
-er geen trein." Toen hij midden op de rails was, bleef hij even staan
-en keerde zich om; "kom maar gauw," riep hij Pim toe, "'t kan best!"
-
-De mijnheer sprak met den wachter; die deed den boom al een klein
-beetje omhoog voor Pim; ja, 't kon nu wel even. Hij liet ze gewoonlijk
-maar dicht, omdat er anders op eens zoo'n aandrang kwam van wagens en
-fietsen, en zoo lang was de weg niet vrij, maar even, heel even kon
-'t wel,--zeker!
-
-De mijnheer maakte er gebruik van.
-
-Pim aarzelde. Zou hij ook? Zou hij?--Als 't nu toch kon! Deed hij
-'t niet, dan kwam hij te laat--dan kon hij geen Rex worden, moeder
-er niet blij mee maken.... Moeder blij maken! Ja, maar.... hij had
-moeder daarnet toch beloofd.... De kleine jongen werd beurtelings
-warm en koud. Zou hij?--Zou hij niet?--
-
-"Toe dan!" riep de wachter op barschen toon. "Ik kan den boom niet
-eindeloos ophouden voor jou!"
-
-Pim zuchtte diep, terwijl hij een paar stappen achteruit ging. "Dank
-u," zei hij, "ik vind 't heel vriendelijk, maar.... maar...."
-
-Met een harden slag viel de boom dicht, het traliewerk aan den
-onderkant rinkelde; de wachter keerde Pim den rug toe.
-
-Die stond daar zoo kleintjes, zoo wanhopig in een hoekje. Wat kon
-'t hém schelen dat de trein daar voorbij snorde, dat nu over een
-paar minuten, als er ook een van den anderen kant zou zijn gekomen,
-de weg weer vrij werd.... Hij kwam nu tòch te laat, hij kon nu geen
-Rex worden; uit was het met zijn mooie plannen. En of hij straks al
-zei, dat het kwam door den overweg, de jongens, die gelijk met hem
-hadden geloopen, waren toch wèl op tijd geweest, zou meneer zeggen,
-en dát was waar; Pim wist er niets tegen in te brengen. Heel langzaam
-slofte hij naar school. 't Had al negen uur geslagen; Pim had 't wel
-goed gehoord; iedere slag had hem in zijn hartje pijn gedaan. -------
-
-Pim zat met neergeslagen oogen in zijn bank. Meneer was zoo juist
-in de klas gekomen om de te-laat-komers op te schrijven. Pim was de
-eenige en alle jongens keken naar hem, terwijl meneer zei, dat hij
-dit toch zeker niet meer van Pim had verwacht, nadat ze er gisteren
-zóó over gesproken hadden. Pim antwoordde niets; zijn lippen trilden,
-hij zou zeker in tranen zijn uitgebarsten, als hij geprobeerd had
-wat te zeggen, en dat mocht niet; hij wou flink zijn. Nu riep op
-eens 't broertje van een der jongens, die Pim zooeven voorbij waren
-geloopen--een klein, vinnig ventje was 't, dat graag klikte en anderen
-zwart maakte: "Pim zou niet te laat zijn gekomen, als hij maar niet
-zoo flauw was geweest; hij is ook zóó bang, zegt mijn broer!"
-
-Dat was te veel voor hem! Hij flauw? Hij bang?--En hij wist zoo heel
-zeker, dat hij 't ook best zou hebben gedurfd, dat, wat die anderen
-hadden gedaan!
-
-Hij liet zich voorover op zijn lessenaar vallen en riep driftig onder
-'t snikken door: "Dàt's nietis, dàt's nietis, dat's nietis! Ik durfde
-'t óók best!"
-
-De klikspaan schrikte er van; hij had spijt, dat hij zich maar niet
-had stilgehouden, want nu nam meneer Pim en hem samen mee naar zijn
-eigen kamer. Hier werden ze beiden ondervraagd.
-
-In de klas was 't erg onrustig. Telkens keken de jongens naar de
-deur. Wat Pim toch wel voor flauws zou gedaan hebben? Of meneer erg
-boos op hem zou wezen?
-
-Maar ze zouden 't gauw anders hooren.
-
-Toen ze even later naar buiten gingen om in hun tuintjes te werken,
-voegde meneer zich bij hen; hij hield Pim aan de hand en praatte
-vriendelijk tegen hem. Pims gezichtje was nog wel behuild, maar hij
-keek toch weer vroolijk. De klikspaan-jongen daarentegen zag er uit,
-alsof hij pas eens ferm op zijn plaats was gezet; ongemerkt probeerde
-hij achter meneer om naar zijn tuintje te sluipen; daar ging hij
-dadelijk aan 't graven.
-
-"Jongens," zei meneer, toen ze allemaal bij elkaar waren, ook die van
-de hoogere klassen, "ik wil jullie even zeggen, dat een jongen, die te
-laat komt, doordat hij niet een belofte aan zijn moeder heeft willen
-verbreken, volstrekt niet de kans heeft verloren om Rex te worden;
-integendeel, hij heeft daardoor bewezen flink te zijn, echt flink,
-zooals juist een eerste vereischte is voor dezen eeretitel!"
-
-Allen, behalve de klikspaan, keken weer naar Pim; die van de hoogste
-klas nu ook, want ze gisten wel, dat meneer op hem doelde, hoewel
-ze er natuurlijk niet allemaal 't rechte van begrepen--maar wat zij
-wèl begrepen, was, dat zij, grooten, dezen keer een harden dobber
-zouden hebben om het Rex-schap te verkrijgen, daar er heel veel
-kans op bestond, dat zoo'n klein aapje uit de eerste klas er mee zou
-gaan strijken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE BOON
-
-
-'t Was Driekoningendag en volgens oud gebruik was er 's middags een
-Driekoningenbrood met een krans van brandende kaarsjes er om heen op
-de zaal gebracht, waar de herstellende kinderen waren. Zuster Mina's
-oogen schitterden net zoo vroolijk als de kaarsjes, toen ze den schotel
-op de tafel, in 't midden van de zaal, zette, waar alle kinderen er
-goed naar konden kijken. Straks zouden ze er van mogen proeven, maar
-nu moesten de kaarsjes eerst maar wat vroolijkheid brengen met hun
-lichte vlammetjes en onderwijl vertelde Zuster Mina met haar zachte,
-duidelijke stem van de drie Wijzen, of drie Koningen, uit het Oosten,
-die de verre, verre reis deden op hun kameelen, geleid door 't licht
-van de Ster, om het Kindeke in de kribbe te zoeken.
-
-De meeste kinderen waren met Kerstmis ook al in 't Ziekenhuis geweest
-en hadden toen bij den Kerstboom hooren vertellen van 't Kindeke in
-de kribbe, geboren in den stillen Kerstnacht.--En dit, waar Zuster
-Mina nu van sprak, geleek hun een vervolg toe van die mooie, oude
-geschiedenis.--
-
-De kaarsjes waren nog maar kleine stompjes en 't was begon af te
-druppelen. Zuster Mina blies ze nu voorzichtig één voor één uit.--Alle
-kinderen keken er met gespannen aandacht naar, hoe 't ééne lichtje na
-'t andere verdween.
-
-Hè, zoo jammer, vonden ze 't, toen er geen een meer over was;
-'t Driekoningenbrood, zonder zijn stralenkrans, geleek zoo nuchter
-en gewoon.
-
-Maar Zuster Mina had al weer wat te vertellen. Nù sprak ze niet zacht
-en eerbiedig, want dit, wat er nù kwam, had met die mooie geschiedenis
-niets te maken; dit was maar een grapje, een aardigheid, die de
-menschen later verzonnen hadden, toen ze Driekoningenfeest gingen
-vieren en daarvoor Driekoningenbrood bakten. Al heel lang was 't de
-gewoonte geweest een boon in 't deeg te bakken. En wie dan straks,
-bij 't ronddeelen, de boon op zijn bord zou krijgen, werd "koning"
-genoemd en moest trakteeren.
-
-En nu was er in dit Driekoningenbrood ook een boon verborgen.
-
-Dàt vonden de kinderen leuk, vooral toen ze hoorden dat degene,
-die de boon zou krijgen, vandaag ook "koning" zou wezen.
-
-"Moet hij dan ook trakteeren?" vroeg Betje de Bruin en ze strompelde op
-haar krukken naar de tafel om 't gebak eens goed te bekijken. Misschien
-zag ze de boon wel, dacht ze, maar dat was mis.
-
-"Neen," zei Zuster Mina, "wij doen 't zóó: wie "koning" is, mag
-kiezen wat voor spelletje er gespeeld zal worden en mag dan 't eerst
-een beurt hebben. En op zijn bord zetten we een nieuw kaarsje. Dat
-steken we aan en zoo lang 't brandt, mag de "koning" een mooie kroon
-op hebben van goudpapier."
-
-"Of de "koningin"," riep Betje.
-
-Zuster lachte. "Ja, natuurlijk, als jij de boon treft, ben je koningin
-en dan mag jij de kroon op hebben. Kijk, hier heb ik 'm!"
-
-De mooie gouden kroon ging voorzichtig van hand tot hand.
-
-"Pas op, niet scheuren," waarschuwde Dora Bergen, toen Hansje 'm van
-haar aanpakte. Hans was zoo'n wilde jongen. Door zijn wildheid kwam
-'t ook, dat hij hier was: hij was achter op een wagen geklommen,
-had een leelijken val gedaan en had zijn hoofdje erg bezeerd. 't Zat
-nog in verband, hoewel hij al weer vroolijk rondliep.
-
-Zuster Mina kreeg de kroon weer goed en wel terug. Zij zette 'm op
-een kastje en ging nu 't Driekoningenbrood snijden. Heel langzaam,
-dat allen 't goed konden zien. 't Was een gewichtig werkje, vonden
-de kinderen.
-
-Twaalf gelijke stukken lei Zuster op een schotel. 't Gebak was precies
-op gedeeld. In één van die stukken was dus de boon verscholen!--
-
-"Hè, 'k hoop dat ik 'm tref!" zei Piet.
-
-"Nee ik!" riep Dirk.
-
-"Och jongen, jij bent al zoo groot!"
-
-"Nou, wat zou dat? 'k Wil toch wel 's "koning" zijn; dat is me nog
-nooit gebeurd. Wat zeit u, Zuster?"
-
-"Of je gelijk hebt," lachte Zuster Mina en begon rond te deelen.
-
-"Wachten tot ieder een stuk heeft, kinderen, en dan tegelijk beginnen,"
-riep zij.
-
-De grooten gehoorzaamden dadelijk en lieten hun deel rustig liggen,
-maar voor de kleintjes was 't een toer er af te blijven.
-
-"Hans zit er telkens met zijn vingers aan, Zuster," klikte Betje.
-
-"Nietes," bromde Hans met een vuurroode kleur.
-
-"Ziezoo, nu kunnen jullie beginnen! Wat ik benieuwd ben," zei Zuster
-Mina, "wie straks de kroon op zal krijgen!" En ze ging vast een nieuw
-kaarsje klaar maken.
-
-Al gauw klonk het: "Ik heb 'm!" Dat was 't schrille stemmetje van
-Hans. Hij hield een boontje omhoog.
-
-"Wel, wel," zei Zuster: "zoo'n kleine "koning"--als de kroon je
-maar past!"
-
-'t Kaarsje werd aangestoken en Hans kreeg de kroon op; ja, dat ging
-best. Alle kinderen lachten en riepen: "Leve koning Hans"!
-
-Maar "koning Hans" zei niets en at stilletjes zijn gebak verder op,
-zonder haast naar 't kaarsje te kijken. De anderen hapten lustig
-van hun stuk; ze behoefden niet meer zoo voorzichtig te doen, want
-ze wisten nu, dat er toch niets in was. Maar 't smaakte er hun even
-lekker om, hoor!
-
-Opeens, zoo onverwacht, dat ze er allemaal van schrikten, klonk
-'t heel hard: "hé!" Dat was Dirk.
-
-"Ik heb óók een boon," riep hij verbaasd; "'k had 'm bijna ingeslikt,
-kijk!" en op zijn bord liet hij 't boontje rondgaan.
-
-"Dan zal de bakker er twee in hebben gebakken," zei Zuster Mina,--"nu
-hebben we dus twee koningen--dat 's een raar geval, want er is maar
-één kroon!"
-
-"O, laat Hans 'm gerust ophouden," riep groote Dirk gauw en hij lachte,
-"'t Is maar de aardigheid; ik ben best tevreden, als jullie allemaal
-"leve koning Dirk!" roepen!"
-
-Dàt deden ze. Tot de laatste kruimeltjes toe werd 't lekkere
-Driekoningenbrood opgegeten. Toen was ook meteen Hans' kaarsje
-opgebrand. Zuster nam hem de kroon af, want de kinderen moesten nu een
-uurtje rusten. Straks zouden er spelletjes gespeeld worden en Hans en
-Dirk mochten dan om beurten kiezen. Omdat ze allebei "koning" waren,
-was dat 't eerlijkste.
-
-Dirk was 't best, maar Hans zei niet veel. Of hij moe was?
-
-'s Middags, bij het spelletjes doen, moest Zuster telkens naar hem
-kijken; hij was zoo hangerig en zat maar 't liefst in een grooten
-stoel te droomen.
-
-Toen de dokter kwam, sprak ze even apart met hem over den kleinen
-jongen en 't gevolg was, dat Hansjeman al heel vroeg in zijn bedje
-werd gestopt.
-
-"Wel te rusten "koning" Hansje!" zei Zuster Mina uit de grap, terwijl
-zij zich over zijn bedje boog om hem toe te stoppen.
