summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/51052-0.txt19572
-rw-r--r--old/51052-0.zipbin497199 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/51052-h.zipbin608729 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/51052-h/51052-h.htm22245
-rw-r--r--old/51052-h/images/cover.jpgbin95328 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/51052-h/images/img-01.jpgbin7423 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/51052-h/images/streep-1.jpgbin1093 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/51052-h/images/streep-2.jpgbin1080 -> 0 bytes
11 files changed, 17 insertions, 41817 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..4e438c1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #51052 (https://www.gutenberg.org/ebooks/51052)
diff --git a/old/51052-0.txt b/old/51052-0.txt
deleted file mode 100644
index 56de342..0000000
--- a/old/51052-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,19572 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Gereformeerde dogmatiek
- Eerste deel. Inleiding. Principia.
-
-Author: H. Bavinck
-
-Release Date: January 27, 2016 [EBook #51052]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK ***
-
-
-
-
-Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and
-the Online Distributed Proofreading Team at
-http://www.pgdp.net.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- +--------------------------------------------------------------+
- | |
- | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. |
- | |
- | Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe |
- | afbeelding te geven van de originele versie. In het |
- | origineel wordt æ bijna overal als ae weergegeven, en œ |
- | overal als oe. Deze schrijfwijze is hier gehandhaafd. |
- | Cursieve tekst is weergegeven als_cursief_, vet gedrukte of |
- | extra gespatieerde tekst wordt hier weergegeven als =tekst=. |
- | |
- | Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is |
- | gehandhaafd. |
- | |
- | Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie |
- | stilzwijgend gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in |
- | het Duits zijn waar nodig stilzwijgend van een hoofdletter |
- | voorzien. |
- | |
- | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
- | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht |
- | van de aangebrachte correcties. |
- | |
- +--------------------------------------------------------------+
-
-
-
-
- GEREFORMEERDE DOGMATIEK.
-
-
-
-
- GEREFORMEERDE DOGMATIEK.
- DOOR
- DR. H. BAVINCK.
-
-
- EERSTE DEEL.
- INLEIDING. -- PRINCIPIA.
-
-
- KAMPEN. -- J. H. BOS. -- 1895.
-
-
-
-
- Nijmegen. -- Snelpersdruk der Weesinrichting.
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-_Met een kort woord moge het standpunt dezer dogmatiek in het licht
-worden gesteld. Niet alleen de geloovige, ook de dogmaticus heeft
-belijdenis te doen van de gemeenschap der heiligen. Alleen met alle
-de heiligen kan hij begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en
-hoogte zij en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven
-gaat. Eerst in en door hunne gemeenschap leert hij het dogma verstaan,
-waarin het christelijk geloof zich uitspreekt. Bovendien ligt er in
-deze gemeenschap der heiligen eene sterkende kracht en een uitnemende
-troost. Dogmatiek is thans niet in eere; het christelijk dogma deelt
-niet in de gunst van den tijd. Vandaar, naar het woord van Groen van
-Prinsterer, Ongeloof en Revolutie 1868 bl. 17, somwijlen een gevoel van
-verlatenheid, van isolement. Maar des te meer stemt het dan tot dank,
-een beroep te kunnen doen op het bondgenootschap der voorgeslachten. Om
-deze redenen is er aan de patristische en scholastische theologie meer
-aandacht gewijd, dan anders wel bij protestantsche dogmatici het geval
-is. Mannen als Irenaeus, Augustinus, Thomas, behooren niet uitsluitend
-aan Rome. Zij zijn patres en doctores, aan wie de gansche christelijke
-kerk verplichtingen heeft. Voorts is ook de Roomsche theologie na de
-Hervorming niet vergeten. Er is onder de Protestanten menigmaal te
-weinig bekendheid zoowel met hetgeen hun met Rome gemeen is als wat
-van Rome hen scheidt. De herleving der Roomsche theologie onder de
-auspiciën van Thomas, maakt het voor den protestantschen Christen
-dubbel noodzakelijk, zich van zijne verhouding tot Rome welbewuste en
-heldere rekenschap te geven._
-
-_Het nauwst sluit echter deze dogmatiek zich aan bij dat type, hetwelk
-de christelijke religie en theologie in de zestiende eeuw door de
-Reformatie, bepaaldelijk in Zwitserland, ontving. Niet omdat dit de
-eenig-ware, maar wijl het naar de overtuiging van den schrijver de
-relatief-zuiverste uitdrukking der waarheid is. In geen confessie is
-het christelijke in zijn religieus, ethisch en theologisch karakter zoo
-tot zijn recht gekomen; nergens is het zoo diep en breed, zoo ruim en
-vrij, zoo waarlijk katholiek opgevat als in die van de Gereformeerde
-kerken. Daarom is het te meer te betreuren, dat deze reformatie van
-religie en theologie, evenals die van kerk en wetenschap, zoo spoedig
-is gestuit. Er is in weerwil van veel goeds, dat ook de latere
-ontwikkeling niet alleen hier te lande, maar evenzeer in Engeland,
-Schotland, Amerika te aanschouwen geeft, toch weldra stilstand
-ingetreden en deformatie gevolgd. Bij voorkeur zich beroepende op de
-oudere generatie, die in frischheid en oorspronkelijkheid de latere
-verre overtreft, acht schrijver dezes het het recht van den dogmaticus,
-om in de geschiedenis der Gereformeerde theologie tusschen koren en
-kaf onderscheid te maken. Het oude te loven alleen omdat het oud is,
-is noch gereformeerd noch christelijk. En dogmatiek beschrijft niet wat
-gegolden heeft, maar wat gelden moet. Zij wortelt in het verleden, maar
-arbeidt voor de toekomst._
-
-_Daarom eindelijk wenscht deze dogmatiek ook het stempel te dragen van
-haar tijd. Het ware een onbegonnen werk, zich los te maken van het
-heden; maar het zou ook niet goed zijn voor God, die in deze eeuw niet
-minder luide en ernstig tot ons spreekt dan in vorige geslachten. Er
-is acht geslagen op de velerlei richtingen, die op theologisch gebied
-elkander kruisen. Er is te midden van die alle eene plaats gezocht
-en positie gekozen. Waar afwijking plicht was, is er rekenschap van
-gegeven. Maar ook dan is er naar gestreefd, om het goede te waardeeren,
-waar het te vinden was. Dikwerf deed voortgezette studie verwantschap
-ontdekken, die aanvankelijk heel niet scheen te bestaan._
-
-_Op dezen grondslag opgetrokken, tracht deze dogmatiek een handboek te
-zijn voor wie aan hare beoefening zich wijdt. Ook waar zij geen instemming
-verwerven kan, moge zij tot studie opwekken. Met het oog hierop zijn de
-vraagstukken en de verschillende oplossingen, die beproefd zijn, zoo
-objectief mogelijk voorgesteld. Litteratuur werd in die mate opgegeven,
-dat men spoedig zelf zich oriënteeren en aan de oplossing mede arbeiden
-kan._
-
-_Dit eerste deel bespreekt de inleiding en de principia. Het tweede
-deel zal het dogma behandelen. Waarschijnlijk zal dit in twee gedeelten
-het licht zien, die in geen geval grooter van omvang zullen zijn dan dit
-eerste deel, en zoo spoedig doenlijk zullen volgen. Een uitvoerige index
-zal het werk besluiten._
-
- H Bavinck.
-
-_Kampen, April 1895._
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- INLEIDING.
-
- Paragraaf. Bladz.
-
- 1. Naam en begrip der Dogmatiek 1
- 2. Encyclopaedische plaats der Dogmatiek 9
- 3. Methode der Dogmatiek 14
- 4. Indeeling der Dogmatiek 31
- 5. Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek 51
-
- DEEL I.
- Principia der Dogmatiek.
-
- HOOFDSTUK I.
- PRINCIPIA IN HET ALGEMEEN.
-
- 6. Beteekenis der Principia 140
- 7. Principia in de Wetenschap 145
- 8. Principia in de Religie 171
-
- HOOFDSTUK II.
- PRINCIPIUM EXTERNUM.
-
- 9. Algemeene Openbaring 215
- 10. Bijzondere Openbaring 244
- 11. De Heilige Schrift 295
- 12. Eigenschappen der Schrift 363
-
- HOOFDSTUK III.
- PRINCIPIUM INTERNUM.
-
- 13. Beteekenis van het principium internum 416
- 14. De historisch-apologetische methode 423
- 15. De speculatieve methode 431
- 16. De ethisch-psychologische methode 444
- 17. Het geloof 465
- 18. De grond des geloofs 484
- 19. Geloof en theologie 509
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
-
-§ 1. NAAM EN BEGRIP DER DOGMATIEK.
-
-1. De naam dogmatiek is nog van jonge dagteekening. Vroeger waren
-gansch andere namen in gebruik. Origenes gaf aan zijn dogmatisch
-hoofdwerk den titel περι ἀρχων. Augustinus omschreef zijn Enchiridium
-ad Laurentium door de bijvoeging, sive de fide, spe et caritate.
-Johannes Damascenus gaf eene Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως. Met
-Isidorus Hispalensis komt de naam Sententiæ op, die in de 13de eeuw
-plaats maakt voor Summa theologiæ. Melanchton sprak van Loci communes
-rerum theologicarum, sive hypotyposes theologiæ. De uitdrukking loci
-is aan Cicero ontleend, en eene vertaling van het grieksche τοπος.
-Aristoteles verstond onder τοποι de algemeene regelen der dialectiek,
-die van zichzelf bekend waren en vaststonden en daarom als στοιχεια των
-ἀποδειξεων dienst konden doen, Rhet. lib. II c. 22 § 13. Metaph. lib.
-IV c. 3 § 3. Cicero bracht deze leer der τοποι van de dialectiek op de
-rhetorica over, en verstond er die plaatsen door, waar de redenaar de
-argumenten vinden kon, die hij in zijne rede noodig had. Hij verklaart de
-uitdrukking door sedes, notæ argumentorum, en wijst als zulke bronnen
-aan het begrip, de definitie, de divisie, de grondbeteekenis van het
-woord, de synoniemen enz. Top. II c. 2. Dit gebruik van het woord
-loci stemt met de beteekenis bij Aristoteles niet geheel overeen, en
-werd in de latere logica nog meer gewijzigd. Melanchton zelf verklaart
-in zijne Dialectica, lib. IV de uitdrukking loci door signa quædam,
-quibus rerum, quæ dici tractarique debent, capita indicantur. Loci
-communes zijn volgens Cicero, de Orat. III 27. Brutus 12, zulke
-stellingen, die op geen bepaald object betrekking hebben, algemeen
-zijn en daarom altijd en overal gelden; in onderscheiding van loci
-proprii, die concreet zijn en daarom alleen bij een bepaald onderwerp of
-in eene speciale wetenschap van kracht zijn. Melanchton wilde in zijne
-loci communes alleen de voornaamste hoofdstukken van de christelijke
-religie geven, gelijk die vooral door Paulus in zijn brief aan de
-Romeinen waren behandeld. Hij zelf omschrijft ze daarom door hypotyposes,
-ontwerp, schets, lineamenta der theologie. En de Duitsche vertaling
-van Spalatin gaf den titel weer door: Hauptartikel und fürnehmste
-Punkte der ganzen Heiligen Schrift. Naam en inhoud van Melanchton’s
-dogmatiek staan dus in tegenstelling met de scholastieke Sententiae
-en Summae. Ze bedoelde niet een volledig dogmatisch systeem aan de
-ontwikkelden te geven, maar veeleer de onontwikkelden in te leiden tot
-de kennis der Heilige Schrift. Cf. Heppe, Dogm. des Deutschen Protest.
-1857 I s. 4-14; Herzog u. Plitt, Real. Enc. 8, 708 f.; Sanseverino,
-Philosophia Christiana, ed. nov. Neap. 1878 III 286-315. Daaruit laat
-zich verklaren, dat de naam loci communes bij de Roomsche theologen,
-op eene enkele uitzondering na, geen ingang vond. Wel bezigen ze de
-uitdrukking loci, maar niet in den zin van Melanchton, maar in dien
-van Cicero of Aristoteles. Zij verstaan er niet onder de articuli
-fidei, maar de principia of bronnen der Theologie, Dens, Theologia ad
-usum Seminariorum. Mechl. 1828 I 5; Billuart, Summa S. Thomae sive
-Cursus Theologiae 1747 I 47; Daelman, Theologia seu Observ. theol. in
-Summam D. Thomae 1759 I 18. Het beroemde werk van Melchior Canus, Loci
-Theologici 1563 vat de uitdrukking in denzelfden zin op en behandelt
-niet de dogmatiek zelve, maar hare bronnen, welke tien in aantal zijn:
-Schrift, traditie, Paus, concilien, kerk, kerkvaders, scholastici,
-rede, philosophie, geschiedenis. Daarentegen werd de naam loci communes
-van Melanchton door vele luthersche en geref. theologen overgenomen,
-zooals Chemniz, Hutter, Gerhard, Calovius; Martyr, Musculus, Hyperius,
-Ursinus enz. Maar toch moest hij vrij spoedig voor een anderen titel
-wijken. Zwingli had dogmatische geschriften in het licht gegeven onder
-den titel van Commentarius de vera ac falsa religione, Christianae
-fidei brevis et clara expositio. Calvijn verkoos den naam van Institutio
-religionis Christianae. En latere theologen uit de luth. en geref. kerk
-keerden tot den ouden naam van theologia terug. Ter onderscheiding
-van andere theologische vakken, die allengs in aantal en in gewicht
-toenamen, moest deze naam van Theologia nader omschreven worden.
-Daartoe diende de bijvoeging didactica, systematica, theoretica,
-positiva, en sedert L. Reinhart, Synopsis theologiae dogmaticae 1659,
-ook die van dogmatica. Deze omschrijving lag voor de hand, wijl de
-geloofswaarheden reeds lang met den naam van dogmata werden aangeduid,
-en de met Danaeus en Calixtus begonnen scheiding van dogmatiek en
-ethiek voor beide vakken een afzonderlijken naam eischte. Sedert heeft
-deze bijvoeging zoo groote heerschappij verkregen, dat zij het hoofdbegrip
-van theologie heeft gebannen en zelfstandig is opgetreden, dat zij onder
-theologen van allerlei belijdenis instemming heeft gevonden, en door de
-nieuwere namen van geloofsleer, heilsleer, christelijke leer enz. niet
-is kunnen verdrongen worden.
-
-2. Het woord δογμα, van δοκειν, dunken, duidt datgene aan, wat
-bepaald, besloten is en daarom vaststaat, το δεδογμενον, statutum,
-decretum, placitum. In de Schrift wordt het gebezigd van bevelen der
-overheid, LXX, Esth. 3:9; Dan. 2:13; 6:8; Luk. 2:1; Hd. 17:7, van de
-inzettingen des O. Verbonds Ef. 2:15; Col. 2:14, en van de besluiten
-der vergadering te Jeruzalem, Hd. 15:28; 16:14. Bij de klassieken heeft
-het de beteekenis van besluit of bevel en in de philosophie die van
-door zichzelf of door bewijzen vaststaande waarheden, Plato, de Rep.
-VII c. 16. p. 538 C.; Arist. Phys. ausc. 4, 2; Cic. de fin. 2, 32;
-Acad. prior. 2, 9. § 27; Seneca Epist. 94, 95. In deze beteekenissen
-wordt het woord ook in de theologie overgenomen. Josephus, c. Ap. I, 8
-zegt, dat de Joden de boeken des Ouden Verbonds van kindsbeen af houden
-voor θεου δογματα. In dezelfde beteekenis spreken de kerkvaders van de
-christelijke religie of leer als το θειον δογμα, van de menschwording
-van Christus als δογμα της θεολογιας, van de waarheden des geloofs,
-die in en voor de kerk gelden als τα της ἐκκλησιας δογματα, en evenzoo
-van de leeringen der ketters als δογματα των ἑτεροδοξων enz. Cf.
-Suicerus, Thesaurus Eccles. s. v.; Herzog² s. v. Dogmatik; H. Cremer,
-Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Dezen zelfden zin behoudt het
-woord bij de Latijnen, zooals Vincentius in zijn Commonitorium c. 29, en
-bij de Protest. theologen zooals Sohnius, Opera 1609 I 32; Ursinus,
-Tract. Theol. 1584 p. 22; Hyperius, Methodus Theol. 1574 p. 34;
-Polanus, Synt. Theol. 1625 p. 133.
-
-3. Het gebruik van het woord leert ons in de eerste plaats, dat
-met dogma allerlei bevelen, besluiten, philosophische waarheden,
-theoretische stellingen, practische regels enz. kunnen worden
-aangeduid, maar het gemeenschappelijke erin is, dat er altijd eene zekere
-autoriteit aan ten grondslag ligt. Een dogma is eene stelling, die
-gezag heeft, Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte, 2te Aufl. 1888 I.
-15. In het woord dogma ligt echter op zichzelf niet, op welk gezag het
-steunt. Bij de verschillende dogmata is ook dat gezag verschillend. Bij
-politieke dogmata is dat gezag de overheid, bij philosophische dogmata
-de innerlijke evidentie of de kracht der bewijzen; bij de godsdienstige
-of theologische dogmata ligt dat gezag alleen in Gods getuigenis,
-hetzij deze volgens de Protestanten alleen in de Schrift, of volgens de
-Roomschen ook in de kerk wordt vernomen. Eene stelling heeft in kerk
-en theologie alleen daarom gezag, wijl ze rust op de getuigenis Gods.
-Ten onrechte wordt daarom door en sedert Schleiermacher het wezen en
-karakter van een dogma in de kerkelijke vaststelling en afkondiging
-gezocht, Schleiermacher, Christl. Sitte 1884, S. 5; Rothe, Zur Dogm.
-10; Schweizer, Christl. Glaub. I. 23; Daubanton, Theol. Studien
-1885, bl. 136-145; Kuyper, Encycl. III 395 v. Op Roomsch standpunt
-ware hier nog iets voor te zeggen, wijl de kerk onfeilbaar is. Maar
-de reformatie erkent geen waarheid dan alleen op het gezag Gods in
-de H. Schrift. Verbum Dei condit articulos fidei, et praeterea nemo,
-ne angelus quidem, Art. Smalc. Pars II art. 2. Dogmata en articuli
-fidei zijn alleen die waarheden, quae in scripturis proprie ut credenda
-proponuntur, Hyperius, Methodus theol. p. 34, 35. Het zijn alleen zulke
-sententiae, quibus credi aut obtemperari necesse est propter mandatum
-Dei, Ursinus, Tract. Theol. 22. En daarom keert telkens bij de Geref.
-theologen deze stelling terug: principium, in quod omnia dogmata
-theologica resolvuntur, est: Dominus dixit, cf. Ritschl, Lehre v. d.
-Rechtf. u. Vers. 3te Aufl. II 2. Maar uit het karakter van autoriteit,
-dat aan een dogma eigen is, volgt toch in de tweede plaats vanzelf, dat
-het als zoodanig ook in zekeren kring wordt erkend. Er ligt ongetwijfeld
-in het begrip van dogma een sociaal element. Eene waarheid moge nog
-zoozeer vaststaan; indien ze niet erkend wordt, is zij in het oog van
-anderen niets meer dan eene sententia doctoris, eene particuliere
-opinie. Het begrip van dogma sluit in, dat de autoriteit, die het
-bezit, zichzelve ook weet te doen erkennen en te handhaven. Er moet
-daarom onderscheiden worden tusschen dogma quoad se en dogma quoad
-nos. Eene stelling is dogma in zichzelf, afgedacht van alle erkenning,
-indien ze rust op het gezag Gods. Maar om niet eigen opinie te
-vereenzelvigen met de waarheid Gods, is het voor iederen geloovige en
-vooral ook voor den dogmaticus van het hoogste belang te weten, welke
-waarheden uit de Schrift onder de leiding des H. Geestes in de kerk van
-Christus tot algemeene erkenning zijn gebracht. De belijdenis kan dus
-heeten het dogma quoad nos. Maar ook in dezen subjectieven zin is dogma
-volstrekt niet beperkt tot wat uitdrukkelijk in de symbolen is opgenomen
-en kerkelijk is vastgesteld. De kerk heeft een leven en een geloof,
-dat veel rijker is dan in de belijdenis tot uiting komt. De confessie
-formuleert lang niet den ganschen inhoud van het christelijk geloof.
-Zij behoort ook niet tot het wezen der kerk, is bijkomstig, en bijkans
-altijd uit bijzondere omstandigheden geboren. Zij neemt gewoonlijk slechts
-op, wat binnen of buiten haar bestrijding heeft gevonden. Evenals dus
-het hout niet brandt, omdat het rookt, maar de rook toch een teeken
-is van brand, zoo ook is eene stelling niet een dogma, omdat de kerk
-het erkent, al is het ook dat de erkenning door de kerk een belangrijk,
-ofschoon altijd feilbaar, bewijs is van de waarheid ervan, Kleutgen,
-Theologie der Vorzeit, 2te Aufl. I, 97 f. In de derde plaats leert ons
-het gebruik van het woord dogma nog, dat het nu eens in ruimer, dan
-in enger zin werd gebezigd. Soms wordt er heel de christelijke religie
-mede aangeduid, en kan Basilius M., de Spiritu Sancto c. 27 onder
-δογματα (in tegenstelling met κηρυγματα, de uit de Schrift geputte
-articuli fidei) de kerkelijke ceremonieën en riten verstaan, Suicerus,
-Thes. Eccl. s. v. δογμα. Polanus t. a. p. zegt, dat dogma in ruimer zin
-alles omvat, wat in de H. Schrift is begrepen, niet alleen de doctrina
-evangelii et legis, maar ook alle conciones, historiae sacrae enz.
-Gewoonlijk werd het woord echter in enger zin gebezigd, voor de doctrina
-evangelii et legis, voor die sententiae, quibus credi aut obtemperari
-necesse est propter mandatum Dei, Ursinus t. a. p. 22. Het omvatte dus
-niet alleen de leerstellige, maar ook de ethische waarheid. Later
-echter is het woord dogma nog enger begrensd geworden, doordat de
-doctrina legis van de doctrina evangelii onderscheiden en gescheiden
-werd; dogmata waren nu alleen die sententiae, quibus credi necesse
-est propter mandatum Dei. Polanus ging nog verder en maakte ook nog
-onderscheid tusschen de dogmata en de principia theologiae. Zoo werd
-dogma de aanduiding van de articuli fidei, welke op het gezag van Gods
-Woord rusten en daarom allen verplichten tot geloof. En dogmatiek is
-dan het systeem der articuli fidei.
-
-4. Toch is daarmee het begrip der dogmatiek nog slechts in formeelen
-zin vastgesteld. Eene definitie der dogmatiek als wetenschap der
-dogmen baat weinig, zoolang we de stof, den inhoud der dogmen niet
-kennen. Om nu het materieele begrip der dogmatiek te bepalen, moeten
-we ons herinneren, dat dogmatiek oorspronkelijk een adjectief was ter
-omschrijving van het hoofdbegrip theologie. Daarnaar werd in vroeger tijd
-de dogmatiek gewoonlijk opgevat als doctrina de Deo principaliter et de
-creaturis, secundum quod referuntur ad Deum ut ad principium vel finem,
-Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 3 en 7; Alb. Magnus, Sent. lib. I
-dist. 1 § 2; Petavius, Opus de theol. dogmatibus cap. 1. --Gerhard, Loci
-Comm., prooemium de natura theologiae; Hase Hutterus Redivivus § 11;
-H. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche § 2. --Fr. Junius, Opera Omnia I
-fol. 1375-1424; Polanus, S. Theol. lib. I cap. 1-4; Gomarus, Disput.
-Theol., thesis 1; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, ortu.... verae
-theologiae, libri sex. Oxon. 1661, lib. 1 cap. 1-4; Voetius, Diatribe
-de theologia. Ultraj. 1668; Coccejus, Summa theol. cap. 1. Anderen
-echter hadden bezwaar, om God tot het hoofdbegrip der dogmatiek te
-maken, en noemden haar object liever anders. Lombardus, Sent. I dist.
-1, sloot zich bij Augustinus aan, die de doctr. christ. lib. I cap. 2
-zegt: omnis doctrina vel rerum est, vel signorum, en droeg daarom aan
-de theologie twee zaken ter behandeling op: res, d. i. God, wereld,
-mensch, en signa, d. i. sacramenten. Maar deze onvolledige bepaling
-werd spoedig prijs gegeven en door de commentatoren verbeterd. Alexander
-Halesius en Bonaventura, Proleg. qu. I in 1 Sent. en Breviloquium Pars
-I cap. 1 noemden Christus en zijn mystiek lichaam, de kerk; Hugo a St.
-Victor, De sacr. lib. I c. 2, noemde de opera reparationis stof en
-inhoud der theologie of dogmatiek. En ook Luth. en Geref. theologen
-omschreven den inhoud der dogmatiek op deze wijze. Calovius, Isagoge ad
-theologiam 1662, bestrijdt ten sterkste, dat God het eigenlijk object is
-der theologie; de etymologie beslist hier niets, de theologie op aarde
-is heel iets anders dan in den hemel, wij streven hier wel naar kennisse
-Gods, maar bereiken ze niet. God tot object te maken der theologie is
-even verkeerd als den Vorst tot object te maken van de politica, in
-plaats van de res publica, p. 283 s. 291 s.; het eigenlijk object der
-theologie is homo in quantum est perducendus ad salutem p. 252, 290
-of de godsdienst p. 299, 324. En zoo wordt ook door Amesius, Medulla
-Theol. I c. 5; Maestricht, Theor. pract. Theol. I c. 1 § 47; Marck,
-Merch der Christ. Godg. I § 34; Moor, Comment. in Marckii Compendium
-I p. 112; Burmannus, Synopsis Theol. I c. 2 § 30; Limborch, Theol.
-Christ. I c. 1, het Deo vivere per Christum, de religio, de cultus
-Dei tot inhoud der dogmatiek gemaakt. De subjectieve, practische
-opvatting van de theologie begon alzoo langzamerhand meer ingang te
-krijgen. En toen nu de philosophie van Kant het menschelijk kenvermogen
-tot de zienlijke dingen beperkte, het Agnosticisme de onkenbaarheid
-Gods uitsprak, de historische kritiek de bovennatuurlijke openbaring
-ondermijnde, is deze subjectieve, practische opvatting de heerschende
-geworden. Schleiermacher vatte de dogmatiek op als Glaubenslehre, en
-omschreef de dogmata als Auffassungen der frommen Gemüthszustände,
-Der Christl. Glaube § 15, 16. En sedert hebben schier alle theologen
-dezen overgang mede gemaakt. Niet God, maar de godsdienst is object
-der theologie. En wel, de godsdienst in het algemeen als historisch en
-psychologisch verschijnsel, Tiele, Gids Mei 1866; Idem, Theol. Tijdschr.
-1ste aflev. 1867; Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1869 bl. 1 v. 163 v.
-Wet op het Hooger Onderwijs van 1876, of meer bepaald de christelijke
-religie, gelijk zij in Schrift en gemeente tot openbaring komt.
-Dienovereenkomstig wordt dan aan de dogmatiek tot inhoud gegeven de
-religio of doctrina christiana, zooals die of uit de H. Schrift geput,
-of door eene of andere kerk beleden, of door persoonlijke ervaring
-gekend wordt.
-
-5. Nu heeft reeds Thomas in zijn tijd tegen hen, die eene andere
-omschrijving van de Theologie gaven, opgemerkt, dat zij daartoe kwamen
-wijl attendentes ad ea, quae in ista scientia tractantur et non ad
-rationem, secundum quam considerantur, Summa Theol. I qu. 1 art. 7.
-In de theologie en zoo ook in de dogmatiek, wordt over veel meer dan
-alleen over God gehandeld; ook engel en mensch, hemel en aarde, ja
-alle schepselen komen daarin ter sprake. Maar de vraag is, onder welk
-gezichtspunt en met welk doel ze in de theologie behandeld worden.
-Immers, behandeld worden al deze dingen ook in andere wetenschappen;
-het eigenaardige hunner behandeling in de theologie bestaat daarin,
-dat zij beschouwd worden in hunne relatie tot God, ut ad principium et
-finem, Kaftan, Wahrheit der Chr. Rel. S. 3. Voorts ware de definitie
-van de dogmatiek als wetenschap van de religio christiana op zichzelve
-nog niet zoo verkeerd, wanneer, gelijk in vroeger tijd, daaronder die
-religio werd verstaan, welke objectief in de Schrift was neergelegd.
-Maar na Kant en Schleiermacher heeft deze definitie een anderen
-zin gekregen en is de dogmatiek de beschrijving geworden van dat
-historisch verschijnsel, dat christelijke religie heet en zich ook in
-een eigenaardig geloof en leer openbaart. Wordt nu de dogmatiek in
-dezen zin verstaan, dan houdt ze op dogmatiek te zijn en wordt eenvoudig
-beschrijving van wat in zekeren kring voor waarheid op godsdienstig
-gebied gehouden wordt. Maar wetenschap is het om waarheid te doen;
-indien de dogmatiek werkelijk wetenschap wil zijn, dan is ze niet
-tevreden met de beschrijving van wat is, maar behoort ze aan te wijzen,
-wat als waarheid gelden moet. Niet het ὁτι, maar het διοτι, niet de
-werkelijkheid, maar de waarheid; niet het reëele, maar het ideëele,
-het logische, het noodwendige behoort ze aan te toonen. Zoodra ze dat
-echter beproeft, komt ze terstond tot God terug, wordt ze in eigenlijken
-zin wederom theologie. Immers, al wie het Christendom maakt tot object
-van eene eigen wetenschap, gaat uit niet van het feit van het _bestaan_
-van dat Christendom --want dan ware behandeling van dat historisch
-verschijnsel in de litt. faculteit volkomen voldoende-- maar van eene
-bijzondere waardeering van dat feit, Gunning en Saussaye Jr., Het
-ethische beginsel der Theologie 47. De theologie als eene afzonderlijke
-faculteitswetenschap onderstelt, dat in die historische feiten van
-het Christendom God op eene bijzondere wijze zich heeft geopenbaard,
-onderstelt en eischt dus het bestaan en de openbaring Gods. Dat is, de
-theologie eischt, om theologie te zijn en te blijven, dat alles in haar
-sub ratione Dei beschouwd wordt. En indien hiertegen de onkenbaarheid
-Gods worde ingebracht, dan geldt de regel: qui nimis probat, nihil
-probat. Indien God niet kenbaar is, valt daarmede niet alleen de
-dogmatiek en de theologie, maar ook de religie, want deze is op de
-kennis Gods gebouwd. Alzoo is dogmatiek het wetenschappelijk systeem der
-kennisse Gods, d. i. van die kennis, welke Hij aangaande zichzelf en
-aangaande alle schepsel als in relatie tot Hem in zijn Woord aan de kerk
-heeft geopenbaard.
-
-
-§ 2. ENCYCLOPAEDISCHE PLAATS DER DOGMATIEK.
-
-1. Over de plaats der dogmatiek in de encyclopaedie der theologie
-is bijna geen verschil. Allen brengen haar tot de Systematische of
-Dogmatische Theologie, d. i. tot die groep van vakken, welke zich
-met het dogma bezig houden, en waartoe behalve de dogmatiek, ook de
-ethiek, symboliek, dogmengeschiedenis en elenctiek behooren. Alleen
-Schleiermacher, Kurze Darstellung des theol. Studiums, 2te Ausg. 1830
-§ 195, voegde ze bij de historische theologie, omdat zij de wetenschap
-is von dem Zusammenhange der in der Kirche zu einer gegebenen Zeit
-geltenden Lehre, Der Christl. Glaube § 19, ook Rothe, Zur Dogm. 1863
-S. 14, en dus eene statistiek geeft van het heden. Schleiermacher
-kwam tot dit eigenaardig gevoelen, wijl hij de dogmatiek zoo streng
-mogelijk scheiden wilde van de apologetiek. Terwijl deze als deel der
-philosophische theologie heeft aan te toonen wat christelijke waarheid
-is, heeft gene alleen te beschrijven, wat als waarheid in eene of
-andere christelijke kerk geldt. Toch bedoelde Schleiermacher hiermede
-volstrekt niet, om aan de dogmatiek alleen een refereerend karakter
-toe te kennen; hij schrijft haar wel terdege eene kritische taak toe en
-verlangt, dat ze systematisch zij, dat ze eigen overtuiging geve, en
-dat ze beschrijve niet wat gegolden heeft, maar wat geldt, Dr. Is. van
-Dijk, Begrip en methode der Dogmatiek 38 v.; Hagenbach, Encycl. § 80.
-Maar daarmede gaat ze dan ook de zuiver historische beschrijving reeds
-te boven. De christelijke gemeente kan zich niet tevreden stellen met
-een objectief referaat van haar geloofsinhoud, maar verlangt dat haar
-geloof ook als waarheid ontvouwd en uiteengezet wordt. De dogmaticus
-staat ook niet neutraal buiten en tegenover het geloof der gemeente,
-gelijk tegenover de godsdienstige leer van Mohammedanen en Buddhisten,
-maar behoort tot die gemeente, en beschrijft dus ook, wat voor hem
-als waarheid geldt en gelden moet. En eindelijk is er een wezenlijk
-onderscheid tusschen werken als van Hase, Schmid, Schweizer en Heppe,
-die eene objectieve beschrijving geven van de Luth. en Geref. leer, en
-de dogmatiek, die de waarheid der religieuse overtuigingen aantoonen
-en voorstellen wil. Als Schleiermacher, de dogmatiek een historisch
-vak noemende, daarmede niet anders bedoelde dan dat zij eene thetische,
-positieve wetenschap is, die haar object niet zoekt maar vindt en nu
-beschrijft, dan is zijne bedoeling te waardeeren, maar de benaming toch
-onjuist. Wanneer hij echter de meening koesterde, dat de dogmatiek
-slechts een historisch gegeven had te beschrijven en geen aanspraak
-maakte op normatieve waarheid, dan is zijne opvatting zeer zeker onjuist
-geweest en tegenwoordig dan ook algemeen verworpen. Hagenbach, Encycl.
-§ 80; Herzog² 3, 643.
-
-2. Behoort alzoo de dogmatiek tot de vakken der dogmatische theologie,
-zij moet van hare zusteren wel onderscheiden worden. Alle vakken in
-dit deel der theologie hebben het met het dogma te doen, d. i. met de
-waarheid, gelijk God ze heeft geopenbaard, maar ieder op eene eigene
-wijze. Het kan beluisterd worden, zooals het door de gemeente klaar en
-krachtig in haar confessie beleden wordt, en dan ontstaat de theologia
-symbolica. Het kan in eenvoudigen, bevattelijken vorm, als melk 1
-Petr. 2:2 aan de jeugdige leden, de kinderen der gemeente, worden
-voorgedragen, en dan is de theologia catechetica aan het woord, wel
-te onderscheiden van de catechetiek, de kunst om dat te doen. Het kan
-in zijn waarheid en recht tegenover bestrijders worden gehandhaafd, en
-dan volbrengt de theologia elenctica hare taak. Het kan ook thetisch
-en positief, maar in wetenschappelijken, systematischen vorm, voor het
-ontwikkeld bewustzijn worden uiteengezet, en dan wordt de dogmatiek
-beoefend. Al deze vakken hebben met elkander gemeen, dat ze de
-thesauri Sacrae Scripturae uitstallen, maar ieder op eigene wijze.
-De dogmatiek doet dat, gelijk men oudtijds zeide, op scholastieke,
-schoolsche wijze, dat is, zóó als het in de scholen der wetenschap
-behoort te geschieden. Natuurlijk hangt hier zoo niet alles, dan toch
-veel af van het standpunt, dat de dogmaticus inneemt. Indien hij met
-de piëtisten en theologi biblici eene scherpe tegenstelling aanneemt
-tusschen Schrift-en kerkleer, dan zal hij zoo eng mogelijk aan de
-Schrift zich aansluiten, ook in woorden en uitdrukkingen, en zoo min
-mogelijk de gevonden stof denkend verwerken. Ziet hij in de belijdenis
-der kerk, in de historia dogmatum, geen verbastering maar ontwikkeling
-der Schriftuurlijke waarheid, dan zal zijne dogmatiek kerkelijk en
-confessioneel gekleurd zijn. En als hij tegen Schrift en kerk beide
-rationalistisch overstaat, zullen de geloofsovertuigingen, die hij
-voordraagt, vooral een negatief karakter dragen. Dat alles is een
-verschil van methode en komt later ter sprake. Maar juist daarom is het
-niet goed, met Prof. Doedes, Encyclopaedie, § 48, drieërlei dogmatiek
-te onderscheiden, n.l. N. Test. of christelijke, kerkelijke en kritische.
-Want daardoor wordt aan alle drie gelijke rang en bestaansrecht
-toegekend, neemt de verwarring nog toe, komt de N. Test. dogmatiek als
-de christelijke bij uitnemendheid tegenover de beide anderen te staan,
-kunnen de beide eerste soorten van dogmatiek geheel buiten de eigen
-overtuiging omgaan, en wordt de kritische dogmatiek alleen die van
-de eigene zelfstandige beschouwing. De taak der dogmatiek is veeleer
-altijd eene en dezelfde. Zij is en kan naar haar aard niets anders zijn
-dan eene wetenschappelijke uiteenzetting der godsdienstige waarheid,
-eene enarratio verbi Dei, eene uitstalling van de thesauri Sacrae
-Scripturae, eene παραδοσις εἰς τυπον διδαχης, Rom. 6:17, zoodat wij in
-haar hebben eene forma en imago van de doctrina coelestis. De dogmatiek
-is dus zelve niet het Woord Gods, zij is er altijd maar een flauw beeld
-en eene zwakke gelijkenis van; zij is eene feilbare, menschelijke poging
-om op eigene, vrije wijze na te denken en na te spreken, wat God voortijds
-veelmalen en op velerlei wijze door de Profeten en in deze laatste
-dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, Polanus, Syntagma p.
-539; Heidegger, Corpus Theol. Christ. Loc. I § 58. De vraag, hoe de
-dogmatiek het best deze haar taak vervullen kan, is eene vraag van
-methode en moet later afzonderlijk behandeld worden.
-
-3. Het nauwst verwant is de dogmatiek aan de ethiek. Het woord dogma
-omvatte oudtijds beide, de articuli fidei en de praecepta decalogi, de
-dogmata fidei en de dogmata morum. De ethiek werd of in de dogmatiek
-opgenomen, bij Lombardus, Thomas, Melanchton, Calvijn, Martyr, Musculus,
-Sohnius enz., of in een tweede deel na de dogmatiek bewerkt, bij
-Polanus, Amesius, Heidegger, Wollebius, Wendelinus, Maestricht,
-Brakel enz. of ook geheel zelfstandig, gescheiden van de dogmatiek,
-behandeld, bij Danaeus, Ethices Christ. libri III 1577, Keckermann,
-Walaeus, Polyander, Amyraldus, Pictet, Driessen, Hoornbeek, Heidegger,
-Osterwald, J. A. Turretinus, Stapfer, Beck, Wyttenbach, Endeman, cf.
-A. Schweizer, Die Entw. des Moralsystems in der ref. Kirche, Stud.
-u. Krit. 1850, Heft 1; Gass, Gesch. der chr. Ethik II Bd., 1te Abth.
-1886 S. 131 f.; Luthardt, Gesch. der chr. Eth., 2te Hälfte 1893. De
-invloed van Aristoteles, die met Melanchtons philosophia moralis 1539
-reeds begon, hield de ontwikkeling van de christelijke ethiek tegen. De
-scheiding, die later intrad, had tengevolge, dat de ethiek een eigen
-beginsel miste, dit ter kwader ure zoeken ging bij de philosophie,
-als verbasterde theol. ethiek vijandig kwam te staan tegenover de
-dogmatiek en deze verdrong van haar plaats, en eindelijk de grenzen
-tusschen haar en de dogmatiek geheel uitwischte. Ten bewijze strekken
-de vruchtelooze pogingen, om beide te onderscheiden. Bij Kant heeft de
-godsdienst geen eigen inhoud meer, maar is slechts de opvatting van
-het goede als gebod Gods, Religion innerhalb der Grenzen der blossen
-Vernunft, ed. Rosenkranz S. 184. Schleiermacher gaf aan beide tot
-inhoud het christelijk leven, maar de dogmatiek beschrijft dat leven in
-relatieve rust, de ethiek in relatieve beweging, Die Christl. Sitte,
-ed. Jonas, 2te Aufl. 1884 S. 12-24. Rothe zag het onvoldoende dezer
-onderscheiding in en maakte daarom de dogmatiek tot een historisch vak,
-dat de dogmata der kerk behandelde, de ethiek tot een speculatieve
-wetenschap, die haar stof dialectisch uit het Godsbewustzijn ontwikkelt,
-Theol. Ethik, § 15. Dorner, Glaubenslehre I 9 f., Sittenlehre 47,
-Herzog² 4, 352, Wuttke, Christl. Sittenlehre I 9, Palmer, Moral des
-Christ. 24 f. e. a., onderscheiden beide als kennen en doen, verstand
-en wil. Doedes, Encycl. § 52 n°. 4 en Van Oosterzee, Chr. Dogm. § 4
-n°. 4 als heil-en als levensleer; Gunning, Het ethische beginsel der
-Theologie 12 als leven van Christus in de kerk en in den individu;
-Daubanton, Theol. Stud. III 114 v. als leer van God en leer van den
-mensch, enz. Al deze onderscheidingen gaan daaraan mank, dat ze een
-principiëel verschil zoeken tusschen dogmatiek en ethiek. En dat is er
-niet. De theol. ethiek, wel te onderscheiden van de philos. ethiek,
-heeft geen eigen beginsel, maar wortelt geheel en al in de dogmatiek.
-De aangegeven scheidingslijnen scheppen een dualisme tusschen God en
-mensch, individu en gemeenschap, heil en leven, rust en beweging,
-verstand en wil, en banen er den weg toe, dat de ethiek een eigen
-beginsel gaat zoeken langs speculatieven philosophischen weg, zooals bij
-Rothe, haar theologisch karakter verliest en van uit hare speculatieve
-hoogte op de historische, positieve dogmatiek minachtend neerziet.
-Indien dogmatiek en ethiek afzonderlijk behandeld moeten worden, wat om
-verschillende redenen wenschelijk is, maar nog altijd door velen ontraden
-wordt, als Sartorius, Nitzsch, Beck, A. Dorner, Ueber das Verhältniss
-der Dogm. u. Ethik in der Theol. Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1889;
-Hofmann, Schriftbeweis I 14; Wendt, Die Aufgabe der System. Theol.
-1894 S. 12 f., dan kan de onderscheiding tusschen beide alleen hierin
-gelegen zijn, dat de mensch, hoezeer ten allen tijde van God volstrekt
-afhankelijk, toch ook een vrij en zelfstandig handelend wezen is. Door de
-genade des H. Geestes wedergeboren en vernieuwd, ontvangt de zondige
-mensch ook wederom lust en kracht, om naar Gods geboden te leven. De
-dogmatiek beschrijft de daden Gods voor en aan en in den mensch, de
-ethiek beschrijft de daden, die de vernieuwde mensch nu doet op grond en
-in de kracht van die daden Gods. In de dogmatiek is de mensch passief,
-ontvangt en gelooft; in de ethiek treedt hij zelf handelend op. In de
-dogmatiek komen de articuli fidei, in de ethiek de praecepta decalogi
-in behandeling. Daar wordt gehandeld de fide, hier de caritate,
-obedientia, bonis operibus. De dogmatiek ontwikkelt wat God is en doet
-voor den mensch en doet hem God kennen als zijn Schepper, Verlosser,
-Heiligmaker; de ethiek zet uiteen wat de mensch nu is en doet voor God,
-hoe de mensch geheel en al, met verstand en wil en alle krachten, zich
-Gode wijdt uit dankbaarheid en liefde. De dogmatiek is het systeem der
-kennisse Gods, de ethiek dat van den dienst Gods. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. III 14.; H. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. 2te Aufl. 1892 S. 3;
-Wendt, t. a. p. 17. Beide wetenschappen zijn niet zelfstandig tegenover
-elkaar, maar vormen saâm één systeem, zijn bij elkander behoorende leden
-van één organisme, Wendt, ib. 19.
-
-
-§ 3. METHODE DER DOGMATIEK.
-
-1. Onder methode der dogmatiek is in ruimen zin te verstaan de wijze,
-waarop de dogmatische stof verkregen en behandeld wordt. Drie zaken
-komen daarbij in aanmerking: de Schrift, de belijdenis der kerk en
-het persoonlijk geloof van den dogmaticus. Al naar gelang deze drie
-verwaarloosd of gebruikt en dan in verhouding tot elkander gesteld
-worden, verschilt het uitgangspunt en daarom de weg en de uitkomst der
-dogmatiek. Feitelijk gaat het nu altijd zoo toe, dat ieder Christen, ook
-de dogmaticus, zijne geloofsovertuigingen ontvangt uit den kring, waarin
-hij geboren en opgevoed is. Door prediking wordt de kerk gesticht en
-overgeplant van geslacht tot geslacht. Het geloof is uit het gehoor.
-De traditie, door Rome onfeilbaar verklaard, is ook door de Reformatie
-niet ten eenenmale verworpen en spoedig daarna tot eene macht geworden,
-die alle vrijheid aan banden legde. Men ontving de dogmatische stof
-uit de handen der kerk en der school. Materia theologiae proprie
-sunt loci communes, materia remota est S. Scriptura, zeggen Alsted
-en Alting, Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 210. En na de reactie
-der zoogenaamde Theologia Biblica is in deze eeuw het sociaal
-element in de religie, het kerkelijk karakter der dogmatiek weer van
-verschillende zijde in het helderst licht gesteld. Er is schier niemand,
-die de confessioneele bepaaldheid van religie en dogmatiek ontkent,
-Schleiermacher, Glaub. §19; Rothe, Zur Dogm. S. 27; Lange, Dogm. I
-659 f.; Herzog² 12, 651 f. e. a. Hier te lande legden de Groninger
-Godgeleerden weer op de kerk den nadruk, H. de Groot, De Gron. Godg.
-68, 71-74, 97 v. Instit. theol. nat. § 37; Voorlez. over de gesch. der
-opvoeding des menschdoms door God, II. 16de en 17de voorl. En zelfs
-moderne theologen sluiten gewoonlijk in de behandeling der geloofsleer
-bij het kerkelijk dogma zich aan. Biedermann, Chr. Dogm. 2te Aufl. II.
-170 f.; Lipsius, Dogm. § 7; Scholten, Leer der Herv. Kerk.
-
-2. Maar de kerk met hare belijdenis kan toch het principium der
-dogmatiek niet zijn. De Grieksche en Roomsche kerk hebben de traditie
-wel voor onfeilbaar verklaard, maar ten allen tijde hebben kerken,
-secten en richtingen, aan wie het christelijk karakter niet kon worden
-ontzegd, van die overlevering een beroep gedaan op de H. Schrift. Zelfs
-is in de Theologia biblica de poging beproefd, om zonder de hulp van
-kerk en belijdenis uit de Schrift alleen te komen tot eene leer des
-geloofs. Ze werd reeds voorbereid door Erasmus, Joh. Jansen, Gesch.
-des deutschen Volkes II. 15, de Socinianen, Herzog² 14, 389, en de
-Remonstranten, in de praefatie voor de apologie hunner confessie.
-Ze vond steun bij de vele secten, die daarna in en naast de kerken
-der Hervorming optraden. Ze werd in de kerken zelve ingeleid door
-Calixtus en Coccejus, en won in de 18de eeuw hoe langer hoe meer
-veld. Hare bedoeling wordt kenbaar b.v. uit de werken van A. F.
-Büsching, Epitome Theol. Christ. e solis S. S. verbis concinnatae et
-ab omnibus rebus et verbis scholasticis purgatae, Gott. 1755. Gedanken
-von der Beschaffenheid und dem Vorzüge der bibl. dogm. Theologie vor
-der scholastischen 1758. Nog in deze eeuw wordt zulk eene Bijbelsche
-richting in de dogmatiek voorgestaan door Beck en zijne volgelingen,
-door Doedes, Leer der zaligheid, 2de dr. 1876, en ook door Ritschl
-en zijne school, die van de door de Grieksche philosophie verbasterde
-dogmatiek terugkeert tot de openbaring Gods in den persoon van Christus.
-
-3. Maar ook daarmêe is de mogelijkheid van conflict tusschen de leer
-der Schrift en de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus nog niet
-weggenomen. Zoolang de waarheid objectief voor den dogmaticus in de
-Schrift of in de kerkleer is neêrgelegd, schijnt aan de persoonlijkheid
-van den dogmaticus geen recht te kunnen wedervaren. Dogmatiek blijft
-dan eene uiteenzetting der leer van Schrift of kerk, maar misschien
-zonder persoonlijke instemming van den dogmaticus. Dat is echter geen
-dogmatiek. Want deze bestaat niet in een historisch referaat, maar zet
-uiteen, wat als waarheid gelden moet, en houdt dus in de persoonlijke
-overtuiging van den dogmaticus. Sedert de autoriteit in zake religie
-voor velen geheel wegviel en de religio subjectiva van de religio
-objectiva onafhankelijk werd gemaakt, is het religieus bewustzijn,
-het geweten, het gevoel, de rede of hoe men het noemen wil, de bron
-en maatstaf van de godsdienstige voorstellingen geworden. Heel de
-theologie is door en na Schleiermacher, zoowel onder de orthodoxen
-als onder de modernen, bewustzijnstheologie. Scholten, Schweizer,
-Biedermann, Lipsius mogen nog bij de behandeling der dogmata van de
-kerkelijke formuleering uitgaan, zij geven toch ten slotte niets anders
-dan hun persoonlijk geloof. En ook theologen als Martensen, Dorner,
-Hofmann, Philippi, Frank e. a., nemen hun uitgangspunt in het bewustzijn
-van den geloovige. Hier te lande nam Van Oosterzee, Dogm. § 10, het
-christelijk bewustzijn op onder de bronnen der dogmatiek. Des Amorie van
-der Hoeven Jr. dichtte in Geloof des harten: het onuitspreeklijk woord
-staat in ons hart te lezen, en Christus gaf er klanken aan. Beets,
-Dichtwerken IV 130 zong: Gansch objectief te zijn, is de eisch, is
-menschlijk. Maar zou het mooglijk zijn? Och, paai u met geen schijn! De
-stelsels zijn persoonlijk of onmenschlijk. En prof. Van Manen wees, in
-zijne inaugureele oratie te Groningen, op het persoonlijk karakter der
-leerstellige Godgeleerdheid, Gron. 1884. Uit dat persoonlijk karakter
-der dogmatiek verklaart Doedes, Encycl. bl. 168 v. de grenzelooze
-verwarring, die er op haar gebied heerscht.
-
-4. Reeds dit overzicht van de drie dogmatische richtingen maakt
-het duidelijk, dat geen der drie de andere ontberen kan. Elk wordt
-op zichzelve genomen eenzijdig en vervalt tot dwaling. De kritische
-richting, die belijdenis en Schrift als kenbron verwerpt en alle
-religieuse waarheid uit het subject afleiden wil, is allereerst al
-met de ervaring in strijd. Ook religieus zijn we producten van onze
-omgeving. Wij ontvangen onze godsdienstige voorstellingen en indrukken
-van degenen, die ons verzorgen en opvoeden, en blijven ten allen tijde
-gebonden aan den kring, waarin wij leven. Eene goede psychologie toont
-aan, dat verstand en hart, rede en geweten, gevoel en verbeelding op
-geen enkel terrein als kenbron der waarheid kunnen gelden. Evenals
-wij physisch aan de natuur gebonden zijn en spijze en drank, deksel en
-kleeding van haar ontvangen moeten, zoo zijn we ook psychisch, in kunst,
-wetenschap, godsdienst, zedelijkheid afhankelijk van de wereld buiten
-ons. Al onze kennis komt van buiten; er zijn geen ideae innatae. Vooral
-het gevoel kan als kenbron niet in aanmerking komen, want het gevoel
-is nooit een prius, maar altijd een posterius; het reageert alleen op
-hetgeen het aandoet en geeft dan een gewaarwording van lust of onlust,
-van aangenaam of onaangenaam, Tholuck, art. Gefühl in Herzog²; Bender,
-Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 S. 659 f.; Philippi, Kirchl. Glaub. I
-60 f.; Hodge, System. Theol. I 65 f.; Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864 bl.
-1-43. Id. Wijsgeerige Godsdienstleer, Amst. 1894 bl. 59 v. 213 v. Het
-autonoom verklaren van den godsdienstigen en zedelijken mensch hangt
-altijd met het deïsme of het pantheïsme saâm. Het deïsme maakt den
-mensch onafhankelijk van God en wereld, leert de algenoegzaamheid zijner
-rede en leidt tot rationalisme; het pantheïsme laat God in den mensch
-tot openbaring en zelfbewustzijn komen en kweekt het mysticisme. Beide
-vernietigen de objectieve waarheid, laten rede en gevoel, verstand en
-hart aan zichzelve over, en eindigen in ongeloof of bijgeloof. De rede
-critiseert alle openbaring weg, en het gevoel geeft aan den Roomsche
-evenveel recht, om zich Maria voor te stellen als de zondelooze
-koningin des hemels als aan den Protestant om dit geloof te bestrijden,
-Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 94. Opmerkelijk is het daarom, dat
-de H. Schrift den mensch nooit naar zichzelf als kenbron en maatstaf
-der godsdienstige waarheid verwijst. Hoe zou zij het ook kunnen, waar zij
-den psychischen mensch geheel en al, in zijn verstand Ps. 14:3; Rom.
-1:21-23; Rom. 8:7; 1 Cor. 1:23, 2:14; 2 Cor. 3:5; Ef. 4:23; Gal. 1:6,
-7; 1 Tim. 6:5; 2 Tim. 3:8; in zijn hart Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9;
-Ezech. 36:26; Mark. 7:21; in zijn wil Joh. 8:34; Rom. 7:14; 8:7; Ef.
-2:3; en ook in zijn geweten Jer. 17:9; 1 Cor. 8:7, 10, 12; 10:28; 1 Tim.
-4:2; Tit. 1:15 als door de zonde verduisterd en verdorven beschrijft.
-Voor de kennis der waarheid verwijst ze hem altijd naar de objectieve
-openbaring, naar het woord, de onderwijzing, die van God is uitgegaan,
-Deut. 4:1; Jes. 8:20; Joh. 5:39; 2 Tim. 3:15; 2 Petr. 1:19 enz. En ook,
-waar de objectieve waarheid door het geloof ons persoonlijk eigendom
-wordt, is dat geloof toch nooit gelijk aan eene fontein, die het levende
-water uit zichzelve voortbrengt, maar aan een kanaal, dat het water van
-elders ons toevoert.
-
-5. Rome heeft deze onmogelijkheid eener religieuse en zedelijke
-autonomie uitnemend begrepen en daarom den mensch op straffe van
-de zaligheid zijner ziel gebonden aan de onfeilbare kerk. Deze, en
-dus ter laatste instantie de onfeilbare Paus, is voor den roomschen
-Christen het principium van zijn geloof. Het Papa dixit is het einde
-aller tegenspraak. Maar de historie leert, dat deze theoretische of
-practische onfeilbaarheid der kerk niet alleen in Rome, maar ook in
-de kerken der Hervorming ten allen tijde tegenspraak en oppositie
-heeft ontmoet. Niet de ongeloovige, maar de vrome kringen zijn het in
-de eerste plaats, die deze macht der hierarchie als een knellenden
-band voor de conscientie hebben gevoeld. Er is alle eeuwen door niet
-slechts een wetenschappelijke, maatschappelijke, staatkundige, maar ook
-eene innig godsdienstige en zedelijke oppositie tegen de hierarchische
-macht der kerk geweest. Het gaat niet aan, deze oppositie uit ongeloof
-en ongehoorzaamheid te verklaren, en als met opzet de religieuse
-motieven te miskennen, die aan de oppositie der verschillende secten
-en richtingen ten grondslag lagen. Niemand durft al deze secten
-verdoemen, omdat ze tegen de kerk en hare traditie in verzet kwamen.
-Zelfs Rome deinst voor deze gevolgtrekking terug. Het extra ecclesiam
-nulla salus is eene belijdenis, die ook aan het sterkste geloof nog te
-zwaar valt. De wet, die we op alle terrein zien heerschen, gaat dan ook
-in godsdienst en zedelijkheid door. Er is eenerzijds een revolutionaire
-geest, die al het historisch gewordene tot den grond toe wil slechten,
-om dan van nieuws aan het bouwen te gaan; maar er is ook een valsch
-conservatisme, dat er behagen in schept om het bestaande onaangetast te
-laten alleen omdat het bestaat en, naar het bekende woord van Calvijn,
-malum bene positum non movere. Overal en op alle terrein is er te zijner
-tijd een zeker radikalisme van noode, om het evenwicht te herstellen,
-de ontwikkeling te doen voortgaan, en den stroom van het leven niet te
-laten verzanden. In kunst en wetenschap, in staat en maatschappij en
-zoo ook in godsdienst en zedelijkheid, ontstaat er langzamerhand eene
-sleur, die de rechten der persoonlijkheid, het genie, de vinding, de
-inspiratie, de vrijheid, de conscientie onderdrukt en verkracht. Maar
-dan staat ook altijd te zijner tijd de man op, die het onder dien druk
-niet houden kan, die het juk der dienstbaarheid van zich werpt, en
-die het weder opneemt voor de vrijheid van den mensch, voor de vrijheid
-van den Christen. Dat zijn de keerpunten in de geschiedenis. Zoo
-trad Christus zelf eenmaal op tegen de traditie der ouden en keerde
-tot de wet en de profeten terug. En zoo heeft eenmaal de reformatie
-het bestaan, om niet ter wille van eenig wetenschappelijk, sociaal of
-staatkundig belang, maar in naam van den Christenmensch te protesteeren
-tegen Rome’s hierarchie. Zelfs bij de secten en richtingen, die later
-in de Protestantsche kerken opkwamen, is menigmaal dat religieus,
-ethisch motief niet te miskennen. Ook de theologia biblica verdedigt
-een belangrijk stuk der godsdienstige waarheid. Als kerk en theologie de
-rust verkiezen boven den strijd, roepen zij zelve de oppositie wakker,
-die haar herinneren aan heur christelijke roeping en taak. Rome kan
-uitteraard zulk eene oppositie nimmer goedkeuren en moet ze reeds van
-te voren veroordeelen. De reformatie is er zelve uit voortgekomen en
-kan aan anderen niet onthouden wat zij voor zich zelve nam. En de H.
-Schrift, hoewel verre van alle revolutionair verzet, heeft toch het
-recht van tegenspraak tegen alle menschelijk, met Gods Woord strijdend
-bevel gewettigd in het koninklijk woord van Petrus: πειθαρχειν δει θεῳ
-μαλλον ἠ ἀνθρωποις, Hd. 5:29.
-
-6. Zoo schijnt alleen die methode de ware te zijn, welke door de
-bijbelsche theologen toegepast wordt. Maar ook deze richting lijdt
-aan groote eenzijdigheid. Zij meent geheel onvooringenomen tegenover
-de Schrift te staan en zuiver en objectief haar inhoud weer te
-geven. Maar zij vergeet, dat elk geloovige en ieder dogmaticus zijne
-geloofsovertuigingen allereerst ontvangt uit de hand zijner kerk. Hij
-komt dus nooit van buiten af, zonder eenige kennis en vooropgevatte
-meening tot de Schrift, maar brengt van huis uit reeds eene zekere
-opvatting van den inhoud der openbaring mede en beziet dus ook de
-Schrift met den bril, dien de kerk hem voorhoudt. Elk dogmaticus staat,
-als hij aan den arbeid gaat, of hij ’t erkent of niet, in die historische
-verschijning van het Christendom, waarin hij geboren en opgevoed is en
-komt als gereformeerd of luthersch of roomsch Christen tot de Schrift.
-Men kan zich ook hier eenvoudig van zijne omgeving niet ontdoen, men is
-altijd kind van zijn tijd, product van zijne omgeving, Toorenenbergen, De
-Chr. Geloofsleer, bl. 6.; Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S. 8 f.
-De uitkomst beantwoordt dan ook aan deze verwachting; alle dogmatische
-handboeken, die door de bijbelsche richting in ’t licht zijn gegeven,
-weerspiegelen getrouw het persoonlijke en kerkelijke standpunt van den
-auteur; ze kunnen op geen meerdere objectiviteit aanspraak maken dan
-die van de kerkelijke dogmatici. Het zuivere Evangelie, dat Ritschl bijv.
-bij Luther en bij Jezus terugvindt, beantwoordt geheel aan de opvatting,
-die hij er zich zelf van gevormd heeft. Al deze bijbelsche richtingen
-worden dan ook voortdurend door de historie geoordeeld, ze doen haar
-nut voor een tijd en roepen eene vergeten waarheid wakker, maar ze
-veranderen den stroom van het kerkelijk leven niet en hebben geen
-bestand in zich zelve. Gewoonlijk komen zij voort uit eene godsdienstige
-overtuiging, die ook in de Schrift zich niet meer vinden kan. Wel
-beginnen ze steeds met van de belijdenis op de Schrift zich te beroepen,
-maar ze gaan straks van de Schrift naar den persoon van Christus terug
-en eindigen er mede om ook zijne autoriteit aan te tasten. En altijd
-toont dan de historie weer, dat het Christendom het relatief zuiverst
-in de confessies der kerken is bewaard. Maar zulk eene bijbelsche
-opvatting is niet alleen practisch onmogelijk, zij is ook theoretisch
-onjuist. De Schrift is geen wetboek, waarvan de artikelen maar behoeven
-nageslagen te worden, om in een bepaald geval haar opinie te kennen.
-Zij is samengesteld uit vele boeken van onderscheidene personen, uit
-zeer verschillende tijden, met uiteenloopenden inhoud. Zij is geen
-abstracte, maar eene organische, levende eenheid. Zij bevat nergens
-eene schets der geloofsleer, maar deze moet uit heel het organisme
-der Schrift worden afgeleid. De Schrift is er niet op ingericht, dat
-wij haar napraten, maar dat wij haar als vrije kinderen Gods nadenken
-zullen. Maar dan is ook alle zoogenaamde Voraussetzungslosigkeit en
-objectiviteit onmogelijk. Dan is er zooveel studie en nadenken van het
-subject mee verbonden, dat één persoon daartoe ten eenenmale onbekwaam
-is. Daar zijn eeuwen voor noodig. Daar is de kerk voor aangesteld, die
-de belofte heeft van de leiding des Geestes in alle waarheid. Wie van
-de kerk, d. i. van de Christenheid, van de gansche dogmenhistorie
-zich isoleert, verliest de christelijke waarheid. Hij wordt een tak
-gelijk, die van den boom is gescheurd en wegsterft, een lid dat van
-het lichaam is gescheiden en daarom voor den dood is bestemd. Alleen
-in de gemeenschap der heiligen is de lengte en breedte, de diepte en
-hoogte van de liefde van Christus te verstaan, Ef. 3:18. Daar komt nog
-bij, dat de voorstanders dezer richting vergeten, dat het Christendom
-universeel is en ingaan kan en moet in alle vormen en toestanden. Ze
-stellen de genade vijandig tegenover de natuur en rekenen niet genoeg
-met de vleeschwording des Woords. Want even waarachtig als de Zone
-Gods mensch is geworden, wordt ook de gedachte Gods neêrgelegd in de
-Schrift, vleesch en bloed in het bewustzijn der menschen. Dogmatiek is
-en behoort te zijn, de goddelijke gedachte volkomen ingegaan en opgenomen
-in ons menschelijk bewustzijn, uitgesproken vrij en zelfstandig in onze
-taal, in haar wezen vrucht der tijden, in haar vorm van dezen tijd (Da
-Costa). Daarom is ook de tegenstelling onjuist, die er dikwerf gemaakt
-wordt tusschen Bijbelsche Theologie en Dogmatiek, alsof gene den inhoud
-der Schrift, deze dien der kerkelijke dogmata zou weêrgeven. Want de
-dogmatiek bedoelt niets anders dan de gedachten Gods te exponeeren, die
-Hij in de H. Schrift neergelegd heeft, Maresius, Syst. Theol. loc. 1. §
-8. Maar ze doet dat, gelijk behoort, op wetenschappelijke manier, in een
-vorm en naar eene methode, gelijk die wetenschappelijk geëischt zijn. In
-dezen zin hebben de Gereformeerden vroeger het recht der zoogenaamde
-theologia scholastica verdedigd. Zij hadden er volstrekt niet op tegen,
-dat de geopenbaarde waarheid ook in eenvoudiger vorm onder den naam
-van theologia positiva, catechetica enz. werd voorgedragen. Maar ze
-bestreden ten sterkste, dat deze beide verschilden in inhoud; wat ze
-onderscheidde, was alleen een verschil in vorm en methode. En door
-dit standpunt in te nemen, hebben zij eenerzijds zoo sterk mogelijk
-de eenheid en den samenhang van geloof en theologie, van kerk en
-school, gehandhaafd, maar anderzijds ook het wetenschappelijk karakter
-der theologie hoog gehouden. De gedachten Gods mochten nog zoo hoog
-en wonderbaar zijn, ze waren toch geen aphorismen, maar vormden een
-organische eenheid, een systematisch geheel, dat ook ingedacht en in
-een wetenschappelijken vorm kon weergegeven worden. De Schrift zelve
-spoort tot dezen theologischen arbeid aan, als zij niet op het abstracte
-weten, maar op leer en waarheid, kennis en wijsheid allerwege den
-sterksten nadruk legt.
-
-7. Eene goede methode der dogmatiek dient dus met alle drie gegevens,
-met Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging rekening te houden. Dan
-alleen is het mogelijk, om voor grove eenzijdigheden te worden bewaard.
-Toch komt het er dan nog op aan, de verhouding te bepalen, waarin deze
-drie gegevens tot elkaar staan. In den regel gaat het zoo, dat we
-onze godsdienstige overtuigingen ontvangen uit onze omgeving. Dat is
-het geval in alle godsdiensten, en ook in het Christendom. Wij worden
-allen als leden eener kerk geboren. Het verbond der genade neemt ons
-op van onze geboorte aan. De beloften Gods in Christus gelden niet
-alleen de geloovigen maar ook hun zaad. In kritische tijden, gelijk
-den onzen, gebeurt het dikwerf, dat er dan later eene smartelijke
-breuke komt tusschen het geloof der kindsheid en de persoonlijke
-overtuiging. Is deze breuke van dien aard, dat men wel zijn eigen kerk
-verlaten moet maar toch bij eene andere historisch bestaande kerk
-zich aansluiten kan, dan is ze betrekkelijk spoedig geheeld. Er is
-dan wel verandering, maar geen verlies van de religie zelve, van den
-Christennaam, van de gemeenschap, van de belijdenis. Er blijft dan nog
-een dogma, dat vaststaat en ons steun en troost biedt in het leven.
-Op dit standpunt blijft er dus ook nog eene dogmatiek mogelijk, die de
-waarheid Gods beschrijft, gelijk ze in eene bepaalde kerk erkenning vond.
-Maar dikwerf grijpt de twijfel veel dieper in het religieuse leven in.
-Velen verliezen alle geloof en komen tot skepticisme en agnosticisme;
-hier is er van dogmatiek, van geloof, van belijdenis, van gemeenschap
-geen sprake meer; loutere negatie is tot het stichten van gemeenschap
-onbekwaam. Anderen echter, het geloof der kindsheid niet meer kunnende
-handhaven, trachten onder ernstige inspanning en strijd zich een eigen
-godsdienstige overtuiging te verwerven. Ook hierbij laat natuurlijk de
-invloed der omgeving zich gelden; geheel zelfstandig komt men tot eene
-godsdienstige overtuiging nooit. Alleen is er daarbij dan dit verschil,
-dat hetgeen in eene kerk niet meer gevonden werd, nu gezocht wordt in
-eene wijsgeerige school. Iedere wijsbegeerte is in deze eeuw beurtelings
-aangegrepen, om zekere godsdienstige overtuigingen te wekken en te
-handhaven. Ook op dit standpunt is er van dogmatiek geen sprake meer.
-Er is alleen nog een godsdienstig geloof, eene Glaubenslehre, een
-wijsbegeerte van den godsdienst, eene wijsgeerige godsdienstleer.
-
-Dogmatiek is er dus alleen mogelijk voor hem, die in gemeenschap des
-geloofs staat met eene of andere christelijke kerk. Dit ligt ook in
-den aard van het godsdienstig geloof. Religieuse voorstellingen zijn
-van wetenschappelijke o. a. daarin onderscheiden, dat ze niet steunen
-op eigen inzicht, op het gezag van eenig mensch, maar alleen op het
-gezag Gods. Maar dit sluit in, dat ze ook in een godsdienstigen kring,
-d. i. in eene kerk geloof en erkenning hebben gevonden. Daarin wordt
-alleen het religieus gezag van eene godsdienstige voorstelling kenbaar.
-Eene kerk gelooft hare belijdenis niet, wijl ze de waarheid ervan
-wetenschappelijk inziet, maar enkel en alleen op grond van het Woord
-Gods, hetzij dit alleen in de Schrift of ook door kerkelijke organen
-zich uit. Wie zijne godsdienstige overtuiging zoekt bij eene wijsgeerige
-school, verwart godsdienst met wetenschap en ontvangt niets dan eene
-altijd onzekere, door velen bestredene, sententia of opinio doctoris.
-Het godsdienstig geloof echter is krachtens zijn eigen natuur aan eene
-gemeenschap en aan hare belijdenis verbonden. Ook hier is het als overal
-elders. Abstracties, universalia zijn er in de werkelijkheid niet. _De_
-boom, _de_ mensch, _de_ wetenschap, _de_ taal, _de_ godsdienst, _de_
-theologie zijn nergens te vinden. Er zijn alleen bijzondere boomen,
-menschen, wetenschappen, talen en godsdiensten; zooals eene taal
-samenhangt met een volk, zooals wetenschap en wijsbegeerte altijd in eene
-zekere richting en school beoefend worden, zoo is religie en theologie
-alleen te vinden en te kweeken in eene haar verwante gemeenschap. Eene
-kerk is de natuurlijke bodem voor religie en theologie. Evenmin als er
-nu reeds _de_ kerk is, is er ook _de_ religie en _de_ theologie. Er zijn
-slechts verschillende kerken, en zoo ook verschillende theologieën.
-En dit zal duren, tot de gemeente in Christus haar vollen wasdom
-zal hebben bereikt en allen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs
-en der kennis van den Zone Gods. Deze eenheid is niet met geweld
-te grijpen, maar kan het best worden bevorderd als elk het geloof
-zijner eigene kerk indenkt, en ’t zuiverst voorstelt. Niet buiten de
-bestaande kerken om, maar door deze heen bereidt Christus zich zijne
-ééne heilige, algemeene gemeente. En niet buiten de verschillende
-kerkelijke dogmata om, maar door deze heen wordt de eenheid der kennisse
-Gods voorbereid en verkregen. Op deze wijze zal de dogmaticus ook het
-best vruchtbaar kunnen werken voor de reiniging en de ontwikkeling
-van het religieuse leven en de leer zijner kerk. Aanknooping aan het
-bestaande is voorwaarde tot verbetering in de toekomst. In het nu ligt
-wat worden zal, Twesten, Vorles. über die Dogm. 2e Aufl. I 46. Deze
-beteekenis der kerk voor de theologie en dogmatiek is gegrond in het
-verband, dat Christus zelf tusschen beide gelegd heeft. Hij heeft aan
-Zijne kerk den H. Geest beloofd, die haar leiden zou in de waarheid.
-De dogmenhistorie komt hierdoor in een heerlijk licht te staan. Zij is
-de explicatie der Schrift, Lange, Christl. Dogm. I 3; Schoeberlein,
-Princip. und System der Dogm. 26; de uitlegging, welke de H. Geest in
-de kerk van de schatten des Woords gegeven heeft. De dogmaticus heeft
-dus de stof voor zijne dogmatiek niet te putten alleen uit de geschreven
-confessie zijner eigene kerk, maar deze in samenhang te beschouwen met
-heel ’t eigenaardig geloof en leven zijner kerk, en deze wederom met
-de geschiedenis der gansche kerk van Christus. Hij staat dus op de
-schouders der voorgeslachten. Hij voelt zich omringd door eene wolke
-van getuigen, en laat zijne getuigenis saamvloeien met die stemme veler
-wateren. Elke dogmatiek behoort mede in te stemmen in den lofzang, die
-door de kerk aller eeuwen Gode toegebracht wordt.
-
-8. Maar daarmee is de dogmenhistorie en de belijdenis der kerk nog niet
-verheven tot een onfeilbaar gezag. Er is onderscheid tusschen den weg,
-waarlangs de dogmaticus gevormd wordt, en het beginsel, waaruit de
-dogmatiek haar stof ontvangt. In iedere wetenschap begint de beoefenaar
-te leven van de traditie. De eerste kennis van zijn vak verkrijgt hij
-altijd door autoriteit. Hij moet eerst de geschiedenis van zijn vak in
-zich opnemen en opklimmen tot de hoogte en den tegenwoordigen stand
-van zijne wetenschap, om daarna zelfstandig aan den arbeid te gaan en
-zich een eigen inzicht in het voorwerp van zijn onderzoek te verwerven.
-Maar niemand zal daarom de traditie, die paedagogisch van zoo groot
-belang was, voor de bron zijner wetenschap houden. Niet anders is het
-met den dogmaticus. Paedagogisch gaat de kerk aan de Schrift vooraf.
-Maar naar logische orde is de Schrift het principium unicum van kerk
-en theologie. Bij verschil, waarvan de mogelijkheid op reformatorisch
-standpunt nooit kan worden ontkend, moet kerk en belijdenis wijken voor
-de Schrift.
-
-Niet de kerk maar de Schrift is αὐτοπιστος, judex controversiarum,
-sui ipsius interpres. Niets mag met haar op ééne lijn worden gesteld.
-Kerk, belijdenis, traditie, alles moet naar haar zich regelen, aan haar
-zich onderwerpen. De Remonstranten beschuldigden de Gereformeerden
-wel, dat zij door de belijdenis aan het gezag, de genoegzaamheid en de
-volmaaktheid der H. Schrift te kort deden. Maar de Gereformeerden,
-schoon in deze bedeeling der kerk belijdenis noodzakelijk achtende, om
-het Woord Gods te verklaren, de ketterijen te weren en de eenigheid des
-geloofs te onderhouden, bestreden zoo sterk mogelijk dat de belijdenis
-ook maar eenig gezag zou hebben naast de Schrift. De Schrift is alleen
-norma en regula fidei et vitae, de belijdenis verdient alleen geloof
-omdat en in zoover zij met de Schrift overeenkomt en blijft, als feilbaar
-menschenwerk, revisibel en examinabel aan de Schrift. De confessie is
-dus hoogstens norma secundaria, non veritatis sed doctrinae in aliqua
-ecclesia receptae, en daarom bindend voor allen, die in gemeenschap met
-de kerk willen leven. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als
-accoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der gemeente,
-maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op grond van de
-Schrift, Voetius, Pol. Eccl. IV 1-74; Turret, Theol. El. Loc. 18. cap.
-30; Examen van het Ontwerp van Tolerantie, 8e Sam. bl. 59-136; Moor,
-Comm. in Marckii Comp. VI 353 s., enz. Alle christelijke kerken zijn één
-in de belijdenis, dat de H. Schrift het principium is der theologie, en
-de reformatie erkende haar eenparig als principium unicum. De Nederl.
-Confessie spreekt dat uit in art. 5, en alle Luthersche en Geref.
-theologen zijn hiermede eenstemmig, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 4;
-Heppe, Dogm. der ev. ref. K. loc. 2. Wel is waar wordt in art. 2 der
-Ned. Conf. beleden, dat God door twee middelen gekend wordt, nl. door
-de natuur en de Schrift, en is door alle Geref. theologen de theologia
-naturalis in haar waarheid en waarde gehandhaafd. Maar in den eersten
-tijd, voordat het rationalisme de Geref. theologie had vervalscht, werd
-duidelijk ingezien, dat natuur en Schrift niet onafhankelijk en los naast
-elkander stonden, evenmin als de theologia naturalis en revelata.
-Calvijn nam de theol. naturalis op in het corpus der christelijke
-dogmatiek, en zei dat de Schrift de bril was, waarmede de geloovige
-klaarder God aanschouwde ook in de werken der natuur, Instit. I. 6,
-1. De theologia naturalis had oorspronkelijk volstrekt niet ten doel,
-om langzamerhand en geleidelijk den weg te banen tot de theologia
-revelata; men nam bij haar niet het voorloopige standpunt der rede in,
-om dan door redeneering en bewijs op te klimmen tot het standpunt des
-geloofs. Maar van den aanvang af stond de dogmaticus op den grondslag
-des geloofs, en bezag als Christen, als geloovige nu ook de natuur; en
-dan ontdekte hij, met zijn christelijk oog, gewapend met de H. Schrift,
-ook in de natuur sporen van dien God, dien hij door de Schrift, in
-Christus, als zijn Vader had leeren kennen. Subjectief kwam dus in de
-dogmatiek niet eerst de natuurlijke rede en daarna het geloof aan het
-woord; het was altijd de geloovige Christen, die in den catechismus, in
-de confessie, in de dogmatiek zijn geloof uitsprak. En evenzoo stond
-objectief de natuur niet als een zelfstandig en onafhankelijk principium
-naast de H. Schrift, beide een eigen stel van waarheden leverend. Maar
-de natuur werd bezien in het licht der Schrift, en de Schrift bevatte
-niet alleen de in strikten zin geopenbaarde waarheid, maar bevatte ook
-de waarheden, welke de geloovige in de natuur ontdekken kan. Zoo erkent
-Alsted in zijne Praecognita Theologiae 1623. p. 115, wel eene theologia
-naturalis in den onwedergeborene maar deze is verward en duister; voor
-den geloovige zijn de principia et conclusiones theologiae naturalis in
-de Schrift klaar en duidelijk herhaald, Hodge, System. Theol. I 11. 15;
-Shedd, Dogm. Theol. I 68.
-
-Ook al is er daarom een kennisse Gods uit de natuur, de dogmatiek
-heeft toch maar een eenig principium externum, n.l. de H. Schrift,
-evenals ook maar een eenig principium internum, n.l. de geloovige
-rede. En nu niet slechts zóó, dat de H. Schrift alleen norma zou zijn
-en geen bron, maar bepaaldelijk in den zin van principium theologiae.
-Er is tusschen vroegere theologen en die van den tegenwoordigen tijd
-een groot onderscheid. Sedert Schleiermacher van het object tot het
-subject terugging, zijn eene schare van theologen in de gemeente en
-hare belijdenis de bron der dogmatische waarheid gaan zien. Niet alleen
-hebben ze, en terecht, het confessioneel en kerkelijk karakter der
-dogmatiek erkend en uitgesproken, maar ze hebben ook de belijdenis der
-gemeente tot kenbron gemaakt en de H. Schrift tot norma verlaagd,
-Schleiermacher, Glaub. § 19; Rothe, Zur Dogm. 27; Schoeberlein 23;
-Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 12; Dr. Van Dijk, Begrip
-en methode der dogm. 14 v.; Dr. Daubanton, Confessie en Dogmatiek 29
-v., of ook de belijdenis naast de H. Schrift als kenbron geplaatst,
-Lange, Dogm. II 3; Van Oost § 9; Von der Goltz, § 18; Reiff, I 256.
-En Dr. Gunning t. a. p. 31-34 beweerde zelfs, dat de leer van de
-Schrift als bron in plaats van als norma niet gereformeerd, maar
-eigenlijk remonstrantsch was. Maar deze voorstelling berust op eene
-onjuiste opvatting van de verhouding tusschen kerk en Schrift. In
-den eersten tijd van de christelijke gemeente kon er nog sprake zijn
-van eene zuivere traditie, die parallel liep met de geschriften der
-Apostelen. Maar die beide stroomen zijn reeds lang samengevloeid. Er
-is nu geen kennis van de christelijke waarheid meer, dan alleen uit
-de H. Schrift. Ook al voedt het religieuse leven in de gemeente zich
-veel meer uit stichtelijke werken dan uit de Schrift, Ritschl, Rechtf.
-u. Vers. II² 12, het zijn toch slechts kanalen, waardoor de waarheid
-der H. Schrift in meer bevattelijken vorm den geloovigen toegevoerd
-wordt. Bovendien, de dogmatiek is iets gansch anders dan symboliek.
-Deze beschrijft en verklaart de belijdenis der kerk. Maar de dogmatiek
-dogmatiseert, d. i. zij zet uiteen, wat op godsdienstig gebied niet als
-waarheid geldt, maar als waarheid gelden moet. Zij behoort wel met de
-belijdenis in verband te staan, evenals met de school en de kerk. Maar
-de dogmatiek staat toch zelfstandig naast de confessie, zij exponeert
-de waarheid Gods op eene haar eigene wijze. De Schrift is aan de kerk,
-maar ook aan de school, aan de wetenschap gegeven; en beide lezen
-en onderzoeken, verklaren en beschrijven haar inhoud. Confessie en
-dogmatiek werken daarbij op elkander in; de confessie is op haar beurt
-evenzeer afhankelijk van de dogmatiek, als deze van gene. Dogmata zijn
-niet door de kerk voortgebracht, maar zijn vrucht der theologie. Eerst
-waren er de Apologeten, toen kwam Nicea. Eerst traden de Hervormers op
-en later volgden de Protest. confessies enz., Harnack, Dogmengesch.
-I 10, en mijn artikel Theol. Stud. 1891, bl. 258-275. En eindelijk is
-de leer van de H. Schrift als unicum principium theologiae ook alleen
-zuiver reformatorisch en gereformeerd. De Nederl. Conf. leert in art.
-2 en 7 uitdrukkelijk, dat de kennis van God en zijn dienst alleen uit de
-Schrift wordt geput en dat ze dus wel ter dege bron is en niet alleen
-norma. Calvijn, Instit. I. cap. 6, Melanchton in de praefatie voor zijne
-Loci en alle dogmatici verklaren, dat de kennisse Gods alleen klaar
-en volkomen uit de Schrift kan worden verkregen. Iedere dogmatiek
-haast begint met de leer der Schrift als unicum principium theologiae.
-De eigenschappen van de auctoritas, sufficientia, perfectio, die de
-Protestanten tegenover Rome aan de H. Schrift toekenden, betoogen
-datzelfde, Daubanton, Theol. Stud. 1885, bl. 191-210. Dat zij daarbij
-liefst niet van fons, maar van principium spraken, verzwakt deze
-geheel eenige beteekenis van de Schrift voor de dogmatiek niet. De
-naam principium is zelfs boven dien van fons te verkiezen. De laatste
-uitdrukking duidt de relatie tusschen Schrift en theologie als eene
-mechanische aan; en doet het voorkomen alsof de dogmata uit de H.
-Schrift geput konden worden als water uit de bron. Maar principium
-wijst op een organisch verband. Dogmata zijn er niet in de Schrift, maar
-de stof ervan ligt in haar vervat. De Schrift bevat de kiemen, de
-zaden waaruit de dogmata onder de onderwijzing des Geestes in de kerk
-opwassen. Dogmatiek is de waarheid der Schrift, heengegaan door het
-denkend bewustzijn van den mensch, en weergegeven in wetenschappelijken
-vorm.
-
-9. Daarmede is echter het persoonlijk karakter der leerstellige
-Godgeleerdheid niet te niet gedaan. Dat kan en mag niet, wijl dogmatiek
-niet is een historisch referaat, maar eene aanwijzing van wat op
-religieus gebied als waarheid gelden moet. Dat persoonlijk karakter
-der dogmatiek vloeit echter niet daaruit voort, dat alle band aan het
-object wordt doorgesneden en elk nu maar voordraagt wat hij gelieft. Dan
-toch houdt de dogmatiek op eene wetenschap te zijn en is ze niets dan
-eene private opinie. Als de dogmatiek, volgens Prof. Van Manen bl. 23,
-den waan moet laten varen, dat er eene van buiten gegeven, objectieve
-waarheid is, dan is er geen dogmatiek meer. Dan zijn er maar subjectieve
-meeningen, waarvan de eene even goed is als de andere. Elke wetenschap,
-welke op dien naam aanspraak heeft, moet hebben een eigen, in de
-werkelijke wereld bestaand object; onderstelt verder, dat dat object
-kenbaar is; en is dan aan dat object zoo streng mogelijk gebonden. Voor
-de dogmatiek geldt geen andere eisch; ook zij moet een eigen voorwerp
-hebben, dat voorwerp moet kenbaar zijn, en aan dat voorwerp is ze
-volstrekt gebonden. Maar de loochening van zulk een eigen, kenbaar
-object mag nooit worden goedgemaakt met een beroep op het persoonlijk
-karakter der leerstellige Godgeleerdheid. Dat is verwarring van
-twee geheel verschillende kwestiën. Van een persoonlijk karakter der
-dogmatiek kan er eerst dan sprake zijn, als vooraf vaststaat, dat ze een
-eigen object heeft.
-
-Immers, elke wetenschap, van natuur, geschiedenis, recht, zede enz.
-heeft een object, dat in de werkelijke wereld aanwezig is. Maar daarom
-draagt iedere wetenschap toch nog wel een persoonlijk karakter; de eene
-zeker minder dan de andere, de wiskunde bijv. in veel geringere mate
-dan de geschiedenis. Maar naarmate de wetenschappen minder formeel
-zijn, en meer nabij het centrum liggen, naar die mate neemt de invloed
-van de persoonlijkheid toe. Een mensch kan zich bij de beoefening der
-wetenschap, evenmin als ergens elders, van zichzelven ontdoen; hij
-brengt zijn opvoeding, levensbeschouwing, hart en geweten, sympathieën
-en antipathieën mede, en deze oefenen vanzelf invloed op zijn onderzoek
-en nadenken. Dit nu is op zichzelf niet verkeerd; het dualisme, dat
-den mensch in twee helften deelt en bij de beoefening der wetenschappen
-tot een puur verstand verlaagt, is practisch onmogelijk en theoretisch
-valsch gedacht. Eisch is alleen, dat de mensch altijd en overal, ook
-dan als hij de wetenschap beoefent, een goed mensch zij, een mensch Gods
-tot alle goed werk bekwamelijk toegerust. En niet anders is het in de
-dogmatiek; ja hier is dit alles a fortiori het geval. Want de dogmatiek
-heeft het juist te doen met de diepste geloofsovertuigingen van den
-mensch en met het centrum aller wetenschap. Hier bovenal is het de
-eisch, dat de mensch een goed mensch zij, dat hij in de rechte verhouding
-sta tot God, wien te kennen het eeuwige leven is.
-
-Daarom is het ook de leer der Schrift, dat de objectieve revelatie
-zich voltooit in de subjectieve illuminatie. De Gereformeerde leer van
-de Schrift staat in het nauwste verband met die van het testimonium
-Spiritus Sancti. Het verbum externum blijft niet buiten ons, maar wordt
-door ’t geloof een verbum internum. De H. Geest, die de Schrift gaf,
-geeft ook getuigenis aan die Schrift in het hart der geloovigen. De
-Schrift zorgt zelve voor haar eigen zegepraal in het bewustzijn der
-gemeente van Christus. Daarvoor voelt de geloovige zich met heel zijn
-ziel gebonden aan de Schrift. In haar wordt Hij ingeleid door den H.
-Geest, den Doctor ecclesiae. En al zijn bedoelen is, om die gedachten
-Gods, neergelegd in de Schrift, in zijn bewustzijn op te nemen en ze
-denkend te verstaan. Maar daarbij blijft hij mensch, met eigen aanleg,
-opvoeding, inzicht; het geloof zelf ontstaat in ieder mensch niet
-op dezelfde wijze en is niet in allen van dezelfde kracht; de rede
-verschilt in scherpte, diepte, klaarheid van denken; de invloed
-der zonde blijft nawerken, ook in zijn bewustzijn en verstand. En ten
-gevolge van alle deze invloeden blijft de leerstellige Godgeleerdheid
-een persoonlijk karakter dragen. Dat is hier, als in elke wetenschap,
-het geval. Zelfs profeten en apostelen zagen dezelfde waarheid van
-verschillende zijden. De eenigheid des geloofs is nog evenmin als de
-eenheid der kennis bereikt. Maar juist door de verscheidenheid heen
-voert God Zijne gemeente de eenheid te gemoet. Als die eenheid des
-geloofs en der kennis is bereikt, heeft ook de dogmatiek haar taak
-volbracht. Zoo lang echter blijft haar de roeping toebetrouwd, om op
-de erve der wetenschap de gedachten te vertolken, die God in de H.
-Schriftuur voor ons heeft neergelegd. Tot deze taak zal de dogmaticus
-het uitnemendst toegerust zijn, als hij in geloofsgemeenschap leeft
-met de kerk van Christus en de Schrift als het eenig en genoegzaam
-principium der kennisse Gods belijdt. De dogmaticus ontvangt dus den
-inhoud van zijn geloof uit de handen der kerk. In paedagogischen zin
-komt hij door de kerk tot de Schrift. Maar daarbij mag hij, evenmin als
-eenig geloovige, blijven staan. Hij heeft de roeping, om de dogmata,
-die hij door de kerk heeft leeren kennen, te ontleden tot in hun
-vezelen toe, en na te gaan, hoe ze wortelen in de H. Schrift. Zoo
-zou zijne taak hierin bestaan, dat hij eerst de dogmata objectief
-overgaf, en daarna herleidde tot de H. Schrift; zijne methode ware
-dan historisch-analytisch. Maar al heeft deze methode voor een enkel
-dogma op zichzelf misschien veel aanbevelenswaardig; en al is ze in de
-dogmatiek ook ondergeschikt van waarde; toch heeft ze dit tegen, dat
-het bij haar niet komt tot een wetenschappelijk systeem. De dogmaticus
-doet daarom beter een anderen weg te bewandelen; niet van de rivier tot
-de bron, maar van de bron tot de rivier. Zonder te kort te doen aan de
-waarheid, dat de kerk in paedagogischen zin aan de Schrift voorafgaat,
-kan hij toch in de Schrift zelve als het principium theologiae zijne
-positie nemen, en dan van daaruit de dogmata ontwikkelen. Hij
-reproduceert dan als het ware den denkarbeid der kerk; hij laat ons
-zien, hoe de dogmata organisch uit de Schrift zijn uitgegroeid; hoe
-niet één enkele tekst, maar de Schrift in haar geheel de vaste, breede
-bodem is, waarop het dogmatisch gebouw verrezen is. Deze synthetische,
-genetische methode verschaft hem dan in de tweede plaats het voordeel,
-dat hij ook de eenheid en het onderling verband der dogmata aanwijzen
-kan. De verschillende dogmata zijn geen geisoleerde stellingen, maar
-zij vormen een eenheid. Er is eigenlijk maar één dogma, dat uit de
-Schrift is geboren en in allerlei bijzondere dogmata zich vertakt en
-gesplitst heeft. De methode van de dogmaticus kan en mag niet anders
-dan systematisch zijn. En eindelijk heeft hij nog de roeping, om in deze
-genetische en systematische ontwikkeling der dogmata ook op mogelijke
-afwijkingen opmerkzaam te maken, mogelijke leemten aan te vullen, en
-alzoo te arbeiden aan de ontwikkeling der dogmata in de toekomst. Dat
-is de kritische taak, waartoe de dogmaticus geroepen is, maar die in de
-systematische bearbeiding der dogmatische stof vanzelf reeds opgesloten
-ligt. Op die wijze tracht hij in de dogmatiek eene expositie te geven van
-de schatten der wijsheid en der kennis, welke in Christus verborgen zijn
-en in de Schrift zijn uitgestald.
-
-
-§ 4. INDEELING DER DOGMATIEK.
-
-1. Zoodra de dogmatiek opkwam, was er ook eene indeeling noodig van de
-stof welke in haar behandeld werd. Die indeeling was in den beginne
-hoogst eenvoudig. De drie hoofdwerken van Clemens Alexandrinus, nl.
-Cohortatio ad gentes, Paedagogus en Stromata zijn wel saam verbonden
-door de idee der opvoeding van het menschelijk geslacht door den
-Logos, maar bevatten toch geen eigenlijke indeeling; en het laatste
-werk ontwikkelt wel de ware philosophie van het Christendom tegenover
-Heidendom en Jodendom, maar Clemens zegt zelf in ’t begin van het 6e
-en aan ’t slot van het 7e boek van dat werk, dat hij daarin slechts
-schreef wat hem voor den zin kwam, en dat men dus over het gebrek
-aan orde zich niet verwonderen moet. Origenes’ werk περι ἀρχων,
-de principiis, tracht reeds eenige orde in de stof te brengen, en
-heeft dan ook vier hoofdbegrippen: God, wereld, vrijheid, openbaring;
-het eerste boek handelt over God, de Triniteit en de engelen; het
-tweede over de wereld, den God des O. Test., het goede en kwade,
-de incarnatie en de opstanding; het derde over de wilsvrijheid, de
-verzoekingen en het wereldeinde; en het vierde over de H. Schrift,
-hare ingeving en uitlegging. De verschillende loci over God, engel,
-mensch, Christus, enz. komen hier reeds voor den dag, maar nog niet
-in goede orde en juiste begrenzing, en ook nog onvolledig; de leer
-der sacramenten ontbreekt, die over de Schrift komt achteraan, en
-een indeelingsbeginsel is nog niet te ontdekken. Deze indeeling van
-Origenes wordt verbeterd overgenomen door Theodoretus in het 5e
-boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη, haereticarum fabularum
-compendium, dat eene schets bevat van het orthodoxe geloof.
-Achtereenvolgens wordt hierin gehandeld over God, wereld, engel en
-mensch, Christus, Schrift en sacrament, opstanding en gericht, terwijl
-er ten slotte eenige ethische capita over virginiteit, boete, vasten
-aan toegevoegd worden. Voorts ligt ditzelfde schema ten grondslag
-aan de Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως van Joh. Damascenus.
-De indeeling in vier boeken is eerst in de Middeleeuwen in het werk
-gebracht, nadat het op bevel van Eugenius III door den rechtsgeleerde
-Johannes Burgundis uit Pisa in het latijn was vertaald, en Petrus
-Lombardus in zijne Sententiae met de indeeling in vier boeken was
-voorgegaan. Damascenus begint met de leer van God, Triniteit,
-eigenschappen (boek I), spreekt dan over de wereld, schepping, engelen,
-menschen en de voorzienigheid (boek II), behandelt vervolgens den
-persoon en het werk van Christus (boek III en IV, cap. 1-9), en eindigt
-met eenige soteriologische (geloof, doop, enz.), ethische (wet, sabbat,
-enz.) en eschatologische capita (boek IV, cap. 10-28).
-
-Daarnaast bood de apostolische geloofsbelijdenis, in aansluiting aan de
-doopsformule, reeds vroeg eene andere indeeling voor de dogmatische
-stof. De Expositio symboli van Rufinus en Augustinus’ boek de fide et
-symbolo leverden commentaren daarop, en behandelden de hoofdzaken van
-het christelijk geloof aan de hand van het trinitarisch schema, dat
-aan ’t apostolisch symbool ten grondslag lag. Maar Augustinus was
-niet alleen in deze indeeling voor vele lateren ten voorbeeld, maar
-in zijn Enchiridium ad Laurentium behandelt hij heel de dogmatische en
-ethische stof onder de drie christelijke deugden geloof, hoop en liefde;
-echter op zeer ongelijkmatige wijze. Na eene inleiding, cap. 1-8, zet
-Augustinus dat wat geloofd moet worden uiteen van cap. 9 tot cap.
-113, hoofdzakelijk aan de hand van het apostolisch symbool, maar wijdt
-dan slechts drie capita (114-116) aan de hoop, waarbij hij ’t gebed des
-Heeren tot leiddraad neemt, en de overige capita 117-122 aan de liefde.
-Geloof, gebed en gebod vormen hier dus het schema der dogmatiek, dat
-later dikwerf, vooral in catechismussen, is overgenomen. Ook Isidorus
-van Sevilla heeft in het eerste boek van zijn Sententiarum sive de
-summo bono libri III, in hoofdzaak deze volgorde van het apostolisch
-symbool en handelt in 30 capita over God, schepping, wereld, engelen
-en menschen, Christus, den H. Geest, de kerk, Schrift en sacramenten,
-opstanding en laatste dingen en behandelt dan in het tweede en derde
-boek uitsluitend ethische stof.
-
-2. De indeeling, welke Lombardus in de Middeleeuwen koos, herinnert
-meer aan die van Origenes, Theodoretus en Damascenus. Zijne Sententiae
-zijn in vier boeken verdeeld. Het eerste handelt de mysterio trinitatis;
-het tweede de rerum corporalium et spiritualium creatione et
-formatione: schepping, engelen, het hexaemeron, den mensch, den val,
-de zonde; het derde de incarnatione verbi: den persoon en het werk
-van Christus, het geloof, de hoop, de liefde, de 4 hoofddeugden en
-andere ethische onderwerpen; het vierde boek de sacramentis: over 7
-sacramenten, de opstanding, het gericht, hemel en hel. Er is hier reeds
-merkbare vooruitgang te bespeuren: de onderwerpen zijn niet alleen
-beter gegroepeerd en begrensd, maar het geheel is ook in vier deelen
-gesplitst, elk met een eigen, onderscheiden object; de ethische stof is
-niet als bij Theodoretus aan het slot toegevoegd maar in de dogmatiek
-zelve opgenomen; de sacramenten, vroeger slechts even besproken, worden
-breedvoerig behandeld; daarentegen laat de rangschikking veelzins te
-wenschen over en komen verschillende onderwerpen zooals Schrift, kerk,
-en vooral ook de soteriologische bijna in ’t geheel niet ter sprake.
-De meeste Scholastici sloten zich aan dit werk van Lombardus aan en
-schreven er commentaren op. Sommigen brachten in de ordening der stof
-gelukkige verbeteringen aan. Thomas ontwikkelt bijv. in den proloog voor
-zijn commentaar op de Sententiae op schoone wijze, dat eerst God, en
-daarna zijne werken: schepping, herstelling en volmaking de onderwerpen
-der 4 boeken zijn. Maar eene eereplaats wordt ook uit formeel oogpunt
-ingenomen door het Breviloquium van Bonaventura. Vooreerst laat
-Bonaventura een prooemium aan zijn werk voorafgaan en geeft daarin in
-7 paragrafen een schoon overzicht van de leer der Schrift, vooral
-van haar inhoud, dien hij in haar lengte en breedte, diepte en hoogte
-kortelijk ontvouwt. En daarna geeft hij in 7 partes ons een schets der
-geloofswaarheid; pars 1 handelt de trinitate, pars 2 de creatura
-mundi, pars 3 de corruptela peccati, pars 4 de incarnatione verbi,
-pars 5 de gratia Spiritus Sancti, pars 6 de medicina sacramentali,
-en pars 7 de statu finalis judicii. Hier is een vaste, methodische
-gang, eene volkomene beheersching der stof, eene zuivere begrenzing
-der onderwerpen, en ook een met bewustheid gekozen indeelingsbeginsel;
-want in pars 1 cap. 1 zegt Bonaventura dat, al behandelt de theologie
-al die zeven onderwerpen, zij toch scientia una is, want God is niet
-alleen rerum primum principium et exemplar effectivum in creatione,
-sed etiam refectivum in redemptione et perfectivum in retributione.
-Geheel anders is de indeeling van Thomas in zijne Summa. Dit werk
-heeft drie partes, de partes zijn verdeeld in quaestiones, en deze
-weer in articuli. Pars I handelt in 119 quaestiones over God en zijne
-schepping, voor en buiten de zonde: God als principium en exemplar van
-alle dingen. Pars II spreekt over den mensch als zijn imago, en valt
-weer in eene prima en secunda uiteen; de prima omvat 114 quaestiones,
-begint met het einddoel des menschen, nl. de zaligheid, en ontwikkelt
-met het oog daarop den wil qu. 6-17, de goede en zondige qualiteit der
-menschelijke daden, hartstochten en hebbelijkheden qu. 18-54, de deugden
-in ’t algemeen qu. 55-70, de zonden in haar verdeeling, zetel, oorzaak
-en gevolgen, qu. 71-89, vervolgens de uit-en inwendige motieven die
-den mensch tot het goede aansporen, de wet, het evangelie, de genade
-en de verdienste, qu. 90-114. De secunda van dit tweede deel handelt
-dan in 189 quaestiones over de zonden en deugden in het bijzonder,
-vooral naar de orde van de drie theologische en de vier cardinale
-deugden. Nadat alzoo het einddoel van den mensch is bepaald en zijne
-deugden en zonden in het licht gesteld zijn, beschrijft Pars III den
-weg, waarlangs wij tot de zaligheid van het onsterfelijk leven kunnen
-komen, dat is, Christus en de sacramenten. In 90 quaestiones worden
-de persoon en het werk van Christus en dan het sacramentsbegrip, de
-doop, confirmatie, eucharistie en poenitentia beschreven. Hier eindigt
-het werk van Thomas; hij liet het bij zijn dood onvoltooid achter. Het
-supplementum, dat er uit zijne andere geschriften aan toegevoegd is,
-bevat 99 quaestiones, zet de sacramenten voort, en behandelt in qu.
-69-99 den toestand der zielen na den dood, de opstanding, het oordeel,
-de zaligheid en verdoemenis. Een appendix spreekt in 3 quaestiones nog
-over het vagevuur. De indeeling van Thomas wijkt van die van Bonaventura
-niet alleen af, maar staat daarbij ook in veel opzichten ten achter.
-Wel wordt in Pars I qu. 1, eene breedvoerige ontwikkeling gegeven van
-het wezen der theologie, maar daartegenover blijft de leer der Schrift
-geheel onbesproken. Voorts springt Thomas bij het begin van het tweede
-deel in eens naar het einddoel van het menschelijk leven over, en wordt
-daardoor gedrongen om dikwerf te anticipeeren op wat eerst later
-behandeld kan worden. De christelijke deugden, het evangelie, de wet,
-de genade, welke Thomas in dit tweede deel opneemt, onderstellen den
-persoon en het werk van Christus. De indeeling van Thomas hangt reeds
-samen met de Roomsche leer van de ordo supernaturalis, waartoe de
-mensch verheven moet worden. Nadat het eerste deel over God gehandeld
-heeft, spreekt het tweede deel over den mensch, die als beeld Gods voor
-de gratia supernaturalis is bestemd maar deze niet bereiken kan, en het
-derde wijst dan in den persoon van Christus en de sacramenten den weg
-aan, waarlangs de mensch tot deze zijne bestemming geraken kan. God,
-mensch, Christus zijn dus de onderwerpen der drie deelen, Werner, Der h.
-Thomas v. Aq., Regensburg 1858 I, 801 f.; Kleutgen, Theol. der Vorzeit,
-2e Aufl. V, 60-70; Kling, Descriptio Summae theol. Th. Aq., Bonn 1846.
-Eindelijk is ook de quaestionarische vorm van behandeling niet zonder
-bedenking, Pierson, Studiën over Joh. Calvijn, I 228 v. Thomas stelt
-elke geloofswaarheid in den vorm van eene kwestie, en brengt te berde,
-al wat er door tegenstanders tegen ingebracht is. Met een beroep op
-eene of andere autoriteit, Schrift, kerkvaders, Aristoteles, bewijst
-hij echter de waarheid van het gevraagde en maakt de conclusio op.
-Deze wordt dan toegelicht en eindelijk tegen de ingebrachte bezwaren
-verdedigd.
-
-3. Deze indeelingen werden door de latere Roomsche theologen meestal
-overgenomen, niet alleen in de commentaren, die bijv. door vele
-middeleeuwsche theologen en ook later nog door Estius e. a. op de
-Sententiae van Lombardus of door Suarez, Valentia, Vasquez, Billuart,
-Daelman enz. op de Summa van Thomas geleverd werden; maar ook in
-zelfstandige dogmatische werken. Zoo werd de indeeling van Thomas
-overgenomen door Mart. Becanus in zijne theologia scholastica, Mogunt.
-1619, de locaalmethode van Theodoretus, Damascenus, Lombardus door
-Petavius, Opus de theol. Dogm. Paris 1644. Proleg cap. I § 4. Maar
-de scholastiek had nog een anderen invloed op de indeeling der stof.
-Bonaventura had reeds de leer der Schrift in het prooemium opgenomen;
-Thomas behandelde vooraf het wezen der theologie: de ontwikkeling
-der scholastiek leidde tot de onderscheiding van articuli mixti en
-puri, tot de leer van de praeambula fidei en motiva credibilitatis.
-Zoo werd de stof voor de prolegomena hoe langer hoe uitgebreider.
-En toen de Hervorming straks met het uitsluitend gezag der Schrift
-optrad, werd het voor de Roomsche theologen noodzakelijk, om ook van
-de principia der theologie zich rekenschap te geven. Melchior Canus
-vooral in zijne loci theologici 1563 ontwikkelde de leer van de loci,
-d. i. van de bronnen der Theologie. Dit werk is geen dogmatiek,
-maar eene topica, in Cicero’s zin (zie boven, bl. 2). Hij behandelt
-in 12 boeken tien bronnen der theologie n.l. Schrift, traditie,
-Paus, concilium, kerk, kerkvaders, scholastici, rede, philosophie en
-historie, waarvan de zeven eersten tot twee, Schrift en traditie, zijn
-te herleiden, en de laatste drie slechts ministerialiter theologisch
-zijn. Op deze wijze is er allengs vóór de eigenlijke dogmatiek eene
-breede inleiding noodzakelijk geworden, die mede door de principiëele
-bestrijding der theologie van den kant der philosophie enz. tot eene
-gansche fundamenteele dogmatiek is aangegroeid. De meeste Roomsche
-dogmatieken behandelen dan ook in een eerste deel het wezen of begrip
-der theologie, de praeambula fidei (theol. naturalis), de motiva
-credibilitatis (religie, openbaring, profetie, wonderen, wonderbare
-verbreiding van het christ., martelaren enz.), het geloof, de bronnen
-(Schrift en kerk), theologie en philosophie (geloof en rede), begrip
-der dogmatiek. Zoo bij Klee, Heinrich, Jansen, Scheeben, Liebermann,
-Perrone e. a. Perrone’s werk bijv. handelt vol. I de vera religione, en
-in de beide laatste deelen VIII en IX over de loci theologici; deze
-beide zijn wel later na de eigenlijke dogmatiek verschenen, maar behooren
-naar des schrijvers eigen verklaring, vol. VIII, praef., zakelijk op
-het eerste deel te volgen. In deze loci laat Perrone opzettelijk, in
-onderscheiding van Canus, de kerk aan de Schrift voorafgaan. En zoo
-is de rangschikking bij de meeste Roomsche dogmatici van den nieuweren
-tijd. De kerk dringt hoe langer hoe meer op den voorgrond; zij is het
-principium fidei. De gang der dogmatiek is dan gewoonlijk die der
-locaalmethode. Men begint met God, beschouwd in zichzelven als eenig
-en drieëenig; en gaat dan over tot God, beschouwd in Zijne relatie tot
-de schepselen, en wel eerst als Deus Creator, dan als Deus Redemptor,
-daarna als Deus Sanctificator en eindelijk als Deus Consummator.
-
-4. De dogmatiek bij de Hervormers was van huis uit anti-scholastisch
-en werd eerst voorgedragen in zeer eenvoudigen en practischen vorm.
-Melanchton’s Loci, verschenen in 1521, ontstonden uit voorlezingen
-over Paulus’ brief aan de Romeinen. Ze zijn door en door practisch,
-behandelen alleen anthropologische en soteriologische capita, vooral
-die van zonde en genade, wet en evangelie, en laten de objectieve
-dogmata van God, triniteit, schepping, vleeschwording, voldoening
-geheel onbesproken. Maar de uitgave van 1535 werd door Melanchton
-zeer uitgebreid en leidde de secunda aetas der Loci in; ze werd in
-eene voorrede opgedragen aan Hendrik VIII, begon met 5 nieuwe capita
-over God, eenheid, triniteit, schepping en oorzaak der zonde, werd
-in het midden nog met eenige hoofdstukken verrijkt en breidde de drie
-laatste ethische capita uit tot tien hoofdstukken van ethischen,
-ecclesiologischen en eschatologischen inhoud, samen 39 capita of
-artikelen. In 1543 gingen de Loci hunne tertia aetas in: er kwam eene
-voorrede bij pio lectori; het aantal loci daalt wegens vereenvoudiging
-van 39 tot 24; maar de inhoud is nog belangrijk toegenomen. De laatste
-door Melanchton zelf bezorgde editie is die van 1559. De opeenvolgende
-uitgaven toonen eene steeds grootere toenadering aan de synthetische
-indeeling, die bij God begint en tot zijne werken in natuur en genade
-afdaalt; maar daarbij is opmerkelijk, dat de prolegomena geheel
-ontbreken, dat de christologie te kort komt wijl Christus’ persoon en
-werk niet afzonderlijk behandeld worden, dat het dogmatische en ethische
-ten nauwste verbonden blijft en het geheel niet met de eschatologische
-dogmata maar met eenige ethische capita wordt besloten, Phil.
-Melanchtonis Loci Theol. ed. Augusti 1821 p. 167 f. Die Loci C. des Ph.
-M. in ihrer Urgestalt nach G. L. Plitt. 2e Aufl. von Dr. Th. Kolde,
-Erlangen. Deichert 1890. Herzog² 9, 503 f. Zöckler Handb. der Theol.
-Wiss. II 622 f. en de uitgave der Loci in het Corpus Reformatorum.
-
-Zwingli’s Commentarius de vera et falsa religione, Opera ed. Schuler
-et Schulthess III 153 en zijne Fidei Christianae Expositio ib. IV 45,
-behandelen ook wel eenige dogmatische loci, maar werden spoedig in
-de schaduw gesteld door Calvijns Christianae Religionis Institutio.
-De eerste editie verscheen in ’t latijn te Bazel in Maart 1536 en
-bevatte eene praefatie van Aug. 1535 aan Frans I, en daarna zes
-hoofdstukken over de wet, het geloof, het gebed, de sacramenten, de
-roomsche sacramenten en de vrijheid. Ze werd driemalen uitgebreid in
-1539, 1543 en 1559. De laatste editie was ongeveer vijfmaal grooter
-dan de eerste, en bevatte wel vermeerdering en uitbreiding, maar geen
-verandering. Melanchton was in de latere uitgaven synergistisch en
-krypto-calvinistisch geworden; Calvijn bleef dezelfde. Melanchton’s
-Loci werden meer synthetisch in den vorm, maar bleven het karakter
-van eene reeks van loci behouden; Calvijns Institutie kreeg meer en
-meer een systematischen vorm. De editie van 1559 bevat vier boeken,
-over de kennis van God als Schepper, als Verlosser, als Heiligmaker
-en een laatste boek over de uitwendige genademiddelen. De indeeling
-is dus niet zuiver trinitarisch maar is ontleend aan de apostol.
-geloofsbelijdenis; vandaar dat een vierde deel achteraan komt, handelend
-voornamelijk over kerk en sacramenten. Het eerste boek geeft veel meer
-dan de titel belooft, behandelt ook de bronnen der Godskennis en de
-leer der triniteit. Kosmologie en anthropologie worden over het eerste
-en tweede boek verdeeld. Het derde boek bevat behalve soteriologische
-ook vele ethische hoofdstukken, benevens de leer der verkiezing en der
-opstanding. Het uitgangspunt van de Institutie is theologisch, maar
-Calvijn gaat niet uit van een abstract Godsbegrip, maar van God gelijk hij
-door den mensch uit natuur en Schrift gekend wordt, Köstlin, Calvins
-Instit. nach Form und Inhalt in ihrer geschichl. Entw. Stud. u. Kr.
-1861 S. 7-62, 410-486. Godgel. Bijdr. 1868 bl. 861 v. 1869 bl. 483 v.
-Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 99 v. Pierson, Studien over J. Kalvijn I
-127 v. en de uitgave in het Corpus Reform.
-
-5. Luthersche en Gereformeerde theologen hebben deze synthetische
-indeeling van Melanchton en Calvijn in het eerst schier algemeen
-nagevolgd. Ze werd om verschillende redenen voor de beste gehouden.
-Met alleen Gereformeerden zooals Hyperius, Methodus Theol. 1574
-p. 11-16, Alsted Theol. schol. didact, in de praefatio, Ursinus,
-Opera, Heidelb. 1612 I 417, H. Alting, Oratio inauguralis de methodo
-loc. comm. Heidelb. 1613, Leydecker, de Verit. Rel. Christ. 1690
-p. 77; maar ook Lutherschen, zooals Flacius, Clavis Scripturae
-Sacrae, vol. II, tract. I p. 54, Declaratio tabulae trium methodorum
-theologiae, bij Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 46 hebben aan de
-synthetische methode de voorkeur gegeven, wijl daarin gelijk Hyperius
-zegt, a primis principiis per formas ac differentias ad finem usque
-fit progressus. Deze indeeling werd daarom geprefereerd, omdat zij
-dienzelfden historischen gang volgde, welken God in Zijne openbaring
-had voorgeteekend; omdat zij de minste aanleiding bood voor apriorische
-speculatie en het positief karakter der theologie het best bewaarde;
-en omdat zij analoog was aan de methode in de andere wetenschappen,
-die ook met de eenvoudigste elementen of principia beginnen en dan
-tot het samengestelde voortschrijden. Deze indeeling bleef dan ook
-in de Luthersche kerk de heerschende tot op Calixtus toe; men vindt
-ze in hoofdzaak bij Strigel, Selneccer, Heerbrand, Chemniz, Hutter,
-Gerhard, enz. In de Geref. theologie wordt ze gevolgd tot op Coccejus
-toe, door Sohnius, Musculus, Hyperius, Ursinus, Martyr, Wollebius,
-Polanus, Amesius, enz. Maar toch wordt ze in sommige punten belangrijk
-gewijzigd. Reeds spoedig werd aan de eigenlijke dogmatiek eene inleiding
-voorgevoegd, waarin het begrip der theologie, de leer der Schrift, eene
-enkele maal ook, bijv. bij Amesius en Maestricht, het wezen des geloofs
-werd behandeld. De dogmatiek werd dus in twee deelen ingedeeld, de
-principiis theologiae en de articulis fidei, Polanus, Syntagma Theol.
-p. 133. In het corpus zelf kwam betere onderscheiding en begrenzing, en
-ook meer systematische ordening der loci: de verkiezing, door Calvijn
-in het derde boek behandeld, kwam naar voren in de leer der besluiten,
-de leer van wereld, mensch, Christus, enz. kregen ieder eene eigene
-plaats; het slot der dogmatiek werd niet in beslag genomen door eenige
-ethische capita, maar door de consummatio seculi; de ethische stof werd
-of in de soteriologie ter sprake gebracht of ook wel in een tweede
-deel, de operibus, in onderscheiding van het eerste de fide, behandeld,
-of met Danaeus en Calixtus geheel van de dogmatiek gescheiden. De
-behandeling der afzonderlijke loci werd in de 17e eeuw hoe langer zoo
-scholastischer; de samenhang met het leven des geloofs werd hoe langer
-hoe minder gevoeld.
-
-6. De reactie tegen deze scholastiek kon op den duur niet uitblijven.
-Zij begon in de Luth. kerk met Calixtus, in de Geref. met Coccejus.
-Calixtus vatte de theologie als eene practische wetenschap op en volgde
-in zijn Epitome theologiae 1619 de analytische indeeling. Nieuw was deze
-in zooverre niet, als ook Thomas na de leer van God in het tweede deel
-tot de bestemming van den mensch overgaat en in het derde deel den weg
-beschrijft, die in Christus daarheen leidt. Maar Calixtus begint in eens
-met het doel, de bestemming van den mensch. Deel I handelt de fine, d.
-i. de immortalitate animae, resurrectione et extremo judicio. Deel II
-spreekt de subjecto, d. i. over God, engel, mensch, zonde. Deel III
-handelt de mediis, d. i. over praedestinatie, incarnatie, Christus,
-rechtvaardiging, woord, sacrament, enz. Deze drie deelen vormen de pars
-communis, welke allen geloovigen aangaat; maar daarop volgt nog een
-pars propria, dat vooral over de kerk handelt en inzonderheid voor de
-ambtsdragers van belang is. Al was er nu veel goeds in, om tegenover
-de scholastische behandeling der theologie op haar practisch karakter
-den nadruk te leggen, toch wordt deze indeeling door vele bezwaren
-gedrukt. Afgedacht daarvan, dat de in de pars propria behandelde leer
-van de kerk eene waarheid geldt, voor alle geloovigen van belang;
-het maakt een vreemden indruk, dat de dogmatiek met het einde, de
-onsterfelijkheid, enz. begint; het tweede deel moet handelen van het
-subject der theologie, den mensch, maar bevat ook heel de leer over
-God; het derde deel beantwoordt nog het best aan zijn titel, maar doet
-de soterologie bij de soteriologie te kort komen, Gass, Gesch. der prot.
-Dogm. I, 304 f. Toch werd deze analytische methode door de latere
-Luthersche theologen, Calovius, Quenstedt, König, Baier, Scherzer
-nagevolgd. En ook onder de Gereformeerden vond ze ingang. Barth.
-Keckermann te Dantzig had reeds vóór Calixtus in 1603 een systema
-S. Theologiae het licht doen zien, waarin hij met beroep op Ursinus
-in zijne Catechesis de theologie omschrijft niet als eene scientia
-contemplatrix maar als eene disciplina operatrix, of nog beter als eene
-prudentia religiosa ad salutem perveniendi, cap. 1. Daarom kiest hij met
-beslistheid de analytische methode, want de synthetische methode is
-eigen aan de wetenschappen, maar de analytische past aan de disciplinae
-operatrices. En zoo verdeelt hij dan zijne theologie in drie deelen. In
-het eerste deel handelt hij over de principia der theologie, nl. God,
-het principium essendi, en zijn Woord, het principium cognoscendi. Uit
-deze beide worden alleen het doel en de daartoe leidende middelen ons
-bekend. In het tweede deel zegt hij dan met een enkel woord dat het
-doel der Theologie is vita, salus aeterna, gelijk ook Ursinus in zijn
-catechismus vraag 1 dit voorop stelt. De middelen, om dit doel te
-bereiken, zijn tweeërlei: kennis van onze ellende, en verlossing uit
-die ellende, lib. II, cap. 1. Boek II handelt dus over den mensch en
-zijne zonde, en Boek III over de media salutis, verkiezing, Christus,
-kerk, rechtvaardiging, sacramenten. Opmerkelijk is nog, dat Keckermann
-met voorliefde de theologie met de medische wetenschap vergelijkt en
-zelfs de namen aan haar ontleent voor de verschillende deelen van zijne
-theologie. Bonaventura Brevil. Pars I, cap. 1, had dit reeds vóór hem
-gedaan. Hem en anderen navolgend, spreekt Keckermann van eene pars
-pathologica, therapeutica, diaetetica der theologie, p. 214, 295, cf.
-Kuyper, Encycl. I, 40.
-
-Evenzoo werd door Coccejus het theologische met het anthropologische
-standpunt verwisseld. Het nieuwe in zijn Systema doctrinae de foedere et
-testamento Dei 1648 bestond niet in het verbondsbegrip als zoodanig,
-dat al bij Zwingli en Calvijn voorkomt en door Bullinger, Olevianus,
-Cloppenburg ontwikkeld was. Maar het lag hierin, dat Coccejus voor het
-eerst heel de dogmatische stof van uit dit begrip indeelde, en daarmee
-bedoelde eene meer bijbelsch-theologische, anti-scholastische dogmatiek
-te geven; voorts dat hij in de rangschikking der stof de historische
-orde van de bedeelingen des verbonds volgde, deze bedeelingen zóó
-scherp onderscheidde, dat haar eenheid te loor ging en slechts door
-willekeurige typische exegese bewaard kon worden; en eindelijk, dat hij
-heel de geschiedenis van het genadeverbond van het begin tot het einde
-beschouwt als eene afschaffing van het werkverbond; zonde, Christus,
-Nieuw Verbond, lichamelijke dood en opstanding zijn de vijf keerpunten,
-waardoor successief het werkverbond van al zijne kracht en werking
-wordt beroofd, cap. III § 68. Deze indeeling wordt door vele bezwaren
-gedrukt; ze neemt haar standpunt niet theologisch in God, maar in
-het verbond van God en mensch en kan dus de leer over God en mensch
-niet anders dan vooraf in eene inleiding, bij wijze van onderstelling,
-behandelen; ze wischt door haar historischen gang de grens uit tusschen
-de geschiedenis der openbaring en de dogmatiek en ondermijnt daardoor
-de laatste; ze valt in veelvuldige herhalingen en komt er vanzelf
-toe, om eenerzijds de analogieën en anderzijds de onderscheidingen in
-de verschillende bedeelingen van het verbond te overdrijven. Toch
-vond ze bij velen navolging, o. a. bij Momma, Heydanus, Vitringa,
-Braun, Witsius, en ook bij Lutheranen, zooals W. Jäger, 1702. En zelfs
-Leydecker, een volgeling van Voetius en bestrijder van Coccejus,
-trachtte de trinitarische indeeling met de foederalistische op die wijze
-te verbinden, dat de opeenvolgende huishoudingen der genade in verband
-werden gebracht met de drie personen en de drieërlei werkzaamheid in de
-triniteit, Schweizer, Gl. der ev. ref. k. I 115 f.
-
-7. Maar nog grooter verandering kwam er in den vorm der dogmatiek
-door den invloed der wijsbegeerte. Vooral hierin komt dit uit, dat de
-eigenlijke materieele dogmatiek hoe langer hoe armer wordt, en de pars
-formalis aan omvang en uitgebreidheid steeds wint. Tot dusver was het
-gansch anders; de prolegomena ontbraken geheel, of waren klein van
-omvang en handelden hoogstens over theologie en Schrift; alle kracht
-werd gewijd aan de uitwerking en verdediging der bijzondere dogmata. Het
-fundament lag zoo vast, dat het heel niet werd onderzocht; alle arbeid
-werd besteed aan het gebouw, dat op dien grondslag werd opgetrokken.
-Dit veranderde door de philosophie, door de rechten die de rede
-allengs tegenover de openbaring zich aanmatigde. Zij was niet langer
-tevreden met de bescheiden rol van dienaresse, en verlangde eene stem
-in het kapittel. In de pars materialis had dit ten gevolge, dat alle
-scholastieke bewerking der dogmata zooveel mogelijk werd vermeden; men
-gaat van de belijdenis tot de Schrift terug en huldigt de historische,
-bijbelsche methode; de dogmata worden vereenvoudigd en afgesleten en
-verliezen het kenmerkende; alle dieper indenken van de dogmata wordt
-gebannen; de eenvoud wordt oppervlakkigheid. Maar nog grooter was
-de invloed op het formeele deel der dogmatiek. Men verliet hier het
-reformatorische uitgangspunt des geloofs en keerde tot dat van de
-Roomsche theologie terug. Vooreerst meende men, dat de menschelijke
-rede, ook buiten het geloof, al de waarheden der theol. naturalis uit
-zichzelve kon voortbrengen; de theol. naturalis ging als praeambula
-fidei aan de theol. revelata vooraf, de rede werd van het geloof, van
-de openbaring geëmancipeerd, beide stonden zelfstandig naast elkaar.
-S. van Til behandelde ze beide afzonderlijk in zijn Theologiae utriusque
-compendium, cum naturalis tum revelatae 1706. Vervolgens kreeg die
-rede niet alleen een eigen terrein naast de openbaring, maar strekte
-ze haar macht ook over die openbaring zelve uit. Aan haar werd het
-recht toegekend, om de waarheid der openbaring te onderzoeken. In de
-theologia naturalis stond men op vasten grondslag, op eene zuiver
-wetenschappelijke basis; van dit standpunt uit werd ook de openbaring
-onderzocht, en als dan de rede door allerlei rationeele en historische
-bewijzen, als zoovele motiva credibilitatis, de waarheid der openbaring
-had aangetoond, was het immers redelijk die openbaring te gelooven
-en zich aan haar te onderwerpen. Zoo werden de prolegomena al meer
-uitgebreid. Eerst wordt gehandeld over de religie als onderscheiden
-van de theologie; daarna over de theol. naturalis en de natuurlijke
-of redewaarheden; vervolgens over de openbaring, wier mogelijkheid,
-noodzakelijkheid en werkelijkheid breedvoerig wordt aangetoond; en
-eindelijk over de H. Schrift, wier waarheid door allerlei historische,
-kritische, rationeele bewijzen wordt gestaafd. En eerst na dien langen
-weg komt men toe aan de eigenlijke dogmatiek, die er zoo sober en zoo
-eenvoudig mogelijk uitziet. Heel het standpunt is veranderd; het
-uitgangspunt is niet meer het geloof maar de rede. Wat wonder dat
-deze in het deïsme en rationalisme heel de openbaring ontkent, eene
-openbaring, die immers toch niets nieuws geeft en geheel overbodig is.
-Deze orde van behandeling is wezenlijk eigen aan de scholastieke en
-Roomsche theologie. De Socinianen zijn dit rationalistisch standpunt
-nooit te boven gekomen, Fock, Der Socin. 291 f. En de Remonstranten
-zijn weer tot deze methode teruggekeerd. Limborch, Theol. Christ.
-spreekt in cap. 1 de theologia ac religione, in cap. 2 de existentia
-Dei en dan in cap. 3 v. over de H. Schrift. Episcopius breidt in zijne
-Instit. Theol. deze inleidende stof nog uit, spreekt eerst zelfs over
-de vereischten van den theoloog, en dan over het practisch karakter
-der theologie, de theol. naturalis, de religie, de openbaring en de
-H. Schrift. Langzamerhand drong deze uitbreiding der prolegomena
-ook in de orthodoxe dogmatiek door. De indeeling der dogmatiek in
-twee deelen: de fide en de operibus brengt er Amesius en Maestricht
-toe, om in den aanvang na theologie en Schrift ook de natuur van het
-geloof te bespreken; Marck en Moor spreken in het derde hoofdstuk
-over den godsdienst; Brakel begint met een hoofdstuk over de theol.
-naturalis. Er is dus veel verschil en verwarring over wat in de
-inleiding thuis hoort. Maar langzamerhand begint er in de 18e eeuw een
-reeks van onderwerpen voor de inleiding vast te staan als theologie,
-natuurlijke Godskennis, openbaring, Schrift; bijv. bij J. A. Turretinus,
-Werenfels, Osterwald, Buurt en alle theologen van rationalistische en
-supranaturalistische richting.
-
-8. Wel werd nu door Kant die rationalistische grondslag der dogmatiek
-ondermijnd, en wel trachtte Schleiermacher geloof en geloofsleer te
-redden, door ze te beperken tot het gevoel en de beschrijving daarvan.
-Maar feitelijk is er in deze orde der dogmatiek geene verandering
-gekomen. De aanvallen op de christelijke religie in deze eeuw richten
-zich in de eerste plaats tegen de fundamenten zelve. In vroeger
-eeuwen was het geloof krachtiger en kwam de vraag: waarom geloof ik,
-haast niet op. De grondslagen schenen zoo vast, dat een onderzoek
-ervan geheel onnoodig was; alle kracht werd aan het optrekken van het
-gebouw besteed. Maar thans wordt de dogmatiek juist in hare wijsgeerige
-onderstellingen bestreden; niet een of ander leerstuk in de dogmatiek,
-maar de mogelijkheid der dogmatiek wordt ontkend, Pierson, Ter uitvaart
-1870. Het menschelijk kenvermogen wordt tot de zienlijke dingen beperkt;
-de openbaring wordt onmogelijk geacht; de H. Schrift wordt door de
-historische kritiek van haar goddelijk gezag beroofd en zelfs het
-recht en de waarde van den godsdienst wordt ernstig betwist. Bij en
-ten deele door dit alles is het religieuse leven sterk verminderd;
-er is wel veel beweging op godsdienstig gebied, maar er is weinig
-echt godsdienstig leven. Het geloof voelt zich niet zeker meer; zelfs
-onder de geloovigen is er veel twijfel en onvastheid. Het kinderlijke
-en tegelijk heroieke: ik geloof, wordt zelden gehoord en heeft voor
-het kritisch twijfelen plaats gemaakt. Men gelooft misschien nog zijne
-belijdenis, maar men belijdt niet meer zijn geloof (Schweizer). In tijden
-van opgewekt godsdienstig leven spreekt men als machthebbende, en niet
-als de schriftgeleerde; dan klinkt het: ik weet in wien ik geloof, van
-de lippen. Maar in een kritischen tijd als den onzen is er onzekerheid
-juist over de principia, over kenbron, methode, bewijs, enz. De pars
-formalis is daarom nog het voornaamste deel der dogmatiek. Eene
-gansche apologetiek gaat aan de dogmatiek vooraf, Hoekstra, Godgel.
-Bijdr. 1864 bl. 2 v. Schleiermacher heeft de dogmatiek wel tot eene
-positieve, historische wetenschap gemaakt en haar van alle apologetiek
-trachten te verlossen. Maar hij liet aan de historische theologie,
-waartoe de dogmatiek behoort, de philosophische voorafgaan, die haar
-uitgangspunt moest nemen über dem Christenthum, in het religieuse
-gemeenschapsleven in het algemeen, en van daaruit kritisch het wezen
-des Christendoms had te bepalen, Kurze Darstellung des theol. Stud.
-2e Ausg. § 32 f. Feitelijk heeft hij dus de theologie niet van de
-philosophie bevrijd, maar zoo sterk mogelijk van haar afhankelijk gemaakt.
-Dit komt ook daarin uit, dat hij in zijne Glaubenslehre eene breede
-inleiding laat voorafgaan met allerlei Lehnsätze uit de ethiek, de
-religionsphilosophie en de apologetiek. Nu heeft het voorbeeld van
-Schleiermacher, om encyclopaedisch de philosophische theologie aan
-de historische te laten voorafgaan, wel slechts bij enkelen navolging
-gevonden; maar in aansluiting aan hem is het toch gewoonte geworden,
-om de dogmatiek aan te vangen met een apologetisch deel. Zoo schreef
-Voigt eene Fundamentaldogmatik, Lange eene philosophische dogmatiek,
-die aan de positieve voorafging, Van Oosterzee legde een apologetischen
-grondslag, Dorner laat een fundamentaler Theil of Apologetik
-voorafgaan, Biedermann een prinzipieller Theil, Lipsius en Nitzsch een
-Principienlehre, enz. De raad van Liebner, Jahrb. f. d. Th. 1856 I 196
-f. om in de inleiding alleen het begrip der dogmatiek te ontwikkelen,
-daar er anders eene gansche dogmatiek komt vóór de dogmatiek, en de
-begrippen van religie, openbaring reeds de leer van God en mensch
-onderstellen, is weinig opgevolgd. De onderwerpen, die in deze
-Principienlehre behandeld worden, zijn niet bij allen gelijk, maar loopen
-toch meest over de begrippen: aard onzer kennis in religieuse dingen,
-religie, openbaring, H. Schrift en kerk. Het hoofdstuk theologie,
-vroeger meermalen opgenomen, is verhuisd naar de Encyclopaedie. De
-indeeling van de materieele dogmatiek is zeer verschillend. Sommigen
-volgen de trinitarische indeeling, zooals Martensen, Lange, Kahnis,
-Ebrard, Schweizer. Anderen gaan uit van Christus en behandelen de
-onderstellingen, den persoon en het werk van Christus, zooals Liebner,
-Thomasius, Lange. De tegenstelling van zonde en genade, met de daaraan
-voorafgaande onderstelling van de verhouding van God en wereld, ligt
-ten grondslag aan de indeeling van Schleiermacher en Rothe, zur Dogm.
-29. Hofmann, Philippi, Lutbardt, hebben het foedusbegrip, d. i. de
-gemeenschap Gods tot uitgangspunt genomen en behandelen den oorsprong,
-de verstoring, de objectieve herstelling, de subjectieve verwezenlijking
-en de voltooiïng dier gemeenschap. Het koninkrijk Gods wordt tot
-principium dividendi gekozen door Van Oosterzee; het begrip van liefde
-door Schoeberlein; dat van leven door Oetinger, Reiff, enz., terwijl
-eindelijk velen de gewone orde volgen van theologie, anthropologie enz.,
-zooals Vilmar, Hodge, Shedd, Böhl e. a.
-
-9. Wat allereerst aangaat de indeeling der dogmatiek in een algemeen en
-een bijzonder deel, deze is niet alleen door de principieele bestrijding
-der dogmatiek noodzakelijk geworden, maar is ook op zichzelve nuttig
-en goed. Reeds vroeg werd er behoefte gevoeld, om vóór de eigenlijke
-dogmata het wezen der theologie en hare principia in het licht te
-stellen. Polanus maakte al onderscheid tusschen de principia en de
-articuli fidei. En allengs is het dringende behoefte geworden voor
-den geloovige, niet alleen te weten wat, maar ook waarom hij gelooft.
-Maar daartoe is dan ook de taak van het eerste, algemeene deel der
-dogmatiek bepaald. Dit eerste deel heeft zich niet in te laten met
-allerlei encyclopaedische kwestiën, zooals het wezen, de geschiedenis,
-de indeeling der theologie, gelijk Gretillat, Exposé de théol. system. I
-1885, p. 199 s., nog doet. Vroeger geschiedde dat, omdat theologie met
-dogmatiek vereenzelvigd werd, en omdat de theol. encyclopaedie nog niet
-als eigen vak werd beoefend. Thans echter moet aan de encyclopaedie
-overgelaten worden de ontwikkeling van het wezen der theologie; in
-de dogmatiek behoort alleen nog de uiteenzetting van naam, begrip,
-methode, indeeling en geschiedenis der dogmatiek zelve, zooals dat
-in de inleiding geschiedt. Maar ook nog op eene andere wijze moet het
-principieele deel der dogmatiek beperkt worden. De methode, die reeds
-met de Scholastiek is opgekomen en dan later ook bij de Protestanten
-ingang vond, om nl. eerst de natuurlijke Godskennis (praeambula fidei)
-en daarna al de historische en redebewijzen (motiva credibilitatis) voor
-de openbaring te behandelen, verdient daarom afkeuring, wijl zij in het
-begin en in beginsel het standpunt des geloofs prijsgeeft, het positief
-karakter der dogmatiek miskent, op het terrein van den tegenstander
-overgaat, en dus feitelijk rationalistisch is en de dogmatiek van de
-philosophie afhankelijk maakt. Daartoe behoort ook de poging om de
-theologia of religio naturalis met het foedus operum te vereenzelvigen
-en dan te behandelen als eene voorbereiding voor de theologia revelata,
-die zakelijk één is met het foedus gratiae, Schweizer, Gl. der. ev.
-ref. K. I, 107-115, II 1 f. en Scholten L. H. K. I 304 v. Cf. Dr. van
-Dijk, Studiën, VI 1880, 1e stuk blz. 11 v. Beiden maken de natuurlijke
-religie (foedus operum, status integritatis), de wetsreligie (foedus
-gratiae ante legem en sub lege) en de Erlösungsreligion (foedus gratiae
-post legem) tot drie momenten in het religieuse proces. Daardoor wordt
-de openbaring niet alleen van haar bovennatuurlijk karakter beroofd,
-maar ook van de Geref. indeeling een gebruik gemaakt tegen haar
-bedoeling in. Het foedus operum, vóór den val, is geen voorbereiding
-van maar vormt eene tegenstelling met het foedus gratiae, dat eerst
-na verbreking van het foedus operum door de zonde in de historie
-optreedt. De onderscheiding van theol. naturalis en relevata is
-daarentegen eene gansch andere, niet eene historische maar eene, die
-nog altijd in de theologie bestaat en voortduurt. Tegenover zulk eene
-rationaliseering van religie en theologie moet met Schleiermacher,
-Rothe, Frank, Ritschl, enz. het positief karakter gehandhaafd worden.
-Ook de principia fidei zijn articuli fidei, die niet op menschelijke
-redeneeringen en bewijzen maar op goddelijk gezag rusten. De erkenning
-van de openbaring, van de Schrift als Gods Woord is een vrucht en daad
-des geloofs. In de dogmatiek is van het begin tot het eind de geloovige
-aan het woord, zoowel in de principia als in de articuli fidei; hij
-belijdt en geeft rekenschap van zijn geloof, van grond en van inhoud. In
-het eerste deel worden dus alleen de principia fidei ontwikkeld. Deze
-zijn tweevoudig, principium externum en internum, objectivum en formale,
-Voetius, Disp. I 2. Alting, Theol. Schol. didact. p. 10, evenals de
-religio objectiva en subjectiva onderscheiden moet worden. En in deze
-twee wordt heel het eerste deel der dogmatiek afgehandeld.
-
-Bij de ordening van de stof in het tweede deel is de trinitarische
-indeeling te verwerpen, omdat zij de behandeling der triniteit zelve
-natuurlijk niet in eene der drie oeconomieën kan opnemen en dus bij wijze
-van onderstelling in een hoofdstuk vooraf moet laten gaan. Voorts
-bestaat er bij deze indeeling gevaar, dat de opera ad extra veel te
-veel als opera personalia worden opgevat en te weinig worden beschouwd
-als opera essentialia, als gemeenschappelijke werken der drie personen,
-of ook andererzijds dat bij handhaving der eenheid de triniteit slechts
-oeconomisch genomen en in haar ontologisch karakter miskend wordt.
-Eindelijk is aan deze indeeling nog de schaduwzijde verbonden, dat de
-loci over schepping, engel, mensch, zonde, kerk, enz. onder de personen
-der triniteit verdeeld, niet tot hun recht kunnen komen. Maar nog veel
-meer bezwaren bestaan er tegen de christologische indeeling. Hoeveel
-aanlokkelijks ze ook bij den eersten oogopslag hebben moge, ze is toch
-onbruikbaar. Ze rust ten eerste dikwerf op de onjuiste voorstelling,
-alsof niet de Schrift maar bepaald de persoon van Christus het
-principium en de kenbron ware der dogmatiek, en toch weten we van
-Christus niets af dan uit en door de Schrift. Voorts is Christus zeer
-zeker het centrum en de hoofdinhoud der H. Schrift, maar juist omdat
-hij het middelpunt is, is hij het uitgangspunt niet; hij onderstelt God
-en den mensch, gelijk hij ook niet terstond bij, maar eerst vele eeuwen
-na de belofte in de historie is opgetreden. Vervolgens is het buiten
-twijfel, dat Christus ons den Vader heeft geopenbaard, maar dit spreken
-Gods door den Zoon doet het spreken Gods op velerlei wijze door de
-profeten niet te niet; niet het Nieuwe Testament alleen, noch ook
-alleen de woorden van Jezus, maar heel de Schrift is een Woord Gods,
-dat door Christus tot ons komt. Eindelijk is het duidelijk, dat de
-christologische indeeling de loci over God, schepping, wereld, mensch
-slechts bij wijze van onderstellingen en postulaten behandelen en dus
-niet in hunne rijke beteekenis ontwikkelen kan. De andere indeelingen,
-ontleend aan de drie deugden geloof, hoop, liefde, geloof, gebed en
-gebod, aan de bestemming en het einddoel des menschen, aan het verbond
-of de gemeenschap van God en mensch, aan het rijk Gods, aan de begrippen
-van leven, liefde, geest, enz. mogen practisch veel voor hebben en in
-een catechismus op haar plaats zijn; zij kunnen voor eene dogmatiek, die
-het systeem der kennisse Gods is, niet in aanmerking komen. Ze zijn
-daartoe niet centraal en algemeen genoeg. Zij zijn dan ook òf van buiten
-aangebracht en beheerschen het systeem niet, gelijk bij Van Oosterzee;
-òf zij zijn als indeelingsbeginsel streng vastgehouden maar doen aan
-verschillende loci te kort.
-
-10. Inhoud der dogmatiek is de kennisse Gods, gelijk Hij die in Christus,
-door zijn Woord, heeft geopenbaard. Het eigenaardige van de kennis des
-geloovigen bestaat daarin, dat hij alles religieus, theologisch beziet,
-dat hij alles beschouwt in ’t licht Gods, sub specie aeternitatis. Dat
-is het onderscheid tusschen zijne en eene wijsgeerige of wetenschappelijke
-wereldbeschouwing. In de dogmatiek is altijd de geloovige, de Christen
-aan het woord. Hij speculeert niet over God, hij gaat niet van een
-abstract, philosophisch Godsbegrip uit, en komt niet door de theologia
-naturalis tot de theologia revelata. Hij redeneert niet over God, gelijk
-Hij in zichzelven bestaat, want deze kennis is volkomen onbereikbaar.
-Hij beschrijft alleen die kennisse Gods, welke hem in Christus is
-geopenbaard. Ook als hij dus in het eerste deel der dogmatiek over
-God, zijne eigenschappen, de triniteit handelt, spreekt en denkt hij
-als geloovige, als Christen, als theoloog en niet als philosoof. In
-elk dogma klopt dus het hart der religie. Dogmatiek is geen wijsgeerig
-systeem, dogmatiek is theologie. Maar daarom juist beschrijft de
-dogmaticus in zijn systeem der kennisse Gods niet, hoe hij tot het geloof
-kwam en door het geloof subjectief en successief inzicht verkreeg in de
-verschillende waarheden des geloofs. Dat ware eene analytische methode,
-die in een catechismus uitnemend is maar in eene dogmatiek niet past.
-Maar hij expliceert den inhoud van zijn geloof, gelijk die objectief, in
-de openbaring, door God zelven voor zijn geloofsoog uitgespreid is. Hij
-ontleent het beginsel van indeeling en de rangschikking der stof niet
-aan zijn eigen geloofsleven, maar aan het voorwerp zelf, dat hij in zijne
-dogmatiek te beschrijven heeft; niet aan het geloovig subject, maar
-aan het object des geloofs. Al stemmen we er dus van harte mede in,
-dat in de dogmatiek altijd en overal, van het begin tot het einde, de
-geloovige denkt en spreekt; toch is dit iets gansch anders, dan dat hij
-ook de ordening der dogmatische stof aan zijn eigen ervaring ontleenen
-zou. Daardoor zou de dogmatiek in haar karakter miskend worden, in
-anthropologie overgaan, en ophouden theologisch te zijn. Dit blijft ze
-alleen, als het systeem der dogmatiek aan haar eigen stof en inhoud
-wordt ontleend.
-
-Indien dit uitgangspunt goed is gekozen, zijn er maar twee indeelingen,
-die zichzelve daarvoor aanbevelen. De eerste is de reeds besprokene
-trinitarische indeeling. Er ligt in haar veel bekoorlijks; vandaar dat
-ze telkens weer ingang vond en ook in de philosophie grooten invloed
-oefende. Zij beveelt zich aan door haar zuiver theologisch karakter.
-God is begin en einde, alpha en omega. Natuur en geschiedenis worden
-onder Hem gesubsumeerd. Alles is uit God en tot God. Het trinitarische
-behoedt voor eenvormigheid en waarborgt leven, ontwikkeling, proces.
-Maar daarmede is tegelijk haar gevaar aangewezen. Zij is te speculatief,
-ze offert de historie op aan het systeem, ze neemt zoo licht de
-kosmogonie op in het trinitarische leven Gods en wordt dan tot
-theogonie. De philosophie van Erigena, Böhme, Baader, Schelling, Hegel
-strekt ten bewijze. Daarom verdient die indeeling de voorkeur, welke
-theologisch is en tevens een historisch-genetisch karakter draagt.
-Ook zij neemt haar uitgangspunt in God en beschouwt alle schepselen
-slechts in relatie tot Hem. Maar van God uitgaande, daalt ze tot
-zijne werken af, om dan door deze heen weer tot Hem op te klimmen en
-in Hem te eindigen. Ook bij deze indeeling is God dus het begin, het
-midden en het einde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
-Maar God wordt hier niet neergetrokken in het proces der historie,
-en de geschiedenis komt hier beter tot haar recht. Tusschen God en
-zijne werken wordt onderscheid gemaakt. In die werken treedt Hij op
-als Schepper, Hersteller en Volmaker. Hij is exemplar effectivum in
-creatione, refectivum in redemptione, perfectivum in retributione. De
-dogmatiek is het systeem der kennisse Gods gelijk Hij in Christus zich
-heeft geopenbaard; zij is het systeem der christelijke religie. En het
-wezen der christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des
-Vaders, door de zonde verwoest, weer in den dood van den Zone Gods
-wordt hersteld en door de genade des H. Geestes herschapen wordt tot
-een koninkrijk Gods. De dogmatiek toont ons, hoe God, de Algenoegzame
-in zichzelven, zich nochtans verheerlijkt in zijne schepping, die, ook
-als ze door de zonde wordt uiteengeslagen, toch weer in Christus
-wordt bijeenvergaderd Ef. 1:10. Zij beschrijft ons God, altijd God, van
-het begin tot het einde, God in zijn wezen, God in zijne schepping,
-God tegenover de zonde, God in Christus, God door den H. Geest allen
-tegenstand brekend, en heel de schepping heenleidend tot het door Hem
-vastgestelde doel, de glorie van zijn naam. Dogmatiek is dus geen dorre
-wetenschap. Zij is eene theodicee, een lofzang op alle Gods deugden en
-volmaaktheden, een lied der aanbidding en der dankzegging, een δοξα ἐν
-ὑψιστοις θεῳ.
-
-
-§ 5. GESCHIEDENIS EN LITTERATUUR DER DOGMATIEK.
-
-A. Opkomst der dogmatiek, 2e-4e eeuw.
-
-1. De H. Schrift is geen dogmatiek. Zij bevat al de ons noodige kennisse
-Gods, maar heeft deze niet dogmatisch geformuleerd. De waarheid is
-daar neergelegd als vrucht van openbaring en inspiratie, in eene taal,
-die de onmiddellijke uiting is van het leven en daarom altijd frisch
-en oorspronkelijk blijft. Maar zij is nog geen voorwerp van reflectie
-geworden en nog niet heengegaan door het denkend bewustzijn. Hier en
-daar, b.v. in den brief aan de Romeinen, moge er een aanvang van
-dogmatische ontwikkeling zijn; meer dan een aanvang is het ook niet. De
-periode der openbaring moest gesloten zijn, eer die van de dogmatische
-reproductie een aanvang kon nemen. De Schrift is de goudmijn, maar de
-kerk is het, die het goud eruit opdelft, het stempelt en in gangbare
-munt omzet, Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 20 f. Deze dogmatische
-verwerking van den inhoud der H. Schrift is echter niet het werk
-van één enkel theoloog, of van eene bijzondere kerk of school, maar
-van de gansche kerk door alle eeuwen heen, van heel de nieuwe, door
-Christus herborene menschheid. Gelijk er eenheid en continuiteit is in
-de ontwikkeling van iedere wetenschap, zoo is dat ook het geval in
-de theologie en in de dogmatiek. Ook deze hebben eene geschiedenis.
-Niet alleen in dien zin, dat de stof en inhoud allengs, in een verloop
-van eeuwen, door God werd geopenbaard; noch slechts alzoo, dat de
-verschillende waarheden door de kerk allengs duidelijker geformuleerd
-en in het leven toegepast zijn; maar ook nog in deze beteekenis, dat
-het wetenschappelijk bewustzijn hoe langer hoe meer een helder inzicht
-kreeg in het organisme en het systeem dier geopenbaarde waarheid. Ook
-het wetenschappelijk karakter van dogmatiek en theologie heeft eene
-geschiedenis doorloopen.
-
-De Apostolische Vaders, o. a. uitgegeven door Hefele-Funk, Tübingen
-1878-1881. Gebhardt, Harnack, Zahn, Patrum apost. opera. Lips.
-1875-’77, ed minor repetita. Lips. 1894. Hilgenfeld, Nov. Test. extra
-canonem receptum, ed sec. Lips. 1884, vertaald door Duker en Van Manen,
-Oud-Christ. letterkunde. Amst. 1871, staan nog geheel op het standpunt
-van een naïef, kinderlijk geloof. Het Christendom was geen vrucht van
-menschelijk onderzoek, maar van openbaring en vorderde daarom in de
-eerste plaats geloof. Men spreekt de H. Schrift nog na. De bijbelsche
-begrippen, zooals van Christus als Heer, zijn dood, geloof, bekeering,
-gemeente, waken, gebed, aalmoes, opstanding, leven, onsterfelijkheid,
-enz. worden wel overgenomen, maar zonder dat de reflectie ontwaakt
-en de inhoud ervan ingedacht en ontleed wordt. Het Christendom vond
-trouwens ook meest ingang onder de eenvoudigen en onontwikkelden. Des
-te meer is al het streven erop gericht, om de christelijke waarheid om
-te zetten in het leven en ze practisch ook in cultus en organisatie tot
-heerschappij te brengen; niet op de gnosis maar op een heilig leven,
-op de beoefening der christelijke deugden van liefde, zachtmoedigheid,
-vrede, eenheid enz. wordt de nadruk gelegd. De kring van denkbeelden,
-waarin men zich beweegt, is daarom ook nog eng; vele bijbelsche
-begrippen ontbreken geheel, en andere worden verzwakt of gewijzigd; de
-werkheilige opvatting van het Christendom wordt voorbereid. Over het
-algemeen zijn de geschriften der Apost. Vaders ethisch krachtiger en
-rijker dan dogmatisch. In weerwil van denzelfden briefvorm en ten deele
-dezelfde gemeenten, aan wie zij zich richten, springt het onderscheid en
-de afstand tusschen de Apostelen en de Apostolische Vaders zeer sterk
-in het oog. Het heidensche bewustzijn kon zoo spoedig de christelijke
-gedachten niet in zich opnemen, Lübkert, Die Theol. der apost. Väter,
-in Niedner’s Zeits. f. hist. Th. 1854 S. 589 f. Sprinzl, Die Theol. der
-apost. Väter, Wien 1880. Lechler, Das apost. u. nachapost. Zeitalter,
-3e Ausg. 586-610. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss. Supplementband
-1889 S. 18 f. Dorner, Entw. Gesch. der Lehre v. d. Person Christi, 2e
-Aufl. I 130 f. Harnack, Dogmengesch. I 125-186.
-
-2. Bij deze eenvoudige herhaling en practische toepassing der
-Schriftwaarheid kon echter de theologie niet blijven staan. De
-tegenstand, dien het Christendom allengs van de heidensche cultuur
-ondervond, dwong tot nadenken, en verdediging. In den eersten tijd
-bepaalde zich de heidensche macht tot vervolging, Uhlhorn, der Kampf
-des Christ. mit dem Heid. 3e Aufl. Stuttgart 1879, haat, verachting en
-spot, gelijk ze door Tacitus, Ann. 15:44 en Lucianus in zijn Peregrinus
-Proteus worden geuit, Th. Keim, Rom und das Christenthum, herausg. v.
-H. Ziegler 1881. Stud. u. Kr. 1851, S. 826 f. Herzog² 8, 772. Maar
-langzamerhand moet de heidensche wereld met het Christendom rekenen
-en valt zij het wetenschappelijk aan. Heinrich Kellner heeft in zijn
-Hellenismus und Christenthum, Kölln 1866 deze geistige Reaktion des
-antiken Heidenthums gegen das Christenthum opzettelijk beschreven, en
-ten slotte, S. 431 f. ook op hare verwantschap met de bestrijding van
-het Christendom in den tegenwoordigen tijd gewezen. De voornaamste
-wetenschappelijke bestrijders zijn: Celsus, (W. Th. Keim, Celsus’ wahres
-Wort. Zürich 1873. Origenes, contra Celsum. Bindemann, Zeits. f. d.
-histor. Theol. 1842, 2tes Heft S. 58 f. Baur, Kirch. Gesch. der 3
-ersten Jahrh. 383 f. Herzog² 11, 100 f. Vigouroux, Les livres saints
-et la critique rationaliste, 3e ed. I 133 s.) Porphyrius, (Baur,
-ib. 420 f. Jahrb. f. d. Theol. 1878. 2tes Heft S. 269 f. Herzog²
-10, 524. Vigouroux, ib. I 156 s.), Fronto, de vriend van Aurelius
-(blijkens Minucius Felix, Octavius 9, 31. Boissier, Les polémiques
-religieuses au second siècle, Revue des Deux Mondes 1 Jan. 1879,
-Herzog² 8, 772), en later nog Julianus, die blijkens de weerlegging
-van Cyrillus, contra Julianum, een boek tegen de christenen schreef,
-(C. J. Neumann, Juliani imperatoris librorum contra Christianos quae
-supersunt Lips. Teubner 1880, ook vertaald in ’t Duitsch. ib.). Al
-de argumenten, die later alle eeuwen door tegen het Christendom zijn
-ingebracht, zijn reeds bij hen te vinden, zoo b.v. tegen de echtheid en
-waarheid van vele Bijbelboeken, den Pentateuch, Daniël, de Evangeliën,
-tegen de openbaring en de wonderen; tegen verschillende dogmata
-zooals de menschwording, de voldoening, de vergeving, de opstanding,
-de eeuwigheid der straf; tegen de moraal, zooals het ascetisme,
-de wereldverachting, de onbeschaafdheid; om niet te spreken van
-de lasterlijke beschuldigingen van het aanbidden van een ezelskop,
-kindermoord, echtbreuk enz. Toch heeft ook deze wetenschappelijke
-bestrijding het Christendom niet overwonnen. En de Heidenen zagen zich
-gedrongen, om of den ouden godsdienst tot nieuw leven te brengen, gelijk
-het Neopythagoreïsme en Neoplatonisme beproefden, Zeller, Philos. der
-Griechen 3e Aufl. V 79 f. 419 f., of het Christendom met het Heidendom
-te vermengen en te verbinden, gelijk dat geschiedde in het Gnosticisme
-en Manichaeisme. Vooral het Gnosticisme was eene machtige poging, om
-het Christendom in de combinatie en fusie van allerlei heidensche
-elementen, neoplaton. wijsbegeerte, syrische en phenicische mythologie,
-chaldeeuwsche astrologie, perzisch dualisme, enz. optenemen en zoo van
-zijn absoluut karakter te ontdoen. De hoofdvraag daarbij was deze, hoe de
-menschelijke geest in de banden der materie gekomen was en daaruit nu
-kon worden bevrijd. Gewoonlijk is God in het Gnosticisme de abstracte,
-onderscheidlooze eenheid. Uit hem is de materie, de oorzaak van het
-kwaad, niet te verklaren. Deze wordt afgeleid uit een lageren god,
-den demiurg, die tusschen den hoogsten God en de zinnelijke wereld in
-staat en vereenzelvigd wordt met den God des O. Test. Ter verlossing
-van de in de materie geboeide geesten gaan er uit God verschillende
-aeonen, die de verschillende godsdiensten vertegenwoordigen en hun
-hoogtepunt bereiken in den aeon Christus. Het Christendom is dus niet
-de eenige maar de hoogste godsdienst. Christus echter wordt docetisch
-opgevat, want niet op het feit, de historie, maar op de idee komt het
-aan. Daarom bestaat de hoogste zaligheid ook in het kennen; kennis met
-askese maakt zalig. De pistis, de theologie, moge goed zijn voor de
-onontwikkelden; de gnosis, de philosophie is het hoogste, zij is het
-eigendom der πνευματικοι. Deze ideeën werden door allegorische exegese
-met de Schrift in overeenstemming gebracht, en voorgedragen in vormen
-en beelden, aan de mythologie ontleend en door de phantasie versierd.
-Ze veranderden het Christendom in een soort van Religionsphilosophie,
-van speculatieve philosophie, welke alle eeuwen door, tot in de
-stelsels van Hegel en Schelling toe, haar invloed geoefend heeft, cf.
-Jacobi in Herzog² 5, 204 f. Harnack Dogm. I 186 f. Vigouroux t. a. p. I
-106 s. en de daar aangeh. litt.
-
-Tegenover deze verschillende aanvallen was verdediging noodig. De
-Christenen werden gedwongen, om over den inhoud der openbaring na
-te denken, en eene ware, christelijke gnosis te stellen tegenover
-de valsche. De geopenbaarde waarheid wordt object van methodisch,
-wetenschappelijk denken. Er ontstond theologie, niet uit en voor de kerk
-en ter opleiding harer dienaren, maar naar aanleiding en ter afwering
-van de aanvallen, die op het Christendom gericht werden. Natuurlijk
-was tot zulk eene denkende werkzaamheid, kennis van de heidensche
-philosophie van noode; de theologie ontstond feitelijk met behulp van
-en door verbinding met de philosophie. De Gnostieken hadden dit ook
-reeds beproefd, maar er was een wezenlijk verschil in de wijze, waarop de
-Gnostieken en waarop de Apologeten die verbinding zochten. Dat verschil
-bestaat niet daarin, dat genen eene acute, en dezen eene allmählige
-Hellenisirung van het Christendom ondernamen, Harnack, Dogmengesch.
-I 168 f. 413 f. Maar bij de Gnostieken ging de positieve, absolute
-inhoud der christelijke religie te loor, bij de Apologeten bleef deze
-bewaard; bij genen was het gebruik der philosophie materieel, bij dezen
-in hoofdzaak formeel; genen werden daarom door de kerk verloochend,
-dezen erkend; genen stelden de verschillende philosophieën voor als
-een religieus proces, waarin ook het Christendom werd opgenomen,
-dezen trachtten de christelijke religie, die ze erkenden en aannamen,
-aan te toonen als de hoogste waarheid, als de ware philosophie, die
-alle waarheidselementen van elders in zich vereenigt. Dit laatste
-is zelfs de grondgedachte der Apologeten, en ze werken deze aldus
-uit: God is één, onuitsprekelijk, geestelijk enz., maar Hij is door den
-Logos ook schepper der wereld, laatste oorzaak van al het zijnde en
-principe van al het zedelijk goede. Het gnostisch dualisme is hier
-overwonnen; de wereld draagt overal den stempel van den goddelijken
-Logos, ook de materie is goed en door God geschapen. De mensch is
-oorspronkelijk goed geschapen, ontving rede en vrijheid en werd voor de
-ἀθανασια bestemd; deze moest en kon hij bereiken in den weg der vrije
-gehoorzaamheid. Maar hij heeft zich laten verleiden door de daemonen en
-is nu onder de heerschappij der zinnelijkheid gekomen, aan de dwaling
-en den dood vervallen. Ook hier is het dualisme vermeden en wordt de
-oorzaak der zonde in den wil des menschen gezocht. Maar daarom zijn er
-nu nieuwe middelen van noode, om den mensch van den weg der leugen en
-des doods terug te brengen en heen te leiden naar de onsterfelijkheid.
-God openbaarde zich door den Logos van de oudste tijden af, en deelde
-kennis der waarheid mede ook wel aan sommige Heidenen, maar vooral aan
-de profeten onder Israel, en eindelijk in zijnen Zoon Jezus Christus.
-In Hem is alle vroegere waarheid bevestigd en voltooid. Door Hem als
-leeraar der waarheid wordt de mensch wederom tot zijne bestemming
-gebracht. De Apologeten zijn dus intellectualistisch en moralistisch;
-toch ontbreekt b.v. bij Justinus het streven niet, om Christus ook als
-Verzoener en Verlosser te begrijpen, door wiens bloed wij vergeving
-der zonde ontvangen. Uitgave der Apologeten Justinus, Tatianus,
-Athenagoras, Theophilus en Hermias, bij Migne ser. gr. t. 6. Van hen
-is Justinus verreweg de belangrijkste, Semisch, Justin der Martyrer,
-Breslau 1840. Böhringer, Kirch. Gesch. in Biogr. I 1 S. 96-270. Aubé St.
-Justin philosophe et martyr. Paris 1861. Weiszäcker, Die Theol. des J.
-M. (Jahrb. f. d. Th. 1867, S. 60-119). Engelhardt, Das Christ. J. d. M.
-Erlangen 1878 en Herz.² 7, 318. Stählin, Justin der Martyrer Leipz.
-1880. Harnack D. G. I 413-464. Dr. H. Veit, Justinus des Philos. und
-Martyrers Rechtfertigung des Christ. Strassburg, Heitz. 1894.
-
-3. De aanvangen der theologie bij de Apologeten waren echter niet
-alleen zwak maar in velerlei opzicht ook van eenzijdigheid en dwaling
-niet vrij. De problemen die zich voordeden waren vele en machtige; de
-verhouding van theologie en philosophie, de leer van den Logos in zijne
-verhouding tot God, de beteekenis van Christus en zijn dood enz. waren
-veel te diep, dan dat in eens het rechte inzicht verkregen kon worden.
-Verschil van opvatting deed zich menigmaal voor. Zoodra er theologie
-kwam, kwam er ook onderscheid van richting en school. Tweeërlei
-dogmatische richting laat zich weldra onderscheiden. Eenerzijds die,
-welke vertegenwoordigd wordt door Tertullianus (ed. van Oehler,
-Leipzig 1853, van Gersdorf, Bibl. patr. eccles. lat. vol. 4-7. Migne,
-ser. lat. t. 1-2). Cyprianus (ed. Gersdorf. vol. 2-3. Hartel, Vienna
-3 vol. 1868-71. Migne ser. lat. t. 4) en Lactantius (ed. Gersdorf.
-vol. 10-11. Migne t. 6), en ook door Irenaeus, van wien alleen het
-hoofdwerk Ἐλεγχος και ἀνατροπη της ψευδωνυμου γνωσεως, gewoonlijk
-geciteerd Adversus haereses libr. V is bewaard gebleven (ed. Stieren,
-Leipzig 1853. Migne ser. gr. t. 7) en zijn leerling Hippolytus van
-Rome, waarschijnlijk schrijver van de eerst aan Origenes toegeschreven
-φιλοσοφουμενα ἠ κατα πασων αἱρεσεων ἐλεγχος (ed. Duncker u. Schneidewin
-Gött. 1859. Migne, ser. gr. t. 10). Dezen allen staan antithetisch
-tegenover de philosophie. Irenaeus waarschuwt er zeer ernstig tegen,
-adv. haer. II 25-28 en Tertullianus bant ze geheel en zoo scherp
-mogelijk, de praescr. 7, in de bekende plaats: wat heeft Athene en
-Jeruzalem, de akademie en de kerk, de Christenen en de ketters gemeen
-enz. Toch maken zij er allen weer het naïefste gebruik van; Tertullianus
-is voor de theologie daarom zoo belangrijk, wijl hij een aantal termini
-voor het trinitarisch en christologisch dogma heeft ingevoerd, zooals
-trias, trinitas, satisfacere, meritum, sacramentum, una substantia
-en tres personae, duae substantiae in una persona enz. Maar ze staan
-daarbij op den grondslag van het geloof der kerk; ze zijn historisch,
-positief, realistisch en maken tusschen geloof en theologie, πιστις en
-γνωσις, geen qualitatief maar hoogstens een quantitatief onderscheid,
-Iren. adv. haer. I 10, 3. En wel is nog van een dogmatisch systeem
-bij deze mannen geen sprake; de dogmata staan los naast elkander, een
-bepaald principe is niet te vinden, zelfs is in de christologie door
-Tertullianus en Hippolytus het gnosticisme niet geheel overwonnen;
-maar toch is de theologie van deze mannen, inzonderheid van Irenaeus,
-die der volgende eeuwen geweest. Al de latere dogmata zijn bij hem te
-vinden. De eenheid Gods, de wezenseenheid van Vader en Zoon, van den
-God der schepping en der herschepping, de eenheid van den God des O.
-en dien des N. V., de schepping der wereld uit niets, de eenheid van
-het menschelijk geslacht, de oorsprong der zonde uit de wilsvrijheid, de
-beide naturen van Christus, de absolute openbaring Gods in Christus, de
-opstanding aller menschen enz. zijn door hem tegenover het Gnosticisme
-duidelijk uitgesproken en gehandhaafd. Het Christendom heeft bij Irenaeus
-het eerst eene eigene, zelfstandige theologische wetenschap ontvouwd,
-Harnack, Dogm. Gesch. I 464-547, de artikelen over de genoemde
-theologen bij Herzog², de monographieën over hen, bijv. over Irenaeus,
-Böhringer, Kirchengesch. in Biogr. 2e Aufl. I Bd. 1e Abth. Ziegler,
-Irenaeus, Der Bischof von Lyon, Berlin 1871. Reville, Revue des deux
-Mondes 1865. Alzog, Grundriss der Patrologie, 4e Aufl. Freiburg 1888 S
-104 f. enz. Zöckler Supplement S. 40 f.[1]
-
- [1] Kortheidshalve worden hier eenige werken genoemd voor
- de Conciliën, Kerkvaders, Kerkelijke schrijvers, enz. en
- litteratuur daarover. De acten der conciliën zijn verzameld
- in: Joa. Harduinus, Conciliorum collectio regia maxima.
- Par. 1714. 11 Tomi in 12 vol., loopt tot 1714. J. Domin.
- Mansi. Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio.
- Flor. 1759-1788. 31 vol.; eene nieuwe, verbeterde editie
- verschijnt sedert 1885 te Parijs. Acta et decreta sacrorum
- conciliorum recentiorum. Collectio Lacensis (Maria Laach), 7
- vol. Frib. Brisg. 1870-1890, bevat de acta der concilia van
- 1682-1870. De voornaamste besluiten van conciliën en Pausen
- zijn verzameld door H. Denzinger. Enchiridion symbolorum et
- definitionum, ed. 6 aucta ab Ign. Stahl. Wirceb. 1888. De
- geschiedenis der conciliën is het volledigst behandeld door
- Karl Joseph von Hefele, Conciliëngeschichte, nach den Quellen
- bearbeitet, 7 Bde. Freiburg 1885-1671, 2e Aufl. Bd. 1-4 door
- Hefele zelf, Bd. 5-6 door Knöpfler; ’t werk is voortgezet
- door Hergenröther, die Bd. 8-9 eraan toevoegde 1867 en 1890.
-
- De Kerkvaders en andere kerkelijke schrijvers zijn uitgegeven
- o. a. door: Andr. Gallandius, Bibliotheca veterum patrum
- antiquorumque scriptorum ecclesiasticorum, Venet. 1763-1781,
- 14 tomi fol. J. P. Migne, Patrologiae cursus completus,
- sive Bibliotheca universatis .... omnium S. S. Patrum,
- doctorum scriptorumque ecclesiasticorum, sive latinorum,
- sive graecorum. Paris 1844 sq. 473 tomi; series latina 221
- tomi, series graeca 166 tomi, patrologia graeca latine
- tantum edita 86 tomi. Voorts zijn verschillende kerkvaders
- afzonderlijk uitgegeven door de Mauriner monniken (Cf.
- art. Herz²), zooals Origenes door Delarue Paris 1733,
- Chrysostomus door Montfaucon 1718, Augustinus door Delfau e.
- a. 1679-1702 enz. En eindelijk verschijnt er eene uitnemende
- editie van de Lat. kerkvaders te Weenen onder leiding van
- de Keizerlijke Akademie der wetenschappen: Corpus scriptorum
- ecclesiasticorum Latinorum. Vindob. 1866 sq. waarin reeds
- verschillende kerkvaders Minucius Felix, Cyprianus, Arnob.,
- Lact., enz. of gedeelten van kerkvaders Tert., August. enz.
- verschenen zijn. Zie verder Bellarminus, De Scriptoribus
- ecclesiasticis Romae 1613. Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque
- des auteurs ecclésiastiques, 47 vol. Par. 1686-1714. Cave,
- Historia literaria script. eccles. 2 vol. Lond. 1689, Basil.
- 1741. Walch, Bibl. theol. sel. Jenae 4 vol. 1757 sq. Ritter,
- Geschichte der christl. Philosophie, 4 Theile, Hamburg
- 1841-1845. Ueberweg, Grundriss der Gesch. d. Phil. der patr.
- u. schol. Zeit. 6e Aufl. 1881. Nirschl. Lehrb. der Patrol.
- u. Patristik, 3 Bde. Mainz 1881-1885. Alzog, Grundriss der
- Patrologie, 4e Aufl. Freiburg 1888. G. Krüger, Gesch. der
- altchristl. Litteratur in den ersten drei Jahrh. Freiburg
- 1895.
-
- Als hulpmiddelen kunnen dienst doen: voor het kerkelijk
- Grieksch, het woordenboek van J. C. Suicerus, Thesaurus
- ecclesiasticus, ed. 2a longe auctior Amst. 1728, 2 tomi; voor
- het middeleeuwsch Grieksch C. Dufresne, dominus du Cange,
- Glossarium ad scriptores mediae et infimae graecitatis. Lugd,
- 1688, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Latijn C. Dufresne,
- dominus du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae
- latinitatis. Par. 1678, 3 vol.; nieuwe uitgave door de
- Benedictijnen in 6 deelen 1733-36; door G. A. L. Henschel,
- Par. 1840-50 in 7 deelen; en door Leopold Favre in 10
- deelen 1883-87. Ook Forcellini, Totius latinitatis lexicon,
- in 4 deelen Padua 1771; nieuwe uitgave door Furlanetto
- in 4 deelen. Padua 1828-’31: engelsche uitgave te Londen
- 1826; duitsche door Voigtlander en Hertel te Zwickau en
- Schneeberg 1829-33, nieuwe uitgave in Italië door Corradini
- te Padua 1859 en door D. Vinc. De Vit in 6 deelen te Prato
- 1858-79. Voor de plaatsnamen: J. V. Muller, Lexicon manuale,
- geographiam antiquam et mediam cum Latine tum Germanice
- illustrans, Lips. 1831. J. G. Th. Graesse, Orbis latinus over
- Verzeichniss der lateinischen Benennungen der bekanntesten
- Städte usw. Dresden 1861.
-
-Gansch anders was de houding, die door de Alexandrijnsche theologen
-tegenover de philosophie en het gnosticisme werd aangenomen. Op
-verschillende plaatsen, vooral in Alexandrië, ontwaakte tegen het einde
-der 2e en in het begin der 3e eeuw het streven, om de christelijke
-stof wetenschappelijk te bewerken en zoo mit dem Zeitbewusstsein
-zu vermitteln, Harnack, D. G. I 549. De oorsprong en het ontstaan
-der Katechetenschool in Alexandrië is ons onbekend, Guericke, De
-schola quae Alexandriae floruit catechetica 1824. Vacherot, Hist.
-crit. de l’école d’Alex. 1846-51. Herzog² I 290-292, maar ze bestond
-reeds ongeveer 190 en nam spoedig in aanzien en invloed toe. De
-eerste leeraar, die ons door zijne overgebleven geschriften bekend
-is, is Clemens Alexandrinus. Maar hij wordt in de schaduw gesteld
-door Origenes, den invloedrijksten theoloog uit de eerste eeuwen.
-Hun streven was, om de kerkelijke geloofsleer om te zetten in een
-speculatieve wetenschap. Wel handhaafden zij het geloof, en namen zij
-in onderscheiding van de gnostieken in de positieve leer der kerk hun
-uitgangspunt. Clemens noemde het geloof zelfs een γνωσις συντομος,
-schatte het hooger dan de heidensche wijsheid; het Christendom is een
-weg ter zaligheid voor alle menschen en kan slechts door het geloof
-toegeeigend worden; de inhoud van dat geloof is door de kerk in haar
-belijdenis samengevat, en de kenbron der waarheid is enkel en alleen de
-openbaring, de H. Schrift. Dit alles wordt door Clemens en Origenes
-even sterk vastgehouden als door Irenaeus en Tertullianus. Maar het
-onderscheid begint hier, dat de Alexandrijnen een qualitatief verschil
-aannamen tusschen geloof en wetenschap. Geloof moge goed zijn en noodig
-voor de eenvoudigen; de ontwikkelden hebben daaraan niet genoeg. De
-theologie moet er naar staan, om den inhoud des geloofs te ontwikkelen
-tot eene wetenschap, die niet rust op autoriteit maar in zichzelve
-haar waarborg en bevestiging vindt. De pistis moet tot gnosis verheven
-worden. De gnosis is hier geen middel meer, om de ketterij te weren
-en te bestrijden maar wordt doel. De pistis voert slechts tot een
-χριστιανισμος σωματικος, maar de theologie moet uit de H. Schrift den
-χριστιανισμος πνευματικος ontwikkelen. Wat Philo beproefd had voor de
-Joden, ondernamen Clemens en Origenes voor de Christenen; zij zetten
-het werk van Justinus Martyr voort. Om dit doel te bereiken, moesten
-zij natuurlijk kennis hebben en gebruik maken van de philosophie; ze
-sluiten zich wel niet aan bij een bepaald systeem, maar ze bedienen
-zich van de gansche grieksche philosophie sedert Socrates, vooral van
-die van Plato en van de Stoa. En met behulp daarvan levert Origenes
-een systeem dat zonder twijfel van genialen blik en diepe denkkracht
-getuigt, maar dat ook telkens gevaar loopt, om de theologie in
-philosophie te doen ondergaan. Subordinatie van den Zoon, eeuwigheid
-der schepping, praeexistentie der zielen, dualisme van geest en stof,
-aardsche loutering, herstelling aller dingen zijn zoovele elementen in
-het stelsel van Origenes, die het met het geloof der kerk in strijd
-brachten en later zijne veroordeeling bewerkten. Met de Schrift werd
-dit alles overeengebracht door eene pneumatische, allegorische exegese.
-Maar feitelijk wordt in deze theologie van Origenes de christelijke
-religie in ideeën opgelost. Zij zoekt eene transactie tusschen kerk en
-wereld, geloof en wetenschap, theologie en philosophie, een compromis
-tusschen de dwaasheid des kruises en de wijsheid der wereld en is
-zoo de schoonste en rijkste type van de telkens in de kerk opkomende
-Vermittelungstheologie, Bigg, The Christian Platonists of Alexandria.
-Oxford 1886. Harnack D. G. I 547-604, art. in Herzog² en de daar en bij
-Harnack aangeh. litt.; ook Zöckler, Supplement S. 51 f.
-
-4. In den aanvang der derde eeuw zijn de grondslagen der christelijke
-theologie gelegd. De kerk heeft tegenover het Heidendom en Jodendom,
-tegenover het Gnosticisme en Ebionitisme welbewust eene vaste positie
-ingenomen, en de zelfstandigheid van het Christendom gered. Maar nu
-komen in de derde eeuw allerlei inwendige twisten op. De groote strijd
-der 3e eeuw liep over de verhouding van den Logos (en den Geest)
-tot den Vader, en de ketterij die moest bestreden worden was het
-Monarchianisme in zijne beide vormen van dynamistisch en modalistisch
-Monarchianisme. De eersten zooals de Alogi, Theodotus en zijne partij,
-Artemas c. s. en vooral ook in het Oosten Paulus van Samosata, bisschop
-van Antiochië sedert 260, trachtten de eenheid Gods zoo te handhaven,
-dat ze Zoon en Geest niet voor personen maar voor eigenschappen
-hielden en aan Jezus de Godheid ontzegden; Jezus was een mensch, in
-bijzondere mate door den Goddelijken Logos toegerust en met Gods Geest
-gezalfd. De modalistische Monarchianen echter leerden, dat de Godheid
-zelve in Christus vleesch geworden was; zij erkenden dus de Godheid
-van Christus maar identifieerden Vader en Zoon en kwamen zoo tot het
-patripassianisme. Dit gevoelen was in de 3e eeuw zeer verbreid en vond
-veel aanhang; het werd verdedigd en voorgestaan door Noetus, Epigonus,
-Kleomenes, Aeschines, Praxeas, Victorinus, Zephyrinus, Kallistus en
-vooral Sabellius. De monarchianen en antitrinitariërs zijn bestreden
-door Hippolytus in Contra haeresin Noeti, en Philosophumena, en
-ook in ’t zoogen. Parvus Labyrinthus (bij Euseb. h. e. 5, 28), door
-Tertullianus adv. Praxeam, Novatianus de trinitate, Dionysius Alex.
-adv. Sabellium, Eusebius contra Marcellum, de eccles. theologia, en
-de fide ad Sabellium. Zie Harnack D. G. I 604-709, en art. Monarch. in
-Herzog² 10, 178. Dorner, Gesch. d. Lehre v. d. P. Christi, 2e Aufl. I
-497 f. Lange, Gesch. u. Entw. der Systeme der Unitariër vor der nic.
-Synode, 1831. Hagemann, Die römische Kirche in den 3 ersten Jahrh.
-1864. Aan het eind der 3e eeuw stond het dogma van Christus’ Godheid
-en van zijn onderscheid van den Vader vast. Er waren drie hypostasen in
-’t Goddelijk wezen, Vader, Zoon en Geest. Dit was het geloof zoowel in
-het Oosten als in het Westen, Harnack D. G. I 667, 709. De begrippen,
-waarmede het denken in de volgende eeuw zich zal bezighouden, zooals
-μονας, τριας, οὐσια, ὑποστασις, προσωπον enz. bestaan reeds, maar
-zullen eerst later hun bepaald karakter en vaste waarde verkrijgen. De
-grondslag is gelegd, en de grenzen zijn afgebakend, binnen welke de
-christelijke speculatie haar kracht beproeven zal.
-
-
-B. De dogmatiek in de Oostersche Kerk.
-
-5. De periode van de 4e tot de 8e eeuw wordt in het Oosten geheel
-in beslag genomen door de christologische twisten. De homoousie van
-den in Christus mensch geworden Zoon met den Vader was het dogma bij
-uitnemendheid. Het religieus belang, hierbij in ’t spel, was dat God
-zelf mensch moest worden, opdat wij menschen van den dood bevrijd, tot de
-onsterfelijkheid en de aanschouwing Gods geleid, en der goddelijke natuur
-deelachtig gemaakt zouden worden. De Godheid van Christus is het wezen
-des Christendoms. Niemand heeft dit beter begrepen dan Athanasius. Zijne
-geschiedenis is die zijner eeuw. Voor hem concentreert zich heel het
-Christendom in de verlossing ten eeuwigen leven door den waarachtigen
-Zoon van God. Daarin handhaaft hij het specifiek karakter der christ.
-religie, maakt de leer der triniteit vrij van kosmologische speculaties,
-die er nog bij Origenes en Tertullianus mede verbonden waren, en
-bewaart ’t Christendom voor verwereldlijking, Harnack II 21-27, 204 f.