-
-Daar begon Hans plotseling te schreien, zoo bitter bedroefd, dat
-Zuster er van ontstelde. Ze nam hem in haar armen en suste hem en
-eindelijk was de kleine jongen zoover bedaard, dat hij zeggen kon,
-wat er aan scheelde. O, dat was een naar verhaal, dat Zuster te hooren
-kreeg. Hansje had toch zoo valsch gedaan vanmiddag met de boon! Hij
-was zoo bang geweest, dat de boon niet in zijn stuk zou wezen en toch
-had hij zoo dolgraag de mooie kroon op willen hebben; daarom had
-hij gauw, stilletjes, 't boontje uit zijn sponzendoos in zijn stuk
-Driekoningenbrood gestopt. De boon van Dirk, dat was wel de echte
-boon geweest, maar Hans had zich, toen Dirk 'm vond, zóó geschaamd:
-hij had 't niet durven zeggen. En nu had hij er toch zoo'n vreeselijken
-spijt van! 't Was aldoor zoo'n akelig gevoel geweest, niks leuk om zóó
-"koning" te zijn en de kroon had hem zóó gedrukt,--hoewel 't maar een
-licht dingetje was, dat je wel weg kon blazen,--en 't lichtje had hem
-zoo in de oogen geschenen, dat was nog 't ergste geweest, dat mooie,
-heldere lichtje, dat tot in Hansje's hart scheen door te stralen--o,
-hij had 't haast niet uit kunnen houden.
-
-Zuster praatte zachtjes nog een poosje met Hans. Toen werd hij rustiger
-en viel kalm in slaap.
-
-Den volgenden morgen was Hans veel beter; hij mocht weer op den gewonen
-tijd opstaan en 't leek voor de andere kinderen of er niets veranderd
-was, of alles bij 't oude was gebleven.
-
-Maar er was wèl wat anders geworden--dat wist Hansje heel goed.
-
-Toen hij na eenigen tijd weer heelemaal beter was en naar huis
-kon gaan, was hij wat ongerust, dat Zuster Mina vergeten zou zijn
-sponzendoos bij zijn goed te pakken.
-
-In die sponzendoos had Hans een boontje.
-
-Zuster wist 't wel; ze had 't gezien, maar zei er niets van.-- --
---'t Was de boon van den Driekoningendag.--
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE NIEUWE SLEE.
-
-
-"Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?"
-
-"Och, niks!"--en Wim legde gauw zijn arm over 't papier, terwijl hij
-Nette met een donkeren blik aankeek.
-
-"Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag," vertelde Otto,
-die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de
-dictionnaire opzocht.
-
-"Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat 's kijken,
-Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik
-niet eens mag zien wat er op staat?"
-
-Wim schoof voorzichtig een vloeitje over 't begin van zijn lijst en
-terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette
-een kijkje op de rest te geven.
-
-"Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel,"
-las Nette halfluid.
-
-"En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft,"
-viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier,
-die Wim hem naar 't hoofd gooide, te ontwijken.
-
-"Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?" voer Wim vuurrood
-van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het
-vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters
-boven aan de verlanglijst: "een ijzeren slee zooals Vic heeft."
-
-"Dat 's gemeen," bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en
-gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.
-
-"Och, mannetje, heb toch niet zoo'n praats! Je hebt zeker wel een
-half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond
-'t met letters als koeien; als 't zoo'n geheim was, hadt je maar wat
-beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik 't helpen,
-dat ik 't zoo heb gelezen?"
-
-"Nou ja," mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij
-wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde
-zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo'n grooten wensch
-voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma
-een boek en verder een paar kleinigheden.--Maar een slee--dat was
-zoo iets groots,--Wim had 't bijna niet durven opschrijven--en
-toch, en tòch--hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor
-sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een
-lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan
-goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo'n vaart, dat je
-heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de
-Schuttershei, doorgleedt.--Heerlijk! Wim vond 't nog prettiger dan
-schaatsenrijden!--Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve
-misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen,
-want de zijne had 't verleden winter afgelegd, er was geen herstellen
-meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan had hij nu spijt
-genoeg, maar dat was een schrale troost en 't hielp hem niet aan een
-nieuwe slee!--Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma
-misschien?? In elk geval kon hij 't probeeren, en zoo kwam het, dat op
-Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond: een ijzeren slee.
-
-"Zou je er een krijgen van Ma?" vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim,
-die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder
-'t hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat.
-
-Wim haalde zijn schouders op.
-
-"Och."
-
-"Och, wel nee," zei Otto; "dat kan je begrijpen, zoo'n ijzeren slee
-is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim 't durft vragen--als 't nu nog
-een prikker was...."
-
-"Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook," mompelde Wim zonder
-op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden
-uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende.
-
-"Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo'n lompe prikker! Ze
-zouden er je nog om uitlachen!"
-
-"Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt
-je tenminste niet uitgelachen!--'t Kan mij niet schelen! Ik sleed
-liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar
-naar kijken mag. Dat zeg ik je!"
-
-In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui
-en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven
-sleden met een prikker--en beide jongens raakten zoo in vuur, dat
-'t weinig scheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen.
-
-Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst
-en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had
-ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen
-zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen
-klaar was.
-
-"Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten
-schrappen. Dat is wel een erg groote wensch, vindt je niet?--Je weet
-wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!"
-
-Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog:
-"Maar in plaats van 't boek, Ma?"
-
-"Ma vindt 't erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen,
-maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk
-je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch
-niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet
-je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei
-andere noodzakelijke dingen!"
-
-Wim liet 't hoofd hangen.--Ma gaf hem een kus en vervolgde op
-opgewekten toon:
-
-"Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens
-leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school
-en thuis wat minder wild bent, of je dan 't volgend jaar niet zelf
-weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan,
-hoor!" en Ma dreigde hem lachend met den vinger.
-
-Wim gaf een flauw lachje terug. 't Volgend jaar een prikker--och,
-en hij wou nù een ijzeren slee!
-
-Verdrietig sloop Wim weg.
-
-Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts
-enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden
-elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens
-uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin.
-
-"Dat gaat goed," zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker,
-dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets
-op; hij dacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest
-afzetten, en aan Otto's prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit
-maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in 't rond
-dik onder de sneeuw lag, had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu
-zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier
-uur en hij zou mogen toekijken!
-
-
-
-Ze zaten maar met hun vieren aan 't ontbijt: Ma, de groote zussen,
-Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden
-gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen.
-
-Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn
-boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker.
-
-Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden
-zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets
-van zijn booze bui merkte.
-
-"Wim, jongen," zei ze, zoo opgewekt mogelijk, "Otto en Net zijn zoo
-gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me
-doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!"
-
-"Bij Nicht Saar!" herhaalde Wim langzaam. "Moet ik er naar binnen?" en
-zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in 't dorp op
-kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij
-was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte
-gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was,
-wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar
-voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch
-kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen,
-want 't scheen dat Nicht 't zich in het hoofd had gezet, dat Wim,
-omdat hij Willem heette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen,
-en--dat was niet het geval!
-
-"Neen," zei Ma, "je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk
-er aan, 't niet in de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van
-of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar
-adres aan de juffrouw vragen."
-
-"Ja Ma," zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham
-in den mond stak.
-
-"Je mag wel wat voortmaken," maande Truus aan, "anders kom je nog
-te laat."
-
-Wim stond op, stopte 't briefje in zijn blouse en verdween met een
-halfluid: "Dag Ma, Truus, To," in het aangrenzend kabinetje, waar de
-jongens 's avonds hun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon
-Wim zijn boeken in 't zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag
-er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel
-en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren,
-hij zonder slee!
-
-Het riempje zat vastgesjord en Wim was op 't punt weg te gaan, toen
-Cato iets zei, dat zijn aandacht trok.
-
-"Bedoelt u zoo'n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?" vroeg ze
-tamelijk luid.
-
-"Sst," zei Ma.
-
-"O, maar Wim is al weg," zei Truus nu.
-
-Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen
-deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben
-gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn
-oor tegen den kier van de deur.
-
-"De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet," hoorde hij Ma nog
-zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim
-sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg.
-
-Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was
-er zoo mee vervuld, dat hij 't briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou
-Ma tòch nog...? Of misschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde
-weer op--ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste
-overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg
-boos humeur, weg bokkepruik--geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om
-twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en
-met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker,
-die hoogst vergenoegd naar beneden sulden.
-
-Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar
-niet pedant--'t zal te bezien staan of jouw slee de mooiste blijft
-van de heele baan!
-
-Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid
-stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl
-hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus
-deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen.
-
-Nicht woonde in de Langestraat--als hij hard liep, kon 't nog net.
-
-Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine
-zij straatjes van de Heerenstraat, kwam buiten adem aan 't huis,
-waar Nicht Saar en pension was, trok aan de bel alsof er brand was,
-en stopte 't briefje gauw in de bus.
-
-Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij
-zich, dat Ma nog zóó had gezegd 't briefje niet in de bus te stoppen,
-maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo'n
-dringende boodschap zou 't toch wel niet zijn en mogelijk was
-Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en
-antwoordde volmondig "ja", toen Ma hem aan de koffietafel vroeg,
-of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk
-mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen
-en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou
-krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: "Praat maar toe, ik weet
-wat ik weet." Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar
-de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter 't
-aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier en sierlijker werd
-de slee en op den jaardag zelf was 't al een pronkjuweel geworden,
-waarbij die van Vic maar een prul leek.
-
-Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in
-werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was
-nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten,
-de huiskamer binnen te gaan.
-
-"Even nog wachten, vent," zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en
-gefeliciteerd had; "ik ben nog niet heelemaal klaar," en Ma verdween
-weer in de kamer.
-
-Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend
-onder haar schort--toen Otto, die hem in 't voorbijgaan zijn cadeau
-vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte--en 't
-laatst van allen Nette.
-
-Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen.
-
-Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte.
-
-"Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de
-gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!" klonk 't hem tegemoet.
-
-Wat ongeduldig weerde hij de zussen af--dat gezoen was 't vervelendste
-op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar 't tafeltje
-voor 't raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd
-vloeipapier, zóó dat ze 't meest voldeden. Een boek in prachtband,
-een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer
-en een stuk chocola;--en dan nog 't zakmes van Otto, dat Wim er
-nu bij legde. Wim bekeek zijn presenten en bedankte, maar hij was
-niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van
-'t tafeltje door de kamer. De slee--waar was de slee? Wim durfde er
-niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat
-de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou 't wezen. Toen
-werd hij wat opgewekter.
-
-Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed:
-"Is er niets voor mij gekomen?"
-
-En toen 't antwoord "Neen" luidde, nam Wim 't haar bepaald kwalijk,
-en zij kon 't toch allerminst helpen.
-
-Den heelen middag, 't was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen
-een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan.
-
-Of hij zich dan niet wel voelde?
-
-Och, jawel--en Wim zat lusteloos in den grooten stoel voor 't raam
-wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van
-zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet
-verscheen.
-
-"Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren," dacht Ma,
-die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. "Zou
-'t om de slee wezen? Maar ik heb 't hem immers vooruit gezegd, dat
-hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten."
-
-Ma begreep er 't rechte niet van--ze wist ook niets van Wims
-luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma 't rechte niet
-begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan
-had, als hem was opgedragen.
-
-Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden
-ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar
-niet verscheen. 't Was een saaie middag.
-
-"Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is," zei Cato aan tafel.
-
-"Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?" vroeg Nette verbaasd.
-
-"Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagd en ik heb gezien,
-dat ze hem opgeschreven heeft."
-
-"Den mijnen ook?" vroeg Otto.
-
-"Welnee, alleen dien van Wim."
-
-"Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!"
-
-"Daar heb ik ook wat aan," bromde Wim, die, hoewel hij anders niet
-op Nicht Saar gesteld was, 't nu toch wel aardig zou hebben gevonden,
-als Nicht gekomen was--met een pakje--nu ja, dat hoorde er natuurlijk
-bij. 't Zou tenminste zoo'n klein beetje een vergoeding zijn geweest
-voor die teleurstelling over de slee.
-
-"Zou Nicht 't kwalijk hebben genomen, u weet wel?" vroeg Truus met
-een wenk aan Ma.
-
-"'t Kan bijna niet, daar 't alleen een antwoord was op haar vraag--maar
-toch, je kunt 't nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet
-zeker wist, dat Wim er 't briefje zelf had afgegeven, zou ik denken,
-dat 't misschien niet tot haar is gekomen."
-
-Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over 't briefje? Wat
-was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee--'t was al
-zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had
-'t ook maar half gehoord.
-
-Om zeven uur een harde ruk aan de bel.
-
-"Een verrassing voor jou!" riep Truus uit.
-
-Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. "Ik hoop tenminste,
-dat je 't prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo
-gauw voldaan."
-
-Wim kreeg een kleur. Ja, Ma had gelijk: hij was schandelijk ondankbaar
-geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was 't gauw vergeten,
-dan kwam alles nog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma 't zich
-maar wenschen kon.
-
-Gepraat in de gang--stappen naar de deur, die Otto met een zwaai
-opendeed--daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram,
-Nico, Piet en Vic.
-
-Leuk van Ma ze stil te vragen,--maar, waar was--de slee? Wim wierp
-achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur
-was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit
-komen? En hij had toch zelf gehoord, dat Ma er met de meisjes over
-sprak!
-
-Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen
-met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging
-het alles buiten hem om.
-
-Tegen negen uur werd er weer gebeld.
-
-"Nog een verrassing!" riep Nette uit.
-
-"Nee, nee," zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim;
-"'k zou niet weten wat er nu nog moest komen!"
-
-'t Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch
-alle hoop laten varen. Bijna negen uur. Nee, als de slee had moeten
-komen, was hij er nu al geweest!
-
-Jansje tikte. "De post, Mevrouw!"
-
-"Hé! van Nicht Saar," zei Ma verrast en toen, even later met een
-vroolijken blik op Wim: "Luister eens, jongen, dit geldt jou ook."
-
-"Vanmiddag laat van een driedaagsch uitstapje thuis gekomen, vond
-ik je brief met de inlichtingen--die ik trouwens zelf gevraagd
-had--van Willems wenschen. 't Is wel niet mijn gewoonte cadeaux
-te geven op verjaardagen, maar met Willem wil ik een uitzondering
-maken. 't Spijt me zeer, dat ik je brief niet eerder in handen heb
-gekregen--nu ben ik niet klaar met mijn cadeau. 't Is nu te laat er
-nog voor te zorgen. Eerlijk gezegd, was ik ontevreden, omdat ik op
-mijn vraag maar geen antwoord kreeg. We hadden toch afgesproken,
-dat je zoudt informeeren of ik nog thuis was; zoo niet, dan zou
-de juffrouw je mijn adres geven. Het ontstemde mij, dat ik geen
-bericht van je kreeg en daarom kwam ik ook niet, zooals eerst mijn
-plan was, vóór Willems jaardag thuis. Enfin, ik heb den brief nu en
-'t is zeker een misverstand geweest. 't Is me nu te laat om zelf nog
-te komen, bovendien ben ik moe van de reis; maar ik wil den jongen
-zijn cadeau nu toch niet onthouden. Geef hem inliggenden brief met
-mijn gelukwenschen."
-
-Vier, vijf, zes handen tegelijk werden naar het papiertje uitgestoken,
-dat Ma omhoog hield.
-
-Wim pakte het en met een kleur als vuur las hij hardop: "Goed voor
-een mooie ijzeren slede, uit te kiezen door Willem zelf."
-
-"O, Ma!" was al wat Wim zeggen kon--de tranen sprongen hem in de oogen,
-en als hij zich niet geschaamd had voor de vrindjes, dan...
-
-Dat werd een heerlijk slot van den dag. Ma verzon het en allen vonden
-'t dol. Verbeeld je, ze gingen met hun zessen en de vier vrindjes er
-bij, dat was tien, warm ingestopt er nog op uit, naar de Kerkstraat,
-om daar bij den smid een slee uit te kiezen. 't Was Wim alsof hij
-droomde, nu hij daar op den laten avond in den winkel stond en zijn
-vurige wensch op 't punt was vervuld te worden.
-
-Hij zocht een prachtslee uit. Zelfs Vic moest bekennen, dat de zijne
-er niet bij haalde.
-
-Of ze haar dadelijk mee mochten nemen? "Wel ja, hoor!" Nette in de
-slee--Wim, Otto, Vic en Piet aan 't duwen--hei, wat vloog die er
-overheen! Zoo licht als een veer!
-
-Nu weer terug naar Ma en de anderen, en toen in vroolijken optocht
-allen met elkaar de vier vrinden één voor één thuis gebracht. Het
-laatste eind mocht Wim zelf in de slee.
-
-Ma liep er op een drafje bij met de meisjes en pret dat ze hadden. Wim
-vooral, hij was door alles heen.
-
-Maar thuis, toen de nieuwe slee veilig was opgeborgen en de drie
-jongsten ook nog even mochten opblijven om na te praten, werd Wim
-weer stil. Hij keek zoo ernstig.
-
-"Jongenlief, wat is er?" vroeg Ma, die zich al ongerust maakte.
-
-"Ma--ik--ik weet wel hoe 't komt, dat Nicht uw brief zoo laat
-kreeg." Ziezoo, nu was 't begin gemaakt, nu was 't hooge woord er
-uit: "'t Was mijn schuld, Ma"--en haperend en stotterend, maar toch
-al opgelucht, vertelde Wim de heele geschiedenis, ook dat van zijn
-luistervink spelen.
-
-Ma zei er maar niet veel meer van; de jongen had er al narigheid
-genoeg over gehad. Maar gelukkig, het eind van den dag was dan toch
-goed geweest, vond Ma, terwijl ze haar jongen afkuste en zijn hoofd
-weer ophief, dat hij erg beschaamd liet hangen.
-
-Nou, òf 't goed was geweest! Dat vond Wim ook, toen hij in bed lag
-en den heelen dag nog eens naging. "Maar de halve waarheid spreken
-en voor luistervink spelen doe 'k van mijn leven niet meer," dacht
-hij,--"wat een ellende heb ik me daarmee op den hals gehaald! En--'t
-scheelde niet veel of ik was er mijn slee nog door misgeloopen ook!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-ER ZIT ZOO'N STOUT, KLEIN MEISJE NAAST ME OP SCHOOL.
-
-
-Annie kwam uit school; ze liep natuurlijk op een drafje, al huppelend;
-'k geloof, dat ze heelemaal niet meer gewoon kalm kon loopen. Ma
-haalde haar, Ma met Hek, den grooten hond, die zoo goed de school
-wist te vinden. Geen wonder, want elken dag mocht hij mee om Annie te
-brengen en te halen, alleen als 't regende had Ma 't liever niet. Weet
-je waarom? Hektor kon geen parapluutje ophouden en geen cape omslaan
-zooals Annie en als 't regende werd zijn mooi vachtje dus druipnat,
-en dan maakte hij later alles in huis zóó vuil! Nu was 't droog weer;
-prettig voor Hek en voor Annie, want die dacht al aan allerlei prettige
-plannetjes voor 's middags; dan had ze geen school, zie je.
-
-Annie en Hek liepen samen vooruit tot aan den hoek der stille straat;
-daar moesten ze op Ma wachten, die veel te bang was dat ze bij het
-oversteken niet op de electrische tram zouden letten. Annie gaf Ma nu
-een arm, terwijl Hek blaffend bij haar opsprong en de tasch probeerde
-te pakken, waarmee Annie telkens langs zijn neus zwaaide.
-
-Een paar huizen ver zei Annie niets en anders was ze zoo'n
-babbeltje. Ma dacht al: "misschien heeft ze op school iets uitgevoerd
-en is de juffrouw een klein beetje boos op haar geweest." Juist wou Ma
-er naar vragen, toen Annie haar op eens met een heel ernstig gezichtje
-aan den arm trok. "Ma," fluisterde ze, "vanmorgen is er een nieuw
-kind op school gekomen; ze zit naast me, en 't is toch zoo'n stout,
-klein meisje."
-
-"Zoo," zei Ma, "wat heeft ze dan gedaan?"
-
-"Ze wou heelemaal niet stil zitten en ze luisterde niet, en toen
-heeft de juffrouw haar in den hoek gezet."
-
-Ja, dat was erg, dat vond Ma ook en toen ze thuis kwamen en Annie er
-Pa van vertelde, vond Pa het ook al heel erg om op den eersten dag
-van je op school zijn in den hoek terecht te komen. Onder de koffie
-begon Annie telkens weer over 't stoute meisje; hoe ze heette wist
-ze niet precies, Koosje of Roosje of misschien Toosje, morgen zou ze
-'t haar eens vragen.
-
-"Pas maar op dat Koosje, Roosje of Toosje jou niet stout maakt," zei
-Pa, maar Annie schudde van neen. "Ik praat heelemaal niet met haar,"
-verklaarde ze beslist.
-
-"Dat vind ik niets lief van je. Onder de les moet je natuurlijk stil
-zijn, maar onder 't spelen kan je toch wel aardig voor haar zijn? Je
-zit naast elkaar in de klas, en zij zal zich nog zoo vreemd voelen
-op school."
-
-Toen Ma dat zoo zei, moest Annie op eens aan vanmorgen denken hoe
-'t nieuwe, kleine meisje daar zoo verlaten bij de deur had gestaan,
-terwijl de andere kinderen, die ze geen van allen kende, met elkaar
-zulke prettige spelletjes deden.
-
-"Morgen zal ik vragen of ze mee doet", beloofde ze, terwijl ze 't
-laatste hapje van haar boterham in den mond stak. Hek wachtte daar
-al op, want hij wou door den tuin hollen en op z'n eentje vond hij
-er niets aan.
-
-'s Middags mochten Annie en Hek met Pa en Ma mee naar het bosch en
-wie denk je, dat ze toen tegenkwamen op het Plein?--Annie's buurtje
-van school.--Ze liep heel alleen met een grooten zak in haar hand en
-keek zoo donker uit haar zwarte kijkers. Annie trok Pa aan zijn jas
-en knikte toen, wel een beetje verlegen. 't Kind groette niet terug;
-ze zag Annie misschien niet eens, want ze had alleen maar oog voor
-Hektor, die op haar af kwam om aan den zak te snuffelen.
-
-"Hektor, hier", riep Pa, en toen tegen het kleine meisje "hij doet je
-niets hoor--kijk maar eens hoe goede vrienden hij met Annie is!" Even
-keek ze angstig op naar Pa en naar Annie, en toen vloog ze weg,
-het Plein over, met haar zak stevig tegen zich aangeklemd.
-
-"Dàt was ze nu", zei Annie,--"dàt was 't stoute, kleine meisje,
-dat naast me zit op school. "Ze deed niet erg vriendelijk, hè Ma?"
-
-"Ze was nu bang voor den hond--je moet haar morgen maar eens vertellen
-hoe 'n lief dier Hek is, dat vindt ze misschien wel aardig", raadde Ma.
-
-Den volgenden dag kregen Pa en Ma aan de koffie weer heele verhalen
-over 't stoute, kleine meisje; Toosje heette ze, Annie had 't haar
-gevraagd en in 't speelkwartiertje had ze ook haar best gedaan
-Toosje mee in den kring te nemen, maar Toosje had niet gewild en ja,
-dat was wel erg stout geweest, ze had Annie toen een tikje op haar
-hand gegeven. Onder de les was Toosje ook weer zóó lastig geweest,
-dat de juffrouw haar school had moeten laten blijven!
-
-"Wat stout, hè?--haar Pa en Ma zijn in Indië en nu woont ze bij een
-Mevrouw in de straat, hierachter", vertelde Annie verder.
-
-"Van onze slaapkamer kan je precies in hun tuin kijken. Ik vind Toosje
-toch niets geen aardig meisje, en als ik jarig ben, vraag ik haar
-niet. Mientje en Betty wel, die zijn lief, en Jo en Truusje mogen
-ook komen, hè Ma?"
-
-"Hoeveel nachtjes moet je nog slapen?" vroeg Pa.
-
-"Laat eens zien--nog drie, nee, nog vier nachtjes! Hè, zoo prettig!" Nu
-dacht Annie al niet meer aan Toosje, zooveel had ze te bedenken en
-te vragen over haar jaardag. Wat of ze wel krijgen zou? Pa plaagde
-haar en zei dat hij haar iets heel groots zou geven omdat ze zelf
-zoo groot werd--'t moest een plaatsje in de speelkamer krijgen,
-maar Annie kon het niet neerzetten.
-
-"Een plakboek dan?" raadde Annie, "dat kan ik in de kast van de
-speelkamer leggen."
-
-"Nee, 't kan niet in de kast, 't is véél te groot--je kan het ook
-niet neerleggen."
-
-Niet neerzetten en niet neerleggen--dat was moeielijk te raden, maar
-meer wou Pa er toch niet van zeggen en Annie moest dus stilletjes
-wachten totdat ze nog vier nachtjes had geslapen. Vier nachtjes
-en--drie daagjes, 't duurde wel lang, maar eindelijk waren ze toch om.
-
-Op haar jaardag maakte Ma haar wakker met een kus. Annie deed haar
-oogen open en--toen wist ze 't op eens--"vandaag ben ik jarig!" juichte
-ze.
-
-'t Scheelde niet veel of nu had Annie op school in den hoek moeten
-staan. Ze kon maar niet stilzitten, want ze had Truusje, die vóór
-haar zat, zooveel te vertellen van de mooie presentjes, die, ze
-had gekregen. "En weet je wat ik van Pa heb, dat ding, dat ik niet
-neer kan zetten of neer kan leggen? Een groot schilderij om in de
-speelkamer te hangen! Is dat niet echt? 't Is zoo mooi, je ziet er
-twee kleine meisjes op en kippen en kuikentjes, en een klein katje."
-
-"Annie, als je nu weer zoo druk babbelt, mag je straks niet mee
-spelen," klonk opeens de stem van de juffrouw.
-
-Truus stak haar vinger op. "Juffrouw, ze is jarig!"
-
-"Ja," knikte Annie blij, terwijl ze vuurrood werd. Nu moest ze even
-bij de juffrouw komen om gefeliciteerd te worden en alle kinderen
-keken er naar. Annie jarig, wat prettig, ze hadden allemaal wel jarig
-willen zijn. Toen Annie weer op haar plaats zat, gaf Toos haar een
-stootje. "Krijg je visite?" vroeg ze kortaf.
-
-"Ja," fluisterde Annie.
-
-"Vraag mij ook."
-
-Annie schudde van neen en beduidde haar buurtje dat ze stil moest zijn
-om de juffrouw. Toos zei toen niets meer, maar in 't speelkwartiertje
-kwam ze op Annie toe, die met haar vriendinnetjes stond te praten en ze
-alle vier voor dien middag op visite vroeg, en riep hard in haar oor:
-"Ik kom toch!" Meteen zette ze 't op een loopen.
-
-"Dat durft ze toch niet," zei Mientje zoo stellig, dat Annie er
-weer door getroost werd, want ze vond het een akelige gedachte dat
-die stoute Toos, die alle pret bedierf, vanmiddag op eens zou komen
-aanzetten. Nu deden ze nog met de juffrouw allerlei spelletjes en daar
-Toos verder geen woordje meer tegen Annie zei, vergat deze heelemaal
-haar bedreiging.
-
-'t Was een middag zoo prettig, als Annie in lang niet had gehad! De
-vier vriendinnen Mientje, Betty, Truus en Jo waren precies op tijd
-gekomen; nadat ze de mooie cadeautjes bekeken en 't schilderij
-bewonderd hadden, dat een groot deel van den wand in de speelkamer
-besloeg, hadden ze spelletjes gedaan en pret gemaakt met Hektor
-en nu zaten ze op kleine stoeltjes in 't prieël achter in den tuin
-bij de zonnebloemen, waar Ma een tafel vol versnaperingen had laten
-brengen: voor ieder een glaasje frambozenlimonade en een schotel vol
-taartjes. Annie mocht presenteeren; ze liet de gasten eerst uitzoeken
-en nam dàn zelf, dat hoorde zoo, zei Ma. 't Was een echte smulpartij,
-waarvan Hek ook zijn deel kreeg omdat 't vrouwtje jarig was. Toen
-de schoteltjes leeg waren, stelde Annie voor een beetje te gaan
-rondloopen, voordat ze aan 't tweede taartje begonnen en in dien
-tusschentijd ....je moet niet schrikken, 't is heusch waar.... wie
-zat er toen ze terugkwamen in 't prieël bij de zonnebloemen? Toos? Ja,
-'t was Toos! Ze had een leeg schoteltje voor zich staan en likte haar
-vingertjes af, terwijl ze al weer met haar oogen een taartje uitzocht
-van den schotel.