-Athanasius is christoloog. Hij voelt diep het religieus belang van de
-Godheid van Christus. Christus moest God zijn, om onze Zaligmaker te
-kunnen wezen. Door deze geheel eenige beteekenis van het christologisch
-dogma zien geen eigenlijke dogmatische systemen het licht. Wel echter
-zijn er een aantal belangrijke dogmatische verhandelingen. Het Arianisme
-wordt bestreden door Alexander, bisschop van Alexandrië, in zijn
-Epistolae de Ariana haeresi deque Arii depositione, door Athanasius
-in al zijne geschriften, vooral in zijne Orationes contra Arianos, door
-Basilius in zijn Libri V adv. Eunomium en in zijn Liber de Spiritu
-Sancto, door Gregorius Naz. in zijn Orationes V de theologia, door
-Gregorius Nyss. Libri s. orationes XII c. Eunomium, door Cyrillus,
-Hilarius, Ambrosius, Fulgentius e. a., en op de Synode van Nicea en
-Constantinopel veroordeeld. De Godheid en homoousie des H. Geestes werd
-tegen Macedonius van Constantinopel verdedigd door Athanasius in zijn
-Epistolae ad Serapionem, door Basilius in zijn werk tegen Eunomius, en
-in zijn verhandeling de Spiritu Sancto, door Greg. Naz. in verschillende
-van zijne Orationes theologicae, door Greg. Nyss. in zijn adv.
-pneumatomachos Macedonianos, en vooral ook door Didymus in zijn werken
-de Trinitate libri tres en de Spiritu Sancto, en werd vastgesteld op
-de Syn. te Constantinopel 381. Reeds tijdens de vraag over de homoousie
-des Zoons kwam eene tweede vraag op over de menschelijke natuur en over
-hare vereeniging met de goddelijke natuur. Apollinaris erkende dat de
-Verlosser God moest zijn, maar hij kon geen volkomen mensch zijn, want
-dan waren er twee wezens en twee personen en kwam er geen eenheid. De
-Logos nam daarom aan bezielde σαρξ en vormde daarin zelf het πνευμα,
-het ik, het principe van zelfbewustzijn en zelfbepaling. Maar hij werd
-bestreden door Athanasius, de incarnatione domini nostri J. C. contra
-Apollinarem, en de salutari adventu J. C., door Greg. Naz. in zijne
-Epistolae ad Cledonium en door Greg. Nyss. in zijn Antirrheticus adv.
-Apollinarem, en op de Synode te Rome 377 en te Constantinopel 381
-veroordeeld. Toen de twee naturen waren vastgesteld, rees er verschil
-over den aard harer vereeniging. Niet substantieel en wezenlijk,
-maar moreel en relatief, zei Nestorius; er zijn in Christus twee
-personen, ὑποστασεις. Maar hij vond een sterk bestrijder in Cyrillus van
-Alexandrië, die hem in verschillende werken de incarnatione Unigeniti,
-adversus Nestorii blasphemias contradictionum Libri V, enz. aanviel, en
-werd veroordeeld op de Synode te Efeze 431. Het lijnrecht daartegenover
-staande gevoelen van Eutyches werd bestreden door Theodoretus in zijn
-Ερανιστης ἠ πολυμορφος en Leo Magnus in zijn Epistola ad Flavianum en
-werd veroordeeld op de Synode te Chalcedon 451.
-
-6. Het chalcedonisme bracht echter geen vrede, de verwarring nam
-toe, het monophysitisme was in het Oosten te sterk. Het vond wel een
-krachtig verdediger in Leontius van Byzantium 485-543, door Harnack II
-383 de eerste scholasticus genoemd, en werd ook erkend op de 5e synode
-te Constantinopel 551. Maar de Monophysieten werden niet gewonnen, ook
-niet door de bemoeiingen van Justinianus I. De in de 7e eeuw opkomende
-monergistische en monotheletische strijd eindigde met de vaststelling
-van twee willen in Christus op de 6e synode te Constantinopel 680. En
-tot den huidigen dag zijn er monophysitische Christenen in Syrie, art.
-Jacobiten in Herzog², Dr. H. G. Kleijn, Jakob Baradeus. Leiden 1881.
-Ze nemen ééne natuur in Christus aan, ex. niet in duabus naturis,
-verwerpen Chalcedon en erkennen de zoogenaamde rooversynode te Efeze,
-gebruiken gezuurd brood bij het avondmaal, maken het kruis met één
-vinger, hebben beelden- en heiligenvereering van de grieksche en
-roomsche kerk overgenomen en staan onder den „Patriarch van Antiochië”
-die echter gewoonlijk in Diarbekr woont. Dogmatisch van belang is de
-geloofsbelijdenis van Baradeus bij Kleijn bl. 110 v. Monophysieten zijn
-er voorts in Egypte, Kopten geheeten, onder een patriarch wonend in
-Kaïro, Herzog² 1, 178 f., in Abessynië, onder een Abbûna, door den
-patriarch in Kaïro benoemd en resideerende in Gondar, Herzog² 1, 69 f.,
-in Armenië onder een Katholikos in Etschmiadsin, een klooster bij Erivan
-in Armenië. Zie Hofmann, Symboliek § 62-68, met de daar en in Herzog
-aangegeven litteratuur, Kattenbusch, Confessionskunde I 205-234.
-
-Maar dogmatisch zijn niet alleen de christologische geschriften van
-belang, ook andere verhandelingen komen in aanmerking. De leer van
-God, zijn namen, eigenschappen, voorzienigheid werden behandeld
-in aansluiting aan de apologeten, die het christelijk Godsbegrip
-tegenover het gnosticisme hadden gehandhaafd. Men ging meest uit van
-de natuurlijke Godskennis, van God als een eenvoudig, onveranderlijk
-zijn, wiens bestaan psychologisch, kosmologisch en teleologisch bewezen
-kon worden, die wel onkenbaar was in zijn wezen, maar in de Schrift
-als Drieëenige was geopenbaard, Chrysostomus, Homiliae 12 contra
-Anomoeos seu de incomprehensibili Dei natura, Pseudodiomysius de
-divinis nominibus, Chrysostomus de providentia L. III. Theodoretus de
-providentia orationes X, Harnack II 116-122, Münscher-v. Coelln I 124
-f. Kosmologie en anthropologie werden vooral behandeld in aansluiting
-aan Genesis 1-3, en zoo, dat het Origenisme vermeden werd. God had de
-wereld geschapen door den Logos naar het voorbeeld eener bovenaardsche
-geestelijke wereld; de zonde ontstond door den vrijen wil en wordt
-opgewogen door de straf en de verlossing, Basilius, Homiliae IX in
-hexaemeron. Greg. Nyss. Explicatio apologetica in hexaemeron en de
-hominis opificio, Ambrosius L. VI in hexaemeron. Augustinus, de Genesi
-contra Manich. L. II, De Genesi ad litteram liber imperfectus. Johannes
-Philoponus, de æternitate mundi c. Proclum, en de mundi creatione l.
-VII, Anastasius Sinaita, Anagogicæ contemplationes in hexaemeron, libri
-XII. Harnack D. G. II 122-129. Münscher-v. Coelln I 141 f. Schwane D.
-G. II. Voorts werden er ook zeer vele tractaten geschreven over de
-virginiteit, het monnikschap, de volmaaktheid, de priesterschap, de
-opstanding enz., zooals door Ephraem Syrus, Greg. Naz., Chrysost.,
-Greg. Nyss., Chrysost., benevens vele apologieën tegen Joden, Heidenen
-en Ketters. Het merkwaardigst voor de geschiedenis der dogmatiek zijn
-de Ὑποτυπωσεις, Institutiones theologicæ libr. VII, in fragmenten bij
-Athanasius, en verzameld in Gallandii Bibl. III 662-663. Routh Reliq.
-Sacr. III en Migne ser. gr. 18, waarvan de drie eerste boeken handelen
-over God, den Vader en den Schepper, den Zoon en den Geest, het vierde
-over engelen en daemonen, het vijfde en zesde over de incarnatie en
-het zevende over de schepping. Voorts de Κατηχησεις van Cyrillus, 18
-voordrachten voor φωτιζομενοι over de waarheden des geloofs en vijf voor
-νεοφωτιστοι over de mysteriën, doop, zalving, eucharistie, liturgie,
-Plitt, de Cyrilli Hierosol. orationibus, quae exstant catecheticis.
-Heidelb. 1855. Gregorius van Nyssa, Oratio catechetica in 40 cap.
-bevat eene philosophische bewijsvoering voor de hoofdwaarheden des
-Christendoms, Gods bestaan, wezen, triniteit, schepping en val,
-verlossing, sacramenten, vooral boete en eucharistie, en eschatologie.
-Chrysostomus’ Catecheses duo zijn vooral zedelijke toespraken tot de
-catechumenen. Theodoretus gaf een compendium van het christ. geloof
-in het 5e boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη Haereticarum
-fabularum compendium. Maximus Confessor behandelde de geloofswaarheden
-der kerk in korte kapittels Κεφαλαια, 200 over de leer van God, 300
-over de menschwording en de zonde, 500 over de liefde. Van groote
-beteekenis waren ook de vijf geschriften περι θειων ὀνοματων, περι της
-οὐρανιας ἱεραρχιας, περι της ἐκκλησιαστικης ἱεραρχιας, περι μυστικης
-θεολογιας benevens 10 brieven, die in de vijfde eeuw het licht zagen
-en langen tijd doorgingen voor geschriften van Dionysius Areopagita.
-Ze gebruikten neoplatonische philosophie en pantheïstische mystiek
-tot toelichting en bewerking der christelijke leer en werden spoedig
-hooggeschat, gecommentariëerd door Maximus Confessor, Pachymeres e. a.,
-door theologen, mystici, asceten vooral in de Middeleeuwen gebruikt en
-haast met de Schrift gelijk gesteld. Al de elementen der dogmatische
-ontwikkeling werden eindelijk saamgevat en vereenigd door Joh.
-Damascenus in zijn Πηγη γνωσεως. Dit werk bestaat uit 3 deelen. In deel
-1 Κεφαλαια φιλοσοφικα geeft hij een schets der philosophie als dienares
-en werktuig der theologie, bepaaldelijk der logica naar Aristoteles en
-Porphyrius. Deel 2 is historisch, Περι αἱρεσεων en geeft een overzicht
-der ketterijen tot Mohammed toe. Deel 3 Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου
-πιστεως is het eigenlijk dogmatische deel in 100 capita; hij erkent zelf
-daarin niets te geven dan wat de vaderen geleerd hebben en haalt dan
-ook de grieksche vaders, en Paus Leo telkens aan, J. Langen, Johannes
-van Damaskus, Gotha 1879. Grundlehner, Joh. Dam. Utrecht 1876.
-
-Eene geschiedenis van de theologie en de dogmatiek in de Oostersche
-kerk na Damascenus bestaat nog niet. De patristische tijd, waarin de
-groote dogmenvorming plaats had, eindigde ongeveer met Justinianus I
-527-565, of ook met Photius ± 860. Heel deze tijd van de 6e tot de 9e
-eeuw is een tijd van overgang. De beeldenstrijd 726-842 is daarin de
-karakteristieke gebeurtenis, Harnack, D. G. II 452 f. K. Schwarzlose,
-Der Bilderstreit, ein Kampf der gr. K. um ihre Eigenart und um ihre
-Freiheit, 1890. Reliquiën en beelden waren ook al voor de 5e eeuw
-in gebruik, maar het christologisch dogma kwam ze ondersteunen. Het
-eigenaardige van het Christendom scheen daarin gelegen, dat het
-het Goddelijke zinlijk en lichamelijk tegenwoordig maakte. Het beeld
-werd weldra van symbool tot drager en orgaan van het heilige. Het
-heidendom keerde in de christelijke kerk terug. Maar de verdediging
-der beelden was juist verbonden met die van de vrijheid der kerk en
-met de religieuse belangen, die er toen aanwezig waren. Daartegenover
-stond de keizerlijke partij, die de beelden bestreed maar daarmede
-ook de kerk aan den staat wilde onderwerpen, die aan den keizer
-de vaststelling van een kerkelijk dogma wilde laten, die door het
-bestrijden der beelden Joden en Mohammedanen te gemoet wilde komen. In
-de beeldenvereering trok heel de orthodoxie zich samen. In het zinlijke
-wil men het Goddelijke bezitten en genieten. Johannes Damascenus was
-een van de krachtigste verdedigers der beeldenvereering, in zijne de
-imaginibus orationes III; hij brengt ze met de vleeschwording Gods in
-Christus in ’t nauwste verband en ziet in hare bestrijding judaïsme
-en manichaeisme. De dogmatische rechtvaardiging der beeldenvereering
-is de laatste arbeid der kerk in ’t Oosten geweest. De Byzantijnsche
-periode, van de 9e eeuw tot de inneming van Constantinopel door de
-Turken 1453, treedt in. Het is een tijd van rust, van machteloosheid in
-het produceeren. De grieksche kerk is die der orthodoxie, zij bewaart
-alleen; het christologisch dogma is het dogma bij uitnemendheid. Toch is
-er tot 1453 toe een sterk wetenschappelijk leven geweest. De geschriften
-der Byzantijnsche theologen, van Damascenus af tot die welke de inneming
-van Constantinopel beleefden, vormen in den Cursus patrologiae graecae
-van Migne de banden 94-161. Na Damascenus, wiens dogmatiek nog tot
-heden toe norma is, verdient uit de Byzantijnsche periode vooral
-genoemd te worden Photius, patriarch van Constantinopel 891, wiens
-hoofdwerk Μυριοβιβλος of Bibliotheca geleerde excerpten uit allerlei
-schrijvers bevat en die als dogmaticus optrad in zijne Μυσταγωγια του
-ἁγιου πνευματος, ed. Hergenröther, Ratisb. 1857; cf. Gass in Herzog²,
-Hergenröther, Photius, Patriarch v. K., Regensburg 1867-69. Voorts
-Euthymius Zigabenus in de 12e eeuw, die op last van keizer Alexius I
-schreef eene Πανοπλια δογματικη της ὀρθοδοξου πιστεως ἠτοι ὁπλοθηκη
-δογματων, en Nicetas Choniates ± 1220 die het werk van Euthymius
-aanvulde in zijn Θησαυρος ὀρθοδοξιας, ten deele uitgegeven, cf. Ullmann,
-Nic. v. Meth., Euth. Zigab. und Nicetas Chon. oder die dogm. Entw. der
-gr. K. im 12 Jahrh., Stud. u. Kr. 1883 4tes Heft. Verder is het werk
-van Nicolaus Kabasilas, περι της ἐν Χριστῳ ζωης λογοι ἑπτα door Gass
-uitgegeven 1849; en eene verhandeling van Demetrius Kydonius περι του
-καταφρονειν τον θανατον door Kuinoel, Lips. 1786.
-
-Na de inneming van Constantinopel door de Turken zou de grieksche
-kerk in het Oosten geheel vernietigd of tot eene secte ineengekrompen
-zijn, indien ze niet steun had gevonden in het Russische rijk, dat in
-de 10e eeuw gekerstend werd en het grieksch-orthodoxe geloof in zijn
-geheel en zonder kritiek overnam. Van de theol. litteratuur na dien
-tijd is ons nog veel minder bekend, dan in het vroegere tijdvak. Migne’s
-uitgave gaat niet verder en laat ons hier in den steek. Een overzicht
-van namen en werken wordt gegeven in Νεοελλενικη φιλολογια, συγγραμμα
-Κωνσταντινου Σαθα, Athene 1868. De pogingen tot vereeniging met Rome
-op de concilies van Lyon 1274 en Florence 1439 zijn ons uit de akten
-bekend. De correspondentie van de Tubingsche theologen 1576 met den
-patriarch Jeremias II is te Wittenberg 1584 uitgegeven, Gass Symb.
-der gr. K. 45 f.; over die van Cyrillus Lucaris met vele protest.
-theologen en staatslieden zie men Gass, art. Lucaris in Herzog² 9,
-5 f., Kattenbusch 141 f. Men kan de geschiedenis dezer litteratuur
-niet in één woord: versteening, orthodoxisme, enz. samenvatten. Het
-zwaartepunt der grieksche kerk is naar Rusland verlegd, en Rusland is
-nog jong, heeft nog geen verleden en komt eerst op. Zijn litterarisch en
-wetenschappelijk leven heeft nog pas een aanvang genomen. Uit de vorige
-eeuw wordt genoemd Theophanes Procopowitsch, die als de vader der
-russische systematische theologie geldt, Philaret, Gesch. der Kirche
-Russlands II 209 v. En uit deze eeuw Philaret, Ausführl. Catech. der
-rechtgläub. kath. morgenl. Kirche in ’t werk van Philaret Gesch. d. K.
-Russl. II 293 f. Macarius, Handbuch zum Studium der christl. orthodox.
-dogm. Theol., deutsch von Blumenthal 1875. Zie Zöckler Supplement
-112 f. Kurtz, Lehrb. d. K. G. § 68. Gass, Beiträge zur kirchl. litt.
-u. dogm. gesch. des gr. M. A., 2 Bde. Breslau 1844-47. Ook: A. v.
-Reinholdt, Gesch. der russ. Lit. v. ihren Anfängen bis auf die neueste
-Zeit 1886. K. Krumbacher, Gesch. der byzant. Litt. 1891. Kattenbusch,
-Conf. 252-287. Het leerbegrip der grieksche (russische) kerk is te
-vinden bij Walch I 431 sq. E. J. Kimmel, Monumenta fidei ecclesiae
-orientalis, 2 Bde. 1850. Schaff, Creeds of Christ. I. 1881. p. 24-82;
-II 57-73; 275-554. Μεσολωρας, Συμβολικη της ὀρθοδοξου ἀνατολικης
-ἐκκλησιας I 1883. W. Gass, Symbolik der gr. Kirche 1872. H. Schmidt,
-Handbuch der Symbolik, 1890. S. 30 f. Hoffmann, Symboliek bl. 130
-v. Kattenbusch, Lehrb. der vergl. Confessionskunde I: Die orthodoxe
-anatolische Kirche I 1892. Voorts kan men nog raadplegen over de
-kerken in het Oosten, vooral in Rusland, de werken genoemd door Walch
-Bibl. theol. sel. II 559 sq. Le Quien, Oriens christianus, 3 Bde.
-1740. J. Mason Neall, History of the holy eastern church I 1850. Gass,
-art. Gr. u. gr. russ. Kirche, Konstant. in Herzog². J. Silbernagl,
-Verfassung und gegenwartiger Bestand sämmtlicher Kirchen des Orients,
-Landshut 1865. Victor Frank, Russische Selbstzeugnisse. I Russ. Christ.
-Paderborn 1889. H. Dalton, Die russ. Kirche, Leipzig 1892. Presb.
-and Ref. Rev. Jan. 1892 p. 103 v. Anatole Leroy Beaulieu, Das Reich
-des Czaren und der Russen, autor. deutsche mit Schluszbemerkungen
-versehene Ausgabe von L. Pezold und J. Muller. Sondershausen 1884-90.
-III Bd.: Die Macht der Religion, Kirche, Geistlichkeit und Sektenwezen
-in Russland. H. Dalton, Evangel. Strömungen in der russ. Kirche der
-Gegenwart, Heilbronn 1881. Nik. von Gerbel-Embach, Russische Sectirer,
-Heilbronn 1883 (beide in de Zeitfragen des Christ. Volkslebens Bd.
-VI en VIII). Over de Stundisten: The Stundists, the story of a great
-religious revolt. James Clarke, Fleetstreet, London. Dr. Ferd. Knie,
-Die russ.-schismatische Kirche, Ihr Lehre und ihr Cult. Graz 1894.
-Kattenbusch 234 f. 542 f.
-
-
-C. De Dogmatiek in de Latijnsche, Roomsche Kerk.
-
-8. De kerk en theologie draagt in het Westen van den aanvang af een
-eigen karakter. Bij Tertullianus, Cyprianus, Irenaeus komt dit reeds
-duidelijk uit. In het Oosten is de heerschende gedachte in de dogmatiek
-deze, dat de mensch door de zonde aan de φθορα onderworpen is en nu
-door God zelven in Christus van den dood bevrijd en het leven, de
-onsterfelijkheid, de goddelijke natuur deelachtig wordt gemaakt. De
-ideeën van substantie, wezen, natuur, staan hier op den voorgrond en
-kweeken stilstand, rust, zoowel in de leer als in het leven. In het
-Westen daarentegen valt de nadruk op de relatie, waarin de mensch tot
-God staat. En deze relatie is die van een schuldige tegenover een
-rechtvaardig God, wiens geboden hij overtreden heeft. Christus heeft
-echter door zijn werk de genade Gods, de vergeving der zonden, de kracht
-tot onderhouding der wet verworven. En dit drijft uit tot een werkdadig
-leven, tot gehoorzaamheid en onderwerping. In het Oosten sluit men
-zich vooral bij Johannes, in het Westen bij Paulus aan. Daar ligt het
-zwaartepunt in de vleeschwording, hier in den dood van Christus. Daar
-staat de persoon, hier het werk van Christus op den voorgrond. In het
-Oosten komt het in de eerste plaats aan op de godmenschelijke natuur,
-op de eenheid van beide naturen in Christus; in het Westen daarentegen
-op het onderscheid van beide naturen, op de Middelaarsplaats, welke
-Christus tusschen God en mensch inneemt. Daar heerscht het mystische,
-liturgische, hier het juridische, politieke element, Kattenbusch,
-Confessionskunde I 103 f. Dit onderscheid is van den beginne af
-aanwezig. De scheuring was eene kwestie van tijd. Met de opkomst van
-Constantinopel begon de openlijke strijd. Constantinopel kon niet wijzen
-op een apostolischen oorsprong en ontleende al zijne beteekenis aan de
-politiek, aan het keizerlijk hof. Het wilde een tweede Rome zijn. De
-bisschop van Constantinopel kreeg volgens het concilie van 381 can.
-3 τα πρεσβεια της τιμης na den bisschop van Rome, δια το εἰναι αὐτην
-νεαν Ρωμην. Daarmede was het tevreden, met eene plaats naast Rome. Het
-Oosten wilde ééne kerk, ja, maar in twee helften, met twee keizers,
-twee hoofdsteden, twee bisschoppen van gelijken rang. De grieksche kerk
-noemt zich de orthodoxe, zij acht zichzelve in het volle bezit der
-waarheid, zij rust en geniet. Maar zij noemt zich ook de anatolische, zij
-bindt zich aan een bepaald land en is hiermede voldaan. Gansch anders
-was het met Rome. Rome handhaafde zich niet als politieke stad naast
-Constantinopel, maar plaatste zich als sedes apostolica hoog boven
-Constantinopel. Rome vertegenwoordigde en verdedigde een religieus
-belang. Het baseerde zijne aanspraken en rechten weldra op Mt. 16:18,
-en eischte eene universeele, eene katholieke plaats. In de Westersche
-kerk zit daarom eene aggressieve, eene wereldveroverende tendenz. Deze
-tweeërlei richting dreef het Oosten en Westen uiteen. Toen daarbij nog
-verschillen kwamen in gebruiken, riten en vooral in de belijdenis van
-het filioque, werd het schisma hoe langer hoe meer voorbereid. In 1054
-kwam het formeel tot stand.
-
-Toch was het Westen in veel opzichten van het Oosten afhankelijk. Hier
-was toch het eerst de kerk gesticht. Hier traden de Apostolische
-vaders en de Apologeten op. Hier werd de machtige strijd tegen het
-Gnosticisme en het Manichaeisme gestreden. Hier werden de theologische
-en christologische dogmata op de conciliën vastgesteld. Synoden zijn er,
-in de tweede eeuw, het eerst in Klein-Azië opgekomen. De oecumenische
-conciliën, van 325 af tot het midden der 9e eeuw toe, zijn alle in het
-Oosten, in Klein-Azië of Constantinopel gehouden, en worden tot dat
-van 879 toe alle ook door de Westersche kerk erkend. De objectieve
-grondslagen van de kerkleer zijn in het Oosten en Westen dezelfde.
-Sedert de tweede helft der tweede eeuw drong de oostersche theologie
-ook in het Westen door. Victorinus Rhetor, Hilarius, Ambrosius,
-Hieronymus, Rufinus hebben de theologische gedachtenwereld van het
-Oosten naar het Westen overgebracht. Oudtest. exegese, platonische
-theologie, monnikenwezen, het ideaal der virginiteit deden in het
-westen hun intocht en huwden daar met den westerschen geest. Ambrosius
-† 397, bestudeerde de werken van Clemens, Origenes, Didymus, vooral
-van Basilius, en bracht de Oudtest. exegese (Hexaemeron, de Paradiso,
-de Cain et Abel etc. naar Basilius), het ideaal der virginiteit
-in den zin van het mystieke huwelijk der ziel met Christus (de
-virginitate, liber de Isaac et anima, naar Origenes, Methodius), en
-ook de triniteitsleer en de christologie der Cappadociërs, (Libri V
-de fide, Libri III de Spiritu S°, liber de incarnationis dominicæ
-sacramento) in het Westen over. Hilarius van Pictavium † 368 verkeerde
-gedurende zijne ballingschap 356-359 in Kl. Azië, lichtte in zijn werk
-de Synodis seu de fide Orientalium de bisschoppen van Gallie in over
-den christologischen strijd in het Oosten, verdedigt deze leer in zijn
-werk de Trinitate in 12 boeken, en maakt in zijne exegetische werken
-over Mattheus en enkele psalmen ruim gebruik van de typische en
-allegorische exegese. Victorinus rhetor, door Augustinus, Conf. 8,2
-zeer geprezen, voerde in zijne geschriften Liber ad Justinum Manichæum
-contra duo principia Manichæorum et de vera carne Christi, in zijn liber
-de generatione divina en in zijn strijdschrift Adversus Arium Libri IV
-de neoplatonische philosophie in de theologie in en werd daardoor van
-den grootsten invloed op Augustinus. Rufinus † 410 verkeerde vele
-jaren in Egypte en Palestina, en ging om met de kluizenaars, met
-Hieronymus, Didymus in Alexandrië, Johannes in Jeruzalem, en was vooral
-daardoor van beteekenis, dat hij vele grieksche werken van Josephus,
-Eusebius, Origenes, Basilius, Gregorius Naz., enz. in ’t latijn
-bewerkte. Bovendien schreef hij eene Historia monachorum, biografieën
-van 33 heiligen in de nitrische woestijn, en Peregrinationes ad loca
-sancta; verschillende commentaren op boeken des O. T.; en eindelijk eene
-Expositio symboli apostolici, wier waarde voor de historie grooter is
-dan voor de dogmatiek. Eindelijk moet hier Hieronymus † 420 genoemd
-worden. Schoon opgevoed in Rome, vertoefde hij ’t grootste deel van
-zijn leven in Syrië en Palestina. Zijne verdienste ligt vooral in zijne
-vele Schriftstudiën; in de theologie is hij weinig zelfstandig, en zeer
-angstig voor zijne orthodoxie; in zijne exegese huldigt hij dikwerf de
-allegorische methode van Philo en de Alexandrijnsche theologen, vooral
-is hij een lofredenaar van de askese; hij verdedigde de jonkvrouwelijkheid
-van Maria tegen Helvidius, de verdienstelijkheid van het vasten en van
-het coelibaat tegen Jovinianus, de vereering der martelaars en van
-hunne reliquiën tegen Vigilantius en spreekt naar Luthers woord in de
-tafelgesprekken altijd van vasten, spijze, virginiteit en schier nooit
-van geloof en hoop en liefde.
-
-9. Heel deze dogmatische ontwikkeling van het Oosten en Westen
-loopt uit op Augustinus. De triniteitsleer en de christologie van
-de Oostersche theologen; de leer van mensch, zonde, genade, geloof,
-voldoening, verdienste van Tertullianus en Ambrosius; het neoplatonisme
-van Victorinus; de leer van Cyprianus over kerk en sacrament;
-het monnikideaal van Hieronymus en Hilarius; dat alles is door
-Augustinus overgenomen en door hem, in zijn rijke levenservaring, tot
-zijn geestelijk eigendom gemaakt. Een theologisch, dogmatisch systeem
-heeft Augustinus niet geleverd. De stof die hem van alle kanten,
-uit Schrift, traditie, philosophie, toestroomt en die hij door zijn
-rijke persoonlijkheid uitbreidt en vermeerdert, liet zich niet in eens
-overzien en systematiseeren. Het voornaamste, dat Augustinus in dit
-opzicht geleverd heeft, is zijn Enchiridion de fide, spe et caritate,
-eene verklaring van de voornaamste geloofswaarheden aan de hand van
-het apost. symbool. Maar aan tegenstrijdigheden ontbreekt het in zijne
-leer niet, vooral niet aan die tusschen zijne kerk-en zijne genadeleer.
-Reuter heeft aangetoond, dat die tegenstrijdigheden niet te vereffenen
-zijn, en dat de gedachten van Augustinus zich niet in een systeem
-laten samenvatten. En toch is er geen kerkvader geweest, die zoo diep
-alle theol. problemen heeft ingedacht en zoo geworsteld heeft om tot
-eenheid te komen, Harnack III 87. Hij is de eerste geweest, die zich
-duidelijk trachtte rekenschap te geven van al die theol. vragen, welke
-later in de prolegomena der dogmatiek zouden behandeld worden, en die
-tot de laatste psychologische en noëtische problemen doordringt. Het
-vaste punt, waarvan hij uitgaat, is de mensch, zijn zelfbewustzijn, zijne
-onuitroeibare zucht naar en behoefte aan waarheid, geluk, ’t goede,
-welke alle één zijn. Dit uitgangspunt is zeker en betrouwbaar (tegen de
-sceptici), wijl het twijfelen zelf nog geloof aan waarheid onderstelt
-en het zelfbewustzijn de laatste grond der waarheid is. Augustinus
-werd zelf door zulk eene brandende waarheidsliefde verteerd. Nu neemt
-Augustinus wel twee kenorganen aan, sensus en intellectus. Maar de
-kennis, door ’t laatste verkregen, gaat die van het eerste ver te
-boven. Het zinlijke is de waarheid zelve niet, het is er maar een beeld
-van. Eeuwige, onveranderlijke waarheid is slechts door het denken te
-vinden. Wel ontkent Augustinus niet, dat wij ook door het zienlijke
-heen tot het onzienlijke kunnen opklimmen, maar gewoonlijk zoekt hij den
-weg tot de waarheid niet buiten ons door de natuur heen, maar door ’s
-menschen eigen geest. Daar vindt hij in zijne, in de aan allen eigene
-rede eeuwige, onveranderlijke waarheden, welke zelve weer terugwijzen
-op en zich samenvatten in God: de hoogste waarheid, het hoogste zijn,
-het eenig goed, aeterna ratio, principium universorum. Daarom, wijl God
-de volle waarheid, het zijn, het goede, het schoone zelf is, daarom
-is er in Hem alleen rust voor den mensch, voor zijn denken en willen.
-Zelfkennis en Godskennis zijn de twee polen, waartusschen al zijn denken
-zich beweegt. De wetenschap der natuur wordt wel niet veracht, maar
-toch achtergesteld. Deum et animam scire cupio! Noverim me noverim te!
-God is de zon der geesten. We zien en kennen geen waarheid dan in en
-door zijn licht.
-
-Maar de philosophie is toch onvoldoende. Niet slechts door het
-onvermogen der rede, om den weg tot de waarheid te vinden, maar vooral
-ook doordat haar de superbia in den weg staat. En humilitas is alleen
-de weg ten leven. Er is daarom nog een andere weg tot de waarheid, n.l.
-de auctoritas, de fides. Het onderstelt eenerzijds eenig weten, maar
-zoekt andererzijds naar weten en streeft naar kennis. Niet alleen het
-bestaan van God en de onsterfelijkheid der ziel, maar ook de triniteit
-trachtte Augustinus uit de natuur en vooral uit den mensch zelf te
-bewijzen. Maar God is voor hem niet het abstracte, praedicaatlooze
-zijn, maar de levende God, de hoogste waarheid en het hoogste goed,
-de hoogste zaligheid, en daarom de eenige en volle bevrediging van
-’s menschen hart. Heel Augustinus’ denken is religieus, theologisch;
-hij ziet alles in God. In dat licht beziet hij ook de wereld; zij is
-eenerzijds een niet-zijn, een beeld, vergankelijk, maar andererzijds
-als schepping Gods een kunstwerk, naar de ideeën in Gods bewustzijn
-geschapen, en allengs, trapsgewijze, bij graden die ideeën realiseerende,
-en eene eenheid vormende, die de rijkste verscheidenheid in zich bevat;
-de dingen verschillen onderling in mate van zijn en dus van waarheid
-en goedheid. Ze is een kosmos, berustend op idee en getal, orde,
-maat, samengehouden door één wil, één rede, een amplissima inmensaque
-respublica; waarin de wonderen slechts zijn contra quam est nota
-natura, waarin de zonde slechts eene privatio is, door de straf wordt
-gecompenseerd, en mede bijdraagt tot de schoonheid en harmonie van het
-geheel. In het pulcherrimum carmen der schepping is ook deze antithese
-van noode; de zonde is aan de tegenstellingen in eene redevoering,
-aan de barbarismen in de taal, aan de schaduw op de schilderij gelijk.
-Augustinus tracht het kwade in te voegen in de orde van het geheel.
-Maar daarmee vergoelijkt hij de zonde niet. Hij stelt n.l. ’t doel der
-dingen niet in ’t ethisch goede, maar daarin dat de schepping is en
-meer en meer worde een harmonische openbaring van al Gods deugden en
-volmaaktheden. En daaraan wordt de zonde ook door Gods wil dienstbaar
-gemaakt. Voorts weet men, hoe diep en ernstig Augustinus de zonde
-opvatte. Nondum considerasti, quanti ponderis sit peccatum. Hij zag
-het om zich heen en voelde het: de mensch zoekt God en heeft behoefte
-aan Hem, en hij kan en wil niet tot Hem komen. Aan den mensch is nog
-alleen goed, dat hij is. De menschheid is eene massa perditionis.
-Zonde is vooral hoogmoed, superbia in de ziel en concupiscentia is ’t
-lichaam. Zonde is in Adam ons aller daad geweest en daarom ons aller
-lot geworden. Zij is carentia dei, privatio boni, eene daad niet alleen
-maar een toestand, natura vitiata, een defectus, inopia, corruptio,
-een non posse non peccare. Deugden der heidenen zijn splendida vitia.
-Redding uit dien toestand is er alleen door de gratia, die haar aanvang
-reeds neemt in de praedestinatio, die zich objectief openbaart in den
-persoon en het werk van Christus, certum propriumque fidei catholicae
-fundamentum, maar die ook subjectief in ons komen moet als gratia
-interna, en ’t geloof en de liefde ons moet instorten. Maar die gratia
-werkt bij Augustinus alleen binnen de grenzen der zichtbare kerk. Deze
-is bij hem eene inrichting des heils, uitdeelster der genade, zetel der
-autoriteit, waarborg der Schrift, woonplaats der liefde, stichting
-des Geestes, ja het regnum Dei zelf. Augustinus heeft diep het belang
-der gemeenschap voor de religie gevoeld; de kerk is de moeder der
-geloovigen. De leer van de praedestinatio en van de gratia is met dit
-begrip van kerk en sacrament niet overeen te brengen. Multi qui foris
-videntur intus sunt et multi qui intus videntur foris sunt. Er zijn
-schapen buiten en wolven binnen de kooi. Ook leerde Augustinus wel de
-perseverantia sanctorum, maar hij durfde de subjectieve verzekerdheid
-daarvan niet aan. En juist vanwege deze opvatting van kerk en sacrament
-konden het geloof en de vergeving in de theologie van Augustinus niet
-tot hun recht komen. Geloof en liefde, vergeving en heiligmaking worden
-niet duidelijk onderscheiden. Het is alsof geloof en vergeving maar
-voorloopig zijn; Augustinus gaat van deze terstond tot de liefde, de
-heiligmaking, de goede werken over. De gemeenschap met God, de religio,
-wordt daardoor het resultaat van een proces, dat geloof, liefde, goede
-werken, enz. langzamerhand tot stand doen komen. De zaligheid, het
-eeuwige leven, de visio en fruitio Dei, worden toch weer eene vrucht
-van verdienste, en askese is een van de middelen, die den mensch dit
-doel doen bereiken.
-
-Zoo is Augustinus van de grootste beteekenis geworden voor de latere
-dogmatiek. Hij beheerscht de volgende eeuwen. Elke reformatie keert tot
-hem en tot Paulus terug. In elk dogma heeft hij een formule gevonden
-die door allen overgenomen en herhaald wordt. Zijn invloed strekt tot
-alle kerken, richtingen en secten zich uit. Rome beroept zich op hem
-voor hare leer van kerk, sacrament en autoriteit; de reformatie voelde
-zich aan hem verwant in de leer van praedestinatio en gratia; de
-scholastiek bouwde voort op de fijnheid zijner waarneming, de scherpte
-van zijn verstand, de kracht zijner speculatie, Thomas heette optimus
-interpres S. Augustini; de mystiek vond stof in zijn neoplatonisme en
-religieus enthusiasme; roomsche en protestantsche vroomheid sterkt zich
-door zijne geschriften; askese en piëtisme vinden voedsel en steun hij
-hem. Augustinus behoort niet aan ééne kerk, maar aan alle kerken te
-zamen. Hij is Doctor universalis. Zelfs de philosophie kan niet dan tot
-eigen schade hem verwaarloozen. En door zijn schoonen, betooverenden
-stijl, door zijne fijne, nauwkeurige, hoogst individueele en toch weer
-algemeen-menschelijke uitdrukking is hij meer dan eenig ander kerkvader
-nog heden te genieten. Hij is de meest christelijke en de meest moderne
-van alle kerkvaders, hij staat van allen het dichtst bij ons. Hij heeft
-de aesthetische wereldbeschouwing vervangen door de ethische, de
-klassieke door de christelijke. Onze beste, diepste en rijkste gedachten
-in de dogmatiek danken wij aan hem. Augustinus is _de_ dogmaticus der
-christelijke kerk geweest. Cf. Harnack. Dogm. III² 3-215.
-
-10. Het Augustinisme was meer dan eene eeuw voorwerp van heftigen
-strijd, het hield de gemoederen verdeeld. Het vond niet alleen
-bestrijding bij Pelagius, Coelestius, Julianus, de eigenlijke Pelagianen,
-maar ook bij vele monniken in Gallie, onder wie vooral genoemd worden
-Joh. Cassianus, Vincentius van Lerinum, die in zijn Commonitorium niet
-alleen de kenmerken der traditie aangeeft maar aan het slot ook tegen
-het strenge Augustinisme partij kiest, Eucherius van Lyon, Hilarius
-van Arles, Salvianus van Massilia, Faustus van Rhegium, Gennadius van
-Massilia, schrijver van de fide sua ceu de dogmatibus ecclesiasticis
-in 88 capita. Aan Augustinus’ zijde stonden, behalve Possidius van
-Calama in Numidië, Orosius van Bracara in Spanje, Marius Mercator in
-Constantinopel e. a. vooral ook Prosper Aquitanus, Vigilius van Tapsus
-in Numidië, Fulgentius van Ruspe, schrijver van de fide ad Petrum seu
-de regula verae fidei, een korte schets van de hoofdwaarheden des
-geloofs, Caesarius van Arles, Avitus van Vienna e. a. De synode te
-Orange in 529 gaf in den strijd wel eenige beslissing ten gunste van
-Augustinus, maar voorkwam niet, dat semipelagiaansche denkbeelden hoe
-langer hoe meer ingang vonden. De gratia praeveniens werd aangenomen,
-maar de gratia irresistibilis en de particuliere praedestinatie toch
-niet beslist aanvaard, Wiggers. Versuch einer pragm. Darstellung des
-August. u. Pelag. Hamburg, Perthes, 2 Theile. 1833. Id. Zeits. f.
-d. hist. Theol. 1854-1859 behandelt denzelfden strijd van Gregorius
-tot Gottschalk. Harnack, D. G. III 219 f. In het vervolg bleef
-er van het Augustinisme niet veel over. Paus Gregorius de Groote
-† 604, naast Augustinus, Hieronymus en Ambrosius wel de vierde groote
-kerkleeraar genoemd, heeft niets nieuws voortgebracht, maar heeft de
-ideeën der vroegere kerkleeraars zich toegeeigend en voor het leven
-op velerlei wijze verwerkt. Zijne richting is practisch en tegelijk
-mystisch-allegorisch. Hij heeft geen systeem gevormd, maar eenvoudig het
-verkregene bewaard, de dogmata voor clerus en leek pasklaar gemaakt,
-en vooral de verschillende middelaars en middelen (engelen, heiligen,
-Christus, aalmoes, zielmis, vagevuur, boete) geschematiseerd, die het
-den verzwakten wil des menschen mogelijk maken, om van de straffen
-der zonde bevrijd te worden. Door dit alles heeft hij met trouwe zorg
-gearbeid aan de opvoeding der nieuwe volken en aan de vorming van den
-clerus. Hij heeft de uitwendige wettelijke religie der roomsche kerk
-gesanctioneerd, en aan het middeleeuwsch katholicisme zijn eigenlijke
-type gegeven. Hij is de sluitsteen der oude, de grondsteen der nieuwe
-wereld. Door zijne liturgische geschriften en door zijn kerkgezang
-heeft hij den roomschen cultus onder de Germanen ingevoerd. Door
-populariseering van de dogmata der kerkvaders heeft hij de leer der
-kerk practisch bruikbaar gemaakt voor de onbeschaafde, heidensche
-Germanen en bijgeloof, askese, werkheiligheid bevorderd. Met Boethius
-en Cassiodorius heeft hij op de vorming en het ontstaan der wetenschap
-bij de Germanen grooten invloed geoefend. Cassiodorius † ± 565 schreef
-een Liber de artibus ac disciplinis liberalium litterarum en besprak
-daarin de beteekenis van elk der 7 vrije kunsten en gaf in zijn werk de
-institutione divinarum litterarum eene methodologie der theol. studie.
-Boethius heeft door zijne vertalingen en verklaringen van de logika van
-Aristoteles, de Isagoge van Porphyrius de kennis en het gebruik der
-grieksche philosophie bij de Germanen ingeleid. En Gregorius heeft de
-theologie in de kerk naar de Germanen overgebracht, Harnack, D. G. III
-233-244. Lau, Gregor. I nach seinem Leben und seiner Lehre geschildert,
-Leipzig 1845, art. in Herzog². Alzog, Patrologie 500.
-
-Bij alle gemis van cultuur en bij de onrust der volksverhuizing kon er
-in den eersten tijd onder de germaansche volken van een wetenschappelijk
-leven geen sprake zijn. De eerste sporen zijn te vinden in de
-bijbelvertaling en de ariaansche geloofsbelijdenis van Ulfilas † 383.
-Tegen het einde der 5e eeuw waren de Oost-en Westgothen, Vandalen,
-Sueven, Bourgondiers, Herculers, Longobarden enz. reeds gekerstend
-in ariaanschen zin. Maar Clovis 481-511 nam met zijn Frankenrijk het
-roomsche Christendom aan. Patrik, schrijver van Confessiones, is apostel
-der Ieren † 465. Schotland werd gekerstend door Columba † 597. De
-Angelsaksen werden bekeerd door Augustinus met 40 monniken, daarheen
-gezonden door Paus Gregorius I in 596. Fridolinus en Columbanus
-† 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië; de laatste liet belangrijke
-brieven en ook een regula coenobialis na. Allemannië, Beieren,
-Thuringen, Friesland enz. werden in de 6e en 7e E. gekerstend.
-Bonifacius is de apostel der Duitschers in de 8e eeuw † 755, J. P.
-Muller, Bonif. eene kerkhist. studie, Amst. 1869. De Saksers werden
-’t laatst onder Karel den Groote door oorlogen 772-804 toegebracht,
-en het Noorden vooral door Ansgar † 865. Een der eerste dogmatici is
-Isidorus Hispalensis † 636; zijne geschriften zijn van grammatischen,
-historischen, archaeologischen, dogmatischen, moreelen en ascetischen
-inhoud en omvatten al wat in dien tijd te weten viel. Hij brengt de
-klassieke en patristische geleerdheid over tot zijn volk. Hij is niet
-oorspronkelijk, maar geeft uittreksels uit heidensche en christelijke
-werken. In zijn Originum sive etymologiarum libri XX spreekt hij in
-boek 6 over de Schrift, in boek 7 over God, de engelen, profeten,
-apostelen, clerici, geloovigen, in boek 8 over de kerk, in boek 9 over
-de volken. Zijne Libri III Sententiarum s. de summo bono is vooral
-geexcerpeerd uit Augustinus en Gregorius en is een voorbeeld voor de
-middeleeuwsche sententieverzamelaars geweest. Boek I handelt over
-God, schepping, tijd, wereld, zonde, engel, mensch, ziel, Christus, H.
-Geest, kerk, ketterij, wet, Schrift, Oud en Nieuw Verbond, gebed, doop,
-martyrium, wonderen, antichrist, wereldeinde; boek II en III zijn van
-ethischen inhoud. Het is een compendium, dat het theologisch kapitaal
-der vorige eeuwen aan het Germaansche volk overlevert. Maar tot eene
-zelfstandige bewerking kwam het niet. Karel de Groote trachtte wel
-met geweld de oude cultuur in het Frankenrijk intevoeren. En inderdaad
-ontbrak het in de karolingische periode niet aan mannen van groote
-geleerdheid, maar vlijtig verzamelen en onzelfstandig reproduceeren
-blijven toch de karaktertrekken van de periode, die met de 7e E. begint
-en eerst met de kruistochten eindigt. Augustinus en Gregorius waren
-de autoriteiten. De voornaamste onder deze karolingische theologen
-was Alcuinus † 804, die het adoptianisme van Elipandus van Toledo
-en Felix van Urgel bestreed in Liber contra haeresin Felicis, Libri
-VII contra Felicem en Libri IV adv. Elipandum en voorts nog schreef
-de fide sanctae et individuae Trinitatis Libri III, de Trinitate ad
-Fredegisum quaestiones en Libellus de processione Sp. S{i}. In al deze
-werken toont Alcuinus zijne vertrouwdheid met de werken der kerkvaders,
-hij weerlegt de adoptiaansche dwalingen met dezelfde argumenten die
-vroeger tegen het Nestorianisme b.v. door Cyrillus werden gebezigd.
-De studie van Augustinus leidde Gottschalk in de 9e E. tot belijdenis
-der gemina praedestinatio; hij vond steun bij Prudentius van Troyes,
-Remigius van Lyon, Ratramnus, Lupus van Ferrières e. a., maar werd
-tevens heftig bestreden door Rhabanus, Hinkmar, Erigena. Het filioque
-kwam uit Spanje in het Frankenrijk en werd opgenomen in ’t symbool.
-Reeds op de synode te Gentilly 767 had men de overtuiging, dat het
-symbolisch was. Het werd met talent door Karels theologen verdedigd,
-Alcuinus de processione Sp. S{i}., Theodulf van Orleans de Spiritu
-S°. De synode te Aken 809 besliste, dat ’t filioque in het symbool
-behoorde. De beeldenvereering vond in het Frankenrijk tegenkanting,
-de 7e oecumenische synode, die servitium en adoratio der beelden
-verlangde, werd niet erkend, maar na de 9e eeuw zweeg allengs de
-oppositie. En eindelijk werd in de karolingische periode ook nog de mis
-verder ontwikkeld, vooral door Pachasius Radbertus, liber de corpore
-et sanguine domini 831, die bestreden werd door Rhabanus en Ratramnus.
-Radbertus is ook bekend als schrijver van een compendium de fide, spe et
-caritate, dat geloofswaarheden tot een zeker geheel samenvat. Vooral
-verdient in deze periode nog genoemd te worden Joh. Scotus Erigena
-† ± 891, ofschoon hij meer thuis hoort in de philosophie dan in de
-theologie. Hij is niet de vader der scholastiek maar der speculatieve
-theologie. Hij sluit zich aan bij de gnosis van Origenes en de mystiek
-van Pseudo-dionysius. Zijne grondgedachte is de neoplaton. emanatieleer.
-In zijn werk de divisione naturae zegt hij eerst, dat theologie en
-philosophie eigenlijk één zijn. De recta ratio en de vera auctoritas
-strijden niet. De fides heeft haar waarheid, als theologia καταφατικη,
-affirmativa, in Schrift en traditie, maar de rede, als theologia
-negativa, ἀποφατικη, ontdoet deze waarheid van hare omhulselen en
-spoort er de idee van op. Zoo verandert hij de dogmatische waarheid in
-een kosmisch en theogonisch proces. Al ’t zijnde vat hij samen onder één
-begrip, natura, welke in 4 Stufen van ’t zijnde, door den Logos heen, in
-de verschijningswereld zich openbaart en weer tot God terugkeert.
-
-11. Na de tiende eeuw, het saeculum obscurum, ontwaakt er overal
-een nieuw leven. Van het klooster te Clugny gaat er eene religieuse
-reformatie uit, die in de bedelorden der 12e eeuw zich voortzet. De
-vroomheid wordt opgevat als een navolgen en nabootsen van het leven
-van Jezus, vooral in zijne laatste lijdensweek. De kruistochten brengen
-nieuwe gedachten en verruimen den gezichtskring. De macht der Pausen
-neemt toe en stelt zich niets minder dan de wereldheerschappij tot
-haar ideaal. De wetenschap krijgt in de Universiteiten eene eigen
-kweekplaats en treedt in de theologie op als scholastiek. Theologia
-scholastica duidt, in onderscheiding van de theologia positiva, die
-de dogmata in eenvoudigen, thetischen vorm voordraagt, aan, dat de
-dogmatische stof naar eene wetenschappelijke, in de scholen gebruikelijke
-methode, verwerkt wordt. Scholastiek is op zichzelve niets anders dan
-wetenschappelijke theologie. Zij begint, waar de theologia positiva
-eindigt. Deze is tevreden, als zij de dogmata heeft uitgesproken en
-bewezen. Maar de theologia scholastica gaat van die dogmata als hare
-principia uit, Thomas, S. Theol. I qu. 2 en 8, en tracht van daar uit
-door redeneering den samenhang der dogmata op te sporen, dieper in
-de kennis der geopenbaarde waarheid in te dringen, en ze tegen alle
-bestrijding te verdedigen. In de Middeleeuwen kreeg de scholastiek
-echter door verschillende omstandigheden een bepaald karakter, dat haar
-in discrediet heeft gebracht. Ten eerste was het in de Middeleeuwen
-met bronnenstudie zeer droevig gesteld. De waarneming werd in theorie
-niet als principium der kennis geloochend, maar feitelijk legde men
-zich eenvoudig bij de overlevering neer en meende men, dat de vroegere
-geslachten de waarneming al voldoende hadden toegepast en volledig in
-de boeken hadden neergelegd. Physica, medicijnen, psychologie enz.,
-alles werd uit boeken bestudeerd. In de theologie lag de stof volledig
-voor oogen in de Schrift, maar vooral in de traditie, in de kerkvaders,
-conciliën enz. De scholastiek stond daar niet kritisch en skeptisch,
-maar kinderlijk geloovig tegenover. Het geloof was uitgangspunt der
-scholastiek. Men zocht de dogmatische stof in de Schrift en de traditie
-en nam ze aan zonder eenige kritiek. Van de Schrift kwam daarbij
-dikwerf niet veel te recht. Hebreeuwsch en grieksch kende men niet.
-Grammaticale en historische zin ontbrak schier geheel. Men haalde de
-stof vooral uit de kerkvaders, uit Augustinus, Hilarius, Ambrosius,
-Hieronymus, Gregorius, Isidorus, Pseudodionysius, Damascenus en
-Boëthius. Daarbij kwam nu in de tweede plaats, dat het denken door de
-logische geschriften van Aristoteles allengs geoefend werd, om deze
-dogmatische stof dialectisch en systematisch te verwerken. Eerst
-waren er van Aristoteles slechts de beide logische geschriften de
-categoriis en de interpretatione in latijnsche vertaling, benevens de
-inleiding van Porphyrius op de categoriën, en verschillende commentaren
-vooral van Boëthius bekend; van Plato had men slechts een gedeelte
-van den Timaeus in vertaling en voorts aanhalingen bij Augustinus,
-pseudo-Dionysius e. a. De wetenschap buiten de theologie was in het
-trivium en quadrivium verdeeld en was vervat in het encyclopaedisch
-werk van Cassiodorius. Eerst sedert ’t midden der 12e eeuw werd het
-Organon van Aristoteles volledig bekend en in ’t begin der 13e eeuw ook
-zijne andere werken over metaphysica, physica, psychologie en ethiek.
-Aan deze philosophie ontleende men de dialectische methode, maar voorts
-ook allerlei problemen en kwesties over de verhouding van geloof
-en rede, theologie en philosophie, over de realiteit der algemeene
-begrippen, over de eigenschappen Gods, de wonderen, de schepping
-van eeuwigheid, de ziel enz. Aristoteles werd praecursor Christi
-in naturalibus, evenals Johannes de Dooper in gratuitis. Allerlei
-kosmologische, natuurkundige, psychologische, philosophische stof werd
-daardoor in de dogmatiek opgenomen. De dogmatiek was geen geloofsleer
-meer maar werd een systeem der philosophie, eene encyclopaedie der
-wetenschap, waarin allerlei wijsgeerige stof werd opgenomen maar waarin
-de religie dikwerf te kort kwam. En eindelijk werd heel dit scholastiek
-systeem voorgedragen in een vorm, die hoe langer hoe meer tot ernstige
-bedenkingen aanleiding gaf. Niet alleen werd de stof zoo dialectisch
-bewerkt, zoo haarfijn uitgeplozen en zoo juristisch behandeld, dat de
-samenhang met het religieuse leven der gemeente geheel werd verbroken;
-bij voorkeur hield men zich bezig met allerlei spitsvondige kwestiën
-over engelen en duivelen, hemel en hel enz. Maar de questionaire vorm,
-waarin alles gegoten werd, bevorderde den twijfel en liet auctoritas en
-ratio dikwerf geheel uiteengaan en vijandig tegenover elkander staan.
-Menigmaal schijnt de zaak van een dogma geheel verloren; maar een enkel
-beroep op een tekst, op een kerkvader maakt alles weer goed. De indruk
-blijft echter, dat het er met het dogma hopeloos bijstaat. De taal
-was op den duur niet geschikt, om met den inhoud van het systeem te
-bevredigen. Het barbaarsch latijn, dat men schreef was naar de opmerking
-van Paulsen wel een bewijs, dat men zelfstandig dacht en vrij de woorden
-vormde, die men voor zijne denkbeelden van noode had, maar kon toch niet
-voldoen, zoodra de zin voor het klassieke, het eenvoudige schoon weer
-eenigermate ontwaakte.
-
-12. De scholastiek verloopt in drie perioden, in eene aetas vetus,
-media en nova. Ze begint met Anselmus. Deze leeft nog in het naïef
-vertrouwen, dat het geloof tot weten kan verheven worden, en
-beproeft dat voor het bestaan van God in zijn Monologium, en voor de
-menschwording en voldoening in zijn Cur Deus homo. Hij doet het nog
-niet in den aristotelisch-scholastischen vorm, maar meer in den zin
-van Plato’s dialogen; toch neemt de scholastische speculatie bij hem
-een aanvang. Lombardus gaf in zijne Sententiarum libri IV niet enkele
-tractaten, zooals Anselmus, maar een volledig dogmatisch en ethisch
-handboek. Hij leverde den tekst voor de scholastieke theologie, en maakt
-zelf reeds een ruim gebruik van de philosophie, tot verduidelijking
-en verdediging der waarheid. Alexander Halesius schreef eene Summa
-universae theologiae, welke eigenlijk reeds een commentaar is op het
-werk van Lombardus; maar, terwijl deze over een onderwerp in eens ten
-einde toe voortredeneert, kleedt Halesius zijne gedachten in een streng
-dialectischen, syllogistischen vorm. Daarmede was de scholastische
-methode voorgoed gevestigd. Het ging niet geheel zonder strijd. Velen
-hadden bezwaar tegen het gebruik van Aristoteles in de theologie. Er
-bleven ten allen tijde Platonici, die Plato veel meer in overeenstemming
-achtten met de kerkleer. Johannes van Salisbury, Gerhoch, Walther van
-St. Victor, Petrus Cantor, Alanus ab insulis, Willem van Auvergne
-e. a. wezen op de gevaren der philosophie; en Abaelard scheen een
-afschrikwekkend voorbeeld. Maar de scholastische methode, door beroemde
-mannen gedekt, won veld. Weldra werd Aristoteles’ wijsbegeerte, ofschoon
-hier en daar gewijzigd, de beste verdediging der kerkleer geacht. Het
-volledigst werd naar deze methode de dogmatiek bewerkt door Albertus
-Magnus † 1280, Thomas Aquinas † 1274 en Bonaventura † 1274. Alle drie
-schreven een commentaar op het werk van Lombardus, en werden daarin
-later door velen gevolgd. Fleury telde er in zijn tijd reeds 244.
-Bovendien schreef Albertus een Summa theologiae (onvoltooid) en een
-Summa de creaturis; Thomas een Summa theologiae (onvoltooid), en Summa
-de veritate cath. fidei contra gentiles; Bonaventura een Breviloquium.
-Alle drie hebben de scholastiek algemeen in eere gebracht, aan de
-theologie eene eereplaats verzekerd onder de wetenschappen, en met
-buitengewone denkkracht de diepste problemen behandeld. Maar de
-scholastiek heeft zich niet op die hoogte kunnen houden. Bij Duns Scotus
-† 1308 is het vertrouwen al geschokt. Hij verwerpt het nominalisme, maar
-bestrijdt Thomas toch overal, waar hij maar durft en kan. De Franciscaner
-de Rada † 1608 telde later in zijne Controversiae theol. inter Thomam
-et Scotum, Colon. 1620 niet minder dan 86 punten van geschil op. De
-voornaamste daarvan waren die over de kenbaarheid Gods, het onderscheid
-in de goddelijke eigenschappen, de erfzonde, de verdiensten van
-Christus, enz. en vooral ook de onbevlekte ontvangenis van Maria.
-Scotus is nog wel realist, maar hij is ook sceptisch en plaatst
-theologie en philosophie naast elkaar, Werner, Joh. Duns Scotus, Wien
-1881. De philosophie bereikt God niet, de theologie rust alleen op
-gezag, op openbaring. Maar vooral het nominalisme droeg tot verval
-der scholastiek bij; het was al opgekomen bij Roscellinus, Berengarius,
-maar won vooral terrein in de 14e en 15e eeuw. Petrus Aureolus
-† 1321, schrijver van een commentaar op Lombardus en van Quodlibeta
-zei, dat de universalia niet objectief in de dingen bestonden, maar
-slechts gedachten waren; het werkelijke is altijd individueel. Willem
-Durand de St. Porciano † 1332 ontkende de universalia en loochende ’t
-wetenschappelijk karakter der theologie, ze is geen eenheid, ze kan
-de waarheid der dogmata niet aantoonen en de gronden er tegen niet
-weerleggen. Willem van Occam † 1349, die den paus alle macht ontzegde
-over wereldlijke vorsten, dezen in hun verzet tegen den paus steunde
-maar ook op zijn beurt bescherming van hem vroeg, viel zoowel de school
-van Thomas als die van Scotus aan. Hij schiep er behagen in, om de
-onzekerheid der theologie aan te toonen; bestaan, eenheid, almacht
-Gods, eindigheid der wereld, onstoffelijkheid der ziel, noodzakelijkheid
-der openbaring enz., alles is onbewijsbaar. Alles is alleen, wijl God het
-zoo wil. Er zijn geen redewaarheden. God kon mensch maar hij kon ook een
-steen worden. Het Platonisme en Augustinisme verdwijnt uit de theologie.
-Alles wordt willekeur. De theologie gaat onder in skepticisme. Al bleef
-in de scholen ook meest het realisme heerschen: het had toch geen
-scheppende kracht meer, de vorm werd stijver, de taal barbaarscher, de
-methode spitsvondiger; subtiliteit verving grondigheid, ostentatie
-kwam in de plaats van wetenschappelijken ernst, dogmatiek ontaardde
-in een eindeloos dispuut. Daarbij kreeg het nominalisme van Occam
-aanhangers, Adam Goddam, Armand de Beauvoir, Robert Holkot, van wien
-het gezegde herkomstig zou zijn, dat iets in de theologie waar en in
-de philosophie valsch kan zijn, Joh. Buridan, Petrus van Alliaco en
-Gabriël Biel † 1495, den laatsten scholasticus. Litteratuur over de
-Scholastiek: Alsted, Theol. schol. didact. 1608 p. 4-8. Voetius, Disp.
-I 12-29. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der Philos. Band II. 6e Aufl.
-1881. Windelband, Gesch. der Philos. 1892 S. 207-274. Ritter, Gesch.
-der Philos. Bd. VII-VIII. Erdman, Grundriss der Gesch. der Philos. I
-240 f. Bach, Dogm. gesch. des M. A. 2 Bde., Wien, 1873, ’75. Schwane,
-Dogm. gesch. der mittl. Zeit. 1882. Harnack, Dogm. gesch. III 312 f.,
-en andere dogmenhistor. werken van Hagenbach, Thomasius, Seeberg,
-Nitzsch enz. Prantl., Gesch. der Logik. Bd. II-IV. H. Siebeck, Gesch.
-der Psychol. 2e Abth. 1884. Reuter, Gesch. der relig. Aufklärung im M.
-A. 2 Bde., Berlin, 1875-77. Werner, Die Schol. des späteren M. A. 3
-Bde., Wien, 1881. Stöckl, Gesch. der Philos. des M. A., 3 Bde., Mainz,
-1864-66. Hauréau, Histoire de la philos. schol. 2e ed., Paris, 1872,
-’80. Rousselot, Etudes sur la philos. du moyen-âge., Paris, 1840-42.
-Pierson, Gesch. van het R. Kath. 3e deel. Id. De Nomin. et real. 1855.
-Nitzsch, art. Schol. Theol. in Herzog². H. v. Eicken, Gesch. der
-mittelalt. Weltanschauung, Stuttgart, 1888. W. Kaulich, Gesch. der
-Schol. Philos. Prag, 1863. J. H. Löwe, Der Kampf zwischen Nom. u. Real.
-im M. A., sein Ursprung und sein Verlauf, Prag, 1876. M. Maywald, Die
-Lehre von der doppelten Wahrheit, Berlin, 1871, enz.
-
-13. Een bijzondere vorm van de scholastiek was de mystiek, die
-vroeger wel als der scholastiek vijandig werd beschouwd maar thans
-beter in haar aard en karakter wordt verstaan. De mystici hebben de
-scholastieke theologie nooit bestreden; mannen als Hugo en Richard van
-St. Victor hebben in hun traktaten verschillende deelen der theologie
-naar dezelfde methode behandeld als Lombardus, en omgekeerd hebben
-scholastici zooals Halesius, Albertus, Thomas, Bonaventura ook vele
-mystieke geschriften nagelaten. De mystiek wordt zelfs in de schol.
-theol. opgenomen, Thomas S. Th. II, 2 qu. 179 sq. Van een strijd en
-antagonisme is er dus geen sprake. Daarbij komt, dat kerk en theologie
-ten allen tijde tusschen ware en valsche mystiek hebben onderscheiden;
-het Neoplatonisme, het Gnosticisme, Erigena, Almarich, Eckhart,
-Molinos, Böhme, enz. zijn steeds veroordeeld, maar de geschriften van
-pseudo-Dionysius, Albertus, Bonaventura, enz. zijn altijd geprezen en
-goedgekeurd door de Roomsche kerk. Er moet dus onderscheid zijn tusschen
-de orthodoxe en de pantheïstische mystiek. De eerste nu stond niet
-vijandig tegenover de scholastiek. Maar ze was er wel van onderscheiden.
-Ten eerste in methode: de scholastiek volgde de analytische methode
-van Aristoteles en trachtte door redeneering uit de eindige dingen
-tot God op te klimmen; de mystiek volgde de synthetische methode
-van Plato en trachtte uit de hoogere aanschouwing, die de ziel door
-de genade bereikte, inzicht te krijgen in de waarheden des geloofs.
-In oorsprong: de scholastiek ontstond vooral door het bekend worden
-der geschriften van Aristoteles, en had tot object de sententiae van
-Lombardus, de mystiek ontstond vooral door het bekend worden der
-werken van pseudo-Dionysius, die in ’t Westen ingang vonden door de
-vertaling van Erigena. In wezen: de scholastiek is de poging, om
-met behulp van de philosophie wetenschappelijke kennis te verkrijgen
-van de geopenbaarde waarheid; de mystische theologie had tot object
-de mystieke gemeenschap met God, die aan enkele bevoorrechten door
-bijzondere genade geschonken werd, en beschreef nu hoe en langs welken
-weg de ziel daartoe geraken kon en welk licht van daaruit, van uit
-die gemeenschap met God, verspreid kon worden over de waarheden des
-geloofs. De mystiek in dezen zin had ten allen tijde in de christelijke
-kerk hare vertegenwoordigers, en komt in meerdere of mindere mate bij
-alle kerkvaders voor; ze hangt ten nauwste samen met het monnikideaal;
-ze gaat uit van de onderstelling dat er niet alleen eene kennis van God
-is door ’t verstand, maar ook eene ervaring, bevinding, gemeenschap
-Gods is door het gemoed. Ze sloot in de Middeleeuwen zich vooral aan
-bij Augustinus, die het eerst de diepte van het zieleleven had gepeild
-en in onnavolgbare taal had weergegeven, en bij pseudo-Dionysius,
-die de trappen en mijlpalen had aangewezen langs welke de ziel uit
-de eindigheid tot den oneindigen God opklimmen kon. Door practische
-oefeningen, zooals askese, reiniging, zelfpijniging, wereldvlucht,
-enz. of ook door theoretische bespiegeling, zooals auditio, lectio,
-oratio, cogitatio, consideratio, meditatio, kan de ziel hier op aarde
-reeds komen tot een toestand van aanschouwen of genieten van God. Zoo
-wordt de mystiek opgevat en beschreven in verschillende werken van
-Bernard van Clairvaux, Hugo en Richard van St. Victor, Bonaventura,
-Thomas, Gerson en Thomas à Kempis. Maar het lag voor de hand, dat
-de mystiek, alzoo den nadruk leggende op de contemplatie, de kennis
-ging geringschatten; in de genieting des harten ging de helderheid
-des bewustzijns, de waarde der kennis te loor; ze kwam onder invloed
-menigmaal van ’t neoplatonisme en kreeg bijv. bij Eckhart † 1327 e. a.
-een pantheïstischen trek, W. Preger, Gesch. der deutschen Mystik im
-M. A., 2 Bde. Leipzig 1875-81. Görres, Die christ. Mystik, 2e Aufl. 5
-Bde. Regensburg 1880. Harnack, D. G. III 314 f. 374 f. Art. Myst. in
-Herzog². De dogmengesch. en philos. werken, boven bij de schol. genoemd,
-benevens de monographieën over Tauler, Eckhart, enz. Kleutgen, Theol.
-der Vorzeit IV 49 f. Verdere litter. bij Kihn, Encycl. u. Methodol. der
-Theol. 1892. S. 453 f.
-
-14. Het ontbrak echter in de Middeleeuwen niet aan protesten tegen de
-richting, waarin kerk en theologie zich ontwikkelden. Verschillende
-secten traden er op, Katharen, Albigenzen, de volgelingen van Amalrik
-van Bena, David van Dinant, Ortlieb, de secte des vrijen geestes enz.
-en vernieuwden de oude manicheesche en gnostische dwalingen, Reuter,
-Gesch. der relig. Aufklärung im M. A. Berlin 1875-’77. L. Flathe,
-Gesch. der Ketzer im M. A. 3 Bde. Stuttgart 1845. Kurtz, Lehrb. der
-Kirch. gesch. § 108. Döllinger, Beiträge zur Sektengesch. des M. A. 2
-Th. München, Beck, 1890. De Waldenzen kwamen met Rome in conflict door
-hun leer van de vrijheid der prediking, Comba, art. in Herzog², Haupt,
-Waldenzerthum und Inquisition im südöstl. Deutschl. Freiburg, Mohr,
-1890. In vele kringen was er een terugkeer tot Augustinus en Paulus.
-Bradwardina † 1349 trad in een geschrift de causa Dei contra Pelagium
-op als een moedig verdediger van de genade Gods, Lechler, De Th.
-Bradwardina commentatio, Lips. 1863 en art. in Herzog². Wiclif † 1384
-was van hem afhankelijk gelijk Hus † 1451 op zijn beurt weder van Wiclif.
-Wiclifs werken worden sedert 1882 uitgegeven door de Wiclif Society te
-Londen. Zijne leer wordt het best gekend uit zijne Summa in 12 boeken,
-verkort en systematisch samengevat in zijn Trialogus, uitgeg. door
-Lechler, uit zijne verhandeling de Christo et suo adversario Antichristo
-uitgeg. door Buddensieg, en uit zijn tractaat de ecclesia uitgeg. door
-Loserth. Dat Hus geheel van Wiclif afhankelijk is, is aangetoond door
-Loserth, Hus und Wiclif, Prag. u. Leipz. 1884. Zelfs binnen de kerk
-stonden velen op, die een reformatie in capite et membris verlangden.
-Petrus d’ Ailly † 1425, Gerson † 1429, Nic. van Clémanges † 1414,
-Nicolaus Cusanus † 1464 e. a. verdedigden het episcopale stelsel; en de
-reformatorische concilien van Pisa 1409, Constanz 1414 en Bazel 1431
-spraken zich uit in dien geest. Het concilie te Constanz in de 4e en 5e
-zitting verklaarde, dat een oecumenisch concilie zijn gezag onmiddellijk
-van Christus had en dat de paus ook daaraan onderworpen was. Maar
-al deze reformatiën hadden weinig succes. Ze waren kritiek van ’t
-bestaande van uit eenzelfde beginsel, Harnack D. G. III 408 f. 570 f.
-En toen in de 16e eeuw de Protest. reformatie opkwam, nam de Roomsche
-kerk ook weldra tegen haar positie. Vóór het concilie te Trente waren
-de voornaamste theologen Cajetanus † 1534, Dr. Eck † 1543, Cochlaeus
-† 1552, Sadoletus † 1547 e. a. Ze onderscheiden zich nog daardoor,
-dat ze vrijmoedig de gebreken der kerk erkennen. Hun geschriften zijn
-meest polemisch tegen de Hervormers. ’t Merkwaardigst is Dr. Eck’s
-Enchiridion locorum omnium adv. Lutherum et alios hostes ecclesiae
-1525, dat tot 1576 toe 46 maal werd herdrukt, Hugo Lämmer, Die
-vortrident. kath. Theol. des Reformationszeitalters, Berlin 1858. De
-theologie was, vooral door den spot der Humanisten, in discrediet; op
-de Middeleeuwen zag men terug als een tijd van gothische barbaarschheid;
-en ook de vromen verlangden meer eenvoud en waarheid, meer practisch
-Christendom. Er behoorde voor de Roomsche theologen eenige moed toe
-en er was ook eenige tijd voor noodig, om tot bezinning te komen en
-den draad der scholastiek weer op te vatten. Het concilie te Trente
-nam wel verschillende besluiten ter reformatie, maar koos zoo sterk
-mogelijk tegen de Prot. reformatie partij. De dogmata, waarover met de
-reformatie geschil was, zooals de leer van de traditie, de zonde, den
-vrijen wil, de rechtvaardiging, de sacramenten, werden kras en duidelijk,
-in roomschen zin, geformuleerd; maar de onderlinge verschillen liet men
-rusten. De kwestie van paus en concilie, van Thomisme en Scotisme enz.
-werd niet besproken of zoo omzichtig mogelijk behandeld, Harnack, D. G.
-III 588 f. Herzog² 16, 4 f. en de daar aangeh. litt. Bij gelegenheid,
-dat men te Trente beraadslaagde over het houden van voorlezingen
-over de H. Schrift in alle kloosters, stelde een Benedictijnerabt
-voor, om een verbod der scholastiek daaraan toe te voegen. Maar de
-Dominikaan Soto nam het woord, weerlegde de bezwaren, prees het nut der
-scholastiek en vond algemeen instemming, Kleutgen, Theol. d. Vorzeit IV
-80. Langzamerhand werd de scholastiek in hare eere hersteld, maar met
-wijziging. Melchior Canus † 1560 wijdt in zijn werk de locis theologicis
-een geheel boek aan de verdediging der scholastiek, lib. VIII: de
-auctoritate scholasticorum doctorum en geeft toe dat vele scholastici
-aan verschillende fouten zich hebben schuldig gemaakt; hij keurt die
-gebreken af maar verdedigt beslist de scholastische methode. Ze werd
-vereenvoudigd en van overdrijving ontdaan, maar overigens behouden.
-Eene tweede verandering bestond hierin, dat Lombardus meer en meer
-voor Thomas plaats maakt. In de Middeleeuwen waren de Sententiae van
-Lombardus het dogmatisch handboek geweest; en ook na de hervorming
-schreven Soto † 1560, Maldonatus † 1583, Estius † 1608 en anderen
-nog commentaren op dat werk. Maar de beroemde Cajetanus leverde een
-commentaar op de Summa van Thomas. En Franziscus Vittoria † 1566,
-Hiëronymus Perez † 1556, Barth. van Torres † 1558 e. a. volgden zijn
-voorbeeld. Tegen het einde der 16e eeuw was Lombardus in de meeste
-scholen door Thomas vervangen; deze was zuiverder, uitgebreider,
-methodischer, en drong dieper in de dogmata door dan Lombardus.
-Voorts was ook dit nog een onderscheid tusschen de oude en de nieuwe
-scholastiek, dat de laatste veel nauwer met de positieve theologie
-zich verbond. In de Middeleeuwen werd de positieve dogmatiek, d.
-i. het bewijs voor de waarheid uit Schrift en traditie, bijna geheel
-verwaarloosd; maar nu werd deze in de dogmatiek opgenomen en met groote
-geleerdheid bewerkt. Canus schreef een eigen werk over de bewijsbronnen,
-die hij loci theologici noemt; door alle neo-scholastici Greg. van
-Valentia, Suarez, Bannez, Diego Ruyz, enz. wordt de studie van Schrift
-en traditie ijverig beoefend. Exegese, kerkhistorie, patristiek,
-archaeologie, enz. worden eigene, zelfstandige wetenschappen. Theologie
-is nog iets anders en meer dan dogmatiek. En omdat eindelijk de nieuwe
-scholastici niet die rust genoten als de theologen in de Middeleeuwen,
-maar van alle zijden werden aangevallen en op alle punten de Roomsche
-leer hadden te verdedigen, bleef er voor de subtiele kwesties en de
-spitsvondige onderscheidingen geen plaats en geen tijd meer; vorm,
-methode, taal, uitdrukking werd eenvoudiger; de werken van Canisius,
-Canus, Petavius, Bellarminus, enz. zijn geschreven in zuiver latijn, en
-in een aangenamen stijl, en zijn in dit opzicht gunstig onderscheiden
-van de werken der Middeleeuwsche theologen. Maar wat ook veranderd
-en verbeterd werd, de geest bleef dezelfde. Rome heeft zichzelf niet
-verloochend en ook door de reformatie niets geleerd. Zelfs is het
-eigenlijke karakter der Roomsche leer na en door de reformatie nog
-duidelijker aan het licht getreden. Het Pelagianisme en het Curialisme
-hebben na het concilie van Trente zich verder ontwikkeld en hebben
-eene volledige overwinning behaald. Vergelijk voor de geschiedenis der
-Roomsche theologie na Trente: Walch, Bibl. theol. sel. I 148 sq. Pfaff,
-Introductio in Hist. theol. liter. 1724 p. 194 sq. 206 sq. M. Brühl,
-Gesch. der kath. Liter. Deutschl. vom 17 Jahrh. 2e Aufl. Wien 1861.
-H. Hurter, Nomenclator literarius recentioris theol. cathol. 4 vol.
-Innsbr. 1871-’83. Karl Werner, Gesch. der apol. u. polem. Lit. der
-christl. Theol. 5 Bde. Schaffh. 1861-67. Id. Gesch. der kath. Theol.
-Deutschl. seit dem Trienter Concil bis zur Gegenwart, München, 1866,
-2e Aufl. 1889. Id. Der heilige Thomas von Aquino, 3 Bde. Regensburg
-1858-59. Bd. I Leben und Schriften. Bd. II Lehre. Bd. III Geschichte
-des Thomismus. Id. Franz Suarez und die Schol. der letzten Jahrh. 2
-Bde. Regensburg 1861, 62. Schwane, Dogmengesch. der neueren Zeit,
-Freiburg 1890 S. 16 f. A. Stöckl, Gesch. der Philos. des M. A. III 1866
-S. 628 f. Herzog² 15, 589 f. Harnack, D. G. III 617 f.
-
-15. De neo-scholastische theologie kwam op in Spanje en werd daar
-vooral beoefend aan de hoogescholen van Salamanca, Alcala (Complutum)
-en Coimbra. Franz de Vittoria 1480-1566, geboortig uit Vittoria in
-Cantabrië, behoorde tot de Dominikanen en werd van wege zijne orde naar
-Parijs gezonden om zich toe te leggen op de theologie. Daar bestudeerde
-hij vooral Thomas. In Spanje teruggekeerd, werd hij hoogleeraar te
-Salamanca en verbreidde daar de leer van Aquinas, op wiens Summa
-hij ook een commentaar schreef. Onder zijne leerlingen behoorden de
-beroemdste theologen van Spanje, Melchior Canus † 1560, Loci theolog.
-1563; Dominicus Soto † 1560, Comm. in 4{m} librum Sent. 1557-60 en
-de natura et gratia libri III 1547 tegen den Scotist Catharinus;
-Barthol. Medina, Expositio in I 2 Thomae 1576. De thomistische
-theologie werd vooral beoefend door de orde der Dominikanen, tot wie
-behalve de bovengenoemden ook behoorden: Petrus de Soto, prof. te
-Dillingen † 1563, Institutiones christ. 1548, Methodus confessionis
-1553, Compendium doctrinae cathol. 1556, Defensio cathol. confessionis
-1557 tegen Brenz; Dom. Bannez, Comm. in I Thomae, 2 tomi 1584, ’88;
-Didacus Alvarez, de auxiliis gratiae div. et humani arbitrii viribus
-et libertate etc. Lugd. 1611, de incarn. verbi div. Lugd. 1614;
-Vincentius Contenson, Theologia mentis et cordis, 2 tom. Colon. 1687;
-J. Baptista Gonetus † 1681, Clypeus theol. thomist. 1659-69, diss.
-theol. de probabilitate casuistarum; Natalis Alexander, Theol. dogm.
-et mor. sec. ordinem catech. Conc. Trid. Paris 1703; Billuart † 1757,
-Summa S. Thomae hodiernis academiarum moribus accommodata, 19 tom.
-Leodii 1747-59, nieuwe uitgave bij Palmé te Parijs in 8 vol.; en verder
-nog Fr. de Sylvestris, Joh. Viguerius, Joh. Gonsalez, Martin Ledesma,
-Joh. Vincentius, Balt. Navarretus, Raphael Ripa, Franz en Dominicus
-Perez, Gazzaniga † 1799, Praelect. theol. Bononiae 1790 e. a. Bij de
-Dominikanen sluiten zich de Karmelieten aan, van wie vooral beroemd is
-Salmanticensis collegii Carmelitarum discalceatorum cursus theol. in D.
-Thomam, 10 vol. Lugd. 1679 sq. Maar ook de scotistische theologie vond
-in den nieuwen tijd nog aanhang en verdediging, bij Ambrosius Catharinus
-† 1553, Fr. Lychetus, Comm. in I II III librum Sent. Scoti, Venet.
-1589; Frassenius † 1711, Scotus Academicus, 4 tom. Paris 1662-77;
-Dupasquier † 1718, Summa theol. scotisticae; Barth. Durandus, Clypeus
-Scoticae doctrinae; Thomas van Charmes, Theol. universa; en voorts bij
-Brancatus, Mastrius, Faber † 1630, Bonaventura Bellutus † 1676, Lukas
-Wadding † 1657, uitgever van Scotus’ werken te Lyon 1639 v. e. a. De
-Franciscaner de Rada, bisschop van Trani, † 1608 gaf in zijn boven reeds
-aangehaald werk een overzicht van de controversen tusschen de Thomisten
-en de Scotisten.
-
-De scholastische theologie werd echter vooral beoefend door de
-Jezuïten, die meer dan eenige andere orde tot haar herleving en bloei
-hebben bijgedragen. Methodisch en met buitengewoon talent namen zij de
-contrareformatie ter hand. Als polemici tegen de leer der Protestanten
-traden onder hen op Possevinus † 1611; Bellarminus † 1621, Disput. de
-controv. christ. fidei adv. hujus temporis haereticos, Ingolstadt 1581.
-Gretser, Opera omnia in 17 tomi, Regensburg 1734 sq. Becanus, Manuale
-controversiarum. De beroemdste theologen uit de orde der Jezuïten
-zijn Petrus Canisius † 1597, Summa doctrinae et institutionis christ.
-1554, in 130 jaar 400 maal uitgegeven, en een kleiner catechismus:
-Institutiones christ. pietatis 1566. Franc. Toletus † 1596, In Summam
-S. Thomae tom. 4, opnieuw uitgeg. te Rome 1869, Joh. Maldonatus,
-leerling van Toletus en Soto te Salamanca † 1583, beroemd exegeet, en
-schrijver van vele dogm. tractaten, de sacramentis, de libero arbitrio,
-de gratia etc. Leonh. Lessius prof. te Leuven † 1623, Disput. de
-gratia, decretis divinis, libertate arbitrii et praescientia Dei
-conditionata Antw. 1610. De perfectionibus divinis libri 14, Antw.
-1620. Theologia 1651 etc. Lud. Molina prof. te Evora, later te Madrid
-† 1600, Liberi arbitrii cum gratiae donis, divina praescientia, provid.
-praedest. et reprob. concordia 1588, de justitia et jure, en commentaar
-op het eerste deel van Thomas. Greg. de Valentia prof. te Dillingen,
-Ingolstadt, Rome † 1603, Analysis fidei cathol. 1585. Theol. Comment.
-in Summam S. Thomae Tomi IV 1602. Mart. Becanus, prof. te Mainz † 1624.
-Manuale controv. en Theol. scholastica, 3 partes 1612-’22. Roderich
-Arriaga, prof. in Valladolid, Salamanca, Praag † 1667, Disputationes
-theol. 8 tomi 1643 sq. Franz. Suarez † 1617, Commentaria et
-disputationes in Thomam, tomi V, en vele tractaten de gratia etc.; een
-kort excerpt uit zijne theologie is Theologiae R. P. Fr. Suarez S. J.,
-Summa seu Compendium auctore T. Noel S. J. Tomi II Paris, Migne 1858.
-Gabr. Vasquez † 1604, Comm. in Summam S. Thomae, Ingolstadt 7 vol. 1609
-sq.; Didacus Ruyz de Montoya † 1632, Comment. op verschillende loci van
-Thomas, Theol. scholastica 1630. Clavis Theol. 1634; Antoine, Theologia
-universa speculativa et dogmatica, Paris 1713; Dion. Petavius † 1652,
-De theol. dogmatibus, 5 tomi, onvoltooid Paris 1644; en verder nog
-Melch. de Castro, Lusitanus, Zunniga, Tannez, Hurtado, Ripalda † 1648,
-Mendoza, Lugo † 1660, Arriago, Gotti † 1742, Zaccaria † 1795 e. a.
-Afzonderlijke vermelding verdient nog de door de Würzburger professoren
-S. J. geschreven Theologia Wirceburgensis, dogm. polem. schol. et mor.
-14 vol. Wirceb. 1766-1771, nieuwe uitg. in 10 vol. Paris 1880.
-
-De Jezuiten volgden over het algemeen Thomas, maar weken tengevolge van
-hun pelagianisme in de leer van de zonde, den vrijen wil en de genade
-van hem af. Dit werd oorzaak van een langdurigen strijd. Hij begon met
-Bajus, prof. te Leuven † 1589, die de leer van Augustinus over de zonde
-en de onvrijheid van wil voordroeg en ook de onbevlekte ontvangenis
-van Maria verwierp. Reeds in 1560 werden verschillende theses van
-Bajus door de Sorbonne verworpen, en Paus Pius V veroordeelde 79
-stellingen van Bajus in de bul Ex omnibus afflictionibus 1567. Bajus
-herriep. Maar daarmede was de strijd niet uit. Hij ontbrandde opnieuw
-in 1588 door het werk van Molina, Liberi arbitrii cum gratiae donis
-... concordia. De Thomisten, meest Dominikanen, vielen dit werk aan,
-vooral bij monde van een hunner beroemdste vertegenwoordigers Bannez
-† 1604, die eene physische praedeterminatie leerde. Thomisten, (Bannez,
-Sylvester, Alvarez, Lesmos, Reginaldi, enz.), resp. Augustinianen
-(Noris † 1704, Laur. Berti † 1766, Bertieri) en Jezuiten, Molinisten
-of Congruisten (Bellarminus) stonden jaren lang tegenover elkaar. Eene
-menigte strijdschriften over zonde, vrijen wil, genade zagen het licht,
-Walch, Bibl. theol. sel. I 179 sq. De commissie, in Rome benoemd,
-werd 1607 ontbonden zonder eene beslissing te nemen; en de paus
-zeide dat hij later uitspraak zou doen en dat zoolang de eene partij
-de andere niet verketteren mocht. In 1640, toen het werk Augustinus
-van Cornelius Jansen, bisschop van IJperen verscheen, werd opnieuw de
-vonk in ’t kruit geworpen. De strijd duurde tot in de 18e eeuw voort.
-De mannen van Port Royal stonden aan de zijde van Jansenius, Arnauld
-† 1694, Pascal † 1662, Nicole † 1695, Sacy † 1684, Tillemont † 1698,
-Quesnell † 1719. Maar geleerdheid en welsprekendheid mochten niet
-baten. In verschillende bullen 1653, 1656, 1664, 1705 en 1713 werd het
-Jansenisme, en daarin Augustinus, en zelfs Paulus veroordeeld, en later
-werd de bul Unigenitus van 1713 nog meermalen bevestigd. En evenals in
-dogmaticis het Pelagianisme zegevierde, zoo behaalde in ethicis het
-Probabilisme en in ecclesiasticis het Curialisme of Papale stelsel de
-zegepraal.
-
-16. Maar in het begin der 17e eeuw was de bloeitijd der neoscholastiek
-voorbij. In heel Europa kwam de rationalistische geest op. De
-philosophie van Bacon en Cartesius verdrong die van Aristoteles.
-Zelfs theologen, die de scholastieke dogmata aannamen, meenden, dat
-er een andere methode noodig was; zooals Bossuet † 1704, de beroemde
-verdediger van het gallikaansche stelsel en bestrijder der Protestanten,
-Exposition de la doctrine de l’église cath. sur les matières de
-controverse 1671, Histoire des variations des églises protest. 2 vol.
-Paris, 1688. Fénélon † 1715, Thomassinus † 1695, Dogmata theol. De
-historische en critische studiën, die vooral in Frankrijk beoefend
-werden, drongen de eigenlijke theologie terug. Vele geleerde Maurinen
-en Oratorianen vervielen zelfs tot ongeloof. In de scholen bleef nog
-wel lang tot diep in de 18e eeuw de scholastiek heerschen. Ook bleven
-de verschillende richtingen van Thomisten, b.v. Peri, Quaest. theol. 5
-vol. 1719-32, Scotisten, b.v. Krisper, Theol. scolae scotisticae, 4
-Tom. 1728-48, Molinisten, b.v. Anton Erber, Theol. specul. tractatus
-octo 1787, en Augustianen, b.v. Amort, Theol. eclectica moralis et
-scholastica, 23 tomi, Augsburg, 1752 sq. naast elkaar voortduren.
-Maar de scholastiek trok zich toch meer en meer in de scholen terug.
-Andere deïstische, naturalistische partijen komen op, krijgen het hoogste
-woord en oefenen invloed op de Roomsche theologie. De scholastieke
-philosophie werd in Frankrijk door Cartesius, in Duitschland door
-Leibniz-Wolff terzijde gesteld. In Oostenrijk werd 1752 de peripatetische
-leer verboden en 1759 de leiding der theol. en philos. studiën aan de
-Jezuïten ontnomen. De orde werd 1773 door Clemens XIV opgeheven. Het
-Gallikaansche stelsel werd in 1763 door Nic. van Hontheim, wijbisschop
-van Trier in een werk de statu ecclesiae et legitima potestate Romani
-Pontificis verdedigd en door Jozef II in 1781 als kerkrecht ingevoerd.
-De confessioneele verschillen werden vergeten; in plaats van den strijd
-tegen de Protestanten komt die tegen vrijdenkers, ongeloovigen enz. bij
-Klüpfel, Fahrman, Stattler, Storchenau, Burkhauser. De theologie komt
-geheel onder invloed der wisselende philosophie. De Aufklärung had
-haar vertegenwoordiger in Ad. Weishaupt, prof. te Ingolstad, stichter
-van de orde der Illuminaten. Kant’s invloed is merkbaar bij Ildefons
-Schwarz, Peutinger, Zimmer. Jacobi’s philosophie vond aanhang bij J.
-Salat en Cajetan Weiller. Thanner stond onder invloed van Schelling. De
-voornaamste theoloog, die in de 18e eeuw tegen alle dwalingen pal bleef
-staan, was Alphonsus van Liguori † 1787, door Pius IX in 1871 opgenomen
-onder de doctores ecclesiae.
-
-17. Ook in deze 19e eeuw bleef aanvankelijk het rationalisme nog in
-vele Roomsche kringen heerschen. Er was in Duitschland eene groote
-partij, die de inrichting en leer der Roomsche kerk in overeenstemming
-wilde brengen met de eischen van den nieuweren tijd, Dalberg † 1817,
-Wessenberg † 1860, Werkmeister e. a., Hermes, prof. te Bonn † 1831,
-Einleitung in die Christkath. Theologie 1819, ’29, Christkath. Dogm.
-1834, ’36 trachtte de openbaring, de autoriteit op redelijke gronden te
-doen rusten, en gaf aan de rede bij de beoordeeling van wat openbaring
-is dezelfde rechten, als de Wolffsche philosophie gedaan had. Eerst
-had Hermes vele aanhangers, Achterfeldt, die zijne dogmatiek uitgaf,
-Braun, von Droste-Hülfshof, prof. in de rechten te Bonn, Spiegel,
-aartsbisschop van Keulen; maar toen paus Gregorius XVI 26 Sept. 1835
-het Hermesianisme veroordeeld had, daalde zijn invloed. Anton Günther
-† 1863 in Weenen, Vorschule zur specul. Theol. 1828. Peregrius Gastmahl
-1830 u. s. w. sloot zich bij Hegel’s stelling aan, dat philosophie en
-speculatieve theologie eigenlijk één zijn. Er is geen tweeërlei waarheid
-en zekerheid. Maar gelooven is de aanvang en onderstelling van alle
-weten, en alle geloof, ook aan de openbaring, kan in weten overgaan en
-tot evidentie worden verheven. Ook Günther had vele aanhangers, Pabst,
-Merten, Veith, Gaugauf, Baltzer, Knoodt; maar hij werd 1857 veroordeeld.
-Franz von Baader † 1841, Vorlesungen über specul. Dogmatik, Sämmtliche
-schriften, Leipzig 1850-57 in 15 deelen, onder invloed van Böhme en
-Schelling, zocht heil niet in terugkeer, maar in nieuwe ontwikkeling
-van het oude, in vernieuwing der dogmata, en wilde langs theosophischen
-weg het gelooven tot weten verheffen. Zijne aanhangers waren Schaden,
-Lutterbek, Hoffmann, Hamberger, Sengler, Schlüter, maar Baader werd
-wegens zijn bestrijding van het primaat gecensureerd. J. Frohschammer,
-Einleitung in die Philosophie und Grundriss der Metaphysik 1858
-enz. verwierp de scholastieke en de idealistische philosophie,
-en trachtte de metaphysica, de theologie op te bouwen niet op de
-abstracte rede maar op het concreete, algemeene, historische feit van
-het Godsbewustzijn in de menschheid. Theologie en philosophie vallen
-dus voor hem in inhoud samen; ze verschillen alleen in methode; ’t
-natuurlijke en ’t bovennatuurlijke zijn niet streng te scheiden. Pius
-IX veroordeelde deze philosophie in een brief aan den aartsbisschop
-te München 11 Dec. 1862. Zijne werken werden op den index geplaatst,
-hijzelf in 1863 gesuspendeerd. Frohschammer onderwierp zich echter niet
-en bleef in tal van geschriften voor de vrijheid der wetenschap en
-tegen de aanspraken van den paus strijden. Zoo werd door Rome eenerzijds
-de onafhankelijkheid der wetenschap bestreden, maar andererzijds toch
-ook weer in haar betrekkelijke vrijheid erkend. Na de revolutie kwam
-in Frankrijk het traditionalisme op, nl. de leer, dat de hoogere
-metaphysische waarheden niet door de rede te vinden zijn, maar alleen
-verkregen worden uit de openbaring, die van den eersten mensch af in de
-menschheid door traditie is voortgeplant en in de taal wordt bewaard.
-Deze theorie werd met talent verdedigd door de Bonald, Recherches
-philos. sur les premiers objets des connaissances morales, Paris 1817,
-Lamennais, Essai sur l’indifférence en matière de religion, Paris 1817,
-en Bautain, de l’enseignement de la philos. en France au 19e siècle,
-1833, Philos. du Christianisme, 1835. Maar ze kon te Rome geen genade
-vinden. Bautain onderteekende in 1840 zes theses, die hem werden
-voorgelegd, en herriep zijne leer. En evenzoo werd het ontologisme van
-Gerdil † 1802, Gioberti † 1852, Rosmini † 1855, Gratry † 1872, Ubaghs
-e. a. verworpen, dat naar het idealisme van Malebranche terugging en
-alle hoogere waarheid afleidde uit de onmiddellijke aanschouwing Gods en
-der ideeën.
-
-Al deze veroordeelingen bewijzen, dat Rome na het rationalisme der
-vorige eeuw hoe langer hoe meer zichzelf bewust werd en tot ontwaking
-kwam. Er is na de revolutie ook eene herleving van de Roomsche kerk en
-theologie geweest. Het romantisme kwam aan Rome ten goede en maakte
-vele bekeerlingen, Winckelmann, Stolberg, Schlegel, Ad. Müller, Z.
-Werner, Schlosser, Haller enz. In Frankrijk kwam er reactie tegen de
-revolutie en het ongeloof door Chateaubriand, Génie du christianisme,
-Joseph de Maistre, † 1821, Bonald, Lamennais. Het Puseyisme of
-Tractarianisme, dat onder Pusey en Newman in 1833 te Oxford begon,
-leidde velen tot de Roomsche kerk en versterkte de hoogkerkelijke,
-ritualiseerende en romaniseerende richting in de episcop. kerk. De
-geloovige theologie, die in Duitschland opkwam, sloot zich eerst in
-menig punt bij Schleiermacher aan. Zijne leer van Schrift, wedergeboorte,
-rechtvaardiging, kerk bevatte vele elementen, die de Roomschen ten
-hunnen voordeele konden aanwenden. En dat geschiedde dan ook met talent
-en ijver door Görres, Baader, Phillips, Döllinger in München; Klee in
-Bonn; Möhler, Hirscher, Drey in München en Tübingen; Staudenmaier en
-Kuhn in Giessen enz. De mannen van deze richting waren nog wel niet
-geheel en al naar het hart van Rome en het Jezuïtisme; ze streefden
-allen nog naar bemiddeling, ze zochten eene verzoening van gelooven en
-weten, zij trachtten door de speculatieve methode de dogmata te bewijzen
-en waren al te liberaal tegenover de Protestanten en deden nu en dan
-belangrijke concessies. Maar ze hadden uitnemende woordvoerders, en
-droegen veel bij tot herleving van de Roomsche theologie.
-
-Maar toch, op den duur voldeed deze verzoenende en bemiddelende
-richting niet. Langzamerhand kwam de neo-scholastieke richting op. In
-1814 werd de Jezuitenorde hersteld, en haar invloed op het Pausdom nam
-hoe langer hoe meer toe; haar macht breidde zich in alle landen uit. De
-„vrijheid der wetenschap” werd door haar met alle macht bestreden. Al
-de bovengenoemde veroordeelingen liepen uit op de beroemde encycliek
-van 8 Dec. 1864, en op het Vaticanum van 1870, waarin de onfeilbaarheid
-van den Paus werd uitgesproken. Deze neo-scholastieke richting werd in
-Italië vooral voorgestaan door den philosoof Sanseverino, Philosophia
-christiana, 7 vol. ed. nov. Neap. 1878 en door den theoloog J.
-Perrone, Praelectiones theologiae, 9 vol. 1838-43; in Duitschland
-door J. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 5 Th. 2e Aufl., Münster 1867 en
-Philos. der Vorzeit, 2 Th., Innsbr. 1878 en A. Stöckl in verschillende
-philosophische werken. De tegenwoordige Paus zette 4 Aug. 1879 daarop
-het zegel, door in zijne encycliek Aeterni Patris de studie van Thomas
-aan te bevelen. En sedert is er een machtig en algemeen streven, om
-de autoriteit van Thomas op elk gebied van wetenschap te herstellen.
-Staats-en rechtsleer, psychologie en ethiek, theologie en philosophie
-worden in zijn geest bestudeerd. In dienzelfden geest werd de dogmatiek
-behandeld door Franzelin, Scheeben, Heinrich, Bautz, enz.; hier te
-lande door G. M. Jansen, prof. te Rijsenburg, Praelect. theol. fundam.
-Ultraj. 1875-76, Theol. dogm. spec. 1877-79. Zie verdere litter. bij
-Kihn, Enc. u. Meth. der Theol., Freiburg 1892 S. 412 f.
-
-
-D. De Dogmatiek in de Luthersche Kerk.
-
-18. Voor de geschiedenis der Luthersche dogmatiek kunnen als
-hulpbronnen dienst doen: Walch, Bibl. theol. selecta I 35 sq. Pfaff,
-Introductio in historiam theol. litterariam 1724 p. 204 sq. G. Frank,
-Gesch. der prot. Theol., 3 Theile 1862-75. Dorner, Gesch. d. prot. Th.
-1867. Gass, Gesch. der prot. Dogm., 4 Theile 1854-67. Tholuck, Das
-kirchl. Leben im 17 Jahrh. 1861-2. Id. Das akad. Leben des 17 Jahrh.
-1853-4, samen vormend die Vorgesch. des Ration. Id. Gesch. des Ration.,
-Ier Theil, 1865. Id. Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs im 17
-Jahrh. 1852. Kahnis, Der innere Gang des deutschen Protest., 2 Th.,
-Leipzig 1874. Ritschl, Gesch. des Pietismus, 3 Th. 1880-6. Harnack,
-Dogmengesch. III 691 f. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss., Supplement
-144 f. Luther was geen systematische natuur; eene dogmatiek liet hij
-niet na. Des te meer was hij een oorspronkelijke, een scheppende geest.
-Hij heeft het Christendom van Paulus en Augustinus opnieuw ontdekt,
-het Evangelie weer als eene heerlijke boodschap der genade en der
-vergeving verstaan, en de religie in de religie hersteld. Daardoor
-is hij vruchtbaar geworden voor heel de theologie, en voor de gansche
-dogmatiek, zelfs de oude dogmata zijn wel door hem opgenomen maar met
-een nieuw religieus leven bezield, Th. Harnack, Luthers Theologie,
-2 Th., Erlangen 1862-66. J. Köstlin, Luthers Theologie, 2e Ausg.,
-Stuttgart 1883. Lommatzsch, Luthers Lehre vom eth. relig. Standp.,
-Berlin 1879. Voordat de Luthersche reformatie eene confessie had, had
-ze reeds een dogmatiek in Melanchton’s Loci 1521, opnieuw uitgegeven
-door Augusti 1821, Plitt 1864, Bindseil in Corpus Reform. XXI p. 62.
-Dit werk, ontstaan uit eene verklaring van den brief aan de Romeinen,
-was practisch, eenvoudig, soteriologisch, zonder eenige scholastiek,
-eigenlijk veel meer eene confessie dan eene dogmatiek. In dit werk vond
-de Duitsche reformatie een tijd lang haar eenheid. Maar reeds in 1526
-kwam Melanchton eenigszins van de belijdenis der strenge praedestinatie
-terug, en straks begon hij ook op andere punten, vooral in zake de
-avondmaalsleer, van Luther af te wijken. Deze dissensus van Luther komt
-het eerst duidelijk uit in de nieuwe uitgaven der Loci van 1535 en
-1543, dan in de verandering der Augustana 1540 en 1542, en eindelijk in
-het Leipziger Interim en den daardoor veroorzaakten adiaphoristischen
-strijd. Nu kwamen er twee partijen tegenover elkander te staan. Aan de
-eene zijde de aanhangers van Melanchton, de Philippisten, vooral aan de
-akademiën te Wittenberg en Leipzig, zooals G. Major, Paul Eber, Joh.
-Pfeffinger, Victor Strigel † 1569, wiens Loci Theologici ontstonden uit
-voorlezingen over Melanchtons Loci en door Pezel in 4 deelen 1582-5
-werden uitgegeven, Christ. Pezel † 1604, schrijver van Argumenta et
-objectiones de praecipuis articulis doctrinae christ., Neost. 1580-89,
-Sohnius, Opera. Herb. 1609, e. a. Cf. H. Heppe, Dogm. des deutschen
-Protest. im 16 Jahrh. 3 Bde. Gotha 1857. Aan de andere zijde stonden de
-Gnesio-lutheranen, vooral in Weimar en Jena, zooals Nic. von Amsdorf
-† 1565, Matth. Flacius † 1575, schrijver van de Solida Confutatio
-et condemnatio praecipuarum sectarum en vele andere polemische
-geschriften, Joh. Wigand † 1587, Joh. Marbach † 1581, Joachim Westphal
-† 1574, die vooral Calvijns avondmaalsleer bestreed, Tileman Heshusius
-† 1588 e. a. De velerlei dogmatische twisten, die in deze eerste
-periode onder de Luthersche theologen opkwamen, over de wet met
-Agricola, over de rechtvaardiging met Osiander, over de hellevaart van
-Christus met Aepinus, over de obedientia activa met Parsimonius, over
-de adiaphora, het synergisme en het kryptocalvinisme met Melanchton
-c. s., over de goede werken met Major, over de erfzonde met Flacius,
-leidden eindelijk tot en werden bijgelegd in de Formula Concordiae van
-1580, Frank, Die Theologie der Konkordienformel, 2 Th., Erl. Deichert
-1858-61. Ze was het werk vooral van Jakob Andreae † 1590 en van Mart.
-Chemnitz † 1586, den voornaamsten Lutherschen theoloog in deze eeuw,
-schrijver van het Examen Concilii Tridentini, 4 tomi 1565-73, opnieuw
-uitgegeven door Preuss 1861, van een verhandeling de duabus naturis in
-Christo, etc. 1571, vermeerderd 1578, en van Loci Theol., na zijn dood
-door Leyser in 1592 uitgegeven.
-
-19. Toen alzoo het Luthersche dogma gereed was, werd het in de 17e
-eeuw op scholastische wijze behandeld en ontwikkeld. Heerbrand † 1600,
-Compendium theologiae 1573, belangrijk vermeerderd 1578, en Hafenreffer,
-Loci Theologici certa methodo ac ratione in libros tres tributi 1603
-maakten daarmee reeds den aanvang. De scholastische behandeling wordt
-dan voortgezet door Leonhard Hutter † 1616, Compendium locorum theol.
-ex Scriptura sacra et libro Concordiae collectum 1610, Joh. Gerhard
-† 1637, Loci Communes theologici, 9 tomi 1610-22, beste editie van
-Cotta 1762-87, herdrukt Berlin-Leipzig 1864-75, en bereikt haar
-hoogtepunt in Dannhauer † 1666, Hodosophia christiana, Hülsemann
-† 1635 Breviarium theologiae 1640, Calovius † 1686 Systema loc. theol.
-1655-77, Quenstedt † 1688 Theologia didact-polem. 1685, Hollaz †
-1713 Examen theol. acroamaticum 1707, König † 1664 Theol. positiva
-acroamatica 1664. De kracht dezer dogmatiek lag in hare objectieviteit.
-De dogmata liggen gereed, het subject onderwerpt er zich aan zonder
-kritiek; ze worden alleen exegetisch, dogmenhistorisch, polemisch,
-scholastisch en practisch uitgewerkt en toegepast. Maar reeds in de 17e
-eeuw kwam er reactie tegen deze methode. Het Philippisme was door de
-Formula Concordiae niet overwonnen; het bleef zijn aanhangers houden,
-vooral in Altdorf en Helmstadt. Georg Calixtus, hoogl. te Helmstadt †
-1656, kwam door zijne studie van Aristoteles, door zijne kennismaking met
-Roomsche en Geref. theologen en door zijn afkeer van de scholastische
-orthodoxie tot eene gematigde, irenische theologie. In zijne werken de
-praecipuis religionis christianae capitibus 1613, epitome theologiae
-1619, de immortalitate animae et resurr. mort. 1627 kwam hij op voor
-eene scherpere scheiding van philosophie en theologie, en ging hij tot
-het oorspronkelijk Christendom der vier eerste eeuwen terug, om in het
-gemeenschappelijke van alle christelijke confessies eene unie te zoeken
-van Luth. Geref. en Roomschen.
-
-20. Calixtus vond met zijn syncretisme natuurlijk veel bestrijding. Maar
-de eeuw der objectieviteit ging voorbij. In de 18e eeuw laat het subject
-zich gelden; het herneemt zijn rechten en komt tegen de macht van het
-objectieve in verzet. In het Piëtisme van 1700 tot 1730 wordt de
-subjectieve vroomheid het uitgangspunt, en wordt het zwaartepunt uit
-het object in het subject verlegd. Spener, de vader van het Piëtisme
-1635-1705, oefende door zijn persoon en door zijne werken, o. a. Pia
-desideria 1678, Allgemeine Gottesgelahrtheit aller gläubigen Christen
-und rechtschaffenen Theologen 1680, Tabulae Catecheticae 1683, Theolog.
-Bedenken 1712 enz. ontzachlijken invloed. In Halle waren de voornaamste
-piëtisten Francke † 1727, Breithaupt † 1732 Instit. theol. 1695.
-Freylinghausen † 1739 Grundlegung der Theologie 1703. Joachim Lange †
-1744 Antibarbarus orthodoxiae 1709. Mosaisches Licht u. Recht, Rambach
-† 1735, Der wohlinformirte Katechet 1722. In Wurtemberg verbond zich bij
-Hedinger † 1704, Bengel † 1752, Oetinger † 1782 het Piëtisme met een
-bijbelsch realisme en met apocalyptische verwachtingen. Natuurlijk trad
-de orthodoxie bijv. bij monde van Löscher in Dresden † 1749 zeer vijandig
-tegen dit Piëtisme op. Maar de tijd voor de orthodoxie was voorbij. In
-de jaren 1730-60 sluit zij in Buddeus † 1729 Instit. theol. dogm. et
-mor., Weismann † 1760, Crusius † 1775, J. G. Walch Einleitung in die
-dogm. Gottesgelahrheit 1749 en zijn zoon Ch. W. F. Walch Breviarium
-theol. dogm. 1775 met het Piëtisme een verbond en gaat over in eene
-gemoedelijk-vrome richting, die op de practijk des geloofs nadruk legt,
-afkeerig is van scholastieke spitsvondigheid, gematigd is in polemiek
-en vooral aan geleerde historische onderzoekingen haar krachten wijdt.
-Met het Piëtisme is het Herrnhuttisme verwant, dat eveneens eene
-reaktie was van het gevoel tegen de verstandelijke orthodoxie. De vader
-van von Zinzendorf was een Speneriaan. Maar terwijl het Piëtisme door
-een Busskampf tot bekeering wil leiden, tracht het Herrnhuttisme dit
-te bereiken door de prediking van den lieven Heiland. Het wil van
-geen wet, maar alleen van Evangelie weten. De genade dringt hier de
-natuur zoo geheel op zijde, dat Jezus zelfs den Vader vervangt, Jezus
-is de Schepper, de Regeerder, de Vader, de Jehova des O. Test. En zijn
-persoon en lijden werd door Zinzendorf, onder Roomschen invloed, zoo
-pathologisch opgevat, dat de verwantschap van mystiek en zinnelijkheid,
-vooral in den eersten romantischen tijd, 1743-1750, zeer duidelijk aan
-het licht trad. Met het Piëtisme loopt evenwijdig het Rationalisme.
-Beiden hebben, elk op eigene wijze, aan het gezag der orthodoxie
-afbreuk gedaan, beide verleggen het zwaartepunt in het subject. Het
-Rationalisme nu kwam op door de philosophie van Cartesius, Spinoza,
-Leibniz † 1716 en Wolff † 1754. Zij maakten klaarheid, mathematische
-klaarheid tot norm der waarheid. Carpovius, prof. in de mathesis
-te Weimar, poogde in zijne Oeconomia salutis N. T. seu theologia
-revelata, dogmatica methodo scientifica adornata 1737-65, de kerkleer
-naar mathematische methode te demonstreeren. Canz, Reusch, Schubert,
-Reinbeck, vooral S. J. Baumgarten Halle † 1757, Evangel. Glaubenslehre,
-uitgeg. door Semler 1759-60 en J. L. von Mosheim te Göttingen † 1755
-behooren tot deze Wolffiaansche richting. In hoofdzaak waren deze
-mannen nog orthodox, maar het religieus belang der waarheid wordt
-niet meer gevoeld, de geloofsleer wordt een object van historische
-geleerdheid en verstandelijke demonstratie. Geen wonder, dat bij
-andere Wolffianen, zooals Töllner, Syst. der dogm. Theol., Heilmann,
-Compendium theol. dogm. 1761, J. P. Miller, Instit. theol. dogm. 1767,
-Seiler, Theol. dogm. polem. 1774 reeds eene vrijere houding tegenover de
-kerkleer wordt aangenomen.
-
-21. Als deze rationalistische richting dan van buiten af nog gevoed en
-versterkt wordt door het Engelsche Deïsme en het Fransche ongeloof,
-komt na 1760 in Duitschland de Aufklärung op, die het gezond verstand
-van den individueelen mensch tot heerschappij tracht te brengen
-over alle objectieve waarheid. Overal moet het positieve, het
-traditioneele, het historisch gewordene wijken voor het rationeele,
-het klaar-verstandelijke. Wolff c. s. had de openbaring nog redelijk
-gevonden. Maar de Aufklärung was deïstisch en rationalistisch. Frederik
-de Groote was haar koning, Berlijn haar middelpunt, de Allgemeine
-Deutsche Bibliotheek 1765-1805 haar orgaan. De dogmatiek werd in
-dezen rationalistischen geest bewerkt door W. A. Teller, Lehrbuch
-des christl. Glaubens 1764. Religion der Vollkommneren 1792. Henke,
-Lineamenta instit. fidei christ. 1793. Eckermann, Compend. theol. 1791
-en vooral door Wegscheider, Instit. theol. christ. dogm. 1815, 8e Aufl.
-1844. Tegen dit Rationalisme nam de orthodoxie den verzwakten vorm van
-het Supranaturalisme aan. Zij durfde niet meer positief en thetisch
-haar standpunt nemen in het geloof, maar had met hare tegenstanders
-den grondslag van de rede gemeen; alleen trachtte ze van daaruit toch
-nog tot de openbaring te komen, wier noodzakelijkheid, mogelijkheid en
-werkelijkheid zij verdedigde. De inhoud der openbaring kromp echter
-gaandeweg bij haar in; de dogmata worden zooveel mogelijk van al het
-aanstootelijke bevrijd en door zoogenaamde bijbelsche voorstelling voor
-de rede pasklaar gemaakt. Op dit standpunt stelden zich Doederlein,
-Instit. theol. 1780. Morus, Epitome Theol. christ. 1789. Knapp,
-Vorles. über die christ. Glaub. 1827, vooral Reinhard, Vorles. über
-die Dogmatik 1801. Storr, Doctrinae christ. pars theoret. 1793. e.
-a. Terwijl eene verzoening van Rat. en Supran. beproefd werd door
-Tzschirner, von Ammon, Schott, en vooral door Bretschneider, Dogm. der
-ev. luth. Kirche 1814.
-
-22. Voor de Luthersche dogmatiek in de 19e eeuw komen, behalve de
-bovenaangehaalde werken, in aanmerking: Mücke, Die Dogm. des 19 Jahrh.
-Gotha 1857. E. Lichtenberger, Histoire des idées relig. en Allemagne.
-Paris, Fischbacher. Thilo, Die Wissenschaftlickkeit der modernen
-spekul. Theol. in ihren Principien beleuchtet, Leipz. 1851. O. Flügel,
-Die spekulative Theol. der Gegenwart, 2e Aufl. Cöthen 1888. Hagenbach,
-Ueber die sogenannte Vermittelungstheologie 1858. Carl Schwarz, Gesch.
-der neueren Theol., 1857, holl. van Krabbe. Hartmann, Die Krisis des
-Christ. in der mod. Theol., Berlin 1880. O. Pfleiderer, Die Entw. der
-prot. Theol. in Deutschland seit Kant und in Gross-Britt. seit 1825.
-Freiburg 1891. Frank, Gesch. u. Krit. der neueren Theol. u. s. w.
-herausgeg. von P. Schaarschmidt. Erl. Deichert, 1894. Kattenbusch, von
-Schleiermacher zu Ritschl. Giessen 1892. Voor Scandinavie: Presbyt.
-and Ref. Rev. Oct. 1893. De eigenaardigheid der Luthersche dogmatiek
-in deze eeuw bestaat daarin, dat ze schier geheel onder invloed staat
-van de philosophie. In de vorige eeuw had ze door het Rationalisme
-haar principe, methode, inhoud bijna geheel en al verloren. Ze was
-een compendium geworden van rationeele gedachten over God, deugd en
-onsterfelijkheid. Kant was de eerste, die door zijne scherpe kritiek
-van de zuivere rede dezen rationeelen grondslag der dogmatiek geheel
-ondermijnde. Zijne kritiek was ontmoedigend, vernietigend zelfs voor het
-rationalisme en eudaemonisme der Aufklärung. Maar door de practische
-Vernunft tracht hij te herwinnen, wat hij door de reine Vernunft verloor.
-De kategorische imperatief, het zedelijk bewustzijn geeft ons recht om
-het bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid te postuleeren. De
-dogmatiek wordt opgebouwd op de moraal, de religie wordt een middel
-voor de deugd, God een noodhulp voor den mensch. De inhoud der religie
-en dogmatiek, door Kant in zijne Religion innerhalb der Grenzen der
-blossen Vernunft 1793 ontwikkeld, is zuiver rationalistisch; Kant
-staat nog geheel in de 18e eeuw, het historische, positieve heeft
-voor hem geen waarde, hij isoleert den mensch van alle invloeden,
-alleen de autonome Vernunftreligion is de ware religie. Maar door zijne
-kritiek van de rede, door zijn beroep op het zedelijk bewustzijn, door
-zijne strenge opvatting van de moraal, die hem zelfs van het radikal
-Böse in den mensch en van de noodzakelijkheid eener Art Widergeburt
-deed spreken, is hij van grooten invloed geweest op de theologie. De
-zedelijke bestemming van den mensch niet alleen, maar ook de onmacht
-der rede, om het bovenzinnelijke te bereiken, werd een argument voor
-de noodzakelijkheid der openbaring, van geloof en autoriteit. En in
-dezen Kantiaanschen geest werd de dogmatiek bewerkt door Tieftrunk,
-Dilucidationes ad theoreticam religionis christ. partem 1793.
-Stäudlin, J. E. C. Schmidt, Ammon e. a.
-
-23. Eene andere reactie tegen de Aufklärung kwam van de zijde des
-gevoels. Sentimentaliteit was een karaktertrek van de tweede helft der
-18e eeuw. Gelijk in Engeland Shaftesbury optrad tegen Hume, in Frankrijk
-Rousseau tegen Voltaire, zoo deed ook in Duitschland het gevoel bij
-mannen als Hamann, Claudius, Lavater, Stilling, Herder, Jacobi zijne
-rechten gelden tegenover het koude Rationalisme. Zij gaan allen uit
-van de onmiddellijke ervaring, van de kracht en innigheid des gemoeds;
-dat is het diepste wezen, het menschelijke in den mensch, daarop rust
-de religie, daaruit ontspringt het geloof, hier verneemt de mensch
-het goddelijke. En van hieruit ziet en ontdekt hij het goddelijke rondom
-zich in de natuur, in de geschiedenis, bovenal in Christus, den
-menschelijksten van alle menschen. De inhoud des geloofs verschilde bij
-deze mannen, te meer omdat ze van een systeem afkeerig waren; maar
-de grond des geloofs is bij allen dezelfde. Gevoel, geloof, Vernunft,
-inspiratie, Begeisterung, ervaring, of hoe men het noemen moge, is
-bij allen grondslag en norm der waarheid. Jacobi wees tegenover het
-voortschrijdende kriticisme op den onmiddellijken zin, waarin eene
-andere, hoogere objectieviteit opging voor den mensch. Hij kwam zoo
-tot een consequent dualisme van hoofd en hart, van philosophie en
-geloof, van zinlijke en geestelijke wereld. In de dogmatiek werd dit
-dualisme toegepast door de Wette, Bibl. Dogmatik, 3e Aufl. 1831, Dogm.
-der prot. Kirche, 3e Aufl. 1840, Ueber Religion u. Theol. 2e Aufl.
-1821. Das Wezen des christ. Glaubens vom Standpunkt des Glaubens 1840,
-en na hem door Hase, Evang. Dogm. 1826, 6e Aufl. 1870. Aan allen is
-gemeen de scheiding van gelooven en weten, van aesthetische (ethische,
-religieuse) en verstandelijke (empirische) wereldbeschouwing, van
-ideale en zinnelijke wereld. De waarheid, door het religieus gevoel of
-bewustzijn geëischt, is onaantastbaar voor het verstand; zij behoort tot
-eene andere, niet waarneembare wereld.
-
-24. Nauw verwant aan deze richting is de theologie van Schleiermacher.
-In zijne Reden über die Religion 1799 en de Monologen 1800 staat hij
-geheel onder den invloed der romantiek. Godsdienst is gevoel, gevoel
-voor het universum, zin voor het oneindige, de richting des gemoeds op
-het eeuwige, evenals Spinoza’s cognitio Dei intuitiva. Schleiermacher
-neemt dus zijn standpunt ook in het subject, maar niet in verstand of
-wil, maar in het gevoel. God is hem de eenheid der wereld, geen object
-van het denken, want het denken beweegt zich altijd in tegenstellingen,
-maar alleen te genieten in het gevoel. En dat genieten van God in het
-gevoel is religie. Maar daarmede verbindt Schleiermacher nu aanstonds
-de idee der gemeenschap. Uit het wezen der religie ontspringt de zucht
-naar gemeenschap, tot uitwisseling van het genotene. De godsdiensten
-verschillen, naarmate het oneindige het gevoel anders bepaalt en de
-gemeenschap anders vormt. In zijne Glaubenslehre zijn de wijsgeerige
-grondgedachten dezelfde, maar hier wordt het gevoel nader omschreven
-als volstrekte afhankelijkheid, God opgevat als absolute causaliteit,
-en het Christendom omschreven als eene ethische religie, waarin alles
-in betrekking staat tot de verlossing door Christus. Dogmata zijn en
-blijven dus beschrijvingen van subjectieve gemoedstoestanden, maar
-toch van zulke, die door de christelijke gemeenschap, en alzoo door
-den persoon van Christus bepaald zijn. Door deze drie ideeën, van het
-onmiddellijk zelfbewustzijn als bron der religie, van de gemeenschap als
-noodzakelijke bestaansvorm der religie en van den persoon van Christus
-als centrum van het Christendom is Schleiermacher van onberekenbaren
-invloed geworden. Heel de theologie na hem is van hem afhankelijk;
-zijne dogmatiek is door niemand overgenomen, en toch heeft hij op alle
-richtingen, liberale, bemiddelende, confessioneele en in alle kerken,
-Roomsche, Luth. en Geref. zijn invloed doen gevoelen. Het naast aan hem
-verwant zijn de dusgenaamde Vermittelungstheologen, Nitzsch, Twesten,
-Neander, J. Müller, Rothe, Dorner, Martensen, Schenkel enz. Het
-eigenaardige en gemeenschappelijke van al deze mannen is het subjectieve
-uitgangspunt. Zij gaan allen uit niet van eene uitwendige autoriteit
-maar van het gemoed, van het religieus bewustzijn. Zij nemen de waarheid
-eerst aan als inhoud der subjectieve christelijke ervaring. Maar
-daarbij blijven zij niet staan; zij willen boven Schleiermacher uitgaan,
-en daartoe verbinden zij het subjectieve religieuse uitgangspunt van
-Schleiermacher met Hegelsche speculatie. De agnostische elementen
-in Schleiermacher, die hij met Kant gemeen had, werden uitgewisseld
-voor de Hegelsche leer van de kenbaarheid van het Absolute. De
-waarheid, eerst als inhoud der religieuse ervaring aangenomen, moest
-vervolgens op den weg der speculatie als denknoodwendig begrepen en
-voor de rechtbank der philosophie gelegitimeerd worden. Zoo zou geloof
-en wetenschap, het natuurlijke en het positieve, kerk en cultuur,
-Schriftgezag en kritiek, antieke en moderne wereldbeschouwing met
-elkander verzoend en bevredigd worden.
-
-25. Dit was trouwens ook het streven van Hegel geweest. Hegel is de
-consequenste idealist; het Cartesiaansche uitgangspunt komt hier tot
-zijne laatste gevolgtrekkingen. Het denken produceert het zijn, al het
-zijnde is dus logisch, redelijk. Maar deze gedachte verbindt hij met
-die van het worden, van de evolutie. De realiseering der gedachte in
-’t zijnde geschiedt allengs, van trap tot trap. In den mensch komt
-dat denken het eerst tot bewustzijn. Maar op den laagsten trap, als
-natuurlijke, eindige geest, voelt de mensch zich van God gescheiden.
-In de religie, vooral in de christelijke, ziet hij echter die scheiding
-opgeheven; God en mensch zijn één. Deze eenheid van God en mensch is het
-wezen van alle religie, maar wordt in den godsdienst niet adaequaat
-uitgedrukt; zij is daar gehuld in vormen van voorstelling en gevoel.
-Eerst in de philosophie komt de idee tot haar adaequaat begrip; zij
-is het absolute weten, het weten der menschheid van God, het weten
-Gods van zichzelf. Naar deze wijsgeerige gedachten trachtte Hegel alle
-christelijke dogmata, triniteit, menschwording, verzoening, enz. te
-verklaren. Velen geloofden aan de Hegelsche verzoening van theologie
-en philosophie; de zoogenaamde rechterzijde Marheinecke, Daub, Göschel,
-Rosenkranz bewerkte de dogmata in zijn geest en trachtte Hegelsche
-speculatie en orthodoxe theologie te vereenigen. Maar allengs werd
-openbaar, wat gevaar er in de Hegelsche philosophie voor de christelijke
-dogmata verscholen lag. Feuerbach, Strauss, Vatke, Bruno Bauer trokken
-de consequenties en gaven de voorstelling, die het kleed is der
-religie, prijs om alleen over te houden het abstracte begrip. Strauss
-zag in de Evangelieverhalen onbewuste symbolische verdichtingen van de
-ideale waarheid, dat het Oneindige zich uitstort in het eindige, echter
-niet in een enkel mensch maar in de menschheid; deze is de ware zoon
-van God, de ideale Christus. In zijne Glaubenslehre 1840 beproeft hij aan
-te toonen, dat de geschiedenis van elk dogma tegelijk zijne kritiek en
-ontbinding is. Religie en philosophie verschillen in vorm, maar daarom
-ook in inhoud; de philosophie vervangt de religie. De neo-Hegelianen,
-Biedermann, Pfleiderer, zijn wel behoedzamer geworden, maar hebben
-toch van Hegel overgenomen, dat het denken staat boven het religieus
-bewustzijn en dus tot taak heeft, om de religieuse voorstelling van
-haar tijdelijken, zinnelijken vorm te ontdoen, in haar ideale kern
-voor te stellen en in overeenstemming te brengen met onze gansche
-wereldbeschouwing.
-
-26. Terwijl Hegels philosophie alzoo tot verwerping van het Christendom
-leidde, werd vooral sedert 1830 bekend, dat Schelling allengs het
-identiteitssysteem verlaten had en thans eene positieve philosophie
-ontwikkelde, waarin niet de noodwendigheid maar de vrijheid heerschte
-en waarin de wil en de daad in de plaats trad van het logisch proces.
-Evenals Hamann, Lavater, enz. in de vorige eeuw, zoo kwam Schelling
-allengs tot de overtuiging, dat er nog een ander, dieper zijn en leven
-is dan dat van het logisch verstand, nl. dat van den wil, van de daad,
-van de vrijheid. Maar alle leven is worden, een wisselwerking van
-tegenstellingen. Zoo is het in God, en zoo is het in de wereld. In God
-is eerst de donkere natuurgrond, dan het verstand, en uit beiden wordt
-de wil geboren. In de wereld is eerst de chaos, dan de geest, daarna
-de kosmos. En zoo is in de religie eerst de natuurlijke drift in het
-Heidendom, dan het Woord of het Licht in Christus, en eindelijk het zijn
-van God in allen. Onder invloed van Böhme en Oetinger verbond Schelling
-daarmede allerlei theosophische bespiegelingen. De theosophie houdt
-zich altijd op met twee problemen, met den overgang tusschen God en
-wereld en tusschen ziel en lichaam. Het eerste probleem wordt hierdoor
-opgelost, dat de grond der wereld in de natuur van God wordt gezocht,
-en dat de theogonie, het trinitarisch proces in God, min of meer
-geidentifieerd of althans geparalleliseerd wordt met de kosmogonie.
-God zelf komt eerst tot volle ontvouwing van zijn wezen in en door het
-wereldproces. Het tweede probleem wordt op dezelfde wijze door de idee
-der Geistleiblichkeit opgelost. Het geestelijke, God, de ziel, is niet
-in strikten zin onlichamelijk, wel niet stoffelijk, maar übermateriell,
-en zoo heeft de geest op zijn beurt de taak, om het lichaam, de wereld,
-wier grove stoffelijkheid een gevolg der zonde is, te vergeistigen
-en te vergeistlichen. Deze theosophische speculatie van Schelling
-vond ingang in de theologie: Baader, Görres, Windischmann, J. F. von
-Meyer, Steffens, Wagner, Stahl, Rothe, Hamberger, Fr. Hoffmann, Keerl,
-Osiander, Lange, Delizsch, Bähr, Kurtz, Splittgerber, hebben allen in
-meerdere of mindere mate zijn invloed ondergaan.
-
-27. Het was natuurlijk, dat er tegen deze velerlei vermenging van
-theologie en philosophie verzet kwam van de zijde der kerkelijke
-orthodoxie. Op de theologie der bemiddeling moest wel eene der
-scheiding volgen. De studie der confessie, de historische dogmatieken
-van de Wette, Bretschneider, Hase, Schmid, Schneckenburger kwamen aan
-het confessioneel bewustzijn ten goede. Altlutheraner zooals Guericke en
-Rudelbach, Neolutheranen zooals Harms, Hengstenberg, Keil, Philippi,
-Vilmar, Kliefoth, Höfling, Thomasius, Hofmann, mannen der positieve
-Union zooals Kahnis, Luthardt, Zöckler, H. Schmidt, Frank, Grau,
-enz. arbeidden aan het herstel der oude Luthersche theologie. Toch
-waren ook zij kinderen van hun tijd. Het Piëtisme werkte na in mannen
-als Hengstenberg en Tholuck. Vilmar, Löhe, Münchmeyer e. a. waren in
-hunne opvatting van kerk. sacrament en ambt niet vrij van Roomsche
-overdrijving; de Zuidduitsche theologen in Erlangen, Thomasius, Hofmann,
-en ook de tegenwoordige positieve theologen staan vrijer tegenover de
-confessie en wijken in belangrijke punten, Christologie, voldoening,
-Schrift van de oud-luthersche dogmatiek af. Zelfs een zoo orthodox
-Lutheraan als Philippi gaat evenals Hofmann en Frank van het subjectief
-geloofsbewustzijn uit en heeft dus zijn uitgangspunt aan Schleiermacher
-ontleend. Naast deze confessioneele staan de Bijbelsche theologen,
-onder wie Beck de voornaamste is, die het dogmatisch systeem niet uit
-het geloovig bewustzijn noch ook uit de confessie maar alleen uit de
-Schrift willen opbouwen. Maar Beck vatte die Schrift op in den zin dier
-mystieke theosophie, welke sedert Oetinger en Michael Hahn in Zwaben
-beoefend werd, als een systeem van hemelsche waarheden, die afdruk
-waren van hemelsche krachten en deze door de werking des H. Geestes
-in de ziel des menschen inplantten, en kwam daardoor dikwerf tot eene
-vrij willekeurige exegese, en tot een systeem, dat wel diep en origineel
-was maar ook van een eenzijdig ascetisme en individualisme niet vrij te
-pleiten was.
-
-28. Nog van eene andere zijde kwam er oppositie tegen de vermenging van
-philosophie en theologie. Liebmann, in zijn werk Kant und die Epigonen,
-Stuttgart 1865 en F. A. Lange, in zijne Geschichte des Materialismus
-1866 gaven op wijsgeerig gebied het parool: naar Kant terug. De
-speculatie van Hegel en Schelling had tot niets geleid; het verstand
-moest wederom tot besef komen van zijne eindigheid en beperktheid, en
-geen kennis van het bovenzinlijke zich aanmatigen. Er moge daarnaast
-plaats over blijven voor het geloof, de verbeelding, maar de rede is tot
-het zinlijk-waarneembare beperkt. Dit standpunt van het Neo-Kantianisme
-werd op dogmatisch gebied ingenomen door Lipsius en Ritschl. Maar
-met niet onbelangrijk verschil. Lipsius erkent, Ritschl ontkent het
-mystieke element in de religie. Lipsius acht de religie eene eigene,
-zelfstandige macht, Ritschl laat ze bijna geheel in het ethische opgaan.
-Lipsius acht de religie in de eerste plaats eene zaak van het individu,
-Ritschl van de gemeenschap. Lipsius tracht de religieuse voorstellingen
-in elk geval nog in overeenstemming te brengen met de resultaten der
-wetenschap, Ritschl scheidt theologie en wetenschap geheel en al.
-Voor Lipsius is de genade Gods in Christus, voor Ritschl is het door
-Christus gestichte Godsrijk de hoofdinhoud der openbaring enz. Maar
-beiden sluiten zich toch aan bij Kant’s afkeer van metaphysica, bij zijne
-leer van de beperktheid van het menschelijk kenvermogen. Daarom wil
-Ritschl volledige scheiding van metaphysica (philosophie, wetenschap)
-en religie (theologie). De religie en theologie spreekt geen zijns- maar
-waardeeringsoordeelen uit. Zij zegt niets over het onkenbare wezen der
-dingen maar spreekt alleen uit de waarde en beteekenis, die ze hebben
-voor ons. Door zulk eene scheiding tracht Ritschl aan de religie en
-theologie eene eigene, voor de wetenschap onaantastbare plaats te
-verzekeren. De religie steunt niet op de wetenschap, maar is gegrond op
-een eigen beginsel, op de zedelijke natuur van den mensch. Zij heeft een
-eigen inhoud, n.l. geen zijns- maar waardeeringsoordeelen, d. i. zuiver
-relig.-ethische uitspraken. Zij heeft een eigen doel, n.l. om den
-mensch in ethischen zin onafhankelijk te maken van de wereld. Ritschl’s
-theologie heeft thans grooten invloed, niet alleen in maar ook verre
-buiten Duitschland. Verschillende oorzaken verklaren haar opgang. De
-schijnbare verzoening van gelooven en weten, de religieus-ethische
-opvatting der religie, de aansluiting aan de openbaring Gods in
-Christus, aan de H. Schrift en aan de theologie van Luther en
-Melanchton, de verwerping van alle theol. naturalis en scholastieke
-dogmatiek enz. hebben aan deze theologie een plotselinge verbreiding
-en een buitengewonen opgang bezorgd. Eene schare van mannen, Herrmann,
-Kaftan, Häring, Harnack, Schürer, Gottschick, Kattenbusch, Stade,
-Wendt, Schultz, Lobstein enz. hebben zich bij haar aangesloten, en
-passen hare beginselen op heel het veld der theol. wetenschap toe. Toch
-is de Ritschl’sche leer van het kenvermogen, de volledige scheiding van
-theologie en metaphysica, de moralistische opvatting van de religie, de
-beperking van de religie tot waardeeringsoordeelen, enz. onbevredigend.
-Ook deze richting zal op den duur noch het hoofd noch het hart kunnen
-bevredigen, cf. mijn opstel over de Theol. van Ritschl in de Theol.
-Stud. van Dr. Daubanton e. a. 1888.
-
-
-E. De Dogmatiek in de Gereformeerde Kerk.
-
-29. Bij alle overeenstemming, tot zelfs in de belijdenis der
-praedestinatie toe, was er van den aanvang af toch een belangrijk
-verschil tusschen de Duitsche en de Zwitsersche reformatie. Het
-onderscheid in land en volk, waar Luther en Zwingli optraden, het
-verschil in afkomst, opvoeding, karakter en levenservaringen werkten
-er toe mede om beide uiteen te doen gaan. Het duurde slechts kort,
-eer het aan het licht trad, dat beide hervormers van een anderen
-geest waren. In 1529 werd te Marburg nog wel de vrede geteekend, maar
-alleen op papier. En toen Zwingli wegviel en Calvijn, in weerwil van
-zijne hoogachting voor Luther en in zijne toenadering in de leer van het
-avondmaal, toch principieel de zijde van Zwingli koos, toen werd de
-scheuring tusschen luthersch en gereformeerd Protestantisme hoe langer
-hoe grooter en een feit, dat niet meer ongedaan kon gemaakt worden. De
-historische onderzoekingen naar het kenmerkend onderscheid van beide
-in deze eeuw hebben duidelijk aangetoond, dat er een verschil van
-beginsel aan ten grondslag ligt. In vroeger tijd somde men eenvoudig
-de dogmatische verschillen op, zonder ze tot een gemeenschappelijk
-principe te herleiden, Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 618. Maar
-Max Goebel, Die relig. Eigenthümlichkeit der luth. u. ref. K. 1837,
-holl. vert. Gron. Smit 1841, leverde de eerste proeve van eene
-historische en principieele verklaring van beider onderscheid. Sedert
-hebben verschillende mannen dat onderzoek voortgezet, zooals Ullmann,
-Semisch, Hagenbach, Ebrard, Herzog, Schweizer, Baur, Schneckenburger,
-Guder, Schenkel, Schoeberlein, Stahl, Hundeshagen, wier werken
-aangehaald en beoordeeld worden door Voigt, Fundamentaldogmatik, 1874
-S. 397-480, Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e dr. II 309 v. enz. Het
-onderscheid schijnt nog het best daardoor weergegeven te worden, dat
-de gereformeerde theologisch, de luthersche anthropologisch is. De
-gereformeerde blijft niet in de historie staan, maar klimt op tot de
-idee, tot het eeuwig besluit Gods; de luthersche neemt zijn standpunt
-midden in de heilsgeschiedenis en heeft geen behoefte om dieper in den
-raad Gods door te dringen. Bij de gereformeerden is daarom de verkiezing
-het cor ecclesiae, bij de lutherschen is de rechtvaardigmaking het
-articulus stantis et cadentis ecclesiae. Daar is de eerste en
-voornaamste vraag: hoe komt God tot zijne eer; hier daarentegen: hoe
-komt de mensch tot de zaligheid. Daar is de strijd vooral tegen het
-paganisme, de afgoderij; hier tegen het judaïsme, de werkheiligheid
-gericht. De gereformeerde heeft geen rust, voor hij rugwaarts alles tot
-het besluit Gods heeft herleid en het διοτι der dingen heeft opgespoord
-en voorwaarts alles aan de eere Gods heeft dienstbaar gemaakt; de
-luthersche is met het ὁτι tevreden en geniet in de zaligheid, die hij
-door het geloof deelachtig is. Uit dit verschil in beginsel laten
-zich de dogmatische controversen in de leer van het beeld Gods, de
-erfzonde, den persoon van Christus, de heilsorde, de sacramenten, de
-kerkregeering, de ethiek enz. gemakkelijk verklaren.
-
-De geschiedenis der geref. dogmatiek is veel moeilijker te beschrijven
-dan die van de luth. De geref. kerk is niet tot één land en volk
-beperkt, maar heeft zich in verschillende landen en onder verschillende
-volken uitgebreid. De geref. type is niet in ééne belijdenis neergelegd
-maar heeft in tal van confessies uitdrukking gevonden. De dogmatische
-ontwikkeling, bijv. in de leer der verkiezing, der rechtvaardiging,
-der wedergeboorte, der sacramenten enz. is in de geref. kerk veel
-rijker en veelzijdiger dan in de luth. geweest. En eindelijk is de
-geschiedenis van de geref. dogmatiek veel minder beoefend dan die
-van de andere kerken; er ligt hier nog een veld voor het onderzoek
-open. De voornaamste werken, die over haar handelen zijn: C. M. Pfaff,
-Introductio in historiam theol. literariam, Tüb. 1724 p. 258 sq. Walch,
-Bibl. theol. sel. I 211 sq. B. Pictet, De Christel. Godg., holl. vert.
-1728 deel III. A. Ypey, Beknopte letterk. gesch. der system. Godg. 3
-deelen, 1793-98 I 200 v. II 55 v. Id. Gesch. v. d. Krist. Kerk in de
-18e eeuw, Utrecht, 1797 v. deel VII en VIII. A. Schweizer, Die Glaub.
-der ev. ref. K. 1844 I 1-134. Id. Die Centraldogmen der ref. K. 2 Bde.
-1854, ’56. J. H. A. Ebrard, Christl. Dogm. 2e Aufl. 1862 I 44 f. J.
-H. Scholten, Leer der Herv. K. I 67 v. C. Sepp, Het godg. onderwijs in
-Nederl. gedurende de 16e en 17e eeuw, 2 deelen, Leiden, 1873, ’74.
-Voorts de boven aangeh. werken van Gasz, Dorner, Frank, Ritschl enz. en
-de later te noemen litteratuur.
-
-30. De Gereformeerde dogmatiek begint met Zwingli. Bij hem zijn de
-grondgedachten reeds aanwezig, het theol. uitgangspunt, de volstrekte
-afhankelijkheid des menschen, de praedestinatie, de menschelijke natuur
-van Christus, de geestelijke opvatting van kerk en sacrament, de
-ethische en politieke strekking der reformatie. Maar Zwingli heeft nog
-vele leemten in zijne theologie; door zijn humanisme vat hij de zonde
-en de verzoening te ondiep op; door zijn spiritualisme zet hij God en
-mensch, divina en humana justitia, teeken en beteekende zaak in het
-sacrament enz. abstract dualistisch tegenover elkaar; zijn klaarheid
-en helderheid van gedachte kan het gemis aan diepte niet vergoeden;
-en tot een eenigszins afgerond en samenhangend systeem komt het bij
-hem niet. Zwingli heeft slechts de algemeene omtrekken ontworpen,
-binnen welke de verschillende richtingen in de Geref. kerken zich
-later bewogen hebben. Eerst Calvijns organiseerende en systematische
-geest gaf aan de Zwitsersche reformatie haar belijnde leer en vaste
-organisatie. Zijne theologie stond reeds bij de eerste uitgave zijner
-Institutie in 1536 vast. Er is uitbreiding, ontwikkeling maar geen
-verandering. Calvijn onderscheidt zich daarin van Zwingli, dat hij alle
-wijsgeerige en humanistische ideeën bant en zich zoo streng mogelijk
-aansluit aan de Schrift. Voorts handhaaft hij beter de objectieviteit
-van de christelijke religie, van het verbond Gods, van den persoon
-en het werk van Christus, van Schrift, kerk en sacrament en staat
-daarom sterker tegen de Wederdoopers. Verder overwint hij zoowel de
-tegenstelling van Luther tusschen het geestelijke en wereldlijke als die
-van Zwingli tusschen vleesch en geest, en is daarom wel rigoristisch
-maar in geen enkel opzicht asceet. Eindelijk brengt hij in zijne gedachten
-eenheid en systeem, iets, wat noch Luther noch Zwingli vermocht,
-en vergeet daarbij toch nooit het verband met het christelijk leven.
-Calvijn wist allengs heel Zwitserland, ook in zake de avondmaalsleer
-(Consensus Tigurinus 1549) en de praedestinatie (Consensus Genev.
-1552, Tweede Helv. Conf. 1564) voor zich te winnen, Hundeshagen, Die
-Conflikte des Zwinglianismus, Lutherthums und Calvinismus in der
-Bernischen Landeskirche von 1532-1558, Bern 1842. De Institutie van
-Calvijn werd weldra overal bestudeerd. Die van Bern beriepen zich later
-evenzeer op Calvijn als die van Genève, Zurich, Bazel en Schaffhausen.
-Geheel in Calvijns geest werd de dogmatiek in Zwitserland in deze 16e
-eeuw behandeld door Beza, Tractationes theol. 1570, Petrus Martyr
-Vermiglius, Loci Communes 1576, Musculus, Loci Comm. 1560, 1567 en
-Aretius, Theol. problemata 1579.
-
-Van Zwitserland breidde Calvijns theologie zich naar Frankrijk uit. Hij
-droeg zijne Institutie in 1536 aan Frans I met eene voorrede op. Hij werd
-de ziel der Fransche reformatie. Zijne leer werd algemeen aangenomen;
-zijne werken werden in ’t Fransch vertaald en verspreid; bij hem zocht
-men raad en troost, en velen gingen naar Genève om opgeleid te worden
-tot den dienst des woords. De voornaamste theologen in Frankrijk in deze
-eeuw waren Chandieu † 1591, die onder den pseudoniem Sadeel, Zamariel
-verschillende theol. tractaten schreef, de verbo Dei, de Christi
-sacerdotio, de remissione peccatorum enz., Marlorat † 1562, schrijver
-van Thesaurus S. Scripturae in locos comm. rerum et dogmatum, uitgeg.
-in 1574 door Feugueraeus, en du Plessis Mornay † 1623, die bekend is
-door zijn Traité de l’Eglise 1578, Traité de la vérité de la religion
-chrétienne 1581 en vooral ook door zijn in citaten zeer onnauwkeurig Le
-mystère d’iniquité c’est à dire l’histoire de la papauté 1611.
-
-Door de uitgewekenen naar Oostfriesland, de Paltz, Kleefsland, en van
-uit het Zuiden drong het Calvinisme ook in Nederland door. Calvijns
-Institutie werd reeds 1560 in ’t Ned. vertaald. Dathenus, de Brès,
-Modet, Marnix, Caspar Heydanus e. a. waren strenge Calvinisten. Velen
-zochten in Genève en Heidelberg hun opleiding. Maar reeds 1575 werd
-de akademie te Leiden, en 1585 die te Franeker gesticht. Feugueraeus,
-Danaeus, Saravia, Trelcatius Sr., Bastingius, Junius waren te Leiden;
-Lubbertus, Lydius en Nerdenus waren te Franeker de beroemdste
-hoogleeraren in deze eeuw. De theol. arbeid bestond voornamelijk in
-polemiek tegen Rome en tegen de Wederdoopers. Maar toch zagen reeds
-verschillende dogmatische handboeken het licht, van Gellius Snecanus,
-Methodica descriptio et fundamentum trium locorum communium S. Scr.
-1584, van Bastingius de eerste verklaring van den Catechismus 1590,
-van Feugueraeus Propheticae et apostolicae, i. e. totius divinae et
-canonicae scripturae thesaurus 1574, van Trelcatius Sr. Loci Communes
-1587, van Junius Theses Theologicae (Opera Omnia I 1592 sq.).
-
-Ook in Engeland en Schotland vond het Calvinisme ingang. Het kwam
-daar in strijd niet alleen met Rome, maar ook met de reformatie, die
-van boven af door Hendrik VIII en Elisabeth ondernomen werd. De
-Hervormingsgezinden, die onder Maria naar het vasteland vluchtten,
-kwamen hier in kennis met de leer van Calvijn, Bullinger, Beza, Martyr
-enz. en ergerden zich straks bij hun terugkeer aan de halfheid der
-Engelsche reformatie. Het verschil liep eerst over de ceremoniën.
-In de leer waren Puriteinen en Anglikanen het oorspronkelijk eens.
-De Engelsche theologie droeg tot in het begin der 17e eeuw toe een
-beslist Calvinistisch karakter. Op de Universiteiten werd Calvijns
-Institutie onderwezen. Zelfs de episcopale regeeringsvorm werd door
-Cranmer, Jewel, Hooker e. a. niet als de eenig ware, maar alleen
-in het belang van het welzijn der kerk verdedigd, Schaff, Creeds of
-Christendom, 3 vol. New-York 1881 I 602 etc. Maar toen in en sedert
-1567 de nonconformisten, onder wie Pilkington, Whittingham, Thomas
-Sampson en Humphrey uit Oxford de voornaamste waren, zich afscheidden,
-breidde de strijd over heel de kerkregeering zich uit. De krachtigste
-voorstander van den presbyterialen kerkvorm was Thomas Cartwight,
-prof. te Cambridge, 1570 afgezet, 1603 gestorven. En tegen het einde
-der eeuw kwam daar nog een verschil in de leer bij; William Perkins
-† 1602, Alle de werken, 3 vol. Amst. 1659 v. en William Whitaker
-† 1595, Opera, Genev. 1610 2 vol., hoogleeraren te Cambridge, trachtten
-de praedestinatie nog te handhaven in de 9 Lambeth-artikelen, Schaff,
-Creeds I 658 III 523, welke zij aan Elisabeths raadsman Whitgift
-voorlegden, maar het hoogkerkelijke en het pelagiaansche gevoelen
-nam hoe langer hoe meer de overhand. In Schotland werd echter het
-Calvinisme door John Knox † 1572, John Craig † 1600, e. a. met kracht
-ingevoerd en eindelijk ook door den Koning erkend 1581.
-
-In Duitschland was de Geref. kerk en theologie minder afhankelijk
-van Calvijn. De Heid. Catechismus, de theologie van Pareus, Ursinus,
-Olevianus, Hyperius, Boquinus, ook van à Lasco vertoont in veel
-opzichten een eigen karakter. Hofstede de Groot, Ebrard en Heppe hebben
-deze eigenaardigheid uit Melanchton verklaard; maar deze voorstelling
-is onhistorisch en voldoende weerlegd. Veel beter wordt ze door Prof.
-Gooszen in twee studiewerken over den Heid. Catech. 1890 en 1893 en
-door Dr. Van ’t Hooft, De Theol. van Heinrich Bullinger 1888 uit
-den opvolger van Zwingli in Zurich afgeleid. Toch is er tusschen de
-theologie van Calvijn en van Bullinger geen enkel zakelijk, maar alleen
-een formeel en methodologisch verschil. Het is het onderscheid tusschen
-het supra- en het infralapsarisme, tusschen het streng-theologisch en
-het foederalistisch uitgangspunt, dat altijd in de Geref. kerken heeft
-bestaan en over en weer als gereformeerd is erkend, cf. mijn opstel
-Calvin. en Geref. in De Vrije Kerk, Febr. 1893, en de repliek van Prof.
-Gooszen, Geloof en Vrijheid, Dec. 1894. Naast Ursinus en Olevianus
-werkte dan ook in Heidelberg de streng-calvinistische Zanchius.
-
-31. Reeds tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie
-de scholastische methode op. De eenvoudige behandeling der dogmata,
-gelijk we die bij Calvijn, Hyperius, Sohnius aantreffen, kon op den duur
-niet voldoen. Bij Martyr, Sadeel, Junius treffen we al bekendheid aan
-met de vraagstukken, die in de MiddelE. door de scholastici werden
-behandeld. Vooral Zanchius † 1590 is in zijne werken De tribus Elohim,
-de natura Dei, de operibus Dei, de incarnatione (Opera Omnia in 8
-tomi, Geneve 1619) en Polanus a Polansdorf † 1610 in zijn Syntagma
-Theologiae met de theologie der kerkvaders en der scholastici
-uitnemend vertrouwd. Op schoolsche manier wordt dan de dogmatiek in
-de Geref. kerken in deze eeuw behandeld, in Nederland door Trelcatius
-Jr., Scholastica et methodica locorum omnium S. Scr. institutio 1604,
-Nerdenus, Systema theol. 1611, Maccovius, Collegia theologica 1623,
-ed. 3a 1641. Loci Comm. Theol. 1626, Fr. Gomarus, Opera theol. omnia
-Amstel. 1664, Gisb. Voetius, Disputationes sel. 5 partes, Ultraj.
-1648-59, en elders vooral door J. H. Alsted, prof. te Herborn en
-Weissenburg † 1638, Theol. scholastica didactica, exhibens locos
-communes theol. methodo scholastica 1618. De scholastieke methode
-vond echter lang niet algemeene instemming. Maccovius kreeg op de
-Dordsche Synode de vermaning, ut cum Spiritu Sancto loquatur, non
-cum Bellarmino ant Suarezio, Heringa, De twistzaak van Maccovius,
-Archief voor Kerk. Gesch. III 1831 bl. 505 v. De twist van Maccovius
-en Amesius, ib. bl. 643 v. en Van der Tuuk, Joh. Bogerman bl. 229 v.
-en van Maresius tegen Voetius had in dezelfde scholastieke methode
-haar grond. Maresius noemde Voetius een theologus paradoxus, telde
-niet minder dan 600 paradoxa in zijne theologie op, en beschuldigde
-hem vooral dat hij lacum asphaltidem scholasticorum derivare in
-fontem Siloe; zie zijn Theologus paradoxus retectus et refutatus
-1649 en daartegen Voetius, Disput. Sel. V. 572-716. Maar ook waar
-men voor wijsgeerige terminologie, scholastieke distincties en ijdele
-schoolsche vragen zich wachtte en de waarheid in meer eenvoudigen
-vorm voordroeg, was de 17e eeuw toch de eeuw der objectieviteit. De
-stof lag gereed, ze behoefde alleen geordend te worden. De traditie
-werd eene macht. Niet alleen de Schrift, maar ook de belijdenis, ja
-zelfs de dogmatische behandeling kreeg eene onaantastbare autoriteit
-en deed Camero de klacht slaken, dat men in de leer niet afwijken kon
-ἀπο των δοκουντων εἰναι στυλοι, zonder vervolgd te worden, Schweizer,
-Centraldogmen II 237. De voornaamste godgeleerden in ons land waren
-Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus, schrijvers der Synopsis
-Purioris theologiae, Trigland, Hoornbeek te Leiden; Maccovius,
-Acronius, Amesius, Schotanus, Bogerman, Cloppenburg, Arnoldus te
-Franeker; Ravensperger, Gomarus, H. Alting, Maresius te Groningen;
-Voetius, Essenius, Mastricht, Leydecker te Utrecht; verder Bucanus
-te Lausanne, Wollebius te Bazel; Danaeus, Franc. Turretinus en B.
-Pictet te Genève; J. H. Heidegger en J. H. Hottinger te Zurich;
-Chamier, Bérault, Garissoles te Montauban; Tilenus, Dumoulin, Beaulieu
-te Sedan; voorts Benj. Basnage, David Blondel, Sam. Bochartus, Jean
-Mestrezat, Charles Drelincourt, Jean Daillé en vooral de theologen te
-Saumur Camero, Amyraldus, Cappellus, Placaeus, cf. Félice, Histoire
-des Protestants de France 7e ed. 1880. In Engeland won in de 17e eeuw
-de hoogkerkelijke en arminiaansche richting veld; zij vond steun hij
-de Stuarts, bij de aartsbisschoppen, bij den adel, en werd bevorderd
-door Bancroft, den opvolger van Whitgift 1604-1610, die in een preek
-1589 het episcopaat als noodzakelijk verdedigde, Buckingham 1625-28,
-aartsbisschop Laud 1628-45, Lord Clarendon † 1674. Daarentegen
-waren er nog vele theologen in de Anglikaansche kerk, die wel het
-Episcopalisme verdedigden maar toch trouw aan het Calvinisme bleven.
-Zoo Whitgift, aartsbisschop van Canterbury, 1583-1604, raadsman van
-Elizabeth, aartsbisschop Abbot 1604-1623, 1622 in ongenade gevallen, de
-afgevaardigden ter Dordsche Synode Carlton, Hall, Davenant, prof. in
-Cambridge, later bisschop van Salisbury, Determinationes quaestionum
-quarundam theologicarum, Cambr. 1634, Ward, Goad, Balcanqual en voorts
-mannen als Burton, Warton, Prynne, Rouse, Preston, Usher, Corpus
-theologiae, Dublin 1638, holl. vert. van Ruytingius, ’t Lichaam der
-Godd. leer Amst. 1656, Morton, Joh. Prideaux, Lectiones theologicae,
-Scholasticae theologiae syntagma 1651, Saunderson, Hammond, Opera Omnia
-Lond. 1684, Westfield, Stillingfleet, Op. Omn. Lond. 1709, Tillotson
-aartsb. van Canterbury, Works Londen 1704, John Pearson, Exposition
-of the Creed 1659, Lectiones de Deo et ejus attributis, Burnet † 1715
-prof. in Glasgow, later bisschop van Salisbury, An exposition of the
-39 articles. Roger Boyle, Summa theologiae christ. Dubl. 1687. J.
-Forbesius a Corse, prof. te Aberdeen, Instructiones histor. theol.
-de doctrina christ. 1699. Thomas Pierce, Pacificatorium orthodoxae
-ecclesiae corpusculum 1685. Foggius, Theol. speculativae schema 1712.
-W. Beveridge, Thesaurus theol. or a complete system of divinity Lond.
-1710-11. Th. Bennet, Instructions for studying 1 a general system or
-body of divinity, 2 the 39 articles of religion, Lond. 1715. Onder
-de Puriteinen zijn uit deze periode vooral bekend Bradshaw, Raynolds,
-Baynes, Byfield, Rogers, Hooker, White, Archer, Hildersham, Davenport,
-Lightfoot, Seldenus, Twissus, Calamy, Gataker, Baxter, Bates,
-Mead, Owen enz. Het Arminianisme had in Engeland, zoowel onder de
-dissenters als onder de Anglikanen grooten invloed. En daarnaast werd
-vanuit Frankrijk ook het Amyraldisme in Engeland overgebracht. Beide
-vloeiden dikwerf saam en vonden hun vereeniging in de neonomiaansche
-theorie, die tot een belangrijken en langdurigen strijd aanleiding gaf.
-De neonomianen legden den grond der rechtvaardiging in het geloof,
-zooals b.v. de Arminiaan John Goodwin, de vriend van Milton, in zijn
-The banner of justification displayed, Imputatio fidei 1642, Richard
-Baxter, Justifying Righteousness, Dr. Dan. Williams, Works, 1750. Benj.
-Woodbridge, The method of grace in the justification of sinners 1656.
-Daartegenover stonden anderen, die ten onrechte anti-nominianen werden
-genoemd maar eigenlijk anti-neonomianen moesten heeten en den grond
-der rechtvaardiging alleen stelden in de toegerekende gerechtigheid
-van Christus, zooals Dr. Crisp, Dr. Tully, Justificatio paulina
-sine operibus 1677. Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id.
-Alexipharmacon, a fresh antidote against neonomian bane 1700. John
-Eaton, The honeycombe of free justification by Christ alone 1642,
-William Eyre, Vindiciae justificationis gratuitae 1654 enz., verg.
-Witsius, Misc. Sacra II p. 753 Sq. James Buchanan, The doctrine of
-justification, Edinburgh Clark, 1867 p. 176, 464. Over het algemeen
-genomen, lag echter het zwaartepunt der Engelsche theologie niet in
-de dogmatische maar in de bijbelsche, kerkhistorische, patristische,
-archaeologische en praktikale studiën. De staatkundige en kerkelijke
-verhoudingen gaven daar vanzelf aanleiding toe, Gass, Gesch. der prot.
-Theol. III 297 f. Ypey, Syst. Godg. II 268 v. en voorts Weingarten,
-Die Revolutionskirchen Englands 1868. Neal, Historie der Puriteinen,
-Rott. 1752 v. Marsden, History of the early and later Puritans from
-the reformation to the ejection of the nonconf. clergy in 1662, 2
-vol. London 1852. Dr. Stoughton, History of religion in England from
-the opening of the long Parliament to the end of the 18th century,
-8 vol. 1881. Dr. Tulloch, Rational theology and Christ. theology in
-England in the 17th century, 2 vol. 1872. Rijker en krachtiger was naar
-verhouding het dogmatisch leven in Schotland. Hier had het Calvinisme
-een geschikten bodem gevonden en werd het in strengen, positieven geest
-verder ontwikkeld. De voornaamste theologen in deze periode waren:
-Rollock, sedert 1583 principal van de universiteit te Edinburgh,
-schrijver van commentaren op de brieven van Paulus, de Psalmen, Daniël
-en vooral ook van eene verhandeling over de krachtdadige roeping;
-John Welsh, van Ayr, die tegen het Romanisme schreef; John Sharp,
-die eene harmonie van de profeten en de apostelen in het licht gaf;
-de gebroeders Simpson, Patrick, die eene kerkgeschiedenis gaf,
-William, die over de Hebr. accenten schreef, en Archibald, die eene
-uitlegging gaf van de zeven boetpsalmen; Boyd of Trochrigg, prof. te
-Saumur, in 1614 principal van de universiteit te Glasgow, beroemd
-door zijn commentaar op den brief aan Efeze, die niet alleen eene
-uitlegging geeft maar een ware thesaurus is en allerlei dogmatische
-en theologische excursen bevat, over triniteit, praedestinatie,
-vleeschwording, zonde, doop, enz.; David Calderwood, die hier te lande
-vertoefde en zijn Altare damascenum tegen het anglikaansche episcopaat
-schreef; Samuel Rutherford, prof. te St. Andrews, bekend door zijne
-Brieven niet alleen maar ook door vele andere werken, Exercitationes
-apol. pro divina gratia 1637, de Providentia, Examen Arminianismi,
-The spiritual Antichrist enz.; George Gillespie, schrijver van Nihil
-respondes, Male audis, Aaron’s Rod blossoming, Miscellanies; en
-voorts nog Baillie, Dickson, Durham, Dr. Strang, James Wood, Patrick
-Gillespie, Hugh Binning e. a. cf. David Calderwood, The history of the
-Kirk of Scotland, 7 vol. Edinb. 1842. Buckle, History of civilization
-in England, 5 vol. Leipzig 1865, ch. 17-20. James Walker, The theology
-and theologians of Scotland, Edinb. Clark 1872. Deze positieve
-ontwikkeling der Geref. dogmatiek bereikt in zekeren zin haar hoogte-
-en tegelijk haar eindpunt in de canones van Dordrecht 1618/19, in de
-confessie en den catechismus van Westminster 1646, in den Consensus
-Helveticus 1675, en de Walchersche artikelen 1693.
-
-32. Maar reeds in de 17e eeuw waren de beginselen aanwezig, die
-de Geref. theologie ondermijnden en tot verval brachten. In de
-hervormingseeuw was er niet alleen eene Luthersche en Calvinistische
-reformatie, maar daarnaast traden nog twee andere partijen op, nl.
-de Wederdoopers en de Socinianen, die juist in de Geref. kerk en
-theologie in Zwitserland, Nederland, Engeland, Amerika ten allen tijde
-van grooten invloed zijn geweest. Zij vertegenwoordigen het mystieke en
-het rationeele element in de religie en de theologie. Zie voor de
-Wederdoopers en Mennonieten: oudere litteratuur van Luther, Melanchton,
-Zwingli, Bullinger, a Lasco, de Bres, Modet, Marnix, Taffin, Caspar
-Heydanus, Spanheim, Faukelius, Schotanus, Hoornbeek, Cloppenburg enz.
-bij Walch Bibl. Theol. sel. II 13-29, en nieuwere litteratuur van
-Arnold, Schenkel, Erbkam, Hase, Halbertsma, Blaupot ten Cate, Hoekstra,
-Gorter, Cramer enz. bij Scholten, L. H. K. II 271-308. Voorts L. Keller,
-Gesch. der Wiedertäufer u. ihres Reiches in Münster 1880. Goebel,
-Gesch. des christl. Lebens u. s. w. I 1849 S. 134 f. Ritschl, Gesch.
-des Pietismus I 1880 S. 22 f. J. H. Maronier, Het inwendig woord, Amst.
-1890. L. Keller, Die Reformation u. die älteren Reformparteien, Leipzig
-1885, verschillende opstellen van Sepp in zijne Geschiedk. Nasporingen,
-2 deelen 1872/3 en Kerkhist. Studiën 1885. A. Brons, Ursprung, Entw.
-u. Schicksale der Taufgesinnten oder Mennoniten, Norden 1884. Art.
-Anabapt. en Mennon. in Herzog². Voor de Socinianen en Unitariërs van
-vroeger en later tijd vergelijke men Fock, Der Socinianismus 1847.
-Trechsel, Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socin, 2 Bde
-1839/44. Art. Socin in Herzog². Harnack, Dogmengesch. III 653-691.
-
-Het Arminianisme had reeds in de 16e eeuw zijne voorloopers in Coolhaes,
-Coornhert, Wiggerts e. a. maar werd in ’t begin der 17e eeuw eene
-macht in de kerk. Het kwam in verzet tegen de belijdenis van Gods
-volstrekte souvereiniteit op de bekende vijf punten, de praedestinatie,
-de voldoening, ’s menschen bedorvenheid, bekeering, en volharding.
-Zie hun Remonstrantie, 1610 aan de Staten aangeboden, de Confessio en
-de Apologia pro confessione, door Episcopius opgesteld, Opera II 69
-sq. 95 sq.; van de confessie verscheen 1665 eene holl. uitgave door
-Uytenbogaert. Arminius, Opera Theologica, Francof. 1631. Uytenbogaert,
-Onderwijzing in de christ. religie 1640. Episcopius, Institut. Theol.
-Opera I 11 sq. Limborch Theol. Christ. ed. 5a 1730. Curcellaeus, Opera
-Theol. Amst. 1675.
-
-Het Cartesianisme was in principe eene volkomene emancipatie van
-alle autoriteit en van alle objectieviteit, en een opbouwen van heel
-den kosmos uit het subject, uit het denken. Cogito, ergo sum. Het
-verwerpen van alle traditie en de schijnbaar zekere mathematische
-methode, langs welke Cartesius tot het bestaan van de wereld, van
-God, van den geest besloot, behaagde aan velen. Cartesius kreeg vele
-aanhangers, ook onder de theologen. Renerius en Regius in Utrecht;
-Raey, Heerebord, Abr. Heydanus in Leiden, en voorts Roell, Bekker,
-Joh. v. d. Waeyen, Hautecour, Andala, namen het Cartesianisme over
-en droegen het rationalisme in de kerk in. De verhouding van rede
-en openbaring werd nu de voornaamste kwestie; de rede emancipeert
-zich van de openbaring en tracht hare zelfstandigheid te herwinnen,
-A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek, Leiden 1861. Daarbij
-kwam nu nog het Coccejanisme, dat inderdaad aan het Cartesianisme
-in methode verwant was. Het Coccejanisme was ook eene reactie tegen
-de traditioneele theologie en kwam dan ook spoedig tegen het einde
-der eeuw met het Cartesianisme in verbond. Het nieuwe in Coccejus †
-1669 was niet zijne verbondsleer, gelijk thans algemeen erkend wordt,
-want deze komt reeds bij Zwingli, Bullinger, Olevianus enz. en hier
-te lande bij Snecanus, Gomarus, Trelcatius, Cloppenburg enz. voor,
-maar zijne foederalistische methode. Coccejus’ Summa doctrinae de
-foedere et testamento 1648 was eene bijbelsch-historische dogmatiek,
-maakte de Schrift niet alleen tot principe en norma maar ook tot
-voorwerp der dogmatiek, en plaatste zoo de theologia scripturaria
-tegenover de theologia traditiva, het foedus tegenover het decreet,
-de historie tegenover de idee, de anthropologische methode tegenover
-de theologische; het gevaar dezer methode bestond daarin, dat zij het
-eeuwige, onveranderlijke (substantia foederis) neertrok in den stroom
-van het tijdelijke, historische (oeconomia foederis) en zoo op God zelf
-de idee van het worden overbracht. Maar velen volgden de Coccejaansche
-methode, Heydanus, Wittichius, Momma, Burman, Braun, Van der Waeyen,
-Witsius, Camp. Vitringa, S. van Til, Joh. d’Outrein, F. A. Lampe e.
-a., Diestel, Studien zur Foederaltheol. Jahrb. f. d. Theol. 1865, 2tes
-Heft. De strijd van Voetianen en Coccejanen en daarna die van groene
-en dorre, vrije en stijve Coccejanen duurde tot diep in de 18e eeuw
-voort. Ze eindigde feitelijk met eene overwinning van het Coccejanisme
-en het Cartesianisme. De scholastiek had haar tijd gehad, de bloei der
-Aristotelische philosophie was voorbij. De meeste katheders werden
-met Coccejanen bezet. De komst van Lampe te Utrecht 1720 was eene
-overwinning der Coccejanen. De dogmatische handboeken, die nu het licht
-zagen, zijn meest Coccejaansch, Melchior, Systema 1685. C. Vitringa,
-Korte grondstellingen der Godg. 1688. S. van Til 1704. T. H. v. d.
-Honert, Waeragtige wegen Gods 1706. Ravestein 1716, J. v. d. Honert
-1735 enz. In hoofdzaak zijn ze nog orthodox, maar ze zijn meest klein van
-omvang, vermijden alle scholastiek, en wijken op vele punten al van de
-oude voorstelling af. Er rijst twijfel aangaande de bijzondere voldoening,
-verkiezing, generatie des zoons (Roell), de triniteit (P. Maty), het
-werkverbond (Alting, Vlak, Bekker, enz.), rede en openbaring (Roell).
-De Voetianen werden meer en meer teruggedrongen, en trokken zich in de
-stilte terug. Marck’s Merch 1686, holl. vert. 1705 en Brakels Redel.
-Godsd. 1700 waren de laatste dogmatieken in hun geest, maar ook reeds
-gespeend aan de kracht der vroegere. Piëtistische, labadistische,
-anti-nomiaansche denkbeelden drongen in hun kringen door, Lodenstein,
-Labadie, Koelman, Lampe, Verschoor, Schortinghuis, Eswijler, Antoinette
-de Bourignon enz.
-
-33. En zoo was het verloop der theologie in alle Geref. kerken.
-In Frankrijk werd de akademie van Saumur middelpunt van allerlei
-opzienbarende stellingen. Camero † 1625 sloot niet alleen in de
-ontkenning der toerekening van Christus’ obedientia activa bij Piscator
-in Herborn zich aan, maar leerde bovendien, dat de wil altijd het
-verstand volgt en dat dus de buiging van den wil in de wedergeboorte
-geene physische maar eene ethische daad was. Amyraldus † 1664 Traité
-de la prédestination maakte de gewone leer van de voluntas signi,
-van het ernstig en welmeenend aanbod der genade tot een afzonderlijk
-besluit, dat aan dat der verkiezing voorafging. Hij legde daarmee een
-remonstrantschen grondslag onder het Calvinistische gebouw en liep
-gevaar om de onmacht des menschen tot ’t geloof tot eene zedelijke te
-verzwakken. Cappellus † 1658 beweerde in zijn werk Arcanum punctationis
-revelatum, 1624 anoniem uitgegeven te Leiden door Erpenius, dat de
-Hebr. punten quoad figuram door de Joodsche geleerden later waren
-uitgevonden en in den tekst gevoegd, en lokte tegenspraak uit van
-Buxtorf 1648. In zijne Critica sacra 1650 leerde hij, dat de Hebr.
-tekst niet ongeschonden was, en in zijn Diatribe de veris et antiquis
-Hebraeorum literis 1645 dat ’t Samaritaansche schrift ouder was dan het
-Hebr. kwadraatschrift. Placaeus, de statu hominis lapsi ante gratiam
-1640 ontkende de onmiddellijke toerekening van Adams zonde. Claude
-Pajon † 1685 loochende de noodzakelijkheid van de gratia interna, en
-werd bestreden door Jurieu in zijn Traité de la nature et de la grâce
-1687. De theologische strijd liep dus in Frankrijk vooral over den aard
-der subjectieve genade. Camero beperkte haar tot verlichting des
-verstands, Amyraldus maakte de objectieve genade universeel, Pajon
-leerde ’t overbodige eener bijzondere subjectieve genade. Het deïsme en
-rationalisme werd hierdoor voorbereid.
-
-In Engeland was er onder de nonconformisten groote verscheidenheid.
-De Presbyterianen gingen na de Westminster Synode zoowel in aantal
-als in invloed achteruit, en moesten de plaats ruimen voor het
-Independentisme, dat reeds in de 16e eeuw werd omhelsd door Robert
-Browne, Johnson, Ainsworth en John Robinson † 1625, Works, 3 vol.
-London 1851, cf. Ned. Archief v. K. Gesch. v. Kist en Royaards 1848
-VIII bl. 369-407, en tijdens den burgeroorlog in macht en aanzien
-toenam. Op de Westminster Synode hadden de Presbyterianen nog de
-meerderheid en beschikten de Independenten nog slechts over enkele
-stemmen, Thomas Goodwin † 1680, Philip Nye † 1672, Jeremias Burroughs †
-1646, William Bridge † 1670, William Carter † 1658, Sydrach Simpson †
-1658, Joseph Caryll † 1673 e. a. Maar reeds in Oct. 1658 waren op eene
-vergadering te Londen afgevaardigden van meer dan honderd independente
-gemeenten aanwezig. Daar werd de Savoy Declaration opgesteld, door
-Hoornbeek 1659 in het latijn vertaald en achter zijne Epistola ad Duraeum
-de Independentismo afgedrukt, Schaff, Creeds I 820-840 III 707. Hun
-voornaamste theoloog was Dr. John Owen 1616-1683, Works, 21 vol.
-London 1826; de Doctrina Christiana van Milton werd 1827 te Brunswijk
-uitgegeven, Stud. u. Kr. 1879, 4tes Heft. Zie voorts Jos. Fletcher,
-History of independency in England since the reformation 4 vol. London
-1847-49, en andere litt. bij Schaff, Creeds I 820. Ook het Baptisme kwam
-reeds in de 16e eeuw sporadisch in Engeland voor, maar begon toch eerst
-sedert 1633 eigen gemeenten te vormen. In 1644 telde het 7 gemeenten
-in en 47 buiten Londen. In 1677 gaven de Baptisten eene Confession of
-faith, die alleen in de kerkregeering en den doop van de Westminster
-confessie en de Savoy Declaration afweek. Op den grondslag van deze
-confessie werd in 1693 door William Collins een catechismus opgesteld,
-die algemeen werd aangenomen. Van de Calvinistische Baptisten zijn de
-General, Arminian of Free-will Baptists onderscheiden. Het Baptisme
-vond later vooral in Amerika verbreiding door Roger Williams † 1683.
-Voor de dogmatiek heeft het weinig gedaan, maar het heeft in John
-Bunjan † 1688, Robert Hall, John Foster, enz. machtige predikers
-voortgebracht, Schaff, Creeds I 845-859, III 738-756. J. M. Cramp,
-Baptist History from the foundation of the Christ. Church to the close
-of the 18 century, Philad. 1868. De periode van den burgeroorlog was
-in Engeland op religieus en theologisch gebied een tijd van de grootste
-verwarring. Allerlei denkbeelden en richtingen woelden dooreen.
-Vroeger werden deze voor even zoovele secten gehouden, maar veel beter
-worden ze met Weingarten als nuanceeringen in de ééne groote partij
-der Heiligen beschouwd. Arminiaansche, baptistische, chiliastische,
-antinomistische, en zelfs libertijnsche gevoelens vonden ingang. Er
-heerschte een religieus individualisme. In het Quakerisme bereikte
-dit zijn toppunt. De emancipatie van de traditie, de confessie, het
-kerkverband voltooit zich daarin, dat ieder geloovige op zich zelf
-wordt gesteld, zelfs van de Schrift wordt losgemaakt, en in zich zelf,
-in den Geest, in het inwendig licht de bron bezit van zijn religieuse
-leven en kennen. Al het objectieve, Schrift, Christus, kerk, ambt,
-sacrament wordt ter zijde gesteld; de geloovigen leven uit een eigen
-beginsel en onderscheiden zich ook in de maatschappij door eigen zeden,
-gewoonten, kleeding, enz. George Fox 1624-1640, Works, 3 vol. London
-1694-1706 was stichter van deze secte, Robert Barclay 1648-1690,
-Apologia theologiae vere christianae, Amst. 1675 was haar theoloog,
-en William Penn 1644-1718 haar staatsman, William Sewel, History of
-the rise, increase and progress of the christian people called Quaker,
-London 1725. Th. Evans, An exposition of the faith of the religious
-society of friends, Philad. 1828. Schneckenburger, Vorles. über die
-Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 69 f. Weingarten,
-Rev. Kirchen Englands 364 f. Möhler, Symbolik 492 f. Schaff, Creeds I
-859-873. Herzog² art. Quäker.
-
-Al deze individualistische lichtingen baanden den weg voor het Deïsme.
-Het realisme van het Engelsche volkskarakter, het nominalisme van Duns
-Scotus, Roger Bacon en Willem van Occam, de empiristische philosophie
-van Francis Bacon † 1626 hadden het reeds voorbereid. En toen daar nu
-in de 17e eeuw de verwarring bijkwam in de religieuse overtuigingen, en
-heel Engeland in partijen en secten was verdeeld, ontwaakte bij velen
-de gedachte, dat alleen in datgene, wat aan allen gemeen was, het
-wezen der religie gelegen kon zijn. Het latitudarisme vond ingang en
-liep op het deïsme uit. De rij der deïsten werd geopend door Herbert
-van Cherbury † 1648, die in zijn werk de veritate 1624 en de religione
-gentilium 1645 het wezen der religie tot vijf waarheden herleidde:
-bestaan Gods, vereering Gods, deugd, berouw en vergelding; maar deze
-oorspronkelijke, ware en zuivere godsdienst is op allerlei wijze door de
-priesters vervalscht. Dit was het program van ’t deïsme. Van daaruit
-werd nu vervolgens de strijd tegen de openbaring ondernomen. Locke †
-1704, The reasonableness of christianity 1695, droeg aan de rede de
-beslissing over de openbaring op. John Toland † 1722, Christianity not
-mysterious 1696 sprak uit dat het Christ. niet alleen niets tegen maar
-ook niets boven de rede bevatte. Anton Collins † 1729, Discourse on
-freethinking 1713 beval het vrije, d. i. ongeloovige denken aan. Thomas
-Woolston † 1731 schreef Discourses on the miracles of our saviour
-1727-30 en trachtte deze door allegorie te verklaren. M. Tindal † 1733,
-Christianity as old as creation 1730 stelde heel de openbaring ter
-zijde. Het deïsme eindigde in skepticisme bij Henry Dodwell, Christianity
-not founded on argument 1742. En deze skepsis werd op philosophisch
-gebied door D. Hume † 1776 voltooid.
-
-34. Ongeveer 1750 is overal het verval der Geref. theologie ingetreden.
-De ontbindende elementen, reeds in de vorige eeuw aanwezig, werken
-door en ondermijnen de dogmatiek. Nadat het Coccejanisme hier te lande
-de overwinning had behaald, kwam van 1740 tot 1770 het tijdperk der
-Toleranten. De kracht der waarheid werd verloochend; van de belijdenis
-trok men zich naar de Schrift terug; eigenaardige geref. leerstukken,
-erfschuld, werkverbond, bijzondere voldoening, enz. werden losgelaten;
-onder schoonen vorm en bijbelschen naam kwamen allerlei remonstrantsche
-en sociniaansche dwalingen op. De belijders der Geref. religie leggen
-zich hoogstens nog bij het voorhandene neer, maar ze leven er niet
-meer in en spreken er niet meer uit. De oude dogmatiek werd een
-voorwerp van historische studie. Prof. Bernh. de Moor schreef een
-Commentarius perpetuus in Marckii Compendium, 6 vol. Lugd. B. 1761-71,
-en Ds. Martinus Vitringa gaf een commentaar op de Doctrina Christ.
-religionis van zijn vader Campegius Vitringa, onder den titel Doctrina
-Christ. relig. per aphorismos summatim descripta, ed. sexta. Cui nunc
-accedit ὑποτυπωσις theologiae elencticae in usum scholarum domesticarum
-Campegii Vitringae, curante Martino Vitringa, qui praefationem,
-prolegomena et adnotationes adjecit, nec non analysin v. cl. Theodori
-Scheltingae, 9 partes, Amst. 1761. Onder de weinigen, die met hart en
-ziel aan de oude geref. leer vasthielden en ze met talent verdedigden
-en verder ontwikkelden nemen Alex. Comrie † 1774, A. B. C. des geloofs
-1739, Eigengesch. des zaligm. geloofs 1744, Verklaring van den Catech.
-1753, Brief over de rechtvaardigmaking 1761, cf. Dr. A. G. Honig, Alex.
-Comrie, 1892, Nic. Holtius † 1773, Verhandeling over de rechtv. door
-het geloof 1750, en J. J. Brahé, Aanmerkingen wegens de vijf Walch. art.
-1758 eene eerste plaats in. De beide eersten bonden in hun Examen van
-het ontwerp van Tolerantie, in 10 Samenspraken, Amst. 1753-59 den strijd
-tegen de Toleranten aan, onder wie de Hoogleeraren J. van den Honert,
-J. J. Schultens en Alberti het vooral moesten ontgelden. Naast hen
-verdient ook nog J. C. Appelius genoemd te worden, die bekend is door
-zijn strijd over het avondmaal, Zedig en vrijmoedig onderzoek, enz. 1763.
-Over het avondmaal 1764. Aanmerkingen over het rechte gebruik van het
-Evangelie. Vervolg van de Aanmerkingen, enz. De Hervormde leer 1769.