-
-"Ik zei dat ik zou komen en daar ben ik," vertelde ze heel kalm,
-terwijl ze zich nog wat dieper in haar stoeltje nestelde en de vijf
-verschrikte meisjes met haar zwarte oogen donker aankeek; "ik vind
-visites prettig en 'k houd veel van taartjes."
-
-"Maar, je bent niet gevraagd," zei Truus, [1] die den meesten "durf"
-had van de vijf.
-
-"Je mag niet op visite komen als je niet bent gevraagd."
-
-"Hoe ben je hier gekomen? Door de voordeur?" vroeg Mientje, die achter
-Jo kroop, want 't was net alsof ze nu een beetje bang was voor Toos,
-wier plotseling dáár zitten ze zich maar niet kon verklaren.
-
-"Door de heg, 'k heb de takken op zij gebogen," verklaarde ze kortaf,
-en peuzelde onderwijl nog een gebakje op.
-
-De meisjes keken elkaar aan. Gelukkig, daar kwam Ma uit huis om eens te
-zien of de kinderen schik hadden. Annie vloog naar haar toe en vertelde
-onder tranen van de ongenoode gast. "Nu heb ik heelemaal geen schik
-meer; die nare Toos ook, u moet haar wegsturen, ze mag hier niet zijn!"
-
-"Nu, nu," zei Ma, die 't niet helpen kon dat ze even moest lachen;
-"een beetje grappig is het wel van Toosje, maar je mag daarom niet
-zoo boos op haar zijn en dat nog wel op je jaardag."
-
-Toen Toos de vreemde mevrouw zag aankomen, stond ze op en keek verlegen
-naar den grond, terwijl ze haar kleverige handjes op haar rug hield.
-
-"'t Is thuis zoo stil en 'k wou ook zoo graag eens op visite," mompelde
-ze toen Annie's Ma haar vriendelijk 't een en ander vroeg. Annie
-trok Ma telkens aan haar japon; Ma moest haar nu wegsturen vond
-ze, maar dit gebeurde niet, nee, Ma zei juist dat Toosje best mocht
-blijven. "Kom," riep Ma vroolijk, "nu gaan we met elkaar een spelletje
-doen van, kruip door, sluip door!" Meteen nam ze Toos aan de eene en
-Annie aan de andere hand, en maakte ze allemaal zoo aan den gang, dat
-'t vreemde gevoel van zooeven heelemaal wegging, Annie weer vroolijk
-keek en Toosje ook heel gewoon meedeed, alsof ze er aldoor bij was
-geweest; ze was nu heel anders dan op school, niets plagerig, vonden
-de meisjes. "Nu nog even uitrusten in de speelkamer voordat jullie
-gehaald worden," zei Ma, nadat ze allen terdege moe en warm waren van
-'t hollen en draven. "Heeft Toosje je presentjes al gezien, Annie?"
-
-"Nee, kijk Toos!" Allen stonden om Toos heen bij de tafel, waarop
-Annie's moois was uitgestald en ieder deed haar best haar alles te
-wijzen. "En kijk nu daar eens Toos!" zei Mientje, terwijl ze naar
-den muur wees.
-
-Toos keek en kreeg 't schilderij in 't oog.
-
-"Nu, hoe vindt je 't?" vroeg Annie, toen er niet gauw genoeg een
-uitroep van bewondering kwam.
-
-Toos zei nog niets en toen op eens begon ze hard te schreien, zoo hard,
-dat de meisjes er bang van werden.
-
-Annie's Ma kwam toeloopen, nam haar op den schoot en eindelijk vertelde
-Toosje onder snikken, dat het op 't schilderij net was als bij Oma
-thuis, waar Pa en Ma haar als een heel klein kindje gebracht hadden,
-voordat ze naar Indië gingen en waar ze gewoond had tot nu voor een
-kort poosje. 't Was er zoo heerlijk bij Oma buiten en ze hield zooveel
-van de kippen en eenden, die ze altijd mocht voeren. Juist waren er
-kleine gele kuikentjes uitgekomen, toen ze weg moest naar de stad.
-
-Stilletjes waren de meisjes naderbij gekomen.
-
-"Waarom ben je daar dan niet gebleven?" vroeg Jo.
-
-"Er is geen school en ik moet toch een knap meisje worden," zegt Oma,
-"maar in de vacantie mag ik weer naar Oma toe en daar hoef 'k niet
-stil te zitten zooals op school. Maar dat duurt nog zoo lang!" voegde
-ze er met een zucht bij.
-
-"Je moet maar heel veel bij Annie komen spelen, dan gaat de tijd gauw
-om," zei Ma en ze pakte Toosje alsof ze haar eigen Annie was.
-
-Toen de visite al weg was, kwam Pa thuis. Annie vloog naar de deur
-om open te doen en nog voordat zij in de kamer waren, vertelde ze hem
-al, dat 't stoute kleine meisje, naast wie ze op school zat, nu haar
-vriendinnetje was geworden. "'t Komt eigenlijk door mijn schilderij,"
-riep ze. "Ra-ra, ra, hoe kan dàt?"
-
-
-
-
-
-
-
-
-PRUL
-
-
-Als kleine Prul ging wandelen, kreeg ze handschoentjes aan;
-natuurlijk, want ze was een jongejuffrouwtje en die moeten in de
-stad met handschoentjes loopen, zeiden Mama en Juf allebei. Prul
-vond 't vreeselijk. Als ze handschoentjes aan had, spreidde ze
-haar tien vingertjes zoo ver mogelijk uit en hield haar armpjes een
-heel eind van haar lijfje. Wanneer Mama of Juf dan zei, dat ze niet
-zoo dwaas moest doen, trok Prul met haar scherpe, witte tandjes de
-handschoentjes aan de vingertoppen omhoog en draaide er punten aan,
-wat al heel raar stond.
-
-Maar al haalde ze er ook van alles mee uit----de handschoentjes
-moesten aan blijven; daar was Mama heel streng op.
-
-Haar parasolletje vond Prul haast even erg als haar handschoentjes. Dat
-was voor de zon, maar waarom mocht de zon haar niet in 't gezichtje
-schijnen? 't Zou juist lekker zijn, meende Prul.
-
-Juf dacht er anders over; ze zei, dat de zon Pruls gezichtje bruin
-zou maken en dat mocht niet, want Prul was een stadsjuffertje en
-geen buitenkind.
-
-"Loopen buitenkinderen altijd zonder parasols en zonder
-handschoenen?" vroeg Prul aan Juf en toen Juf "ja" zei, had Prul geen
-grooter verlangen dan ook een buitenkind te mogen zijn.
-
-Dienzelfden dag aan de koffietafel kwam ze al met haar wensch voor
-den dag. Oom Julius was onverwacht overgekomen en vroeg zoo uit de
-grap aan Prul, die tegenover hem zat, wat zij wel zou willen worden.
-
-Prul behoefde zich daar niet lang op te bedenken.
-
-"Een buitenkindje, Oom," antwoordde ze dadelijk tot groote verbazing
-van Papa en Mama, die niet begrepen hoe Prul daarbij kwam.
-
-"Wel kleine meid, dat kan best," zei Oom; "ga straks maar met mij
-mee--ik woon buiten en je mag net zoo lang bij me logeeren als Papa
-en Mama je kunnen missen. Wanneer je dan terugkomt, zijn je wangetjes
-niet meer mager en bleek; dan heb je dikke, roode koonen."
-
-"Neen, bruine," riep Prul, die aan de buitenkinderen dacht, van wie
-Juf gezegd had, dat ze zonder parasol mochten loopen.
-
-"Goed, bruine dan," lachte Oom; "en dan heb je ook meer trek dan nu;
-in plaats van één dun boterhammetje niet eens heelemaal te kunnen
-opeten, wil je er wel graag vier of vijf hebben en flinke dikke, hoor!"
-
-Prul keek een beetje verlegen, omdat Oom er op gelet had hoe
-ze met haar boterham knoeide, maar toen Oom verder van buiten
-vertelde, luisterde ze weer met allebei haar oortjes wijd open en
-wou niets liever dan een buitenkind zijn. Ze vroeg Papa en Mama of
-'t mocht. Beiden vonden 't goed, dat Prul met Oom mee zou gaan om
-te probeeren of ze 't buiten heusch zoo prettig zou vinden als ze
-nu dacht.
-
-Toen Prul 's middags werd aangekleed voor de reis, wou Juf haar
-ook handschoentjes aandoen. Prul stribbelde tegen: "ik ben nù een
-buitenkindje," riep ze.
-
-'t Hielp haar niets; Juf zette het tòch door en bijna zou Prul zijn
-gaan schreien, als Oom haar niet had ingefluisterd, dat ze nu nog,
-totdat ze in den trein zat, een stadsjuffertje was. Tot zoo lang
-moest ze, om Juf plezier te doen, die nare dingen maar aanhouden.
-
-Prul lachte op eens weer en liet zich goed helpen; zelfs haar
-parasolletje nam ze zonder pruttelen mee.
-
-Toen Prul een week weg was, konden Papa en Mama het niet langer
-uithouden, zóó verlangden ze naar hun kleine meisje. Zij gingen dus
-eens naar Prul kijken en dachten ook, dat 't stadsjuffertje het buiten
-niets prettig zou vinden, nu 't nieuwtje er af was en wel graag mee
-terug zou willen gaan.
-
-Papa en Mama hadden niet vooruit geschreven, dat zij zouden komen. Ze
-werden dus niet afgehaald en wandelden met hun beiden den weg af,
-die van het station naar het huis van Oom Julius voerde. Aan den
-eenen kant van dien weg was een sloot en aan den anderen kant een
-groot weiland, waar druk werd gehooid. Eén wagen stond al volgeladen
-en een eind verder op 't land waren de knechts van Oom Julius bezig
-het hooi op hoopen te harken. Een vroolijk troepje kinderen speelde
-krijgertje om hen heen; hier gooiden een paar elkaar met hooi, daar
-stoeiden en rolden anderen over de kort afgemaaide stoppels en de
-drukste van allen was----Prul. Juichend van pret kwam ze op Papa en
-Mama toeloopen; die kenden hun bleeke, stille Prul haast niet meer,
-zulke dikke wangen had ze gekregen en zoo vroolijk was ze.
-
-"En bruin ben ik ook," riep ze; "kijk maar, ik ben nu een echt
-buitenkind, zegt Oom. Ik laat ook nooit meer mijn boterham staan."
-
-Wat had die Prul veel te vertellen, nu ze tusschen Papa en Mama in
-naar het huis van Oom Julius stapte: van 't prettige logeeren bij
-Oom, van de kippen en de andere dieren, van de aardige kennisjes,
-die ze gekregen had. Maar op eens hield Prul op en keek bedrukt.
-
-"Wat is er, kindje?" vroeg Mama, die al dacht, dat ze zich te moe
-had gemaakt in 't hooi.
-
-Maar dàt was 't niet, wat Prul hinderde. Toen Mama nog eens navroeg,
-kwam 't hooge woord er uit:
-
-"Ik heb mijn parasolletje en mijn handschoentjes weggegeven aan een
-klein meisje. Betje heet ze en zij wou zoo dolgraag handschoentjes en
-een echt parasolletje hebben. 't Mocht wel, hè Ma? 'k Heb ze hier toch
-niet noodig.--Betje was er zoo blij mee; ze zei: als stadskinderen
-zoo mooi gingen wandelen, wou ze veel liever een stadskind zijn. Hoe
-vindt u dàt nu--en ik juist veel liever een buitenkind!"
-
-"Dan moeten jullie ruilen," zei Papa met een ernstig gezicht. "Als
-we naar huis gaan, zullen we Betje meenemen naar de stad, en jou hier
-buiten laten."
-
-Prul keek met groote oogen of Papa dàt meende. Toen zag ze Mama aan,
-die even knipoogde.
-
-"Neen, neen, dat 's maar een grapje; ik blijf uw eigen Prul," riep
-ze zoo hard ze kon; "'k ben nu maar voor een poosje een buitenkind."
-
-"Hoe zou je 't vinden om voor altijd een buitenkindje te mogen
-blijven?" vroeg Papa en nu maakte hij geen grapje. "Kijk Prul, dan
-gaan we ook hier op 't dorp wonen in net zoo'n prettig huis als Oom
-Julius heeft. Dan houdt mijn Prul haar dikke wangen en haar trek
-in boterhammen."
-
-"'k Zou 't heerlijk vinden," zei Prul.
-
-"Ik ook," voegde Mama er bij en toen werd 't maar meteen afgesproken
-dat 't zoo zou wezen.
-
-Prul werd dus een echt buitenkind en mocht spelen en draven en stoeien,
-alles zonder handschoentjes en parasol. Mama en Juf vonden dit nu
-allebei goed.
-
-Toen Prul evenwel wat ouder werd en wel eens werd meegenomen naar
-de stad voor boodschappen en visites, moest ze er toch weer aan
-gelooven en keurig netjes als een stadsjuffertje gekleed zijn.--Maar
-is 't niet grappig: toen had Prul niet eens zoo'n hekel meer aan
-haar handschoentjes en parasol. Dat kwam zeker, doordat ze buiten
-zoo groot en verstandig was geworden.--
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN VACANTIEMIDDAG.
-
-
-Jet en Riek waren van plan eens goed van hun eenigen vacantiemiddag
-te genieten.
-
-Eén vacantiemiddag maar?
-
-Nu ja, van school hadden ze natuurlijk veel langer vacantie: wel drie
-weken, net als andere kinderen. Maar ze hadden thuis altijd zooveel
-te doen met op de kleintjes te passen als Moeder uit werken was of
-aan de waschtobbe stond, en alles netjes te maken tegen dat Vader
-'s avonds van het land kwam, dat voor haar beidjes de vacantietijd
-nog veel drukker was dan de schooltijd.
-
-Nù had Moeder evenwel haar meisjes eens een heel vrij middagje
-gegeven. Zij waren er dadelijk na 't eten op uitgetrokken en zaten
-nu op 't dijkje langs de spoorlijn, midden tusschen de bramen.
-
-Eén emmertje hadden ze al volgeplukt en nog zagen ze er een massa, van
-die donkere, overrijpe, die loslieten als zij ze maar even aanraakten.
-
-"Hè, lekker," zuchtte Jet, terwijl ze er een in haar mond stak;
-"prettig wij zoo met ons beiden en geen kleintjes er bij op wie we
-moeten passen. Toe, Riek, waar kijk je zoo naar? Pluk nu ook weer!"
-
-"Jet, ik geloof vast en zeker, dat die schapen vreeselijken dorst
-hebben. Hoor ze eens blaten. Vanmorgen heb ik 't ook telkens al
-gehoord en nu is 't nog weer veel warmer geworden."
-
-"Ja, gunst, maar daaraan kunnen wij toch niets doen?" riep Jet
-ongeduldig terwijl ze nu, evenals haar zus, naar den afgehaakten waggon
-op het zijspoor keek, waaruit een klagend geblaat en gemekker opsteeg.
-
-"Ze komen den waggon misschien straks wel halen om ze verder te
-vervoeren; dan hoor je 't niet meer."
-
-Maar nu werd Riek boos.
-
-"Al hoor ik 't niet meer, daarmee gaat hun dorst toch niet over en
-als ze nu nog een lange reis in de hitte moeten maken, zal het nog
-veel erger worden. Ik moet er wat aan doen!"
-
-Vastberaden schudde Riek het volgeplukte emmertje leeg en liep het
-dijkje af naar de pomp, die een eind verder het land in stond.
-
-Jet volgde haar pruttelend van verre, maar toen Riek even later bij
-den waggon stond en ze zag hoe de arme schapen hun koppen door het
-latwerk staken en zich verdrongen om bij het emmertje te komen, kreeg
-'t medelijden ook bij haar de overhand. Zoo hard ze kon liep ze naar
-het bleekveld achter hun huisje om het bakje met den langen steel te
-halen, waarmee Moeder het waschgoed altijd besproeide en nam meteen
-een emmer water mee.
-
-"Hè, heerlijk, dat je me komt helpen," zei Riek. "Er zijn er zooveel:
-ik kan ze alléén niet allemaal een beurt geven. Geen wonder, dat
-de stumperds zoo'n dorst hebben; de zon brandt op den waggon. O,
-het schepbakje, dat is prachtig bedacht! Die kleine lammetjes, daar
-achteraan, worden aldoor weggeduwd door de groote schapen.--Wacht maar,
-nu krijgen jullie allemaal wat!"
-
-"De emmers zijn leeg; zal ik ze weer vullen?" vroeg Jet en, zonder
-'t antwoord af te wachten, draafde ze er mee naar de pomp.
-
-Oef, wat was het warm. Riek en Jet werden rood gestoofd door de
-zon. 't Was bijna niet uit te houden daar op 't zijspoor, maar de
-dappere zusjes hielden 't wèl uit. Zij rustten niet, voordat alle,
-alle schapen en lammetjes zich ruimschoots te goed hadden gedaan aan
-'t frissche water.
-
-Je kunt wel nagaan hoe lang het duurde, want er was een waggon vol
-van die wollige reizigers en ze wilden er geen overslaan. Daarbij
-kwam nog, dat ze gedurig den kluts kwijt raakten, want de schapen
-stonden geen oogenblik stil en geleken zóó op elkaar, dat 't moeilijk
-uit te maken was, of zij nu eigenlijk al een beurt hadden gehad of
-niet. Maar in zoo'n geval lieten Riek en Jet ze voor alle zekerheid
-nòg maar eens drinken.
-
-Toen zij eindelijk klaar waren, was de vacantiemiddag juist om. De
-klok sloeg zes uur en ze hadden Moeder beloofd niet later thuis te
-zullen komen om 't avondeten voor Vader klaar te maken.
-
-Moe en warm kwamen ze er met de leege emmertjes aan.
-
-"Schik gehad?" vroeg Moeder, die in den tuin bezig was.
-
-"Schik?"--Even keken de zusjes elkaar aan. "Schik" kon je 't eigenlijk
-niet noemen, maar toch..
-
-"Ja, 't was een heerlijke middag," riepen ze beiden als uit één mond.
-
-"Waar zijn de bramen?" vroeg kleine Jaap, terwijl hij naar de leege
-emmertjes keek en Anton stak de tong tegen die twee luie pluksters
-uit. Ze moesten nog maar gauw een emmervol gaan halen, vond hij.
-
-"De bramen? Die zou ik heel vergeten; ze liggen nog op 't dijkje,"
-antwoordde Riek.
-
-Moeder keek vreemd op. Die kostelijke bramen zoo maar te laten
-liggen! Zoo iets was ze niet van haar meisjes gewoon.
-
-Maar toen Jet haar alles had uitgelegd, knikte Moeder goedkeurend;
-ze zei, dat ze zelf wel voor Vaders eten zou zorgen en Anton moest
-de bramen maar even halen. De meisjes hadden nu wel wat rust verdiend!
-
-
-
-
-
-
-
-
-KAREL'S HORLOGE
-
-
-Er was eens een jongen--Karel heette hij--die dolgraag een horloge
-wou hebben. Zijn groote broers hadden er allebei een en nu was 't
-dus zijn beurt om er een te krijgen, vond hij.
-
-"Wacht maar tot je jarig bent," zei zijn vader; "misschien, als je
-goed oppast, dan...." Meer zei Vader niet.
-
-Of Karel ook goed oppaste!
-
-Toen kwam zijn jaardag.--Op de slaapkamer kreeg hij de presenten van de
-broers en kleine zus. Vader en Moeder feliciteerden hem ook--maar----er
-was geen pakje van hen.
-
-Even keek Karel op zijn neus; toen deed hij direct weer vroolijk--hij
-was immers jarig!
-
-Aan 't ontbijt gekomen zag hij toch nog een pakje op zijn bord liggen.
-
-"Dat heb je van Vader en mij," zei Moeder.
-
-Gauw maakte Karel het open. Wat er wel in zat?----
-
-Een horloge--ja, een echt stevig jongenshorloge aan een koordje! Wat
-was Karel blij; hij vloog Vader en Moeder om den hals en kuste hen dat
-'t klapte.
-
-"Mag ik 't mee naar school?" vroeg hij.
-
-"Vandaag wel, omdat je jarig bent, maar dan niet meer. Je kunt het
-'s Zondags dragen," antwoordde Vader en hij wees hem hoe hij 't moest
-opwinden en hoe hij 't gelijk kon zetten.
-
-Niemand blijder dan Karel, toen hij met zijn horloge naar school
-stapte. Meneer en de jongens moesten 't allen zien en onder de les
-keek Karel er gedurig op of zat er mee te spelen.
-
-Omdat hij jarig was, zag Meneer het maar door de vingers.
-
-'t Was Karel zoo goed bevallen zijn horloge mee naar school te hebben,
-dat hij het wel graag den volgenden dag weer had meegenomen. Maar dit
-mocht niet van Vader; hij mocht het alleen 's Zondags dragen--door
-de week zou Moeder 't in haar groote linnenkast bewaren.
-
-Eenigen tijd later kwam er een nieuwe burgemeester op het dorp
-waar Karel woonde. Die burgemeester had een zoontje van Karels
-leeftijd--Felix geheeten.
-
-Felix was een eenig kind en werd erg verwend; wat hij hebben wou,
-kreeg hij van zijn ouders. Natuurlijk had Felix ook al een horloge.
-
-Karel zag 't dadelijk, toen Meneer den nieuwen jongen binnenbracht
-en hem de plaats naast Karel aanwees. Felix had er zelfs een mooien
-ketting aan; Karel kon er zijn oogen niet afhouden.
-
-"Ik heb óók een horloge," fluisterde hij hem toe, juist toen Meneer
-een taaloefening ging dicteeren.
-
-"Dat jok je," zei Felix schamper lachend; "als je er een hadt, zou je
-'t wel bij je hebben; ik geloof er niets van."
-
-"Vanmiddag neem ik 't mee, dan kan je 't zelf zien," riep Karel, die
-niet velen kon, dat die vreemde jongen hem niet geloofde, driftig uit.
-
-"Echt waar, hoor!"
-
-"Niet praten," zei Meneer--"allen opletten!"
-
-Toen hielden zij zich stil.
-
-Aan de koffie had Karel niets te vertellen en anders kon hij toch
-zoo'n praats hebben. Dat kwam, omdat hij nu aan niets kon denken
-dan aan zijn horloge, dat in Moeders linnenkast lag en dat hij tòch
-vanmiddag mee naar school wou nemen.
-
-Toen de boterhammen op waren, draaide hij steeds om Moeder heen.
-
-"Jongen, wat wil je toch?" vroeg Moeder verwonderd.
-
-"Een zakdoek," fluisterde Karel verlegen, "alstublieft een schoonen
-zakdoek uit de linnenkast."
-
-"Nu, dien kan je krijgen," antwoordde Moeder lachend. "Daar behoef
-je niet zoo benauwd bij te kijken. Haal er zelf maar een; je weet
-waar ze liggen; ik moet zusje nu eerst helpen."--En Moeder gaf Karel
-den sleutel.
-
-O, wat bonsde zijn hart, toen hij de kast opendeed en er daarop mèt
-den zakdoek ook 't horloge uithaalde. Hij stopte het met koordje en
-al diep in zijn zak. Toen hij Moeder den sleutel teruggaf, durfde hij
-haar niet aan te kijken, maar Moeder, die met 't kleintje bezig was,
-had er geen erg in.
-
-Langs een omweg sloop Karel naar school. Hij wou maar 't liefst
-niemand tegenkomen.
-
-Toen de jongens, die op 't schoolplein speelden, wat tegen hem zeiden,
-schrikte hij en liep gauw naar binnen. Eerst toen Felix kwam, monterde
-Karel weer wat op. Nu zou Felix toch zien, dat hij niet gejokt had. Vol
-trots lei Karel 't horloge vóór zich op den lessenaar.
-
-Felix keek er even naar. "'t Is niet eens van zilver," zei hij
-minachtend "en er is ook geen ketting aan."--Toen draaide hij 't
-hoofd om en wou er heel niet meer naar kijken.
-
-Karel kon wel huilen van spijt. Had hij nu dáárvoor Moeder
-bedrogen? was hij dáárvoor Vader ongehoorzaam geweest?----
-
-Meneer kwam binnen en de les begon.
-
-Karel kon geen enkel goed antwoord geven en lette niet op als Meneer
-wat op 't bord schreef. Dit was Meneer niet van hem gewend. Hij kwam
-naar hem toe en zag toen 't horloge nog vóór hem liggen. Dit zou wel
-de oorzaak van Karels onoplettendheid wezen, dacht Meneer; op zijn
-jaardag had hij er immers ook zoo mee zitten spelen?
-
-"Weet je wat, Karel," zei hij daarom, "ik zal dat horloge maar eens
-een poos voor je bewaren. Je bent nog veel te klein voor een horloge;
-dat zie ik wel." En Meneer nam 't horloge van den lessenaar en ging
-naar zijn plaats voor de klas terug.
-
-Van schrik kon Karel geen woord uitbrengen. Dit was wel 't ergste
-wat hem had kunnen overkomen!----Als Meneer 't nu maar om vier uur
-teruggaf.----
-
-Maar neen, Meneer schudde 't hoofd, toen Karel 't hem na schooltijd
-met neergeslagen oogen kwam vragen.
-
-"Dan hebben we morgen weer 't zelfde liedje met jou. Je bent veel te
-speelsch om al een horloge op school te dragen. 't Verwondert mij, dat
-je Vader dàt wil hebben." Bij deze woorden keek hij hem doordringend
-aan. Toen liet Karel 't hoofd hangen en durfde niets meer zeggen.
-
-"Dat dacht ik wel," sprak Meneer in zichzelf, terwijl hij den jongen
-nakeek, die langzaam, op z'n eentje naar huis slenterde. "Dat is
-bepaald niet in orde"--en hij besloot Karels Vader, met wien hij dien
-avond een vergadering zou bijwonen, 't horloge zelf terug te geven
-en er met hem over te spreken.
-
-Maar hiervan wist Karel natuurlijk niets; hij dacht, dat Meneer
-'t horloge voor altijd zou houden en voelde zich erg ongelukkig.
-
-Zoo werd 't eindelijk weer Zondag.
-
-Anders vond Karel den Zondag de prettigste dag van de heele week,
-maar nu zat hij stil in een hoek te kniezen en deed niet mee aan de
-vroolijke spelletjes, die Vader na kerktijd met de kinderen speelde.
-
-Hij zat steeds in angst, dat Moeder hem zou vragen of hij zijn
-horloge niet wou hebben of--nog erger--dat Moeder naar de linnenkast
-zou gaan om 't voor hem te halen en dan ontdekken zou, dat 't er uit
-verdwenen was.
-
-'s Middags zouden ze allen met elkaar een groote wandeling doen.
-
-"Om drie uur gaan we er op uit, jongens," had Vader gezegd.
-
-Toen het bijna drie uur was, liep Karel den tuin in; hij wou liever
-niet mee en hoopte, dat zij weg zouden gaan zonder hem te missen.