-
-Maar sedert 1770 nam de zoogenaamde neologie hoe langer hoe meer
-aan invloed toe. Het Engelsche deïsme, het Fransche ongeloof en het
-Duitsche rationalisme vond hier een vruchtbaren bodem. De revolutie
-was een totale keer in de begrippen. De orthodoxie werd in den vorm
-van een niet rationalistisch maar rationeel, gematigd, bijbelsch
-supranaturalisme overgeleid naar de 19e eeuw, en had als zoodanig haar
-voornaamste vertegenwoordigers in P. Chevallier, Schema Institutionum
-theol. 1773-75. Br. Broes, Institut. Theol. theor. 1788. J. van Nuys
-Klinkenberg, Onderwijs in den godsdienst 12 deelen 1780 v. Samuel van
-Emdre, Katechismus der H. Godg. 1780. W. E. de Perponcher, Beschouw.
-Godg. 1790 enz., inzonderheid H. Muntinghe, Pars theologiae christ.
-theoretica 1800. En evenzoo ging het in andere landen. Frankrijk had
-in de 18e eeuw geen eigen geref. theologie meer. De herroeping van
-het edict van Nantes bande de beste krachten buiten ’s lands. In de
-18e eeuw verwierven Paul Rabaut † 1794 en Antoine Court † 1760, zich
-den eerenaam van herstellers der geref. kerk in Frankrijk. De Fransche
-predikanten ontvingen hunne opleiding meest in Lausanne, waar een
-eigen seminarie was opgericht voor de Fransche studenten naar het plan
-van Antoine Court. In Zwitserland kon de Consensus Helvetius 1675 het
-rationalisme niet keeren. J. E. Wettstein en zijn zoon in Bazel, J. C.
-Suicerus en zijn zoon Henricus in Zurich, Mestrezat en Louis Tronchin
-in Genève brachten er al bezwaren tegen in, Schweizer, Centraldogmen
-II 663 v.; reeds in 1685 werden er pogingen in het werk gesteld om
-haar terzijde te stellen, en in de 18e eeuw werden deze in Genève,
-Bazel, Appenzell, Zurich, Bern enz. met goed gevolg bekroond. J. F.
-Osterwald, pred. te Neufchatel † 1747 vormt den overgang van de 17e
-eeuwsche orthodoxie tot het 18e eeuwsch rationalisme. In zijn Traité des
-sources de la corruption, qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens
-1700, Catéchisme 1702, Compendium theol. Christ. 1739 klaagt hij over
-de doode orthodoxie en de fijn uitgesponnen dogmata, verzwijgt hij vele
-leerstukken, bijv. over de verkiezing, en zoekt herleving der moraal.
-Met hem vormden J. A. Turretinus † 1737, Opera 3 vol. en S. Werenfels
-† 1740, Opuscula, ed. 2. 1739 het Zwitsersche triumviraat. De door hen
-vertegenwoordigde gematigde orthodoxie leidde welhaast tot besliste
-heterodoxie bij J. J. Zimmermann † 1757. Opuscula 1751-59. J. J. Lavater
-† 1759 art. Genève in de Dictionn. Encycl. van Diderot en d’Alembert,
-J. Vernet, Instruction Chrétienne 1754. De mathematische methode van
-Wolf werd op de theologie toegepast door D. Wyttenbach, Tentamen
-theol. dogm. methodo scientifica pertractata, 3 tomi 1747, J. F.
-Stapfer, Institut. theol....... ordine scientifico dispositae, 5 vol.
-1743, Grundlegung zur wahren Religion Zurich 1751-52, Bernsau, later
-prof. te Franeker, Theol. dogmatica, methodo scientifica pertractata
-1745-47, in Duitschland door Ferdinand Stosch † 1780, Summa paedagogiae
-scholasticae ad praelectiones academicas in theologiam revel. dogm.
-1770, Sam. Endemann prof. te Marburg Instit. theol. dogm. 1777 en Sam.
-Mursinna prof. te Halle, Compendium theol. dogm. 1777. In Engeland
-werd de dogmatiek schier geheel in beslag genomen door de kwestiën
-over voorspelling, wonder en openbaring, die door het deïsme aan de
-orde waren gesteld. Ofschoon de apologetiek dikwerf rationalistisch
-gekleurd was, had ze toch vele en onder hen ook sommige uitnemende
-vertegenwoordigers, Samuel Clarke † 1729, Nathan Lardner † 1768, Joseph
-Butler † 1752, Richard Bentley, William Whiston, Arthur Ashley Sykes,
-Thomas Sherlock † 1761, Daniël Waterland † 1742, John Coneybeare, John
-Leland, James Foster, William Warburton † 1779, Richard Watson † 1816,
-William Paley † 1805, Evidences of Christianity 1794. Natural Theology
-1802 enz. Onder de dogmatische werken, die in deze periode het licht
-zagen, zijn de voornaamste die van Hutchinson, waarvan een uittreksel
-gegeven wordt in A letter to a bishop concerning some important
-discoveries in philosophy and theology 1735; van Stackhouse † 1752,
-A complete body of speculative and practical divinity 1709, holl.
-vert. 1758, Isaac Watts † 1748 bekend niet alleen door zijne geestelijke
-liederen en logika maar ook door zijn catechismus 1728, Philipp
-Doddridge † 1751, Rise and progress of religion in the soul 1745, e. a.
-Onder de Schotsche Godgeleerden in de 18e eeuw treden op den voorgrond
-Thomas Boston † 1732, A complete body of divinity, 3 vol. 1773,
-Fourfold State, holl. vert. 1742, A view of the covenant of grace,
-holl. vert. van Comrie 1741; Adam Gib, en de eerste vijf Seceders,
-Fisher, Wilson, Moncrieff en de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine,
-wier werken ook in ’t holl. zijn vertaald, nieuwe uitgave, Amst. 1856.
-Van belang was de zoogenaamde Marrow controversy, die in 1717 begon
-naar aanleiding, dat het werk van den Independent Edward Fisher, The
-marrow of modern divinity, verschenen in 1647, opnieuw in Schotland
-werd uitgegeven. De neonomiaansche strijd, die in de vorige eeuw in
-Engeland was gestreden, werd daardoor naar Schotland overgeplant. Het
-boek werd aangevallen door Principal Hadow van St. Andrews in een
-werk, getiteld The antinomianism of the marrow detected 1721. Men
-beschuldigde de „Marrow divines”, onder wie Boston de voornaamste was,
-van antinomianisme, maar hield zichzelf van neonomianisme niet vrij. De
-General Assembly veroordeelde sommige stellingen in het Marrowboek als
-dwalingen; wat mede aanleiding gaf tot de scheiding van de Erskine’s,
-die zich aan de zijde van Boston hadden geschaard. Het neonomianisme
-was de voorbereiding voor het rationalisme, dat langzamerhand ook in
-de theologie en kerk van Schotland doordrong en in mannen als Simpson,
-Mc. Laurin e. a. reeds duidelijk merkbaar is, Walker, The Theology and
-theol. of Scotland p. 25 v. 39 v. 53 v. James Buchanan, The doctrine of
-justification 1867 p. 182-188. Merle d’Aubigné, Duitschland, Engeland
-en Schotland, Rotterdam, 1849.
-
-35. In den aanvang der 19e eeuw verkeerde de Geref. theologie bijna
-overal in een droevig verval. In den vorm van het supranaturalisme
-werd de theologie hier beoefend door Van der Palm, Van Voorst, Borger,
-Clarisse, Kist, van Hengel te Leiden, door Abresch, Chevallier,
-Muntinghe, Ypey te Groningen, Heringa, Royaards, Bouman, Vinke te
-Utrecht, door vele bekwame en voorname predikanten Dermout, Broes,
-Donker Curtius, van Senden, Egeling enz. en door vele verhandelaars
-in het Stolpiaansch legaat 1756, Teylers Genootschap 1778 en het
-Haagsch Genootschap 1787. Deze supranat. richting wilde rationeel
-zijn, niet rationalistisch in den zin van Wegscheider, Röhr, Paulus,
-ze handhaafde de openbaring en betoogde hare noodzakelijkheid,
-mogelijkheid en waarheid op allerlei rationeele en historische gronden.
-Ze wilde bijbelsch zijn en was anticonfessioneel, antiphilosophisch,
-anticalvinistisch; ze kreeg een dogmatiek, die deïstisch was in de
-theologie, pelagiaansch in de anthropologie, moralistisch in de
-Christologie, collegialistisch in de ecclesiologie, en eudaemonistisch
-in de eschatologie. Ze werd in de noordelijke provinciën des lands
-ongeveer 1835 vervangen door de Groninger theologie, die op het
-voetspoor van de Socratische wijsbegeerte van Van Heusde † 1839 de
-idee van openbaring en leer verving door die van opvoeding, en
-dus een ethisch element in de verhouding van God en mensch opnam.
-God was hier niet in de eerste plaats Leeraar, maar de groote
-Opvoeder, die door natuur en geschiedenis, door den persoon en de
-kerk van Christus de menschen als zijne kinderen opleidde tot wijze
-en vrome christenen, tot Godegelijkvormigheid. De bestrijding, die ze
-ondervond van orthodoxe, straks ook van moderne zijde, en de innerlijke
-ontwikkeling tot Evangelische richting maakten, dat ze ongeveer 1850
-plaats moest maken voor de Moderne Theologie. Deze kwam op met
-Opzoomer die hoogleeraar te Utrecht werd in 1845 en de empiristische
-philosophie van Mill en Comte toepaste op den godsdienst. Hij kwam tot
-het antisupranaturalisme. Scholten gaf in zijne Leer der Hervormde
-Kerk ten slotte eene moderne dogmatiek onder gereformeerde vlag. En
-Kuenen trad op als voorstander der evolutie op het gebied der Oudtest.
-Schrift. Er was dus langzamerhand eene ontwikkeling op theologisch
-gebied naar het ongeloof heen; de moderne theologie heeft geen
-dogmatiek meer. Tegenover deze negatieve richtingen kwamen echter in
-deze eeuw op in ons vaderland de positieve richtingen van den Reveil
-en de afscheiding, van de Utrechtsche en de ethisch-irenische school
-en eindelijk van het Calvinisme, dat er naar streeft om ook theologisch
-een eigen positie te veroveren. Zie verder mijn opstel over de Gesch.
-der theol. in Nederland, Presb. and Ref. Review April 1892, en Tijdschr.
-voor Geref. Theol. Juni en Juli 1894 bl. 161 v. en de daar opgegeven
-litteratuur. In Duitschland is de Geref. theologie hoe langer hoe
-verder achteruitgegaan. De Geref. kerk had in Duitschland een breed
-terrein veroverd. Haar theologie werd beoefend in Heidelberg, Duisburg,
-Marburg, Frankfurt a/O, Herborn, Bremen, Halle. Zoo bleef het tot het
-midden der 18e eeuw. Maar toen kwam de Aufklärung, in 1817 de Union,
-vervolgens de invloed der wijsbegeerte van Kant, Schleiermacher enz,
-en al deze oorzaken hebben de Geref. kerk en theol. in Duitschland
-geheel tot verval gebracht. Wel kwam er in het begin dezer eeuw eenige
-ontwaking ook van het Geref. bewustzijn, bij Krafft in Erlangen, G. D.
-Krummacher in Elberfeld, Geibel in Lübeck, Mallet in Bremen enz. Maar
-deze was toch niet sterk genoeg. Zelfs mannen als Ebrard † 1888 in
-Erlangen, Heppe † 1879 in Marburg hebben door hun Melanchtonianisme
-aan de Geref. zaak groote schade toegebracht. Alleen Wichelhaus †
-1858 in Halle, Karl Südhoff † 1865 in Frankfurt a/M., Böhl in Weenen,
-Dr. A. Zahn in Stuttgart, O. Thelemann in Detmold, Kohlbrugge † 1875
-in Elberfeld e. a. stelden zich beslist op den grondslag der Geref.
-confessie. Thans is er in Duitschland geen enkele theol. Universiteit
-of school, en geen enkel theol. professor van Geref. belijdenis meer, A.
-Zahn, Die Ursachen des Niederganges der ref. Kirche in Deutschl. Barmen
-1881. Id. Abriss einer Gesch. der ev. Kirche auf dem europ. Festlande
-im 19 Jahrh. Stuttgart 3e Aufl. 1893, 12tes Kapitel.
-
-36. In Zwitserland en Frankrijk kwam er herleving door den Reveil, die
-van uit Schotland daar werd overgeplant. De Reveil, (cf. Wagenaar, Het
-reveil en de afscheiding, die bl. 40 litt. opgeeft. H. von der Goltz,
-Die reform. Kirche Genfs im 19. Jahrh. Bazel u. Genf 1862. Léon Maury,
-Le réveil religieux dans l’église réformée à Genève et en France,
-Paris, Fischbacher 2 vol. 1892. W. van Oosterwijk Bruijn, Het Reveil
-in Nederland, Utrecht 1890. Pierson, Oudere Tijdgenooten 1888) was
-eene machtige, geestelijke beweging, maar was van huis uit onkerkelijk
-en anticonfessioneel. Hij stond op algemeen-christelijken grondslag en
-kenmerkte zich verder door zijn individualistisch, aristocratisch,
-methodistisch en philanthropisch karakter. In Zwitserland legde hij
-vooral op twee dogmata, de verkiezing (Cesar Malan † 1864. Biographie
-door Malan Jr. Amst. Höveker 1874) en de inspiratie (Merle d’Aubigné
-† 1872. Gaussen † 1863) nadruk. Maar Alexander Vinet 1797-1847, in
-1822/’23 onder invloed van den Reveil gekomen, ging theologisch van
-eene andere gedachte uit. Het levensbeginsel van zijn geloof en zijne
-theologie was de harmonie van Christendom en geweten. Daardoor kwam
-hij er toe, om zoo sterk aan te dringen op het verband van dogma en
-moraal, op de ethische zijde der waarheid; daardoor kwam hij tot zijn
-synergisme en tot verwerping der verkiezing enz. Vinet bleef echter tot
-den einde toe aan de hoofdwaarheden van het Christendom vasthouden,
-Dr. J. Cramer, Alex. Vinet als christ. moralist en apologeet geteekend
-en gewaardeerd, Leiden, Brill 1883, en de daar bl. 6 aangeh. litt.
-Veel verder ging echter zijn leerling E. Scherer, die eerst streng
-orthodox was maar allengs met zijn verleden brak, en in volslagen
-ongeloof zijn leven eindigde. Sedert kwam er in Frankrijk en Zwitserland
-een liberaal Protestantisme, Pécaut Le Christ et la conscience, Paris
-1859, Martin-Paschoud, Réville; Cougnard, Buisson. Zoo stonden er twee
-richtingen, eene liberale en eene evangelische, tegenover elkaar.
-Maar onder de laatste werkten de beginselen van Vinet door, later nog
-gesteund door den invloed van Ritschl. Er zijn thans drie richtingen
-te onderscheiden: eene liberale of linkerzijde, Bouvier in Genève;
-eene bemiddelende richting, Pressensé, Astié, Sécrétan, Sabatier,
-Leopold Monod, Chapuis, Dandiran, Lobstein; en eene evangelische,
-gematigd-orthodoxe, Godet vader en zoon, Porret, Berthoud, Martin,
-Doumergue, Bertrand, H. Bois, Gretillat. De strijd tusschen deze
-twee richtingen loopt thans vooral over twee vragen. De eene raakt
-de autoriteit in zake de religie, of deze n.l. ligt in de Schrift,
-in Christus of in rede en geweten. De tweede geldt den persoon van
-Christus, of hij n.l. waarachtig God is of door kenose zich ontledigd
-heeft of ook slechts een mensch is, gradueel van ons verschillend, cf.
-Gretillat in The Presb. and Ref. Review, July 1892 en July 1893.
-
-37. Een overzicht van de theologie in Engeland en Schotland wordt
-gegeven door Pfleiderer, Die Entw. der prot. Theol. in Deutschl. seit
-Kant u. in Grossbritt. seit 1825, Freiburg 1891, S. 386 f. Ad. Zahn,
-Abriss einer Gesch. der ev. Kirche im britischen Weltreich im 19 Jahrh.
-Stuttgart 1891. Dr. Carl Clemen, Der gegenwärtige Stand des relig.
-Denkens in Grossbrittannie, Stud. u. Krit. 1892, 3tes Heft S. 513-548.
-G. Elliott, Bilder aus dem kirchl. Leben Englands, Leipzig Akad.
-Buchhandlung. G. d’Alviella, L’évolution relig. chez les Anglais, les
-Americains et les Hindous 1884. Walker, Present theological drifts in
-Scotland, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893. Het godsdienstig Engeland,
-gelijk wij het heden kennen, is een werk van het Methodisme. John Wesley
-1703-1791 was geen wetenschappelijk theoloog, maar een machtig prediker,
-die het evangelie individualiseerde, en tot een levensvraag maakte voor
-ieder mensch cf. J. Wedgwood, John Wesley and the evangelical reaction
-of the eighteenth century 1870. Het door hem en George Whitefield
-1714-1771 opgekomen Methodisme was niet in de eerste plaats eene
-afwijking van een of ander der 39 artikelen, maar het concentreerde heel
-de waarheid der religie om twee middelpunten, n.l. om de plotselinge,
-bewuste ervaring van schuld en genade, d. i. om de persoonlijke
-bekeering, en ten tweede om de openbaring van dat nieuwe leven in
-een geheel nieuwen vorm, daarin bestaande dat men uitging op het
-bekeeren van anderen, van verschillende adiaphora zich onthield en de
-christelijke volmaaktheid reeds in dit leven voor bereikbaar hield. Deze
-eenzijdigheid leidde er toe dat allengs verschillende dogmata werden
-bestreden, gewijzigd of van ondergeschikte waarde werden beschouwd; cf.
-over het Methodisme het art. van Schoell in Herzog². Saussaye, Godsd.
-Bewegingen 109 v. Möhler, Symbolik § 75-76. Schneckenburger, Vorles.
-über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 S.
-103-151. Kolde, der Methodismus u. seine Bekämpfung, Erlangen 1886.
-Id. Die Heilsarmee ib. 1885, holl. vert. van Dr. A. W. Bronsveld. Het
-Methodisme heeft een onberekenbaren invloed geoefend, op Independenten,
-Baptisten, Presbyterianen, Anglikanen; Wesley is de herschepper van
-het Engelsche en Amerikaansche Protestantisme geweest, de revivals zijn
-sedert niet meer uit de Prot. kerken geweken, hij was de Archbishop
-of the Slums, de vader van de inwendige zending, de stichter van het
-christelijk socialisme. Het Methodisme was echter in hoofdzaak beperkt
-tot het volk. In de hoogere kringen, in politiek, philosophie, letteren
-bleef het koude liberalisme heerschen. Daartegen kwam reactie door
-de romantiek, (W. Scott, Southey, S. T. Coleridge † 1834), welke
-op kerkelijk en theologisch gebied werd overgeplant in de Oxforder
-beweging. Deze beweging heeft de hoogkerkelijke partij, die al van de 16e
-eeuw af bestond, aanzienlijk versterkt, en de Roomsche leer en ritus
-in de Anglikaansche kerk krachtig bevorderd. Cf. art. Traktarianismus
-in Herzog². Ook de schrijvers van Lux Mundi 1890, Canon Holland,
-Moore, Illingworth, Talbot, C. Gore e. a. trachtten het Puseyisme te
-vernieuwen en de christelijke dogmata plausibel te maken, door ze te
-plaatsen in het licht van den nieuweren tijd. Naast de hoogkerkelijke is
-de breedkerkelijke partij opgetreden, die reeds in de 17e en 18e eeuw
-werd voorbereid door het Latitudinarisme, en in deze eeuw uitnemende
-vertegenwoordigers kreeg in Thomas Arnold † 1842, Hampden † 1868,
-F. D. Maurice † 1872, Ch. Kingsley † 1874, Whately † 1863, F. W.
-Robertson † 1853, A. P. Stanley † 1881. Afkeerig van het Methodisme
-der laagkerkelijke partij, hebben zij allen op ernstige en edele wijze
-gestreefd naar eene verzoening van Christendom en cultuur. De kerk
-moest naar hunne overtuiging eene opvoedingschool van het volk worden;
-de religie moest zich verzoenen met al het ware, goede en schoone,
-waar het ook te vinden was; en het Christendom moest vooral in de
-zedelijke vernieuwing der maatschappij zijne kracht openbaren. Dit breede,
-tolerante standpunt vond hoe langer hoe meer instemming. De opkomst
-en voortgang van het ritualisme, de velerlei secten en richtingen, de
-nood der lagere maatschappij en vooral ook het Higher Criticism, dat
-reeds met bisschop Colenso zijn intrede in de Engelsche wereld deed, en
-dan door Rob. Smith, T. K. Cheyne, S. R. Driver gepropageerd werd,
-hebben aan de breedkerkelijke richting de overhand verschaft. Een van de
-voornaamste woordvoerders in den tegenwoordigen tijd is F. W. Farrar,
-deken der Westminster Abbey. Maar lang niet alleen in, ook ver buiten
-de Staatskerk wordt dit breede standpunt thans door velen ingenomen.
-Onder de voornaamste woordvoerders behooren thans de Baptist J.
-Clifford; de Congregationalisten E. W. Dale, The old Evangelicalism and
-the new 1889, Dr. Joseph Parker te Londen, Dr. Fairbairn van Mansfield
-College, The place of Christ in modern theology, cf. Theol. Stud. van
-Dr. Daubanton, Mei, Juni 1894; de Presbyterianen Prof. Henry Drummond,
-The natural law in the spiritual world, Summum bonum enz. Marcus Dods,
-A. B. Bruce, Apologetics, or Christianity defensively stated, Edinburgh
-Clark 1892. James Lindsay, The progressiveness of modern Christian
-thought, Edinb. Blackwood 1892. Horton, Inspiration and the Bible Rev.
-J. B. Heard, Alexandrinian and Carthaginian Theology Edinb. Clark,
-Hulsean lectures, Prof. Edw. Caird, The evolution of religion, 2 vol.,
-James Orr, The Christian view of God and the world, as centring in the
-incarnation, Edinb. Elliot. 1893, cf. mijn opstel, Theol. Stud. van Dr.
-Daubanton 1894. En voorts nog Flint, Milligan, Gloag in de Establ.
-Church van Schotland, Brown, Rainy, Davidson, Salmond, Laidlaw, G.
-A. Smith, in de Free Church, Cairns, Muir, Thomson, J. Smith in de
-United Presbyt. enz. Behalve door haar christologisch uitgangspunt, dat
-alles concentreert rondom de incarnatie, kenmerkt zich deze richting
-nog door haar unieerende tendenz. De kerkelijke verschillen worden
-uitgewischt of als van geringe beteekenis voorgesteld; practisch werkt
-men met mannen van allerlei kerk en richting saam; en theoretisch
-streven velen zelfs naar vereeniging van alle Protestantsche kerken,
-zooals b.v. J. Clifford. W. T. Stead gaat zeker wel het verst, als hij
-op eene „kerk der toekomst” hoopt, die de gansche sociale hervorming
-leiden, heel de cultuur, tot zelfs de theaters toe, in zich opnemen
-en alle menschen omvatten zal. Dikwerf gaat dan hiermede nog gepaard
-de hope op eene wederherstelling aller dingen aan gene zijde van het
-graf; zie van de rijke litteratuur alleen The wider Hope, Essays and
-Strictures on the doctrine and literature of future punishment by
-numerous writers, lay and clerical, London, Fisher Unwin 1890. Het
-strenge Calvinisme verliest bij den dag aan terrein. Hier en daar wordt
-het nog gehandhaafd, in de Schotsche Hooglanden, in Wales enz., maar
-van eene wetenschappelijke beoefening en verdediging is geen sprake
-meer. Daarentegen breidt de leer der evolutie zich in Engeland bij
-den dag uit. Nadat het Deisme alreede de wonderen, de voorspellingen
-en de openbaring aan eene geduchte kritiek had onderworpen, heeft
-onder invloed van de afstammingsleer van Darwin, het agnosticisme van
-Spencer, het empirisme van Stuart Mill en het materialisme van Tyndal,
-Huxley, Evolution and ethics 1893 cf. Tijdspiegel, April 1894 dit
-religieuse ontbindingsproces zich nog verder voortgezet. De kritiek
-der christelijke dogmata kreeg een ongedachten, sterken steun van
-Edwin Hatch, The organisation of the early christ. churches 1881, The
-influence of Greek ideas and usages upon the christ. church, Hibbert
-lectures 1888, die evenals reeds Hampden voor hem in zijn The scholastic
-philosophy in relation to christ. theology 1832 de dogmata verklaarde
-uit de verbinding van de heidensche wijsbegeerte met het oorspronkelijk
-Christendom. Het Unitarisme, dat in 1773 zijne eerste gemeente stichtte
-en thans in James Martineau, A study of religion, its sources and
-contents 1888, The seat of authority in religion 1890 een uitnemend
-woordvoerder bezit, wint gaandeweg aan invloed. Velen hebben zelfs met
-het Christendom geheel gebroken, G. Eliott, Ch. Bradlaugh, A. Besant,
-W. St. Ross, Morley, J. C. Morison, cf. Ch. Bradlaugh, A. Besant and
-Ch. Watts, The freethinkers textbook 1876; en zoeken hunne religieuse
-bevrediging in Buddhistische theosophie (Mevr. Blavatzky, A. Besant),
-in de moraal (M. Arnold, Literature and dogma 1873, God and the Bible
-1875, die de religie omschreef als morality touched with emotion en God
-als the eternal power, not ourselves, which makes for righteousness),
-of in een gezelschap voor ethische cultuur, (opgericht 1876 in Amerika,
-1886 in Engeland. W. M. Salter, Die Religion der Moral, deutsch von G.
-von Gizycki, Leipzig 1885) of zelfs in het Mohammedanisme, waarvoor in
-1891 in Liverpool eene moskee werd geopend.
-
-38. Voor de geschiedenis der dogmatiek in Amerika kan men o. a.
-raadplegen Encyclopedia of living divines and Christian Workers
-of all denominations in Europe and America. Being a supplement to
-Schaff-Herzog, Encyclopedia of religious knowledge. Edited by
-Rev. Ph. Schaff and Rev. S. M. Jackson, New-York 1887. Adolf Zahn,
-Abriss einer Gesch. der Evang. Kirche in Amerika im 19 Jahrh.
-Stuttgart 1889. Fr. Nippold, Amerik. Kirchengeschichte seit der
-Unabhängigkeitserklärung der Ver. Staaten, Berlin 1892. Alle kerken
-zijn uit Engeland en andere landen van Europa successief in Amerika
-en Canada overgeplant. De Episcopaalsche kerk is de oudste en rijkste
-en dagteekent al van de immigratie in Virginia in 1607. De Dutch
-Reformed Church is er gevestigd sedert de ontdekking van den Hudson
-en van Manhattan Island 1609. De Independenten of Congregationalisten
-landden het eerst te Plymouth 1620. De Kwakers werden door William
-Penn in 1680 naar Pennsylvanie geleid. De Baptisten kregen vasten voet
-in Amerika op Rhode Island door Roger Williams 1639. De Methodisten
-vonden er ingang door Wesley 1735 en Whitefield 1738. De Duitsche
-kerken, zoowel de Luthersche als de Geref. werden er gevestigd sedert
-het midden der vorige eeuw. De Presbyteriaansche kerken zijn er in
-verschillende groepen verdeeld. Eene schets van de Presbyt. theologie
-geeft Prof. Schaff in zijn Theological Propaedeutic, 2 parts, New-York
-1892 ’93, II p. 374-405, en in The Independent, New-York vol. 45
-N°. 2321, 2324, 2329 en 2330. Voor het Congregationalisme zie men
-Congregationalists in America, ed. by Dr. Albert E. Dunning, New-York,
-Hill and Co. 1894. Bijna al deze kerken en richtingen in kerken waren
-van Calvinistischen oorsprong. Van alle godsdienstige bewegingen is
-het Calvinisme in Amerika de krachtigste geweest. Het is niet tot
-eene of andere kerk beperkt, maar is onder allerlei wijziging het
-bezielend element in de Congregat. Bapt. Presbyt. Holl. en Duitsch
-Geref. kerken enz. Van alle kanten werd het in Amerika gebracht, uit
-Engeland, Schotland, Frankrijk, Holland, Duitschland. Het vormde het
-karakter van New-England gedurende de koloniale periode 1620-1776. Er
-moet echter onderscheiden worden tusschen het Puriteinsche Calvinisme,
-dat vooral uit Engeland kwam en in New-England ingang vond, en het
-Presbyteriaansche Calvinisme, dat van uit Schotland in de Zuidelijke,
-Midden en Westelijke Staten werd ingevoerd. Beide vormen van Calvinisme
-hadden tot basis de Westminster confessie van 1647, maar in beide kwam
-ook weldra een strijd tusschen eene oude en eene nieuwe school. De
-eerste en voornaamste theoloog van New-England was Jonathan Edwards
-1703-1758, art. in Herzog², biographie door Prof. A. V. G. Allen, bij
-Houghton, Miffin and Comp. New-York, 1e deel van American religious
-leaders. Zijne werken zijn in 4 deelen uitgegeven te New-York, Carter
-and Brothers 1881. Hij verbond diepe metaphysische denkkracht met eene
-ernstige vroomheid. In 1734, nog vóór de komst van Wesley in Amerika,
-had er in zijne gemeente te Northampton eene merkwaardige opwekking
-plaats; en later heeft hij met zijn vriend Whitefield dergelijke revivals
-meermalen geleid en verdedigd. Theologisch voerde hij den strijd vooral
-tegen het Arminianisme, dat door de geschriften van Daniel Whitby and
-John Taylor in New-England doordrong. Hij trachtte het Calvinisme door
-zijne metaphysische en ethische speculaties te versterken, maar heeft
-het toch feitelijk door zijne onderscheiding van natuurlijke en zedelijke
-onmacht verzwakt. Hij werd de vader van de Edwardianen, New-Theology
-Men, New-Lights, zooals ze genoemd worden, die wel de Calvinistische
-leer van Gods souvereiniteit en uitverkiezing handhaafden, maar
-daarmede vereenigden de verwerping van de erfschuld en de algemeenheid
-der verzoening, evenals de Saumursche theologen dat in Frankrijk deden.
-Zijn zoon Jonathan Edwards 1745-1801 droeg in de leer der voldoening
-in ’t wezen der zaak de theorie van Grotius voor. Samuel Hopkins, een
-leerling van Edwards 1721-1803, wiens werken in 1852 te Boston door
-Prof. Park van Andover werden uitgegeven, schreef een systeem der
-Godgeleerdheid, waarin hij het stelsel van Edwards teruggaf en vooral de
-belangelooze liefde tot God uitwerkte in den zin van Fénélon en Madame
-Guyon. Nathaniel Emmons 1745-1840, Works, Boston 1842 was een van de
-voornaamste verdedigers van het Hopkinsianisme. Bij Timothy Dwight
-1752-1817, Nathaniel W. Taylor 1786-1858 werd het systeem van Edwards
-in pelagiaanschen zin gewijzigd. En het leidde in den tegenwoordigen
-tijd te Andover, onder leiding van Dr. Egbert C. Smyth, hoogl. in
-kerkhistorie, tot verdediging van eene progressieve orthodoxie en tot
-de leer van the future probation. De Old School in de theologie van
-New-England was vooral gerepresenteerd door Dr. Bennet Tyler 1783-1858,
-en Dr. Leonard Woods 1774-1854, die het oude Calvinisme verdedigden.
-Het Puritanisme heeft echter meer en meer de standaards van Dordrecht
-en Westminster verlaten. Op de synode van de Congregat. kerken in
-Amerika, te St. Louis 1880, werd eene nieuwe confessie van 12 artikelen
-voorbereid, waarin de kenmerkend Geref. leerstukken zijn weggelaten.
-
-39. De theologie in de Presbyt. kerken in Amerika heeft een parallel
-verloop gehad. Ook hier kwam scheuring niet alleen onder de theologen,
-tusschen de Old Lights en de New Lights, maar ook in de kerken tusschen
-de Synode van Philadelphia en New-York 1741-1758. Een van de eerste
-theologen was John Dickinson 1688-1747, wiens voornaamste werk eene
-verdediging is van de vijf artikelen tegen de Remonstranten. De Old
-School vond vooral steun in Princeton college, gesticht 1812, en
-werd daar vertegenwoordigd door Dr. Archibald Alexander 1772-1851,
-Dr. Charles Hodge 1797-1878, Systematic Theology London and Edinb.
-Nelson 1873 3 vol. en diens zoon en opvolger Archibald Alexander
-Hodge 1823-1886, Outlines of Theology, ed. by W. H. Goold. London,
-Nelson 1866. Evangelical Theology, ib. 1890. De zoogenaamde Princeton
-Theology is in hoofdzaak eene reproductie van het Calvinisme der
-17e eeuw, gelijk het neergelegd is in de Westminster confessie en
-den Consensus Helveticus en vooral uitgewerkt is door F. Turretinus
-in zijne Theol. Elenctica. Hetzelfde systeem wordt ook voorgestaan
-door de Zuidelijke theologen James H. Thornwell 1812-1862, Robert
-J. Breckinridge 1800-1871 en Robert L. Dabney. Een van de jongste
-representanten der Old School, is W. G. T. Shedd, sedert 1890 emeritus
-professor van Union Seminary te New-York, Dogmatic Theology, 2 vol.
-New-York, Scribner 1888. Tusschen Hodge en Shedd is er echter een
-merkwaardig onderscheid. De eerste is foederalist en creatianist, de
-tweede is realist en traducianist. Beide echter stemmen daarin weer
-overeen, dat ze de verkiezing zeer ruim opvatten en daaronder ook alle
-jongstervende kinderen opnemen. De New Lights weken van de Oude School
-af, behalve in het gezag der algem. synode, de revivals, de unie met
-de congregationalisten enz. vooral ook in zake de erfschuld en de
-bijzondere voldoening, waarbij later nog gekomen zijn de inspiratie der H.
-Schrift en de eschatologie. Vertegenwoordigers dezer nieuwe richting
-waren Albert Barnes 1798-1870, Lyman Beecher 1775-1863 en Thomas H.
-Skinner 1791-1871, die echter geen van drie een theol. systeem hebben
-nagelaten. Barnes en Beecher werden van ketterij aangeklaagd maar
-vrijgesproken. Toch kwam het opnieuw tot eene scheuring in de kerken in
-1837, toen de Oude School de meerderheid in de Algemeene Synode kreeg
-en vier synoden van de gemeenschap afsneed. In 1869 werden ze echter
-wederom vereenigd vooral door den invloed van het Union Theol. Seminary
-te New-York, gesticht in 1836. Hier werd de dogmatiek gedoceerd door
-Dr. Henry B. Smith 1815-1877, System of Christian Theology, ed. by W.
-S. Karr, 4 ed. New-York Armstrong 1890, die tusschen Oude en Nieuwe
-School eene bemiddeling zocht in het christocentrische standpunt.
-Een zijner leerlingen, Lewis French Stearns † 1892 schreef Present
-day Theology, en staat daarin al de nieuwere denkbeelden voor over
-inspiratie, voorzienigheid, kenosis, praedestinatie, zaligheid. Een
-ander Hoogleeraar in Union Seminary, Dr. Charles Briggs werd in 1892
-aangeklaagd van heterodoxie, wijl hij de rede voor bron houdt, dwalingen
-in de Schrift aanneemt, het Higher Criticism erkent, The Bible, the
-Church and the reason; Messianic prophecy; Inspiration and inerrancy
-enz., en in 1893 door de General Assembly veroordeeld. Maar daarmede is
-de crisis niet uit. De Geref. kerken in Amerika doorleven een moeilijken
-tijd. De dogmata van de onfeilbaarheid der H. Schrift, van de triniteit,
-van den val en de onmacht des menschen, van de bijzondere voldoening,
-van verkiezing en verwerping enz. worden heimelijk ontkend of open
-bestreden. De revisiekwestie is wel tijdelijk in de Presbyt. kerk van
-de baan, maar komt toch waarschijnlijk wel weer aan de orde. Het heden
-schijnt voor den bloei van de Geref. theologie niet gunstig te zijn, cf.
-mijn opstel The future of Calvinism, Presb. and Ref. Review Jan. 1894.
-
-
-
-
-DEEL I.
-
-PRINCIPIA DER DOGMATIEK.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-Principia in het algemeen.
-
-
-§ 6. BETEEKENIS DER PRINCIPIA.
-
-1. Volgens Simplicius, den neoplatonischen commentator van Aristoteles,
-Phys. 32 en evenzoo volgens Hippolytus in zijne Refutatio omnium
-haeresium I 6, cf. H. Ritter et L. Preller, Historia philos. graecae
-1886 p. 16, 17, was Anaximander de eerste, die den grond der dingen,
-waarvoor hij het ἀπειρον hield, aanduidde met den naam van ἀρχη.
-Misschien gaf hij echter daarmede alleen nog te kennen, dat het
-ἀπειρον de aanvang en het eerste van alle dingen was, Ed. Zeller, Die
-Philosophie der Griechen, 4e Aufl. I 203. Maar in de philosophie van
-Plato en Aristoteles kreeg dit woord de beteekenis van laatste oorzaak
-der dingen. Aristoteles verstaat onder ἀρχαι in het algemeen de eerste
-dingen in eene reeks, en dan vooral de eerste oorzaken, die uit geen
-andere zijn af te leiden; hij geeft Metaph. V. 1. 1013, a, 17 deze
-definitie: πασων μεν οὐν κοινον των ἀρχων το πρωτον εἰναι ὁθεν ἠ ἐστιν
-ἠ γινεται ἠ γιγνωσκεται, id unde aliquid est aut fit aut cognoscitur.
-Zulke oorzaken nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van het
-zijn en van het bewustzijn, in de metaphysica en in de logika. Het zijn
-der dingen werd door hem uit vier ἀρχαι afgeleid, nl. ὑλη, εἰδος, ἀρχη
-της κινησεως en τελος, Phys. II, 3, 194_{b}, 16 enz. Maar evenzoo nam
-hij zulke laatste oorzaken in de logika aan. Aristoteles merkte nl.
-op, dat er lang niet van alles een bewijs kan gegeven worden; van vele
-zaken toch hebben we niet een middellijk weten door bewijsvoering maar
-een onmiddellijk weten door de rede. De bewijzen zelve moeten, om niet
-een regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen,
-die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het ook niet
-behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles ἀρχαι ἀποδειξεως, ἀρχαι
-συλλογιστικαι, ἀρχαι ἀμεσοι, of ook wel als algemeene onderstelling
-van alle bewijsvoering ἀξιωματα, Anal. post. I 2, 72a, 7, enz. en
-hij zegt er daar zelf van: λεγω δ’ ἀρχας ἐν ἑκαστῳ γενει ταυτας, ἁς
-ὁτι ἐστι μη ἐνδεχεται δειξαι. In denzelfden zin werd het latijnsche
-principium gebezigd. Cicero spreekt b.v. van rerum principia Acad. IV
-36, principia naturae Off. III 12, principia naturalia Fin. II 11,
-principium philosophiae Nat. D. I 1, principia juris Leg. I 6, enz.
-In overeenstemming met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles
-werd nu later in de logika drieërlei principium onderscheiden,
-principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het zijn,
-de wording of de kennis van eenig ding uit iets anders moest worden
-afgeleid. Van principium was causa dan weder zoo onderscheiden, dat
-causa het principium aanduidde als influxu suo determinans aliquid
-sibi insufficiens ad existendum, en als tempore of ten minste natura
-prius dan de zaak die zij veroorzaakte. Causa is dus een bijzondere soort
-van principium; alle causa is principium, maar niet alle principium
-is causa, J. F. Buddeus, Elementa philosophiae instrumentalis, ed. 5a
-1714, I p. 140 sq. 288 sq. Liberatore, Instit. philos. ed. 8a Romae
-1855 I 217.
-
-2. Ook in de Theologie werd dit spraakgebruik overgenomen. In de H.
-Schrift heeft ἀρχη niet alleen dikwerf temporeele Marc. 1:1, Joh. 1:1
-enz., maar ook enkele malen causatieve beteekenis. In de LXX heet
-de vreeze des Heeren de ἀρχη της σοφιας Spr. 1:7, en in Apoc. 3:14
-en Col. 1:18 wordt Christus de ἀρχη der schepping en der opstanding
-genoemd. De kerkvaders spreken dikwerf van den Vader als ἀρχη, πηγη,
-αἰτιον van Zoon en Geest, Athan. C. Arianos II. Basilius, adv. Eunom.
-I. Damasc. de fide orthod. I 9, enz., gelijk ook Augustinus den Vader
-principium totius divinitatis noemt, de S. Trin. IV cap. 20. Zoo was
-God dus het principium essendi of existendi van al het geschapene,
-dus ook van de wetenschap, en bepaald nog weer van de theologie.
-Op dit laatste terrein werd het altijd uitdrukkelijk herhaald, dat
-God het principium essendi was der theologie. Er was hiervoor eene
-bijzondere reden. Er is geen kennis van God mogelijk, dan alleen uit en
-door God Matth. 11:27; 1 Cor. 2:10 v. Het was een axioma der vroegere
-theologie: a deo discendum quid de ipso intelligendum, quia non nisi
-ipso auctore cognoscitur. Dat er in het schepsel eenige kennis van God
-is, dat is alleen aan God te danken. Hij is kenbaar alleen omdat en
-inzoover Hij dat zelf wil. Reeds de analogie van een mensch bewijst de
-waarheid hiervan. Een mensch is tot op zekere hoogte het principium
-essendi van onze kennis aangaande zijn persoon, 1 Cor. 2:11; hij moet
-zich openbaren, zich door verschijning, woord en daad te zien geven,
-opdat we hem eenigszins kunnen leeren kennen. Maar bij een mensch is
-dit altijd relatief; hij openbaart zich dikwerf geheel onwillekeurig
-en zijns ondanks; hij openbaart zich menigmaal in karaktertrekken en
-eigenaardigheden, welke hem zelven onbekend zijn; hij openbaart zich
-somtijds ook anders dan hij is, valsch en onwaar enz. Maar dat alles valt
-in God niet. Hij is in absoluten zin principium essendi, causa efficiens
-principialis van onze Godskennis, want Hij is volstrekt vrij, zelfbewust
-en waarachtig. Zijne zelfkennis, zijn zelfbewustzijn is het principium
-essendi onzer Godskennis. Zonder zelfbewustzijn Gods geen kennis Gods in
-de schepselen. Het pantheïsme is de dood der theologie. De verhouding
-nu van deze zelfkennis Gods tot onze Godskennis werd vroeger zoo
-uitgedrukt, dat gene de theologia archetypa was van deze, en deze de
-theologie ectypa van gene. Onze kennisse Gods is een afdruk van die
-kennis, welke God van zichzelven heeft, maar dan altijd in creatuurlijken
-zin. De kennisse Gods in zijne schepselen is maar eene zwakke gelijkenis,
-eene eindige, beperkte, naar het menschelijk of creatuurlijk bewustzijn
-geaccommodeerde schets van het absolute zelfbewustzijn Gods. Maar hoe
-groot de afstand ook zij, principium essendi van onze Godskennis is
-alleen God zelf, die zich vrij, zelfbewust en waarachtig openbaart.
-
-3. Van dit principium essendi is nu het principium cognoscendi te
-onderscheiden. Dat er theologie is, danken we alleen aan God, aan zijn
-zelfbewustzijn, aan zijn welbehagen. Maar het middel, de weg, waardoor
-die kennisse Gods tot ons komt, is Gods openbaring, hier nog genomen
-in gansch algemeenen zin. De aard der zaak brengt dit met zich. Een
-mensch wordt voor ons alleen daaruit kenbaar, dat hij zich aan ons
-openbaart, d. w. z. dat hij zichzelf te zien geeft, spreekt of handelt.
-Verschijning, woord en daad zijn de drie openbaringsvormen van den
-eenen mensch aan den ander. Alzoo is het ook bij den Heere onzen God;
-ook zijne kennis vloeit ons alleen uit zijne openbaring toe; en ook
-die openbaring kan alleen zijn verschijning, woord en daad. Principium
-cognoscendi der theologie is dus de zelfopenbaring of zelfmededeeling
-Gods aan zijne schepselen. Of die zelfopenbaring Gods nu individueel
-tot elk mensch komt of voor de gansche menschheid neergelegd is in
-de Schrift of in de kerk, kan eerst later worden onderzocht. Thans
-volsta, dat de zelfopenbaring Gods, krachtens den aard der zaak, het
-eenige principium cognoscendi van onze Godskennis kan zijn. Alleen zij
-er de opmerking aan toegevoegd, dat, indien die zelfopenbaring Gods is
-neergelegd in de Schrift of in de kerk, die Schrift en die kerk alleen
-kunnen hebben eene instrumenteele, en dus in zekeren zin toevallige,
-voorbijgaande beteekenis. De H. Schrift is dus hoogstens causa efficiens
-_instrumentalis_ der theologie.
-
-Immers, doel der theologie kan geen ander zijn, dan dat het redelijk
-schepsel God kenne en kennend Hem verheerlijke Spr. 16:4, Rom. 11:36, 1
-Cor. 8:6, Col. 3:17. Het is zijne εὐδοκια, om door menschen gekend te
-worden Matth. 11:25, 26. De zelfopenbaring Gods bedoelt dus, om in het
-menschelijk bewustzijn zijne kennis in te brengen en daardoor heen weer
-aan God zelf heerlijkheid en eere te bereiden. Maar die zelfopenbaring
-Gods kan dan ook niet eindigen buiten, voor, bij den mensch, maar
-moet zich voortzetten tot in den mensch zelf, d. i. de openbaring
-kan niet alleen uitwendig maar moet ook inwendig zijn. Daarom werd
-vroeger onderscheid gemaakt tusschen principium cognoscendi externum
-en internum, verbum externum en internum, revelatio en illuminatio, de
-werking van Gods Woord en van zijn Geest. Het verbum internum is het
-verbum principale, want dit brengt de kennisse Gods in den mensch,
-en dat is het doel van alle theologie, van heel de zelfopenbaring
-Gods. Het verbum externum, de openbaring neergelegd in de H. Schrift,
-doet daarbij den dienst van een middel; het is verbum instrumentale,
-noodzakelijk misschien om allerlei bijkomstige redenen in deze
-bedeeling, maar toch naar zijn wezen tijdelijk en toevallig.
-
-4. Zoo leerden we dus drie principia kennen. Ten eerste God als het
-principium essendi der theologie. Vervolgens het principium cognoscendi
-externum, n.l. de zelfopenbaring Gods, die, in zoover ze neergelegd
-is in de H. Schrift, een instrumenteel en tijdelijk karakter draagt. En
-eindelijk het principium cognoscendi internum, de illuminatie van den
-mensch door Gods Geest. Deze drie zijn daarin één, dat ze God hebben
-tot auteur, en dat ze ééne zelfde kennis Gods tot inhoud hebben. De
-theologia archetypa in het Goddelijk bewustzijn; de theologia ectypa,
-in de openbaring geschonken en in de H. Schrift neergelegd; en de
-theologia in subjecto, de kennis Gods, voorzoover ze uit de openbaring
-in het bewustzijn van den mensch ingaat en opgenomen wordt, zijn alle
-drie uit God. Het is God zelf, die zijne zelfkennis ontsluit, door
-openbaring meedeelt, en in den mensch inbrengt. En ook zakelijk zijn
-ze één, want het is ééne zelfde zuivere en waarachtige kennis van
-God, die Hij heeft van zichzelf, die Hij meedeelt in de openbaring en
-die Hij inbrengt in het menschelijk bewustzijn. Ze mogen en kunnen dus
-nimmer van elkander gescheiden en losgemaakt worden. Maar andererzijds
-dienen ze toch wèl te worden onderscheiden. Want de kennis, die God
-van zichzelven heeft, is absoluut, eenvoudig, oneindig, en in haar
-absoluutheid onmededeelbaar aan het eindig bewustzijn. Daarom werd
-vroeger de theologia archetypa ook wel beperkt tot dat gedeelte der
-zelfkennis God, dat Hij besloten had aan schepselen mede te deelen. Maar
-deze distinctie maakt de verhouding tusschen theologia archetypa en
-theologia ectypa tot eene mechanische, en vergeet, dat absoluut niet
-alleen ligt in de quantiteit, maar ook in de qualiteit. Desniettemin
-ligt er de ware gedachte in, dat de theologia ectypa, welke door
-de openbaring aan schepselen geschonken wordt, niet is de absolute
-zelfkennis Gods, maar die kennis Gods, gelijk ze geaccommodeerd
-is, naar en geschikt gemaakt is voor het eindig bewustzijn, dus
-geanthropomorphiseerd. Deze theologia ectypa, welke objectief in de
-openbaring voor ons ligt, is externa maar is bestemd om overgeleid
-te worden in het bewustzijn van de redelijke schepselen, om te worden
-theologia ectypa interna, theologia in subjecto, maar ondergaat ook
-daarin weer veranderingen naar den aard van het subject. Zij is niet
-re et ratione, maar toch gradu et modo in Christus (theol. unionis),
-in de engelen en de gezaligden (theol. visionis), in de menschen op
-aarde (theol. viatorum, viae, revelationis) en dan weer onder dezen in
-profeten en apostelen, in theologen en leeken verschillend. Zij is in
-ieders bewustzijn naar zijne vatbaarheid gemodificeerd. Maar zakelijk is
-en blijft het toch ééne zelfde kennis, die van God uitgaat en langs den
-weg der openbaring in het bewustzijn zijner redelijke schepselen wordt
-overgeplant. Deze drieërlei principia, onderscheiden en toch wezenlijk
-één, berusten in het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die door
-den Zoon, als Logos, in den Geest aan zijne schepselen zich meedeelt.
-Cf. over deze principia der theologie: Thomas S. Theol. qu. 1; Fr.
-Junius, de vera theologia, Op. Omnia, Gen. 1607 I fol. 1375-1424, ed.
-Kuyper p. 45 sq.; Gomarus, Disput. Theol. thesis 1; Voetius, Diatribe
-de Theologia Ultraj. 1668; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, ortu
-... verae theol. libri 6, Oxon. 1661; Alsted, Methodus Sacros. Theol.
-octo libris tradita, Hanov. 1623 I Praecognita Theol. p. 1-138, en
-voorts de eerste hoofdst. over theol. in verschillende dogmatieken van
-Turretinus, Coccejus, Marck, Moor, Vitringa, enz. Dr. A. Kuyper, Enc.
-der H. Godg. II 177 v.
-
-
-§ 7. PRINCIPIA IN DE WETENSCHAP.
-
-
-A. Het Rationalisme.
-
-1. Wetenschap bestaat altijd in eene logische relatie tusschen subject
-en object. De verhouding, waarin we deze beide tot elkander stellen,
-bepaalt onze opvatting van de wetenschap. Ten allen tijde zijn er twee
-richtingen geweest, die te dezen opzichte lijnrecht tegenover elkander
-staan, het Rationalisme en het Empirisme. Ze zijn al opgekomen in
-de Grieksche philosophie. Reeds daar werd de tegenstelling gemaakt
-van αἰσθησις en λογος, van zinlijke waarneming en denken, en dus ook
-van δοξα en ἐπιστημη. De school van Elea, Plato, de Neoplatonici
-stonden aan de zijde van het rationalisme; de zinlijke waarneming geeft
-geen kennis, zij heeft tot object wisselende verschijnselen, en leert
-ons alleen kennen dat iets is en zoo is, maar niet waarom het zoo
-is; bovendien bedriegt zij ons menigmaal en verschaft ons valsche
-voorstellingen, b.v. den krommen stok in het water, de opgaande
-zon enz., welke alleen door het denken van hare onwaarheid kunnen
-gereinigd worden. Daarom staat het denken ver boven de zinlijke
-waarneming. Dit alleen levert ons ἐπιστημη; wetenschap komt niet van
-buiten, zij is een product van den menschelijken geest. In de nieuwere
-philosophie is deze rationalistische richting weer opgekomen met
-Cartesius, die, alles wegwerpende, ten slotte zijn vast uitgangspunt
-vond in het denken en daaruit concludeerde tot het zijn, cogito ergo
-sum. Daarmede werd de denknoodwendigheid, het logisch verband, de
-mathematische orde van grond en gevolg bij Spinoza de maatstaf der
-waarheid. De zinnelijke wereld is hoogstens aanleiding maar geen bron
-onzer kennis, de menschelijke geest kan alle kennis uit zichzelf, met
-eigen middelen, denkende, voortbrengen. Nos idées, même celles des
-choses sensibles, viennent de notre propre fond, Leibniz, Nouveaux
-essais sur l’entendement humain I ch. 1. Kant heeft nu dit rationalisme
-wel in zoover getemperd, als hij niet de stof maar alleen de vormen
-der waarneming afleidde uit den menschelijken geest (transcendentaal,
-kritisch idealisme). Maar Fichte zag terecht in, dat zulk eene
-onderscheiding onmogelijk was, en sprak daarom uit dat alle elementen
-onzer kennis, tot zelfs de waarneming toe, apriorisch waren en door het
-Ik werden geponeerd (absoluut idealisme). Nu werd dit rationalisme bij
-deze wijsgeeren nog altijd beperkt tot het gebied van het kenvermogen,
-en dus alleen bedoeld in erkenntniss-theoretischen zin. Maar dit
-subjectief rationalisme werd door Fichte, Schelling en Hegel tot een
-objectief rationalisme uitgebreid; niet slechts de kennis, maar ook
-het zijn, niet alleen de voorstellingen maar ook de dingen zelve zijn
-alleen uit het denken voortgekomen, denken en zijn zijn één (metaphysisch
-idealisme). Er is gang in deze historie van het rationalisme; het
-denken, niet de zinlijke waarneming, geeft waarheid; het brengt daartoe
-in zichzelf de principia, de semina van alle kennis, mede; het schept
-den vorm onzer gedachtenwereld (Kant), en ook haar stof en inhoud
-(Fichte), ja het schept en construeert de gansche wereld, niet alleen
-van het denken, maar ook van het zijn.
-
-2. In welke verschillende vormen dit rationalisme ook is opgetreden,
-het heeft toch altijd ééne grondgedachte, n.l. dat de oorsprong der
-kennis te zoeken is in het subject. Het is goed te begrijpen dat men
-tot deze gedachte kwam. Afgedacht toch van de onbetrouwbaarheid der
-zinlijke waarneming, er is tusschen de voorstellingen in ons en de
-dingen buiten ons zulk een wezenlijk verschil, dat de eerste niet uit de
-laatste zijn te verklaren. Stof kan niet werken op den geest; geestelijke
-verschijnselen, zooals de voorstellingen zijn, zijn alleen uit den geest
-te verklaren; gelijk kan alleen door gelijk worden gekend. Daaruit volgt,
-dat het bestaan en de samenwerking van stof en geest, van dingen buiten
-ons en voorstellingen in ons òf alleen nog kan gehandhaafd worden door
-hypothesen als het occasionalisme (Geulinx), de harmonia praestabilita
-(Leibniz), de aanschouwing der ideeën in God (Malebranche) enz., òf
-dat eenvoudig de tweeheid van stof en geest moet worden ontkend, en
-dat ding en voorstelling, zijn en denken beschouwd worden als wezenlijk
-één. Immers, zoo zegt het idealisme, indien ding en voorstelling twee
-zijn, dan moeten we aan de kennis van het ding wanhopen; wij kunnen toch
-nooit onze voorstelling van het ding aan het ding zelf toetsen; wij
-kunnen nooit uit onszelf, uit onze voorstellingswereld, uitkomen; nous
-ne pouvous nous mettre à la fenêtre, pour nous voir passer dans la rue
-(Scherer). Wij blijven altijd binnen den kring onzer voorstellingen en
-komen nooit met het ding zelf, maar altijd weer met onze voorstelling
-van het ding, in aanraking; alleen het bewuste bestaat voor ons; ik
-kan alleen het gedachte, niet het ding, denken; wat niet mijn gedachte
-is, is voor mij ondenkbaar, onkenbaar, bestaat voor mij niet. En dit
-idealisme is dan nog versterkt door wat de physiologie der zintuigen
-thans leert. Reeds Democritus maakte onderscheid tusschen zulke
-eigenschappen als zwaarte, dichtheid, hardheid, die objectief zijn en
-in de dingen zelve liggen, en andere, zooals warmte, koude, smaak,
-kleur, die alleen subjectief in onze gewaarwordingen aanwezig zijn,
-Zeller, Philos. der Gr. I{4} 783. Deze onderscheiding van objectieve
-en subjectieve, quantitatieve en qualitatieve eigenschappen is
-door Cartesius, Hobbes, Locke, die ze het eerst noemde primaire en
-secundaire eigenschappen, An essay concerning human understanding, II
-ch. 8 § 19 etc. overgenomen, en dan in deze eeuw vooral uitgewerkt door
-Helmholtz in zijn Handbuch der physiol. Optik, Leipzig 1865-66 en Lehre
-von den Tonempfindungen, Braunschw. 1862, 4e Aufl. 1877, cf. ook Lange,
-Gesch. des Mater. 4e Aufl. 1882 S. 712 f. Pierson, Gids Juni 1871.
-Volgens dit zoogenaamd semi-idealisme zijn er buiten ons in de wereld
-alleen mechanische bewegingen der atomen, de materie is qualiteitloos.
-Onze zintuigen ontvangen slechts indrukken door de beweging en golving
-der atomen; die indrukken zijn qualitatief gelijk; maar in onze hersenen
-brengen we uit die eenvormige bewegingen de oneindige verscheidenheid
-der waarnemingswereld voort. Licht, geluid, kleur, smaak, warmte,
-koude, alle qualitatieve eigenschappen, die wij in de dingen meenen
-waar te nemen, bestaan niet buiten maar ontstaan en bestaan alleen in
-den menschelijken geest. Een zelfde beweging der materie, onzen tastzin
-rakend, maakt den indruk van warmte; en vallend in het oog, verschaft
-zij ons de gewaarwording van licht. De wereld is in haar substantie
-niet, maar toch in haar vorm een product van den mensch. Zoo heeft het
-idealisme hoe langer hoe meer in de philosophie veld gewonnen en zelfs
-van de natuurwetenschap krachtigen steun ontvangen.
-
-3. Toch zijn er tegen het idealisme zeer ernstige bezwaren. In de
-eerste plaats is het met alle ervaring in strijd. Wij zijn van nature
-allen realisten, en de idealisten zelven zijn het ook in de practijk.
-Feitelijk is het idealisme eene zaak, eene opinie der school, die met
-het leven en de ervaring in lijnrechten strijd is. Het verklaart niet,
-hoe en waarom ieder mensch er vanzelf en onwillekeurig toe komt,
-om aan de waargenomen verschijnselen objectieviteit en zelfstandige
-realiteit toe te schrijven, en ze niet louter op te vatten als innerlijke
-bewustzijnstoestanden, terwijl we toch duidelijk onderscheid maken
-tusschen inwendige toestanden en uitwendige dingen, tusschen wat in en
-buiten ons is, tusschen droom (hallucinatie) en werkelijkheid. Daarbij
-komt, dat de mensch nooit en op geen enkel gebied autonoom is, maar
-overal en altijd afhankelijk is van de natuur rondom hem heen. Door
-zijn lichaam is hij aan de aarde gebonden. Deksel, voedsel, kleeding
-ontvangt hij van haar; het zou vreemd zijn, als het intellectueel
-anders met hem gesteld ware. Zooals wij voedsel en kleeding wel met
-onze hand bereiden, maar toch de stof ervoor aan de natuur buiten ons
-ontleenen, zoo ook ontvangen we met het intellect de stof van buiten.
-Het intellect is ook hier instrument, geen bron. Het idealisme
-vereenzelvigt het orgaan met de bron der kennis, maakt als het ware het
-oog tot de bron van het licht, leidt het gedachte af uit het denken.
-Dat kan echter niet, omdat een ding en zijne voorstelling, zijn en
-denken, esse en percipi twee zijn en niet kunnen vereenzelvigd worden.
-Ze zijn immers beide toto genere verschillend. Een ding stijgt niet
-in ons op als een droom, en volgt ook niet logisch uit voorafgaande
-voorstellingen, maar komt dikwerf plotseling van buiten af tot mij en
-breekt de reeks mijner voorstellingen af, het is onafhankelijk van mij,
-en heeft een bestaan buiten mij; het heeft eigenschappen, die niet
-aan de voorstelling ervan kunnen worden toegeschreven. Het ding, dat
-men een kachel noemt, is b.v. warm, maar de voorstelling, die van
-dat ding in mijn bewustzijn is, heeft zulk een eigenschap niet. Indien
-desniettemin ding en voorstelling met elkaar vereenzelvigd worden,
-moet het idealisme leiden tot absoluut illusionisme; niet alleen de
-wereld buiten mij wordt schijn, maar ook ik zelf ben niets dan een
-voorstelling, een verschijnsel voor mij zelf. Alles wordt een droom, er
-is geen werkelijkheid maar ook geen waarheid meer. Het idealisme moge
-nu op handel en gedrag zijner aanhangers geen invloed oefenen, Land,
-Inleiding tot de wijsbegeerte, ’s Grav. 1889 bl. 92 v. Fr. Paulsen,
-Einleitung in die Philosophie, Berlin 1892, S. 363, wijl het leven
-menigmaal beter en sterker is dan de leer, toch is niet in te zien,
-hoe b.v. godsdienst en zedelijkheid nog theoretisch te rechtvaardigen
-zijn, als beide geen reëele verhoudingen zijn tot buiten mij bestaande
-wezens maar slechts tot voorstellingen in mij. Het dualisme van denken
-en zijn, waarvan het idealisme bij Plato, Cartesius, Kant uitgaat, slaat
-dan ook altijd weer in de identiteit van beide bij Spinoza, Fichte,
-Schelling en Hegel om; het subjectief rationalisme leidt tot absoluut
-en objectief rationalisme. Maar het abstracte, inhoudlooze denken, het
-alleralgemeenste principe van substantie, ’t absolute, ’t zijnde, het
-denken, waarvan de idealistische philosophie dan haar uitgangspunt
-neemt, is niet bij machte het rijke volle zijn te produceeren. Uit dat
-dorre abstractum is niet de levende wereld, uit dat levenloos ééne
-niet de veelheid der verschijnselen te verklaren. De klip, waarop alle
-pantheïsme strandt, is de veelheid; er is geen overgang te vinden van
-het abstracte tot het concreete, van het algemeene tot het bijzondere.
-Schelling sprak het dan ook open uit, dass es schwer sei an die
-Wirklichkeit heran zu kommen, bij Liberatore, Die Erkenntnisstheorie
-des h. Thomas v. Aquin, deutsch von Eugen Franz, Mainz 1861 S. VII.
-Eindelijk, eene onderscheiding als van Kant tusschen den vorm, dien
-we zelf bij de waarneming meebrengen, en de stof, die van buiten tot
-ons komt, of als die van het semi-idealisme tusschen objectieve,
-primaire en subjectieve, secundaire verschijnselen is daarom onhoudbaar,
-wijl eene grens tusschen beiden niet is aan te wijzen. De stof eener
-voorstelling behoort, zooals Fichte dan ook uitsprak, evengoed tot de
-voorstelling als haar vorm. En de primaire quantitatieve eigenschappen,
-ja ook de lichamen zelf, zijn evengoed waargenomen verschijnselen als
-de qualitatieve eigenschappen van toon en kleur enz. Er bestaat geen
-reden om de getuigenis van één zintuig, den tastzin, aan te nemen en
-die van de andere vier te verwerpen, en dus voor de eigenschappen der
-uitgebreidheid, hardheid enz. alleen eene uitzondering te maken. Er is
-geen bezwaar, om aan de vormen der waarneming, tijd en ruimte, en aan de
-kategorieën van het denken ook objectieve realiteit in de dingen zelve
-toe te kennen. En de physiologie der zintuigen verhindert ons niet, om
-juist in de verschillende quantitatieve verhoudingen en bewegingen den
-objectieven grond der qualitatieve verschijnselen te zien, F. Pillon,
-L’évolution historique de l’idéalisme, de Démocrite à Locke, in L’année
-philosophique, sous la direction de F. Pillon 3e année, Paris, Alcan,
-1893, p. 77-212. Georges Lyon, L’idéalisme en Angleterre au 18e siècle,
-Paris, Alcan, 1888. Dr. Glossner, Der moderne Idealismus, Münster 1880.
-Ernst Laas, Idealismus und Positivismus, 3 Theile Berlin 1879 f. E.
-von Hartmann, Kritische Grundlegung des transcendentalen Realismus,
-Berlin 1885. Id. Das Grundproblem der Erkenntniss-theorie, Leipzig,
-Bd. I Abth. 2 van de Ausgewählte Werke, S. 40 f. Id. Neukantianismus,
-Schopenhaueranismus und Hegelianismus, Berlin 1877. Stöckl, Lehrbuch
-der Philos. 6e Aufl. I 363 f. E. L. Fischer, die Grundfragen der
-Erkentniss-theorie 1887 S. 49 f. Id. Theorie der Gesichtswahrnemung,
-Mainz, Kirchheim 1891. Al Schmid, Erkenntnisslehre 2 Bde. Freiburg
-1890 II 134-141. L. Strümpell, Die Einleitung in die Philosophie,
-Leipzig, 1886, S. 165 f. Paulsen, Einleitung in die Philos. Berlin
-1892 S. 354 f. C. A. Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der modernen
-specul. Theol. 1851 S. 1-48. Flügel, Die specul. Theol. der Gegenwart
-1888. J. T. Beck, Vorlesungen über Chr. Glaubenslehre, I 1887, S. 44
-f. F. J. Stahl, Philos. des Rechts, 5e Aufl. 1878 I 90 f. Nathusius,
-Das Wesen der Wissenschaft, Leipzig 1885, S. 265 f. Gretillat, Exposé
-de théol. systém. 1885 I p. 63 s. Pierson, Bespiegeling, gezag en
-ervaring, 1855, cap. 1 § 1. Opzoomer, Wetenschap en Wijsbegeerte, 1857,
-hoofdst. 1. Land, Inleiding tot de wijsbeg. 1889, bl. 82 v. Bilderdijk,
-Verhandelingen, ziel-, zede- en rechtsleer betreffende, 1821 bl. 121 v:
-over de oorzakelijkheid, bl. 141 v. van het menschelijk verstand, enz.
-
-
-B. Het Empirisme.
-
-4. Lijnrecht tegenover het Rationalisme staat het Empirisme, dat
-reeds bij de Grieken in de Atomisten zijne voorloopers had, dan in de
-Middeleeuwen als Nominalisme optrad, vervolgens als philosophische
-richting in den nieuwen tijd met Fr. Bacon zijn intrede deed, en over
-Locke, Hume en de Fransche Encyclopaedisten heen in deze eeuw is
-uitgeloopen op het Positivisme van A. Comte, de ervaringswijsbegeerte
-van Stuart Mill, het Agnosticisme van H. Spencer en het Materialisme
-van Büchner, Czolbe, Moleschott enz. Ook het empirisme treedt in
-verschillende vormen en stelsels op, maar heeft toch altijd dit beginsel
-tot uitgangspunt, dat alleen de zinlijke waarneming de bron onzer
-kennis is. Terwijl het rationalisme de objectieve wereld zich geheel
-of ten deele richten laat naar den menschelijken geest, onderwerpt het
-empirisme het bewustzijn geheel en al aan de wereld buiten ons. De
-mensch brengt bij het streven naar kennis niets mede dan alleen het
-vermogen van waarnemen; daaruit neemt alle intellectuele werkzaamheid
-haar aanvang en oorsprong. Aangeboren begrippen zijn er dus niet; alle
-vooropgevatte meeningen moet de wetenschappelijke onderzoeker ter
-zijde stellen. Uit den tempel der waarheid, dien hij in zijn bewustzijn
-opbouwen wil, moet hij alle idola verwijderen; geen anticipatio
-mentis, maar interpretatio naturae, mera experientia moet hem leiden
-(Bacon). De menschelijke geest is en moet zijn eene tabula rasa, in
-qua nihil scriptum est, volkomen voraussetzungslos. Dan slechts is
-de kennis betrouwbaar, als ze enkel en alleen uit de waarneming is
-opgebouwd. Begriffe ohne Anschauungen sind leer. Hoe verder de mensch
-van de ervaring zich verwijdert en boven haar uitgaat, hoe minder hij
-in zijn wetenschappelijk streven te vertrouwen is. Daarom is er ook
-geen wetenschap mogelijk van het bovenzinlijke (noumena) en van het
-bovennatuurlijke. Metaphysica, theologie, de geestelijke wetenschappen in
-het algemeen, zelfs volgens Comte de psychologie, zijn geen wetenschap
-in eigenlijken zin. Wetenschap is tot de sciences exactes beperkt.
-En zelfs binnen den kring van de waarneembare verschijnselen bepaalt
-zich onze kennis tot het dat en hoe; het wat en het waarom blijft
-verborgen. Oorzaak en doel, oorsprong en bestemming der dingen liggen
-buiten ons bereik; alleen de onderlinge betrekking der dingen, de
-relations invariables de succession et de similitude, A. Comte, Cours
-de philos. positive I p. 8 s. zijn het voorwerp van het wetenschappelijk
-onderzoek. Of er achter en boven de waarneembare verschijnselen nog
-iets anders is, of de ziel, God, het jenseits bestaat, moge misschien
-langs anderen weg, door de practische rede, het geloof, de phantasie
-enz. aannemelijk kunnen gemaakt worden, maar wetenschappelijk is en
-blijft dat alles eene terra incognita. Het doel der wetenschap kan dus
-niet meer daarin gelegen zijn dat men eene Welterklärung geve, maar
-strekt zich slechts uit naar eene zoodanige kennis der werkelijkheid,
-dat we daarnaar ons leven kunnen inrichten en er practisch nut van
-trekken. Savoir, c’est prévoir; science, d’où prévoyance; prévoyance,
-d’où action. Maar deze absolute gebondenheid van den geest aan de
-waarnemingswereld, heeft anderen tot de poging geleid, om niet alleen
-den denkinhoud des geestes, maar ook het bewustzijn en den geest zelf
-uit de wereld te verklaren, het empirisme is in materialisme geëindigd.
-Ook hier is dus gang, geschiedenis, ontwikkeling op te merken. Eerst
-wordt de gedachteninhoud, dan de faculteit, eindelijk ook de substantie
-des geestes uit de stoffelijke wereld afgeleid. E. Laas, Idealismus und
-Positivismus, 3 Bde 1879-84. Kuno Fischer, Francis Bacon und seine
-Nachfolger, 2e Aufl. Leipzig 1875. A. Comte, Cours de philosophie
-positive, 2e ed. 1861-64. Die positive Philosophie von A. Comte, im
-Auszuge von Jules Rig, übersetzt von J. H. von Kirchmann, Heidelberg,
-Weiss, 2 Bde. Littré, Aug. Comte et la philosophie positive, Paris
-1863. Id. Analyse raisonnée du Cours de philos. positive de M. A.
-Comte, Utrecht, Kemink 1845. J. Stuart Mill, Aug. Comte et le
-Positivisme, fransche vert. door Clémenceau, Paris 1868. Henri Taine,
-De l’intelligence, 2 vol. 3e ed. Paris, Hachette, 1878. l’Ange Huet,
-De methode der posit. filosofie, Leiden 1866. Id. Nieuwe oplossing van
-een oud vraagstuk, Leiden 1872. Algemeene grondslagen der stellige
-wijsbegeerte door A. Comte, ’s Hage, 1846 (bevat de twee eerste lessen
-uit Comte’s werk). Pünjer in Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S. 79-121.
-1882 S. 385-404. (Bibl. voor mod. Theol. 1883 bl. 243 v). H. Gruber, A.
-Comte, der Begründer des Positivismus, Freiburg. Id. Der Positivismus
-von A. Comte bis auf unsere Tage 1857-91, Freiburg 1891. Herzog²
-art. Positivismus, van Zöckler. J. Stuart Mill, System of Logic,
-ratiocinative and inductive, 2 Bde 9th ed. Lond. 1875, duitsche vert.
-van Gomperz, 2e Aufl. Leipzig 1884. Opzoomer, De weg der wetenschap,
-een handboek der logica 1851, 3e omgewerkte druk onder den titel Het
-wezen der kennis, een leerboek der logica 1863. Id. Wetenschap en
-wijsbegeerte 1857. Id. De waarheid en hare kenbronnen 1859. Pierson,
-Bespiegeling, gezag en ervaring 1855. Id. Eene levensbeschouwing 1875
-bl. 65 v. H. Spencer, A. system of synthetic philosophy, Vol. I First
-principles, 5th ed. Williams and Norgate, London 1887. F. A. Lange,
-Geschichte des Materialismus, 4e Aufl. Iserlohn 1882. L. Büchner, Kraft
-und Stoff, 16e Aufl. Leipzig 1888 enz.
-
-5. Dit empirisme heeft nu wel een machtigen steun in de afhankelijkheid
-des menschen van de hem omringende natuur, maar wordt toch ook door
-wichtige bezwaren gedrukt. Vooreerst staat het vast, dat de geest des
-menschen bij zijne intellectueele werkzaamheid nooit in volstrekten
-zin passief of zelfs receptief is, maar altijd ook in meerdere of
-mindere mate actief optreedt. Het is toch niet het oog dat ziet en
-het oor dat hoort, maar de mensch zelf, die door het oog ziet en
-hoort door het oor. De eenvoudigste gewaarwording en voorstelling
-onderstelt reeds de bewustheid, en dus eene werkzaamheid der ziel.
-Tabula rasa, waarop de buitenwereld schrijven kan wat ze wil, is de
-menschelijke geest nooit; hij is het zelf, die waarneemt, de waarnemingen
-verbindt, vergelijkt, beoordeelt. Maar er is meer; Kant, Kritik der
-reinen Vernunft, Einleitung § 2 zegt terecht: Erfahrung lehrt uns
-zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass es
-nicht anders sein könne. Nu hebben we echter niet alleen bijzondere
-en toevallige, maar ook algemeene en noodwendige waarheden, in de
-logika, de mathesis, enz., die de empiristen tevergeefs uit de
-ervaring hebben trachten af te leiden. Het principe der causaliteit
-bijv. is naar waarheid het bolwerk der intuitieve school genoemd; en
-alle moeite, die er aangewend is om dit principe en fundament aller
-wetenschap uit de wilsbepaling, uit de gewoonte, enz. te verklaren,
-is vruchteloos geweest, Dr. G. Heijmans, Schets eener kritische gesch.
-van het causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte, Leiden, Brill
-1890. Dr. E. Koenig, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius
-bis Kant, Leipzig, Wigand 1888. Spruyt, Proeve van eene geschiedenis
-van de leer der aangeboren begrippen, Leiden, Brill 1879. Ja, alle
-wetenschappen gaan van eene reeks onbewezene en onbewijsbare stellingen
-uit, die apriori aangenomen worden en tot uitgangspunt dienen voor
-alle redeneering en bewijs. Aristoteles heeft dit reeds ingezien;
-er is geen regressus in infinitum; juist om bewijskracht te hebben,
-moeten de bewijzen ten slotte rusten in eene stelling, die geen bewijs
-behoeft, die in zichzelve rust, en die daarom als ἀρχη ἀποδειξεως,
-principium argumentationis dienst kan doen, Zeller, Philos. der Gr.
-III 190 f. 235 f. Schopenhauer, Die Welt als Wille u. Vorstellung, 6e
-Aufl. Leipzig 1887 I 78. Een gebouw kan niet in de lucht staan, en
-eene redeneering kan alleen rusten op een fundament dat vast ligt door
-evidentie, en niet door bewijs. Het uitgangspunt van het empirisme is
-hiermede geoordeeld, maar ook zijne opvatting van de wetenschap is aan
-ernstige bedenking onderhevig. Immers, het is der wetenschap naar haar
-aard om de kennis van het algemeene, het noodzakelijke en eeuwige, het
-logische, de idee te doen. Kennis van verschijnselen, personen, feiten
-enz. is goed, maar is toch slechts een voorbereidende arbeid; analyse
-ga voorop, maar de synthesis moet volgen. Wetenschap is er dan eerst,
-als wij de dingen in hun oorzaak en wezen, in hun doel en bestemming
-doorzien, als we niet slechts het ὁτι maar ook het διοτι kennen en
-alzoo rerum dignoscimus causas. Het empirisme is echter genoodzaakt, om
-aan alle wetenschappen den naam van wetenschap te ontzeggen en dezen
-alleen over te laten voor de sciences exactes. Maar deze beperking
-is om eene dubbele reden onmogelijk. Eerst omdat er behalve, en dan
-nog maar in zekeren zin, de zuiver formeele wetenschappen (logika,
-mathesis, mechanica, astronomie, chemie) geene wetenschap mogelijk is
-zonder een wijsgeerig element, en in elke wetenschap dus de vinding, de
-intuitie, de phantasie, i. e. w. het genie en in verband daarmede de
-wetenschappelijke hypothese eene zeer gewichtige plaats inneemt. En ten
-andere, wijl de naam van wetenschap dan ten slotte alleen behouden kan
-blijven voor enkele subsidiaire vakken, en juist die kennis, welke voor
-den mensch het belangrijkste is en waarom het hem bij het onderzoek in de
-eerste plaats te doen is, van de erve der wetenschap verbannen wordt.
-Het blijft toch waar, wat op het voorbeeld van Aristoteles, Ethic.
-10,7; de part. an. 1,5; de coelo et mundo 2,5. Thomas Aquinas zeide S.
-Theol. I qu. 1 art. 5, ad. 1, Minimum quod potest haberi de cognitione
-rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima cognitio, quae
-habetur de minimis rebus. En Schopenhauer sprak in gelijken geest: Sie
-hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und Gewissheit der Mathematik
-zu rühmen. Aber was hilft es mir, noch so gewiss und zuverlässig zu
-wissen, daran mir gar nichts gelegen ist, bij Van Oosterzee, voor Kerk
-en Theol. I 101. Trouwens, de wereld der geestelijke dingen, de Welt
-der Werthe, van goed en kwaad, recht en zede, religie en moraal, van
-al wat ons liefde en haat inboezemt, ons opbeurt en troost of ook
-neerslaat en smart, die gansche rijke onzienlijke wereld is even goed
-voor ons eene realiteit, als de Welt der Wirklichkeit, die we waarnemen
-met onze zintuigen. Haar macht op ons leven en in de geschiedenis
-der menschheid is nog veel grooter dan die van de zienlijke dingen
-rondom ons heen. Vrij moge men dan den mensch den eisch stellen, dat
-hij zich in zijn onderzoek beperke wijl op dit terrein geen kennis
-mogelijk is; die eisch stuit af op wat Schopenhauer genoemd heeft das
-metaphysische Bedürfniss van den menschelijken geest. De mensch is
-niet alleen een verstandelijk maar ook een willend en gevoelend wezen;
-hij is geen denkmachine maar heeft bij zijn hoofd ook een hart, een
-wereld van aandoeningen en hartstochten. Deze brengt hij mede bij zijn
-wetenschappelijk onderzoek, hij kan bij zijne werkzaamheid in studeerkamer
-en laboratorium zichzelf niet buitensluiten. Het kan geen eisch zijn,
-dat de mensch bij den wetenschappelijken arbeid, dat is, bij eene van de
-edelste en hoogste werkzaamheden zijns geestes, aan zijn gemoed, aan zijn
-hart, aan het beste dat in hem is het zwijgen oplegge, en zichzelf
-alzoo verminke. Dit alleen mag altijd en zoo ook bij den beoefenaar der
-wetenschap worden geeischt, dat hij een goed, een waar mensch zij, een
-mensch Gods, tot alle goed werk, ook tot dit werk der wetenschap,
-bekwamelijk toegerust (verg. boven bl. 29). Indien men echter de
-wetenschap zoowel in subjectieven als in objectieven zin beperkt, zal
-men niet anders verkrijgen dan dat toch langs andere wegen voorziening
-in het metaphysische Bedürfniss wordt gezocht. Kant sloeg den weg der
-practische Vernunft in, Comte voerde een dienst der menschheid in en
-wijdde zichzelf tot hoogepriester, Spencer buigt zich in ootmoed neer
-voor The Unknowable. Allen zoeken op de eene of andere wijze, tot in
-het spiritisme, de magie, de theosophie toe, vergoeding voor wat de
-wetenschap hun niet schenkt. En de religie met alle geestelijke kennis,
-eerst smadelijk ter voordeur uitgejaagd, wordt, maar dan menigmaal
-in superstitieusen vorm, wederom ter achterdeur ingelaten. Naturam
-expellas furcâ, tamen usque recurret. Het onvermijdelijk gevolg is dan
-alleen dit, dat de wetenschap onverdedigd en ongewapend overgelaten
-wordt aan het materialisme. Daartoe heeft feitelijk het empirisme ook
-geleid. Indien de inhoud en straks ook de intellectueele faculteit
-der ziel geheel en al uit de buitenwereld voortkomt, waarom zou dan
-ook de substantie der ziel ten slotte niet uit haar kunnen worden
-verklaard? Daartegenover staan echter nog altijd de „sieben Welträthsel”
-tot eene kwelling en eene ergernis voor het materialistisch denken.
-Het geestelijke is nog niet uit het stoffelijke verklaard, evenmin als
-het aan het rationalisme gelukt is, om het zijn af te leiden uit het
-denken. De overgang tusschen beide is niet gevonden. Hier is eene
-klove, die noch idealisme noch materialisme overbruggen kan. Het is
-zelfs niet gewaagd, hier niet alleen van een Ignoramus maar ook van een
-Ignorabimus te spreken. Maar als we zien hoe empirisme en rationalisme,
-trots de groote beloften en de nog grooter verwachtingen, in deze eeuw,
-op niets anders dan materialisme en illusionisme zijn uitgeloopen, en
-in weerwil van hun tegenstelling toch elkander bevorderd en in de hand
-gewerkt hebben --het idealisme van Hegel liep bij Feuerbach en Strauss op
-materialisme uit, en het materialisme gaat bij vele natuuronderzoekers
-weer in half of heel idealisme over,-- dan is er in elk geval wel reden
-om te vragen, of er niet herziening noodig is van heel de nieuwere
-philosophie, zoowel in haar Cartesiaansche als in haar Baconische
-richting; of er niet andere en betere principia der wetenschap zijn, die
-ons voor materialisme en idealisme beide behoeden? Schopenhauer, Die
-Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. 1887, I 505 f. II 192 f. E.
-v. Hartmann, Naturwissenschaft u. Philosophie, Gesammelte Studien und
-Aufsätze, Berlin 1876, S. 421 f. E. L. Fischer, Die Grundfragen der
-Erkenntnisstheorie, Mainz 1887, S. 314 f. Schmid, Erkenntnisslehre,
-Freiburg 1890 I 111 f. 243 f. II 13 f. Stöckl, Lehrb. der Philos. I 345
-f. Paulsen, Einl. in die Philos. 394 f. Strümpell, Einl. in die Philos.
-75 f. W. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften, Leipzig,
-Duncker u. Humblot 1883. Emil du Roys-Reymond, Uber die Grenzen des
-Naturerkennens. Die sieben Welträthsel. Leipzig, Veit u. C. 1882.
-Pressensé, Les Origines, Paris Fischbacher 1883 p. 1-128. P. Vallet,
-Le Kantisme et le Positivisme, Paris 1887. Gretillat, Exposé de théol.
-systém. I p. 42 s. D. Chantepie de la Saussaye, Leven en Rigting 1865.
-Id. Empirisch of ethisch (Ernst en Vrede. 1858 bl. 193 v.) enz.
-
-
-C. Het Realisme.
-
-6. Uitgangspunt der Erkenntnisstheorie behoort te zijn de gewone,
-dagelijksche ervaring, de algemeene en natuurlijke zekerheid des
-menschen aangaande de objectieviteit en waarheid zijner kennis. De
-philosophie schept toch het kenvermogen en het kennen niet, maar
-vindt het en beproeft het nu te verklaren; en elke solutie, die het
-kenvermogen niet verklaart maar vernietigt en het kennen niet begrijpt
-maar tot eene illusie maakt, is daardoor geoordeeld. Alleen zulk eene
-Erkenntnisstheorie heeft kans van slagen, die eenerzijds den bodem der
-ervaring niet verlaat maar andererzijds ook in heel de diepte van het
-probleem indringt, Prior homo, quam philosophus vel poeta, Tertull. de
-test. an 5. Primum vivere, deinde philosophari. De natuurlijke zekerheid
-is de onmisbare grondslag der wetenschap. Het wetenschappelijk weten
-is geen vernietiging maar eene zuivering, uitbreiding, voltooiing van
-het gewone weten, Kaftan, Die Wahrheit der Chr. Rel. Basel, 1889 S.
-317 f. Ieder mensch toch neemt de betrouwbaarheid der zintuigen en
-het bestaan der buitenwereld aan, niet door een logisch besluit uit
-de werking, in casu de voorstelling in zijn bewustzijn, tot de oorzaak
-buiten zich, noch ook door eene redeneering uit den tegenstand, dien
-zijn wil ondervindt, tot eene objectieve realiteit welke dien tegenstand
-biedt; maar vóór alle reflectie en redeneering is elk van het reëel
-bestaan der wereld ten volle verzekerd. Deze zekerheid is niet uit
-een syllogisme geboren en steunt op geen bewijs, maar is onmiddellijk,
-spontaan met de waarneming zelve in mij ontstaande, niet product maar
-grondslag en uitgangspunt van alle andere zekerheid. Denn die ganze
-Welt der Reflexion ruht und wurzelt auf der anschaulichen Welt,
-Schopenhauer, Welt als W. u. V. 6e Aufl. I 78. Alleen moet hierbij
-wel worden onderscheiden tusschen de zekerheid, die terstond met de
-actueele waarneming van een voorwerp gegeven is, en die, welke later,
-nadat de waarneming reeds lang voorbij is, uit de achtergebleven
-voorstelling volgt. Over de eerste wordt hier alleen gehandeld, en
-deze is geen besluit uit eene redeneering, maar onmiddellijk met de
-waarneming zelve in mij aanwezig. Cf. Ed. Zeller, Ueber die Gründe
-unseres Glaubens an die Realität der Aussenwelt 1884. E. L. Fischer,
-Die Grundfragen der Erkenntnisstheorie 1887 S. 392 f. Paulsen,
-Einl. in die Philos. 385 f. Flügel, Die Probleme der Philosophie
-und ihre Lösungen, Cöthen, Schulze, 2e Aufl. 1888 S. 104 f. Schmid,
-Erkenntnisslehre 1890 II 307 f. Land, Inl. tot de wijsbeg. bl. 97 v. enz.
-
-7. Reeds dit ééne feit, de natuurlijke zekerheid aangaande de
-betrouwbaarheid der zintuigen en de realiteit der buitenwereld, bewijst
-dat er nog eene andere dan wetenschappelijke, demonstratieve zekerheid
-bestaat. De empiristen hebben dit ten onrechte ontkend. De ervaring
-leert alleen dat iets is, maar niet dat het zijn moet, leert ons alleen
-het toevallige, veranderlijke, de werkelijkheid kennen. Wij hebben
-echter ook algemeene, noodzakelijke waarheden, waarvan we niet door
-waarneming en redeneering, maar apriori zeker zijn. De meeste wijsgeeren
-hebben daarom naast de wetenschappelijke of middellijke ook nog eene
-metaphysische, intuitieve, onmiddellijke zekerheid aangenomen, ook wel
-eene zekerheid des geloofs, der evidentie genoemd. Aristoteles heeft
-het eerst duidelijk ingezien, dat de ἐπιστημη ter laatster instantie
-op onbewijsbare, evidente waarheden is gebouwd. Sommigen zooals Plato,
-Cartesius, Leibniz, Rosmini hebben dit onveranderlijk, eeuwig karakter
-der waarheid zoeken te verklaren door de leer der aangeboren ideeën,
-cf. Spruyt, Proeve van eene gesch. van de leer der aangeb. begrippen,
-Leiden 1879. Maar deze leer rust op een onhoudbaar dualisme van subject
-en object, maakt den menschelijken geest onafhankelijk van den kosmos,
-is in beginsel rationalistisch en leidt logisch en ook historisch tot
-het absolute idealisme. Dit was de reden, waarom de leer der ideae
-innatae eenparig door de scholastieke en ook door de Geref. theologen
-verworpen werd, Spruyt ib. 57-60. Frohschammer, Die Philosophie des
-Thomas von Aquino, Leipzig, Brockhaus 1889 S. 44 f. Liberatore, Die
-Erkenntnisstheorie des H. Thomas v. Aquin, deutsch von Eugen Franz,
-Mainz 1861 S. 130 f. Polanus, Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera
-III 636 sq. Voetius bestrijdt de leer van Cartesius opzettelijk in zijne
-Disput. Sel. V 477-525. Zij namen zelfs de empiristische stelling over:
-nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, en spraken
-van den mensch vóórdat hij waarneemt als van eene tabula rasa, in qua
-nihil scriptum est, Thomas S. Theol. I qu. 79 art. 2. Voetius, Disp.
-V 459, 525. En dit handhaafden ze, omdat de mensch in onderscheiding
-van de engelen lichamelijk is, zijn lichaam geen kerker is maar tot zijne
-natuur behoort en hij door dat lichaam aan den kosmos gebonden is,
-Thomas ib. I qu. 84 art. 3. qu. 85 art. 1. Voetius ib. V 483. Zij hebben
-dus eenerzijds het rationalisme zoo beslist mogelijk verworpen, niet
-alleen in den vorm van de aangeboren begrippen, waarin het door Plato,
-Cartesius, Leibniz werd geleerd, maar ook in dien van de aangeboren
-vormen, waarin het bij Kant, en in dien van de aangeboren idee des zijns,
-waarin het bij Rosmini en de ontologisten optrad. Maar aan den anderen
-kant mogen de bovengenoemde uitdrukkingen toch niet in den zin van
-Locke’s empirisme worden verstaan. Als Thomas den menschelijken geest
-eene tabula rasa noemt, dan wil hij daarmede geenszins ontkennen, dat
-toch ipse intellectus hem aangeboren is. Leibniz voegde aan de spreuk
-nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, de beperking
-toe nisi ipse intellectus. Thomas drukt zich nog juister uit: species
-aliorum intelligibilium non sunt ei innatae, sed essentia sua sibi
-innata est, ut non eam necesse habeat a phantasmatibus acquirere, qu.
-de mente art. 8 ad 1 cf. Liberatore, ib. 144. En Voetius verklaart de
-bovengenoemde spreuk alzoo, dat daarmede niet uitgesloten wordt, dat
-het intellect in de zinnelijk waargenomen wereld ook het eeuwige en
-onveranderlijke, bijv. in de werken der natuur ook haar auteur, n.l. God
-opmerken en kennen kan. En dit is dan ook de eigenlijke gedachte van
-hunne Erkenntnisstheorie: de menschelijke geest is niet bij machte en in
-elk geval niet in de gelegenheid, om buiten de zinnelijke wereld om,
-uit eigen fonds, met eigen middelen, de kennis der dingen, ook niet
-de kennis der principia aeterna, κοιναι ἐννοιαι voort te brengen. Hij
-is van huis uit aan het lichaam en hierdoor aan den kosmos gebonden,
-en daarom kan ook de intellectus tot geene werkzaamheid komen dan
-door en op grond van den sensus. De intellectus is bij den aanvang
-zuivere potentia, tabula rasa, zonder eenigen inhoud, en wordt eerst
-van buiten door de zinlijke wereld tot werkzaamheid, tot actualiteit
-opgewekt. De stoot gaat dus van de zinlijke wereld uit; deze werkt
-in op den menschelijken geest, roept hem wakker, en dringt hem tot
-actie. Maar zoodra de intellectus werken gaat, werkt hij terstond
-en vanzelf ook op zijne eigene wijze en naar zijn eigen aard. En de
-natuur van den intellectus bestaat daarin, dat hij de vis, facultas,
-inclinatio, aptitudo bezit, om in en met de waarneming terstond,
-vanzelf, onwillekeurig, sine ullo labore, sine praevio studio, sine
-ratiocinatione die grondbegrippen en grondbeginselen te vormen, welke
-apriori, vóór elke redeneering en vóór alle bewijs vaststaan, en daarom
-veritates aeternae verdienen te heeten. Zoo voelt het denken zelf,
-zoodra het werken gaat, vanzelf zich aan de wetten van het denken
-gebonden; in het denken zelf liggen de wetten van het denken opgesloten
-en komen ze voor den dag. Zoo leert ons de ervaring, wat een deel en
-wat een geheel is, maar het intellect begrijpt terstond, dat een geheel
-grooter is dan zijn deel. Zoo leert ons de ervaring, wat goed en wat
-kwaad is, maar de intellectus practicus weet onmiddellijk, dat het eene
-gedaan en het andere moet nagelaten worden. Dit wil niet zeggen, dat
-ieder mensch nu ook van deze grondbegrippen en grondbeginselen zichzelf
-of anderen duidelijk rekenschap kan geven; maar ieder mensch, ook de
-eenvoudigste, past deze grondbegrippen en grondbeginselen toch, zonder
-eenige wetenschappelijke reflectie, onbewust en met de meeste zekerheid
-in het leven toe. Het verschil tusschen deze leer van het kenvermogen
-en die van het rationalisme en empirisme is in deze twee gelegen: ten
-eerste in eene eigenaardige opvatting van den intellectus, die eene
-eigene natuur meebrengt en dienovereenkomstig ook op eene eigene wijze
-werken gaat, en ten tweede daarin, dat deze intellectus, alzoo werkende
-naar zijn eigene natuur, toch niet anders doet, dan dat logische uit de
-waargenomen dingen abstraheeren, dat er van nature ook in die dingen
-verborgen ligt. Het rationalisme dwingt als het ware de dingen, om
-zich te richten naar het intellect, past ze in vormen waarvan het niet
-weet of zij er aan passen, construeert de wereld naar een spel van
-begrippen. Het empirisme dwingt den geest, om zich te richten naar de
-zinnelijke wereld, kortwiekt hem in zijne ideale vlucht, en verklaart hem
-ten slotte zelf uit de stof. Maar de Erkenntnisstheorie, die allengs
-in de christelijke theologie is opgekomen en in grondtrekken het eerst
-door Augustinus is uitgedacht, handhaaft beide, de vrijheid en de
-gebondenheid van den menschelijken geest; de vrijheid om optestijgen tot
-de wereld van het ideale, de gebondenheid waardoor hij ook in deze zijne
-vlucht de wereld der realiteit niet onder de voeten verliest.
-
-8. Het uitgangspunt van alle kennis bij den mensch is dus de zinnelijke
-waarneming. Οὐδε νοει ὁ νους τα ἐκτος μη μετ’ αἰσθησεως ὀντα,
-Arist. de sensu c. 6, Zeller Philos. d. Gr. III 198. Omnis cognitio
-intellectualis incipit a sensu, Thomas S. Theol. I. qu. 84 art. 1 en
-7. Intellectus noster nihil intelligit sine phantasmate, id. C. Gent.
-III 41. En alle christelijke theologen waren van dezelfde gedachte. De
-fout der scholastiek, zoo bij Protestanten als Roomschen, lag alleen
-hierin, dat zij met de waarneming veel te vroeg klaar was en ze schier
-volledig, op ieder terrein van wetenschap, in de boeken van Euclides,
-Aristoteles, de kerkvaders, de confessie opgenomen en neergelegd
-dacht. In die meening liet men de waarneming na en begon in eens met
-de reeds verkregen begrippen, Spruyt, Proeve 36. Daarom kon het haast
-eene ontdekking heeten, toen Bacon tot de zinnelijke waarneming als tot
-de eenige bron der kennis terugkeerde. Toch was het geen ontdekking,
-maar wel eene noodzakelijke verfrissching voor de wetenschap, want
-deze moet altijd weer tot de bronnen terug. Niet uit boeken, maar uit
-de werkelijke wereld moet de waarheid geput. Aanschouwing is de bron
-van alle echte wetenschap. Die Anschauungen sind die Kontanten, die
-Begriffe die Zettel, Schopenhauer, Die Welt u. s. w. 6e Aufl. II 76
-cf. 76-98. Bij deze zinnelijke waarneming nu heeft ieder zintuig zijn
-eigen aard en zijne eigene taak; elk zoekt in de verschijnselen het
-verwante op, de tastzin doet ons de mechanische, smaak en reuk doen ons
-de chemische eigenschappen kennen, het gehoor ontsluit ons de wereld
-der tonen en het gezicht die der kleuren, Arist. bij Zeller, Philos.
-d. Gr. III 533 f. Thomas, S. Theol. I qu. 78 art. 3. Schopenhauer,
-Die Welt u. s. w. II 30-36. Land, Inleiding 63 v. Bilderdijk, Taal-en
-Dichtk. Verscheidenheden, 1821 II 39 v. Verhandelingen, ziel-, zede-
-en rechtsleer betreffende 1821 bl. 12 v. Brieven V 48. De zintuigen
-nemen dus ieder voor zichzelf niet het geheele voorwerp waar, maar
-slechts bepaalde eigenschappen aan dat voorwerp. Het waarnemingsbeeld,
-dat in ons bewustzijn ontstaat, is saamgesteld uit vele verschillende
-indrukken, die door de verschillende zintuigen ontvangen, langs de
-zenuwdraden in onze hersens overgeplant, daar op eene onverklaarbare
-wijze in gewaarwordingen omgezet, en tot een geheel verbonden worden.
-Er zijn geen eenvoudige gewaarwordingen, ze zijn alle reeds uit
-verschillende andere samengesteld; elk voorwerp dat we zien, elke toon
-dien we hooren is reeds een complex van waarnemingen. De menschelijke
-geest is daarom bij de eenvoudigste waarnemingen reeds actief; hij is
-geen tabula rasa, waarop de buitenwereld slechts schrijft wat ze wil,
-geen spiegel, waarin het voorwerp zich eenvoudig weerkaatst. Maar elk
-waarnemingsbeeld is in ’t bewustzijn zelf gevormd uit de factoren, die
-door de verschillende zintuigen uit het voorwerp worden aangebracht.
-Daarom is de vraag van zoo groot belang, wat de verhouding is
-tusschen het waarnemingsbeeld, de voorstelling (φαντασια, φαντασμα,
-species sensibilis, perception, Vorstellung) in ons bewustzijn en de
-werkelijkheid, het voorwerp, buiten ons. De Grieksche philosophie ging
-over het algemeen uit van de gedachte, dat gelijk slechts door gelijk
-kon worden gekend; φασι γαρ γιγνωσκεσθαι το ὁμοιον τῳ ὁμοιῳ, Arist.
-de an. I 2. Sommigen leidden daaruit af, dat de ziel des menschen uit
-dezelfde elementen en atomen moest bestaan als de werkelijke wereld, en
-dat er bij de waarneming stoffelijke atomen uit de voorwerpen indrongen
-in de ziel. Aristoteles echter vatte dit zoo op, dat de ziel niet
-actueel maar potentieel al het gedachte is --ἡ ψυχη τα ὀντα πως ἐστι
-παντα, de an. III, 8-- en dat de voorwerpen door waarneming en denken
-eene ideale existentie in de ziel verkregen. De scholastiek nam dit
-over en zei: cognitum est in cognoscente per modum cognitionis, non
-per modum cogniti, d. i. de dingen gaan niet zelve in de ziel over,
-maar alleen hun beeld, hun vorm, εἰδος, forma, species, similitudo,
-Thomas S. Theol. I qu. 75. I 2 qu. 5 art. 5. II 2 qu. 23 art. 6 ad 1.
-S. c. Gent. I 77 II 77, 98. Er is dus eenerzijds een wezenlijk verschil
-tusschen het ding en zijne voorstelling, want het eerste is buiten ons,
-heeft daar een reëel bestaan, maar de tweede bestaat in ons en heeft
-slechts eene ideale existentie. Maar er was andererzijds toch ook eene
-volkomene overeenstemming; de voorstelling is een beeld, eene getrouwe
-ideale reproductie van het voorwerp buiten ons. De nieuwere philosophie
-echter, lettende op de activiteit van ’s menschen bewustzijn bij het
-vormen der waarnemingsbeelden, heeft tusschen ding en voorstelling
-eene hoe langer hoe breedere klove gegraven. De waarnemingsbeelden zijn
-geen species, formae, maar hoogstens nog teekens, symbolen, diagrammen
-van de buitenwereld, vrij in onzen geest gevormd naar aanleiding van
-de wijzigingen die van buiten door de zintuigen en zenuwen heen in
-onze hersencellen worden aangebracht. Indien dit zoo is, verdwijnt de
-objectieve wereld steeds verder uit ons gezicht, ze lost zich op in
-schijn; want eene controle van het waarnemingsbeeld aan de werkelijkheid
-is daarom onmogelijk, wijl we haar nimmer benaderen kunnen, en het
-waarnemingsbeeld altijd tusschen haar en ons zich inschuift, Land,
-Inleiding 71, en de vroeger aangeh. litt. De dwaling, die aan deze
-theorie ten grondslag ligt, schijnt deze te zijn, dat het eigenlijk
-voorwerp van onze waarneming niet het ding buiten ons, maar een of
-andere indruk of trilling van onze zenuwen in ons zou zijn. Nu is het
-zeker waar, dat er geen voorstelling in ons bewustzijn gevormd kan
-worden, zonder dat er trillingen in de zenuwen naar onze hersencellen
-worden overgeplant. Maar ook het beeld, dat op het netvlies van het
-oog geworpen wordt, noch de wijzigingen in de hersencellen ten gevolge
-van de zenuwtrillingen zijn de oorzaak, waaruit de gewaarwording
-en voorstelling in ons bewustzijn ontstaat. Alle psychometrische
-onderzoekingen, hoe belangrijk ook, hebben ons ter verklaring van
-dit wonderbaar verschijnsel geen stap nader gebracht. Wij staan hier
-voor een, naar het schijnt, onoplosbaar raadsel. De zenuwtrillingen
-kunnen tot in het centrum der hersens worden nagegaan, haar sterkte
-en snelheid kan worden berekend; maar de voorstelling, die daarna
-in ons bewustzijn ontstaat, is toto genere daarvan verschillend. Zij
-is een psychische, geestelijke acte, uit physische verschijnselen,
-gelijk de zenuwtrillingen zijn, nooit te verklaren. Zoo kunnen dan de
-voorstellingen geen producten zijn, die door de zenuwtrillingen ons
-zelf onbewust in ons bewustzijn worden voortgebracht. En zij kunnen ook
-geen bewuste scheppingen zijn van onzen geest, naar aanleiding van de
-wijzigingen in onze hersencellen, om de eenvoudige reden, dat niemand
-van heel dit proces der zenuwtrillingen ook maar iets bij de waarneming
-weet, en eerst door opzettelijk physiologisch onderzoek daarvan kennis
-krijgt. Daar komt nog bij, dat de zenuwtrillingen en wijzigingen in de
-hersencellen soms wel, bij het zien zonder opmerken, bij het hooren
-zonder verstaan enz. geheel en zuiver mechanisch toegaan, maar dat ze
-toch bij het eigenlijk waarnemen altijd reeds van een psychische akte
-vergezeld zijn. Het gaat niet zoo, dat de zenuwtrillingen eerst in onze
-hersens worden overgebracht, en dat eerst daarna het bewustzijn ontwaakt
-en uit die wijzigingen in de hersencellen de voorstelling vormt; maar de
-waarneming zelve door de zintuigen is een akte van het bewustzijn. Het
-is de geest des menschen, die ziet door het oog en hoort door het oor.
-Voorwerp van de waarneming is dus niet eenig verschijnsel in mij, maar
-het ding buiten mij. Dezelfde geest, die het voorwerp ziet, is het ook,
-die de voorstelling vormt. Beide zijn psychische akten. Daarom is er
-ook geen reden tot twijfel, dat wij in de voorstellingen eene getrouwe,
-ideale reproductie hebben van de voorwerpen buiten ons. Daarbij is
-het tot op zekere hoogte onverschillig, of wij de voorstellingen
-εἶδη, species, formae, teekens, symbolen enz. van de dingen noemen;
-want ook deze woorden zijn beelden, en voor het meerendeel aan
-de gezichtswaarneming ontleend. Indien maar vaststaat, dat de
-voorstellingen in haar geheel en in haar deelen getrouwe vertolkingen
-zijn van de wereld der werkelijkheid buiten ons.
-
-9. Maar bij deze voorstellingen blijft de menschelijke geest niet staan.
-Wetenschappelijke kennis komt niet voort uit de zintuigen maar uit
-het verstand. Niet de loutere waarneming, maar het ernstig nadenken
-over de waargenomen verschijnselen hebben Kopernikus tot den vader der
-astronomie en Newton tot den ontdekker der zwaartekracht gemaakt.
-Het waarnemen van verschijnselen is noodig en goed, maar het is niet
-het eenige en het hoogste. Object van de wetenschap is niet het
-bijzondere maar het algemeene, het logische, de idee. De Grieksche
-philosophie heeft dit reeds ingezien. Socrates was de eerste, die de
-idee van het weten met bewustheid indacht en tot beginsel maakte van
-zijne philosophie; wetenschap is kennis, niet van den schijn, maar van
-het wezen der dingen, Xenophon, Memor. IV, 6.1. Plato onderscheidde
-tusschen δοξα, welke tot inhoud had het gewone, empirische weten, en
-ἐπιστημη, die het waarlijk zijnde der dingen tot inhoud had, Rep. V 476
-D-478 D. Sympos. 202 A enz. En Aristoteles omschreef wetenschap in
-denzelfden zin als kennis του ὀντος, του καθολου, των πρωτων αἰτιων και
-ἀρχων (plaatsen bij Zeller, Philos. d. Gr. III 161 f). Vooral Augustinus
-heeft deze intellectueele kennis op den voorgrond gesteld. Hij verwerpt
-de kennis door de zintuigen niet, hij verdedigt hare waarheid tegen de
-Academici in een afzonderlijk geschrift, en erkent dat wij de invisibilia
-Dei verstaan per ea quae facta sunt, de Gen. ad. litt. 4,32. Maar hij
-onderschat toch hare waarde, evenals Plato; het zinrijke geeft slechts
-δοξα, c. Acad. 3,26, het is de waarheid zelve niet, het is er maar
-een beeld van, Solil. 2,32. De kennis der natuur is zonder waarde,
-nihil prodest, Conf. 5,7. 10,55. Enchir. 3,5. Er zijn eigenlijk maar
-twee dingen, die het belangrijk is te kennen, God en onszelven: deum et
-animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil omnino, Solil. 1,7. En deze
-kennis verkrijgt hij niet door naar buiten, maar door naar binnen te
-zien; noli foras ire, in te ipsum redi, in interiore homine habitat
-veritas, de vera relig. c. 39 n. 72; niet door de zinnelijke waarneming
-maar door het denken; aliud est sentire, aliud nosse, de ord. 2,5. cf.
-Solil. 2,33. De scholastiek, zich nauwer aansluitend aan Aristoteles,
-heeft de waarde der zinnelijke waarneming beter ingezien, maar toch
-ook de beteekenis van den intellectus voor de wetenschap ten volle
-erkend. Thomas drukte dit kort en duidelijk aldus uit, scientia non est
-singularium, S. Theol. I qu. 1 art. 2, intellectus est universalium,
-S. c. Gent. I c. 44. Wetenschap heeft tot object het algemeene en
-noodzakelijke, S. Theol. I qu. 14 art. 13 ad 3. I qu. 84 art. 1 ad 2. I
-qu. 86 art. 1 en 3, en kan daarom alleen door den intellectus worden
-verschaft. Want terwijl de zinnelijke waarneming de dingen beschouwt
-quantum ad exteriora ejus accidentia, is het juist het eigenaardige
-van den intellectus, dat hij doordringt ad interiora rei, S. c. Gent.
-I 58. III 56. IV 11, penetrat ad essentiam rei, S. Theol. II. 2 qu. 8
-art. 1. Zijn eigenlijk object is de quidditas rei materialis, S. Theol.
-I qu. 85 art. 5 ad 3. Het verstand n.l. maakt als intellectus agens,
-dat is als abstractievermogen, gelijk wij het noemen zouden, uit de
-zinnelijke voorstellingen het algemeene los; het laat het bijzondere
-eruit wegvallen, het schijnt er als een licht over henen, maakt ze
-intelligibel, laat het algemeene eruit kenbaar worden, en neemt dan
-als intellectus possibilis, d. i. als intellectueel kenvermogen, dat
-algemeene in zich op en maakt het tot eigendom van den geest, S. Theol.
-I qu. 79 art. 3 en 4. I qu. 84 art. 6. S. c. Gent. II 76.77. III 45.
-
-Nu is er eigenlijk hierover nog geen verschil, dat niet de zinlijke
-waarneming maar het verstand het orgaan der wetenschap is. Ook het
-empirisme heeft dit niet ontkend. Bacon, Hume, St. Mill erkennen ten
-volle, dat de zinnelijke waarneming wel het eerste maar niet het eenige
-is en dat het verstand door inductie het algemeene uit het bijzondere
-tracht af te leiden. Het was Bacon juist te doen om eene betrouwbare
-methode, waarnaar uit bijzondere waarnemingen algemeen-geldige oordeelen
-konden gevormd worden. Maar bij de begrippen, die het verstand uit de
-voorstellingen vormt, komt met dubbelen ernst de vraag terug, die
-boven reeds bij de waarnemingsbeelden werd gedaan: wat is de verhouding
-tusschen deze begrippen des verstands en de wereld der werkelijkheid?
-En hier gaan Nominalisme en Realisme uiteen. Beide richtingen komen
-in het wezen der zaak reeds voor in de Grieksche philosophie. Plato
-en Aristoteles waren realisten, zij het ook met onderscheid; en de
-eigenlijke gedachte van het nominalisme vinden we reeds o. a. bij den
-cynischen wijsgeer Antisthenes, die de realiteit der algemeene begrippen
-ontkende en tegen Plato zei: ἱππον μεν ὁρῶ, ἱπποτητα δε οὐχ ὁρω,
-Zeller, Philos. der Gr. II{4} 295, en bij de Stoische wijsgeeren, die de
-ἐννοηματα, de gedachten, slechts hielden voor φαντασματα διανοιας, ib.
-IV³ 79. 125. In de Middeleeuwen werd deze opvatting van de algemeene
-begrippen vernieuwd en kreeg ze den naam van nominalisme. Roscellinus
-was van oordeel, dat de algemeene begrippen slechts flatus vocis waren,
-Gedankendinge, waaraan geen realiteit beantwoordt; in de werkelijkheid
-zijn er geen algemeene maar slechts bijzondere, individueele dingen, is
-er geen menschheid maar zijn er alleen menschen enz. De strijd tusschen
-realisme en nominalisme duurde tot de 15e eeuw voort. Cf. A. Stöckl,
-Gesch. der Philos. des Mittelalters. 3 Bde Mainz 1864-66 I 135 f. II
-986 f. Hauréau, De la philosophie scolastique, 2 vol. Paris 1850.
-Schwane, Dogmengeschichte der mittl. Zeit. Freiburg 1882 S. 4 f.
-Voorts geschiedenis der dogmen van Bach, Thomasius, Münscher, Baur,
-Harnack enz., gesch. der philos. van Ueberweg, Erdmann, Windelband
-enz. A. Pierson, De realismo et nominalismo 1855. Id. Gesch. van
-het R.-Katholic. III 1871 bl. 53 v. 87 v. 183 v. Spruyt, Proeve 66
-v. Maar ook daarna is de kwestie niet uit de philosophie geweken.
-Het geschil tusschen realisme en nominalisme is geen twistpunt van
-scholastieke spitsvondigheid, maar van diepingrijpende beteekenis.
-Het nominalisme is in nieuwen vorm als empirisme weer in de nieuwere
-philosophie te voorschijn getreden, Spruyt, Proeve passim. Hugo Spitzer,
-Nominalismus und Realismus in der neuesten deutschen Philosophie mit
-Berücksichtigung ihres Verhältnisses zur modernen Naturwissenschaft.
-Leipzig 1876. Janet, Traité élémentaire de philos. Paris, Delagrave
-1887 p. 162 s. Land, Inleiding 107 v. Pierson, Wijsgeerig Onderzoek.
-Deventer, ter Gunne 1882 bl. 200 v. Indien nu het nominalisme het
-recht aan zijne zijde heeft, is het met alle wetenschap gedaan. Want één
-van beide: indien wij de overeenstemmende kenmerken van eene groep van
-dingen in een begrip en woord kunnen samenvatten, dan geschiedt dit
-òf zonder grond en vertegenwoordigen die woorden en begrippen geen
-waarde in de werkelijkheid; òf de dingen gelijken in de werkelijkheid
-aan elkaar en hebben gemeenschappelijke kenmerken. In dit geval zijn de
-begrippen echter geen ledige Gedankendinge, maar de som van wezenlijke
-eigenschappen der dingen, en dus geen nomina maar res. Daarom had
-dan ook het realisme zonder twijfel gelijk, als het de realiteit der
-algemeene begrippen aannam, niet in platonischen of ontologischen zin
-ante rem, maar in aristotelischen zin in re, en daarom ook in mente
-hominis post rem. Het algemeene, dat wij in het begrip uitdrukken,
-bestaat niet juist zóó, als universale, buiten ons (cf. boven bl.
-23); maar in ieder exemplaar der soort bijzonderlijk geïndividualiseerd
-en gespecialiseerd, heeft het toch zijn grond in de dingen en wordt
-daaruit door de werkzaamheid van het verstand geabstraheerd en
-uitgedrukt in een begrip, Thomas, S. Theol. I qu. 85 art. 2 ad 2. S.
-c. Gent. I 65. Met de begrippen verwijderen we ons dus niet van de
-werkelijkheid, maar naderen haar hoe langer hoe meer. Het schijnt wel,
-dat we, begrippen en oordeelen en besluiten vormende, hoe langer hoe
-meer den vasten grond onder het gebouw onzer kennis verliezen en hoog
-gaan zweven in de lucht. Het lijkt vreemd en wonderlijk, dat we, de
-voorstellingen omzettende in begrippen en deze weer verwerkende naar
-de wetten van het denken, uitkomsten verkrijgen, die in overeenstemming
-zijn met de werkelijkheid. En toch wie deze overtuiging prijsgeeft, is
-verloren, Land, Inleiding bl. 250. Maar die overtuiging kan dan ook
-alleen rusten in het geloof, dat het eenzelfde Logos is, die èn de
-werkelijkheid buiten ons èn de wetten van het denken in ons schiep, en
-die beide in organisch verband zette met en correspondeeren liet op
-elkaar. Zoo alleen is er wetenschap mogelijk, d. i. kennis niet slechts
-van den wisselenden schijn maar van het algemeene, van het logische
-in de dingen. Zeker, het zijn zelf der dingen, hun existentie, blijft
-buiten ons; nooit gaan de dingen zelve realiter in ons in; het zijn is
-dus nimmer door ons te benaderen, het is een factum dat aanvaard moet
-worden en dat den grondslag van het denken uitmaakt. Maar in zoover
-de dingen ook logisch bestaan, uit gedachte zijn voortgekomen en in
-gedachte rusten Joh. 1:3, Col. 1:15, zijn ze ook begrijpbaar en denkbaar
-voor den menschelijken geest.
-
-10. Plato helderde dit proces der wetenschap op door een schoon en
-treffend beeld. Gelijk de zon objectief het voorwerp en subjectief ons
-oog verlicht, zoo is God of de idee van het goede het licht, waardoor
-de waarheid, het wezen der dingen, zichtbaar wordt en tevens onze geest
-die waarheid aanschouwen en erkennen kan, cf. Siebeck, Geschichte
-der Psychologie, I Theil, 2 Abth. Gotha, Perthes 1880, ’84 I 226.
-Aristoteles, ib. II 70. Augustinus nam dit beeld over: God is de zon
-der geesten. In het onveranderlijk licht der waarheid ziet en oordeelt
-onze geest over alles, in ipsa incommutabili veritate mens rationalis
-et intellectualis intuetur, eaque luce de his omnibus judicat, de Gen.
-ad litt. L. 8 cap. 25. Zooals wij met het lichamelijk oog niets kunnen
-zien, als de zon haar licht er niet over verspreidt, zoo kunnen wij ook
-geen waarheid zien dan in het licht Gods, die de zon onzer kennis is,
-Solil. I c. 8, 13, de Trin. 12 c. 15. Deus intelligibilis lux, in quo
-et a quo et per quem intelligibiliter lucent, quae intelligibiliter
-lucent omnia. Thomas spreekt meermalen op dezelfde wijze, en bezigt
-dezelfde gelijkenis, S. Theol. I qu. 12 art. 11 ad 3, qu. 79 art. 4,
-qu. 88 art. 3 ad 1. II 1 qu. 109 art. 1 ad 2. S. c. Gent. 3 c. 47.
-Alleen wees Thomas erop, dat dit niet pantheïstisch mocht worden
-verstaan, gelijk Averroes onder neoplatonischen invloed leerde en
-daarin later door Malebranche en de ontologistische school gevolgd
-werd. Gelijk we, zegt Thomas, in het natuurlijke zien, niet door zelf
-in de zon te zijn, maar door het licht der zon dat ons bestraalt, zoo
-zien wij ook de dingen niet in het goddelijk wezen, maar door het licht
-dat van God in onzen eigen intellectus schijnt. De rede in ons is dat
-goddelijk licht, zij is niet de goddelijke logos zelf, maar heeft daaraan
-deel. Gode komt toe het esse, vivere, intelligere per essentiam, ons
-per participationem S. Theol. I qu. 79 art. 4. Dit beeld van de zon
-bracht er toe, om in gezonden zin te spreken van het natuurlijk licht
-der rede, cf. Polanus Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III 636
-sq., waaronder dan niets anders verstaan werd dan die permanente
-eigenschap of kracht van den menschelijken geest, waardoor hij in staat
-gesteld wordt, terstond bij de eerste waarnemingen die grondbegrippen
-en grondbeginselen te vormen, welke hem verder bij alle waarneming en
-denken leiden. Het licht der rede is alzoo in de eerste plaats gelijk
-aan den intellectus agens, aan het abstractievermogen, dat over de
-voorwerpen schijnt en het intelligibile daaruit te voorschijn doet treden
-en voorts aan dat fonds van κοιναι ἐννοιαι, dat onze geest juist door
-het vermogen der abstractie zich eigen maakt. Maar in beiderlei zin
-is dat licht aan God, of meer bepaald aan den Logos te danken, Ps.
-36 vs. 10, Joh. 1:9. Hij is het, die dit licht in ons doet opgaan en
-voortdurend onderhoudt. En zoo is het dan niet aan den mensch, die
-maar instrument is, maar aan God te danken, als door de stralen van
-dat licht de waarheid zich voor onzen geest onthult, Liberatore, Die
-Erkenntnisslehre des h. Thomas v. A. 185 f. Kleutgen, Die Philosophie
-der Vorzeit, 2e Aufl. Innsbrück 1878 I 89 f.
-
-Deze schoone beeldspraak maakt ons duidelijk, welke de principia zijn,
-waaruit alle wetenschap voortkomt. Niet alleen in de theologie,
-gelijk de vorige § ons deed zien, maar in elke wetenschap zijn er drie
-principia te onderscheiden. Ook hier is God het principium essendi;
-in zijn zelfbewustzijn liggen de ideeën aller dingen; alle dingen
-berusten op gedachten en zijn geschapen door het woord. Maar het is zijn
-welbehagen, om van deze cognitio archetypa in zijn goddelijk bewustzijn
-eene ectypische kennis over te brengen in den mensch, die naar zijn
-beeld is gemaakt. Maar dat doet Hij, niet door ons de ideeën in zijne
-essentia te laten aanschouwen (Malebranche), noch ook door ze ons alle
-reeds bij de geboorte mede te geven (Plato, leer der ideae innatae),
-maar door ze in de werken zijner handen uittespreiden voor des menschen
-geest. De wereld is eene belichaming van gedachten Gods; zij is een
-schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als
-letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven;
-zij is geen schrijfboek, waarin wij naar de voorstelling der idealisten
-de woorden zouden hebben in te vullen, maar een leesboek, waaruit
-God ons kennen doet wat Hij er voor ons in neergeschreven heeft. De
-geschapene wereld is dus het principium cognoscendi externum van alle
-wetenschap. Maar dat is niet genoeg. Om te zien is een oog noodig. Wär’
-nicht das Auge sonnenhaft, wie könnten wir das Licht erblicken? Er moet
-correspondentie, verwantschap zijn tusschen object en subject. Dezelfde
-Logos, die schijnt in de wereld, moet zijn licht ook laten stralen in
-ons bewustzijn. Dat is de intellectus, de ratio, die, zelf uit den
-Logos afkomstig, den Logos in de dingen ontdekt en erkent. Zij is het
-principium cognoscendi internum. Sicut scientia in nobis est sigillatio
-rerum in animabus nostris, ita e converso formae non sunt nisi quaedam
-sigillatio divinae scientiae in rebus, Thomas, bij Liberatore, Die
-Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aq. S. 148. Zoo is het dan God
-alleen, die uit zijn goddelijk bewustzijn de kennis der waarheid door de
-schepselen heen inbrengt in onzen geest; de Vader, die door den Zoon
-in den Geest zich aan ons openbaart. Multi dicunt: quis ostendet nobis
-bona? Signatum est super nos lumen vultus tui, Domine!
-
-
-§ 8. PRINCIPIA IN DE RELIGIE.
-
-
-A. Wezen der religie.
-
-1. Evenals de wetenschap heeft ook de religie hare principia. Om deze
-te leeren kennen, is het allereerst noodig, het wezen der religie te
-bepalen, vooral ook in onderscheiding van wetenschap en kunst. De
-naam religie geeft weinig licht. Cicero, de nat. deor. 2, 28, leidt
-het woord af van relegere, herlezen, nog eens overdoen, nauwkeurig
-waarnemen, en duidt daarmede de religie aan als een voortdurend en
-ijverig in acht nemen van al wat op de vereering der goden betrekking
-heeft, cf. de invent. 2, 22 en 53. Lactantius, Instit. divin. 4,
-28, verklaart het uit religare en verstaat dus onder religie den
-band, die den mensch aan God verbindt. Eene derde afleiding, van
-relinquere, komt bij Gellius, Noct. Att. 4, 9, voor en wijst aan, dat al
-wat tot de religie behoort, wegens zijne heiligheid van het ongewijde
-is afgezonderd. Augustinus, de civ. Dei 10, 4, brengt het eenmaal in
-verband met re-eligere: in de religie kiezen we God, dien we door de
-zonde hadden verloren, weder terug als de bron onzer zaligheid. J.
-C. Leidenroth, Neue Jahrb. für Philologie und Pädagogik von Seebode,
-Jahn und Klotz 1834 S. 455, neemt op grond daarvan dat de drie verba
-diligere, negligere en intelligere een ander perfectum hebben dan lego
-en zijne composita, een verloren stam ligere aan, sanscr. lok, gr.
-λευσσειν, duitsch lugen, eng. look, cf. lucere, met de beteekenis van
-zien; diligere zou dan beteekenen met liefde aanzien, negligere niet
-zien, intelligere inzien; en daarvan zou dan ook religere, terugzien
-en religio, het met vreeze omzien, cf. respectus, gekomen zijn. De
-afleiding van religare, relinquere, re-eligere stuit op grammatisch
-bezwaar en verklaart ook niet de eigenaardige beteekenissen, die
-religio in ’t latijn bezit. Tusschen de afleiding van Cicero en
-van Leidenroth is het pleit nog niet beslist; maar zakelijk komen
-beide hierin overeen, dat religio den godsdienst aanduidt als eene
-gezindheid van schuwe vrees tegenover de Godheid en als eene daaruit
-voortvloeiende angstig-nauwgezette waarneming van wat de cultus
-der goden eischt. Cf. den versregel bij Figulus (Gellius, Noct.
-Att. 4, 9): religentem esse oportet, religiosum nefas, H. Voigt,
-Fundamentaldogmatik. Gotha, Perthes 1874 S. 9 f. F. A. B. Nitzsch,
-Lehrb. der ev. Dogm. Freiburg, Mohr, 1889 S. 83. Hoekstra, Wijsg.
-Godsdienstleer I 52 v. Het woord is dus volstrekt niet geschikt, om
-den vollen inhoud van den christelijken godsdienst weer te geven. Maar
-het gebruik en de afleiding van Lactantius, die algemeen ingang vond,
-hebben het woord gekerstend. De Vulgata nam het op Hand. 26:5, Jak.
-1:27. Het woord is in alle europeesche talen overgegaan, en heeft ook
-in onze taal naast godsdienst, vroomheid (van het goth. fruma, lat.
-primus, op den voorgrond tredend, deugdzaam, dapper, bijv. Stat. Vert.
-Gen. 42:11, enz.), godsvrucht, godzaligheid burgerrecht verkregen en
-behouden.
-
-2. De H. Schrift geeft geene definitie en bezit ook geen algemeen
-begrip ter aanduiding van het verschijnsel der religie. Zij heeft
-afzonderlijke woorden voor hare objectieve en hare subjectieve zijde.
-De religio objectiva is identisch met de openbaring Gods, en bestaat
-in het verbond, בְרִית, hetwelk God aan Israël gaf, en dat dus in
-vollen zin eene goddelijke stichting, διαθηκη, heeten mag, Exod. 20:1
-v., 34:10 v., 27 v.; Jes. 54:10, enz. De ordeningen in dat verbond,
-welke Israël onderhouden moet, vormen saam den inhoud der תּוֹרָה,
-onderwijzing, leer, wet, wetboek des Heeren, en worden met zeer
-verschillende namen aangeduid. Ze heeten דְּבָרִים woorden Num. 12:6;
-Ps. 33:4, enz., מִצוֹת geboden, Gen. 26:5; Ex. 15:26, enz., פִקּוּדִים
-bevelen, Ps. 119:4, 5, 15, enz.; חֻקִּים inzettingen, besluiten, Ex.
-15:26; Lev. 25:18; Ps. 89:32; Job 28:26, enz.; מִשְׁפָּטִים rechtszaak,
-rechtsuitspraak, Num. 36:13; Ps. 19:10, enz.; דְּרָכִים‎, ‏אֳרָחוֹת
-wegen, paden, Deut. 5:33; Job 21:14; Ps. 25:4; enz.; מִשְׁמָרוֹת wetten
-die te bewaren zijn, Gen. 26:5; Lev. 18:30, enz. De vele uitdrukkingen
-wijzen aan, hoe in Israëls religie het objectieve, de inzetting Gods
-op den voorgrond staat. Aan die religio objectiva beantwoordt nu
-subjectief de יִרְאַת יהוה, de vreeze des Heeren. Deze drukt de
-innerlijke gezindheid van den vromen Israëliet uit tegenover de heilige
-wetten, die hem van Godswege ter onderhouding zijn voorgeschreven. Maar
-deze vreeze is toch wezenlijk onderscheiden van de angstige schuwheid,
-die oorspronkelijk in het lat. woord religio ligt opgesloten. Dat
-blijkt daaruit, dat deze vreeze des Heeren overgaat in en verbonden
-is met allerlei andere godsdienstige stemmingen, zooals gelooven
-הֶאֱמִין Gen. 15:6; Jes. 7:9; Hab. 2:4; vertrouwen בָּטַח Ps. 26:1,
-37:3, 5; toevlucht nemen חָסָה Ps. 5:12, 37:40; steunen סָמוּךְ, zich
-vastklemmen דָּבַק 2 Kon. 18:6; hopen קִוָּה, verwachten חִכָּה, ja
-zelfs liefhebben van God חָשַׁק Ex. 20:6; Deut. 6:5; Ps. 91:14. De
-rechten des Heeren blijven niet als een voorwerp van schrik en vreeze
-staan buiten en boven den Israëliet, maar worden een object van zijne
-liefde. Hij overpeinst ze met zijn verstand en betracht ze met zijn wil.
-Zij zijn zijne vermaking den ganschen dag. In het Nieuwe Testament treffen
-we in het wezen der zaak dezelfde opvatting aan. Maar nu geeft God
-zijne openbaring niet in eene reeks van wetten, maar in den persoon van
-Christus. Deze is de weg en de waarheid, Joh. 14:6. De ὁδος του κυριου
-Hand. 18:25, 19:9, 23, 22:4; de διδαχη of διδασκαλια Mt. 7:28, 22:33;
-Joh. 7:16, 17; Hd. 2:42; Rom. 6:17; 1 Tim. 1:10, 4:6, 16, 6:1, 3; 2
-Tim. 4:2, 3; Tit. 1:9, 2:1, 7, 10; het εὐαγγελιον Mk. 1:1, 14, 15,
-enz.; de λογος του θεου Mt. 13:19; Mk. 2:2, 4:14 v.; 2 Cor. 9:19, enz.
-concentreeren zich alle om Christus en zijn niets dan explicatie van zijn
-persoon en werk. Dienovereenkomstig verandert dan ook de subjectieve
-gezindheid. De gewone Grieksche woorden waren niet geschikt, om deze in
-haar eigenlijk karakter weer te geven. Δεισιδαιμονια wordt door Festus
-van den Joodschen Hd. 25:19, en het adjectief door Paulus van den
-Heidenschen godsdienst Hd. 17:22 gebezigd. Θεοσεβεια komt maar eenmaal
-voor 1 Tim. 2:10. Εὐσεβεια geeft te kennen heiligen eerbied voor God;
-het is in beteekenis verwant aan het lat. pietas, en drukt dus eene
-stemming uit, gelijk die ook in kinderen tegenover hunne ouders enz.
-aanwezig is; meermalen komt dit woord in het N. T. voor, vooral in de
-Pastoraalbrieven; wat de εὐσεβεια eigenlijk is en behoort te wezen, is
-eerst in het Evangelie geopenbaard 1 Tim. 3:16. Ook de vreeze is in
-het N. T. niet geheel uit de religio subjectiva geweken Luk. 18:2; Hd.
-9:31; 2 Cor. 5:11, 7:1; Rom. 3:18; Ef. 5:21; Phil. 2:12; 1 Petr. 1:17,
-3:2, 3:15, maar ze komt toch veel zeldzamer voor als beschrijving van
-de religieuse gezindheid; zij heeft in de meeste plaatsen betrekking
-op bijzondere gebeurtenissen, bijv. Gods gericht, en is door de liefde
-vervangen Rom. 8:15, 1 Joh. 4:18. Het gewone woord voor de religio
-subjectiva in het N. T. is πιστις. Aan de blijde boodschap der vergeving
-en der zaligheid in Christus beantwoordt van ’s menschen zijde het
-geloof, hetwelk een kinderlijk vertrouwen op Gods genade is en daarom
-ook terstond de liefde in ons hart werkt. Πιστις en ἀγαπη zijn de
-grondstemmingen van de christelijke vroomheid. De woorden λατρεια Rom.
-9:4, 12:1; Hebr. 9:1, 6 en θρησκεια Hd. 26:5; Col. 2:18; Jak. 1:27
-duiden den cultus aan, die Gode uit het beginsel des geloofs wordt
-toegebracht. J. Köstlin, Die Religion in N. T. Stud. u. Kr. 1888 S.
-7-102. Nitzsch t. a. p. 85.
-
-3. De H. Schrift geeft dus geen beschrijving van het wezen der religie,
-gelijk het naar de moderne voorstelling aan alle godsdiensten ten
-grondslag ligt. Maar zij teekent en beschrijft als religie alleen die
-verhouding tusschen God en den mensch, welke door God zelf is geregeld
-en bepaald. Evenzoo ging de vroegere theologie bij het bepalen van
-het wezen der religie altijd van de religio vera uit. En deze methode
-beveelt zich nog door hare juistheid aan. Zij kan alleen bestreden
-worden door hen, die meenen, dat de kategorieën van waar en valsch op
-de godsdiensten niet passen, wijl er geen kennis van het bovennatuurlijke
-mogelijk is, en dat dus de voorstellingen hoegenaamd niets te maken
-hebben met de religieuse gezindheid. Dit indifferentisme is echter,
-gelijk later blijken zal, onhoudbaar; ook het kennen is een wezenlijk
-element der religie. Aangenomen voor het oogenblik, dat er eene kennis
-is van het bovennatuurlijke en dat er eene religio vera bestaat; dan is
-er geen enkel bezwaar denkbaar, om aan haar de definitie te ontleenen
-voor het wezen der religie en deze te bezigen als maatstaf bij de
-beoordeeling van de andere godsdiensten. Geen enkele godsdienst kan
-er op tegen hebben, om getoetst te worden aan het zuivere begrip der
-religie. Het valsche wordt alleen door het echte gekend, en de leugen
-wordt ontdekt door de waarheid. Er is op geen enkel gebied eene juiste
-beoordeeling en waardeering der dingen mogelijk zonder een vasten,
-positieven maatstaf. Zoo is het in het recht, de moraal, de aesthetica
-en zoo is het ook in de religie. De studie der godsdiensten onderstelt
-dat we althans eenigszins weten, wat godsdienst is. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. III² 184.
-
-Naar het voorbeeld der H. Schrift hebben we bij het onderzoek naar
-het wezen der religie onderscheid te maken tusschen hare objectieve
-en hare subjectieve zijde. Deze onderscheiding ligt voor de hand en
-is in elken godsdienst aanwezig. De religio objectiva gaat vooraf.
-Alle menschen vinden haar bij hunne geboorte; zij groeien er in
-evenals in huisgezin, maatschappij, kerk, staat enz. Dit zijn altemaal
-objectieve instellingen en machten, die niet willekeurig uit en door
-den mensch ontstaan, maar die hem opnemen bij zijne geboorte, hem
-vormen en opvoeden en zelfs tegen zijn wil hem blijven beheerschen zijn
-gansche leven lang. Het is met de historie en met de psychologie in
-strijd, om bij de bepaling van het wezen der religie uit te gaan van
-de religio subjectiva en dan in de verschillende godsdiensten niets
-dan wisselende vormen en indifferente uitingen van haar leven te
-zien. Op die wijze wordt de dagelijksche ervaring miskend, de macht der
-religio objectiva geloochend, en alle verhouding van object en subject
-op revolutionaire wijze omgekeerd. Zeer zeker heeft ook de religio
-objectiva haar oorsprong, welke opgezocht en verklaard worden moet.
-Maar alle godsdiensten, wier oorsprong eenigermate bekend is, toonen
-ons, dat zij in aansluiting aan het bestaande zijn opgekomen, en met
-heel het historisch milieu ten nauwste in verband staan. Er is geen
-enkele godsdienst, die zuivere uiting is van de religieuse gezindheid
-en daaruit alleen zich verklaren laat. De religio subjectiva wijzigt
-en vervormt de bestaande religieuse voorstellingen en gebruiken en
-bezielt ze dikwerf met een nieuw leven. Maar zij schept niet, zij
-ontstaat zelve altijd en overal onder den invloed en de werking der
-bestaande godsdiensten. Stichters van godsdiensten zijn er daarom niet
-in eigenlijken zin. De religio objectiva is de haard van de religio
-subjectiva, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I. 123. Daar komt bij, dat alle
-godsdiensten willen beschouwd zijn, niet als uiting en vorm van eene
-religieuse gezindheid maar als vrucht van openbaring. Zij leiden hun
-oorsprong niet uit den mensch af maar uit God. Men moge dit beroep
-op openbaring laten gelden of niet; het feit spreekt te sterk en is
-te algemeen, dan dat het niet zou moeten worden verklaard. Het wijst
-aan, dat het begrip der religie aan dat der openbaring onafscheidelijk
-verbonden is. Er is geen religie zonder openbaring. Openbaring is de
-grondslag en de oorsprong van alle religie. Het staat daarom den man
-van wetenschap niet vrij, om reeds apriori dit begrip der openbaring
-te elimineeren en in de godsdiensten niets dan vormen van een zelfde
-wezen, uitingen van eene zelfde religieuse gezindheid te zien. Ook de
-H. Schrift leidt de religio objectiva uit openbaring af. God voortijds
-veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de
-profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon,
-Hebr. 1:1. Trouwens ligt het ook in den aard der zaak, dat openbaring
-en religie ten nauwste verbonden zijn. God alleen kan de wijze bepalen,
-waarop Hij door menschen gediend wil worden. Hominum non est, instituere
-et formare Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire, Conf.
-Helv. II art. 19. Naar de leer der H. Schrift heeft God dat gedaan
-deels door de natuur, deels door zijn Woord. De religio objectiva valt
-dus saam met de thora, genomen in den ruimsten zin, d. i. met heel die
-onderwijzing des Heeren, welke uit wet en evangelie, woord en feit,
-historie en profetie tot ons komt. Zij is de hoofdinhoud der H. Schrift
-en de stof der dogmatiek. De religio objectiva is niets anders dan de
-wijze, waarop God zelf heeft bepaald, dat Hij gediend en vereerd wil
-worden. Formeel komen alle godsdiensten overeen. Maar de overeenkomst
-strekt zich nog verder uit. Alle godsdiensten zijn samengesteld uit
-eenige bestanddeelen, die constant terugkeeren. Ten eerste is er in
-elken godsdienst eene traditie aangaande haar goddelijken oorsprong;
-elke godsdienst beroept zich op openbaring; dat is het historische,
-het positieve element, het element van traditie. Vervolgens is er in
-elke religie eene zekere leer, waarin God aan den mensch die kennis
-openbaart, welke tot zijn dienst onmisbaar is; deze wordt met het woord
-dogma aangeduid. Verder bevat iedere religie ook zekere wetten, welke
-den mensch voorschrijven, wat hij te doen en te laten heeft om met God
-in gemeenschap te kunnen leven; dat is de zedeleer, die iedere religie
-medebrengt. En eindelijk zijn er in elke religie ook een grooter of
-kleiner aantal van ceremoniën, d. i. van plechtige vormen en gebruiken,
-die de gemeenschap van den mensch met God ook in het uitwendige
-uitdrukken, begeleiden en versterken: dat is het cultisch of liturgisch
-bestanddeel in den godsdienst. In de verschillende godsdiensten is de
-onderlinge verhouding dezer bestanddeelen zeer verschillend; in sommige
-is er veel dogma en weinig cultus en omgekeerd; in andere is er eene
-rijke traditie en een gering aantal van zedelijke voorschriften, enz.
-Maar in alle religies zijn alle vier elementen aanwezig. Ook de religio
-vera, in de H. Schrift neergelegd, heeft haar historie en dogma, haar
-moraal en haar cultus, F. A. B. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S.
-101-108. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilosophie, Freiburg, Mohr
-1893 S. 263 f.
-
-4. Aan die religio objectiva beantwoordt in den mensch de religio
-subjectiva. Zeer gewoon was vroeger de omschrijving van den godsdienst
-als recta verum Deum cognoscendi et colendi ratio. Zij komt reeds bij
-Lactantius, Instit. div. 4,4 voor, en is behouden tot in deze eeuw
-toe. Toch is zij niet boven kritiek verheven. Zij zegt niets aangaande
-de subjectieve gezindheid, welke tot het dienen van God noodig is; zij
-wijst het verband niet aan, dat tusschen het kennen en dienen van God
-bestaat en stelt deze eenvoudig naast elkaar; en zij maakt van de andere
-elementen, die in de religie liggen, geen melding. De scholastiek
-drong dieper in de zaak door en deed onderzoek naar de subjectieve
-gezindheid, waaruit de religie bij den mensch opkomt. Thomas brengt ze
-tot de deugden. Deze worden door hem in drie soorten verdeeld: virtutes
-intellectuales (sapientia, scientia, intellectus, etc), virtutes
-morales (de vier cardinale deugden prudentia, justitia, fortitudo en
-temperantia), deze twee groepen werden aan Aristoteles ontleend. En
-daaraan werden als derde klasse toegevoegd de drie supranatureele
-of theologische deugden geloof, hoop en liefde, Thomas, S. Theol.
-II 1 qu. 57, 58, 62. De religio wordt nu door Thomas gebracht niet
-onder de virtutes theologicae maar onder de virtutes morales. Want de
-theol. deugden hebben dit eigenaardige, dat zij God tot rechtstreeksch
-object hebben; zij ordinant nos ad Deum immediate et directe ut ad
-objectum, ib. II 1 qu. 62 art. 2; maar in de religie is God niet
-objectum maar finis, het eigenlijk object in de religie is de cultus,
-die Gode wordt toegebracht. Zij is dus geen virtus theologica, die
-God tot object heeft, maar eene virtus moralis, die verkeert circa
-ea, quae sunt ad finem; zij ordinat hominem in Deum, non sicut in
-objectum, sed sicut in finem. Onder de virtutes morales is ze echter
-wel de voornaamste, omdat zij het nauwst in betrekking staat tot Hem,
-die het doel aller deugden is, n.l. God, ib. II 2 qu. 81 art. 5, 6.
-Nader wordt de religio door Thomas tot die virtus moralis gerekend,
-welke justitia heet. Hij vat de religio n.l. op als die virtus, per
-quam homines Deo debitum cultum et reverentiam exhibent. Al wordt
-Jak. 1 vs. 27 ook het bezoeken van weezen en weduwen enz. tot den
-godsdienst gerekend, toch is de religie in eigenlijken en engeren zin
-alleen eene verhouding tot God en nooit tot menschen. En ofschoon
-alles gedaan moet worden ter eere Gods, is de eere, die Gode in de
-religie wordt toegebracht, toch in specialen zin bedoeld en omvat
-strikt genomen alleen dat, wat betrekking heeft ad reverentiam Dei.
-Zij is dus één met de latreia, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 1-4. Deze
-definitie van Thomas, die door zeer velen is overgenomen, cf. C. R.
-Billuart, Summa S. Thomae -- -- sive Cursus Theologiae, Tom IV 1746
-p. 5 sq. Petrus Dens, Theologia ad usum seminariorum IV p. 9 sq. P.
-Collet, Instit. Theol. moralis III p. 401 sq. enz., is echter in de
-eerste plaats te eng, wijl ze alleen den cultus omschrijft en dus met
-latreia samenvalt. De religio subjectiva is niet alleen een dienst,
-eene vereering, maar allereerst eene gezindheid, welke in dien dienst
-zich uitspreekt. Voorts is de onderscheiding van virtutes morales en
-virtutes theologicae te supranaturalistisch en dualistisch. Er ligt
-natuurlijk eenige waarheid in, n.l. deze, dat ook in den gevallen mensch
-nog overblijfselen van het beeld Gods en zedelijke deugden zijn, zelfs de
-religie is niet geheel uitgeroeid. Maar de virtutes morales en ook de
-religieuse gezindheid moeten vernieuwd en herboren worden, om waarlijk
-goed te zijn. Thomas erkent dan ook, dat de theol. deugden, geloof,
-hoop, liefde causant actum religionis, quae operatur quaedam in ordine
-ad Deum, S. Th. II, 2 qu. 81 art. 5 ad 1, maar zij worden toch zelve
-van de religie uitgesloten; en terwijl de virtutes intellectuales en
-morales zijn secundum naturam hominis, zijn de virtutes theologicae super
-naturam I, 2 qu. 62 art. 2. De Hervorming heeft deze opvatting van
-de religie vooral in tweeërlei opzicht gewijzigd. Ten eerste maken de
-theologen der reformatie beter en duidelijker onderscheid tusschen de
-pietas als beginsel en den cultus als actio der religie. En ten tweede
-worden geloof, hoop en liefde niet als afzonderlijke theol. deugden
-naast de religie geplaatst, maar juist als de voornaamste akten van
-den cultus internus in de religie zelve opgenomen. De religio, zegt
-Zwingli, Opera ed. Schuler et Schulthess, III 155 omvat pietatem totam
-Christianorum, fidem, vitam, leges, ritus, sacramenta; zij bestaat
-in ea adhaesio, qua (homo) Deo utpote summo bono inconcusse fidit
-eoque parentis loco utitur, ib. 175, zij is animae deique connubium,
-ib. 180. Bij Calvijn treffen we drie begrippen aan: 1° de notitia, de
-kennis Gods, het besef zijner deugden; 2° deze notitia is idoneus
-pietatis magister; zij kweekt pietas, welke bestaat in conjuncta cum
-amore Dei reverentia, quam beneficiorum ejus notitia conciliat; en
-3° is het deze pietas weer, ex qua religio, in den zin van cultus,
-nascitur, Inst. I. 2, 1. Evenzoo onderscheidt Zanchius, Op. IV 263 sq.
-tusschen cultus, die de actio externa vel interna, qua Deum veneramur
-aanduidt en de religio of pietas, welke de virtus is, waaruit de cultus
-geboren wordt. Polanus zegt, Synt. Theol. 580 A, religio verschilt van
-cultus Dei, ut causa ab effectu. Religio of pietas is causa interna
-cultus Dei. De cultus, vrucht der pietas, wordt dan evenals bij de
-scholastici onderscheiden in internus en externus; de eerste heeft tot
-voornaamste daden fides, fiducia, spes, adoratio, dilectio, invocatio,
-gratiarum actio, sacrificium, obedientia; en de cultus externus is
-weer of moralis (belijdenis, gebed enz.) of ceremonialis (sacramenta,
-sacrificia, sacra). Zanchius IV 410 sq. Ursinus, Catech. qu. 94-103 en
-de explicatie daarvan, ook Tract. Theol. 1584 I p. 283 sq. Polanus,
-Synt. Theol. p. 32 F. Hoornbeek, Theol. pract. Lib. 9 cap. 6-8. Id.
-Summa Controv. p. 7 sq. Alsted, Theol. Catech. p. 5 sq. Moor, Comm. in
-Marckii Comp. I. 44 sq. Voor de Luth. vergelijke men Calovius, Isag. ad
-S. Theol. 1652 p. 301 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche 6e Aufl.
-S. 5 f. Hase, Hutterus Rediv. Loc. 1 § 2. Herzog² 12:645.
-
-5. De religio subjectiva is allereerst eene ἑξις, habitus, een zekere
-aanleg in den mensch, welke door inwerking van de religio objectiva
-in actus (cultus in- en externus) overgaat. Zulk een habitus is er in
-iederen mensch; semen religionis omnibus inditum est, Calv. Inst. I.
-4, 1. Maar deze habitus is in den gevallen mensch bedorven en brengt,
-door eene onware en onzuivere religio objectiva bevrucht, ook een
-cultus voort, die idololatreia, ἐθελοθρησκεια is. Daarom is voor eene
-zuivere religie noodig, dat ten eerste de van buiten tot ons komende
-religio objectiva ons God weer kennen doe gelijk Hij werkelijk is, en
-dat ten tweede de bedorven habitus religionis in den mensch wordt
-herboren en vernieuwd. In dezen zin is de religio subjectiva dus eene
-virtus infusa a Spiritu Sancto, Hoornbeek, Theol. pract. II p. 207,
-213. Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd. De mensch heeft vele
-deugden, zoowel in zijn verstand als in zijn wil. De eigenaardigheid dier
-virtus, welke in de religie werkt, moet dus nader worden aangewezen.
-Vroeger omschreef men deze virtus als pietas, reverentia, timor,
-fides enz., en zoo ook tegenwoordig als eerbied, ontzag, vreeze,
-afhankelijkheidsgevoel. Toch zijn alle deze omschrijvingen niet bepaald
-genoeg; al deze aandoeningen hebben we in meerder of minder mate ook
-ten opzichte van schepselen. Er moet een wezenlijk onderscheid zijn
-tusschen den cultus religiosus en den cultus civilis, tusschen λατρεια
-en δουλεια, tusschen de aandoeningen van vrees, eerbied, ontzag
-enz. gelijk wij die koesteren tegenover God en tegenover schepselen.
-Dat onderscheid kan alleen daarin gelegen zijn, dat in de religie in
-aanmerking komt de _absoluta_ dignitas et potestas Dei en de _absoluta_
-subjectio onzerzijds, Hoornbeek, Theol. pract. II 205 sq. Van schepselen
-zijn we slechts ten deele afhankelijk; wij staan als schepselen met
-hen op gelijke lijn; maar God is een wezen, van hetwelk wij volstrekt
-afhankelijk zijn en dat in elk opzicht de beslissing heeft over ons
-wel en ons wee. Bij de Heidenen wordt deze absoluutheid Gods wel als
-het ware onder vele goden verdeeld, maar toch is iedere god op zijn
-terrein met zoodanige macht bekleed, dat de mensch voor zijn geluk of
-ongeluk volstrekt van hem afhankelijk is. Het is vooral Schleiermacher
-geweest, die in zijn Christ. Gl. § 4 de religie omschreven heeft
-als schlechthiniges Abhängigkeitsgefühl. Tegen deze definitie zijn
-vele bedenkingen ingebracht, die o. a. kort worden weergegeven door
-Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 70 v. Inderdaad heeft deze omschrijving
-bij Schleiermacher een zin, welke niet kan toegelaten worden. De
-afhankelijkheid wordt bij hem zoo pantheïstisch opgevat, dat ze objectief
-alleen betrekking heeft op het wereldgeheel en subjectief beperkt wordt
-tot het gevoel. Toch ligt er in Schleiermachers definitie een gewichtig
-bestanddeel van waarheid. Wat den mensch tot een religieus wezen maakt
-en tot religie drijft, is het besef, dat hij tot God in eene relatie
-staat, die specifiek verschilt van alle andere verhoudingen, waarin hij
-geplaatst is. Deze relatie is zoo diep en teeder, zoo rijk en veelzijdig,
-dat zij moeilijk door één begrip kan worden uitgedrukt. Maar zeker
-komt dat van afhankelijkheid wel het eerst en het meest hiervoor in
-aanmerking. Want in de religie voelt de mensch zich in betrekking tot
-een persoonlijk wezen, dat zijn lot op ieder gebied van het leven en voor
-tijd en eeuwigheid in de hand heeft. Daarom wordt God in de religie nog
-niet uitsluitend als macht opgevat; want ook als Genadige, Barmhartige,
-Rechtvaardige, Heilige enz. staat God tegen den mensch toch altijd als
-Souverein, als Absolute, als God over. En de mensch staat tegenover Hem
-altijd als schepsel; hij is dat tegenover niemand en niets anders, hij is
-dat alleen tegenover God. En daarom is deze creatuurlijke afhankelijkheid
-niet het wezen maar toch de grondslag van de religie. De mensch is
-echter niet alleen schepsel, maar ook een redelijk en zedelijk schepsel;
-zijne verhouding tot God is daarom eene gansch andere dan van engelen en
-dieren. De volstrekte afhankelijkheid, waarin de mensch tot God staat,
-sluit daarom de vrijheid niet uit. Hij is afhankelijk, maar op eene andere
-wijze dan de andere schepselen; hij is zoo en in dien zin afhankelijk, dat
-hij tegelijk een redelijk en zedelijk wezen blijft, dat hij Gode verwant,
-zijn geslacht en zijn beeld is. Volstrekt afhankelijk is hij zoodat de
-loochening dezer afhankelijkheid hem nimmer vrij maakt, en toch hare
-erkenning hem nooit tot slaaf vernedert. Integendeel, in de bewuste,
-vrijwillige aanvaarding van deze zijne afhankelijkheid komt de mensch tot
-de hoogste vrijheid. Hij wordt in dezelfde mate mensch, als hij kind Gods
-is. De H. Schrift stelt geen onderzoek in naar het wezen der religio
-subjectiva, gelijk die nog in alle menschen en onder alle godsdiensten
-wordt gevonden. Het zou ook een onbegonnen werk zijn. Want de religieuse
-gezindheid is in de velerlei godsdiensten zoo verschillend, dat er
-hoogstens een zeer algemeen en vaag begrip voor aangegeven kan worden.
-De Schrift bestempelt echter die religieuse gezindheid, welke de
-Christen tegenover God en zijne openbaring gevoelt, met den naam van
-geloof. Dat is het centrale begrip in de religio subjectiva van den
-Christen. Over de natuur van dat geloof is in de christelijke kerk ten
-allen tijde groot verschil geweest. Het religieuse leven is zoo rijk
-en diep, dat het telkens van eene andere zijde kan worden beschouwd.
-Maar in het geloof liggen toch altijd deze twee elementen opgesloten,
-ten eerste, dat de mensch tegenover God en zijne openbaring geheel
-receptief en volstrekt van God afhankelijk is, en ten andere, dat hij
-juist door erkenning dezer afhankelijkheid de vergeving, het kindschap,
-de zaligheid uit genade deelachtig wordt. Analogie van deze religio
-subjectiva in het Christendom is er zeker ook bij andere godsdiensten,
-maar alleen in de christelijke religie is de subjectieve relatie van den
-mensch tot God volkomen normaal. Afhankelijkheid en vrijheid zijn hier
-met elkander verzoend. De souvereiniteit Gods blijft hier ten volle
-gehandhaafd en de verwantschap des menschen met God wordt toch volledig
-erkend. De mensch is te religieuser en wordt te meer den beelde Gods
-gelijkvormig, naarmate hij zijne afhankelijkheid dieper beseft en erkent.
-Daarom kunnen alle deugden ten opzichte van schepselen overdreven
-worden; maar met betrekking tot God is er geene overdrijving mogelijk.
-Men kan Hem nooit te veel gelooven, vertrouwen, liefhebben enz., nooit
-kan ’t geloof te veel verwachten, Voigt, Fundamentaldogmatik 65 f. Aug.
-Dorner, Stud. u. Kr. 1883 S. 217 f. Kahnis, Die luth. Dogm. 2e Ausg.
-1874 I 81 f. Abr. des Amorie van der Hoeven Jr. De godsdienst het wezen
-van den mensch, Leeuwarden, 1848 bl. 38 v.
-
-6. De religio subjectiva gaat door de inwerking der religio objectiva
-uit haar habitueelen toestand in daden over. Deze daden zijn in- of
-uitwendig, en maken alzoo onderscheid tusschen den cultus internus en
-externus. Religio en cultus verhouden zich als oorzaak en gevolg. Toch
-is hiermede niet bedoeld dat de cultus eene vrije vinding en uiting is
-van de subjectieve religie. Alle ἐθελοθρησκεια is verboden, Mt. 15:9.
-Mk. 7:7. Col. 2:23. Zoowel het antinomistisch Anabaptisme als het
-nomistisch Romanisme is hier te vermijden. God bepaalt alleen, hoe Hij
-wil gediend worden. En de wedergeboorte van de door de zonde bedorven
-religio subjectiva, van den habitus religionis, bestaat juist daarin,
-dat de geloovigen een oprechten lust ontvangen, om niet alleen naar
-sommige maar naar alle geboden Gods in volmaaktheid te leven. Het is
-hunne spijze, om den wil des Vaders te doen. Jezus sprak en deed nooit
-iets, dan waartoe Hij een gebod van den Vader had ontvangen. Daarom
-legt de Schrift op het wandelen in Gods geboden, op het onderhouden
-van zijne inzettingen enz. zoo sterken nadruk. En daartoe wederbaart
-God den mensch, om hem, die afkeerig is van zijn dienst, wederom in het
-innerlijkste van zijn wezen in overeenstemming te brengen met zijn wil
-en wet, in de religio objectiva neergelegd. De cultus internus omvat
-de daden van geloof, vertrouwen, vreeze, liefde, gebed, dankzegging
-enz., en de cultus externus openbaart zich in belijdenis, gebed, gezang,
-dienst des woords en der sacramenten, gelofte, vasten, waken enz. Deze
-is dus deels moreel, deels ceremonieel; en kan wederom solitarius
-en socius zijn. In het laatste geval is hij privaat of publiek; de
-gemeenschappelijke, openbare cultus wordt in de kerkenordeningen
-geregeld. In al deze religieuse handelingen is het besef der absolute
-afhankelijkheid de religieuse grondgedachte, het bezielend element.
-Daarvan losgemaakt worden ze letterdienst, lippenwerk, koud en dood
-formalisme. Maar daardoor bezield, krijgen zij alle haar specifiek
-religieus karakter. Ook schepselen zijn voorwerp van ons geloof, van
-onze hope, van onze liefde enz. Wat al deze handelingen tot religieuse
-stempelt, is, dat zij ons in betrekking stellen tot een Persoon, van
-wien wij met alle dingen in volstrekten zin en toch weer op eene eigene
-wijze, d. i. als redelijke schepselen afhankelijk zijn. Het wezen der
-religie kan toch in niets anders gelegen zijn, dan daarin dat God juist
-als _God_ wordt verheerlijkt en gedankt. Elke religie, die hierin te
-kort schiet, komt de eere Gods te na en houdt in diezelfde mate ook
-op, echt religieus te zijn. Daarentegen bestaat de echte religie in
-eene zoodanige gezindheid van den mensch, welke eenerzijds wortelt in
-het diep besef zijner volstrekte afhankelijkheid van God als Schepper,
-Verlosser, Heiligmaker enz., en andererzijds zich uitstrekt, om naar
-alle Gods inzettingen in oprechtheid te wandelen.
-
-
-B. Zetel der religie.
-
-7. Nadat het wezen der religie is onderzocht, moet de plaats worden
-bepaald, welke zij in den mensch, te midden van zijne faculteiten en
-functiën inneemt. Meteen wordt dan de verhouding duidelijk, waarin
-de godsdienst staat tot wetenschap, kunst en zedelijkheid. Reeds de
-scholastiek stelde de vraag, of de religio eene virtus intellectualis
-of moralis was, en Thomas zeide het laatste, S. Theol. II 2 qu. 81 art.
-5. Maar eerst in de nieuwere philosophie, vooral nadat de godsdiensten
-der volken meer bekend zijn geworden, is het wezen der religie tot een
-voorwerp van psychologisch en historisch onderzoek gemaakt. Lessing’s
-Erziehung des Menschengeschlechts 1780 en Herder’s Ideen zur Philos.
-der Gesch. der Menschheit 1784 maakten er een aanvang mede. En sedert
-is de historie en de philosophie der godsdiensten een geliefkoosde
-studie geworden. Ter bepaling van het wezen der religie gaat het
-tegenwoordig onderzoek bijna altijd uit van de religio subjectiva,
-en het recht, de macht, de waarde der religio objectiva wordt bijna
-algemeen miskend. Dit is gevolg van eene wijsgeerige praemisse, dat
-alle godsdiensten in wezen gelijk zijn en slechts in vorm verschillen.
-Maar dit religieuse indifferentisme is daarom onhoudbaar, wijl alle
-religie noodwendig een kennen insluit en de realiteit poneert van zijn
-object; zoodra echter dit het geval is, valt een godsdienst onder de
-kategorie van waar en onwaar. Indien de religie niets ware dan gevoel
-en phantasie, zou ze aan haar scheppingen ook slechts eene aesthetische
-waarde hechten. Maar elke religie is overtuigd van de realiteit en de
-waarheid harer objecten (goden, profeten, heilige plaatsen enz.), en
-is zonder dat geloof onbestaanbaar, cf. Dr. Bruining, Theol. Tijdschr.
-Nov. 1894 bl. 563 v. 598 v. Feitelijk past ieder dan ook de kategorie
-van waar en onwaar op de religies toe; de religionsphilosoof gelooft
-niet aan de waarheid van de goden der volken, al waardeert hij ook de
-religieuse gezindheid, die in hun vereering zich menigmaal uitspreekt.
-Voorts staan de verschillende godsdiensten zelve lang niet indifferent
-tegenover elkaar; zij beschouwen zichzelve en elkander niet als staande
-in verhouding van lager en hooger, maar van waar en valsch. De wijsgeer
-staat met zijn indifferentisme vrij wel alleen. Frederik de Groote moge
-zeggen: in meinem Reiche soll Jeder nach seiner Façon selig werden,
-de godsdiensten zelve denken er gansch anders over. En ze kunnen niet
-anders; wat de een poneert, negeert de andere. Zij sluiten elkaar uit,
-en kunnen niet beide waar zijn. Indien Christus de Gezondene is des
-Vaders, dan is Mohammed het niet. En eindelijk berust het religieuse
-indifferentisme nog op de zondige gedachte, dat het Gode onverschillig
-is, hoe Hij gediend wordt. Het ontneemt Hem het recht, om de wijze van
-zijn dienst te bepalen. In elk geval gaat het uit van de gedachte,
-dat God zijn dienst niet heeft voorgeschreven, dus van de apriorische
-loochening der openbaring. De stelling, dat de godsdiensten in wezen
-overeenkomen en in vorm verschillen, is omgekeerd veel juister; zij
-verschillen in wezen maar komen in vorm overeen. Daarbij moet ten slotte
-nog de opmerking worden gemaakt, dat het indifferentisme in zake de
-religie zich meer of minder ver uitstrekken kan. Het syncretisme houdt
-het kerkelijke, het deïsme houdt het christelijke, het modernisme houdt
-de religio objectiva, de morale indépendante houdt al het religieuse
-voor indifferent. Feitelijk en objectief is er echter niets indifferent,
-noch in de natuur, noch in den staat, noch in wetenschap of kunst.
-Alles, ook het geringste, heeft zijne bepaalde plaats en beteekenis in
-het geheel. Indifferent is de mensch alleen voor wat hij niet kent; wat
-hij weet, wordt ook vanzelf door hem getaxeerd en gewaardeerd. God is
-onverschillig voor niets, omdat hij alles kent. Cf. Lamennais, Essai sur
-l’indifférence en matière de religion, 9e éd. Paris 1835, vooral tome
-premier, waarvan de introduction begint: le siècle le plus malade n’est
-pas celui qui se passionne pour l’erreur, mais le siècle qui néglige,
-qui dédaigne la vérité.
-
-8. Het algemeen geloof, dat de godsdiensten verschillende vormen zijn
-van één wezen, gaat uit van de gedachte, dat het wezen der religie
-niet in de religio objectiva, maar in de religio subjectiva ligt. De
-eerste is onverschillig, op de laatste, op de religieuse gezindheid
-of stemming komt het aan. Naar die gezindheid moet dus onderzocht,
-om het wezen der religie te bepalen. Maar waar en hoe moet dat
-onderzoek geschieden? Twee methoden dienen zich aan, de historische
-en de psychologische. De historische, voorgestaan bv. door Dr. A.
-Bruining, Wijsbeg. v. d. godsd. Theol. Tijdschr. 1881 bl. 365 v. wil uit
-historisch onderzoek en vergelijkende waarneming van de godsdienstige
-verschijnselen het wezen van de religie bepalen. Maar deze methode is
-feitelijk onmogelijk, omdat elk onderzoek van de godsdiensten reeds eene
-notie van den godsdienst onderstelt; een vergelijkend onderzoek van alle
-godsdiensten een onuitvoerbare arbeid is; en in de godsdiensten juist
-de religieuse gezindheid het diepst is verborgen en schier aan alle
-waarneming ontsnapt. Wat weten wij nog van de stemming en gezindheid,
-die in de verschillende richtingen en kerken binnen het Christendom aan
-de godsdienstige verschijnselen ten grondslag ligt! De psychologische
-methode, o. a. door. Hugenholtz, Studiën op godsd. en zedek. gebied
-II 83 v. en Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsdienst 41 v. verdedigd,
-wil het wezen van den godsdienst zielkundig verklaren en verlangt
-daarom, dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een godsdienstig
-mensch zij en als zoodanig de godsdienstige verschijnselen waarneme en
-beoordeele. Hier is op zichzelf niets tegen te zeggen. Bij de studie der
-godsdiensten het eigen godsdienstig bewustzijn buiten rekening te laten,
-gelijk Dr. Bruining wil, ware hetzelfde naar de goede opmerking van
-Dr. Hugenholtz, als zichzelven de oogen uit te steken uit vrees voor
-gezichtsbedrog. Maar dan mag toch geeischt, dat zulk een onderzoeker
-der godsdiensten geen valsche maar een ware en zuivere opvatting van
-den godsdienst meebrenge; anders toetst hij alle godsdiensten slechts
-aan zijn eigene misschien zeer verkeerde voorstelling en aan die zijner
-geestverwanten, bv. aan de moderne opvatting der religie. Indien de
-vraag echter zoo staat, dan is er tusschen orthodoxen en modernen geen
-kwestie meer van methode, maar alleen van de waarheid of onwaarheid
-der godsdienstige voorstelling, waarvan beiden uitgaan. En dan is
-de waarborg voor de waarheid der godsdienstige voorstelling, welke
-de orthodoxe meebrengt minstens even groot als die voor de moderne
-opvatting der religie; want gene ontleent haar aan de H. Schrift en is
-in overeenstemming met de kerk van alle eeuwen, en deze is van korten
-tijd en slechts in een kleinen kring van geestverwanten geldig.
-
-9. De wijsbegeerte van den godsdienst heeft nu vooral drie opvattingen
-van het wezen der religio (subjectiva) voorgedragen. Ten eerste de
-intellectualistische, die ’t wezen der religie stelt in de kennis, en
-haar zetel plaatst in het verstand. Het gnosticisme zei al, dat de
-gnosis zalig maakte, dat de agnitio was redemptio interioris hominis,
-Irenaeus adv. haer. I cap. 21. Dit gnosticisme heeft ten allen tijde
-in de christelijke kerk verdedigers gevonden, maar is vooral weer
-opgekomen in de nieuwere philosophie. Spinoza houdt verstand en wil
-voor unum et idem, Eth. II prop. 49, laat den amor Dei geboren worden
-uit de heldere en duidelijke kennis des menschen van zichzelf en zijne
-affecten, ib. V prop. 15, en noemt dezen amor intellectualis, ib.
-prop. 32. Summa mentis virtus est Deum cognoscere V prop. 27, en onze
-mens is pars infiniti Dei intellectus II prop. 11. Deze kennis Gods,
-d. i. der dingen sub specie aeternitatis II prop. 44 is summa mentis
-acquiescentia V prop. 27. Volgens Schelling in zijn eerste periode is er
-van het Absolute, als identiteit van het eindige en oneindige, alleen
-een absoluut weten mogelijk; de religie verliest hier dus geheel hare
-zelfstandigheid, het geloof is eene onjuiste, onzuivere opvatting van
-de idee, Philosophie u. Religion (Sämmtl. Werke, Erste Abth. VI S. 11
-f.). Vooral Hegel heeft deze intellectualistische bepaling van het
-wezen der religie uitgewerkt. Bij hem is het Absolute het denken zelf,
-dat in de tegenstellingen ingaat en uit deze weer tot de identiteit met
-zichzelf terugkeert. Heel de wereld is dus eene ontwikkeling van den
-geest, eene logische ontvouwing van den inhoud der rede, een proces,
-waarin de idee eerst in de natuur zich objectiveert en dan daaruit in
-den geest weer tot zichzelve terugkeert. Een van de momenten, welke
-dit proces doorloopt, is de religie. De menschelijke geest is het, in
-wien het Absolute tot zichzelf komt en zich van zichzelf bewust wordt.
-En dit zelfbewustzijn van den absoluten geest in den eindigen geest is
-religie. Religie is dus wezenlijk weten, geen gevoelen en geen handelen,
-maar weten en wel van God door den eindigen geest of objectief weten
-Gods van zichzelven door en in den eindigen geest. Der Mensch weiss
-nur von Gott, insofern Gott im Menschen von sich selbst weiss, diess
-Wissen ist Selbstbewustseyn Gottes, aber ebenso ein Wissen desselben
-vom Menschen, und diess Wissen Gottes vom Menschen ist Wissen des
-Menschen von Gott. Der Geist des Menschen von Gott zu wissen, ist
-nur der Geist Gottes selbst, Vorles. über die Philos. der Religion,
-herausg. v. Marheinecke 1832 Werke XII S. 428. Religie is echter niet
-’t hoogste weten; het is maar een weten van het absolute in den vorm
-van zinnelijke, historische voorstellingen. Het hoogste, ware weten
-wordt eerst bereikt in de philosophie. De religie is daarom tijdelijk,
-een lagere vorm, voor de onontwikkelden geschikt. Maar de philosophie
-maakt uit de zinnelijke voorstellingen der religie de idee los en komt
-alzoo tot een absoluut, adaequaat, begrifflich weten van God, ib. S. 15
-f. cf. Strauss, Christl. Gl. I 12. Feuerbach, Wesen des Christenthums
-1841 en Strauss, Christliche Glaubenslehre 1840, Der alte und der neue
-Glaube, 2e Aufl. 1872 trokken de consequentie en voltooiden de breuke
-met de christelijke religie. Het idealisme sloeg in materialisme om.
-Evenals reeds in de vorige eeuw door La Mettrie, cf. Stöckl, Gesch. der
-neueren Philos. I 378, zoo werd ook nu weer door velen het geloof aan
-God voor de grootste en schadelijkste dwaling gehouden. Bruno Bauer,
-Arnold Ruge, Edgar Bauer, Max Stirner predikten het naaktste egoïsme.
-Het materialisme, dat ongeveer 1850 in Duitschland opkwam, oordeelde
-niet anders, Büchner, Kraft und Stoff 1855, 16e Aufl. 1885 S. 392
-f. Specht, Theol. u. Naturwiss. 3e Aufl. 1878 S. 71 f. Moleschott,
-Kreislauf des Lebens 1852. Carl Vogt, Köhlerglaube und Wissenschaft
-1854. Czolbe, Neue Darstellung des Sensualismus 1855.
-
-10. Nu heeft Hegel zeer goed ingezien, dat religie ook kennis bevat
-en dat godsdienst en metaphysica ten nauwste verwant zijn. De aard der
-zaak maakt dit ook duidelijk. Religie is altijd eene verhouding des
-menschen tot eene boven hem staande, goddelijke Macht. Religie is er
-dus niet en kan er niet zijn zonder eene bepaalde voorstelling van God;
-en deze sluit weer andere voorstellingen in omtrent wereld en mensch,
-oorsprong en einddoel der dingen. Deze godsdienstige voorstellingen
-hebben voor den geloovige transcendentale beteekenis; hij is ten
-diepste overtuigd van haar objectieve realiteit en waarheid. Zoodra
-hij deze voorstellingen gaat houden voor producten zijner phantasie,
-voor idealen zonder realiteit, of ook aan de kenbaarheid van het
-metaphysische wanhoopt, is het met zijne religie gedaan. Het skepticisme
-vernietigt het voorwerp der religie en daarmede deze zelve. Ook met het
-verstand moet God worden gediend; maar als het verstand inziet, dat
-de religieuse voorstellingen niet beantwoorden aan eene werkelijkheid,
-houdt het op godsdienstig te zijn. Religieuse en theoretische
-wereldbeschouwing, theologie en wetenschap zijn niet hetzelfde maar
-kunnen toch onmogelijk met elkander strijden. Zulk een dualisme is met de
-eenheid van den menschelijken geest in onverbiddelijken strijd, Hartmann,
-Religionsphilosophie. II. Die Religion des Geistes, 2te Aufl. Leipzig,
-Friedrich S. 3-27.
-
-Maar Hegel dwaalde toch hierin dat hij godsdienst en wijsbegeerte tot
-elkander in verhouding stelde als lager en hooger, als voorstelling en
-begrip, en ze dus opvatte als successieve momenten van één proces. De
-Hegelianen zooals Strauss, Glaub. I 12 f. en Biedermann, Christl. Dogm.
-2e Aufl. I 184 f. zagen het onjuiste hiervan zelven in. Inhoud en vorm
-zijn nooit zoo mechanisch en uitwendig verbonden, dat geheele wijziging
-van dezen genen onveranderd laat. De omzetting der godsdienstige
-voorstellingen in philosophische begrippen tast ook den godsdienstigen
-inhoud zelven aan. De historie van de Hegelsche philosophie bracht dit
-spoedig aan het licht. Er bleef bij haar van de christelijke dogmata zoo
-goed als niets over; triniteit, menschwording, voldoening behielden
-de orthodoxe namen maar werden geheel anders geïnterpreteerd. De
-feiten van het Christendom werden tot den vorm gerekend en waardeloos
-geacht. In de plaats daarvan kreeg men begrippen, die geen inhoud meer
-hadden. Een tweede fout van Hegel bestond daarin, dat hij aan religie en
-philosophie een gelijken inhoud gaf en toch de eerste voor een lageren
-vorm hield van de tweede. De religie werd daardoor verlaagd tot een
-relatief goed, dat alleen nog maar waarde had voor de eenvoudigen en de
-onontwikkelden. De wijsgeeren waren er verre boven verheven en hadden
-aan de philosophie genoeg. Dit nu berust op eene totale miskenning
-van het wezen der religie. Want religie en wetenschap zijn wel verwant
-maar toch ook hemelsbreed verschillend. Al hebben ze ook menigmaal
-een zelfden inhoud en voorwerp, dezen komen toch in beide onder een
-geheel ander gezichtspunt voor. In de wetenschap is het om kennis,
-in de religie is het om troost, vrede, zaligheid te doen. De religie
-en philosophie zijn evenmin als de état théologique, métaphysique en
-positive van A. Comte elkaar historisch opvolgende toestanden van den
-menschelijken geest, maar zijn verschillende gezichtspunten, waaronder
-dikwerf eene zelfde zaak beschouwd kan worden. Ook de diepzinnigste
-wijsgeer komt daarom met al zijne kennis boven de religie niet uit;
-door de wetenschap kan hij nimmer zijne religieuse behoefte bevredigen.
-De wetenschap moge hem al zeggen, dat en wat God is; alleen door de
-religie weet hij, dat die God ook zijn God en zijn Vader is. De wetenschap
-moge hem leeren dat er zonde is en genade; alleen door de religie wordt
-hij de zaligheid der vergeving en van het kindschap Gods deelachtig.
-Al kon de wetenschap alles weten, en al kon ze alle metaphysische
-problemen oplossen; dan nog gaf ze slechts theoretische kennis, en
-geen persoonlijk deelgenootschap aan de goederen des heils. Niet aan
-het weten, maar alleen aan het gelooven is de zaligheid verbonden.
-Maar het is er verre van af, dat de wetenschap en de wijsbegeerte
-het zoover brengen kan. Juist op de belangrijkste vragen blijft zij het
-antwoord schuldig. De verwachting, die Renan in 1848 van de wetenschap
-koesteren kon, bleek hemzelven in 1890 niets dan eene illusie te
-zijn, Renan, L’avenir de la science. Pensées de 1848. 2e éd. Paris
-1890. De wetenschap zegt ons noch wat God noch wat de mensch is; zij
-laat ons onbekend met den oorsprong en de bestemming der dingen. De
-verschijnselen neemt ze waar, maar het noumenon blijft haar verborgen.
-Zij kan de religie nimmer vervangen en nooit haar verlies vergoeden,
-Voigt, Fundam. dogm. 120 f. Hartmann, Religionsphilosophie II S. 3-27.
-H. Siebeck, Lehrbuch der Religionsphilosophie, Freiburg 1893 S. 1-11.
-Nitzsch, Ev. Dogm. 92-96. Pfleiderer, Grundriss der christl. Gl. u.
-Sittenlehre § 11.
-
-11. Anderen hebben daarom de religie omschreven door zedelijk
-handelen en haar zetel in den wil gezocht. Het Pelagianisme in zijne
-verschillende vormen, Semipelag. Socin. Remonstr. Deisme, Ration. enz.
-heeft deze opvatting voorbereid, inzoover de fides bij deze richting
-aangevuld wordt door of zelfs alleen bestaat in eene nova obedientia.
-De leer is dan slechts middel en ondergeschikt, hoofdzaak is de liefde,
-op een deugdzaam, zedelijk leven komt het aan. Ook Spinoza heeft naast
-de intellectualistische deze moralistische opvatting. De H. Schrift
-is Gods woord, omdat ze de vera religio, de lex divina bevat, Tract.
-theol. pol. cap. 12 § 18 sq. Zij bedoelt niets praeter obedientiam,
-cap. 13 en deze obedientia erga Deum bestaat in solo amore proximi,
-ib. § 8. Philosophie en geloof zijn zoo onderscheiden, dat gene tot
-doel heeft de veritas, dit de obedientia en pietas, cap. 14 § 38.
-De intellectualis sive accurata Dei cognitio is geen gave aan alle
-geloovigen, maar wel de obedientia, deze wordt van allen geeischt, cap.
-13 § 9. Maar vooral Kant heeft aan dit moralisme ingang verschaft.
-De theoretische rede kan n.l. het bovenzinnelijke niet bereiken. God,
-vrijheid, onsterfelijkheid zijn wetenschappelijk niet te bewijzen. Zij zijn
-alleen postulaten van de practische rede tot vervulling van de zedewet
-en tot verkrijging van het hoogste goed, d. i. de met deugd verbondene
-zaligheid. Gelooven is dus voor waar houden niet op theoretische
-maar op practische gronden. De moraal wordt grondslag der religie.
-En religie ist subjektiv betrachtet das Erkenntniss aller unserer
-Pflichten als göttlicher Gebote. De religie is hier niet rechtstreeks
-en onmiddellijk gegrond in de menschelijke natuur, maar alleen door het
-zedelijke heen. Ze heeft ook geen eigen inhoud en stof, maar is niets
-dan eene nadere bepaling van het zedelijke; niet in het object maar
-alleen in den vorm ligt het onderscheid tusschen beide. Kant moest dan
-ook erkennen, dat geen godsdienst zich met zijne religie heeft tevreden
-gesteld. Alle godsdiensten bevatten behalve het zuivere redegeloof
-nog vele andere dogmata, een doktrinalen historischen Glauben. Maar
-hij verklaart dit uit de zwakheid der menschelijke natuur, die niet
-licht te overtuigen is, dat een zedelijke wandel alles is, wat God
-van ons eischt. Roeping is het, om den Kirchenglauben meer en meer
-te reinigen en in den zuiveren Vernunftglauben te doen overgaan,
-Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, herausg. van
-K. Rosenkranz 1838. Kant’s religie bestond daarom feitelijk in niets
-anders dan de rationalistische trilogie God, deugd, onsterfelijkheid.
-Maar J. G. Fichte ging verder en leidde uit het zedelijk bewustzijn geen
-ander postulaat af, dan dat het ik het gansche niet-ik, de wereld,
-aanzie als het „versinnlichte Material” van zijn plicht, ze erkenne
-als zoo geordend dat zijn zedelijk willen en handelen op de lijn ligt
-van het zedelijke doel van het geheel, m. a. w. dat er eene zedelijke
-wereldorde is. Hier is de religie geheel in ’t zedelijke opgegaan. Cf.
-Ueber den Grund unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung 1798.