-
-Hè, wat vervelend, daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in. Op
-andere Zondagen kon Karel zich niets genoeglijkers voorstellen dan arm
-in arm tusschen Vader en Moeder in, door den grooten tuin te wandelen
-en bij ieder bloemperk of groentebed even te blijven staan--maar
-nu----o, hij wou Vader en Moeder wel weg kijken!--
-
-"Kom Karel," riep Moeder, "ga je mee? Wij willen nog even den tuin
-doorloopen."--En zij stak haar arm door dien van Karel. Zoo moest
-hij wel mee.
-
-Toen ze den tuin één keer door waren geweest, zei Vader: "'t zal,
-dunkt me, haast tijd wezen voor onze wandeling. De anderen zijn
-misschien al langzaam vooruitgegaan. Karel kijk jij eens hoe laat
-het is; mijn horloge gaat niet goed."
-
-Karel wou naar binnen loopen om op de groote gang-klok te kijken,
-maar Vader hield hem tegen. "Waar is je horloge?" vroeg hij.
-
-Toen barstte Karel in snikken uit.
-
-"Waarom kijk je dáár niet op?" vroeg Vader nog en zijn toon klonk nu
-heel streng.
-
-"M-m-meneer heeft het," stotterde Karel al schreiend en toen
-kwamen Vader en Moeder bij stukjes en beetjes 't heele verhaal te
-hooren. Karel verzweeg niets. Dat hij Moeder bedrogen had, drukte
-hem nog het zwaarst van alles op 't hart.
-
-"Ik zal 't nooit weer doen; ik heb er zoo'n spijt van," riep hij
-telkens weer.
-
-Omdat Karel er zoo'n berouw over had, vergaven Vader en Moeder hem
-graag wat hij gedaan had, maar de straf konden zij hem toch niet
-kwijtschelden: een maand lang mocht hij zijn horloge niet dragen,
-neen, nog erger, hij mocht 't zelfs niet zien.
-
-Toen, op een Zondag, deed Vader hem zelf weer het koordje om den hals
-en liet 't horloge in zijn blousezakje glijden.
-
-"Nu vertrouw ik je weer, Karel," was alles wat Vader zei. Moeder
-gaf hem een kus en fluisterde hem toe: "ik ook"--toen was Karel o,
-zoo gelukkig.
-
-
-
-
-
-
-
-
-GRAPPIGE APPELTJES.
-
-
-Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes,
-duiven, en--nu kreeg ze er nog zes witte muizen bij van Oom Kees. In
-een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad
-woonde, ze met den bode meegegeven.
-
-Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de
-nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze 't overal
-erg vuil zouden maken, maar--er was nog geen week voorbij of Moeder
-had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes,
-die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin
-ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan.
-
-In 't begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens
-vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet
-wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone
-grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn
-jongens uit de stad, om ook eens naar zijn "cadeautje" te zien. Bep
-had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met
-Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was;
-ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken!
-
-Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze
-had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch
-juist schoon had gemaakt; frisch zaagsel, om er 's nachts onder te
-kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes
-'t zoo best hadden!
-
-Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw
-babbelen; ze liep in één vaart naar huis.
-
-Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten.
-
-"Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?"
-
-"Dat weet 'k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?"
-
-"In den tuin, bij de rozen."
-
-Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. "Dag Oom
-Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar
-zijn de jongens?--U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?"
-
-Oom Kees, die met Vader en Moeder in 't rozenpriëel zat, begon te
-lachen. Zooveel vragen op eens.
-
-"Ja Beppie," zei hij, "de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best
-op gepast. De jongens vinden ze ook zoo aardig. Ze zijn net weer naar
-binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken."
-
-"Roep Henk en Bram maar hier," zei Moeder, die limonade inschonk;
-"ze zullen ook wel dorst hebben."
-
-"Henkie! Bra-am!" riep Bep zoo hard ze kon, onder 't loopen.
-
-"Ja-a! Kom eens kijken!" klonk het terug.
-
-Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. "Toe dan, Bep!"
-
-"Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?"
-
-Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw
-Bep bij hen was.
-
-"Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de
-dokter, weet u en 'k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet
-genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een
-wandelingetje doen."
-
-"Ja," zei "Meneer" Henk, proestend van 't lachen; "ik heb maar dadelijk
-gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden 't erg prettig."
-
-Bep keek angstig van den een naar den ander.
-
-"Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?"
-
-"O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt," begon Bram, maar Bep
-duwde hem op zij en liep naar binnen, naar 't tafeltje, waarop de
-stopflesch stond.
-
-De muizen waren niet te zien.
-
-Eerst dacht Bep nog, dat ze onder 't zaagsel waren gekropen, maar neen,
-ze waren niet meer in de flesch.
-
-"Waar zijn mijn muisjes? 't Is jullie schuld, dat ze weg zijn,"
-riep ze half schreiend uit. "Nare jongens!"
-
-"Hè, wat flauw om dadelijk te huilen," zei Henk en trok Bep mee
-naar buiten. "De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen
-doen? Kijk, dáár kuieren ze." Hij wees naar boven, naar de kruin van
-den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes
-over de takken.
-
-Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; 't was ook zoo'n
-grappig gezicht!
-
-"Wat zijn ze al hoog," riep Bram, die er ook bij kwam. "Hoe krijgen
-we ze nu terug?"
-
-Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan 't schreien zijn
-gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote
-menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn!
-
-Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een
-eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger
-dan hij.
-
-"Neen, jongen, zoo krijg je ze niet," zei Oom; "wacht, ik weet iets!"
-
-Op een draf liep hij naar 't schuurtje, waar het tuingereedschap werd
-geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit
-den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig,
-ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker.
-
-Was dàt niet mooi?--Maar 't mooiste is nog, dat 't heusch gebeurd is
-van dien appelplukker, die, in plaats van appels, muizen uit den boom
-moest halen----Bep heeft 't me zelf verteld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-JAN'S VERRASSING.
-
-
-Vanavond laat of vannacht zou St. Nicolaas zeker komen, had groote
-broer Frans gezegd, toen Jan naar bed ging. Frans was mee naar boven
-gegaan en had grapjes gemaakt onder 't uitkleeden en toen hadden ze,
-op den rand van Jan's ledikantje gezeten, samen nog gepraat over
-St. Nicolaas en bedacht wat Janneman morgen wel in zijn pantoffeltjes
-zou vinden. Ze stonden ginds bij den schoorsteen met hooi er in en
-roggebrood en----een paar dikke wortels.
-
-De wortels had Frans er bij gedaan, omdat de schimmel van St. Nicolaas
-daarvan zooveel hield.
-
-"Wat zal hij smullen," dacht Jan, toen Frans weggegaan was en hij van
-uit zijn bedje juist de wortels kon zien, die uit zijn pantoffeltjes
-staken.
-
-Hij was vast van plan wakker te blijven, totdat St. Nicolaas zou
-komen, maar zijn oogen wilden 't niet; die hadden den heelen dag
-zooveel rondgekeken, nu moesten de luikjes dicht, vonden ze en Jan
-was zoo goed niet of hij moest ze hun zin geven.----
-
-Anders werd Janneman 's nachts nooit wakker, maar nu----.
-
-Dat kwam zeker, omdat hij zoo verlangde naar morgen, naar den
-verjaardag van St. Nicolaas.
-
-Jan deed zijn oogen wijd open. 't Nachtlichtje brandde met een stil,
-rustig vlammetje op de tafel bij 't raam, maar waar 't schijnsel niet
-kwam, in den hoek bij de deur, dáár was 't pikdonker.
-
-"Is 't dan nog geen morgen?" dacht Jan en hij ging overeind zitten
-om naar zijn pantoffeltjes te zien.
-
-Ze stonden nog net zooals Frans en hij ze samen hadden neergezet,
-'t Brood was er nog in en 't hooi en----de dikke, mooie wortels.
-
-Hè, die lekkere wortels! De schimmel van St. Nicolaas kon er niet meer
-van houden dan Janneman zelf. Hij was er gewoonweg dol op. Twee waren
-'t er; uit ieder pantoffeltje stak er één.--
-
-"'k Geloof bepaald, dat Schimmel ziek zal worden als hij dat alles
-alleen opeet--bij ieder kind staat vanavond wat voor hem klaar en
-als hij nu overal wortels krijgt----" zei Jan in zichzelf. "Eigenlijk
-kon ik er wel ééntje bij weg nemen!"
-
-Wip sprong hij uit bed--geschuifel van bloote voetjes over den grond,
-toen knabbel-de-knabbel van scherpe tandjes... en--Schimmel zou straks
-maar één wortel vinden.
-
-"Eén staat toch wel wat gek," dacht Jan daarop; "'t is zoo'n groote--ik
-zal er twee van maken: doorbijten of een stuk er afbreken." Meteen
-nam hij den overgebleven wortel op.
-
-Rrt ging 't in den schoorsteen, alsof er roet naar beneden viel,
-of----was het misschien----!
-
-Jan vol schrik op een holletje naar bed. Toen hij echter goed en wel
-lag, met de dekens hoog opgetrokken, zoodat alleen zijn neusje er uit
-kwam, bemerkte hij, dat hij den grooten wortel nog in zijn hand had.
-
-'t Bleef alles doodstil in den schoorsteen. Toch had Janneman geen
-zin meer om uit bed te komen; met den wortel gaan slapen kon hij ook
-niet--neen, er zat niets anders op, nu moest hij dien óók wel opeten!
-
-"'t Is maar goed ook, 't is zoo'n dikke; Schimmel zou bepaald ziek
-worden," overlegde Jan; "stel je voor, dat Schimmel dan niet verder
-kon--hoe zou St. Nicolaas dan vannacht nog bij al de kinderen kunnen
-komen? Als hij dat loopende zou moeten doen, kwam hij zeker in geen
-week klaar."--En toen vond Jan zichzelf nog erg braaf op den koop toe,
-omdat hij er zoo goed voor zorgde, dat Schimmel niet ziek zou worden.
-
-De wortel was bijna op, toen kwam de slaap en met den slaap nog iemand
-anders ook, maar dien zag Janneman niet. Hij had zijn oogen al dicht
-en in zijn hand hield hij 't laatste stukje afgeknabbelden wortel
-stevig vast.--
-
-Den volgenden morgen keek Jan, zoo gauw hij wakker werd, naar zijn
-pantoffeltjes; hij was er zóó benieuwd naar wat daar wel in zou
-wezen!--Maar wat denk je, dat hij toen zag?----
-
-Worteltjes, niets dan worteltjes, dikke en dunne, groote en kleine
-worteltjes! Zijn pantoffeltjes waren er tot aan 't randje mee gevuld
-en op den grond er naast lagen er ook nog.
-
-Janneman wist niet of hij zou lachen of huilen.--Lachen omdat 't
-zoo'n grappig gezicht was, al die worteltjes--maar... al houdt je er
-nóg zooveel van, niets dan wortels te krijgen is toch ook niet prettig!
-
-Jan trok dus een pruillip en er zouden zeker tranen gekomen zijn,
-als Moeder en Frans niet om 't hoekje van de deur hadden gekeken.
-
-"Goedenmorgen Jan!" riepen ze vroolijk en toen ging Frans de worteltjes
-eens van naderbij bekijken.
-
-"'t Zijn geen echte, Jan, ze zijn van marsepein," riep hij al gauw;
-"maar waarom zou St. Nicolaas jou zooveel wortels geven? Begrijp
-jij dat?"
-
-"Jawel--maar--maar, 'k zeg 't alleen aan Moekie," stotterde Janneman
-verlegen, en toen, bij Moeder op schoot, kwam het heele wortelverhaal
-voor den dag.
-
-"Omdat Schimmel niet ziek zou worden, dáárom deed ik het," zei Jan.
-
-"Neen, eigenlijk omdat ik er zoo'n zin in had," verbeterde Moeder. "Is
-'t zóó niet geweest, Jan?"
-
-"Ja! 't Waren ook zulke lekkere, dikke," zuchtte Jan, die zich nu
-wel erg schaamde voor Moeder en Frans, voor St. Nicolaas en voor
-Schimmel ook.--
-
-Zou St. Nicolaas er boos om zijn geweest?
-
-Ik denk toch haast van niet, want toen Jan zijn worteltjes ging
-opbergen, zag hij onder in 't eene pantoffeltje een briefje, waar in
-stond, dat hij eens in de serre moest kijken.--Toen Janneman 't deed,
-vond hij daar op de tafel een heele uitstalling van moois en lekkers:
-juist allemaal dingen, die hij graag wou hebben!--
-
-
-
-
-
-
-
-
-ALS DE EERSTE SNEEUW VALT.
-
-
-Doortje en Frits gaven een theepartijtje met 't mooie serviesje, dat
-St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk
-schonk Doortje in; ze deed 't wat handig en morste geen droppel. Kleine
-broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf
-zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel,
-afgeknabbeld brokje.
-
-Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan 't kibbelen
-zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam.
-
-'t Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan
-'t theeschenken was!
-
-"Oom ook een kopje?"
-
-"Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!"
-
-"Ja Oom," zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een
-kopje halfvol suiker schepte;--zóó zou 't Oom toch wel zoet genoeg
-wezen, dacht ze.
-
-"Even allemaal je oogen toe," zei Oom, toen hij zijn thee had.
-
-"Eén, twee, drie----nù weer kijken!"
-
-O, die Oom Jan kon tooveren: op 't schaaltje, naast het ongelukkige
-stukje beschuit, lag een handvol amandels!
-
-"Nu maar gauw aan 't kraken en kijken of je ook een philippine hebt!"
-
-"Een philippine? Wat is dat?" vroeg Doortje.
-
-"O, dat weet ik wel," riep Mien uit; "dat is als er twee amandels in
-één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb,
-dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we "bonjour
-philippine" tegen elkaar zullen zeggen; wie 't dan 't eerst zegt,
-heeft het gewonnen."
-
-"En krijgt een presentje van mij," zei Oom, die vast hielp kraken.
-
-Als er nu maar zoo'n philippine bij was!
-
-"Kijk Oom, probeer deze eens!"
-
-"Nee, die ik hier heb!"
-
-"Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een."
-
-Zoo riepen ze met hun drieën.