-Dit moralisme is in het ethicisme verdiept, doordat het moreele niet
-alleen psychologisch maar ook metaphysisch opgevat wordt. De wil, het
-goede, de liefde is dan het eigenlijke zijn, het Ursein, het Absolute;
-daaruit is alles, de triniteit, de wereld, de verlossing te verklaren;
-die macht van het goede realiseert zich in de menschenwereld door
-middel van het zedelijke. Dat is de grondgedachte, waarvan Schelling
-in zijne tweede periode uitging: es gibt in der letzten und höchsten
-Instanz gar kein anderes Sein als Wollen, Wollen ist Ursein, Ueber das
-Wesen der menschl. Freiheit, Sammtl. Werke VII 331 f. Vooral Rothe
-heeft dit ethicisme in de theologie overgebracht; de Frömmigkeit heeft
-geen eigen inhoud maar valt in concreto met de ware zedelijkheid saam,
-Theol. Ethik § 114-126; de kerk gaat daarom ook over in den staat §
-440. Sedert heeft deze ethische richting grooten invloed verkregen.
-Het ethische wordt beurtelings als grondslag (Neokantianen), inhoud
-(Ethischen onder de Vermittelungstheologen en onder de Modernen), of
-zelfs als geheele vergoeding (Morale indépendante. De ethische beweging
-in de religie) van de religie beschouwd. De ethische richting onder
-de Vermittelungstheologen trad in het voetspoor van Schleiermacher en
-Rothe, cf. mijne Theol. van D. Ch. de la Saussaye, Leiden 1884, bl. 20
-v. Hier te lande zocht Hoekstra den grondslag van het godsdienstig
-geloof in de practische rede, in den wil, Bronnen en grondslagen
-van ’t godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 49 v. 63 v. De bij hem zich
-aansluitende ethische Modernen omschrijven den godsdienst als toewijding
-aan het zedelijk ideaal, als reine zedelijkheid, Dr. Hooijkaas, God in
-de geschiedenis 1870. Godsdienst volgens de beginselen der ethische
-richting onder de Modernen, vier voorlezingen van Hooijkaas, Hooijkaas
-Herderschee, Oort en van Hamel, ’s Bosch 1876. cf. Rauwenhoff, Wijsb.
-v. d. godsd. 1887 bl. 116 v. Rauwenhoff zelf stelt het wezen van
-de religie in het geloof aan eene zedelijke wereldorde, Wijsb. v. d.
-godsd. 373 v. Verwant daarmede is de leer der Morale Indépendante,
-cf. C. Coignet, La morale indépendante dans son principe et dans son
-objet, Paris 1863. Vacherot, La religion, Paris 1869 cf. Bibl. v. mod.
-Theol. 1870 I 333 v. Caro, La morale indép. Paris 1876. E. Bersier,
-sur la question de la mor. indép. in de Handelingen der Ev. Alliantie
-1867. Cramer, Christendom en Humaniteit 1871 bl. 159 v. en evenzoo
-die ethische beweging, welke uit Amerika in Engeland en Duitschland
-is doorgedrongen, en onverschillig voor allen godsdienst geen dogma
-erkent dan de liefde tot het goede. Zie W. M. Salter, De godsdienst der
-moraal, holl. door Dr. Hugenholtz 1889, cf. Lamers, De godsd. evenmin
-moraal als metaphysica 1885. Bibl. v. mod. Theol. 1887, 4e st. bl.
-579. Kuenen in de Hervorming 1888, antwoord van Salter ib. 15 Dec.
-1888. Dr. Felix Adler, Die ethischen Gezellschaften, Berlin, Dümmler
-1892. Die ethische Bewegung in Deutschland, vorbereitende Mittheilungen
-eines Kreises gleichgesinnter Männer u. Frauen zu Berlin, ib. 1892.
-St. Coit, Die ethische Bewegung in der Religion, vom Verf. durchges.
-Uebersetzung v. Gizycki. Leipzig, Reisland 1890. Daartegen: Dr. M.
-Keibel, Die Religion u. ihr Recht gegenüber dem modernen Moralismus.
-Halle, Pfeffer, 1892. Ook Otto Dreyer, Undogmatisches Christenthum,
-Braunschweig 1888; Egidy, Ernste Gedanken, Leipzig 1890 (cf. Gids Mei
-1893); H. Drummond, Summum Bonum, Pax Vobiscum, The spiritual law in
-the natural world; Tolstoi, Vernunft u. Dogma, Wie ist mein Leben?
-beide bij Otto Janke, Berlin. Worin besteht mein Glaube, Leipzig 1885
-enz. ijveren voor een ondogmatisch, practisch, zedelijk Christendom, een
-Christendom der Bergrede.
-
-12. Nu lijdt het geen twijfel dat godsdienst en zedelijkheid met elkaar in
-’t nauwste verband staan. Die verwantschap blijkt ten eerste hieruit dat
-de religie zelve eene zedelijke verhouding is. De religie berust wel op
-eene mystieke unie van God en mensch, maar is zelve geen substantieele
-gemeenschap van beiden, maar een ethische relatie van den mensch tot
-God. God heeft geen religie; maar Gods inwoning in den mensch kweekt
-van zijne zijde die relatie tot God, welke wij religie noemen, Hoekstra,
-Wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Deze relatie is daarom van ethischen
-aard; zij is geregeld in die zelfde lex moralis, welke ook de andere
-verhoudingen des menschen tot zijne medeschepselen bepaalt; alle
-religieuse handelingen des menschen zijn zedelijke plichten, en heel
-de religie is een zedelijk gebod. Omgekeerd is het zedelijk leven ook
-weer een dienst Gods. Weduwen en weezen te bezoeken Jak. 1:27, is geen
-in eigenlijken zin godsdienstige handeling, maar kan toch godsdienst
-heeten, omdat de godsdienst zich daarin betoonen en bevestigen moet.
-De scholastiek maakte daarom onderscheid tusschen actus eliciti en
-actus imperati van de religie, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 1.
-Geloof zonder werken, zonder liefde, is een dood geloof. De liefde
-tot God bewijst zich voor ons in de liefde tot den naaste Jer. 22:16.
-Jes. 1:11 v. 1 Joh. 2:3 v. Jak. 2:17 enz. Heel ons leven behoort een
-dienst Gods te wezen. Het opschrift: Ik ben de Heere uw God, staat ook
-boven de geboden der tweede tafel. Liefde is het ééne groote beginsel,
-dat de gansche wet vervult, Rom. 13:13. De zedewet is één organisch
-geheel, zoodat wie één gebod overtreedt, de geheele wet schendt Jak.
-2:10. De naaste moet om Gods wil bemind worden, en de zonde tegen den
-naaste is ook eene zonde tegen God. Deze verhouding van godsdienst en
-zedelijkheid maakt het reeds duidelijk, dat de zedelijkheid nooit den
-inhoud noch ook den grondslag der religie uitmaken kan. In weerwil
-toch van hunne innige verwantschap, zijn beide wezenlijk onderscheiden.
-Godsdienst is altijd eene verhouding tot God, zedelijkheid tot de
-menschen; godsdienst heeft tot principe de πιστις, zedelijkheid de
-ἀγαπη; godsdienst openbaart zich in die religieuse handelingen, welke
-samen een cultus in- en externus vormen, zedelijkheid betoont zich in
-de daden van gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid enz. tegenover
-den naaste; de religie is geregeld in de eerste, de zedelijkheid in
-de tweede tafel der wet. Dit onderscheid tusschen religie en ethos
-kan door het pantheïsme niet gehandhaafd worden, omdat God hier niet
-een eigen, van de wereld onafhankelijk bestaan heeft; eene persoonlijke
-relatie tusschen God en mensch is er hier niet mogelijk; de liefde tot
-God kan zich dan niet anders uiten dan in de liefde tot den naaste.
-Ook het deïsme kan, wegens de loochening der gemeenschap van God en
-mensch, geen eigenlijke religie kweeken. Er is nog wel geloof aan God,
-maar geen dienen van God anders dan in de vervulling der zedelijke
-geboden. Maar op theïstisch standpunt staat de mensch in relatie tot
-de wereld maar ook in eene eigene, onderscheidene relatie tot God
-als een persoonlijk wezen. Religie is daarom iets wezenlijk anders
-dan zedelijkheid en openbaart zich in eene eigen reeks van daden.
-Indien dit echter zoo is, dan kan ook de moraal niet de grondslag der
-religie zijn, maar moet omgekeerd deze de basis vormen voor gene. De
-relatie tot God is dan de primaire en de centrale, welke alle andere
-verhoudingen des menschen bepaalt. Zoowel historisch als logisch is
-de moraal altijd in de religie gegrond. De religie dringt de zedelijke
-plichten aan, en de moraal zoekt de sanctie der religie. Eene autonome
-moraal komt in de werkelijkheid nergens voor. Overal en bij alle volken
-vindt de zedelijkheid haar laatsten grond en haar laatste doel in den
-godsdienst. De zedelijkheid verliest den bodem onder haar voet, als
-ze van de goddelijke autoriteit in de conscientie wordt beroofd. Alle
-Moral hat sich geschichtlich aus der Religion entwickelt, und wenn auch
-die so entwickelten geistigen Anlagen der Menschheit zur Sittlichkeit
-Dank ihrer Herkunft eine Zeit lang selbstständig fortbestehen können,
-wenn sie von ihrem Mutterboden abgelöst werden, so ist doch diese
-selbstständige Existenzfähigkeit zeitlich sehr begrenzt und schon in
-der zweiten Generation machen zich deutlich die Symptome des Verfalls
-der Sittlichkeit bemerkbar, E. v. Hartmann, Relig. philos. II 59.
-Materieel zijn natuurlijk lang niet alle verplichtingen en handelingen,
-die de menschen voor zedelijk houden, in overeenstemming met den wil
-van God. Maar het formeele, dat wat allen plicht tot onvoorwaardelijken
-plicht maakt, wat den mensch in de conscientie bindt, dat is van God.
-Er is geen moraal zonder metaphysica. Menschen, gewoonten, zeden enz.
-kunnen niet absoluut verplichten in de conscientie. Dat kan God alleen.
-Daarom is het geweten sacrosanct en gewetensvrijheid een onverbiddelijke
-eisch en een onvervreemdbaar recht. De geboden en verboden, die niet
-vastliggen in de conscientie, worden niet als zedelijk gevoeld. Eene
-wet, die geen fundament heeft in het volksgeweten, is machteloos.
-Krachtens dit verband is er ook eene wederkeerige inwerking van
-godsdienst en zedelijkheid op elkander. Tijdelijk kunnen ze zoowel in een
-individu als in een volk uiteenvallen en zelfs met elkaar strijden.
-Maar ze kunnen niet rusten, voordat ze in harmonie en evenwicht zijn.
-Wat in de religie wordt goedgekeurd, kan in de moraal niet worden
-veroordeeld, en omgekeerd. De verhouding tot God en tot de menschen
-moet beide éénzelfde zedelijk karakter dragen, in éénzelfde zedewet
-geregeld zijn. Religie en moraal, cultus en cultuur moeten wortelen
-in éénzelfde beginsel. Dat is in het Christendom het geval. De
-liefde is de vervulling der wet, en de band der volmaaktheid. H.
-Schultz, Religion und Sittlichkeit in ihrem Verhältniss zu einander,
-religionsgeschichtlich untersucht (Stud. u. Kr. 1883 Heft 1 S. 60-130).
-J. Köstlin, Rel. u. Sittl. (Stud. u. Kr. 1870). Pfleiderer, Moral u.
-Religion, Haarlem 1872. Rothe, Theol. Ethik § 114 f. Martensen, Die
-christl. Ethik 3e Aufl. 1878 I 19-33. Janet, La morale, Paris 1874 p.
-596 s. Hoekstra, Godsdienst en zedelijkheid Theol. Tijdschr. II bl. 117
-v. Id. Wijsg. Godsdienstleer I 251 v. Lamers, Godsd. en zedel. Amst.
-1882. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Religionsgesch. I 166 f. C. Stage,
-Relig. u. Sittl. Vortrag. Berlin, Bibliogr. Bureau 1894. Lamers, De
-Wetenschap v. d. godsd. II 167 v. Hugenholtz, Studiën op godsdienst- en
-zedekundig gebied, Amst. 1884 I passim. Hartmann, Religionsphilosophie
-2e Aufl. II 55-64. Siebeck, Handbuch der Rel. Phil. S. 243 f. Kaftan,
-Das Wesen der christl. Religion, Basel 1881 S. 124 f. Nitzsch, Lehrb.
-der ev. Dogm. S. 96 f.
-
-13. Eindelijk zijn er ook nog, die aan de religie eene plaats geven in
-het gevoel en daarvoor soms zelfs een afzonderlijk vermogen in den
-mensch aannemen. Mysticisme en pietisme hadden in vroeger tijd daarvoor
-reeds den weg gebaand. Maar eerst door de Romantiek der vorige eeuw is
-deze opvatting een tijd lang tot heerschappij gekomen. De Romantiek was
-in het algemeen eene reactie van het vrije, ongebondene gemoedsleven
-tegen het objectieve, alles bindende en regelende klassicisme. Het
-subject verhief zich boven de wetten, die op ieder terrein van het
-leven aan zijn spontane uiting waren gesteld; de phantasie hernam hare
-rechten tegenover het verstand; de organische beschouwing kwam in de
-plaats van de mechanische; de idee van het worden verdrong die van het
-maken. Op elk gebied ging het oog open voor het vrije, het natuurlijke,
-het geniale; wording, groei, ontwikkeling was de wijze, waarop de
-dingen ontstonden; niet het nuttige maar het schoone, niet proza maar
-poëzie, niet arbeid maar spel, niet Machwerk maar kunst had de hoogste
-waarde. De gemaniereerdheid van vroeger sloeg om in eene oppervlakkige
-sentimentaliteit. Zoodanig was de beweging, die in Engeland haar tolk
-vond in Young, Southey, Wordsworth, S. T. Coleridge. In Frankrijk werd
-ze ingeleid door Rousseau, die in zijne profession de foi du vicaire
-Savoyard (Emile, livre 4) heel zijne deistische dogmatiek en moraal
-opbouwt uit het gevoel: le sentiment est plus que la raison, notre
-sensibilité est antérieure à notre intelligence. In Duitschland opende
-Winckelmann de oogen voor de schoonheid der grieksche kunst; Lessing
-stelde tegen de poëzie van het Fransche klassicisme het genie van
-Shakespeare over; Herder wees in de historie de openbaring en werking
-aan der eeuwige, goddelijke natuur; Hamann, Claudius, Lavater, Stilling
-gingen uit van de rijke subjectiviteit en stelden deze tegenover de
-platte, mechanische opvatting van de Aufklärung; Kant en Fichte
-plaatsten het ik van den mensch op den voorgrond. Overal was er eene
-breuke met de objectiviteit; het subject werd absoluut principe. Onder
-dezen invloed beriep Jacobi zich op het gevoel, als het unmittelbare
-Vernehmen des Göttlichen. Religie is gevoel voor ’t ware, schoone en
-goede; bewondering, liefde, achting voor het goddelijke; en zulk een
-gevoel is ons aangeboren als Grundtrieb der menschlichen Natur, Werke
-II 59 f. 194 f. enz. Het aesthetisch rationalisme van Jacobi werd door
-Fries en de Wette zoo uitgewerkt, dat ze eene strenge scheiding maakten
-tusschen de empirisch-mathematische wereldbeschouwing des verstands
-en de ideale, aesthetisch-religieuse wereldbeschouwing des gevoels.
-Schleiermacher’s opvatting van de religie is uit diezelfde romantische
-richting te verklaren. In de tweede rede uit zijne Reden über die
-Religion 1799 omschrijft hij de religie als het onmiddellijk bewustzijn
-van het zijn van al het eindige in en door het oneindige. Zij is geen
-weten en geen doen, geen metaphysica en geen moraal, maar gevoel van
-het oneindige. Object van dat gevoel is geen persoonlijk God, met wien
-de mensch in gemeenschap leeft, maar het universum, de wereld als
-geheel, als eenheid gedacht. En orgaan voor het gewaarworden van dat
-oneindige is niet verstand, rede of wil, maar het gevoel, de richting
-van het gemoed op en de zin voor het oneindige. Nader wordt dit gevoel
-niet omschreven. En nog vager is het antwoord op de vraag, wanneer
-dat gevoel bepaald religieus gevoel wordt. Schleiermacher antwoordt
-daarop in de 3e rede slechts in overdrachtelijke taal: men moet zijn
-gevoel zoo wijd mogelijk voor de wereld als geheel ontsluiten, alles in
-het eene en het eene in alles beschouwen, al het bijzondere opvatten
-als eene openbaring van het oneindige enz. Dit alles zegt niet veel;
-het schijnt, dat ten slotte ieder gevoel religieus is, hetwelk door
-het wereldgeheel wordt opgewekt en ons de hoogste eenheid openbaart.
-In elk geval is het religieus gevoel niet duidelijk tegenover het
-aesthetische begrensd. In de Glaubenslehre treffen we in den grond
-der zaak dezelfde opvatting aan. Ook hier is de vroomheid gevoel §
-3, en wel volstrekt afhankelijkheidsgevoel § 4. Maar er is toch een
-dubbel verschil. In de Reden was God het geheel, in de Glaub. is Hij
-de absolute causaliteit der wereld; dienovereenkomstig was het gevoel
-daar zin voor het oneindige, en hier onmiddellijk zelfbewustzijn en
-volstrekte afhankelijkheid. God krijgt hier meer een eigen, van de
-wereld onderscheiden bestaan, en de religie daarom ook een eigen, van
-het gevoel voor de wereld, onderscheiden inhoud. Er is dus eenige
-toenadering tot het theisme te bespeuren. Maar de grondgedachte is toch
-in zoover dezelfde, als God niet transcendent gedacht wordt boven maar
-alleen immanent in de wereld, en het orgaan voor het goddelijke niet is
-de rede, het geweten enz. maar het gevoel. Deze opvatting der religie
-is niet alleen door sommige Vermittelungstheologen, zij het ook met
-wijziging overgenomen, maar wordt in beginsel gevonden bij allen, die
-naast de mechanische nog eene aesthetische wereldbeschouwing trachten
-op te bouwen en daarin de religie opnemen of zelfs geheel laten opgaan.
-Lange Gesch. des Mater. S. 830 zegt, dat de kern der religie bestaat,
-niet in eene leer over God enz., maar in de verheffing des gemoeds
-boven de werkelijkheid en in de Erschaffung einer Heimath der Geister.
-Boven de wereld der feiten, die Welt des Seienden, bouwt de mensch door
-zijne phantasie eene Welt der Werthe, eene Welt der Dichtung. Pierson,
-Eene levensbeschouwing, huldigt eene dergelijke ideaalvorming; het
-gevoel des menschen, van buiten opgewekt, schept uit de voorstellingen,
-die het verstand uit de zinlijk waarneembare wereld verkrijgt,
-religieuse, ethische, aesthetische idealen, die wel geen onafhankelijk
-van ons bestaande realiteiten maar toch van groote waarde zijn voor
-ons leven, bl. 113-179. Opzoomer nam zelfs een afzonderlijk religieus
-gevoel aan en zag daarin de bron der religieuse voorstellingen, De weg
-der wetenschap, een handboek der logika 1851 § 15. De Godsdienst bl.
-126-140. Het wezen der kennis, leerboek der logica § 14. Rauwenhoff
-acht het wezen der religie wel gelegen in het geloof aan eene zedelijke
-wereldorde maar schrijft toch den vorm der religie, vereering van een
-persoonlijk God, toe aan de phantasie. Cf. ook Guyau, L’irreligion de
-l’avenir, Paris, Alcan, 1887. Dr. R. Koch, Natur und Menschengeist,
-Berlin 1891 enz.
-
-14. Ook bij deze opvatting is het zonder tegenspraak, dat het gevoel in
-de religie eene belangrijke plaats inneemt. Religieuse voorstellingen
-op zich zelve en zonder meer zijn nog geen religie; eerst dan ontstaat
-deze, wanneer de mensch tot het object dier voorstellingen in eene
-werkelijke, persoonlijke relatie treedt. En zulk eene persoonlijke
-verhouding tot God kan niet anders dan inwerken op het gevoel; zij
-laat den mensch niet koud en onverschillig, maar roert hem tot in het
-diepste van zijn gemoed; zij wekt in hem een sterk gevoel van lust en
-onlust en kweekt eene gansche reeks van aandoeningen, schuldbewustzijn,
-smart, berouw, leedwezen, droefheid, vreugde, blijdschap, vertrouwen,
-vrede, rust enz. De religie maakt de diepste en teederste aandoeningen
-wakker in het menschelijk hart. Geen macht is er, die dieper,
-algemeener, sterker aangrijpt en roert. Alle deze door de religieuse
-voorstellingen opgewekte aandoeningen, geven aan de religie warmte,
-innigheid, leven, kracht, in tegenstelling met de doodigheid van het
-intellectualisme en de koudheid van het moralisme. Het hart is het
-centrum der religie.
-
-Maar daarom is het gevoel nog niet de eenige religieuse functie,
-niet de eenige zetel en bron der religie. Het gevoel, hier genomen
-niet als een afzonderlijk vermogen, wat het niet is, maar als het
-geheel der hartstochten en aandoeningen, is uitteraard passief;
-het reageert alleen op datgene, wat door het bewustzijn er mede in
-aanraking wordt gebracht, en wordt dan tot een gevoel van lust of
-onlust. Het heeft niets in zichzelf en brengt niets uit zichzelf voort,
-maar beoordeelt de dingen, de voorstellingen, die van buiten komen,
-alleen daarnaar of ze aangenaam of onaangenaam zijn. Op zichzelf is
-het gevoel, is elke aandoening noch goed noch kwaad, noch waar noch
-onwaar. Dit zijn kategorieën niet eigenlijk van de aandoeningen, maar
-van de voorstellingen. Van de aandoeningen kunnen ze alleen gebruikt
-worden, inzoover deze door ware of onware voorstellingen worden
-opgewekt, en door goede of kwade wilsrichtingen worden begeleid. In de
-religie is daarom ook niet het gevoel, maar het geloof, de religieuse
-voorstelling, het eerste; maar dat geloof werkt dan ook in op het
-gevoel. Wanneer echter, gelijk bij Schleiermacher, het gevoel van het
-geloof, van de religieuse voorstelling wordt losgemaakt en tot eigen
-en eenige bron en zetel van de religie wordt gemaakt, dan verliest het
-gevoel zijne qualiteit, wordt het geheel onafhankelijk van de kategorie
-van waar en onwaar, van goed en kwaad, en is eigenlijk elk gevoel
-als zoodanig reeds religieus, waar, goed en schoon. En dat was de
-schromelijke fout van heel de romantiek.
-
-Natuurlijk ligt dan ook de dwaling voor de hand, om het religieus
-gevoel te verwarren en te vereenzelvigen met het zinnelijk en met het
-aesthetisch gevoel. Uit de historie is aan ieder de verwantschap en
-de overgang bekend van religieuse en zinnelijke liefde. Maar even
-gevaarlijk is de vermenging van religieus en aesthetisch gevoel, van
-godsdienst en kunst. Beide zijn wezenlijk onderscheiden. Religie is
-leven, werkelijkheid; de kunst is ideaal, schijn. De kunst kan de klove
-niet dempen tusschen ideaal en werkelijkheid. Zij heft ons wel een
-oogenblik boven de werkelijkheid, en doet ons leven in het rijk der
-idealen. Maar dit heeft alleen plaats in de phantasie. De werkelijkheid
-blijft er dezelfde om. De kunst toont ons wel in de verte het rijk der
-heerlijkheid, maar zij brengt er ons niet in en maakt er ons geen burgers
-van. Zij verzoent niet onze schuld, zij droogt niet onze tranen, zij
-troost ons niet in leven en sterven. Zij maakt het Dort niemals Hier.
-Dat doet de religie alleen. Zij is en geeft realiteit. Zij schenkt leven
-en vrede. Zij poneert het ideaal als waarachtige werkelijkheid en maakt
-er ons deelgenoot van. Daarom kan het aesthetisch gevoel nooit het
-religieus gevoel, de kunst nooit de religie vervangen. Wel staan beide
-in verband. Religie en kunst zijn van den aanvang af nauw verbonden
-geweest; het verval der eene bracht dat der andere mede; de laatste
-drijfkracht der kunst lag in de religie. Cf. G. Portig, Religion und
-Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss, Iserlohn 1879-’80. I 5. 85.
-90. 225 enz. Paulsen, System der Ethik, Berlin, Hertz 1889 S. 434 f.
-In de religie, bepaald ook in den cultus, heeft de phantasie haar
-recht en haar waarde. Beim religiösen Process ist allerdings auch die
-Phantasie betheiligt, aber nicht als Erzeugingsprincip, sondern nur als
-Belebungsprincip. Die Einbildungskraft kan immer nur bereits gegebene
-Stoffe und Triebe gestalten, aber nie kan sie die Religion selbst erst
-schaffen, Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 91. Maar de Schaubühne is
-allerminst voor moralische Anstalt (Schiller) geschikt. Het theater kan
-de kerk en Lessings Nathan den Bijbel niet vervangen (Strauss). Idealen
-en scheppingen der phantasie zijn geen vergoeding voor de realiteit,
-die de religie biedt. Het religieus gevoel, hoe innig en diep het
-overigens ook zijn moge, is dan alleen zuiver, wanneer het door ware
-voorstellingen opgewekt wordt, Hartmann, Religionsphilosophie II 27-55.
-S. Hoekstra, Godsdienst en Kunst 1859. Lamers, Wetenschap v. d. godsd.
-II 164 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 97 f.
-
-15. Resultaat is derhalve, dat de religie niet tot één van ’s menschen
-vermogens beperkt is, maar den ganschen mensch omvat. De verhouding tot
-God is een totale en centrale. Wij moeten God liefhebben met geheel ons
-verstand en met geheel onze ziel en met al onze krachten, enz. Juist
-wijl God God is, eischt hij ons geheel op, naar ziel en lichaam, met alle
-vermogens en in al onze relatiën. Wel is er orde ook in deze verhouding
-van den mensch tot God. Ook hier bestaat en werkt iedere faculteit in
-den mensch naar haar eigen aard. De kennis is het eerste; geen rechte
-dienst van God zonder rechte kennis. Ignoti nulla cupido. Onbekend is
-onbemind. Die tot God gaat, moet gelooven, dat Hij is en een belooner
-dergenen die Hem zoeken, Hebr. 11:6. Het geloof is uit het gehoor, Rom.
-10:13, 14. De Heidenen kwamen tot afgoderij en ongerechtigheid, omdat
-ze God niet in erkentenis hielden, Rom. 1:18 v. Maar die kennisse Gods
-dringt door in ’t hart en wekt daar allerlei aandoeningen van vreeze
-en hope, droefheid en vreugde, schuldgevoel en vergeving, ellende en
-verlossing, gelijk ze heel de Schrift door, bovenal in de psalmen, ons
-worden geteekend. En door het hart heen werkt ze weder op den wil;
-het geloof openbaart zich in de liefde, in de werken, Jak. 1:27. 1
-Joh. 1:5-7. Rom. 2:10, 13. Gal. 5:6. 1 Cor. 13, enz. Hoofd, hart en
-hand worden gelijkelijk, schoon ieder op zijne wijze, door de religie in
-beslag genomen; zij neemt den ganschen mensch, ziel en lichaam, in haar
-dienst. Daarom komt de religie ook met alle andere machten der cultuur
-in aanraking, inzonderheid met wetenschap, zedelijkheid en kunst.
-Proudhon zei eenmaal: il est étonnant, qu’au fond de toutes les choses
-nous retrouvons la théologie. Maar Donoso Cortes heeft daarop terecht
-geantwoord: dans ce fait il n’y a rien d’étonnant que l’étonnement de
-Mr. Proudhon. De religie als Verhouding tot God wijst de plaats aan,
-waarin de mensch tegenover alle andere schepselen staat. Zij bevat
-dogma, wet en cultus en staat daarom met wetenschap, zedelijkheid en
-kunst in nauw verband. Ze omvat den ganschen mensch, in zijn denken,
-gevoelen en handelen, in zijn gansche leven, overal en ten allen tijde.
-Er valt niets buiten de religie. Zij breidt haar macht uit over heel
-den mensch en de menschheid, over gezin en maatschappij en staat. Zij is
-de grondslag van het ware, het goede en schoone. Zij brengt eenheid,
-samenhang, leven in wereld en geschiedenis. Uit haar namen wetenschap,
-zede en kunst haar oorsprong; tot haar keeren ze weer en vinden ze
-rust. Zij is het begin en het einde, de ziel van alles, het hoogste en
-diepste. Wat God voor de wereld is, dat is de religie voor den mensch,
-Staudenmaier, Encyklopädie der theol. Wiss. 1834 S. 114 f. 146.
-
-En toch is ze van alle machten der cultuur onderscheiden en bewaart
-ze tegenover die alle hare zelfstandigheid. De religie is centraal,
-wetenschap, zede en kruist zijn partieel. De religie omvat den ganschen
-mensch, maar wetenschap, zede, kunst wortelen in de verschillende
-vermogens van verstand, wil en gemoed. De religie bedoelt niets minder
-dan eeuwige zaligheid in de gemeenschap met God; wetenschap, zede en
-kunst zijn tot de schepselen beperkt en willen dit leven verrijken door
-het ware en goede en schoone. Zoo is dan de religie met niets gelijk te
-stellen; zij neemt in ’t leven en de geschiedenis der menschheid eene
-eigene en zelfstandige, eene eenige en allesbeheerschende plaats in.
-Haar onmisbaarheid kan zelfs daaruit worden bewezen, dat de mensch op
-hetzelfde oogenblik dat hij de religie als een waan verwerpt, toch een
-of ander creatuur weer maakt tot zijn God, en op andere wijze vergoeding
-zoekt voor zijne religieuse behoefte, in den dienst der menschheid
-(Comte), in zedelijk idealisme (Salter), in ideaalvorming (Lange,
-Pierson), in spiritisme, theosophie (Mad. Blavatzky, Mrs. Besant), of
-in andere religies zooals het Buddhisme, Mohammedanisme enz. Cf. H.
-Druskowitz, Moderne Versuche eines Religionsersatzes. Heidelberg 1886.
-Id. Zur neuen Lehre. 1888.
-
-
-C. Oorsprong der religie.
-
-16. Van den oorsprong der religie is er nog evenmin als van dien
-der taal eene bevredigende verklaring. De afleiding der religie uit
-vrees, uit priesterbedrog, uit onkunde, is nog wel altijd in sommige
-atheistische kringen gangbaar, maar vindt toch geene wetenschappelijke
-verdediging. Darwin, de Afstamming des menschen, vert. door Dr.
-Hartogh Heys van Zouteveen 3e dr. 1884 I p. 127 v. zoekt de religie
-in kiem, embryonisch, reeds bij de dieren, in de liefde bijv. welke een
-hond gevoelt voor zijn meester, en die gepaard gaat met een gevoel van
-ondergeschiktheid en vrees. Maar deze analogie gaat om verschillende
-redenen niet op. Vooreerst weten wij van het inwendig, psychisch
-leven der dieren weinig af; verder is godsdienst altijd verbonden met
-vereering, cultus, en eene godsdienstige handeling, zooals gebed,
-offer enz. komt bij de dieren niet voor; en voorts zijn er in de dieren
-ongetwijfeld zekere eigenschappen van trouw, aanhankelijkheid enz., maar
-deze maken toch nog evenmin de religie uit, als diezelfde eigenschappen
-onder menschen tegenover elkander reeds religie zijn; het eigenlijk
-object der religie, eene bovenzinlijke macht, is aan de dieren geheel
-onbekend. Het blijft daarom vooralsnog bij het woord van Lactantius,
-Instit. div. 7, 9 religio est paene sola, quae hominem discernit a
-brutis, cf. Hegel, Vorlesungen über die Religion I 207. Abr. d. A.
-v. d. Hoeven, De godsdienst het wezen van den mensch. 1848. bl. 29
-v. Hartmann, Religionsphil. I S. 3-11. Saussaye, Lehrb. d. Relig.
-gesch. I 10 f. Lamers, Wet. v. d. godsd. II 150 v. Hoekstra, Wijsg.
-godsdienstleer I 1 v. De verklaring der religie uit het animisme, E.
-B. Tylor, Primitive Culture 1872, uit het feticisme, Fr. Schultze, Der
-Fetischismus, ein Beitrag zur Anthropologie und Religionsgeschichte
-1871, en uit de vereering der voorouders, H. Spencer, Ecclesiastical
-Institutions, being part VI of the principles of sociology, Londen
-1886, § 583 etc. gaat uit van de geheel willekeurige onderstelling, dat
-de laagste vormen van religie de primitieve zijn, en houdt begeleidende
-verschijnselen van de religie voor haar wezen. Ook de poging van Max
-Müller, bv. in zijn De oorsprong en de ontwikkeling van den godsdienst
-nagegaan in den godsdienst van Indië, Utrecht 1879, om den godsdienst
-af te leiden uit het gevoel van het oneindige, heeft terecht weinig
-ingang gevonden; de waarneming van het eindelooze in de natuur leidt
-immers op zichzelf en zonder meer nog volstrekt niet tot het begrip van
-het oneindige en nog veel minder tot de vereering van den Oneindige,
-van God. Even onaannemelijk is de hypothese, welke den oorsprong der
-religie zoekt in den causaliteitsdrang, in de behoefte des menschen
-aan eene verklaring van wereld en leven, cf. Peschel, Völkerkunde 1881
-S. 244 f. Voigt, Fundamentaldogm. 1874 S. 94 f., want religie is in
-weerwil van alle verwantschap essentieel van metaphysica en philosophie
-verschillend en beantwoordt aan geheel andere behoeften van den
-mensch. En eindelijk zijn er ook weinigen meer, die met Cicero de nat.
-deor. 1,15. 2,5. Sextus Emp. 9,18 en de optimistische rationalisten
-der vorige eeuw de religie laten ontstaan uit de kinderlijke poezie,
-het dankbaar gevoel, de naieve vreugde, welke bij den onschuldigen
-natuurmensch werden opgewekt door de heerlijke en zegenrijke natuur, en
-die hem opleidden tot de erkenning en vereering van een bovennatuurlijk
-wezen, hetwelk dat alles schonk, cf. nog Pfleiderer, Relig. phil. II 24
-f.; de wetenschap ziet tegenwoordig in die schildering van de onschuld
-der natuurmenschen en van de schoonheid en weldadigheid der natuur
-niets anders dan eene poetische idylle. De werkelijkheid toont ons
-overal een moeielijken struggle for life.
-
-Daarom heerscht er thans dan ook eene gansch andere voorstelling over
-den oorsprong der religie. De natuur staat menigmaal vijandig tegen
-den mensch over. Zij heeft het met haar stormen en onweders, met haar
-verzengende hitte en snerpende koude, met haar woedende krachten en
-onbeteugelde elementen op het bestaan en het leven van den mensch
-toegelegd. Hij ziet zich voortdurend verplicht, om tegenover haar
-zijn leven te beschermen, zijn bestaan te handhaven. Maar hij is zwak
-en machteloos. En zoo roept hij dan in het bange conflict tusschen
-zichzelf en de natuur, tusschen zelf- en noodgevoel, eene onzienlijke
-macht te hulp, die boven de natuur staat en hem helpen kan in den
-strijd. De mensch wil gelukkig zijn, maar hij is het niet en kan het ook
-door eigen kracht niet worden; daarom tracht hij in den godsdienst al
-die persoonlijke machten gunstig voor zich te stemmen, welke naar zijne
-voorstelling in de natuurverschijnselen aanwezig zijn. Deze verklaring
-van den godsdienst heeft het eigenaardige, dat zij de religie laat
-ontstaan niet uit theoretische maar bepaald uit practische motieven;
-niet uit voorstellingen, maar uit aandoeningen van vrees, angst,
-noodgevoel enz. Zij is in zoover een terugkeer tot het primus in orbe
-deos fecit timor van Petronius. Voorts wordt zij reeds aangetroffen bij
-Hume, cf. Stud. u. Krit. 1890, 2tes Heft S. 245, en in het Système de
-la nature, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. 1883 I 386, maar
-is vooral in den nieuweren tijd in zeer wijden kring aangenomen als de
-beste oplossing van de vraag naar den oorsprong der religie. Toch
-komt zij niet bij allen in denzelfden vorm voor. Sommigen zeggen, dat
-de godsdienst ontstond uit den Selbsterhaltungstrieb in het algemeen;
-de mensch wil in den godsdienst eenig goed deelachtig worden, welk
-goed dit ook zij, een zinnelijk, physisch, egoistisch goed of ook een
-zedelijk, geestelijk goed; hij wil in één woord een gelukkig leven,
-bevrijding van physisch of ook van ethisch kwaad. Zoo W. Bender, Das
-Wesen der Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung Bonn 1886.
-Ed. Zeller, Ursprung u. Wesen der Religion (Vorträge und Abhandlungen,
-II 1877 S. 1-83). J. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion, Basel,
-Bahnmaier 1881. S. 38 f. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos.
-1893 S. 58 f. Anderen zoeken den oorsprong der religie bepaald in de
-ethische Selbstbehauptung, in het handhaven des menschen van zijne
-zedelijke vrijheid en waarde tegenover de noodwendigheid en den dwang
-der physische wereld. Kant postuleerde op deze wijze reeds op grond van
-’s menschen zedelijke natuur het bestaan van een God, die de wereld
-der noodwendigheid dienstbaar maken kon aan die der vrijheid, de
-natuurwet aan de zedewet, de physis aan den ethos. En op dezelfde wijze
-redeneeren Ritschl, Die christl. Lehre von der Rechtf. u. Versöhnung,
-2e Aufl. III 1883 S. 186. W. Herrmann, Die Religion im Verhältniss zum
-Welterkennen und zur Sittlichkeit, Halle, Niemeyer 1879. S. 267 f. cf.
-ook Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 94 v. Eindelijk zijn er ook nog, die
-in de religie niet alleen een ethisch maar ook een mystisch element
-erkennen, en die haar daarom niet min of meer in eene vrije wilsdaad
-maar in de natuur van den mensch gegrond achten; de mensch zoekt
-volgens dezen in den godsdienst wel zeker ethische Selbstbehauptung,
-maar toch ook nog iets anders en meer, n.l. gemeenschap met, leven in
-God, en daardoor juist ook vrijheid tegenover de wereld; de religie
-is allereerst eene verhouding tot God, en daarna tot de wereld. Zoo
-Pfleiderer, Religionsphilosophie, 2e Aufl. Berlin 1883. II 28 f. Id.
-Grundriss der christl. Glaubens- und Sittenlehre. 3e Aufl. Berlin,
-Reimer 1886 § 10. Lipsius, Lehrb. der ev. prot. Dogm. 2e Aufl. 1879 §
-18. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 99 f.
-
-17. Toch kan deze verklaring van den godsdienst, hoe algemeen ook
-aangenomen, niet bevredigen. Ten eerste blijft hier de Godsidee
-onverklaard. Gewoonlijk zegt men, dat de onontwikkelde, kinderlijke
-natuurmensch tusschen het persoonlijke en onpersoonlijke geen onderscheid
-maakt, de krachten in de natuur zich denkt naar analogie van zichzelf
-en alle dingen door zielen, geesten bewoond acht. Grondslag en
-onderstelling voor de religie is dan de zoogenaamde animistische
-wereldbeschouwing. Maar vooreerst is het zeer onwaarschijnlijk,
-dat het voor de hand liggend onderscheid tusschen persoonlijke
-wezens en onpersoonlijke dingen aan de eerste menschen onbekend is
-geweest. Vervolgens is het geloof aan zielen en geesten, die in de
-natuurverschijnselen wonen en werken, op zichzelf nog geen religie;
-religieus object worden deze zielen of geesten eerst dan, wanneer
-het begrip van het goddelijke erop overgebracht wordt. Er moet in
-den mensch een zeker besef van de godheid worden aangenomen, om de
-zielen en geesten, die hij aanwezig dacht in de krachten der natuur, te
-kunnen maken tot voorwerp van zijne religieuse vereering. Wel tracht
-de psychologische methode de orde om te keeren; de natuurmensch
-heeft volgens haar zich eerst tot eene of andere persoonlijk gedachte
-natuurkracht in eene religieuse verhouding geplaatst, en later daaruit
-het begrip van het goddelijke geabstraheerd, Hartmann, Religionsphil.
-I 15. Maar in elk geval gaat het zoo niet toe bij de historische
-menschen; allen ontvangen eerst door onderwijs en opvoeding het begrip
-der Godheid en ontwikkelen op grond daarvan eene religieuse verhouding.
-En er is geen enkel bewijs, dat het bij de eerste menschen anders
-toegegaan is of ook anders toegaan kon. Eene religieuse verhouding
-tot eene of andere macht onderstelt altijd reeds de Godsidee; en deze
-blijft bij de bovengenoemde methode onverklaard. Daarbij komt, dat ook
-het ontstaan der religie in subjectieven zin bij deze psychologische
-analyse onbegrijpelijk blijft. Laat het geloof aan persoonlijke wezens
-in de natuur gegeven zijn; maar waarom is en vooral wanneer wordt het
-zoeken van eenig zinnelijk of zedelijk goed bij die wezens tot religie?
-Religie ontstaat er toch eerst dan, wanneer niet in het algemeen hulp
-wordt gevraagd, gelijk menschen die ook bij elkander en in de kunst en de
-wetenschap zoeken, maar wanneer op eene gansch bijzondere wijze geloof,
-vertrouwen, besef van afhankelijkheid ten opzichte van eene onzienlijke
-goddelijke macht in het hart wordt gewekt. Religie onderstelt altijd eene
-zekere onderscheiding tusschen God en wereld, tusschen de macht van een
-wezen boven en de ondergeschikte krachten in de natuur. Wel kan dan die
-goddelijke macht als inwonende in de natuurverschijnselen worden gedacht,
-maar object van de religieuse vereering is toch nooit de natuurkracht
-in zichzelve maar het goddelijk wezen, dat in haar zich openbaart en
-werkt. Het grootste bezwaar tegen de boven genoemde verklaring ligt
-echter hierin, dat God bij haar niets anders wordt dan een helper in
-den nood, een wezen, wiens bestaan is uitgedacht om den mensch een
-of ander goed te verschaffen. De godsdienst wordt een middel, om de
-zinnelijke of zedelijke, maar altijd toch egoïstische behoeften van den
-mensch te bevredigen. Egoïsme is de bron en de oorsprong der religie
-geweest, Hartmann, Religionsphil. I 27. De eerste vorm, waarin deze
-verklaring van den oorsprong van den godsdienst boven werd weergegeven,
-spreekt dit duidelijk en onverholen uit. Bij den tweeden vorm wordt de
-godsdienst niet uit zinnelijke maar zedelijke behoeften afgeleid; de
-Godheid is geen product van eudaemonistische wenschen maar postulaat
-der practische rede. Echter geeft dit in het wezen der zaak weinig
-verschil. Het subjectieve en egoïstische uitgangspunt wordt niet
-overwonnen; God blijft een dienaar van den mensch. De derde vorm tracht
-dit egoïsme te vermijden, door in de religie een mystiek element te
-erkennen en alzoo God te maken tot het rechtstreeksche object van de
-religieuse vereering; maar ook hier is deze mystiek er later bijgekomen,
-zij is niet het beginsel en de oorsprong der religie geweest. Bij de
-bovengenoemde verklaring, in welken vorm zij ook wordt voorgedragen,
-staat de mensch altijd eerst in verhouding tot de wereld; en uit het
-conflict met die wereld wordt de religie en de Godsidee geboren. God
-komt dus op de derde plaats te staan; Hij wordt een Wunschwesen, een
-product van ’s menschen egoïsme, een hulpmiddel in den strijd tegen de
-natuur. De verwantschap van al deze verklaringen met die van Feuerbach
-springt duidelijk in het oog. Maar waarom, zoo kan er gevraagd worden,
-stelt de mensch met de in de natuur aanwezige krachten zich niet
-tevreden? Waarom zoekt hij niet in wetenschap, kunst, nijverheid enz.,
-in al de factoren der cultuur, de hulp, die hij in den strijd tegen de
-natuur behoeft? Hoe is het te verklaren, dat de mensch aan de goden,
-scheppingen van zijn wenschen, gelooven blijft, ook waar zij zoo menigmaal
-hem teleurstellen en overlaten aan eigen lot? Vanwaar dat hij alles,
-ook het dierbaarste dat hij heeft, aan zijne goden ten offer brengt en
-niets te kostbaar acht voor hunne vereering? Hoe komt het eindelijk,
-dat hij de goden dienen blijft, ook als door andere middelen en wegen
-zijne heerschappij over de natuur zich gaandeweg uitbreidt? Indien de
-bovengenoemde verklaring van den oorsprong der religie de juiste is,
-dan boet zij tegenover kunst en wetenschap hare zelfstandigheid in en is
-haar einde bereikt, zoodra de mensch op andere wijze zich redden kan.
-
-18. Maar, afgedacht van deze speciale bezwaren, er is tegen de
-methode zelve, waarnaar de oorsprong der religie onderzocht wordt,
-ernstige bedenking. Wat wil het zeggen, dat het ontstaan der religie
-wetenschappelijk moet worden verklaard? Het kan niet beduiden, dat de
-godsdienst van den eersten mensch of van de eerste menschen historisch
-wordt nagevorscht. Want de historie der godsdiensten laat ons hier
-volkomen in den steek; de historische methode is onbruikbaar. De
-godsdienstvormen der laagste, wilde volken voor de oorspronkelijke te
-houden; daartoe ontbreekt, gelijk ook meer en meer wordt ingezien,
-alle recht. De methode kan dus geen andere dan de psychologische
-zijn, en deze kan uitteraard het nooit verder brengen dan tot eene
-hypothese, die aannemelijk schijnt en bij gebrek aan beter een tijd
-lang in eene algemeene instemming zich verheugen mag. Maar welke is
-de vraag, die deze psychologische methode bij het zoeken naar den
-oorsprong der religie zich stelt? Toch geen andere dan deze: uit welke
-oorzaken en krachten in den mensch of in de menschheid is de religie
-voortgekomen? Er moet dus naar dat punt worden gezocht, wo noch nicht
-religiöse Lebenskräfte des Menschen zu dem Lebenskeim der Religion
-sich verbinden? Holsten, bij Rauwenhoff 50. Hypothetisch moet dus een
-mensch worden aangenomen, zoo onontwikkeld en barbaarsch, dat er van
-religie bij hem nog geen sprake is. Een oorspronkelijk, ingeschapen
-semen religionis mag op dit standpunt niet worden erkend. Want dan
-is dit oorspronkelijk gevoel, of hoe men het anders noemen wil, een
-wetenschappelijk onverklaard iets, eene soort mystieke openbaring,
-eene onderstelling reeds van datgene wat men zoekt te verklaren, Dr.
-Bruining, Gids Juni 1884. De psychologische methode eischt dus, dat
-de religie verklaard wordt uit factoren in den mensch, die op zich
-zelve niet religieus zijn, maar die door zekere verbinding, onder
-inwerking der natuur van buiten, de religie doen ontstaan. Maar
-zulk een godsdienstlooze mensch is een puur Gedankending, eene even
-ijle en ledige abstractie als de natuurmensch van Rousseau en van de
-aanhangers van het contrat social; in de werkelijkheid heeft hij nimmer
-bestaan. De godsdienst zelve wordt zoo geheel een product van het
-toeval, evenals de moraal bij Darwin. Een „bloot toeval”, zegt Prof.
-Rauwenhoff 97, cf. 193, 250, 263 kon er den mensch toe brengen, om
-een of ander ding uit de natuur tot een god voor zich te maken. Eene
-andere verbinding van de factoren, en er ware nimmer religie geweest.
-Daarmee verliest de religie haar zelfstandige plaats, haar algemeenheid
-en noodzakelijkheid; zelfs haar waarde en haar recht zijn dan niet meer
-te handhaven. Want het is niet waar, wat Zeller, Vorträge und Abhandl.
-II 57 f. beweert, dat de waarde der religie onafhankelijk is van de
-wijze van haar ontstaan; indien de oorsprong der religie toevallig is,
-verliest zij den vasten grondslag, waarop zij rusten moet. En ook haar
-recht van bestaan wordt dan op ernstige wijze bedreigd. Want indien
-de religie zoo wordt verklaard, dat het bestaan Gods daarbij in het
-geheel niet behoeft te worden aangenomen, dan is zij, ook al ware haar
-ontstaan psychologisch eene noodzakelijkheid, metaphysisch toch niets
-anders dan eene absurditeit. De psychologische methode tracht inderdaad
-de religie te begrijpen zonder het bestaan Gods. De mensch is louter
-natuurwezen, natuurproduct. Hij is het, die door allerlei omstandigheden
-geleid wordt tot de religie en de Godsidee voortbrengt. God schept den
-mensch niet, de mensch schept God. De religie subjectiva is de bron der
-religio objectiva. De mensch bepaalt, of hij en hoe hij God dienen wil.
-De psychologische methode is hierdoor geoordeeld; zij is in beginsel met
-het wezen der religie in strijd en vernietigt daarom het verschijnsel,
-dat zij te verklaren heeft, Kant, Lotze, Albrecht Ritschl, eine
-kritische Studie von L. Stählin, Leipzig 1888 S. 245 f. Vergelijk verder
-over den oorsprong van den godsdienst Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1885
-bl. 257 v. Id. Wijsb. v. d. godsd. bl. 37-109. Saussaye, Lehrb. der Rel.
-Gesch. I 21 f. en de daar aangeh. litteratuur. Siebeck, Lehrb. der Rel.
-Philos. 43 f. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 136 v.
-
-
-D. Resultaat.
-
-19. Het voorafgaand onderzoek dwingt ons tot het kiezen van een ander
-uitgangspunt en tot het volgen van eene andere methode. Het wezen
-en de oorsprong der religie zijn bij de historische en psychologische
-methode niet te verklaren; haar recht en waarde kan daarbij niet worden
-gehandhaafd. Het gaat niet aan, om de religie te begrijpen zonder God.
-God is de groote onderstelling van den godsdienst. Zijn bestaan en
-openbaring is de grondslag, waarop alle religie rust. Nu heet het
-wel onwetenschappelijk, om bij de verklaring van eenig verschijnsel tot
-God terug te gaan; en inderdaad mag Hij ook niet dienstdoen als asylum
-ignorantiae. Maar het is toch eene arme wetenschap, die met God geen
-rekening houden mag en alle dingen zoekt te verklaren buiten en zonder
-Hem. Bij de wetenschappelijke verklaring van den godsdienst geldt dit
-in dubbelen zin. Want God is hier het eigenlijke en direkte object.
-Zonder Hem is alle religie eene ongerijmdheid. De keuze staat hier
-slechts tusschen deze twee, dat of de religie eene dwaasheid is, wijl
-God niet bestaat of volstrekt onkenbaar is, of dat zij waarheid is maar
-dan het bestaan en de openbaring onverbiddelijk en in streng logischen
-en wetenschappelijken zin eischt en onderstelt. Wie het eerste niet
-aanvaarden kan, wordt gedwongen het tweede aan te nemen en God te
-erkennen als het principium essendi van alle religie. Er is godsdienst,
-alleen omdat God is en van schepselen gediend wil worden. Dan alleen,
-als het bestaan Gods vaststaat, is wezen en oorsprong, recht en waarde
-der religie te begrijpen.
-
-Maar de religie eischt nog meer. Zij onderstelt niet alleen, dat God
-bestaat, maar ook dat Hij zich op de eene of andere wijze openbaart en
-kennen doet. Alle godsdiensten hebben dit begrip van openbaring. Het
-wordt niet van buiten af aan de religie opgedrongen, maar vloeit uit
-haar oorsprong en wezen vanzelve voort. Er is geen religie zonder
-openbaring; openbaring is het noodwendig correlaat der religie. Het
-wezen der religie bestaat niet alleen subjectief in eene religieuse
-gezindheid, die zich naar welgevallen uit, maar ook in eene religio
-objectiva, in een dogma, moraal en cultus, die daarom alleen gezag
-hebben voor den geloovige, wijl zij naar zijne overtuiging den wil en den
-dienst Gods bevatten. De oorsprong der religie is historisch niet aan
-te wijzen en psychologisch niet te verklaren, maar wijst noodzakelijk naar
-de openbaring als haar objectieven grondslag heen. Het onderscheid
-tusschen religie aan de eene en wetenschap en kunst aan de andere zijde
-doet ons datzelfde begrip van openbaring aan de hand. De natuur, de
-wereld rondom ons heen is de bron onzer kennis en artis magistra. Maar
-in de religie komt diezelfde wereld nog onder een ander gezichtspunt in
-aanmerking, n.l. als openbaring Gods, als bekendmaking zijner eeuwige
-kracht en goddelijkheid. Het is den mensch in de religie om iets gansch
-anders te doen dan in wetenschap en kunst. In de religie zoekt hij
-niet eene vermeerdering van zijne kennis noch eene bevrediging van zijne
-phantasie, maar een eeuwig leven in de gemeenschap met God, eene reëele
-verandering van zijn, eene bevrijding van zonde en ellende. Het is hem
-in de religie om God zelven te doen, omdat hij beseft, dat hij in God
-alleen rust en vrede vinden kan. Daarom eischt de religie een andere
-bron dan wetenschap en kunst; zij onderstelt eene openbaring, die God
-zelven tot hem komen doet en in gemeenschap met Hem brengt. De religie
-is in haar wezen en oorsprong een product van openbaring. Langzamerhand
-begint dit ook erkend te worden. De wijsbegeerte van den godsdienst,
-die het begrip der openbaring een tijd lang geen ernstige bespreking
-waardig keurde en het alleen aan eene negatieve kritiek onderwierp,
-wordt gedwongen er mede te rekenen. De opvatting van die openbaring is
-nog zeer verschillend en soms zeer onjuist; maar het feit spreekt toch
-sterk, dat velen dit begrip weder opnemen en er een positieven zin aan
-trachten toe te kennen, cf. Pfleiderer, Grundriss § 13 f. Rauwenhoff,
-Wijsb. 46. Hartmann, II 69 f. Biedermann, Dogm. I 264. Lipsius, Dogm.
-§ 53. Nitzsch, Dogm. 127. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 136 v. enz. De H.
-Schrift gaat van het bestaan en van de openbaring Gods uit. God laat
-zich niet onbetuigd, en daarom is er van ’s menschen zijde een zoeken,
-of hij Hem vinden en tasten mocht. Openbaring was er volgens de Schrift
-zoowel voor als na den val. Openbaring is het principium cognoscendi
-externum van de religie.
-
-Als wezen en oorsprong van de religie alzoo uit openbaring worden
-verklaard, mag dit niet in den sociniaanschen zin worden verstaan,
-alsof de religie niet in ’s menschen natuur ware gegrond maar uit
-eene uitwendige meedeeling van leer ware ontstaan, Fock, Der Socin.
-291 f. In dat geval zou Schelling, Philos. der Mythol. I 141 terecht
-de opmerking hebben gemaakt: wäre der ursprüngliche Mensch nicht an
-sich schon Bewusstseyn von Gott, müsste ihm ein Bewusstseyn von Gott
-erst durch einen besonderen Actus zu Theil werden, so müssten die,
-welche diess annehmen, selbst einen ursprünglichen Atheïsmus des
-menschlichen Bewusstseyns behaupten. De religie ware dan een donum
-superadditum, niet wezenlijk eigen aan de menschelijke natuur. Maar de
-mensch is mensch wijl hij het beeld Gods is; hij is terstond als mensch
-een religieus wezen. De godsdienst is niet het wezen van den mensch,
-gelijk des Amorie van der Hoeven Jr. zich minder juist uitdrukte,
-want de religie is geen substantia maar een habitus of virtus; maar
-zij is toch eene wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, zoo
-vanzelve met haar gegeven en zoo onafscheidelijk aan haar verbonden,
-dat zij door de zonde wel is verwoest, maar niet uitgeroeid is kunnen
-worden. Daarom is de religie ook algemeen en heeft ze ook zoo groote
-macht in het leven en de geschiedenis. Of men wil of niet, altijd
-stuit men ten slotte in den mensch op een zekeren godsdienstigen
-aanleg. Men kan dien verschillend noemen, semen religionis, sensus
-divinitatis (Calvijn), godsdienstig gevoel (Schleiermacher, Opzoomer),
-geloof (Hartmann, Relig. Philos. II 67) enz., maar altijd is het toch
-eene zekere vatbaarheid van de menschelijke natuur, om het goddelijke
-gewaar te worden, waar het wijsgeerig onderzoek naar de religie toe
-terugkeeren en in eindigen moet. Daarachter kan het niet doordringen.
-Want één van beide: de godsdienst is wezenlijk eigen aan de menschelijke
-natuur en dus met deze van huis uit gegeven, of de mensch was
-oorspronkelijk geen religieus wezen, dus ook geen mensch maar een dier
-en heeft zich langzamerhand tot een godsdienstig wezen ontwikkeld;
-en dan is de godsdienst toevallig en een voorbijgaand moment in het
-proces der evolutie. De vraag, waartoe het wijsgeerig onderzoek ten
-slotte afdaalt, is deze: is de mensch van den aanvang af mensch,
-beeld Gods, Gode verwant, een godsdienstig wezen geweest, of heeft
-hij langzamerhand daartoe zich ontwikkeld? Is cultuur of ruwe, woeste
-natuur de eerste toestand van het menschelijk geslacht geweest? Is de
-aanvang der menschheid absoluut of relatief? Cf. Schelling, Vorles.
-über die Meth. des akad. Studiums, Werke I 5 S. 286 f. Wie de religie
-in haar wezen handhaven wil, en ze beschouwt en erkent als eene
-wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, neemt den aanvang
-van den mensch absoluut en laat hem van huis uit Gode verwant en
-godsdienstig aangelegd zijn. Zulk een kan ook geen bezwaar meer hebben
-tegen den status integritatis, waarin de Schrift den eersten mensch
-laat optreden. Volgens de Schrift is de mensch van het eerste oogenblik
-van zijn bestaan af mensch geweest, naar Gods beeld geschapen, en dus
-van datzelfde oogenblik af ook een religieus wezen. De religie is er
-niet later bijgekomen door afzonderlijke schepping of in den langen weg
-der evolutie, maar ligt in het naar Gods beeld geschapen zijn van den
-mensch vanzelf opgesloten. Wel is die oorspronkelijke toestand door de
-zonde bedorven en verwoest, maar de mensch blijft toch Gode verwant, hij
-is θεου γενος en blijft Hem zoeken, of hij Hem tasten en vinden mocht.
-Aan de objectieve openbaring Gods correspondeert dus in den mensch
-eene zekere facultas, aptitudo zijner natuur, om het goddelijke op te
-merken. God doet geen half werk. Hij schept het licht niet alleen,
-maar ook het oog, om dat licht te aanschouwen. Aan het uitwendige
-beantwoordt het inwendige. Het oor is aangelegd op de wereld der tonen.
-De logos in de schepselen correspondeert met den logos in den mensch
-en maakt wetenschap mogelijk. Het schoone in de natuur vindt weerklank
-in zijn schoonheidsgevoel. En zoo is er niet alleen eene uitwendige,
-objectieve, maar ook eene inwendige subjectieve openbaring. Gene is het
-principium cognoscendi externum van de religie, en deze het principium
-cognoscendi internum. Beide principia staan ten nauwste met elkaar in
-verband, zooals het licht met het oog, de gedachte in de wereld met
-de rede in den mensch. De vraag, welk van beide het eerst is geweest,
-de uitwendige of de inwendige openbaring, is geheel overbodig. In
-hetzelfde moment, dat God zich openbaarde aan den mensch doordat Hij hem
-schiep naar zijn beeld, kende deze God en diende Hem en omgekeerd. En
-de ware, echte religie kan alleen bestaan in eene volkomene harmonie
-van de inwendige met de uitwendige openbaring; waarlijk religieus,
-beeld Gods, dienstknecht Gods, kind Gods, mensch in vollen zin is hij,
-die God, gelijk Hij is en zich door openbaring kennen doet, liefheeft
-met geheel zijn hart en met geheel zijne ziel en met al zijne krachten.
-Evenals in de wetenschap, zijn er dus ook in de religie drieërlei
-principia te onderscheiden. Er is religie, omdat God God is en als God
-door zijne redelijke schepselen gediend wil worden. Daartoe openbaart
-Hij zich aan den mensch in woord en daad -- principium cognoscendi
-externum, en maakt hem subjectief bekwaam om door die openbaring
-God te kennen en lief te hebben -- principium cognoscendi internum.
-De vormen, waarin de openbaring uit- en inwendig geschiedt, kunnen
-gewijzigd worden overeenkomstig den verschillenden toestand, waarin de
-mensch als creatura mutabilis verkeeren kan. Zij zijn andere in den
-status integritatis en corruptionis, in den status gratiae en gloriae.
-Maar de drie principia blijven dezelfde. Er is geen religie, dan
-doordat God zich objectief en subjectief kennen doet aan den mensch.
-En wederom vinden deze principia ook bij de religie hun grondslag in
-het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die in den Zoon en door
-den Geest zich openbaart. Niemand kent den Vader, dan wien het de
-Zoon door den Geest wil openbaren, Mt. 11:27, Joh. 16:13, 14, 1 Cor.
-2:10. Cf. Schleiermacher, Der Christ. Gl. § 4. Schelling, Philosophie
-u. Religion, Sämmtl. Werke Abth I. Bd. VI 26 f. Einleitung in die
-Philosophie der Mythologie, Sämmtl. Werke, Abth. II. Bd. 1-4. I 74 f.
-119 f. Ulrici, Gott und die Natur, 2e Aufl. Leipzig 1866 S. 767 f. J.
-A. Dorner, Christ. Glaubenslehre, Berlin, Hertz. 1879 I S. 552 f. Aug.
-Dorner, Ueber das Wesen der Religion, Stud. u. Krit. 1883 S. 217 f. J.
-T. Beck, Vorles. über Christl. Glaubenslehre, Gütersloh 1887 I 149 f.
-186 f. M. Kähler, Wissenschaft der Christl. Lehre, Erl. 1883 I 122. J.
-Köstlin, Der Glaube, sein Grund, Wesen und Gegenstand. Gotha 1859 S. 13
-f. Id. Der Ursprung der Religion. Stud. u. Krit. 1890 S. 213-294. Id.
-Die Begründung unserer sittlich-religiösen Ueberzeugung. Berlin 1893 S.
-54 f. Gloatz, Spekulative Theologie, Gotha 1883 I 1 S. 130 f. Heman,
-Der Ursprung der Religion, Basel 1886. C. Pesch, Der Gottesbegriff,
-Freiburg 1885. Dr. T. Cannegieter, De taak en methode der Wijsb. v. d.
-godsd. 1886. Dr. Francken in Geloof en Vrijheid 1887 aflev. 1, 2. Drijber
-ib. 1890 afl. 5. bl. 426-455. Pressensé, Les Origines 449 S.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-Principium externum.
-
-
-§ 9. ALGEMEENE OPENBARING.
-
-
-A. Begrip der openbaring.
-
-1. De religie, in haar wezen en oorsprong onderzocht, leidt zelve tot
-het begrip der openbaring heen. De geschiedenis der godsdiensten doet
-ons dit begrip kennen als het noodzakelijk correlaat van alle religie.
-De wijsbegeerte van den godsdienst kan dit begrip niet langer met
-stilzwijgen voorbij gaan. Maar de wijze, waarop de openbaring in theologie
-en philosophie wordt opgevat, is niet altijd met dat begrip zelf in
-overeenstemming. Het begrip openbaring brengt een zekeren inhoud mede,
-welke in zijne waarheid erkend moet worden, om van openbaring nog te
-kunnen blijven spreken. Het mag niet gebezigd worden als eene vlag, die
-eene valsche lading dekt. In de eerste plaats is openbaring een door en
-door religieus begrip; niet de wijsbegeerte, maar de godsdienst, niet de
-rede maar de historie doet het ons aan de hand. Aan de wetenschap en de
-wijsbegeerte moet dus het recht worden ontzegd, om apriori dit begrip
-te bepalen en daarnaar de historische en religieuse verschijnselen, die
-onder den naam van openbaring worden samengevat, pasklaar te maken.
-Het spreekt van zelf, dat wijsgeerige systemen zooals het pantheisme
-en het materialisme dit begrip niet in zijn recht kunnen erkennen. In
-deze stelsels is er voor openbaring geene plaats. Beide zijn krachtens
-hun beginsel onbekwaam, om de openbaring en alzoo ook de religie, met
-wie ze onverbrekelijk verbonden is, naar waarde te beoordeelen. Als God
-niet bestaat en naar Feuerbach’s gezegde, Wesen des Christenthums,
-2e Aufl. 401, het geheim der theologie de anthropologie is, dan is
-religie en openbaring daarmede vanzelf geoordeeld en niets dan eene
-hallucinatie van den menschelijken geest. En evenzoo kan het pantheisme
-uit den aard der zaak aan de openbaring geene realiteit toekennen. Als
-God en mensch in substantie één zijn, is er eene relatie van den mensch
-tot God, gelijk die in de religie tot stand komt, niet mogelijk meer. De
-religie is dan hoogstens het tot zelfbewustzijn komen van God in den
-mensch, de terugkeer van het Absolute tot zichzelf in het menschelijke
-bewustzijn. Openbaring kan hier niets anders zijn dan een naam voor de
-religie in den mensch, van haar objectieve zijde beschouwd. Zoo zegt
-b.v. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie II 71, 75 u. s. w., dat
-openbaring objectief en geloof subjectief één en dezelfde akte zijn,
-van de goddelijke en van de menschelijke zijde opgevat. Eene uitwendige,
-objectieve openbaring is er dan niet. Openbaring is niets dan het wonen
-en werken Gods in iederen mensch. Daargelaten nu de vraag, of ook
-hierin niet eene waarheid ligt opgesloten en de objectieve openbaring
-niet subjectief in de illuminatie zich voltooien moet, is het toch
-duidelijk, dat de openbaring naar de idee, welke de religie en de
-historie der godsdiensten ons kennen doen, hierbij geheel te loor gaat.
-De religie immers is altijd eene relatie van den mensch tot een Goddelijk
-persoon, wiens objectief en reëel bestaan voor het religieus bewustzijn
-boven allen twijfel verheven is. Zoodra de mensch twijfelen gaat aan het
-onderscheiden en zelfstandig bestaan van het voorwerp zijner vereering,
-is het met zijne religie gedaan. Deze verhouding van den mensch tot God
-in de religie is van ethischen aard (boven bl. 193). Religie is geen
-physische of metaphysische gemeenschap van God en mensch, gelijk zoo
-dikwerf gezegd wordt. Zij bestaat niet in eene wezenseenheid, eene unio
-of communio physica van den mensch met God. Zij is geene substantie van
-den mensch, en maakt zijn wezen, zijne essentia niet uit. De religie
-onderstelt juist altijd, dat God en mensch, ofschoon verwant, toch
-onderscheiden zijn. En zij zelve bestaat dan, niet in eene verhouding
-van God tot den mensch, want God heeft geen religie, maar in eene
-verhouding van den mensch tot God. Deze verhouding is uitteraard
-niet physisch, metaphysisch, realis, maar ethisch, moreel van aard.
-Zij bestaat daarin dat de mensch God kent en liefheeft en voor Hem
-leeft, Denzinger, Vier Bücher von der religiösen Erkenntniss, Würzburg
-1856 I S. 1-10. Hoekstra, wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Godsdienst
-onderstelt wel, dat God en mensch in verwantschap en in goeden zin
-ook in gemeenschap met elkander staan, maar is zelf toch niet twee-
-maar eenzijdig. Hoe innig godsdienst en openbaring dan ook met elkander
-samenhangen, zij zijn toch twee; zij zijn niet twee zijden van eene en
-dezelfde zaak, maar wezenlijk en zakelijk van elkander verschillend.
-Gelijk het oog en het licht, het oor en de toon, de logos in ons en de
-logos buiten ons verwant en toch onderscheiden zijn; zoo is het ook met
-de religie en de openbaring. Het is op religieus gebied evenals op
-elk ander terrein. Wij komen naakt in de wereld en brengen niets mede.
-Wij ontvangen al ons voedsel zoowel in geestelijken als in natuurlijken
-zin van buiten. En ook in de religie komt de inhoud van buiten door
-openbaring tot ons.
-
-2. Openbaring, gelijk dit begrip door de religie ons aan de hand wordt
-gedaan en hier nog in den ruimsten zin genomen wordt, is alle aktie,
-welke van God uitgaat, om den mensch te brengen en te houden in die
-eigenaardige relatie tot Hem, welke met den naam van religie aangeduid
-wordt. Het komt er hierbij allereerst op aan, om deze openbaring altijd
-en overal op te vatten als eene aktie, als eene daad van Gods zijde.
-God doet nooit iets onbewust; Hij doet alles met gedachte en heeft bij
-alles een doel. Openbaring is nooit eene onbewuste emanatie, eene
-onwillekeurige doorschijning Gods in zijne werken; maar altijd een bewust,
-vrij, actief zich kenbaar maken aan den mensch. Religie en openbaring
-rusten beide naar heur aard op den grondslag van het theisme, d. i. op
-het geloof, dat God en mensch niet afgescheiden maar wel onderscheiden
-bestaan. Sterk gesproken, heeft openbaring steeds tot onderstelling,
-dat er twee werelden zijn, eene bovennatuurlijke en eene natuurlijke, eene
-hemelsche en eene aardsche. En nu is openbaring elke werking, die van
-die andere onzienlijke wereld in deze zienlijke wereld uitgaat, om den
-mensch te doen bedenken de dingen, die boven zijn. De wijzen en vormen,
-waaronder God zich openbaart, kunnen verschillend zijn, evenals de eene
-mensch aan den ander zich in verschillende manieren kan kenbaar maken.
-God kan rechtstreeks en onmiddellijk zich openbaren; en Hij kan daarbij
-van gewone of buitengewone middelen zich bedienen. Deze vormen zijn in
-zekeren zin van ondergeschikte, wijl van instrumenteele beteekenis.
-Maar altijd is de openbaring, hetzij ze op gewone of ongewone wijze tot
-ons komt, eene daad van Gods zijde. Wie ze zoo verstaat, is in beginsel
-supranaturalist, hij moge de mogelijkheid van het wonder aannemen of
-niet. De kwestie van het naturalisme en het supranaturalisme wordt
-niet eerst bij de zoogenaamde bovennatuurlijke openbaring, maar wordt
-eigenlijk reeds hier bij den ingang, bij het begrip der openbaring in
-algemeenen zin, beslist. Het deisme is onhoudbaar. Er is maar keuze
-tusschen het theisme en het pantheisme (materialisme). Het pantheisme
-heeft geene openbaring en daarom ook geen religie meer. Het theisme is
-vanzelf supranaturalistisch, niet in de historische beteekenis van dat
-woord, maar in dezen zin, dat het eene ordo supra hanc naturam erkent
-en eene werking van gene wereld in deze aanneemt. Religie, openbaring,
-supranaturalisme, theisme staan en vallen met elkaar. Het doel der
-openbaring is geen ander, dan om religie te wekken en te kweeken in den
-mensch. Alles, wat dit bedoelt en daaraan dienstbaar is, is openbaring
-in eigenlijken zin. De openbaring valt saam met alle werken Gods in
-natuur en genade. Zij omvat de gansche schepping en herschepping. Al
-wat er is en geschiedt, is voor den vrome een middel, om hem op te
-leiden tot God. De gewone definities, dat de openbaring bestaan zou in
-mededeeling van leer of van leven enz. blijken reeds hier veel te eng
-te zijn. Het is er God bij zijne openbaring om te doen, om den mensch te
-stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. De religie omvat echter
-den ganschen mensch met al zijne vermogens en krachten. In de openbaring
-nadert God tot den geheelen mensch, om hem geheel te winnen voor zijn
-dienst der liefde. Ja, de openbaring kan niet ten doel hebben, om den
-enkelen mensch in eene religieuse verhouding tot God te plaatsen.
-De menschheid is één geheel. Zij is het voorwerp van Gods liefde. De
-openbaring heeft dus tot einddoel, om de menschheid zelve als één
-geheel te maken tot een koninkrijk, tot een volk Gods. De openbaring is
-geen geisoleerd feit, dat in de geschiedenis op zichzelf staat. Zij is
-een systeem van daden Gods, beginnend met de schepping, eindigend in
-den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Zij is onderwijzing, opvoeding,
-leiding, regeering, vernieuwing, vergeving enz., zij is dat alles te
-zamen. Openbaring is al wat God doet, om de menschheid te herscheppen
-tot zijn beeld en gelijkenis.
-
-
-B. Algemeene en bijzondere openbaring.
-
-3. De christelijke theologie kwam er spoedig toe, om in deze openbaring
-eene gewichtige onderscheiding te maken. Eenerzijds kon de samenhang en
-de overeenstemming van de religie der Christenen en den godsdienst der
-Heidenen, van theologie en philosophie, niet geheel worden ontkend;
-en andererzijds was het Christendom toch een eigen, zelfstandige
-godsdienst, in elk opzicht van dien der Heidenen verschillend. Zoo
-werd men geleid tot de onderscheiding van de revelatio (religio,
-theologia) naturalis en supernaturalis. Zakelijk wordt zij reeds bij
-de oudste kerkvaders aangetroffen. Justinus Martyr spreekt van eene
-ἀνθρωπειος διδασκαλια, die verkregen wordt door το ἐμφυτον παντι γενει
-ἀνθρωπων σπερμα του λογου en van eene γνωσις και θεωρια, die alleen
-door Christus ons deel wordt, Apol. II 8, 10, 13. Tertullianus heeft
-eene afzonderlijke verhandeling de testimonio animae, en spreekt van
-eene kennis Gods uit de werken der schepping, en van eene andere
-meer volledige door mannen, met Gods Geest vervuld, Apolog. II c.
-18. Irenaeus spreekt meermalen in denzelfden zin, adv. haer. II c.
-6, 9, 28. III 25. IV 6. Augustinus erkent eene openbaring Gods in de
-natuur, de Gen. ad. litt. 4, 32, de civ. Dei 8, 11 sq. 19, 1 enz.
-maar stelt naast de ratio de auctoritas, de fides, c. Acad. 3,20 de
-util. cred. 11, die alleen tot de ware kennisse Gods leidt, Conf.
-5,5, 7,26, de civ. 10,29. Bij Damascenus, de fide orthod. I. c. 1 sq.
-draagt deze onderscheiding al het karakter van een dogma. Ook de latere
-indeeling van de theologia naturalis in insita en acquisita is reeds
-bij de oudste kerkelijke schrijvers te vinden. Tertullianus beroept zich
-op het inwendig getuigenis der ziel en op de beschouwing van Gods
-werken. Augustinus zegt uitdrukkelijk, dat God uit de zienlijke dingen
-kan worden gekend, de Gen. ad. litt. 4,32 maar wijst vooral op het
-zelfbewustzijn en de zelfkennis als den weg tot de eeuwige waarheid, de
-vera relig. 72, de mag. 38, de trin. 4,1. Damascenus, de fide orth. I
-c. 1 en 3, stelt de ingeschapene en de verkregene kennisse Gods reeds
-duidelijk naast elkaar. Niet zoo spoedig waren de grenzen tusschen beide
-soorten van openbaring afgebakend. Langen tijd beproefde men nog, om de
-christelijke dogmata uit natuur en rede te bewijzen. Augustinus trachtte
-de triniteit, de trin. lib. 9-15, Anselmus in zijn Cur deus homo de
-menschwording en voldoening, Albertus Magnus, cf. Stöckl, Philos.
-des M. A. II. 384 f., en Thomas, S. c. Gent. II. 15 sq. de schepping
-aposteriori te bewijzen. Het verst ging hierin Raymund de Sabunde, die
-in zijn Liber naturae sive creaturarum, later ten onrechte Theologia
-naturalis genoemd (ed. van J. Sighart, Solisbaci, 1852 zonder den
-proloog, die 1595 werd veroordeeld) heel de christelijke geloofsleer uit
-de natuur des menschen trachtte op te bouwen, zonder hulp van Schrift
-en traditie en met vermijding der scholastische methode. Maar deze
-rationeele argumentatie was toch maar eene hulp, die achteraan kwam;
-de dogmata stonden apriori vast op grond der openbaring; adjuvantur in
-fide invisibilium per ea, quae facta sunt, Lombardus, Sent. I dist. 3,
-6. cf. 2, 1. Overigens werd de kennis, welke uit de natuur verkregen
-kon worden, tot eenige articuli mixti beperkt, die zich concentreerden
-om de drie begrippen God, deugd en onsterfelijkheid, Thomas, S. c.
-Gent. Lib. 1-3. De onderscheiding tusschen de theol. naturalis en
-supernaturalis werd echter in de scholastiek hoe langer hoe strakker
-gespannen en ging in eene volstrekte tegenstelling over. Door de
-natuurlijke openbaring was er van God en goddelijke zaken eenige streng
-wetenschappelijke kennis te verkrijgen, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1
-art. 5, cf. Bellarminus, Controv. IV p. 277 sq. Thomas is hiervan zoo
-vast overtuigd, dat hij de vraag opwerpt, of in dat geval het aannemen
-van deze uit de natuur bekende waarheden dan niet al zijn verdienste
-verliest. Gelooven is toch alleen verdienstelijk, als het geen weten is
-maar een voor waar aannemen op gezag, eene daad des verstands ex motu
-voluntatis motae per gratiam, ib. II 2 qu. 2 art. 9. Het antwoord op
-die vraag luidt, dat het weten inderdaad de ratio fidei vermindert;
-maar dat toch altijd in den geloovige de ratio caritatis blijft, d.
-i. de gezindheid, om het gewetene ook steeds weer op Gods gezag als
-waar aan te nemen, ib. II 2 qu. 2 art. 10; en deze gezindheid, om de
-articuli mixti op gezag te gelooven, blijft om bijzondere omstandigheden
-(zie straks onder N° 7), ook altijd noodig. Aan deze kennis uit de
-natuur en rede is nu door de bovennatuurlijke openbaring de kennis der
-mysteria toegevoegd, maar deze rust uitsluitend op gezag en is en
-blijft van het begin tot het einde eene zaak des geloofs. De mysteriën
-des Christendoms behooren tot eene orde, die niet om eene toevallige
-reden, door de zonde, maar die uitteraard voor ieder mensch, ook voor
-den zondeloozen mensch, ja zelfs voor de engelen in eigenlijken zin
-bovennatuurlijk is en daarom nooit anders dan door openbaring gekend
-worden kan. Bij de bijzondere openbaring komt deze eigenaardige Roomsche
-leer nader ter sprake. Maar hier zij reeds opgemerkt, dat weten en
-gelooven, ratio en auctoritas, natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring
-bij Rome dualistisch naast elkander staan. Rome erkent dus eenerzijds het
-recht van het rationalisme op het terrein van de natuurlijke openbaring
-en veroordeelt het excessieve supranaturalisme, dat ook in de articuli
-mixti geen kennis mogelijk acht dan door openbaring. En andererzijds
-huldigt het het supranaturalisme op het terrein van de mysteriën zoo
-streng mogelijk en veroordeelt het alle rationalisme, dat apriori of
-aposteriori in de dogmata aan het gezag en aan het geloof zoekt te
-ontkomen en ze in weten tracht te doen overgaan. Het verwerpt beide
-Tertullianus en Origenes en veroordeelt zoowel het traditionalisme van
-de Bonald als het rationalisme van Hermes (boven bl. 94 v). De Roomsche
-kerk belijdt, volgens het Vaticanum, sess. III Const. Dogm. de fide
-cath. cap. 2, Deum.... naturali humanae rationis lumine e rebus creatis
-certo cognosci posse, maar dat het Gode behaagd heeft, alia, eaque
-supernaturali via, se ipsum ac aeterna voluntatis decreta humano generi
-revelare.
-
-4. De Reformatie heeft deze onderscheiding van revelatio naturalis en
-supernaturalis overgenomen en er toch in beginsel eene geheel andere
-beteekenis aan gegeven. Wel namen de Hervormers eene openbaring Gods
-in de natuur aan. Maar de mensch was door de zonde zoo verduisterd
-in zijn verstand, dat hij ook deze openbaring niet recht kon kennen en
-verstaan. Er was dus tweeërlei noodig, n.l. dat God die waarheden,
-welke op zich zelve uit de natuur kenbaar zijn, ook weer in de bijzondere
-openbaring opnam; en dat de mensch, om God wederom op te merken in de
-natuur, eerst door Gods Geest moest worden verlicht. Om de algemeene
-openbaring Gods in de natuur te verstaan, was objectief de bijzondere
-openbaring in de H. Schrift van noode, welke daarom door Calvijn met
-eene bril werd vergeleken, en subjectief had de mensch behoefte aan
-het oog des geloofs, om God te aanschouwen ook in de werken zijner
-handen. Even belangrijk was de wijziging, door de Reformatie in de
-opvatting der bovennatuurlijke openbaring aangebracht. Deze was niet in
-de eerste plaats daarom bovennatuurlijk, wijl zij an sich tot eene andere
-orde behoorde en het verstand ook van den zondeloozen mensch en van
-de engelen te boven ging; maar bovennatuurlijk was ze vooral daarom,
-wijl zij de gedachten en wenschen van den zondigen, gevallen mensch
-verre overtrof, gelijk later zal worden aangetoond. Bij de Hervormers
-verloor de theologia naturalis dus hare rationeele zelfstandigheid.
-Ze werd niet afzonderlijk behandeld maar opgenomen in de christelijke
-geloofsleer, Zwingli, Comm. de vera et falsa relig. Op. ed. Schuler
-et Schulthess III 156 sq. Calvijn, Inst. I c. 1-5. Polanus, Synt.
-Theol. I cap. 10. Martyr, Loci Comm. loc. 2 etc. Maar verschillende
-oorzaken waren er, die dit reformatorisch beginsel tegenhielden in zijne
-ontwikkeling en volledige toepassing. Er was excessus, overspanning,
-aan de ééne zijde. Het Anabaptisme verwierp geheel de ordo naturalis
-en trachtte op revolutionaire wijze een koninkrijk der hemelen op aarde
-te stichten. De Socinianen verwierpen de theologia naturalis geheel
-en al, en leidden alle Godskennis uit openbaring af, Catech. Racov.
-qu. 46-49. Fock, Der Socin. 307 f. Luther kwam door zijne bestrijding
-van de scholastieke leer, naturalia mansisse integra, zoover, dat
-hij aan Aristoteles, aan de rede, aan de philosophie in theologicis
-alle recht van spreken verbood en de Vernunft in religieuse dingen
-stock-, starr-und gar blind noemde, Köstlin, Luthers Theologie II 287
-f. Luthardt, Ethik Luthers, 14 f. Strauss, Glaubenslehre I 311 f. De
-strenge Lutheranen volgden den Meester; en de Formula Concordiae,
-ofschoon erkennend dat humana ratio seu intellectus naturalis hominis
-obscuram aliquam notitiae illius scintillulam reliquam habet, quod sit
-Deus, et particulam aliquam legis tenet, II Pars. Sol. Decl. II. de
-lib. arb., J. T. Müller, Die symb. Bücher der ev. luth. K. 5e Aufl.
-1882 S. 589, legt toch zoo eenzijdig op de duisternis en de onmacht
-van den natuurlijken mensch in zaken van religie den nadruk, dat de
-samenhang en het verband van de bijzondere met de algemeene openbaring
-geheel wordt verbroken; de mensch is in rebus spiritualibus et ad
-conversionem aut regenerationem niets meer dan een lapis, truncus aut
-limus, ib. bij Müller S. 594.
-
-De reactie daartegen kon niet uitblijven. Bij het Anabaptisme en het
-Socinianisme sloeg het excessieve supranaturalisme in rationalisme
-om. Luther was gedwongen, wijl hij aan de rede toch niet alle inzicht
-en oordeel ontzeggen kon, om eene scherpe scheiding te maken tusschen
-het geestelijke en het wereldlijke, het hemelsche en het aardsche, het
-eeuwige en het tijdelijke, Köstlin, Luthers Theol. II 244 f. En op
-zijn voetspoor maakten de Luth. theologen onderscheid tusschen duo
-hemisphaeria, quorum unum inferius, alterum superius; in aardsche
-dingen is de rede nog vrij en tot veel goeds in staat, hier is zij tot op
-zekere hoogte zelfstandig en van het geloof onafhankelijk, Schmid, Dogm.
-der ev. luth. K. 192 f. Ook Calvijn, ofschoon door zijne leer van de
-gratia communis in veel gunstiger conditie dan Luther, kwam toch niet
-altijd de oude dualistische tegenstelling van de revelatio naturalis en
-supernaturalis te boven, Inst. II, 2, 12, 13. De rede kreeg daardoor
-weer eenige zeggenschap naast het geloof. Het scheen, dat zij niet
-altijd door het geloof moest worden geleid, maar op een, zij het ook nog
-zoo klein en onverschillig gebied, vrij en onafhankelijk was. Met dit
-haar toegestaan, althans niet ernstig betwiste recht heeft ze winste
-gedaan; gaandeweg heeft zij haar macht uitgebreid. Eerst in burgerlijke
-zaken, dan in de wetenschap, straks in de philosophie, en eindelijk
-ook in de theologie verheft zij zich naast en tegenover het geloof.
-Alsted gaf eene Theol. naturalis 1615 afzonderlijk uit, en telde als
-haar inhoud een zevental dogmata op: deus est, super omnia diligendus,
-honeste vivendum est, quod tibi non vis fieri alteri ne feceris, suum
-cuique tribuendum est, nemo laedendus est, plus est in bono communi
-positum quam in particulari, cf. Praecognita 1623 p. 37-114. Vele
-Geref. theologen volgden dit voorbeeld, vooral toen de philosophie van
-Cartesius aan invloed won, Doedes, Inl. tot de leer van God, 2e dr.
-1880 bl. 200 v. Door het Engelsche deisme en het Duitsche rationalisme
-nam de theologia naturalis of rationalis zoo in macht en aanzien toe,
-dat zij de theologia revelata als geheel onnoodig verwierp. Herbert
-van Cherbury 1581-1648, gaf aan de religio naturalis vijf artikelen
-tot inhoud: esse deum summum, coli debere, virtutem pietatemque esse
-praecipuas partes cultus divini, dolendum esse ob peccata ab iisque
-resipiscendum, dari ex bonitate justitiaque divina praemium vel poenam
-tum in hac vita tum post hanc vitam, Lechler, Gesch. des engl. Deismus
-42. Maar nadat zij de theologia revelata gebannen had, is zij op haar
-beurt ook zelve geoordeeld. Kant betoogde in zijne kritiek der zuivere
-rede, dat deze tot de zinnelijk-waarneembare verschijnselen beperkt is en
-noch tot het bovenzinnelijke noch tot het bovennatuurlijke doordringen
-kan. De geschiedenis der godsdiensten toonde aan, dat geen enkele
-godsdienst aan de revelatio naturalis genoeg had, dat er nergens eene
-religio naturalis bestond en dat alle godsdiensten positief waren.
-En de kritiek der Schrift ondermijnde de revelatio supernaturalis en
-wischte de grenzen tusschen haar en de revelatio naturalis uit. De
-overtuiging werd daardoor algemeen, dat er, om eenige kennis van God
-te bekomen, een andere weg dan die der rede en der wetenschappelijke
-bewijsvoering moest worden ingeslagen, n.l. die des geloofs of der
-zedelijke ervaring of der phantasie. De theologia en religio naturalis,
-en daarmede ook de revelatio naturalis verloor hare waarde. De bewijzen
-voor Gods bestaan, de ziel, de onsterfelijkheid werden prijsgegeven en
-gebannen uit de dogmatiek. Pierson, Eene levensbeschouwing 83, zeide
-zelfs, dat onderwijs in de theol. naturalis aan de rijkshoogescholen eene
-wanbesteding was van ’s lands penningen. Desniettemin is ze in de wet
-op het hooger onderwijs toch weer onder den naam van geschiedenis der
-leer aangaande God en van wijsbegeerte van den godsdienst opgenomen.
-Prof. Doedes verwierp ze in zijne Encyclopaedie bl. 190 v., maar
-behandelde ze toch feitelijk weer in zijne Inleiding tot de leer van
-God, 2e dr. 1880 en De Leer van God 1871. Alles wijst er op, gelijk
-in den locus de Deo zal worden aangetoond, dat de bewijzen voor Gods
-bestaan weer in waarde rijzen. De goede gedachte, die er ligt in de oude
-theologia naturalis, wordt langzamerhand weer beter erkend.
-
-5. De Schrift kent wel het begrip van eene vaste natuurorde, maar
-maakt toch bij de openbaring tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke
-geen onderscheid. Zij bezigt voor beide dezelfde woorden, b.v. גלה,
-φανερουν en ἀποκαλυπτειν ook voor de revelatio naturalis Job 12:22,
-33:16, 36:10; Rom. 1:18, 19. Nösgen, Beweis des Glaubens, Nov. 1890
-S. 416-417 maakt daarom ten onrechte bezwaar, om aan de openbaring
-Gods in de natuur reeds den naam van openbaring te geven. Eigenlijk is
-op het standpunt der Schrift alle openbaring, ook die in de natuur,
-bovennatuurlijk. Het woord zelf sluit ook niets in aangaande de wijze,
-waarop iets openbaar wordt, maar zegt alleen, dat iets, hetwelk
-verborgen was, aan het licht treedt. Op religieus terrein duidt het
-aan, dat God een eigen, zelfstandig, van de natuur onderscheiden leven
-bezit en nu uit zijne verborgenheid op eene of andere wijze voor het
-oog van redelijke schepselen te voorschijn treden kan. Van openbaring
-kan dus in eigenlijken zin alleen spreken, wie het supranatureele, een
-ordo supra hanc naturam erkent; en elk, die het woord in dezen zin
-bezigt, is in beginsel supranaturalist, ook al neemt hij slechts eene
-openbaring aan op natuurlijke wijze. De onderscheiding van revelatio
-naturalis en supernaturalis is niet ontleend aan de aktie Gods, die
-in de eene en in de andere openbaring zich uit, maar aan de wijze,
-waarop die openbaring geschiedt, n.l. per of praeter hanc naturam. In
-oorsprong is alle openbaring supranatureel. God werkt altijd Joh. 5:17.
-Dat werken Gods is naar buiten begonnen met de schepping. De creatie
-is de eerste revelatie Gods, aanvang en grondslag van alle volgende
-openbaring. Het bijbelsch begrip der openbaring wortelt in dat der
-schepping, Oehler, Theol. des A. T. 1882 S. 21. Door de schepping is
-God het eerst voor schepselen naar buiten getreden en heeft Hij zich
-aan schepselen geopenbaard. Als God de wereld schept door zijn Woord
-en levend maakt door zijn Geest, dan liggen daarin reeds de grondlijnen
-van alle volgende openbaringen geteekend. Maar aan de schepping sluit
-terstond de voorzienigheid zich aan. Ook deze is eene almachtige en
-alomtegenwoordige kracht en daad Gods. Al wat is en geschiedt, is een
-werk Gods in eigenlijken zin, en voor den vrome eene openbaring van zijne
-deugden en volmaaktheden. Zoo beziet de Schrift natuur en geschiedenis.
-Schepping, onderhouding en regeering zijne ééne machtige, voortgaande
-openbaring Gods. Geen natuurpoëzie heeft die van Israel overtroffen of
-geëvenaard, Pierson, Geestel. Voorouders I Israel bl. 389 v. Alles in
-de natuur spreekt den vrome van God. De hemelen vertellen Gods eer,
-het uitspansel zijner handen werk. Gods stem is op de groote wateren.
-Die stem verbreekt de cederen, dreunt in den donder, loeit in den
-stormwind. Het licht is zijn kleed, de hemel zijn gordijn, de wolken zijn
-wagen. Zijn adem schept en vernieuwt het aardrijk. Hij regent en geeft
-zonneschijn over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Loof en gras,
-regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren en alle dingen
-komen den geloovige niet bij geval toe maar van Gods vaderlijke hand. De
-natuur- en geschiedbeschouwing der Schrift is religieus en daarom ook
-supranatureel.
-
-Voor de Schrift hangen zelfs religie en bovennatuurlijke openbaring ten
-nauwste saam. Zij verhaalt van zulk eene openbaring niet eerst na, maar
-ook reeds vóór den val. De verhouding van God en mensch in den status
-integritatis wordt als een persoonlijke omgang geteekend. God spreekt
-tot den mensch Gen. 1:28-30, geeft hem een gebod dat hij van nature
-niet weten kon Gen 2:16 en voegt als met eigen hand de vrouw ter hulpe
-hem toe, Gen. 2 vs. 22. Ook het foedus operum is niet in dien zin een
-foedus naturae, dat het vanzelf uit ’s menschen natuurlijken aanleg
-opkomt, maar is eene vrucht van bovennatuurlijke openbaring. En wijl het
-foedus operum nu niets anders is dan de vorm der religie bij den naar
-Gods beeld geschapen mensch die het hoogste nog niet had verkregen,
-zoo kan gezegd worden, dat de Schrift de zuivere religie zich niet
-denken kan zonder revelatio supernaturalis. Het bovennatuurlijke strijdt
-niet met ’s menschen natuur, noch met de natuur der schepselen; het
-behoort, om zoo te spreken, tot het wezen van den mensch. De mensch
-is beeld Gods en Gode verwant, en door de religie staat hij tot God in
-eene rechtstreeksche verhouding. De aard dezer verhouding sluit in,
-dat God zich aan den naar zijn beeld geschapen mensch beide objectief
-en subjectief openbare. Er is geen religie zonder traditie, dogma,
-cultus; en deze alle zijn met het begrip van openbaring saamgeweven.
-Alle religies zijn dan ook positief en berusten niet alleen op
-natuurlijke maar altijd ook op werkelijke of vermeende bovennatuurlijke
-openbaring. En alle menschen erkennen van nature het supranatureele.
-Het naturalisme is evenals het atheïsme eene vondst der wijsbegeerte,
-maar het heeft geen steun in de menschelijke natuur. Zoolang de religie
-zal behooren tot het wezen van den mensch, zal de mensch ook zijn en
-blijven supranaturalist. Elk geloovige, van welke richting ook, hij moge
-naturalist zijn met zijn hoofd, hij is toch supranaturalist met zijn hart.
-Wie uit de religie, dus uit het gebed, uit de gemeenschapsoefening
-met God het supranatureele bannen wil, doodt de religie zelve. Want
-religie onderstelt werkelijke verwantschap en gemeenschap met God en
-is met hart en ziel supranaturalistisch. Zij is onafscheidelijk van
-het geloof, dat God supra naturam staat en dat Hij met haar doen kan
-naar zijn welbehagen, dat Hij de natuurorde dienstbaar maakt aan de
-zedelijke orde, de rijken der wereld aan het koninkrijk der hemelen,
-de physis aan den ethos. Er is daarom terecht gezegd, dat de bede
-om een rein hart even supranaturalistisch is als die om een gezond
-lichaam (Pierson). De theïst, die waarlijk theïst wil zijn en toch de
-bovennatuurlijke openbaring bestrijdt, is met deze ontkenning er nog
-volstrekt niet af. Hij moet of terug naar het deïsme of pantheïsme, of
-hij moet vooruit en ook de mogelijkheid der bovennatuurlijke openbaring
-aannemen. Er is geen religio naturalis. De rationalistische trilogie
-is onhoudbaar. De eenig ware tegenstelling van de erkenning van het
-supranatureele is dan ook niet het rationalistisch deïsme, maar het
-naturalisme, d. i. het geloof, dat er geen andere hoogere kracht
-bestaat dan die in de tegenwoordige natuurorde aanwezig is en zich
-openbaart. Maar dan valt ook alle recht, om aan den triumf van het
-goede, aan de eindelijke zegepraal van het rijk Gods, aan de macht van de
-zedelijke wereldorde te gelooven. Want het goede, het ware, de zedelijke
-wereldorde, het rijk Gods zijn zaken, die in zichzelf geen macht hebben,
-om zich te realiseeren. De hoop, dat de menschen ze tot heerschappij
-zullen brengen en voor de macht der waarheid zwichten zullen, wordt
-iederen dag door de ervaring teleurgesteld. Dan alleen is hun triumf
-verzekerd, als God een persoonlijk, almachtig wezen is en heel de
-schepping, trots allen tegenstand, heenleiden kan tot het door Hem
-beoogde doel. De religie, de moraal, de erkenning van eene bestemming
-voor menschheid en wereld, het geloof aan de zegepraal van het goede,
-de theïstische wereldbeschouwing, het geloof aan een persoonlijk God
-zijn alle onlosmakelijk met het supranaturalisme verbonden. De idee van
-God en van de religie involveert die van de openbaring. Pierson, Gods
-wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. 36 v. James Orr, The
-christian view of God and the world, Edinb. 1893 p. 60 etc. 91 etc. Cf.
-Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 530 v.
-
-6. Bovennatuurlijke openbaring mag echter niet met onmiddellijke
-openbaring vereenzelvigd worden. De onderscheiding van middellijke
-en onmiddellijke openbaring is telkens in verschillenden zin
-genomen. Onmiddellijk werd vroeger elke openbaring genoemd, die
-zonder tusschenpersoon tot den ontvanger zelven kwam; en middellijk
-die, welke door engelen of menschen aan anderen werd overgebracht,
-Witsius, Misc. Sacra I. 16. Inzoover nu de openbaring tot profeten
-en apostelen meest persoonlijk kwam, daarentegen tot ons slechts komt
-door hunne geschriften heen, kon de eerste als revelatio immediata
-tegen de laatste, als revelatio mediata, worden overgesteld. Bij de
-rationalistische en moderne theologen hebben deze benamingen dikwerf
-een geheel anderen zin ontvangen, en daardoor de verwarring in de
-opvatting der openbaring doen toenemen, Rothe, zur Dogm. 55 f. 64
-f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 163 f. In strikten zin is er geen
-onmiddellijke openbaring, noch in de natuur noch in de genade. Altijd
-bedient God zich van een middel, hetzij uit de schepselen genomen hetzij
-vrij gekozen, waardoor Hij zich aan menschen openbaart. Door teekens
-en symbolen doet Hij hen zijne tegenwoordigheid gevoelen; door daden
-verkondigt Hij hun zijne deugden; door spraak en taal maakt Hij hun zijn
-wil en gedachte bekend. Zelfs waar Hij door zijn Geest inwendig zich
-openbaart in het bewustzijn, geschiedt deze openbaring toch altijd
-organisch en dus langs middellijken weg. De afstand tusschen Schepper
-en schepsel is veel te groot, dan dat de mensch God rechtstreeks
-gewaarworden kan. Finitum non est capax infiniti. Of er in den
-status gloriae eene visio Dei per essentiam zal zijn, kan eerst
-later worden onderzocht. Maar in deze bedeeling is alle openbaring
-middellijk. Gelijk God is en spreekt in zichzelven, kan Hij door geen
-schepsel worden aanschouwd of verstaan. Openbaring is daarom altijd
-eene daad van genade; in haar daalt God tot zijn schepsel af, dat
-naar zijn beeld is gemaakt. Alle openbaring is anthropomorphisme, is
-eene zekere menschwording Gods. Zij geschiedt altijd in zekere vormen,
-in bepaalde modi. In de revelatio naturalis zijn zijne goddelijke en
-eeuwige gedachten op creatuurlijke wijze in de schepselen neergelegd,
-zoodat ze door den mensch denkende kunnen verstaan worden. En bij de
-revelatio supernaturalis bindt Hij zich aan ruimte en tijd, neemt Hij
-aan menschelijke taal en spraak, en bedient zich van creatuurlijke
-middelen, Gen. 1:28, 2:16 v., 21 v., 3:8 v. En door deze media heen
-vernam en verstond de mensch God even goed en even duidelijk, als nu de
-vrome de sprake Gods verneemt in heel de natuur. Zoo weinig onmogelijk
-en bedriegelijk de openbaring Gods in natuur en geschiedenis is voor
-den geloovige, is het ook de bovennatuurlijke openbaring, waarbij God
-van ongewone middelen zich bedient, maar waarvoor Hij ook op bijzondere
-wijze de oogen opent. Natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring gaan dus
-naar de leer der Schrift in den status integritatis saam. Zij zijn geen
-tegenstelling maar vullen elkander aan. Zij zijn beide middellijk en aan
-bepaalde vormen en middelen gebonden. Zij berusten beide op de gedachte,
-dat God in genade zich nederbuigt tot den mensch en hem gelijkvormig
-wordt. En zij hebben beide deze modi, dat God zijne tegenwoordigheid
-gevoelen, zijne stemme hooren, zijne werken aanschouwen doet. Door
-verschijning, woord en daad maakte God van den aanvang af aan menschen
-zich openbaar.
-
-Opmerkelijk is het nu, dat de zonde, die door den eersten mensch
-intreedt in de wereld, in het feit zelf der openbaring geen verandering
-brengt. God blijft zich openbaren; Hij trekt zich niet terug. Allereerst
-wordt ons door heel de Schrift heen eene revelatio naturalis geleerd.
-Gods openbaring is begonnen in de schepping en zet in de onderhouding
-en regeering aller dingen zich voort. Hij openbaart zich in de natuur
-rondom ons henen; spreidt daarin zijne eeuwige kracht en goddelijkheid
-ten toon, en bewijst in zegeningen en oordeel en beurtelings zijne
-goedheid en zijn toorn, Job 36, 37. Ps. 29, 33:5, 65, 67:7, 90, 104,
-107, 145, 147. Jes. 59:17-19. Mt. 5:45. Rom: 1:18. Hd. 14:16. Hij
-openbaart zich in de geschiedenis van volken en personen Deut. 32:8.
-Ps. 33:10, 67:5, 115:16. Spr. 8:15, 16. Hd. 17:26. Rom. 13:1. Hij
-openbaart zich ook in het hart en geweten van een iegelijk mensch Job
-32:8, 33:4. Spr. 20:27. Joh. 1:3-5, 9, 10. Rom. 2:14, 15, 8:16. Deze
-openbaring Gods is algemeen, op zichzelve waarneembaar en verstaanbaar
-voor iederen mensch. Natuur en geschiedenis zijn het boek van Gods
-almacht en wijsheid, van zijne goedheid en rechtvaardigheid. Alle
-volken hebben deze openbaring tot op zekere hoogte erkend. Zelfs de
-afgoderij onderstelt, dat in de schepselen Gods δυναμις en θειοτης zich
-openbaart. Wijsgeeren, natuuronderzoekers en geschiedvorschers hebben
-menigmaal op treffende wijze van deze openbaring Gods gesproken, b.v.
-Xenophon, Memor. I 4, 5. Cicero, de nat. deor. II 2, de divinat. II
-72. Zöckler, Gottes Zeugen im Reich der Natur, 2 Th. Gütersloh 1881.
-Door de christelijke theologie is deze algemeene openbaring ten allen
-tijde eenparig aangenomen en verdedigd, Iren. adv. haer. II 6. Tertull.
-de testim. animae, adv. Marc. I 10. August, de civ. Dei 8:9 sq. 19:1,
-de trin. 4:20 enz. Joh. Damasc. de fide orthod. I c. 1 en 3. Thomas,
-S. c. Gent. lib. 1-3. S. Theol. I qu. 2 enz., cf. verder H. Denzinger,
-Vier Bücher von der relig. Erk. II S. 27-45. Inzonderheid door de
-Geref. theologen werd deze algemeene openbaring gehandhaafd en hoog
-gewaardeerd, Calv. Inst. I c. 4 en cf. voorts Schweizer, Gl. der ev. K.
-I 241 f. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 1 f. Scholten, Leer der Herv.
-Kerk I{4} 304-326. Doedes, Inleiding tot de leer van God 2e dr. bl.
-107-252.
-
-Maar volgens de Schrift is deze algemeene openbaring niet in
-strikten zin natuurlijk alleen, maar bevat zij ook bovennatuurlijke
-elementen. De openbaring, die terstond na den val geschiedt, draagt
-een supranatureel karakter Gen. 3:8 v. en wordt door traditie het
-eigendom der menschheid. De oorspronkelijke kennis en dienst Gods blijft
-nog langen tijd in min of meer zuiveren toestand bewaard. Aan Kain
-wordt genade geschonken voor recht: zelfs wordt hij de vader van een
-geslacht, dat met de cultuur een aanvang maakt, Gen. 4. Het verbond,
-dat na den zondvloed met Noach en in hem met heel de nieuwe menschheid
-opgericht wordt, is een verbond der natuur en toch niet natuurlijk meer,
-maar vrucht van ongehoudene bovennatuurlijke genade, Gen. 8:21, 22.
-9:1-17. Meermalen gewaagt de Schrift van wonderen, die God gewrocht
-heeft voor de oogen der Heidenen, in Egypte, Kanaan, Babel enz., en
-van bovennatuurlijke openbaringen, die aan niet-Israelieten ten beurt
-gevallen zijn, Gen. 20, 30, 40, 41. Richt. 7. Dan. 2:4 enz. Eene
-werking van bovennatuurlijke krachten in de heidenwereld is apriori
-noch onmogelijk noch zelfs onwaarschijnlijk. Er kan waarheid liggen in
-het beroep op openbaringen, dat aan alle godsdiensten gemeenschappelijk
-is. En omgekeerd is niet alles wat tot het terrein der bijzondere
-genade behoort, in strikten zin bovennatuurlijk. Er verloopen gansche
-perioden in de geschiedenis van Israel, vele dagen en jaren in het
-leven van Jezus, en evenzoo in het leven der apostelen, waarin geene
-bovennatuurlijke openbaring plaats heeft en die toch een gewichtig deel
-vormen in de historia revelationis. Als Jezus den armen het evangelie
-verkondigt, is dit van geen minder gewicht, dan wanneer Hij kranken
-geneest en dooden opwekt. Zijn sterven, dat natuurlijk schijnt, is van
-geen mindere beteekenis dan zijne bovennatuurlijke geboorte. Daarom is
-de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring niet
-identisch met die van algemeene en bijzondere. Ter aanduiding van de
-tweeërlei openbaring, die aan de heidensche religies en aan de religie
-der Schrift ten grondslag ligt, is de laatste onderscheiding te
-verkiezen boven de eerste.
-
-
-C. Ongenoegzaamheid der algemeene openbaring.
-
-7. Deze revelatio generalis is echter om verschillende redenen
-onvoldoende. Ook hierin zijn alle christelijke theologen eenstemmig.
-Irenaeus adv. haeres. 2, 28 betoogt tegenover de gnostieken de
-beperktheid der menschelijke kennis. Justinus Martyr, Dial. c. Tryph.,
-inleiding, Tertullianus, de an. c. 1. Lactantius, Instit. div. 3, 1.
-4, 1. Arnobius, adv. nat. I, 38. II, 6. schilderen de zwakheid der
-rede in zeer sterke kleuren. Augustinus ontkent niet, dat er ook bij de
-Heidenen eenige waarheid is, waarmede de Christenen hun winst kunnen
-doen, de doctr. chr. 2, 60. Maar de philosophie is niet de ware weg
-tot de zaligheid. Ze kan slechts weinigen en slechts weinig leeren,
-de trin. 13, 12. de civ. 12, 20. de util. cred. 10, 24. Ze kent wel
-het doel, maar niet den weg, die tot het doel leidt, Conf. 5, 5. 7,
-26. de civ. 10, 29. Dikwerf leidt ze op een dwaalweg en houdt de
-waarheid in ongerechtigheid onder, de trin. 13, 24, zoekt ze niet op
-vrome wijze, Conf. 5, 4, mist de liefde die tot kennis der waarheid
-noodig is, de civ. 9, 20, wordt door haar eigen superbia verhinderd
-in de kennis der waarheid, want alleen humilitas is de weg ten leven,
-de civ. 2, 7. Daarom is er nog een andere weg tot de waarheid noodig,
-nl. de auctoritas, de vera relig. c. 24. de mor. eccl. 1, 2. Thomas S.
-Theol. I qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I, 4. betoogt de noodzakelijkheid
-der openbaring zelfs voor de door de rede gekende articuli mixti.
-De Roomsche kerk heeft de insufficientia der theol. nat. duidelijk
-uitgesproken in de voorrede van den Catech. Romanus, en in ’t
-Vaticanum sess. 3 cap. 2 de revelatione, en can. 2, 2-4. En de Protest.
-theologen oordeelden over deze insufficientia der algemeene openbaring
-niet anders, Calv. Inst. I. 5 § 11 sq. en cap. 6. Heidegger, Corpus
-Theol. I § 9-13. Trigland, Antapologia cap. 17. Owen, Θεολογουμενα I
-cap. 6. Turret. Theol. Elenct. I qu. 4. Moor, Comm. in Marckii Comp.
-I 61 39. De genoegzaamheid der algemeene openbaring en der daarop
-gebouwde religio naturalis werd in vroeger tijd alleen geleerd door de
-Pelagianen, die drieërlei weg tot de zaligheid aannamen, n.l. de lex
-naturae, lex Mosis en lex Christi. Ook waren er in de christelijke kerk
-altijd enkele theologen, die gunstiger over de Heidenen oordeelden en
-ook aan de mogelijkheid hunner zaligheid geloofden, zooals Justinus,
-Clemens Alex. Erasmus, Zwingli enz. cf. Vossius, Historia Pelag.
-1655 p. 383 sq. Maar bij dezen rustte dit geloof meestentijds niet op
-de leer van de genoegzaamheid der algemeene openbaring, maar op de
-onderstelling, dat God ook met zijne bijzondere genade onder de Heidenen
-hetzij dan in of na dit leven werkte. Daarentegen werd de volkomen
-genoegzaamheid der algemeene openbaring en van de natuurlijke religie in
-de 18e eeuw geleerd door de deïsten en rationalisten, zooals Cherbury,
-Tindal, Collins, Rousseau, Kant enz. Litt. bij Lechler, Gesch. des engl.
-Deïsmus 1841 en art. Deïsmus in Herzog². Bretschneider, System. Entw.
-aller in der Dogm. vork. Begriffe 1841 S. 35 f. Clarisse, Encycl. 1835
-p. 405 sq. Doedes, Inleiding tot de Leer van God 1880 bl. 197 v.
-
-Over de insufficientia der algemeene openbaring kan er haast geen
-twijfel bestaan. Ten eerste blijkt ze daaruit, dat deze openbaring ons
-hoogstens eenige kennis verschaft van Gods bestaan en van sommige
-zijner eigenschappen, zooals goedheid en gerechtigheid; maar ze laat
-ons volstrekt onbekend met den persoon van Christus, die alleen
-is de weg tot den Vader, Mt. 11:27. Joh. 14:6, 17:3. Hd. 4:12. De
-algemeene openbaring is daarom onvoldoende voor den mensch als zondaar;
-zij weet van geen genade en vergeving; menigmaal is zij zelfs eene
-openbaring van toorn, Rom. 1:20. Genade en vergeving, die het wezen
-der religie moeten zijn, is een daad van welbehagen, niet van natuur
-en noodzakelijkheid. De algemeene openbaring kan hoogstens eenige
-waarheden doen kennen, maar brengt geen feiten, geen geschiedenis, en
-verandert dus niets in het zijn. Zij verlicht het bewustzijn eenigszins
-en beteugelt de zonde, maar zij herschept de natuur van mensch en
-wereld niet. Zij kan vrees inboezemen, maar geen vertrouwen en liefde,
-Shedd, Dogm. Theol. I 66, 218. In de tweede plaats is de kennis,
-welke de algemeene openbaring verschaffen kan, niet alleen gering en
-onvoldoende, maar ze is ook onzeker, steeds met dwaling vermengd, en
-voor verreweg de meeste menschen onbereikbaar. De geschiedenis der
-philosophie is eene geschiedenis van elkander afbrekende systemen
-geweest; en is bij de Grieken in het skepticisme, in de Middeleeuwen
-in het nominalisme, en thans in het agnosticisme geëindigd. De voor
-de religie noodzakelijkste waarheden, bestaan en wezen Gods, oorsprong
-en bestemming van mensch en wereld, zonde en vergeving, loon en straf
-zijn beurtelings geleerd en bestreden. Er is in de philosophie over al
-deze vragen geen genoegzame zekerheid te verkrijgen. Cicero, Tusc. 1,5
-vraagt daarom terecht: ex philosophis nonne optimus et gravissimus
-quisque confitetur multa se ignorare, multa sibi etiam atque etiam
-esse discenda? Maar ook al kwamen sommige denkers tot eenige ware
-en zuivere kennis, zij was nog altijd met allerlei dwaling vermengd.
-Elk wijsgeerig systeem heeft zijne leemten en gebreken. Plato, wiens
-systeem volgens Augustinus, de civ. 8,5 het naast aan het Christendom
-verwant is, verdedigt het te vondeling leggen van zwakke kinderen, de
-paederastie, gemeenschap van vrouwen enz. Zelfs in de moraal is er
-groot verschil en onzekerheid; vérité en deça des Pyrenées, erreur
-au delà (Pascal). Nescio quomodo nihil tam absurde dici potest,
-quod non dicatur ab aliquo philosophorum, Cic. de divin. 2,58. En
-al waren de wijsgeeren ook in het bezit geweest van de schoonste en
-zuiverste leer, de autoriteit zou hun toch hebben ontbroken, om haar
-onder het volk ingang te verschaffen. Dikwerf sluiten zij daarom
-zelf in de practijk van het leven toch weer bij het volksgeloof en de
-volkszeden zich aan; of zij trekken met een Odi profanum vulgus et
-arceo van het volk in hoogheid zich terug. Hun onderlinge strijd en de
-tegenstelling tusschen hun leer en leven verzwakte hun invloed. En al
-ware ook dit alles nog niet het geval geweest, dan zou toch de leer
-der wijsgeeren nooit de religie van het volk hebben kunnen worden of
-blijven, omdat in zaken van religie een intellectueel clericalisme en
-eene wetenschappelijke hierarchie onverdragelijk is. Daarom had Thomas
-volkomen gelijk, als hij zeide, dat ook zelfs in die waarheden, welke
-de algemeene openbaring ons kennen doet, nog openbaring en autoriteit
-van noode is, omdat die kennis slechts voor weinigen geschikt is, te
-langen tijd van onderzoek vereischen zou en ook dan nog onvolkomen en
-onzeker bleef, S. Theol. I qu. 1 art. 1, II 2 qu. 2 art. 4. S. contra
-Gent. I, 4. In de derde plaats wordt het onvoldoende der natuurlijke
-openbaring duidelijk aangetoond door het feit, dat geen enkel volk met
-de zoogenaamde religio naturalis is tevreden geweest. De algemeene
-religie der deïsten, de moralische Vernunftreligion van Kant, de pietas
-en obedientia van Spinoza, zijn alle niets dan pure abstracties, die in
-de werkelijkheid nooit hebben bestaan. Zelfs al waren de vijf artikelen
-van Herbert of de rationalistische trilogie van Kant volkomen zeker en
-streng wetenschappelijk bewijsbaar geweest, dan nog zouden ze tot het
-stichten van eene religie, van een kerk onbekwaam zijn geweest. Want
-religie is iets wezenlijk anders dan wetenschap, zij heeft een andere
-bron en grondslag. De achttiende eeuw kon in zulke redewaarheden
-en ijdele abstracties behagen vinden. De negentiende eeuw met haar
-historischen zin heeft spoedig ingezien, dat zulk een religio naturalis
-nergens bestond en ook nergens bestaan kan. Thans wordt algemeen
-toegestemd, dat alle godsdiensten positief zijn en rusten op openbaring,
-Schleiermacher, Glaub. § 10 Zusatz. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 4,
-500. Id. Unterricht in der christl. Religion³ S. 20. Frank, System der
-chr. Wahrheit. I² 512 f. Doedes, Encyclopaedie 190, 191. W. Bender, Zur
-Geschichte der Emancipation der natürl. Theol., Jahrb. f. prot. Theol.
-1883 S. 529{4}-592. R. Rütschi, Die Lehre von der natürlichen Religion
-u. vom Naturrecht, Jahrb. f. prot. Theol. 1884 S. 1-48. Hoekstra, Wijsg.
-Godsd. I 19 v.
-
-
-D. Waarde der algemeene openbaring.
-
-8. Daarmede heeft echter de algemeene openbaring niet hare waarde en
-beteekenis verloren. Ten eerste is ze van groote beteekenis voor de
-heidenwereld. Zij is de vaste en blijvende grondslag der heidensche
-godsdiensten. De H. Schrift velt over het Ethnicisme een gestreng
-oordeel en verklaart zijn oorsprong uit afval van de zuivere kennisse
-Gods. Wel bleef deze kennis, die ’s menschen oorspronkelijk eigendom
-was, nog een tijd lang nawerken Gen. 4:3. 8:20, en openbaarde de
-schepping Gods eeuwige kracht en goddelijkheid, Rom. 1:20. Maar de
-menschen, verdwaasd in hunne gedachten en verduisterd in hun hart,
-hebben God kennende Hem als God niet verheerlijkt of gedankt. Daarbij
-is de verwarring der spraak en de verstrooiïng der volken Gen. 11
-zeker ook voor de ontwikkeling van het polytheïsme van grooten invloed
-geweest, Orig. c. Cels V. Aug. de civ. Dei 16:6. Schelling, Einleitung
-in die philos. der Mythologie I 94 f. Delitzsch, Comm. op Gen. 11.
-Auberlen, De goddelijke openbaring I 187 v. Fabri, Die Entstehung des
-Heidenthums und die Aufgabe der Heidenmission 1859. Herzog² 12:108.
-Het Hebr. גּוֹי, de door afkomst en taal verbondene menigte, natie,
-naast גַּם het door eenheid van bestuur verbondene volk wijst hier
-ook op. Want גּוֹיִים, ἐθνη wordt doorgaans van de heidensche volken
-gebruikt, en beteekent niet alleen volken maar ook heidenen; het
-woord heeft eene nationale maar tegelijk ook eene ethisch-religieuse
-beteekenis, evenals het lat. pagani en ons heidenen. De eenheid Gods
-en dus ook de reinheid der religie ging bij de splitsing der menschheid
-in volken te loor. Ieder volk kreeg zijn eigen, nationalen god. En
-toen eenmaal het begrip van de eenheid en de absoluutheid Gods was te
-loor gegaan, konden naast dien éénen nationalen god andere machten
-langzamerhand als goden erkend en vereerd worden; de idee van het
-goddelijke wordt onzuiver en daalt, de verschillende natuurmachten
-treden op den voorgrond en stijgen in beteekenis; de grens tusschen het
-goddelijke en het creatuurlijke wordt uitgewischt; en de religie kan
-zelfs ontaarden in animisme en feticisme, in tooverij en magie. Het
-karakter der heidensche godsdiensten bestaat dan ook volgens de Schrift
-in afgoderij. De heidensche goden zijn afgoden, zij bestaan niet, zij zijn
-leugen en ijdelheid Jes. 41:29, 42:17, 46:1 v. Jer. 2:28. Ps. 106:28.
-Hd. 14:15, 19:26. Gal. 4:8. 1 Cor. 8:5. In die religies werkt zelfs
-eene daemonische macht Deut. 32:17. Ps. 106:28. 1 Cor. 10:20 v. Apoc.
-9:20. De toestand, waarin de heidenwereld buiten de openbaring aan
-Israel, buiten Christus verkeert, wordt beschreven als duisternis Jes.
-9:1, 60:2. Luk. 1:79. Joh. 1:5. Ef. 4:18, als onwetendheid Hd. 17:30.
-1 Petr 1:14. Rom 1:18 v.; als ingebeelde ijdele wijsheid 1 Cor. 1:18 v.,
-2:6, 3:19 v.; als zonde en ongerechtigheid Rom 1:24 v., 3:9 v.
-
-De heidenwereld is in haar oorsprong, karakter en bestemming een
-ontzachlijk probleem. Op zichzelve is de oplossing, welke de Schrift
-ervan geeft, niet alleen niet ongerijmd, maar zij beveelt zich
-zelfs door haar eenvoud en hare natuurlijkheid aan. Toch heeft de
-philosophie, zoowel die van de historie als van de godsdiensten, zich
-met die oplossing niet tevreden gesteld en eene andere beschouwing
-voorgedragen, welke lijnrecht tegen die der Schrift overstaat. Wel
-vindt de verheerlijking van den kinderlijken toestand der volken, gelijk
-die in de vorige eeuw gebruikelijk was, thans geene instemming meer.
-Maar de theorie der evolutie, die thans ter verklaring dienst doet,
-is evenzeer met de Schrift in strijd. Gelijk de natuurwetenschap het
-levende uit het levenlooze, het organische uit het anorganische, den
-mensch uit het dier, het bewuste uit het onbewuste, het hoogere uit
-het lagere tracht af te leiden, zoo zoekt de godsdienstwetenschap van
-den nieuweren tijd den godsdienst uit een vroegeren godsdienstloozen
-toestand en de zuivere religie uit de primitieve vormen van feticisme,
-animisme enz. te verklaren. D. Hume is daarmede reeds begonnen
-in zijne Natural history of religion. Bij Hegel paste zij geheel
-in het kader zijner pantheïstische philosophie, Vorlesungen über
-die Philosophie der Religion 1832. En sedert heeft ze hoe langer
-hoe meer verbreiding en verdediging gevonden, Buckle, History of
-civilization in England 1858. W. E. H. Lecky, History of the rise and
-influence of the spirit of rationalism in Europe 1865. E. B. Tylor,
-Researches into the early history of mankind and the development
-of civilization 2d ed. 1870. Id. Primitive Culture 1872. Sir John
-Lubbock, Prehistoric times as illustrated by ancient remains and
-the manners and customs of modern savages 1865. Id. The origin of
-civilization and the primitive condition of man 1870. H. Spencer, The
-principles of sociology 1876-’82. F. von Hellwald, Kulturgeschichte
-in ihrer natürlichen Entwicklung bis zur Gegenwart, 3e Aufl. 1883.
-O. Caspari, Die Urgeschichte der Menschheit mit Rücksicht auf die
-natürliche Entwicklung des frühesten Geisteslebens 1873. G. Roskoff,
-Das Religionswesen der rohesten Natürvolker 1880. Ed. von Hartmann,
-Religionsphilosophie, Leipzig. O. Pfleiderer, Religionsphilos. auf
-geschichtl. Grundlage, 2e Aufl. 1883-84. H. Siebeck, Lehrb. der
-Religionsphilosophie 1893. A. Reville, Prolégomènes de l’histoire
-des religions, Paris 1881. C. P. Tiele, De plaats v. d. godsd. der
-natuurvolken in de godsdienstgeschiedenis 1873. Id. Over de wetten
-der ontwikkeling van den godsdienst, Theol. Tijdschr. 1874. Id. Gesch.
-v. d. godsd. 1876 enz. Hoe algemeen deze leer der evolutie echter
-ook aangenomen zij, in elk geval heeft zij nog geen hoogeren rang dan
-dien van eene hypothese. Maar zij verklaart de verschijnselen niet. In
-de natuurwetenschap stuit zij nog altijd af op de feiten van leven,
-bewustzijn, spraak, taal, wil enz. En in de godsdienstwetenschap blijft
-het ontstaan en het wezen, de waarheid en de waarde der religie protest
-tegen haar indienen. Dat voorts de natuurvolken den oorspronkelijken
-toestand der menschheid vertegenwoordigen, dat feticisme en animisme
-de oudste godsdienstvormen zijn, en dat de eerste menschen gelijk waren
-aan kinderen of wilden, zijn meeningen, die voldoenden grond missen
-en daarom ook hoe langer hoe meer tegenspraak ontmoeten. Schelling
-nam in zijne Philosophie der Mythologie und Offenbarung een relatief
-monotheïsme als oorspronkelijk aan. Max Müller erkent een zoogenaamd
-henotheïsme als primitieven godsdienst, Vorlesungen über Ursprung und
-Entwicklung der Religion S. 292 f. Deutsche Rundschau Sept. 1878. Cf.
-Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 95 v. 191 v. en Hoekstra, Wijsg. Godsd.
-146 v. Ook de meening, dat de verschillende godsdiensten opeenvolgende
-momenten zijn in één ontwikkelingsproces, is veel minder waarschijnlijk
-dan die, welke ze houdt voor ontaardingen van eene soort, Kähler,
-Wiss. der chr. Lehre I 185. De leer der Schrift over den oorsprong en
-het wezen van het Ethnicisme wordt daarom meer of minder beslist nog
-verdedigd door Lüken, Die Einheit des Menschengeschlechts und dessen
-Ausbreitung über die ganze Erde 1845. Doedes, De toepassing van de
-ontwikkelingstheorie niet aan te bevelen voor de gesch. der godsd.
-1874. E. L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung 1878. Zöckler, Die
-Lehre vom Urstand des Menschen, Gütersloh 1879. Id. Art. Polytheismus
-in Herzog². Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible et
-les traditions des peuples orientaux, 3 vol. 1880-84. Diestel, der
-Monoth. des Heidenthums, Jahrb. f. deutsche Theol. 1860 S. 669-759. A.
-Tholuck, Der sittliche Charakter des Heidenthums 3e Aufl., Werke VIII
-1865 S. 1-91. J. N. Sepp, Das Heidenthum und dessen Bedeutung für das
-Christenthum, 3 Theile Regensburg 1853. C. Pesch, Gott und Götter.
-Eine Studie zur vergleichenden Religionswissenschaft. Freiburg 1890.
-Formby-Krieg, Der Monotheïsmus der Offenbarung und das Heidenthum.
-Mainz 1880. Ebrard, Apologetik, 2e Aufl. Gütersloh 1878-80. II 521
-f. Vigouroux, La Bible et les découvertes modernes en Palestine, en
-Egypte et en Assyrie, 4 vol. James Orr, The Christian view of God and
-the world, Edinburgh, Elliot 1893 p. 141, 193, 431, 466, 501. S. H.
-Kellogg, The genesis and growth of religion, New-York and London 1892.
-Cf. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. S. 7 f. 23 f.
-
-9. Maar, hoe streng de Schrift ook oordeele over het karakter van
-het heidendom, juist de algemeene openbaring die zij leert stelt ons
-in staat en geeft ons recht, om al de elementen van waarheid te
-erkennen, die ook in de heidensche religies aanwezig zijn. De studie
-der godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst der dogmatiek
-en apologetiek. De godsdienststichters, zooals Mohammed, werden
-eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers des duivels
-gehouden. Cf. Dr. Snouck Hurgronje, De Islam. Gids 1886 II 239 v.
-Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger bekend zijn geworden, is
-deze verklaring onhoudbaar gebleken; zij was beide met de historie en
-met de psychologie in strijd. Naar de H. Schrift is er ook onder de
-heidenen eene openbaring Gods, eene verlichting van den Logos, eene
-werking van Gods Geest, Gen. 6:17, 7:15. Ps. 33:6, 104:30, 139 vs. 2.
-Job 32:8. Pred. 3:19. Spr. 8:22 v. Mal. 1:11, 14. Joh. 1:9. Rom.2:14.
-Gal. 4:1-3. Hd. 14:16, 17; 17 vs. 22-30. Vele kerkvaders, Just. Martyr,
-Apol. 1,47, Clemens Alex. Strom. I 7 e. a. namen eene werkzaamheid van
-den Logos in de heidenwereld aan. Augustinus spreekt meermalen zeer
-ongunstig over de heidenen, maar erkent toch ook, dat zij de waarheid
-in schaduw zagen, de civ. 19,1 de trin. 4.20, dat de waarheid hun
-niet ten eenenmale verborgen was, de civ. 8:11 v. en dat wij dus met
-het ware in de heidensche philosophie onze winste moeten doen en het
-ons moeten toeëigenen, de doctr. chr. 2,60. Non usque adeo in anima
-humana imago Dei terrenorum affectuum labe detrita est, ut nulla in
-ea velut lineamenta extrema remanserint, unde merito dici possit,
-etiam in ipsa impietate vitae suae facere aliqua legis vel sapere, de
-spir. et. litt. c. 27, 28. Ook vele niet-reinen erkennen veel waars,
-Retract. I c. 4. Thomas zegt niet alleen, dat de mensch als redelijk
-wezen, zonder bovennatuurlijke genade, de veritates naturales kennen
-kan, S. Theol. I 2 qu. 109 art. 1. maar getuigt ook II 2 qu. 172 art.
-6, dat het onmogelijk is esse aliquam cognitionem quae totaliter sit
-falsa, absque admixtione alicujus veritatis, en beroept zich daarbij
-op de woorden van Beda en Augustinus: nulla falsa est doctrina, quae
-non aliquando aliqua vera falsis intermisceat. De Gereformeerden waren
-er nog beter aan toe door hunne leer van de gratia communis. Hierdoor
-werden ze eenerzijds voor de dwaling van het Pelagianisme behoed, dat de
-sufficientia der theol. naturalis leerde en de zaligheid verbond aan de
-onderhouding der lex naturae; maar konden zij toch andererzijds al het
-ware en schoone en goede erkennen dat ook in de heidenwereld aanwezig
-was. Wetenschap, kunst, zedelijk, huiselijk, maatschappelijk leven enz.
-werden uit die gratia communis afgeleid en met dankbaarheid erkend
-en geprezen, Calv. Inst. II, 2. § 12 v. II 3. § 3 v. Zanchius, Opera
-VIII 646 sq. Wttewrongel, Christ. Huishoudinge I 288-299. Witsius,
-Oec. foed. III 12. § 52. Id. Twist des Heeren met zijn wijngaart cap.
-19. Turret, Theol. El. 10:5. Vossius, Hist. Pelag. 3:3. Pfanner,
-Systema Theol. Gentilis cap. 22 § 33. Trigland, Antapologia cap.
-17. Moor, Comm. in Marckii Comp. IV 826-829. Cf. mijne rede over De
-algemeene Genade, Kampen 1894. Gewoonlijk werd deze werking der gratia
-communis nu wel gezien in ’t zedelijk en verstandelijk, maatschappelijk
-en staatkundig leven, maar minder dikwijls in de religies. Dan werd
-alleen van eenige religio naturalis, insita en acquisita gesproken,
-maar het verband tusschen deze en de religies niet aangetoond. De
-godsdiensten werden uit bedrog of daemonische invloeden afgeleid. Maar
-niet alleen in wetenschap en kunst, in moraal en recht, maar ook in
-de religies is er eene werking van Gods Geest en van zijne algemeene
-genade op te merken. Calvijn sprak terecht van een semen religionis,
-een sensus divinitatis, Inst. I, 3, 1-3. I, 4, 1. II, 2, 18. Immers,
-de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen werktuigen van
-Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor hun tijd en voor hun
-volk een roeping hadden te vervullen, en op het leven der volken een
-gunstigen invloed hebben uitgeoefend. De verschillende godsdiensten,
-met hoeveel dwaling ook vermengd, hebben tot op zekere hoogte de
-religieuse behoeften bevredigd en troost in de smart van het leven
-geschonken. Niet alleen kreten van wanhoop, maar ook tonen van
-vertrouwen, hoop, berusting, vrede, onderwerping, lijdzaamheid enz.
-komen ons uit de heidenwereld tegen. Al de elementen en vormen, die
-essentieel zijn aan de religie, Godsbegrip, schuldbewustzijn, behoefte
-aan verlossing, offerande, priesterschap, tempel, cultus, gebed enz.
-komen verbasterd maar komen toch zoo ook in de heidensche godsdiensten
-voor. Zelfs ontbreekt het hier en daar niet aan onbewuste voorzeggingen
-en treffende verwachtingen van een betere en zuiverder religie. Daarom
-staat het Christendom niet uitsluitend antithetisch tegen het heidendom
-over; het is er ook de vervulling van. Het Christendom is de ware maar
-daarom ook de hoogste en zuiverste religie, het is de waarheid van alle
-godsdiensten. Wat in het Ethnicisme caricatuur is, is hier het levende
-origineel. Wat daar schijn is, is hier wezen. Wat daar gezocht wordt, is
-hier te vinden. Het Christendom is de verklaring van het Ethnicisme.
-Christus is de Beloofde aan Israel en de Wensch aller heidenen.
-Israel en de gemeente zijn uitverkoren ten bate der menschheid. In
-Abrahams zaad worden alle geslachten der aarde gezegend. Zie behalve
-de bovengenoemde werken van Fabri, Sepp, Tholuck e. a. ook nog Clemens
-Alex. Strom. 1, 1. 4, 5. 6, 8. Coh. ad gentes § 6. Orig. c. Cels. 4, 4.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 184. Philippi, Kirchl. Gl. I 2. Beck,
-Einleitung in das Syst. der christl. Lehre 2e Aufl. 1870 S. 45 f.
-Saussaye in mijne Theol. van Prof. Dr. Ch. d. l. S. bl. 31 v. 46 v. 83
-v. V. von Strauss und Torney, Das unbewusst Weissagende im vorchristl.
-Heidenthum (Zeitfr. des christl. Volkslebens VIII). Staudenmaier,
-Encycl. der theol. Wiss. 1835 § 428 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm.
-134 f. Kuyper, Encycl. III 445 v. 563 v.
-
-10. Maar de revelatio generalis heeft niet alleen voor de heidenwereld,
-maar ook nog in en voor de christelijke religie beteekenis. Haar waarde
-is echter niet daarin gelegen, dat zij ons eene theologia of religio
-naturalis, een moralischen Vernunftglauben verschaft, die op zich
-zelve voldoende zou wezen en al het positieve in den godsdienst zou
-kunnen missen. Zulk een religio naturalis wordt er nergens gevonden en
-is ook niet bestaanbaar. Evenmin is het de bedoeling der revelatio
-generalis dat de Christen uit haar zijn eerste kennis over God, wereld
-en mensch zou putten, om deze dan later aan te vullen met de kennis
-van Christus. Ritschl en zijne volgelingen stellen het zoo voor, alsof
-de dogmaticus in de loci de Deo en de homine de stof alleen nam uit de
-revelatio generalis, en dan de stof voor de volgende loci eerst putte
-ging uit de H. Schrift. De dogmaticus zou dan eerst staan buiten en
-voor het christelijk geloof, en dan bij de latere dogmata in dat geloof
-zijne positie nemen, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 4. Maar dit is
-de methode van de reformatorische dogmatiek althans in den beginne
-niet geweest. Als de Christen zijn geloof belijdt in God den Vader, den
-Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, dan is dat in den vollen
-zin christelijk geloof. En de dogmaticus ontdoet zich niet eerst van
-dit zijn geloof, om uit de algemeene openbaring eene redelijke leer over
-God en den mensch saam te stellen en deze later met de openbaring in
-Christus aan te vullen. Maar hij put zijne kennis enkel en alleen uit de
-revelatio specialis, d. i. uit de H. Schrift. Deze is zijn principium
-unicum. Maar hij beperkt deze bijzondere openbaring niet tot den persoon
-van Christus, gelijk die in enkele gedeelten der Schrift, bijv. in
-de Synopt. Evangeliën of alleen in de Bergrede geteekend wordt. De
-gansche openbaring, die in de Schrift is samengevat, is eene revelatio
-specialis, welke in Christus tot ons komt. Christus is middelpunt en
-inhoud van heel die bijzondere openbaring, welke bij het Paradijs begint
-en in de Apocalypse zich voltooit. De bijzondere revelatie heeft nu
-de algemeene erkend en gewaardeerd, en heeft ze zelfs overgenomen
-en als het ware geassimileerd. En zoo doet ook de Christen, zoo ook
-de dogmaticus. Hij staat in het christelijk geloof, in de revelatio
-specialis en ziet van daar uit ook in de natuur en geschiedenis. En
-nu ontdekt hij daar sporen van dienzelfden God, dien hij in Christus
-leerde kennen als zijn Vader. Juist als Christen, door het geloof, ziet
-hij de openbaring Gods in de natuur veel beter en duidelijker, dan hij
-ze vroeger opmerken kon. De psychische mensch verstaat de sprake Gods
-in de natuur en de geschiedenis niet. Hij doorzoekt het gansch heelal,
-zonder God te vinden. Maar de Christen, gewapend met de bril der H.
-Schrift, R. de Sabunde, Theol. Natur. in den Prologus, Calvijn, Inst.
-I 6, 1., ziet God in alles en alles in God. Daarom treffen we in de
-Schrift eene natuurpoëzie en eene geschiedbeschouwing aan, zooals die
-nergens wordt gevonden. De geloovige vindt dus met zijne christelijke
-belijdenis ook in de wereld zich terecht; hij is er geen vreemdeling in,
-en ziet daar geen andere macht heerschen, dan die hij ook in Christus
-als zijn Vader aanroept. Door die algemeene openbaring voelt hij zich
-in de wereld thuis; het is Gods vaderlijke hand, uit welke ook in het
-natuurlijke alle dingen hem toekomen.
-
-In die algemeene openbaring heeft hij verder een vasten bodem, waarop hij
-alle niet-christenen ontmoeten kan. Hij heeft eenzelfden grondslag met
-hen gemeen. Door zijn christelijk geloof moge hij eene geïsoleerde positie
-innemen, hij moge zijne geloofsovertuigingen niet aan anderen kunnen
-bewijzen; in de algemeene openbaring heeft hij toch een aanknoopingspunt
-met al wie den naam van mensch draagt. Gelijk de klassieke propaedeuse
-eene gemeenschappelijke basis legt bij alle mannen van wetenschap, zoo
-houdt de algemeene openbaring alle menschen saam trots alle verschil
-van religie. Subjectief is bij den geloovige de kennisse Gods uit de
-natuur posterieur aan die uit de H. Schrift. Wij worden allen in een
-bepaalden positieven godsdienst geboren. Alleen het oog des geloofs
-ziet God in de schepping; ook hier geldt, dat slechts de reine van
-hart God ziet. Maar objectief gaat toch de natuur aan de genade,
-de revelatio generalis aan de revelatio specialis vooraf. Gratia
-praesupponit naturam. De ontkenning, dat de religio en theologia
-naturalis voldoende is en een eigen, zelfstandig bestaan heeft, doet
-niets te kort aan het feit, dat er uit de schepping, uit natuur en
-geschiedenis, uit hart en geweten eene sprake Gods komt tot iederen
-mensch. Aan de macht der revelatio generalis ontkomt niemand. De
-religie behoort tot het wezen van den mensch. De idee en de existentie
-Gods, de geestelijke zelfstandigheid en de eeuwige bestemming van den
-mensch, oorsprong en doel der wereld, de zedelijke wereldorde en haar
-eindelijke triumf zijn problemen, die den menschelijken geest geen rust
-laten. Het metaphysische Bedürfniss laat zich niet onderdrukken. De
-wijsbegeerte zoekt altijd weer er aan te voldoen. Het is de revelatio
-generalis, die deze behoefte levendig houdt. Zij belet, dat de mensch
-zich verlage tot een dier. Zij bindt hem aan de bovenzinlijke wereld.
-Zij handhaaft in hem het besef, dat hij naar Gods beeld is geschapen
-en geen ruste vindt dan in God. De revelatio generalis bewaart de
-menschheid, opdat en totdat zij door Christus gevonden en hersteld
-wordt. Inzoover werd de theologia naturalis vroeger terecht eene
-praeambula fidei, eene goddelijke voorbereiding en opvoeding tot het
-Christendom genoemd. De algemeene openbaring is de grondslag, waarop de
-bijzondere zich verheft.
-
-En eindelijk komt de rijke beteekenis der algemeene openbaring nog daarin
-uit, dat zij natuur en genade, schepping en herschepping, de Welt der
-Wirklichkeit en de Welt der Werthe met elkander in onverbrekelijk
-verband houdt. Zonder de algemeene openbaring verliest de bijzondere
-den samenhang met heel het kosmische zijn en leven. Dan ontbreekt de
-schakel, die het rijk der natuur en het koninkrijk der hemelen aan
-elkander verbindt. Wie met de kritische philosophie de revelatio
-generalis ontkent, doet vergeefsche moeite, om langs den weg der
-practische Vernunft of der phantasie te herwinnen, wat hij verloor. Hij
-heeft het steunpunt voor zijn geloof verloren. Het religieuse leven
-staat los naast het gewone, menschelijke zijn; het beeld Gods wordt
-een donum superadditum; de religie wordt evenals bij de Socinianen
-vreemd aan de menschelijke natuur; het Christendom wordt een sectarisch
-verschijnsel en van zijne katholiciteit beroofd; de genade staat vijandig
-tegenover de natuur. Consequent is het dan, om met de ethische modernen
-eene radikale scheiding aan te nemen tusschen de macht van het goede
-en de natuurmacht. Ethos en physis liggen totaal gescheiden. De wereld
-der Wirklichkeit en die der Werthe hebben niets met elkander te maken.
-In beginsel wordt het Parsisme, het Manichaeisme vernieuwd. Daarentegen
-handhaaft de revelatio generalis de eenheid van natuur en genade,
-van wereld en Godsrijk, van de natuurlijke en de zedelijke orde, van
-schepping en herschepping, van physis en ethos, van deugd en geluk, van
-heiligheid en zaligheid, en in dit alles de eenheid van het goddelijk
-Wezen. Het is eenzelfde God, die in de algemeene openbaring zich aan
-niemand onbetuigd laat en die in de bijzondere openbaring zich kennen
-doet als een God van genade. Algemeene en bijzondere openbaring werken
-dus op elkander in. Praemisit Deus naturam magistram, submissurus
-et prophetiam, quo facilius credas prophetiae discipulus naturae
-(Tertullianus). Natura praecedit gratiam, gratia perficit naturam.
-Ratio perficitur a fide, fides supponit naturam. Cf. Hofstede de Groot,
-Institutio theol. nat. ed. 4. 1861. Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e
-dr. I bl. 270 v. Kuyper, Nat. Godskennis, Uit het Woord III. Voigt,
-Fund. dogm. 172 f.
-
-
-§ 10. BIJZONDERE OPENBARING.
-
-
-A. Middelen der bijzondere openbaring.
-
-1. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemeene
-openbaring genoeg heeft. Ook de christelijke religie beroept zich
-op eene bijzondere openbaring. De Schrift is het boek der revelatio
-specialis. De woorden, waarmede zij het begrip der openbaring uitdrukt,
-zijn voornamelijk deze: גלה ontdekken, ni. ontdekt worden, zich
-vertoonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen. 35:7; 1 Sam. 2:27,
-3:21; Jes. 53:1, 56:1; Hos. 7:1, enz. ראה zien, ni. gezien worden,
-zich vertoonen, schijnen, Gen. 12:7, 17:1, 18:1, enz.; ידע kennen,
-ni. pi. hi. hithp. bekend maken, onderwijzen, Num. 12:6; ἐπιφαινειν
-verschijnen Luk. 1:79; Tit. 1:11; subst. ἐπιφανεια, verschijning, vooral
-van Christus in zijne wederkomst 2 Thess. 2:8; 1 Tim. 6:14; 2 Tim.
-4:1; Tit. 2:13; 2 Tim. 1:10 van Christus’ eerste komst; ἐμφανιζειν
-openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertoonen, verschijnen Mt. 27:53;
-Joh. 14:21, 22; γνωριζειν bekend maken Luk. 2:15; Rom. 9:22; Ef. 3:3,
-5, 10; δηλουν bekend maken 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:14; δεικνυναι
-toonen Joh. 5:20; λαλειν spreken Hebr. 1:1, 2:2, 5:5; vooral ook
-ἀποκαλυπτειν en φανερουν. Beide woorden zijn niet te onderscheiden als
-subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige vertooning
-of openbaarmaking, gelijk Scholten, L. H. K. 4e dr. I 165 v. 299. Dogm.
-Christ. Initia I 26 sq. meende: want ἀποκαλυπτειν wordt meermalen van
-objectieve openbaring gebezigd Luk. 17:30; Rom. 1:17, 18, 8:18; Ef.
-3:5; 2 Thess. 2:3, 6, 8; 1 Petr. 1:5, 5:1. Ook ligt het onderscheid
-niet daarin, dat φανερουν de algemeene openbaring Gods in de natuur,
-en ἀποκαλυπτειν de bijzondere openbaring der genade aanduidt, Neander,
-Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche durch die
-Apostel, 5te Aufl. Gotha, Perthes 1862 S. 131 f. want φανερουν wordt
-menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd Joh. 17:6; Rom. 16:26;
-Col. 1:26; 1 Tim. 3:16; 2 Tim. 1:10, enz.; en ἀποκαλυπτειν komt Rom.
-1:18 ook van de algemeene openbaring voor. Een constant verschil in
-het gebruik van beide woorden laat zich in het N. T. moeilijk aanwijzen.
-Maar etymologisch geeft ἀποκαλυπτειν te kennen het wegnemen van het
-bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen was, en φανερουν het openbaar
-maken van eene zaak, die verborgen of onbekend was. Bij het eerste valt
-daarom de nadruk op het uit den weg ruimen van de verhindering, die
-het kennen van het verborgene belette; op het mysterieus karakter van
-datgene, hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke
-daad, die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede
-woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en onbekend
-was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden. Ἀποκαλυψις
-neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen was; φανερωσις maakt
-de zaak zelve openbaar. Daarmede hangt saam, dat φανερωσις altijd van
-objectieve, ἀποκαλυψις beide van objectieve en subjectieve openbaring
-wordt gebezigd; dat φανερωσις meermalen èn de algemeene èn de bijzondere
-openbaring aanduidt, maar ἀποκαλυψις meest altijd de bijzondere en
-slechts eene enkele maal de algemeene. En beide woorden zijn dan van
-γνωριζειν en δηλουν wederom zoo onderscheiden, dat de beide eerste
-de dingen in ’t licht doen treden, onder de waarneming brengen, en
-de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu ook maken tot inhoud van
-ons denkend bewustzijn. Cf. Dr. F. G. B. van Bell, Disput. theol. de
-patefactionis christianae indole ex vocabulis φαν. et ἀποκ. in libris
-N. T. efficienda 1849. Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenhoff,
-De zelfstandigheid van den Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet.
-Theol. 1870 bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s. v. Herzog² 12, 654. Voigt,
-Fundamentaldogm. 201 f. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v.
-
-De christelijke religie komt dus daarin met alle historische
-godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar de
-overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en wijzen
-toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen kunnen
-tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats verlangt het
-religieus geloof een God van nabij en niet van verre Hd. 17:27; het was
-daarom ten allen tijde overtuigd van verschijning der goden in eene of
-andere gedaante, onder een of ander teeken, op eene of andere plaats.
-Heilige plaatsen, heilige tijden, heilige beelden zijn er bijna in iederen
-godsdienst. De goden zijn niet aan de menschen gelijk en leven niet met
-hen op gelijken voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd;
-maar de goden wonen toch bij en onder de menschen op bepaalde plaatsen,
-in bijzondere voorwerpen, en deelen hun zegen op bepaalde tijden mede. De
-idololatrie, opgevat in den ruimsten zin, is geboren uit de behoefte
-aan een God van nabij, Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. I 54
-f. 114 f. In de tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen,
-dat de goden op een of andere wijze hunne gedachte en hun wil openbaren,
-hetzij door menschen als hun organen, zooals waarzeggers, orakels,
-droomers, doodenvragers, geestenzieners, enz. hetzij kunstmatig en
-uitwendig door de sterren, de vlucht der vogels, de ingewanden der
-offerdieren, het spelen der vlam, de lijnen der hand, het toevallig
-opslaan en openvallen van een boek, enz., μαντικη, divinatio. Nemo
-vir magnus sine afflatu divino unquam fuit, Cic. de nat. deor. 2,
-66, cf. Cicero de divinatione, Plutarchus, de defectu oraculorum, A.
-Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l’antiquité, 4 vol.
-1879-82. Saussaye t. a. p. 93 f. En eindelijk is in alle godsdiensten
-het geloof aanwezig aan bijzondere tusschenkomst en hulp der goden
-in tijden van nood; algemeen verbreid is de magie, d. i. die kunst,
-waardoor menschen met mysterieuse middelen, heilige woorden, formulen,
-amuletten, dranken, enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar maken
-en wonderbare werkingen te voorschijn brengen, Ennemoser, Gesch. der
-Magie, 2e Aufl. Leipzig 1844. Alfr. Maury, La magie et l’astrologie
-dans l’antiquité et au moyen-âge 1860. Lenormant, Les sciences occultes
-en Asie, 2 vol. 1874-’75. Saussaye ib. Theophanie, mantiek en magie zijn
-de wegen, waarlangs alle openbaring tot den mensch komt. Dit algemeen
-religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is zeker niet,
-in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of daemonische werking,
-noch ook uit onbekendheid met de natuurorde te verklaren, maar is een
-noodzakelijk element in alle religie. De religieuse behoefte zoekt
-bevrediging; en waar ze deze niet vindt in eene haar tegenkomende,
-reëele openbaring Gods, zoekt ze haar in den weg der ἐθελοθρησκεια.
-Zij neemt die geheimzinnige krachten in den mensch zelf of buiten hem
-in de natuur in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met eene
-bovennatuurlijke wereld. De superstitie is de bastaardvorm der echte
-religie. Het bijgeloof is de caricatuur van de πιστις. De hedendaagsche
-verschijnselen van spiritisme, theosophie, telepathie, magnetisme,
-hypnotisme, enz. strekken hiervan ten bewijze, en toonen misschien ook
-aan, dat er in de zoogenaamde nachtzijde van de menschelijke natuur
-krachten verscholen liggen, welke een meer onmiddellijk rapport bewerken
-kunnen met eene bovenzinlijke wereld en in elk geval het geloof aan
-zoodanig rapport, zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz.
-genoegzaam kunnen verklaren. There are more things in heaven and
-earth, than are dreamt of in your philosophy (Shakespeare). Cf. art.
-Modern Bijgeloof in Tijdspiegel Jan. 1895. De H. Schrift schijnt aan
-dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen, Gen. 41:8;
-Ex. 7:8; Deut. 13:1, 2; Mt. 7:22, 24:24; 2 Thess. 2:9; 2 Tim. 3:8;
-Apoc. 13:13-15. Maar de religie in O. en N. T. wil beslist met alle
-deze godsdienstige verschijnselen niets gemeen hebben. Zij staat er
-principieel tegenover. Zij erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten
-stelligste Lev. 19:26, 31, 20:27; Num. 23:23; Deut. 18:10, 11; Hd.
-8:9, 13:6, 16:16, 19:13 v.; Gal. 5:20; Apoc. 21:8, 22:15. Profeten en
-apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn geplaatst te
-worden met de heidensche waarzeggers en toovenaars. Er moge soms, b.v.
-in de verschijningen aan de aartsvaders, overeenstemming van vorm zijn,
-maar er is verschil in wezen. Theophanie, mantiek, magie zijn evenals
-offerande, tempel, priesterschap, cultus, enz. essentieele elementen
-in de religie. Ze komen daarom in alle godsdiensten, ook in dien van
-Israel, en in het Christendom voor. Ook de christelijke religie heeft
-haar offerande Ef. 5:2, haar priester Hebr. 7, haar tempel 1 Cor. 3:16,
-enz. Het onderscheid tusschen het Christendom en de andere godsdiensten
-ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke elementen der religie daar
-ontbreken, maar is hierin gelegen, dat alwat in ’t Heidendom voorkomt
-in caricatuur, in Israel tot schaduw en beeld, en hier tot waarachtige,
-geestelijke realiteit is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat
-Israels godsdienst eenerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel,
-priesterschap, enz. zooveel overeenkomst vertoont met de heidensche
-godsdiensten en andererzijds principieel ervan onderscheiden is,
-zoodat alleen uit Israel de Messias is voortgekomen. Dit principieel
-onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie
-niet genomen wordt door den mensch, maar door God. In de heidensche
-godsdiensten is het de mensch, die God zoekt, Hd. 17:27; hij tracht op
-allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen, en trekt Hem neer in
-het stof Rom. 1:23; hij poogt door allerlei middelen macht over God te
-verkrijgen. Maar in de Schrift is het altijd God, die den mensch zoekt.
-Hij schept hem naar zijn beeld. Hij roept hem na den val. Hij behoudt
-Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israel zijne wetten. Hij roept
-en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij zondert de apostelen
-af. Hij oordeelt eens levenden en dooden. Het Ethnicisme leert ons den
-mensch kennen, in zijne rusteloosheid, in zijn ellende, in zijn onvrede,
-en ook in zijne edele aspiratiën, in zijne eeuwige behoeften; den mensch
-beide in zijne armoede en zijn rijkdom, in zijne zwakheid en in zijne
-kracht; het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme. Maar
-de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en zoeken van den
-mensch, in zijne ontferming en genade, in zijn recht en zijne liefde. Maar
-theophanie, profetie en wonder zijn ook hier de middelen, waardoor God
-zich openbaart en geeft aan den mensch, Oehler, Ueber das Verhältniss
-der altt. Prophetie zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882
-S. 29 f. 753 f. Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 § 1.
-Staudenmaier, Encycl. § 231 f. § 271 f. Schultz, Altt. Theologie, 4e
-Aufl. Göttingen 1889 S. 226 f.
-
-2. Theophanie (Angelophanie, Christophanie). Meermalen is er in de H.
-Schrift sprake van eene verschijning Gods; soms zonder eenige nadere
-omschrijving, Gen. 12:7, 17:1, 22, 26:2, 24, 35:9; Ex. 6:2, cf. ook
-Gen. 11:5; Ex. 4:24, 12:12, 23, 17:6; Num. 23:4, 16; 1 Sam. 3:21; 2
-Sam. 5:24; maar elders in den droom, Gen. 20:3, 28:12 v. 31 vs. 24;
-1 Kon. 3:5, 9:2; of ook in het profetisch visioen, 1 Kon. 22:19 v.
-Jes. 6. Ezech. 1:4 v., 3:12 v., 8:4 v., 10:1 v., 43:2 v., 44:4; Am.
-7:7, 9:1; Dan. 7:9 v. Luk. 2:9; 2 Petr. 1:17; en menigvuldiger nog in
-wolken van rook en vuur als teekenen van zijne tegenwoordigheid; zoo
-aan Abraham, Gen. 15:17 v., aan Mozes, Ex. 3:2, 33:18 v., op Sinaï,
-Ex. 19:9, 16 v., 24:16, cf. vs. 9-11, Deut. 5:23, 9:15; Hebr. 12:28,
-over het volk, Ex. 13:21 v., 14:19-24, 40 vs. 38; Num. 9:21, 14:14;
-Deut. 1:33; Neh. 9:12, 19; Ps. 78:14, boven den tabernakel, Ex. 33:9,
-40:34 v. Lev. 9:23; Num. 9:15-23, 11:17, 25, 12:5, 17:7, 20:6; Deut.
-31:15; Ps. 99:7; Jes. 4:5, en in het heilige der heiligen Ex. 25:8,
-22, 29:45, 46; Lev. 16:2, 26:11, 12; Num. 7:89, cf. ook nog aan Elia
-1 Kon. 19:11 v. Deze verschijningen onderstellen geene lichaamlijkheid
-Gods, Ex. 20:4, 33:20; Deut. 4:12, 15, maar zijn zinnelijk waarneembare
-teekenen, waardoor zijne tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de
-H. Geest op den Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er
-is daarbij ook niet te denken aan eene emanatie van deze wolk uit het
-goddelijk Wezen, maar aan eene in creatuurlijke vormen zich openbarende
-tegenwoordigheid Gods. In die teekenen wordt de goddelijke heerlijkheid,
-כָּבוֹד, δοξα openbaar, Ex. 16:20, 24:17; Lev. 9:6, 23, 24; Num. 14:10,
-16:19, 20:6; en daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een
-verterend vuur Ex. 24:7; Lev. 9:23, 24 en als eene wolk 1 Kon. 8 vs.
-10, 11; Jes. 6:4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke
-teekenen; ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn volk. Omgeven en
-gediend door vele duizenden Engelen Jes. 6 vs. 2, 6, zendt Hij dezen in
-menschelijke gedaante naar deze aarde heen, om zijn woord en wil bekend
-te maken. Zij komen reeds voor in Gen. 18, 19, 28:12, 32:1, 2; Deut,
-33:2; Job 33:23; 1 Kon. 13:18 en hebben volgens Hd. 7:53; Gal. 3 vs.
-19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der openbaring
-vooral na de Ballingschap, Dan. 8:13, 9:11, 10:5; Zach. 1:7-6:5. Nog
-vaker treden ze op in het N. Test.; ze zijn tegenwoordig bij de geboorte
-van Jezus, Mt. 1:20, 2:13, 19; Luk. 1:11, 2:9, telkens in zijn leven,
-Joh. 1:52; Mt. 4:6, bij zijn lijden, Mt. 26:53; Luk. 22:43, bij zijne
-opstanding en hemelvaart, Mt. 28:2, 5; Luk. 24:23; Joh. 20:12; Hd.
-1:10. In de geschiedenis der apostelen komen ze meermalen voor Hd.
-5:19, 8:26, 10:3, 11:13, 12:7, 23:9, 27:23; Apoc. 22 vs. 6, 16. En bij
-zijne wederkomst wordt Christus door de Engelen vergezeld Mt. 16:27,
-25:31; Mk. 8:38; Luk. 9:26; 1 Thess. 3:13 enz. Onder al deze gezanten
-Gods neemt de מלאך יהוה eene bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan
-Hagar, Gen. 16:6-13, 21:17-20; aan Abraham, Gen. 18, 19, 22, 24:7, 40;
-aan Jakob, Gen. 28:13-17, 31:11-13, 32:24-30 cf. Hos. 12:4; Gen. 48:15,
-16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3:2 v. 13:21, 14:19, 23:20-23,
-32:34, 33:2 v. cf. Num. 20:16; Jes. 63:8, 9, en voorts nog Jos. 5:13,
-14; Richt. 6:11-24, 13:2-23. Deze Malak Jhvh is geen onzelfstandig
-symbool, noch ook een geschapen engel, maar eene persoonlijke, adaequate
-openbaring en verschijning Gods, van Hem onderscheiden, Ex. 23:20-23,
-33:14 v.; Jes. 63:8, 9, en toch met Hem één in naam Gen. 16:13, 31:13,
-32:28, 30, 48:15, 16; Ex. 3:2 v., 23:21; Richt. 13:1, 2; in macht Gen.
-16:10, 11, 21:18, 18:14, 18; Ex. 14:21; Richt. 6:21; in verlossing en
-zegening, Gen. 48:16; Ex. 3:8, 23:20; Jes. 63:8, 9; in aanbidding en
-eere, Gen. 18:3, 22:12; Ex. 23:21. Na de verlossing uit Egypte treedt
-de Malak Jhvh terug. God woont onder zijn volk in den tempel 1 Kon.
-8:10 v.; 2 Chron. 7:1 v.; Ps. 68:17, 74:2, 132:13 v., 135:21. Daarheen
-gaat het zielsverlangen van Israels vromen uit, Ps. 27:4, 42, 43,
-48, 50, 63:3, 65, 84, 122, 137. Maar deze theophanie is onvolkomen.
-God woont niet in een huis met handen gemaakt 1 Kon. 8:27; Jer. 7:4;
-Mich. 3:11; Hd. 7:48, 17:24. In het heilige der heiligen mocht slechts
-de hoogepriester eenmaal ’s jaars ingaan. De theophanie bereikt in
-het O. T. nog niet haar einde en haar doel. Daarom wordt er nog eene
-andere en heerlijker komst van God tot zijn volk verwacht, zoowel tot
-verlossing als tot gericht, Ps. 50:3, 96:13; Jes. 2:21, 30:27, 40 v.
-passim. Mich. 1:3, 4:7; Zeph. 3:8; Joel 3:17; Zach. 2:10 v.; 14:9. De
-Engel des verbonds treedt wederom op in de profetie Zach. 1:8-12, 3;
-en zal komen tot zijnen tempel Mal. 3:1. De theophanie bereikt haar
-hoogtepunt in Christus, die de ἀγγελος, δοξα, εἰκων, λογος, υἱος του
-θεου is, in wien God ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken,
-Mt. 11:27; Joh. 1:14; 14:9; Col. 1:15, 2:19, enz. Door Hem en den
-Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen Gods onder en in zijn volk
-reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit Joh. 14:23; Rom. 8:9, 11;
-2 Cor. 6:16. De gemeente is het huis Gods, de tempel des H. Geestes,
-Mt. 18:20; 1 Cor. 3:16, 6:19; Ef. 2:21. Maar ook deze inwoning Gods
-in de gemeente van Christus is nog niet het laatste en hoogste. Zij
-bereikt haar volle verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan
-is de tabernakel Gods bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij
-zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. Zij zullen
-zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hunne voorhoofden wezen, Mt.
-5:8; 1 Cor. 15:28; 1 Joh. 3:2; Openb. 21:3; 22:4. Cf. art. Theophanie
-en Schechina in Herzog². Art. Wolken- u. Feuersäule in Winer, Bibl.
-Realwört. Trip, Die Theophanieen in den Geschichtsbüchern des A. T.
-Leiden 1858 en de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4e Aufl.
-1889 S. 507 f. Oehler, Altt. Theol. 2te Aufl. 1882 S. 195 f. Smend,
-Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 S. 42 f. Weber, System der
-altsynag. palästin. Theologie, Leipzig 1880 S. 179 f. Cremer, Wörterb.
-s. v. δοξα. Delitzsch, Bibl. Psychol., 2e Aufl. 1861 S. 49 f. Keerl,
-Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863. Van
-Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v.
-
-3. Profetie. Onder profetie verstaan wij hier de mededeeling Gods van
-zijne gedachten aan den mensch. Dikwerf wordt hiervoor de naam van
-inspiratie gebezigd; en in zooverre ook juister, als het begrip van
-profetie ruimer is dan dat van inspiratie en ook de verkondiging
-van die gedachten aan anderen omvat. Maar inspiratie is op grond
-van 2 Tim. 3:16 vooral van de beschreven openbaring gebruikelijk. En
-het woord profetie werd vroeger meermalen in onzen zin gebezigd,
-Thomas, S. Theol. II 2 qu. 171 art. 1. Het sluit ook in het ontvangen
-der gedachten van God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord
-verkondigt. En het doet beter dan inspiratie de bedoeling Gods
-uitkomen, waarmede Hij zijne gedachten meedeelt, n.l. dat de mensch zelf
-een profeet zij, een verkondiger van zijne deugden. De gedachten Gods
-nu, welke in de profetie worden medegedeeld, kunnen betrekking hebben
-op het verleden, gelijk in de historische boeken der Schrift of op het
-heden of op de toekomst. Maar altijd stelt de profetie de gedachten Gods
-tegenover die der menschen, zijne waarheid tegenover hun leugen, zijne
-wijsheid tegenover hun dwaasheid. Deze mededeeling van Gods gedachten
-aan den mensch kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende
-wijze. Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menschelijke stem en
-taal, Gen. 2:16, 3:8-19, 4:6-16, 6:13, 9:1, 8 v., 32:26 v.; Ex. 19:9
-v.; Num. 7:89; Deut. 5:4; 1 Sam. 3:3 v.; Mt., 3:17, 17:5; Joh. 12:28,
-29. Op vele plaatsen wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere
-omschrijving van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of
-inwendig, in droom of visioen, enz. Het vertrouwelijkst karakter draagt
-dit spreken Gods bij Mozes, die niet verschrikt noch nedervalt als God
-tot hem spreekt, maar met wien God sprak van mond tot mond, en omging
-als een vriend met zijn vriend, Num. 12:6-8; Ex. 33:11, 34:29; Deut.
-5:5, 18:15, 18; 2 Cor. 3:7; Gal. 3:19; Hebr. 3:5. Cf. Thomas S. Theol.
-II 2 qu. 174 art. 4. Witsius, de proph. I 7. Episcopius, Instit. Theol.
-III 2. De Joden spraken later van eene Bath-Kōl, eene hemelsche stem,
-waardoor God zich openbaarde; maar deze stond lager dan de vroegere
-profetie, en was gekomen nadat de geest der profetie had opgehouden,
-Weber, System der altsyn. pal. Theol. 187, Herzog² 2, 130. Maar
-dikwerf sluit God in de mededeeling zijner gedachten zich bij die lagere
-vormen aan, onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden
-hun wil bekend te maken. Er is dan in den vorm eene bijna volkomene
-overeenstemming. Daartoe behooren vooral het lot, de Urim en Thummim,
-de droom en het visioen. Het lot werd bij vele gelegenheden gebruikt,
-op den grooten verzoendag Lev. 16:9, bij verdeeling van het land, Jos.
-13:6, 14:2 enz., Neh. 11:1; van de Levietensteden, Jos. 21:4; van buit
-Joel 3:3; Nah. 3:10; Ob. 11; van kleederen, Mt. 27:35; Joh. 19:23; bij
-beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7; 1 Sam. 14:42; Spr. 16:33,
-18:18; Jon. 1:7; bij verkiezing tot een ambt, 1 Sam. 10:19; Hd. 1:26;
-1 Chron. 24:5; Luk. 1:9, enz.; ook het Godsoordeel, Num. 5:11-31 kan
-hierbij gerekend worden, Herzog² 8 762. De Urim en Thummim, LXX δηλωσις
-και ἀληθεια, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen 7 maal
-voor Ex. 28:30; Lev. 8:8; Num. 27:21; Deut. 33:8; 1 Sam. 28:6; Ezra
-2:63; Neh. 7:65. De U. en Th. zijn niet met de 12 edele steenen op den
-borstlap des hoogepriesters identisch, gelijk Josephus Ant. III, 8,
-9 en velen na hem meenen, maar waren volgens Ex. 28:30 en Lev. 8:8
-voorwerpen, die in den borstlap verborgen werden, Philo, Vita Mosis 3.
-Maar hoe ze Gods wil deden kennen, door glinstering van de steenen,
-door eene stem, door inspiratie, enz., en ook waarin ze bestonden, in
-twee steenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in eene van
-edele gesteenten gemaakte halsketen, of in steenen om te loten, is
-geheel onbekend. De laatste meening heeft in den nieuweren tijd steun
-gekregen in den door Thenius 1842 naar de LXX veranderden tekst van 1
-Sam. 14:41. De U. en Th. zouden dan loten geweest zijn met ja en neen
-en ook gebruikt zijn Richt. 1:1, 20:18; 1 Sam. 22:10, 15, 23:6, 9-11,
-30:7 v.; 2 Sam. 2:1, 5:19, 23. Maar daarbij zijn antwoorden, niet van
-ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding Richt. 20:27; 1
-Sam. 30:7 v.; 2 Sam. 5:23, 21:1; Richt. 1:1, 20:18; 2 Sam. 2:1, vooral
-1 Sam. 10:22{b}; 2 Sam. 5:23; 1 Chron. 14:14, niet goed te verklaren.
-De U. en Th. behoorden echter zeker wel tot eene zelfde categorie van
-openbaring als het lot; zij komen vooral voor in den tijd van Salomo en
-schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie. Cf. art. U.
-en Th. in Herzog². Winer Realwört. Riehm, Wörterb. Keil, Archaeol. §
-35. De Wette-Räbiger, Archaeol. S. 281 f. Oehler, Altt. Th. S. 334 f.
-Schultz, Altt. Th. 257 f. Dosker, Presbyt. and Ref. Rev. Oct. 1892 p.
-717 etc.
-
-Vervolgens komen droomen in de H. Schrift als openbaringsmiddel voor.
-Daarvoor werden zij in de gansche oudheid gehouden, Homerus, Od. 19:560
-v. Il. 1:63, 2:22, 56. Aristoteles, περι της καθ’ ὑπνον μαντικης.
-Cicero, de divinatione 1:29. Philo, de somniis, enz. Herzog² 15:733. En
-nog wordt door velen groote waarde aan droomen gehecht, Splittgerber,
-Schlaf und Tod, 2e Aufl. 1881 I 66-205. Nu wist men ten allen tijde, dat
-droomen ook zeer bedriegelijk waren. Homerus Od. 19:560 v. Arist. t. a.
-p., en ook de H. S. wijst telkens op het ijdele der droomen Ps. 73:20;
-Job 20:28; Jes. 29:7; Pred. 5:2, 6; Sirach 31:1 v., 34:1 v.; en schrijft
-ze dikwerf aan de valsche profeten toe Jer. 23:25, 29:8; Mich. 3:6;
-Zach. 10:2. Maar toch bedient God zich telkens van droomen om zijn wil
-bekend te maken, Num. 12:6; Deut. 13:1-6; 1 Sam. 28:6, 15; Joel 2:28
-v.; zij komen bij Israelieten, maar ook meermalen bij niet-Israelieten
-voor Gen. 20, 31, 40, 41; Richt. 7; Dan. 2, 4 en behelzen of een woord,
-eene mededeeling Gods, Gen. 20:3, 31:9, 24; Matth. 1:20, 2:12, 19, 22,
-27:19; of een voorstelling der phantasie, die dan meermalen verklaring
-behoeft Gen. 28. 37:5, 40:5, 41:15; Richt. 7:13; Dan. 2, 4. Litter,
-bij Herzog² 15:734. G. E. W. de Wijs, De droomen in en buiten den Bijbel
-1858. Witsius, de proph. I cap. 5.
-
-Met den droom is het visioen verwant Gen. 15:1, 11; 20:7; Num.
-12:6. Reeds de namen רֹאֶה‎, ‏חֹזֶה‎, ‏נָבִיא en misschien ook צֹפֶה
-waarmede de profeet genoemd wordt, Kuenen, De Profeten I 49, 51 v.
-97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond. II² 5 v. König, Der
-Offenbarungsbegriff I 71 f. Delitzsch, Genesis³ 634. Schultz, Altt.
-Th. 239. Smend, Lehrb. 79 f., en de namen מַרְאֶה en חָזוֹן voor het
-profetisch gezicht duiden waarschijnlijk aan, dat het visioen een niet
-ongewoon middel der openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwerf
-hunne oorspronkelijke beteekenis verloren en worden ook gebruikt, als
-er geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3:15; Jes. 1:1; Ob.
-1; Nah. 1:1, enz. Visioenen worden in de Schrift telkens vermeld en
-beschreven, van Genesis af tot in de Apoc. toe. Gen. 15:1, 46:2; Num.
-12:6, 22:3, 24:3; 1 Kon. 22:17-23; Jes. 6, 21:6; Jer. 1:24; Ezech. 1-3,
-8-11, 40; Dan. 1:17, 2:19, 7, 8, 10; Amos 7-9; Zach. 1-6; Matth. 2:13,
-19; Luk. 1:22, 24:23; Hd. 7:55, 9:3, 10:3, 10, 16:9, 22:17, 26:19; 1
-Cor. 12-14; 2 Cor. 12:1; Apoc. 1:10, enz. Het visioen was menigmaal
-van eene zekere geestvervoering vergezeld. Muziek, dans en extase
-gaan saam; profetie en poezie zijn verwant, 1 Sam. 10:5 v., 19:20-24;
-2 Kon. 3:15; 1 Chr. 25:1, 25; 2 Chr. 29:30. Als de hand des Heeren op
-de profeten valt, Jes. 8:11; Ezech. 3:14, 11:5 of de Geest over hen
-komt, geraken zij menigmaal in een toestand van verrukking Num. 24:3;
-2 Kon. 9:11; Jer. 29:26; Hos. 9:5, en vallen ter aarde Num. 24:3, 15,
-16; 1 Sam. 19:24; Ezech. 1:28, 3:23, 43:3; Dan. 10:8-10; Hd. 9:4; Apoc.
-1:17, 11:16, 22:8. In dien toestand worden hun de gedachten Gods in
-symbolischen vorm te zien of te hooren gegeven. In beelden en gezichten
-wordt hun zijn raad geopenbaard Jer. 1:13 v., 24:1 v.; Am. 7-9; Zach.
-1-6; Apoc., enz.; vooral aangaande de toekomst, Num. 23 v.; 1 Kon.
-22:17; 2 Kon. 5:26, 8:11 v.; Jer. 4:23 v., 14:18; Ezech. 8; Am. 7, enz.
-Ook hooren zij in dien toestand allerlei stemmen en geluiden, 1 Kon.
-18:41; 2 Kon. 6:32; Jes. 6:3, 8; Jer. 21:10, 49:14; Ezech. 1:24, 28,
-2:2, 3:12; Apoc. 7:4, 9:16, 14:2, 19:1, 21:3, 22:8, enz. Zelfs worden
-zij in den geest opgenomen en verplaatst, Ezech. 3:12 v., 8:3, 43:1;
-Dan. 8:2; Matth. 4:5, 8; Hd. 9:10, 10, 11, 22:17, 23:11, 27:23; 2 Cor.
-12:2; Apoc. 1:9, 12, 4:1, 12:18. Daniel was na het ontvangen van een
-visioen eenige dagen krank, 7:28, 8:27. Toch was de extase waarin de
-ontvangers der openbaring menigmaal verkeerden, geen toestand, waarbij
-het bewustzijn geheel of gedeeltelijk was onderdrukt. Zoodanig was wel de
-toestand, waarin de grieksche μαντεις hunne godspraken gaven, Tholuck,
-Die Propheten u. s. w. 64 f. En Philo, Quis rer. div. heres, Just.
-Martyr, Dial. c. Tryph, c. 135. Coh. ad Graecos c. 37. Athenagoras,
-Leg. pro Christ. c. 8. Tertul. adv. Marc. 4, 22 en in den nieuweren
-tijd Hengstenberg in de eerste uitgave zijner Christol. des A. T. III.
-2. 158 f. hebben de extase der profeten alzoo opgevat. Maar dezen
-ontvangen visioenen niet in slapenden maar in wakenden toestand, niet
-alleen in de eenzaamheid, maar ook in anderer bijzijn, Ezech. 8:1. Onder
-het visioen blijven zij zichzelf bewust, zien, hooren, denken, spreken,
-vragen en antwoorden Ex. 4-6, 32:7 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 4-6 enz.
-en later herinneren zij zich alles en deelen het nauwkeurig mede, König,
-Der Offenbarungsbegriff, I 160 f. II 83 f. Kuenen, De profeten I 96 v.
-Oehler, Altt. Theol. § 207 f. Orelli in Herzog² 16:724. Daarom werd de
-psychische gesteldheid der profeten onder het visioen door de meeste
-theologen gehouden voor eene zelfbewuste, geestelijke aanschouwing,
-voor eene alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor eene
-alienatio a mente; zoo o. a. door Orig. de princ. III, 3, 4, August. ad
-Simplic. II qu. 1. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 175. Witsius, de proph.
-I c. 4. Buddeus, Inst. theol. dogm. I, 2, 5 en in den nieuweren tijd
-door Hävernick en Keil in hunne inleiding op het O. T. Oehler, Altt.
-Theol. § 210. Tholuck, Die Propheten S. 64 f. Kueper, Das Profetenthum
-des Alten Bundes S. 51 f. Orelli bij Herzog² 16, 724. König, Offenb. II
-132 f. Alleen heeft König, ten einde de objectiviteit te handhaven,
-daaraan de eigenaardige meening toegevoegd, dat alle visioenen
-uitwendig, lichamelijk en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn
-vele verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19, enz. naar de bedoeling
-der schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid tusschen
-theophanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde visioenen, 1
-Kon. 22:17 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Dan.; Amos 7-9; Zach. 1-6,
-enz. zeker inwendig en geestelijk. Vele zijn van dien aard, dat ze niet
-zinnelijk voorstelbaar en waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij
-van het uitwendige der openbaring hare objectiviteit en waarheid laat
-afhangen, en geen inwerking van Gods Geest in den geest des menschen
-denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet dat er
-ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het uitwendige
-als zoodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus de zekerheid der
-openbaring door haar uitwendig karakter alleen niet voldoende bewezen
-wordt, Orelli bij Herzog² 16:724 f. Kuenen H. C. O. II² 13. Van Leeuwen,
-Bijb. Godg. 62 v. Borchert, Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit.
-1895, 2tes Heft.
-
-Als laatste vorm der openbaring moet nog genoemd worden de inwendige
-verlichting. Hengstenberg, Christol. des A. T. III² 2 S. 158 cf. ook
-Kueper, Das Proph. 53 f. meende, dat de extase de gewone toestand was,
-waarin de profeet bij het ontvangen der openbaring verkeerde. Maar dit
-gevoelen is door velen, o. a. door Riehm, Mess. Weissagung² S. 15
-f. König, Der Off. begriff II 48 f. 83 f. 132 f. bestreden en thans
-algemeen verworpen. De extase is niet de regel, maar de uitzondering,
-Kuenen, Prof. I 98. H. C. O² II 11. De meeste openbaringen aan de
-profeten ook in ’t O. T. hadden plaats zonder eenig visioen, bijv. bij
-Jesaja, Hagg., Mal., Ob., Nah., Hab., Jerem., Ezech. Wel wordt dan
-voor de Godspraak nog dikwerf het woord „gezicht” gebezigd, maar dit
-geschiedt ook daar waar er niets wordt gezien Jes. 1:1, 2:1; Amos
-1:1; Hab. 1:1, 2:1; 1 Sam. 3:15; Ob. 1; Nah. 1:1 enz. De openbaring
-geschiedt dan inwendig door den Geest, als Geest der openbaring. Wel
-heeft König, Der Off. I 104 f. 141 f. 155 f. beweerd, dat de Geest
-niet is principe der openbaring maar alleen principe der illuminatie,
-d. i. dat Jahveh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring
-subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, wijl hij ook daardoor
-de objectiviteit en uitwendigheid der openbaring handhaven wilde en den
-subjectieven Geest wilde binden aan ’t objectieve woord van Jahveh.
-Maar Num. 11:25-29; Deut. 34:9, 1 Sam. 10:6, 19:20 v.; 2 Sam. 23:2; 1
-Kon. 22:24; 1 Chron. 12:18, 28:12; 2 Chron. 15:1, 20:14 v., 24:20; Neh.
-9:30; Jes. 11:1, 30:1, 42:1, 48:16, 59:21, 61:1, 63:10 v., Ezech. 2:2,
-3:24, 8:3, 11:5, 24; Micha 3:8; Hos. 9:7; Joël 2:28; Zach. 7:12, laten
-zich niet uitsluitend van eene formeele, subjectieve bekwaammaking
-des Geestes verstaan; zij leeren duidelijk, dat de profeten niet alleen
-door maar uit den Geest spraken, dat de profetie voortkwam uit den
-Geest in hen. Er was ook wel eene den profeet subjectief bekwaam
-makende werkzaamheid des Geestes, maar deze is niet de eenige; zij is
-niet van de andere openbarende werkzaamheid zoo streng te scheiden
-als König doet, zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel
-uitwendig is, ook onnoodig, Kuenen H. C. O² 14. En de leugengeest 1
-Kon. 22:22 leert duidelijk, dat de Geest bron van ’t woord is, Herz.²
-16:721. De Joodsche theologie zag in den Geest niet alleen de bron der
-verlichting, maar ook van de openbaring en profetie. Weber, System der
-altsyn. pal. Theol. 184-187. Het N. Test. verklaart even duidelijk,
-dat de O. T. profeten spraken uit en door den Geest Gods, Hd. 28:25;
-1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:21. Wel echter is er onderscheid in de wijze,
-waarop de H. Geest in O. en N. T. de openbaring innerlijk meedeelt.
-Onder het O. T. daalt de H. Geest van boven en momentaan op iemand
-neer. Hij komt over de profeten, Num. 24:2; 1 Sam. 19:20, 23; 2 Chr.
-15:1, 20:14; wordt vaardig over hen, Richt. 14:19, 15:14; 1 Sam. 10:6;
-valt op hen, Ez. 11:5; trekt hen aan als een kleed, Richt. 6:34; 1 Chr.
-12:18; de hand, d. i. de kracht des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8:11;
-Ez. 1:3, 3:22, 8:1, 37:1, 40:1. Tegenover deze werking des Geestes
-zijn de profeten dan ook meest passief; zij zwijgen, vallen ter aarde,
-ontzetten zich, en verkeeren voor een tijd in een abnormen, extatischen
-toestand. De Geest der profetie is nog niet het blijvend bezit van
-de profeten; er is nog scheiding en afstand tusschen beiden; en de
-stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover het volk. Heel de
-profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom ook vooruit en verwacht
-een profeet, op wien de Geest des Heeren rusten zal Deut. 18:18; Jes.
-11:2, 61:1; ja zij voorspelt de vervulling van Mozes’ wensch, dat al
-het volk des Heeren profeten mochten zijn Num. 11:29; en getuigt van
-eene toekomstige woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren,
-Jes. 32:15, 44:3, 59:21; Joël 2:28; Ez. 11:19, 36:27, 39:29. In het N.
-T. verschijnt de hoogste, de eenige, de waarachtige profeet. Hij is als
-Logos de volle en voltooide openbaring Gods, Joh. 1:1 v. 18, 14:9,
-17:6; Col. 2:9. Hij ontvangt geen openbaring van boven of buiten, maar
-is zelf de bron der profetie. De H. Geest komt niet over Hem en valt
-niet op Hem neer. Hij woont in Hem zonder mate Joh. 3:34. Uit dien Geest
-is Hij ontvangen, door dien Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij,
-Mt. 3:16, 12:28; Luk. 1:17, 2:27, 4:1, 14, 18; Rom. 1:4; Hebr. 9:14.
-En dien Geest schenkt Hij, aan zijne discipelen, niet alleen als Geest
-der wedergeboorte en heiliging maar ook als Geest der openbaring en
-verlichting, Mk. 13:11; Luk. 12:12; Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 20:22;
-Hd. 2:4, 6:10, 8:29, 10:19, 11 vs. 12, 13:2, 18:5, 21:4; 1 Cor. 2:12
-v.; 12:7-11. Door dien Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd
-tot het ambt van profeet, Rom. 12:7; 1 Cor. 14:3; Ef. 2:20, 3:5 enz.
-Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in ’t N. T. niet, Mt. 24; Hd.
-20:23, 21:8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2. Apoc. Maar alle geloovigen zijn
-toch de zalving des Geestes deelachtig, 1 Joh. 2:20; en zijn van den
-Heere geleerd, Mt. 11:25-27; Joh. 6:45. Allen zijn profeten, die de
-deugden des Heeren verkondigen, Hd. 2:17 v.; 1 Petr. 2:9. De profetie
-als eene bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13:8. In het
-nieuwe Jeruzalem zal de naam Gods op aller voorhoofden zijn. De leugen
-is er volkomen buitengesloten, Apoc. 21:27, 22:4, 15. Litteratuur over
-de profeten en de profetie bij Schultz Altt. Theol. 4e Aufl. 213 f;
-en verder König, Der Offenbarungsbegriff des A. T. Leipzig, Hinrichs
-1882. Kuenen, Hist. crit. Onderzoek, 2e uitg. 1889 II bl. 1 v. Smend,
-Lehrbuch der altt. Religionsgesch. 1893. S. 79 f. Kuyper, Encycl. II
-362 v. 429 v. C. H. Cornill, Der israel. Prophetismus, Strassburg 1894.
-
-4. Wonderen. Gelijk de mensch, behalve door zijne verschijning en zijn
-woord, ook door zijne daden zich kennen doet, zoo openbaart zich God
-ook niet alleen door zijn woorden maar ook door zijne werken. Woord en
-daad staan in nauw verband. Gods woord is een daad, Ps. 33:9; en zijn
-doen is een spreken, Ps. 19:2, 29:3; Jes. 28:26. Beide, woord en daad,
-verzellen elkaar in schepping zoowel als in herschepping. Gemeenlijk
-gaat het woord vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat
-de daad als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar
-doet wat Hem behaagt, Jes. 55:10, 11. Het woord eischt de daad; het
-wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook het zijn
-moet vernieuwd worden. De woorden, waarmede in de Schrift de daden, de
-werken Gods worden aangeduid, zijn verschillend. Naar hunne uitwendige
-verschijning zijn ze נִפְלָאוֹת Ex. 3:20, 34:10; Ps. 71:17; פֶּלֶא Ex.
-15:11; Jes. 25:1, insignia, ingentia, of מוֹפְתִים Ex. 4:21, 7:19; Ps.
-105:5, splendidum quid, beide gr. τερατα, iets bijzonders, ongewoons,
-dat van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heeten
-גְּבוּרוֹת Deut. 3:24; Ps. 21:14, 54:3, 66:7, δυναμεις, מַעֲשִׂים
-Ps. 8:7, 19:2, 103:22; Jes. 5:19 of עֲלִילוֹת Ps. 9:12, 77:13 ἐργα
-μεγαλεια, om de groote, goddelijke kracht, die er zich in openbaart.
-Vooral worden ze ook genoemd אוֹת Ex. 3:12, 12:13, enz. omdat ze een
-bewijs en teeken zijn van de tegenwoordigheid Gods. Die werken Gods zijn
-allereerst op te merken in zijne schepping en onderhouding. Al Gods
-werken zijn wonderen. Ook de werken der natuur worden menigmaal in de
-Schrift met den naam van wonderen aangeduid, Ps. 77:13, 97:3, 98:1,
-107:24, 139:14. Daaruit mag echter niet met Scholten, Supranaturalisme
-in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme Leiden 1867 bl. 9
-v. worden afgeleid, dat de H. Schrift geen onderscheid kent tusschen
-natuur en wonder. Zeker, de gedachte, dat een wonder in strijd zou zijn
-met de wetten der natuur en dus onmogelijk zou wezen, komt niet op.
-Veeleer gaat heel de Schrift uit van het geloof, dat voor God niets
-te wonderlijk is, Gen. 18:14; Deut. 8:3 v.; Mt. 19:26. Maar daarom
-ontbreekt het niet aan eene onderscheiding tusschen de gewone orde
-der natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het O. T. kent eene
-vaste orde der natuur, ordinantiën die voor hemel en aarde gelden, die
-vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1:26, 28, 8:22; Ps. 104:5,
-9, 119:90, 91, 148:6; Pred. 1:10; Job 38:10 v.; Jer. 5:24, 31:25 v.,
-33:20, 25. En het N. T. maakt een even duidelijk onderscheid, Mt. 8:27,
-9:5, 24, 33, 13:54; Luk. 5:9, 7:16, 8:53; Joh. 3:2, 9:32, enz. Wonderen
-zijn een בְּרִיאָה eene schepping, iets nieuws, dat anders nooit
-gezien wordt, Ex. 34:10; Num. 16:30. De feiten, die in de H. S. als
-wonderen zijn vermeld, worden ook door ons nog als wonderen beschouwd;
-over de qualificatie dier feiten is er geen verschil, cf. Herzog²
-17:360. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10
-v. Gloatz in Stud. u. Krit. 1886, 3tes Heft S. 403 f. W. Bender, Der
-Wunderbegriff des N. T. Frankf. 1871 S. 100 f. Schultz, Altt. Theol.
-577 f. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring
-ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen kunnen geschieden,
-Ex. 7:11, 22, 8:7, 18, 9:11; Mt. 24:24; Apoc. 13:13 v.; een teeken of
-wonder is op zichzelf dus niet genoeg tot verzegeling van een profeet,
-Deut. 13:1-3. Maar toch is het alleen Israels God, die wonderen doet,
-Ps. 72:18, 77:15, 86:10, 136:4. Soms brengt Hij die wonderen zelf
-rechtstreeks tot stand; soms bedient Hij zich van menschen of engelen.
-Maar altijd is het God, die ze doet. Zijne δυναμις wordt daarin openbaar,
-Luk. 5:17, 14:19; Mk. 7:34; Luk. 11:20; Joh. 3:2, 5:19 v., 10:25, 32;
-Hd. 2:22, 4:10. Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Mt. 12:28;
-Hd. 10:38.
-
-De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de schepping en
-onderhouding aller dingen, welke een voortdurend werk en wonder Gods
-is, Ps. 33:6, 9; Joh. 5:17. Al wat geschiedt, heeft zijn laatsten grond
-in den wil en de macht van God. Niets kan Hem wederstaan. Hij doet
-met ’t heir des hemels naar zijn welbehagen, Jes. 55:8 v. Ps. 115:3.
-Deze macht en vrijheid Gods wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5:22,
-10:12, 14:22, 27:5; Jes. 40:12, 50:2, 3; Ps. 33:13-17, 104; Job 5:9
-v., 9:4 v., enz. maar komt vooral uit in de geschiedenis van zijn
-volk, Deut. 10:21, 11:3, 26:8, 29:2, 32:12 v.; Ps. 66:5 v., 74:13 v.,
-77:15 v., 78:4 v., 135:8 v.; Jes. 51:2, 9; Jer. 32:20 v.; Hd. 7:2 v.
-In deze geschiedenis treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met
-verschillend doel. Nu eens, om de goddeloozen te straffen, Gen. 6:6
-v., 11, 19; Ex. 5 v.; Lev. 10:1; Num. 11:30 v., 14:21, 16:1 v., 21:6,
-enz. Mt. 8:32, 21:19; Hd. 13:11, enz. Dan, om Gods volk te redden en
-te verlossen, om heil en genezing aan te brengen, zooals de plagen in
-Egypte, de doortocht door de Roode Zee, de wonderen in de woestijn, de
-genezingen van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreeksche of
-zijdelingsche bedoeling, om de zending der profeten, de waarheid van
-hun woord, en alzoo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen, Ex.
-4:1-9; Deut. 13:1 v.; Richt. 6:37 v.; 1 Sam. 12:16 v.; 1 Kon. 17:24; 2
-Kon. 1:10, 20:8; Jes. 7:11, enz.; Mt. 14:33; Luk. 5:24; Joh. 2:11, 3:2,
-5:36, 6:14, 7:31, 9:16, 10:38, 12:37; Hd. 2:22, 10:38, enz. Profetie
-en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen hebben het
-bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot ook in zijne wonderen
-geweest, Ex. 5-15; Deut. 34:10-12. Zijne zonde bestond eenmaal in twijfel
-aan Gods wondermacht, Num. 20:10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een
-cyclus van wonderen, 1 Kon. 17-2 Kon. 13. Bij de latere profeten nemen
-de wonderen niet zoo groote plaats meer in. Dikwerf bedienen zij zich
-van zoogenaamde symbolische handelingen, om daarmede hunne profetie te
-bevestigen en als het ware aanvankelijk te realiseeren, 1 Kon. 11:29-39,
-20:35 v., 22:11; Jes. 7:3, 8:1, 20:2 v., 21:6, 30:8; Jer. 13, 16, 18,
-19, 25:15, 27, 28:10 v., 32:6, 43:8; Ezech. 4, 5, 6:11, 7:23, 12:3,
-17:1; Hos. 1-3; Hd. 21:10 v., Schultz, Altt. Theol. 250 f. Smend,
-Lehrb. der altt. Rel. Gesch. 88. König, Der Offenbarungsbegriff II 111
-f. Maar toch worden ook van hen nog wonderen verhaald en hebben ze de
-overtuiging, wonderen te kunnen doen, Jes. 7:11, 16:14, 21:16, 38:7
-cf. 2 Kon. 20; Jer. 22:12, 30, 28:16, 29:22, 36:30, 37:7 v.; Dan. 1-6.
-Maar al die wonderen in het O. T. hebben niet bewerkt eene verheffing,
-eene vernieuwing der natuur. Zij hebben hunne werking gehad. Zij hebben
-de menschheid beurtelings gestraft en gezegend, en in ieder geval voor
-den ondergang bewaard. Ze hebben in Israel een eigen volk gecreëerd,
-uit de dienstbaarheid van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de
-Heidenen bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende
-macht der natuur. Maar zij waren momentaan, gingen voorbij, verminderden
-in werking en werden vergeten. Het leven nam zijn gewoon verloop. De
-natuur scheen te zegepralen. Toen verhief de profetie hare stem en zij
-sprak, dat Israel niet onder kon gaan en vervloeien in ’t natuurleven
-der Heidenen. God zal op nieuw en in grootere heerlijkheid tot zijn volk
-komen. God zal zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond,
-Ps. 89:1-5; Jes. 54:10. Met dat komen Gods gaat de oude tijd over in
-den nieuwen. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis. Het is de
-יוֹם יהוה, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid openbaren en
-zijne wondermacht ten toon spreiden zal. God geeft dan wonderteekenen
-aan den hemel, Am. 8:8 v.; Joel 2:30. Heel de natuur, hemel en aarde,
-zullen bewogen worden, Am. 9:5; Jes. 13:10, 13, 24:18-20, 34:1-5; Joel
-2:2, 10, 3:15; Mich. 1:3 v.; Hab. 3:3 v.; Nah. 1:4 v.; Ezech. 31:15 v.,
-32:7 v., 38:19 v. Het gericht zal gaan over de goddeloozen, Jes. 24:16
-v. enz. maar het zal ook louteren en bevrijden. God zal zijn volk redden
-door zijne wonderen, Jes. 9:3, 10:24 v., 11:15 v., 43:16-21, 52:10,
-62:8. Hij doet wat nieuws op de aarde, Jes. 43:19, brengt Israel weer
-uit den dood, Ezech. 37:12-14, en doet het deelen in eene volheid van
-geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving der zonden, heiligheid,
-een nieuw verbond, Jes. 44:21-23, 43:25; Ezech. 36:25-28; Jer. 31:31
-v.; Zach. 14:20, 21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel
-zijn. Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2:17 v.; Joel
-3:18; Jer. 31:6, 12-14; Jes. 11:6-8, 65:25; Ezech. 34:29, 36:29 v.;
-Zach. 8:12. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de vorige
-dingen zullen niet meer gedacht worden, Jes. 65:17, 66:22. Deze Jom
-Jhvh, deze עֹלָם הַבָּא, αἰων μελλων, in tegenstelling met den עֹלָם
-הַזֶּה, αἰων οὑτος, is naar de voorstelling der Schrift met het N.
-Test. aangebroken. De komst van Christus is het keerpunt der tijden.
-Een nieuwe wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf
-het absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige,
-volkomene mensch. In Hem is in beginsel de schepping weer hersteld, uit
-haar val wederom opgeheven tot haar vroegere heerlijkheid. Zijne wonderen
-zijn σημεια van de tegenwoordigheid Gods, bewijs van den Messiaanschen
-tijd, Mt. 11:3-5, 12:28; Luk. 13:16, een deel van zijn Messiaanschen
-arbeid. In Christus treedt eene goddelijke δυναμις op, die sterker
-is dan alle verdervende en verwoestende macht der zonde. Deze macht
-valt Hij aan, niet alleen in de peripherie, door ziekten en kwalen
-te genezen en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar
-centrum door, breekt en overwint ze. Zijne menschwording en voldoening,
-zijne opstanding en hemelvaart zijn de groote verlossingsdaden Gods.
-Zij zijn de principieele herstelling van het rijk der heerlijkheid. Deze
-heilsfeiten zijn geen middelen alleen, om iets te openbaren, maar zij
-zijn de openbaring Gods zelve. Het wonder wordt hier tot historie, en
-de historie zelve is een wonder. De persoon en het werk van Christus
-is de centrale openbaring Gods; alle andere openbaring groepeert zich
-daar omheen. Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijne wondermacht in de
-discipelen zich voort, Mt. 10; Mk. 16:18; Luk. 8. En niet alleen in de
-Handelingen worden vele wonderen verhaald, 2:43, 3:5, 5:12-16, 6:8,
-8:6, 7, 13, 9:34, 40, 13:11, 14:3, 16:18, 19:11, 20:10, 28:5, 8; maar
-ook Paulus legt getuigenis af van deze wondermacht der apostelen, Rom.
-15:18, 19; 1 Cor. 12:9, 10; 2 Cor. 12:12; Gal. 3:5, cf. Hebr. 2:4.
-Een tijd lang zet deze wondermacht zich nog voort in de gemeente. Maar
-ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de kerk het
-voorwerp is, waarin God de wonderen zijner genade verheerlijkt, Aug. de
-civ. 22:8, de util. cred. 16, de vera relig. 25. De geestelijke wonderen
-zijn het, in welke God thans zijne macht en zijne heerlijkheid openbaart,
-Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 249 v. 341 v. Scholten, L. H. K.
-I 143. Toch wijst de Schrift heen naar eene toekomst, waarin het wonder
-op nieuw zijne werking zal doen. De αἰων μελλων voleindt zich eerst
-in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
-Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis zijn verzoend.
-Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld is een, Op. 21-22. Cf.
-Oehler Theol. des A. T. 1882 S. 210 f. Schultz, Altt. Theol. 270 f.
-534 f. 577 f. Smend, Lehrb. der Altt. Rel. Gesch. 88 f. W. Bender, Der
-Wunderbegriff des N. T. Frankf. a/M. 1871. Ph. Schaff, Jezus Christus,
-het wonder der geschiedenis 1867. Neander, Gesch. der Pflanzung u.
-Leitung der Chr. K. 5e Aufl. 1862 S. 49 f. 154 f. 336 f. Tholuck,
-Vermischte Schriften, Hamb. 1839 I 28 f.
-
-
-B. Begrip der bijzondere openbaring.
-
-5. Het openbaringssysteem, dat de Schrift ons kennen doet, is in de
-christelijke theologie al te veel miskend en verwaarloosd. Eerst in
-den nieuweren tijd is het begrip en het wezen der openbaring voorwerp
-van dieper onderzoek geworden. Vroeger werd daaraan geen behoefte
-gevoeld. Tusschen de Christenen en de Heidenen was de mogelijkheid der
-openbaring niet in geschil. Strijd was er alleen over de waarheid van
-die openbaring, welke in O. en N. Test. werd geleerd. En deze werd op
-allerlei gronden door de apologeten tegenover de aanvallen vooral van
-Celsus en Porphyrius betoogd. Overigens kwamen de gedachten over de
-openbaring neer op dit schema: God kan alleen door God worden gekend.
-Alle kennis en dienst Gods berust dus op openbaring zijnerzijds. Maar de
-openbaring Gods in natuur en geschiedenis is onvoldoende. Daarom is
-er eene bijzondere openbaring noodig, die in Christus haar hoogtepunt
-bereikt, Harnack, Lehrb. der Dogmengesch. I² 420 f. 436 f. 453 f. De
-volgende theologen, vooral ook de scholastici, besteedden alle zorg
-aan het bepalen en omschrijven van de verhouding tusschen natuur en
-openbaring, weten en gelooven, philosophie en theologie, maar dachten
-het begrip der openbaring niet in en brachten het ook slechts in
-het voorbijgaan ter sprake, cf. Thomas S. Theol. I qu. 57 art. 5 ad
-3. II 2 qu. 2 art. 6. III qu. 55 art. 3. Ook de Protest. theologen
-hebben aan dit begrip te weinig aandacht gewijd. Zij vereenzelvigden de
-openbaring terstond met de H. Schrift en ontkwamen niet geheel aan
-de abstract-supranaturalistische en eenzijdig-intellectualistische
-opvatting, welke allengs in de theologie van haar gevormd was. Cf.
-Gerhard, Loci Theol. I § 12. Calovius, Isagoge ad theol. p. 101
-sq. 142 sq. Polanus, Synt. Theol. VI 9. Maresius, Syst. Theol. I §
-15 sq. Heidegger, Corpus Theol. XII 46. Het Socinianisme dreef dit
-bovennatuurlijk en verstandelijk begrip van de openbaring op de spits,
-Fock, Der Socin. 296 f. 314 f. Het Remonstrantisme had wezenlijk
-dezelfde voorstelling, Limborch, Theol. Christ. II 9, 18. Tusschen het
-rationalisme en supranaturalisme was over het begrip der openbaring
-geen verschil; voor beide bestond zij in eene uitwendige mededeeling
-van leer. Het was niet te verwonderen, en ook ten volle verdiend, dat
-zulk een openbaringsbegrip de kritiek van het deïsme en rationalisme
-niet kon doorstaan. Wat was de religieuse waarde van eene openbaring,
-welke niets gaf dan eenige verstandelijke waarheid, die misschien later
-door de rede zelve nog gevonden zou zijn? Toch bleek het, dat men al
-te spoedig met het begrip der openbaring had afgerekend. Religie en
-revelatie toonden bij dieper historisch en wijsgeerig onderzoek eene veel
-nauwere verwantschap, dan men vroeger gemeend had. Zoo kwam het begrip
-der openbaring in de nieuwere theologie en philosophie weer meer tot
-eere en werden verschillende pogingen tot reconstructie beproefd.
-
-Hamann, Claudius, Lavater, Herder, Jacobi e. a. wezen op de
-verwantschap van religie en kunst en brachten de openbaring met de
-geniale inspiratie in verband. Het begrip der openbaring werd zoo
-uitgebreid, dat alles openbaring werd. Religie, poëzie, philosophie,
-geschiedenis, taal zijn verschillende uitingen van eenzelfde
-oorspronkelijk leven. Omnia divina et humana omnia. En in het midden
-van al deze openbaringen staat Christus; naar Hem wijst alles heen,
-om Hem groepeert zich alles, Ehrenfeuchter, Christenthum und moderne
-Weltanschauung, Göttingen 1876 S. 243 f. Ook Schleiermacher, Glaub. §
-10, 13 verwierp beslist de rationalistische leer van de openbaring.
-Hij zocht haar eigenaardigheid niet in het al of niet bovennatuurlijk
-karakter, dat ze draagt, maar in het nieuwe en oorspronkelijke, waarmede
-een persoon of eene gebeurtenis in de historie optreedt. Openbaring
-is daarom verwant met poëtische en heroïsche bezieling, en bestaat
-feitelijk in het wekken van nieuwe, oorspronkelijke aandoeningen van
-het religieus gevoel. Door Schleiermacher werd die opvatting van de
-openbaring voorbereid, welke haar bestaan laat niet in meedeeling
-van leer maar van leven. Rothe, Zur Dogmatik 1862 S. 55-120 heeft
-aangaande de openbaring als inspiratie dezelfde gedachte, maar hij neemt
-daarbij als constitutief element van de openbaring nog eene uitwendige,
-historische manifestatie aan, opdat de inwendige openbaring, de
-inspiratie, niet magisch en mechanisch zij. De eigenaardigheden van
-het begrip der openbaring bij de theologen, die min of meer aan
-Schleiermacher zich aansluiten, bestaan dan vooral hierin: openbaring
-is van de theopneustie, van de H. Schrift te onderscheiden, de Schrift
-is niet de openbaring maar haar oorkonde; openbaring is een religieus,
-nader nog een soteriologisch begrip, met geniale, poëtische, heroïsche
-bezieling wel verwant maar niet identisch; zij is correlaat der religie
-alleen; uitgaande van God als Verlosser, heeft ze geen leer over
-allerlei physische, historische en metaphysische dingen tot inhoud,
-maar alleen religieus-ethische waarheid, zij is meedeeling van leven,
-zelfmededeeling Gods; zij is niet in strikten zin bovennatuurlijk, maar
-echt natuurlijk en menschelijk; zij is eindelijk niet alleen uitwendig
-(manifestatie), maar ook inwendig en geestelijk (inspiratie). Daarbij is
-er nog wel verschil over begin, omvang, einde der openbaring, maar in
-hoofdzaak is dit toch de opvatting, gelijk ze gevonden wordt bij Nitzsch,
-System der chr. Lehre § 22. Twesten I 341 f. Martensen § 11, 12. Lange
-I § 56 f. Dorner I 569 f. Frank, System der chr. Wahrheit 2e Aufl. II
-8 f. Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 192 f. Saussaye, mijne theologie
-35 v. Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 21 v. enz. Maar niet
-alleen Schleiermacher en zijne school hebben het openbaringsbegrip tot
-nieuw leven gebracht, maar ook Schelling en Hegel hebben hetzelfde op
-hunne wijze beproefd. Door hen kreeg het rationalisme een speculatief
-karakter. Zij trachtten de christelijke openbaring niet door eene
-verstandskritiek te vernietigen, maar zochten speculatief de diepe
-idee op te sporen, welke aan haar en aan alle christelijke dogmata ten
-grondslag lag, en stelden zich alzoo als speculatief rationalisme
-tegenover het vulgaire rationalisme van vroeger tijd. Volgens Schelling
-in zijne eerste periode was heel de wereld de zelfopenbaring Gods. De
-natuur is de zichtbare geest, de geest de onzichtbare natuur. Gods
-wezen wordt den mensch kenbaar uit heel de natuur, vooral echter
-uit de ontwikkeling van den menschelijken geest in kunst, religie en
-wetenschap. En zoo leerde ook Hegel, dat God zich niet aan den mensch
-openbaart door eene voorbijgaande gebeurtenis in den tijd, maar Hij
-openbaart zich in den mensch zelf, en wordt zichzelf in den mensch
-bewust. En dit zichzelf bewust worden van God in den mensch, is het
-weten des menschen van God, is religie, Religionsphilosophie 1832 I
-29. II 158. Encyclop. S. 576. Openbaring is bij Hegel dus gelijk met de
-noodwendige zelfopenbaring, met het zich zelf bewust worden van het
-Absolute in den menschelijken geest; de geschiedenis der godsdiensten
-is de geschiedenis van het tot zichzelf komen van het Absolute in het
-menschelijk bewustzijn, en bereikt haar hoogtepunt in het Christendom,
-dat de eenheid uitspreekt van God en mensch. Aan deze gedachte over de
-openbaring, als zelfmededeeling Gods aan een iegelijk mensch sluit in
-hoofdzaak die opvatting van de openbaring zich aan, welke wij vinden bij
-Marheineke, Grundlehren der chr. Dogm. § 206. Rosenkranz, Encycl. der
-theol. Wiss. 2e Aufl. 1845 S. 1 f. Erdmann, Glauben und Wissen 1837.
-Strauss, Glaubenslehre § 19. Feuerbach, Wesen des Christ. 2e Ausg.
-S. 174. Biedermann, Chr. Dogm. I 264 f. Pfleiderer, Grundriss § 16.
-Lipsius, Dogm. § 52, Philos. und Religion 1885 S. 266 f. Scholten,
-Initia, ed. 2. p. 26-39. L. H. K. I 165 v. 233, 299. Gemeenschappelijk
-is aan dezen de ontkenning van het bovennatuurlijk karakter der
-openbaring, maar overigens is er groot onderscheid over inhoud,
-uitgestrektheid en wijze. Van beide groepen onderscheidt zich nog weer
-het begrip van openbaring in de school van Ritschl. Het eigenaardige
-van deze opvatting ligt hierin, dat er zeer weinig waarde gehecht wordt
-aan de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, dat
-nadruk gelegd wordt op het positief karakter van elke religie en op het
-historische, uitwendige in de openbaring, en dat voor het Christendom
-die historische openbaring vooral of zelfs uitsluitend gevonden wordt
-in den persoon van Christus, Ritschl Rechtf. u. Vers. III³ 190 f. 599
-f. Kaftan, Wesen der chr. Religion 171 f. 295 f. Herrmann, Der Begriff
-der Offenbarung Giessen 1887. G. v. Schulthess-Rettberg, Der Gedanke
-einer göttlichen Offenbarung, Zurich 1893. Nitzsch, Lehrbuch der ev.
-Dogm. S. 131 f. Cf. de Groninger school hier te lande, Hofstede de
-Groot, De Groninger Godgeleerden in hunne eigenaardigheid 42 v.
-
-Aan een duidelijk en helder begrip van de openbaring ontbreekt het nog
-in de dogmatiek. Er is onder de theologen verschil over alles, wat bij
-dat begrip in aanmerking komt. Misschien is er eene grens te trekken
-tusschen hen, die eene bovennatuurlijke of alleen eene natuurlijke
-openbaring aannemen. Maar ook dan rijst de vraag, of het bovennatuurlijk
-karakter der openbaring ligt in de wijze, waarop zij tot ons kwam, of in
-het nieuwe, oorspronkelijke van den inhoud (Schleiermacher). Waarin is
-verder de bovennatuurlijke openbaring onderscheiden van de natuurlijke
-openbaring in natuur en geschiedenis, vooral van de religieuse,
-poëtische, heroïsche inspiratie, die ook buiten het Christendom
-wordt aangetroffen en zoo dikwerf met de christelijke openbaring in
-verband is gebracht (Hamann, Herder, Jacobi, Schleiermacher)? Waar
-is vervolgens die bovennatuurlijke openbaring te vinden, ook in de
-religies der Heidenen, of alleen in Israel, of zelfs uitsluitend in
-den persoon van Christus (Schleiermacher, Ritschl). Hoever strekt zij
-zich uit na Christus, is zij tot Hem beperkt, of is ook de werking
-des H. Geestes in wedergeboorte, bekeering enz. nog onder het begrip
-van openbaring te rekenen (Frank)? Is haar inhoud in de eerste
-plaats kennis, zoodat zij het verstand verlicht (Hegel, Biedermann,
-Scholten), of is ze voornamelijk mystisch van aard, eene werking op het
-gemoed, eene aandoening, opwekking van het gevoel (Schleiermacher,
-Lipsius, Opzoomer, Ethischen)? Is bij de openbaring het uitwendige, het
-historische, de manifestatie, hetzij dan in natuur (Hegel, Scholten),
-hetzij in de historie (Schelling, Ritschl), of bepaald ook als wonder
-(Rothe) de hoofdzaak, of ligt het zwaartepunt in het subject in de
-zelfopenbaring van den absoluten Geest, van God, aan den mensch
-(Biedermann, Lipsius)?
-
-6. De openbaring, welke de Schrift ons kennen doet, bestaat niet in
-enkele onsamenhangende woorden en feiten, maar is één historisch en
-organisch geheel, een machtig wereldbeheerschend en wereldvernieuwend
-systeem van daden Gods. Zij treedt, gelijk wij zagen, in drie vormen op,
-theophanie, profetie en wonder, שְׁכִינָה, ‏נְבוּיָה‎ en ‏בְּרִיאָה‎.
-Maar deze drie staan niet los naast elkaar; zij vormen één geheel en
-beoogen samen één doel. Reeds door de revelatio generalis laat God
-zich aan den mensch niet onbetuigd; Hij openbaart zich in natuur en
-geschiedenis, Hij spreekt in hart en geweten; Hij werkt wonderen van
-mogendheid. Ook de revelatio generalis mag openbaring heeten. Want in
-ruimen zin is openbaring alle actie, die van God uitgaat, om den mensch
-te stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. Maar door de zonde
-wordt eene andere openbaring van noode, die wel in velerlei verband
-staat met de revelatio generalis maar die er toch wezenlijk, in vorm
-en inhoud, van onderscheiden is. Zij richt zich toch tot den gevallen
-mensch, en moet dus zijn eene openbaring van genade. De revelatio
-specialis is het zoeken Gods van en het komen Gods tot den mensch. Hij
-moet zich nu zoo openbaren en zoo spreken en zoo werken, dat de mensch
-weer vernieuwd wordt naar zijn beeld. Daarom komt God tot den mensch op
-menschelijke wijze. De menschwording is het centrale feit in de revelatio
-specialis, hetwelk licht verspreidt over heel haar gebied. Reeds in de
-schepping maakt God zich den menschen gelijk. Maar in de herschepping
-wordt Hij mensch en gaat in onzen toestand in. En deze menschwording,
-die de eigenlijke inhoud is van de revelatio specialis, neemt reeds in
-zekeren zin terstond na den val haar aanvang. De bijzondere openbaring
-Gods gaat in in de historie, en vormt eene geschiedenis, die de
-eeuwen doorloopt. Zij neemt zulk een historisch karakter aan, wijl de
-menschheid zelve, tot wie zij zich richt, alleen in den historischen
-vorm bestaat. Zij leidt haar leven mede, volgt haar op hare gangen,
-doorwandelt met haar de tijden tot den einde toe. Zij grijpt diep in
-het leven der schepping terug, sluit aan de voorzienigheid zich aan
-en doet haar licht stralen door het prisma van menschelijke personen,
-toestanden en gebeurtenissen heen. Zij bedient zich van alle karakter
-en individualiteit, van alle aanleg en gave, die in de schepping
-gegeven zijn. Zij hult zich in de vormen van type en schaduw, van beeld
-en symbool, van kunst en poëzie, van briefvorm en kroniek. Zij neemt
-in de religie de gebruiken over, die in andere godsdiensten gevonden
-worden, zooals besnijdenis en offerande, tempel en priesterschap. Zij
-acht zelfs lot en droom en visioen niet te gering om ze te bezigen als
-instrument. Zoo diep daalt het goddelijke in het menschelijke neer, dat
-de grenzen tusschen de openbaring en de pseudoreligie schijnen te worden
-uitgewischt. Godspraak en orakel, profetie en mantiek, wonder en magie
-schijnen elkander te naderen.
-
-En toch is het een ander hart, dat in Israels religie klopt. De
-peripherische en atomistische beschouwing beroept zich op zulke feiten
-van overeenkomst tusschen de religie der Schrift en de godsdiensten
-der volken, maar zij verklaart de openbaring niet in haar karakter
-en beteekenis, en weet ten slotte met de Schrift geen raad. Daarom
-moet deze beschouwing wijken voor de centrale en organische, welke
-van uit het middelpunt het licht laat stralen tot aan den buitensten
-omtrek. En dat centrum is de menschwording Gods. Hij is het, die in
-de revelatio specialis nederdaalt en zich den menschen gelijk maakt.
-Subject van de bijzondere openbaring is in eigenlijken zin de Logos, de
-Malak Jhvh, de Christus. Hij is de middelaar der schepping, Joh. 1:3;
-Col. 1:15, maar ook der herschepping. Του γαρ δια της ἰδιας προνοιας
-και διακοσμησεως των ὁλων διδασκοντος περι του Πατρος, αὐτου ἠν και
-την αὐτην διδασκαλιαν ἀνανεωσαι, Athan. de incarn. c. 14. Cf. Iren.
-adv. haer. IV 6. Hij is het subject der openbaring ook reeds in het O.
-Test., de engel des verbonds, die Israel leidde, Ex. 14:19, 23:20,
-32:34, 33:2; Jes. 63:8, 9, de inhoud der profetie Joh. 5:39; 1 Petr.
-1:11; Apoc. 19:10. Door theophanie, profetie en wonder bereidt Hij zijne
-komst in het vleesch voor. De O. Test. openbaring is de geschiedenis
-van den komenden Christus. Theophanie, profetie en wonder loopen op Hem
-uit. In Christus vallen ze saam. Hij is de openbaring, het woord, de
-kracht Gods. Hij toont ons den Vader, verklaart ons zijn naam, volbrengt
-zijn werk. De menschwording is de afsluiting, het doel en het einde
-beide van Israels geschiedenis, en tevens het middelpunt van alle
-geschiedenis. Bis hierher und von daher geht die Geschichte (Joh. von
-Müller). De incarnatie is het Centralwunder; es ist das Wunder aller
-Wunder, da das Göttliche unmittelbar mit dem Menschlichen sich berührt,
-Ranke, Weltgeschichte VIII 72.
-
-Als de openbaring Gods in Christus, in zijn persoon en werk, verschenen
-en in de Schrift beschreven is, treedt er eene andere bedeeling in.
-De H. Geest ging wonen in de gemeente; daarmede was het karakter der
-tijden veranderd. De αἰων οὑτος ging over in den αἰων μελλων. Gelijk
-in de eerste periode alles op Christus voorbereid werd, zoo wordt nu
-alles van Hem afgeleid. Toen werd Christus gevormd tot het hoofd der
-gemeente, nu de gemeente tot het lichaam van Christus. Toen werd het
-Woord, de H. Schrift, af-, nu wordt het uitgewerkt. Maar toch neemt
-ook deze bedeeling eene plaats in in het systeem der openbaring.
-De openbaring is voortgezet, ofschoon gewijzigd naar den aard der
-bedeeling. De openbaring, als bedoelende en voortbrengende den
-Christus, heeft haar einde bereikt. Want Christus is er, zijn werk is
-volbracht, en zijn woord is voltooid. Nieuwe, constitutieve elementen
-van de revelatio specialis kunnen er niet meer bijkomen. De vraag is
-daarom ook van ondergeschikt belang, of in de christelijke kerk nog de
-gave der voorspelling en der wonderen voortduurt. De getuigenissen
-der kerkvaders zijn zoo talrijk en krachtig, dat voor de oudste tijden
-deze vraag moeilijk ontkennend kan beantwoord worden, Thomas II 2 qu.
-178. Voetius, Disp. II 1002 sq. Gerhard, Loci, loc. 22 sectio 11. Dr.
-C. Middleton, A free inquiry into the miraculous powers, which are
-supposed to have subsisted in the Christian Church, 3 ed. Lond. 1749.
-Tholuck, Ueber die wunder der Kath. Kirche, Verm. Schriften I 28-148.
-J. H. Newman, Two essays on scripture miracles and on ecclesiastical, 2
-ed. Lond. 1870. H. Müller, Natur und Wunder, Strassb. 1892 S. 182. Maar
-al zijn die gaven gebleven, de inhoud dier revelatio specialis, welke
-in Christus zich concentreert en in de Schrift is neergelegd, wordt er
-niet rijker door; en indien zij naar de gedachte van Augustinus, de civ.
-22, 8, de util. cred. 16, de vera relig. 25 verminderd en opgehouden
-zijn, die openbaring wordt er niet armer door. Hoe dit echter ook zij,
-de revelatio specialis in Christus zet toch in zekeren zin in deze
-bedeeling zich nog voort. Al is alle voorspelling in de christelijke
-kerk opgehouden en alle wonder in eigenlijken zin voorbij, de kerk zelve
-is van oogenblik tot oogenblik product der openbaring. De geestelijke
-wonderen duren voort. De genade Gods in Christus verheerlijkt zich in
-verlichting en wederbaring, in geloof en bekeering, in heiligmaking en
-bewaring. Christus is middelaar; het is Hem om de gemeente te doen; Hij
-kwam om de wereld te vernieuwen en de menschheid te herscheppen naar
-het beeld Gods. De revelatio specialis vindt haar doel in het tot stand
-brengen eener nieuwe orde van zaken. En daarom zet zij, in gewijzigden
-vorm. d. i. in geestelijken zin ook thans nog zich voort. Haar rustpunt
-vindt zij eerst in de epiphanie van Christus, in den nieuwen hemel en de
-nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
-
-De openbaring naar de Schrift is dus een historisch proces, een
-organisch systeem, eene voortdurende goddelijke actie tot breking van
-de macht der zonde, tot stichting van zijn rijk, tot herstel van den
-kosmos, tot ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν Χριστῳ, Ef. 1:10. In de
-theophanie stelt God zichzelf wederom als den eenigen en waarachtigen
-God tegenover de afgoden van ’s menschen eigen versiering; in de
-profetie plaatst Hij zijne gedachte als de waarheid tegenover de leugen
-van Satan, en in het wonder betoont Hij zijne goddelijke kracht tegenover
-alle werken der ongerechtigheid. In de openbaring poneert en handhaaft
-God zijn Ik tegenover alle niet-ik, en brengt het trots allen tegenstand
-tot algemeene erkenning en tot volkomen triumf. Soteriologisch is dus
-heel de openbaring. Zij gaat uit van Christus, zoowel in O. als in N.
-T. Maar soteriologisch dan opgevat in den zin der Schrift, niet in
-religieus-ethischen zin, alsof de openbaring slechts religieuse en
-ethische waarheid bevatten zou; nog veel minder in intellectueelen
-zin, alsof de openbaring slechts in leer bestond. Maar soteriologisch
-in schriftuurlijken zin, zoo n.l. dat de inhoud der openbaring niet
-is leer of leven of aandoening des gemoeds maar dat ze is dat alles
-te zaam, een goddelijk werk, eene wereld van gedachten en daden,
-een ordo gratiae, die de ordo peccati op alle terrein bestrijdt en
-verwint. Doel der openbaring is niet alleen, om den mensch te leeren
-en zijn verstand te verlichten (rationalisme), om hem de deugd te doen
-beoefenen (moralisme), om religieuse aandoeningen in hem te kweeken
-(mysticisme). Maar het doel Gods met zijne openbaring strekt zich
-veel verder en breeder uit. Het is geen ander dan om den mensch, de
-menschheid, de wereld aan de macht der zonde te onttrekken, en den Naam
-Gods weer te doen uitstralen in alle creatuur. De zonde heeft alles
-bedorven en verwoest, verstand en wil, ethische en physische wereld. En
-daarom is het ook de gansche mensch en heel de kosmos, om wiens redding
-en herstel het God met zijne openbaring te doen is. Soteriologisch is
-dus zeer zeker Gods openbaring, maar object van die σωτηρια is de
-kosmos, en niet alleen het ethische of de wil met uitsluiting van
-het verstand en niet het psychische alleen met uitsluiting van het
-somatische en physische, maar alles te zamen. Want God heeft allen
-onder de zonde besloten opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 5:15
-v., 11:32; Gal. 3:22.
-
-
-C. De bijzondere openbaring en het Supranaturalisme.
-
-7. Deze organische opvatting van de openbaring is in de christelijke
-kerk op tweeërlei wijze miskend geworden, zoowel door het
-supranaturalisme als door het naturalisme (rationalisme). Tegenover
-beide dient zij daarom nader in het licht gesteld en gehandhaafd te
-worden. Eerst tegenover het supranaturalisme, dat vooral in Rome is
-opgekomen en dan in verschillende richtingen binnen het Protestantisme
-nawerkt. De Schrift kent wel onderscheid tusschen den gewonen gang
-der dingen en buitengewone werken Gods, maar maakt toch nog niet de
-tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk. Deze komt eerst bij de
-kerkvaders voor. De bijzondere openbaring wordt met de bovennatuurlijke
-vereenzelvigd en tegenover de natuurlijke gesteld. Clemens Alex.,
-Strom. 2, 2 spreekt reeds van ὑπερφυης θεωρια, die men verkrijgt
-door het geloof. Chrysostomus, Hom. 36 in Gen, noemt de wonderen
-ὑπερ φυσιν en φυσει μειζονα. Ambrosius, de mysteriis c. 9. stelt
-gratia, miraculum, mysterium tegenover de ordo naturae. Johannes
-Damascenus spreekt meermalen van de wonderen, zooals de ontvangenis
-van Christus, de eucharistie enz. als ὑπερ φυσιν, ὑπερ λογον και
-ἐννοιαν, de fide orthod. IV 12-15. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der
-relig. Erk. I 82 f. Sedert heeft de onderscheiding van natuurlijk en
-bovennatuurlijk ingang gevonden en burgerrecht verkregen in heel de
-christelijke theologie. Zonder twijfel heeft deze onderscheiding ook
-recht van bestaan. De Schrift moge ze niet met zooveel woorden maken;
-zij erkent toch eene gewone orde der natuur en daarbij daden en werken,
-welke hun oorzaak alleen hebben in de macht Gods. De openbaring in
-de H. Schrift onderstelt, dat er nog eene andere, hoogere en betere
-wereld is dan deze natuur en dat er dus eene ordo rerum is supra hanc
-naturam. De begrippen van natuurlijk en bovennatuurlijk dienen daarom
-duidelijk te worden bepaald. Natuur, van nasci, worden, duidt in het
-algemeen datgene aan, wat zonder vreemde macht of invloed van buiten,
-alleen naar zijne inwendige krachten en wetten zich ontwikkelt. Natuur
-staat dan zelfs tegenover kunst, opvoeding, cultuur, geschiedenis,
-welke niet vanzelf, spontaan ontstaan, maar door menschelijk toedoen
-tot stand komen. Maar verder wordt het begrip natuur uitgebreid tot
-heel den kosmos, voor zoover deze niet van buiten maar van binnen
-uit, door immanente krachten en naar eigene ingeschapen wetten zich
-beweegt en ontwikkelt. Bovennatuurlijk is dan alwat de krachten der
-natura creata te boven gaat en zijne oorzaak niet heeft in de schepselen
-maar in de almacht Gods. In dezen zin werd de bijzondere openbaring
-in de christelijke theologie opgevat. In haar geheel genomen, had ze
-haar oorsprong in eene bijzondere daad Gods, welke niet in den gewonen
-gang der natuur maar in eene eigene, daarvan onderscheiden, orde van
-zaken zich had geopenbaard. Daarbij werd dan verder nog onderscheid
-gemaakt tusschen het bovennatuurlijke in absoluten zin, als iets de
-kracht van alle creatuur te bovengaat, en het bovennatuurlijke in
-relatieven zin, als het de kracht van eene bepaalde oorzaak in de
-gegeven omstandigheden overtreft; en voorts ook nog tusschen het
-supernaturale quoad substantiam, als het feit zelf bovennatuurlijk
-is, b.v. de opwekking van een doode, en het supernaturale quoad
-modum, als alleen de wijze van doen bovennatuurlijk is, b.v. de
-genezing van een kranke zonder middelen, Thomas, S. c. Gent. III
-101. Ook in deze onderscheidingen lag op zichzelve nog geen gevaar.
-Zelfs moeten zij tegenover eene wijsbegeerte, die het bovennatuurlijke
-ontkent of verzwakt, verdedigd worden. De uitdrukking bovennatuurlijk
-is n.l. in de latere theologie en philosophie menigmaal in zeer
-gewijzigden zin verstaan, en beurtelings met het bovenzinlijke (Kant),
-het vrije (Fichte), het onbekende (Spinoza, Wegscheider), het nieuwe
-en oorspronkelijke (Schleiermacher), het religieus-ethische, het
-geestelijke (Saussaye), enz. vereenzelvigd. Maar zulk eene wijziging
-van de vaststaande en duidelijke beteekenis van een woord leidt tot
-misverstand. Indien men met bovennatuurlijk niets anders bedoelt dan
-het bovenzinlijke, het ethische. enz., doet men beter den term te
-vermijden. En de verwarring wordt nog grooter, als men het natuurlijke
-en het bovennatuurlijke dooreen mengt en aan deze fusie dan den naam
-van het Geistleibliche, Godmenschelijke, enz. geeft. Het begrip natuur
-omvat al het geschapene, niet alleen de stof, de materie, maar ook
-ziel en geest; niet alleen het physische maar ook het psychische,
-het religieuse en het ethische leven, voor zoover het uit den
-menschelijken aanleg vanzelf opkomt; niet alleen zienlijke, maar ook
-onzienlijke, bovenzinnelijke dingen. Het bovennatuurlijke is niet met het
-oorspronkelijke, het geniale, het vrije, het religieuse, het ethische,
-enz. identisch, maar is de duidelijke en vaststaande naam alleen voor
-datgene, wat uit de krachten en naar de wetten der geschapene dingen
-niet is te verklaren. Tot zoover is de onderscheiding, tusschen
-natuurlijk en bovennatuurlijk, die in de christelijke theologie opkwam,
-volkomen juist, beslist, duidelijk, alle verwarring afsnijdend. Behoudens
-het gezegde boven bl. 230 v., is bijzondere openbaring, in haar drie
-vormen van theophanie, profetie en wonder, bovennatuurlijk in strikten
-zin.
-
-Maar in de christelijke theologie werd het begrip van het
-bovennatuurlijke langzamerhand nog enger begrensd. Het werd eenerzijds
-van de schepping en andererzijds van de geestelijke wonderen der
-wedergeboorte enz. onderscheiden. De eerste onderscheiding werd
-gemaakt, omdat het bovennatuurlijke niet voor God, maar alleen voor ons
-bestaat en de gewone orde, door de schepping in het aanzijn geroepen,
-onderstelt. Van het bovennatuurlijke kan alleen gesproken worden, als
-de natuur vooraf reeds bestaat. En andererzijds werden wedergeboorte,
-vergeving, heiligmaking, unio mystica enz., wel voor rechtstreeksche
-daden Gods gehouden, maar toch niet tot de bovennatuurlijke openbaring
-gerekend, wijl zij niet ongewoon en zeldzaam zijn maar in de kerk tot
-de gewone ordo rerum behooren. De kerk zelve is wel supranatureel
-maar toch geen wonder. Ook het bovennatuurlijke en het wonder zijn
-weer onderscheiden. Al het bovennatuurlijke is geen wonder, maar wel
-omgekeerd. Wonderen zijn niet alleen bovennatuurlijke, maar bovendien
-ook nog ongewone en zeldzame gebeurtenissen in natuur of genade. Zij
-geschieden niet alleen praeter ordinem naturae alicujus particularis,
-maar praeter ordinem _totius_ naturae creatae. Engelen en duivelen
-kunnen in eigenlijken zin geen wonderen doen, maar alleen zulke dingen,
-die ons wonderlijk toeschijnen en geschieden praeter ordinem naturae
-creatae _nobis notae_, Thomas, S. Theol. I qu. 110 art. 4. S. c. Gent.
-I 6. III 112. Voetius, Disp. II. 973 sq. Thomas spreekt niet alleen van
-wonderen praeter en supra, maar ook contra naturam, qu. de miraculis,
-art. 2 ad 3, Müller, Natur u. Wunder, Strassburg 1892 S. 145. En
-Voetius zeide, dat wonderen wel niet zijn contra naturam universalem
-sed supra et praeter eam, maar toch ook soms konden zijn contra naturam
-aliquam particularem, Disp. II 973, cf. Gerhard, Loci Comm. Loc. 22 §
-271 sq. En wonderen hadden dus de volgende kenteekenen: opus immediatum
-Dei, supra omnem naturam, in sensus incurrens, rarum, ad confirmationem
-veritatis, Voetius, ib. II 965. Gerhard, ib. loc. 22 § 271. Hoeveel
-goeds er nu ook wezen moge in deze door de scholastiek gemaakte
-bepalingen en onderscheidingen, ze brachten toch geen gering gevaar
-met zich. De bijzondere openbaring werd eenerzijds losgemaakt van de
-schepping en de natuur; al werd erkend, dat bovennatuurlijke openbaring
-niet eerst nu maar ook reeds voor den val had plaats gehad, Calovius,
-Isag. ad theol. p. 49, en dus op zichzelf niet in strijd kon zijn met de
-natuur, toch werd dit niet ingedacht. Andererzijds werd de bijzondere
-openbaring tegengesteld aan de geestelijke wonderen, de werken der
-genade, die voortdurend plaats hebben in de kerk van Christus en dus
-geïsoleerd van de herschepping en de genade. De bijzondere openbaring
-kwam dus geheel op zich zelve te staan, zonder verband met natuur en
-geschiedenis. Haar historisch en organisch karakter werd miskend. Zij
-ging niet in wereld en menschheid in, maar bleef buiten en boven haar
-zweven. Zij werd eindelijk opgevat als eene leer, als eene verkondiging
-van onbegrepen en onbegrijpelijke mysteriën, wier waarheid bevestigd was
-door de wonderen. Zij was en bleef in één woord een donum superadditum
-van den kosmos.
-
-8. In Rome is dit supranaturalistisch en dualistisch stelsel consequent
-uitgewerkt. In God zijn er twee conceptiën van den mensch, van zijne
-natuur en bestemming. De mensch in puris naturalibus, zonder het beeld
-Gods, gelijk hij feitelijk na den val nog is, kan eene zuivere kennis
-van God hebben uit zijne werken, kan Hem dienen en vreezen en in eene
-normale, op zich zelf goede knechtsverhouding tot Hem staan, kan alle
-natuurlijke deugden beoefenen, ook zelfs de natuurlijke liefde tot God,
-en kan het alzoo brengen tot een zekeren staat van geluk in dit en
-in het toekomende leven. Brengt hij het zoover niet, dan is dat zijne
-eigene schuld en is dit te wijten aan het niet of slecht gebruiken van
-de hem geschonken natuurlijke krachten. Maar God wil aan den mensch nog
-eene hoogere, bovennatuurlijke, hemelsche bestemming geven. Dan moet hij
-daartoe aan den mensch verleenen dona superaddita zoowel voor als nu
-na den val. Hij moet hem schenken eene bovennatuurlijke genade, waardoor
-hij God op eene andere, betere, hoogere wijze kan kennen en liefhebben,
-betere en hoogere deugden kan beoefenen, en eene hoogere bestemming kan
-bereiken. Die hoogere kennis bestaat in de fides; die hoogere liefde
-in de caritas; die hoogere deugden zijn de theologische, geloof, hoop,
-liefde, welke essentieel van de virtutes cardinales (intellectuales et
-morales) zijn onderscheiden; en die hoogere bestemming bestaat in het
-kindschap Gods, de geboorte uit God, de unio mystica, de gemeenschap
-aan de Goddelijke natuur, de θεωσις, deificatio, de visio Dei enz. Deze
-leer is in sommige uitspraken der kerkvaders reeds voorbereid, maar is
-toch eerst ontwikkeld door de scholastiek, vooral door Halesius, Summa
-universae Theol. II qu. 91 m. 1. a. 3. Bonaventura, Breviloquium V cap.
-1. Thomas disp. de verit. qu. 27. S. Theol. I 2. qu. 62 art. 1. In den
-strijd tegen Bajus en Jansenius werd ze kerkelijk vastgesteld, Denzinger,
-Enchir. symbol. et definit. num. 882 sq. en door het Vaticanum
-nadrukkelijk uitgesproken, Sess. III cap. 2: revelatio absolute
-necessaria dicenda est, -- -- quia Deus infinita bonitate sua ordinavit
-hominem ad finem supernaturalem, ad participanda sc. bona divina. quae
-humanae mentis intelligentiam superant, met beroep op 1 Cor. 2:9. Cf.
-Canones II 3. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. 1872 II S. 3-151.
-Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. I 105 f. II 75 f. Scheeben,
-Handb. der kath. Dogm. II 1878 S. 240 f. Id. Natur u. Gnade Mainz
-1861. Schäzler, Natur u. Gnade. Oswald, Religiöse Urgeschichte der
-Menschheit 2e Aufl. 1887 § 1 f.
-
-Nu dient erkend te worden dat het onderscheid in den toestand
-vóór en na den val niet ligt in openbaring op zich zelve. Er was
-bovennatuurlijke openbaring ook in het paradijs, Gen. 1:28 v.; 2:16 v.;
-ze is dus niet door de zonde eerst noodzakelijk geworden. Zelfs was er
-ook in den status integritatis eene openbaring der genade, want ook
-toen was de relatie der liefde, waarin God zich stelde tot den mensch,
-een betoon van ongehoudene goedheid. Wat door de zonde dus noodzakelijk
-is gemaakt, is niet de openbaring op zichzelf, maar de bepaalde inhoud
-der openbaring, dat is de gratia specialis, de openbaring Gods in
-Christus, de ἐνσαρκωσις του θεου. Openbaring Gods is er noodig geweest
-ook voor de religie in den status integritatis. Maar de religio
-christiana is op eene bijzondere, bepaalde openbaring gegrond. Hierop
-heeft Paulus het oog als hij in 1 Cor. 2 vs. 4-16 spreekt van de wijsheid
-Gods, die altijd verborgen is geweest en in het hart des menschen niet
-is opgeklommen. Rome kan dit eigenlijk zelf niet ontkennen, tenzij het
-de leer aanvaarde, dat, in de onderstelling dat God aan den mensch
-een finis supernaturalis wilde schenken, heel de supranatureele orde,
-die er nu is in de incarnatie, de kerk, de sacramenten, ook zonder en
-buiten de zonde noodzakelijk zou geweest zijn. Daarmede zou echter het
-soteriologisch karakter der openbaring geheel te loor gaan, de val zijn
-beteekenis verliezen en de zonde hoegenaamd geene verandering hebben
-gebracht. De leer van den finis supernaturalis heeft dan ook in de
-Roomsche kerk altijd veel tegenspraak ontmoet, bij Bajus, Jansenius,
-Hirscher, Hermes, Günther; maar ze hangt ten nauwste saam met heel het
-Roomsche systeem, dat gebouwd is niet op de religieuse tegenstelling
-van zonde en genade, maar op het graadonderscheid in het goede, op
-de rangordening der schepselen en der deugden, op de hierarchie in
-physischen en in ethischen zin. De Reformatie had echter maar ééne
-idee, ééne conceptie van den mensch, nl. die van beelddrager Gods, en
-deze gold voor alle menschen. Als dat beeld in engeren zin verloren
-is, dan is daarmee heel de menschelijke natuur geschonden, en kan de
-mensch geen religie en geen ethos meer hebben, welke aan den eisch
-Gods en aan zijne eigene idee beantwoorden. Dan is zijne religie en zijne
-deugd, hoe schoon ze schijnen, toch in den wortel bedorven. Er is geen
-religio naturalis. Alle religies zijn superstities geworden. Maar daarom
-is de religio christiana ook essentieel één met de religio vera in
-den status integritatis. De Gereformeerden dreven dit zoover, dat ze
-zeiden dat ook Adam de kennis der triniteit en het geloof had gehad,
-dat ook toen de Logos mediator was geweest, niet reconciliationis maar
-unionis, dat ook toen de H. Geest de auteur van alle deugd en kracht
-was enz. De ware gedachte lag erin, dat de wil van God geen willekeur
-is, die beurtelings deze en dan die idee van den mensch zich vormt;
-dat de conceptie van den mensch, de natuur van het beeld Gods, en dus
-ook de religio ééne moet zijn. En daaruit volgde dan eindelijk, dat de
-openbaring niet absoluut maar relatief, niet quoad substantiam maar
-quoad modum noodzakelijk was. De religio is ééne voor en na den val; dat
-ze echter christiana is, dat is noodzakelijk geworden door de zonde. De
-religio christiana is middel, geen doel; Christus is middelaar, maar
-het einde is ὁ θεος τα παντα ἐν πασιν, 1 Cor. 15:28.
-
-Daarmede is nu verder gegeven, dat de openbaring niet absoluut kan
-staan tegenover de natuur. Bij Rome is er quantitatieve tegenstelling;
-de religio naturalis is essentieel verschillend van de religio
-supernaturalis; beide staan naast elkaar; het zijn twee geheel
-verschillende concepties, twee gansch onderscheiden systemen en
-ordeningen; de ordo gratiae heft zich hoog op boven de orde naturae.
-Maar de Reformatie heeft die quantitatieve tegenstelling in eene
-qualitatieve omgezet. De openbaring staat niet tegenover de natuur,
-maar tegenover de zonde. Dat is de macht, die de openbaring zoekt te
-breken, maar de natuur herstelt zij en voltooit zij. De schepping zelve
-is reeds openbaring. Openbaring was er voor den val. Openbaring is er
-ook nu nog in alle werken van Gods handen in natuur en geschiedenis.
-Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit de schepselen verstaan
-en doorzien. Analogieën van profetie en wonder zijn er ook buiten de
-revelatio specialis. De inspiratie der helden en kunstenaars, de
-wondere krachten, die soms aan ’t licht treden, kunnen tot opheldering
-en bevestiging dienen van de openbaringsfeiten, in de Schrift
-vermeld. Zelfs de mantiek en magie in de heidensche godsdiensten
-zijn verschijnselen, die als caricatuur nog gelijkenis toonen met het
-oorspronkelijk beeld in de openbaring. Ja, deze grijpt zelve als het
-ware in de natuur terug, sluit zich daarbij aan en bereidt zich daarin
-voor. De gratia communis wijst naar de gratia specialis heen, en
-deze neemt gene in dienst. Natura commendat gratiam, gratia emendat
-naturam. Even creation itself is built up on redemption lines, Orr, The
-christian view of God and the world, p. 323. Zie verder mijne rede over
-De algemeene Genade, Kampen 1894.
-
-
-D. De bijzondere openbaring en het Naturalisme
-
-9. De principieele bestrijding van de openbaring nam eerst een aanvang
-in de nieuwere philosophie. Spinoza behoudt het woord openbaring nog
-wel en acht ze zelfs noodzakelijk, Tract. theol.-polit. cap. 15, 27,
-maar hij verstaat daaronder niets anders, dan dat de eenvoudigen de
-ware religie, het woord Gods, niet door het licht der rede kunnen
-vinden, maar op gezag moeten aannemen, ib. cap. 15, 44. cap. 4, 22-37.
-Overigens erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijken zin; alle
-decreta Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identisch,
-ib. cap. 4, 37; 3, 8; 6, 9, etc.; profetie en wonder werden aan eene
-scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard, ib. cap.
-1-6. Deze kritiek werd door het deïsme en rationalisme voortgezet.
-Maar het rationalisme kan in verschillende vormen optreden en
-wisselt telkens van beteekenis, cf. Kant, Religion innerhalb usw.
-ed. Rosenkranz S. 185. Wegscheider, Instit. Theol. § 7 d. § 11-12.
-Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, § 34.
-Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 141 f. In de eerste plaats wordt met
-rationalisme die richting aangeduid, welke wel eene bovennatuurlijke
-openbaring aanneemt, maar de beslissing over de echtheid en den
-zin dier openbaring opdraagt aan de rede; daartoe behoorden vele
-Cartesiaansche theologen, zooals Roell, Wolzogen, G. W. Duker, en
-ook Leibniz, Wolff e. a. Vervolgens is rationalisme de naam voor die
-meening, welke nog wel een bovennatuurlijke openbaring mogelijk acht,
-maar alleen van zulke waarheden, welke de rede vroeger of later toch
-ook zou hebben kunnen vinden. De openbaring is dan slechts tijdelijk en
-toevallig van noode; ze dient slechts als voorbereiding en opvoeding
-voor de algemeene heerschappij der Vernunftreligion; ze geeft slechts
-spoediger en gemakkelijker, wat de rede anders bij langer en moeilijker
-weg zou hebben bereikt. Zoodanig is het begrip der openbaring bij
-Lessing, Erziehung des Menschengeschlechts 1780, Fichte, Versuch
-einer Kritik aller Offenbarung 1792, en Kant, Religion usw. 1793. In
-de derde plaats staat als rationalisme die theologie bekend, welke
-alle bovennatuurlijke openbaring ontkent, maar toch wel aanneemt dat
-God door bijzondere schikkingen zijner Voorzienigheid personen heeft
-toegerust en wegen heeft gebaand, die de menschheid brengen kunnen tot
-eene betere en zuiverder kennis der religieuse waarheid. Van dezen is
-Wegscheider de voornaamste representant, Instit. theol. I § 12 p. 58,
-en voorts Röhr, Henke, Gabler, Paulus, Gesenius, enz. En eindelijk wordt
-de naam van rationalisme nog gegeven aan die richting, welke sedert
-het midden der 17e eeuw naturalisme, in Engeland deisme heette en ook
-atheisme, materialisme werd genoemd, en die alle openbaring ontkennend,
-de religio naturalis voor volkomen voldoende hield. Daartoe behooren
-Spinoza, Lud. Meyer, Voltaire, Rousseau, Reimarus, Nicolai, enz.
-
-De argumenten, door dit rationalisme tegen de openbaring ingebracht,
-komen hierop neer: Openbaring is allereerst onmogelijk van de zijde Gods,
-want zij zou meebrengen, dat God veranderlijk was, dat zijne schepping
-onvolmaakt en gebrekkig was en daarom verbetering behoefde; en dat Hij
-zelf, anders een Deus otiosus, dan alleen werkte, wanneer Hij werkt
-op buitengewone wijze. Voorts is openbaring ook onmogelijk van de zijde
-der wereld, wijl de wetenschap hoe langer hoe meer tot de ontdekking
-is gekomen, dat deze altijd en overal door een onverbrekelijk systeem
-van wetten wordt beheerscht, hetwelk voor een bovennatuurlijk ingrijpen
-Gods geen ruimte laat; de wetenschap gaat van dit causaal verband
-der dingen uit en kan ook niet anders; het supranaturalisme maakt de
-wetenschap onmogelijk, stelt willekeur in plaats van regel; naarmate
-de wetenschap dan ook is voortgeschreden, hebben alle verschijnselen
-hun supranatureel karakter verloren; er bestaat zelfs geen recht, om
-tegen alle ervaring in een verschijnsel voor supranatureel te houden; le
-surnaturel serait le surdivin. Vervolgens is openbaring, ook al ware
-zij geschied, toch voor den ontvanger zelven en nog meer voor degenen,
-die na hem leven, onherkenbaar en onbewijsbaar: hoe is het ooit uit te
-maken dat eene profetie of een wonder van God, en niet b.v. van den
-duivel, herkomstig is? Waaraan is eene openbaring kenbaar voor hem, die
-ze ontvangt en voor hen, die later leven? Zulke criteria zijn er niet
-aan te geven. Zij, die eene openbaring aannemen, gelooven dus alleen op
-menschelijk gezag, en hangen in de hoogste en gewichtigste zaken van
-menschen af. Que d’hommes entre Dieu et moi! En eindelijk, openbaring
-strijdt met de menschelijke rede; want wat men ook zeggen moge, alle
-openbaring, die supra rationem is, is daardoor ook contra rationem, zij
-onderdrukt dus de rede en leidt tot dweeperij; maar bovendien, indien de
-openbaring iets meedeelt dat supra rationem is, dan kan ze ook nooit
-worden opgenomen en geassimileerd en blijft ze steeds als een onbegrepen
-mysterie buiten ons bewustzijn staan; en indien ze iets meedeelt, wat
-de rede zelve had kunnen vinden, dan is ze onnoodig, geeft hoogstens
-slechts eerder en lichter wat anders toch verkregen zou zijn, en berooft
-de rede onnoodig van haar kracht en energie. Cf. Wegscheider, Instit.
-theol. § 10-12. Bretschneider, Handbuch der Dogm. 4e Aufl. I 188-329.
-Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 141 f. 165.
-
-10. De openbaring, welke in de H. Schrift is neergelegd, is een lastig
-feit voor elk die haar ontkent. Want ook wie hare mogelijkheid en
-werkelijkheid bestrijdt, moet toch streven naar eene verklaring van haar
-historisch ontstaan. Uit bedrog is zij niet voortgekomen, evenmin als
-de religie. Het geloof aan openbaring is niet iets willekeurigs of
-toevalligs, dat slechts onder bijzondere omstandigheden hier of daar
-voorkomt, maar is wezenlijk eigen aan alle religie. Zoo eenvoudig,
-als het rationalisme het zich soms voorstelde, is de kwestie van de
-openbaring niet. Dit blijkt al dadelijk daaruit, dat alle pogingen, van
-naturalistische zijde aangewend, om de bijbelsche wonderverhalen op
-natuurlijke wijze te verklaren, tot dusver schipbreuk hebben geleden.
-Als de openbaring, in al hare vormen, van theophanie, profetie en
-wonder, niet werkelijk bovennatuurlijk is maar slechts in dien zin van
-God herkomstig is, als alle werkzaamheid des menschen in Hem haar
-laatste oorzaak heeft; dan is men genoodzaakt, om of tot de zoogenaamde
-materieele of tot de formeele interpretatie der wonderverhalen de
-toevlucht te nemen. Dat is, men kan eenerzijds de feiten tot op
-zekere hoogte onaangetast laten en voor waarheid aannemen; men zoekt
-deze feiten dan te verklaren uit de onkunde des volks aangaande de
-natuurlijke oorzaken en uit de religieuse behoefte om alles direct
-aan God toe te schrijven, Spinoza, Tract. theol. pol. cap. 1 en 6.
-Hase, Dogm. § 19. Leben Jesu § 15. Strauss, Glaub. I 280. Scholten,
-Supranat. in verband met Bijbel, Christ. en Prot. 1867, bl. 8 v.; of
-men verklaart ze physisch uit onbekende natuurkrachten, Kant, Religion
-ed. Rosenkranz 101. Morus, Epitome Theol. Christ. p. 23. Schweizer,
-Glaub. der ev. ref. K. I 324 f.; of psychologisch uit eene bijzondere
-virtuositeit, om het toekomstige vooruit te gevoelen, Bretschneider,
-Dogm. I S. 300. Hase, Dogm. § 137, en om kranken zonder middelen te
-genezen, Weisse, Philos. Dogm. I S. 115. Ammon, Gesch. des Lebens Jesu
-248; of teleologisch uit zoodanige schikking en ordening der in de
-natuur liggende, physische en psychische, krachten, dat zij een ongewoon
-resultaat teweegbrengen en tot erkenning van Gods voorzienigheid en
-tot geloof aan den prediker aansporen, Wegscheider, Inst. Theol. § 48.
-Bretschneider, Dogm. I 314. Of men kan andererzijds oplossing zoeken in
-de formeele of genetische verklaring, d. i. in eene bijzondere opvatting
-van de berichten aangaande de openbaring; men roept dan te hulp de
-Oostersche voorstelling en inkleeding, en de accommodatie van Jezus
-en de apostelen naar de volksvoorstellingen, cf. Bretschneider, Syst.
-Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4e Aufl. S. 135 f. Herzog²
-art. Accomodation; of men zoekt raad bij de allegorische, Woolston,
-Discourses on the miracles of our Saviour 1727; of bij de natuurlijke,
-Paulus van Heidelberg, Philol.-krit. u. histor. Commentar über das N.
-T. 1800-1804. Leben Jesu 1828. Exeg. Handbuch über die 3 ersten Evang.
-1830-33; of bij de mythische, Eichhorn, Gabler, G. L. Bauer, Strauss,
-Leben Jesu 1835; of bij de symbolische verklaring, A. D. Loman, Gids
-Febr. 1884. Cf. Wegscheider, Instit. Theol. S. 214. Bretschneider,
-System. Entw. S. 248 f. Denzinger, Vier Bücher von der relig.
-Erkenntniss II 156 f. 335 f. 405 f.
-
-Maar al deze verklaringen hebben weinig succes gehad. De Schrift
-is nu eenmaal niet naturalistisch of rationalistisch te duiden. De
-openbaringsfeiten zelve, welke de Schrift ons meedeelt, staan aan al
-dergelijke pogingen in den weg. Want wel is waar, dat de openbaring
-in de Schrift, in vorm velerlei overeenkomst heeft, met die, waarop
-andere godsdiensten zich beroepen; toch staat zij er in beginsel
-tegenover, zij maakt tusschen deze en zichzelve een beslist onderscheid;
-zij schrijft welbewust en volkomen verzekerd haar oorsprong alleen
-toe aan eene buitengewone werking Gods. De Schrift verbiedt alle
-waarzeggerij en tooverij, Num. 19:16, 31, 20:6, 27; Deut. 18:10 v.;
-Jes. 8:9; Jer. 27:9; Hd. 8:9 v., 13:8 v., 19:13; Apoc. 21:8, 22:15.
-Profeten en apostelen willen daarmede niets te maken hebben. Zij staan
-er lijnrecht tegenover en volgen geen kunstig verdichte fabelen, 2 Petr.
-1:16. De profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens
-menschen, maar de H. Geest heeft de profeten gedreven, 2 Petr. 1:21; 1
-Cor. 2:11, 12. Het wonder is een σημειον van de tegenwoordigheid Gods.
-De klare zelfbewustheid, die wij allerwege bij de profeten aantreffen,
-en de volkomen heldere zelfgetuigenis, die de openbaring overal in
-de Schrift vergezelt, bieden een onoverkomelijk struikelblok voor de
-naturalistische verklaring. Ook de psychologische methode Strauss,
-Glaub. I 77. Kuenen, De profeten I 106 v., kan aan deze zelfbewustheid
-en zelfgetuigenis van profeten en apostelen, ja van Christus zelven,
-geen recht laten wedervaren. Dankbaar mag erkend worden, dat de moderne
-opvatting van de openbaring er geen oogenblik meer aan denkt, om de
-profeten en apostelen voor opzettelijke bedriegers te houden. Maar
-zij kan toch niet ontkomen aan de conclusie, dat al deze mannen arme
-bedrogenen en ter goeder trouw dwalenden waren, wijl zij zich beriepen
-op eene vermeende openbaring en optraden met eene ingebeelde goddelijke
-autoriteit. De kwestie staat immers niet zoo, alsof de openbaring
-alleen zekere feiten bevat, wier interpretatie zij aan ons inzicht
-overlaat. Maar zij werpt zelve op die feiten een eigenaardig licht; zij
-heeft, om zoo te zeggen, over die feiten eene eigene beschouwing en
-eene eigene theorie. In de openbaring der Schrift gaan woord en feit,
-profetie en wonder altijd hand aan hand. Beide zijn noodig, opdat zoowel
-het bewustzijn als het zijn worde herschapen en heel de kosmos van de
-zonde worde verlost. The light needs the reality and the reality needs
-the light, to produce -- -- -- the beautiful creation of His grace. To
-apply the kantian phraseology to a higher subject, without God’s acts
-the words would be empty, without His words the acts would be blind,
-Dr. Vos, The idea of biblical theology as a science and as a theol.
-discipline, New-York, Randolph and Co. 1894 p. 15. Zie ook Kuyper, Uit
-het Woord I 1873 bl. 69-160. Beide, woord en feit, zijn in de openbaring
-zoo innig saamgeweven, dat het eene niet aangenomen of verworpen
-kan worden zonder het ander. Elke poging, om de openbaringsfeiten
-naturalistisch te verklaren, is tot dusver dan ook altijd geëindigd met
-de erkenning, dat er tusschen de supranatureele wereldbeschouwing der
-Schrift en die der naturalisten eene diepe klove gaapt en verzoening
-onmogelijk is. De Hoogleeraar Scholten leverde hiervan een treffend
-voorbeeld. Eerst nam hij de uitspraken van den johanneïschen Jezus
-nog als waarheid aan. Toen trachtte hij die uitspraken te verklaren
-naar zijne gewijzigde inzichten, en de exegese dienstbaar te maken
-aan zijne heterodoxe dogmatiek. En eindelijk in 1864 erkende hij open,
-dat de wereldbeschouwing van den vierden evangelist eene andere
-dan de zijne was. Het Evangelie naar Johannes 1864 bl. III-VI. Elke
-negatieve richting erkent ten slotte, dat de openbaring der Schrift
-in de orthodoxie nog het zuiverst opgevat en weergegeven wordt. Het
-radikalisme laat de Schrift voor wat ze is en heeft met de openbaring
-afgedaan. Daarmede is de vraag tot haar diepste beginsel herleid. De
-al of niet erkenning van de openbaring wordt beslist door onze geheele
-levens- en wereldbeschouwing. Niet de historische kritiek maar de
-zelfkritiek, niet de wetenschap maar het geloof, niet het hoofd maar
-het hart geeft hierbij den doorslag. Uit het hart komt ook voort het
-onverstand, Mk. 2:22. Ons denken wortelt in ons zijn. Operari sequitur
-esse (Schopenhauer). Was für eine Philosophie man wähle, hängt davon
-ab, was für ein Mensch man ist. Unser Denksystem ist oft nur die
-Geschichte unseres Herzens (Fichte). Dat de al of niet erkenning van
-de openbaring ter laatster instantie eene vraag is des geloofs, wordt
-voldoende daardoor bewezen, dat geen van beide, noch de supranatureele
-noch de naturalistische opvatting in staat is, om alle moeilijkheden uit
-den weg te ruimen of alle bezwaren op te lossen. De naturalistische
-beschouwing schijnt sterk te zijn, als ze enkele wonderverhalen op
-zich zelf neemt en isoleert van het geheel; maar dat geheel zelf,
-het systeem der openbaring en daarin weder de persoon van Christus
-blijven voor haar een onoplosbaar raadsel en een steen des aanstoots.
-Omgekeerd is het der supranatureele beschouwing nog niet gelukt, om
-alle bijzondere feiten en woorden der openbaring in te voegen in de
-orde van het geheel. Maar hier is toch de overeenstemming met de
-openbaring in haar geheel, het inzicht in haar systeem, de conceptie
-van hare machtige harmonie. Ware nu de erkenning van de openbaring eene
-wijsgeerige stelling, zij zou betrekkelijk van weinig gewicht zijn. Maar er
-is een diep religieus belang mede gemoeid. De religie zelve hangt met
-de openbaring saam. Wie deze prijsgeeft, verliest ook de religie, die op
-haar is gebouwd. De openbaring der Schrift en de religie der Schrift
-staan en vallen met elkaar.
-
-11. De wereldbeschouwing, welke tegenover die der Schrift staat
-en principieel alle openbaring bestrijden moet, kan het best met
-den naam van monisme worden aangeduid. Het monisme, zoowel in zijn
-pantheistischen als in zijn materialistischen vorm, streeft er naar, om
-alle krachten, stoffen en wetten, die er in de natuur zijn op te merken,
-tot ééne enkele kracht, stof en wet te herleiden. Het materialisme
-neemt alleen qualitatief gelijke atomen aan, die overal en altijd naar
-dezelfde mechanische wetten werken en door verbinding en scheiding
-alle dingen en verschijnselen doen worden en vergaan. Het pantheisme
-erkent evenzoo niets dan ééne enkele substantie, die in alle schepselen
-dezelfde is en overal naar dezelfde logische wetten zich wijzigt en
-vervormt. Beide worden bezield door eenzelfden drang, door den drang
-en de zucht naar eenheid, die eigen is aan den menschelijken geest.
-Maar terwijl het materialisme de eenheid van stof en wet, welke in
-de physische wereld heerscht, zoekt terug te vinden in alle andere,
-historische, psychische, religieuse, ethische, enz. verschijnselen
-en alzoo alle wetenschappen tracht te maken tot natuurwetenschap;
-beproeft het pantheisme, om alle verschijnselen, ook de physische,
-uit den geest te verklaren en alle wetenschappen om te zetten in
-geesteswetenschap. Beide zijn naturalisme, inzoover zij misschien nog
-voor het bovenzinlijke maar in elk geval niet voor het bovennatuurlijke
-eene plaats inruimen, en voor wetenschap en kunst, voor religie en
-moraal aan dezen kosmos, aan het diesseits genoeg hebben, Strauss, Der
-alte u. der neue Glaube, 2e Aufl. I 211 f. E. Haeckel, Der Monismus als
-Band zwischen Religion und Wissenschaft, 6e Aufl. Bonn 1893. Konrad
-Dieterich, Philosophie u. Naturwissenschaft, ihr neuestes Bündniss
-und die monistische Weltanschauung, 2tes Ausg. Freiburg 1885. Dr.
-M. L. Stern, Philosophischer und naturwissenschaftlicher Monismus.
-T. Pesch, Die grossen Welträthsel, 2e Aufl. Herder, Freiburg II 8 f.
-Stöckl, Lehrbuch der Philos. II 1887 S. 117 f. Schanz, Apologie des
-Christ. I 1887 S. 249 f. De wereldbeschouwing der Schrift en van heel
-de christelijke theologie is eene gansch andere. Zij is niet monisme
-maar theisme, niet naturalistisch maar supranatureel. Volgens deze
-theistische wereldbeschouwing is er eene veelheid van substanties,
-van krachten en stoffen en wetten. Zij tracht er niet naar, om de
-onderscheidingen van God en wereld, geest en stof, psychische en
-physische, ethische en religieuse enz. verschijnselen uittewisschen,
-maar om de harmonie te ontdekken, die alle dingen saam houdt en
-verbindt, en die uitvloeisel is van de scheppende gedachte Gods. Niet
-eenerleiheid of eenvormigheid, maar eenheid in de verscheidenheid is
-het doel van haar streven. In weerwil van alle pretensies van het
-monisme heeft deze theistische wereldbeschouwing recht en reden van
-bestaan. Immers, het is aan het monisme niet gelukt, om alle krachten
-en stoffen en wetten tot ééne enkele te herleiden. Het materialisme
-stuit op de psychische verschijnselen (Du Bois Reymond, Die sieben
-Welträthsel), en het pantheisme kan den overgang niet vinden van het
-denken tot het zijn en weet met de veelheid geen raad. Het zijn zelf is
-een mysterie, een wonder. Dat er iets is, en vanwaar het is, dwingt den
-denkenden geest verwondering af, en deze is daarom terecht de aanvang
-der philosophie genoemd. En hoe meer dat zijn wordt ingedacht, des te
-meer neemt de verwondering toe, want binnen den kring van het zijn, van
-den kosmos zien wij verschillende krachten optreden, in de mechanische,
-vegetatieve, animale, psychische wereld, en voorts in de religieuse
-en ethische, aesthetische en logische verschijnselen. De schepping
-toont ons eene opklimmende orde. De wetten van de onderhouding der
-kracht, van de causaliteit en van de continuiteit (natura non facit
-saltus) worden wel ten dienste van het monisme geïnterpreteerd en
-misbruikt. Maar desniettemin treden er telkens in de natuur krachten
-op, die uit de lagere niet zijn te verklaren. Reeds in de mechanische
-natuur heerscht de causaliteit slechts in hypothetischen zin.
-Gelijke oorzaken hebben gelijke werkingen, maar alleen onder gelijke
-omstandigheden. In het organische treedt eene kracht op, die niet uit
-het anorganische herkomstig is. Schon das Thier ist ein Wunder gegen
-die vegetabilische Natur und noch mehr der Geist gegen das Leben, gegen
-die bloss empfindende Natur, Hegel, Philos. der Rel., Werke XII 256.
-In het verstand, in den wil, in religie, moraal, kunst, wetenschap,
-recht, geschiedenis zijn er krachten werkzaam, die van de mechanische
-wezenlijk verschillen. De poging, om al deze verschijnselen mechanisch
-te verklaren, is tot dusver ijdel gebleken. De geestelijke wetenschappen
-hebben tot nog toe hare zelfstandige plaats behouden. Dilthey,
-Einleitung in die Geisteswissenschaften I 1883 S. 5 f. Drummond, Das
-Naturgesetz in der Geisteswelt, Aus dem Engl. Leipzig 1886 S. 18 f.
-Schoon ongaarne, moet Prof. Land, Inleiding tot de Wijsb. 328 toch
-erkennen, dat de wetenschap vooralsnog genoodzaakt is, dualistisch en
-zelfs pluralistisch te blijven.
-
-Elk van die krachten werkt naar haar eigen aard, naar haar eigen wet
-en op haar eigen wijze. De krachten verschillen en daarom ook hare
-werkingen en de wijze, waarop zij werken. De idee van natuurwet is eerst
-langzamerhand opgekomen. Vroeger verstond men onder lex naturae een
-ethischen regel, die van nature bekend was. Later is deze term in
-zeer oneigenlijken zin op de natuur overgedragen, want niemand heeft
-die wetten aan de natuur voorgeschreven en niemand is bij machte om
-ze te gehoorzamen of te overtreden. Vandaar, dat er over begrip en
-beteekenis der natuurwetten nog altijd groot verschil heerscht. Im 17ten
-Jahrhundert giebt Gott die Naturgesetze, in 18ten thut es die Natur
-selbst, und im 19ten besorgen es die einzelnen Naturforscher (Wundt).
-Maar zooveel staat vast, dat de zoogenaamde natuurwetten zelve geene
-kracht zijn, die heerschappij voert over de verschijnselen, maar niets
-dan eene, dikwerf zeer gebrekkige en altijd feilbare beschrijving van de
-wijze, waarop de in de natuur liggende krachten werken. Eene natuurwet
-zegt alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op
-dezelfde wijze werken, Ed. Zeller, Vorträge, IIIe Sammlung S. 194 f.
-Wundt, Philos. Studien III 195 f. IV 12 f. Hellwald, Culturgeschichte,
-3e Aufl. I 32. Hartmann, Philos. des Unbewussten, 9e Aufl. II
-96. Lotze, Mikrokosmos, 4e Aufl. I 31 f. II 50 f. III 13 f. Art.
-Naturgesetz in Herzog². De regelmatigheid der verschijnselen berust
-dus ten slotte op de onveranderlijkheid van de verschillende krachten,
-die in de natuur werken en van de laatste elementen of substanties,
-waaruit zij samengesteld is. De wetten verschillen, naarmate die
-elementen en krachten onderscheiden zijn. De mechanische wetten zijn
-andere dan de physische; de logische wederom andere dan de ethische en
-aesthetische. In physischen zin maakt geven armer, in ethischen zin
-maakt het rijker. De wetten der natuur, d. i. van den ganschen kosmos,
-van alle creatuur zijn daarom ook geen cordon om de dingen, zoodat er
-niets indringen of uitkomen kan, maar slechts eene formule voor de
-wijze, waarop naar onze waarneming iedere kracht werkt naar haar aard.
-Al deze elementen en krachten met de hun inwonende wetten worden
-naar de theistische wereldbeschouwing van oogenblik tot oogenblik
-in stand gehouden door God, die de laatste en hoogste, intelligente
-en vrije causaliteit van alle dingen is. Zij hebben als creatuur geen
-bestand in zichzelve. Het is Gods alomtegenwoordige en eeuwige kracht,
-die alles onderhoudt en regeert. In Hem, in zijne gedachte en in zijn
-bestuur, ligt de eenheid, de harmonie, die alle dingen in de rijkste
-verscheidenheid saamhoudt en verbindt en ze henenleidt tot één doel.
-Daardoor is er unitas, mensura, ordo, numerus, modus, gradus, species
-in de schepselen, gelijk Augustinus telkens zegt. Aliis dedit esse
-amplius, aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus ordinavit,
-August. de civ. 12, 2. God is in alles present. In Hem leven en bewegen
-zich en zijn alle dingen. Natuur en geschiedenis zijn zijn werk. Hij werkt
-altijd, Joh. 5:17. Alles openbaart ons God. Zijn vinger moge in de eene
-gebeurtenis voor ons duidelijker zijn op te merken dan in de andere; de
-reine van hart ziet God in al zijne werken. Wonderen zijn dus volstrekt
-niet noodig, om ons God te doen kennen als onderhouder en regeerder van
-het heelal. Alles is zijn daad. Niets geschiedt er zonder zijn wil. Hij is
-met zijn wezen in alle dingen tegenwoordig. En daarom is alles ook eene
-openbaring, een woord, een werk Gods.
-
-12. Met zulk eene wereldbeschouwing is eene bovennatuurlijke openbaring
-volstrekt niet in strijd. De natuur bestaat hier toch geen enkel
-oogenblik onafhankelijk van God, maar leeft en beweegt zich in hem. Alle
-kracht, die erin optreedt, is van Hem afkomstig en werkt naar de wet,
-die Hij erin gelegd heeft. God staat niet buiten de natuur en is niet
-door eene omheining van wetten van haar afgesloten, maar is in haar
-tegenwoordig en draagt haar door het woord zijner kracht. Hij werkt van
-binnen uit, en kan nieuwe krachten doen optreden, die van de bestaande
-in aard en werking onderscheiden zijn. En deze hoogere krachten doen
-de lagere niet te niet, maar nemen toch naast en tegenover haar eene
-eigene plaats in. De menschelijke geest tracht ieder oogenblik de
-lagere natuurkrachten in haar werking tegen te gaan en over haar te
-heerschen. Heel de cultuur is eene macht, waardoor de mensch heerscht
-over de natuur. Kunst en wetenschap zijn een triumf van den geest over
-de stof. Evenzoo treedt er in de openbaring, in profetie en wonder,
-eene nieuwe goddelijke kracht op, die wel in den kosmos eene eigene
-plaats inneemt maar met de lagere krachten in hare wetten volstrekt
-niet strijdt. Van eene zoogenaamde opheffing der natuurwetten door de
-wonderen is geen sprake. Eene Durchlöcherung der natuur is er niet.
-Thomas zei reeds: quando Deus agit aliquid contra cursum naturae, non
-tollitur totus ordo universi, sed cursus qui est unius rei ad aliam,
-de pot. qu. 6 art. 1, bij Müller, Natur und Wunder 133. Ja zelfs de
-ordo causae ad suum effectum wordt niet te niet gedaan; ofschoon het
-vuur in den oven de drie jongelingen niet verbrandt, in dat vuur bleef
-toch de ordo ad comburendum. Er wordt door het wonder geen verandering
-aangebracht in de krachten, die in de natuur liggen, noch in de wetten,
-waarnaar zij werken. Het eenige, wat er in het wonder geschiedt, is,
-dat de werking der in de natuur aanwezige krachten op een bepaald
-punt wordt geschorst, doordat er eene andere kracht intreedt, die
-werkt naar eene eigene wet en eene eigene werking voortbrengt. De
-wetenschap heeft daarom van het supranatureele niets te vreezen.
-Maar iedere wetenschap blijve op haar terrein en matige zich niet het
-recht aan, om aan de andere de wet te stellen. Het is het recht en
-de plicht der natuurwetenschap, om binnen haar gebied te zoeken naar
-de natuurlijke oorzaken der verschijnselen. Maar zij heersche niet over
-de philosophie, als deze onderzoek doet naar den oorsprong en de
-bestemming der dingen. Zij erkenne ook het recht en de zelfstandigheid
-van religie en theologie, en ondermijne den grondslag niet, waarop deze
-rusten. Want hier komen religieuse motieven voor het geloof aan eene
-openbaring aan het woord, waarover de natuurwetenschap als zoodanig
-niet oordeelen kan. Ook bij de verschillende wetenschappen ligt het doel
-niet in de eenerleiheid maar in de harmonie. De theologie eere de
-natuurwetenschap, maar make zelve op gelijke behandeling aanspraak. Elke
-wetenschap blijve op haar eigen terrein. De uitwissching der grenzen
-heeft reeds al te veel verwarring gesticht. Daaruit is ook de bewering
-van Hume, Voltaire, Renan voortgekomen, dat er nog nooit een wonder
-voldoende is geconstateerd, en dat de constante ervaring niet door
-enkele getuigenissen omvergestooten kan worden. Renan, Vie de Jésus, p.
-LI zegt: nous ne disons pas, le miracle est impossible, nous disons, il
-n’ y a pas eu jusqu’ici de miracle constaté, en weigert aan een wonder
-te gelooven, zoolang niet eene commissie van allerlei wetenschappelijke
-mannen, physiologen, chemici enz. een zoodanig feit hebbe onderzocht en
-na herhaalde proefneming als een wonder hebbe geconstateerd. Bij zulk
-eene voorwaarde is het wonder apriori geoordeeld: want bij de wonderen
-der Schrift wordt de gelegenheid tot zulk een experiment noch aan Renan
-noch aan iemand onzer geschonken. De wonderen behooren nu eenmaal tot
-de historie; en in de historie geldt eene andere methode dan in de
-natuurkunde. Hier is het experiment op zijne plaats. Maar in de historie
-moeten wij het met getuigenissen doen. Indien echter op historisch
-gebied de methode van het experiment moet ingevoerd en toegepast
-worden, is er geen enkel feit, dat de proef kan doorstaan. Dan is het
-met alle historie gedaan. Daarom blijve iedere wetenschap op haar eigen
-terrein en onderzoeke daar naar haar eigen aard. Met het oor kan men
-niet zien, met de el niet wegen, en met het experiment kan men de
-openbaring niet beproeven, Vigouroux, Les livres saints et la critique
-rationaliste, 3e ed. 1890 I 73. II 294.
-
-Voorts wordt de natuur, de kosmos, nog veel te veel opgevat als
-eene machine, die kant en klaar is en nu door ééne kracht wordt
-gedreven en altijd naar ééne wet zich beweegt. Het deïsme had deze
-onbeholpen voorstelling, maar nog altijd wordt ze onbewust door velen
-gedeeld en doet ze bij de bestrijding der openbaring dienst. Maar de
-natuur, de kosmos, is geen stuk werk, dat klaar is en nu zekere
-zelfstandigheid bezit; maar zij is φυσις, natura in eigenlijken zin,
-zij wordt altijd, zij bevindt zich in eene voortdurende teleologische
-ontwikkeling, zij wordt in opeenvolgende perioden eene goddelijke
-bestemming te gemoet gevoerd. In zulk eene conceptie van de natuur
-zijn wederom de wonderen volkomen op haar plaats. Hellwald zegt op de
-laatste bladzijde zijner Kulturgeschichte, dat alle leven op aarde
-eens ondergaan zal in de eeuwige rust van den dood en eindigt dan
-met de troostlooze woorden: Dann wird die Erde, ihrer Atmosphäre und
-Lebewelt beraubt, in mondgleicher Verödung um die Sonne kreisen, wie
-zuvor, das _Menschengeschlecht_ aber, seine Kultur, sein Ringen und
-Streben, seine Schöpfungen und Ideale sind _gewesen_. Wozu? Natuurlijk
-zou in een stelsel, dat met zulk eene onbeantwoorde vraag eindigt,
-openbaring en wonder niets zijn dan eene absurditeit. Maar de Schrift
-leert ons, dat de openbaring daartoe dient, om de schepping, die
-verdorven wierd door de zonde, te herscheppen tot een koninkrijk Gods.
-Hier neemt de openbaring eene volkomen geëvenredigde en teleologische
-plaats in in het wereldplan, dat God zich gevormd heeft en dat Hij in
-den loop der tijden realiseert. In dien zin zeide reeds Augustinus,
-portentum fit non contra naturam sed contra quam est nota natura,
-de civ. 21,8. c. Faustum 29,2. 26,3. De uitdrukking is menigmaal in
-verkeerden zin geïnterpreteerd ten behoeve van eene theologie, die
-de wonderen trachtte te begrijpen als werking van eene kracht, die
-van nature in den mensch of in de natuur aanwezig is of ook door de
-wedergeboorte of het geloof in hem hersteld wordt. Deze eigenaardige
-opvatting komt reeds bij Philo en het Neoplatonisme voor, heeft dan
-telkens bij verschillende christelijke theologen weerklank gevonden, bij
-Scotus Erigena, Paracelsus, Cornelius Agrippa, Böhme, Oetinger, cf.
-Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II. 182 f. 361 f. en wordt
-nu en dan ook in de Vermittelungstheologie aangetroffen, Twesten,
-Vorles. I. 370 f. II. 171 f. Martensen, Dogm. § 16 f. Schleiermacher,
-Glaub. § 13,1 § 129. Sack, Apologetik S. 137 f. Lange, Philos. Dogm.
-§ 64. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 36 v. Gunning, Blikken
-in de openbaring II 37 v. Openbaring, inspiratie en wonder behoort
-dan tot den oorspronkelijken aanleg van de menschelijke natuur. Wel is
-die aanleg door de zonde verzwakt, maar hij komt toch nog voor den dag
-in de poëtische en heroische inspiratie, in het magnetisme en andere
-verwante verschijnselen. Langs ethischen weg, door vereeniging met
-God, door ascetische reiniging, door wedergeboorte enz. kan echter
-deze aanleg vernieuwd en versterkt worden. Alle geloovigen zijn dus
-eigenlijk geïnspireerd en kunnen wonderen doen. Si humana natura
-non peccaret eique, qui eam condiderat, immutabiliter adhaereret,
-profecto omnipotens esset, Erigena, de div. nat. 4,9. Wonderen zijn
-volgens Zimmer, Ueber den allgem. Verfall des menschl. Geschlechts
-III n. 90 f., Zeichen des über die Herrschaft der Natur erhobenen
-Menschen, in welchem die Herrlichkeit des ersten Menschenpaares vor
-seiner Sünde dargestellt wird. Als de ziel in liefde op God is gericht,
-zegt Böhme, so mag sie Wunder machen, was sie will. In verwanten
-zin liet C. Bonnet, Recherches philosophiques sur les preuves du
-christianisme, Geneve 1771, profetie en wonder van te voren in de
-natuur gepraeformeerd zijn en door werking der gewone natuurkrachten
-tot stand komen. Sommige theologen in de vorige eeuw spraken daarom
-van rationes seminales, primordiales en radicales der wonderen. Maar
-deze poging tot verklaring der wonderen kan niet worden geaccepteerd.
-Zij verwart het natuurlijke met het bovennatuurlijke, het supranatureele
-met het religieus-ethische en wischt de grenzen uit tusschen profetie
-en mantiek, wonder en magie, inspiratie en illuminatie. Zoo mag ook de
-bovengenoemde uitdrukking van Augustinus niet worden verklaard. Onder
-de natura nota verstaat hij de natuur in onzen zin. En met het oog
-hierop zegt hij zelfs, dat het wonder is contra naturam, evenals Thomas
-en Voetius dat later deden (boven bl. 275). Maar datzelfde wonder is
-nu van den beginne af door God opgenomen in de natuur in ruimer zin,
-d. i. in de door God bepaalde bestemming der dingen, in het goddelijk
-wereldplan, F. Nitzsch, Augustinus’ Lehre vom Wunder, Berlin 1865.
-Dezelfde gedachte werd later ook door Leibniz uitgesproken, Theodicée
-§ 54. 207. God heeft van den beginne aan de wonderen in zijn wereldplan
-opgenomen en brengt ze te zijner tijd tot stand; de wonderen zijn niet
-te verklaren par les natures des choses créées, maar des raisons d’un
-ordre supérieur à celui de la nature le portent à les faire. Volgens
-Leibniz liggen de wonderen dus niet keimartig, potentieel in de
-natuurkrachten opgesloten, gelijk Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 146
-Leibniz verklaart, maar zijn constitueerende elementen in het wereldplan
-Gods. In zoover behooren de wonderen zeer zeker tot de natuur. Zij
-komen niet van buiten af in den bestaanden kosmos in, om dezen te
-verstoren, maar zij zijn in de wereldidee zelve opgenomen en dienen tot
-herstel en volmaking van de gevallen natuur. Ja, ook zonder de zonde
-zou er voor profetie en wonder in de wereld plaats zijn geweest. Het
-bovennatuurlijke is niet eerst door den val noodzakelijk geworden. Niet
-de openbaring en het wonder op zichzelf, alleen het soteriologisch
-karakter, dat beide thans dragen, is door de zonde veroorzaakt. In
-zoover is zelfs het wonder geen vreemd element, dat aan de gevallen
-schepping toegevoegd wordt. Openbaring en religie, profetie en wonder
-zijn op zichzelf geen dona superaddita. Zij zijn volkomen natuurlijk, in
-zoover als zij behooren tot de wereldidee Gods en tot het wereldplan,
-dat Hij in weerwil van allen tegenstand in den tijd tot uitvoering brengt.
-
-Desniettemin vormt de openbaring eene orde van zaken, die van de gewone
-ordo naturae onderscheiden is; een systeem van woorden en daden Gods,
-dat zelf door één beginsel wordt beheerscht en als een organisch geheel
-ons voor oogen treedt. De openbaring is geen einzelner Akt Gottes in
-der Zeit, geïsoleerd van heel de natuur, Strauss, Glaub. I 274, maar
-is eene wereld op zich zelve, van de natuur onderscheiden en toch op
-haar aangelegd, met haar verwant, voor haar bestemd. In dit systeem der
-openbaring, dat bij het paradijs begint en eerst in de parusie eindigt,
-is nog veel duister en onverklaard. Er kunnen hoofdlijnen getrokken
-worden. Beide in de historie der profetieën en der wonderen is er orde
-en gang te ontdekken. Ook de openbaring heeft hare eigene wetten en
-regelen. Het is de schoone taak der historia revelationis, om deze
-op te sporen, en het systeem te ontdekken, dat in haar geschiedenis
-verborgen ligt. Maar er zijn nog vele feiten, die in hunne eigenlijke
-beteekenis voor en samenhang met het geheel nog niet worden doorzien;
-nog vele woorden en daden, die onder geen regel te brengen zijn. Dit
-verwondere niet en mag allerminst als een grond voor het ongeloof
-worden geëxploiteerd. De philosophie der natuur en der geschiedenis is
-ook nog lang niet met haar arbeid gereed. Ook zij staat ieder oogenblik
-voor cruces, die zij niet te verklaren weet. Toch twijfelt daarom niemand
-aan de eenheid der natuur en aan het plan der geschiedenis. Met deze
-vergeleken, verkeert de openbaring zelfs in een gunstig geval. Haar
-hoofdlijnen staan vast. Zooals zij in het paradijs begint en in de parusie
-eindigt, vormt zij eene grootsche historie, die licht verspreidt over
-heel de natuur en geschiedenis en daarin naar Augustinus’ woord het
-buitengewone door het gewone voor mateloosheid behoedt en het gewone
-door het buitengewone adelt, bij Müller, Natur und Wunder 180. Zonder
-haar wandelen wij in het duister, gaan wij de eeuwige rust van den dood
-te gemoet en hebben wij geen antwoord op de vraag, waartoe alles geweest
-is. Maar met haar bevinden wij ons in eene wereld, die trots alle
-zondige macht der herstelling en der volmaking te gemoet wordt gevoerd.
-Israel de voorbereiding, Christus het centrum, de kerk de uitwerking,
-de parusie de kroon -- dat is het snoer, dat de openbaringsfeiten met
-elkander verbindt.
-
-Daarom is het geloof aan de bijzondere openbaring ten slotte eigenlijk
-één met het geloof aan eene andere en betere wereld dan deze. Indien
-deze wereld met de van nature haar inwonende krachten en wetten de
-eenige en de beste is, dan moeten wij het vanzelf ook met deze doen.
-Dan zijn de leges naturae gelijk aan de decreta Dei, dan is deze wereld
-de Zoon, de Logos, het eigenlijke beeld Gods, dan is in de ordo
-naturae, waarin wij leven, reeds de volle, adaequate openbaring van
-Gods wijsheid en macht, van zijne goedheid en heiligheid. Wat recht is
-er dan om te verwachten, dat het Dort toch eenmaal Hier worden zal,
-dat het ideaal in realiteit zal overgaan, dat het goede triumfeeren
-zal over het kwaad, en de Welt der Werthe eens heerschen zal over
-de Welt der Wirklichkeit? Evolutie brengt er ons niet. Nihil fit ex
-nihilo. Uit deze wereld wordt geen paradijs. Wat er niet in ligt, kan
-er niet uit voortkomen. Als er geen Jenseits is, geen God, die boven
-de natuur staat, geen ordo supernaturalis, dan is aan de zonde, aan de
-duisternis, aan den dood het laatste woord. De openbaring der Schrift
-doet ons eene andere wereld kennen van heiligheid en heerlijkheid, welke
-in deze gevallen wereld indaalt, niet als leer alleen maar ook als
-goddelijke δυναμις, als geschiedenis, als realiteit, als een harmonisch
-systeem van woorden en daden te zamen en die deze wereld opheft uit
-haar val en uit den status peccati door den status gratiae heen in
-den status gloriae henenleidt. De openbaring is het komen Gods tot de
-menschheid om eeuwiglijk bij haar te wonen. Litteratuur over de wonderen
-behalve de reeds genoemde: Köstlin, Jahrb. f. deutsche Wiss. 1864,
-2tes Heft, S. 205-270 en art. Wunder in Herzog². Nitzsch, Syst. der
-chr. Lehre § 34. Twesten, Vorles I. 366 f. Martensen, Dogm. § 16 f.
-Lange, Dogm. I 471 f. Rothe, Zur Dogm. 80 f. Gloatz, Ueber das Wunder,
-Stud. u. Kr. 1886, 3tes Heft. Dorner, Glaub. I 569 f. 583 f. Philippi,
-Kirchl. Glaub. I 25 f. Saussaye, mijne Theol. 36 v. Oosterzee, Dogm. I
-205 v. Kuyper, Uit het Woord II 69 v. III 114 v. Encycl. II 369 v. 446
-v. Müller, Natur und Wunder, Strassburg, Herder 1892 en de daar S. XV
-f. aangeh. litt., Gondal, Le miracle, Paris, Roger et Chernoviz 1894.
-
-
-§ 11. DE HEILIGE SCHRIFT.
-
-
-A. Openbaring en Schrift.
-
-1. De historie der godsdiensten wijst niet alleen een innig verband aan
-tusschen religie en openbaring, maar verder ook tusschen openbaring
-en schrift. Magische formulen, liturgische teksten, ritueele
-tractaten, ceremonieele wetten, priesterlijke documenten, historische
-en mythologische litteratuur, enz. komen op religieus terrein bij alle
-cultuurvolken voor. Maar in nog enger zin is er van heilige schriften
-in de godsdiensten sprake. Vele volken hebben ook een boek of een
-verzameling van boeken, die goddelijk gezag bezitten en als regel gelden
-van leer en leven. Daartoe behooren de Shu-king der Chineezen, de Veda
-der Indiërs, de Tripitaka der Buddhisten, de Avesta der Perzen, de
-Koran der Mohammedanen, het Oude Testament der Joden en de Bijbel der
-Christenen. Samen zijn deze zeven door Max Müller, Vorlesungen über den
-Ursprung der Religion 1880 S. 149 met den naam van de boekgodsdiensten
-aangeduid. Reeds dit verschijnsel wijst aan, dat openbaring en schrift
-niet in een toevallig, willekeurig verband kunnen staan. Zelfs biedt
-de geschiedenis van de leer van den Koran merkwaardige parallelen met
-die van het dogma der Schrift in de christelijke kerk, M. Th. Houtsma,
-De strijd over het dogma in den Islâm tot op El-Ash’ari, Leiden 1875
-bl. 96 v. Zie verder over de heilige boeken Ch. de la Saussaye, Lehrb.
-der Rel. Gesch. I 137 f. Lamers, Wetenschap v. d. godsd. II 249 v. Max
-Müller, Theosophy or psychological religion 1893. Lecture 2: The value
-of the sacred books.
-
-Nu zijn allereerst gedachte en woord, denken en spreken ten innigste
-aan elkander verwant. Zij zijn wel niet, gelijk Max Müller, Vorlesungen
-über die Wissenschaft der Sprache I 3e Aufl. 1875 S. 459, Das Denken im
-Lichte der Sprache, Leipzig 1888 S. 70-115 meent, identisch; want er
-is ook een denken, een bewustzijn, een besef, hoe onhelder ook, zonder
-woord. Homo enim nihil potest dicere, quod non etiam sentire possit;
-potest etiam aliquid sentire, quod dicere non possit, Augustinus,
-Serm. 117, c. 5. Maar het woord is toch eerst de voldragen, de tot
-zelfstandigheid en tot vollen wasdom gekomen en daarom ook de heldere,
-klare gedachte; een onontbeerlijk hulpmiddel voor het bewuste denken. De
-taal is de ziel der natie, de bewaardster van de goederen en schatten
-der menschheid, de band van menschen en volken en geslachten, de ééne
-groote traditie, die de menschenwereld, één in physis, ook één maakt in
-bewustzijn. Maar gelijk de gedachte zich belichaamt in het woord, zoo het
-woord wederom in het schrift. Ook de taal is niets dan een organisme
-van teekens, maar van hoorbare teekens. En het hoorbaar teeken zoekt
-uitteraard stabiliteit in het zichtbaar teeken, in het schrift. Het
-schrift is eigenlijk teekenkunst, en komt in dezen ruimen zin bij alle
-volken voor, maar heeft zich allengs van teeken- en beeldschrift, door
-woord- of begrippenschrift heen tot letterschrift ontwikkeld. Hoe ook
-verfijnd en in nauwkeurigheid toegenomen, het is onvolkomen. Ons denken,
-zegt Augustinus, de trin. 7, 4, de doctr. christ. 1, 6 blijft achter de
-zaak, ons denken achter ons spreken terug; en zoo ook is er een groote
-afstand tusschen woord en schrift. De klanken worden altijd slechts bij
-benadering in zichtbare teekens weergegeven. Het denken is rijker dan
-het spreken, en het spreken rijker dan het schrijven. Maar toch is het
-schrift van groote waarde en beteekenis. Schrift is het verduurzaamde,
-gegeneraliseerde en geaeterniseerde woord. Het maakt de gedachte tot
-eigendom van hen, die verre van ons en die na ons zijn, tot het gemeen
-goed der menschheid. Het schildert het woord af en spreekt tot de
-oogen. Het geeft lichaam en kleur aan de gedachte. Het schrift is de
-ἐνσαρκωσις van het woord.
-
-Dat geldt in het algemeen. De Traditionalisten, de Bonald, Lamennais,
-Bautain gingen zeker te ver, als ze zeiden, dat de taal rechtstreeks
-van God afkomstig was, dat in de taal alle schatten der waarheid werden
-bewaard, en dat de mensch nu alle waarheid uit en door de taal, de
-traditie, deelachtig werd, Stöckl, Lehrb. der neueren Philos. I 406 f.
-Maar er ligt toch eene goede gedachte in. En vooral op godsdienstig
-gebied krijgt woord en schrift eene hoogere beteekenis. De openbaring is
-in het Christendom eene historie. Zij bestaat in daden, gebeurtenissen,
-die voorbijgaan en weldra tot het verledene behooren. Zij is een actus
-transiens, temporair, momentaan zelfs, en heeft dezen tijdvorm, dit
-vergankelijke, met alle aardsche dingen gemeen. En toch bevat zij eeuwige
-gedachten, die niet alleen voor het oogenblik, waarin zij plaats had,
-en voor de personen, tot wie zij geschiedde, beteekenis hadden, maar
-die van waarde zijn voor alle tijden en voor alle menschen. Hoe is dit
-schijnbaar tegenstrijdige te vereenigen? Want het vreemde daarvan is
-schier altijd gevoeld. Het deisme in Engeland maakte er opmerkzaam op.
-Herbert van Cherbury sprak uit, dat alleen aan zulk eene openbaring
-geloof kon worden geschonken, die ons zelf onmiddellijk te beurt viel;
-openbaringen die anderen ontvangen hebben, zijn voor ons slechts
-geschiedenis, overlevering, en in geschiedenis kunnen wij het nooit
-verder brengen dan tot waarschijnlijkheid, de veritate 1656 p. 288,
-Lechler, Gesch. des engl. Deismus 49. Hobbes zei evenzoo, dat eene
-openbaring, die anderen hadden ontvangen, voor ons niet te bewijzen was,
-Leviathan ch. 32. Locke maakte hetzelfde onderscheid tusschen original
-and traditional revelation, Essay concerning human understanding
-IV ch. 18. Het deisme leidde daaruit af, dat de religio naturalis
-genoegzaam was. Het maakte scheiding tusschen feit en idee, het
-tijdelijke en het eeuwige, zufällige Geschichtswahrheiten en nothwendige
-Vernunftwahrheiten. En het speculatieve rationalisme van Hegel trad in
-het zelfde spoor; de idee stort zich niet uit in een enkel individu.
-
-Nu is deze scheiding practisch onmogelijk gebleken. De losmaking der
-idee uit de historie komt in het Christendom, evenals in elke andere
-religie, op niets minder dan het verlies der idee zelve te staan. De
-stelling van Lessing in zijn geschrift Ueber den Beweis des Geistes
-und der Kraft: Zufällige Geschichtswahrheiten können der Beweis von
-nothwendigen Vernunftwahrheiten nie werden, heeft indertijd veel opgang
-gemaakt. Maar dat is alleen te verklaren uit den onhistorischen zin
-en de redevergoding der achttiende eeuw. De tegenwoordige eeuw heeft
-het dweepen met de noodwendige redewaarheden en het verachten van
-de historie verleerd. Zij heeft de geschiedenis in haar dieperen zin
-en in hare eeuwige beteekenis leeren verstaan. Indien de feiten der
-geschiedenis toevallig waren, werd zij zelve een aggregaat van op
-zich zelf staande voorvallen, zonder orde, zonder samenhang, zonder
-plan. Dan was er geen geschiedenis meer en hare beoefening een ijdele,
-nuttelooze bezigheid. En dan volgt van zelve, dat ook de historie der
-openbaring al haar waardij verliest. Maar de geschiedenis is juist
-verwezenlijking van gedachten Gods, uitwerking van een raad Gods over
-zijne schepselen; er is eenheid, gang, orde, logos in. En zulk eene
-opvatting van de geschiedenis is eerst door het Christendom mogelijk
-geworden. Bij Grieken en Romeinen wordt die niet gevonden; er waren
-slechts volken, er was geen menschheid. De Schrift echter leert ons de
-eenheid kennen van het menschelijk geslacht; zij geeft ons de grootsche
-conceptie van eene wereldgeschiedenis. En in deze neemt zij zelve de
-eerste en de allesbeheerschende plaats in. De Geschichtswahrheiten zijn
-dus niet toevallig, en allerminst onder deze wederom de geschiedenis
-der openbaring. Zij is zoo noodzakelijk, dat zonder haar heel de
-geschiedenis en heel de menschheid uiteen valt. Zij is de draagster der
-Godsgedachten; de apocalypse van Gods voornemen, welke den apostel
-Paulus telkens weer met bewondering en aanbidding vervulde; de
-revelatio mysterii, zonder welke de mensch in het duistere rondtast. En
-aan de andere zijde zijn de Vernunftwahrheiten, waarvan Lessing sprak,
-ook alles behalve noodwendig. De kritiek van Kant heeft dat anders
-aangetoond. Juist ten aanzien van die nothwendige Vernunftwahrheiten
-heerscht er tegenwoordig algemeen een bedenkelijk scepticisme. De
-verhouding is dus juist omgekeerd. Het historische is in zijne eeuwige
-beteekenis doorzien en het rationeele in zijne veranderlijkheid aan het
-licht getreden.
-
-Feit is dan ook, dat wij alles erven van de voorgeslachten. Wij brengen
-niets in de wereld, 1 Tim. 6:7. Physisch en psychisch, intellectueel
-en ethisch zijn we afhankelijk van de wereld om ons heen. En religieus
-is het niet anders. De openbaring, die in historie bestaat, kan niet
-anders dan in den weg der traditie, in den ruimsten zin, tot ons komen.
-Eene vraag, waarom niet aan elk mensch die openbaring geschonken
-wordt, Rousseau in zijn profession de foi, en Strauss, Glaub. I. 268
-f. komt eigenlijk niet te pas. Ze onderstelt, dat de openbaring niets
-anders bevat dan leer en vergeet, dat ze historie is en wezen moet.
-Het centrum der openbaring is de persoon van Christus. En Christus is
-een historisch persoon; zijne menschwording, zijn lijden en sterven, zijne
-opstanding en hemelvaart zijn voor geene herhaling vatbaar. Ja, het
-behoort juist tot de ἐνσαρκωσις, dat hij in de historie inga en leve
-in den vorm van den tijd. Hij zou ons niet in alles gelijk zijn geweest,
-indien hij niet aan tijd en ruimte, aan de wet van het worden zich
-onderworpen had. De openbaring, niet als leer maar als incarnatie kan
-uitteraard niet anders dan historie zijn, d. i. vallen in een bepaalden
-tijd en gebonden zijn aan eene bepaalde plaats. De incarnatie is de
-eenheid van het zijn, ἐγω εἰμι, Joh. 8:58, en het worden, σαρξ ἐγενετο,
-Joh. 1:14. Bovendien, ook in de openbaring volgt God de grondlijnen, die
-Hij voor het samenleven der menschen getrokken heeft. De menschheid is
-niet een aggregaat van individuen, maar een organisch geheel, waarin
-allen leven van elkaar. De openbaring volgt deze wet, de herschepping
-sluit bij de schepping zich aan. Gelijk we op elk terrein door middel van
-de traditie deel krijgen aan de goederen der menschheid, zoo ook in de
-religie. Ook dat behoort tot de idee der incarnatie. Zij is zelve een
-actus transiens, maar wordt door de traditie heen het eigendom en de
-zegen van alle menschen. Dat die openbaring echter nog tot zulk een
-klein geheel van menschen beperkt is, levert een moeilijk probleem op,
-dat later nog nader dient onderzocht te worden; maar dit op zichzelf
-ontroerend feit kan nooit voor degenen, die haar kennen, eene reden
-zijn om ze te verwerpen. Vele volken leven in een staat van ruwe
-barbaarschheid. Ook dat geschiedt naar den wil en het welbehagen Gods.
-Toch komt het in niemand op om daarom de zegeningen der beschaving te
-verachten. Rousseau dweepte met den natuurmensch, maar hij bleef stil in
-Frankrijk.
-
-2. De drager van de ideale goederen der menschheid is de taal, en de
-σαρξ van de taal is het schrift. Ook hierbij sluit God in de openbaring
-zich aan. Om volkomen in te gaan in de menschheid en ten volle haar
-eigendom te kunnen worden, neemt de openbaring de μορφη, het σχημα
-aan van de Schrift. De Schrift is de dienstknechtsgestalte van de
-openbaring. Ja, het centrale feit der openbaring, n.l. de incarnatie,
-leidt naar de Schrift heen. In profetie en wonder daalt de openbaring
-zoo laag neder en zoo diep af, dat ze zelfs de laagste vormen van
-het menschelijke, bepaaldelijk van het religieuse leven niet als middel
-versmaadt. De Logos zelf wordt niet ἀνθρωπος slechts, maar δουλος,
-σαρξ. En evenzoo neemt het woord der openbaring den onvolkomen,
-gebrekkigen vorm aan van het schrift. Maar zoo alleen wordt de
-openbaring het goed der menschheid. Het doel der openbaring is niet
-Christus; Christus is centrum en middel; het doel is, dat God wederom
-in zijn schepselen wone en in den kosmos zijne heerlijkheid openbare.
-Θεος τα παντα ἐν πασιν. Ook dit is in zekeren zin eene ἐνανθρωπησις
-του θεου, eene menschwording Gods. En om dat doel te bereiken, gaat
-het woord der openbaring over in schrift. Ook de Schrift is dus middel
-en instrument, geen doel. Zij vloeit voort uit de menschwording Gods in
-Christus, zij is in zekeren zin de voortzetting ervan, de weg, waarlangs
-Christus woning maakt in zijne gemeente; de praeparatio viae ad plenam
-inhabitationem Dei. Maar in deze inwoning Gods heeft ze dan ook haar
-τελος, haar einde en doel, 1 Cor. 15:28. Evenals heel de openbaring, is
-ook zij een actus transiens.
-
-Daardoor wordt de verhouding duidelijk, waarin de Schrift staat tot
-de openbaring. De vroegere theologie liet de openbaring bijna geheel
-opgaan in de theopneustie, in de gave der Schrift. Zij bracht de
-openbaring slechts terloops ter sprake, en vatte haar veel te eng op.
-Het scheen, alsof er achter die Schrift niets lag. En de Schrift kwam
-geheel los en geisoleerd te staan. Zij wortelde niet in de historie. Het
-had er veel van, alsof ze plotseling uit den hemel was komen vallen.
-De machtige conceptie van de openbaring als eene geschiedenis, die
-bij den val begint en eerst in de parousie eindigt, was haar schier
-geheel vreemd. Deze beschouwing is onhoudbaar. Immers, de openbaring
-gaat in verre de meeste gevallen aan de theopneustie vooraf en is
-daarvan dikwerf door een langen tijd gescheiden. De openbaring Gods
-aan de aartsvaders, in de geschiedenis van Israel, in den persoon van
-Christus werd soms eerst eeuwen en jaren daarna beschreven; en ook
-de profeten en apostelen stellen hunne openbaringen dikwerf eerst
-geruimen tijd na de ontvangst te boek, bv. Jer. 25:13, 30:1, 36:2 v.
-Voorts waren vele personen, zooals Elia, Elisa, Thomas, Nathanael,
-enz. openbaringsorganen, die toch nimmer een boek schreven, dat in den
-kanon werd opgenomen; anderen daarentegen ontvingen geene openbaringen
-en deden geen wonderen, en brachten ze toch wel in geschrifte, zooals
-bijv. de schrijvers van vele historische boeken. Verder had de openbaring
-plaats in verschillende vormen, droom, visioen, enz., en bedoelde de
-bekendmaking van iets dat verborgen was; de theopneustie was altijd
-eene inwerking van Gods Geest in het bewustzijn en had tot doel de
-garantie van den inhoud der Schrift. De nieuwere theologie maakte
-daarom terecht tusschen de openbaring en de Schrift onderscheid.
-Maar zij viel dikwerf in een ander uiterste. Zij maakte de Schrift zoo
-geheel en al van de openbaring los, dat deze niets meer werd dan een
-toevallig aanhangsel, een willekeurig toevoegsel, eene menschelijke
-oorkonde van de openbaring, die misschien nog wel nuttig maar in
-elk geval niet noodzakelijk was. In allerlei variatiën is dit thema
-bezongen. Niet de letter maar de Geest, niet de Schrift maar de persoon
-van Christus, niet het woord maar het feit is het principium der
-theologie. En Lessing kwam tot de bekende bede: o Luther! gij groote
-en heilige man, gij hebt ons verlost van het juk van den Paus, maar
-wie zal ons verlossen van het juk der letter, van den papieren Paus.
-Deze beschouwing is niet minder verkeerd en nog gevaarlijker dan de
-andere. Want openbaring en theopneustie vallen in vele gevallen geheel
-samen. Lang niet alles, wat in de Schrift is beschreven, werd te
-voren geopenbaard, maar kwam onder het schrijven zelf in het bewustzijn
-op, bijv. in de psalmen, de brieven, enz. Wie de theopneustie ontkent
-en de Schrift minacht, verliest ook voor een zeer groot gedeelte de
-openbaring; hij houdt niets dan menschelijke geschriften over. Voorts
-is ons de openbaring, ook waar ze in feit of woord voorafging aan de
-beschrijving, enkel en alleen door de H. Schrift bekend. Wij weten van
-de openbaringen Gods onder Israel en in Christus letterlijk niets,
-dan alleen uit de H. Schrift. Er is geen ander principium. Met de
-H. Schrift valt dus de gansche openbaring, valt ook de persoon van
-Christus. Juist omdat de openbaring historie is, is er geen andere
-weg om er iets van te weten, dan de gewone weg bij alle historie, dat
-is de getuigenis. Het getuigenis beslist voor ons bewustzijn over de
-realiteit van een feit. Geen gemeenschap met Christus dan alleen door
-de gemeenschap aan het woord der apostelen, Joh. 17:20, 21; 1 Joh. 1:3.
-De openbaring bestaat voor ons, voor de kerk aller eeuwen, slechts in
-den vorm der H. Schrift. En eindelijk is de theopneustie, gelijk later
-blijken zal, eene eigenschap van de Schriften, een eigen en afzonderlijke
-daad Gods bij de vervaardiging der Schrift, en dus in zooverre ook zelve
-als openbaringsdaad te erkennen en te eeren. Verachting of verwerping
-van de Schrift is dus niet eene onschuldige handeling ten opzichte van
-menschelijke getuigenissen aangaande de openbaring, maar ontkenning van
-eene bijzondere openbaringsdaad Gods, en dus in beginsel loochening van
-alle openbaring.
-
-Beide richtingen zijn dus eenzijdig, zoowel die, welke de openbaring ten
-bate der Schrift, als die de Schrift ten bate der openbaring miskennen.
-Daar komt de φανερωσις, hier de θεοπνευστια niet tot haar recht.
-Ginds heeft men Schrift zonder schriften; hier heeft men geschriften
-zonder Schrift. Daar is eene verwaarloozing van de historie, hier
-eene minachting van het woord. De eerste richting vervalt in
-orthodox intellectualisme, de tweede loopt gevaar van anabaptistisch
-spiritualisme. De juiste beschouwing is deze, dat de Schrift noch met
-de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar
-geplaatst wordt. De theopneustie is een element _in_ de openbaring;
-eene laatste akte, waarin de openbaring Gods in Christus voor deze
-bedeeling afgesloten wordt; in zooverre dus het einde, de kroon, de
-verduurzaming en de publicatie der openbaring, medium, quo revelatio
-immediata mediata facta inque libros relata est, Baumgarten bij Twesten,
-Vorles. über die Dogm. I 402.
-
-3. De openbaring toch, in haar geheel genomen, heeft haar einde en doel
-eerst bereikt in de parousie van Christus. Maar zij valt in twee groote
-perioden, in twee onderscheidene bedeelingen uiteen (boven bladz. 270).
-De eerste bedeeling strekte, om de volle openbaring Gods in te lijven
-in en tot een deel te maken van de geschiedenis der menschheid. Heel
-die oeconomie kan beschouwd worden als een komen Gods tot zijn volk,
-als een zoeken van een tabernakel voor Christus. Zij is dus overwegend
-eene openbaring Gods in Christus. Ze draagt een objectief karakter. Zij
-kenmerkt zich door buitengewone daden; theophanie profetie en wonder
-zijn de wegen, waarlangs God tot zijn volk komt. Christus is er het
-subject van. Hij is de Logos, die schijnt in de duisternis, komt tot
-het zijne, en vleesch wordt in Jezus. De H. Geest was toen nog niet,
-overmits Christus nog niet was verheerlijkt. In deze bedeeling houdt
-de teboekstelling gelijken tred met de openbaring. Beide groeien van
-eeuw tot eeuw. Naarmate de openbaring voortschrijdt, neemt de Schrift
-in omvang toe. Als in Christus de volle openbaring Gods is gegeven,
-theophanie, profetie en wonder in Hem haar hoogtepunt hebben bereikt
-en de genade Gods in Christus aan alle menschen is verschenen, dan
-is tegelijk ook de voltooiing der Schrift daar. Christus heeft ons in
-zijn persoon en werk den Vader ten volle geopenbaard, daarom wordt in
-de Schrift die openbaring ons ten volle beschreven. De openbaring
-heeft in zekeren zin haar einde bereikt. De bedeeling des Zoons
-maakt plaats voor de bedeeling des Geestes. De objectieve openbaring
-gaat over in de subjectieve toeeigening. In Christus is midden in de
-historie door God een organisch centrum geschapen; vandaar uit worden
-thans in steeds wijder kring de cirkels getrokken, binnen welke het
-licht der openbaring schijnt. De zon, opgaande bestrijkt slechts een
-klein oppervlak der aarde met haar stralen; staande in het zenith,
-straalt zij over heel de aarde heen. Israel was slechts instrument
-der openbaring; het heeft zijn dienst verricht en valt weg, als het
-den Christus heeft voortgebracht, zooveel het vleesch aangaat; thans
-verschijnt de genade Gods aan alle menschen. De openbaring zet zich dus
-wel voort, maar op andere wijze en in andere vormen. De H. Geest neemt
-alles uit Christus; Hij voegt niets nieuws aan de openbaring toe. Deze
-is voltooid en daarom voor geen vermeerdering vatbaar. Christus is de
-Logos, vol van genade en waarheid; zijn werk is volbracht; de Vader
-zelf rust in zijn arbeid. Zijn werk kan niet aangevuld of vermeerderd
-worden door de goede werken der heiligen; zijn woord niet door de
-traditie; zijn persoon niet door den paus. In Christus heeft God zich
-ten volle geopenbaard en ten volle geschonken. Daarom is de Schrift ook
-voltooid, zij is het volkomene woord Gods. En toch, schoon op andere
-wijze, gaat de openbaring voort, want zij heeft haar einddoel niet in
-Christus, die middelaar is, maar in de nieuwe menschheid, in het wonen
-Gods bij zijn volk. Zij gaat voort in al hare drie vormen van theophanie,
-profetie en wonder. God komt tot en woont in de gemeente van Christus;
-waar twee of drie in zijn naam vergaderd zijn, is Hij in het midden.
-Hij doet wonderen altijd door; Hij vernieuwt haar door wedergeboorte,
-heiligmaking en verheerlijking; de geestelijke wonderen houden niet
-op. God werkt altijd. Maar dat is niet genoeg. De wereld van het zijn
-niet alleen, ook die van het bewustzijn moet vernieuwd. In den Logos
-was het leven maar ook het licht der menschen; Christus is vol van
-genade maar ook van waarheid; de openbaring bestond in wonder maar
-ook in profetie. Woord en daad gingen saam in de eerste bedeeling, zij
-vergezellen elkaar ook in de oeconomie des H. Geestes. De H. Geest
-wederbaart maar verlicht ook. Maar gelijk de geestelijke wonderen geen
-nieuw element aan de objectieve openbaringsfeiten toevoegen maar
-slechts uitwerking zijn van het wonder van Gods genade, in Christus
-gewrocht; zoo ook is de profetie in de gemeente, de illuminatie des
-H. Geestes, geen openbaring van verborgenheden maar toepassing van de
-schatten der wijsheid en kennis, die in Christus begrepen zijn en in zijn
-woord zijn uitgestald. En beide deze werkzaamheden des H. Geestes gaan
-in deze bedeeling hand aan hand. Profetie en wonder, woord en feit,
-illuminatie en regeneratie, Schrift en kerk vergezellen elkander. Ook
-thans is de openbaring geen leer alleen, die het verstand verlicht,
-maar ook een leven, dat het hart vernieuwt. Zij is beide te zamen in
-onverbreekbare eenheid. De eenzijdigheden van het intellectualisme en
-mysticisme zijn beide te vermijden, want zij zijn beide eene miskenning van
-den rijkdom der openbaring. Wijl hoofd en hart, de gansche mensch in zijn
-zijn en bewustzijn moet vernieuwd worden, zet de openbaring zich in deze
-bedeeling voort in de Schrift en in de kerk te zamen. En beide staan
-daarbij in het allernauwste verband tot elkander. De Schrift is het
-licht der kerk, de kerk is het leven der Schrift. Buiten de kerk is de
-Schrift een raadsel, eene ergernis. Zonder wedergeboorte kan niemand
-haar kennen. Wie haar leven niet deelachtig is, kan haar zin en meening
-niet verstaan. En omgekeerd is het leven der kerk eene verborgenheid,
-als de Schrift er haar licht niet over schijnen laat. De Schrift
-verklaart de kerk, de kerk verstaat de Schrift. In de kerk bevestigt
-en verzegelt de Schrift hare openbaring, en in de Schrift leert de
-Christen, leert de kerk zichzelve verstaan, in hare verhouding tot God
-en de wereld, in haar verleden en heden en toekomst.
-
-Daarom staat de Schrift ook niet op zichzelve. Zij mag niet deïstisch
-worden opgevat. Zij wortelt in eene historie van eeuwen en is vrucht
-van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar zij is toch geen
-boek uit lang vervlogene tijden, dat ons alleen met personen en
-gebeurtenissen van het verleden in verband brengt. De H. Schrift is
-geen dor verhaal en geen oude kroniek, maar zij is het altijd levende,
-eeuwig jeugdige woord, dat God nu in dezen tijd en altijd door tot zijn
-volk laat uitgaan. Zij is de altijd voortgaande sprake Gods tot ons.
-Zij dient niet alleen, om ons historisch te doen weten, wat er in het
-verledene is geschied. Zij heeft zelfs de bedoeling niet, om ons een
-historisch verhaal te leveren naar den maatstaf der getrouwheid, die in
-andere wetenschappen geeischt wordt. De H. Schrift is een tendenz-boek;
-al wat te voren geschreven is, is tot onze leering geschreven, opdat
-wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden.
-De Schrift is door den H. Geest geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij
-zijne leiding der kerk, bij de volmaking der heiligen, bij den opbouw van
-het lichaam van Christus. In haar komt God dagelijks tot zijn volk. In
-haar spreekt Hij tot zijne kinderen, niet uit de verte, maar van nabij.
-In haar openbaart Hij zich van dag tot dag aan de geloovigen in de
-volheid van zijn genade en waarheid. Door haar werkt Hij zijne wonderen
-van ontferming en trouw. De Schrift is het blijvend rapport tusschen
-hemel en aarde, tusschen Christus en zijne gemeente, tusschen God en
-zijne kinderen. Zij legt ons niet alleen vast aan het verleden, zij
-bindt ons aan den levenden Heer in de hemelen. Zij is de viva vox Dei,
-epistola Dei omnipotentis ad suam creaturam. Door het woord heeft God
-eenmaal de wereld geschapen, door het woord houdt Hij ze in stand; maar
-door het woord herschept Hij haar ook en bereidt ze tot zijne woning. De
-theopneustie is daarom ook eene blijvende eigenschap van de H. Schrift.
-Zij werd niet alleen getheopneusteerd in het moment, dat zij te boek werd
-gesteld; zij is theopneust. Divinitus inspirata est scriptura, non solum
-dum scripta est Deo spirante per scriptores; sed etiam dum legitur Deo
-spirante per scripturam et scriptura ipsum spirante, Bengel op 2 Tim.
-3:16. Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie
-levendig gehouden en efficax gemaakt. Het is de H. Geest, die profetie
-en wonder, Schrift en kerk beide in stand houdt en in verband zet met
-elkaar, en die alzoo de parusie voorbereidt. Want als zijn en bewustzijn
-beide eens geheel zullen vernieuwd zijn, dan heeft de openbaring haar
-einde. De Schrift is dan niet noodig meer. De theopneustie is dan het
-deel van alle kinderen Gods. Zij zullen allen door den Heere geleerd
-zijn en Hem dienen in zijnen tempel. Profetie en wonder zijn geworden tot
-natuur, want God woont onder zijn volk.
-
-
-B. De leer der inspiratie.
-
-4. De autoriteit der H. S. is door alle christelijke kerken erkend. Er
-is geen dogma, waarover meer eenheid bestaat, dan dat der H. Schrift.
-De genesis van dit geloof aan de H. Schrift is niet meer na te gaan.
-Het bestaat, zoover we teruggaan. In het O. T. staat het gezag van
-Jahveh’s geboden en inzettingen, d. i. van de thora en evenzoo van
-de profeten reeds vast. Mozes en de profeten zijn onder Israel altijd
-mannen van goddelijke autoriteit geweest; hunne geschriften werden
-terstond als gezaghebbend erkend. De Joden hebben daarop eene leer der
-inspiratie gebouwd, zoo streng en exclusief mogelijk. De thora staat
-in de Schrift des O. T. bovenaan, zij is in haar inhoud identisch met
-de goddelijke Wijsheid, het beeld Gods, de dochter Gods, de op zich
-zelve voldoende, voor alle volken bestemde openbaring des heils, het
-hoogste goed, de weg ten leven. Als Israel niet gezondigd had, ware
-zij genoegzaam geweest. Maar nu zijn de schriften der profeten er later
-ter verklaring aan toegevoegd. Al die schriften zijn goddelijk, heilig,
-regel van leer en leven, en met een oneindigen inhoud. Niets is er
-overbodig in; alles heeft beteekenis, iedere letter, elk teeken, tot de
-gedaante en vorm van eene letter toe, want alles is van God afkomstig.
-Volgens Philo, de migr. Abrahae, en Josephus, Ant. 4, 6, 5. c. Ap. 1,7
-verkeerden de profeten bij de inspiratie in een toestand van verrukking
-en bewusteloosheid, dien zij met de heidensche mantiek vergeleken en ook
-wel tot anderen dan de profeten uitbreidden, maar het goddelijk gezag
-der H. Schrift staat ook bij hen onwrikbaar vast. Alleen werd aan dat
-gezag feitelijk weer afbreuk gedaan door de traditie. De Schrift was
-n.l. op zich zelve onvoldoende. Naar de voorstelling der Joden was er
-ook nog eene mondelinge traditie, welke van God afkomstig, door Mozes,
-Aäron, de oudsten, de profeten, de mannen der groote synagoge aan de
-Schriftgeleerden was overgeleverd. Zij werd eindelijk neergelegd in de
-Mishna en Gemara, welke nu als norma normata aan de norma normans is
-toegevoegd en met behulp vooral van dertien hermeneutische regelen
-met de Schrift in overeenstemming werd gebracht, Zunz, Die gottesd.
-Vorträge der Juden 1832 S. 37 f. Weber, System der altsyn. pal. Theol.
-1880. S. 14 f. 78 f. Schürer, Neutest. Zeitgeschichte, Leipzig, 1874.
-S. 437 f.
-
-De christelijke gemeente verwierp nu met Jezus en de apostelen wel de
-geheele Joodsche traditie, maar erkende toch van den beginne af aan het
-goddelijk gezag der O. T. Schrift, Harnack, Dogm. gesch. I 39 f. 145
-f. 244 f. De gemeente is nooit zonder Bijbel geweest. Zij ontving het
-O. Test. uit de hand der apostelen terstond met goddelijke autoriteit.
-Het christelijk geloof sloot van den aanvang af het geloof aan het
-goddelijk gezag des O. T. in zich. Clemens Romanus leert de inspiratie
-des O. T. zoo duidelijk mogelijk. Hij noemt de O. T. geschriften τα λογια
-του θεου, 1 Cor. 53, τας γραφας, τας ἀληθεις τας δια πνευματος του
-ἁγιου, ib. 45, voert plaatsen uit het O. T. aan met de formule: de H.
-Geest zegt, ib. 13 en zegt van de profeten: οἱ λειτουργοι της χαριτος
-του θεου δια πνευματος ἁγιου ἐλαλησαν ib. 8. Hij breidt de inspiratie
-ook tot de apostelen uit, en zegt, dat zij μετα πληροφοριας πνευματος
-ἁγιου uitgegaan zijn om te prediken, ib. 42, en dat Paulus aan de
-Corinthiërs πνευματικως geschreven heeft ib. 47. Overigens leveren de
-apost. vaders weinig stof voor het dogma der Schrift: de inspiratie
-zelve staat vast, maar over den omvang en de grenzen der inspiratie is
-er nog verschil; van de N. T. geschriften wordt weinig gesproken, en
-apocriefe worden soms als kanonische geciteerd. De Apologeten der 2e
-eeuw, Justinus, Coh. ad Graecos c. 8. en Athenagoras, Leg. pro Christo
-cap. 7. vergelijken de schrijvers bij een cither, lier of fluit, waarvan
-het goddelijk πληκτρον zich als van een orgaan bediende. De leer der
-apostelen staat met die van de profeten op één lijn; evenals Abraham,
-zoo gelooven wij τῃ φωνῃ του θεου, τῃ δια τε των ἀποστολων του χριστου
-λαληθεισῃ παλιν και τῃ δια των προφητων κηρυχθεισῃ ἡμιν, Just. Dial.
-119. De Evangeliën deelen in dezelfde inspiratie als de profeten, δια
-το τους παντας πνευματοφορους ἑνι πνευματι θεου λελαληκεναι, Theoph.
-ad Autol. 3 n. 12. Bij Irenaeus is reeds de volle erkenning aanwezig
-van de inspiratie van beide Testamenten; Scripturae perfectae sunt,
-quippe a Deo et Spiritu ejus dictae, adv. haer. 2, 28., ze hebben één
-auteur en één doel, 4, 9. En voorts worden de H. Schriften door de
-kerkvaders aangehaald als θεια γραφη, κυριακαι γραφαι, θεοπνευστοι
-γραφαι, coelestes literae, divinae voces, bibliotheca sancta,
-chirographum Dei, enz. De schrijvers heeten λειτουργοι της χαριτος του
-θεου, ὀργανα θειας φωνης, στομα θεου, πνευματοφοροι, χριστοφοροι,
-ἐμπνευσθεντες, θεοφορουμενοι, Spiritu divino inundati, pleni enz. De
-acte der inspiratie wordt als een drijven, leiden enz., maar vooral
-dikwerf als een dicteeren des H. Geestes voorgesteld, Iren. 1. c.
-Aug. de cons. Evang. 1, 54; de schrijvers waren de handen des H. G.,
-Aug. ib., zij waren de auctores niet, maar alleen scriptores, scribae;
-auctor der H. Schrift is God alleen, Isidorus Hisp. lib. 1. de offic.
-c. 12, bij Dausch, Die Schriftinspiration 1891 S. 87. De Schrift is eene
-epistola omnipotentis Dei ad suam creaturam, Aug. in Ps. 20. Serm.
-2, 1. Greg. Magnus, Epist. 1. 4. ep. 31. Er is niets onverschilligs
-en niets overtolligs in, maar alles is vol van goddelijke wijsheid;
-nihil enim vacuum, neque sine signo apud Deum, Iren. adv. haer. 4,
-21, 3. Vooral Origenes dreef dit sterk en zei, dat er geen tittel
-of jota vergeefsch was, dat er niets was in de Schrift, quod non a
-plenitudine divinae majestatis descendat, Homil. 2. 21. 39 in Jerem.,
-en evenzoo Hieronymus, die zei: singuli sermones, syllabae, apices,
-puncta in divinis scripturis plena sunt sensibus et spirant caelestia
-sacramenta. De H. Schrift was daarom zonder eenig gebrek, zonder eenige
-dwaling, ook in chronologische, historische zaken, Theoph. ad Autol.
-23, Iren. adv. haer. 3, 5. Wat de apostelen geschreven hebben, moet
-evenzoo worden aangenomen, alsof Christus zelf het geschreven had,
-want zij waren als het ware zijne handen, Aug. de cons. Evang. 1, 54.
-In zijn brief aan Hieronymus zegt hij vast te gelooven, dat geen der
-kanonische schrijvers scribendo aliquid errasse. Als er dus eene fout
-is, non licet dicere: auctor hujus libri non tenuit veritatem sed: aut
-codex mendosus est, aut interpres erravit, aut tu non intelligis, c.
-Faust. 11, 5. Maar tegelijk werd de zelfbewustheid der schrijvers bij de
-inspiratie tegenover het Montanisme zoo sterk mogelijk geaccentueerd;
-voorafgaand onderzoek, onderscheid in ontwikkeling, gebruik van bronnen
-en van de herinnering, verschil in taal en stijl werd door Iren. Orig.
-Euseb. August. Hieron. enz. volledig erkend; zelfs werd door sommigen
-een verschil in de wijze van inspiratie onder O. en N. T., of ook een
-verschil in graad van inspiratie naar den zedelijken toestand der
-schrijvers aangenomen, Novatianus, de trin. 4. Orig. c. Cels. 7. 4.
-Maar dat alles deed aan het geloof aan den goddelijken oorsprong en de
-goddelijke autoriteit der H. S. geen afbreuk. Deze stonden algemeen
-vast. Het practische gebruik der Schrift in de prediking, in de
-bewijsvoering, in de exegetische behandeling enz. bewijst dat nog meer
-en nog sterker dan de op zich zelf staande uitspraken. De kerk had in
-deze eerste periode meer te doen met de vaststelling van den kanon,
-dan met het begrip der inspiratie, maar verstond onder de kanonische
-juist divinae scripturae, Conc. Carth. 397 can. 47, en schreef aan
-deze alleen autoriteit toe, Conc. Tolet. 447, cf. Denzinger, Enchir.
-symb. et defin. nr. 49. 125. Joh. Delitzsch, de inspir. scripturae s.,
-quid statuerint patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872.
-Hagenbach, Dogm. Gesch. § 31 f. Rudelbach, Zeits. f. d. ges. luth.
-Theol. u. Kirche 1840. W. Rohnert, Die Inspiration der H. S. u. ihre
-Bestreiter, Leipz. 1889 S. 85 f. P. Dausch, Die Schriftinspiration,
-eine bibl. geschichtl. Studie, Freiburg 1891. S. 45 f. Koelling,
-Die Lehre von der Theopneustie, Breslau 1891. 84 f. Cramer, Godgel.
-Bijdragen IV 49-121. Dr. W. Sanday, Inspiration, eight lectures on the
-early history and origin of the doctrine of biblical inspiration,
-Bampton lectures 1893.
-
-5. De theologie der Middeleeuwen bleef bij de kerkvaders staan en
-heeft de leer der inspiratie niet verder ontwikkeld. Joh. Damasc.,
-de fide orthod. 4, 17 brengt de Schrift slechts even ter sprake en
-zegt, dat wet en profeten, evangelisten en apostelen, herders en
-leeraars door den H. Geest gesproken hebben; en daarom is de Schrift
-theopneust. Erigena, de div. nat. I 66 sq. zegt, dat men in alle
-stukken de autoriteit der H. S. moet volgen want vera auctoritas rectae
-rationi non obsistit, maar ook omnis auctoritas, quae vera ratione
-non approbatur, infirma videtur esse. Thomas behandelt de leer der
-H. Schrift evenmin als Lombardus, maar geeft zijne gedachte over de
-inspiratie toch in zijne leer over de profetie, S. Theol. II 2 qu. 171
-sq. De profetie is bepaald eene gave des verstands en bestaat ten
-eerste in inspiratio, d. i. in eene elevatio mentis ad percipienda
-divina, welke geschiedt Spiritu Sancto movente, en ten tweede in
-revelatio, waardoor de goddelijke dingen worden gekend, de duisternis
-en onkunde worden weggenomen en de profetie zelve wordt voltooid,
-qu. 171 art. 1. Nader bestaat de profetie in de gave van het lumen
-propheticum, waardoor de goddelijke dingen zichtbaar worden, evenals
-de natuurlijke dingen door ’t natuurlijk licht der rede, ib. art. 2.
-Maar die openbaring verschilt; soms geschiedt ze onder bemiddeling
-van de zintuigen, soms door middel van de verbeeldingskracht, soms
-ook op zuiver geestelijke wijze, zooals bij Salomo en de apostelen, ib.
-qu. 173 art. 2. De profetie per intellectualem visionem staat in het
-algemeen hooger dan die per imaginariam visionem; als echter het lumen
-intellectuale geen bovennatuurlijke dingen openbaart, maar alleen de
-natuurlijk kenbare dingen op goddelijke wijze kennen en beoordeelen
-doet, dan staat zulk eene prophetia intellectualis beneden die visio
-imaginaria, welke bovennatuurlijke waarheid openbaart. De schrijvers der
-hagiographa schreven meermalen over zaken, die van nature kenbaar zijn,
-en ze spraken dan non quasi ex persona Dei, sed ex persona propria,
-cum adjutorio tamen divini luminis. Thomas erkent dus verschillende
-wijzen en graden van inspiratie. Hij zegt ook, qu. 176 art. 1, dat de
-apostelen de gave der talen kregen om het evangelie aan alle volken
-te kunnen prediken, sed quantum ad quaedam quae superadduntur humana
-arte ad ornatum et elegantiam locutionis, apostolus instructus erat
-in propria lingua, non autem in aliena, en zoo ook waren de apostelen
-genoegzaam met kennis toegerust voor hun ambt, maar kenden niet alles,
-wat er te kennen valt, b.v. arithematica enz. Maar eene dwaling of
-onwaarheid kan in de Schrift niet voorkomen, S. Theol. I qu. 32 art.
-4. II 2 qu. 110 art. 4 ad 3. Het breedvoerigst wordt over de Schrift
-gehandeld door Bonaventura in het prooemium voor zijn Breviloquium, ed.
-Freiburg 1881 p. 1-32: de H. Schrift heeft haar oorsprong niet uit
-menschelijk onderzoek, maar uit openbaring van den Vader door den Zoon
-in den H. Geest. Niemand kan haar kennen dan door het geloof, want
-Christus is haar inhoud. Zij is cor Dei, os Dei (des Vaders), lingua Dei
-(des Zoons), calamus Dei (des H. G.). Vier dingen komen van de Schrift
-vooral in aanmerking; hare latitudo: zij bevat vele deelen, O. en N. T.,
-verschillende soorten van boeken, wettelijke, historische, profetische
-enz.; hare longitudo: zij beschrijft alle tijden van de schepping af tot
-den oordeelsdag toe in de drie tijdperken van lex naturae, lex scripta
-en lex gratiae of in zeven aetates; hare sublimitas: zij beschrijft de
-verschillende hierarchieën, ecclesiastica, angelica, divina; hare
-profunditas: zij heeft eene multiplicitas mysticarum intelligentiarum.
-Hoe zeer de H. Schrift ook verschillende wijzen van spreken gebruikt,
-zij is altijd echt, er is niets onwaars in. Want de H. Geest, ejus
-auctor perfectissimus nihil potuit dicere falsum, nihil superfluum,
-nihil diminutum. Daarom is het lezen en onderzoeken der H. S. zoo
-dringend noodig; en voor dit doel schreef Bonaventura zijn kostelijk
-Breviloquium. Duns Scotus voert in den Prologus voor zijne Sententiae
-wel verschillende gronden aan, waarop het geloof aan de H. S. rust,
-zooals de profetie, de innerlijke overeenstemming, de echtheid, de
-wonderen enz., maar behandelt de leer der H. S. niet. En ook overigens
-vinden we weinig stof voor het dogma der Schrift in de scholastiek.
-Er werd geen behoefte gevoeld aan eene bijzondere behandeling van
-den locus de S. Scr., wijl haar autoriteit vast stond en niemand ze
-bestreed. Zij had in de Middeleeuwen, althans formeel, eene onbetwiste
-heerschappij. Ze werd symbolisch voorgesteld als het water des levens,
-in lofspraken verheerlijkt, evenals het beeld van Christus vereerd en
-aangebeden, op de kostbaarste wijze overgeschreven, geïllustreerd,
-ingebonden en uitgestald. Ze had eene eereplaats op de conciliën,
-werd als eene reliquie bewaard, als amulet om den hals gedragen, met
-den gestorvene mede begraven, en als grondslag voor de eedsaflegging
-gebezigd. En ook werd ze veel meer, dan de Protestanten later meenden,
-gelezen, bestudeerd, verklaard en vertaald, Vigouroux, Les livres
-saints et la critique rationaliste, 3e ed. I 226 s. Janssen, Gesch. des
-deutschen Volkes, I 48 f. Herzog² 3, 545 f. Bestrijding van de Schrift
-was er niet. Ook Abaelard, Sic et Non, ed. Henke et Lindenkohl, Marb.
-1851 p. 10.11 zegt niet, dat profeten en apostelen in het schrijven,
-maar alleen, dat zij soms als personen hebben gedwaald, met beroep op
-Gregorius, die dat ook van Petrus had erkend; de gratia prophetiae werd
-hun soms ontnomen, opdat ze nederig zouden blijven en erkennen zouden,
-dat ze dien Geest van God, qui mentiri vel falli nescit, slechts
-als gave ontvingen en bezaten. En evenmin is Agobard van Lyon een
-bestrijder der inspiratie; alleen staat hij tegenover Fredegis van Tours
-eene meer organische opvatting voor, die verschil van taal en stijl,
-grammatische afwijkingen enz. erkent, Münscher-v. Coelln, Dogm. Gesch.
-II 1 S. 105. Kerkelijk werd de inspiratie en autoriteit der H. Schrift
-meermalen uitgesproken en erkend, Denzinger, Enchir. n. 296. 386. 367.
-600.
-
-6. Het Trentsche concilie verklaarde in sess. 4, dat de waarheid
-vervat is in de geschreven boeken en ongeschreven overleveringen,
-welke uit den mond van Christus door de apostelen zijn ontvangen of
-door dezelfde apostelen, Spirito Sancto dictante, als van hand tot
-hand zijn overgeleverd en tot ons gekomen zijn; en dat het daarom, naar
-het voorbeeld der vaderen alle boeken van O. en N. T., cum utriusque
-unus Deus sit auctor, en evenzoo de overleveringen ... tanquam vel
-oretenus a Christo, vel a Spiritu Sancto dictatas ... aanneemt en
-vereert. De inspiratie werd hier wel tot de traditie uitgebreid, maar
-toch ook duidelijk van de H. S. uitgesproken. Maar onder de Roomsche
-theologen kwam er spoedig groot verschil over den aard en den omvang
-der inspiratie. Zoowel het auctor utriusque testamenti als het dictare
-werd verschillend geinterpreteerd. De theologen der 16e eeuw waren over
-het algemeen nog de strengere richting van kerkvaders en scholastici
-toegedaan. Het waren meest aanhangers van Augustinus in de leer der
-genade, Jansenisten, Augustinianen en Dominikanen. De voornaamste onder
-deze richting zijn Melchior Canus, Loci theol. 1563, Bannez, Comment. in
-primam partem D. Thomae Lugd. 1788. Bajus en Jansenius, Billuart, Summa
-S. Thomae tom. 2. Wirceb. 1758, Rabaudy, Exerc. de Scriptura sacra;
-in deze eeuw nog Fernandez, diss. crit. theol. de verbali S. Bibl.
-inspiratione, maar voorts ook wel Jezuiten, zooals Tostatus, Costerus,
-Turrianus, Salmeron, Gregor de Valencia, De rebus fidei h. t. controv.
-Lugd. 1591 enz. Dezen leeren allen eene positieve inwerking van Gods
-Geest op de schrijvers, die zich ook tot de singula verba uitstrekte.
-Maar spoedig kwam er eene laxere richting op, en wel onder de Jezuiten.
-In het jaar 1586 openden Lessius en Hamelius hunne voorlezingen aan het
-Jezuitencollege te Leuven, en verdedigden daar o. a. de stellingen: 1°
-ut aliquis sit S. Scriptura, non est necessarium, singula ejus verba
-inspirata esse a Sp. S°. 2° non est necessarium, ut singulae veritates
-et sententiae sint immediate a Sp. S°. ipsi scriptori inspiratae.
-3° liber aliquis (qualis forte est secundus Machabaeorum) humana
-industria sine assistentia Sp. S{i}. scriptus, si Sp. S{us} postea
-testetur, ibi nihil esse falsum, efficitur Scriptura sacra. Hier wordt
-de woordinspiratie verworpen, de onmiddellijke inspiratie ook van vele
-zaken, bv. van geschiedenis, die de schrijvers wisten, onnoodig geacht,
-en zelfs bij sommige boeken eene later door Bonfrerius zoo genoemde
-inspiratio subsequens of aposteriorische approbatie des H. G. voor
-voldoende gehouden. De faculteiten van Leuven en Douai veroordeelden de
-stellingen, maar andere keurden deze censuur weer af, en de paus nam
-geene beslissing. De twee eerste stellingen vonden veel ingang, maar
-de derde ging al te ver en werd slechts door weinigen overgenomen, o.
-a. door Bonfrerius, Frassenius, Richard Simon, Histoire critique du
-N. T. 1689 ch. 23, en in deze eeuw nog door den bisschop van Spiers,
-Haneberg, Gesch. der bibl. Offenbarung, 3e Aufl. 1863. Eene andere
-richting wordt vertegenwoordigd door Mariana, Tract. varii VIII, Ed.
-du Pin, Dissert. préliminaire tom. I Paris 1701. J. Jahn, Introductio
-in libros Vet. Test. 1814 en vat de inspiratie op als eene louter
-negatieve assistentie des H. G., waardoor de schrijvers voor dwaling
-werden behoed. Beide deze richtingen hielden vast aan de feilloosheid
-der H. Schrift, maar vereenzelvigden deze feitelijke uitkomst met den
-goddelijken oorsprong der Schrift. Daarentegen werd de onfeilbaarheid
-in zaken, die niet in engeren zin religieus-ethisch waren, prijsgegeven
-en de inspiratie tot het eigenlijk dogmatisch-ethische beperkt door
-Erasmus, op Mt. 2, Hd. 10, en Apologia adv. monachos quosdam Hispanos,
-Abbé Le Noir, Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible
-Paris 1880, de Broglie, Langen in Bonn, Rohling, Natur und Offenbarung
-1872. Verwant is daarmede de voorstelling van Holden, doctor der
-Sorbonne, in zijne Divinae fidei analysis 1770 en Chrismann, Regula
-fidei catholicae, die bij de geloofs- en zedewaarheden eene eigenlijke
-inspiratie aannamen maar bij den overigen inhoud der Schrift slechts
-zulk eene assistentie leerden, als welke alle geloovigen genieten. Van
-gelijke strekking is ook de opvatting in de Roomsche Tübinger school,
-wier vertegenwoordigers Drey, Apologetik 1838 S. 204 f. Kuhn, Einl.
-in die Dogmatik 1859 S. 9 f. Schanz, Apol. des Christ. II 318 f. enz.
-onder invloed van Schleiermacher, de inspiratie in verband brachten
-met heel het organisme der openbaring, en in verschillende mate tot
-de verschillende deelen der Schrift zich lieten uitstrekken. De
-meeste Roomsche theologen na de Reformatie bewandelen een middenweg.
-Zij verwerpen eenerzijds de laxe inspiratie die alleen in negatieve
-assistentie of posterieure approbatie zou bestaan hebben, want dan
-waren alle besluiten der concilien, dan was al het ware geinspireerd
-te noemen. Anderzijds ontkennen zij ook de strenge inspiratio verbalis,
-volgens welke alle zaken niet alleen maar ook zelfs alle singula
-verba gedicteerd en ingegeven zijn, want vele zaken en woorden waren
-den schrijvers bekend en behoefden dus niet geinspireerd te worden;
-het verschil in taal en stijl, het gebruik van bronnen enz. bewijst
-ook de onjuistheid der verbale inspiratie. Eene inspiratio realis
-is dus genoeg, die soms bepaald openbaring, soms echter assistentie
-is. Deze theorie vinden wij bij Bellarminus, de Verbo Dei. I c. 14.
-cf. de Conc. II c. 12. XII c. 14. C. a Lapide op 2 Tim. 3:16. de
-Theologia Wirceburgensis, disp. 1 cap. 1. Marchini, de divinitate et
-canonicitate sacr. Bibl. Pars 1 art. 7. Liebermann, Instit. theol.
-ed. 8. 1857 I p. 385 sq. Perrone, Praelect. Theol. IX 1843 p. 66
-sq. Heinrich, Dogm. I 382 f. Franzelin, Tractatus de div. Script.
-Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 50. H. Denzinger, Vier Bücher von der
-relig. Erk. II 108 f. F. Schmid, de inspirationis Bibl. vi et ratione.
-Jansen, Praelect. theol. I 767 sq. Zie verder over deze verschillende
-theorieën van de inspiratie Perrone ib. IX 58 sq. Jansen, ib. 762 sq.
-P. Dansch, Die Schriftinspiration 1891. S. 145 f. Het Vaticanum droeg
-wel geen bepaalde theorie voor, maar veroordeelde toch beslist die
-van de inspiratio subsequens en de mera assistentia, en verklaarde,
-na het Trentsche besluit te hebben herhaald, dat de kerk die boeken
-voor heilig en kanoniek erkent, niet omdat zij sola industria humana
-concinnati, sua (d. i. der kerk) deinde autoritate sint approbati; noch
-ook, omdat zij revelationem sine errore contineant; maar daarom dat zij
-Spiritu Sancto inspirante conscripti Deum habent auctorem, atque ut
-tales ipsi ecclesiae traditi sunt. In can. 2, 4 noemt het concilie de
-boeken nog eens divinitus inspiratos. In cap. 3 de fide zegt het, dat
-fide divina et catholica ea omnia credenda sunt, quae in verbo Dei
-scripto vel tradito continentur. Dit besluit laat aan duidelijkheid
-niets te wenschen over. De Roomsche kerk vat de inspiratie op als
-eene positieve inwerking van Gods Geest en houdt de onfeilbaarheid der
-Schrift vast. En de encycliek van Leo XIII de studiis Scripturae sacrae
-18 Nov. 1893 is geschreven in ditzelfde geloof.
-
-7. De Hervormers namen de Schrift en hare theopneustie aan, gelijk
-hun die door de kerk was overgeleverd. Luther heeft nu en dan van
-uit zijn soteriologisch standpunt over sommige boeken, Esther, Ezra,
-Neh., Jakobus, Judas, Openb. een ongunstig oordeel geveld en kleinere
-onjuistheden toegegeven, maar toch aan de andere zijde de inspiratie
-in den strengsten zin vastgehouden en tot de letters toe uitgebreid.
-Bretschneider, Luther an unsere Zeit 1817. Schenkel, Das Wesen der
-Protest. II 56 f. Köstlin, Luthers Theologie II 246 f. W. Rohnert,
-Was lehrt L. von der Insp. der H. Schrift. Leipzig 1890. Fr. Pieper,
-Luthers doctrine of inspiration, Presbyt. and Ref. Rev. April 1893 p.
-249-266. De Luthersche symbolen hebben geen afzonderlijk artikel over
-de Schrift, maar onderstellen haar goddelijken oorsprong en autoriteit
-allerwege, Conf. Aug. praef. 8. art. 7. Art. Smalc. II art. 2. 15.
-Form. Conc. Pars I Epit. de comp. regula atque norma 1. De Luthersche
-dogmatici, Melanchton in de praefatio voor zijne loci, Chemniz, Examen
-Conc. Trid. Loc. 1. Gerhard, Loci Theol. loc. 1. enz. hebben allen
-dezelfde opvatting. Niet eerst Quenstedt en Calovius, maar reeds
-Gerhard noemt de schrijvers Dei amanuenses, Christi manus et Spiritus
-Sancti tabelliones sive notarios, ib. loc. 1. cap. 2 § 18. Lateren
-hebben het beginsel slechts verder ontwikkeld en toegepast, Heppe,
-Dogmatik des deutschen Prot. I. 207-257. Hase Hutt. Rediv. § 38 f.
-Schmid, Dogm. der ev. luth. K. cap. 4. Rohnert, Die Inspiration der
-H. Schrift 169 f. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie 1891. S.
-212 f. Bij de Gereformeerden treffen we dezelfde leer over de Schrift
-aan. Zwingli stelt het uitwendig woord dikwerf achter bij het inwendig,
-geeft historische en chronologische onnauwkeurigheden toe, en breidt
-de inspiratie soms tot heidensche schrijvers uit, Zeller, Das theol.
-System Zwingli’s 137 f. Chr. Sigwart, Ulr. Zwingli 45 f. Maar Calvijn
-houdt de Schrift in vollen en letterlijken zin voor Gods woord, Instit.
-I. c. 7-8, Comm. op 2 Tim. 3:16 en 2 Petr. 1:20; hij erkent den brief
-aan de Hebreën wel niet voor paulinisch maar toch voor kanoniek,
-en neemt Mt. 22:9, 23:25 eene fout aan, maar niet in de autographa,
-Cramer, De Schriftbeschouwing van Calvijn. Heraut. n°. 26 v. Moore,
-Calvins doctrine of holy Scripture, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893
-p. 49 etc. De Geref. confessies hebben meest een artikel over de H.
-Schrift en spreken haar goddelijk gezag duidelijk uit, I Helv. 1-3. II
-Helv. 1. 2. 13. 18. Gall. 5. Belg. 3. Angl. 6. Scot. 18 enz.; en de
-Geref. theologen nemen allen zonder onderscheid ditzelfde standpunt in,
-Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 319-451.
-Junius, Theses Theol. cap. 2. Polanus, Synt. Theol. I 15. Synopsis,
-disp. 2. Voetius, Disp. Sel. I. 30 sq. etc. Cramer, De roomsch-kath.
-en oudprot. Schriftbeschouwing. Heraut n°. 26 v. Heppe, Dogm. der ev.
-ref. K. S. 9 f. Eene enkele maal is er eene zwakke poging tot meer
-organische beschouwing te bespeuren. De inspiratie bestond niet altijd
-in openbaring, maar, als het bekende zaken gold, in assistentia en
-directio; de schrijvers waren niet altijd passief, maar ook wel actief,
-zoodat ze hun eigen verstand, geheugen, oordeel, stijl gebruikten, maar
-zoo, dat ze toch door den H. G. werden geleid en voor dwaling behoed,
-Synopsis 3:7. Rivetus, Isag. seu introd. generalis ad Script. V. et
-N. T. cap. 2. Heidegger, Corpus Theol. loc. 2. § 33. 34, maar ook
-daarmede werd aan de goddelijkheid en onfeilbaarheid van de Schrift
-niet de minste afbreuk gedaan. De schrijvers waren geen auctores, maar
-scriptores, amanuenses, notarii, manus, calami Dei. De inspiratie was
-niet negatief maar altijd positief, een impulsus ad scribendum en eene
-suggestio rerum et verborum. Zij deelde niet alleen onbekende maar ook
-reeds bekende zaken en woorden mede, want de schrijvers moesten deze
-dan toch juist nu en juist zóó, niet alleen materialiter maar ook
-formaliter, niet alleen humane maar ook divine weten, Schmid, Dogm.
-der ev. luth. K. 23, 24. Voetius, Disp. I 30. De inspiratie strekte
-zich uit tot alle chronol. histor. geogr. zaken, tot de woorden, zelfs
-tot vokalen en teekens. J. Buxtorf, Tract. de punctorum origine,
-autiquitate et auctoritate 1648. Anticritica 1653. Alsted, Praecognita
-Theol. p. 276. Polanus, Synt. Theol. I p. 75. Voetius, Disp. I 34.
-Cons. Helv. art. 2. Barbarismen en soloecismen werden in de H. S.
-niet aangenomen. Verschil van stijl werd verklaard uit den wil des
-H. G., die nu zoo en dan anders wilde schrijven, Quenstedt en Hollaz
-bij Rohnert, Die Inspir. der H. Schrift 205. 208. Winer, Grammatik
-des N. T. Sprachidioms, 6e Aufl. 11 f. Voetius ib. Gomarus, Op. 601.
-Materialiter, wat letters, syllaben en woorden aangaat, is de Schrift
-e sensu creaturarum, maar formaliter, wat den sensus θεοπνευστον
-betreft, male creaturis accensetur, cum sit mens, consilium, sapientia
-Dei. Hollaz, Exam. ed. Teller p. 992, bij Dausch 112. In 1714 schreef
-Nitzsche in Gotha, volgens Tholuck, Vermischte Schriften II 86, eene
-dissertatie over de vraag, of de H. Schrift zelve God ware.
-
-8. Maar toen de inspiratietheorie, evenals bij de Joden en de
-Mohammedanen, zoo haar uiterste consequentie getrokken had, kwam van
-alle kant de bestrijding op. Ook in vroegeren tijd ontbrak het niet aan
-kritiek op de Schrift. Jojakim verbrandde de rol van Baruch, Jer. 36.
-Apion vatte alle beschuldigingen saam, die door de Heidenen tegen
-de Joden werden ingebracht aangaande de besnijdenis, het verbod van
-zwijnenvleesch, den uittocht uit Egypte, het verblijf in de woestijn, enz.
-Josephus, contra Apionem, J. G. Muller, Des Flavius Josephus’ Schrift
-gegen den Apion 1877. De Gnostieken, Manicheën en de hun verwante
-secten in de Middeleeuwen rukten het N. Test. los van het Oude, en
-schreven dit aan een lageren god, den demiurg, toe. Vooral Marcion in
-zijne Antitheses, en zijne leerlingen Apelles en Tatianus, uitgaande
-van de paulinische tegenstelling van gerechtigheid en genade, wet en
-evangelie, werken en geloof, vleesch en geest, richtten hun aanval
-tegen de anthropomorfismen, de tegenstrijdigheden, de onzedelijkheid
-van het O. T., en zeiden, dat een God, die toornt, berouw heeft,
-zich wreekt, jaloersch is, diefstal en leugen beveelt, nederdaalt,
-eene strenge wet geeft enz. niet de ware God kan zijn. Ook wezen ze
-met voorliefde op het groote verschil tusschen Christus, den waren
-Messias, en den Messias, gelijk de profeten hem verwachtten. Van het
-N. T. verwierp Marcion alle geschriften behalve die van Lukas en
-Paulus, en bedierf ook deze nog door verkorting en interpolatie,
-Tertullianus, adv. Marcionem. Epiphanius, Haer. 42. Irenaeus, adv.
-haer. passim. Harnack, Dogmengesch. I 226 f. Celsus zette dezen strijd
-op scherpzinnige wijze voort en leverde eene scherpe kritiek op de
-eerste hoofdstukken van Genesis, de scheppingsdagen, de schepping
-des menschen, de verzoeking, den val, den zondvloed, de ark, Babels
-torenbouw, de verwoesting van Sodom en Gomorra, en voorts op Jona,
-Daniël, de bovennatuurlijke geboorte van Jezus, den doop, de opstanding,
-de wonderen en beschuldigde Jezus en de apostelen, bij gebrek aan
-betere verklaring, van bedrog. Porphyrius maakte een aanvang met de
-historische kritiek der Bijbelboeken; hij bestreed de allegorische
-exegese des O. T., schreef den Pentateuch aan Ezra toe, hield Daniël
-voor een product uit den tijd van Antiochus, en onderwierp ook vele
-verhalen in de Evangeliën aan een scherpe kritiek. Julianus heeft later
-al deze aanvallen tegen de Schrift in zijne Λογοι κατα χριστιανων nog
-eens vernieuwd. Maar daarmede was het einde der toenmalige kritiek
-bereikt. De Schrift kwam tot algemeene en onbetwiste heerschappij; de
-kritiek werd vergeten. Zij herleefde in de Renaissance, maar werd toen
-nog een tijd lang door de Reformatie en de Roomsche contra-reformatie
-bedwongen. Straks verhief ze zich op nieuw, in het rationalisme, het
-deïsme en de Fransche philosophie. Eerst richtte zij zich meer tegen
-den inhoud der Schrift in de rationeele achttiende eeuw; daarna meer
-tegen de echtheid der geschriften in de historisch gezinde negentiende
-eeuw. Porphyrius vervangt Celsus, Renan volgt na Voltaire, Paulus van
-Heidelberg maakt plaats voor Strauss en Baur. Maar het resultaat blijft
-altijd hetzelfde, de Schrift is een boek vol dwaling en leugen.
-
-Ten gevolge van deze kritiek hebben velen de leer der inspiratie
-gewijzigd. Eerst wordt de inspiratie nog wel vastgehouden als eene
-bovennatuurlijke werking des H. G. bij het schrijven, maar tot het
-religieus-ethische beperkt; bij het chronologische, historische enz.
-wordt zij verzwakt of ontkend, zoodat hier grootere of kleinere fouten
-kunnen voorkomen. Het Woord Gods is te onderscheiden van de H. Schrift.
-Zoo leerden reeds de Socinianen. De schrijvers van O. en N. T. hebben
-wel geschreven divino spiritu impulsi eoque dictante, maar het O.
-T. heeft slechts historische waarde, alleen de leer is onmiddellijk
-geinspireerd, in het overige is een leviter errare mogelijk, Fock,
-Der Socin. 326 f. De Remonstranten namen hetzelfde standpunt in. Zij
-erkennen de inspiratie, Conf. art. 1, maar geven toe, dat de schrijvers
-zich soms minder exacte et praecise hebben uitgedrukt, Limborch,
-Theol. Christ. I c. 4 § 10, of soms ook in de circumstantiae fidei
-hebben gedwaald, Episcopius, Instit. Theol. IV 1 cap. 4, of sterker
-nog bij de historische boeken geen inspiratie behoefden noch ontvingen,
-H. Grotius, Votum pro pace ecclesiae, Clericus, bij Dr. Cramer, De
-geschied. van het leerstuk der inspiratie in de laatste twee eeuwen
-1887, bl. 24. Dezelfde leer over de inspiratie vinden wij dan bij S.
-J. Baumgarten, J. G. Töllner, Semler, Michaelis, Reinhard, Dogm. §
-19. Vinke, Theol. Christ. Dogm. Comp. 1853 p. 53-57. Egeling, Weg der
-Zaligheid, 3e dr. II 612, enz. Maar deze theorie stuitte toch op vele
-bezwaren. De scheiding tusschen hetgeen ter zaligheid noodig is en het
-bijkomstig historische is onmogelijk, wijl leer en geschiedenis in de
-Schrift geheel zijn dooreengeweven. Zij doet te kort aan de bewustheid
-der schrijvers, die hun gezag volstrekt niet tot het religieus-ethische
-beperken maar uitbreiden tot den ganschen inhoud hunner geschriften.
-Zij is in strijd met het gebruik der Schrift door Jezus, de apostelen
-en heel de christ. kerk. Deze dualistische opvatting maakte daarom
-plaats voor eene andere, de dynamische van Schleiermacher, Christ. Gl.
-§ 128-132. Zij bestaat hierin, dat de theopneustie van intellectueel op
-ethisch gebied wordt overgebracht. De inspiratie is niet in de eerste
-plaats eene eigenschap van de Schrift maar van de schrijvers. Dezen
-waren wedergeboren, heilige mannen; ze leefden in de nabijheid van
-Jezus, ondergingen zijn invloed, verkeerden in den heiligen kring der
-openbaring en werden alzoo vernieuwd, ook in hun denken en spreken.
-De inspiratie is de habitueele eigenschap der schrijvers. Hier deelen
-ook hunne geschriften in; ook zij dragen een nieuw, heilig karakter.
-Maar deze inspiratie der schrijvers is daarom niet essentieel, maar
-slechts gradueel van die van alle geloovigen onderscheiden, want alle
-geloovigen worden geleid door den H. Geest. Zij mag ook niet mechanisch
-worden opgevat, alsof zij slechts nu en dan en bij sommige onderwerpen
-het deel der schrijvers was. Gods Woord is niet mechanisch in de Schrift
-vervat gelijk de schilderij in de lijst, maar het doordringt en bezielt
-alle deelen der Schrift, gelijk de ziel alle leden des lichaams. Echter
-zijn niet alle deelen der Schrift deze inspiratie, dit woord Gods,
-in gelijke mate deelachtig; hoe dichter iets ligt bij het centrum der
-openbaring, hoe meer het ook den Geest Gods ademt. De Schrift is daarom
-tegelijk een goddelijk en een menschelijk boek, eenerzijds de hoogste
-waarheid bevattend en toch tevens zwak, feilbaar, onvolmaakt; niet de
-openbaring zelve maar oorkonde der openbaring; niet het woord Gods
-zelf maar beschrijving van dat woord; gebrekkig in velerlei opzicht maar
-toch een voldoend instrument voor ons, om tot eene feillooze kennis van
-de openbaring te geraken. Ten slotte is ook niet de Schrift, maar de
-persoon van Christus of in het algemeen de openbaring het principium
-der theologie. Natuurlijk laat deze theorie der inspiratie zeer vele
-wijzigingen toe; de theopneustie kan in meer of minder innig verband
-tot de openbaring worden gesteld, de werking des H. Geestes kan meer
-of minder positief worden opgevat, de mogelijkheid van dwaling kan meer
-of minder ver worden toegegeven. Maar de grondgedachten blijven toch
-dezelfde; de inspiratie is in de eerste plaats eene eigenschap van de
-schrijvers en daarna van hunne geschriften, zij is niet een momentane
-akte of eene bijzondere gave des H. Geestes maar eene habitueele
-eigenschap, zij werkt zoo dynamisch, dat mogelijkheid van dwaling niet
-in alle deelen wordt uitgesloten. Deze theorie heeft de oude leer der
-inspiratie bijna geheel vervangen. Er zijn slechts weinige theologen
-meer, die niet in hoofdzaak haar hebben overgenomen. Zie Rothe, Zur
-Dogm. 121 f. Twesten, Vorles. I 401 f. Dorner, Glaub. I 620 f. Lange,
-Dogm. I § 76 f. Tholuck, art. Inspir. in Herzog¹. Cremer, id. in
-Herzog². Hofmann, Weiss. u. Erf. I 25 f. Id. Schriftbeweis, 2e Aufl.
-I 670 f. III 98 f. Beck, Vorles. über christl. Glaub. I 424-530,
-Einleitung in das System der christl. Lehre, 2e Aufl. § 82 f. Kahnis,
-Luth. Dogm. I 254-301. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Id.
-Syst. der chr. Wahrheit, 2e Aufl. II. 409 f. Gess, Die Inspiration der
-Helden der Bibel und der Schriften der Bibel, Basel 1892. W. Volck,
-Zur Lehre von der H. Schrift, Dorpat 1885. Grau, Bew. d. Glaubens Juni
-1890, S. 225 f. Zöckler, Bew. d. Gl. April 1892 S. 150 f. Kähler, Wiss.
-der chr. Lehre, 1884, S. 388 f. Kübel, Ueber den Unterscheid zw. der
-posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol. 2e Aufl. S. 216 f.
-Pareau et H. de Groot, Comp. dogm. et apol. Christ. 1848 p. 200 sq. H.
-de Groot, De Gron. Godgel. 1855 bl. 59 v. Saussaye, mijne Theol. van
-Ch. d. l. S. 49-61. Roozemeyer, Stemmen v. W. en Vr. Juli 1891. Dr.
-Is. van Dijk, Verkeerd Bijbelgebruik 1891. Daubanton, De theopneustie
-der H. Schrift 1882. Oosterzee, Dogmatiek § 35 v. Id. Theopneustie
-1882. Doedes, Leer der zaligheid § 1-9. Id. De Ned. Geloofsbel. bl.
-11-36. R. F. Horton, Inspiration and the Bible 4 ed. London 1889.
-C. Gore, Lux mundi, 13 ed. London 1892, p. 247. Farrar and others,
-Inspiration, a clerical symposium, 2 ed. Londen 1888. W. Gladden, Who
-wrote the Bible, Boston, Houghton 1891. C. A. Briggs, Inspiration and
-inerrancy, with papers upon biblical scholarship and inspiration by L.
-J. Evans and H. P. Smiths, and an introduction by A. B. Bruce, London
-1891. J. de Witt, Inspiration 1893 enz. Ook Ritschl en zijne school mag
-hier bijgenoemd worden, in zoover deze tegenover de bewustzijnstheologie
-op de objectieve openbaring in Christus nadruk legt en in verband
-daarmede ook de Schrift tracht te waardeeren, A. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. II² 9 f. W. Herrmann, Die Bedeutung der Inspirationslehre für
-die ev. Kirche, Halle 1882. Kaftan, Wesen der christl. Rel. 1881 S.
-307 f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 212-252. E. Haupt, Die Bedeutung
-der H. Schrift für den evang. Christen, Gütersloh 1891 enz. Maar deze
-theorie bevredigt noch de gemeente noch ook de zoogenaamde wetenschap.
-De kritische bezwaren tegen de Schrift gelden niet de peripherie
-maar het centrum zelf der openbaring. Daarom zijn anderen nog verder
-gegaan en hebben heel de inspiratie als eene bovennatuurlijke werking
-van Gods Geest ontkend. De Bijbel is eene toevallige verzameling van
-menschelijke geschriften, zij het ook geschreven door mannen met een diep
-religieus gemoed en ontstaan onder een volk, dat bij uitnemendheid het
-volk van den godsdienst mag heeten. Van openbaring en ingeving is er
-dan nog slechts in overdrachtelijken zin sprake. Hoogstens is er eene
-bijzondere leiding van Gods algemeene voorzienigheid in het ontstaan en
-de verzameling dier geschriften op te merken. De inspiratie is alleen
-gradueel verschillend van de religieuse bezieling, waarin alle vromen
-deelen, Spinoza, Tract. theol. polit. cap. 12. Wegscheider, Instit.
-theol. § 13. Strauss, Glaub. I 136 f. Schweizer, Glaub. I 43 f. 179 f.
-Biedermann, Dogm. § 179-208. Pfleiderer, Grundriss § 39 f. Lipsius,
-Dogm. § 179 f. Scholten, L. H. K. I 78 v. Toch is het opmerkelijk,
-dat al deze mannen nog tot op zekere hoogte de religieuse waarde der
-Schrift blijven erkennen. Zij zien in haar niet alleen eene bron voor
-de kennis van Israël en van het eerste Christendom, maar trachten
-haar ook nog te handhaven als een genademiddel tot kweeking van het
-religieus-ethische leven, cf. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 bl.