-
-Oom kraakte en kraakte.----"Hoera, daar heb je een
-philippine!" Allemaal kijken. Ja, hoor--twee amandeltjes in één dop.
-
-"Wie zullen 't nu samen doen?"
-
-Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een
-amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten.
-
-En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben.
-
-"Zondag," zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep.
-
-"Och wel neen; dat's veel te gemakkelijk te onthouden."
-
-"Als Oom Jan weer komt!"
-
-"Ook niet, want als Oom hier komt, denk ik er natuurlijk aan en dat
-'s niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel
-moeilijks!"
-
-"Laat eens zien--als----als de eerste sneeuw valt!"
-
-"Hè ja, dat 's aardig," riepen de meisjes uit, "als de eerste sneeuw
-valt!" en ze dansten van pret met elkaar rond.
-
-"Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar
-beneden dwarrelen, 't vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te
-loopen en "bonjour philippine" te roepen," zei Oom.
-
-"Ik zeker," verklaarde Mien.
-
-"Neen, 'k weet vast, dat ik 't zal zijn," riep Doortje en bedacht bij
-zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar
-voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit
-bed wippen, kijken wat voor weer 't was en--als ze de eerste sneeuw
-zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en
-zóó hard door de brievenbus: "bonjour philippine" roepen, dat Mien,
-die dan zeker nog niet op zou wezen, 't boven kon hooren.--En als de
-eerste sneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel
-weer iets op verzinnen; ze zou--ze zou----o, ze zou zóóveel!
-
-Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht----ze werd erg verkouden
-en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol.
-
-Vervelend! Als 't nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien.
-
-Maar tòch wou Doortje het winnen en ze zou het winnen ook, dacht ze,
-want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken,
-veel beter dan Mien, die naar school moest.
-
-Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje
-papier, waarop stond: "bonjour philippine" naar Mien sturen; dan was
-ze er toch zeker 't eerst bij.
-
-Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan
-de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een
-plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen.
-
-Teunis kon 't altijd zoo mooi raden van 't weer: als Teunis zei, dat
-je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn,
-dat er regen kwam, al leek 't er eerst ook niets op. Dat zag hij aan
-de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand
-haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om
-zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens
-opmerkt. Zoo was 't Teunis ook gegaan. Hij hield er van op de wolken
-en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes,
-en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen,
-zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft.
-
-Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even
-lachen. "En moet ik je nou zeggen wanneer 't zal gaan sneeuwen? Maar
-Mientje, dat kan ik immers niet."
-
-"Och neen, alleen maar als je 't denkt," zei Mien ongeduldig.
-
-Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar
-'t weer vroeg. "Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van
-zeggen," mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis 't van den
-regen kon raden, hij 't van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde
-vroolijk naar binnen.
-
-Den volgenden middag ging Teunis net 't hek uit, toen Mien van school
-thuiskwam. "Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen,"
-zei hij; "de lucht zit vol, hoor, en--'k voel het ook in mijn botten."
-
-"Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?" vroeg Mien blij.
-
-"'k Weet het natuurlijk niet, maar 't kan zijn----'t kan zijn----"
-Weg strompelde oude Teunis.
-
-Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters
-opgeschreven: "bonjour philippine."
-
-Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze
-druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend
-onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging.
-
-Een geheimpje?--Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg
-'t gordijn van de kinderkamer ophalen. "Sneeuw, Door! Er ligt al een
-heel pak en 't sneeuwt nog."
-
-"Hoera," kraaide Doortje met haar schorre stem, "de eerste sneeuw," en
-ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij 't raam te zien dansen.
-
-"Kijk eens op je nachtzak," riep kleine Frits uit 't andere bedje,
-"'t is net alsof er een brief op zit."
-
-Doortje keek naar haar nachtzak, die over 't voeteneind van haar
-ledikant hing en wat las ze op 't stuk papier, dat er met een speld
-aan vast was gemaakt? Met groote letters stond 't er op geschreven:
-"bonjour philippine!" O, die Mien, die slimmerd!--
-
-Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen
-bij Door thuis en--Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig,
-maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maar half verloren
-had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook.
-
-Wie moest nu 't presentje hebben, Mien of Door?
-
-Oom wist 't niet te bedenken en wat deed hij toen?----Hij gaf ieder
-der meisjes een mooie, groote pop!--
-
-
-
-
-
-
-
-
-'T ALLERMOOISTE PRESENT.
-
-
-Er was eens een klein meisje, dat in October jarig was.
-
-Marietje heette ze en ze was een eenig kind, dat een heel, heel groote
-familie had. Zóóveel ooms en tantes, neven en nichten, neefjes en
-nichtjes waren er, dat Marietje ze alleen maar met Moeders hulp bij
-elkaar kon tellen en dan vergiste ze zich toch nog wel eens met de
-namen. Bijna allemaal woonden ze in dezelfde stad als Marietje en
-daar ze veel van haar hielden, kwamen ze haar ook feliciteeren. Als je
-nu weet dat ieder een presentje meebracht, kan je nagaan hoeveel die
-Rie kreeg! Ja, verwend werd ze wel een beetje, maar 't deed haar niet
-zooveel kwaad; daar paste Moeder wel op, die Marietje niet verwende
-en heel ferm voor haar was.
-
-De meeste visite was er al geweest toen er nog heel zachtjes aan de bel
-werd getrokken. 't Was Truitje, de kindermeid, die vroeger op Marietje
-had gepast. Sedert ze niet meer bij Moeder en Rie woonde, kwam ze
-toch ieder jaar op dezen dag om haar pleegkindje te feliciteeren en
-altijd bracht ze wat voor haar mee: een doosje kraaltjes, een prentje,
-pepermuntjes of zoo iets. En ieder jaar was Marietje even blij met
-Trui's eenvoudig presentje als met de prachtigste pop of 't mooiste
-boek van de ooms of tantes.
-
-Ook dit jaar had Truitje weer wat bij zich. Het taschje kwam open en
-daar haalde ze een bruin papieren zak uit. Verheugd keek Marietje er
-in.... wat teleurgesteld trok ze haar hoofdje terug en een heel klein
-beetje onzeker klonk haar stemmetje toen ze Trui bedankte. Toen liep
-ze gauw naar Moeder, die in de achterkamer een kopje thee voor Truitje
-inschonk. Haar lippen beefden en de tranen sprongen haar in de oogen:
-"Moeder, kijk eens," fluisterde ze, "wat heb ik daar nu aan, uien! Die
-kunnen we toch wel bij den groenteboer koopen en.... en.... ik houd
-er niet eens van!"
-
-Moeder keek en Moeder lachte hardop. "Wel mijn kleine domme Rie! Ja,
-dat zijn uien, maar geen gewone om op te eten. Neem dit kopje thee
-maar eens mee voor Truitje, dan zullen we 't haar samen vragen!"
-
-En toen Rie met nog wat beverig stemmetje 't aan Truitje vroeg,
-begon Trui ook al te lachen net als Moeder en door haar traantjes
-heen lachte Marietje toen ook maar mee, hoewel ze toen eigenlijk nog
-niet wist waarom.
-
-"Bloembollen zijn het," zei Truitje, "en als je nu precies doet zooals
-ik zeg, heb je in den winter wat moois om naar te kijken en aan te
-ruiken. Kom maar hier, dan zal ik 't je vertellen!"
-
-Marietje klom bij haar op schoot, daar had ze als heel klein kindje
-wat dikwijls gezeten, en luisterde goed naar wat Trui zei.
-
-De bollen moesten in potten met aarde worden geplant, zoo, dat er
-enkel een klein puntje van hun neusjes boven den grond uitstak en
-dan moesten die potten wel een maand op een donkere plaats staan.
-
-"O heden, zoo lang!" zei Marietje, "dan vergeet ik ze bepaald!" Maar
-Moeder beloofde 't haar wel te zullen helpen onthouden. Daarna moesten
-ze op een zonnig plekje worden gezet, niet al te warm, maar vorstvrij;
-een beetje begieten kon dan geen kwaad. En dan, ja dan moest Marietje
-maar eens stil afwachten wat er zou gebeuren. "Moeder," zei ze, toen
-de goede kindermeid weg was, "dat van Trui is wel een erg langdurig
-present, ik bedoel, je moet er zooveel geduld bij hebben, hè?"
-
-"Ja," zei Moeder, "maar 't is ook een langdurig present, omdat je er
-lang plezier van zult hebben. Denk eens even aan, van alles wat je
-vandaag hebt gekregen, is van den winter 't nieuwtje toch zeker al
-lang af, maar van dit presentje niet, integendeel, dan zal 't eerst
-recht beginnen!"
-
-En nu in Februari voor 't raam in de huiskamer mooie blauwe, witte
-en rose hyacinthen en geel met rood gestreepte tulpjes welig groeien
-en bloeien en de heele kamer vroolijk maken, ziet Marietje wel in,
-dat Moeder al weer gelijk heeft gehad. En dikwijls, als ze heel diep
-den lekkeren geur opsnuift, zegt ze: "Weet u nog wel, dat ik eerst
-niets blij was en haast huilde om Trui's presentje, en nu vind ik
-'t eigenlijk nog 't allermooiste van alles wat ik toen heb gekregen!"
-
-"Ja," zegt Moeder dan, "ik zou voortaan mijn traantjes maar niet zoo
-gauw klaar hebben."
-
-En dan lachen ze allebei.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE VRIENDJES.
-
-
-Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend.
-
-Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over
-ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en
-dáár woonde Henneman.
-
-Alleen 's winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van
-Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke's venster
-zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren,
-want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was
-Jupke's kamertje.
-
-Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden
-ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze
-zulke kleine dribbels waren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar
-Hennemans Grootmoeder, aan 't andere eind van het dorp! Dat kwam,
-doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren.
-
-Hennemans Grootmoeder had vroeger, toen Grootvader nog leefde, op
-een boerderij gewoond. Nu ze alleen was overgebleven, had ze zoo'n
-boerderij, met alles wat er bij komt kijken, een veel te groot gedoe
-gevonden en was in een klein huisje getrokken, dat geheel met klimop
-begroeid was. Toch kon je nog wel zien, dat Hennemans Grootmoeder
-eigenlijk een boerin was, aan de muts, weet je. Ze droeg een muts met
-strookjes en daar kwam haar gezicht toch zoo aardig uitkijken. Hagelwit
-was die muts altijd en zoo precies in de plooi! Hoe Grootmoeder die
-toch zoo kreeg? Henneman vond zijn Grootmoeder erg knap.
-
-Als schooljongens--ze zaten nu al in de vierde klas--gingen Henneman
-en Jupke ook nog graag in 't klimophuisje op visite. Grootmoeder
-kon zoo mooi vertellen en zulke lekkere koekjes bakken, vooral haar
-knijpkoekjes--die bakte ze met Nieuwjaar--waren beroemd. Grootmoeder
-vond 't ook prettig, als de jongens haar wat vertelden: van school,
-van thuis, van wat ze speelden.. Grootmoeder kon er altijd echt
-inkomen; zoo stilletjes zat zij onderwijl een steekje te breien in
-haar rustig hoekje. Bij Jupke in den molen was 't zoo'n druk bedrijf
-en in 't meestershuis waren zooveel kleintjes; daar was overdag nooit
-gelegenheid voor een rustig babbeltje.
-
-Prettige dingen vertelden ze aan Grootmoeder, maar.. de minder
-prettige ook. Dat ging niet altijd van harte. Als ze, bijvoorbeeld,
-ondeugend waren geweest en er straf voor hadden gehad, of wel
-als ze stilletjes iets verkeerds hadden uitgevoerd, kijk, dan
-wilden ze zoo iets wel liever voor Grootmoeder verzwijgen, maar
-dit gelukte toch nooit. Grootmoeder zag 't dadelijk, als er wat aan
-haperde. Zij zei dan niet veel, maar ze kon de jongens aanzien, zoo
-ernstig-vriendelijk.... dan moesten ze 't wel zeggen en daarná waren
-ze toch zoo opgelucht!
-
-Behalve Jupke had Henneman nog een anderen vriend: Frans van
-Kampen! Frans woonde niet op 't dorp, maar kwam op vrije middagen
-dikwijls mee, als zijn vader, die dokter in de naburige stad was, er
-iemand bezoeken moest. De vader van Frans en die van Henneman kenden
-elkaar nog van vroeger. Zoo stapte de dokter, ook zonder dat er daar
-iemand ziek was, wel eens in 't meestershuis af en dan speelden Frans
-en Henneman met elkaar.
-
-"Je moet ook 's bij mij komen," had Frans op een keer gezegd.
-
-Nu, in 't begin van de Kerstvacantie, was er een brief van Frans
-gekomen.
-
-"Beste vriend" stond er boven. Dit vond Henneman wàt gewichtig. En
-dan volgde er: "Moeder zegt, nu 't vacantie is, mag ik je een paar
-dagen vragen; dat is nog leuker dan enkel een middag spelen. Vraag
-maar gauw aan je vader en je moeder, of je mag. Hoe langer je blijft,
-des te beter, zegt Moeder. Ik vind 't erg leuk en jij? Groeten voor
-allemaal van Frans."
-
-Vader bracht Henneman den volgenden dag zelf weg. Jupke liep mee tot
-aan den trein. Hij vond 't saai, dat kon je wel zien, maar Henneman
-zei, dat hij met Nieuwjaar terugkwam; dan zouden ze Grootmoeder
-samen helpen knijpkoekjes te bakken. En hij beloofde hem ook een
-prentbriefkaart uit de stad te zullen sturen.
-
-Toen keek Jupke vroolijker; hij riep Henneman op 't laatst nog toe,
-dat hij er een moest sturen met den Dom er op.
-
-Nu was Henneman al een week bij Frans. Hij had een mooien Kerstboom
-gezien en cadeautjes gekregen en ook was hij nog met Frans en zijn
-zusje naar de Kerstfeestviering van hun Zondagschool geweest. Henneman
-vond 't heerlijk bij Frans thuis; hij wou er nog wel een week blijven,
-zei hij.