-587 v. In zoover onderscheiden zij zich gunstig van alle radikalen, die
-met de Schrift geheel hebben afgerekend, alle piëteit voor haar hebben
-uitgeschud en niets dan spot en verachting voor haar over hebben.
-Hiervan waren in de eerste eeuwen Celsus en Lucianus de tolken; tegen
-het einde der Middeleeuwen vond de lastering van de tres impostores
-ingang; in de 18e eeuw werd aan dezen haat tegen het Christendom
-uiting gegeven door Voltaire, die van 1760 af voor het Christendom
-geen anderen naam had dan l’infâme en sedert 1764 zijne brieven meest
-onderteekende met écrasez l’infâme; en in deze eeuw is deze vijandschap
-tegen Christus en zijn woord nog toegenomen en uitgebreid.
-
-Tegenover al deze meer of min negatieve richtingen wordt de inspiratie
-der Schrift in positieven en vollen zin nog in deze eeuw erkend en
-verdedigd, behalve door Roomsche theologen, door I. da Costa, Over de
-godd. ingeving der H. S., uitgeg. door Ds. Eggestein, Rott. Bredée
-1884. Dr. A. Kuyper, De Schrift het woord Gods, Tiel 1870. Id. De
-hedend. Schriftcritiek, Amst. 1881. Toorenenbergen, Bijdragen tot de
-verklaring, toetsing en ontwikkeling van de leer der Herv. Kerk,
-1865, bl. 9 v. L. Gaussen, Theopneustie ou inspiration plénaire
-des S. Ecritures 1840. Id. Le Canon des S. Ecr. 1860. J. H. Merle
-d’Aubigné, L’autorité des Ecritures 1850. A. de Gasparin, Les écoles
-du doute et l’école de la foi 1853. Philippi, Kirchl. Glaub. 3e
-Aufl. 1883 I 125 f. Vilmar, Dogm. herausgeg. von Piderit, Gütersloh
-1874 I 91 f. W. Rohnert, Die Inspiration der H. Schrift u. ihre
-Bestreiter, Leipzig 1889. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie,
-Breslau 1891. Henderson, Divine Inspiration 1836. Rob. Haldane, The
-verbal inspiration of the old and new test. Edinb. 1830. Th. H.
-Horne, An introduction to the critical study and knowledge of the
-holy scriptures, 2e ed. London 1821 4 vol. vol. I. Eleazar Lord,
-The plenary inspiration of the holy Scripture, New-York 1858, ’9. W.
-Lee, The inspiration of holy Scripture, its nature and proof. 3e ed.
-Dublin 1864. Hodge, System. Theol. I 151. Shedd, Dogm. Theol. I 61
-B. Warfield, The real problem of inspiration, Presb. and Ref. Rev.
-Apr. 1893 p. 177-221. W. E. Gladstone, The impregnable rock of holy
-Scripture, 2 ed. London 1892.
-
-
-C. De inspiratie naar de Schrift.
-
-9. Het Oude Testament levert voor de leer der inspiratie de volgende
-belangrijke momenten: a) de profeten weten zich in een bepaald oogenblik
-van hun leven door den Heere geroepen, Exod. 3; 1 Sam. 3; Jes. 6; Jer.
-1; Ezech. 1-3; Am. 3:7, 8, 7:15. De roeping ging menigmaal in tegen
-hun eigen wensch en begeerte, Ex. 3; Jer. 20:7; Am. 3:8, maar Jahveh
-is hun te sterk geweest. De overtuiging onder Israel was algemeen, dat
-de profeten gezanten Gods waren, Jer. 26:5, 7:15, door Hem verwekt
-en gezonden, Jer. 29:15; Deut. 18:15; Num. 11:29; 2 Chron. 36:15,
-zijne knechten, 2 Kon. 17:23, 21:10, 24:2; Ezra 9:11; Ps. 105:15 enz.,
-staande voor zijn aangezicht, 1 Kon. 17:1; 2 Kon. 3:14, 5:16. b) Zij
-zijn zich bewust, dat Jahveh tot hen gesproken heeft, en zij van Hem
-de openbaring hebben ontvangen. Hij leert hen, wat zij spreken zullen,
-Ex. 2:12; Deut. 18:18, legt de woorden in hun mond, Num. 22:38, 23:5;
-Deut. 18:18, spreekt tot hen, Hos. 1:2; Hab. 2:1; Zach. 1:9, 13, 2:2,
-7, 4:1, 4, 11, 5:5, 10, 6:4; Num. 12:2, 8; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:28.
-Vooral wordt de formule gebruikt: alzoo zegt de Heere, of: het woord
-des Heeren geschiedde tot mij, of: woord, godspraak, נאם part. pass,
-het gesprokene van Jahveh. Heel de Oudtest. Schrift is vol van deze
-uitdrukking. Keer op keer wordt de profetische rede daardoor ingeleid.
-Zelfs wordt Jahveh telkens sprekende in den eersten persoon ingevoerd,
-Jos. 24:2; Jes. 1:1, 2, 8:1, 11; Jer. 1 vs. 2, 4, 11, 2:1, 7:1; Ezech.
-1:3, 2:1; Hos. 1:1; Joël 1:1; Am. 2:1 enz. Eigenlijk is het Jahveh,
-die door hen spreekt, 2 Sam. 23:1, 2, die door hun mond spreekt, Ex.
-4:12, 15; Num. 23:5, door hun dienst, Hagg. 1:1; 2 Kon. 17:13. Heel
-hun woord is gedekt door ’t gezag van Jahveh. c) Deze bewustheid is
-bij de profeten zoo klaar en vast, dat zij zelfs de plaats en den tijd
-aangeven, waar Jahveh tot hen sprak en onderscheid maken tusschen
-tijden, waarin Hij wel en waarin Hij niet tot hen sprak, Jes. 16:13,
-14; Jer. 3:6, 13:3, 26:1, 27:1; 28:1, 33:1, 34:1, 35:1, 36:1, 49:34;
-Ezech. 3:16, 8:1, 12:8; Hagg. 1:1; Zach. 1:1 enz. En daarbij is die
-bewustheid zoo objectief, dat zij zichzelf duidelijk onderscheiden van
-Jahveh; Hij spreekt tot hen, Jes. 8:1, 51:16, 59:21; Jer. 1:9, 3:6,
-5:14; Ez. 3:26 enz., en zij luisteren met hun ooren en zien met hun
-oogen, Jes. 5:9, 6:8, 21:3, 10, 22:14, 28:22; Jer. 23:18, 49:14; Ezech.
-2:8, 3:10, 17, 33:7, 40:4, 44:5; Hab. 3:2, 16; 2 Sam. 7:27; Job 33:16,
-36:10, en nemen de woorden van Jahveh in zich op, Jer. 15:16; Ezech.
-3:1-3. d) Vandaar dat zij eene scherpe tegenstelling maken tusschen wat
-God hun geopenbaard heeft en hetgeen er opkomt uit hun eigen hart,
-Num. 16:28, 24:13; 1 Kon. 12:33; Neh. 6:8; Ps. 41:6, 7. Zij leggen den
-valschen profeten juist ten laste, dat dezen spreken uit eigen hart,
-Ezech. 13:2, 3, 17; Jer. 14:14, 23:16, 26; Jes. 59:13, zonder gezonden
-te zijn, Jer. 14:14, 29:9; Ezech. 13:6, zoodat zij leugenprofeten, Jer.
-23:32; Jes. 9:14; Jer. 14:14, 20:6, 23:21, 22, 26, 31, 36, 27:14;
-Ezech. 13:6 v.; Mich. 2:11; Zeph. 3:4; Zach. 10:2 en waarzeggers zijn,
-Jes. 3:2; Mich. 3:5 v. Zach. 10:2; Jer. 27:9, 29:8; Ezech. 13:9, 12,
-21:26, 28, 34; Jes. 44:25. König II 163-167. Herzog² 16, 726. e) De
-profeten zijn zich eindelijk bewust, sprekende of schrijvende, niet hun
-eigen woord maar het woord des Heeren te verkondigen. Trouwens, het
-woord werd hun niet geopenbaard voor henzelf, maar voor anderen. Zij
-hadden geene vrijheid om het te verbergen. Zij moèten spreken, Jer. 20:7,
-9; Exod. 3, 4; Ezech. 3; Amos 3:8; Jona, en spreken dus niet naar
-menschelijke gunst of berekening, Jes. 56:10; Mich. 3:5, 11. Daarom
-zijn zij juist profeten, sprekers in Jahvehs naam en van zijn woord. En
-daarbij weten zij dan, te moeten geven alwat zij ontvangen hebben, Deut.
-4:2, 12:32; Jer. 1:7, 17, 26:2, 42:4; Ezech. 3:10. En uit een zelfden
-drang mag en moet ook het schrijven der profeten worden afgeleid. De
-letterlijke teksten, waar een bevel tot schrijven wordt gegeven, zijn
-weinige, Ex. 17:14, 24:3, 4, 34:27; Num. 33:2; Deut. 4:2, 12:32,
-31:19; Jes. 8:1, 30:8; Jer. 25:13, 30:1, 36:2, 24, 27-32; Ezech.
-24:1; Dan. 12:4; Hab. 2:2 en slaan maar op een zeer klein gedeelte
-der O. T. Schrift. Maar de schriftelijke opteekening is wel een later,
-maar toch noodzakelijk stadium in de geschiedenis van het profetisme.
-Vele profetieën zijn zeker nooit uitgesproken maar waren wel bestemd
-om gelezen en overdacht te worden. De meeste zijn met zorg, zelfs met
-kunst bewerkt en toonen reeds door hun vorm voor het schrift bestemd
-te zijn. De opteekening der Godspraken werd geleid door de gedachte,
-dat Israël niet meer door daden te redden was, dat nu en in verre
-geslachten de dienst van Jahveh door woord en redelijke overtuiging
-ingang moest vinden, Kuenen, Prof. I 74, II 345 v. Zij gingen schrijven
-omdat zij zich richten wilden tot anderen, dan alleen degenen, die
-hen hooren konden. f) Tusschen het ontvangen en het gesproken of
-geschreven woord bestaat verschil. Er zou niets vernederends voor
-de profeten in liggen, indien zij het ontvangen woord zoo letterlijk
-mogelijk hadden opgeteekend. Maar de openbaring ging voort ook in ’t
-moment der theopneustie en wijzigde en voltooide de vroegere openbaring,
-en deze werd dus vrij gereproduceerd. Maar daarom juist eischen de
-profeten voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor ’t
-gesproken woord. Zelfs maken de tusschenredenen der profeten tusschen
-de eigenlijke woorden van Jahveh in, bv. Jes. 6, 10:24-12:6, 31:1-3, 32,
-of de uitwerking van een woord van Jahveh door den profeet, 52:7-12,
-63:15-64:12 daarop geene uitzondering. De overgang van het woord van
-Jahveh in het woord van den profeet en omgekeerd is menigmaal zoo
-plotseling, en beide zijn zoo ineengestrengeld bijv. Jer. 13:18 v., dat
-scheiding niet mogelijk is. Zij hebben dezelfde autoriteit, Jer. 36:10,
-11, 25:3. Jesaia noemt 34:16 zijne eigene opgeteekende profetieën het
-Boek van Jahveh. g) De profeten leiden hunne openbaring niet af uit de
-wet. Ofschoon uit hun geschriften de omvang der thora niet kan bepaald
-worden, toch onderstelt de profetie eene thora. Alle profeten staan
-op den grondslag eener wet, zij plaatsen zich met hun tegenstanders op
-eene gemeenschappelijke basis. Zij onderstellen allen een door God met
-Israel gesloten verbond, eene genadige verkiezing van Israel, Hos.
-1:1-3, 6:7, 8:3; Jerem. 11:6 v., 14:21, 22:9, 31:31 v.; Ezech. 16:8 v.;
-Jes. 54:10, 56:4, 6, 59:21. De profeten zijn niet de scheppers van een
-nieuwen godsdienst, van een ethisch monotheïsme geweest, Kuenen, Prof.
-II 335 v. De verhouding van Jahveh tot Israel was nimmer gelijk aan
-die van Kamos tot Moab, Kuenen, Godsd. van Israel I 222. De profeten
-gewagen nooit van zulk eene tegenstelling tusschen hun religie en
-die des volks. Zij erkennen, dat het volk schier alle eeuwen door aan
-afgoderij zich schuldig heeft gemaakt; maar zij beschouwen dat altijd en
-eenparig als ontrouw en afval, zij gaan er van uit, dat het volk beter
-wist. Zij knoopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde
-historie zich vast. Zij spreken uit de overtuiging, dat zij met het
-volk denzelfden dienst Gods gemeen hebben, dat Jahveh hen verkoren en
-geroepen heeft tot zijn dienst. Daarin vinden zij hun kracht, en daarom
-toetsen zij het volk aan de van rechtswege tusschen hen en Jahveh
-bestaande verhouding, Hos. 12:14; Mich. 6:4, 8; Jes. 63:11; Jer. 7:25
-enz., König, Die Hauptprobleme der altisr. Religionsgeschichte 1884 S.
-15 f. 38 f. De thora duidt niet alleen onderwijzing Gods in het algemeen
-aan, maar is meermalen ook de naam voor de reeds bestaande, objectieve
-openbaring van Jahveh, Jes. 2:3; Mich. 4:2; Am. 2:4; Hos. 8:1, 4:6;
-Jer. 18:18; Ezech. 7:26; Zeph. 3:4. Het verbond Gods met Israel, op
-welks grondslag de profeten met heel het volk staan, sluit vanzelf
-ook allerlei inzettingen en rechten in, en de profeten spreken daarom
-telkens van geboden, Jes. 48:18; Jer. 8:13, inzettingen Jes. 24:5; Jer.
-44:10, 23; Ezech. 5:6, 7, 11:12, 20, 18:9, 17, 20:11 v., 36:27, 37:24;
-Am. 2:4; Zach. 1:6; Mal. 3:7, 4:4; rechten, Ezech. 5:7, 11:12 enz. Deze
-thora moet hebben bevat de leer van de eenheid van Jahveh, van zijne
-schepping en regeering aller dingen, het verbod der afgoderij, en andere
-godsdienstige en zedelijke geboden, en voorts ook allerlei ceremonieele
-(sabbat, offer, reinheid enz.) en historische (schepping, uittocht uit
-Egypte, bondssluiting enz.) bestanddeelen. Over den omvang der thora
-vóór het profetisme moge verschil kunnen bestaan, de verhouding van wet
-en profeten kan niet worden omgekeerd, zonder met heel de geschiedenis
-van Israel en het wezen van het profetisme in botsing te geraken. De
-profeet onder Israel was als het ware die lebendige Stimme des Gesetzes
-und der Vermittler seiner Erfüllung (Staudenmaier). De meest negatieve
-kritiek ziet zich gedwongen, om de persoonlijkheid van Mozes en zijn
-monotheisme, het verblijf in Egypte, den uittocht, de verovering van
-Kanaän enz. nog als historisch aan te nemen, ofschoon hun bij hunne
-kritiek van den Pentateuch alle grond daartoe ontbreekt, cf. bijv.
-Smend, Lehrb. der altt. Rel. S. 13 f. h) Het is apriori waarschijnlijk,
-dat bij een volk, zoo lang reeds met de schrijfkunst bekend, Herzog² 13,
-689 f. de wet ook reeds lang in geschreven vorm zal hebben bestaan.
-In Hos. 8:12 schijnt dit ook uitgesproken te zijn, Bredenkamp, Gesetz
-und Proph. 21 f. König, Der Offenbarungsbegriff II 333 f. Deze thora
-had van den aanvang af gezag onder Israel. Van twijfel of bestrijding is
-niets bekend. Mozes nam onder alle profeten eene geheel eenige plaats
-in, Ex. 33:11; Num. 12:6-8; Deut. 18:18; Ps. 103:7, 106:23; Jes. 63:11;
-Jer. 15:1 enz. Hij stond tot Jahveh in eene bijzondere relatie; de Heere
-sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Hij was de Middelaar des O.
-Testaments. Overal schrijft de wet zich zelve een goddelijken oorsprong
-toe. Het is Jahveh, die door Mozes aan Israel de thora gegeven heeft.
-Niet alleen de tien woorden Ex. 20 en het Bondsboek Ex. 21-23; maar
-ook alle andere wetten worden uit een spreken Gods tot Mozes afgeleid.
-Elk oogenblik komt in de wetten van den Pentateuch de formule voor:
-de Heere zeide of sprak tot Mozes. Ieder hoofdstuk haast begint er
-mede, Ex. 25:1, 30:11, 17, 22, 31:1, 32:9 enz.; Lev. 1:1, 4:1, 6:1
-enz.; Num. 1:1, 2:1, 3:44, 4:1 enz. En Deuteronomium wil niets geven
-dan wat Mozes tot de kinderen Israels gesproken heeft, Deut. 1:6, 2:1,
-2, 17, 3:2, 5:2, 6:1 enz. i) De historische boeken des O. T. zijn alle
-door profeten en in profetischen geest geschreven, 1 Kron. 29:29; 2
-Kron. 9:29, 20:34 enz. De profeten verwijzen in hunne toespraken en
-geschriften niet alleen herhaaldelijk naar Israels geschiedenis, maar zij
-zijn het ook, die deze bewaard, bewerkt en ons overgeleverd hebben. Maar
-zij bedoelen daarmede geenszins, om ons een getrouw en aaneengeschakeld
-verhaal te verschaffen van de lotgevallen van het Israelietische volk,
-gelijk andere geschiedschrijvers dat beoogen. De profeten stellen zich
-ook in de historische boeken des O. T. op den grondslag der thora
-en beschouwen en beschrijven van uit haar standpunt de geschiedenis
-van Israel, Richt. 2:6-3:6; 2 Kon. 17:7-23, 34-41. De historische
-boeken zijn de commentaar in feiten van het verbond Gods met Israel.
-Zij zijn geen geschiedenis in onzen zin maar profetie, en willen naar
-een anderen maatstaf beoordeeld zijn dan de geschiedboeken der andere
-volken. Het is hun niet daarom te doen, dat wij nauwkeurige kennis
-zouden verkrijgen van Israels geschiedenis, maar dat wij in de historie
-van Israel de openbaring Gods, zijne gedachte en zijn raad zouden
-verstaan. De profeten zijn altijd verkondigers van het woord van Jahveh,
-zoowel waar zij achterwaarts zien in de historie als wanneer zij vooruit
-blikken in de toekomst. j) Wat eindelijk de in engeren zin poëtische
-boeken betreft, die in den kanon zijn opgenomen, deze dragen alle
-evenals de andere O. T. geschriften een religieus-ethisch karakter.
-Zij onderstellen de openbaring Gods als haar objectieven grondslag
-en laten de uitwerking en toepassing zien van die openbaring in de
-verschillende toestanden en verhoudingen van het menschelijk leven. De
-Prediker schetst de ijdelheid der wereld zonder en tegenover de vreeze
-des Heeren. Job houdt zich bezig met het probleem van de gerechtigheid
-Gods en het lijden der vromen. De Spreuken schilderen ons de ware
-wijsheid in hare toepassing op het rijke menschenleven. Het Hooglied
-bezingt de innigheid en de kracht der liefde. En de Psalmen doen in den
-spiegel van de ervaringen der vromen Gods menigvuldige genade ons zien.
-De lyrische en didactische poëzie treedt onder Israel in den dienst van
-de openbaring Gods. Volgens 2 Sam. 23:1-3 sprak David, de liefelijke in
-zangen Israels, door den Geest van Jahveh en was diens woord op zijne
-tong. k) Naarmate de verschillende geschriften des O. T. ontstonden en
-bekend werden, werden zij ook als gezaghebbend erkend. De wetten van
-Jahveh werden in het heiligdom gelegd, Ex. 25:22, 38:21, 40:20; Deut.
-31:9, 26; Jos. 24:25 v.; 1 Sam. 10:25. De dichterlijke voortbrengselen
-werden bewaard, Deut. 31:19; Jos. 10:13; 2 Sam. 1:18; de Psalmen werden
-reeds vroeg ten behoeve van den cultus verzameld, Ps. 72:20; van de
-Spreuken legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan,
-Spr. 25:1. De profetieën werden veel gelezen, Ezechiel kent Jesaia en
-Jeremia, latere profeten beroepen zich op de voorafgaande. Daniel,
-cap. 9:2 kent reeds eene verzameling van profetische geschriften,
-waartoe ook Jeremia behoorde. In de na-exilische gemeente staat het
-gezag van wet en profetieën vast, gelijk uit Ezra, Haggai en Zacharia
-duidelijk blijkt. Jezus ben Sirach stelt wet en profeten zeer hoog, cap.
-15:1-8, 24:23, 39:1 v.; cap. 44-49. In de voorrede maakt zijn kleinzoon
-gewag van drie deelen, waarin de Schrift is gesplitst. De LXX bevat
-verschillende apocriefe geschriften, maar deze getuigen zelve voor het
-gezag der kanonische boeken, 1 Makk. 2:50; 2 Makk. 6:23; Wijsh. 11:1,
-18:4; Baruch 2:28; Tob. 1:6, 14:7; Jezus Sir. 1:5, 17:12, 24:23, 39:1,
-46:15, 48:25 enz. Philo citeert alleen kanonische boeken. Het vierde
-boek van Ezra cap. 14:18-47 kent de indeeling in 24 boeken. Josephus,
-c. Ap. 1, 8, telt 22 boeken in drie deelen. Omnium consensu was de
-Oudtestamentische kanon van Philo en Josephus aan den onzen gelijk, G.
-Wildeboer, Het ontstaan van den Kanon des O. V. 1889 bl. 126 v. 134.
-Strack in Herzog² 7, 429.
-
-10. Deze kanon des Ouden Testaments bezat voor Jezus en de apostelen,
-evenals voor hunne tijdgenooten, goddelijke autoriteit. Dit blijkt
-duidelijk uit de volgende gegevens: a) de formule, waarmede het O. T.
-in het N. wordt aangehaald, is verschillend maar bewijst altijd, dat het
-O. T. voor de schrijvers van het N. T. van goddelijken oorsprong is en
-een goddelijk gezag draagt. Jezus haalt soms eene plaats uit het O. T.
-aan met den naam van den schrijver, bijv. van Mozes, Mt. 8:4, 19:8; Mk.
-7:10; Joh. 5:45, 7:22; Jesaia, Mt. 15:7; Mk. 13:14; David, Mt. 22:43;
-Daniël, Mt. 24:15, maar citeert menigmaal ook met de formule: er staat
-geschreven, Mt. 4:4 v., 11:10; Luk. 10 vs. 26; Joh. 6:45, 8:47, of:
-de Schrift zegt, Mt. 21:42; Luk. 4:21; Joh. 7:38, 10:35, of ook naar
-den auctor primarius, d. i. God of den H. Geest, Mt. 15:4, 22:43, 45,
-24:15; Mk. 12:26. De Evangelisten bezigen dikwerf de uitdrukking:
-hetgeen gesproken is door den profeet, Mt. 1:22, 2:15, 17, 23, 3:3
-enz. of door den Heere of door den H. Geest, Mt. 1 vs. 22, 2:15; Luk.
-1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. Johannes citeert gewoonlijk bij den
-auctor secundarius, cap. 1:23, 46, 12:38. Paulus spreekt altijd van de
-Schrift, Rom. 4:3, 9:17, 10:11, 11:2; Gal. 4:30; 1 Tim. 5:18 enz., die
-soms zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3:8, 22, 4:30;
-Rom. 9:17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of den H. Geest
-als auctor primarius, 1:5 v., 3:7, 4:3, 5, 5:6, 7:21, 8:5, 8, 10:16,
-30, 12:26, 13:5. Deze wijze van citeeren leert klaar en duidelijk, dat
-de Schrift des O. V. voor Jezus en de apostelen wel uit verschillende
-deelen samengesteld en van verschillende schrijvers afkomstig was, maar
-toch één organisch geheel vormde, dat God zelven tot auteur had. b)
-Meermalen wordt dit goddelijk gezag der O. T. Schrift door Jezus en de
-apostelen ook beslist uitgesproken en geleerd, Mt. 5:17; Luk. 16:17,
-29; Joh. 10:35; Rom. 15:4; 1 Petr. 1:10-12; 2 Petr. 1:19, 21; 2 Tim.
-3:16. De Schrift is eene eenheid, die noch in haar geheel noch in haar
-deelen gebroken en vernietigd kan worden. In den laatst aangehaalden
-tekst wordt de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig,
-gedrukt door het bezwaar, dat dan achter ὠφελιμος het praedikaat
-ἐστιν niet had kunnen ontbreken, Hofmann, Weiss. u. Erf. I 43. De
-overzetting: iedere schrift, gansch in het algemeen, is theopneust
-en nuttig, wordt door den aard der zaak uitgesloten. Er blijft dus
-slechts keuze tusschen de beide vertalingen: de gansche Schrift, of:
-iedere Schrift, n.l. die in τα ἱερα γραμματα, vs. 15 begrepen is, is
-theopneust. Zakelijk geeft dit geen verschil, en met het oog op plaatsen
-als Mt. 2:3; Hd. 2:36; 2 Cor. 12 vs. 12; Ef. 1:8, 2:21, 3:15; Col.
-4:12; 1 Petr. 1:15; Jak. 1:2 schijnt πας zonder artikel toch ook wel
-geheel te kunnen beteekenen. c) Nooit staan Jezus of de apostelen
-kritisch tegenover den inhoud van het O. T., maar zij aanvaarden
-dien geheel en zonder voorbehoud. In alle deelen, niet alleen in de
-religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf
-spreekt, maar ook in haar historische bestanddeelen wordt de Schrift
-des O. T. onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk erkend. Jezus
-houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van Jesaia, Mt. 13:14, Ps. 110 van
-David, Mt. 22:43, de Mt. 24:15 aangehaalde profetie van Daniël, en
-schrijft de wet aan Mozes toe, Joh. 5:46. De historische verhalen des
-O. T. worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de
-schepping des menschen, Mt. 19:4, 5; Abels moord, Mt. 22 vs. 35; de
-zondvloed, Mt. 24:37-39; de geschiedenis der aartsvaders, Mt. 22:32,
-Joh. 8:56; de verwoesting van Sodom, Mt. 11:23, Luk. 17:28-33; de
-brandende braambosch, Luk. 20:37; de slang in de woestijn, Joh. 3:14;
-het manna, Joh. 6:32; de geschiedenis van Elia, Luk. 4:25, 26; Naäman,
-ib., Jona, Mt. 12:39-41 enz. d) Dogmatisch is het O. T. voor Jezus
-en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, πασης ἀντιλογιας
-περας. Het O. T. is vervuld in het Nieuwe. Het wordt meermalen zoo
-voorgesteld, alsof alles is geschied met het doel om de H. Schrift te
-vervullen, ἱνα πληρωθῃ το ρηθεν, Mt. 1:22 en passim, Mk. 14:49, 15:28;
-Luk. 4:2, 24:44; Joh. 13:18, 17:12, 19:24, 36; Hd. 1:16; Jak. 2:23
-enz. Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt,
-Mt. 21:16; Luk. 4:21, 22:37; Joh. 15:25, 17:12, 19:28 enz.; alwat aan
-Jezus is geschied, is tevoren in het O. T. beschreven, Luk. 18:31-33.
-Jezus en de apostelen rechtvaardigen hun gedrag en bewijzen hunne leer
-telkens met een beroep op het O. Test., Mt. 12:3, 22:32; Joh. 10:34;
-Rom. 4; Gal. 3; 1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit der Schrift
-strekt zich zoo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een
-tittel en jota daardoor gedekt wordt, Math. 5:17, 22:45; Luk. 16:17;
-Joh. 10:35; Gal. 3:16. e) Desniettemin wordt het O. T. in het N. T.
-doorgaans naar de grieksche vertaling der LXX geciteerd. De schrijvers
-van het N. T., schrijvende in het grieksch en voor grieksche lezers,
-gebruikten gemeenlijk de vertaling, die aan dezen bekend en voor hen
-toegankelijk was. De citaten kunnen naar hunne verhouding tot den Hebr.
-tekst en tot de grieksche vertaling in drie groepen worden verdeeld.
-In sommige teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met
-den Hebr. tekst, b.v. Mt. 2:15, 18, 8:17, 12:18-21, 27:46; Joh. 19:37;
-Rom. 10:15, 16, 11:9; 1 Cor. 3:19, 15:54. In andere is er omgekeerd
-overeenstemming met de LXX en afwijking van het Hebr., bijv. Mt. 15:8, 9;
-Hd. 7:14, 15:16, 17; Ef. 4:8; Hebr. 10:5, 11:21, 12:6. In eene derde
-groep van citaten is er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX
-en Hebr. tekst, bijv. Mt. 2:6, 3:3, 26:31; Joh. 12:15, 13:18; Rom.
-10:6-9; 1 Cor. 2:9. Ook verdient het opmerking, dat sommige boeken des
-O. T. nl. Ezra, Neh., Ob., Nah., Zef., Esth., Pred. en Hoogl. nooit in
-het N. T. worden aangehaald; dat er wel geen apocriefe boeken worden
-geciteerd maar toch in 2 Tim. 3:8; Hebr. 11:34 v.; Judas 9 v. 14 v.,
-namen en feiten worden vermeld, die in het O. T. niet voorkomen; en dat
-enkele malen ook grieksche klassieken worden aangehaald, Hd. 17:18;
-1 Cor. 15:33; Tit. 1:12. f). Wat eindelijk het materieel gebruik van
-het O. T. in het N. T. aangaat, ook hierin is er groot verschil. Soms
-dienen de citaten tot bewijs en bevestiging van eenige waarheid, bijv.
-Mt. 4:4, 7, 10, 9:13, 19:5, 22:32; Joh. 10:34; Hd. 15:16, 23:5; Rom.
-1:17, 3:10 v., 4:3, 7, 9:7, 12, 13, 15, 17, 10:5; Gal. 3:10, 4:30; 1
-Cor. 9:9, 10:26; 2 Cor. 6:17. Zeer dikwijls wordt het O. T. aangehaald
-ten bewijze, dat het in het N. T. vervuld _moest_ worden en vervuld is;
-hetzij in letterlijken zin, Mt. 1:23, 3:3, 4:15, 16, 8:17, 12:18, 13:14,
-15, 21:42, 27:46; Mk. 15:28; Luk. 4:17 v.; Joh. 12:38; Hd. 2:17, 3:22,
-7:37, 8:32, enz., hetzij in typischen zin, Mt. 11:14, 12:39 v., 17:11;
-Luk. 1:17; Joh. 3:14, 19:36; 1 Cor. 5:7, 10:4; 2 Cor. 6:16; Gal. 3:13,
-4:21; Hebr. 2:6-8, 7:1-10, enz. Meermalen dienen de citaten uit het O.
-T. eenvoudig tot opheldering, toelichting, vermaning, vertroosting,
-enz., bijv. Luk. 2:23; Joh. 7:38; Hd. 7:3, 42; Rom. 8:36; 1 Cor. 2:16,
-10:7; 2 Cor. 4:13, 8:15, 13:1; Hebr. 12:5, 13:15; 1 Petr. 1:16, 24, 25,
-2:9. Bij dat gebruik worden wij door den zin, dien de N. T. schrijvers in
-den tekst des O. T. vinden, menigmaal verrast; zoo vooral in Mt. 2:15,
-18, 23, 21:5, 22:32, 26:31, 27:9, 10, 35; Joh. 19:37; Hd. 1:20, 2:31;
-1 Cor. 9:9; Gal. 3:16, 4:22 v.; Ef. 4:8 v.; Hebr. 2:6-8, 10:5. Deze
-exegese van het O. in het N. T. onderstelt bij Jezus en de apostelen de
-gedachte, dat een woord of zin veel dieper beteekenis en veel verdere
-strekking kan hebben, dan de schrijver er bij vermoed of er in neergelegd
-heeft. Dit is ook meermalen bij klassieke schrijvers het geval. Niemand
-zal meenen, dat Goethe bij het neerschrijven van zijne klassieke poëzie
-dat alles voor den geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt.
-Hamerling heeft in zijn Epilog an die Kritiker, Poet. Werke, Tiel
-Campagne I 142 f. dit duidelijk uitgesproken. Bij de Schrift is dit nog
-in veel sterker mate het geval, wijl zij naar de overtuiging van Jezus
-en zijne apostelen den H. Geest tot auctor primarius heeft en een
-teleologisch karakter draagt, cf. ook Valeton, Theol. Stud. 1887 aflev.
-6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend S. 236. Niet in die enkele
-bovengenoemde plaatsen slechts, maar in heel de opvatting en uitlegging
-van het O. Test., wordt het N. Test. gedragen door de gedachte, dat het
-Israelietische zijne vervulling heeft in het Christelijke. De gansche
-oeconomie des O. V. met al hare instellingen en rechten en in heel haar
-geschiedenis wijst henen naar de bedeeling des N. Verbonds. Niet het
-Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam van de
-schatten des heils, aan Abraham en zijn zaad beloofd. Litt. over het O.
-T. in het N. T., Glassius, Philologia Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius,
-Βιβλος καταλλαγης, in quo sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et
-modos interpretandi conciliantur loca V. T. in N. T. allegata, Amst.
-1713. J. Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum
-in oraculis ex V. T. in N. allegatis, Tub. 1773-81. Th. Randolph, The
-prophecies and other texts cited in the New Test. compared with the
-Hebr. Original and with the Sept. version, Oxf. 1782. Dr. H. Owen,
-The modes of quotation used by the evangelical writers explained and
-vindicated, Lond. 1789. F. H. Horne, An introduction to the critical
-study and knowledge of the holy Script. 4 vol. Lond. 1821 II 356-463.
-C. Sepp, De leer des N. T. over de H. Schrift des O. V. 1849. Tholuck,
-Das A. T. im N. 6e Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 f. Hofmann,
-Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841. E. Haupt, Die altt.
-Citate in den vier Evang. 1871. Kautzsch, De V. T. locis a Paulo
-allegatis, 1869. E. Böhl, Forschungen nach einer Volksbibel zur Zeit
-Jesu 1873. Id. Die altt. Citate im N. T. 1878. K. Walz, Die Lehre der
-Kirche von der Schrift nach der Schrift selbst geprüft, Leiden 1884.
-Kuenen, De Profeten II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old
-Test. Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des A. T.
-im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer, Die altt. Citate
-bei Paulus usw. Freiburg 1895.
-
-11. Voor de inspiratie des N. T. vinden wij in de schriften der
-apostelen de volgende gegevens: a) Jezus’ getuigenis geldt in heel
-het N. T. als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is de Logos, die
-den Vader verklaart, Joh. 1:18, 17:6; ὁ μαρτυς ὁ πιστος και ἀληθινος,
-Op. 1:5, 3:14; cf. Jes. 55:4, de Amen, in wien alle beloften Gods ja
-en amen zijn, Op. 3:14; 2 Cor. 1:20. Er is geen bedrog, δολος, in zijn
-mond geweest, 1 Petr. 2:22. Hij is de Apostel en Hoogepriester onzer
-belijdenis, Hebr. 3:1; 1 Tim. 6:13. Hij spreekt niet ἐκ των ἰδιων, gelijk
-Satan die een leugenaar is, Joh. 8:44. Maar God spreekt door Hem, Hebr.
-5:1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8:42 en spreekt niets dan wat
-Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3:32. Hij spreekt de woorden Gods,
-Joh. 3:34, 17:8 en geeft alleen aan de waarheid getuigenis, 5:33,
-18:37. Daarom is zijne getuigenis waarachtig, Joh. 8:14, 14:6, door de
-getuigenis van God zelven bevestigd, 5:32, 37, 8:18. Niet alleen is
-Jezus in ethischen zin heilig en zonder zonde, Joh. 8:46, maar Hij is
-ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog. Het is volkomen
-waar, dat Jezus zich in engeren zin niet bewogen heeft op het gebied
-der wetenschap. Hij kwam op aarde om ons den Vader te verklaren en zijn
-werk te volbrengen. Maar de inspiratie der Schrift, waarover Jezus
-zich uitspreekt, is geen wetenschappelijk probleem maar een religieuse
-waarheid. Indien Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op
-een punt, dat ten nauwste samenhangt met het religieuse leven, en
-kan Hij ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze
-hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag der H. Schrift vormt
-een gewichtig bestanddeel in de woorden Gods, die Jezus verkondigd
-heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geene buitengewone,
-bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen actus transiens;
-maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven had, zou Hij daarbij
-geene bijzondere assistentie des H. G. hebben noodig gehad. Hij had de
-inspiratie als eene buitengewone gave niet noodig, wijl Hij den Geest
-ontving niet met mate, Joh. 3:34, de Logos was, Joh. 1:1 en de volheid
-Gods lichamelijk in Hem woonde, Col. 1:19, 2:9. b) Jezus heeft ons
-echter niets in geschrifte nagelaten, en Hij zelf is heengegaan. Zoo
-moest Hij dan zorg dragen, dat zijne waarachtige getuigenis onvervalscht
-en zuiver aan de menschheid werd overgegeven. Daartoe kiest Hij de
-apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon ambt en een gansch
-bijzondere dienst in Jezus’ gemeente. De apostelen zijn Hem bepaald door
-den Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelven uitverkoren, Joh. 6:70,
-13:18, 15:16, 19 en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige
-taak voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks
-na Jezus’ heengaan, als _getuigen_ moesten optreden, Luk. 24:48; Joh.
-15:27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden en werken
-geweest; zij hadden het woord des levens met de oogen aanschouwd en met
-de handen getast, 1 Joh. 1:1, en hadden nu deze getuigenis aangaande
-Jezus te brengen aan Israel en aan de geheele wereld, Mt. 28:19; Joh.
-15:27, 17:20; Hd. 1:8. Maar alle mensch is leugenachtig, God alleen is
-waarachtig, Rom. 3:4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen
-onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van hen bedient
-Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke getuige, die
-trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de H. Geest. Hij is de Geest
-der waarheid, en zal van Jezus getuigen, Joh. 15:26, en de apostelen
-kunnen eerst als getuigen optreden na en door Hem, Joh. 15:27. Die
-Geest wordt dan ook in bijzonderen zin aan de apostelen beloofd en
-geschonken, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 20:22. Vooral Joh.
-14:26 leert dat duidelijk. De H. Geest ὑπομνησει ὑμας παντα ἁ εἰπον
-ὑμιν. Hij zal de jongeren met hun personen en gaven, met hun herinnering
-en oordeel enz. in zijn dienst nemen. Hij zal aan de openbaring materieel
-niets nieuws toevoegen, wat niet reeds in Christus’ persoon, woord
-en werk besloten ligt, want Hij neemt alles uit Christus en maakt de
-apostelen in zooverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al
-de waarheid, Joh. 14:26, 16:13, 14. En deze getuigenis des H. Geestes
-door den mond der apostelen is de verheerlijking van Jezus, Joh. 16:14,
-gelijk Jezus’ getuigenis eene verheerlijking was van den Vader, 17:4. c)
-Met dien Geest in bijzonderen zin toegerust, Joh. 20:22; Hd. 1:8; Ef.
-3:5, treden de apostelen na den Pinksterdag ook openlijk als getuigen
-op, Hd. 1:8, 21, 22, 2:14, 32, 3:15, 4:8, 20, 33, 5:32, 10:39, 51,
-13:31. In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben,
-ligt de beteekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen en
-bekwaamd. Daaraan ontleenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen zij
-zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht weder aan hun
-getuigenis zijn zegel door teekenen en wonderen, en geestelijken zegen,
-Mt. 10:1, 9; Mk. 16:15 v.; Hd. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8, 8:6 v.,
-10:44, 11:21, 14:3, 15:8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure
-suo, de leiders der Jeruzalemsche gemeente, zij hebben opzicht over
-de geloovigen in Samaria, Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32,
-11:22, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, en genieten
-eene algemeen erkende autoriteit. Zij spreken en handelen krachtens
-de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus nergens een expres bevel
-gaf om ook zijne woorden en daden op te teekenen --alleen in de Openb.
-is meermalen van een bevel tot schrijven sprake, 1:11, 19, enz.-- de
-apostelen spreken in hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven
-is een bijzondere vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen
-van Christus, Luk. 1:2; Joh. 1:14, 19:35, 20:31, 21:24; 1 Joh. 1:1-4;
-1 Petr. 1:12, 5:1; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3; Op. 1:3, 22:18, 19. Hun
-getuigenis is getrouw en waarachtig, Joh. 19:35; 3 Joh. 12. d) Onder
-de apostelen staat Paulus weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen om
-tegen de Judaïsten zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1-2; 1 Cor.
-1:10-4:21; 2 Cor. 10-13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat
-hij van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1:14; door Jezus zelf tot
-apostel is geroepen, Gal. 1:1; Jezus zelf persoonlijk heeft gezien,
-1 Cor. 9:1, 15:8; met openbaringen en gezichten verwaardigd werd, 2
-Cor. 12; Hd. 26:16; van Jezus zelf zijn Evangelie ontvangen heeft, Gal.
-1:12; 1 Tim. 1:12; Ef. 3:2-8, en dus evengoed als de andere apostelen
-een zelfstandig en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen,
-Hd. 26:16; ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en teekenen,
-1 Cor. 12:10, 28; Rom. 12:4-8, 15:18, 19; 2 Cor. 11:23 v.; Gal. 3:5;
-Hebr. 2:4; en met geestelijken zegen, 1 Cor. 15:10; 2 Cor. 11:5, enz.
-Hij is zich daarom bewust, dat er geen ander evangelie is dan ’t zijne,
-Gal. 1:7; dat hij getrouw is, 1 Cor. 7:25; den Geest Gods heeft, 1 Cor.
-7:40; dat Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13:3; 1 Cor. 2:10, 16; 2
-Cor. 2:17, 5:23; dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor. 2:17; 1 Thess.
-2:13; tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden toe, 1 Cor. 2:4, 10-13;
-en niet alleen als hij spreekt maar ook als hij schrijft, 1 Thess. 5:27;
-Col. 4:16; 2 Thess. 2:15, 3:14. Evenals de andere apostelen treedt
-Paulus meermalen met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2:9,
-en geeft bindende bevelen, 1 Cor. 7:40; 1 Thess. 4:2, 11; 2 Thess.
-3:6-14. En wel beroept hij zich eene enkele maal op het oordeel der
-gemeente, 1 Cor. 10:15, maar niet om zijne uitspraak aan haar goed- of
-afkeuring te onderwerpen, maar integendeel om door het geweten en het
-oordeel der gemeente, die immers ook den Geest Gods en de zalving van
-den Heilige heeft, 1 Joh. 2:20, gerechtvaardigd te worden. Zoo weinig
-maakt Paulus zich daarmede van het oordeel der gemeente afhankelijk,
-dat hij 1 Cor. 14:37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn
-en den Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijne erkentenis,
-dat hetgeen Paulus schrijft des Heeren geboden zijn. e) Deze geschriften
-van de apostelen hadden van stonde aan autoriteit in de gemeenten,
-waar ze bekend waren. Ze werden spoedig verbreid en kregen daardoor
-steeds uitgebreider gezag, Hd. 15:22 v.; Col. 4:16. De Synoptische
-Evangeliën toonen eene zoo groote verwantschap, dat het eene geheel
-of gedeeltelijk aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan
-Petrus bekend, en 2 Petr. 3:16 kent reeds vele brieven van Paulus en
-stelt ze met de andere Schriften op ééne lijn. Langzamerhand kwamen er
-vertalingen van N. T. geschriften ter voorlezing in de gemeente, Just.
-M. Apol. 1:67. In de eerste helft der tweede eeuw moeten deze reeds
-hebben bestaan, Papias bij Euseb. H. E. 3:39. Just. M. Apol. 1:66, 67.
-Een dogmatisch gebruik wordt er al van gemaakt door Athenagoras, de
-resurr. c. 16, die daar zijne redeneering bewijst met 1 Cor. 15:33; 2
-Cor. 5:10. En Theophilus, ad Autol. 3:4 haalt teksten uit Paulus aan
-met de formule, διδασκει, κελευει ὁ θειος λογος. Irenaeus adv. haer.
-3, 11, Tert. ad Prax. 15 en anderen, de Peschitto en het fragment van
-Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e helft der 2e
-eeuw de meeste geschriften van het N. T. kanonisch gezag hadden en met
-de boeken des O. V. eene gelijke digniteit genoten. Over sommige boeken,
-Jak., Jud., 2 Petr., 2 en 3 Joh. bleef er verschil bestaan, Euseb. H.
-E. 3:25. Maar de bedenkingen tegen deze antilegomena werden in de 3e
-eeuw steeds minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo Regius
-in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegomena opnemen en
-den kanon sluiten. Deze besluiten der kerk waren geen eigenmachtige
-en autoritaire handeling, maar slechts codificatie en registratie
-van het recht, dat ten aanzien van deze geschriften reeds lang in de
-gemeenten had bestaan. De kanon is niet gevormd door een besluit van
-concilien. Canon non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a
-Deo animorum temporumque rectore, productus est, Loescher bij Herzog² 7,
-424. In den belangrijken strijd van Harnack en Zahn over de geschiedenis
-van den N. T. kanon legt Harnack ongetwijfeld te eenzijdig nadruk op
-de begrippen, Goddelijkheid, onfeilbaarheid, inspiratie, kanon, op de
-formeele vaststelling van het dogma der N. T. Schrift. Lang voordat
-dit in de 2e helft der 2e eeuw geschiedde, waren de N. T. geschriften
-door het gezag der apostelen, de voorlezing in de gemeente, enz. tot
-algemeen erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigt
-Zahn zeer terecht de aandacht. Verg. over dezen strijd Köppel, Stud.
-u. Krit. 1891, 1es Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol. 1893,
-1es Heft. f.) Welke beginselen de gemeente, zoo onder het Oude als
-Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de kanoniciteit der O. en N.
-T. geschriften hebben geleid, is met zekerheid niet uit te maken. De
-apostolische oorsprong kan den doorslag niet hebben gegeven want ook
-Markus, Lukas en Hebr. zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning der
-kanoniciteit haar grond in het feit, dat er geen andere geschriften
-aangaande Christus bestonden, want Luk. 1:1 maakt van vele andere
-gewag, en volgens Irenaeus adv. haer. 1:20 was er ἀμυθητον πληθος
-ἀποκρυφων και νοθων γραφων. Het beginsel der kanonvorming kan ook
-niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en 3 Joh. zijn zeer
-klein: evenmin in de bekendheid der schrijvers, Markus, Lukas, met de
-apostelen, want brieven van Clemens en Barnabas werden niet opgenomen;
-en ook niet in de originaliteit, want Mattheus, Markus en Lukas; Efeze
-en Colosse; Judas en 2 Petr. zijn de een van den ander afhankelijk. Er
-kan niets anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze
-geschriften zonder eenige afspraak, vanzelve in alle gemeenten plaats
-had. Op enkele uitzonderingen na, werden de O. en de N. T. geschriften
-terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel, zonder een woord van
-twijfel of protest als heilige, goddelijke schriften aangenomen. De
-plaats en de tijd, waar hun het eerst gezag werd toegekend, is niet aan
-te wijzen. De kanoniciteit der Bijbelboeken wortelt in hun existentie.
-Zij hebben gezag van zichzelve, jure suo, omdat ze er zijn. Het is de
-Geest des Heeren, die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente
-tot erkenning bracht. Harnack, D. G. I 304 f. 318 f. Wildeboer, Het
-ontstaan v. d. Kanon des O. V. 107 v. Reuss, Gesch. des N. T. § 298 f.
-Herzog² art. Kanon. W. Lee, The Inspiration of holy Scripture, 3e ed.
-Dublin 1864 p. 43.
-
-12. Het resultaat van dit onderzoek naar de leer der Schrift over
-zichzelve kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelve houdt en
-uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord Gods of woord
-des Heeren heeft in de Schrift verschillende beteekenissen. Dikwerf
-wordt er door aangeduid de kracht Gods, waardoor Hij alle dingen schept
-en onderhoudt, Gen. 1:3; Ps. 33:6, 147:17, 18, 148:18; Rom. 4:17;
-Hebr. 1:3, 11:3. Vervolgens wordt zoo de bijzondere openbaring genoemd,
-waardoor God iets bekend maakt aan de profeten. In het O. T. komt de
-uitdrukking in dezen zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens heet
-het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het N. T. vinden we het
-in dezen zin alleen, Joh. 10:35; het woord geschiedt nu niet meer en
-komt niet eene enkele maal van boven en van buiten tot de profeten,
-het is geschied in Christus en blijft. Verder beteekent woord Gods den
-inhoud der openbaring; dan is er sprake van woord of woorden Gods,
-naast rechten, wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israel gegeven
-zijn, Ex. 9:20, 21; Richt. 3:20; Ps. 33:4, 119:9, 16, 17 enz. Jes. 40:8;
-Rom. 3:2 enz. In het N. Test. heet zoo het Evangelie, dat door God in
-Christus is geopenbaard en door de apostelen verkondigd werd, Luk. 5:1;
-Joh. 3:34, 5:24, 6:63, 17:8, 14, 17; Hd. 8:25, 13:7; 1 Thess. 2:13 enz.
-Niet onwaarschijnlijk is het, dat de naam woord Gods dan voorts in de
-Schrift eene enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus
-een gedeelte der Schrift, mede aan te duiden, Ps. 119:11, 105. Schultz,
-Grundriss der ev. Dogm. 4 f. In het N. T. laat zich zulk eene plaats
-niet aanwijzen. Ook Hebr. 4:12 is woord Gods niet gelijk de Schrift.
-Maar toch ziet het N. T. feitelijk in de boeken des O. V. niets anders
-dan het woord Gods. God, of de H. Geest is de auctor primarius, die
-door, δια c. gen., de profeten sprak in de Schrift, Hd. 1:16, 28:25.
-De Schrift heet dan zoo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De
-formeele en materieele beteekenis der uitdrukking is in de Schrift
-ten nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord Gods gebezigd
-voor Christus zelven. Hij is de Logos in geheel eenigen zin, revelator
-en revelatio tegelijk. Alle openbaringen Gods, alle woorden Gods, in
-natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping, onder O. en N.
-T. hebben in Hem hun grond, hun eenheid en middelpunt. Hij is de zon,
-de andere woorden Gods zijn zijne stralen. Het woord Gods in de natuur,
-onder Israel, in het N. Test., in de Schrift mag geen oogenblik van Hem
-worden losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, wijl Hij de
-Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemeenen zin van alle
-wetenschap, in bijzonderen zin, als Λογος ἐνσαρκος, van alle kennisse
-Gods, van religie en theologie, Mt. 11:27.
-
-
-D. Begrip der inspiratie.
-
-13. De H. Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd dogma over
-de inspiratie, maar zij geeft de zaak, het feit der theopneustie en al
-de momenten, die er voor de constructie van het dogma noodig zijn. Zij
-leert de theopneustie der Schrift in denzelfden zin en op dezelfde
-wijze, even helder en even duidelijk, maar ook even weinig in abstracte
-begrippen geformuleerd als het dogma der triniteit, der vleeschwording,
-der voldoening enz. Meermalen is dit ontkend. Elke sectarische en
-haeretische richting begint haast met een beroep op de Schrift tegen
-de confessie, en tracht hare afwijking te doen voorkomen als door de
-Schrift geboden. Maar in de meeste gevallen leidt dieper onderzoek
-tot de erkentenis, dat de orthodoxie de getuigenis der Schrift aan
-hare zijde heeft. De modernen geven thans over het algemeen gulweg
-toe, dat Jezus en de apostelen de O. T. Schrift als Gods woord hebben
-aangenomen, Lipsius, Dogm. § 185 S. 141, Strauss I 79, Pfleiderer,
-Der Paulinismus, 2e Aufl. Leipz. 1890 S. 87 f. Rothe, Zur Dogm. 178
-f. erkent dit ook ten opzichte van de apostelen, maar meent dat de
-kerkelijke dogmatiek voor hare leer van de inspiratie zich niet op
-Jezus beroepen kan. Deze meening staat echter vrij wel op zichzelve en
-wordt door weinigen gedeeld. Jezus’ positieve uitspraken over de O. T.
-Schrift, Mt. 5:8; Luk. 16:17; Joh. 10:35, zijne aanhaling en gebruik,
-Mt. 19:4, 5, 22:43 enz. spreken daartoe te sterk, en zijn niets vrijer
-dan die van de apostelen. Maar deze tegenstelling, die Rothe maakt
-tusschen de leer van Jezus en die van de apostelen, verheft niet maar
-ondermijnt feitelijk het gezag van Jezus zelf. Want van Jezus weten we
-niets dan door de apostelen; wie dus de apostelen discrediteert en als
-onbetrouwbare getuigen der waarheid voorstelt, weerspreekt terstond
-Jezus zelf, die zijn apostelen tot volkomen betrouwbare getuigen
-aangesteld heeft en door zijn Geest hen leiden zou in al de waarheid.
-En daartoe behoort voorzeker ook de waarheid aangaande de H. Schrift.
-De leuze: naar Christus terug is bedriegelijk en valsch, als ze in
-tegenstelling staat met de getuigenis der apostelen.
-
-Zeer gewoon is ook eene andere tegenstelling, die gemaakt wordt om van
-de zelfgetuigenis der Schrift bevrijd te worden. De Schrift, zoo zegt
-men dan, moge hier en daar de inspiratie leeren; maar om de leer der
-Schrift aangaande de Schrift op te bouwen, moeten ook de feiten in
-rekening worden gebracht, welke de Schrift in haar ontstaan, wording,
-geschiedenis, bestand en inhoud ons kennen doet. Alleen zulk eene
-theorie van inspiratie is dus waar en goed, die met de phenomena der
-Schrift bestaanbaar is, en uit deze zelve is afgeleid. Zeer dikwerf
-doet men het hierbij dan voorkomen, dat de tegenpartij eene eigene,
-apriorische opinie aan de Schrift opdringt, en haar perst in het
-keurslijf der scholastiek. En men beroept er zich op, dat men tegenover
-al die theorieën en systemen juist de Schrift zelve wil laten spreken
-en alleen van zichzelve wil laten getuigen. Het schort der orthodoxie
-juist aan eerbied voor de Schrift. Zij doet den tekst, de feiten der
-H. S. geweld aan, Dr. G. Wildeboer, Letterk. des O. V. bl. V. Deze
-voorstelling klinkt op het eerste hooren schoon en aannemelijk, maar
-blijkt toch bij nadere overweging onhoudbaar. De tegenstelling is in de
-eerste plaats niet die tusschen eene of andere inspiratietheorie en
-de zelfgetuigenis der Schrift. De inspiratie is een feit, door de H.
-Schrift zelve geleerd. Jezus en de apostelen hebben eene getuigenis
-gegeven aangaande de Schrift. De Schrift bevat eene leer ook over
-zichzelve. Afgedacht van alle dogmatische of scholastieke ontwikkeling
-dezer leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in deze hare
-zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Er kan verschil bestaan
-over de vraag, of de Schrift zulk eene theopneustie van zichzelve
-leert; maar indien ja, dan behoort ze ook daarin geloofd te worden,
-evengoed als in hare uitspraken over God, Christus, de zaligheid enz.
-De zoogenaamde phenomena der Schrift kunnen die zelfgetuigenis der
-Schrift niet omverstooten en mogen tegen haar zelfs niet als partij
-worden opgeroepen. Want wie zijne leer van de Schrift afhankelijk maakt
-van het historisch onderzoek naar hare wording en struktuur, begint
-reeds met de zelfgetuigenis der H. Schrift te verwerpen en staat dus
-niet meer in het geloof aan die Schrift. Hij meent de leer van de
-Schrift beter te kunnen opbouwen uit eigen onderzoek, dan ze in den
-geloove te ontleenen aan de Schrift; hij stelt zijne eigene gedachten
-in plaats van en boven die der Schrift. Voorts, de zelfgetuigenis der
-Schrift is klaar, duidelijk en zelfs door de tegenstanders als zoodanig
-erkend, maar de beschouwing over de phenomena der Schrift is resultaat
-van langdurig historisch-critisch onderzoek en wijzigt zich in allerlei
-vormen naar het verschillend standpunt der critici; de theoloog, die
-uit zulke onderzoekingen tot eene leer over de Schrift wil komen,
-stelt feitelijk zijn wetenschappelijk inzicht tegenover de leer der
-Schrift aangaande zichzelve. Maar langs dien weg komt men ook nooit
-tot eene leer over de Schrift; historisch-critisch onderzoek kan een
-helder inzicht geven in het ontstaan, de geschiedenis, de structuur
-van de Schrift maar leidt nooit tot eene leer, tot een dogma de S.
-Scriptura. Dit kan uitteraard slechts gebouwd worden op eene getuigenis
-der Schrift aangaande zichzelve. Niemand denkt er aan, om eene
-geschiedenis over den oorsprong en de bestanddeelen van de Ilias eene
-leer te noemen. Bij deze methode valt dus niet alleen eene of andere
-theorie over de inspiratie, maar deze zelve als feit en getuigenis
-der Schrift. Inspiratie, indien men dat woord nog behoudt, wordt dan
-niets dan de korte samenvatting van wat de Bijbel _is_, of liever van
-wat men _meent_ dat de Bijbel is, en kan dan lijnrecht in strijd zijn met
-wat de Bijbel zelf beweert te zijn, en waarvoor hij zichzelf uitgeeft
-en aandient. De methode, die men volgt, is in het wezen der zaak
-geen andere, dan die, waarbij de leer der schepping, van den mensch,
-van de zonde enz. niet opgebouwd wordt uit de getuigenis der Schrift
-dienaangaande, maar uit de zelfstandige studie van die facta. In beide
-gevallen is het een corrigeeren van de leer des Bijbels door eigen
-wetenschappelijk onderzoek, een afhankelijk maken van het getuigenis
-der Schrift van menschelijk oordeel. De feiten en verschijnselen der
-Schrift, de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek mogen dienen
-ter verklaring, toelichting, enz. van de leer der Schrift aangaande
-zichzelve, maar kunnen nooit het feit der inspiratie, waarvan zij
-getuigt, te niet doen. Terwijl generzijds dus beweerd wordt, dat alleen
-zulk eene inspiratie aannemelijk is, die overeenstemt met de phenomena
-der Schrift, is het dezerzijds het beginsel, dat de phenomena der
-Schrift, niet gelijk de kritiek ze ziet, maar gelijk ze in zichzelve zijn,
-bestaanbaar zijn met hare zelfgetuigenis.
-
-14. Gewoonlijk wordt in het woord theopneustie of inspiratie saamgevat,
-wat de Schrift aangaande zichzelve leert. Het woord θεοπνευστος 2 Tim.
-3:16 komt vroeger niet voor en is dus misschien het eerst door Paulus
-gebruikt. Het kan etymologisch zoowel actieve als passieve beteekenis
-hebben, en dus vertaald worden zoowel door: God ademend, als: door God
-geademd. Maar de passieve beteekenis heeft de voorkeur, wijl ze door de
-plaatsen, waar het woord buiten het N. T. voorkomt, het meest wordt
-gesteund en door de Schriftleer des N. T. wordt aanbevolen, 2 Petr.
-1:21. In de Vulgata is het weergegeven door divinitus inspirata.
-Het woord inspiratie heeft oorspronkelijk veel ruimer zin. De Grieken
-en Romeinen schreven aan allen, die iets groots en goeds tot stand
-brachten, een afflatus of instinctus divinus toe. Nemo vir magnus sine
-aliquo afflatu divino unquam fuit, Cic. de Nat. D. 2, 66. Est deus in
-nobis, agitante calescimus illo, Ovid. Fasti 6, 5. De inspiratie van
-dichters, kunstenaars, vates, enz. kan ook inderdaad tot opheldering
-dienen van de inspiratie, waar de H. S. van spreekt. Bijna alle
-groote mannen hebben het uitgesproken, dat hunne schoonste gedachten
-plotseling en onbewust in hunne ziel opstegen en voor henzelven eene
-verrassing waren. Eén getuigenis moge volstaan. Goethe schreef eens
-aan Ekkermann, aangehaald door Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864, bl. 27,
-28. Jede Produktivität höchster Art, jedes bedeutendes Aperçue, jede
-Erfindung, jeder grosse Gedanke der Früchte bringt und Folgen hat,
-steht in Niemandes Gewalt und ist über alle irdische Macht erhaben.
-Dergleichen hat der Mensch als unverhoffte Geschenke von oben, als
-reine Kinder Gottes zu betrachten, die er mit freudigem Danke zu
-empfangen und zu verehren hat. In solchen Fällen ist der Mensch als
-das Werkzeug einer höhern Weltregierung zu betrachten, als ein würdig
-befundenes Gefäss zur Aufnahme eines göttlichen Einflusses. Carlyle,
-On heroes, hero-worship and the heroic in history, 4th ed. London
-1854, heeft daarom op de heroën of genieën gewezen als de kern van
-de geschiedenis der menschheid. Op hun beurt hebben deze genieën,
-op elk terrein, weer de massa geinspireerd. Luther, Baco, Napoleon,
-Hegel hebben de gedachten van millioenen omgezet en het bewustzijn
-veranderd. Dit feit reeds leert ons, dat er eene inwerking van den
-eenen geest op den ander mogelijk is. De wijze daarvan is verschillend,
-als de eene mensch spreekt tot den ander, als de redenaar de schare
-bezielt door zijn woord, als de hypnotiseur zijne gedachte overplant in
-den gemagnetiseerde, enz., maar altijd is er suggestie van gedachten,
-inspiratie in ruimer zin. Nu leert ons de Schrift, dat de wereld niet
-zelfstandig is en uit zichzelve bestaat en leeft, maar dat de Geest van
-God immanent is in al het geschapene. De immanentie Gods is de basis
-voor alle inspiratie en theopneustie, Ps. 104:30, 139:7; Job 33:4. Het
-zijn en het leven wordt aan ieder schepsel van oogenblik tot oogenblik
-door den Geest geinspireerd. Nog nader is die Geest des Heeren principe
-van alle verstand en wijsheid, Job 32:8; Jes. 11:2, zoodat alle kennis
-en kunst, alle talent en genie uit Hem voortkomt. In de gemeente is Hij
-de Geest der wedergeboorte en vernieuwing, Ps. 51:13; Ezech. 36:26, 27;
-Joh. 3:3; de uitdeeler der gaven, 1 Cor. 12:4-6. In de profeten is Hij
-de Geest der voorzegging, Num. 11:25, 24:2, 3; Jes. 11:2. 42:1; Micha
-3:8, enz. En zoo ook is Hij bij de samenstelling der Schrift de Geest
-der inspiratie. Deze laatste werkzaamheid des H. G. staat dus niet op
-zichzelve; zij staat in verband met zijn gansche immanente werkzaamheid
-in de wereld en in de gemeente. Zij is de kroon en de spitse van alles.
-De inspiratie der schrijvers bij de vervaardiging der Bijbelboeken is op
-al die andere werkzaamheden des H. Geestes opgebouwd. Zij onderstelt een
-werk des Vaders, waardoor de openbaringsorganen lang te voren van de
-geboorte af aan, ja zelfs voor de geboorte in hun geslacht, omgeving,
-opvoeding, ontwikkeling, enz. voor die taak werden voorbereid, tot
-welke zij later speciaal zouden geroepen worden, Ex. 3-4; Jer. 1:5; Hd.
-7:22; Gal. 1:15, enz. De inspiratie mag dus niet, gelijk de modernen
-doen, met de heroische, poëtische, religieuse bezieling worden
-vereenzelvigd; zij is niet een werk van de providentia Dei generalis,
-niet eene inwerking van Gods Geest in gelijke mate en op dezelfde wijze
-als in de helden en kunstenaars, al is het ook dat deze inwerking
-van Gods Geest bij de profeten en bijbelschrijvers meermalen ondersteld
-wordt. De Geest in de schepping werkt den Geest in de herschepping
-voor. Voorts wordt bij de eigenlijke inspiratie ook nog een voorafgaand
-werk des Zoons ondersteld. De gave der theopneustie wordt alleen
-geschonken binnen den kring der openbaring. Theophanie, profetie en
-wonder gaan aan de eigenlijke inspiratie vooraf. Revelatie en inspiratie
-zijn onderscheiden; gene is een werk des Zoons, van den Logos, deze van
-den H. Geest. Er ligt dus waarheid in de gedachte van Schleiermacher,
-dat de heilige schrijvers onder invloed stonden van den heiligen kring,
-waarin zij leefden. Openbaring en ingeving moeten onderscheiden worden.
-Maar de ingeving is niet met de openbaring identisch (cf. boven bl.
-300). Zij wortelt in deze, maar zij verheft er zich boven. Eindelijk, de
-inspiratie onderstelt meestal, ofschoon niet altijd, ook nog een werk
-des H. G. zelven in wedergeboorte, geloof en bekeering. De profeten en
-apostelen waren meest heilige mannen, kinderen Gods. Ook deze gedachte
-der ethische theologie bevat dus elementen van waarheid. Maar toch
-is inspiratie niet met wedergeboorte identisch. Wedergeboorte omvat
-den ganschen mensch, inspiratie is eene werking in het bewustzijn.
-Gene heiligt en vernieuwt, deze verlicht en onderwijst. Gene brengt
-niet van zelf de inspiratie mede, en inspiratie is mogelijk zonder
-wedergeboorte, Num. 23:5; Joh. 11:51; cf. Num. 22:28; 1 Sam. 19:24;
-Hebr. 6:4. Wedergeboorte is een habitus permanens, inspiratie is een
-actus transiens. Met al deze genoemde werkzaamheden Gods staat dus de
-inspiratie in ’t nauwste verband. Zij mag er niet van geisoleerd worden.
-Zij is opgenomen in al die inwerkingen Gods in al het geschapene. Maar
-ook hier moet de evolutie-theorie bestreden worden, alsof het hoogere
-alleen door immanente ontwikkeling uit het lagere voortkomen zou. De
-werking van Gods Geest in de natuur, in de menschheid, in de gemeente,
-in de profeten, in de bijbelschrijvers is verwant en analoog, maar niet
-identisch. Er is harmonie, geen eenzelvigheid.
-
-15. Waarin bestaat zij zelve dan? De Schrift verspreidt daarover licht,
-als zij meermalen zegt, dat de Heere spreekt door de profeten of door
-den mond zijner profeten. Van God wordt de praepositie ὑπο gebruikt;
-Hij is de sprekende, Hij is het eigenlijke subject; maar de profeten
-zijn sprekende of schrijvende zijne organen, van hen wordt altijd de
-praepositie δια c. gen. en nooit ὑπο gebezigd, Mt. 1:22, 2:15, 17,
-23, 3:3, 4:14, enz.; Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. God, of
-de H. Geest is de eigenlijke spreker, de zegsman, de auctor primarius,
-en de schrijvers zijn de organen, door wie God spreekt, de auctores
-secundarii, de scriptores of scribae. Nadere opheldering geeft nog 2
-Petr. 1:19-21, waar de oorsprong der profetie niet gezocht wordt in
-den wil des menschen, maar in de drijving van Gods Geest. Het φερεσθαι,
-cf. Hd. 27:15, 17 waar het schip gedreven wordt door den wind, is
-van het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14 wezenlijk onderscheiden;
-de profeten zijn gedragen, aangedreven door den H. Geest en spraken
-dientengevolge. En evenzoo wordt de verkondiging der apostelen een
-spreken (ἐν) πνευματι ἁγιῳ genoemd, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26,
-16:7; 1 Cor. 2:10-13, 16, 7:40; 2 Cor. 2:17, 5:20, 13:3. Profeten
-en apostelen zijn dus θεοφορουμενοι; het is God, die in en door hen
-spreekt. Maar de Schrift zelve gaat ons voor, om dit spreken Gods
-door den mond der profeten zoo organisch mogelijk op te vatten. Er is
-hier onderscheid tusschen de profeten en de apostelen, en tusschen
-beiden weer onderling. Mozes staat onder de profeten bovenaan; God
-sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Bij Jesaia draagt de
-drijving des Geestes een ander karakter dan bij Ezechiel; Jeremia’s
-profetieën onderscheiden zich door haar eenvoud en natuurlijkheid
-van die bij Zacharia en Daniel. Bij al de profeten des O. T. is de
-drijving des Geestes min of meer transcendent; zij komt van boven en
-van buiten tot hen, valt op hen en werkt momentaan. Bij de apostelen
-daarentegen woont de H. Geest immanent in de harten, leidt en drijft,
-verlicht en onderwijst hen. Er is dus zeer groot onderscheid ook in
-het organische karakter der inspiratie. Maar desniettemin gebiedt
-ons heel de Schrift, de inspiratie niet mechanisch maar organisch te
-denken. Niet echter, omdat eene mechanische inspiratie op zichzelve
-onmogelijk en ongeoorloofd zou zijn en in strijd met de waardigheid van
-den mensch. Als het niet onwaardig is voor een kind, om zijne ouders en
-onderwijzers op gezag te gelooven en eenvoudig van hen te leeren, wat
-het niet weet; als het niet onwaardig is voor een knecht, om bevelen
-van zijn heer te ontvangen, die hij niet begrijpt en alleen heeft uit te
-voeren, wat onwaardigs zou er dan in liggen voor den mensch, om in
-zulk eene relatie te staan tot den Heere zijn God? Maar God heeft dezen
-weg niet ingeslagen, Hij is in de openbaring en de inspiratie tot den
-mensch nedergedaald en heeft zich aangesloten bij de eigenaardigheden en
-zelfs bij de zwakheden zijner menschelijke natuur. Ook dat is eene genade
-der ἐνσαρκωσις geweest. Evenals de Logos niet een mensch overviel en
-met zich verbond maar in de menschelijke natuur inging en deze zelve
-toebereidde en vormde door den Geest, van wien ze ontvangen werd, zoo
-heeft de Geest des Heeren ook gehandeld bij de inspiratie. Hij is in de
-profeten en apostelen zelven ingegaan en heeft hen alzoo in dienst
-genomen en bewerkt, dat zij zelven onderzochten en dachten, spraken
-en schreven. Hij is het, die door hen spreekt; maar zij zelven zijn het
-tevens, die spreken en schrijven. Gedreven werden ze door den Geest,
-maar zij spraken toch zelven, ἐλαλησαν, 2 Petr. 1:20. Dikwerf wordt de
-O. T. Schrift in het N. T. bij den auctor primarius aangehaald, Luk.
-1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25 en altijd in Hebr. 1:5 v., 4:3,
-5 enz., maar even dikwerf bij de auctores secundarii, Mozes, David,
-Jesaja enz., Mt. 13:14, 22:43; Joh. 1:23, 46, 5:46, 12:38. De momenten
-der inspiratie zijn niet elk los op zichzelf te beschouwen, maar staan
-in verband met al het voorafgaande: de profeten en apostelen zijn
-van der jeugd af toebereid en bekwaamd voor hun taak; hun karakter,
-aard, neiging, verstand, ontwikkeling enz. wordt niet onderdrukt,
-maar, als zelve reeds door den Geest des Heeren gevormd, nu ook door
-dienzelfden Geest in dienst genomen en gebruikt; hun gansche persoon
-met alle gaven en krachten wordt dienstbaar aan de roeping, waartoe zij
-geroepen worden. Onderzoek, Luk. 1:1, nadenken en herinnering, Joh.
-14:26, gebruik van bronnen enz., wordt daarom door de inspiratie niet
-uitgesloten, maar is daarin opgenomen. Schier alle boeken van O. en
-N. T. zijn daarom in zekeren zin ook gelegenheidsschriften. Van een
-rechtstreeksch bevel tot schrijven is slechts in enkele teksten sprake;
-zij dekken lang niet den ganschen inhoud der Schrift. Maar ook die
-gelegenheden, die tot schrijven drongen, behooren tot de leiding des
-Geestes; juist door deze heen dreef Hij tot schrijven aan. De roeping
-tot profeet en apostel sloot wel van zelf en natuurlijk die tot spreken
-en getuigen in, Ex. 3; Ez. 3; Am. 3:8; Hd. 1:8 enz., maar niet die
-van schrijven. Immers, vele profeten en apostelen schreven niet. Uit
-Mt. 28:19 is een speciaal gebod tot schrijven niet af te leiden. Onder
-de charismata, 1 Cor. 12 wordt het schrijven niet genoemd, Bellarm.,
-de verbo Dei IV cap. 3-4. Maar de H. Geest heeft de historie der
-kerk onder Israel en in het N. T. alzoo geleid, dat de daad moest
-overgaan in het woord en het woord in het schrift. Uit deze leiding
-is bij profeten en apostelen de roeping tot schrijven, de impulsus ad
-scribendum geboren. En dat schrijven is de hoogste, de machtigste, de
-algemeenste getuigenis, die niet vervliegt op den adem des winds maar
-manet in aeternum. En juist, omdat de geschriften der profeten en
-apostelen niet ontstaan zijn buiten maar uit en in de historie, daarom
-is er eene wetenschap in de theologie, die alle die gelegenheden
-en omstandigheden, waaronder de bijbelboeken ontstonden, onderzoekt
-en kennen doet. Als dan de profeten en apostelen alzoo schrijvende
-getuigen, behouden ze ook hun eigen karakter, hun eigen taal en stijl.
-Ten allen tijde is dit verschil in de boeken des Bijbels erkend, maar
-niet altijd bevredigend verklaard. Niet daaruit is het te verklaren,
-dat de H. Geest naar louter willekeur nu eens zoo en dan aldus wilde
-schrijven; maar ingaande in de schrijvers, is Hij ook in hun stijl en
-taal, in hun karakter en eigenaardigheid ingegaan, die Hij zelf reeds
-toebereid en gevormd had. Daartoe behoort ook, dat Hij in het O. T. het
-Hebreeuwsch, in het N. T. het hellenistisch Grieksch tot voertuig der
-goddelijke gedachten kiest. Ook hierin was geen willekeur. Het purisme
-verdedigde op onbeholpen manier eene kostelijke waarheid. Naar het
-Grieksch van Plato en Demosthenes gemeten, is het N. T. vol barbarismen
-en soloecismen; maar het huwelijk, dat in het hellenistisch Grieksch
-gesloten werd tusschen het zuiver Hebreeuwsch en het zuiver Attisch,
-tusschen den Oosterschen en Westerschen geest, was op taalgebied de
-realiseering van de goddelijke gedachte, dat de zaligheid uit de Joden
-is, maar voor heel de menschheid is bestemd. De taal des N. T. is niet
-de schoonste, grammatisch en linguistisch beschouwd, maar zij is wel de
-geschiktste tot meedeeling van de gedachten Gods. Het woord is ook in
-dit opzicht waarachtig en algemeen menschelijk geworden. En eindelijk,
-als de profeten en apostelen schreven, dan leverde hun eigen ervaring
-en geschiedenis meermalen de stof voor hun schrijven. In de psalmen is
-het de vrome zanger, die beurtelings klaagt en juicht, in droefheid
-terneerzit of jubelt van vreugde. In Rom. 7 teekent ons Paulus zijne
-eigene levenservaring, en door heel de Schrift heen zijn het telkens
-de personen der schrijvers zelf, wier leven en ervaring, wier hope en
-vreeze, wier geloof en vertrouwen, wier klacht en ellende beschreven
-en geschilderd wordt. Dat rijke leven, die diepe ervaring, van een
-David bv. is door den Geest des Heeren alzoo gevormd en geleid, dat
-het in de Schrift opgenomen, voor de volgende geslachten tot leering
-zou zijn, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope
-hebben zouden, Rom. 15:4. De organische inspiratie doet alleen aan de
-Schrift recht wedervaren. Zij is in de leer der Schrift de uitwerking en
-toepassing van het centrale feit der openbaring, de vleeschwording des
-woords. De Λογος is σαρξ geworden, en het woord is Schrift geworden;
-het zijn twee feiten, die parallel loopen niet alleen, maar ook ten
-innigste verbonden zijn. Christus is vleesch geworden, een dienstknecht,
-zonder gedaante of heerlijkheid, de verachtste onder de menschen; Hij is
-nedergedaald in de nederste deelen der aarde, is gehoorzaam geworden
-tot den dood des kruises. En zoo ook is het woord, de openbaring Gods
-ingegaan in het creatuurlijke, in het leven en de historie van menschen
-en volken, in alle menschelijke vormen van droom en visioen, van
-onderzoek en nadenken, tot zelfs in het menschelijk zwakke en verachte
-en onedele toe; het woord is schrift geworden, en heeft als schrift
-aan het lot van alle schrift zich onderworpen. Dit alles is geschied,
-opdat de uitnemendheid der kracht, ook van de kracht der Schrift, zij
-Godes en niet uit ons. Gelijk elke menschelijke gedachte en handeling
-vrucht is geheel van de actie Gods in wien wij leven en zijn, en tegelijk
-geheel vrucht is van de werkzaamheid des menschen, zoo ook is de
-Schrift product geheel en al van den Geest Gods, die door de profeten
-en apostelen spreekt, en tegelijk geheel product van de werkzaamheid der
-schrijvers. Θεια παντα και ἀνθρωπινα παντα.
-
-16. Deze organische beschouwing is echter meermalen gebruikt, om juist
-aan het eerste, aan het auteurschap des H. Geestes, afbreuk te doen.
-De vleeschwording van Christus eischt, dat men haar naspeure tot in
-de diepte van haar vernedering toe, in al haar zwakheid en smaad. De
-beschrijving van het woord, van de openbaring, noodigt ons uit, om
-ook in de Schrift dat zwakke en nederige, die dienstknechtsgestalte
-te erkennen. Maar gelijk het menschelijke in Christus, hoe zwak en
-nederig ook, toch van het zondige vrij bleef, zoo ook is de Schrift
-sine labe concepta. Menschelijk geheel en in al haar deelen, maar ook
-evenzoo θεια παντα. Toch is op velerlei wijze aan dit goddelijk karakter
-der Schrift te kort gedaan. De geschiedenis der inspiratie leert
-ons dat deze eerst tot in de 17e eeuw toe hoe langer hoe verder is
-uitgebreid, tot de vokalen en punten toe (inspiratio punctualis), en
-vervolgens dat zij allengs hoe meer is ingekrompen en beperkt, van de
-punten tot de woorden (insp. verbalis), van de singula verba tot het
-woord, de gedachte (Wort in plaats van Wörterinspiration bij Philippi,
-Kirchl. Glaub. I³, 252), van het woord als gedachte tot de zaken
-(insp. realis), van de zaken tot den religieus-ethischen inhoud, tot
-hetgeen in eigenlijken zin geopenbaard is, tot het woord Gods sensu
-stricto, tot het speciale object van het zaligmakend geloof (insp.
-fundamentalis, religiosa), van deze zaken weder tot de personen
-(insp. personalis), en van deze eindelijk tot loochening van alle
-inspiratie als bovennatuurlijke gave. Nu is het verblijdend, dat zelfs
-de meest negatieve richting aan de Schrift nog eene plaats verzekeren
-en eenige waarde toeschrijven wil in het religieuse leven en denken
-der Christenheid. De leer der H. S. is niet eene opinie van deze of
-geene school, geen dogma van eene particuliere kerk of secte, maar
-een articulus fundamentalis, een geloofsartikel van de ééne heilige
-algemeene christelijke kerk. Haar beteekenis voor heel het Christendom
-wordt hoe langer hoe beter ingezien; haar onverbrekelijke samenhang
-met het christelijk geloof en leven steeds beter erkend. Een tijd lang
-in de dogmatiek naar de media gratiae verwezen, heeft ze zich de
-plaats in den ingang tot de dogmatiek weer met eere heroverd, Nitzsch,
-Lehrb. der ev. Dogm. 212. Heel de Roomsche en Grieksche kerk staat nog
-onverzwakt in de belijdenis van de goddelijke ingeving der H. Schrift.
-Vele Protestantsche kerken en richtingen hebben tot nog toe alle geweld
-weerstaan, om haar van dezen grondslag af te dringen. De gemeente blijft
-door prediking en onderwijs, door lezing en onderzoek middellijk of
-rechtstreeks uit de Schrift leven en met de Schrift zich voeden. Zelfs
-wie in theorie de inspiratie ontkent, spreekt en handelt in de praktijk
-van het leven menigmaal, alsof hij ze ten volle aanvaardt. Het dualisme
-van gelooven en weten, waarin naar veler voorstelling de orthodoxie bij
-de leer der Schrift verkeert, komt niet in vergelijk bij de tweeslachtige
-positie der Vermittelungstheologie, die op den katheder de inspiratie
-loochent en op den kansel ze feitelijk belijdt. Het radikalisme komt hoe
-langer hoe meer tot de erkentenis, dat de inspiratie der Schrift door
-de Schrift zelve wordt geleerd en met deze aangenomen of verworpen
-moet worden. Dit alles toont, dat het leven sterker is dan de leer en
-dat de Schrift zelve altijd weer reageert tegen iedere naturalistische
-verklaring. Zij pretendeert zelve uit den Geest Gods te zijn voortgekomen
-en houdt deze pretensie staande tegenover alle kritiek. Elke poging om
-haar van het mysterieus karakter van haar oorsprong, inhoud en kracht
-te ontdoen, is tot dusver geëindigd met het op te geven en de Schrift
-de Schrift te laten. Eene inspiratie is daarom geene verklaring van de
-Schrift, en dus eigenlijk ook geen theorie; maar zij is en behoort te
-zijn eene geloovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelve
-getuigt, in weerwil van den schijn die tegen haar is. De inspiratie
-is een dogma evenals de triniteit, de menschwording, enz., dat de
-Christen aanneemt, niet wijl hij de waarheid ervan inziet, maar omdat
-God het alzoo getuigt. Zij is geen wetenschappelijke uitspraak maar
-eene belijdenis des geloofs. Bij de inspiratie even als bij elk ander
-dogma is het niet in de eerste plaats de vraag: hoe veel kan en mag
-ik belijden, zonder in conflict te komen met de wetenschap, maar wat
-is de getuigenis Gods en wat is dienovereenkomstig de uitspraak van
-het christelijk geloof? En dan is er maar één antwoord mogelijk, dat de
-Schrift zichzelve aandient als het woord Gods en de kerke Gods in alle
-eeuwen haar als zoodanig heeft erkend. De inspiratie steunt op het
-gezag der Schrift en heeft getuigenis bekomen van de kerk aller eeuwen.
-
-Met dit dogmatisch en religieus karakter van de leer der inspiratie is
-de inspiratio personalis en fundamentalis in strijd. Wel ligt er ook in
-deze opvattingen eene goede gedachte. Want het zijn zeker de personen
-geweest, die met al hun gaven en krachten bij de inspiratie door den H.
-Geest in dienst werden genomen; en die personen waren heilige mannen,
-menschen Gods, tot dit werk bekwamelijk toegerust. Ook is er in de
-Schrift zonder twijfel onderscheid tusschen meer en minder belangrijke
-deelen; niet alle boeken des Bijbels hebben gelijke waarde. Maar beide
-voorstellingen van de inspiratie verzwakken de getuigenis, welke de
-Schrift van zichzelve geeft, en zijn niet geboren uit de plerophorie
-des geloofs maar uit transactie met de wetenschap. Bovendien stuit de
-inspiratio personalis nog af op deze bezwaren, dat zij het onderscheid
-uitwischt tusschen inspiratie en illuminatie (wedergeboorte), tusschen
-het intellectueele en het ethische leven, tusschen het φερεσθαι der
-profeten, 2 Petr. 1:21 en het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14,
-tusschen de H. Schrift en de stichtelijke lectuur. Voorts keert zij met
-Rome de verhouding van Schrift en kerk in haar tegendeel om, berooft de
-gemeente van de vastigheid die zij behoeft en maakt haar afhankelijk van
-de wetenschap, die uitmaken moet, wat in de Schrift al dan niet Gods
-woord is. Wel trachten vele voorstanders van deze inspiratietheorie
-aan deze bezwaren te ontkomen, door zich te beroepen op den persoon
-van Christus als bron en autoriteit der dogmatiek, maar dit baat
-daarom niet, wijl er juist verschil is over de vraag, wie Christus is
-en wat Hij geleerd en gedaan heeft. Indien de apostolische getuigenis
-aangaande Christus niet betrouwbaar is, is er geen kennis van Christus
-mogelijk. Daar komt bij, dat, indien Christus autoriteit is, Hij dat ook
-is in de leer aangaande de Schrift; de inspiratie moet dan juist op
-zijn gezag worden aangenomen. De bovengenoemde theorie komt met het
-gezag van Christus zelven in botsing. De inspiratio fundamentalis
-onderscheidt zich van de inspiratio personalis daardoor, dat zij nog
-eene bijzondere werkzaamheid des Geestes bij het schrijven aanneemt,
-maar alleen bij sommige gedeelten der Schrift. Deze voorstelling is
-echter zoo deistisch en dualistisch, dat zij reeds daarom onaannemelijk
-is. Daarbij zijn woord en feit, het religieuse en het historische, het
-door God en door menschen gesprokene in de Schrift zoo saamgeweven en
-ineengevlochten, dat scheiding onmogelijk is. Ook de historie in de
-Schrift is een openbaring Gods. En eindelijk komen deze beide theorieën
-toch niet te gemoet aan de bezwaren, die van de zijde der wetenschap
-tegen de Schrift en hare inspiratie worden ingebracht. Want deze
-gelden volstrekt niet enkele ondergeschikte punten in de peripherie
-der openbaring, maar raken haar hart en centrum zelf. De inspiratio
-personalis en fundamentalis is volstrekt niet wetenschappelijker en
-rationeeler, dan de strengste inspiratio verbalis.
-
-De andere inspiratietheorieën, inspiratio punctualis, verbalis, realis
-en ook de Wortinspiration van Philippi wijken onderling weinig af. De
-werkzaamheid des H. Geestes bij het schrijven heeft toch daarin bestaan,
-dat Hij, na het menschelijk bewustzijn der scriptores op allerlei wijze,
-door geboorte, opvoeding, natuurlijke gaven, onderzoek, herinnering,
-nadenken, levenservaring, openbaring, enz. gepraepareerd te hebben, nu
-in en onder en bij het schrijven zelf in dat bewustzijn die gedachten en
-woorden, die taal en stijl, deed opkomen, welke de goddelijke gedachte
-op de beste wijze voor menschen van allerlei rang en stand en volk en
-eeuw vertolken konden. In de gedachten zijn de woorden en in de woorden
-de vocalen begrepen. Maar daaruit volgt niet, dat de vocaalteekens
-in onze Hebr. handschriften van de schrijvers zelven afkomstig zouden
-zijn. Daaruit volgt ook niet, dat alles vol is van goddelijke wijsheid,
-dat elke jota en elke tittel een oneindigen inhoud heeft. Alles heeft
-zijn zin en zijne beteekenis zeer zeker, maar daar ter plaatse en in
-het verband, waarin het voorkomt. Niet atomistisch mag de Schrift
-beschouwd worden, alsof elk woord en elke letter los op zich zelve en
-geisoleerd, als zoodanig, door God zou zijn ingegeven, met een eigen
-bedoeling, met een eigen en dus goddelijken, oneindigen inhoud. Dat
-leidt tot de dwaze hermeneutische regelen der Joodsche Schriftgeleerden
-en eert niet maar onteert de H. Schrift. Maar organisch moet de
-inspiratie worden opgevat, zoodat ook het geringste zijne plaats en
-beteekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van
-het centrum dan andere deelen. In het menschelijk organisme is niets
-toevallig, noch de lengte, noch de breedte, noch de kleur, noch de
-tint; maar daarom staat niet alles met het levenscentrum in hetzelfde
-nauw verband. Hoofd en hart nemen een veel belangrijker plaats in het
-lichaam in dan hand en voet, en deze staan weer in waarde verre boven
-nagels en haren. Ook in de Schrift ligt niet alles even dicht om het
-centrum geschaard; er is eene peripherie, die wijd om het middelpunt
-zich heen beweegt, maar ook zij behoort tot den cirkel der gedachten
-Gods. Soorten en graden in de inspiratie zelve zijn er dus niet. Het
-haar des hoofds is hetzelfde leven deelachtig als hart en hand. Het is
-ééne anima, die tota est in toto corpore et in omnibus partibus. Het
-is één Geest, waaruit heel de Schrift door het bewustzijn der schrijvers
-is voortgekomen. Maar wel is er verschil in de wijze, waarop hetzelfde
-leven in de verschillende deelen des lichaams immanent en werkzaam
-is. Er is verscheidenheid van gaven, ook in de Schrift, maar het is
-dezelfde Geest.
-
-
-E. Bezwaren tegen de inspiratie.
-
-17. Tegen deze inspiratie der Schrift worden vele en zeer ernstige
-bezwaren ingebracht. Zij zijn ontleend aan de historische kritiek, die
-de echtheid en geloofwaardigheid van vele Bijbelboeken bestrijdt; aan de
-innerlijke tegenstrijdigheden, die telkens in de Schrift voorkomen; aan
-de wijze, waarop het Oude Test. in het Nieuwe aangehaald en uitgelegd
-wordt; aan de ongewijde geschiedenis, met welke de verhalen der Schrift
-menigmaal niet overeen te brengen zijn; aan de natuur, welke zoowel in
-haar ontstaan als in haar bestaan de Schrift met hare schepping en
-hare wonderen weerspreekt; aan de religie en moraal, die menigmaal
-over het geloof en leven van de personen des Bijbels een afkeurend
-oordeel velt; aan den tegenwoordigen vorm der Schrift, die blijkens de
-tekstkritiek in hare autographa verloren, in hare apographa corrupt en
-in hare vertalingen gebrekkig is, enz. Het is eene ijdele poging, om
-deze bezwaren weg te cijferen en te doen, als zij niet bestaan. Maar toch
-dient in de eerste plaats gewezen te worden op de ethische beteekenis
-van den strijd, die alle eeuwen door tegen de Schrift is gevoerd.
-Indien de Schrift het woord Gods is, is die strijd niet toevallig maar
-noodzakelijk en ook volkomen verklaarbaar. Omdat zij de beschrijving is
-van de openbaring Gods in Christus, moet zij denzelfden tegenstand
-wakker roepen als Christus zelf. Deze is tot eene κρισις in de wereld
-gekomen en is gezet tot een val en eene opstanding voor velen. Hij
-brengt scheiding tusschen licht en duisternis en maakt de gedachten uit
-veler hart openbaar. En evenzoo is de Schrift een levend en krachtig
-woord, een oordeelaar van de gedachten en de overleggingen des harten.
-Zij werd niet alleen geïnspireerd, zij is nog theopneust. Gelijk er aan
-de akte der inspiratie veel voorafgaat, heel de werkzaamheid des
-H. Geestes in natuur, geschiedenis, openbaring, wedergeboorte, zoo
-volgt er ook veel op. De inspiratie staat niet op zichzelve. De H.
-Geest trekt zich, na de akte der inspiratie, niet van de H. Schrift
-terug en laat haar niet over aan haar lot, maar Hij draagt en bezielt
-haar, en brengt haar inhoud in allerlei vorm tot de menschheid, tot
-haar hart en geweten. Door de Schrift als het woord Gods bindt de H.
-Geest een voortdurenden kamp aan tegen de gedachten, en overleggingen
-van den ψυχικος ἀνθρωπος. Op zichzelf behoeft het dus niet de minste
-verwondering te baren, dat de Schrift ten allen tijde weerspraak en
-bestrijding heeft ontmoet. Christus heeft een kruis gedragen, en een
-dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd
-van Christus. Zij deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap wakker van
-den zondigen mensch.
-
-Daaruit is nu wel niet alle bestrijding van de Schrift te verklaren.
-Maar toch zijn de aanvallen, waaraan de Schrift in deze eeuw blootstaat,
-niet op zichzelf te beschouwen. Zij hangen ongetwijfeld samen met heel
-de geestesrichting dezer eeuw. Over personen en bedoelingen komt ons
-het oordeel niet toe; maar het zou oppervlakkig zijn te beweren, dat
-de strijd tegen de Schrift in deze eeuw geheel op zichzelf stond, door
-gansch andere en veel zuiverder motieven werd beheerscht dan in
-vroegere eeuwen, dat thans alleen het hoofd meespreken zou en het hart
-er geheel buiten zou blijven. Ieder geloovige doet de ervaring op, dat
-hij in de beste oogenblikken van zijn leven ook het sterkst staat in het
-geloof aan de Schrift; zijn vertrouwen op de Schrift neemt toe met zijn
-geloof in Christus, en omgekeerd is ignoratio Scripturarum vanzelve
-en in diezelfde mate ook eene ignoratio Christi (Hieronymus). Het
-verband van zonde en dwaling ligt dikwerf diep onder de oppervlakte
-van het bewuste leven. Bij een ander is het schier nimmer aan te wijzen,
-maar soms wordt het aan het eigen zielsoog ontdekt. De strijd tegen
-de Schrift is in de eerste plaats eene openbaring van de vijandschap
-van het menschelijk hart. Maar die vijandschap kan zich uiten op
-verschillende wijze. Zij komt volstrekt niet alleen en misschien zelfs
-niet het sterkst uit in de kritiek, waaraan de Schrift in onzen tijd
-onderworpen wordt. De Schrift als het woord Gods ontmoet tegenstand
-en ongeloof bij iederen psychischen mensch. In de dagen der doode
-orthodoxie was principiëel het ongeloof aan de Schrift even machtig
-als in onze historische en kritische eeuw. De vormen wisselen, maar
-het wezen blijft één. Hetzij de vijandschap tegen de Schrift zich uit in
-eene kritiek als die van Celsus en Porphyrius, hetzij zij zich openbaart
-in een dood geloof, de vijandschap is in beginsel dezelfde. Want niet
-de hoorders, maar de daders des woords worden zalig gesproken. De
-dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns heeren en zich niet
-bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen
-geslagen worden.
-
-Daarom blijft het voor iederen mensch plicht, om allereerst deze
-vijandschap tegen het woord Gods af te leggen en alle gedachten gevangen
-te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. De Schrift treedt zelve
-allerwege op met dezen eisch. Alleen de reine van hart zal God zien.
-Wedergeboorte doet het koninkrijk Gods aanschouwen. Zelfverloochening
-is de voorwaarde, om Jezus’ discipel te zijn. De wijsheid der wereld is
-dwaasheid bij God. De Schrift neemt tegenover ieder mensch zoo hooge
-plaats in, dat zij, in plaats van aan zijne kritiek zich te onderwerpen,
-veeleer hem oordeelt in al zijne gedachten en begeerten. En dit is
-het standpunt der christelijke kerk tegenover de Schrift ten allen
-tijde geweest. Nederigheid was volgens Chrysostomus de grondslag der
-philosophie. Augustinus zeide: quemadmodum rhetor ille rogatus, quid
-primum esset in eloquentiae praeceptis, respondit: pronuntiationem;
-quid secundum, pronuntiationem; quid tertium, pronuntiationem; ita
-si me interroges de religionis Christianae, primo, secundo et tertio
-semper respondere liberet: humilitatem. Calvijn, Inst. II 2, 11, haalt
-dit met instemming aan. En Pascal, Pensées, Art. 8, roept het den
-mensch toe: humiliez-vous, raison impuissante, taisez-vous, nature
-imbécile..... écoutez Dieu! Zoo heeft de kerk in alle eeuw tegenover
-de Schrift gestaan. En de christelijke dogmaticus mag geen andere
-positie innemen. Want een dogma steunt niet op de uitkomsten van eenig
-historisch-kritisch onderzoek, maar rust alleen op de getuigenis Gods,
-op de zelfgetuigenis der H. Schrift. Een Christen gelooft niet, omdat
-alles Gods liefde ontdekt, maar ondanks alles, dat twijfel wekt. Ook
-in de Schrift blijft er veel, dat twijfel wekt. Alle geloovigen weten
-daaruit bij ervaring mede te spreken. De mannen van de Schriftkritiek
-stellen het dikwerf zoo voor, alsof de eenvoudige gemeente niets wist
-van de bezwaren, die tegen de Schrift worden ingebracht en niets
-gevoelde van de moeilijkheid, om aan de Schrift te blijven gelooven. Maar
-dat is eene onzuivere voorstelling. Zeker, de eenvoudige Christenen
-kennen de hinderpalen niet, welke de wetenschap voor het geloof
-aan de Schrift in den weg legt. Maar zij kennen toch in meerdere of
-mindere mate den strijd, die in hoofd en hart beide tegen de Schrift
-wordt gestreden. Er is geen enkel geloovige, die niet op zijne wijze
-de tegenstelling heeft leeren kennen tusschen de σοφια του κοσμου en
-de μωρια του θεου. Het is éénzelfde en het is een altijd voortdurende
-strijd, die door alle Christenen, geleerd of ongeleerd, gestreden moet
-worden, om de gedachten gevangen te houden onder de gehoorzaamheid van
-Christus. Niemand komt hier op aarde dien strijd te boven. Er blijven
-over heel de erve des geloofs cruces, die overwonnen moeten worden. Er
-is geen geloof zonder strijd. Gelooven is strijden, strijden tegen den
-schijn der dingen. Zoolang iemand nog iets gelooft, wordt hem zijn geloof
-van alle kanten betwist. Ook de moderne geloovige wordt daarvan niet
-verlost. Concessies verzwakken maar bevrijden niet. Zoo blijven er dan
-nog bezwaren genoeg over, ook voor wie kinderlijk aan de Schrift zich
-onderwerpt. Deze behoeven niet verbloemd te worden. Er zijn cruces in de
-Schrift, die niet weg te cijferen zijn, en die waarschijnlijk ook nooit
-zullen worden opgelost. Maar deze moeilijkheden, welke de H. Schrift
-zelve tegenover hare inspiratie ons biedt, zijn voor een groot gedeelte
-niet nieuw ontdekt in deze eeuw; zij zijn ten allen tijde opgemerkt,
-en desniettemin hebben Jezus en de apostelen, hebben Athanasius en
-Augustinus, Thomas en Bonaventura, Luther en Calvijn, hebben alle
-Christenen van alle kerken en door alle eeuwen de Schrift beleden
-en erkend als het woord van God. Wie met het geloof aan de Schrift
-wil wachten, totdat alle bezwaren uit den weg zijn geruimd en alle
-tegenstrijdigheden zijn verzoend, komt nimmer tot het geloof. Hetgeen
-iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Jezus spreekt zalig degenen,
-die niet gezien en nogtans zullen geloofd hebben. Maar bovendien,
-bezwaren en moeielijkheden zijn er in iedere wetenschap. Wie niet met
-gelooven wil aanvangen, komt nimmer tot weten. De Erkenntnisstheorie is
-het beginsel der philosophie; maar zij is mysterie van het begin tot het
-eind. Wie niet eer aan het wetenschappelijk onderzoek wil gaan, voordat
-hij den weg ziet gebaand, waarlangs wij tot kennis komen, begint er nooit
-mede. Wie niet eten wil, voor hij heel het proces begrijpt, waardoor de
-spijze tot hem komt, sterft den hongerdood; en wie het woord Gods niet
-gelooven wil, voor hij alle moeilijkheden opgelost ziet, komt om van
-geestelijk gebrek. Met begrijpen zal ’t niet gaan, grijp het onbegrepen
-aan (Beets). De natuur, de geschiedenis en elke wetenschap biedt
-evenveel cruces als de H. Schrift. De natuur bevat zoovele raadselen,
-dat zij ons menigmaal kan doen twijfelen aan het bestaan van een wijs en
-rechtvaardig God. Er zijn ἐναντιοφανη in menigte op iedere bladzijde
-van het boek der natuur. Er is een onverklaarbare rest (Schelling),
-die met alle verklaring spot. Wie geeft daarom prijs het geloof aan de
-Voorzienigheid Gods, welke over alle dingen gaat? Het Mohammedanisme,
-het leven en de levensbestemming der onbeschaafde volken is een crux
-in de geschiedenis der menschheid, even groot en even moeilijk als de
-samenstelling van den Pentateuch en de Synoptici. Wie twijfelt er daarom
-aan, dat God ook dat boek der natuur en der geschiedenis schrijft met
-zijne almachtige hand? Natuurlijk kan men hier en zoo ook bij de Schrift
-zich in de armen werpen van het agnosticisme en van het pessimisme.
-Maar wanhoop is een salto mortale ook op wetenschappelijk gebied. Met
-het ongeloof nemen de mysteriën des zijns niet af maar toe. En de
-onvrede des harten wordt grooter.
-
-18. Maar voorts doet de organische opvatting van de inspiratie vele
-middelen aan de hand, om aan de bezwaren, tegen haar ingebracht,
-te gemoet te komen. Zij houdt toch in, dat de H. Geest bij het
-beschrijven van het woord Gods niets menschelijks heeft versmaad, om
-tot orgaan te dienen van het goddelijke. De openbaring Gods is niet
-abstract-supranatureel, maar is ingegaan in het menschelijke, in
-personen en toestanden, in vormen en gebruiken, in geschiedenis en
-leven. Zij blijft niet hoog boven ons zweven, maar is nedergedaald in
-onzen toestand; zij is vleesch en bloed en ons in alles gelijk geworden
-uitgenomen de zonde. Zij maakt thans een onuitroeibaar bestanddeel uit
-van dezen kosmos waarin wij leven, en zet vernieuwend en herstellend
-daarin hare werking voort. Het menschelijke is orgaan geworden van
-het goddelijke, het natuurlijke de openbaring van het bovennatuurlijke,
-het zienlijke teeken en zegel van het onzienlijke. Bij de inspiratie
-is gebruik gemaakt van alle gaven en krachten, die er liggen in de
-menschelijke natuur. Daardoor is ten eerste volkomen verklaarbaar het
-verschil in taal en stijl, in karakter en individualiteit, dat in de
-Bijbelboeken valt op te merken. Vroeger werd dit verschil verklaard
-uit den wil des H. Geestes, en eene diepere beschouwing ontbrak. Maar
-bij de organische inspiratie is dit verschil volkomen natuurlijk. Ook
-het gebruik van bronnen, de bekendheid der schrijvers met vroegere
-geschriften, eigen onderzoek, herinnering, nadenken en levenservaring
-is door de organische opvatting niet uitgesloten maar opgenomen. De
-H. Geest heeft zelf op die wijze zijne scriptores gepraepareerd; Hij is
-niet in eens van boven op hen neergedaald, maar heeft zich van heel
-hunne persoonlijkheid als van zijn instrument bediend. Ook hier geldt het
-woord, dat gratia non tollit sed perficit naturam. De persoonlijkheid
-der schrijvers is niet uitgewischt maar gehandhaafd en geheiligd.
-De inspiratie eischt dus in geenen deele, dat wij litterarisch of
-aesthetisch den stijl van Amos gelijk stellen met dien van Jesaia, of
-dat we alle barbarismen en soloecismen in de taal des N. T. zouden
-loochenen. In de tweede plaats brengt de organische opvatting van
-openbaring en inspiratie mede, dat het gewoon menschelijke en natuurlijke
-leven niet uitgesloten is maar mede dienstbaar is gemaakt aan de
-gedachten Gods. De Schrift is het woord Gods; zij bevat het niet
-alleen maar zij is het. Maar het formeele en materieele element mag
-in deze uitdrukking niet vaneen gescheiden worden. Inspiratie alleen
-en op zichzelve zou een geschrift nog niet tot woord Gods maken in
-schriftuurlijken zin. Al ware een boek over aardrijkskunde bijv. geheel
-en al ingegeven en in den meest letterlijken zin van woord tot woord
-gedicteerd, daardoor werd het nog niet theopneust in den zin van 2
-Tim. 3:16. De Schrift is het woord Gods, omdat de H. Geest in haar van
-Christus getuigt, omdat zij den Λογος ἐνσαρκος tot stof en inhoud heeft.
-Vorm en inhoud doordringen elkaar, en zijn niet te scheiden. Maar om dit
-beeld van Christus ons ten voeten uit als voor de oogen te schilderen,
-daartoe is noodig, dat ook de menschelijke zonde en de satanische leugen
-in al haar gruwel geteekend wordt. Op de schilderij is de schaduw
-noodig, om het licht te helderder te doen uitkomen. Zonde moet ook in
-Bijbelheiligen zonde worden genoemd, en dwaling mag ook in hen niet
-worden vergoelijkt. En terwijl de openbaring Gods in Christus alzoo de
-ongerechtigheid als antithese in zich opneemt, versmaadt zij ook het
-menschelijk-zwakke en natuurlijke niet. Christus heeft niets menschelijks
-zich vreemd gerekend, en de Schrift vergeet ook de kleinste zorgen
-van het dagelijksch leven niet, 2 Tim. 4:13. Het christelijke staat
-niet antithetisch tegenover het menschelijke; het is er de herstelling
-en vernieuwing van. In de derde plaats hangt met den inhoud ook ten
-nauwste de bedoeling en de bestemming der Schrift samen. Alwat te voren
-geschreven is, is tot onze leering geschreven. Het strekt tot leering,
-wederlegging, verbetering, onderwijzing, die in de rechtvaardigheid
-is, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt
-toegerust. Het dient om ons wijs te maken tot zaligheid. De H. Schrift
-heeft eene door en door religieus-ethische bestemming. Zij wil geen
-handboek zijn voor de verschillende wetenschappen. Zij is principium
-alleen van de theologie en verlangt dat wij haar _theologisch_ lezen en
-onderzoeken zullen. Bij al de vakken, die om de Schrift zich groepeeren,
-moet het ons te doen zijn om de zaligmakende kennisse Gods. Daarvoor
-biedt de Schrift ons alle gegevens. In dien zin is zij volkomen
-genoegzaam en volmaakt. Wie echter uit de Schrift eene geschiedenis
-van Israel, eene biographie van Jezus, eene geschiedenis van Israels
-of de oud-christelijke letterkunde enz. wil afleiden, vindt telkens
-zich teleurgesteld. Dan zijn er leemten, die niet dan door gissingen
-kunnen worden aangevuld. De historische kritiek heeft deze bestemming
-der Schrift ten eenenmale vergeten. Zij tracht eene geschiedenis van
-Israels volk en godsdienst en letterkunde te leveren, en komt apriori
-met eischen tot de Schrift, waaraan zij niet kan voldoen. Zij stuit
-op tegenstrijdigheden, die niet op te lossen zijn, schift bronnen en
-boeken eindeloos, rangschikt en ordent ze gansch anders, alleen met
-het gevolg, dat er een hopelooze verwarring ontstaat. Uit de vier
-Evangelien is geen leven van Jezus te construeeren en uit het Oude
-Testament geen geschiedenis van Israel. De H. Geest heeft dat niet
-bedoeld. Notarieele opteekening is de inspiratie niet geweest. De
-harmonistiek der evangelische verhalen is mislukt, cf. Dieckhoff, Die
-Inspiration und Irrthumslosigkeit der H. Schrift, Leipzig 1891. Id.
-Noch einmal über die Insp. u. Irrth. der H. S. Rostock 1893. Herzog²
-art. Evangelienharmonien en Synopse. Aan exacte kennis, gelijk wij die in
-de mathesis, de astronomie, de chemie enz. eischen, voldoet de Schrift
-niet. Zulk een maatstaf mag aan haar niet worden aangelegd. Daarom zijn
-de autographa ook verloren. Daarom is de tekst, in welke geringe mate
-dan ook, corrupt; daarom bezit de gemeente en waarlijk de leeken niet
-alleen de Schrift slechts in eene gebrekkige en feilbare vertaling. Dat
-zijn feiten, die niet te loochenen zijn. En zij leeren ons, dat de Schrift
-een eigen maatstaf heeft, van eene eigen uitlegging is en eene eigene
-bestemming heeft. Die bestemming is geen andere, dan dat zij ons wijs
-zoude maken tot zaligheid. Het Oude Testament is geen bron voor eene
-geschiedenis van Israels volk en godsdienst maar wel voor eene historia
-revelationis. De Evangelien zijn geen bron voor een leven van Jezus maar
-wel voor eene dogmatische kennis van zijn persoon en werk. De Schrift is
-het boek voor de christelijke religie en voor de christelijke theologie.
-Daartoe is zij gegeven. Daarvoor is zij geschikt. En daarom is zij het
-woord Gods, ons geschonken door den H. Geest.
-
-19. Daaruit wordt eindelijk de verhouding duidelijk, waarin de Schrift
-tot de andere wetenschappen staat. Er is veel misbruik gemaakt van
-het woord van Baronius: de Schrift zegt niet, hoe de hemel gaat maar
-hoe wij naar den hemel gaan. Juist als boek der kennisse Gods heeft de
-Schrift veel te zeggen, ook tot de andere wetenschappen. Zij is een
-licht op het pad en eene lamp voor den voet, ook van de wetenschap
-en de kunst. Zij maakt aanspraak op gezag op alle terrein van het
-leven. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde. Objectief is
-de beperking van de inspiratie tot het religieus-ethische gedeelte
-der Schrift onhoudbaar, en subjectief is de scheiding tusschen het
-godsdienstige en het overige leven van den mensch niet te handhaven.
-De inspiratie strekt zich uit tot alle deelen der Schrift, en de
-religie is eene zaak van den ganschen mensch. Zeer veel van wat in
-de Schrift vermeld wordt, is ook voor de andere wetenschappen van
-principiëele beteekenis. De schepping en val des menschen, de eenheid
-van het menschelijk geslacht, de zondvloed, het ontstaan der volken
-en talen, enz. zijn feiten ook voor de andere wetenschappen van het
-hoogste belang. Ieder oogenblik komen wetenschap en kunst met de
-Schrift in aanraking, de principia voor heel het leven zijn gegeven in
-de Schrift. Hieraan mag niets te kort worden gedaan. Maar toch ligt
-er anderzijds ook eene groote waarheid in het woord van den kardinaal
-Baronius. Ook alle die feiten worden in de Schrift niet op en voor
-zichzelf medegedeeld, maar met een theologisch doel, opdat wij God
-zouden kennen tot zaligheid. De Schrift bemoeit zich nooit opzettelijk
-met de wetenschap als zoodanig. Christus zelf, ofschoon vrij van alle
-dwaling en zonde, heeft zich toch nooit in engeren zin bewogen op
-het gebied van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid, van
-rechtspraak en politiek. Zijns was eene andere grootheid; de heerlijkheid
-des Eengeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Maar juist
-daardoor is Hij ten zegen geweest ook voor wetenschap en kunst, voor
-maatschappij en staat. Jezus is Zaligmaker, dat alleen, maar dat ook
-geheel. Hij kwam niet alleen, om het religieus-ethische leven van den
-mensch te herstellen en al het andere ongemoeid te laten, alsof dit
-niet door de zonde bedorven ware en geen herstelling van noode had.
-Neen zoover als de zonde, strekt ook de genade van Christus zich uit.
-En evenzoo is het met de Schrift. Ook zij is door en door religieus,
-het woord Gods tot zaligheid, maar daarom ook juist een woord voor
-gezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. De Schrift is een boek
-voor de gansche menschheid, in al haar rangen en standen, in al haar
-geslachten en volken. Maar daarom ook is zij geen wetenschappelijk boek
-in engeren zin. Wijsheid, niet geleerdheid is in haar aan het woord. Zij
-spreekt niet de exacte taal der wetenschap en der school, maar die der
-aanschouwing en des dagelijkschen levens. Zij beoordeelt en beschrijft
-de dingen niet naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek,
-maar naar de intuitie, naar den eersten, levendigen indruk, dien de
-verschijnselen maken op den mensch. Daarom spreekt zij van het naderen
-van het land, van het opgaan en stilstaan der zon, van het bloed als de
-ziel van het dier, van de nieren als zetel der aandoeningen, van het
-hart als bron der gedachten, enz. en bekommert zich daarbij ganschelijk
-niet om de wetenschappelijk-nauwkeurige taal van de astronomie, de
-physiologie, de psychologie, enz. Zij spreekt over de aarde als het
-centrum van Gods schepping en kiest geen partij tusschen de Ptolemeische
-en de Kopernikaansche wereldbeschouwing. Zij beslist niet tusschen het
-Neptunisme en het Plutonisme, noch ook tusschen de allopathie en de
-homoeopathie. De scriptores der H. Schrift wisten waarschijnlijk in al
-deze wetenschappen, geologie, zoölogie, physiologie, medicijnen, enz.
-niets meer dan al hunne tijdgenooten. Het behoefde ook niet. Want de H.
-Schrift bezigt de taal der dagelijksche ervaring, die altijd waar is en
-altijd blijft. Indien de Schrift in plaats daarvan de taal der school
-had gebruikt en wetenschappelijk-exact hadde gesproken, zij zou aan haar
-eigen gezag in den weg hebben gestaan. Indien zij beslist had voor de
-Ptolemeische wereldbeschouwing, zou zij ongeloofwaardig zijn in eene
-eeuw, die het Kopernikaansche stelsel huldigde. Zij zou ook geen boek
-voor het leven, voor de menschheid hebben kunnen zijn. Maar nu spreekt
-zij in algemeen-menschelijke taal, verstaanbaar voor den eenvoudigste,
-duidelijk voor geleerde en ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de
-aanschouwing, die altijd naast die der wetenschap en van de school zal
-blijven bestaan. Daarom kan zij ook duren tot aan het einde der eeuwen.
-Daarom is zij oud, zonder ooit te verouderen. Zij is altijd jong en
-frisch; zij is de sprake des levens. Verbum Dei manet in aeternum.
-
-
-§ 12. EIGENSCHAPPEN DER SCHRIFT.
-
-
-A. De eigenschappen der Schrift in het algemeen.
-
-1. De leer van de affectiones S. Scr. heeft zich geheel ontwikkeld
-uit den strijd tegen Rome en het Anabaptisme. In de belijdenis van de
-inspiratie en autoriteit der Schrift was er overeenstemming, maar
-overigens was er in den locus de S. Scr. groot verschil tusschen Rome
-en de Hervorming. De verhouding, waarin Rome Schrift en kerk tot
-elkaar had gesteld, werd in de Reformatie principieel veranderd. Bij de
-kerkvaders en scholastici stond de Schrift, althans in theorie, nog
-verre boven kerk en traditie; zij rustte in zichzelve, was αὐτοπιστος
-en voor kerk en theologie de norma normans. Augustinus zei, scriptura
-canonica certis suis terminis continetur, bij Harnack, D. G. II 85, en
-redeneert Conf. 6,5, 11,3 zoo, alsof de waarheid der H. Schrift alleen
-afhangt van zichzelve. Bonaventura, de sept. don. n. 37-43, geciteerd
-in het Breviloquium ed. Freiburg 1881 p. 370, verklaart: ecclesia enim
-fundata est super eloquia Sacrae Scripturae, quae si deficiant, deficit
-intellectus........ Cum enim ecclesia fundata sit in Sacra Scriptura,
-qui nescit eam, nescit ecclesiam regere. Meer dergelijke getuigenissen
-worden door Gerhard, Loci theol. I cap. 3 § 45, 46 aangehaald uit
-Salvianus, Biel, Cajetanus, Hosius, Valentia enz. Canisius zegt in zijn
-Summa doctrinae christ., in cap. de praeceptis ecclesiae § 16: Proinde
-sicut scripturae propter testimonium Divini Spiritus in illa loquentis
-credimus, adhaeremus ac tribuimus maximam auctoritatem, sic ecclesiae
-fidem, reverentiam obedientiamque debemus. En ook Bellarminus, de Verbo
-Dei, lib. 1 cap. 2 verklaart nog: Sacris Scripturis, quae propheticis
-et apostolicis litteris continentur, nihil est notius, nihil certius,
-ut stultissimum esse necesse sit qui illis fidem habendam esse negat.
-Allen waren van oordeel, dat de Schrift genoegzaam uit en door
-zichzelve als waarheid bewezen kon worden; zij hangt niet van de kerk
-af, maar omgekeerd de kerk van haar; de kerk met hare traditie moge
-regula fidei zijn, fundamentum fidei is zij nog niet. Dat is de Schrift
-alleen.
-
-Maar de kerk met haar ambt en traditie begon bij Rome hoe langer hoe
-meer eene onafhankelijke plaats in te nemen en autoriteit te verkrijgen
-naast de H. Schrift. De verhouding van beide werd eerst niet nader
-omschreven, maar eischte toch spoedig eene betere regeling. En toen de
-kerk steeds toenam in macht en zelfgenoegzaamheid, werd de autoriteit
-hoe langer hoe meer van de Schrift naar de kerk verlegd. Verschillende
-momenten in de geschiedenis wijzen het proces aan, waarlangs de kerk
-van de plaats onder, tot die naast, en eindelijk ook tot die boven de
-Schrift zich verhief. De vraag, welke van beide, de Schrift of de
-kerk, den voorrang had, werd duidelijk en bewust eerst gesteld in den
-tijd der reformatorische conciliën. Ondanks de tegenspraak van Gerson,
-d’Ailly, en vooral van Nicolaas van Clémange, Herz.² 3:247 werd ze ten
-voordeele der kerk beslist. Trente heeft dit tegenover de Hervorming
-gesanctioneerd. In den strijd tegen het Gallikanisme werd de kwestie nog
-nader gepraeciseerd, en in het Vaticanum 1870 is ze zoo opgelost, dat
-de kerk onfeilbaar werd verklaard. Subject van deze onfeilbaarheid is
-echter niet de ecclesia audiens, noch de ecclesia docens, noch ook de
-gezamenlijke bisschoppen, in concilie vergaderd, maar bepaald de paus.
-En deze weer niet als privaat persoon, noch ook als bisschop van Rome
-of patriarch van het Westen maar als Opperherder der gansche kerk.
-Hij bezit deze onfeilbaarheid wel als hoofd der kerk en niet los van
-haar, maar hij bezit ze toch niet door en met haar, maar boven en in
-onderscheiding van haar. Zelfs bisschoppen en conciliën hebben deel
-aan de onfeilbaarheid, niet gescheiden van, maar alleen in eenheid met
-en onderwerping aan den paus. Hij staat boven allen, en maakt alleen
-de kerk, de traditie, de conciliën, de canones onfeilbaar. Concilies
-zonder paus kunnen dwalen en hebben gedwaald, Bellarminus, de Conc.
-et Eccl. II c. 10-11. Heel de kerk, zoowel docens als audiens, is
-alleen onfeilbaar una cum et sub Romano pontifice, Jansen, Theol. I
-506. Daarmede is heel de verhouding van kerk en Schrift omgekeerd. De
-kerk, of meer concreet de paus, gaat voor en staat boven de Schrift.
-Ubi papa, ibi ecclesia, Jansen, I 511. De onfeilbaarheid van den paus
-maakt die van de kerk, de bisschoppen en conciliën en evenzoo die van
-de Schrift onnoodig.
-
-2. Uit deze Roomsche opvatting van de verhouding van Schrift en
-kerk vloeien alle verschillen voort, welke in de leer der Schrift
-tusschen Rome en de Hervorming bestaan. Zij betreffen voornamelijk de
-noodzakelijkheid der H. Schrift, de apocriefen van het O. Test., de
-editio Vulgata, het bijbelverbod, de uitlegging der Schrift en de
-traditie. Formeel komt de omkeer in de verhouding van Schrift en kerk
-het duidelijkst daarin uit, dat de nieuwere Roomsche theologen de leer
-der kerk behandelen in de pars formalis der dogmatiek. De kerk behoort
-tot de principia fidei. Gelijk de Schrift bij de Reformatie, zoo is de
-kerk, het magisterium, of eigenlijk de paus het formeele principe, het
-fundamentum fidei in het Romanisme, Jansen, I 829.
-
-Daartegenover plaatsten de Hervormers de leer van de eigenschappen
-der Schrift. Zij droeg geheel en al een polemisch karakter, maar stond
-daardoor ook in hoofdzaak van den aanvang af vast, Heppe, Dogm. d.
-deutschen Prot. I 207-257. Allengs werd ze ook min of meer systematisch
-en methodisch in de dogmatiek opgenomen, nog niet bij Zwingli, Calvijn,
-Melanchton, enz., maar toch reeds bij Musculus, Loci Comm. 1567 p. 374
-sq. Zanchius, de S. Script. Op. VIII 319 sq. Polanus, Synt. Theol. 17
-sq. Junius, Theses Theol. Op. I 1594 sq. enz., en in de Luthersche kerk
-bij Gerhard, Quenstedt, Calovius, Hollaz, enz. Maar in de behandeling
-was er verschil. Soms werd er allerlei historische en kritische
-stof in besproken; de dogmatiek nam schier heel de „Inleiding”,
-de canonica generalis en specialis, in zich op. Ook het aantal en
-de verdeeling der eigenschappen werd ongelijk opgegeven. Gezag,
-nuttigheid, noodzakelijkheid, waarheid, duidelijkheid, genoegzaamheid,
-oorsprong, verdeeling, inhoud, apocriefen, concilie, kerk, traditie,
-editio authentica, vertalingen, uitlegging, bewijzen, testimonium Sp.
-S{i}., dit alles en nog veel meer werd in de leer der Schrift en van
-hare eigenschappen ter sprake gebracht. Langzamerhand kwam er meer
-begrenzing der stof. Calovius en Quenstedt onderscheidden tusschen
-affectiones primariae en secundariae; tot de eerste behoorden de
-auctoritas, veritas, perfectio, perspicuitas, semet ipsam interpretandi
-facultas, judicialis potestas en efficacia, en onder de laatste werden
-gerekend de necessitas, integritas, puritas, authentia en legendi
-omnibus concessa licentia. Nog eenvoudiger was de menigmaal gevolgde
-orde: auctoritas, necessitas, perfectio seu sufficientia, perspicuitas,
-semet ipsam interpretandi facultas en efficacia, Hase, Hutterus Rediv.
-§ 43 f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 27 f. Herzog² 2, 365 f.
-Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 9 f. Voigt, Fundamentaldogm. S. 644 f.
-Maar ook zoo is er nog vereenvoudiging aan te brengen. De historische,
-kritische, archaeologische stof enz. hoort niet thuis in de dogmatiek,
-maar in de bibliologische vakken der theologie. De authentia,
-integritas, puritas enz. kunnen daarom in de dogmatiek niet volledig
-behandeld worden, zij komen daar slechts in zooverre ter sprake, als de
-leer der Schrift ook voor hare gesteldheid eenige gegevens biedt. De
-veritas behoeft na de inspiratie en autoriteit geen afzonderlijk betoog
-meer, en zou daardoor eer verzwakt dan versterkt worden. De efficacia
-vindt haar plaats in de leer van de media gratiae. Zoo blijven alleen
-de auctoritas, necessitas, perfectio en perspicuitas over. Onder deze
-is er nog dit onderscheid, dat de auctoritas geene eigenschap is, die
-gecoordineerd is met de andere, want zij is met de inspiratie vanzelf
-gegeven; de necessitas, perspicuitas en sufficientia daarentegen
-vloeien niet in denzelfden zin uit de inspiratie voort. Het laat zich
-denken, dat eene onfeilbare Schrift aangevuld en uitgelegd moest worden
-door eene onfeilbare traditie. Rome erkent wel de autoriteit der
-Schrift, maar loochent hare andere eigenschappen.
-
-
-B. Het gezag der Schrift.
-
-3. Het gezag der Schrift is ten allen tijde in de christelijke kerk
-erkend. Jezus en de apostelen geloofden aan het O. Test. als het woord
-Gods en schreven daaraan toe een goddelijk gezag. De christelijke kerk
-is onder het gezag der Schrift geboren en opgegroeid. Wat de apostelen
-geschreven hebben, moet zoo worden aangenomen alsof Christus zelf het
-geschreven had, Aug. de cons. evang. I 35. En Calvijn verklaart in zijne
-uitlegging van 2 Tim. 3:16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam
-verschuldigd zijn als aan God. Dat gezag der Schrift stond tot de vorige
-eeuw toe in alle kerken en onder alle Christenen vast. Daarentegen kwam
-er tusschen Rome en de Hervorming een ernstig verschil over den grond,
-waarop dat gezag rust. Kerkvaders en scholastici leerden nog dikwerf de
-autopistie der Schrift, maar de drijfkracht van het Roomsche beginsel
-heeft hoe langer hoe meer de kerk geschoven vóór de Schrift. De kerk,
-zoo is thans de algemeene Roomsche leer, gaat temporeel en logisch aan
-de Schrift vooraf. Zij was er eerder dan de Schrift, en heeft haar
-oorsprong, bestaan en autoriteit niet aan de Schrift te danken, maar
-bestaat in en door zichzelve, d. i. door Christus, of den H. Geest
-die in haar woont. De Schrift daarentegen is juist voortgekomen uit
-de kerk en wordt nu door haar erkend, bevestigd, bewaard, uitgelegd,
-verdedigd enz. De Schrift heeft dus wel de kerk, maar de kerk heeft
-niet de Schrift van noode. Zonder kerk is er geen Schrift, maar zonder
-Schrift is er wel eene kerk. De kerk met de onfeilbare traditie is het
-oorspronkelijk en genoegzaam middel, om de openbaring te bewaren en
-mee te deelen; de H. Schrift is er later bijgekomen, is op zichzelve
-onvoldoende, maar is als steun en bevestiging van de traditie wel
-nuttig en goed. Feitelijk wordt bij Rome de Schrift geheel afhankelijk
-van de kerk. De authentie, integriteit, inspiratie, canoniciteit,
-autoriteit van de Schrift wordt door de kerk vastgesteld. Daarbij wordt
-dan echter deze onderscheiding gemaakt, dat de Schrift niet quoad se,
-maar quoad nos geheel van de kerk afhangt. De kerk maakt door hare
-erkenning de Schrift niet geinspireerd, kanonisch, echt enz., maar zij
-is toch de eenige, die deze eigenschappen van de Schrift op onfeilbare
-wijze kennen kan. De zelfgetuigenis der Schrift toch maakt niet uit,
-dat juist deze boeken van O. en N. T., en geen andere en geen mindere,
-geinspireerd zijn; nergens geeft de H. Schrift een catalogus van de
-boeken, die tot haar behooren; de teksten, die de inspiratie leeren,
-dekken nooit de gansche Schrift, 2 Tim. 3:16 slaat alleen op het O.
-Test.; bovendien een beroep voor de inspiratie der Schrift op de
-Schrift zelve is altijd nog maar een cirkelbewijs. De Protestanten zijn
-dan ook onderling verdeeld over de boeken, die tot de Schrift behooren;
-Luthers oordeel over Jakobus wijkt af van dat van Calvijn enz. De bewijzen
-voor de Schrift aan de kerkvaders enz. ontleend, zijn niet vast en
-stevig genoeg, ze hebben als motiva credibilitatis groote waarde, maar
-ze geven toch slechts waarschijnlijkheid, menschelijke en dus feilbare
-zekerheid. Alleen de kerk geeft goddelijke, onfeilbare gewisheid, gelijk
-Augustinus dan ook zeide: ego vero Evangelio non crederem, nisi me
-catholicae ecclesiae commoveret auctoritas, c. epist. Manich. cap. 5.
-c. Faustum l. 28. cap. 2,4,6. De Protestanten hebben daarom de Schrift
-ook kunnen aannemen en erkennen als Gods woord, wijl zij haar uit de
-hand der kerk ontvingen, Bellarminus, de Verbo Dei IV cap. 4. Perrone,
-Praelect. Theol. IX 71 sq. Heinrich, Dogm. I 775 f. Jansen, Theol.
-I 766 sq. Het Vaticanum, sess. 3. cap. 2 erkende de boeken des O. en
-N. T. als kanonisch, propterea quod Sp. S°. inspirante conscripti
-Deum habent autorem _atque ut tales ipsi ecclesiae traditi sunt_.
-Door deze gedachten geleid, stelde Rome te Trente sess. 4 en in het
-Vatikaan sess. 3 cap. 2 den kanon vast, nam daarin naar het voorbeeld
-der Grieksche vertaling en de practijk der kerkvaders ook de apocriefen
-des O. T. op, en verklaarde bovendien de editio Vulgata voor den
-authentieken tekst, zoodat deze in kerk en theologie beslissend gezag
-heeft.
-
-4. Tegenover deze Roomsche leer stelde de Reformatie de autopistie
-der Schrift, Calvijn, Inst. I c. 7. Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 8
-sq. Polanus, Synt. I c. 23-30. Zanchius, de S. Scriptura, Op. VIII
-332-353. Junius, Theses Theol. c. 3-5. Synopsis pur. theol. disp. 2
-§ 29 sq. Gerhard, Loci theol. I c. 3. enz. Bij dit verschil liep de
-vraag niet hierover, of de kerk niet eene roeping had te vervullen
-tegenover de Schrift. Algemeen werd toegestemd, dat de kerk van groote
-beteekenis is voor de Schrift. Haar getuigenis is van groot gewicht en
-een motivum credibilitatis. De kerk der eerste eeuwen bezit in hare
-getuigenissen een sterken steun voor de Schrift. Voor elk mensch is de
-kerk de leidsvrouw tot de Schrift. In dezen zin is en blijft het woord
-van Augustinus waar, dat hij door de kerk bewogen was om de Schrift te
-gelooven. Protestantsche theologen, Calv. Inst. I 7, 3. Polanus, Synt.
-p. 30. Turretinus, de S. Scr. auctoritate, disp. 3 § 13 s. Gerhard,
-Loci theol. I c. 3 § 51 hebben dit woord van Augustinus verzwakt, door
-het alleen op het verleden, op het ontstaan des geloofs te laten slaan.
-Maar de redeneering van Augustinus t. a. p. is duidelijk. Hij plaatst
-zijn manicheeschen tegenstander voor dit dilemma: gij moet òf tot mij
-zeggen: geloof den katholieken, maar dezen waarschuwen mij juist om u te
-gelooven, òf geloof den katholieken niet, maar dan kunt gij u ook niet
-tegenover mij op het evangelie beroepen, quia ipsi Evangelio, catholicis
-praedicantibus, credidi. De kerk is inderdaad voor Augustinus een
-motief des geloofs, waarvan hij hier tegenover den manicheer gebruik
-maakt. Maar er is verschil tusschen motief en laatsten grond des
-geloofs. Hoe hij in de kerk een motief des geloofs ziet, heldert hij
-elders, C. Faustum lib. 32 c. 19 zelf op als hij zegt: cur non potius
-evangelicae autoritati, tam fundatae, tam stabilitae, tanta gloria
-diffamatae atque ab apostolorum temporibus usque ad nostra tempora
-per successiones certissimas commendatae, non te subdis? Cf. de util.
-cred. c. 14. De kerk met haar waardigheid, haar macht, haar hierarchie
-enz. heeft altijd op Augustinus een diepen indruk gemaakt. Zij bewoog
-hem voortdurend tot het geloof, zij steunde en sterkte hem in twijfel en
-strijd, zij was de vaste hand, die hem altijd weer leidde tot de Schrift.
-Maar daarmede wil Augustinus niet zeggen, dat de autoriteit der Schrift
-van de kerk afhangt, dat zij de laatste en diepste grond is van zijn
-geloof. Elders zegt hij duidelijk, dat de H. Schr. door zichzelve gezag
-heeft en om zichzelve moet geloofd worden, Clausen, Augustinus S.
-Scr. interpres 1827 p. 125. Dorner, Augustinus, Berlin 1873 S. 237 f.
-Reuter, Augustinische Studien, Gotha 1887 S. 348 f. Schmidt, Jahrb. f.
-deutsche Theol. VI 235 f. Hase, Protest. Polemik 5te Aufl. Leipzig 1891
-S. 81. Harnack D. G. III 70 f.
-
-De kerk heeft en houdt voor ieder geloovige tot aan zijn dood toe eene
-rijke en diepe paedagogische beteekenis. De wolke van getuigen, die
-om ons heen ligt, kan ons sterken en bemoedigen in den strijd. Maar
-dit is heel iets anders, dan dat de autoriteit der Schrift van de
-kerk afhangen zou. Rome durft dit zelfs nog niet openlijk uitspreken.
-Het Vaticanum erkende de boeken des O. en N. T. toch ook daarom voor
-kanonisch, propterea quod _Spiritu S. inspirante conscripti Deum autorem
-habent_ en als zoodanig der kerk zijn overgeleverd. En de Roomsche
-theologen maken onderscheid tusschen de autoriteit der Schrift quoad
-se en quoad nos. Maar die onderscheiding kan hier niet gelden. Want
-indien de kerk de laatste en diepste grond is, waarom ik aan de Schrift
-geloof, dan is die kerk, en niet de Schrift αὐτοπιστος. En nu een van
-beide: de Schrift bevat eene getuigenis, eene leer over zichzelve,
-over haar inspiratie en autoriteit, en dan doet de kerk niets dan die
-getuigenis aannemen en bevestigen; of de Schrift leert zelve zulk eene
-inspiratie en autoriteit niet, en dan is het dogma der kerk over de
-Schrift voor den Protestant geoordeeld. De Roomsche theologen verkeeren
-dan ook in eene niet geringe tegenstrijdigheid. Eenerzijds trachten zij
-in de leer der Schrift haar inspiratie en gezag uit haar zelve te
-betoogen; en andererzijds, toegekomen aan de leer der kerk, pogen zij
-die bewijzen te verzwakken en aan te toonen, dat alleen de getuigenis
-der kerk eene onomstootelijke zekerheid geeft. Hangt daarentegen de
-autoriteit quoad se van de Schrift zelve af, dan is zij ook quoad nos,
-de laatste grond van ons geloof. De kerk kan slechts erkennen wat er
-is; zij kan niet maken wat er niet is. De beschuldiging, dat op die wijze
-eene cirkelredeneering wordt gemaakt en de Schrift met de Schrift zelve
-wordt bewezen, kan op Rome zelf worden teruggeworpen, wijl zij de kerk
-met de Schrift en de Schrift met de kerk bewijst. Indien Rome daartegen
-opmerkt, dat zij in het eerste geval de Schrift niet als Gods woord maar
-als menschelijke, geloofwaardige en betrouwbare getuigenis gebruikt,
-dan kan ook de Protestantsche theoloog deze opmerking overnemen: eerst
-wordt uit de Schrift als betrouwbaar getuigenis de inspiratie afgeleid
-en daarna met deze de Schrift als Gods woord bewezen. Maar veel meer
-is dit van beteekenis, dat in elk vak van wetenschap, en zoo ook in
-de theologie, de principia door zichzelve vast staan. De waarheid van
-een principium kan niet betoogd, maar alleen erkend worden. Principium
-creditur propter se, non propter aliud. Principii principium haberi non
-potest nec quaeri debet, Gerhard, Loc. theol. I cap. 3. Zanchius, Op.
-VIII 339 sq. Polanus, Synt. I cap. 23 sq. Turret. Theol. El. loc. 2 qu.
-6. Trelcatius, Schol. et method. loc. comm. S. Theol. Institutio 1651
-p. 26.
-
-De Schrift zelve leert dan ook duidelijk, dat niet de kerk maar het
-woord Gods, beschreven of onbeschreven, αὐτοπιστος is. De kerk is ten
-allen tijde aan dat woord Gods, voor zoover het er was en in dien vorm
-waarin het bestond, gebonden geweest. Israel ontvangt op Horeb de wet,
-Jezus en de apostelen onderwerpen zich aan de O. T. Schrift, de christ.
-kerk is van den aanvang af gebonden aan het gesproken en geschreven
-woord der apostelen. Het woord Gods is het fundament der kerk, Deut.
-4:1; Jes. 8:20; Ezech. 20:19; Luk. 16:29; Joh. 5:39; Ef. 2:20; 2 Tim.
-3:14; 2 Petr. 1:19 enz. De kerk kan wel getuigen van het woord, maar
-het woord staat boven haar. Zij kan niemand het geloof aan het woord
-Gods in het hart schenken. Dat kan het woord Gods alleen, door zichzelf
-en de kracht des H. Geestes, Jer. 23:29; Mk. 4:28; Luk. 8:11; Rom.
-1:16; Hebr. 4:12; 1 Petr. 1:23. En reeds daardoor alleen blijkt de kerk
-beneden de Schrift te staan. Daarom kan de kerk en kunnen de geloovigen
-de inspiratie, autoriteit, kanoniciteit van de Schrift uit haar zelve
-leeren kennen, maar zij kunnen deze nooit eigenmachtig afkondigen en
-vaststellen. De Hervorming heeft liever eenige onzekerheid gewild, dan
-eene gewisheid, die alleen door eene willekeurige beslissing der kerk
-werd verkregen. Want de Schrift geeft inderdaad nergens een catalogus
-van de boeken die zij bevat. Over sommige boeken is er in de oudste
-christelijke kerk en ook later verschil van meening geweest. De tekst
-bezit niet die integritas, welke ook Luth. en Geref. theologen zoo
-gaarne wenschten. Maar desniettemin heeft de Reformatie de autopistie
-der Schrift tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de kerk
-ondergeschikt gemaakt aan het woord Gods, en daardoor de vrijheid van
-den Christen gered.
-
-5. Bij dit verschil tusschen Rome en de Hervorming over den grond van
-het gezag der Schrift kwam er in de 17e eeuw in de Protestantsche
-kerken zelve nog een belangrijke strijd over den aard van dat gezag.
-Hierover was men het eens, dat aan de Schrift, wijl zij God tot auteur
-had, eene auctoritas divina toekwam. Nader werd deze autoriteit
-daardoor omschreven, dat de Schrift door allen geloofd en gehoorzaamd
-moest worden, en de eenige regel was van geloof en leven. Deze
-omschrijving leidde echter vanzelf tot de onderscheiding van eene
-auctoritas historica en eene auctoritas normativa. De openbaring
-Gods toch is gegeven in den vorm van eene geschiedenis; zij heeft
-verschillende tijden doorloopen. Lang niet alles, wat in de Schrift
-staat opgeteekend, heeft normatief gezag voor ons geloof en leven. Veel
-van wat door God geboden en ingesteld is geweest, of door profeten en
-apostelen is voorgeschreven en verordend, gaat ons niet rechtstreeks
-meer aan en had op vroeger levende personen betrekking. Het gebod
-aan Abraham, om zijn zoon te offeren; het bevel aan Israel, om alle
-Kanaänieten te dooden; de ceremonieele en burgerlijke wetten, die golden
-in de dagen des O. T.; de bepalingen van de synode te Jeruzalem en zoo
-veel meer zijn zeker als historie nog nuttig ter leering en vermaning,
-maar kunnen en mogen door ons niet meer opgevolgd worden. En dat niet
-alleen, maar de openbaring heeft in hare beschrijving niet alleen de
-goede werken der heiligen maar ook de booze daden der goddeloozen
-opgeteekend. Meermalen komen er dus woorden en handelingen in de
-Schrift voor, welke wel als historisch waar maar niet als normatief
-worden voorgesteld; zoover is het er van daan, dat deze regel mogen
-zijn voor ons geloof en leven, dat zij veeleer verworpen en afgekeurd
-moeten worden. Ook de zonden der heiligen, van een Abraham, Mozes,
-Job, Jeremia, Petrus enz. worden ter waarschuwing, niet ter navolging
-medegedeeld. En eindelijk kan bij vele personen, bij de aartsvaders,
-Debora, de richters, de koningen, de vrienden van Job, Hanna, Agur,
-de moeder van Lemuel, de dichters van sommige psalmen, zooals de
-vloekpsalmen ps. 73:13, 14, 77:7-9, 116:11, en voorts bij Zacharia,
-Simeon, Maria, Stephanus enz. de vraag gesteld worden, of hunne woorden
-alleen formeel, wat hunne opteekening betreft, of ook zakelijk, wat hun
-inhoud aangaat, zijn geinspireerd. Voetius oordeelde, dat velen van deze
-personen, zooals Job en zijne vrienden, niet tot de profeten kunnen
-gerekend worden en handhaafde dit gevoelen tegenover Maresius, Voetius,
-Disp. I 31, 40-44. V 634-640. Maresius, Theologus paradoxus p. 83-87,
-en verder Maccovius, Loci Comm. p. 31-32, Cloppenburg, de canone theol.
-disp. 3 Op. II 18-23. Witsius, Misc. Sacra I 316-318. Moor, Comm. in
-Marckii Comp. I 131-134. Carpzovius, Critica S. Vet. Test. I c. 2 §
-3. Deze kwestie had wel geen verdere gevolgen, maar was toch in veel
-opzichten belangrijk. Zij bracht het eerst duidelijk tot bewustzijn, dat
-er onderscheid is tusschen woord Gods in formeelen en woord Gods in
-materieelen zin, en dwong tot nadenken over de verhouding, waarin beide
-tot elkander staan. Nu werd die verhouding zeer zeker door de meesten
-der bovengenoemde theologen al te dualistisch opgevat. De auctoritas
-historiae en de historia normae laten zich in de Schrift niet op zoo
-abstracte wijze scheiden. De formeele en de materieele beteekenis
-van de uitdrukking woord Gods zijn veel te nauw verbonden. Ook in de
-leugenachtige woorden van Satan en de booze daden der goddeloozen
-heeft God iets tot ons te zeggen. De Schrift is niet alleen nuttig
-tot leering maar ook tot waarschuwing en vermaning. Zij onderwijst en
-verbetert ons, zoowel door af te schrikken als door aan te sporen,
-zoowel door beschaming als door vertroosting. Maar wel werd het door
-die onderscheiding duidelijk gemaakt, dat de Schrift niet kan en mag
-opgevat worden als een wetboek vol artikelen. Beroep op een tekst
-buiten het verband is voor een dogma niet genoeg. De openbaring, in
-de Schrift neergelegd, is een historisch en organisch geheel. Zoo wil
-ze gelezen en verklaard worden. En daarom moet het dogma, dat met
-autoriteit tot ons komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op
-heel het organisme der Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. Het
-gezag der Schrift is een ander dan dat van eene staatswet.
-
-6. Aard en grond van het gezag der Schrift zijn echter vooral in de
-nieuwere theologie in discussie gebracht. In vroeger tijd rustte de
-autoriteit der H. Schrift op hare inspiratie en was met deze vanzelf
-gegeven. Maar toen de inspiratie werd prijsgegeven, was het gezag der
-Schrift niet meer te handhaven. Wel werd dit op allerlei wijze beproefd,
-maar men zag zich genoodzaakt, om zoowel de gronden als het karakter
-van de autoriteit der H. Schrift gansch anders op te vatten. Het gezag
-der Schrift, voorzoover het nog werd erkend, werd daarop gebaseerd,
-dat zij de authentieke oorkonde is van de openbaring; de christelijke
-idee het zuiverst uitdrukt, evenals het water ook het reinst is bij de
-bron; de vervulling is van de Oudtestamentische heilsgedachte, en de
-christelijke leer volkomen, zij het ook in kiem, in zich bevat; en de
-aanvang en voortdurende vernieuwing is van den christelijken geest in
-de gemeente. Deze en dergelijke overwegingen voor het gezag der Schrift
-kan men vinden bij theologen van de verschillendste richtingen, zooals
-bij Scholten, L. H. K. I 78 v. Saussaye, mijne theol. van Ch. d. l. S.
-53 v. Schleiermacher, Gl. § 129 f. Rothe, Zur Dogm. S. 166 f. Lipsius,
-Dogm. § 193 f. Biedermann, Dogm. § 193 f. Schweizer, Christl. Gl. I
-S. 178 f. Hofmann, Weiss. u. Erf. III 98 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-II 5 f. 9 f. enz. Toch zijn al deze gronden niet hecht genoeg, om een
-gezag te dragen, gelijk dat de religie behoeft. Ze mogen als motiva
-credibilitatis in aanmerking komen, maar als gronden zijn ze onhoudbaar.
-Want vooreerst maken zij door de onderscheiding tusschen openbaring
-en hare oorkonde, tusschen woord Gods en Schrift, het gezag der
-Schrift feitelijk geheel illusoir. Want indien niet de Schrift in haar
-geheel, maar alleen het woord Gods in haar, het religieus-ethische,
-de openbaring of hoe men het noemen wil, gezag heeft, dan heeft ieder
-voor zichzelf uit te maken, wat dat woord Gods in de Schrift is,
-en elk bepaalt dit naar goedvinden. Het zwaartepunt wordt uit het
-object naar het subject overgebracht; de Schrift kritiseert niet den
-mensch, maar deze oordeelt de Schrift; het gezag der Schrift hangt af
-van het menschelijk welgevallen; het bestaat slechts, voorzoover men
-het erkennen wil, en wordt dus geheel vernietigd. Maar ook al zouden
-al deze gronden eenig gezag voor de Schrift kunnen vindiceeren, het
-zou toch geen ander zijn dan een louter historisch gezag. En dit is
-in de religie onvoldoende. Hier hebben we aan een historisch, d.
-i. menschelijk en feilbaar gezag niet genoeg. Omdat de religie onze
-zaligheid raakt en in verband staat met onze eeuwige belangen, kunnen
-wij in haar met niets minder toe dan met een goddelijk gezag. Wij moeten
-niet alleen weten, dat de Schrift de historische oorkonde voor onze
-kennis van het Christendom is en dat zij de oorspronkelijke christelijke
-ideeën het zuiverst bevat en weergeeft; maar in de religie dienen wij
-te weten, dat de Schrift het woord en de waarheid Gods is. Zonder deze
-zekerheid is er geen troost in het leven en in het sterven. En niet
-alleen heeft ieder Christen aan deze zekerheid behoefte, maar ook
-de kerk zelve kan als instituut deze gewisheid niet ontberen. Want
-indien een prediker de overtuiging mist van de goddelijke waarheid van
-het woord dat hij verkondigt, verliest zijne prediking alle gezag en
-invloed en kracht. Indien hij geen goddelijke boodschap heeft te brengen,
-wie geeft hem dan het recht om op te treden voor menschen van gelijke
-bewegingen als hij? Wie geeft hem vrijheid om zich op den kansel boven
-hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen der ziel
-en des levens en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig wel of een eeuwig
-wee? Wie durft en wie kan dat doen, anders dan die een woord Gods te
-verkondigen heeft? Het christelijk geloof en de christelijke prediking
-eischen beide eene goddelijke autoriteit, waarop zij steunen. Titubabit
-fides, si divinarum scripturarum vacillat auctoritas, Aug. de doctr.
-christ. I 37.
-
-Daarom kan het ook geen goedkeuring wegdragen, wanneer de aard van het
-gezag der Schrift als zedelijk omschreven wordt. Lessing is daarmede
-al begonnen als hij zeide, dat iets niet daarom waar is wijl het in den
-Bijbel staat, maar dat het in den Bijbel staat omdat het waar is. Sedert
-zijne verzuchting om verlossing van het gezag der letter en van den
-papieren paus, is het gelooven op gezag op allerlei wijze bespottelijk
-gemaakt. Christelijke theologen hebben zich daardoor laten influenceeren
-en het autoriteitsgeloof gewijzigd of bestreden. Doedes bijv., Inl. tot
-de leer van God, 1880 bl. 29-40 wil niets weten van gelooven op gezag
-en spreekt alleen nog van zedelijke autoriteit in de religie. Saussaye,
-mijne Theol. van Ch. d. l. S. 53 v. verklaart, dat er geen ander is dan
-zedelijk gezag en dat het zedelijke geheel gezag is. Intellectueel gezag
-is er niet, maar moreel gezag is de zedelijkheid, de godsdienst zelve.
-Men gelooft de waarheid niet op gezag, maar de waarheid heeft gezag,
-d. i. heeft het recht, dat men haar gehoorzame. Deze voorstelling
-lijdt echter aan verwarring van begrippen. De waarheid heeft gezag,
-zeer zeker; niemand, die het ontkent. Maar de vraag is juist, wat op
-godsdienstig gebied waarheid is en waar zij te vinden is. Hierop is
-maar tweeërlei antwoord mogelijk. Of aan de eene zijde: wat waarheid is,
-of indien men wil, wie Christus is, dat zeggen ons de apostelen, dat
-zegt ons de Schrift; of aan de andere zijde: dit wordt uitgemaakt door
-het eigen oordeel, door de rede of het geweten van ieder mensch voor
-zichzelf. In het laatste geval is er geen gezag en geen autoriteit
-der Schrift meer; zij is geheel en al aan de kritiek van het subject
-onderworpen. Dan baat het ook niets, om met Rothe, Zur Dogm. 287 te
-zeggen, dat de Bijbel het volkomen toereikend instrument is, om tot
-eene zuivere kennis van Gods openbaring te komen. Want elke objectieve
-maatstaf ontbreekt, waarnaar in de Schrift die openbaring beoordeeld
-en gevonden kan worden. Er is inderdaad maar één grond, waarop het
-gezag der Schrift rusten kan, en dat is hare inspiratie. Valt deze,
-dan is het ook met de autoriteit der Schrift gedaan. Zij bevat dan
-slechts menschelijke geschriften, die als zoodanig geen enkelen titel
-kunnen laten gelden, om norma te zijn voor ons geloof en leven. En met
-de Schrift valt voor den Protestant alle gezag in de religie. Alle
-pogingen, om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, bijv.
-in den persoon van Christus, in de kerk, in de religieuse ervaring,
-in rede of geweten, loopen op teleurstelling uit, Stanton, The place
-of authority in matters of religious belief, London Longmans 1891.
-James Martineau, The seat of authority in religion, London Longmans
-1891. C. A. Briggs, The authority of H. Scriptures. Inaugural address,
-4 ed. New-York Scribner, 1892. L. Monod, Le problème de l’autorité,
-Paris Fischbacher 1892. E. Doumergue, L’autorité en matière de foi,
-Lausanne Payot 1892. E. Ménégoz, L’autorité de Dieu, réflexions sur
-l’autorité en matière de foi. Paris Fischbacher 1892. G. Godet, Vinet
-et l’autorité en matière de foi, Revue de théol. et de philos. Mars
-1893 p. 173-191. Zij bewijzen alleen, dat eene religie zonder gezag niet
-kan bestaan. Religie is wezenlijk van wetenschap onderscheiden. Zij
-heeft eene eigene zekerheid; niet zulk eene, die op inzicht steunt,
-maar die in geloof, in vertrouwen bestaat. En dit religieuse geloof en
-vertrouwen kan alleen rusten in God en in zijn woord. In de religie is
-een testimonium humanum en eene fides humana onvoldoende; hier hebben
-we behoefte aan een getuigenis Gods, waarop wij ons verlaten kunnen
-in leven en sterven. Inquietum est cor nostrum, donec requiescat in
-Te! Terecht zegt dan ook Harnack, D. G. III 73, es hat in der Welt
-keinen starken religiösen Glauben gegeben, der nicht an irgend einem
-_entscheidenden_ Punkt sich auf eine _äussere Autorität_ berufen hätte.
-Nur in den blassen Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den
-polemischen Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube
-construirt, der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten
-entnimmt. Cf. ook P. D. Chantepie de la Saussaye, Zekerheid en twijfel
-1893 bl. 138 v. Het recht en de waarde van het gezag in de religie
-wordt langzamerhand weer erkend.
-
-7. Maar, al kan de religie alleen met eene auctoritas divina volstaan,
-de aard van dat gezag dient toch nog nader te worden onderzocht. Gezag
-is in het algemeen de macht van iemand, die iets te zeggen heeft; het
-recht, om in eene of andere zaak mee te spreken, vandaar in het Mnl.
-geweld, macht, Woordenboek der Ned. Taal s. v. Van gezag kan er alleen
-sprake zijn tusschen ongelijken; het drukt altijd eene verhouding uit van
-een meerdere tot zijn mindere, van een hoogere tot zijn lagere. Omdat er
-onder menschen geen gelijkheid is maar allerlei onderscheid bestaat, kan
-er onder hen van gezag sprake zijn. En wijl die ongelijkheid zoo groot en
-zoo velerlei is, neemt het gezag onder menschen eene zeer breede plaats
-in. Het is zelfs het fundament der gansche menschelijke samenleving.
-Wie het ondermijnt, arbeidt aan de verwoesting der maatschappij. Dwaas
-en gevaarlijk is het dus, om het gelooven op gezag in een bespottelijk
-daglicht te plaatsen. Augustinus vraagde reeds: Si quod nescitur
-credendum non est, quomodo serviant parentibus liberi eosque mutua
-pietate diligant, quos parentes suos esse non credant....... Multa
-possunt afferri quibus ostendatur, nihil omnino humanae societatis
-incolume remanere, si nihil credere statuerimus, quod non possumus
-tenere perceptum, de util. cred. 12. Op ieder gebied leven wij van
-gezag. Onder het gezag worden wij in huisgezin, maatschappij en staat
-geboren en opgevoed. Ouders hebben gezag over hun kinderen, de meester
-over zijne leerlingen, de overheid over hare onderdanen. In al deze
-gevallen is het gezag duidelijk. Het drukt eene macht uit, die van
-rechtswege aan iemand over een ander toekomt. Het treedt daarom op met
-bevelen en wetten, eischt gehoorzaamheid en onderwerping, en heeft in
-geval van opstand zelfs recht van dwang en straf. Maar wij breiden dit
-begrip van gezag verder uit en passen het ook toe in wetenschap en
-kunst. Ook hier is er onderscheid van gave, en ontstaat de verhouding
-van meerderen en minderen, van magistri en discipuli. Er zijn mannen,
-die door hun genialen aanleg en noesten arbeid op een of ander gebied
-het meesterschap hebben verworven, en die daarom op dit terrein met
-gezag kunnen spreken. Van de ontdekkingen dezer magistri leven en
-leeren de minderen, de leeken. Ja, vanwege de ontzachlijke uitbreiding
-der wetenschap, kan ook de uitnemendste slechts magister zijn op een
-zeer klein gebied; in al het andere is hij discipulus en moet hij
-vertrouwen op het onderzoek van anderen. Dit gezag in wetenschap en
-kunst draagt echter een ander karakter dan van ouders, onderwijzers en
-overheid; het is niet juridisch, maar ethisch van aard; het kan en mag
-niet dwingen, het heeft geen recht van straf. De personen, die hier
-met autoriteit optreden, mogen nog zoo aanzienlijk en gewichtig zijn;
-hun getuigenis geldt slechts zooveel als ze er gronden voor kunnen
-aanvoeren. Het gezag rust hier dus niet ten slotte in de personen,
-zoodat een ipse dixit afdoende ware, maar rust in de bewijzen, waarop
-hun beweren steunt. En wijl alle menschen eenig verstand en oordeel
-ontvingen, is blind geloof hier ongeoorloofd en het streven naar een
-zelfstandig inzicht, voor zooveel noodig en mogelijk, plicht. Ook
-in de geschiedenis is dit het geval. De kennis der historie steunt
-eigenlijk geheel op autoriteit, op getuigenissen van anderen; maar deze
-getuigenissen behoeven niet blindelings geloofd te worden, maar mogen
-en moeten ernstig worden onderzocht, opdat zooveel mogelijk het eigen
-inzicht tot zijn recht kome. In één woord, in scientiis tantum valet
-auctoritas humana, quantum rationes.
-
-Dit begrip van gezag vinden we eindelijk ook terug in de religie en
-theologie. Hier is gezag niet in een minderen graad maar in eene veel
-hoogere mate van noode dan in gezin en maatschappij, in wetenschap en
-kunst. Hier is het eene levensbehoefte. Zonder gezag en geloof kan
-religie en theologie geen oogenblik bestaan. Maar het gezag draagt hier
-een geheel eigen karakter. Het moet uitteraard eene auctoritas divina
-zijn. En reeds hierdoor is het van het gezag in maatschappij en staat, in
-wetenschap en kunst onderscheiden. Van het laatste verschilt het vooral
-in dit opzicht, dat in wetenschap en kunst eigen inzicht oordeelen en
-beslissen mag. Maar bij eene divina auctoritas komt dit niet te pas. Als
-God gesproken heeft, is alle twijfel uit. De divina auctoritas is daarom
-niet zedelijk te noemen, althans niet in den zin, waarin we spreken van
-het zedelijk overwicht van een persoon, want de religie is niet eene
-verhouding van een mindere tot zijn meerdere, maar van een schepsel tot
-zijn Schepper, van een onderdaan tot zijn Souverein, van een kind tot zijn
-Vader. God heeft recht, om den mensch te bevelen en onvoorwaardelijke
-gehoorzaamheid van hem te verlangen. Zijn gezag rust in zijn wezen, niet
-in de rationes. In zoover komt het gezag van God en van zijn woord met
-dat van de overheid in den staat en van den vader in het gezin overeen.
-En er is niets vernederends in en niets, dat ook maar eenigszins aan
-’s menschen vrijheid te kort doet, als hij kinderlijk naar het woord Gods
-luistert en daaraan gehoorzaamt. God op zijn woord, d. i. op gezag te
-gelooven, is even weinig met ’s menschen waardigheid in strijd, als het
-een kind onteert, zich met onbepaald vertrouwen te verlaten op het
-woord van zijn vader. En zooveel scheelt het, dat de Christen allengs
-boven dit gezag zou uitgroeien, Schweizer, Christl. Glaub. I 186 f.,
-dat hij juist hoe langer hoe meer, met verloochening van alle eigene
-wijsheid, God gelooven gaat op zijn woord. De geloovige komt hier op
-aarde nooit het standpunt des geloofs en des gezags te boven. Naarmate
-hij toeneemt in het geloof, klemt hij zich te vaster aan de autoriteit
-Gods in zijn woord. Maar aan de andere zijde is er toch ook een groot
-verschil tusschen het gezag Gods in de religie en dat van een vader in
-zijn gezin en van eene overheid in den staat. Een vader dwingt desnoods
-zijn kind en brengt het door straf tot onderwerping; en de overheid
-draagt het zwaard niet te vergeefs. Dwang is onafscheidelijk van het
-gezag der aardsche overheid. Maar God dwingt niet. Zijne openbaring is
-eene openbaring van genade. En daarin komt Hij tot den mensch niet met
-geboden en eischen, met dwang en met straf, maar met de noodiging, met
-de vermaning, met de bede, om zich met Hem te laten verzoenen. God
-kon als Souverein tegenover den mensch optreden. Hij zal eenmaal als
-Rechter oordeelen allen, die het evangelie zijns Zoons ongehoorzaam zijn
-geweest. Maar in Christus daalt Hij tot ons neer, wordt ons in alles
-gelijk, handelt met ons als redelijke en zedelijke wezens; om dan toch
-weer, stuitende op vijandschap en ongeloof, zijne souvereiniteit te
-hernemen, zijn raad uit te voeren en glorie zich te bereiden uit alle
-creatuur. Het gezag, waarmede God in de religie optreedt, is dus geheel
-eigensoortig. Het is niet menschelijk maar goddelijk. Het is souverein
-en werkt toch op zedelijke wijze. Het dwingt niet, en weet zich toch te
-handhaven. Het is absoluut en wordt toch weerstaan. Het noodigt en
-bidt, en is toch onoverwinnelijk.
-
-En zoodanig is ook de autoriteit van de Schrift. Als woord Gods staat
-ze hoog boven alle gezag van menschen in staat en maatschappij, in
-wetenschap en kunst. Voor haar moet al het andere wijken. Want men moet
-Gode meer gehoorzamen dan den menschen. Alle andere autoriteit is
-beperkt binnen haar kring en geldt alleen op haar eigen terrein. Maar
-het gezag der Schrift breidt over heel den mensch en over de gansche
-menschheid zich uit. Zij staat boven verstand en wil, boven hart en
-geweten; zij is met geen andere autoriteit te vergelijken. Haar gezag is
-absoluut, wijl het goddelijk is. Zij heeft het recht, om door een ieder
-ten allen tijde geloofd en gehoorzaamd te worden. Zij gaat in majesteit
-alle andere macht zeer verre te boven. Maar zij roept, om zichzelve
-tot erkenning en heerschappij te brengen, niemand te hulp. Zij heeft
-den sterken arm der overheid niet noodig. Zij behoeft den steun der
-kerk niet. Zij roept het zwaard en de inquisitie niet op. Zij wil niet
-heerschen door dwang of geweld. Zij wil vrije en gewillige erkenning.
-En daarom brengt zij die zelve tot stand, op zedelijke wijze, door de
-werking des H. Geestes. De Schrift waakt voor haar eigen gezag. Daarom
-sprak men vroeger ook wel van eene auctoritas causativa der Schrift,
-qua Scriptura assensum credendorum in intellectu hominis generat et
-confirmat, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 8.
-
-
-C. De noodzakelijkheid der Schrift.
-
-8. In de autoriteit der Schrift is er groote overeenstemming
-tusschen de christelijke kerken, maar in de drie andere, nu volgende
-eigenschappen is er belangrijk verschil. Rome kan van wege de
-verhouding, die het aanneemt tusschen Schrift en kerk, de necessitas
-S. Scripturae inzien noch erkennen. Bij Rome is de kerk αὐτοπιστος,
-zelfgenoegzaam, levende uit en door den H. Geest; zij heeft de waarheid
-en bewaart ze trouw en zuiver door het onfeilbaar leerambt van den
-paus. De Schrift daarentegen, voortgekomen uit de kerk, moge nuttig en
-goed zijn als norma, maar principium der waarheid is zij niet. Zij is niet
-noodzakelijk ad esse ecclesiae. De kerk heeft eigenlijk niet de Schrift,
-maar wel heeft de Schrift voor haar gezag, aanvulling, uitlegging enz.
-de kerk van noode. De gronden voor deze leer worden daaraan ontleend,
-dat de kerk vóór Mozes en de eerste christelijke gemeente geen Schrift
-had, en dat vele geloovigen onder het O. en ook nog onder het N. Test.
-de Schrift nooit bezeten en gelezen hebben maar enkel en alleen leefden
-van de traditie, Bellarminus, de verbo Dei IV c. 4. Heinrich, Dogm. I
-735 f. Liebermann, Instit. theol. 1857 I p. 449 sq. Dieringer, Lehrb.
-der kath. Dogm. 4e Aufl. 633. Gutberlet, Lehrb. der Apol. III 1894 S.
-221 f. Jansen. Prael. theol. I 786 sq. enz.
-
-Maar niet alleen Rome bestrijdt op die wijze de noodzakelijkheid der H.
-Schrift; ook allerlei mystieke richtingen hebben de beteekenis der
-Schrift voor kerk en theologie verzwakt en miskend. Het Gnosticisme
-verwierp niet alleen het O. T. maar paste op het N. T. de allegorische
-methode toe en trachtte daardoor zijn systeem met de Schrift in
-overeenstemming te brengen. De zinnelijke vormen en historische feiten
-hebben slechts symbolische beteekenis; zij zijn eene inkleeding, die
-voor menschen van lager standpunt noodig is, maar voor de hooger
-ontwikkelden, de πνευματικοι, wegvalt. De Schrift is geen bron der
-waarheid, maar slechts middel om tot het hooger standpunt der gnosis
-zich op te heffen, Herzog² 5, 209 f. Harnack, D. G. I 214 f. In het
-Montanisme trad eene nieuwe openbaring op, welke die in het N. T.
-aanvulde en verbeterde. Het Montanisme, vooral in zijn gematigden vorm
-bij Tertullianus, wilde eenerzijds niets nieuws zijn en de autoriteit
-der Schrift ten volle handhaven; en toch begroette het in Montanus
-een profeet, in wien de door Jezus beloofde Paracleet, de laatste
-en hoogste openbaring verschenen was. De Schrift moest op die wijze
-wel wijken voor de nieuwe profetie, welke door Montanus verkondigd
-werd, Harnack, D. G. I 353 f. Herzog² 10, 258 f. De kerk veroordeelde
-deze richtingen wel, en de kerkvaders bestreden dit spiritualisme.
-Augustinus schreef er tegen in den proloog voor zijn boek de doctrina
-christiana; maar toch nam ook Augustinus aan, dat de vromen, vooral de
-monniken, met eene zoo groote mate van geloof, hoop en liefde konden
-worden toegerust, dat ze voor zichzelf de Schrift konden missen en
-zonder haar in de eenzaamheid konden leven, de doctr. christ. I c. 39.
-Het spiritualisme kwam telkens weer op, en reageerde tegen de knellende
-macht van kerk en traditie. Verschillende secten, de Katharen, Amalrik
-van Bena, Joachim v. Floris, de broeders en zusters des vrijen geestes
-en later de Libertijnen in Genève, achtten na het tijdperk des Vaders en
-des Zoons dat des H. Geestes aangebroken, waarin allen leefden door
-den Geest en de uitwendige middelen van Schrift en kerk niet meer
-behoefden, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. § 108, 116. Reuter, Gesch.
-der relig. Aufklärung im M. A. II 198 f. Herzog² 2, 677. 6, 786. 8,
-652 f. Hahn, Gesch. der Ketzer im M. A. II 420 f. III 72 f. Gieseler,
-Kirchengeschichte, II, 2, 1826 S. 437 f. Hagenbach, Kirchengesch.
-in Vorlesungen II 1886 S. 480 f. De mystiek, die in de Middeleeuwen
-in Frankrijk en Duitschland bloeide, zocht door middel van askese,
-meditatie en contemplatie eene gemeenschap met God te bereiken, welke
-de Schrift missen kon. De Schrift was wel bij wijze van ladder noodig
-om tot deze hoogte op te klimmen, maar werd overbodig, als de eenheid
-met God, de visio Dei, bereikt was, Herzog¹ 12, 427 f. Harnack, D. G.
-III 374 f. Vooral de Wederdoopers verhieven het inwendig woord ten
-koste van het uitwendige. Reeds in 1521 werd de tegenstelling gemaakt
-tusschen Schrift en Geest, en deze tegenstelling is een blijvend kenmerk
-van het Anabaptisme geworden, Sepp, Kerkhist. Stud. 12. De H. Schrift
-is niet het waarachtig woord Gods, maar slechts eene getuigenis en
-beschrijving; het echte, ware woord is dat, hetwelk door den H. Geest
-in onze harten wordt gesproken. De Bijbel is maar een boek met letters;
-Bijbel is Babel, vol verwarring; hij kan het geloof in de harten niet
-werken, alleen de Geest leert ons het ware woord. En als die Geest ons
-onderwijst, dan kunnen wij ook de Schrift wel missen, zij is een tijdelijk
-hulpmiddel maar voor den geestelijken mensch niet noodig, A. Hegler,
-Geist u. Schrift bei Sebastian Franck, Freiburg 1892. J. H. Maronier,
-Het inwendig woord, Amst. 1890. Vigouroux, Les livres saints et la
-critique rationaliste, 3e ed. I 435-453. Hans Denck vereenzelvigde
-dat inwendig woord reeds met de natuurlijke rede, en wees op vele
-tegenstrijdigheden in de Schrift. Ludwig Hetzer achtte de Schrift in
-het geheel niet noodzakelijk. Knipperdolling eischte te Munster, dat de
-H. Schrift moest worden afgeschaft en men alleen naar natuur en geest
-moest leven, Herz.² 10, 362. Het mysticisme sloeg in rationalisme
-om. Hetzelfde verschijnsel zien we later bij de anabaptistische en
-independentische sekten in Engeland, ten tijde van Cromwell, bij de
-kwakers en bij het piëtisme. De verheffing van het inwendig boven het
-uitwendig woord leidde altijd tot vereenzelviging van de onderwijzing
-des Geestes met het natuurlijk licht van rede en geweten, en zoo tot
-algeheele verwerping van openbaring en Schrift. Niemand heeft dan ook
-scherper de noodzakelijkheid der Schrift bestreden, dan Lessing in
-zijne Axiomata tegen Goeze. Ook hij maakt onderscheid tusschen letter
-en geest, Bijbel en godsdienst, theologie en religie, den christelijken
-godsdienst en den godsdienst van Jezus, en zegt nu, dat de laatste
-onafhankelijk van den eersten bestond en bestaan kan. De religie was er
-immers, eer er de Bijbel was. Het Christendom was er, eer evangelisten
-en apostelen schreven. De godsdienst, door hen geleerd, kan
-voortbestaan, ook al gingen al hun geschriften verloren. De godsdienst
-is niet waar, omdat evangelisten en apostelen hem leerden, maar zij
-leerden hem, omdat hij waar is. Hunne geschriften mogen en moeten dus
-naar de inwendige waarheid der religie worden verklaard. Een aanval op
-den Bijbel is nog geen aanval op de religie. Luther heeft ons verlost
-van het juk der traditie, wie verlost ons van het nog veel ondragelijker
-juk der letter?
-
-9. Deze gedachten over de niet-noodzakelijkheid der Schrift zijn in de
-nieuwere theologie vooral binnengeleid door Schleiermacher. In zijne
-Glaubenslehre § 128, 129 zegt hij dat het geloof aan Christus niet rust
-op het gezag der Schrift, maar aan het geloof der Schrift voorafgaat
-en juist aan die Schrift ons een bijzonder aanzien doet schenken. Bij
-de eerste Christenen ontstond het geloof aan Christus niet uit de
-H. Schrift, en zoo kan het ook bij ons daaruit niet ontstaan; want
-bij hen en ons moet het geloof eenzelfden grond hebben. De Schrift
-is dus geen bron der religie, maar wel norma; zij is het eerste lid
-in de rij der christelijke geschriften, zij staat het dichtst bij de
-bron, d. i. de openbaring in Christus, en had dus weinig gevaar om
-onzuivere bestanddeelen in zich op te nemen. Maar al de Schriften
-der evangelisten en apostelen zijn evenals alle volgende christelijke
-geschriften voortgekomen uit eenzelfden Geest, den Gemeingeist der
-christelijke kerk. De kerk is niet gebouwd op de Schrift, maar de
-Schrift is voortgekomen uit de kerk. Door Schleiermacher zijn deze
-gedachten tot het gemeen goed der nieuwere theologie geworden. Zij
-schijnen zoo waar te zijn en zoo vanzelf te spreken, dat er aan geen
-twijfel of kritiek wordt gedacht. Bij schier alle theologen kan men de
-voorstelling vinden, dat de kerk bestond voor de Schrift en dus ook
-onafhankelijk van haar kan bestaan. De kerk rust in zichzelve, zij leeft
-uit zichzelve, d. i. uit den Geest die in haar woont. De H. Schrift,
-in den aanvang, in de frischheid harer jeugd uit haar voortgekomen, is
-wel norma maar geen bron. Bron is de persoonlijke, levende Christus,
-die in de gemeente woont; de dogmatiek is beschrijving van het leven,
-explicatie van het religieus bewustzijn der gemeente, en heeft daarbij
-tot richtsnoer de Schrift, die dat leven der gemeente het eerst en het
-duidelijkst heeft vertolkt. De kerk is dus eigenlijk de Verfasserin der
-Bibel, en de Bijbel is de Reflex der Gemeinde, Lange, Philos. Dogm. §
-77. Rothe, Zur Dogm. 333 f. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f.
-Philippi, Kirchl. Glaub. I³ 190 f. Hofstede de Groot, De Gron. Godg.
-71 v. 97 v. Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. 49 v. Gunning en de la
-Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der theol. 34, enz.
-
-Al deze gedachten, van Rome, het anabaptisme, het mysticisme, het
-rationalisme, van Lessing, Schleiermacher enz. zijn onderling ten
-nauwste verwant. Vooral Schleiermacher heeft door zijne omkeering van
-de verhouding tusschen Schrift en kerk aan Rome een krachtigen steun
-geboden. Allen komen daarin overeen, dat de Schrift niet noodzakelijk
-maar hoogstens nuttig is en dat de kerk ook uit en door zichzelve kan
-bestaan. Het verschil ligt alleen hierin, dat Rome den grond en de
-mogelijkheid voor dit voortbestaan van de christelijke religie zoekt in
-de geïnstitueerde kerk, d. i. in den onfeilbaren paus, Schleiermacher
-c. s. in de gemeente als organisme, d. i. in de religieuse gemeenschap,
-en het mysticisme en rationalisme in de religieuse individuen. Allen
-zoeken het voortbestaan der kerk in de leiding des H. Geestes, in
-de inwoning van Christus, maar deze heeft bij Rome haar orgaan in
-den paus, bij Schleiermacher in het organisme der gemeente, bij het
-anabaptisme in elken geloovige hoofd voor hoofd. Het is gemakkelijk in
-te zien, dat Rome hierbij de sterkste positie inneemt. Want zeker, er
-is eene leiding des H. Geestes in de gemeente, Christus is opgestaan
-uit de dooden, leeft in den hemel en woont en werkt in zijne kerk op
-aarde. Er is eene mystieke unie tusschen Christus en zijn lichaam.
-Het woord alleen is onvoldoende, het principium externum eischt ook
-een principium internum. Het Protestantisme wist dit alles zeer goed
-en beleed het van harte. Maar de vraag was deze, of de kerk voor het
-_bewuste_ leven der religie aan het woord, aan de Schrift gebonden was
-al dan niet. De religie is toch niet alleen een zaak van het hart,
-het gemoed, den wil, maar ook van het hoofd. Ook met het verstand
-moet God gediend en bemind worden. Voor het bewuste leven moet dus
-de kerk een bron hebben waaruit zij de waarheid put. Nu kan Rome met
-zijn onfeilbaren paus beweren, dat de Schrift niet noodzakelijk is. De
-onfeilbaarheid der kerk maakt inderdaad de Schrift overbodig. Maar het
-Protestantisme heeft geen onfeilbaar orgaan, noch in het instituut noch
-in het organisme noch in de individueele leden der gemeente. Wanneer
-het de noodzakelijkheid der Schrift ontkent, verzwakt het zichzelf,
-sterkt Rome en verliest de waarheid, die een onmisbaar element der
-religie is. Daarom stond de Hervorming zoo sterk op de noodzakelijkheid
-der H. Schrift. De Schrift was het δος μοι που στω van de Reformatie.
-Zij slaagde, omdat zij tegenover het gezag van kerk, concilies en paus
-de autoriteit kon stellen van Gods heilig woord. Wie dit standpunt der
-Hervorming verlaat, werkt onbewust aan den opbouw van Rome. Want indien
-niet de Schrift maar de kerk noodzakelijk is tot kennis der religieuse
-waarheid, dan wordt deze het onontbeerlijk medium gratiae. Het woord
-verliest zijne centrale plaats en behoudt slechts eene praeparatoire,
-paedagogische beteekenis. De Schrift moge nuttig en goed zijn, noodig is
-zij niet, noch voor de kerk in haar geheel noch voor de geloovigen in
-het bijzonder.
-
-10. Ofschoon de Hervorming alzoo tegen Rome haar kracht zocht in de
-Schrift en hare noodzakelijkheid handhaafde, toch ontkende zij daarmede
-niet, dat de kerk voor Mozes eeuwen lang zonder Schrift had bestaan.
-Ook is het waar, dat de kerk des N. T. door de prediking der apostelen
-werd gesticht en langen tijd bestond zonder een Nieuwtestamentischen
-kanon. Voorts wordt de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld
-geplant door de verkondiging van het evangelie. De boeken des O. en N.
-T. zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de boekdrukkunst
-in gering aantal verspreid; vele geloovigen zijn in vroeger en later
-tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben gelezen en onderzocht,
-en nog zoekt het religieuse leven bevrediging voor zijne behoeften niet
-alleen in de Schrift maar minstens evenzeer in allerlei stichtelijke
-lectuur. Dit alles kan volmondig worden erkend, zonder dat daarmee
-aan de noodzakelijkheid der Schrift ook maar eenigszins wordt te kort
-gedaan. Zelfs had God, indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker
-nog op eene andere wijze bij de waarheid kunnen bewaren, dan door middel
-van een geschreven woord. De noodzakelijkheid der Schrift is niet
-absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei.
-
-Maar zoo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven allen twijfel
-verheven. De mensch heeft ten allen tijde slechts geleefd hij het woord,
-dat door den mond Gods uitgaat, Mt. 4:4. Het woord Gods is van den
-beginne af aan het zaad der kerk geweest. Zeer zeker bestond de kerk
-voor Mozes zonder Schrift. Maar er was toch een verbum ἀγραφον, voordat
-het ἐγγραφον werd. De kerk heeft nooit uit zichzelve geleefd en in
-zichzelve gerust, maar altijd door het woord Gods. Rome leert dit ook
-niet, maar neemt eene traditie aan, die het woord Gods onfeilbaar
-bewaart. Maar wel dient dit te worden uitgesproken tegenover hen,
-die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in instorting van
-goddelijke krachten, in opwekking van religieuse aandoeningen. De kerk
-moge dus ouder zijn dan het geschreven, zij is toch jonger dan het
-gesproken woord, Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. theol. I c.
-15. Synopsis pur. theol., disp. 2. Gerhard, Loci theol. I cap. 1 § 5
-sq. De gewone bewering, dat de kerk des N. T. langen tijd zonder Schrift
-bestond, moet ook goed worden opgevat. Het is waar, dat de kanon der
-N. T. geschriften eerst in de tweede helft der tweede eeuw algemeen
-werd erkend. Maar de christelijke gemeenten hadden van den aanvang af
-het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door het gesproken woord
-der apostelen. Zeer spoedig kwamen vele gemeenten in het bezit van
-apostolische geschriften, die ook aan andere werden ter lezing gegeven,
-weldra dienden tot voorlezing in de kerken en zeer spoedig werden
-verbreid. Het spreekt vanzelf, dat er, zoolang de apostelen leefden en
-de gemeenten bezochten, nog geen onderscheiding werd gemaakt tusschen
-hun gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het
-ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de afstand
-van de apostelen grooter werd, rezen de geschriften der apostelen in
-beteekenis, en hunne noodzakelijkheid nam gaandeweg toe. Inderdaad is de
-necessitas S. Scripturae ook geen stabiele maar eene steeds groeiende
-eigenschap. De Schrift was niet altijd in haar geheel voor de gansche
-kerk noodzakelijk. De Schrift is langzamerhand ontstaan en voltooid.
-Naarmate de openbaring voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen.
-Elke periode der kerk had genoeg aan dat gedeelte der Schrift, dat toen
-bestond, evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zoover was
-geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch geheel,
-dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem was de vrucht
-begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden gelijken tred met den
-staat der kerk en omgekeerd. Daarom kan er uit de vroegere toestanden
-der kerk ook geen conclusie worden getrokken voor het heden. Laat
-de kerk voor Mozes zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk voor de
-voltooiing der openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de gansche
-Schrift; daaruit volgt niets voor die bedeeling der kerk, in welke wij
-leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid.
-Voor deze bedeeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts, maar ook
-beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae.
-
-11. Schrift toch is het eenig afdoende middel, om het gesproken woord
-onvervalscht te bewaren en tot eigendom van alle menschen te maken.
-Vox audita perit, littera scripta manet. De kortheid van het leven, de
-ontrouw van het geheugen, de arglistigheid van het hart en allerlei
-andere gevaren, die de zuiverheid der overlevering bedreigen, maken
-opteekening van het gesproken woord tot bewaring en verbreiding
-volstrekt noodzakelijk. Bij het woord der openbaring geldt dit nog in
-verhoogde mate. Want het evangelie is niet naar den mensch, het staat
-lijnrecht tegenover zijne gedachten en wenschen, het staat als goddelijke
-waarheid tegenover zijne leugen. Bovendien is de openbaring niet voor
-één geslacht en voor één tijd, maar voor alle volken en eeuwen bestemd.
-Het moet zijn loop volbrengen door de gansche menschheid heen en tot
-aan het einde der tijden. De waarheid is één, het Christendom is
-Universalreligion. Hoe zal deze bestemming van het woord der openbaring
-anders kunnen bereikt worden, dan doordat het opgeteekend en beschreven
-wordt? De kerk kan dezen dienst des woords niet verrichten. Nergens
-wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift
-verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en de getuigenis.
-Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d. i. de vergadering
-der geloovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook de vergadering der
-bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring van den paus
-is een bewijs voor de reformatorische stelling van de onbetrouwbaarheid
-der traditie, van de feilbaarheid der kerk, en zelfs van de
-noodzakelijkheid der Schrift. Want deze onfeilbaarverklaring houdt in,
-dat de waarheid van het woord der openbaring niet bewaard wordt of kan
-worden door de kerk als vergadering der geloovigen, wijl ook deze nog
-aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is uit eene
-bijzondere assistentie des H. Geestes, waarin dan naar Roomsch beweren
-de paus deelt. Rome en de Hervorming komen dus daarin overeen, dat
-het woord der openbaring in en voor de kerk alleen zuiver bewaard kan
-blijven door de instelling van het apostolaat, d. i. door de inspiratie.
-En het geschil loopt alleen hierover, of dat apostolaat heeft
-opgehouden dan wel in den paus wordt voortgezet. Daarentegen is de
-bewering der Vermittelungstheologie geheel onhoudbaar, dat de Schrift
-uit de kerk is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der
-Bibel is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt der
-profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte
-vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt.
-Naar de leer der Schrift is de inspiratie echter een bijzondere
-akte des H. Geestes, eene speciale gave aan profeten en apostelen,
-waardoor zij het woord Gods zuiver en onvervalscht aan de kerk aller
-eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift is dus niet uit de kerk
-voortgekomen, maar door een bijzondere werkzaamheid des H. Geestes
-in de profeten en apostelen aan de kerk gegeven. De Schrift behoort
-mede tot de openbaring, welke door God aan zijn volk is geschonken.
-Hierin zijn Rome en de Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt
-tegenover Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid des H. Geestes
-thans heeft opgehouden, m. a. w. dat het apostolaat niet meer bestaat
-en in den paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben hunne
-getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in de H. Schriften
-neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring Gods tot eigendom der
-menschheid gemaakt. De Schrift is het volkomen in de wereld ingegane
-woord Gods. Zij maakt dat woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de
-dwaling en leugen, aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate
-de menschheid grooter, het leven korter, het geheugen zwakker, de
-wetenschap uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester
-wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint het
-schrift en de pers in beteekenis. De boekdrukkunst was een reuzenstap
-ten hemel en ter hel. Ook in dezen ontwikkelingsgang deelt de H.
-Schrift. Hare noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe duidelijker aan het
-licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen eigendom gemaakt gelijk nimmer
-te voren. In honderden talen wordt zij overgezet. Zij komt onder aller
-oog en in ieders hand. Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te
-zijn, om de waarheid ter kennis aller menschen te brengen. Dat daarnaast
-de religieuse litteratuur voor velen het voornaamste voedsel blijft
-voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid der
-H. Schrift. Want alle christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks of
-zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt het water
-uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren, dat ons nu nog iets van
-christelijke waarheid zou toekomen buiten en zonder de H. Schrift. In
-de eerste eeuw was zoo iets mogelijk, maar thans zijn de stroomen van
-traditie en Schrift reeds lang samengevloeid en de eerste reeds lang
-in de tweede opgenomen. Rome kan dit alleen staande houden door zijne
-leer van de voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van
-den paus. Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het christelijk
-karakter der waarheid kan enkel en alleen daardoor worden betoogd, dat
-zij met al hare vezelen wortelt in de H. Schrift. Er is geen kennis
-van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap met Hem dan door
-gemeenschap aan het woord der apostelen. Cf. Ursinus, Tract. theol.
-p. 1 sq. Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 15.
-Synopsis pur. theol., disp. 2. Turretinus, Theol. El. loc. 2, qu. 1-3.
-Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 25, 26 enz.
-
-12. Ook al wordt de noodzakelijkheid der Schrift erkend, er kan toch
-nog verschil bestaan over den duur dier noodzakelijkheid. Zelfs wie
-van meening is, dat de Schrift haar tijd heeft gehad, stemt dikwerf
-gaarne toe, dat zij in haar tijd van groote beteekenis is geweest voor
-de opvoeding van menschen en volken. Maar op allerlei wijze is de duur
-dier noodzakelijkheid beperkt geworden. Het gnosticisme erkende hare
-noodzakelijkheid voor de ψυχικοι maar bestreed ze voor de πνευματικοι.
-De mystiek achtte de Schrift wel noodig op het standpunt der cogitatie
-en meditatie, maar niet meer op dat der contemplatie en visio Dei.
-Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring, de
-Schrift, de statutarische Religion eene paedagogische plaats in, opdat
-daardoor de heerschappij der Vernunftreligion werd voorbereid. Evenzoo
-oordeelde Hegel, dat de vorm der aanschouwing in den godsdienst voor
-het volk noodzakelijk was, maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan
-geen behoefte meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de
-godsdienst goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar dat de
-ontwikkelden en beschaafden verre daarboven verheven zijn.
-
-Er ligt in deze voorstelling eene onmiskenbare en heerlijke waarheid.
-De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de christelijke religie draagt
-inderdaad een tijdelijk, praeparatoir en paedagogisch karakter. Gelijk de
-Oudtestamentische oeconomie van het foedus gratiae voorbij is gegaan,
-zoo zal ook deze bedeeling van het genadeverbond, waarin wij leven, eens
-tot het verleden behooren. Als Christus zijne gemeente vergaderd en als
-eene reine bruid aan den Vader voorgesteld heeft, geeft Hij Gode het
-koninkrijk over. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur, van
-openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie en philosophie
-niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de religie bestaat toch
-daarin, dat wij God dienen zonder dwang en zonder vreeze, uit liefde
-alleen, naar de uitspraak onzer eigen natuur. Het is God zelf in zijne
-openbaring er om te doen, om menschen te vormen in wien zijn beeld weer
-ten volle is hersteld. Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook
-den H. Geest, opdat die ons wederbaren zou, zijne wet in ons hart zou
-schrijven en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte,
-het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de bewijzen, dat
-God zijne kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een liefdedienst, die
-nimmer verdriet. In zoover kunnen de bovengenoemde voorstellingen eene
-anticipatie van het toekomstig ideaal worden genoemd. Maar zij zijn toch
-desniettemin van eene zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van
-eene verwarring tusschen de bedeeling van het heden en die van het
-hiernamaals. Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer
-behoeven zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat wij
-eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof in deze
-bedeeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en de triumfeerende kerk
-één is, blijft er toch onderscheid in beider toestand en leven. De
-grenslijn mag en kan niet worden uitgewischt. Tot het hemelsche leven
-brengen wij het hier op aarde nooit. Wij wandelen door geloof en niet
-door aanschouwen. Wij zien nu door een spiegel in eene duistere rede;
-eerst hiernamaals zullen we zien van aangezicht tot aangezicht en
-kennen, gelijk we gekend zijn. De visio Dei is voor den hemel weggelegd.
-Zelfstandig, onafhankelijk worden we op deze aarde nooit. Wij blijven
-gebonden aan den kosmos, die ons omringt. Het standpunt des gezags kan
-hier op aarde nooit overwonnen worden.
-
-Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid der
-Schrift eene diepe klove tusschen de psychische en de pneumatische
-menschen, tusschen de beschaafden en de massa, tusschen de wijsgeeren
-en het volk. En zulk eene klove heeft in geen enkel opzicht recht van
-bestaan. Als godsdienst in kennis bestond, dan zouden de geleerden een
-voorrecht genieten boven de onontwikkelden. Maar religieus zijn alle
-menschen gelijk; zij hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen
-onderscheid van Griek en barbaar. De religie is voor alle menschen
-één, hoe verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling,
-enz. want voor de religie, d. i. voor het aangezicht Gods zijn al die
-rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men onder
-menschen boven anderen uitmunt. De scheiding tusschen die tweeërlei
-soort van menschen getuigt dan ook van een geestelijken hoogmoed,
-welke zelf met het wezen der christelijke religie, met den ootmoed, de
-nederigheid, enz., die zij eischt, in lijnrechten strijd is. De tollenaren
-gaan voor de Phariseën, en de minste is in het koninkrijk der hemelen de
-meeste.
-
-Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn, als het
-rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan Vernunftwahrheiten
-bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon voorloopig uit de openbaring
-gekend, later door het denken uit de rede zelve kunnen worden afgeleid.
-Maar de openbaring heeft een gansch anderen inhoud dan eene rationeele
-leer. Zij is historie, heeft genade tot inhoud, den persoon van Christus
-tot middelpunt, de herschepping der menschheid tot doel. Dit alles kan
-nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden afgeleid.
-Om zulk eene openbaring te kennen, blijft de Schrift ten allen tijde
-noodzakelijk. Zelfs eene openbaring Gods aan ieder mensch hoofd voor
-hoofd zou niet kunnen schenken, wat nu de openbaring in Christus
-door de Schrift aan alle menschen biedt. Het historisch karakter der
-openbaring, het feit en de idee der vleeschwording en de organische
-beschouwing van het menschelijk geslacht eischen eene Schrift, waarin
-de openbaring Gods voor de gansche menschheid neergelegd is (cf. blz.
-299). Daarom kan nu ook worden beslist, wat op bl. 143 nog in het
-midden werd gelaten, of n.l. de openbaring individueel tot elk mensch
-komt dan wel door de Schrift aan allen wordt gegeven. Gelijk ééne zon
-met hare stralen de gansche aarde verlicht, zoo is Christus de opgang
-uit de hoogte, die verschijnt aan degenen die gezeten zijn in duisternis
-en schaduw des doods, en zoo is de eene en zelfde Schrift het licht
-op aller pad en de lamp voor aller voet. Zij is het woord Gods tot de
-gansche menschheid. De historie zelve legt voor deze noodzakelijkheid
-der Schrift een krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme
-is telkens omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het
-enthusiastisch spiritualisme is dikwerf in het grofste materialisme
-geeindigd. De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk
-bewezen uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de
-kerken, die haar belijden.
-
-
-D. De duidelijkheid der Schrift.
-
-13. Eene andere belangrijke eigenschap, die de Hervorming tegenover
-Rome aan de Schrift toekende, was de perspicuitas. Volgens Rome is de
-Schrift duister, Ps. 119:34, 68; Luk. 24:27; Hd. 8:30; 2 Petr. 3:16.
-Ook in die zaken, welke op geloof en leven betrekking hebben, is ze
-niet zoo helder, dat zij uitlegging missen kan. Ze handelt immers over
-de diepste verborgenheden, over God, de drieëenheid, de vleeschwording,
-de voorbeschikking enz., en is zelfs in de zedelijke voorschriften
-bv. Mt. 5:34, 40, 10:27; Luk. 12:33, 14:33 menigmaal zoo onduidelijk,
-dat misverstand en misvatting ieder oogenblik in de christ. kerk is
-voorgekomen. Tot recht verstand der Schrift is ook allerlei kennis
-noodig van historie, geographie, chronologie, archaeologie, talen enz.,
-welke voor de leeken onbereikbaar is. De Protestanten schrijven dan ook
-zelven tallooze commentaren en wijken bij de belangrijkste teksten in
-exegese van elkander af. Daarom is er eene uitlegging der H. Schrift
-noodig. Deze kan niet door de Schrift zelve worden gegeven, de Schrift
-kan niet haar eigen uitlegster zijn. Reeds Plato, Phaedrus p. 274 zei,
-dat de letter mishandeld wordt en zichzelve niet helpen kan, en dat zij
-de hulp van haar vader behoeft. Zij is stom en kan in een geschil geen
-beslissing geven. Zij is gelijk aan de wet, waarnaar de rechter uitspraak
-doet, maar zij is niet wet en rechter tegelijk. De geleerde Jezuit
-Jakob Gretser maakte op het religiegesprek te Regensburg 1601 diepen
-indruk, toen hij aldus sprak: Sumus in conspectu sacrae Scripturae et
-Spiritus Sancti. Pronuntiet sententiam. Et si dicat: tu Gretsere male
-sentis, cecidisti causa tua, tu Jacobe Heilbrunnere vicisti; tunc ego
-statim transibo ad vestrum scamnum. Adsit, adsit, adsit et condemnet
-me! Er moet dus een uitlegger en een rechter zijn, die naar de Schrift
-beslissing geeft. Indien er zulk een rechter niet is, dan wordt de
-uitlegging geheel subjectief, ieder oordeelt naar zijn goedvinden en
-houdt zijne eigene individueele opvatting voor onfeilbaar. Ieder ketter
-heeft zijn letter. Ieder zoekt naar het bekende distichon van Werenfels,
-in de Schrift juist zijne dogmata. De Schrift wordt overgeleverd
-aan allerlei willekeur. Individualisme, enthusiasme, rationalisme,
-eindelooze verdeeldheid is het slot. En wat het ergste is, indien
-er geen onfeilbare uitlegging is, dan is er ook geen volstrekte
-geloofszekerheid; de grondslag, waar de hope des Christens op rust,
-is dan vrome meening, wetenschappelijk inzicht, maar geen goddelijke,
-onfeilbare getuigenis. En zoo ver is het er van af, dat iemand uit de
-H. Schrift zich een eigen overtuiging of leer kan vormen, dat ook de
-Protestanten feitelijk even goed als de Roomschen, van traditie leven en
-afgaan op het gezag van kerk, synodes, vaders, schrijvers enz.
-
-Zulk eene onfeilbare, goddelijke uitlegging van de Schrift is echter
-door God in zijne kerk geschonken. Niet de doode, onbegrepene, duistere
-en aan zichzelve overgelatene Schrift, maar de kerk, de levende,
-steeds tegenwoordige, altijd door den Geest zich vernieuwende kerk
-is de middelares der waarheid en de onfeilbare uitlegster der H.
-Schrift. Immers, elk is de beste uitlegger van zijn eigen woord. De ware
-interpreet van de Schrift is dus de H. Geest, die haar auteur is. En
-deze heeft zijn onfeilbaar orgaan in de kerk, of beter nog, in den paus.
-De kerk is door de traditie in het bezit der waarheid; zij wordt geleid
-door dienzelfden Geest welke de Schrift deed ontstaan; zij is aan haar
-verwant; zij alleen kan haar zin verstaan; zij is de pilaar en vastigheid
-der waarheid. Zoo is ook altijd de praktijk geweest. Mozes, de priesters,
-Christus, de apostelen verklaarden en beslisten voor de gemeente, Ex.
-18; Deut. 17:9 v.; 2 Chr. 19:9 v.; Pred. 12:12; Hagg. 2:2; Mal. 2:7;
-Mt. 16:19, 18:17, 23:2; Luk. 22:32; Joh. 21:15 v.; Hd. 15:28; Gal. 2:2;
-1 Cor. 12:8 v.; 2 Petr. 1:19; 1 Joh. 4:1, en pausen en conciliën hebben
-dat voorbeeld gevolgd. Daarom stelde het Trentsch concilie in sess.
-4 vast, dat niemand de H. Schrift mag uitleggen contra eum sensum,
-quem tenuit et tenet sancta mater ecclesiae, cujus est judicare de
-vero sensu et interpretatione Scripturarum Sanctarum, aut etiam contra
-unanimem consensum Patrum, en bond daarmede de exegese niet alleen
-negatief, gelijk sommige Roomschen het pogen op te vatten, maar zeer
-beslist ook positief. Niemand mag eene andere exegese geven, dan die
-welke de kerk door hare patres, concilies of pausen gegeven heeft. De
-professio fidei van Pius IV, bij Denzinger, Enchir. symb. et defin. n.
-864 en het Vaticanum sess. 3 cap. 2 alin. 4 laten dienaangaande geen
-twijfel over. Maar niet alleen is door deze leer van de duisterheid der
-Schrift de wetenschappelijke exegese aan den paus onderworpen. Nog meer
-afhankelijk en gebonden is daardoor de leek. De Schrift is van wege haar
-duisterheid geen geschikte lectuur voor de leeken. Zonder uitlegging
-is ze voor het volk onverstaanbaar. Daarom werd het overzetten der
-Schrift in de volkstaal en het lezen van den Bijbel door het volk sedert
-het misbruik, dat er in de Middeleeuwen en later van gemaakt werd,
-door Rome hoe langer hoe meer beperkt. Lezing der Schrift is aan de
-leeken niet geoorloofd dan met toestemming der kerkelijke overheid. De
-Protestantsche Bijbelgenootschappen zijn herhaaldelijk door de Pausen
-veroordeeld, en in de Encycliek van 8 Dec. 1864 met de socialistische
-en communistische vereenigingen op ééne lijn gesteld, Denzinger, Enchir.
-n. 1566. En wel beveelt de tegenwoordige paus in zijne Encycliek de
-studiis Sacrae Scripturae de Schriftstudie aan, maar niet aan de
-leeken, Vincentius Lerinensis, Commonitorium cap. 3. Bellarminus, de
-verbo Dei, lib. III. M. Canus, Loci Theol. II cap. 6 sq. Perrone,
-Praelect. theol. IX 98 sq. Heinrich, Dogm. I 794 f. Möhler, Symbolik §
-38 f. Jansen, Prael. theol. I 771 s. Herzog² art. Bibellesen.
-
-14. De leer van de perspicuitas S. Scr. is meermalen, zoowel door
-Protestanten als Roomschen misverstaan en onjuist voorgesteld. Ze houdt
-niet in, dat de zaken en onderwerpen, waarover de Schrift handelt, geen
-verborgenheden zijn, die het menschelijk verstand verre te boven gaan.
-Ook beweert ze niet, dat de H. Schrift duidelijk is in al haar deelen,
-zoodat er geene wetenschappelijke exegese noodig zou wezen. En evenmin
-bedoelt ze, dat de H. Schrift, ook in de leer der zaligheid, klaar en
-duidelijk is voor ieder mensch zonder onderscheid. Maar ze sluit alleen
-in, dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid noodig is,
-niet op elke bladzijde der H. Schrift even klaar, maar toch door heel de
-Schrift heen in zoo eenvoudigen en bevattelijken vorm wordt voorgesteld,
-dat iemand, wien het om de zaligheid zijner ziel te doen is, gemakkelijk
-door eigen lezen en onderzoek uit de Schrift die waarheid kan leeren
-kennen, zonder hulp en leiding van kerk en priester. De weg der
-zaligheid is er, niet wat de zaak maar wat den modus tradendi betreft,
-klaar in neergelegd voor den heilbegeerigen lezer. Het πως moge hij
-niet verstaan, het ὁτι is toch duidelijk, Zwingli, De claritate et
-certitudine verbi Dei, Op. ed. Schuler et Schulthess I 65 sq. Luther bij
-Köstlin, Luthers Theol. 2e Ausg. 1883 II 58 f. Zanchius, de Scr. Sacra,
-Op. Omnia VIII 407 sq. Chamier, Panstratia catholica 1626 Loc. 1 Lib. I
-cap. 13-32. Amesius, Bellarminus Enervatus. Amst. 1630, lib. 1 cap. 4
-en 5. Turretinus, Theol. El. loc. 2 qu. 17. Trigland, Antapologia cap.
-3. Synopsis pur. Theol. disp. 5. Gerhard, Loci Theol. Loc. 1 cap. 20
-sq. Glassius, Philologia Sacra 1691 p. 186 sq.
-
-Zoo verstaan, is de perspicuitas eene eigenschap, welke de H. Schrift
-herhaaldelijk van zichzelve praediceert. De thora is door God aan
-gansch Israel gegeven, en Mozes brengt al de woorden des Heeren over
-aan heel het volk. De wet en het woord des Heeren is niet ver van een
-iegelijk hunner, maar is een licht op het pad en een lamp voor den
-voet, Deut. 30:11; Ps. 19:8, 9, 119:105, 130; Spr. 6:23. De profeten
-richten zich sprekende en schrijvende tot heel het volk, Jes. 1:10 v.,
-5:3 v., 9:1, 40:1 v.; Jer. 2:4, 4:1, 10:1; Ezech. 3:1. Jezus spreekt
-vrijuit tot al de scharen, Mt. 5:1, 13:1, 2, 26:55, enz. en de apostelen
-schrijven aan al de geroepen heiligen, Rom. 1:7; 1 Cor. 1:2; 2 Cor.
-1:1 enz., en zorgen zelf voor de verbreiding hunner brieven, Col.
-4:16. Het geschreven woord wordt allen ten onderzoek aanbevolen, Joh.
-5:39; Hd. 17:11 en is juist geschreven om geloof, lijdzaamheid, hope,
-vertroosting, leering enz. te schenken, Joh. 20:31; Rom. 15:4; 2 Tim.
-3:16; 1 Joh. 1:1 v. Van eene onthouding der Schrift aan de leeken is
-nergens sprake. De geloovigen zijn zelven mondig en in staat om te
-oordeelen, 1 Cor. 2:15, 10:15; 1 Joh. 2:20; 1 Petr. 2:9. Hun worden
-de woorden Gods toebetrouwd, Rom. 3:2. De kerkvaders weten dan ook
-niets van de duisterheid der Schrift in den lateren Roomschen zin. Wel
-spreken ze dikwerf over de diepten en verborgenheden der H. Schrift,
-cf. plaatsen bij Bellarm. de verbo Dei III c. 1.; maar ze roemen even
-dikwerf haar klaarheid en eenvoud. Zoo zegt Chrysostomus, hom. 3 de
-Lazaro, als hij de geschriften der profeten en apostelen met die der
-wijsgeeren vergelijkt: Οἱ δε ἀποστολοι και οἱ προφηται τοὐναντιον ἁπαν
-ἐποιησαν· σαφη γαρ και δηλα τα παρ’ αὐτων κατεστησαν ἁπασιν, ἁτε
-κοινοι της οἰκουμενης ὀντες διδασκαλοι, ἱνα ἑκαστος και δι’ ἑαυτου
-μανθανειν δυνηται ἐκ της ἀναγνωσεως μονης τα λεγομενα. En elders,
-hom. 3 in 2 Thess. zegt hij: παντα σαφη και εὐθεα τα παρα ταις θειαις
-γραφαις, παντα τα ἀναγκαια δηλα. Evenzoo lezen we bij Augustinus,
-de doctr. chr. 2, 6: nihil de illis obscuritatibus eruitur, quod
-non plenissime dictum alibi reperiatur, en ibid. 9: in iis quae
-clare in scripturis tradita sunt, inveniuntur omnia, quae continent
-fidem moresque vivendi. Bekend is ook het woord van Gregorius I,
-waarin hij de Schrift vergelijkt bij een fluvius planus et altus, in
-quo et agnus ambulet et elephas natet. Zelfs nu nog moeten Roomsche
-theologen erkennen, dat veel in de H. Schrift zoo duidelijk is, dat
-de geloovige niet alleen het verstaan kan, maar ook de ongeloovige,
-den duidelijken zin verwerpend, onontschuldigbaar is, Heinrich, Dogm.
-I 819. De kerkvaders dachten er dan ook niet aan, om de lezing der
-Schrift aan de leeken te verbieden. Integendeel, zij dringen telkens
-op onderzoek der H. Schriften aan, en verhalen van den zegen, dien zij
-zelven uit de lezing ontvingen, Vigouroux, Les livres saints et la
-critique rationaliste, 3 ed. I 280 s. Gregorius I beval het lezen der
-Schrift nog aan alle leeken aan, Herzog² 2, 376. De beperking van het
-Bijbellezen kwam eerst op, toen sedert de twaalfde eeuw verschillende
-secten tegen de kerk op de Schrift zich gingen beroepen. De meening
-vond toen ingang, dat het bijbellezen der leeken de voornaamste bron der
-ketterij was. Ter zelfverdediging heeft Rome toen hoe langer hoe meer
-de duisterheid der Schrift geleerd en haar lectuur aan toestemming der
-kerkelijke overheid gebonden.
-
-15. Inderdaad hebben de kerken der Hervorming tegenover Rome geen
-machtiger wapen dan de Schrift. Zij brengt aan de kerkelijke traditie
-en hierarchie de doodelijkste slagen toe. De leer van de perspicuitas
-S. Scr. is een van de hechtste bolwerken van de Reformatie. Ze
-brengt zeer zeker haar ernstige gevaren mede. Het Protestantisme is
-er hopeloos door verdeeld. Het individualisme heeft zich ten koste
-van het gemeenschapsgevoel ontwikkeld. Het vrije lezen en onderzoeken
-der Schrift is en wordt door allerlei partijen en richtingen op de
-schromelijkste wijze misbruikt. Maar toch wegen de nadeelen tegen de
-voordeelen niet op. Want de loochening van de duidelijkheid der Schrift
-brengt mede de onderwerping van den leek aan den priester, van het
-geweten aan de kerk. Met de perspicuitas S. Scr. valt de vrijheid van
-godsdienst en geweten, van kerk en theologie. Zij alleen is in staat,
-om te handhaven de vrijheid van den Christenmensch; zij is oorsprong en
-waarborg van de religieuse en ook van de politieke vrijheden, Stahl, Der
-Protest. als polit. Princip. 2e Aufl. 1853. Saussaye, Het Protest. als
-politiek beginsel, Rott. 1871. Kuyper, Het Calvinisme, oorsprong en
-waarborg onzer constitutioneele vrijheden, Amst. 1874. En eene vrijheid
-die niet anders verkregen en bezeten kan worden dan met het gevaar
-der losbandigheid en willekeur, is altijd nog te verkiezen boven eene
-tirannie, die alle vrijheid onderdrukt. God zelf heeft bij de schepping
-van den mensch dezen weg der vrijheid, die het gevaar en werkelijk
-ook het feit der zonde meebracht, verkoren boven dien van gedwongen
-onderwerping. En nog altijd volgt Hij in het bestuur van wereld en kerk
-dezen koninklijken weg der vrijheid. Dat is juist zijne eere, dat Hij toch
-door de vrijheid heen zijn doel bereikt, uit de wanorde de orde, uit de
-duisternis het licht, uit den chaos den kosmos schept. Beide, Rome
-en de Hervorming, stemmen hierin overeen, dat de H. Geest alleen de
-ware uitlegger is van het woord, Mt. 7:15, 16:17; Joh. 6:44, 10:3; 1
-Cor. 2:12, 15, 10:15; Phil. 1:10, 3:13; Hebr. 5:14; 1 Joh. 4:1. Maar
-Rome meent, dat de H. Geest alleen onfeilbaar leert door den paus;
-de Hervorming gelooft, dat de H. Geest woont in het hart van ieder
-geloovige; ieder kind van God heeft de zalving van den Heilige. Zij
-geeft daarom de Schrift in aller hand, vertaalt en verspreidt ze en
-gebruikt in de kerk geen andere dan de volkstaal. Rome roemt op hare
-eenheid, maar deze eenheid schijnt grooter dan ze is. De splitsing der
-Reformatie in eene Luthersche en Gereformeerde heeft haar analogie in
-de scheuring der Grieksche en Latijnsche kerk. Onder den schijn eener
-uitwendige eenheid verbergt zich bij Rome eene schier even groote
-innerlijke verdeeldheid. Het aantal ongeloovigen en onverschilligen is
-in Roomsche landen niet geringer dan in Protestantsche. Rome heeft
-den stroom van het ongeloof evenmin kunnen keeren als de kerken der
-Hervorming. Reeds voor de Reformatie had het ongeloof zich in wijde
-kringen, b.v. in Italië, verbreid. De Hervorming heeft dit niet te
-voorschijn geroepen, maar juist gestuit en Rome zelf tot waakzaamheid
-en bestrijding opgewekt. Cartesius, de vader van het rationalisme,
-was Roomsch. De Duitsche rationalisten worden opgewogen door de
-Fransche materialisten; Rousseau door Voltaire, Strauss door Renan.
-De Revolutie heeft in Roomsche landen haar diepste wortelen geschoten
-en haar wrangste vruchten gedragen. Voorts staat het te bezien, of
-het aantal partijen, richtingen en sekten, die er telkens optreden,
-in Rome niet even groot zou zijn als in het Protestantisme, als Rome
-niet de macht en den moed had, om iedere richting door censuur, ban,
-interdict, desnoods door het zwaard te onderdrukken. Het is waarlijk
-niet aan Rome te danken, dat er zoovele bloeiende christelijke kerken
-naast haar zijn opgetreden. Welke schaduwzijden de verdeeldheid van het
-Protestantisme ook heeft, zij bewijst toch ook, dat het religieuse leven
-hier eene macht is, die telkens nieuwe vormen zich schept en bij alle
-verscheidenheid toch ook weer eene diepere eenheid openbaart. En in
-elk geval, het Protestantisme met zijn verdeeldheid is te verkiezen
-boven het schrikkelijk bijgeloof, waarin het volk in de Grieksche en in
-de Roomsche kerk hoe langer hoe meer wordt verstrikt. Mariadienst,
-reliquienvereering, beeldendienst, heiligenaanbidding verdringen steeds
-meer den dienst van den eenigen, waarachtigen God. Cf. Trede, Das
-Heidenthum in der römischen Kirche, Gotha, Perthes, 4 Theile 1889-92.
-
-16. Vanwege deze perspicuitas heeft de Schrift ook de facultas se
-ipsam interpretandi en is se supremus judex controversiarum, Synopsis
-pur. theol. disp. 5 § 20 sq. Polanus, Synt. Theol. Lib. I c. 45.
-Turret. Theol. El. Loc. II qu. 20. Amesius, Bellarm. enervatus Lib.
-I c. 5. Cloppenburg, De Canone Theol. disp. 11-15. Op. II 64 sq.
-Moor, Comm. in Markii Comp. I 429 sq. Gerhard, Loci Theol. Loc. I c.
-21, 22. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6e Aufl. S. 42 f. De Schrift
-legt zichzelve uit, de duistere plaatsen worden verklaard door de
-duidelijke, en de grondgedachten van de Schrift als geheel dienen
-ter opheldering van de deelen. Dat was de interpretatio secundum
-analogiam fidei, welke ook door de Hervormden werd voorgestaan. Ook
-de Hervormers zijn niet voraussetzungslos tot de Schrift gekomen. Ze
-hebben de leer der Schrift, de apostolische geloofsbelijdenis, de
-besluiten der eerste conciliën schier zonder kritiek overgenomen. Ze
-waren niet revolutionair en wilden niet van voren afaan beginnen, maar
-protesteerden alleen tegen de ingeslopene dwalingen. De Hervorming was
-niet de vrijmaking van den natuurlijken, maar van den Christenmensch.
-Er was dus van den aanvang af bij de Hervormers eene analogia fidei,
-waarin zij zelven stonden, en waarnaar zij de Schrift uitlegden. Onder
-die analogia fidei verstonden zij oorspronkelijk den uit de duidelijke
-plaatsen der H. Schrift zelve afgeleiden zin, die dan later in de
-confessies neergelegd werd, Voetius Disp. V 9 sq. 419 sq. Moor, Comm.
-in Marckii Comp. I 436. VI praefatio. Turret., Theol. El. I qu.
-19. Philippi, Kirchl. Gl. I 217 f. Zöckler, Handbuch I 663 f. Luz,
-Hermeneutik 154-176. In verband daarmede had ook de kerk eene roeping
-in betrekking tot de uitlegging der H. Schrift. Krachtens de potestas
-doctrinae, haar door Christus verleend, en de gave der uitlegging, door
-den H. Geest haar geschonken, 1 Cor. 14:3, 29; Rom. 12:6; Ef. 4:11 v.
-heeft de kerk den plicht, om de Schrift te bewaren niet alleen, maar
-ook om ze uit te leggen en te verdedigen, en om de waarheid in haar
-confessie te formuleeren en de dwalingen te ontdekken en tegen te
-staan. Ook de kerk is dus binnen haar kring en op haar terrein judex
-controversiarum, en heeft alle meening te toetsen aan en te beoordeelen
-naar de H. Schrift. Onfeilbaar behoeft ze daartoe niet te zijn, want ook
-de rechter in den staat is wel gebonden aan de wet, maar is feilbaar
-in zijne uitspraken. En zoo is het ook in de kerk. De Schrift is norma,
-de kerk is richteres. Maar ook hier is er een hooger beroep. Rome
-ontkent dit en zegt dat de uitspraak der kerk de laatste en hoogste
-is. Van haar is zelfs een beroep op het goddelijk oordeel niet mogelijk
-meer. Zij bindt in de conscientie. Maar de Hervorming beweerde dat eene
-kerk, hoe eerbiedwaardig ook, toch dwalen kon. Haar uitlegging is niet
-magisterialis, maar ministerialis. Ze kan alleen in de conscientie
-binden, voorzoover iemand haar als goddelijk en onfeilbaar erkent. Of
-ze inderdaad met Gods woord overeenstemt, kan geen aardsche macht,
-maar kan elk alleen voor zichzelf uitmaken, Synopsis pur. theol. 5, 25
-sq. De kerk kan dan iemand als ketter uitwerpen, maar hij staat en valt
-ten slotte zijn eigen heer. De eenvoudigste geloovige kan en mag met de
-Schrift in de hand desnoods tegen heel eene kerk zich verzetten, gelijk
-Luther deed tegen Rome. Zoo alleen is de vrijheid van den Christen, en
-tegelijk de souvereiniteit Gods gehandhaafd. Van de Schrift is er geen
-hooger appel. Zij is de hoogste rechtbank. Geen macht of uitspraak staat
-boven haar. Zij is het, die ten laatste, voor ieder in zijn conscientie,
-beslist. En daarom is zij judex supremus controversiarum.
-
-
-E. De genoegzaamheid der Schrift.
-
-17. Ten laatste werd door de Hervorming ook nog beleden de perfectio
-of sufficientia S. Scripturae. De Roomsche kerk meent, dat de Schrift
-onvolkomen is in partibus en door de traditie moet worden aangevuld. Zij
-verklaarde te Trente, sess. 4, dat zij traditiones ipsas, tum ad fidem
-tum ad mores pertinentes, tanquam vel ore tenus a Christo vel a Sp. S°.
-dictatas et continua successione in Ecclesia Catholica conservatas,
-pari pietatis affectu et reverentia suscipit et veneratur, en sprak
-in het Vatic. sess. 3 cap. 2 uit, dat de bovennatuurlijke openbaring
-vervat is in libris scriptis et sine scripto traditionibus, quae ipsius
-Christi ore ab Apostolis acceptae, aut ab ipsis Apostolis Spiritu
-Sancto dictante quasi per manus traditae ad nos usque pervenerant.
-De gronden, welke Rome voor deze leer der traditie aanvoert, zijn
-verschillende. Eerst wordt er op gewezen, dat de kerk voor Mozes
-geheel en al zonder Schrift was en dat ook na dien tijd tot heden toe
-vele geloovigen leven en sterven, zonder ooit de Schrift te lezen
-of te onderzoeken. Verreweg de meeste kinderen Gods leven uit de
-traditie en weten van de Schrift weinig of niets. Het zou ook vreemd
-zijn, dat dit op religieus en kerkelijk terrein anders ware dan op elk
-ander gebied. Immers, in recht en zede, in kunst en wetenschap, in
-gezin en maatschappij is de traditie de draagster en de voedster van
-ons leven. Door haar zijn we aan de voorgeslachten verbonden, nemen
-hun schatten over en laten ze ook weer aan onze kinderen achter. De
-analogie eischt reeds, dat er ook in de kerk eene traditie zij; maar
-deze moet hier zooveel heerlijker en zekerder wezen dan elders, wijl
-Christus aan zijne kerk den H. Geest heeft gegeven en door dezen zijne
-gemeente onfeilbaar in alle waarheid leidt, Mt. 16:18, 28:20; Joh.
-14:16. Daarbij komen nog vele uitspraken der Schrift, die het recht en
-de waarde der traditie erkennen, Joh. 16:12, 20:30, 21:25; Hd. 1:3;
-1 Cor. 11:2, 23; 2 Thess. 2:14; 1 Tim. 6:20; 2 Joh. 12; 3 Joh. 13,
-14. Jezus heeft mondeling en door zijn Geest aan zijne discipelen nog
-vele dingen geleerd, die niet door hen zijn beschreven maar van mond
-tot mond zijn voortgeplant. Kerkvaders, conciliën, pausen hebben zulk
-eene apostolische traditie ook van den aanvang af erkend. Feitelijk
-leeft de kerk nog altijd van en uit deze mondelinge, levende traditie.
-De Schrift alleen is onvoldoende. Want behalve dat lang niet alles is
-opgeteekend, verschillende geschriften van profeten en apostelen zijn
-ook verloren gegaan. De apostelen kregen wel een bevel om te getuigen,
-maar niet om dat schrijvende te doen. Ze kwamen tot schrijven alleen
-door de omstandigheden, necessitate quadam coacti; hun geschriften zijn
-daarom ook meest gelegenheidsschriften, en bevatten lang niet alles,
-wat tot de leer en het leven der kerk van noode is. Zoo vinden we in de
-Schrift weinig of niets van den doop der vrouwen, de Zondagsviering,
-het episcopaat, het zevental sacramenten, het vagevuur, de onbevlekte
-ontvangenis van Maria, de zaligheid van vele Heidenen in de dagen des
-O. T., de inspiratie en kanoniciteit der verschillende Bijbelboeken
-enz.; ja zelfs dogmata als van de triniteit, de eeuwige generatie,
-den uitgang des H. G., den kinderdoop enz. zijn niet letterlijk en met
-zooveel woorden in de Schrift te vinden. In één woord: de Schrift
-is nuttig, maar de traditie is noodzakelijk, Bellarminus, de Verbo
-Dei, lib. IV. Melchior Canus, Loci theol. lib. 3. Perrone, Praelect.
-Theol. IX 228 sq. Klee, Dogm. I 277 f. Heinrich, Dogm. Theol. II S.
-1 f. Jansen, Praelect. theol. dogm. I 788 sq. Möhler, Symbolik § 38
-f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit 2e Aufl. I 72 f. Dieringer, Dogm. §
-126. Liebermann, Instit. theol. I p. 448 sq. Voor de Grieksche kerk,
-Kattenbusch, Confessionskunde I 292.
-
-18. Tegenover deze Roomsche leer van de traditie plaatste de Hervorming
-die van de volmaaktheid en genoegzaamheid der H. Schriftuur. Het
-goed recht van deze bestrijding van Rome is door de ontwikkeling van
-het begrip der traditie zelve in een helder licht gesteld. De eerste
-christelijke gemeenten werden, evenals nu nog de gemeenten onder de
-Heidenen, gesticht door het gepredikte woord. De leer en gebruiken, die
-zij van de apostelen of hunne medgezellen ontvangen hadden, plantte zich
-geruimen tijd van mond tot mond en van geslacht tot geslacht voort. Dit
-begrip der traditie was duidelijk; ze duidde aan de leer en gebruiken,
-welke van de apostelen ontvangen waren en in de kerken werden bewaard
-en voortgeplant. Maar naar mate de afstand grooter werd, die de
-kerken scheidde van den apostolischen tijd, werd het hoe langer hoe
-moeilijker om uit te maken of iets werkelijk van apostolische herkomst
-was. De Afrikaansche kerk protesteerde daarom tegen de overdreven
-waarde, welke vooral in de tweede helft tegen het Gnosticisme aan deze
-traditie werd gehecht. Tertullianus, de virg. vel. c. 1 zei: Dominus
-noster veritatem se, non consuetudinem cognominavit. Evenzoo stelde
-Cyprianus, Epist. 74 tegenover de traditie, waarop de bisschop van Rome
-zich beriep, de teksten Jes. 29:13; Mt. 15:9; 1 Tim. 6:3-5 en zei:
-consuetudo sine veritate vetustas erroris est. Christus heeft zich niet
-de gewoonte maar de waarheid genoemd. Gene moet voor deze wijken. Daarom
-werd het noodig, om de traditie nader te bepalen en hare kenmerken
-op te geven. Vincentius Lerinensis vond in zijn Commonitorium cap. 2
-de criteria van eene apostolische traditie daarin, dat iets ubique,
-semper et ab omnibus creditum est. Hoc est etenim vere proprieque
-catholicum. Eerst bestond ’t kenmerk der traditie dus hierin, dat ze
-was van apostolische herkomst. Nu wordt er aan toegevoegd, dat iets
-in dat geval van apostolische herkomst mag geacht worden te zijn, als
-het waarlijk algemeen, katholiek is. De apostolicitas wordt kenbaar
-aan de universitas, antiquitas en consensio. Het Tridentinum, het
-Vaticanum en ook de theologen sluiten zich bij de bepaling der traditie
-aan deze criteria van Vincentius aan. Maar zakelijk is er afwijking;
-de consequentie leidde verder. Het was niet vol te houden, dat iets
-dan alleen apostolisch was, wanneer het werkelijk altijd, overal en
-door allen was geloofd. Van welke leer of van welk gebruik kon zulk
-eene volstrekte katholiciteit worden aangetoond? De drie criteria
-zijn dus allengs verzwakt. De kerk mag wel niet iets nieuws tot dogma
-verklaren en moet zich houden aan de overlevering, maar de bewaring
-van die traditie is niet mechanisch te denken als van een schat in den
-akker, maar organisch zooals Maria de woorden der herders bewaarde en
-overlegde in haar hart, Heinrich, II 12. Eene waarheid kan dus zeer
-goed vroeger niet of niet algemeen geloofd zijn; zij is toch onfeilbare
-apostolische traditie, wanneer ze nu maar algemeen wordt geloofd. De
-beide criteria antiquitas en universitas zijn dus geen copulatieve
-maar distributieve kenmerken der traditie; zij zijn niet beide saam
-en tegelijk noodig, één van beide is genoeg. Feitelijk is daarmede de
-antiquitas opgeofferd aan de universitas. Maar ook deze laatste is
-weer beperkt. De vraag kwam op, wie het orgaan ter bewaring en ter
-erkenning der traditie was. De kerk in het algemeen kon dit niet zijn.
-Möhler, Symbolik, 6e Aufl. 357, identificeerde de traditie nog wel met
-das fortwährend in den Herzen der Gläubigen lebende Wort, maar dit
-antwoord was veel meer protestantsch dan roomsch gedacht. De taak, om
-de leer te bewaren en vasttestellen, kon en mocht niet aan de kerk in
-het algemeen, d. i. aan de leeken worden opgedragen. In de kerk is te
-onderscheiden tusschen de ecclesia audiens en docens. Beide behooren
-wel bij elkaar, en zijn onvergankelijk, maar de eerste bezit slechts eene
-infallibilitas passiva, d. i. zij is alleen in haar gelooven onfeilbaar,
-doordat zij en zoolang zij in verbinding blijft met de ecclesia docens.
-Maar ook deze laatste is nog weer niet het eigenlijk orgaan der leer.
-Het Gallikanisme, de Oudbisschoppelijke klerezie en de Oudkatholieken
-zijn hier blijven staan, en schrijven de onfeilbaarheid toe aan de
-gezamenlijke bisschoppen. Maar dit standpunt is onhoudbaar. Wanneer zijn
-die bisschoppen onfeilbaar? Buiten of alleen in het concilie? Indien
-het laatste, zijn ze alleen onfeilbaar als ze eenstemmig zijn, of is
-alleen de meerderheid onfeilbaar? Hoe groot moet deze zijn? Is ééne stem
-meerderheid voldoende? Is het concilie zonder, en zelfs tegenover, of
-alleen in overeenstemming met den paus onfeilbaar? Altemaal vragen,
-waarmede het Gallikanisme in ernstige verlegenheid verkeerde. Het
-papale systeem ging daarom een stap verder en schreef de onfeilbaarheid
-toe aan den paus. Dit primaat van den paus is het product van eene
-eeuwenlange ontwikkeling, de consequentie van eene geestesrichting,
-die reeds zeer vroeg in de kerk aanwezig was. Langzamerhand is de paus
-beschouwd geworden als het onfeilbaar orgaan van de goddelijke waarheid
-en dus ook van de traditie. Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 4 c. 9
-nam onder de kenmerken der traditie ook dezen regel op: id sine dubio
-credendum esse, ex apostolica traditione descendere, quod pro tali
-habetur in illis ecclesiis, ubi est integra et continuata successio
-ab Apostolis. Nu waren er, zegt hij verder, in de oudheid vele zulke
-kerken behalve Rome. Thans echter is ze alleen in Rome over. En daarom
-ex testimonio hujus solius ecclesiae sumi potest certum argumentum ad
-probandas Apostolicas traditiones. De kerk van Rome bepaalt en maakt
-uit, wat apostolische traditie is. Latere theologen, vooral onder de
-Jesuiten, hebben dit verder ontwikkeld. En den 18den Juli 1870 werd
-in de vierde zitting van het Vaticaansch concilie de onfeilbaarheid
-openlijk als dogma afgekondigd. Nu is het wel zeker, dat de paus in deze
-zijne onfeilbaarheid niet losgedacht is van de kerk, vooral niet van de
-ecclesia docens. Voorts zijn de symbolen, decreten, liturgieën, patres,
-doctores en heel de historie der kerk zoovele monumenten der traditie,
-waaraan de paus bij de vaststelling van een dogma zich aansluit en waar
-hij rekening mede te houden heeft. Maar toch is de traditie formeel
-niet met den inhoud van al die monumenten identisch. De traditie is
-onfeilbaar; maar wat traditie is, wordt ter laatste instantie alleen
-uitgemaakt door den paus, met, zonder of desnoods tegen de kerk en de
-concilies in. De beoordeeling of en in hoeverre iets semper, ubique
-et ab omnibus is geloofd, kan niet staan aan de kerk, noch aan de
-ecclesia audiens noch aan de ecclesia docens, maar staat vanzelf alleen
-aan den onfeilbaren paus. Als de paus een dogma afkondigt, dan is het
-eo ipso apostolische traditie. Het criterium van de traditie is dus
-achtereenvolgens gezocht, in de apostoliciteit, in de katholiciteit,
-in de episcopale successie, in de papale beslissing. Daarmede is het
-einde bereikt. De onfeilbare paus is het principium formale van het
-Romanisme. Roma locuta, res finita. Paus en kerk, paus en Christendom
-zijn één. Ubi Papa, ibi ecclesia, ibi religio Christiana, ibi Spiritus.
-Van den paus is er geen hooger beroep, zelfs niet op God. Door den paus
-spreekt God zelf tot de menschheid, Perrone I 229, IX 279. Jansen I
-804, 822 s. 829. Heinrich I 726 noot, II 148 f. 537. Maistre, du Pape,
-Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre III, Paris z. j. 71.
-
-Deze uitkomst van den ontwikkelingsgang der traditie toont de
-valschheid van het principe aan, dat er van den beginne af in werkzaam
-was. De onfeilbaarheid van den paus kan eerst later, in de leer der
-kerk, breedvoerig behandeld worden. Maar het is duidelijk, dat het goede
-en ware element, waarom het in de eerste eeuwen bij de handhaving der
-traditie te doen was, geheel te loor is gegaan. Toen was het te doen
-om bewaring van datgene, wat krachtens apostolische instelling in de
-gemeenten geloofd werd en gebruikelijk was. Het lag voor de hand, dat
-men toen aan de traditie groot gewicht hechtte en de onmisbaarheid
-en noodzakelijkheid der apostolische geschriften nog niet inzag. Maar
-het kenmerk der apostoliciteit, dat toen vanzelf aan de traditie
-eigen was, moest verdwijnen, toen men verder van den apostolischen
-tijd verwijderd werd. De relatieve zelfstandigheid der traditie naast
-de Schrift verdween hoe langer zoo meer. De stroomen van Schrift en
-traditie vloeiden ineen. En spoedig na den dood van de apostelen en
-hunne tijdgenooten werd het onmogelijk, om iets als van apostolische
-herkomst aan te toonen anders dan door een beroep op de apostolische
-geschriften. Van geen enkel dogma, dat de Roomsche kerk buiten en
-zonder de Schrift belijdt, is de apostolische herkomst te bewijzen.
-De traditieleer bij Rome doet slechts dienst, om de afwijkingen van
-de Schrift en van de apostelen te rechtvaardigen. Mariavereering,
-het zevental sacramenten, de pauselijke onfeilbaarheid enz., dat zijn
-de dogmata, welke de traditie niet kunnen missen. Ter kwader ure is
-de apostolische overlevering met de kerkelijke gewoonten en met de
-pauselijke beslissingen vereenzelvigd. De traditie is bij Rome die
-gemeine Superstition, das Heidenthum, Harnack D. G. III 559 noot.
-
-19. Feitelijk wordt door deze leer van de traditie de Schrift van
-heel haar gezag en kracht beroofd. De Roomschen praediceeren van
-beide, Schrift en traditie (paus), de onfeilbaarheid, maar erkennen,
-dat er tusschen beide toch een groot onderscheid bestaat. Bij beide
-wordt wel de oorzaak der onfeilbaarheid gezocht in eene bijzondere,
-bovennatuurlijke werking des H. Geestes; want Rome begrijpt zeer goed,
-dat de onfeilbaarheid der traditie niet afgeleid kan worden uit de
-geloovigen als zoodanig, uit de kracht en den geest des Christendoms,
-die in de geloovigen woont en werkt. Er komen immers in de kerk
-en onder de geloovigen vele dwalingen voor, die dikwerf langen
-tijd heerschen en velen vervoeren. De onfeilbaarheid van den paus
-wordt daarom even goed als die van de Schrift, verklaard uit eene
-buitengewone werking des H. Geestes op grond van Mt. 16:18, 28:20;
-Joh. 14:16 v., 15:26, 16:12 v. Concil. Vatic. sess. 3. Maar er is toch
-onderscheid. De werkzaamheid des H. Geestes in de apostelen bestond
-in revelatie en inspiratie: die in den paus bestaat in assistentie.
-Het Vaticanum cap. 4 zegt: neque enim Petri successoribus Spiritus
-Sanctus promissus est, ut eo _revelante_ novam doctrinam patefacerent,
-sed ut eo _assistente_, traditam per Apostolos revelationem seu fidei
-depositum sancte custodirent et fideliter exponerent. De Schrift is
-daarom woord Gods in eigenlijken zin, geïnspireerd, althans volgens
-vele theologen, tot de singula verba toe; de besluiten van concilies
-en pausen zijn woorden der kerk, die de waarheid Gods zuiver weergeven.
-De Schrift _is_ het woord Gods, de traditie _bevat_ het woord Gods. De
-Schrift bewaart de woorden der apostelen in hun oorspronkelijken vorm,
-de traditie geeft de leer der apostelen alleen weer wat de substantie
-betreft. De boeken der profeten en apostelen zijn dikwerf geschreven
-zonder onderzoek, alleen uit openbaring; maar bij de assistentia
-divina, aan de kerk beloofd, zijn de personen altijd zelf werkzaam,
-onderzoeken, overwegen, oordeelen, beslissen. Bij de inspiratie was
-de werkzaamheid des Geestes in strikten zin supranatureel, maar bij
-de assistentie bestaat ze menigmaal in een complex van zorgen der
-Voorzienigheid, waardoor de kerk voor dwaling wordt behoed. En eindelijk
-strekt de inspiratie in de Schrift zich tot alle zaken uit, ook van
-historie, chronologie enz., maar door de assistentie des H. G. is de
-paus alleen onfeilbaar als hij ex cathedra spreekt, d. i. als Pastor en
-Doctor der Christenheid, en als hij doctrinam de fide vel moribus ab
-universa ecclesia tenendam definit. De Schrift heeft dus bij Rome nog
-enkele praerogatieven boven de traditie, Bellarminus, de Conciliis et
-Ecclesia, lib. 2 c. 12. Heinrich, I 726 f. II 220-245. Jansen, I 616.
-
-Maar feitelijk doet de traditie aan de Schrift groote afbreuk. Vooreerst
-bepaalt Trente, dat Schrift en traditie _pari_ pietatis affectu et
-reverentia moeten worden vereerd. Vervolgens wordt de inspiratie der H.
-Schrift door de meeste Roomsche theologen als eene inspiratio realis
-opgevat, zoodat niet de singula verba maar de zaken zijn ingegeven.
-Verder is de onfeilbaarheid quoad formam en quoad substantiam zoo nauw
-de eene met de andere verbonden, dat de grenslijn tusschen beide niet
-te trekken is. Voorts is de paus in strikten zin alleen onfeilbaar in
-zaken van geloof en leven, maar om dit te kunnen wezen, moet hij het ook
-zijn in het oordeel over de bronnen des geloofs en in de uitlegging, d.
-i. in de bepaling van wat Schrift en traditie is, in de bepaling van
-het gezag der kerkvaders, der conciliën enz.; in het oordeel over de
-dwalingen en ketterijen en zelfs van de facta dogmatica, in het verbod
-van boeken, in zaken van tucht, in approbatie van orden, in canonisatie
-van heiligen enz. Heinrich, II 557 f. En al is de paus niet in al het
-andere in strikten zin onfeilbaar, zijne macht en autoriteit strekt zich
-toch ook uit over alle dingen, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae
-pertinent, en deze potestas is plena en suprema en breidt zich uit over
-alle pastores en fideles, Conc. Vatic. cap. 3. Zelfs wordt door vele
-Roomschen geëischt, dat de paus, om deze geestelijke souvereiniteit te
-kunnen uitoefenen, wereldlijk vorst moet zijn; en beweerd dat hij, indien
-niet direct, dan toch indirect bezit de summa potestas disponendi de
-rebus temporalibus omnium christianorum, Bellarm. de Romano Pontifice
-lib. 5. de Maistre, du Pape, livre 2. Jansen. I 651 sq. De macht en
-autoriteit van den paus gaat die van de Schrift verre te boven. Hij
-staat boven haar, oordeelt over haar inhoud en haar beteekenis en stelt
-auctoritate sua de dogmata van leer en leven vast. De Schrift moge het
-voornaamste middel zijn, om de overeenstemming van de hedendaagsche
-leer en traditie met de leer der apostelen aan te wijzen; zij moge veel
-bevatten, wat anders niet zoo goed geweten zou worden; ze moge eene
-goddelijke onderwijzing der leer zijn, welke alle andere overtreft,
-Heinrich, I 732 f.; zij is toch altijd voor Rome slechts een hulpmiddel,
-dat nuttig maar niet noodig is. De kerk bestond voor de Schrift, en
-de kerk bevat niet een deel maar de volle waarheid, de Schrift bevat
-echter slechts een gedeelte der leer. De Schrift heeft wel de traditie,
-de bevestiging van den paus, van noode, maar de traditie niet de H.
-Schrift. De traditie is geen aanvulling van de Schrift, maar de Schrift
-is eene aanvulling van de traditie. De Schrift alleen is onvoldoende,
-maar de traditie alleen is wel voldoende. De Schrift rust op de kerk,
-maar de kerk rust in zichzelve, Heinrich, I 730 f.
-
-20. De ontwikkeling der traditie tot de pauselijke onfeilbaarheid en
-de daaruit noodzakelijk voortvloeiende degradatie der Schrift bewijzen
-op zichzelf reeds het goed recht der Reformatie, om tegen de traditie
-op te komen. Zij liet het echter niet alleen bij aanval, maar stelde
-tegenover de leer van Rome die van de perfectio of sufficientia
-Scripturae, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 2e Ausg. 1883 II 56
-f. 246 f. Gerhard, Loci theol. loc. I c. 18. 19. Schmid, Dogm. der
-ev. luth. K. § 9. Calv. Inst. IV c. 10. Polanus, Synt. Theol. I
-c. 46. 47. Zanchius, Op. VIII col. 369 sq. Ursinus, Tract. Theol.
-1584 p. 8 sq. 22 sq. Chamier, Panstratia Cathol. Loc. 1 lib. 8 en 9.
-Amesius, Bellarminus enervatus, Lib. I c. 6. Turret., Theol. El. loc.
-2 qu. 16. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. p. 11 f. Holtzmann, Kanon und
-Tradition, Ludwigsb. 1859. A. W. Dieckhoff, Schrift und Tradition,
-Rostock 1870. J. L. Jacobi, Die kirchl. Lehre von der Tradition u.
-h. Schrift, 1 Abth. Berlin 1847. P. Tschackert, Evang. Polemik gegen
-die röm. Kirche, Gotha 1885 § 23 f. Id. art. Tradition in Herzog².
-Hase, Protest. Polemik, 5te Aufl. Leipzig 1891 S. 77 f. Harnack,
-Dogm. Gesch. III 593 f. 623 f. Hodge, Syst. Theol. I 104 etc. Ook
-deze eigenschap der H. Schrift moet goed worden verstaan. Er wordt
-daarmede niet beweerd, dat al wat door de profeten, door Christus en
-de apostelen, gesproken of geschreven is, in de Schrift is opgenomen;
-er zijn immers vele profetische en apostolische geschriften verloren
-gegaan, Num. 21:14; Jos. 10:13; 1 Kon. 4:33; 1 Chron. 29:29; 2 Chron.
-9:29, 12:15; 1 Cor. 5:9; Col. 4:16; Phil. 3:1, en Jezus en de apostelen
-hebben zeker veel meer woorden gesproken en teekenen gedaan, dan
-beschreven zijn, Joh. 20:30; 1 Cor. 11:2, 14; 2 Thess. 2:5, 15, 3:6,
-10; 2 Joh. 12; 3 Joh. 14 enz. Ook houdt deze eigenschap niet in, dat
-de H. Schrift alle gebruiken, ceremoniën, bepalingen en reglementen
-bevat, welke de kerk voor hare organisatie behoeft; maar alleen, dat
-zij de fidei articuli volledig bevat, de res necessariae ad salutem.
-En dan sluit deze eigenschap der Schrift ook nog niet in, dat deze
-articuli fidei letterlijk en met zooveel woorden, αὐτολεξει en totidem
-verbis in haar begrepen zijn, maar alleen dat zij hetzij explicite hetzij
-implicite zoo in de Schrift zijn vervat, dat ze, zonder behulp van
-een andere bron, alleen door vergelijkend onderzoek en door nadenken
-eruit afgeleid kunnen worden. En ten slotte is deze perfectio S.
-Scr. niet zoo te verstaan, alsof de H. Schrift altijd dezelfde quoad
-gradum is geweest. In de verschillende tijden der kerk was de Schrift
-tot op hare voltooiing toe ongelijk van omvang. Maar in elken tijd was
-dat woord Gods, hetwelk onbeschreven of beschreven bestond, ook voor
-dien tijd voldoende. Ook de Reformatie maakte onderscheid tusschen een
-verbum ἀγραφον en ἐγγραφον, Ned. geloofsbel. art. 3. Maar Rome neemt
-beide naast elkaar aan, en houdt ze voor species van één genus; de
-Reformatie ziet in deze onderscheiding slechts één zelfde woord Gods,
-dat eerst een tijd lang onbeschreven bestond en daarna opgeteekend
-werd. Het geschil tusschen Rome en de Reformatie loopt dus alleen
-hierover, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, nog een ander woord
-Gods in onbeschreven vorm daarnaast bestaat, m. a. w. of het beschreven
-woord Gods explicite of implicite al datgene bevat, wat wij tot onze
-zaligheid te kennen noodig hebben, en dus regula totalis et adaequata
-fidei et morum is, dan wel of er daarnaast in religie en theologie
-nog een ander principium cognoscendi moet worden aangenomen. Maar zoo
-gesteld, schijnt deze vraag haast voor geen tweeërlei antwoord meer
-vatbaar te zijn. Ook de Roomsche kerk erkent, dat de Schrift voltooid
-is, dat ze een organisch geheel vormt, dat de kanon gesloten is. Hoe
-hoog zij de traditie ook schatte, zij heeft het toch in theorie nog
-niet gewaagd, om de besluiten der kerk op ééne lijn te stellen met
-de Schrift. Zij maakt nog onderscheid tusschen verbum Dei en verbum
-ecclesiae. Maar hoe kan ooit, zoolang men met het verbum Dei ernst
-maakt, de ongenoegzaamheid der Schrift worden geleerd? Kerkvaders
-dachten er niet aan en spreken duidelijk de volkomen genoegzaamheid
-der H. Schrift uit. Irenaeus, adv. haer. III praef. en cap. 1 zegt,
-dat wij de waarheid kennen door de apostelen, per quos Evangelium
-pervenit ad nos, quod quidem tunc praeconaverunt, postea vero per Dei
-voluntatem in Scripturis nobis tradiderunt fundamentum et columnam
-fidei nostrae futuram. Tertullianus, adv. Hermog. c. 22, de carne Chr.
-c. 8 bewondert de plenitudo Scripturae, en verwerpt alles quod extra
-Scripturam is. Augustinus, Sermo de Past. c. 11 getuigt: quidquid inde
-audieritis, hoc vobis bene sapiat; quidquid extra est respuite. En
-evenzoo spreken vele anderen, cf. de plaatsen verzameld door Chamier,
-Panstratia Cathol. Loc. I lib. 8 cap. 10. Daarnaast erkennen ze zeer
-zeker ook de traditie, maar ze nemen daarin juist een element op,
-dat hunne overtuiging van de genoegzaamheid der Schrift ondermijnt en
-in de latere Roomsche leer van de insufficientia S. Scr. en van de
-sufficientia traditionis geeindigd is. Beide, Schrift en traditie,
-zijn naast elkaar niet te handhaven; wat aan de eene onthouden wordt,
-wordt geschonken aan de andere. De traditie kan alleen stijgen, als
-en naarmate de Schrift daalt. Het is dan ook zeer vreemd, dat Rome
-eenerzijds de Schrift voor voltooid en den kanon voor gesloten houdt,
-ja zelfs de Schrift voor het woord Gods erkent; en toch die Schrift als
-onvoldoende beschouwt en aanvult met de traditie. Terecht zeggen vele
-Roomsche theologen tegenwoordig, dat de Schrift de niet noodzakelijke
-maar hoogstens nuttige aanvulling van de traditie is.
-
-21. Maar deze leer is met de Schrift zelve in lijnrechten strijd. Nooit
-wordt de gemeente in O. en N. T. naar iets anders verwezen dan naar
-het telkens voorhanden, hetzij dan geschreven of ongeschreven, woord
-Gods. Daarbij alleen kan de mensch geestelijk leven. In de telkens
-aanwezige Schrift vindt de gemeente al wat ze behoeft. De volgende
-Schriften onderstellen de voorafgaande, sluiten er zich bij aan en
-zijn er op gebouwd. De profeten en psalmisten onderstellen de thora.
-Jesaia roept cap. 8:20 allen tot de wet en de getuigenis. Het N. T.
-beschouwt zich als vervulling van het Oude, en wijst naar niets anders
-dan naar de bestaande Schrift terug. Sterker spreekt nog het feit, dat
-al wat buiten de Schrift ligt, zoo beslist mogelijk uitgesloten wordt.
-Tradities worden als inzettingen van menschen verworpen, Jes. 29:13;
-Mt. 15:4, 9; 1 Cor. 4:6. De overlevering, die in de dagen des O. Test.
-opkwam, heeft de Joden tot verwerping van den Christus geleid. Jezus
-stelt tegen haar zijn Ik zeg u over, Mt. 5 en sluit zich juist wederom
-tegen de Phariseën en Schriftgeleerden bij de wet en de profeten aan.
-De apostelen beroepen zich alleen op de O. T. Schrift en verwijzen de
-gemeenten nooit naar iets anders dan het woord Gods, dat door hen
-verkondigd is. In zoover de traditie in den eersten tijd niets anders
-wilde wezen, dan bewaring van hetgeen persoonlijk door de apostelen
-was geleerd en ingesteld, droeg ze ook nog geen gevaarlijk karakter.
-Maar daarvan is de Roomsche traditie ten eenenmale ontaard. Het is
-onbewijsbaar, dat er nog eenige leer of eenig gebruik van de apostelen
-afkomstig is, dan voor zoover dit uit hunne schriften kan worden
-aangetoond. De traditie bij Rome, waaruit de mis, de Mariolatrie, de
-pauselijke onfeilbaarheid enz. is voortgekomen, is niets dan de sanctie
-van den feitelijken toestand der Roomsche kerk, de rechtvaardiging van
-de superstitie, die er binnen gedrongen is.
-
-De sufficientia der H. Schrift vloeit verder ook voort uit den aard
-der N. T. bedeeling. Christus is vleesch geworden en heeft al het
-werk volbracht. Hij is de laatste en hoogste openbaring Gods. Hij heeft
-ons den Vader verklaard, Joh. 1:18, 17:4, 6. Door Hem heeft God in de
-laatste dagen tot ons gesproken, Hebr. 1:1. Hij is de hoogste, de eenige
-profeet. Zelfs het Vatic. Concilie cap. 4 erkent, dat de assistentia
-divina, aan den paus geschonken, niet bestond in revelatie en in
-openbaring van eene nieuwe leer. En Rome tracht zijne dogmata, hoe nieuw
-ook, toch altijd nog zooveel mogelijk uit de H. Schrift te betoogen, en
-voor te stellen als ontwikkeling en explicatie van wat in kiem in de
-Schrift voorhanden is, Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas S. Theol.
-II 2 qu. 1 art. 7. qu. 174 art. 6. Schwane, Dogmengeschichte I 2e Aufl.
-1892 S. 7 f. Heinrich II 23 f. Maar het wikkelt zich daardoor in geen
-geringe moeilijkheid. Want of de dogmata zijn alle in denzelfden zin als
-bv. de triniteit, de twee naturen van Christus enz. explicatie van
-momenten, die in de Schrift zijn vervat, en in dat geval is de traditie
-onnoodig en de Schrift genoegzaam; of ze zijn inderdaad nieuwe dogmata,
-die geen steun hebben in de Schrift, en dan is de assistentia divina
-van den paus wel wezenlijk eene revelatie en openbaring van nieuwe leer.
-Dit laatste moge theoretisch dan nog ontkend worden, practisch wordt
-het toch aanvaard. Daarom zijn de Roomsche theologen na de Hervorming
-over het algemeen vrijgeviger dan voor dien tijd in de erkentenis, dat
-sommige dogmata alleen in de traditie gegrond zijn. En daarom worden er
-thans argumenten voor de traditie aangevoerd, welke vroeger niet of
-althans niet in dien zin en in die mate werden gebezigd. Nu wordt de
-onvoldoendheid der Schrift en het recht der traditie daaruit bewezen,
-dat er profetische en apostolische geschriften zijn verloren gegaan, dat
-Christus niet alles aan zijne apostelen heeft geleerd, dat de apostelen
-ook mondeling veel aan de gemeenten hebben bevolen enz. Maar dat er
-geschriften zijn verloren gegaan, en of ze geinspireerd (Bellarm.
-de verbo Dei IV c. 4) waren of niet (August. de civ. 18, 38), doet
-niets ter zake. Want de vraag is alleen, of de voorhanden Schrift al
-datgene bevat, wat tot onze zaligheid te weten noodig is; en niet, of
-ze bevat al wat profeten en apostelen geschreven hebben, en Christus
-zelf gesproken en gedaan heeft. Ook al werden er nog geschriften
-van profeten en apostelen gevonden, ze zouden als Heilige Schrift
-geen dienst meer kunnen doen. En zoo staat het ook met het onderwijs
-van Jezus en de apostelen. Ze hebben meer gesproken en gedaan, dan
-ons beschreven is. Kennis daarvan ware historisch belangrijk; maar
-is religieus onnoodig. Wij hebben voor onze zaligheid aan de Schrift
-genoeg, en hebben geen enkel ander geschrift, al was het van Jezus zelf
-afkomstig, meer noodig. Dat was de leer der Hervorming. Quantitatief is
-de openbaring veel rijker en grooter geweest, dan de Schrift ons bewaard
-heeft, maar qualitatief, substantieel is de H. Schrift voor onze
-zaligheid volkomen genoegzaam. Rome kan dan ook geen andere dogmata
-noemen dan die van de Mariolatrie, de onfeilbaarheid van den paus en
-dergelijke, welke buiten de Schrift om uit de traditie zijn opgekomen;
-maar al die, welke betrekking hebben op God, den mensch, Christus, de
-zaligheid enz. zijn ook volgens Rome in de Schrift zelve te vinden. Wat
-hebben we dan nog getuigen van noode. De Roomsche traditie dient alleen
-om de specifiek Roomsche dogmata te bewijzen, maar de christelijke, de
-katholieke dogmata zijn, volgens Rome zelf, alle in de Schrift gegrond.
-Ook dit feit toont aan, dat de Schrift voldoende is, en dat de aard
-der N. T. bedeeling deze sufficientia S. Scr. meebrengt en eischt.
-Christus heeft alles ten volle of persoonlijk en mondeling of ook door
-zijnen Geest aan de apostelen geopenbaard. Door hun woord gelooven we
-in Christus en hebben we gemeenschap met God, Joh. 17:20; 1 Joh. 1:3.
-De H. Geest openbaart geen nieuwe leer meer, Hij neemt het alles uit
-Christus, Joh. 16:14. In Christus is de openbaring Gods voltooid. En
-evenzoo is het woord der zaligheid in de Schrift volkomen begrepen.
-Zij vormt één geheel, zij maakt zelve den indruk van een organisme, dat
-zijn vollen wasdom heeft bereikt. Ze eindigt, waar ze begint. Ze is
-een cirkel, die in zichzelven wederkeert. Ze begint met de schepping,
-ze eindigt met de herschepping van hemel en aarde. De kanon van O. en
-N. T. werd eerst gesloten, toen alle nieuwe Ansätze der heilshistorie
-aanwezig waren, Hofmann, Weissagung u. Erfüllung I 47. De H. Geest
-heeft geen andere taak in deze bedeeling, dan om het werk van Christus
-toe te passen en evenzoo het woord van Christus uit te leggen. Hij
-voegt aan beide niets nieuws toe. Het werk van Christus behoeft niet
-aangevuld te worden door de goede werken der geloovigen; het woord
-van Christus behoeft niet aangevuld te worden door de traditie der
-kerk; Christus zelf behoeft niet opgevolgd en vervangen te worden
-door den paus. De Roomsche leer van de traditie is de loochening van
-de volkomene vleeschwording Gods in Christus, van de algenoegzaamheid
-zijner offerande, van de volmaaktheid van zijn woord. De geschiedenis
-der Roomsche kerk toont ons het langzaam voortgaand proces, hoe een
-valsch beginsel zich indringt en eerst nog onder Christus en zijn woord
-zich stelt, dan daarnaast zich plaatst, straks daarboven zich verheft,
-om te eindigen in eene volledige remplaceering van de Schrift door
-de traditie, van Christus door den paus, van de gemeente door het
-instituut. De ontwikkeling is zeker nog niet ten einde. Het schijnt
-eene anomalie, dat de paus, die langzamerhand boven Schrift, kerk,
-concilie, traditie zich verhief, door feilbare menschen, al zijn zij ook
-kardinalen, wordt benoemd. Wie kan beter, dan hij, die zelf onfeilbaar
-is, zijn opvolger aanwijzen? Zoo is het best mogelijk, dat de pauselijke
-souvereiniteit in de toekomst zal blijken onvereenigbaar te zijn met de
-macht der kardinalen. In elk geval is de weg van de deificatie van den
-mensch door Rome nog niet ten einde toe afgeloopen.
-
-22. Toch wordt met dit al het goede en ware niet miskend, dat in de
-leer der traditie ligt opgesloten. Het woord traditie heeft nog een
-ruimer zin, dan die er door Rome aan gegeven wordt. Rome verstaat
-er onder eene leer, die door de apostelen is overgeleverd, door de
-bisschoppen, bepaaldelijk door den paus wordt bewaard en door dezen
-wordt vastgesteld en afgekondigd; maar deze opvatting bleek onhoudbaar.
-Traditie kan echter ook verstaan worden van heel dat religieuse leven,
-denken, gevoelen, handelen, hetwelk in iedere godsdienstige gemeenschap
-wordt aangetroffen en in allerlei vormen, zeden, gewoonten, gebruiken,
-religieuse taal en litteratuur, confessie en liturgie enz. zijne uiting
-vindt. In dezen zin is er traditie in elken godsdienst. Zelfs kan het
-begrip nog verder worden uitgebreid tot al die rijke en veelsoortige
-banden, die de volgende geslachten verbinden aan de voorafgaande. In
-dezen zin is er geen gezin, geen geslacht, geen maatschappij, geen
-volk, geen kunst, geen wetenschap enz. zonder traditie bestaanbaar.
-De traditie is het middel, waardoor alle schatten en goederen van de
-voorgeslachten naar het heden en de toekomst worden overgebracht.
-Tegenover het individualisme en atomisme der vroegere eeuw hebben de
-Bonald, Lamennais e. a. en Bilderdijk ten onzent de beteekenis van de
-gemeenschap, de autoriteit, de taal, de traditie enz. wederom in het
-helderste licht geplaatst. Zulk eene traditie is er zeer zeker ook
-in de religie en in de kerk. Reeds de algemeenheid wijst er op, dat
-wij hier niet met een toevallig verschijnsel te doen hebben. Traditie
-vinden we niet alleen in de Roomsche kerk maar ook bij de Joden, de
-Mohammedanen, de Buddhisten enz. In de hoogere godsdiensten komt
-er nog eene reden bij voor de noodzakelijkheid der traditie. Zij zijn
-alle gebonden aan eene heilige schrift, die in een bepaalden tijd is
-ontstaan en in dien zin hoe langer hoe verder komt af te staan van het
-thans levend geslacht. Ook de Bijbel is een boek, in lang vervlogen
-eeuwen en onder allerlei historische omstandigheden geschreven. De
-verschillende boeken des Bijbels dragen het karakter van den tijd, waarin
-zij ontstonden. Hoe duidelijk de Schrift dan ook moge zijn in de leer der
-zaligheid en hoezeer zij is en blijft de viva vox Dei, cf. boven bl. 305,
-zij vereischt tot recht verstand toch menigmaal allerlei historische,
-archaeologische, geographische kennis. De tijden zijn veranderd, en
-met de tijden de menschen, hun leven en denken en gevoelen. Daarom
-is er eene traditie noodig, om den samenhang te bewaren tusschen de
-Schrift en het religieuse leven van dezen tijd. Traditie in goeden zin
-is de vertolking en toepassing van de eeuwige waarheid in de sprake
-en het leven van het tegenwoordig geslacht. Eene Schrift zonder zulk
-eene traditie is onmogelijk. Vele secten in vroeger en later tijd
-hebben dit wel beproefd. Zij wilden van niets weten dan de woorden en
-letters der Schrift; verwierpen alle dogmatische terminologie, die
-niet in de Schrift werd gebruikt; keurden alle theologische opleiding
-en wetenschap af, en kwamen er soms toe om letterlijke toepassing te
-eischen van de burgerlijke wetten onder Israel en van de voorschriften
-der bergrede. Maar al deze richtingen veroordeelden daarmede zichzelve
-tot een wissen ondergang of althans tot een kwijnend leven. Ze plaatsen
-zich buiten de maatschappij en derven allen invloed op haar volk en haar
-eeuw. De Schrift is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat
-te worden maar om in het volle rijke menschenleven integaan en het te
-vormen, te leiden en tot zelfstandige werkzaamheid te brengen op ieder
-terrein. De Hervorming plaatste zich dan ook op een ander standpunt.
-Zij verwierp niet alle traditie als zoodanig, zij was reformatie, geen
-revolutie. Zij trachtte niet alles nieuw te scheppen, maar wel alles
-van dwaling en misbruik te reinigen naar den regel van Gods woord.
-Daarom bleef ze staan op den breeden christelijken grondslag van het
-apostolisch symbool en de eerste conciliën. Daarom was ze voor eene
-theologische wetenschap, die de waarheid der Schrift denkend vertolkte
-in de taal van het heden. Het verschil in de opvatting der traditie
-tusschen Rome en de Hervorming bestaat hierin: Rome wil eene traditie,
-die zelfstandig loopt naast de Schrift, eene traditio juxta Scripturam
-of liever nog eene Scriptura juxta traditionem. De Hervorming erkent
-alleen zulk eene traditie, die gegrond is op en voortvloeit uit de
-Schrift, traditio e Scriptura fluens, Moor, Comm. in Marckii Comp.
-I 351. De Schrift was naar de gedachte der Reformatie een organisch
-beginsel, waar heel de traditie, voortlevende in prediking, belijdenis,
-liturgie, cultus, theologie, religieuse litteratuur enz. uit opwast en
-gevoed wordt; eene zuivere bron van levend water, waar alle beekjes
-en kanalen van het religieuse leven uit gevoed en onderhouden worden.
-Zulk eene traditie is in de Schrift zelve gegrond. Als Jezus zijn werk
-heeft volbracht, zendt Hij den H. Geest, die wel niets nieuws aan de
-openbaring toevoegt, maar toch de gemeente inleidt in de waarheid, Joh.
-16 vs. 12-15, totdat zij door alle verscheidenheid heen komt tot de
-eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, Ef. 3 vs. 18,
-19, 4:13. In dezen zin is er eene goede, ware, heerlijke traditie. Zij
-is de weg, waarlangs de H. Geest de waarheid der Schrift doet overgaan
-in het bewustzijn en leven der gemeente. De Schrift is immers maar
-middel, geen doel. Doel is, dat de kerk, onderwezen uit de Schrift,
-vrij en zelfstandig de deugden verkondige Desgenen, die haar geroepen
-heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum
-is instrument, het verbum internum is doel. De Schrift heeft hare
-bestemming bereikt, als allen door den Heere geleerd en met den H.
-Geest vervuld zullen zijn.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-Principium internum.
-
-
-§ 13. BETEEKENIS VAN HET PRINCIPIUM INTERNUM.
-
-1. Aan het principium externum, dat in het vorige hoofdstuk besproken
-werd, moet in den mensch zelf een principium internum beantwoorden.
-Door Herbert Spencer, Principles of psychology § 120 wordt het leven
-omschreven als the continuous adjustment of internal relations to
-external relations; en inderdaad berust alle leven bij den mensch op
-eene wederkeerige correspondentie van subject en object. De mensch
-is in elk opzicht afhankelijk van de wereld buiten hem; hij is op geen
-enkel gebied autonoom, hij leeft van gegeven d. i. van genade. Maar
-wederkeerig is hij op heel die wereld buiten hem aangelegd, hij staat
-door allerlei relatiën met haar in verband. Zijn lichaam is uit het
-stof der aarde genomen, uit dezelfde elementen samengesteld als andere
-lichamen, en daarom aan de physische wereld verwant. Zijn vegetatief
-leven wordt uit de aarde gevoed; voedsel, deksel en kleeding wordt hem
-door de natuur geschonken; licht en lucht, wisseling van dag en nacht
-heeft hij noodig voor zijn lichamelijk leven; hij is een mikrokosmos,
-aardsch uit de aarde. Als anima sensitiva ontving hij in de zintuigen
-organen, waardoor hij de wereld buiten zich in hare verschillende
-verhoudingen gewaarworden en zich voorstellen kan. Door den logos,
-die in hem is, verheft hij zich tot de wereld der intelligibile dingen
-en spoort hij den logos op, die in het zienlijke zich belichaamd heeft.
-En evenzoo staat de mensch religieus en ethisch met eene waarachtige
-wereld van ideale en geestelijke goederen in verband en heeft hij eene
-facultas ontvangen, om deze wereld gewaar te worden en te kennen.
-Het onderzoek naar het wezen der religie leidde ons vroeger reeds bl.
-177, 212, tot een zekeren godsdienstigen aanleg in den mensch, tot
-eene vatbaarheid van zijne natuur, om het goddelijke gewaar te worden.
-De Schrift drukt dit alzoo uit, dat de mensch naar Gods beeld is
-geschapen, dat hij zijn geslacht is en dat hij in den νους een orgaan
-bezit, om Gods openbaring in zijne schepping op te merken. Religie
-onderstelt, dat de mensch Gode verwant is.
-
-Maar deze religieuse vatbaarheid moge eigen zijn aan de menschelijke
-natuur, zij is toch eene abstractie en komt in de werkelijkheid nooit
-zuiver en zonder inhoud voor. Welke rijke aanleg er voor wetenschap
-of kunst ook in een kind verscholen moge zijn, het wordt toch in
-een toestand van hulpeloosheid geboren. Het hangt af van de genade
-zijner omgeving. Spijze en drank, deksel en kleeding, voorstellingen
-en begrippen, gewaarwordingen en begeerten ontvangen wij van den
-kring, waarin wij geboren en opgevoed worden. Ook de religie wordt ons
-ingeprent door onze ouders en verzorgers. Het is met den godsdienst
-als met de taal. Het spraakvermogen brengen we bij de geboorte mede;
-maar de taal, waarin wij later onze gedachten zullen uitdrukken, wordt
-ons geschonken door de omgeving. Schopenhauer, Die Welt als Wille und
-Vorstellung, 6e Aufl. II 181, maakt daarom de juiste opmerking, dat de
-godsdiensten boven de wijsgeerige stelsels een groot voorrecht genieten,
-wijl zij den kinderen van der jeugd aan ingeprent worden. De religie
-groeit van kindsbeen af samen met het innigste en teederste leven en
-is mede daarom schier onuitroeibaar. De regel is, dat iemand sterft in
-den godsdienst, in welken hij geboren werd. De Mohammedaan, de Christen,
-de Roomsche, de Protestant blijven gemeenlijk tot hun dood toe aan den
-godsdienst hunner jeugd en hunner ouders getrouw. Behalve in tijden van
-godsdienstige krisis, zooals bij de opkomst van het Christendom, het
-Mohammedanisme, de Reformatie, zijn bekeeringen zeldzaam; verandering
-van godsdienst is uitzondering, geen regel. Zelfs leven en sterven de
-meeste menschen, zonder ooit door ernstigen twijfel in hun godsdienstig
-geloof te worden geschokt. De vraag, waarom ze gelooven aan de waarheid
-der godsdienstige voorstellingen, in welke zij opgevoed zijn, komt in de
-gedachte niet op. Zij gelooven, vinden meer of minder bevrediging in
-hun geloof en denken over de gronden, waarop hun overtuiging rust,
-niet na. Als het geloof krachtig is, is er voor zulk een onderzoek
-naar de gronden des geloofs geen plaats. Wie honger heeft, onderzoekt
-niet eerst naar de wijze, waarop het brood bereid is, dat hem voorgezet
-wordt. Primum vivere, deinde philosophari. Er is groot verschil
-tusschen het leven en de reflectie. Het is geen bewijs van rijkdom maar
-van armoede des godsdienstigen levens, als aan de formeele kwestiën
-de meeste aandacht wordt gewijd. Als de philosophische denkkracht
-uitgeput is, werpt men zich op de geschiedenis der philosophie. Als
-men niet meer leeft in de belijdenis der kerk, wordt haar oorsprong en
-geschiedenis onderzocht. En als het geloof zijn kracht en vertrouwen
-verliest, wordt een onderzoek ingesteld naar de gronden, waarop het
-rust.
-
-2. Toch heeft zoodanig onderzoek zijne goede en nuttige zijde. Kant heeft
-heel de philosophie omgekeerd in eene kritiek van het kenvermogen. En
-niemand zal de onderzoekingen minachten, die sedert aan den aard en de
-zekerheid onzer kennis zijn gewijd. Maar toch wordt te hoog gespannen
-verwachting hier altijd door teleurstelling gevolgd. De problemen zijn
-hier zoo ingewikkeld, dat oplossing onbereikbaar schijnt. Alle pogingen,
-om in deze vraag tot een bevredigend antwoord te komen, worden door
-ernstige bezwaren gedrukt. Soms gaan er stemmen op, die van verder
-onderzoek afmanen, wijl het volkomen nutteloos is. Op de wetenschap
-zelve hebben deze formeele kwestiën toch geen invloed. Of men idealist
-of empirist, realist of nominalist zij, er is toch geen wetenschap
-te verkrijgen dan langs den weg van waarneming en denken. Ook in de
-theologie en de religie is er reden, om voor overdreven verwachtingen
-te waarschuwen. De Erkenntnisstheorie vergoedt het geloof niet; de pars
-formalis van de dogmatiek kan de pars materialis niet vervangen. Zelfs
-is het onderzoek naar de gronden des geloofs nog veel moeilijker dan dat
-naar de gronden van het weten. Vooreerst is het voor de geloovigen in
-het algemeen ondoenlijk, om in wetenschappelijken zin zich rekenschap te
-geven van de redenen, waarom zij gelooven. Hun leven uit het geloof is
-voor hen zelf bewijs genoeg van de waarheid en waarde van dat geloof.
-Wie honger heeft en eet, ondervindt daardoor vanzelf de voedende kracht
-van het brood en heeft aan onderzoek naar zijn chemische bestanddeelen
-geen behoefte. Voorts is het ook zelfs voor wetenschappelijke theologen
-een overdreven eisch, dat zij vooraf het wetenschappelijk recht moeten
-bewijzen van de Erkenntnisstheorie, waarvan zij uitgaan, voordat zij een
-aanvang mogen maken met den theologischen arbeid, A. Ritschl, Theologie
-und Metaphysik 1881 S. 38. Een theoloog is toch geen philosoof. Al is
-wijsgeerige vorming voor den godgeleerde onmisbaar, hij behoeft toch niet
-eerst alle wijsgeerige Erkenntnisstheorieën onderzocht te hebben, eer
-hij als theoloog optreden kan. De theologie brengt haar eigen kenleer
-mede en is wel van de philosophie maar niet van eenig philosophisch
-stelsel afhankelijk. En eindelijk ligt het voorwerp van het onderzoek
-hier zoo diep in het zieleleven verborgen en is zoo innig saamgeweven
-met de fijnste en teederste roerselen van het menschelijk hart, dat het
-schier geheel aan onze eigene en veel meer nog aan anderer waarneming
-ontsnapt. De religie wortelt dieper in de menschelijke natuur dan
-eenige andere kracht. Voor haar heeft de mensch alles over, zijn geld
-en zijn goed, zijn vrouw en zijn kind, zijn naam, zijn eer, zijn leven.
-Alleen de religie heeft bloedgetuigen, martelaars. Haar behoudende,
-kan de mensch alles verliezen, met haar behoudt hij toch zichzelven.
-Maar haar verloochenend, gaat hij zelf verloren. Wie zal dan van dit
-leven, dat met het leven des menschen zelf één is, den wortel kunnen
-naspeuren? Wie zal den grond kunnen blootleggen, waarop het gelooven
-rust? Het geloof zelf is reeds zulk eene wondere en geheimzinnige
-kracht. Wij omschrijven het door kennen, toestemmen, vertrouwen enz.
-maar gevoelen terstond de zwakheid dezer bepaling, en hebben na lange
-redeneering ten slotte nog niets of zeer weinig gezegd. De vraag: hoe
-en waarom weet ik, is zoo moeilijk, dat alle wijsgeerige denkkracht het
-antwoord nog niet heeft gevonden. Maar nog moeilijker is de vraag: hoe
-en waarom geloof ik? Zij is voor onszelven een raadsel, want wij kunnen
-niet afdalen in de diepten van ons eigen gemoed en niet doordringen
-met onzen blik in het duister, dat achter ons bewustzijn ligt. En voor
-anderen is zij nog grooter verborgenheid. Want voor onszelven gelden
-als gronden des geloofs nog allerlei stemmingen en aandoeningen,
-overleggingen en gezindheden, die met het geloof gepaard gaan en ons
-onlosmakelijk vasthechten aan het voorwerp onzes geloofs. Maar aan
-anderen kunnen wij deze niet meedeelen; ze zijn voor geen openbaring
-bestemd en voor geen meedeeling vatbaar. Als wij het soms beproeven,
-verliezen zij onder de meedeeling heur kracht en waardij; wij gevoelen
-er onszelf het minst door bevredigd. En dikwerf is het einde, dat wat
-als grond werd aangegeven, den toets niet kan doorstaan en blijkt geen
-grond te zijn. Desniettemin houdt het geloof trots alle redeneering zich
-staande en spreekt: ik kan niet anders, God helpe mij, amen.
-
-3. Daarom baart het geen verwondering, dat de gronden voor het
-godsdienstig en zoo ook voor het christelijk geloof zeer verschillend
-worden opgegeven. Op de vraag: hoe iemand tot het geloof komt en waarom
-hij gelooft, loopen de antwoorden zeer verre uiteen. Sommigen zijn van
-oordeel, dat de mensch in zichzelf, in zijn eigen natuur, de genoegzame
-gegevens bezit, om eene religieuse voorstelling, de openbaring, de
-Schrift te onderkennen, te beoordeelen en aan te nemen. Het orgaan voor
-de beoordeeling en aanneming der openbaring wordt beurtelings gezocht
-in het verstand; het geloof rust dan op historisch-apologetische
-gronden. Of de rede wordt als zulk een orgaan aangegeven; het geloof
-wordt dan gebouwd op speculatieve redeneering. Of ook wordt het
-geweten, het gemoed, het hart als orgaan voor het goddelijke beschouwd;
-het geloof is dan gebaseerd op ethisch-practische motieven. Maar altijd
-wordt bij deze richtingen een mensch ondersteld, die misschien wel op de
-eene of andere wijze voor de openbaring is voorbereid, maar die toch nog
-feitelijk buiten het geloof staat en voor wien nu de openbaring langs
-verstandelijken of zedelijken weg moet worden gerechtvaardigd.
-
-Het volgend onderzoek zal leeren, dat deze gronden onvoldoende zijn
-en dat het standpunt, door deze richtingen ingenomen, niet aanvaard
-kan worden. Maar reeds apriori laat zich het ongenoegzame van deze
-verschillende methoden inzien. De religie toch is een zelfstandige
-grootheid; zij is van wetenschap, kunst, zedelijkheid wezenlijk
-onderscheiden. Zij heeft een eigen principium cognoscendi externum,
-n.l. de openbaring, en eischt daarom ook een eigen principium
-cognoscendi internum. Gelijk het oog beantwoordt aan het licht, het
-oor aan de klank, de logos in ons aan den logos buiten ons, zoo moet
-aan de objectieve openbaring een subjectief orgaan in den mensch
-correspondeeren. De religieuse vatbaarheid in het algemeen, het semen
-religionis, de νους kan daarvoor niet in aanmerking komen. Want
-vooreerst komt deze nooit en nergens in zuiveren toestand en zonder
-inhoud voor. Altijd is ze van het eerste ontwaken af in een historischen
-godsdienst ingegroeid en daarnaar geaccommodeerd. Maar vervolgens gaat
-de openbaring in de Schrift uit van de onderstelling, dat de mensch
-ook in deze zijne religieuse gezindheid verdorven is en herschepping
-behoeft. Zij zou daarom zichzelve vernietigen, als zij in den psychischen
-mensch haar competenten rechter erkende. Zij plaatst zich tegenover
-dezen in eene gansch andere verhouding. Zij stelt zich niet beneden hem
-en onderwerpt zich niet aan zijn oordeel, maar staat hoog boven hem en
-vraagt niets dan geloof en gehoorzaamheid. Zelfs verklaart de Schrift
-uitdrukkelijk, dat de psychische mensch de dingen des Geestes Gods
-niet verstaat, dat ze dwaasheid voor hem zijn, dat hij ze in vijandschap
-verwerpt en miskent. De openbaring Gods in Christus vraagt geen steun,
-geen rechtvaardiging bij menschen. Zij poneert en handhaaft zichzelve
-in hooge majesteit. Haar auctoritas is normativa maar ook causativa.
-Zij strijdt voor haar eigen triumf. Zij verovert zichzelve de harten. Zij
-maakt zichzelve onwederstandelijk. Daarom valt de openbaring in twee
-groote bedeelingen uiteen. Als de oeconomie des Zoons, der objectieve
-openbaring, is geëindigd, treedt die des Geestes in. Ook van deze
-subjectieve openbaring is God de auteur. Van Hem gaat de actie uit.
-Hij is de eerste en de laatste. De mensch komt niet tot de openbaring
-en zoekt God niet. God zoekt den mensch. Hij zoekt hem in den Zoon,
-Hij zoekt hem ook in den Geest. Als God in de laatste dagen tot ons
-gesproken heeft door den Zoon, dan komt de H. Geest, die het bij de
-wereld voor Christus opneemt, zijn zaak bepleit, zijn woord verdedigt
-en de harten der menschen tot gehoorzaamheid neigt. De H. Geest is
-de groote, machtige Getuige van Christus, objectief in de Schrift,
-subjectief in ’s menschen eigen geest. In dien Geest ontvangt de mensch
-een adaequaat orgaan voor de uitwendige openbaring. God kan alleen door
-God worden gekend; in zijn licht kan alleen het licht worden gezien.
-Niemand kent den Vader, dan wien het de Zoon wil openbaren, en niemand
-kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door den H. Geest. God is dus het
-principium essendi van religie en theologie; de objectieve openbaring
-in Christus, neergelegd in de Schrift, is haar principium cognoscendi
-externum; en de H. Geest, die in de gemeente is uitgestort, haar
-wederbaart en leidt in de waarheid, is haar principium cognoscendi
-internum. In deze getuigenis des H. Geestes sluit de openbaring zich
-af en bereikt zij haar doel. Want het is het welbehagen Gods, om de
-menschheid te herscheppen naar zijn beeld en gelijkenis. Objectieve
-openbaring is dus niet genoeg; deze moet zich voortzetten en voltooien
-in de subjectieve openbaring. Ja, gene is slechts middel, deze is doel.
-Het principium externum is instrumentale; het principium internum is
-het principium formale en principale, bl. 143.
-
-Daarom deed de christelijke kerk ten allen tijde belijdenis van het
-testimonium Spiritus Sancti. God is de auteur der uitwendige
-openbaring; maar Hij is het ook, die de gemeente verkiest, de kerk
-sticht en in haar van Christus getuigt. De Schrift is zijn woord, de
-gemeente is zijn tempel. In zoover is er eenstemmigheid in de belijdenis
-van alle kerken aangaande het testimonium Spiritus Sancti. Niet de
-natuurlijke maar alleen de geestelijke mensch weet de dingen, die hem
-van God geschonken zijn, 1 Cor. 2:12 v. Maar overigens is er toch
-groot verschil over deze getuigenis des H. Geestes, vooral tusschen
-de Roomsche kerk en de kerken der Hervorming. Volgens Rome toch is
-de Schrift gegeven aan de kerk, en wel aan de kerk als instituut, en
-eerst door deze heen aan de geloovigen. De kerk ontvangt, bewaart,
-authoriseert, verklaart de H. Schrift. Alle openbaring Gods aan de
-geloovigen is door het instituut der kerk bemiddeld. Altijd staat de
-kerk tusschen God en de geloovigen in. De kerk is middelares, medium
-gratiae, principium externum. Zij is de tempel des H. Geestes. Het
-testimonium Spiritus Sancti uit zich bij Rome alleen door de kerk als
-instituut, door de ecclesia docens, door het magisterium, door den
-paus. Maar volgens de Hervorming is de openbaring, de Schrift, gegeven,
-ja ook aan de kerk, maar aan de kerk als organisme, aan de gemeente,
-aan de geloovigen. Zij zijn de tempel des H. Geestes. Het testimonium
-Spiritus Sancti is het eigendom van alle geloovigen. Waar twee of
-drie in Jezus’ naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. Bij Rome is
-het instituut het wezen der kerk; volgens de Hervorming is dit een
-tijdelijk hulpmiddel, maar het wezen der kerk ligt in de vergadering der
-geloovigen. Deze is de woning Gods, het lichaam van Christus, de tempel
-des H. Geestes.
-
-
-§ 14. DE HISTORISCH-APOLOGETISCHE METHODE.
-
-1. Nauwelijks was het Christendom in de Grieksch-romeinsche wereld
-ingedrongen, of het zag zich geroepen tot een ernstigen strijd. Joden
-en Heidenen vielen het aan en brachten er allerlei bezwaren tegen in.
-Toen stonden in de 2e eeuw de Apologeten op, die deze aanvallen zochten
-af te slaan en het Christendom trachtten te verdedigen. Justinus
-Martyr, Dialogus c. Tryphone, Tertullianus, adv. Judaeos, en Eusebius,
-Demonstratio evangelica schreven tegen de Joden. Veel grooter was het
-aantal apologetische geschriften tegen de Heidenen. De voornaamste zijn
-Justinus Martyr, Apologia maior en minor; Tatianus, Orat. adv. Graecos;
-Athenagoras, Legatio sive supplicatio pro Christianis; Theophilus, ad
-Autolycum; Clemens Alex., Coh. ad gentes; Origenes, contra Celsum;
-Tertullianus, Apologeticus en Ad nationes; Arnobius, Disput. adv.
-gentes; Minucius Felix, Octavius; Eusebius, Praeparatio evangelica;
-Athanasius, Orat. adv. gentes; Cyrillus, adv. impium Julianum;
-Augustinus, de civ. Dei. In deze werken worden voor de waarheid van het
-Christendom de volgende argumenten aangevoerd: a) het is veiliger, van
-twee onzekere dingen datgene te gelooven, quod aliquas spes ferat quam
-omnino quod nullas, Arnobius, adv. gentes II 4; b) de overeenstemming
-van het Christendom met het beste en schoonste, met de σπερματα
-ἀληθειας, welke ook onder de Heidenen nog door de inwerking van den
-Logos gevonden worden, Athenag. Leg. 6. Justinus, Apol. maior 20 sq.
-Minucius, Octav. 19, 20; c) de voortreffelijkheid van het Christendom
-boven de heidensche godsdiensten, zoodat iedere menschelijke ziel
-daaraan onwilkeurig getuigenis moet geven, Justinus, Apol. min. 10.
-Tertull. de testim. an. 1. Arnobius, adv. gentes II 2; d) de zedelijke
-invloed van het Christendom op leer en leven, zoodat de gruwelijke
-zonden van afgoderij, tooverij, haat, gierigheid, wreedheid enz. er door
-verdwenen zijn, Epist. ad Diognetum 5. Justinus, Apol. maior 14. Athen.,
-Leg. 11. Orig., c. Cels. I 26. Arnob., adv. gentes I 63. Lactant.,
-Instit. div. III 16. Euseb., Praep. evang. I 4; e) de standvastigheid
-der martelaars, Just. M., Apol. II 12, en de heiligheid der asceten,
-Just., Apol. I 15. Athen., Leg. 33, 34. Euseb., Dem. Evang. III 6; f)
-de voorspellingen en hare vervulling, Just., Dial. c. Tryph. 7, 8.
-Just., Apol. I 31. Orig., c. Cels. I 2; g) de wonderen, niet alleen
-in den vroegeren maar ook in den tegenwoordigen tijd, Just., Dial. c.
-Tryph. 39, 82, 88. Iren., adv. haer. II 31, 32. Tertull., Apol. 23.
-Orig., c. Cels. III 24; h) het heilig karakter en leven van Jezus en
-de apostelen, Arnob., adv. gentes I 63. Euseb., Dem. evang. III 3,
-5; i) het getuigenis der Schrift, de overeenstemming der Schriften
-onderling, de eenvoudige taal, de goddelijke inhoud, die door geen
-menschelijke rede kon worden voortgebracht, Just. M., Coh. ad Graec. 8.
-Orig., de princ. IV 1, benevens de wonderbare oorsprong, bewaring en
-verbreiding der Schrift, Tertull., Apol. 19; en eindelijk nog j) het
-getuigenis der traditie en der kerk, Iren., adv. haer. I 10, III 3.
-Tertull., de praescr. 20. Cypr., de unitate eccles. August., de civ.
-dei enz. Cf. Münscher-v. Coelln, Lehrb. der christl. Dogm. Gesch. I
-1832 S. 103 f. Hagenbach, Dogm. Gesch. § 29 f. Harnack, Dogm. Gesch.
-I² 413 f. Deze argumenten hebben sedert in de christelijke theologie
-algemeen burgerrecht verkregen. De inhoud der bovennatuurlijke waarheden
-was voor de rede onbegrijpelijk, Thomas S. Theol. I qu. 32 art. 1, S. c.
-Gent. I c. 9. Des te meer kwam het er dan op aan om te bewijzen, dat
-God zich geopenbaard had. Al de bewijzen, die daarvoor konden worden
-bijgebracht, werden onder den naam van rationes inductivae of motiva
-credibilitatis samengevat, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 9 ad
-3, art. 10. Duns Scotus, Prol. Sentent. qu. 2. Ludovicus Vives, de
-veritate fidei christ. 1543. Cf. Frohschammer, Die Philosophie des
-Thomas v. Aquino, Leipzig 1889 S. 130 f. Na de Hervorming werd vooral
-het argument, ontleend aan de kerk, nader ontwikkeld. De kerk werd toen
-bij Rome hoe langer hoe meer fundamentum et regula fidei. Augustinus
-had al gezegd, dat hij door de kerk bewogen werd om aan de Schrift
-te gelooven. De Roomschen na de Hervorming maakten de kerk tot den
-sterksten grond voor het geloof aan de Schrift, aan de openbaring. De
-motiva credibilitatis werden dikwerf in drie soorten verdeeld, Becanus,
-Theol. Schol. Tom. II pars. II tract. 1 cap. 6. Mogunt. 1623 p. 93, in
-zulke, die gelden tegenover Joden en Heidenen; in andere, die vooral
-voor de Roomschen zelven beteekenis hebben; en in eene derde groep,
-die tegenover de ketters van kracht zijn. Tot deze laatste behoort
-nu vooral de kerk met hare 15 notae, gelijk ze door Bellarminus, de
-Conciliis et Ecclesia, Lib. IV worden opgeteld. Wat de Hervormers
-van de Schrift zeiden, wordt op de kerk toegepast. Zij is als de zon,
-die hare stralen verspreidt en gemakkelijk bij haar eigen licht kan
-worden gekend. Onder de bewijzen voor de openbaring neemt de kerk de
-eerste en de hoogste plaats in; zij is van alle het krachtigste motief
-tot geloof. Het Conc. Vatic. Sess. III cap. 3 de fide verklaarde: ad
-solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem
-fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt
-disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem
-propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis
-foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabililatem, magnum
-quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae
-legationis testimonium irrefragabile. De waarde van al deze bewijzen,
-ook van dat der kerk, bestaat daarin, dat zij de geloofwaardigheid der
-openbaring kunnen aantoonen. Zij zijn in staat, om eene fides humana
-voorttebrengen en de redelijkheid van het gelooven te bewijzen. Zij maken
-de waarheid der openbaring in zulk eene mate en tot zulk eene hoogte
-duidelijk, dat alle redelijke twijfel is uitgesloten. Als er van de zijde
-des menschen geen zondige zelfzucht en geen vijandschap des harten in
-het spel kwam, dan zouden die motieven krachtig genoeg zijn, om tot het
-geloof aan de openbaring te bewegen. Zij maken de openbaring wel niet
-evidenter veram, want als dat het geval ware, dan zou er geen geloof
-meer noodig zijn en zou het geloof ook alle verdienste missen; maar toch
-wel evidenter credibilem, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 4 ad 2, 4,
-art. 5 ad 2, qu. 2 art. 1 ad 1. Bellarm., de Conc. et Eccl. IV cap. 3.
-Billuart, Summa S. Thomae hodiernis acad. moribus accommodata, VIII p.
-25 sq. P. Dens, Theologia ad usum seminariorum II 275 sq. De Roomsche
-theologen nemen dan ook gewoonlijk al die argumenten der apologetiek
-in de dogmatiek op en behandelen ze breedvoerig, Perrone, Prael.
-Theol. I. Jansen, Prael. Theol. I 117 sq. Hake, Handbuch der allgem.
-Religionswissenschaft, Freiburg 1887 II 1 f. Heinrich, Dogm. I 279 f.
-Liebermann, Dogm. I p. 33 sq. enz. Zelfs gingen sommigen zoover, dat zij
-deze bewijzen ook voor den ongeloovige voldoende achtten, Billuart, I
-p. 28, 29. Dens, II 292. Maar de meesten erkenden, dat al deze bewijzen
-toch maar motieven waren en dat zij niet den laatsten en diepsten
-grond des geloofs uitmaakten. Dat kon alleen de autoriteit Gods zijn,
-Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad 3 en art. 10. S. c. Gent. I c.
-9. Billuart VIII p. 1 sq. Becanus ib. p. 3-17. Dens, II 280 sq. Jansen,
-Prael. Theol. I 701-706. En dat geloof aan de openbaring op grond van
-Gods gezag komt niet tot stand door die bewijzen maar door een auxilium
-dei, een instinctus interior, die den wil tot het geloof beweegt,
-Thomas II 1 qu. 109 art, 6, qu. 112 art. 2 en 3, qu. 113 art. 4. Het
-Conc. Vatic. sess. III cap. 3 de fide, erkende evenzoo eenerzijds,
-dat het geloof was een virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et
-adjuvante gratia ab eo revelata vera esse credimus, non propter
-intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam,
-sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis. Maar andererzijds
-hechtte het toch groote waarde aan de apologetische argumenten en
-voegde er daarom aanstonds bij: ut nihilominus fidei nostrae obsequium
-rationi consentaneum esset, voluit Deus cum internis Spiritus Sancti
-auxiliis externa jungi revelationis suae argumenta..... quae....
-divinae revelationis signa sunt certissima et omnium intelligentiae
-accommodata. Het veroordeelde zelfs in canon 3, 3 dengene, die zeide,
-revelationem divinam externis signis credibilem fieri non posse,
-ideoque sola interna cujusque experientia aut inspiratione privata
-homines ad fidem moveri debere. Deze waardeering der apologetiek hangt
-bij Rome weer met geheel het stelsel saam. De bovennatuurlijke openbaring
-is opgetrokken op den grondslag der natuurlijke. Gene wordt alleen
-successief en bij trappen bereikt. De mensch in puris naturalibus komt
-eerst door bewijzen tot de theologia naturalis. Deze is praeambula
-fidei. Hier is zelfs wetenschap mogelijk. De bewijzen zijn overtuigend.
-Op zichzelf is hier nog van geen geloof sprake. Wie zoover gekomen is
-en op den grondslag der theol. naturalis staat, kan nu verder door de
-motiva credibilitatis, vooral door de signa en notae ecclesiae, de
-geloofwaardigheid der openbaring inzien, en de redelijkheid van het
-gelooven erkennen. En als zoo de fides humana verkregen is, en de
-mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft, wordt hij door
-de gratia infusa zelve in de bovennatuurlijke orde opgenomen en bereidt
-hij zich door goede werken weer voor voor den hemel, voor de visio Dei.
-De mensch gaat uit den natuurstaat bij trappen naar boven. Telkens komt
-hij een graad hooger te staan. De pura naturalia, theol. naturalis,
-motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa, bona opera,
-visio Dei vormen de verschillende treden van de ladder, die staat op de
-aarde en reikt in den hemel.
-
-2. De Reformatie heeft nu wel in beginsel deze hierarchie van Rome
-bestreden en een ander standpunt ingenomen. Zij nam haar positie niet
-in de natuurlijke rede, om deze successief tot het geloof op te leiden,
-maar in het christelijk geloof. En zij sprak zoo beslist mogelijk uit,
-gelijk later zal worden aangetoond, dat dat geloof alleen steunde
-op Gods gezag en alleen gewerkt werd door den H. Geest. Maar de
-Protestantsche theologen hebben dit beginsel toch niet altijd streng
-vastgehouden en zijn meermalen tot de leer der theologia naturalis
-en van de historische bewijzen voor de waarheid der openbaring
-teruggekeerd. Calvijn zegt, Inst. I, 7, 3, dat het hem gemakkelijk vallen
-zou, de goddelijkheid der H. Schrift te bewijzen en voert in cap. 8
-verschillende gronden daarvoor aan. En zoo spreken en doen ook Ursinus,
-Tract. Theol. p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 335 sq. Polanus, Synt.
-Theol. I c. 17 sq. c. 27, 28. Synopsis pur. theol. disp. 2, 10 sq.
-Du Plessis-Mornay, Traité de la vérité de la religion chrétienne
-contre les Athées etc. Anvers 1581. Abbadie, Traité de la vérité de la
-religion chrét. 1684 enz. Cf. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 20-22.
-Hase, Hutt. Rediv. § 37. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 32, 33. De
-overtuiging, dat deze bewijzen genoegzaam waren om althans eene fides
-humana te bewerken, heeft er onwillekeurig toe bijgedragen, om de rede
-te emancipeeren van het geloof en de dogmata der theol. naturalis en
-van de H. Schrift buiten de fides salvifica te plaatsen. Daarmede
-begon dan ook het rationalisme in de Protest. kerken. Het Socinianisme
-verwierp het testimonium Spiritus Sancti en grondde de waarheid van
-het Christendom op historische bewijzen, Catech. Racov. qu. 5-30.
-Fock, der Socin. 338 f. Het Remonstrantisme ging denzelfden weg op,
-Episcopius, Instit. Theol. Lib. IV cap. 2. Limborch, Theol. Christ. I
-c. 4. Id. De veritate relig. Christ. collatio cum erudito Iudaeo 1687.
-Hugo Grotius, de veritate relig. christ. 1627. Cf. Wijnmalen, Hugo de
-Groot als verdediger van het Christ. Utrecht 1869. Door Cartesius drong
-het rationalisme ook in de Geref. kerken door. De theologia naturalis
-kwam zelfstandig naast de theologia revelata te staan. En binnen deze
-laatste werd aan de rede het recht tot onderzoek en verklaring van
-de geloofsbrieven der openbaring toegekend, H. A. Roëll, Dissert.
-de theol. naturali 1700 enz. Leibniz sprak de algemeen heerschende
-opinie uit, als hij de openbaring tegenover de rede stelde, gelijk een
-buitengewoon gezant tegenover eene bevoegde vergadering staat. Deze
-onderzoekt zijne geloofsbrieven en gaat, als zij deze echt bevonden
-heeft, eerbiedig naar hem luisteren. Discours sur la conformité de la
-foi avec la raison § 29. Het deisme in Engeland en het rationalisme
-in Duitschland leidde daaruit weldra af, dat de theologia naturalis
-volkomen voldoende was. En het supranaturalisme, dat de emancipatie der
-rede in de theol. naturalis en in het onderzoek naar de waarheid der
-openbaring toegaf, kon voor die rede met geen andere dan historische
-en rationeele bewijzen verschijnen. Op die wijze werd het Christendom
-verdedigd en de dogmatiek bearbeid door een aantal mannen in Engeland,
-Duitschland, Nederland, van wie we hier slechts de namen herinneren
-van Butler, The analogy of religion natural and revealed 1736. Paley,
-View of the evidences of christianity 1794. Id. Natural Theology
-1802. Chalmers, The evidence and authority of the christ. revelation
-1817. Id. Natural theology 1823; cf. Tholuck, Vermischte Schriften I
-S. 163-224. Reinhard, Morus, Doederlein, Knapp, Storr e. a.; hier te
-lande door Van Nuijs Klinkenberg, Muntinghe, Heringa, Vinke enz. en de
-werken van het Haagsch Genootschap. En voorts vinden we ook later dit
-standpunt nog terug bij Pareau en Hofstede de Groot, Compendium Dogm.
-et Apolog. Christ. 3 ed. 1848 p. 179 sq.; Van Oosterzee, die eerst het
-standpunt van Schleiermacher overnam Jaarb. v. wet. Theol. 1845 bl.
-1-74, maar later heil zocht in eene apologetiek die aan de dogmatiek
-voorafging, Jaarb. v. wet. Theol. V bl. 406. De Leer der Herv. Kerk
-van J. H. Scholten beschouwd 1851 bl. 51, 53. Dogmatiek § 30-34, § 38
-enz.; Doedes, die door onbevooroordeeld, zuiver historisch onderzoek
-het Christendom wil leeren kennen, Het regt des Christ. tegenover de
-wijsbeg. gehandhaafd 1847, Modern of Apost. Christ. 1860, De zoogen.
-moderne Theol. eenigszins toegelicht 1862; in het buitenland bij Voigt,
-Fundamentaldogmatik 1874 S. 184 f. 232 f. Gretillat, Exposé de theol.
-systématique II 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinburgh, Clark 1892
-p. 42. W. M. Mc. Pheeters, Apostolical sanction the test of canonicity,
-Presb. and Ref. Rev. Jan. 1895. Ed. König, Der Glaubensact des
-Christen, Erl. 1891, S. 143 f. en vele andere apologetische werken, cf.
-Christlieb, Art. Apologetik in Herzog².
-
-3. Maar dit standpunt is door de geschiedenis van het supranaturalisme
-zelf en door de scherpe kritiek van Rousseau en Lessing, van Kant
-en Schleiermacher onhoudbaar gebleken. De apologetiek heeft zonder
-twijfel recht van bestaan; eene belangrijke taak is haar toebetrouwd.
-Zij heeft de waarheid Gods te handhaven en te verdedigen tegenover
-alle bestrijding zoowel van binnen als van buiten. Door verschillende
-omstandigheden is zij ten onrechte in minachting gekomen. Vooreerst
-verloor zij veler liefde door de zwakheid en subtiliteit der argumenten,
-die zij tegen de ernstige en wetenschappelijke bestrijding van het
-christelijk geloof te berde bracht. Vervolgens begon ze hoe langer hoe
-meer afkeer in te boezemen door de onderstelling, waarvan zij dikwerf
-uitging, dat het Christendom eene leer was, die verstandelijk kon
-gedemonstreerd worden. Voorts heeft vrees voor de wetenschap, die
-menigmaal op zoo hoogen toon sprak en zoo onfeilbaar hare dogmata
-afkondigde, de geloovigen dikwerf van verdediging afgeschrikt. Men
-bleef wel gelooven, maar trok zich angstig terug, en meed alle
-aanraking met de wetenschap; soms nam men gretig tot het mysticisme of
-het agnosticisme de toevlucht. Toch is er geen reden, om de apologetiek
-te verachten. De apologeten der tweede eeuw, de kerkvaders, de
-scholastieke theologen, de hervormers enz., zij stonden allen in het
-vaste geloof, dat de waarheid Gods tegenover de bestrijding, waaraan zij
-van alle zijden blootstond, verdedigd moest en kon worden. Zij lieten
-de aanvallen niet onbeantwoord. Zij zochten den vijand op en rustten
-niet, voordat zij hem overwonnen hadden. Dat geloof is reeds eene
-kracht en bijna de halve overwinning. Twijfel en wantrouwen in de zaak
-die wij voorstaan, maakt ons machteloos in den strijd. Maar daarmede is
-vanzelf ook reeds het standpunt aangegeven, van waaruit alleen eene
-goede verdediging der waarheid ondernomen kan worden. De apologetiek
-kan niet aan het geloof voorafgaan en tracht niet de waarheid van de
-openbaring apriori te betoogen. Zij onderstelt de waarheid en het geloof
-aan de waarheid; zij staat op den grondslag der dogmatiek en beproeft nu
-het dogma te handhaven en te verdedigen tegen de bestrijding, waaraan
-het onderworpen wordt. Indien echter de christelijke openbaring, die
-de duisternis en de dwaling van den psychischen mensch onderstelt,
-zich vooraf aan zijne rede ter beoordeeling overgaf, zou zij daarmede
-zichzelve weerspreken. Zij zou zich daarmede plaatsen voor eene
-rechtbank, wier bevoegdheid zij eerst had ontkend. En eenmaal in de
-principia het recht der rede erkennende, zou ze straks in de articuli
-fidei dat recht niet meer kunnen bestrijden. Het supranaturalisme
-moet altijd leiden tot rationalisme, wijl het in beginsel reeds
-rationalistisch is. Maar afgedacht van dit principieele bezwaar,
-de historisch-apologetische bewijsvoering voert ook niet tot het
-gewenschte resultaat. Zij kon het nog een eind ver brengen in een tijd,
-toen de echtheid der bijbelboeken en de historische waarheid van hun
-inhoud nog vrij algemeen vaststond. Maar de wonderen en voorspellingen
-der Schrift hebben thans zelf zooveel verdediging van noode, dat zij
-onmogelijk meer als argumenten dienst kunnen doen. De apologetiek zou,
-om iets te bewijzen, eerst heel de zoogenaamde inleidingswetenschap
-moeten behandelen en tal van andere vakken in zich moeten opnemen,
-eer zij met de uiteenzetting der waarheid een aanvang kon maken; aan
-het geloof, aan de dogmatiek kwam het op deze wijze nooit toe; de pars
-formalis zou zoo uitdijen, dat er voor de pars materialis geen tijd en
-geen plaats meer overbleef. Deze lange weg zou dan nog ingeslagen
-kunnen worden door iemand, die tijd en kracht en gave genoeg bezat om
-zulk een onderzoek naar de waarheid van het christelijk geloof in te
-stellen; maar hij zou geheel ontoegankelijk zijn voor den eenvoudige,
-die toch ook even goed als de geleerde, en niet eerst morgen maar nu
-reeds, op dit oogenblik, behoefte heeft aan den vrede en den troost
-des geloofs, en die daarom voor de zaligheid zijner ziel afhankelijk zou
-worden van een intellectueel en dies te ondragelijker clericalisme. En
-stel al, dat dit nog geen overwegend bezwaar ware en dat historisch
-onderzoek voor alle menschen de eenige weg tot de kennis der waarheid
-ware; dan zou toch het resultaat, dat in de gunstigste omstandigheden
-verkregen werd, geen ander zijn dan eene fides humana, welke morgen
-aan den dag weer door andere en betere onderzoekingen geschokt en
-omvergeworpen kon worden. De eeuwigheid kan inderdaad niet hangen aan
-een spinrag. In de religie mag geen mensch en geen schepsel instaan
-tusschen God en mijne ziel. Getroost en zalig te leven en te sterven is
-niet mogelijk, zoolang ik rust in een menschelijk, feilbaar getuigenis.
-In de religie is er geen mindere maar eene veel sterkere en vastere
-zekerheid dan in de wetenschap van noode. Er is hier alleen ruste in
-de getuigenis Gods. Ook de getuigenis der kerk is onvoldoende. Zij is
-van groote waarde niet alleen bij het ontstaan maar ook bij den voortduur
-van het christelijk geloof. Zij blijft een steun tot het einde des levens
-toe. Zij is inderdaad een motivum perpetuum tot het geloof. Wij zijn in
-heel ons leven aan eene gemeenschap gebonden. Een mensch is een ζωον
-πολιτικον. De gemeenschap houdt ons staande, telkens als we dreigen te
-struikelen. De wolke van getuigen, rondom ons heen liggende, moedigt
-ons aan in den strijd. Er behoort een ongewone moed en geestkracht toe,
-om pal te blijven, als allen ons verlaten en tegenover ons staan. Maar
-gemeenschap sterkt de eigen overtuiging. Toch kan daarom de getuigenis
-der kerk niet de laatste en diepste grond zijn van het geloof. Ook
-Roomsche theologen erkennen dat zelf, gelijk later blijken zal. Zij zijn
-bij het onderzoek naar de gronden des geloofs met hun onfeilbare kerk
-in hoegenaamd geen betere conditie dan de Protestanten. Want ook zij
-moeten de vraag stellen: waarop rust het geloof aan de kerk? Indien op
-apologetische bewijzen, dan rijzen daartegen dezelfde bezwaren, die boven
-zijn ingebracht. En indien op het testimonium Spiritus Sancti, dan is
-deze leer de hoeksteen van het christelijk geloof.
-
-
-§ 15. DE SPECULATIEVE METHODE.
-
-1. Het supranaturalisme viel onder de slagen van Rousseau en Kant,
-van Lessing en Schleiermacher. Er volgde een machtige omkeer. Het
-klassicisme week op elk gebied voor de romantiek, de heerschappij en
-autonomie van het subject. In den eersten tijd, bij het gevoel der
-vrijheid, ging deze reactie zoo ver, dat ze al het objectieve wegcijferde
-en het subject zichzelf voor genoegzaam hield. Het subject produceert
-zoo niet de stof (Fichte), dan toch den vorm (Kant) der wereld. Het
-niet-ik is een product van het Ik, de zedelijke wereldorde komt door
-den mensch zelf tot stand, en de zedewet wordt vrij en koninklijk door
-het genie op zij gezet. Ook Schleiermacher nam eerst dit standpunt
-in. Maar dit absolute idealisme leidde tot allerlei schrikkelijke
-gevolgen. De Fransche Revolutie toonde het gevaarlijke van deze
-autonomie van den mensch. Er moest toch iets objectiefs zijn, dat
-vaststond en gezag had. Zoo kwam de restauratie, d. i. de poging, om
-met behoud van hetzelfde uitgangspunt, toch uit het subject weer tot
-het objectieve te komen. Van die restauratie was Hegel de wijsgeerige
-tolk. Hij verhief het subjectief, ethisch idealisme van Fichte tot een
-objectief, logisch idealisme, en verving de idee van het zijn door die
-van het worden. Heel de wereld werd een proces, eene ontwikkeling van
-de logische idee. In deze evolutie heeft ook de religie haar plaats.
-Maar die religie hult zich in vormen en symbolen, die alleen door de
-speculatieve rede in hun diepe beteekenis kunnen begrepen worden. Het
-rationalisme heeft daar niets van verstaan, en heeft de dogmata der
-kerk eenvoudig terzijde gesteld, niet wetende wat er mede te doen. Maar
-die dogmata zijn vol diepen, wijsgeerigen zin. Hegels geest wierp zich
-op die dogmata, ontdeed ze van hun historische symbolische vormen, en
-spoorde er de idee van op. De historie is maar de schaal, het omhulsel;
-de kern zelve is diepe, ware philosophie. Niet de rationalistische
-leerstukken God, deugd, onsterfelijkheid, maar de hoogste en diepste
-dogmata van het Christendom, zooals de triniteit, de menschwording,
-de voldoening, worden het voorwerp der stoute, wijsgeerige speculatie.
-Buiten de Schrift en buiten eenige autoriteit om worden die dogmata als
-noodwendig uit de rede afgeleid en als ten hoogste redelijk bewezen.
-Theologie en philosophie werden schijnbaar verzoend, het geloof werd
-door de speculatieve rede in absoluut weten omgezet. Deze speculatieve
-methode werd overgenomen en op de dogmatiek toegepast, wel is waar
-met zeer verschillende uitkomst, door Daub, Markeineke, Strauss,
-Feuerbach, Vatke, Weisse, het laatst door Biedermann. Biedermann wijkt
-op gewichtige punten van Hegel af en aanvaardt niet zijne apriorische
-methode; maar uitgaande van de christelijke dogmata, tracht hij deze toch
-op dezelfde manier als Hegel te ontleden in het religieus principe
-dat er aan ten grondslag ligt en de historische uitdrukking die zij
-hebben aangenomen, en dan voorts speculatief en practisch verder
-te ontwikkelen, Christl. Dogm. 2e Aufl. I 15, 16. En evenzoo heeft
-hier te lande Scholten beproefd, om in de Gereformeerde dogmata te
-onderscheiden tusschen inkleeding en idee, en ze te interpreteeren in
-monistischen en deterministischen zin.
-
-2. Maar deze speculatieve methode heeft ook in de school van
-Schleiermacher ingang gevonden. Schleiermacher had met Hegel het
-subjectieve uitgangspunt gemeen, doch hij nam positie niet in de
-rede maar in het gevoel. Religie is eene eigenaardige bepaaldheid
-des gevoels of van het onmiddellijk zelfbewustzijn. Voorts vatte hij
-dat gevoel niet individueel op, maar historisch, zooals het in
-eene religieuse gemeenschap bestond en in de christelijke gemeente
-bepaaldelijk door Jezus als den Erlöser gevormd was. En eindelijk zag hij
-in de dogmatiek geene speculatieve ontwikkeling maar alleen beschrijving
-van de vrome gemoedstoestanden of van het geloof der gemeente;
-Schleiermacher bestreed in theorie alle vermenging van theologie en
-philosophie. Maar ter andere zijde toonde Schleiermacher’s Glaubenslehre
-toch, dat zijne eigene religieuse ervaring zeer sterk afweek van die
-der christelijke gemeente en zeer zeker mede onder invloed van Spinoza
-gevormd was; en in zijne Kurze Darstellung gaf hij de eerste plaats aan
-de philosophische theologie, die tot taak kreeg, om het wezen van het
-Christendom te bepalen. Feitelijk werd de theologie bij Schleiermacher
-geheel van de philosophie afhankelijk, Kurze Darst. § 24, 32 f. cf.
-Christl. Glaub. § 2 f. De Vermittelungstheologie nam met Schleiermacher
-haar standpunt in het bewustzijn, in het geloof, de belijdenis der
-gemeente, maar verbond daarmede de speculatieve methode van Hegel,
-om daardoor het geloof tot weten te verheffen en de autoriteit te
-doen wijken voor zelfstandig redelijk inzicht. Twesten streeft er
-naar, om door middel van redeneering uit het vroom gevoel eene
-orthodox-luthersche dogmatiek af te leiden, Vorles. I² 21 f. Müller
-wil langs regressieven weg, door reflectie over zijn eigen ervaring,
-uit de religieuse zekerheid des geloofs komen tot een objectief weten
-van God, Dogm. Abhandlungen 1870 S. 1-42, en art. Dogmatik in Herzog¹.
-Martensen draagt aan het wedergeboren bewustzijn de taak op, om uit
-zijn eigen diepten de leer der Schrift en der kerk wetenschappelijk te
-reproduceeren, Dogm. § 31 f. Bij Dorner is de Glaubenslehre niet enkel
-beschrijvend, maar ook constructief en progressief; zij brengt het
-religieuse weten tot systematische Begründung und Entfaltung en tracht
-de christelijke Godsidee als noodwendig aantetoonen, door aan te wijzen
-dat zij de aanvulling en voltooiïng van het Godsbegrip überhaupt is,
-Glaub. I 155 f. Vooral in Rothe komt deze speculatieve methode der
-Vermittelungstheologie duidelijk uit; het Godsbewustzijn is de idee,
-waaruit hij met behulp der Hegelsche dialectiek heel de schepping,
-natuur, geschiedenis, zonde, verlossing afleidt, Theol. Ethik § 7.
-Onder de Vermittelungstheologen is overigens groote verscheidenheid,
-maar zij hebben allen uitgangspunt en methode met elkander gemeen; zij
-gaan uit niet van eene of andere autoriteit, maar van het christelijk
-bewustzijn der gemeente, en zoeken het bewijs voor de waarheid des
-geloofs niet in een beroep op een of ander gezag maar in de innerlijke
-evidentie, in de denknoodwendigheid.
-
-3. Zelfs buiten den kring dier theologen, die in engeren zin aan
-Hegel en Schleiermacher zich aansluiten, heeft deze methode ingang
-gevonden. Hofmann vat de dogmatiek wel niet op als beschrijving van
-gemoedstoestanden, evenmin als reproductie van Schrift- of kerkleer
-en ook niet als ontwikkeling der christelijke kennis uit een algemeen
-principe, maar hij gaat toch evenals Schleiermacher van de christelijke
-vroomheid uit. Dogmatiek is ontvouwing van dat, wat den Christen
-tot Christen maakt, van de door Christus bemiddelde persoonlijke
-gemeenschap Gods met den mensch. Die Erkenntniss und Aussage des
-Christenthums ist vor allem Selbsterkenntniss und Selbstaussage
-des Christen, Schriftbeweis, 2e Aufl. I S. 5-16. Philippi, Kirchl.
-Glaub. I 52 f. 108 f. Kahnis, Luther. Dogm. I 7, 8 hebben ditzelfde
-subjectieve uitgangspunt. Ebrard tracht in de dogmatiek de waarheid
-en noodwendigheid der Erlösungsthatsachen aan te toonen, door ze
-op alle punten te vergelijken met het wetenschappelijk ontwikkeld
-Erlösungsbedürfniss, Dogm. § 52. enz. Vooral Frank heeft in zijn System
-der Christl. Gewissheit, 2e Aufl. 1884 deze gedachte overgenomen
-en uitgewerkt. Hofmann nam zijn standpunt in den Thatbestand der
-gemeenschap Gods met den mensch. Deze rust en draagt de zekerheid
-in zichzelve, en de Schrift geeft er getuigenis aan. Hier was dus
-voor een systeem der christelijke zekerheid geen plaats. De Christen
-is zichzelf bewust, en daarmede is alles gezegd. Maar Frank blijft
-hierbij niet staan; hij tracht rekenschap te geven waarom de Christen
-dat alles gelooft, wat zijn geloof inhoudt. Hij construeert dus een
-System der christlichen Gewissheit. De theologie, zoo zegt hij, moet
-in onderscheiding van de philosophie I 26 f., zich niet buiten maar
-midden in het christelijk bewustzijn plaatsen, en vandaar uit alles,
-ook het natuurlijke, overzien en beoordeelen, S. 31, 32, 119, 137. De
-christelijke zekerheid heeft immers haar grondslag en wezen niet in
-allerlei uitwendige bewijzen, noch ook in eene externe autoriteit, maar
-in den Christen zelf, in zijne zedelijke ervaring en zelfbepaling. Deze
-bijzondere zedelijke ervaring is de wedergeboorte en bekeering, S. 113.
-De Christen weet, dat er eene verandering met hem heeft plaats gehad
-en nog voortdurend plaats heeft, zoo dat er nu tweeërlei richting,
-tweeërlei ik in hem woont, S. 120 f.; en hij is daarvan even zeker
-als een kranke, die genas, zich bewust is van zijne vroegere ziekte
-en zijne tegenwoordige gezondheid, S. 129. Vanuit deze ervaring der
-wedergeboorte poneert hij nu vanzelf en terstond heel den inhoud
-der christelijke waarheid; hij doet zoo krachtens den aard van het
-hem geschonken nieuwe leven en kan zich van deze geloofswaarheid
-even weinig als van zichzelven ontdoen, S. 193. In drie kringen
-groepeert die christelijke geloofswaarheid zich rondom de ervaring der
-wedergeboorte heen. Eerst poneert de Christen krachtens zijn nieuw leven
-die geloofswaarheden, welke met het feit der wedergeboorte rechtstreeks
-en onmiddellijk gegeven zijn, n.l. de werkelijkheid der zonde, der
-gerechtigheid en der toekomstige volmaking. Dit is het gebied der
-centrale, immanente waarheden, die nog geheel tot het _zelf_bewustzijn
-des Christens behooren. Daaromheen vormt zich een tweede kring van
-waarheden; de geloovige kan n.l. dezen nieuwen toestand slechts
-verklaren door de realiteit van den persoonlijken God, het bestaan van
-God als Drieëenige, en de verzoening, verworven door den Godmensch.
-Deze drie vormen samen de groep der transcendente waarheden, en wijzen
-de factoren aan, welke die zedelijke verandering der wedergeboorte in
-den Christen hebben teweeggebracht. En eindelijk vormt zich daarom
-heen nog een derde kring van waarheden, n.l. de transeunte, welke de
-middelen aanwijzen, waardoor de bovengenoemde transcendente factoren de
-heilservaring bij den Christen bewerken; en dat zijn kerk, woord Gods,
-Schrift, sacrament, wonderen, openbaring en inspiratie. Ten slotte
-houdt de christelijke zekerheid ook nog in eene bepaalde verhouding van
-den wedergeborene tot het natuurlijke leven, tot wereld en menschheid,
-S. 191 f.
-
-4. Deze speculatieve methode had belangrijke voordeelen boven de
-apologetische van den rationalistischen tijd. De klaarheid, die
-in de vorige eeuw voor den maatstaf der waarheid gehouden werd,
-had de openbaring veranderd in eene leer, de kerk in eene school,
-wedergeboorte in zedelijke verbetering, den gekruisten Christus in
-den wijze van Nazareth. Het rationalisme had heel de christelijke
-religie vervalscht. Met verachting keerden de beschaafden zich af
-van openbaring en religie, van gemeente en geloof. Er behoorde moed
-toe om, gelijk Schleiermacher en Hegel deden, tot de gemeente en hare
-dogmata terug te gaan en daarin, zij het ook slechts in zekeren zin,
-diepe religieuse waarheid te ontdekken. Het was een betoon van zedelijke
-kracht, om te breken met den rationalistischen eisch der klaarheid, om
-het op te nemen voor de verachte religie der gemeente en wederom het
-recht en de waarde uit te spreken van het christelijk geloof. Meer nog,
-er lag in het uitgangspunt van Hegel en Schleiermacher eene heerlijke
-waarheid. Denken en zijn zijn ten innigste verwant en beantwoorden
-aan elkaar. Het rationalisme trachtte de religie te rechtvaardigen
-voor de onbevoegde rechtbank van het gezond verstand. Maar Hegel en
-Schleiermacher zagen beiden in, dat de religie eene eigene plaats
-inneemt in het menschelijk leven, dat zij eene zelfstandige grootheid
-vormt en daarom ook een eigen correspondeerend orgaan eischt in de
-menschelijke natuur. Hegel en Schleiermacher verschilden onderling in
-de aanwijzing van dat orgaan, de een zocht het in de rede, de andere in
-het gevoel. Maar beiden kwamen toch het vulgaire rationalisme te boven
-en beiden wezen op de samenstemming van subject en object. Indien zij
-met hun subjectief uitgangspunt niets anders hadden bedoeld, zou hunne
-overwinning van het rationalisme slechts instemming hebben verdiend.
-Het objectieve toch bestaat voor ons niet dan voorzoover het tot ons
-bewustzijn komt. Het is op geen andere wijze te benaderen dan door het
-bewustzijn heen. En de religie is daarom ook geene realiteit voor mij,
-dan inzoover ik haar in gevoel of rede, of welk haar orgaan ook moge
-zijn in den mensch, heb opgenomen. Maar Hegel en Schleiermacher hebben
-zich niet vergenoegd met de stelling, dat denken en zijn aan elkander
-beantwoorden; zij hebben beide geidentificeerd. Deze vereenzelviging van
-denken en zijn is het πρωτον ψευδος der speculatieve philosophie. Plato
-ging daarvan reeds uit, als hij de ideeën voor de waarachtige wereld
-hield. Cartesius nam haar over in zijn cogito ergo sum. Spinoza sprak in
-denzelfden zin van eene causa sui, cujus essentia involvit existentiam.
-Fichte bracht ze tot heerschappij in de nieuwere philosophie. De groote
-vraag daarbij is deze: denken wij iets, omdat het bestaat of bestaat
-iets, wijl wij het noodzakelijk, logisch denken moeten? De speculatieve
-wijsbegeerte zei het laatste. Maar tusschen denken en zijn moge nog
-zoo groote overeenstemming bestaan; er is een niet minder wezenlijk
-onderscheid. Uit het denken is geen conclusie tot het zijn, wijl het
-zijn van alle schepselen geen emanatie is van het denken maar berust
-op eene daad van macht. De essentie der dingen is aan het denken, de
-existentie alleen aan het willen Gods te danken. Het menschelijk denken
-onderstelt dus het zijn; het verheft zich eerst op den grondslag van
-het geschapene; wij kunnen slechts nadenken, wat ons voorgedacht is en
-door de wereld heen tot ons bewustzijn komt. Indien men echter met de
-nieuwere philosophie alle stof verwerpt, die van buiten tot ons gekomen
-is, en de zuivere rede of het abstracte gevoel tot zijn uitgangspunt
-neemt, houdt men niets over of hoogstens een zoo algemeen, inhoudloos
-en vaag principe, dat er niets, laat staan de gansche wereld, of heel
-de christelijke openbaring en religie, uit af te leiden is, cf. boven
-bl. 148 v.
-
-De philosophie van Hegel was daarom niet zoo onschuldig, als zij
-oorspronkelijk schijnen kon. Zij was de uitwerking en toepassing van
-Fichte’s stelling, dat het ik het niet-ik poneert, dat het subject het
-object schept. Schleiermacher ging in de theologie tot dit principe
-terug, wijl alle autoriteit in de religie voor hem was weggevallen,
-de rationeele en historische bewijzen voor het Christendom hem niet
-voldeden, en God ook naar zijne meening voor de rede onkenbaar was.
-Gelijk Kant door de practische rede herstellen wilde wat hij door de
-kritiek der zuivere rede had verloren, zoo zag ook Schleiermacher geen
-kans om de religie te redden dan door uit te gaan van het religieuse
-subject, van het gevoel, van het bewustzijn. Daaruit volgde, dat de
-dogmatiek niets anders kon zijn dan beschrijving van gemoedstoestanden en
-dus eigenlijk thuis hoorde in de historische theologie. De theologie
-werd anthropologie, pisteologie, ecclesiologie, en hield op wat zij
-altijd beweerd had te zijn, kennisse Gods. Maar daarbij kon Schleiermacher
-toch niet blijven staan; het is ons ook in de religie niet om
-werkelijkheid maar om waarheid te doen. De rechtvaardiging van het
-Christendom werd daarom in het eerste deel der encyclopaedie opgedragen
-aan de philosophie. Wijl er geen andere grond meer is, waarop het
-christelijk geloof rust, krijgt de wijsbegeerte de taak om den godsdienst
-in zijn recht en waarde te handhaven. De Vermittelungstheologie nam het
-subjectieve uitgangspunt van Schleiermacher over, volgde het spoor
-door hem voor de verdediging der religieuse waarheid geteekend en kwam
-zoo vanzelve tot een verbond met de dialectische, speculatieve methode
-van Hegel. Zij kon zich met de empirische kennis van den inhoud van
-het christelijk bewustzijn niet tevreden stellen. Zulk een kennis was
-toch geen wetenschap. Niet het feit des geloofs alleen moest worden
-geconstateerd, ook het recht en de waarheid des geloofs moest betoogd
-worden. En wijl men geen ander bewijs had, werd de toevlucht genomen
-tot de speculatie. De speculatieve theologie, die na Schleiermacher
-opkwam, streefde naar eene hoogere kennis van het Christendom, dan
-die steunde op autoriteit en verkregen werd door het geloof. Zij was
-eene vernieuwing van de oude gnostiek. De christelijke dogmata, zooals
-de triniteit, de menschwording, de voldoening moesten niet maar als
-artikelen des geloofs beleden maar ook in hunne noodzakelijkheid
-doorzien en verstaan worden. Het dat is niet voldoende; ook het hoe en
-waarom moet begrepen worden. De speculatieve Vermittelungstheologie
-zocht daarom aan het lagere standpunt van het gezag te ontkomen en
-streefde ernaar om het Christendom als absolute waarheid in zichzelf te
-doen rusten. Zij ging wel uit van het geloof maar stelde zich het weten
-ten doel. Denknoodwendigheid was haar het bewijs der waarheid.
-
-Dat deze methode noch in de philosophie noch in de theologie tot een
-gewenscht resultaat zou leiden, was te voorzien en is door de historie
-treffend bewezen. Weerlegging is schier overbodig. De speculatie heeft
-reeds lang haar tijd gehad. De philosophie van Hegel leidde bij Feuerbach
-en Strauss tot verwerping van heel het christelijk geloof. De wijsgeerige
-bewerking der orthodoxe dogmatiek door Schweizer, Scholten, Biedermann
-heeft de dogmatische armoede der moderne theologie slechts voor een
-korten tijd bedekt. De meer rechtzinnige Vermittelungstheologie kan met
-recht zich beroemen op de werken van Rothe, Dorner, Lange, Martensen,
-Müller enz., die vol zijn van diepe en schoone gedachten; maar zij heeft
-toch volstrekt niet beantwoord aan de verwachting, welke zij opgewekt
-had. Het is haar niet gelukt, om de dwaasheid des kruises te veranderen
-in eene wijsheid der wereld; zij slaagde er niet in, om door hare
-diepzinnige beschouwingen de kinderen dezer eeuw wederom voor Christus
-te winnen. Integendeel, de bemiddeling liep uit op eene nog radikalere
-scheiding van gelooven en weten, van theologie en philosophie,
-van gemeente en wereld. De speculatie, die door een deel der
-Vermittelungstheologie werd nagestreefd, ging ook uit van de onjuiste
-onderstelling, dat het Christendom een logisch gedachtensysteem was,
-waarvan uit het eerste lid alle volgende door denken en redeneeren
-konden worden afgeleid. Maar als het zijn der dingen in het algemeen
-reeds niet op het denken maar op het willen berust; als de historie,
-hoezeer uitvoering van een raad Gods, toch nog iets wezenlijk anders
-is dan een rekenexempel; dan is nog veelmeer de christelijke religie
-onderscheiden van een logisch gedachtenstelsel. Want het Christendom
-is historie, het is eene historie van genade, en genade is iets anders
-en iets meer dan eene logische conclusie. In de christelijke religie
-komt daarom ook de diepste denker nooit het kinderlijk standpunt van het
-gezag en het geloof te boven. Zie behalve de litteratuur, boven bl. 151
-genoemd, de art. Specul. Theol. en Theosophie in Herzog¹. Pelt, Theol.
-Encyklopädie 1843 S. 532 f. Rothe, Theol. Ethik, 2e Aufl. § 1 f. J.
-Müller, Die christl. Lehre v. d. Sünde, 5te Aufl. I S. 1-31.
-
-5. Afzonderlijke bespreking verdient de theologie van Dr. Fr. H. R.
-Frank, hoogl. te Erlangen, † Febr. 1894. Frank bestrijdt zoo sterk
-mogelijk de zoogenaamde prolegomena der dogmatiek, System der christl.
-Gewissheit 2e Aufl. 1884 I 36 f. en geeft in plaats daarvan een System
-der christlichen Gewissheit. Deze titel is echter niet bijzonder
-duidelijk. Gewisheid, zekerheid is een toestand der ziel en sluit als
-zoodanig systeem uit. Indien gewisheid hier echter genomen wordt voor
-de objecten des geloofs, waarvan de Christen zeker is, dan is System
-der christl. Gewissheit zooveel als System der christl. Wahrheit.
-Dat kan de bedoeling niet zijn, want Frank heeft aan zijn tweede
-belangrijk werk juist dezen titel gegeven. In zijn System der christl.
-Gewissheit I 48 verklaart hij zich nader en zegt, dat dit zijn systeem
-tot object heeft de Gewissheit, voor zoover zij zich uitstrekt tot den
-zu verbürgenden Wahrheitsgehalt, d. i. de zekerheid als psychologischen
-toestand met al datgene, wat zij verzekert in zooverre als zij het
-verzekert. Het systeem der christelijke gewisheid komt dientengevolge
-neer op een formeel schema van de verschillende soorten en graden van
-zekerheid, die uit het christelijk zelfbewustzijn ten opzichte van de
-geloofsobjecten voortvloeien. Nu is het echter Franks bedoeling niet,
-dat de objecten van het christelijk geloof niet vooraf zouden bestaan
-en bekend zouden zijn. Hij verklaart uitdrukkelijk het tegendeel, Gew.
-I 313. Hij ontkent evenmin, dat de christelijke zekerheid ontstaan
-zou door het woord, Dogmatische Studien, Erl. u. Leipz. 1892 S. 56.
-Hij wil die objectieve waarheden niet afleiden uit het wedergeboren
-subject, ib. S. 68, 69. Meer nog; als hij al datgene, wat uit het
-christelijk zelfbewustzijn volgt, daaruit afgeleid en heel het systeem
-der christelijke zekerheid ontwikkeld en voltooid heeft, dan zegt hij met
-duidelijke woorden, dat er nu een omkeer volgt, en dat het laatste het
-eerste wordt. De Christen heeft uit en door zijne eigene zekerheid den
-objectieven grond gevonden, waarop hij met zijn geloofsleven rust, n.l.
-de genade Gods in Christus, en vandaar uit bouwt hij nu het systeem der
-christelijke waarheid op, Syst. der chr. Gew. II 281 f. De bedoeling van
-Frank is alleen, om antwoord te geven op de vraag: hoe komt een mensch
-daartoe, om op die objectieve factoren des heils, God, Christus, de H.
-Schrift, enz. zich te verlaten, om de Schrift onbepaald als Gods woord
-aan te nemen, S. der chr. Gew. II 285 f. Dogm. Stud. 56. In het systeem
-der christelijke zekerheid ontwikkelt Frank dus niet zoozeer de gronden
-des geloofs, als wel de wegen, waarlangs een mensch tot zekerheid komt
-aangaande de christelijke geloofswaarheden. En in het algemeen zegt
-Frank nu, dat een mensch deze zekerheid verkrijgt niet door historische
-of rationeele bewijzen en evenmin door gezag, kerk, traditie, enz. maar
-alleen door de ervaring der wedergeboorte, S. d. chr. Gew. I 314.
-
-De vraag, welke Frank zich ter beantwoording heeft voorgesteld, is
-dus allerbelangrijkst; zij is ook noodig en goed, want de christelijke
-zekerheid spreekt niet vanzelve en is dikwerf aan twijfel onderhevig.
-Ook het antwoord, dat Frank op die vraag geeft, is tot op zekere hoogte
-juist. Gelijk het oog noodig is, om het licht te aanschouwen, zoo is
-de wedergeboorte van noode, om het koninkrijk der hemelen te zien.
-Maar er kan twijfel rijzen of het System der christlichen Gewissheit
-van Frank aan deze zijne goede bedoeling beantwoordt. En voor dien
-twijfel bestaat grond. Immers is heel het systeem als zoodanig met die
-uitgesproken bedoeling in strijd. Als Frank niets had willen doen dan
-beschrijven, hoe de geloovige tot zekerheid komt, dan had hij alleen den
-oorsprong en den aard dier zekerheid in het licht gesteld en was hij
-daarmede geëindigd. Evenals de Erkenntnisstheorie alleen de gronden
-ontwikkelt waarop het geloof aan de buitenwereld rust, maar niet elk
-voorwerp in die wereld uit deze zekerheid afleidt, zoo had het systeem
-der christelijke zekerheid moeten volstaan met het aangeven van de
-gronden der zekerheid maar niet haar inhoud moeten bespreken. Dan ware
-er echter ook geen systeem in eigenlijken zin van de verschillende
-objecten, waarop de zekerheid betrekking heeft, mogelijk geweest.
-Frank doet echter veel meer; hij geeft een systeem. Hij leidt alle
-geloofswaarheden successief, wel niet in temporeelen maar toch in
-logischen, causalen zin, Gew. I 47, II 290 uit de wedergeboorte af. Hij
-laat den Christen uit de ervaring der wedergeboorte allengs komen tot
-alle christelijke dogmata, „alsof” hij er vroeger en langs anderen weg
-niets van wist. Zoo doet Frank met alle dogmata, van zonde, schuld,
-God, drieëenheid, menschwording, opstanding, enz. Wij krijgen den indruk,
-alsof al deze waarheden buiten Schrift en kerk om door den Christen uit
-zijne wedergeboorte kunnen worden afgeleid. Frank verwart onophoudelijk
-met elkander de causa essendi en de causa cognoscendi, den objectieven
-grond der geloofswaarheid en den subjectieven weg, waarlangs iemand
-tot zekerheid daarvan komt. Hij verwisselt en vereenzelvigt objectieve
-waarheid en subjectieve zekerheid. Meermalen drukt hij zich zoo uit,
-alsof de wedergeborene de objectieve geloofswaarheden eenvoudig
-krachtens zijne geestelijke ervaring als realiteiten poneert, Gew. I
-94, 193. Hij spreekt van eene Autonomie des christlichen Subjektes als
-Garanten der Wahrheit, I 151.
-
-6. Dit alles wortelt bij Frank in eene eigenaardige Erkenntnisstheorie.
-Hij gaat een goed eind mede met het idealisme der nieuwere philosophie,
-I 58 f. Het object is als object, d. i. voor het subject slechts
-aanwezig door die Setzung durch das Subject, ib. 61. Wel erkent Frank
-de realiteit der objectieve wereld, zij het ook niet in empiristischen
-en sensualistischen zin, ib. 59, 60. Maar onze kennis heeft het nooit
-te doen met het Ding an und für sich, maar altijd met het Ding für
-uns. Dat wij aan het object een bestaan op zichzelf toekennen, komt
-daar vandaan, dat wij ons genoodzaakt zien, om het object zoo en niet
-anders te poneeren. Beide richtingen, zoowel het empirisme als het
-idealisme, doen dat; zij verschillen alleen in de wijze, waarop zij
-het doen, ib. 61. Zekerheid is daarom altijd zekerheid aangaande een
-object. Zij bestaat juist hierin, des Objectes inne zu sein als der
-Wahrheit, ib. 63. Wij komen door deze redeneering niet verder, dan
-dat onze geest zoo ingericht is, dat hij de objectieve realiteit der
-voorwerpen, waarvan hij zeker is, moet aannemen; of de menschelijke geest
-dit echter terecht doet en niet aan hallucinatie lijdt, is voor Frank
-geen vraag. De noodwendigheid der Setzung is voor hem de laatste grond
-der objectieve realiteit. De zekerheid is hem niet essentieel maar
-erkenntnisstheoretisch de waarborg der waarheid. De realiteit is wel
-zijnsgrond der zekerheid, maar deze is kengrond der realiteit.
-
-Deze Erkenntnisstheorie past Frank ook toe op het christelijk geloof. De
-objectieve waarheden en feiten van het Christendom gaan wel essentieel
-en causaal aan het geloof vooraf, maar in erkenntnisstheoretischen zin
-volgen zij er op. Evenals hij nu in de philosophie het zelfbewustzijn
-van den mensch tot uitgangspunt neemt, zoo gaat hij in de theologie
-uit van het zelfbewustzijn van den Christen, van de ervaring der
-wedergeboorte. Maar tegen dit uitgangspunt en tegen deze methode zijn
-vele bezwaren. a) Deze wedergeboorte van den Christen en evenzoo al
-zijne andere geestelijke ervaringen, ingesloten zelfs zijne zekerheid,
-zijn niet spontaan in den Christen ontstaan, maar staan van den beginne
-af en bij den voortduur in verband met de objectieve factoren van
-Schrift, kerk, enz. Frank erkent dat zelf meermalen, I 123, 124, 191,
-enz.; maar ten onrechte maakt hij de geestelijke ervaring dan apriori
-van die objectieve factoren los, om ze op zichzelve te stellen en
-in zichzelve te doen rusten. Het uitgangspunt van Frank, n.l. de
-zekerheid des Christens, is eene loutere abstractie; die zekerheid
-rust van den aanvang af en altijd door op de objectieve, van buiten
-tot den geloovige komende factoren des heils. b) Door, gelijk boven
-werd opgemerkt, in het System der chr. Gew. II 281 f. te erkennen,
-dat de orde nu omkeert, geeft Frank zelf toe, dat de wedergeboorte
-geen genoegzame zekerheid biedt voor de objectieve waarheid van het
-christelijk geloof. Want indien de objectieve, causale orde inderdaad
-zoo is, als Frank die in zijn System der christlichen Wahrheit
-aangeeft, n.l. zoo, dat het objectieve voorafgaat, dan moet deze ook
-de orde zijn van heel het systeem. Het systeem moet afdruk zijn van de
-zijnsorde, niet van de wijze, waarop iemand tot kennis en zekerheid
-komt van de objectieve waarheid. Want deze wijze is zoo verschillend,
-dat ze voor geen systematische beschrijving vatbaar is, cf. boven
-bl. 50. c) De methode, waarnaar Frank de objectieve dogmata uit de
-zekerheid des Christens construeert, is eene, die in de christelijke
-religie en theologie niet past. Zij is ontleend aan de speculatieve
-philosophie. Evenals deze haar uitgangspunt nam in een algemeen, van
-alles geabstraheerd, vaag principe; zoo is het van alle objectieve
-factoren losgemaakte zelfbewustzijn van den Christen, zijne zekerheid
-an sich, het cogito ergo sum, het δος μοι που στω voor Frank. Daaruit
-concludeert hij allereerst tot de immanente geloofswaarheden. Vervolgens
-roept hij de methode der natuurwetenschap te hulp en besluit regressief
-uit het gevolg tot de oorzaak en wil het nieuwe leven des Christens
-geheel naar empirische methode verklaren, I 39. Zooals de natuurkundige
-door de spectraalanalyse de chemische bestanddeelen van de zon tracht
-te leeren kennen, zoo beproeft Frank het leven der wedergeboorte
-door ontleding tot zijne objectieve factoren te herleiden, I 315. De
-Christen, nadenkende over zijn geestelijk leven, kan het niet anders
-verklaren dan door aan te nemen, dat God drieëenig is, dat Christus
-mensch geworden is en voldaan heeft, enz. d) Deze methode is ook met
-alle christelijke ervaring in strijd. Zoo kwam nooit eenig Christen tot
-zekerheid aangaande de objectieve waarheid. Zij gaat geheel buiten
-de werkelijkheid om. Bovendien is zij onpractisch, want in twijfel en
-ongeloof mist de Christen juist die zekerheid, welke alleen volgens
-Frank hem de objectieve waarheid van zijn geloof waarborgen kan. In
-zulke tijden heeft hij juist een objectief woord, eene objectieve daad
-van noode, welke hem staande houdt en waaraan hij zich vastklemmen
-en uit de diepte des twijfels en der aanvechting wederom opheffen
-kan. e) Eindelijk zijn er nog verschillende andere bedenkingen in te
-brengen tegen het systeem van Frank. Zoo lijdt de overgang van het
-natuurlijk tot het geestelijk weten en evenzoo het verband tusschen
-beide bij Frank aan onduidelijkheid. De onderscheiding van een tweeërlei
-ik in den wedergeborene is voor allerlei misverstand vatbaar; in de
-wedergeboorte wordt geen nieuw ik in den mensch geschapen maar het ik
-van den psychischen mensch vernieuwd. De splitsing van de dogmatiek
-in een systeem der zekerheid en een systeem der waarheid is niet vol
-te houden, wijl de zekerheid des Christens niet beschreven kan worden
-zonder de waarheid, welke zij geldt. Maar het bovenstaande is genoeg,
-om te doen zien, dat de beschuldiging van subjectivisme, al is ze ook
-vaag, niet geheel ten onrechte tegen de theologie van Frank, evenals
-tegen die van Ritschl ingebracht is. Cf. over Frank: Henri Bois,
-De la certitude chrétienne. Essai sur la théologie de Frank, Paris
-Fischbacher 1887. O. Flügel, Die spekulative Theol. der Gegenwart
-2e Aufl. 1888 S. 188 f. Dr. A. Carlblom, Zur Lehre von der christl.
-Gewissheit, Leipzig 1874. Dorner, Christl. Glaubenslehre I 1879 S.
-37 f. Pfleiderer, Die Entwicklung der protest. Theol. usw. 1891 S.
-183 f. Polstorff, Der Subjektivismus in der modernen Theologie und
-sein Unrecht, Gütersloh 1893. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g.
-kirchl. Theol. 1890 S. 110 f. Ernst Haack, Ueber Wesen und Bedeutung
-der christl. Erfahrung, Schwerin 1894.
-
-
-§ 16. DE ETHISCH-PSYCHOLOGISCHE METHODE.
-
-1. Naast de historische bewijzen en de speculatieve redeneering bestaat
-er nog eene derde manier, waarop men het christelijk geloof heeft
-zoeken te rechtvaardigen; en dat is de ethisch-psychologische methode.
-Deze vat het Christendom niet op als eene leer, die gedemonstreerd,
-of als een historisch feit, dat bewezen kan worden; maar als eene
-religieus-ethische macht, die zich richt tot hart en geweten. Zij
-meent daarom ook niet, dat het Christendom aan ieder mensch zonder
-onderscheid en in alle omstandigheden aannemelijk kan worden gemaakt,
-maar zij eischt in den mensch eene voorafgaande zedelijke gesteldheid,
-een zin voor het goede, eene behoefte aan verlossing, een gevoel van
-onvoldaanheid enz. En als het Christendom dan met zulk een mensch in
-aanraking komt, beveelt het zichzelf zonder redeneering en bewijs aan
-zijne conscientie als goddelijke waarheid aan. Want het bevredigt zijne
-religieus-ethische behoeften, het beantwoordt aan zijne hoogere, edele
-inspiratiën, het verzoent hem met zichzelf, het bevrijdt hem van de
-schuld en den last der zonde, het schenkt hem vrede, troost, zaligheid,
-en in dit alles bewijst het zich als de kracht en de wijsheid Gods.
-
-Ook deze bewijsvoering voor de waarheid van het Christendom is reeds
-zeer oud. Tertullianus beriep zich al op het getuigenis, dat de
-ziel onwillekeurig voor Christus aflegt, de test. an. 1. cf. Apol.
-c. 17. Arnobius, adv. gentes II, 2. Bij vele Apologeten vinden we de
-gedachte, dat de heidensche philosophie en mythologie onbekwaam zijn,
-om een bevredigend antwoord te geven op de vragen naar God, mensch
-en wereld; om aan de religieuse behoeften te voldoen en een waarlijk
-zedelijk leven te kweeken. Het Christendom daarentegen omvat al het
-ware en goede, dat er verstrooid ook nog in de heidenwereld aanwezig
-was; het geeft stof aan het denken, het vernieuwt het hart, het kweekt
-allerlei deugden; het Christendom is de ware philosophie. Ὁσα οὐν παρα
-πασι καλως εἰρηται, ἡμων των χριστιανων ἐστιν, Just. Mart. Apol. II
-13. cf. Harnack, D. G. I 421 f. 436 f. Evenzoo wijst Duns Scotus in
-den proloog voor zijne Sententiae op de redelijkheid van den inhoud der
-openbaring, op hare zedelijke werking en op hare genoegzaamheid voor den
-mensch, om zijne bestemming te bereiken. De argumenten, door Roomsche en
-Protestantsche theologen voor de waarheid der openbaring aangevoerd,
-waren niet alleen ontleend aan de wonderen en voorspellingen enz.;
-maar ook aan de schoonheid en majesteit van den stijl der Schrift, aan
-de onderlinge overeenstemming van al hare deelen, aan de verhevenheid
-en goddelijkheid van haar inhoud, aan de werking en invloed, die er van
-de christelijke religie uitgegaan was op het verstandelijk, zedelijk,
-aesthetisch, sociaal en politiek leven van den enkele en van gezinnen
-en volken, Bellarminus, de Conc. et Eccl. lib. 4. cap 11 sq. Perrone,
-Praelect. Theol. I 129 sq. Jansen I 158 sq. 269 sq. Hake, Handbuch der
-allgem. Religionswiss. 1887 II 228 f. Calv. Inst. I c. 8. Maresius,
-Syst. theol. loc. I § 31. Synops. pur. theol. Disp. 2. § 17 sq. 25.
-Vitringa, Doctr. christ. relig. cap. 2 § 26-29. Hoornbeek, Theol.
-pract. I p. 48. Quenstedt, Theol. didact-pol. I cap. 3 sect. 2 qu. 16.
-Glassius, Philol. Sacra I tract. 3. etc. Zelfs Rousseau kon in zijn
-Emile aan het leven en de leer van Jezus zijn lof niet onthouden: oui,
-si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de
-Jesus sont d’un Dieu. Het supranaturalisme verdeelde de bewijzen voor
-het Christendom in uit- en inwendige, en verstond onder de laatste
-juist die, welke de overeenstemming van het Christendom met de redelijke
-en zedelijke natuur des menschen aantoonden en vooral voor zijn hart en
-geweten van kracht waren. Ook de theologen van deze richting zagen
-in, dat de bewijzen toch niet voor ieder mensch zonder onderscheid
-voldoende waren, dat zij geen mathematische maar moreele zekerheid
-verschaften, en daarom ook eene zekere zedelijke gesteldheid van ’s
-menschen zijde onderstelden, Knapp, Glaub. I S. 71 f. Bretschneider,
-Dogm. I S. 281 f. Id., Entwicklung aller in der Dogm. vork. Begriffe,
-4e Aufl. S. 219-230. Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. § 38. Vinke,
-Theol. Christ. Dogm. Comp. p. 17 sq. Voigt, Fundamentaldogm. S. 269 f.
-Oosterzee, Dogm. I bl. 199. 234 v. 252 v. Gretillat, Exposé de theol.
-systém. II 163 s. 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinb. 1892 p. 42.
-
-Vooral echter is de ethisch-psychologische methode in eere gekomen door
-Pascal en Vinet. Bij beiden stond ze echter nog niet met de historische
-bewijsvoering in tegenstelling. De historische bewijzen vormen zelfs in
-de apologie van Pascal een noodzakelijk element en werden door hem zelf
-zeer hoog gewaardeerd, Wijnmalen, Pascal als bestrijder der Jezuiten
-en verdediger des Christendoms 1865 bl. 164-188. Maar hij gaf toch
-aan die historische bewijzen eene andere plaats en beteekenis. Zijne
-apologie is anthropologisch, ze gaat uit van de ellende des menschen,
-en wil bij hem eene behoefte naar verlossing wekken. En dan toont ze
-aan, dat die behoefte niet in de heidensche godsdiensten en in de
-wijsgeerige stelsels bevrediging vindt maar alleen in de door Israëls
-godsdienst voorbereide christelijke religie. En ook Vinet versmaadde
-de historische bewijzen niet, Discours sur quelques sujets religieux,
-6e ed. Paris 1862 p. 29. Essais de philos. morale et relig. 1837 p. 36
-s., maar hij acht ze toch onvoldoende en hecht grooter waarde aan het
-inwendig bewijs. Hij wil, dat de apologeet den ethischen weg bewandele
-en het Christendom van zijne ethische zijde, als de ware humaniteit,
-aan het geweten des menschen aanbevele, cf. zijn l’Evangile compris
-par le coeur in de Discours t. a. p. p. 29-41, en Le regard, in zijne
-Etudes Evangéliques 1847, cf. Dr. J. Cramer, Alex. Vinet, Leiden,
-Brill 1883 bl. 99 v. 117 v. Sedert is deze methode, met verwaarloozing
-en soms zelfs met minachting van de historische bewijzen, overgenomen
-en gehuldigd door Astié, De theol. des verstands en de theol. des
-gewetens, uit het Fransch door D. Ch. de la Saussaye 1866. Pressensé,
-Les Origines, Paris 1883 p. 114-128. Sécrétan, La civilisation et la
-croyance, Paris, Alcan 1887, Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. bl.
-55 v. 64 v.; en voorts vinden we deze zelfde bewijsvoering voor het
-Christendom bij Delitzsch, System der christl. Apol. Leipzig 1869 S.
-30, 34 f. Baumstark, Christl. Apol. auf anthropol. Grundlage I 1872 S.
-34-36. Köstlin, Die Begründung unserer sittlich-relig. Ueberzeugung,
-Berlin 1893 S. 58 f. enz.
-
-2. Verwant aan deze methode is het moreel bewijs, gelijk het door
-Kant is voorgedragen. Kant nam twee bronnen voor onze kennis aan,
-de Sinnlichkeit voor de stof, en het verstand voor den vorm onzer
-kennis. Maar daarboven staat nu nog de rede, de reine Vernunft, wier
-apriorische synthetische Grundsatz deze is, dat zij uit het Bedingte
-tot het Unbedingte opklimt, Kr. d. r. Vern. ed. Kirchmann 5te Aufl.
-S. 300, cf. 310, 312, 319, 347. Krachtens deze eigenaardigheid vormt
-de theoretische rede verschillende Grundsätze of ideeën, ib. 308, die
-absoluut, unbedingt, transcendent zijn en door de rede niet willekeurig,
-maar overeenkomstig hare natuur worden voortgebracht, ib. 312 f. Die
-ideeën zijn vooral een drietal, God, vrijheid en onsterfelijkheid, ib.
-317 f. Deze ideeën kunnen echter niet in hare objectieve waarheid
-aangetoond, maar slechts subjectief uit de natuur der rede afgeleid
-worden. De objecten dier ideeën zijn niet waarneembaar, en dus niet
-kenbaar. Wij komen tot die ideeën alleen door een nothwendigen
-Vernunftschluss, ib. 321. Ze zijn alle drie theoretisch onbewijsbaar. Zij
-vermeerderen onze kennis niet, maar regelen en ordenen ze slechts, en
-doen ons alles zoo aanzien en beschouwen, „alsob” die ideeën realiteit
-hadden, ib. 337, 425, 512, 530, 535, 537, 539, 540 f. Dat ze realiteit
-hebben en wat ze zijn, kan ons de theoretische rede niet leeren. Maar
-nu is de rede niet alleen theoretisch maar ook practisch. Dat is: ze
-draagt eene zedelijke wet, een kategorischen imperatief in zich en houdt
-ons den plicht voor. En zij eischt, dat we dien plicht onvoorwaardelijk,
-zonder bijbedoeling, alleen uit achting voor dien plicht als zoodanig
-volbrengen zullen. Zij openbaart dus, dat de mensch nog tot eene andere
-orde dan die der natuur behoort, n.l. tot eene zedelijke wereldorde;
-dat hij naar een hoogste goed heeft te streven, hetwelk de zinnelijke
-goederen des levens ver te boven gaat en in niets anders bestaat dan in
-de eenheid van deugd en geluk. Indien dit gebod van den plicht nu geen
-illusie maar uitvoerbaar is, en het hoogste goed, de eenheid van deugd
-en geluk, werkelijk eens bereikt zal worden; indien m. a. w. de zedelijke
-wereldorde in ons en buiten ons eenmaal zal triumfeeren over de orde
-der natuur; dan moet God, de vrijheid, de onsterfelijkheid bestaan. Deze
-drie zijn dus postulaten der practische rede, haar realiteit wordt door
-de zedewet geëischt, de practische rede heeft haar bestaan noodig, Kr.
-der prakt. Vernunft, ed. Kirchmann, 3e Aufl. 1882. S. 159 f.
-
-Dat is in hoofdzaak de beroemde postulaatstheorie van Kant. Maar zij is
-niet boven kritiek verheven. Ten eerste is het niet helder, wie deze
-postulaten uit de practische rede afleidt. Kant schijnt te meenen, dat
-de practische rede zelve dit doet. Maar dan komen er twee practische
-reden, eene voorafgaande en eene volgende, eene die den plicht
-voorhoudt en eene die daaruit door redeneering tot het bestaan der
-ideeën besluit. De practische rede wordt dan zelve weer theoretisch,
-Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 325, 328. Van meer gewicht is eene
-andere bedenking, welke toch de grond zij, waarop de theoretische
-of practische rede tot het bestaan dier ideeën besluit; wat is het
-dringend motief voor die postulaten? Indien die grond, dat motief ligt
-in de practische rede op zichzelve, in den kategorischen imperatief, in
-het gebod van den plicht als zoodanig; dan kan ook de meest zedelooze
-uit het verschijnsel van die practische rede tot de realiteit dezer
-drie ideeën besluiten. Nu schijnt het soms, alsof Kant dit werkelijk
-meent. Hij geeft meermalen den indruk, alsof de practische rede op
-zichzelve, zonder meer, om zich te kunnen realiseeren, deze postulaten
-stellen moet. Hij zegt niet alleen, dat ieder zedelijk ontwikkeld mensch
-bevoegd is, om zoo te postuleeren, maar dat het voor elk redelijk wezen
-onvermijdelijk is, om zoo te besluiten; dat de onderstellingen van het
-bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid even noodwendig zijn als
-de zedewet zelve, Kr. d. pr. V. 173 noot; en hij betoogt juist S. 146
-f. 149 f. dat de zedewet, om uitvoerbaar te zijn, die drie ideeën als
-bestaande moet aannemen. Maar, indien dit Kants meening is, dan hebben
-we hier niet met psychologisch bemiddelde maar met objectief logische
-postulaten te doen; en de vraag rijst, waarom is zulk een logisch
-postulaat dan toch geen weten, geen element der theoretische rede?
-Waarom noemt Kant dit weten alleen practisch? Er pleit daarom meer voor
-om te denken, dat de grond en het motief voor deze postulaten niet ligt
-in de practische rede op zichzelf, maar in de zedelijke gezindheid, in
-den zedelijken wil van den mensch, die ernstig, zij het ook met zwakheid,
-aan den plicht, welken de practische rede hem voorschrijft, tracht te
-gehoorzamen. Daarom verklaart hij in de Kr. d. r. Vernunft S. 638 f.,
-dat de moralische Glaube een voor waar houden is op psychologische,
-moreele gronden; daarom zegt dit zedelijk geloof niet, het is zeker,
-maar ik ben moreel zeker; daarom rust het op de Voraussetzung
-moralischer Gesinnungen, ib. 639. En evenzoo zegt hij, Kr. d. pr. V. S.
-172: der _Rechtschaffene_ darf sagen; ik wil dat er een God is, ik laat
-mij dit geloof niet ontnemen, mijn zedelijk belang vordert het bestaan
-van God; en S. 173: het moreele geloof is geen gebod, een geloof,
-dat geboden wordt, is een onding; en S. 173-175: het plichtbesef is
-objectief en evenzoo de mogelijkheid om zedelijk te handelen en gelukkig
-te zijn; maar of dat verband tusschen deugd en geluk nu gelegd wordt
-door een persoonlijk God of door den samenhang der natuur, weten wij
-niet. Het zedelijke belang geeft hier den doorslag; het staat in unserer
-Wahl, maar de practische Vernunft beslist voor het geloof aan een
-wijzen Schepper der wereld. Inderdaad is er bij Kant een dubbel streven
-merkbaar, eenerzijds om de redelijkheid en andererzijds om de vrijheid van
-het geloof te handhaven. Het geloof aan God, vrijheid en onsterfelijkheid
-is in zooverre objectief als het gepostuleerd wordt door de aan allen
-eigene practische rede, maar hangt toch ook weer af van de zedelijke
-gezindheid van den individueelen mensch. Cf. over de practische
-Vernunft en de postulaatstheorie van Kant o. a. Schopenhauer, Die
-Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. I 610-625. J. Gottschick,
-Kants Beweis für das Dasein Grottes 1878. E. Katzer, Der moralische
-Gottesbeweis nach Kant und Herbart, Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S.
-482-532, 635-689. B. Pünjer, Gesch. der christl. Religionsphil. II S.
-19-30. Fr. Paulsen, Was uns Kant sein kann, Separat-Abdruck aus der
-Vierteljahrsschrift für wiss. Philos. V S. 57 f. Rauwenhoff, Wijsbeg. v.
-d. godsd. 321 v. Leendertz, Het ethisch-evangelisch standpunt en het
-christ.-godsd. geloof 1891 I 215 v.
-
-3. De beteekenis van Kant voor de theologie bestond voornamelijk daarin,
-dat hij scheiding maakte tusschen phaenomenon en noumenon, erklärbare
-en erlebbare Wirklichkeit, wereld van ’t zijnde en van de Werthe, weten
-en gelooven, wetenschap en religie, theoretische en practische rede.
-De religie kwam naast en buiten de wetenschap te staan, en rustte op
-een eigen grondslag, op dien van ’s menschen zedelijke natuur. Reeds
-terstond was de invloed van Kants philosophie op de theologie merkbaar.
-Het supranaturalisme betoogde op grond van de onkenbaarheid van het
-bovenzinlijke de noodzakelijkheid der openbaring. Het rationalisme
-sloot zich aan bij de rationeele moraal en de moralistische religie
-van Kant. Schleiermacher nam Kant’s leer van de onkenbaarheid van het
-bovennatuurlijke en zijne scheiding van religie en wetenschap over,
-maar zocht voor de religie eene veilige schuilplaats in het gevoel.
-Maar vooral nadat de ijdelheid der historisch-apologetische en der
-speculatieve bewijsvoering gebleken was, gingen velen naar Kant terug.
-Hier te lande geschiedde dit reeds door Hoekstra. Onbevredigd door het
-intellectualisme en determinisme van Scholten, zocht hij den grondslag
-van het godsdienstig geloof met Kant in de practische rede en hare
-postulaten. Het geloof is volgens Hoekstra een zedelijke daad van den
-wil, een postulaat van onzen inwendigen geestelijken mensch tegenover de
-levenservaringen; het rust op het geloof aan de waarheid van ons eigen
-innerlijk wezen. Die wereldbeschouwing is alleen de ware, welke aan
-ons innerlijk wezen, aan onze zedelijke behoeften beantwoordt, Bronnen
-en grondsl. van het godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 45 v. Later heeft
-Hoekstra in een artikel in het Theol. Tijdschr. 1872 bl. 1 v. zijne
-gedachte nader gepreciseerd, en het godsdienstig geloof gegrond niet op
-onze behoeften, idealen, aspiratiën in het algemeen, maar bepaald op
-het onvoorwaardelijk plichtbesef, ib. 32, cf. Wijsgeerige Godsdienstleer
-I 220. In aansluiting aan Hoekstra laten Ph. R. Hugenholtz, Studien
-op godsdienst- en zedekundig gebied, Amst. 1884-89, bv. II 142 v.
-Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 335 v. Leendertz, Het ethisch-evang.
-standpunt en het christ. godsd. geloof. Rott. 1891 I 7, 10, 57 v. en
-anderen het godsdienstig geloof wortelen in het zedelijk zelfbewustzijn.
-De ethische modernen zijn nog een stap verder gegaan; afziende van de
-poging om tot een wijsgeerig stelsel te komen, hebben ze geloof en
-wetenschap zoo scherp mogelijk gescheiden en de religie tot het gebied
-van het zedelijke beperkt. Religie is zedelijk idealisme, toewijding aan
-het zedelijk ideaal, geloof aan de macht van het goede, welke macht dan
-volgens de meesten nog wel een objectief bestaan heeft, maar bij enkelen
-niets is dan eene conceptie van den menschelijken geest. Cf. Rauwenhoff,
-Wijsb. v. d. godsd. bl. 116 v., 366 v., die bl. 116 ook litt. aangeeft.
-Voorts nog J. W. v. d. Linden, in de Gids, Dec. 1883 en Bijblad van de
-Herv. 9 Sept. 1887. Dr. A. Bruining, Verschillende schakeeringen van
-modernen, Bijblad v. d. Herv. 10 Febr. 1885. De Bussy, Ethisch idealisme
-1875. Id. Over de waarde en den inhoud van godsd. voorstellingen 188O.
-Id. De maatstaf van het zedelijk oordeel, enz. 1889. Id. Theol. Tijdsch.
-Jan. 1895 bl. 1-14. Een soortgelijk dualisme wordt ook aangetroffen bij
-Dr. J. H. Gunning, Overlevering en wetenschap 1879, Dr. J. W. Gunning,
-in de inleiding voor Christendom en Natuurwetenschap, acht voordrachten
-van Fred. Temple, Haarlem 1887, en eveneens bij Doedes, als hij scheiding
-maakt tusschen het geloof, dat op gronden steunt en de wetenschap, die
-op bewijzen rust, Inl. tot de Leer van God 1880 bl. 7 v.
-
-4. In Duitschland dagteekent de terugkeer tot Kant van Liebmann’s
-boek over Kant und die Epigonen 1865 en F. A. Lange’s Geschichte des
-Materialismus 1866. Cf. Hans Vaihinger, Hartmann, Dühring und Lange,
-Iserlohn 1876 S. 18 f. 54 f. usw. Ed. von Hartmann, Neukantianismus,
-Schopenhauerianismus und Hegelianismus, 2e Aufl. 1877 S. 1-118. In de
-theologie werd het Kantianisme vernieuwd door Ritschl en Lipsius. De
-principia der theologie van Ritschl en zijne school zijn deze: allereerst
-moet er eene scheiding gemaakt worden tusschen metaphysica en religie
-(theologie). Het metaphysisch begrip van het Absolute heeft niets te
-maken met de religieuse Godsidee, Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881 S.
-13. Rechtf. u. Vers. III² 201 f. 211 f. 221 f. Herrmann, Die Religion
-im Verhältniss zum Welterkennen und zur Sittlichkeit, Halle 1879 trok
-de scheiding nog verder door, en maakte onderscheid tusschen het object
-der metaphysica en der religie, ib. S. 100, tusschen de erklärbare
-en de erlebbare Wirklichkeit, S. 100, 107, tusschen de natuurlijke
-en de zedelijke wereld, S. 269, 355. Cf. ook Kaftan, Das Wesen der
-christl. Religion, Basel 1881 S. 200. Vervolgens heeft de theologie
-haar standpunt niet te nemen vóór het geloof, in eene theologia
-naturalis, die niet bestaat, maar in het geloof der gemeente. Van daar
-moet ze uitgaan en alles beschouwen en waardeeren, Ritschl, Theol. u.
-Metaph. S. 11 f. 61. Rechtf. u. Vers. I² 364 III 2-8, 13, 32, 162,
-165, 198, 304, 356 f. De orthodoxie liet aan de fides salvifica, d.
-i. de fiducia, nog wel de fides historica, den assensus voorafgaan,
-maar dat was in strijd met de oorspronkelijke leer der Hervorming bij
-Luther, Melanchton en Calvijn. Op die wijze zou het geloof altijd weer
-afhangen van uitwendige bewijzen, bestaan in het aannemen van eenige
-waarheden, en van alle vrijheid, zelfstandigheid en zekerheid worden
-beroofd, Ritschl, Fides implicita, Bonn, 1890 S. 69. Gottschick, Die
-Kirchlichkeit der sogenannten kirchl. Theol. Freiburg, 1890 S. 11-53,
-69 f. Traub, Glaube u. Theol., Stud. u. Krit. 1893, 3tes Heft S.
-568-588. Herrmann, Die Gewissheit des Glaubens und die Freiheit der
-Theol., Freiburg 1887, 2e Aufl. 1889. Id. Der Verkehr des Christen
-mit Gott, Stuttgart 1886 S. 18 f. 83 f. 92 f. 2e Aufl. 1892. Id. Der
-evang. Glaube und die Theol. Albr. Ritschls 1890. Id. in Beweis des
-Glaubens 1890. Kaftan, Brauchen wir ein neues Dogma, 1890, S. 37. Id.
-Glaube u. Dogma. Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick 1891 S. 478
-f. cf. 1893 S. 427 f. Kattenbusch, Ueber religiösen Glauben im Sinne
-des Christ. Giessen 1887. In de derde plaats tracht de theologie van
-Ritschl het zaligmakend geloof te binden aan de historische openbaring
-in den persoon van Christus. Het geloof is juist als fiducia niet
-aannemen van eene leer maar vertrouwen op een persoon. Maar dan komt
-het geloof natuurlijk niet vanzelf uit den mensch op, maar onderstelt
-het een object en eenige voorafgaande kennis van dat object. Herrmann
-erkent zelfs dat de notitia eene Vorbedingung des Glaubens is,
-Verkehr des Christen mit Gott, 2e Aufl. S. 182. Zeits. f. Theol. u.