-
-De vader en de moeder van Frans vonden dit best, de vader en moeder
-van Henneman ook.... maar Jupke vond het niet best, toen hij er van
-hoorde. Dan zou Henneman er immers met Nieuwjaar niet zijn, zooals
-hij hem toch beloofd had, om samen bij Grootmoeder van die lekkere
-Nieuwjaarskoekjes te bakken en op te eten. Neen, daar was Jupke heel
-over uit zijn humeur. Ook was hij een beetje boos, omdat Henneman
-vergat hem een prentbriefkaart te sturen en dat had hij hem toch óók
-beloofd! Grootmoeder en hij konden er samen wat goed over praten;
-Grootmoeder vond 't ook niet mooi, dat Henneman zijn vrindje vergat.
-
-"Weet je wat," zei Grootmoeder, "morgen is het marktdag--dan ga ik voor
-boodschappen even naar stad en stuur je een prentbriefkaart, hoor!"
-
-"Met den Dom er op?" vroeg Jupke.
-
-"Ja, met den Dom er op."
-
-Maar toen Jupke weg zou gaan, riep Grootmoeder hem terug; ze wist toch
-nog een beter plan. "Neen, ik stuur je geen prentbriefkaart; als je
-vader en je moeder 't goedvinden, neem ik je mee om er zelf een uit te
-zoeken; dan doen wij samen boodschappen en bekijken de mooie winkels."
-
-Toen sprong Jupke hoog in de lucht en gaf Grootmoeder zoo'n onstuimige
-omhelzing, dat de keurige muts er scheef van kwam te zitten.
-
-"Gaan we dan ook naar Henneman en Frans?"
-
-"Nu, 'k denk, dat we daar wel geen tijd voor zullen hebben, maar weet
-je wat, we zullen een prentbriefkaart in de stad koopen voor Henneman
-en als we dan weer hier terug zijn, sturen we hem die. Wat zal hij
-dan opkijken!"
-
-"O ja, o ja," juichte Jupke--"dan begrijpt hij er heelemaal niets van!"
-
-Henneman kende nu al de vriendjes van Frans. Hij werd druk mee
-uitgevraagd. 't Leukst van alles vond hij het trammen door de stad,
-omdat dit een nieuwtje voor hem was. Dit koos hij dan ook, toen Frans
-en hij samen op Oudejaarsdag bij Karel op visite waren en Karels
-Moeder hem vroeg, wat hij 's middags graag eens wou doen.
-
-Frans bleef liever op den zolder gymnastiek doen met Karels grooten
-broer en zijn zusje, maar Karel en zijn jonger broertje Wim gingen
-mee trammen.
-
-Oudejaar viel op Zaterdag, marktdag. Juist prettig vonden de jongens
-het, zoo door de drukte te komen.
-
-'t Was een mooie, nieuwe tram met klapbanken.
-
-Henneman moest dadelijk 's probeeren, hoe dat ging met zoo'n
-bank. Karel en Wim wezen 't hem; die wisten het natuurlijk al lang--zij
-woonden in de stad en kwamen dus vaak in de tram.
-
-'t Werd vol. Bij elke halte stonden o zooveel menschen en dan hadden
-de jongens den grootsten schik om te kijken, of die er wel allemaal
-in zouden kunnen. Ja warempel, 't ging en nòg was er plaats over!--Wat
-zoo'n tram toch groot was!
-
-Bij 't Vreeburg gekomen, drukten ze hun neuzen plat tegen 't glas.
-
-"Er staan er wel honderd!" riep Henneman opgetogen uit, maar meteen
-trok hij zijn hoofd gauw terug.
-
-"Wat is er, beste jongen?" vroeg Karels Moeder verbaasd.
-
-"Niks," zei Henneman, die een erge kleur kreeg. Hij had Grootmoeder
-en Jupke onder de wachtenden aan de halte ontdekt: Jupke in zijn
-Zondagsche pakje, dat--Henneman had er vroeger nooit erg in gehad--hem
-toch zoo mal, ouwemannetjesachtig stond, en Grootmoeder daarbij met
-haar muts met strookjes...
-
-Die muts vond Henneman ook op eens zoo gek. Wie had er nu nog een
-muts op! Niemand van de menschen, die hij hier kende, droeg een muts!
-
-Hij hoopte maar, dat Grootmoeder en Jupke niet in de tram zouden
-stappen en zat met een hoogroode kleur strak voor zich uit te staren.
-
-Karel en Wim hipten op en neer van de bank. Hun moeder beduidde
-hun, dat ze rustig moesten zijn, de menschen niet mochten
-hinderen.--Henneman had geen vermaning noodig; hij was zoo stil als
-een muis--van hem hadden de andere passagiers stellig geen last.
-
-Gedwee schikte hij wat op; een oude heer kwam naast hem zitten.
-
-Nog meer menschen stapten er in.
-
-Heel eventjes keek Henneman om; hij kòn 't niet laten.... een muts
-zag hij, de muts met strookjes van Grootmoeder.--
-
-Een oogenblik herademde, Henneman; er was geen plaats meer binnenin,
-dus zouden Grootmoeder en Jupke op 't balkon moeten blijven.... Maar
-nee, een jonge man, die dicht bij de deur zat, stond op en gaf
-Grootmoeder zijn plaats; men schikte ginds wat op en zoo kwam ook
-Jupke te zitten, tegenover Grootmoeder.
-
-Henneman maakte zich zoo klein mogelijk aan 't andere eind der volle
-tram en vond het "gelukkig", dat hij "zoover" van Grootmoeder af
-zat! Zoo'n rare Henneman toch! En thuis, als Grootmoeder 's Zondags
-zou komen eten, kibbelde hij met zijn broertje om 't plaatsje aan
-tafel naast Grootmoeder!
-
-Henneman bleef in elkaar gedoken zitten en zei niets meer tot aan de
-halte, dicht bij 't huis, waar hij vandaag op visite was.
-
-Karels Moeder stond op, Karel en Wim ook.
-
-"Kom Henneman, we zijn er!"
-
-Gauw keek Henneman Grootmoeders kant op; Grootmoeder en Jupke bleven
-zitten--dus moest hij hen voorbij! Klein maken hielp niets; ze zouden
-hem stellig zien.
-
-Met neergeslagen oogen sloop Henneman als de laatste van de vier
-de tram door, tot aan den uitgang, telkens verwachtend zijn naam te
-zullen hooren.
-
-Bijna was hij bij de deur, de anderen waren al buiten--dáár hadt
-je het... "Dag Henneman!" klonk 't blij verrast, met een hooge
-jongensstem.
-
-Henneman struikelde haast over den drempel naar buiten--hij keek niet
-om, maar zag toch nog in 't voorbijgaan Grootmoeders gezicht in een
-glimp: verwonderd, teleurgesteld, droevig.... Met één sprong was hij
-het balkon af; hij zuchtte diep van verlichting en drong gauw door
-de wachtende menschen heen.
-
-"Wat heb jij een haast!" riep Wim uit.
-
-Henneman had nu eigenlijk blij moeten wezen, dat hij er zoo goed
-was afgekomen, maar hij was niet blij, neen hoor, hij had juist een
-allerakeligst gevoel over zich en dat maakte, dat hij den heelen
-verderen dag geen prettig oogenblik meer had....
-
-Toen er aan tafel gebeden zou worden, kreeg Henneman weer een
-vreeselijke kleur; hij schaamde zich erg voor God, Die alles wel
-gezien had, vanmiddag in de tram. Nu kon Henneman toch maar niet doen,
-of er niets gebeurd was en gewoon zijn gebedje opzeggen?
-
-Hij vouwde zijn handen wel net als de anderen, maar hield zijn oogen
-open. Karel keek even verwonderd naar hem en deed toen gauw zijn
-oogen dicht. Nu hadden ze allen de oogen gesloten: Karels Vader,
-zijn Moeder, Jan, Truus, Wim, Karel en Frans; die spraken nu met God
-en hij--hij durfde 't niet.--
-
-Zoo ongelukkig als Henneman zich toèn toch voelde!....
-
-Henneman bleef de week niet uit, zooals 't plan was geweest.
-
-Den volgenden morgen bracht de vader van Frans hem al naar huis,
-omdat hij zoo erg naar Grootmoeder verlangde en bij Grootmoeder
-Nieuwjaarskoekjes wou bakken met Jupke.
-
-Onder tranen had hij dit 's avonds gezegd, toen hij met Frans van
-Karel was teruggekomen.
-
-En onder het uitkleeden had hij nog meer gezegd, ja--hij had het niet
-kunnen uithouden, hij had het moeten vertellen aan de moeder van Frans,
-omdat hij nu zijn eigen moeder niet hier had, hoe 'n nare jongen hij
-geweest was, 's middags in de tram.--O, hij had zich zoo geschaamd
-onder 't vertellen, maar 't had hem toch óók opgelucht.
-
-Toen had hij God om vergiffenis gevraagd en had daarna ook weer zijn
-gewone avondgebedje kunnen doen. Dit had Henneman zoo kalm en rustig
-gemaakt. Gauw was hij daarop in slaap gevallen.
-
-Jupke stond op 't molenerf, toen dokter van Kampen er met Henneman
-in zijn Utrechtsch wagentje voorbijreed.
-
-Henneman dacht aan den vorigen middag en was niets op zijn gemak;
-Jupke keek ook verlegen. Dàt was een rare ontmoeting tusschen de
-twee vrindjes, maar de dokter wist raad. Hij hield stil en riep Jupke
-toe, dat hij maar gauw in 't rijtuig zou klimmen om zijn kameraadje
-Nieuwjaar te wenschen.
-
-Dáár zaten ze nu, Henneman en Jupke, lekker warm ingestopt onder één
-reisdeken, maar ze hadden elkaar eerst niets te vertellen.
-
-Eindelijk zei Jupke: "ik heb een prentbriefkaart van den Dom; kijk
-maar",--en hij diepte de al een beetje gekreukte kaart uit zijn zak op.
-
-"Ik heb den Dom zelf gezien", zei Henneman nu vol trots.
-
-"Ik óók," riep Jupke, "gisteren, met Grootmoeder en--." Toen hield hij
-zich in eens weer stil en keek Henneman van terzijde een beetje schuw
-aan. Jupke vond: 't was net of Henneman sedert gisteren Henneman niet
-meer was, maar een vreemd jongetje, dat eigenlijk in de stad thuis
-behoorde. Henneman zei ook niets meer; onrustig draaide hij op de
-bank heen en weer.
-
-Voor Grootmoeders klimophuisje stonden ze stil. Met een zwaai zette
-dokter van Kampen Henneman op den grond.
-
-"Grootmoeder," riep hij vroolijk naar binnen, "een gelukkig Nieuwjaar,
-hoor, en hier heb je je jongen weer; hij verlangde zóó!"
-
-Toen reed hij gauw weg met Jupke nog in 't rijtuig.
-
-Ja, dáár had Grootmoeder haar jongen weer! Dàt zag, dàt voelde ze
-dadelijk!
-
-Grootmoeder en Henneman praatten niet veel over gisteren; 't was niet
-noodig; ze verstonden elkaar ook zóó wel.
-
-Grootmoeder nam Henneman op haar schoot, verbeeld je, zoo'n grooten
-jongen.... en Grootmoeders muts werd verkreukeld, maar 't lieve,
-oude gezicht, dat uit die muts kwam kijken, stond zóó gelukkig en
-Henneman keek ook al zoo blij.
-
-Hand aan hand gingen zij toen later naar Hennemans huis en namen
-de knijpkoekjes, die Grootmoeder, omdat Nieuwjaar dezen keer op
-Zondag viel, den vorigen dag al gebakken had, in een overdekt mandje
-mee. Henneman kon Grootmoeder dus nu niet meer helpen bakken, maar
-dat was niets, hij zou ze helpen opeten e.... Jupke ook. Zij haalden
-hem onderweg af.
-
-Nù was 't weer als vroeger: Grootmoeder met Henneman en Jupke
-samen! Zóó moest 't nu ook maar blijven, dacht Henneman tevreden, en
-hij drukte zijn gezicht, even, liefkoozend tegen Grootmoeders arm aan.
-
-Grootmoeder glimlachte en zei, dat Henneman nu net als een poesje deed!
-
-Toen schoten de jongens allebei in den lach; 't vreemde, dat ze
-zooeven nog hinderlijk tusschen hen beidjes gevoeld hadden, was nu
-ook meteen verdwenen.--
-
-Nu was 't wel écht weer zooals vroeger!--Hoe gelukkig begon 't Nieuwe
-jaar nu toch voor de beide vriendjes!
-
-
-
-
-
-
-
-
- GEHEEL IN DEZELFDE UITVOERING VERSCHEEN IN:
-
- "ONS SCHEMERUURTJE"
-
- BIBLIOTHEEK VOOR HET KIND:
-
-
-
- 1. Ida Heijermans, VERTELLINGEN. 2e druk.
- 2. Gebrs. Grimm, SPROOKJES. 2e druk.
- 3. H. C. Andersen, SPROOKJES. 2e druk.
- 4. ONZE OUDE VERSJES. 2e druk.
- 5. Ida Heijermans, UIT TANTE'S JEUGD.
- 6. TIJL UILENSPIEGEL.
- 7. Ida Heijermans, ZOO MOOI ALS ZONNESCHIJN.
- 8. Jean Maçé, SPROOKJES.
- 9. Wilh. Hauff, VERTELLINGEN.
- 10. Ida Heijermans, NANCY'S AVONTUREN.
- 11. BARON VON MÜNCHHAUSEN.
- 12. Hermanna, VERTELLINGEN.
- 13. MIJN SPROOKJESBOEK.
-
-
-
- No. 1-13.... à 75 cts. ing., 95 cts. geb.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] Zie titelplaat.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Vertellingen, by
-Alberdina Hermanna Schlüter and Jan Wiegman
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELLINGEN ***
-
-***** This file should be named 52415-0.txt or 52415-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/1/52415/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.