-K. von Gottschick IV, 4tes Heft S. 273. Op welken grond staat nu dat
-object, die historische openbaring in Christus, vast? Van waar komt de
-zekerheid aangaande hare realiteit? Het antwoord, dat op die belangrijke
-vraag door de Ritschlianen gegeven wordt, is zeer verschillend. Ritschl
-zelf geeft eigenlijk geen antwoord. Hij verwijst den enkelen mensch naar
-de gemeente, die de ervaring heeft van de vergeving der zonden en van
-het kindschap Gods, maar zegt niet, wat den individueelen mensch nopen
-moet om bij die gemeente zich aan te sluiten. Alleen grondt hij het
-bestaan Gods en de redelijkheid der christelijke wereldbeschouwing op de
-zelfwaardeering des geestes, Rechtf. u. Vers. III² 200 f. 209 f. 573
-f. Zijne volgelingen slaan echter gewoonlijk andere wegen in en laten de
-waarheid der openbaring in Christus rusten op de innerlijke ervaring. De
-aanschouwing van Christus treft ons door zijne zedelijke grootheid; Hij
-maakt op het onbevangen gemoed een diepen indruk, verootmoedigt maar
-heft ook op tot het vertrouwen dat God onze Vader is, Herrmann, Der
-Verkehr des Christen mit Gott 1886 S. 18 f. 26 f. Beweis des Glaubens
-1890 S. 81 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit der sogen. kirchl. Theol.
-1890 S. 222, 226. Traub, Stud. u. Krit. 1893, S. 577. cf. Köstlin, Die
-Begründung unserer sittl. relig. Ueberzeugung 1893, S. 98 f. Frank,
-Dogmatische Studien 1892, S. 46 f. Herrmann bestrijdt zoo sterk mogelijk,
-dat historische bewijzen ons overtuigen kunnen van de waarheid van den
-persoon van Christus; hij laat de historische kritiek ook volkomen vrij
-en onttrekt haar niets, maar hij zegt toch dat de Christus extra nos de
-grond is van zijn geloof, Zeits. f. Theol. u. K. 1894, IV 4tes Heft S.
-281; hij spreekt van eene zweifellose Thatsache, S. 280; vindt dat de
-grondtrekken van het beeld van Jezus geen twijfel aan de historische
-werkelijkheid van Jezus toelaten, S. 285, en erkent deze objectieve
-waarheid niet op grond van bewijzen, maar omdat hij de macht van het
-leven van Jezus over zich gevoeld en doorleefd heeft, S. 288; omdat
-Jezus’ leven de kracht heeft, sich unserm Gewissen als eine wirkliche
-Thatsache zu bezeugen, S. 293. En alleen dat is inhoud des geloofs,
-wat de kracht heeft sich dem Gewissen als wirkliche Thatsache zu
-bezeugen, S. 293. Eene diepere ontleding van de waarheid en zekerheid
-des geloofs wordt ons in de school van Ritschl niet gegeven; de indruk,
-dien de persoon van Christus op ons maakt, de kracht die er van het
-evangelie uitgaat in ons gemoed, de zedelijke ervaring van deemoed
-en vreugde, de overeenstemming van de idee van het Godsrijk met onze
-behoeften en eischen, Kaftan, Die Wahrheit der chr. Relig. Basel 1889
-S. 537 f., schijnt voor de waarheid der openbaring in den persoon en het
-leven van Christus in te staan. Eindelijk wordt de inhoud des geloofs in
-de theologie van Ritschl tot een minimum gereduceerd. Ritschl zeide,
-Rechtf. u. Vers. III² 369 cf. 191 f. alle Erkenntnisse religiöser Art
-sind directe Werthurtheile. Ook de philosophie waardeert wel. Maar
-daar zijn de Werthurtheile bijkomstig en begeleidend. In de religie zijn
-ze zelfstandig; berusten ze op ’s menschen lust of onlust, op zijn wel
-of wee; hebben ze betrekking op zijne verhouding tot de wereld, en zijn
-onafhankelijk van de wetenschap. Als de wetenschap zich dus houdt op
-haar terrein en geene wereldbeschouwing tracht op te bouwen, dan is er
-geen strijd mogelijk, Ritschl, Theol. u. Metaph. 7, 9. Rechtf. u. Vers.
-III² 189-197. Fides implicita S. 68, 70. Herrmann ging nog verder en
-sprak zelfs uit, dat de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap
-eene inbeelding was, Die Religion usw. S. 108, 112. Maar toch hebben
-Ritschl en Herrmann de historische openbaring Gods in Christus als
-grondslag en bron van het godsdienstig geloof vastgehouden en in
-zoover de religie niet alleen in Werth- maar ook in Seinsurtheile
-laten bestaan. Het was ook al te duidelijk, dat het religieuse kennen
-evengoed de overtuiging insluit van de realiteit van zijn object als het
-wetenschappelijk kennen. Werthurtheile zijn van Seinsurtheile afhankelijk
-of anders niets dan inbeelding. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion
-S. 35 f. 41 f. 55 f. erkent dan ook, dat de Werthurtheile de objectieve
-waarheid onderstellen, al laat hij in erkenntnisstheoretischen zin
-deze ook van gene afhangen. En Häring, Die Theol. und der Vorwurf der
-doppelten Wahrheit 1886 zegt wel, dat practische, zedelijke gronden
-ons bewegen tot het geloof, maar voegt er toch aan toe, dat het
-christelijk geloof den waarborg voor de waarheid van het geloofde niet
-in zichzelf draagt, want wenschen is geen bewijs voor de vervulling van
-den wensch; maar dat het dien waarborg vindt in het historisch feit
-van de openbaring Gods in Christus, cf. Häring ook Zur Lehre von der
-h. Schrift, Stud. u. Krit. 1893, 1es Heft S. 177-212, vooral S. 199 f.
-Vandaar, dat anderen er op wijzen, dat, al moge er nog zooveel in de
-Schrift voor de kritiek bezwijken, er toch nog genoeg vast blijft staan.
-Die ganze Erscheinung Christi kan toch niet onhistorisch zijn. Het
-geloof is van de bovennatuurlijke geboorte van Christus, Harnack, Das
-apost. Glaubensbekenntniss, Berlin, 1892, van de opstanding, Harnack,
-Dogmengesch. I² 73 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 90, van de
-wonderen onafhankelijk. Eerst als het historisch-kritisch onderzoek ons
-zou willen ontnemen, dat Christus onze Heer is, dan zou het christelijk
-geloof daartegen in verzet komen, cf. Otto Ritschl, Der histor.
-Christus, der christl. Glaube u. die theol. Wissenschaft, Zeits. f.
-Theol. u. Kirche v. Gottschick III 4, 5tes Heft S. 371 f., Traub, Stud.
-u. Krit. 1893, S. 577 f. Erich Haupt, Die Bedeutung der h. Schrift für
-den evang. Christen, 1891. Max Reischle, Der Glaube an Jesus Christus
-und die geschichtliche Erforschung seines Lebens, Leipzig 1893. Van
-de rijke litt. over de theologie van Ritschl en zijne school zij alleen
-genoemd Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl 1888. Pfleiderer, Die
-Ritschl’sche Theol., Jahrb. f. prot. Theol. April 1889 S. 162 f., ook
-afzonderlijk uitgeg. te Braunschweig bij Schwetske. Id. over Herrmann,
-Kaftan en Bender, Jahrb. f. prot. Theol. 1891 S. 321-383. Id. Entw. der
-prot. Theol. 1891 S. 228 f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart
-1888 S. 230 f. Frank, Die Theol. A. Ritschl’s 3e Aufl. Erl. 1891.
-Flügel, Ritschl’s philos. und theol. Ansichten, 2e Aufl. 1892. G.
-Mielke, Das System A. Ritschl’s dargestellt, nicht kritisirt, Bonn
-Marcus 1894. Saussaye over Ritschl, Theol. Stud. van Dr. Daubanton 1884
-bl. 259 v. en mijn art. aldaar 1888 bl. 369 v.
-
-5. Een zelfde standpunt wordt eindelijk ook ingenomen door R. A.
-Lipsius, Lehrbuch der ev. prot. Dogm. 1876, 2e Aufl. 1879, 3e
-Aufl. 1893. Dogmatische Beiträge, Jahrb. f. prot. Theol. 1878, ook
-afzonderlijk uitgegeven Leipzig, Barth, 1878. Neue Beiträge, Jahrb.
-f. prot. Theol. 1885, en afzonderlijk uitgegeven onder den titel
-Philosophie und Religion, Leipzig 1885. Die Hauptpunkte der christ.
-Glaubenslehre, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S. 1-41, en afzonderlijk
-uitgegeven Braunschw. 1889, 2e Aufl. 1891. Ook Lipsius beperkt de
-wetenschap tot het gebied der in- en uitwendige ervaring, Lehrb. der
-ev. prot. Dogm. § 1. Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 181 f. 1889 S. 1 f.
-Maar nu erkent Lipsius toch, in onderscheiding van Ritschl en Herrmann,
-nog eenig recht der metaphysica. Onze rede gevoelt behoefte en drang
-om uit de ervaringswereld op te klimmen tot een unbedingten Grund, en
-vormt zoo de begrippen van het Absolute, de ziel enz., Jahrb. 1885 S.
-200, 278 f. 372, 395, ib. 1889 S. 3. Onze geest streeft naar eenheid,
-Jahrb. 1885 S. 283. Maar dit metaphysisch of philosophisch denken is
-geen eigenlijke wetenschap meer, het produceert geen positieven inhoud,
-het vermeerdert ons waarheidsbezit niet, gelijk Biedermann meent; het
-levert slechts Formbestimmingen, Grundbegriffe, regulative Prinzipien,
-Jahrb. 1885 S. 275-283. Wanneer wij er toch eenigen inhoud in willen
-leggen en er transcendente kennis door willen verkrijgen, dan dragen
-wij er zinnelijke vormen op over, en wikkelen we ons in eene antinomie.
-De logische en de symbolische opvatting van het metaphysische strijden
-met elkaar, Jahrb. 1885 S. 281-283, ib. 1889 S. 4. Langs dezen weg is
-er dus geen kennis van het bovenzinlijke te bekomen. Maar er is nog
-een andere weg, die der praktische, sittliche Nöthigungen. De mensch
-is n.l. een denkend maar ook een willend en handelend wezen, en hij
-gevoelt zich gedrongen, om zich als zoodanig tegenover de wereld te
-handhaven. Uit den Widerspruch tusschen ’s menschen geest en de natuur
-wordt bij hem de religie geboren. Deze is eene practische aangelegenheid
-des geestes, en ontstaat niet allereerst uit theoretische maar uit
-practische behoeften. De practische, ethische drang, om zich in zijn
-bestaan te handhaven, dringt den mensch tot het geloof aan God, tot
-het postuleeren van eene bovenzinnelijke wereld. Het geloof begint
-dus, waar de wetenschap ophoudt, Jahrb. 1885 S. 377 f. 557 f. Dit
-geloof brengt eene eigen zekerheid mede, geen wetenschappelijke maar
-moreele zekerheid, een zekerheid van ervaring, berustend op de erlebte
-Gewissheit van mijn eigen persoon, Jahrb. 1885 S. 385 f. 438 f. Voor
-een ander is deze zekerheid misschien niets dan inbeelding, maar voor
-het subject zelf is ze gewis, ib. 387 f. Zoodanige ervaring is ook
-het eenig criterium voor de waarheid der christelijke religie, der
-openbaring in Christus. De toeëigening der historische openbaring tot
-persoonlijk bezit is het eenige directe bewijs voor de waarheid der
-christelijke religie. De persoonlijke ervaring der geloovigen bevestigt
-de historische openbaring, gelijk deze gene wekt en versterkt, Jahrb.
-1885 S. 600 f. En de Christen, alzoo geloovende, doet dan belijdenis
-van bovenzinlijke realiteiten; in de dogmata geeft hij niet maar eene
-beschrijving van gemoedstoestanden en Werthurtheile, maar Seinsurtheile
-over de verhouding van den mensch tot God en van God tot mensch en
-wereld. Deze religiöse Aussagen zijn objectief waar, indien ze in
-onverbrekelijk, denknoodwendig verband staan met de verwezenlijking van
-onze hoogste levensbestemming. Niet toevallige, maar wel noodwendige
-Werthurtheile bewijzen de objectieve waarheid der religieuse uitspraken,
-Jahrb. 1885 S. 440, 445. Voor den geloovige zelven zijn deze bewijzen
-voldoende; en tegenover niet-geloovigen heeft hij nog altijd een indirect
-apologetisch bewijs daarin, dat practische Nöthigungen den mensch tot
-religie dwingen; de religie is geen dwang, geen natuurmacht, maar is
-practisch, psychisch noodzakelijk, en is in zoover in ’s menschen wezen
-gegrond, Jahrb. 1885 S. 627 f. 639 f. Dogmatisch heeft de geloovige
-bovendien nog de taak, om den geloofsinhoud met al zijne kennis van de
-wereld saam te voegen tot één geheel. Herrmann heeft gelooven en weten
-zoo streng mogelijk en ten einde toe gescheiden gehouden. Maar Lipsius
-laat beider inhoud wel opkomen uit eene eigen bron, maar wil dien
-dan toch ten slotte saamvatten in eene einheitliche Weltanschauung.
-De dogmatiek kan den geloofsinhoud wel niet bewijzen en het gelooven
-niet tot weten verheffen, maar ze kan en moet de christelijke, de
-teleologische wereldbeschouwing in verband brengen met de causale
-wereldbeschouwing, met de van elders verkregen kennis der wereld, en ze
-heeft dan aan te toonen dat er geen strijd is, dat het conflict slechts
-schijnbaar is, dat er inderdaad eenheid is. Al behelzen de dogmata
-geen wetenschappelijke waarheid, geen theoretische Erkenntnisse; al
-zijn ze alle bildlich en anthropomorphistisch; ze mogen toch niet in
-strijd zijn met de vaste resultaten der wetenschap. De eenheid van onzen
-geest verbiedt het aannemen van eene dubbele waarheid. De religieuse
-Godsidee en het begrip van het Absolute, vrijheid en noodwendigheid,
-teleologische en causale wereldbeschouwing enz. moeten vereenigbaar
-zijn, Jahrb. 1885 S. 648 f. 658 f. 662 f. ib. 1889 S. 6. Dogm. § 3. Cf.
-over Lipsius o. a. Ed. von Hartmann, Die Krisis des Christ. in der mod.
-Theol. Berlin 1880 S. 69 f. Biedermann, Christl. Dogm. 1884 I 58 f. 160
-f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart 1888 S. 95 f. Pfleiderer,
-Entw. der prot. Theol. 1891, S. 241 f. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov.
-1894 enz.
-
-6. Deze ethische, practische methode tot rechtvaardiging van religie
-en Christendom verdient zeker verre de voorkeur boven de historische
-en speculatieve bewijsvoering. Zij vat de religie niet enkel op als
-leer, die voor het verstand moet gerechtvaardigd worden, noch als een
-toestand van het subject, die denkend ontleed moet worden. Maar ze ziet
-in de religie eene historische, objectieve macht, die aan de zedelijke
-gesteldheid van den mensch beantwoordt en daarin haar bewijs en hare
-rechtvaardiging vindt. Maar toch is ook deze methode aan ernstige
-bedenkingen onderhevig. In de eerste plaats is de overeenstemming
-van eene religie met de zedelijke behoeften des menschen zeer zeker
-van groote beteekenis. De bevrediging van hart en geweten is het
-zegel en de kroon der religie. Een godsdienst, die niet troosten kan
-in rouw en smart, in leven en sterven, kan de ware godsdienst niet
-zijn. Van andere wetenschappen, logika, mathesis, natuurkunde, enz.
-verwachten we niet, dat zij troost zullen bieden aan de schuldige
-conscientie en het bedroefde gemoed. Maar eene religie, die aan
-krank- en sterfbed verlegen staat, die het twijfelende niet bevestigen
-en het nedergebogene niet oprichten kan, is dien naam niet waard,
-Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 4 f. De zoo dikwerf gemaakte
-tegenstelling tusschen waarheid en troost hoort in de religie niet
-thuis. Eene waarheid, die geen troost bevat, die niet samenhangt met
-het religieus-ethische leven van den mensch, houdt daardoor ook op
-eene religieuse waarheid te zijn. Gelijk de medische wetenschap in al
-hare onderdeelen beheerscht wordt door de genezing van het kranke, zoo
-is het in de religie den mensch om vrede en zaligheid te doen. Maar
-hoe hoog deze troost in de religie ook moge geschat worden en hoezeer
-hij met andere bewijzen als een krachtig motivum credibilitatis in
-aanmerking mag komen; toch is hij, alleen en op zichzelf gesteld, als
-bewijs onvoldoende. Immers, eenige troost en bevrediging is er te vinden
-in alle religies; de ervaringen van ellende en schuld, van twijfel en
-vertrouwen, van lijdzaamheid en hope zijn niet alleen bij de Christenen,
-maar ook in meerdere of mindere mate bij Mohammedanen, Buddhisten, enz.
-aanwezig. Eene religie, die geen troost biedt en geen bevrediging
-schenkt aan de zedelijke behoeften van den mensch, is zeker valsch; maar
-omgekeerd is nog niet elke religie de ware, waarin de mensch zijn troost
-en zijne bevrediging zoekt. Voorts zijn de behoeften van hart en geweten,
-waaraan eene of andere religie voldoet, of zelve onder den invloed
-dier religie gewekt, en dan is hare bevrediging vrij natuurlijk en een
-weinig krachtig bewijs; of ze zijn buiten die religie om, onder andere
-invloeden en onder de werking van een anderen godsdienst, ontstaan, en
-dan is juist die eigenaardige behoefte, welke deze religie onderstelt,
-niet aanwezig en de bevrediging ontbreekt geheel. Van eene onbewuste
-aspiratie der ziel naar het Christendom wordt in de werkelijkheid
-schier niets gevonden. Van eene rijpheid der volken voor het Evangelie
-leert de geschiedenis der zending bitter weinig. Het Evangelie is niet
-naar den mensch, niet naar de behoeften, gelijk de mensch die zelf
-zich voorstelt. Buiten de openbaring kent ook de mensch zichzelven
-niet. De menigmaal herhaalde bewering, dat het Christendom aan ’s
-menschen behoeften beantwoordt, brengt het ernstig gevaar met zich,
-dat de waarheid pasklaar gemaakt wordt voor de menschelijke natuur.
-De stelling, dat de waarheid echt menschelijk is omdat ze goddelijk
-is, slaat zoo licht in het tegendeel om, dat ze slechts goddelijk is
-omdat ze menschelijk is. De prediking naar den mond in plaats van naar
-het hart van Jeruzalem is ook op christelijke kansels niet ongewoon.
-Vervolgens is de ervaring, in welke het bewijs voor de waarheid der
-religie gezocht wordt, een zeer zwevend begrip. Wat is er dan toch in
-eene historische religie, dat werkelijk inhoud van ervaring kan zijn?
-Ervaren worden eenige religieus-ethische aandoeningen van schuld,
-berouw, vergiffenis, dankbaarheid, vreugde, enz. Maar al het andere,
-dat in eene historische religie voorkomt, valt buiten de ervaring. Voor
-geen enkel der twaalf geloofsartikelen kan het: ik geloof door het: ik
-ervaar vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en aarde, dat
-Christus is Gods eengeboren Zoon, ontvangen van den H. Geest, geboren
-uit Maria, enz., enz., is uitteraard voor geen ervaring vatbaar. Op den
-grondslag der religieus-ethische ervaring kan nimmer de waarheid van
-het historische Christendom worden gebouwd. Gevolg van deze verheffing
-van de ervaring tot principium cognoscendi is dan ook alleen, dat
-de inhoud van geloof en dogmatiek hoe langer hoe meer van al het
-historische wordt losgemaakt en tot het zoogenaamd religieus-ethische
-beperkt wordt. Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de
-reeds meermalen te vergeefs beproefde scheiding tusschen idee en feit
-in het Christendom. De vrucht kan echter niet langer geplukt worden,
-als de boom wordt omgehouwen; en het frissche, heldere water stroomt
-niet meer, wanneer de bron wordt gestopt.
-
-7. In plaats van in de bevrediging van hart en geweten, hebben anderen
-in zoogenaamde Werthurtheile den inhoud en het bewijs der christelijke
-religie gezocht. Toch is dit slechts een andere naam voor dezelfde
-zaak. Indien daarmede nu niets anders bedoeld werd, dan dat een dogma
-altijd eene religieus-ethische waarde bevatten moest, zou niemand tegen
-deze Werthurtheile eenig bezwaar kunnen inbrengen. In elk dogma moet
-men gelijk vroeger reeds gezegd werd, het hart der religie hooren slaan.
-Maar in de theologie van Ritschl kregen deze Werthurtheile eene geheele
-andere beteekenis. Van al het metaphysische losgemaakt, werden ze de
-grondslag en de inhoud der dogmatiek. En dat is onmogelijk. Religie
-sluit de overtuiging in van de realiteit van haar object. Religieuse
-en ethische waardeering onderstelt de waarheid van den persoon of
-de zaak, op welke zij betrekking heeft. Werthurtheile zijn daarom van
-Seinsurtheile afhankelijk; zij staan en vallen met deze. Indien de
-waardeering van een voorwerp niet in zijne realiteit is gegrond, wordt
-zij niets dan eene inbeelding, eene schepping der phantasie of eene
-ideaalvorming in den zin van Lange en Pierson. Het gaat daarom niet
-aan, om te zeggen: laten de feiten zoo of anders zijn, de waardeering
-beslist; want met de feiten verandert ook deze. Indien Israels volk
-en godsdienst zich zoo ontwikkeld heeft, als de nieuwere kritiek het
-voorstelt, moet de waardeering van het Oude Testament principieel
-worden gewijzigd. Eene moderne historiebeschouwing en eene orthodoxe
-waardeering passen slecht bij elkaar. Indien Christus niet waarachtig
-God is, dan kan hij ook voor den Christen niet de waarde van God hebben.
-En zoo is het met alle dogmata. Religieuse waardeering staat met
-de objectieve waarheid in het nauwste verband. Er zouden heel wat
-nevelen verdwijnen, als naar Biedermann’s wensch het Modestichwort:
-Werthurtheile gebannen werd. Cf. ook Scheibe, Die Bedeutung der
-Werthurtheile für das relig. Erkennen, Halle 1893. O. Ritschl, Ueber
-Werthurtheile, Freiburg Mohr 1895. Langzamerhand wint de overtuiging
-veld, dat religieus-ethische ervaring en waardeering, van hoe groot
-gewicht ook, toch niet de waarheid van haar object kunnen waarborgen
-noch ook de maatstaf kunnen zijn voor den inhoud der dogmatiek. Ook
-psychologisch is deze voorstelling niet te rechtvaardigen. Want de
-beslissing over de realiteit der dingen komt niet toe aan wil of
-gevoel, aan hart of geweten, maar aan het bewustzijn. Eerst als de
-realiteit van een ding voor het bewustzijn vaststaat, kunnen de andere
-vermogens der ziel daarmede werkzaam worden. Het wenschen, gevoelen,
-ervaren, verbeelden sluit in geenen deele in de realiteit van hunne
-objecten. De weg tot het hart ligt gebaand door het hoofd.
-
-Toch hebben velen, ofschoon de zwakheid inziende van het ervarings-
-en waardeeringsbewijs, er nog iets van trachten te redden door middel
-van de postulaatstheorie van Kant. Men geeft dan wel toe, dat de
-zedelijke natuur des menschen niet mag doen besluiten tot de realiteit
-van allerlei godsdienstige voorstellingen of ook tot de waarheid der
-christelijke religie; maar toch wordt aan haar het recht ontleend,
-om het werkelijk bestaan te postuleeren van al datgene, wat met die
-zedelijke natuur noodwendig samenhangt, en zonder hetwelk zij ondermijnd
-en vernietigd wordt. Maar waarin dit bestaat, kan niemand aangeven;
-de gevoelens loopen verre uiteen. Wie kan ook in het afgetrokkene
-bepalen, wat met de zedelijke natuur des menschen onmiddellijk en
-rechtstreeks gegeven is? Bij ieder is die zedelijke natuur verschillend
-naar gelang van de omgeving, waarin zij gevormd is. Elk postuleert
-juist zooveel, als waaraan hij voor zijne religie genoeg heeft. Kant
-leidde uit de practische rede datgene af, wat den inhoud uitmaakte
-van zijne moralische Vernunftreligion, het bestaan van God, vrijheid
-en onsterfelijkheid. Fichte had genoeg aan de zedelijke wereldorde. En
-Rauwenhoff beweert, dat het geloof in onszelf noodwendig postuleert het
-geloof aan eene zoodanige gesteldheid van de wereld, dat de wet van het
-plichtbesef daarin heerschen kan, Wijsb. v. d. godsd. bl. 343. Waarin
-deze gesteldheid bestaat, wordt ons niet nader gezegd. De zedelijke
-wereldorde, door Rauwenhoff gepostuleerd, is niets anders dan het
-goede in ons, bl. 536 v. Maar daarmede komen we geen stap verder. Want
-deze macht van het goede is ook thans reeds in den mensch aanwezig en
-valt geheel saam met die zedelijke natuur, op welke juist het postulaat
-was gebouwd. Of het postulaat nog iets meer insluit, bijv. dat het goede
-triumfeeren zal, dat eens alle menschen het zullen kunnen en willen
-volbrengen, daarover wordt het zwijgen bewaard. Rauwenhoff verwacht
-dezen triumf van het goede, maar op welken grond, zegt hij niet. Indien
-echter de tegenwoordige gesteldheid der wereld bestaanbaar is met de
-heerschappij der zedewet in ons, waarom zou zij het dan ook niet kunnen
-zijn in de toekomst? Wat recht geeft de zedelijke natuur van den mensch,
-om aan het eind de volkomen zegepraal van het goede, de harmonie
-van deugd en geluk, de overeenstemming van natuurlijke en zedelijke
-wereldorde te eischen? Bij Rauwenhoff is de postulaatstheorie daarmee
-geeindigd, dat zij tot het punt van uitgang is teruggekeerd; zij gaf aan
-het eind niet meer dan zij reeds bevatte in het begin. Maar afgezien van
-hare povere resultaten, rijst de vraag, of de grondslag betrouwbaar is,
-waarop het postulaat wordt gebouwd? Voor den modernen godsdienstwijsgeer
-is dit niet boven alle bedenking verheven. In de religie wil hij van
-eene oorspronkelijke religieuse natuur des menschen niet weten. Dat
-ware met eene wetenschappelijke verklaring in strijd. De religie moet
-afgeleid worden uit factoren, die elk op zichzelf nog niet religieus
-zijn. Maar toegekomen aan de zedelijke natuur van den mensch, schijnt hij
-den eisch zijner wetenschappelijke verklaring geheel te vergeten. Zonder
-zich te bekommeren om de bezwaren, van de zijde der materialistische
-wetenschap ingebracht, gaat hij van de zedelijke natuur des menschen als
-van eene vaststaande, onveranderlijke, oorspronkelijke eigenschap uit
-en bouwt daarop de realiteit eener zedelijke wereldorde of zelfs van
-eene geheele metaphysische wereld. Het recht daartoe had ten minste
-moeten aangetoond zijn. Indien dit onderzoek vooraf ware ingesteld, zou
-misschien gebleken zijn, dat de zedelijke natuur van den mensch zelve
-reeds de religie onderstelt. In erkenntnisstheoretischen zin moge men
-evenals bij het moreel bewijs voor het bestaan van God uit het zedelijke
-opklimmen tot het religieuse; logisch en reëel gaat toch de religie
-aan het ethische vooraf. Er is geen moraal zonder metaphysica. De idee
-van plicht involveert die van eene absolute macht, die bindt in de
-conscientie. Over Rauwenhoff’s Wijsb. v. d. godsd. wordt litt. opgegeven
-door Kuenen in zijn Levensbericht van R., Maatsch. v. Ned. Lett. 1889
-bl. 126, en daarbij de Bussy, Gids Oct. 1889. Cannegieter, De godsdienst
-uit plichtsbesef enz. Leiden 1890.
-
-8. Een laatste bezwaar tegen de bovengenoemde richting bestaat daarin,
-dat zij altijd komen moet tot een zeker dualisme van gelooven en weten.
-Sommigen hebben dit zeer kras uitgesproken. De scholastiek eindigde
-in de Middeleeuwen bij enkele theologen met de stelling, dat iets in
-de theologie waar en in de philosophie valsch kon zijn. Jacobi beleed
-een heiden met het verstand maar een christen met het hart te zijn.
-Herrmann noemde de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap eene
-inbeelding. De ethische modernen eischten eene volledige scheiding
-tusschen wijsbegeerte en godsdienstig leven. De meesten durven echter
-zoover niet gaan en zien de onmogelijkheid in, om als wijsgeeren neen en
-als godsdienstige menschen ja te zeggen. Zij erkennen, dat er aan het
-eind toch samenstemming moet bestaan tusschen de uitspraken des geloofs
-en de resultaten der wetenschap. De wijsbegeerte moge de godsdienstige
-voorstellingen niet kunnen rechtvaardigen; zij moet er toch ook niet
-de onwaarheid van kunnen aantoonen. Beide, de uitkomsten van het
-wetenschappelijk onderzoek en de uitspraken van het godsdienstig geloof
-moeten tot één geheel verbonden kunnen worden of althans zonder strijd
-en vijandschap naast elkander kunnen bestaan. Deze overeenstemming aan
-’t eind, in de resultaten, tracht men dan daardoor te verkrijgen, dat
-men eenerzijds de wetenschap in betrekking tot het bovenzinlijke en
-bovennatuurlijke agnostisch maakt, en aan de andere zijde de uitspraken
-van het godsdienstig geloof strikt tot het religieus-ethische beperkt.
-Maar al tracht men op die wijze het dualisme in het resultaat te
-vermijden, feitelijk blijft men het toch huldigen in het orgaan, waardoor
-en den weg of de methode, waarlangs men tot kennis der waarheid komt.
-Het hart is op zijn terrein evengoed een orgaan voor de waarheid als
-het hoofd. Godsdienstig-zedelijke ervaring waarborgt de realiteit der
-onzienlijke dingen even sterk als de zinnelijke waarneming die der
-zichtbare wereld. Het geloof met zijn gronden heeft evenveel recht als
-de wetenschap met hare bewijzen. Maar het is moeilijk in te zien, hoe
-men aan het dualisme, dat men bij den aanvang, in principe aanvaardt, in
-het eind bij het resultaat ontkomen kan. Indien hoofd en hart een eigen
-leven hebben, in dien zin, dat zij elk een zelfstandig orgaan vormen
-tot kennis der waarheid, dan is ook de eenheid van de waarheid, van de
-wereld, ja van God zelven, niet meer te handhaven. Gelijk subjectief de
-mensch in tweeën uiteenvalt, en eenerzijds een godsdienstloos wezen is,
-ingesloten in het natuurverband, en andererzijds een religieus-ethisch
-wezen, burger van eene zedelijke wereldorde; zoo staan objectief
-wetenschap en religie, erklärbare en erlebbare Wirklichkeit, de wereld
-van het zijn en van de waardeering, de zienlijke en de onzienlijke dingen,
-de absolute natuurmacht en de religieuse Godsidee gescheiden naast en
-straks vijandig tegenover elkaar.
-
-Nu ligt er ongetwijfeld in dit dualisme eene zekere waarheid, die
-niet miskend worden mag. Er is n.l. behalve eene logische, ook nog
-eene zekerheid des geloofs. Maar deze onderscheiding is, gelijk later
-blijken zal, eene gansch andere dan de scheiding, welke door het boven
-omschreven dualisme wordt voorgesteld. Deze tweeërlei zekerheid toch
-deelt noch den mensch noch de wereld in twee helften, maar maakt in
-den kring der wetenschap zelven onderscheid tusschen datgene wat
-onmiddellijk en wat door middel van bewijzen tot onze kennis komt.
-Maar het dualisme, dat in de nieuwere philosophie tot heerschappij is
-gekomen, laat al het geschapene in twee geheel gescheiden kringen
-uiteenvallen, en is daardoor in strijd met de eenheid van ’s menschen
-geest, met de eenheid der wetenschap en der waarheid, met de eenheid
-der wereld, met de eenheid van het goddelijk Wezen zelf. Daarom
-is het ook niet in staat, om gelooven en weten met elkander te
-verzoenen; veeleer doet het den strijd tusschen beide nog toenemen.
-Het geloof immers kan met die scheiding niet tevreden zijn, wijl het
-al het historische en metaphysische, waar het altijd in meerdere of
-mindere mate mede samenhangt, zich ontnomen ziet, en daarom of van
-de wetenschap geheel afhankelijk wordt of in het vage, mysterieuse
-gevoel zich terugtrekken moet. En de wetenschap kan er geen vrede bij
-hebben, omdat de beslissing over de realiteit der dingen opgedragen
-wordt aan eene faculteit, die daartoe ten eenenmale het recht en de
-bevoegdheid mist. Beide, geloof en wetenschap, laten zich niet op die
-wijze beperken. Zij grijpen ieder oogenblik op elkander in. Het kan ook
-geen goede eisch zijn, dat de religieuse mensch ophoude God te dienen,
-als hij aan de wetenschap zich wijdt, of de man van wetenschap zijn denken
-het zwijgen oplegge, als hij het terrein der religie betreedt, cf. boven
-bl. 29, 155 v.
-
-
-§ 17. HET GELOOF.
-
-1. Uit het voorafgaand onderzoek is ons duidelijk geworden, dat het
-principium internum der christelijke religie en theologie niet gelegen
-kan zijn in het verstand, de rede of het hart van den psychischen
-mensch. Noch bewijzen noch redeneeringen noch ook overeenstemming
-met ’s menschen behoeften zijn in staat, om ons te overtuigen van de
-diviniteit der religieuse waarheid. Op ieder terrein, en zoo ook in de
-religie behoort het principium internum aan het principium externum te
-beantwoorden; het moet daarmede van gelijke natuur zijn. Gelijk het licht
-alleen waar te nemen is door het oog, zoo kan de goddelijke waarheid
-alleen erkend worden door hem, die Gode verwant en zijn beeld is.
-Alle bovengenoemde richtingen hebben dit in meerdere of mindere mate
-beseft. Zelfs zij, die de waarheid der christelijke religie verstandelijk
-wilden bewijzen, oordeelden toch, dat er van ’s menschen zijde eene
-zekere zedelijke gesteldheid noodig was, om de kracht dier bewijzen
-te gevoelen. Pascal beproefde in het eerste deel zijner apologie den
-mensch tot kennis zijner ellende te brengen en de behoefte bij hem op
-te wekken naar verlossing en vrede. Door en na Schleiermacher zijn de
-meeste theologen tot het inzicht gekomen, dat de religie van eene
-eigene natuur is en daarom ook door een eigen orgaan in den mensch
-moet worden gekend. De poging, om dat orgaan te vinden in de rede, het
-geweten, het hart, het gevoel was reeds eene schrede op den goeden weg,
-en verdiende verre de voorkeur boven het rationalistisch streven, om de
-godsdienstige waarheid te betoogen voor het nuchter verstand. Maar toch
-was daarmede nog niet genoeg gedaan. Indien er geen zonde ware, zou de
-mensch in zichzelf het vermogen bezitten, om de waarheid van de leugen
-te onderkennen even helder als het oog het licht onderscheidt van de
-duisternis. Maar niemand kan beweren, dat dit het geval is. De zonde
-heeft den mensch verduisterd in het verstand en bedorven in den wil.
-De onreine van hart kan God niet zien. Daarom is noodig, dat objectief
-de waarheid ons zuiver te gemoet trede en dat subjectief ons oog voor
-die waarheid worde geopend. De Schrift gaat hiervan uit. Zij onderwerpt
-zich niet aan het oordeel van den natuurlijken mensch; want alleen de
-geestelijke mensch, de wedergeborene, kan de dingen des Geestes Gods en
-van het koninkrijk der hemelen onderscheiden. Daarom behoudt de Schrift
-zelve het recht en de macht zich voor, om den mensch tot erkenning
-harer waarheid te brengen. Ze doet dat op geestelijke wijze, niet door
-bewijzen en redeneeringen maar in den weg eener geestelijke ervaring,
-door de onderwijzing des H. Geestes. Er is daarom niet alleen eene
-openbaring Gods in Christus buiten ons, maar ook eene verlichting des
-H. Geestes in ons; nadat God door den Zoon tot ons heeft gesproken,
-is de H. Geest gekomen om ons te leiden in de waarheid. God gaf niet
-alleen eene Schrift, die de objectieve openbaring volkomen bevat, maar
-stichtte ook eene kerk, welke het woord Gods verstaat en als waarheid
-belijdt. Het is om die reden ook met het wezen der christelijke religie
-in strijd, om haar waarheid te laten afhangen van het onderzoek en de
-uitspraak van den zondigen mensch. De dogmaticus heeft zijn standpunt te
-nemen niet vóór of buiten, maar midden in het geloof. De methodische
-twijfel van Bacon en Cartesius is noch in de philosophie noch in de
-theologie op zijne plaats. Twijfel moge hoogstens aanleiding zijn om de
-waarheid te gaan zoeken, het geloof alleen doet ze vinden; geloof
-is altijd de diepste grond van den arbeid der wetenschap, Snellen,
-Bijblad v. d. Herv. 26 Febr. 1895 bl. 5. Voetius trok daarom terecht
-te velde tegen de theologia dubitans van Cartesius, Disp. Sel. III
-825-870. A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek 1861 bl. 192 v.
-Het is eene verkeerde methode, als de wijsgeer van zijne natuurlijke
-zekerheid en de dogmaticus van zijn geloof zich ontdoet, eer hij met
-den wetenschappelijken arbeid een aanvang maakt. Zulk eene methode is
-niet alleen onpractisch maar laadt op den man van wetenschap ook den
-schijn, alsof zijne overtuiging en zijn geloof werkelijk op die gronden
-rust, die zijn denken hem achterna vinden doet. Cartesius vond een vast
-uitgangspunt in het cogito ergo sum. Maar niemand zal meenen, dat hij
-daarmede den laatsten en diepsten grond van het geloof aan zijn eigen
-bestaan heeft genoemd. Ook al werd de onjuistheid van deze thesis hem
-aangetoond, hij zou toch even vast aan zijn eigen bestaan blijven gelooven
-als vóór dien tijd. Evenmin als de wijsbegeerte de natuurlijke zekerheid
-ter zijde mag stellen, kan de dogmaticus zijne positie nemen buiten
-het geloof, waarin hij menigmaal al van der jeugd aan is opgevoed. De
-wetenschap heeft haar object niet te scheppen, maar te verklaren. De
-christelijke theologie heeft daarom een subjectief uitgangspunt. Zij
-neemt haar standpunt in de gemeente, die de waarheid Gods gelooft en
-belijdt. Een ander standpunt is er niet. Rome zoekt er wel naar maar kan
-het niet vinden. De Reformatie heeft ook het zoeken ernaar nagelaten;
-zij ging uit van het geloovig subject. En toen de theologie van het
-rationalisme en het supranaturalisme dit standpunt had prijsgegeven,
-is de nieuwere theologie door en na Schleiermacher schier in al hare
-richtingen tot dit reformatorisch beginsel teruggekeerd. Heel de
-theologie is ethisch geworden, in dien zin dat ze ernst heeft gemaakt
-met de stelling, dat alleen de wedergeborene het koninkrijk Gods ziet
-en dat alleen, wie Gods wil wil doen, erkennen kan of Jezus’ leer uit
-God is. Schier alle theologen nemen thans hun standpunt in het geloovig
-bewustzijn, in de wedergeboorte, in de religieuse ervaring. Er is in
-dit alles eene merkwaardige overeenstemming. De beschuldiging van
-subjectivisme tegen dit standpunt is geheel misplaatst. Er is nergens,
-in geen enkele wetenschap, een ander uitgangspunt. Het licht onderstelt
-het oog, de klank is alleen waarneembaar voor het oor. Al het
-objectieve bestaat voor ons slechts door bemiddeling van het subjectief
-bewustzijn. Zonder bewustzijn is de gansche wereld dood voor mij. Eene
-objectiviteit te begeeren, die niet subjectief bemiddeld ware, is een
-onmogelijke eisch. Tusschen het zijn der dingen en ons eigen zijn blijft
-altijd de waarneming instaan. Het subjectieve uitgangspunt heeft dus de
-theologie met alle wetenschap, ja met alle verhoudingen, die er bestaan
-tusschen mensch en wereld, gemeen. De beschuldiging van subjectivisme
-krijgt dan eerst recht van bestaan, wanneer het subjectief orgaan, dat
-onmisbaar is tot waarneming van het objectief bestaande, tot principium
-der kennis verheven wordt. Het oog moge onontbeerlijk orgaan wezen voor
-de waarneming van het licht, het is er toch niet de bron van. Het is
-juist de fout van het idealistisch rationalisme, dat het het orgaan
-met de bron der kennis vereenzelvigt, boven bl. 149. Het denken is
-niet de bron van het gedachte, de voorstelling niet de oorzaak van
-het ding, het ik niet de schepper van het niet-ik; en zoo kan ook het
-geloof, de wedergeboorte, de ervaring niet de bron onzer religieuse
-kennis en niet het beginsel onzer theologie zijn. Hoezeer de nieuwere
-theologie dus terecht haar standpunt neemt in het subject, ze dwaalt,
-als zij daarom onder invloed der idealistische wijsbegeerte de theologie
-in anthropologie, ecclesiologie, godsdienstwetenschap verandert. In
-zooverre heeft Ritschl te recht de bewustzijnstheologie, die algemeen
-na Schleiermacher was opgekomen, teruggeroepen naar de objectieve,
-historische openbaring in Christus.
-
-2. Meestentijds wordt in de Schrift, althans in het N. Testament,
-dit principium internum aangeduid met den naam van geloof. Ook
-wedergeboorte, reinheid des harten, liefde tot Gods wil, de Geest Gods
-worden in de Schrift als principium internum voorgesteld, Mt. 5:8;
-Joh. 3:3, 5, 7:17; 1 Cor. 2:12 enz. Toch verdient de naam van geloof
-ter aanduiding van dit principium de voorkeur. Niet alleen, omdat het
-geloof in de Schrift het meest als zoodanig op den voorgrond treedt.
-Maar vooral ook, omdat het begrip geloof ons plaatst op het terrein van
-het bewustzijn en daarbij den samenhang bewaart met de wijze, waarop we
-op ander gebied tot kennis komen. Vroeger zagen we, dat de menschelijke
-rede nooit en nergens bron is der kennis. Aangeboren begrippen zijn er
-niet. De mensch is physisch en evenzoo intellectueel geheel afhankelijk
-van de wereld buiten hem. Alle kennis komt van buiten. Maar al die
-kennis is van ’s menschen zijde bemiddeld door zijn bewustzijn. Niet het
-gevoel of het hart, maar het hoofd, het bewustzijn in zijn ganschen
-omvang (gewaarwording, besef, waarneming, verstand, rede, geweten) is
-het subjectieve orgaan der waarheid. Als de Schrift het geloof nu het
-principium internum noemt, dan huldigt ze daarmede dezelfde opvatting,
-en erkent dat ook de openbaring Gods alleen tot onze kennis komen kan
-door het bewustzijn heen. Niet alsof wedergeboorte, liefde, reinheid
-des harten, daarbij niet van de grootste beteekenis zouden zijn; het
-tegendeel zal later blijken. Maar het eigenlijk orgaan, waardoor de
-openbaring Gods gekend wordt, is een akte van het bewustzijn, n.l. het
-geloof. De openbaring Gods is een systeem van woorden en daden Gods,
-welke buiten en onafhankelijk van ons bestaan. Hoe zouden deze ooit tot
-onze kennis kunnen komen dan door het bewustzijn heen? De openbaring
-Gods is evangelie, is belofte, belofte van vergeving en zaligheid; maar
-aan eene belofte kan onzerzijds niets dan geloof beantwoorden. Alleen
-door geloof wordt eene belofte ons eigendom. Het geloof is daarom het
-principium internum cognoscendi van de openbaring, en alzoo ook van de
-religie en de theologie, Hartmann, Religionsphilos. II 65 f.
-
-Maar ook om nog eene andere reden verdient het de voorkeur, om het
-principium internum aan te duiden met den naam van geloof. Want
-daardoor wordt de samenhang bewaard van het religieuse kennen met
-alle andere kennen van den mensch. Er is zeker onderscheid, maar
-allereerst dient toch op de overeenstemming te worden gelet. Wij komen
-in religie en theologie op geen andere wijze tot kennis dan in de andere
-wetenschappen. Het geloof is geen nieuw orgaan, dat in den mensch wordt
-ingeplant, geen zesde zintuig, geen donum superadditum. Hoezeer het
-strijde met den „natuurlijken” mensch, het is toch volkomen natuurlijk,
-normaal, menschelijk. De openbaring sluit objectief en subjectief bij
-de natuur, de herschepping bij de schepping zich aan. Gelooven in het
-algemeen is een zeer gewone weg, om tot kennis en zekerheid te komen.
-Wij beginnen op ieder gebied met gelooven. Onze natuurlijke geneigdheid
-is te gelooven. Alleen verworven kennis en ervaring leeren ons
-ongeloovigheid, Hoekstra, Bronnen en grondslagen van het godsd. geloof
-1864 bl. 383. Geloof is de grondslag der maatschappij en het fundament
-der wetenschap. Alle zekerheid rust ten slotte in geloof. Wel wordt
-het woord gelooven ook in eene zwakkere beteekenis gebruikt, als wij
-iets niet zeker weten maar toch op voor onszelven voldoende gronden
-voor waarschijnlijk houden. Gelooven vormt dan eene tegenstelling met
-weten en is aan meenen verwant. Zoo komt het voor in de uitdrukking:
-ik weet het niet, maar geloof het wel. Maar in deze beteekenis gaat
-het gebruik van het woord lang niet op. Reeds de etymologie wijst aan,
-dat er in het geloof nog eene andere diepere beteekenis schuilt. Het
-woord geloof is met loven, verloven, beloven, veroorloven, oorlof,
-lof, gelofte afkomstig van denzelfden stam; het is met lieven verwant,
-en drukt uit een met heel zijn persoon vertrouwen op, eene liefdevolle
-overgave en toewijding aan iemand, Kahnis, Luth. Dogm. 2e Ausg. I
-106. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 82 v. cf. Woordenboek der Ned. Taal s.
-v. Ook in andere talen heeft het woord geloof deze oorspronkelijke
-beteekenis van toewijding, vertrouwen, zekerheid, zooals האמין‎, ‏אמונה;
-πειθω, πιστις; fido, fides; foi; faith naast belief enz. Gelooven
-wordt dan ook dikwerf gebezigd voor al zulke zekere kennis, welke
-niet op bewijzen maar op onmiddellijk, rechtstreeksch inzicht steunt.
-Plato onderscheidde ἐπιστημη, διανοια, πιστις en εἰκασια en verstond
-onder πιστις de zekerheid aangaande de zinnelijke wereld op grond van
-de waarneming, de Rep. VI p. 511, VII p. 534, cf. Zeller, Philos. der
-Griechen, 4e Aufl. II 591, 593. Siebeck, Gesch. der Psych. S. 209.
-Daarom zegt hij Tim. p. 29 c.: ὁ τι γαρ προς γενεσιν οὐσια, τουτο προς
-πιστιν ἀληθεια. Aristoteles maakte onderscheid tusschen kennis, welke
-langs demonstratieven weg werd verkregen, en kennis der principia,
-die uit den νους zelven werd afgeleid. Nu noemt hij deze laatste wel
-niet met den naam van geloof, maar toch zegt hij, Eth. Nicom. VI 3:
-ὁταν γαρ πως πιστευῃ και γνωριμοι αὐτῳ ὠσιν αἱ ἀρχαι, ἐπισταται. Toen
-daarna in het Christendom het woord geloof zulk eene diepe religieuse
-beteekenis kreeg, wezen vele kerkvaders met voorliefde op de belangrijke
-plaats, welke het gelooven in leven en wetenschap inneemt. Clemens
-Alexandrinus verstaat onder πιστις menigmaal alle onmiddellijke kennis
-en zekerheid, en zegt dan, dat er geen wetenschap is zonder geloof, dat
-de eerste principia, waaronder bijv. ook het bestaan Gods, niet bewezen
-maar geloofd worden, Strom. II n. 4, 6, cf. Denzinger, Vier Bücher von
-der relig. Erk. II 470. Strauss, Glaub. I 301 f. Vooral Augustinus
-heeft deze beteekenis van het geloof voor maatschappij en wetenschap
-in het licht gesteld. Wie niet gelooft, komt nimmer tot weten; nisi
-credideritis, non intelligetis, de trin. 15, 2 en passim. Het geloof is
-grondslag en band van heel de menschelijke samenleving. Als de stelling
-doorging, quod non video, credere non debeo, zouden alle banden des
-bloeds, der vriendschap en der liefde verbroken worden. Si ergo non
-credentibus nobis quae videre non possumus, ipsa humana societas,
-concordia pereunte, non stabit; quanto magis fides, quamvis quae non
-videntur, rebus est adhibenda divinis? de fide rerum invisibilium cap.
-3, cf. de util. cred. c. 10 sq. Conf. 6, 5, cf. Ritter, Gesch. der
-christl. Philos. II 252 f. Gangauf Metaph. Psych. des Aug. 1852 S.
-52 f. Sedert keeren deze zelfde gedachten bij de christelijke theologen
-telkens terug, bijv. in den nieuweren tijd bij Dorner, Glaub. I 3.
-Lange, Dogm. I 342 f. Oosterzee, voor Kerk en Theol. I 94. Kuyper,
-Encycl. II 71 v. enz. De naam van geloof is dan gegeven geworden aan
-de onmiddellijke kennis der principia; aan het vertrouwen op onszelf,
-op onze waarneming en ons denken; aan de erkenning van het objectief
-bestaan der buitenwereld; aan het onderling vertrouwen, waarop heel de
-menschelijke samenleving is gebouwd; aan al datgene, wat door intuitie
-geweten en gedaan wordt. In zulk een geloof zag Schiller den waarborg
-van het bestaan dier nieuwe wereld, welke Columbus zocht: Wär’ sie noch
-nicht, sie stieg’ jetzt aus den Fluthen empor.
-
-Niemand, die doordenkt, zal deze diepe beteekenis der πιστις voor
-leven, kunst en wetenschap loochenen. Tegenover hen, die meenen, dat
-niets voor waar gehouden mag worden, wat niet zinnelijk waar te nemen
-of mathematisch te bewijzen is, staat het boven allen twijfel vast, dat
-verreweg het meeste en het belangrijkste, dat wij weten, niet op bewijzen
-steunt, maar op onmiddellijke zekerheid. Het gebied dezer laatste is
-veel grooter dan dat der demonstratieve zekerheid. En deze laatste is
-altijd weer op de eerste gebouwd, en staat en valt met deze. De weg,
-om op eene andere wijze dan door mathematische en logische bewijzen tot
-kennis en zekerheid te komen, is dus niets vreemds aan de menschelijke
-natuur. Geloof in algemeenen, ruimen zin is een onmisbaar element in
-de samenleving, en een normale weg tot wetenschap. Het is niet eerst
-door de zonde noodzakelijk geworden; buiten de zonde zou de intuitieve
-kennis en de onmiddellijke zekerheid nog breeder plaats hebben
-ingenomen in het menschelijk leven. Nog is in die mate ’s menschen
-oorspronkelijkheid grooter, als hij niet uit de reflectie maar uit de
-intuitie leeft. Als analogieën van het religieuse geloof kunnen alle
-bovengenoemde voorbeelden dus uitnemenden dienst bewijzen. Zij hebben met
-het godsdienstig geloof dit gemeen, dat de kennis onmiddellijk, niet
-door nadenken wordt verkregen, en dat ze in zekerheid niets onderdoet
-voor die, welke op bewijzen rust. Zij houden bovendien het verband
-vast, dat er bestaat tusschen den gewonen weg, waarop wij menschen tot
-kennis komen, en den weg des geloofs, die op religieus terrein tot
-zekerheid leidt. Zij toonen, dat gelooven op zichzelf zoo weinig met
-de menschelijke natuur en met den eisch der wetenschap in strijd is, dat
-er zonder dat van een normaal mensch en eene normale wetenschap geen
-sprake kan zijn.
-
-3. Maar om deze overeenstemming mag toch het verschil niet over
-het hoofd worden gezien, dat er bestaat tusschen het geloof als
-onmiddellijke zekerheid en het geloof in godsdienstigen zin. In de
-religie, bepaaldelijk in de christelijke, krijgt πιστις eene eigene
-waarde. Ook de Grieken bezigden het woord in religieusen zin, van
-het geloof aan de goden, Cremer, Wörterbuch der neut. Gräcität s.
-v.; maar ook dan heeft het toch zelf geen religieuse beteekenis,
-evenmin als wanneer wij spreken van geloof aan God, aan de ziel en hare
-onsterfelijkheid enz. Gelooven is hier nog het gewone geloof, dat we
-dagelijks oefenen, maar toegepast op godsdienstige voorstellingen. In
-het N. Test. wordt πιστις echter geheel en al religieus bepaald, in
-voorwerp, grond en oorsprong; het duidt zelf eene religieuse verhouding
-aan van den mensch tot God. In Hebr. 11:1 worden ἐλπιζομενα, πραγματα
-οὐ βλεπομενα het algemeene voorwerp van het christelijk geloof genoemd.
-Reeds hierdoor is het geloof in religieusen zin onderscheiden van de
-kennis, die we door onmiddellijke zekerheid bezitten. Het geloof aan
-de buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, enz. berust
-op eigen inwendige waarneming. Wij hebben van al deze zaken een
-onmiddellijk besef. Maar het voorwerp van het christelijk geloof is
-onzienlijk en voor geen waarneming vatbaar. Als iets onmiddellijk door
-onszelf wordt waargenomen, is geloof overbodig; het geloof staat tegen
-aanschouwen over, Rom. 8:24; 2 Cor. 5:7. Daarmede is niet in strijd,
-dat de openbaring toch plaats had in ruimte en tijd, dat de persoon van
-Christus aanschouwd en getast kon worden. Want als voorwerp des geloofs
-is heel deze openbaring toch niet waarneembaar. Velen zagen Jezus en
-geloofden toch niet in Hem; alleen zijne discipelen aanschouwden in Hem
-eene δοξα ὡς μονογενους παρα πατρος, Joh. 1:14. Object van het geloof
-zijn woorden en daden alleen sub ratione Dei. Maar in de Schrift krijgt
-πιστις als fides salvifica eene nog praegnanter beteekenis; het heeft
-tot voorwerp niet allerlei woorden en daden Gods op zichzelf, maar de
-genade Gods in Christus, de beloften des evangelies, Mk. 1:15; Joh.
-3:16, 17:3; Rom. 3:22; Gal. 2:20, 3:26 enz. Dit speciale object komt
-voor het geloof nog onder eene andere kategorie in aanmerking dan
-onder die van waar tegenover valsch. En de algemeene natuur van het
-geloof wordt er zoo door gewijzigd, dat het in een vast en zeker weten,
-in een objectief voor waar houden niet opgaat, maar ook insluit een
-hartelijk vertrouwen op, eene algeheele overgave aan, eene persoonlijke
-toeëigening van de beloften Gods, in het evangelie geschonken.
-
-Vervolgens is het geloof in religieusen zin van de onmiddellijke
-zekerheid daarin onderscheiden, dat de laatste op eigen, maar het
-eerste op anderer inzicht steunt. Reeds dit is opmerkelijk, dat het
-woord geloof voor al die gevallen, waarin kennis op onmiddellijke
-waarneming rust, niet algemeen in gebruik is. Het geloof aan de
-buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, aan de prima
-principia wordt gewoonlijk als onmiddellijk weten aangeduid. En inderdaad
-berust deze onmiddellijke kennis evenals de demonstratieve op eigen
-waarneming en inzicht. In zoover kan zij dan ook een weten worden
-genoemd in onderscheiding van gelooven. Doch bij de fides salvifica is
-het een ander geval. Deze heeft zeer zeker de genade Gods in Christus
-tot object. Maar van die genade Gods zouden we niet de minste kennis
-dragen, indien zij niet door het getuigenis van anderen tot ons gekomen
-ware, indien zij ons niet verzekerd wierd in de H. Schrift. Tusschen
-den persoon van Christus en ons geloof komt dus het getuigenis van
-de apostelen in te staan. Het woord Gods is medium gratiae. Wel komt
-nu die Schrift voor het geloof alleen als Gods woord in aanmerking,
-1 Thess. 2:13. Want het religieus geloof kan niet rusten dan in eene
-getuigenis Gods, Joh. 3:33; Rom. 10:14 v.; 1 Joh. 5:9-11. Maar toch
-is het geloof aan die Schrift verbonden. Het heeft de genade Gods tot
-object maar gelijk ze betuigd wordt in de H. Schrift; of, gelijk Calvijn
-Inst. III, 2, 6 het uitdrukt, het heeft tot voorwerp Christum evangelio
-suo vestitum. Daarom strekt het geloof als in één akte èn naar den
-persoon van Christus èn naar de Schrift zich uit. Het omhelst Christus
-als Zaligmaker en de Schrift als Gods woord. En daarom is ook beide
-waar: door Christus tot de Schrift en door de Schrift tot Christus.
-De Schrift leidt tot Christus henen en richt ’s menschen gedachten en
-genegenheden op Hem, die thans leeft in den hemel. Zelfs zij, die alle
-notitia en assensus uit de fides salvifica wegnemen en ze geheel en al
-in fiducia willen laten opgaan, kunnen er niet buiten, om deze fiducia
-te laten ontstaan uit een indruk, door het beeld van Christus op de
-ziel gemaakt. Ook het piëtisme is aan uitwendige middelen gebonden. Het
-moge die middelen beperken en niets willen weten van een catechismus of
-dogmatiek; het tracht toch de kinderen tot bekeering te leiden door tot
-hen te spreken van den lieven Jezus, Pierson, Eene levensbeschouwing
-bl. 13. Er is ook geen andere weg tot het hart des menschen dan door
-zijn hoofd en zijn bewustzijn heen. Gods Geest alleen kan onmiddellijk
-werken in het hart; wij zijn aan de middelen gebonden. De Schrift is en
-blijft medium gratiae. Maar omgekeerd werkt het geloof in Christus ook
-weer terug op het geloof aan de Schrift; het bindt en legt ons vast aan
-die Schrift en doet er ons op vertrouwen in nood en dood. Onze ziel
-moge dus aan Christus, den levenden Heer in de hemelen, onverbreekbaar
-gebonden zijn door de unio mystica des H. Geestes; voor ons bewustzijn
-is Christus, is heel de wereld der ἐλπιζομενα er slechts door het
-getuigenis Gods in zijn woord. En daarom sluit de fides salvifica ook
-altijd een kennen in. Wel is deze kennis van het zaligmakend geloof
-wezenlijk onderscheiden van de kennis der fides historica. Zelfs als
-deze laatste voorafgaat, wordt zij toch later op de fides salvifica
-nieuw ingeënt en verandert van karakter. Zij is geen bloot voor waar
-houden maar eene vaste en zekere kennis in den zin der H. Schrift.
-De bijbelsche idee van kennen is eene gansch andere en veel diepere
-dan die van het gewone spraakgebruik. Maar desniettemin is de kennis,
-welke de geloovige bezit, niet onmiddellijk en niet door eigen inzicht
-verkregen; zij is gebonden aan de H. Schrift; zij rust op het getuigenis
-van apostelen en profeten als op het woord Gods.
-
-Eindelijk is het christelijk geloof van de onmiddellijke zekerheid nog
-daardoor onderscheiden, dat het niet vanzelf opkomt uit de menschelijke
-natuur. Aan de buitenwereld, aan de principia, aan de waarneming, aan
-de denkwetten enz. gelooft ieder mensch vanzelf, zonder bevel, op grond
-van eigen inzicht. Maar alzoo is het niet met het christelijk geloof.
-Het geloof is niet aller, 2 Thess. 3:2. Hoezeer het volkomen menschelijk
-is, geen donum superadditum, maar de herstelling van den mensch; toch
-staat de psychische mensch vijandig tegen het gelooven over. Want
-geloof in christelijken zin onderstelt zelfverloochening, kruisiging
-van eigen gedachten en wil, wantrouwen in onszelf, en daartegenover
-vertrouwen op Gods genade in Christus. Daarom, gelijk de fides salvifica
-God zelven tot voorwerp heeft en op zijne getuigenis steunt; zoo heeft
-het Hem ook tot auteur. Hij zelf is het, die door den H. Geest den
-mensch tot het geloof beweegt en al zijne gedachten gevangen leidt tot
-de gehoorzaamheid van Christus, Mt. 16:17; Joh. 6:44; 1 Cor. 12:3; 2
-Cor. 10:5; 1 Thess. 2:13; 2 Thess. 3:2; Ef. 1:15, 16; Col. 1:13; Phil.
-1:29. Daardoor is het christelijk geloof geheel en al religieus bepaald.
-Voorwerp, grond en oorsprong liggen geheel en alleen in God. Door dit
-religieus karakter is de fides salvifica wezenlijk onderscheiden van
-de onmiddellijke zekerheid, die soms met den naam van geloof wordt
-bestempeld en ook van de πιστις, waarvan de Grieken soms spraken in
-godsdienstigen zin. Het christelijk geloof is louter religie, religio
-subjectiva. Die mensch is waarlijk religieus, die alzoo gelooft; hij is
-beeld, kind, erfgenaam Gods.
-
-4. In de christelijke kerk is echter spoedig die opvatting de
-heerschende geworden, welke in het geloof zag eene toestemming des
-verstands aan de geopenbaarde waarheid. Zeer gewoon is de omschrijving
-van het geloof als ἑκουσιος της ψυχης συγκαταθεσις, als ὑπερ τας
-λογικας μεθοδους την ψυχην εἰς συγκαταθεσιν ἑλκουσα, cf. Suicerus,
-Thes. Eccl. s. v. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II 467
-f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. IV 246 f. Augustinus geeft
-dezelfde definitie: credere est cum assensione cogitare, de praed.
-sanct. c. 2. Quid est credere, nisi consentire, verum esse quod
-dicitur, de spir. et litt. c. 31. Fides est virtus, qua creduntur,
-quae non videntur, Enchir. c. 8. Tract. 40 in Joh. n. 9. de trin. 13,
-1. De scholastieke theologie begon het onderzoek naar de natuur des
-geloofs gewoonlijk met de omschrijving in Hebr. 11:1 en de laatstgenoemde
-definitie van Augustinus, Lombardus, Sent. 3, 23 e. a. Thomas handelt
-over het geloof in zijne Summa Theol. II 2 qu. 1 sq. en zegt, dat het
-object des geloofs God is en andere dingen nisi secundum quod habent
-aliquem ordinem ad Deum, qu. 1 art. 1. De grond des geloofs ligt alleen
-daarin, dat aliquid est a Deo revelatum, ib. en de auteur ervan is God
-alleen, ib. qu. 6 art. 1 en 2. Het Vaticanum omschreef het geloof als
-eene virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et adjuvante gratia, ab
-eo revelata vera esse credimus, non propter intrinsecam rerum veritatem
-naturali rationis lumine perspectam sed propter auctoritatem ipsius Dei
-revelantis, qui nec falli nec fallere potest, sess. 3, Const. dogm. de
-fide cap. 3. Het geloof is bij Rome een assensus firmus ac certus aan
-de waarheden der openbaring op grond van het gezag Gods in Schrift en
-kerk, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1. qu. 4 art. 2. Bellarminus,
-de justific. I c. 5, 6. Becanus, Theol. schol. tom. II pars 2 tract. 1
-cap. 1 sq. Perrone, Praelect theol. V 1840 p. 251 sq. Jansen, Praelect.
-theol. I 684. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, IV 205 f. Denzinger, Vier
-Bücher von der rel. Erk. II 426 f.
-
-In de practijk had deze opvatting van het geloof zeer schadelijke
-gevolgen. Vooreerst werd het geloof feitelijk niets anders dan eene
-verstandelijke toestemming aan eene de rede ver te boven gaande,
-mysterieuse leer, hetzij explicite aan al hare verschillende of
-implicite aan sommige noodzakelijke dogmata. De onderscheiding tusschen
-dit geloof en de door de Protestanten aangenomene fides historica is bij
-deze opvatting niet mogelijk en werd dan ook door de Roomsche theologie
-beslist verworpen. Rome heeft niet anders dan eene fides historica.
-Daaruit vloeide verder voort, dat dit geloof, indien het niets anders
-was dan eene verstandelijke toestemming, onmogelijk voldoende ter
-zaligheid kon zijn. Het moest aangevuld worden door eene andere deugd
-in den wil, n.l. de liefde, en wordt dan fides formata. Het geloof
-verliest daardoor zijne centrale plaats in het christelijk leven, het
-wordt verlaagd tot ééne der zeven praeparationes voor de gratia infusa
-der justificatio; en het zwaartepunt komt geheel te liggen in de
-liefde, d. i. in de goede werken. En eindelijk was het moeilijk vol te
-houden, dat het geloof in bovengenoemden zin eene vrucht was van de
-gratia interna, gelijk Augustinus die verstond. De belijdenis, dat het
-geloof eene gave Gods was, werd verzwakt. De assistentie en inspiratie,
-waar het Vaticanum van spreekt, wordt dikwerf in de Roomsche theologie
-beperkt tot de gave eener algemeene genade of ook zelfs tot de gave der
-natuurlijke krachten. Het gelooven was te verdienstelijker naarmate het
-meer ’s menschen eigen vrije daad was en meer bestond in het aannemen
-van onbegrijpelijke mysteria fidei, in een sacrificium intellectus.
-
-De Reformatie heeft deze Roomsche opvatting van het geloof in alle
-opzichten gewijzigd. Zij heeft de religieuse natuur van de πιστις
-hersteld. Ten eerste maakte zij een principieel onderscheid tusschen
-de fides historica en de fides salvifica. Historisch geloof mocht in
-sommige gevallen voorafgaan en op zichzelf van groote waarde zijn;
-het was en bleef essentieel verschillend van het zaligmakend geloof.
-Alle Hervormers waren eenstemmig van oordeel, dat het zaligmakend
-geloof, indien niet alleen dan toch zeker ook, in kennis bestond.
-Ze hebben geen van allen het geloof in eene onbewuste aandoening of
-stemming des gemoeds laten opgaan. Maar de kennis, die element was van
-het zaligmakend geloof, was toch eene gansch andere dan die van het
-historisch geloof. Deze laatste mocht later aan de fides salvifica
-ten goede komen; zij veranderde daarmede toch zelve van karakter en
-ging leven uit een nieuw beginsel. De fides kreeg bij de Hervormers
-daarom weer eene eigene, geestelijke, religieuse natuur, niet gradueel
-maar essentieel onderscheiden van alle ander geloof in het leven en
-de wetenschap, ja zelfs van het historisch geloof. Natuurlijk kon
-zulk een geloof dan ook niet voortvloeien uit hetzelfde beginsel,
-als waaruit alle andere geloof bij den mensch opkomt. De Reformatie
-was eenparig in de belijdenis, dat de fides salvifica eene gave Gods
-was. Zij was geen vrucht van de natuurlijke krachten van den mensch
-noch ook van de algemeene genade. Zij was eene vrucht van de bijzondere
-genade des H. Geestes, eene werkzaamheid van den nieuwen, wedergeboren
-mensch, en daarom ook volkomen genoegzaam tot zaligheid. Bij Rome neemt
-het geloof slechts eene praeparatoire plaats in; en terecht, want
-het is in den grond niets anders dan historisch geloof. Maar bij de
-Hervorming kreeg het wederom de centrale plaats, welke het bekleedt
-in het N. Test.; het behoeft niet aangevuld te worden door de liefde,
-het is genoegzaam om deel te krijgen aan alle goederen des heils. Wie
-alzoo gelooft, staat niet in het voorportaal maar in het heiligdom
-der christelijke waarheid; hij is Christus ingelijfd, al zijne weldaden
-deelachtig, een erfgenaam der eeuwige zaligheid. Moeilijk was het echter
-bij deze diepe opvatting van de fides salvifica, om hare natuur juist
-te omschrijven en in duidelijke woorden weer te geven. De theologie van
-de Hervorming heeft er ten allen tijde mede geworsteld. Ten aanzien
-van de vraag, waarin de eigenlijke akte van het geloof gelegen is,
-loopen de antwoorden zeer verre uiteen. Het is door kennen, toestemmen,
-vertrouwen, toevluchtnemen, enz., of door één van deze of door alle te
-zamen omschreven geworden. Eerst later kan bij de leer des geloofs dit
-alles nader worden onderzocht. Maar zooveel staat vast, dat het geloof
-in de theologie der Hervorming geen weten was van eenige leerstellige
-waarheden, maar dat het een band der ziel was aan den persoon van
-Christus naar de Schriften en aan de Schrift als het woord van
-Christus. De fides salvifica was wederom door en door religieus. Gods
-genade in Christus was haar voorwerp, de getuigenis Gods in zijn woord
-was haar grond, de H. Geest was haar auteur. Zij was in ieder opzicht
-religieus bepaald.
-
-5. Dit geloof brengt naar de Schrift een eigen zekerheid mede. Het is
-een ὑποστασις en ἐλεγχος van de gehoopte en ongeziene dingen, Hebr.
-11:1; niet omdat het in zichzelf zoo hecht en vast is, maar wijl het
-op Gods getuigenis en belofte steunt, gelijk het vervolg van Hebr. 11
-duidelijk leert. Het maakt de onzienlijke goederen des heils zoo zeker
-voor ons, ja veel zekerder, dan eigen inzicht of een wetenschappelijk
-bewijs dat ooit zouden vermogen te doen. Daarom is er in de Schrift
-sprake van de παρρησια, Hebr. 4:16; πεποιθησις, Ef. 3:12; πληροφορια,
-Hebr. 6:11, 12, 10:22 des geloofs; en wordt er θαρσος, Mt. 9:2;
-καυχησις, Rom. 5:12; χαρα, 1 Petr. 1:8, enz. aan toegeschreven. Het
-staat tegenover twijfel, zorg, vrees, wantrouwen, Mt. 6:31, 8:26, 10:31,
-14:31, 21:21; Mk. 4:40; Luk. 8:25; Joh. 14:1; Rom. 4:20; Jak. 1:16.
-Zekerheid is door heel de Schrift heen een kenmerk des geloofs. Zelfs
-te midden van de zwaarste aanvechtingen, als alles tegen is, op hope
-tegen hope, houdt de geloovige zich staande als ziende den Onzienlijke,
-Job 19:25; Ps. 23, 32, 51; Rom. 4:20, 21, 5:1, 8:38; Hebr. 11, enz. Eer
-geeft de geloovige alles prijs, dan dat hij zijn geloof verloochent. Niets
-is hem te kostbaar voor zijn geloof, noch zijn geld noch zijn goed, noch
-zijn eer noch zijn leven. Het geloof is ἡ νικη ἡ νικησασα τον κοσμον,
-1 Joh. 5:4.
-
-Deze zekerheid des geloofs was aan de wetenschap onbekend. Zij deed met
-het Christendom haar intrede in de wereld, Janet et Séailles, Histoire
-de la philosophie, Paris 1887 p. 668. De Grieksche philosophie erkende
-twee soorten van zekerheid, ééne, die uit de zinlijke waarneming, en
-eene andere, welke door het denken werd verkregen. Gemeenlijk werd
-de eerste verre beneden de tweede gesteld; de zinlijke waarneming
-gaf slechts δοξα, maar het denken leidde tot ἐπιστημη. Aristoteles
-onderscheidde in de laatste wederom tusschen die, welke op bewijzen,
-en die, welke op evidentie rustte. Er waren in de wetenschap dus drie
-wegen, om tot zekerheid te komen: de waarneming, de argumentatie
-en de evidentie. Deze drieërlei zekerheid kreeg burgerrecht in de
-wijsbegeerte, met dien verstande, dat de empiristen de zekerheid
-voornamelijk zochten in de waarneming en de rationalisten in het denken.
-Naast deze wetenschappelijke zekerheid plaatste het Christendom de
-zekerheid des geloofs. Concreet en practisch werd deze zekerheid aan
-de skeptische wereld vertoond in de geloovige gemeente, vooral in
-hare martelaars en bloedgetuigen. En theoretisch werd zij uitgesproken
-en ontwikkeld in de christelijke theologie. Er is in de leer van de
-zekerheid des geloofs een belangrijk verschil tusschen Rome en de
-Hervorming ten aanzien van de vraag, of de certitudo fidei ook insluit
-de certitudo salutis, de volstrekte verzekerdheid van eigen zaligheid.
-Van Augustinus af aan is deze certitudo salutis door de Roomsche
-kerk en theologie ontkend en bestreden. Rome beweert, dat volstrekte
-verzekerdheid der zaligheid slechts het deel is van enkele geloovigen,
-die haar door eene bijzondere openbaring ontvangen hebben, maar
-volstrekt niet voortvloeit uit de natuur des geloofs. Gewone geloovigen
-hebben ten aanzien van hunne zaligheid slechts eene certitudo moralis,
-conjecturalis, maar geen certitudo fidei. Voor deze zekerheid is er in
-het Roomsche stelsel geen plaats, wijl zij alleen bestaanbaar is bij de
-belijdenis van Gods verkiezende liefde, en de leeken onafhankelijk maken
-zou van kerk en priester. Cf. Augustinus, de bono persev. c. 8, 13, 22,
-de civ. Dei c. 12. Epist, 107, etc. G. J. Vossius, Historia pelagiana
-1655 p. 578 sq. Comment. op Sent. I dist. 17. Thomas, S. Theol. II 1
-qu. 112 art. 5. Bellarminus, de Justif. I c. 10. III c. 2 sq. Conc.
-Trid. sess. 6 cap. 9 can. 13, 14, en later bij de leer des geloofs.
-Wel erkennen echter de Roomsche godgeleerden de certitudo fidei ten
-opzichte van de objectieve waarheden der openbaring. Facilius, zeide
-Augustinus, Conf. 7, 10, dubitarem vivere me, quam non esse veritatem,
-quae per ea, quae facta sunt, intellecta conspicitur. Albertus
-Magnus maakte onderscheid tusschen geloof in de philosophie en in de
-theologie. Daar is geloof niets anders dan credulitas en geen weg
-tot kennis; maar in theologicis fides lumen est, certissimam faciens
-adhaesionem et assensum.... et ideo est via et medium ad scientiam
-veritatis divinorum, bij Stöckl, Philos. der M. A. II 365, cf. verder
-Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 8. Bellarminus, de Justif. III c.
-2. Billuart, Summa S. Thomae VIII p. 86 sq. Dens, Theol. II 241 sq.
-Daelman, Theol. I p. 12 sq. En daarmede stemmen over het algemeen de
-Protestantsche theologen overeen. Niemand heeft krasser en sterker deze
-zekerheid des geloofs uitgesproken dan Calvijn. Het geloof is bij hem
-certa, firma, plena et fixa certitudo, meer certitudo dan apprehensio,
-cordis fiducia et securitas, enz. Inst. I, 7, 5; II, 2, 8; III, 2, 14
-v., 14, 8; 24, 4, enz. Zoowel bij Luthersche als Gereformeerde theologen
-is het geloof een firmus assensus, eene certa cognitio, die allen
-twijfel en alle onzekerheid buitensluit, Schmid, Dogm. der ev. luth. K.
-S. 299 f. Hase, Hutt. Rediv. § 108. Heid. Catech. vr. 21. Heppe, Dogm.
-der ev. ref. K. S. 384 f.
-
-6. Door de wetenschap, bepaaldelijk door de wijsbegeerte, is aan deze
-geloofszekerheid over het algemeen weinig aandacht gewijd. Eerst
-Kant heeft ze in gewijzigden zin opgenomen en erkend. Kant nam in
-hoofdzaak drie soorten van zekerheid aan. De eerste is de empirische,
-problematische zekerheid, welke berust op eigen of anderer waarneming
-en bestaat in een meenen, in een theoretisch of practisch gelooven.
-Vervolgens is er eene logische, wetenschappelijke, apodictische
-zekerheid, die weer tweeledig is en of een intuitief, zooals in de
-mathesis, of, gelijk in de philosophie, een discursief karakter draagt.
-Dit zijn dezelfde soorten van zekerheid, die ook reeds in de grieksche
-philosophie werden aangenomen. Maar bij deze ruimt Kant nu ook nog eene
-plaats in voor de moreele, assertorische zekerheid. Het bovenzinlijke en
-het bovennatuurlijke is n.l. volgens Kant onkenbaar. God heeft de kennis
-daarvan met opzet ons onthouden, opdat wij de bestemming van den mensch
-niet in het weten zouden stellen maar in het handelen, in de vervulling
-zijner zedelijke roeping. Met het oog op deze ethische bestemming neemt
-de mensch de waarheid van sommige stellingen aan, zonder welke hij
-deze ethische taak niet vervullen kan. Zoo gelooft hij op practische,
-psychologische gronden aan het bestaan van God, de ziel en de
-onsterfelijkheid. Dit is moreel geloof. De zekerheid, welke de mensch
-door dit geloof verkrijgt, is niet theoretisch van aard, maar practisch,
-moreel. Zij doet hem zeggen, niet: ik ben zeker; noch ook: het is moreel
-zeker; maar: ik ben moreel zeker. Er is dus drieërlei zekerheid,
-eene empirische, logische en moreele, uitgedrukt en weergegeven door
-de woorden meenen, weten en gelooven, Kritik der reinen Vernunft,
-Methodenlehre II 3, ed. Kirchmann S. 632 f. De wijsbegeerte na Kant
-heeft deze leer der zekerheid van Kant wel ten deele overgenomen, maar
-er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd. Cf. Dr. Franz Grung, Das
-Problem der Gewissheit, Heidelb. 1886.
-
-Daarentegen heeft Kants leer van de moreele zekerheid op de theologie
-grooten invloed geoefend. Toen de autoriteit van Schrift en kerk was
-ondermijnd, heeft men in haar het fundament van religie en theologie
-gezocht. De bekende tekst Joh. 7:17, door Kant zelven reeds aangewend,
-Rel. innerhalb der Gr. usw. ed. Rosenkranz S. 135, is het uitgangspunt
-van deze richting geworden. Inderdaad ligt er in deze moreele zekerheid
-eene diepe waarheid, en dankbaar mag erkend, dat Kant haar eene plaats
-heeft ingeruimd in zijne philosophie. Van de onzienlijke dingen hebben we
-eene gansch andere zekerheid dan van die, welke wij met onze zintuigen
-kunnen waarnemen of met ons denken kunnen bewijzen. Het geloof aan
-de dingen, die men hoopt en niet ziet, gaat ook niet om buiten den
-wil, buiten de zedelijke gesteldheid en de geestelijke ervaring. Maar
-toch verdient het geen aanbeveling, om de geloofszekerheid van de H.
-Schrift, van de gemeente en van de christelijke theologie in te wisselen
-voor de moreele zekerheid van Kant. Vooreerst is de opmerking niet
-overbodig, dat zekerheid altijd een toestand is van het bewustzijn. De
-menschelijke geest kan ten aanzien van eene vraag of eene stelling in
-een verschillenden toestand verkeeren; hij kan er tegenover staan in een
-toestand van onzekerheid, twijfel, vermoeden, meening, enz. maar ook in
-een toestand van volstrekte zekerheid. Zekerheid is de rust van het
-menschelijk bewustzijn in de gevonden en erkende waarheid. Het verstand
-streeft n.l. naar kennis, naar waarheid. Dat is de aard en de natuur
-van het verstand; het ware is zijn goed, zijn rijkdom, de vervulling van
-zijne behoefte. Wanneer het die waarheid vindt is het daarom bevredigd;
-het rust daarin, het voelt zich veilig en zeker. Zekerheid is rust,
-vrede, vreugde, zaligheid; in veritate requies. Zekerheid is de normale
-toestand van den menschelijken geest, evenals de gezondheid die van het
-lichaam. Twijfel, onzekerheid daarentegen is onrust, onvrede, ellende.
-Strikt genomen is dus niet de zekerheid zelve moreel; zij heet alleen
-zoo, wijl de gronden, waarop de waarheid bij haar rust, van moreelen
-aard zijn. Maar vervolgens zijn de gronden, waarop de wetenschappelijke
-en de moreele waarheid rust, niet alzoo als theoretisch en practisch
-van elkander te scheiden en tegenover elkander te stellen. Er bestaat
-in de werkelijkheid zulk een dualisme niet, als Kant in zijne tweeërlei
-zekerheid aanneemt. Subjectief zijn hoofd en hart, en objectief zijn
-de zienlijke en onzienlijke dingen niet alzoo in tweeën te deelen. Het
-hart oefent ook invloed bij het wetenschappelijk onderzoek. De πιστις in
-ruimen zin neemt ook daar eene groote plaats in. Veel van wat in de
-wetenschap voor vast en zeker doorgaat, rust op moreele of immoreele
-gronden. En omgekeerd is het toch het bewustzijn, dat ook bij de moreele
-zekerheid de zedelijke gronden weegt en beoordeelt, waarop eene of
-andere stelling als waar wordt erkend en aangenomen. De wil moge het
-verstand tot het aannemen van eene of andere waarheid bewegen; dat
-aannemen zelf is toch eene daad des verstands; en het verstand kan
-dit alleen doen, wijl het zelf in meerdere of mindere mate de waarheid
-erkent en inziet. De geloofszekerheid komt niet tot stand door
-theoretische bewijzen maar evenmin door een wilsbesluit. Eindelijk zijn
-er vroeger reeds tegen de postulaatstheorie van Kant verschillende
-bezwaren ingebracht. Ze kunnen nog vermeerderd worden met deze vragen:
-komt het overeen met de natuur der ware zedelijkheid, die toch ook
-in ootmoed, nederigheid enz. bestaat, om op grond van onze zedelijke
-natuur en bestemming het bestaan van God en van de onsterfelijkheid
-te postuleeren? blijft de moreele zekerheid ook dan nog haar kracht
-behouden, als de zedelijke mensch in zonden valt, in aanvechting en
-bestrijding verkeert, en door den twijfel heen en weer wordt geslingerd?
-zijn zedelijke gronden voldoende, om tegenover de bestrijding der
-wetenschap daarop het geloof aan Gods bestaan, het bewustzijn der
-vergeving, de hope der zaligheid te bouwen? Maar al ware de moreele
-zekerheid ook genoegzaam voor den wijsgeer, zij is onbruikbaar voor
-den Christen. Want al kon de Vernunftreligion van Kant op haar als op
-een vasten grondslag rusten; zij is niet in staat, om de waarheid der
-christelijke religie te dragen.
-
-Om al deze redenen kan de moreele zekerheid van Kant de christelijke
-geloofszekerheid niet vervangen. Ten overvloede wordt dit nog bewezen
-door het onderscheid, dat Kant maakt tusschen meenen, gelooven en
-weten. Meenen was volgens hem een voor waar houden op onvoldoende,
-gelooven op subjectief voldoende en weten op objectief voldoende
-gronden, Kritik der reinen Vern. ed. Kirchmann S. 632 f. Nu is dit
-onderscheid juist ten aanzien van het gelooven in het dagelijksch leven
-en met betrekking van zulke dingen, die geweten kunnen worden. Dan
-is inderdaad gelooven een mindere en zwakkere graad van het weten.
-Maar in de religie is geloof de zekerheid zelve. Juister werd het
-onderscheid reeds door Augustinus bepaald. Hij zegt: tria sunt item
-velut finitima sibimet in animis hominum distinctione dignissima:
-intelligere, credere, opinari. Quae si per se ipsa considerentur,
-primum semper sine vitio est, secundum aliquando cum vitio, tertium
-nunquam sive vitio, de util. cred. c. 11. Inter credere autem atque
-opinari hoc distat, quod aliquando ille, qui credit, sentit se ignorare
-quod credit, quamvis de re, quam se ignorare novit, omnino non
-dubitet, sic enim firme credit; qui autem opinatur, putat se scire,
-quod nescit, de mendac. c. 3. Thomas omschrijft het onderscheid aldus:
-de ratione opinionis est quod accipiatur unum cum formidine alterius
-oppositi; unde non habet firmam inhaesionem. De ratione vero scientiae
-est quod habeat firmam inhaesionem cum visione intellectiva; habet
-enim certitudinem procedentem ex intellectu principiorum. Fides autem
-medio modo se habet; excedit enim opinionem in hoc quod habet firmam
-inhaesionem; deficit vero a scientia in eo quod non habet visionem, S.
-Theol. II 1 qu. 67 art. 3. In gelijken zin gaf Zanchius deze definitie:
-opinio is eene cognitio neque certa neque evidens, fides is eene
-cognitio certa sed non evidens, scientia is eene cognitio aeque certa
-ac evidens, Op. II 196. Gelooven en weten zijn dus niet in zekerheid
-onderscheiden. Het geloof brengt eene even sterke zekerheid mede als
-het weten. Ja de geloofszekerheid is van beide de intensief sterkste;
-zij is schier onwankelbaar en onuitroeibaar. Voor het geloof heeft
-iemand zijn leven en alles veil. Galilei zwoer tot driemalen toe zijn
-geloof af aan het Kopernikaansche stelsel. Kepler hield zich tegen zijne
-overtuiging te Graz bezig met de astrologie om in zijn onderhoud te
-voorzien; de behoeftige moeder (astronomie) moest leven van de dwaze
-dochter (astrologie). Wie geeft voor eene wetenschappelijke thesis,
-bijv. dat de aarde om de zon draait, zijn leven prijs? Maar de religie
-kweekt martelaars. De geloofszekerheid gaat in intensieve kracht de
-wetenschappelijke zekerheid ver te boven. Bonaventura maakt echter in
-de zekerheid terecht onderscheid tusschen de certitudo adhaesionis
-en de certitudo speculationis, Sent. III dist. 23 art. 1 qu. 4, cf.
-Stöckl. Philos. des M. A. II 883. De eerste is bij de geloofszekerheid
-grooter dan bij de wetenschappelijke zekerheid, want dikwerf zijn geen
-argumenten, geen vleierijen, geen pijnigingen in staat, om iemand in zijn
-geloof aan het wankelen te brengen. Hij klemt met heel zijn ziel aan
-het voorwerp des geloofs zich vast. Maar de certitudo speculationis
-behoeft wel niet altijd, maar kan soms toch sterker zijn in de wetenschap
-dan in het geloof. Het is dezelfde gedachte, die Augustinus uitsprak:
-weten is altijd sine vitio, maar gelooven geschiedt aliquando cum vitio.
-Het gelooven zelf is geen bewijs voor de waarheid van het geloofde. Er
-is groot verschil tusschen subjectieve verzekerdheid en objectieve
-waarheid. Alles hangt bij het geloof van de gronden af, waarop het rust.
-
-
-§ 18. DE GROND DES GELOOFS.
-
-1. Zoodra de christelijke theologie ernstig ging nadenken over den
-laatsten en diepsten grond des geloofs, kwam zij tot de erkentenis,
-dat geen enkel verstandelijk of historisch bewijs, voor de waarheid der
-openbaring aangevoerd, ten slotte daarvoor gelden kon. De apologeten
-der 2e eeuw hechtten aan die bewijzen groote waarde, boven bl. 423,
-en legden er tegenover het heidensch naturalisme nadruk op, dat het
-geloof eene redelijke, vrije daad was van den mensch, Just. M. Dial. c.
-88. 102. 131. Theophilus, ad Autol. II 27. Irenaeus, adv. haer. IV 37,
-5, enz. Maar toch vinden wij ook bij hen reeds het besef, dat al die
-bewijzen onmachtig zijn, om iemand metterdaad te bewegen tot het geloof.
-Daartoe is nog iets anders en meer van noode, n.l. de goddelijke genade,
-Just. M. Dial. c. 119. Apol. 1, 10. 2, 10. Iren. adv. haer. IV 39,
-2. Orig. de princ. I 10, 14, 19. Irenaeus vergelijkt haar bij den dauw
-en den regen, die den akker vruchtbaar maakt, ib. III 17, 2, 3. Maar
-Augustinus was de eerste, die de noodzakelijkheid der gratia interna
-duidelijk inzag en beleed. Hij schrijft elders groote waarde toe aan de
-kerk als motief des geloofs; maar zijne leer van de gratia interna
-bewijst, dat deze voor hem niet was de laatste en diepste oorzaak van
-zijn geloof. Dat was God alleen. Operatur Deus fidem nostram miro
-modo agens in cordibus nostris, ut credamus, de praed. sanct. 2, 6.
-Immers, gelooven is altijd vrijwillig, nemo credit nisi volens. En God
-buigt daarom door zijne genade den wil en doet ons gelooven met het
-verstand, Conf. 13, 1. de div. quaest. 1 qu. 2 n. 21, de praed. sanct.
-19, de dono persev. 16, enz. Ook de latere theologen hebben groote
-kracht aan de praeambula fidei en de motiva credibilitatis toegekend;
-en onder deze nam de kerk hoe langer hoe voornamer plaats in. Maar
-allen geven toe, dat die motiva de openbaring non evidenter veram maar
-slechts evidenter credibilem maken. Zij sluiten redelijken twijfel uit,
-en toonen dat het niet onredelijk is, om te gelooven en wel onredelijk,
-om het tegendeel aan te nemen, Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art. 5 ad.
-2. S. c. Gent. I c. 9. Maar afdoende zijn ze niet. Ja, Thomas zegt
-uitdrukkelijk bij gelegenheid dat hij handelt over de philosophische
-bewijzen voor de triniteit: qui autem probare nititur trinitatem
-personarum naturali ratione, fidei derogat, S. Theol. I qu. 32 art.
-1. Tegenover tegenstanders baten bewijzen weinig, quia ipsa rationum
-insufficientia eos magis in suo errore confirmaret, dum aestimarent nos
-propter tam debiles rationes veritati fidei consentire, S. c. Gent. I
-c. 9. De openbaring moge door de bewijzen nog zoo geloofwaardig gemaakt
-worden, ze is en blijft toch eene geloofswaarheid, Bellarm. de Conc.
-et Eccl. IV 3. Ze moet dat bij Rome ook nog om deze reden blijven, wijl
-anders de vrijwilligheid en daardoor de verdienstelijkheid des geloofs te
-loor zou gaan, Thomas S. Theol. II 2. qu. 2 art. 9 en 10. Het geloof
-neemt dus de waarheid aan niet op grond van eigen inzicht, maar van
-goddelijke autoriteit. Non enim fides assentit alicui, nisi quia est a
-Deo revelatum, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I c. 9.
-Becanus, II 2. p. 3-17. Billuart, II 2. Tom. 1 de fide p. 1 sq. Dens,
-II 280 sq. Jansen I 701-711. En om die autoriteit Gods te erkennen,
-moet er in den mensch eene verandering van den wil voorafgaan. Gelooven
-is wel eene daad des verstands, Thomas S. Theol. II 2. qu. 4 art.
-2, maar het onderstelt eene buiging van den wil door de genade. Het
-verstand moet tot het geloof door den wil gedetermineerd worden, S.
-Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad. 3. De assensus fidei is dus alleen a Deo,
-interius movente per gratiam, ib. I qu. 62 art. 2 ad 3. II 1 qu. 109
-art. 6. qu. 112 art. 2. II 2 qu. 6 art. 1. Gregorius XVI veroordeelde
-in de breve van 26 September 1835 het gevoelen van Hermes, dat de
-motiva credibilitatis de eigenlijke grond des geloofs aan de openbaring
-waren. En het Vaticaansch Concilie stelde vast in sess. 3, Const. dogm.
-de fide cap. 3, dat de motieven de goddelijke openbaring wel credibilis
-konden maken, nemo tamen evangelicae praedicationi consentire potest,
-sicut oportet ad salutem consequendam absque illuminatione et
-inspiratione Spiritus Sancti.
-
-2. Feitelijk neemt Rome daarmede hetzelfde subjectieve standpunt in
-als de kerken der Hervorming. De motieven, hoe sterk ook, kunnen niet
-metterdaad bewegen tot het geloof. Het is Gods Geest alleen, die iemand
-inwendig vast en zeker overtuigen kan van de waarheid der goddelijke
-openbaring. De diepste grond voor het geloof is ook bij Rome niet de
-Schrift of de kerk, maar het lumen interius. Verschillende theologen
-hebben dit ook erkend. Duidelijkshalve moge de akte des geloofs voor
-een oogenblik in een syllogisme worden ontleed. De maior luidt dan:
-God is waarachtig; indien Hij zich openbaart, moet zijne openbaring in
-geloof worden aangenomen; de minor heet: deze feiten, b. v. de kerk,
-de Schrift zijn openbaringen Gods; en dan volgt de conclusie: dus
-moeten deze ook geloofd worden. Over den major is er geen verschil.
-Deze staat vast krachtens de idee Gods en wordt door allen erkend.
-Niemand ontkent, dat, =indien= God zich openbaart, Hij ook als de
-waarachtige geloof verdient. Des te meer komt alles aan op den minor.
-Het verschil loopt juist hierover, of en waar God zich geopenbaard
-heeft. De geloovige Christen zegt: in de Schrift of ook in de kerk.
-Maar hoe en waarom worden deze als openbaring Gods erkend? Indien op
-grond van bewijzen, van de motiva credibilitatis; dan is die grond
-menschelijk, feilbaar, en het geloof niet zuiver religieus en zeker.
-De openbaring Gods kan in religieusen zin alleen worden geloofd op
-grond van Gods autoriteit. Maar die autoriteit Gods laat zich alleen
-hooren, òf buiten mij, in de Schrift of de kerk, naar wier laatsten
-geloofsgrond ik juist onderzoek doe; òf binnen in mij, in de genade die
-mij tot het geloof beweegt, in het lumen interius, het testimonium Sp.
-S. Wie de autoriteit Gods als laatsten grond des geloofs en dus het
-geloof in zijn religieuse natuur handhaven wil, moet een van deze beide
-standpunten innemen. Nu zei Canus zonder aarzelen, dat de laatste grond
-lag in de genade, die hem inwendig tot het geloof bewoog. Ik geloof,
-sprak hij, dat God drieëenig is, wijl God het heeft geopenbaard; huic
-autem: Deus revelavit, immediate credo, a Deo motus per instinctum
-specialem, Loc. Theol. l. 2 c. 8 ad 4. Bij Canus lag dus de laatste
-grond voor zijn geloof objectief in de getuigenis Gods; maar dat hij deze
-getuigenis als goddelijk erkende, was te danken aan de genade, die zijn
-wil en verstand tot het gelooven bewoog. Dit gevoelen van Canus werd
-wel door enkele andere Roomsche godgeleerden, zooals Arragon, Gonet,
-enz. overgenomen; Prof. Hayd, Philos. Jahrbuch von Gutberlet III 1890
-S. 27 sprak zelfs van een onmiddellijk getuigenis Gods in ons, dat ons
-de goddelijkheid van Jezus’ persoon en leer verzekert. Maar er werd
-toch door velen deze bedenking tegen ingebracht, dat Canus eigenlijk
-geen antwoord geeft op de vraag, op welken grond hij de getuigenis
-Gods in de Schrift en de kerk als goddelijk aanneemt. Hij zegt alleen,
-dat God het hem alzoo inwendig door zijne genade te gelooven geeft,
-maar legt er geen verdere rekenschap van af. Bovendien beval zich dit
-gevoelen van Canus ook daarom niet aan, wijl het, gelijk Suarez reeds
-opmerkte, zooveel overeenkomst had met en zoo licht verleiden kon tot
-de leer van Calvijn over het testimonium Spiritus Sancti. Daarom waren
-de Roomsche theologen erop bedacht, om den laatsten grond des geloofs
-elders te zoeken dan in het lumen interius. Suarez was van oordeel,
-dat niet alleen het voorwerp, maar ook de grond des geloofs zelf weer
-eene zaak des geloofs is. Wij gelooven niet alleen dat de Schrift waar
-is, wijl God zich daarin heeft geopenbaard; maar ook het feit, dat God
-zich daarin heeft geopenbaard, gelooven wij, omdat God zelf het in de
-Schrift getuigt. De openbaring is tegelijk het quo en het quod creditur.
-Unus enim et idem actus credit Deum et Deo. Gelijk het oog de kleuren
-en tevens het licht, waardoor die kleuren zichtbaar worden, waarneemt;
-gelijk de rede de afgeleide waarheden kent en tevens de principia,
-waardoor ze kenbaar zijn; zoo ook kent het geloof zoowel de geopenbaarde
-waarheden, als de getuigenis, waarop ze rusten, als goddelijk. Zeer
-vele theologen, ook in den nieuweren tijd, hebben met dit gevoelen van
-Suarez hun instemming betuigd, maar het bevredigde niet allen. De
-cirkelredeneering was toch duidelijk: de Schrift wordt geloofd, wijl ze
-geopenbaard is, en dat ze geopenbaard is, wordt wederom geloofd, wijl
-de Schrift het getuigt. Het leidt ook tot een progressus in infinitum:
-ik geloof eene openbaring, omdat eene andere openbaring het getuigt
-enz. Wel antwoordt Suarez op deze bedenking, dat de openbaring om
-zichzelve moet geloofd worden; dat God, zich openbarend, ook daarin
-tegelijk openbaart, dat _Hij_ het is, die zich openbaart. Maar altijd
-blijft toch de vraag nog open, waarom gelooven wij het getuigenis, waarbij
-God verklaart, dat Hij het is, die zich heeft geopenbaard. Lugo leerde
-daarom, dat het aannemen van het feit, dat God zich in de Schrift
-geopenbaard heeft, wel bovennatuurlijk was, maar dat het toch niet in
-eigenlijken zin geloof kon worden genoemd. Gelooven toch is altijd iets
-voor waar aannemen op grond van een getuigenis. Indien nu het aannemen
-van het feit, dat God zich geopenbaard heeft, een gelooven ware in
-eigenlijken zin, dan onderstelde dit wederom een goddelijk getuigenis, en
-zoo in infinitum. Lugo nam daarom aan, dat het erkennen van het feit
-der openbaring niet rustte op het getuigenis Gods, maar daarop, dat
-de geloovige de openbaring zelve met haar wonderen, profetieën enz.
-onmiddellijk en rechtstreeks als openbaring inzag, evenals de rede de
-waarheid der principia onmiddellijk erkent. De openbaring kondigt zich
-zelve door haar inhoud als goddelijk aan, evenals naar het beeld van
-Thomas, S. Theol. III qu. 43 art. 1 een gezant zich door den inhoud
-zijner boodschap, bv. door geheimen, die alleen zijn lastgever weten kan,
-verifieert. Maar deze voorstelling stuit weder op het bezwaar, dat deze
-erkenning der openbaring òf werkelijk onmiddellijk is, in welk geval zij
-eene nieuwe openbaring wordt in het subject, eene aanschouwing van
-het goddelijke, die we hier op aarde, als wandelende in het geloof,
-niet deelachtig worden; òf dat ze feitelijk middellijk is, maar dan
-ook voortvloeit uit de indicia en criteria der openbaring, en alzoo
-wederom komt te rusten op de bewijzen voor de openbaring, op de motiva
-credibilitatis. Ook deze oplossing is dus onbevredigend. Daarom hebben
-wederom anderen gezegd: het getuigenis Gods is de laatste grond des
-geloofs. Op de vraag: waarom gelooft gij? antwoordt de Christen: omdat
-God gesproken heeft. Deus dixit. Een anderen, dieperen grond kan hij
-in dezen niet aangeven. Als hem verder wordt gevraagd: maar waarom
-gelooft gij, dat God gesproken heeft, bijv. in de Schrift? dan kan hij
-alleen nog ten antwoord geven, dat God hem inwendig alzoo bewerkt,
-dat hij die Schrift als Gods woord erkent. Maar daarmede heeft hij ook
-alles gezegd. Het getuigenis Gods is de grond, maar de genade, de wil
-is de oorzaak des geloofs. De bewijzen mogen motiva credibilitatis
-zijn, de wil is ten slotte het motivum credendi. Boven kritiek is ook
-dit standpunt niet verheven. Want er kan gevraagd worden en er is ook
-werkelijk gevraagd, welken grond het _verstand_ heeft, om de Schrift
-als woord Gods aan te nemen. Het antwoord, dat de wil of de genade het
-verstand daartoe beweegt, is onvoldoende. De wil kan het verstand toch
-niet bewegen, om iets voor waar aan te nemen zonder grond, waarvan
-het zelf het geloofwaardige niet inziet. Het verstand moet immers
-zelf erkennen, dat iets goddelijk is en daarom geloof verdient. Anders
-is het geloof onredelijk en maakt de geloovige met een sic volo, sic
-jubeo, stat pro ratione voluntas van de moeilijkheid zich af. Ook de
-Roomsche godgeleerden hebben daarom op de vraag naar den diepsten
-grond des geloofs geen allen bevredigend antwoord weten te geven. Zeer
-velen onthouden zich eenvoudig van eene beslissing en laten de keuze
-tusschen de verschillende bovengenoemde gevoelens vrij. Genoeg, om te
-doen zien, dat ook Rome met zijne onfeilbare kerk en zijn onfeilbaren
-paus niets vóór heeft boven de kerken der Hervorming. De diepste grond
-van het geloof ligt ook bij Rome, evengoed als bij het Protestantisme, in
-het subject. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk. II 486-500.
-Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. IV 473-532. Von Schäzler,
-Neue Untersuchungen über das Dogma von der Gnade und das Wesen des
-Glaubens, Mainz 1867 S. 513-537. Al. Schmid, Untersuchungen über den
-letzten Gewissheitsgrund des Offenbarungsglaubens, München, 1879.
-Jansen, Praelect. Theol. I 711-724.
-
-3. De Reformatie nam welbewust en vrij haar standpunt in het religieuse
-subject, in het geloof van den Christen, in het getuigenis des H.
-Geestes. Wel is waar komen er bij Luther, Zwingli en Melanchton slechts
-enkele uitspraken voor over het testimonium Spiritus Sancti, Köstlin,
-Luthers Theol. I 279, II 254 f. Scholten, L. H. K. I 186 v. Maar
-Calvijn heeft deze leer breedvoerig ontwikkeld en haar in verband
-gebracht niet alleen met den inhoud maar ook met den vorm en het gezag
-der Schrift. Dat de Schrift Gods woord is, zegt Calvijn, staat niet
-vast door de kerk, maar stond vast vóór haar besluit, want de kerk
-is gegrond op het fundament van apostelen en profeten. De Schrift
-brengt haar eigen gezag mede, zij rust in zichzelve, zij is αὐτοπιστος.
-Evenals het licht van de duisternis, de witte van de zwarte kleur,
-het zoet van het bitter onderscheiden is, zoo wordt de Schrift door
-haar eigen waarheid onderkend. Maar zekerheid bij ons krijgt die Schrift
-als Gods woord alleen door het getuigenis des H. Geestes. Bewijzen en
-redeneeringen zijn wel veel waard, maar dit getuigenis gaat ze alle in
-waarde verre te boven, het is omni ratione praestantius. Gelijk God
-alleen van zichzelf getuigen kan in zijn woord, zoo vindt zijn woord
-niet eerder geloof in het hart der menschen, dan nadat het door het
-inwendig getuigenis des Geestes bezegeld wordt. Dezelfde Geest, die
-door den mond der profeten sprak, moet in onze harten werken en ons
-overtuigen, dat zij getrouw hebben overgeleverd hetgeen hun van God
-bevolen was. De H. Geest is daarom zegel en bevestiging van het geloof
-der vromen. Indien we dat getuigenis in ons hebben, rusten we niet in
-eenig menschelijk oordeel, maar stellen ontwijfelbaar vast, alsof we
-God zelf in haar aanschouwden, dat de Schrift uit Gods mond door den
-dienst van menschen is voortgekomen. Wij onderwerpen ons aan haar ut rei
-extra aestimandi aleam positae. Maar dat moet niet zoo worden verstaan,
-alsof we ons blindelings onderwierpen aan eene zaak, die ons onbekend
-is. Neen, wij zijn ons bewust, dat wij in die Schrift de onoverwinbare
-waarheid bezitten en voelen non dubiam vim numinis illic, vigere ac
-spirare, waardoor wij, willens en wetens en toch levendig en krachtig
-tot gehoorzaamheid gedrongen worden, Inst. I c. 7. Comm. in 2 Tim.
-3:16. Calvijn wist in deze leer van het testimonium Sp. S. geen private
-openbaring, maar de ervaring aller geloovigen te beschrijven, Inst. I,
-7, 5. Dit getuigenis des H. G. was bij hem ook niet geïsoleerd van, maar
-stond in het nauwste verband met heel de werkzaamheid des H. G. in het
-hart der geloovigen; door haar alleen ontstaat en bestaat de gansche
-kerk; heel de toepassing des heils is een werk van den H. Geest; en het
-getuigen aangaande de Schrift is maar eene van de vele werkzaamheden
-des H. G. in de gemeente der geloovigen. Het testimonium Sp. S. geeft
-ook geen nieuwe openbaringen, maar maakt den geloovige vast ten aanzien
-van de waarheid Gods, die volledig in de Schrift is vervat; het maakt
-dat het geloof eene cognitio certa is en allen twijfel buitensluit. En
-het vindt ten slotte zijne analogie in het getuigenis, dat ons geweten
-geeft aan de wet Gods, en in de zekerheid, die we hebben aangaande Gods
-bestaan. Cf. Klaiber, Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp.
-S., Jahrb. f. deutsche Theol. 1857 S. 1-54. Aug. Benezeh, Théorie de
-Calvin sur l’Ecriture Sainte, Paris 1890. Jacq. Pannier, Le témoignage
-du Saint-Esprit, Paris 1893. Deze leer van het testim. Sp. S. werd
-opgenomen in de Fransche, Nederl. en Westminstersche geloofsbelijdenis
-en in Calvijns geest ontwikkeld door Ursinus, Tract. Theol. p. 12,
-13. Zanchius, Op. VIII col. 332 sq. Polanus, Synt. Theol. I cap. 16.
-Trigland, Antapologia p. 42 sq. Maccovius, Loci Comm. p. 28. Alsted,
-Theol. schol. didact. 1618 p. 10 sq. 29 sq. Maresius, Syst. Theol.
-I § 33 e. a. Ook buiten de Geref. theologie vond ze ingang bij de
-Lutherschen, nog niet bij Chemniz, Heerbrand enz. maar wel bij Hutter,
-Hunnius, Gerhard, Loc. Theol. loc. 1 cap. 3 § 39. Quenstedt, Hollaz,
-cf. Hase, Hutterus Rediv. § 37, 45. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6e
-Aufl. S. 31. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 1-54. Dorner, Gesch.
-der Prot. Theol. S. 539-549.
-
-Maar deze leer vond bestrijding van den kant van het Socinianisme, Fock,
-der Socinianismus 336 f.; van het Remonstrantisme, Episcopius, Instit.
-Theol. Lib. 4 Sect. 1 cap. 5 § 2. Limborch, Theol. Christ. I c. 4 § 17,
-en van het Romanisme, Bellarminus, de verbo Dei IV 4; cf. Pannier, Le
-témoignage du S. Esprit p. 140 s. Langzamerhand begon het testimonium
-internum ook in de Geref. theologie zijne eereplaats te verliezen. Bij
-Turretinus, Theol. El. II qu. 6 § 11 sq. en Decas disput. miscell. p.
-30-70, Amyraldus, Syntagma thesium theol. in acad. Salmur. 1665 p.
-117-143, Molinaeus, Juge des controverses, chap. 16, 17 e. a. wordt
-het reeds verzwakt, en vereenzelvigd met zoodanige verlichting des H.
-Geestes, waardoor het verstand in staat wordt gesteld, om de notae en
-criteria van de goddelijkheid der H. Schrift op te merken. Het geloof
-sluit zich niet rechtstreeks en onmiddellijk meer aan de Schrift aan,
-maar vloeit uit het inzicht in de veritatis et divinitatis notae voort.
-Tusschen de Schrift en het geloof worden de kenmerken van de waarheid
-der Schrift ingeschoven. Eerst nog in dien zin, dat het opmerken en
-onderkennen van die criteria aan eene verlichting des verstands door
-den H. Geest wordt toegeschreven. Maar het rationalisme achtte spoedig
-ook deze onnoodig, droeg het onderzoek van de waarheid der openbaring
-op aan de rede, en grondde het gezag der Schrift op historische
-bewijzen. Zelfs rechtzinnige theologen durfden nauwelijks meer spreken
-van het testimonium internum, Brakel, Red. godsd. 2:7. Marck, Merch der
-Godg. 2:6. Als het getuigenis des H. G. nog ter bevestiging van het
-gezag der Schrift ter sprake wordt gebracht, komt het geheel achteraan,
-en wordt het in een ervaringsbewijs veranderd, Reinhard, Dogm. 5te Aufl.
-S. 69. Bretschneider, Dogm. 1838 I 283 en de daar aangeh. litt. Hase,
-Hutterus Rediv. § 37, noot 4. Vinke, Theol. Christ. dogm. Comp. p.
-21, 22 enz. Michaelis, Dogm. 2e Aufl. Gött. 1784 S. 92, verklaarde,
-dat hij nooit zulk een getuigenis des H. G. in zijn hart vernomen had
-en ook in de Schrift niet vond. En Strauss, Gl. I 136, beweerde, dat
-het testimonium Sp. S. tot fanatisme of tot rationalisme leidde en de
-Achilleshiel was van het Protestantsche systeem.
-
-Verschillende oorzaken hebben er echter toe medegewerkt, om deze
-leer van het testimonium internum toch weer eenigermate in hare eer
-te herstellen. De kritiek van het rationalisme door Kant; het bewijs
-des Geistes und der Kraft, waarop Lessing zich beriep; de romantiek
-van Jacobi en Schleiermacher, en de onvruchtbaarheid der apologetiek
-hebben de overtuiging doen geboren worden, dat de rechtvaardiging
-van de christelijke religie uitgaan moet van het geloof der gemeente.
-Religieuse waarheid moet op andere wijze bewezen worden dan eene
-stelling uit de mathesis. Aan de openbaring die het principium
-externum der religie is, moet een correspondeerend orgaan in den
-mensch zelf beantwoorden. Wel verschilt dit alles nog zeer veel
-van het testimonium Sp. S., gelijk het door Calvijn ontwikkeld werd.
-Dikwerf wordt dit getuigenis door de nieuwere theologen van heel
-zijn bovennatuurlijk karakter beroofd. Gewoonlijk wordt het in verband
-gebracht niet met den vorm, maar alleen met den inhoud, en soms
-alleen met den religieus-ethischen inhoud der Schrift. Maar evenals
-de Roomsche, zoo moeten ook de Protestantsche theologen erkennen,
-dat de laatste en diepste grond des geloofs niet buiten ons liggen
-kan in bewijzen en redeneeringen, in kerk en traditie, maar alleen
-gevonden kan worden in den mensch zelf, in het religieuse subject.
-En die overtuiging komt aan de leer van het testimonium Sp. S. ten
-goede. Een enkele moge het nog voor de historische bewijzen opnemen en
-het testimonium Sp. S. bestrijden, zooals König, Der Glaubensakt des
-Christen 1891 S. 92-99. Id. Die letzte Instanz des bibl. Glaubens 1892
-S. 23 f. De meeste theologen nemen het weer op in de dogmatiek, en
-ruimen er eene grootere of kleinere plaats voor in, Oosterzee, Jaarb.
-v. wet. Theol. 1845. Dogm. I 242. Scholten L. H. K. I 115-233. Twesten
-I 433-7. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857. Lange I § 84. Kahnis,
-Luth. Dogm. I 291. Philippi, Kirchl. Dogm. 3e Aufl. I 135 f. Cremer
-in Herzog² 6, 746. Frank, Syst. der chr. Gewissheit I 139. Id. Dogm.
-Studiën 38-57. Thomasius, Christi Person u. Werk 3e Aufl. II 268 f.
-Dorner, Gesammelte Schriften, Berlin 1883 S. 131 f. Lipsius, Jahrb.
-f. prot. Theol. 1885 S. 614. Hodge, Syst. Theol. III 69. Pannier, Le
-témoignage du S. Esprit p. 193 s. Kuyper, Encycl. II 501-511. John de
-Witt, The testimony of the Holy Spirit to the Bible, Presb. and Ref.
-Rev. Jan. 1895 p. 69-85.
-
-4. Zoowel de Roomsche als de Protestantsche theologie is bij het
-onderzoek naar den diepsten grond des geloofs uitgekomen bij het
-religieuse subject en moet hare positie nemen in het geloof der
-gemeente. Elke andere weg, tot bewijs der religieuse waarheid
-ingeslagen, is gebleken eene impasse te zijn. Schijnbaar is dit eene
-teleurstelling; en zoo wordt ze ook gevoeld door elk, die het eigenlijk
-wezen van openbaring en godsdienst miskent en ze verandert in eene
-verstandelijk bewijsbare leer. Maar feitelijk is deze uitkomst voor de
-theologie eene winst. Want zij bewijst, dat de theologie tot het inzicht
-gekomen is van de eigensoortigheid der religie en dat zij in dezelfde
-conditie verkeert als alle andere wetenschappen. Het subjectieve
-uitgangspunt is toch volstrekt niet alleen aan de theologie eigen. Al
-het objectieve is slechts van uit het subject te benaderen; het Ding
-an sich is onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld der klanken
-heeft slechts realiteit voor den hoorenden, de wereld der gedachten
-alleen voor den denkenden geest. Het is vergeefsche moeite, aan den
-blinde het objectief bestaan der kleuren te willen bewijzen. Alle
-leven en kennen berust op eene samenstemming van subject en object.
-En de mensch is daarom zoo rijk, wijl hij door de verschillendste en
-de veelvuldigste relatiën aan de objectieve wereld verbonden is. Hij
-is aan de gansche wereld verwant; physisch, vegetatief, sensitief,
-intellectueel, ethisch, religieus staat hij met die wereld in harmonie;
-hij is een mikrokosmos. Nu gaat de Schrift ons voor, om al deze relatiën
-van den mensch tot de wereld religieus op te vatten en theïstisch te
-verklaren. De mensch heeft zich niet zelf in deze verhouding tot den
-kosmos gesteld. Hij is van huis uit op die wereld aangelegd, en deze
-wederkeerig op hem. Wijl hij beeld Gods is, is hij ook heer der aarde.
-En niet alleen is het God, die deze banden eenmaal tusschen mensch en
-wereld gelegd heeft; Hij is het ook, die ze voortdurend van oogenblik
-tot oogenblik in stand houdt en werken doet. Het is eenzelfde Logos,
-waardoor alle dingen in en buiten den mensch zijn gemaakt. Hij is vóór
-alle dingen en deze bestaan nog altijd te zamen door Hem, Joh. 1:3;
-Col. 1:15. Nog nader doet de Schrift ons den Geest van God kennen
-als principe en auteur van alle leven in mensch en wereld, Gen. 1:2;
-Ps. 33:6, 104:30, 139:7; Job 26:13, 33:4, bepaaldelijk ook van het
-intellectueele, ethische en religieuse leven, Job 32:8; Jes. 11:2.
-Natuurlijk is de werking van dien Geest verschillend, overeenkomstig de
-verhoudingen, waarin de mensch tot de wereld staat. Physisch bestaat
-ze nog slechts in de aandrift, die mensch en dier hunne spijze van God
-doet zoeken, Ps. 104:20-30. Ze is dan nog gelijk aan het instinct, dat
-onbewust de handeling leidt. Maar hooger vorm neemt deze werking van
-Gods Geest aan in het intellectueele, ethische en religieuse leven van
-den mensch. Ze wordt dan tot ratio, conscientia, sensus divinitatis,
-welke geen rustende vermogens maar vatbaarheden zijn, die door inwerking
-van verwante verschijnselen uit de buitenwereld tot actie overgaan. En
-deze actie kan nu den naam van getuigenis dragen, door den menschelijken
-geest gegeven aan de correspondeerende verschijnselen buiten hem.
-Onze geest doet niets anders dan altijd door getuigenis geven aan de
-waarheid, die van buiten tot ons komt. Hij brengt die waarheid niet
-denkende en redeneerende uit zichzelven voort; hij produceert en
-schept ze niet, hij reproduceert en denkt ze slechts na. De waarheid
-bestaat vóór en onafhankelijk van den menschelijken geest; zij rust in
-zichzelve, in den Logos, waarin alles bestand heeft. Van ’s menschen
-zijde is alleen noodig, dat hij de waarheid inzie en in zich opneme;
-dat hij er zijn getuigenis aan geve en ze denkend en kennend verzegele.
-Zoo getuigde Jezus hetgeen hij gezien en gehoord had, Joh. 3:32; Hij
-gaf der waarheid getuigenis, Joh. 18:37; en zoo waren de apostelen
-getuigen van het woord des levens, dat zij in Christus aanschouwd en
-getast hadden, Joh. 15:27; 1 Joh. 1:3. Zulk een getuigenis geven aan
-de waarheid is voor den menschelijken geest rust, vreugde, zaligheid.
-De afstand tusschen ons en de waarheid is dan weggevallen; zij heeft
-ons, wij hebben haar gevonden. Er is onmiddellijke aanraking. Zij maakt
-ons door zichzelve tot hare getuigen. Alle waarheid maakt van hem,
-die haar kent, een getuige, een verkondiger, een profeet. Ingaande
-in onzen geest, brengt zij hare eigene getuigenis mede; zij brengt die
-zelve in ons voort. Religieus opgevat, is het de Logos zelf, die door
-onzen geest heen aan den Logos in de wereld getuigenis geeft. Het is
-eenzelfde Geest, die de waarheid objectief voor ons uitspreidt en ze
-subjectief in onzen geest tot zekerheid verheft. Het is zijn getuigenis,
-dat in ons bewustzijn gegeven wordt aan de gedachten, welke God in de
-schepselen heeft belichaamd. Bovenal in de religie is dit getuigenis
-des H. Geestes aan de waarheid duidelijk. God laat zich niet onbetuigd.
-Hij openbaart zijne δυναμις en θειοτης in de schepselen, en geeft
-zelf daaraan in onzen νους door zijnen Geest getuigenis. Alle kennen
-der waarheid is wezenlijk een getuigenis, dat de geest des menschen
-aangaande haar aflegt, en in den diepsten grond een getuigenis van den
-Geest Gods aan het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt.
-
-5. Dit getuigenis van des menschen geest aan de waarheid is
-onderstelling en grondslag, en tevens ook analogie van het testimonium
-Spiritus Sancti. Calvijn en anderen wezen reeds op deze overeenkomst,
-Instit. II 8, 1. Maresius, Syst. theol. I § 33. Alsted, Theol. schol.
-did. p. 31. Maar analogie is geen identiteit. De christelijke religie
-heeft tot principium externum niet de algemeene openbaring Gods in de
-natuur, maar eene bijzondere openbaring Gods in Christus. Daarmede moet
-het principium internum overeenstemmen. De νους van den psychischen
-mensch is onvoldoende, om de dingen des Geestes Gods te onderscheiden.
-God kan alleen door God worden gekend. Ὁ ὠν ἐκ του θεου τα ρηματα του
-θεου ἀκουει, Joh. 8:47, 3:21, 7:17, 10:3 v., 18:37. Niemand kan over
-God spreken, dan die uit en door Hem spreekt. Daarom kan ook alleen
-diezelfde Geest, die door profeten en apostelen heeft gesproken, in
-onze harten aan de waarheid getuigenis geven en deze daardoor boven
-allen twijfel verheffen en tot volstrekte zekerheid brengen. Zulk een
-getuigenis des H. Geestes in de harten der geloovigen wordt in de
-Schrift zeer duidelijk geleerd. In de objectieve openbaring, d. i. in
-den persoon van Christus en in de Schrift als zijn woord, ligt alles
-besloten, wat de mensch tot de kennis en den dienst Gods van noode
-heeft. De openbaring Gods is in Christus voltooid en in de Schrift
-volkomen genoegzaam beschreven. Maar deze openbaring in Christus en
-in zijn woord is middel, geen doel. Doel is de schepping eener nieuwe
-menschheid, die het beeld Gods ten volle ontvouwt. Daarom moet heel
-de openbaring overgeleid worden uit Christus in de gemeente, uit de
-Schrift in het bewustzijn; God zoekt eene woning in den mensch. Dit
-groote, goddelijke werk van de toepassing des heils, van de leiding in
-alle waarheid is opgedragen aan den Heiligen Geest. Reeds in de dagen
-des O. Verbonds was Hij de auteur van alle religieus-ethische kennis
-en leven, Ps. 51:13, 143:10; Jes. 63:10. Maar Israel verkeerde in een
-staat van onmondigheid en was onder de verzorging der wet gesteld,
-Gal. 4:1 v. De H. Geest was nog niet, overmits Christus nog niet was
-verheerlijkt, Joh. 7:39. Daarom zagen de profeten met verlangen uit
-naar de dagen des N. Verbonds, waarin allen door den Heere geleerd en
-allen door den H. Geest geleid zouden worden, Jer. 31:34; Ezech. 36:25
-v.; Joel 2:28 v. Naar de belofte wordt deze Geest uitgestort op den
-Pinksterdag. Heel zijne werkzaamheid wordt door Jezus een getuigen, een
-verheerlijken van Hemzelven genoemd, Joh. 15:26, 16:14. De H. Geest
-is de waarachtige en de almachtige Getuige voor Christus. Heel de
-wereld staat vijandig tegen Christus over, niemand neemt het voor Hem
-op. Maar de H. Geest treedt bij die wereld als de paracleet, als de
-verdediger van Christus op. Dat doet Hij allereerst in de Schrift; deze
-is het getuigenis, de pleitrede des H. Geestes voor Christus, die Hij
-uitspreekt en handhaaft al de eeuwen door. Dit testimonium Spiritus
-Sancti in S. Scriptura gaat vooraf en ligt ten grondslag aan het
-getuigenis, dat de H. Geest aflegt in de harten der geloovigen. Gelijk
-de gedachten Gods objectief in de wereld belichaamd zijn en daaruit
-door den menschelijken geest worden afgeleid, zoo is ook het woord der
-openbaring eerst volkomen beschreven in de H. Schriftuur, om daarna
-verzegeld te worden in onze harten door het getuigenis des H. Geestes.
-Ook hier bestaat de werkzaamheid van den geest des menschen in niets
-anders dan om getuigenis te geven aan de waarheid, en na te denken
-wat God voorgedacht heeft. Het testimonium Sp. S. in de geloovigen
-blijkt hier alreede geen nieuwe openbaring of meedeeling van onbekende
-waarheden te zijn. Het is wezenlijk onderscheiden van profetie en
-inspiratie; het doet alleen de waarheid, die buiten en onafhankelijk
-van ons bestaat, als waarheid verstaan en verzekert en verzegelt ze
-mitsdien in het menschelijk bewustzijn. De verhouding van het getuigenis
-des H. Geestes in de harten der geloovigen tot de waarheid der
-openbaring in de H. Schrift is m. m. geene andere dan die van den
-menschelijken geest tot het voorwerp van zijne kennis. Het subject schept
-de waarheid niet; het erkent en beaamt ze slechts.
-
-Maar de analogie strekt zich nog verder uit. De objecten van het
-menschelijk weten zijn alle αὐτοπιστα, ze rusten in zichzelve, hun
-bestaan kan erkend maar niet bewezen worden. Bewijzen in strikten
-zin zijn er alleen mogelijk ten aanzien van afgeleide stellingen, en
-bestaan dan daaruit, dat deze tot algemeene stellingen worden herleid.
-Bewijzen is: het onbekende terugleiden tot het bekende, het bijzondere
-tot het algemeene, het onzekere tot het vaststaande. Misschien is
-het nog juister te zeggen, dat bewijzen bestaat in het herleiden van
-onzekere en betwijfelde stellingen tot zulke, die nu eenmaal algemeen
-als vaststaande worden aangenomen. Want de prima principia, waar alle
-bewijzen ten slotte op rusten, zijn zelve voor geen bewijs vatbaar; zij
-staan alleen vast door en voor het geloof. Bewijzen zijn daarom alleen
-van kracht voor hem, die in deze principia met ons overeenstemt.
-Contra principia negantem non est disputandum. Zoo kan in de moraal
-het stelen als ongeoorloofd worden bewezen aan hem, die het gezag der
-zedewet erkent, maar elk bewijs is krachteloos tegenover wie dit gezag
-loochent. De zedewet zelve is αὐτοπιστος, zij rust in zichzelve, zij is
-als de zon die alleen gezien wordt bij haar eigen stralen; zij hangt van
-geen bewijs en redeneering af; zij is machtig doordat zij er is, zichzelve
-poneert en handhaaft; haar macht bestaat in haar gezag, in de goddelijke
-majesteit, waarmede zij haar: gij zult, in onze conscientie hooren doet.
-De zedewet zou zichzelve verzwakken, als zij met ons ging redeneeren en
-zich onderwierp aan ons oordeel. Zij treedt kategorisch op, en wil van
-geen exceptiën, van geen verontschuldigingen weten. Op de vraag: waarom
-onderwerpt gij u aan de zedewet? is er maar één antwoord mogelijk: omdat
-zij mij Gods wil openbaart. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom
-gelooft gij, dat die zedewet Gods wil is? is er geen afdoend antwoord
-meer te geven. Wie dan toch antwoorden wil, slaat een zijweg in en
-beroept zich op allerlei notae en criteria, waarin die goddelijkheid
-der zedewet zich aan hem kenbaar maakt. Maar afdoende bewijzen zijn dit
-niet. En zoo is het gesteld met alle principia. Zij rusten in zichzelve
-en staan alleen vast voor het geloof. Op dezelfde wijze verhoudt het
-zich in de theologie. Bewijzen zijn hier alleen mogelijk ten aanzien van
-de afgeleide stellingen. De Godheid van Christus kan bewezen worden aan
-hem, die het gezag der Schrift erkent. Maar de autoriteit der Schrift
-rust in zichzelve en is voor geen bewijs vatbaar. De H. Schrift is
-αὐτοπιστος en daarom de laatste grond des geloofs. Een diepere grond
-is niet aan te voeren. Op de vraag: waarom gelooft gij de Schrift? is
-het eenige antwoord, wijl zij Gods woord is. Maar als dan verder gevraagd
-wordt: waarom gelooft gij, dat de H. Schrift Gods woord is? moet de
-Christen het antwoord schuldig blijven. Wel zal hij dan een beroep
-doen op de notae en criteria der Schrift, op de majesteit van haar
-stijl, de verhevenheid van haar inhoud, de diepte harer gedachten, het
-zegenrijke harer vruchten enz.; maar dat zijn toch niet de gronden van
-zijn geloof, het zijn slechts eigenschappen en kenmerken, die later door
-het geloovig denken in de Schrift worden ontdekt, evenals de bewijzen
-voor Gods bestaan niet aan het geloof voorafgaan en dit schragen, maar
-eruit voortvloeien en erdoor uitgedacht zijn. Alle bewijzen voor het
-geloof aan de Schrift, ontleend aan hare notae en criteria, toonen
-ten duidelijkste aan, dat er geen diepere grond kan aangegeven worden.
-Het Deus dixit is het primum principium, waartoe alle dogmata, ook
-dat aangaande de Schrift, kunnen herleid worden. De band der ziel aan
-de Schrift als het woord Gods ligt achter het bewustzijn, en onder de
-bewijzen; hij is mystiek van aard, evenals het geloof aan de principia in
-de verschillende wetenschappen.
-
-6. Tegen deze voorstelling wordt echter van verschillende zijden de
-bedenking ingebracht, dat alzoo het gelooven geheel willekeurig
-wordt. In plaats van redenen op te geven, waarom de Schrift als woord
-Gods wordt geloofd, antwoordt men, dat God het alzoo te gelooven
-geeft. Daarmede kan de Mohammedaan zijn geloof aan den Koran, en ieder
-bijgeloovige zijne superstitie bewijzen. Het sic volo, sic jubeo neemt
-de plaats in van reden en bewijs. Cf. bijv. Scholten tegen Saussaye,
-Leer der Herv. Kerk, 3e druk, voorrede. Hiertegen worde echter in de
-eerste plaats opgemerkt, dat de geloovige wel is waar geen dieperen
-grond voor de openbaring kan aangeven dan haar goddelijke autoriteit,
-welke hij door het geloof erkent. Maar daarom heeft hij nog wel wat in
-het midden te brengen tegenover den bestrijder dier openbaring. Het
-is zoo, afdoende bewijzen heeft hij niet, hij kan den tegenstander niet
-bewegen tot het geloof, maar hij heeft ter verdediging minstens evenveel
-te zeggen als gene tot aanval. Ook het ongeloof rust ten slotte niet
-op bewijzen en redeneeringen maar wortelt in het hart. Geloovigen en
-ongeloovigen staan in dit opzicht volkomen gelijk; beider overtuiging
-hangt met heel hun persoonlijkheid saam en wordt eerst aposteriori
-door bewijs en redeneering gesteund. En als nu beiden tegen elkander
-met deze aposteriorische bewijzen en redeneeringen strijd voeren,
-verkeeren de geloovigen in geen ongunstiger conditie dan zij, die niet
-gelooven. God is kenbaar genoeg voor degenen die Hem zoeken, en ook
-weder verborgen genoeg voor hen, die Hem ontvluchten. Il y a assez de
-lumière pour ceux, qui ne désirent que de voir, et assez d’obscurité
-pour ceux, qui ont une disposition contraire. Il y a assez de clarté
-pour éclairer les élus, et assez d’obscurité pour les humilier. Il y
-a assez d’obscurité pour aveugler les réprouvés, et assez de clarté,
-pour les condamner et les rendre inexcusables, Pascal, Oeuvres, Paris,
-Hachette 1869 I 345. Het staat met religie, theïsme, openbaring en
-Schrift nog niet zoo hopeloos, als de wetenschap ons jaren lang heeft
-willen doen gelooven. Theodor von Lerber schreef onlangs van de
-wetenschap niet geheel ten onrechte: ich habe als Dilettant zu oft
-neben ihr gesessen und ihr in die Karten und auf die Finger geschaut,
-um noch übermässigen Respekt vor der Dame zu haben. Sie wird mir auf
-meinen Grabstein schreiben müssen: er dachte klein von mir und starb,
-bij A. Zahn, Socialdemokratie und Theologie, Gütersloh 1895 S. 34.
-Historische en rationeele bewijzen zullen niemand bekeeren, maar zijn
-toch tot verdediging van het geloof even krachtig, als de argumenten
-der tegenpartij voor de rechtvaardiging van haar ongeloof. Voorts is
-het getuigenis, dat door de geloovigen aan de christelijke openbaring,
-aan de Schrift, gegeven wordt, wel niet algemeen menschelijk, maar toch
-algemeen christelijk. De gansche Christenheid is in deze belijdenis
-eenparig. Het testimonium Spiritus Sancti is niet het getuigenis van
-een spiritus privatus, maar van den éénen en zelfden Geest, die in
-alle geloovigen woont. Calvijn verklaarde, dit getuigenis besprekende,
-niets te beschrijven dan wat de ervaring was van alle geloovigen, Inst.
-I 7, 6. Het is een machtig getuigenis, dat door de kerk aller eeuwen
-gegeven wordt aan de Schrift als het woord Gods. Over geen dogma
-heerscht er zoo groote eenstemmigheid. Het is een feit, dat niet met
-hallucinatie of willekeur op ééne lijn mag gesteld worden, en dat in elk
-geval verklaring behoeft. Vervolgens kan de geloovige zeer zeker geen
-dieperen grond voor zijn geloof aanwijzen dan de goddelijke autoriteit der
-H. Schrift. Maar hij kan wel nadere verklaring geven aangaande de wijze,
-waarop hij tot dit geloof is gekomen. Het is zoo, in den regel wordt
-iemand in dat geloof geboren en opgevoed; later ontdekt hij zelf, dat hij
-met heel zijne ziel aan de Schrift gebonden ligt, en tracht dan erover
-na te denken en van dezen mystieken band zich rekenschap te geven. Maar
-meermalen gebeurt het, dat iemand op lateren leeftijd tot bekeering
-komt en tot het geloof aan de Schrift. En ook zij, die van der jeugd
-aan uit dat geloof hebben geleefd, worden dikwerf geschokt en door de
-kritiek heen en weer geslingerd; eerst allengs komen zij tot de vaste
-verzekerdheid des geloofs. Welke is nu de ervaring, waardoor het geloof
-aan de openbaring voor het eerst gewekt of later hersteld en versterkt
-wordt? Zij is natuurlijk verschillend in de verschillende geloovigen;
-maar zij is toch altijd van religieus-ethischen, van geestelijken aard.
-Wat ons werkelijk gelooven doet is niet het inzicht van ons verstand
-noch een besluit van onzen wil; maar het is eene macht, die boven ons
-staat, die onzen wil buigt, die ons verstand verlicht, die zonder
-dwang en toch krachtdadig onze gedachten en overleggingen gevangen
-leidt tot de gehoorzaamheid van Christus. Dat beleed Augustinus, als
-hij het geloof toeschreef aan de gratia interna. Dat erkende Thomas,
-als hij zei, dat de assensus fidei was a Deo, interius movente per
-gratiam. Dat sprak het Vaticaansche concilie uit, als het getuigde dat
-het geloof niet tot stand kwam absque illuminatione et inspiratione
-Spiritus Sancti. En dat was de overtuiging van heel de Reformatie:
-het geloof is eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Gelooven
-is eene daad des verstands, is eene onmiddellijke, niet door bewijzen
-bemiddelde, aansluiting van het bewustzijn aan de openbaring. Maar dat
-geloof onderstelt eene verandering in de relatie van den ganschen
-mensch tot God, het onderstelt de wedergeboorte, de omzetting van
-den wil. Nemo credit nisi volens. Het weten dwingt; niemand kan eene
-mathematische stelling ontkennen. Maar gelooven is vrij, het is de daad
-der hoogste vrijheid, wijl de daad van de diepste zelfverloochening. Als
-God de zaligheid niet aan het weten maar aan het gelooven verbindt,
-dan is dat een bewijs, dat Hij niet dwingt en niet dwingen wil. De brief
-aan Diognetus, cap. 7 zegt zoo schoon: βια γαρ οὐ προσεστι τῳ θεῳ.
-Juist, wijl het geloof geen vrucht is van wetenschappelijke bewijzen,
-komt het niet buiten het hart en den wil des menschen om tot stand.
-Dat is de waarheid, die er ligt in de leer van Kant en de Neokantianen
-aangaande den moralischen Glauben. Het geloof is geen conclusie van een
-syllogisme. Toch is het aan de andere zijde ook geen wilsbesluit, geen
-postulaat. Postuleeren doet de verloren zoon niet, als hij terugkeert
-naar het vaderhuis. Het geloof is ook geen imperium voluntatis. Men kan
-niet gelooven als men wil. De wil kan aan het bewustzijn niet bevelen,
-om iets als waarheid aan te nemen, als het zelf hoegenaamd de waarheid
-er niet van inziet. Gelooven is geen willekeur, maar het is ook niet
-blind. Het onderstelt eene wilsverandering, operari sequitur esse; maar
-het is eene vrije, spontane erkenning des verstands van het woord Gods.
-Gelijk het oog, de zon ziende, van haar realiteit terstond overtuigd is,
-zoo aanschouwt de wedergeborene de waarheid van Gods openbaring. Voor
-den wedergeborene is het geloof aan de openbaring even natuurlijk als
-voor den zedelijken mensch de erkenning der zedewet. Het is ingeschapen
-in de natuur van het geestelijk leven; het wortelt in de geheimzinnige
-diepten van het wedergeboren hart. De geloovige kan dit geloof even
-weinig prijsgeven als zichzelven. Ja, zichzelf kan hij verloochenen,
-zijn leven kan hij opofferen, maar zijn geloof kan hij niet laten varen.
-Het geloof aan de openbaring is bij den Christen één met het geloof
-aan zichzelven, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 222. Kuyper, Encycl. II 77.
-De Christen zou het geloof aan zichzelf, aan zijn kindschap, aan de
-vergeving zijner zonden, aan de waarachtigheid en de trouwe Gods moeten
-prijsgeven, om in de openbaring niet het woord Gods te zien. Het geloof
-aan de openbaring is één met het beste dat in hem is; in zijne beste
-oogenblikken staat hij het sterkst in dat geloof. Wat er tegen opkome,
-hij kan niet anders en mag niet anders. Eindelijk, er komt veel op tegen
-dit zijn geloof. Niet alleen van buiten, maar veel meer nog van binnen.
-Hoezeer de wil is gebogen en het verstand is verlicht, er blijft in den
-geloovige nog veel, dat tegen deze gehoorzaamheid des geloofs zich
-verheft. Het geloof is, wijl het een bewijs is van zaken die men niet
-ziet, een voortdurende strijd. Zonden van het hart en dwalingen van het
-hoofd verzetten zich tegen het geloof; en ze hebben dikwerf den schijn
-voor zich. Er blijft een dualisme in den geloovige, zoolang hij op aarde
-is; een dualisme niet van hoofd en hart, maar van σαρξ en πνευμα, van
-den παλαιος en den καινος ἀνθρωπος. Het geloof behoudt min of meer een
-supranatureel karakter, inzoover het de natuur van den psychischen
-mensch te boven gaat. Het is nog niet ten volle natuurlijk; zoodra het
-dat wordt, houdt het zelf op en gaat het over in aanschouwen. Het
-geloof is juist geloof, wijl het iets ziet, wat de psychische mensch
-niet waarneemt. Maar dit dualisme, hoe pijnlijk ook, dient toch ter
-andere zijde tot bevestiging van het geloof. Want als het geloof niet
-opkomt uit de natuurlijke hebbelijkheden van den mensch, en noch een
-conclusie van een syllogisme is noch een besluit van den wil; dan is
-zijne aanwezigheid tevens een bewijs voor zijn waarheid. Onze eigen geest
-drijft ons niet van nature, om God onzen Vader te noemen en ons onder
-zijne kinderen te rekenen. Er is een wezenlijk en ook gemakkelijk kenbaar
-verschil tusschen het getuigenis des H. Geestes, als Hij tot onze ziele
-zegt: ik ben uw heil, en de verleiding van Satan als hij spreekt: Vrede,
-vrede en geen gevaar. Potestne quis a diabolo impelli, ut Deum in
-fide Abba, Patrem vocet? Heidegger, Corpus Theol. loc. 24 § 78. Het
-christelijk geloof wijst op het testimonium Spiritus Sancti terug. Of
-Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott’, God zelf is laatste grond
-van mijn geloof in God (Beets).
-
-7. Dit testimonium Spiritus Sancti is door Calvijn en de Geref.
-theologen al te eenzijdig betrokken op de autoriteit der H. Schrift. Het
-scheen, dat het geen anderen inhoud had dan de subjectieve verzekering
-van de Schrift als het woord Gods. Daardoor kwam dit testimonium op
-zichzelf te staan; het werd van het geloofsleven losgemaakt en scheen
-eene buitengewone openbaring aan te duiden, waarvan Michaelis zoo
-eerlijk was te erkennen, dat hij ze nimmer had ervaren. De Schrift leert
-echter gansch anders. In het algemeen wordt de H. Geest door Jezus
-beloofd als de Trooster, als de Geest der waarheid, die in de eerste
-plaats de apostelen maar dan door hun woord ook alle geloovigen leidt
-in de waarheid, bij hen van Christus getuigt en Hem verheerlijkt, Joh.
-14:17, 15:26, 16:14. Daartoe overtuigt Hij van zonde, Joh. 16:8-11,
-wederbaart, Joh. 3:3, en brengt tot de belijdenis van Christus als
-Heer, 1 Cor. 12:3. En voorts verzekert Hij van het kindschap en van de
-hemelsche erfenis, Rom. 8:14 v.; 2 Cor. 1:22, 5:5; Ef. 1:13, 4:30, doet
-alle dingen kennen die den geloovigen van God geschonken zijn, 1 Cor.
-2:12; 1 Joh. 2:20, 3:24, 4:6-13, en is in de gemeente de auteur van
-alle christelijke deugden en van alle geestelijke gaven, Gal. 5:22; 1
-Cor. 12:8-11. Duidelijk blijkt uit al deze plaatsen, dat het getuigenis
-des H. G. van religieus-ethischen aard is en ten nauwste samenhangt
-met het eigen geloofsleven. Het gaat niet buiten het geloof om, het is
-geen stem uit den hemel, geen droom of visioen; het is een getuigenis,
-dat de H. Geest in, met, door onzen eigen geest heen in het geloof
-aflegt. Het wordt niet aan ongeloovigen geschonken maar is het deel
-alleen der kinderen Gods. Episcopius, Instit. Theol. IV sect. 1 c. 5 §
-2, maakte daarom de bedenking, dat het testimonium Sp. S. geen grond
-des geloofs kan zijn, wijl het er eerst op volgt, Joh. 7:38, 14:17; Hd.
-5:32; Gal. 3:2, 4:6. Maar het geloof is zelf van den eersten aanvang
-af een werk des H. Geestes, 1 Cor. 12:3 en ontvangt in den Geest der
-υἱοθεσια zijn zegel en bevestiging. Het gelooven zelf is een getuigen
-des H. Geestes in onze harten en door onzen geest heen. Er is alleen
-in zoover onderscheid tusschen den Geest Gods en onzen geest bij dit
-getuigenis, als onze geest zich telkens nog daartegen verzet en
-voortdurend tot gehoorzaamheid geleid moet worden. Daarom geeft het
-getuigenis des H. Geestes geen verzekering van de objectieve waarheden
-des heils buiten verband met den staat van het religieuse subject. Het
-verzekert die waarheden, omdat ze in onlosmakelijk verband staan met
-wedergeboorte en bekeering, vergeving en kindschap van den geloovige.
-Het testimonium Spiritus Sancti is allereerst eene verzekering, dat
-wij kinderen Gods zijn. Dat is de centrale waarheid, de kern en het
-middelpunt van dit getuigenis. Maar in verband daarmede verzegelt het
-ook de objectieve waarheden des heils, de transcendente en transeunte
-waarheden, gelijk Frank ze noemde. Echter met deze nadere bepaling, dat
-het testimonium Sp. S. ons geen van deze waarheden openbaart, noch ook
-ons in staat stelt om ze door nadenken uit de natuur van ons geestelijk
-leven af te leiden. De verlichting des H. Geestes is geen kenbron der
-christelijke waarheid; zij doet ons geene materieele waarheden kennen,
-die aan den natuurlijken mensch verborgen zijn; zij doet ons dezelfde
-zaken alleen anders, dieper, geestelijk verstaan en opvatten. Paulus
-zegt uitdrukkelijk, dat de Geest ons doet weten de dingen die ons
-objectief door God in Christus geschonken zijn, 1 Cor. 2, cf. Hoekstra,
-Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. geloof 1861 bl. 165 v.
-184. De Geest, dien de geloovigen ontvangen, is de Geest van Christus,
-die alles uit Christus neemt en ontvangen wordt uit de prediking des
-evangelies, Joh. 14:17; Gal. 3:2, 4:6; 1 Joh. 2:20, 24, 27. Maar de
-waarheden zelve zijn van elders uit de Schrift ons bekend; zij worden
-alleen subjectief verzegeld door het getuigenis des H. Geestes.
-
-Daaruit volgt, dat het eigenlijk object, waaraan de H. Geest in de
-harten der geloovigen getuigenis geeft, niets anders is dan de
-divinitas der waarheid, in Christus ons geschonken. Historische,
-chronologische, geographische data zijn nooit als zoodanig, op
-zichzelve, object van het getuigenis des H. Geestes. Zelfs de feiten
-des heils zijn niet als nuda facta, inhoud van dat getuigenis.
-Geen enkel geloovige wordt door het getuigenis des H. Geestes in
-wetenschappelijken zin verzekerd van de bovennatuurlijke ontvangenis en
-de opstanding van Christus. Het eenige, waar het getuigenis des H.
-Geestes betrekking op heeft, is de divinitas. Maar dan ook de divinitas
-van al die waarheden, welke in de Schrift zijn geopenbaard en door
-God in Christus ons geschonken zijn. Het is onjuist, het testimonium
-Sp. S. alleen te laten slaan op datgene, wat in engeren zin alleen
-religieus-ethisch is. Wel is de divinitas het eenige directe object van
-dat getuigenis, maar deze divinitas is niet alleen eene eigenschap van
-enkele godsdienstige en zedelijke uitspraken, maar evenzeer van feiten
-en daden. Christus zelf is een historisch persoon, de verlossing is
-door historische daden tot stand gebracht, en het testimonium Sp. S.
-drukt ook op deze historie het merkteeken der divinitas. Daarom is dit
-testimonium Sp. S. door Calvijn ook terecht in verband gebracht met
-de Schrift als het woord Gods. Want niet alleen heeft deze Schrift
-omnium consensu eene rijke religieus-ethische beteekenis voor het
-christelijk leven, maar zij bevat ook eene leer over zichzelve. De
-H. Geest openbaart aan den geloovige geen enkele waarheid, evenmin
-aangaande den persoon van Christus als aangaande de H. Schrift. De
-geloovige kan alleen belijden wat God in Christus hem geschonken heeft.
-Maar de Schrift bevat ook eene leer over zichzelve evengoed als over
-Christus. En het testimonium Sp. S. ten aanzien van de H. Schrift
-bestaat daarin, niet dat de geloovige eene onmiddellijke, hemelsche
-aanschouwing ontvangt van de goddelijkheid der Schrift; noch ook, dat
-hij middellijk uit de notae en criteria tot hare goddelijkheid besluit;
-evenmin dat hij uit de ervaring van de kracht die van haar uitgaat,
-tot hare goddelijkheid opklimt; maar hierin dat hij vrij en spontaan het
-gezag erkent, waarmede de H. Schrift allerwege optreedt en dat zij zelve
-telkens uitdrukkelijk voor zichzelve vindiceert. Niet de authentie,
-noch de canoniciteit, noch zelfs de inspiratie, maar de divinitas der
-Schrift, hare goddelijke autoriteit is hierbij het eigenlijk object van
-het getuigenis des H. Geestes. Het doet den geloovige zich onderwerpen
-aan de Schrift en bindt hem in dezelfde mate en kracht aan deze als aan
-den persoon van Christus zelven. Het verzekert hem, dat hij in nood en
-dood, in leven en sterven op dat woord Gods zich verlaten en daarmede
-zelfs zonder vreeze voor den Rechter van hemel en aarde verschijnen
-kan. Historische kritiek der Schrift vindt daarom alleen in zooverre
-bij de gemeente tegenstand, als zij afbreuk doet aan deze divinitas der
-H. Schrift en daardoor het getuigenis van het kindschap Gods, de hope
-der heerlijkheid, de zekerheid der zaligheid ondermijnt. In zekeren
-zin schuilt er in dit testimonium Sp. S. eene cirkelredeneering. De
-divinitas der Schrift wordt uit dit getuigenis en de divinitas van dit
-getuigenis wederom uit de Schrift bewezen. Alleen komt het testimonium
-Spiritus Sancti hier in tweeërlei opzicht voor. De geloovige voelt
-zich eerst in zijne ziel aan het woord Gods gebonden en leert dan later
-uit de H. Schrift verstaan, dat dat geloof aan de Schrift in zijn hart
-gewerkt is door den H. Geest. Nauwkeurig gesproken is het getuigenis
-des H. Geestes ook niet de laatste grond van zijn geloof, want de
-Schrift is αὐτοπιστος; maar wel het middel, waardoor hij de goddelijkheid
-der Schrift erkent. Schrift en getuigenis des H. Geestes verhouden zich
-als objectieve waarheid en subjectieve verzekerdheid, als de prima
-principia en hunne evidentie, als het licht en het oog. Eens in hare
-goddelijkheid erkend, staat de Schrift voor het geloof der gemeente als
-woord Gods onomstootelijk vast, zoodat zij principium en norma is van
-geloof en van leven.
-
-8. Dit getuigenis des H. Geestes wordt niet daardoor te niet gedaan,
-dat het in de geloovigen schijnbaar zoo verschillend is. Bellarminus
-bracht er reeds tegen in, dat Luther en Calvijn ondanks dit testimonium
-Sp. S. een zeer afwijkend oordeel velden over den brief van Jakobus.
-Maar de H. Geest getuigt in het hart der geloovigen niet alleen
-aangaande de H. Schrift maar evenzeer in betrekking tot alle andere
-waarheden des heils. Er is geen kerk, die in dezen zin niet een
-getuigenis, eene verlichting des H. Geestes aanneemt. En toch wordt
-daardoor verschil in de belijdenis der onderscheidene waarheden niet
-uitgesloten. Wij gelooven ééne heilige algemeene christelijke kerk,
-eene gemeenschap der heiligen; alle geloovigen belijden één Heer,
-één geloof, één doop, en zijn gedrenkt tot éénen Geest; en toch is er
-verdeeldheid en strijd tusschen de kerken onderling en in de voornaamste
-artikelen des geloofs. De eenheid der christelijke kerk ten aanzien van
-de Schrift is veel grooter dan in eenig ander dogma; zelfs dat van de
-triniteit en de Godheid van Christus niet uitgenomen. Toch doet al dat
-verschil ons niet twijfelen aan de eenheid des geloofs en der kennis,
-aan de katholiciteit der kerk, aan de leiding des Geestes in alle
-waarheid; want verschil zal er blijven, zoolang de kerk onvolmaakt,
-het hart verdorven, het inzicht beperkt, het geloof klein en zwak
-is. In den enkelen geloovige is het testimonium Spiritus Sancti niet
-altijd even sterk en luide; wijl het ten nauwste met het geloof en
-het geloofsleven samenhangt, gaat het op en neer en is aan twijfel
-en bestrijding onderhevig. Als in den geloovige de zonde de overhand
-neemt, wordt de bewustheid zijner vergeving verduisterd en verliest
-het getuigenis des H. Geestes aan kracht. Ons geloof aan de Schrift
-neemt af en toe met ons vertrouwen op Christus. De belijdenis van het
-testimonium Spiritus Sancti is zoo hoog en ideaal, dat de werkelijkheid
-van het christelijk leven er dikwerf verre beneden blijft.
-
-Daarbij komt, dat de Schrift zeer zeker een boek is ook voor den
-enkelen geloovige, maar toch in verband met de kerk aller eeuwen.
-De Schrift is aan de gansche kerk geschonken, aan de geloovigen van
-alle tijden en plaatsen. De enkele geloovige voedt zich altijd met een
-klein gedeelte der Schrift. Er zijn gansche gedeelten der Schrift, die
-voor de individueele geloovigen, ja voor geheele kerken en tijden, een
-gesloten boek blijven. Maar de belijdenis der Schrift als Gods woord is
-eene belijdenis der gansche kerk, waarmede de enkele geloovige instemt,
-en die hij ook voor zijn persoon en naar de mate zijns geloofs steunt en
-handhaaft, Hofmann, Weiss. und Erf. I 45 f. Het testimonium Spiritus
-Sancti is niet eene particuliere opinie, maar het getuigenis van de
-kerk aller eeuwen, van de gansche Christenheid, van heel de herborene
-menschheid. Die kerk stond ook eenmaal in al hare leden, evenals de
-wereld, vijandig tegenover het woord Gods. Maar de H. Geest heeft het
-in en bij haar opgenomen voor de waarheid van Christus. Hij heeft haar
-vijandschap gebroken, haar verstand verlicht, haar wil gebogen; en
-bewaart haar bij de waarheid van eeuw tot eeuw en van dag tot dag. Heel
-de belijdenis der gemeente is een testimonium Spiritus Sancti. Het is
-het ja en amen, dat de gemeente uitspreekt op de waarheid Gods. Het
-is het: Abba Vader, uw woord is de waarheid, dat uit de harten aller
-geloovigen opstijgt. Zoo weinig is het testimonium Spiritus Sancti
-de Achilleshiel van het Protestantisme, dat het veeleer verdient te
-heeten de hoeksteen der christelijke belijdenis, de kroon en het zegel
-van alle christelijke waarheid, de triumf des H. Geestes in de wereld.
-Neem het getuigenis des H. Geestes weg, niet alleen in betrekking tot
-de Schrift maar tot alle waarheden des heils, en er is geen kerk meer.
-Want het getuigenis, dat de H. Geest aan de Schrift als het woord
-Gods geeft, is maar een enkele toon in het lied, dat Hij op de lippen
-der gemeente legt; het is maar een klein gedeelte van dat groote,
-goddelijke werk, dat aan den H. Geest is opgedragen, om n.l. de volheid
-van Christus te doen wonen in zijne gemeente. Maar alzoo beschouwd,
-is dit getuigenis des H. Geestes ook tegenover tegenstanders niet
-van alle waarde ontbloot. Wanneer het losgemaakt wordt van heel zijne
-omgeving en afgesneden wordt van het geloofsleven, waarin het wortelt,
-van de gemeenschap der heiligen, waarin het bloeit, van het geheel der
-christelijke waarheid waarmede het samenhangt; zeer zeker, dan verliest
-het tegenover bestrijders al zijne kracht, en is het ja van den een
-niet sterker dan het neen van den ander. Maar opgevat als getuigenis,
-door den H. Geest afgelegd in de harten aller kinderen Gods aangaande
-de waarheid, welke daar is in Christus den Heer, laat het niet na
-indruk te maken op het gemoed, ook van den hardnekkigsten bestrijder.
-Ook dan komt het nog niet op ééne lijn te staan met eene logische
-redeneering of een mathematisch bewijs. Het behoudt eene eigene kracht.
-Maar ongelukkig ware de wetenschap eraan toe, als ze alleen rekenen
-mocht met wat demonstrabel is. Heeft de conscientie geen macht, omdat
-de onzedelijke mensch ieder oogenblik tegen haar getuigenis ingaat?
-Verdienen de principia der wetenschap geen geloof, wijl de skepticus ze
-weigert te erkennen? Is de H. Schrift machteloos, omdat haar waarheid
-niet kan betoogd worden aan den psychischen mensch? De kracht van al
-deze zedelijke grootheden is juist daarin gelegen, dat zij zichzelve
-niet demonstreeren, maar in hooge majesteit zich plaatsen voor ieders
-bewustzijn. Ze zijn machtig door het gezag, waarmede zij optreden. Een
-vader bewijst zijn gezag aan zijne kinderen niet maar houdt het staande
-met droit divin. En zoo doet de H. Schrift. Zij heeft haar gezag in
-de gemeente van Christus gehandhaafd tot op dezen dag; zij heeft alle
-geloovigen, en onder hen de grootste geesten en de edelste zielen, doen
-buigen voor hare autoriteit. Welke macht ter wereld is met die der
-Schrift te vergelijken? Het testimonium Spiritus Sancti is de zegepraal
-van de dwaasheid des kruises over de wijsheid der wereld, de triumf
-van de gedachten Gods over de overleggingen des menschen. In dezen
-zin bezit het getuigenis des H. Geestes eene uitnemende apologetische
-waarde. Dit toch is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons
-geloof.
-
-
-§ 19. GELOOF EN THEOLOGIE.
-
-1. De christelijke kerk heeft zich met het geloof niet tevreden
-gesteld, maar bijna van den beginne af aan naar kennis der religieuse
-waarheid gestreefd en aan eene bijzondere wetenschap, de theologie,
-het aanzijn geschonken. Toch kan niet gezegd worden, dat deze drang
-naar wetenschap in het geloof als zoodanig ligt opgesloten. Want het
-geloof is zekerheid en sluit allen twijfel uit; het rust in het woord
-Gods en heeft daaraan genoeg. Nobis curiositate opus non est post
-Christum Jesum, nec inquisitione post evangelium. Cum credimus, nihil
-desideramus ultra credere, Tertullianus, de praescr. haer. 8. Die
-Frömmigkeit ist ihrer selbst unmittelbar gewiss, Rothe, Theol. Ethik.
-§ 7. Het recht en de waarde der theologische wetenschap is daarom in
-de christelijke kerk meermalen bestreden. Tijdens de monophysitische en
-monotheletische twisten was er reeds eene partij der Gnosimachi, die
-alle wetenschap voor de Christenen onnoodig achtten. Zij leerden, dat
-God van den Christen niets verlangt dan goede werken en dat het beter
-was, simplici rudique animo institutum suum persequi, quam multam curam
-in cognoscendis decretis atque sententiis ponere, Johannes Damascenus,
-de haeresibus, Opera Omnia, Basileae 1575 p. 585. Tegen het einde der
-Middeleeuwen was de afkeer van de theologie algemeen. De scholastiek
-had alle vertrouwen verloren. In alle kringen en onder alle secten was
-er een sterk verlangen naar een meer eenvoudig, practisch Christendom,
-Harnack, D. G. III² 573. Het humanisme zag met minachting neer op
-de scholastiek, Paulsen, Gesch. des gelehrten Unterrichts, Leipzig
-1885 S. 1 f. En sedert heeft de oppositie tegen de scholastiek in de
-Roomsche kerk schier nimmer gezwegen. Bajus, Jansenius, Launoy, vele
-theologen in de vorige en in deze eeuw, o. a. Günther, hebben tegen de
-scholastische theologie allerlei ernstige beschuldigingen ingebracht,
-Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV² 133 f. Denzinger, Vier Bücher von der
-rel. Erk. II 566 f.
-
-De Reformatie nam aanvankelijk hetzelfde standpunt in. Luthers oordeel
-over Aristoteles, de scholastiek en de rede is bekend. Köstlin, Luthers
-Theol. I 106 f. Melanchton schreef in de eerste uitgave zijner loci:
-hoc est Christum cognoscere, beneficia ejus cognoscere, non quod isti
-(scholastici) docent, ejus naturas, modos incarnationis intueri, ed.
-Augusti 1821 p. 9. Zwingli zei, dat Christen te zijn niet bestond in
-schwatzen von Christo, sunder wandeln wie er gewandlet hat, cf. mijne
-Ethiek van Zwingli bl. 119 v. Calvijn legt evenzoo sterken nadruk op
-deze practische zijde des geloofs, Inst. I, 2, 2. I, 5, 9. I, 12, 1.
-Comm. op Rom. 1:19. Maar velen gingen verder dan de Hervormers en
-verwierpen alle theologie. Carlstadt veroordeelde met beroep op Mt.
-23:8 alle wetenschappelijke titels en ging leven als een boer onder
-de boeren, Herzog² 7, 528. De Wederdoopers en de Mennonieten wilden
-van eene wetenschappelijke opleiding tot de bediening des woords
-niets weten, en gaven het recht tot „vermanen” aan alle geloovigen.
-Menno Simons velde over de kerk en hare dienaren, over studie en
-geleerdheid menigmaal een zeer streng oordeel, Alle de Godtgel.
-Wercken, Amst. 1681 bl. 34 v. 59 v. 260. 270 enz. Eerst later kregen
-de Mennonietische leeraars eene wetenschappelijke opleiding, Herzog² 9,
-575. Sepp, Kerkhist. Studiën, Leiden 1885 bl. 84, 85. En toen later in
-de protestantsche kerken de scholastische behandeling der theologie
-veld won, kwam er van allen kant reactie. Calixtus en Coccejus, Spener
-en Zinzendorf, Fox en Wesley enz., zij allen werden gedreven door het
-verlangen naar meer eenvoud en waarheid in de leer des geloofs. Daartoe
-moest men van de leer teruggaan tot het leven, van de belijdenis tot
-de Schrift, van de theologie tot de religie. Zelfs het deisme en
-het rationalisme waren aan dit streven verwant; het algemeene en
-gemeenschappelijke zoekend, dat aan alle godsdiensten en belijdenissen
-ten grondslag lag, beriepen zij zich van de christliche Religion op de
-Religion Christi, van de statutarische Religion op de Vernunftreligion.
-Door de agnostische richting der philosophie, de gevoelstheologie
-van Schleiermacher, de historische kritiek der Schrift en andere
-invloeden is dit streven nog toegenomen. De afkeer van de dogmatiek
-is thans algemeen. Velen zien reikhalzend uit naar een nieuw woord,
-een nieuw dogma, verlangen eene religie zonder theologie, een leven
-zonder leer, en ijveren voor een practisch, ondogmatisch Christendom
-(Dreyer, Egidy, Drummond, Tolstoï enz.). Tot op zekere hoogte heeft dit
-streven zijne wetenschappelijke verdediging gevonden in de school van
-Ritschl. Zij trad op met den eisch, dat de theologie geheel en al van
-de metaphysica moest worden verlost, Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881,
-cf. ook zijne studiën over de leer van God, Jahrb. für deutsche Theol.
-1865, 1868. Harnack in zijne Dogmengeschichte, en E. Hatch in zijn werk,
-The influence of Greek ideas and usages upon the christ. church, London
-1890, duitsche vertaling van E. Preuschen, Griechenthum und Christ.
-Freiburg 1882, cf. ook Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion
-1889, pasten dit beginsel toe op de historie der dogmata, en trachtten
-aan te toonen, dat de theologie eene vrucht is van het ter kwader uur
-gesloten huwelijk tusschen het oorspronkelijk Christendom en de grieksche
-philosophie. De beschuldigingen, door al deze richtingen tegen de
-theologie, bepaaldelijk tegen de dogmatiek ingebracht, komen hierop
-neer, dat zij de zuiverheid en den eenvoud der christelijke religie
-vervalscht; de religie verandert in eene leer, die verstandelijk moet
-bewezen en aangenomen worden; het religieuse leven doodt, eene koude
-dorre orthodoxie bevordert en de fides implicita noodzakelijk maakt;
-en eindelijk ook nog de religie als leer met de wetenschap in conflict
-brengt, en de ontwikkelde standen van het christelijk geloof vervreemdt.
-Cf. bijv. Kaftan, Glaube und Dogma, 3e Aufl. 1889.
-
-2. Niemand zal ontkennen, dat er ernst en waarheid ligt in deze
-klachten over de theologie. Zij is menigmaal haar doel voorbijgestreefd
-en in battologie ontaard. Zij heeft al te dikwerf vergeten, dat ons
-kennen op aarde een kennen ten deele en een zien in eene duistere rede
-is. Soms scheen zij van de gedachte uittegaan, dat ze alle mogelijke
-vragen beantwoorden en alle kwesties oplossen kon. Bescheidenheid,
-teederheid, eenvoud hebben haar dikwerf ontbroken. Dat was te erger,
-omdat de theologie te doen heeft met de diepste problemen en in
-aanraking komt met de fijnste roerselen van het menschelijk hart. Meer
-dan eenige andere wetenschap past haar de vermaning, μη ὑπερφρονειν
-παρ’ ὁ δει φρονειν. Beter een eerlijk non liquet dan eene gewaagde
-gissing. Nescire velle, quae Magister optimus docere non vult, erudita
-inscitia est. Maar daarmede is toch de theologie nog niet in beginsel
-veroordeeld. Immers, indien de openbaring alleen bestond in meedeeling
-van leven en de religie alleen in stemmingen des gemoeds, er zou
-voor eene eigenlijke theologie geen plaats zijn. Maar de openbaring
-is een systeem van woorden en daden Gods; zij bevat eene wereld van
-gedachten; zij heeft haar centrum in de vleeschwording van den Logos.
-En de religie is geen gevoel en aandoening alleen, maar zij is ook
-geloof, een bewust leven, een dienen Gods met hart en hoofd te zamen.
-En daarom kan die openbaring Gods worden ingedacht, opdat zij te
-beter inga in het menschelijk bewustzijn. Zelfs kan het der theologie
-daarbij niet euvel geduid worden, als zij op helderheid in het denken,
-klaarheid in de onderscheiding, nauwkeurigheid in de uitdrukking zich
-toelegt. In alle wetenschappen wordt zulk eene praecisitas nagestreefd
-en op prijs gesteld; in de theologie is zij evenzeer op hare plaats.
-Het gevaar, dat zij daardoor ontaarden zal in spitsvondigheden en
-haarkloverijen, bestaat in de andere wetenschappen bijv. van het recht,
-van de letteren evenzeer. Maar niemand zal daarom het recht dier
-wetenschappen betwisten. Ook de theologie heeft hare perioden van
-bloei en verval; maar het gaat niet aan, haarzelve te veroordeelen
-om het misbruik, dat van haar is gemaakt. Abusus non tollit usum.
-Vervolgens is ons reeds vroeger gebleken, dat de scheiding tusschen
-de christelijke religie ter eener en de metaphysica enz. ter anderer
-zijde evenmin zuiver gedacht als practisch uitvoerbaar is. De historie
-heeft dit reeds herhaalde malen bewezen en toont het heden ten dage
-opnieuw. Om toch zulk eene scheiding eenigszins mogelijk te maken,
-zijn alle bovengenoemde richtingen gedwongen, zich van het evangelie
-van Christus eene eenzijdige en onvolledige voorstelling te vormen.
-Schier nimmer gaan zij terug tot de gansche Schrift, maar altijd tot
-een gedeelte; tot het N. Testament alleen, of tot de evangeliën, of
-tot de bergrede, of zelfs tot één enkelen tekst. Franciscus van Assisi
-bijv. richtte heel zijn leven in naar Mt. 10:9, 10, Reuter, Gesch. der
-rel. Aufklärung im M. A. II 184, 186. Paul Sabatier, Leben des h. Fr.
-v. A. deutsch von M. L. Berlin 1895 S. 53. Tolstoi vindt de kern van
-het evangelie in Mt. 5:38, 39, Worin besteht mein Glaube, Leipzig,
-Duncker 1885 S. 12. Drummond zoekt in de liefde van 1 Cor. 13 het
-summum bonum. Ritschl verandert de dogmata in religieus-ethische
-waardeeringsoordeelen. Harnack D. G. I² 54 komt in de opvatting van het
-oorspronkelijk evangelie met Ritschl overeen. En velen vragen thans,
-waarom de christelijke kerken toch niet met de bergrede tevreden zijn
-geweest. Wat het wezen des Christendoms is, waarin de openbaring of
-het woord Gods bestaat, wie de persoon van Christus is, wordt niet
-door de apostelen uitgemaakt; ieder stelt het voor zichzelf naar zijne
-eigene inzichten vast. Gevolg daarvan is, dat al deze richtingen niet
-alleen de kerk, de belijdenis, de theologie maar ook de apostelen tegen
-Jezus en tegen het oorspronkelijk evangelie moeten overstellen. Harnack
-bijv. D. G. I 53 f. erkent, dat ook de apostolisch-katholieke leer in
-het N. Test. het evangelie van Jezus niet zuiver meer reproduceert.
-De invloed is er al in merkbaar van het judaisme, het hellenisme en
-de grieksch-romeinsche Religionsphilosophie. Reeds de apostelen,
-inzonderheid Paulus en Johannes, hebben het evangelie vervalscht. Ernst
-von Bunsen, Die Reconstruction der kirchl. Autorität, Leipzig Brockhaus
-1893 betoogt, dat Paulus het evangelie van Jezus heeft veranderd in
-eene speculatieve theologie. En als dan een feit zooals de opstanding
-van Christus toch niet uit het oorspronkelijk evangelie kan weggenomen
-worden, wordt het van zijne religieuse waarde beroofd, Harnack D. G. I
-74. Al verder vloeit uit deze beschouwing voort, dat de historie van
-het dogma niet tot haar recht kan komen. Zij wordt ééne groote aberratie
-van den menschelijken, van den christelijken geest. De belofte van den
-Geest, die in alle waarheid zou leiden, blijkt ijdel te zijn geweest. De
-mogelijkheid zelfs om de waarheid te kennen, wordt aan de kerk ontnomen,
-wijl reeds de apostelen haar op een dwaalspoor hebben geleid. De leer
-van den logos, van de triniteit, van den eersten en den tweeden Adam,
-enz., altemaal dogmata, die de inmenging van de grieksche philosophie
-moeten bewijzen, wordt wel niet woordelijk maar toch zakelijk reeds in
-de Schrift gevonden. In één woord, de geschiedenis der dogmata is
-evenals bij Strauss de geschiedenis hunner kritiek. Niet de kerk heeft
-de wereld, maar de wereld heeft de kerk overwonnen. Eindelijk dreigt
-bij deze eenzijdige opvatting van het oorspronkelijk evangelie nog het
-gevaar, dat men de gemeenschap verliest met de kerk aller eeuwen en
-daardoor met den tijd, in welken men leeft. Dat is het oordeel van alle
-secten geweest. Afgesneden van de kerken en de theologie verachtende,
-hebben ze den invloed op hare eeuw en den band met de cultuur verloren.
-Gemeente en wereld, kerk en school, religie en wetenschap vallen
-dualistisch uit elkaar. Daarentegen heeft de theologie de heerlijke
-roeping, om deze beide met elkander in verband te houden; om eenerzijds
-het christelijk leven te bewaren voor allerlei geestelijke krankheden van
-mysticisme en separatisme, en andererzijds het wetenschappelijk denken
-van de dwaling en leugen te bevrijden door de waarheid van Christus. Het
-recht der theologie is in het wezen der christelijke religie gegrond. De
-openbaring richt zich tot den ganschen mensch, en heeft heel de wereld
-tot haar object. Op alle terrein bindt zij den strijd tegen de leugen
-aan. Zij biedt stof aan het diepste denken en plant op wetenschappelijk
-terrein de kennisse Gods naast en in organisch verband met die van
-mensch en wereld. Over de dogmenhistorische beschouwingen van Harnack
-en Hatch kunnen geraadpleegd worden Pfleiderer, Entw. der prot. Theol.
-S. 369 f. Kuenen, Theol. Tijdschr. 1891 bl. 487 v. Van Rhijn, Theol.
-Studiën 1891 bl. 365 v., 437 v. Dr. W. Schmidt, Der alte Glaube und die
-Wahrheit des Christ. Berlin, Wigandt 1894. Henri Bois, Le dogme grec,
-Paris, Fischbacher 1892.
-
-3. Al is echter het christelijk dogma niet uit de grieksche philosophie
-te verklaren, toch is het niet zonder deze ontstaan. In de Schrift
-is er nog geen dogma en geen theologie in eigenlijken zin. Zoolang de
-openbaring zelve nog voortging, kon ze niet het voorwerp worden van
-wetenschappelijk nadenken. De inspiratie moest afgeloopen zijn eer de
-reflectie aan het woord kon komen. Het spraakgebruik van Mozaische,
-Paulinische, Bijbelsche theologie en dogmatiek enz., verdient daarom
-geen aanbeveling; het woord theologie komt trouwens in de Schrift ook
-niet voor en heeft eerst langzamerhand zijne tegenwoordige beteekenis
-gekregen, Kuyper, Encycl. II 117 v. Theologie is in de gemeente van
-Christus eerst opgekomen, toen de kinderlijke naïeveteit voorbij en het
-denkend bewustzijn ontwaakt was. Langzamerhand kwam de behoefte op om
-de gedachten der openbaring in te denken, met het overige weten in
-verband te brengen en tegen allerlei aanval te verdedigen. Daartoe
-had men de philosophie van noode. De wetenschappelijke theologie is
-met hare hulp ontstaan. Maar dat is niet toevallig geschied. De kerk
-is niet het slachtoffer van misleiding geweest. De kerkvaders hebben
-bij de vorming en ontwikkeling der dogmata een ruim gebruik van de
-philosophie gemaakt. Maar zij deden dat met volle bewustheid, met een
-helder inzicht in de gevaren die eraan verbonden waren, met klare
-rekenschap van de gronden, waarop zij het deden, en met uitdrukkelijke
-erkenning van het woord der apostelen als eenigen regel van geloof
-en leven. Daarom bedienden zij zich ook niet van de gansche grieksche
-philosophie; zij deden eene keuze; zij gebruikten alleen die philosophie,
-welke het meest geschikt was om de waarheid Gods in te denken en
-te verdedigen; zij gingen eclectisch te werk en hebben geen enkel
-wijsgeerig stelsel, hetzij van Plato of van Aristoteles overgenomen,
-maar met behulp van de grieksche philosophie eene eigene, christelijke
-philosophie voortgebracht. Voorts gebruikten zij die philosophie alleen
-als hulpmiddel. Gelijk Hagar dienstbaar was aan Sara, gelijk de schatten
-van Egypte door de Israëlieten werden aangewend tot versiering van den
-tabernakel, gelijk de wijzen uit het Oosten hun geschenken neerlegden
-aan de voeten van het kindeke in Bethlehem; zoo was naar het oordeel
-der kerkvaders de philosophie ondergeschikt aan de theologie. Er
-spreekt uit dit alles duidelijk, dat het gebruik van de philosophie
-in de theologie niet op eene vergissing, maar op eene vaste en klare
-overtuiging rustte. De kerkvaders wisten wat ze deden. Daardoor is
-nu wel niet uitgesloten, dat de invloed der philosophie op sommige
-punten hun te sterk is geweest. Maar dan dient daarbij toch terstond
-onderscheiden te worden tusschen de theologie der patres en de dogmata
-der kerk. De kerk heeft ten allen tijde gewaakt tegen het misbruik der
-philosophie; zij heeft niet alleen het Gnosticisme verworpen maar ook
-het Origenisme veroordeeld. En het is tot dusver niet gelukt, om de
-dogmata materieel uit de philosophie te verklaren; hoe dikwerf het
-ook is beproefd, altijd is toch ten slotte de schriftmatigheid der
-orthodoxie gerechtvaardigd. Cf. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 143 f.
-Denzinger, Vier Bücher usw. II 572 f.
-
-De Hervorming nam in den beginne eene vijandige houding aan tegen
-de scholastiek en de philosophie. Maar zij kwam daarvan spoedig
-terug; omdat zij geen secte was of wilde zijn, kon zij niet buiten eene
-theologie. Luther en Melanchton zijn daarom reeds tot het gebruik der
-philosophie teruggekeerd en hebben het nut daarvan erkend, cf. Ritter,
-Gesch. der neuern Philos. I 495 f. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der
-Philos. III 5te Aufl. 1880 S. 17 f. en voor de latere luth. theologen,
-Hase, Hutterus Rediv. § 30. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 5. Calvijn
-nam van den aanvang af dit hooge standpunt in, Inst. II, 2, 12 sq. en
-zag in de philosophie een praeclarum Dei donum, Opera, ed. Amst. IX
-B. 50. En zoo oordeelden alle Gereformeerde theologen, Hyperius, de
-theologo seu de ratione studii theol. 1556 lib. I. Zanchius, Opera III
-223 sq. VIII 653 sq. Alsted, Praecognita theol. p. 174 sq. Voetius,
-Disp. III 741 sq. 751 sq. Owen, Theologumena p. 509 sq. Moor, Comm. in
-Marckii Comp. I 71 sq. Nu loopt de vraag niet hierover, of de theologie
-zich van een bepaald wijsgeerig stelsel bedienen moet. De christelijke
-theologie heeft nooit eenig wijsgeerig systeem zonder kritiek
-overgenomen en als waarheid geijkt. Noch de philosophie van Plato noch
-die van Aristoteles is door eenig theoloog voor de ware gehouden. Dat
-nogtans aan deze beide wijsgeerige stelsels de voorkeur gegeven werd,
-had zijn oorzaak hierin, dat deze het best zich leenden, om de waarheid
-te ontwikkelen en te verdedigen. Er lag ook de gedachte in, dat de
-Grieken en Romeinen eene eigenaardige roeping en gave hadden ontvangen
-voor het leven der cultuur. Feitelijk is heel onze beschaving nog heden
-ten dage op die van Griekenland en Rome gebouwd. En het Christendom
-heeft deze niet vernietigd maar gekerstend en alzoo geheiligd. Maar
-toch is niet eene bepaalde philosophie voor de theologie van noode. Wat
-zij behoeft is philosophie in het algemeen. M. a. w. het komt tot geen
-wetenschappelijke theologie dan door het denken. Het eigenlijk principium
-cognoscendi internum der theologie is dus niet het geloof als zoodanig,
-maar het geloovig denken, de ratio christiana. Het geloof is zichzelf
-bewust en zeker. Het rust in de openbaring. Het sluit een kennen in,
-maar dat kennen is geheel en al van practischen aard, een γιγνωσκειν in
-den zin der H. Schrift. Theologie komt dus niet uit de geloovigen als
-zoodanig op; zij is geen vrucht van de kerk als ecclesia instituta; zij
-heeft haar oorsprong niet in het ambt, dat Christus aan zijne gemeente
-geschonken heeft. Maar de geloovigen hebben nog een ander, rijker leven,
-dan in de ecclesia instituta tot uiting komt. Zij leven als Christenen
-ook in gezin, staat, maatschappij en beoefenen wetenschap en kunst. Nog
-veel meer gaven dan die werken door het ambt worden hun geschonken,
-gaven van kennis en wijsheid en profetie. Onder hen zijn er ook, die een
-sterken drang tot onderzoek en kennis in zich voelen, die gaven hebben
-ontvangen, om de waarheid Gods in te denken en in systeem te brengen.
-En zoo komt de theologie op in de kerk van Christus; zij heeft tot
-subject niet de geinstitueerde kerk maar de kerk als organisme, als het
-lichaam van Christus; zij is eene vrucht van het denken der Christenheid.
-
-4. Geloof en theologie zijn dus inderdaad onderscheiden. Min of meer was
-men zich daarvan ook ten allen tijde bewust. De scherpe tegenstelling,
-die het Gnosticisme maakte tusschen πιστις en γνωσις, werd verworpen;
-en ook de verhouding, door de Alexandrijnsche school tusschen beide
-aangenomen, werd niet in alle opzichten goedgekeurd en gebillijkt, cf.
-boven 60. Maar toch werd het onderscheid nadrukkelijk gehandhaafd en
-tegelijk het innig verband van beide vastgehouden en erkend. Augustinus
-verhief de spreuk: per fidem ad intellectum tot beginsel der theologie;
-hij nam tusschenbeide eene verhouding aan als tusschen ontvangenis en
-geboorte, werk en loon. Fidei fructus est intellectus, tract. 22 in Ev.
-Joh. n. 2. Intellectus merces est fidei, tract. 29 in Ev. Joh. n. 6. Hij
-wekt er toe op, ut ea, quae fidei firmitate jam tenes, etiam rationis
-luce conspicias. God veracht de rede niet. Absit namque, ut hoc in
-nobis Deus oderit, in quo nos reliquis animantibus excellentiores
-creavit, Ep. 120 ad Consent, n. 2-4. En dit was het beginsel en
-de grondgedachte van heel de scholastiek. Geloof en theologie
-waren onderscheiden als habitus en actus, als theologia infusa en
-acquisita. Het geloof is toestemming aan, de theologie is kennis van
-de geopenbaarde waarheden. Het geloof sluit ook wel eenige kennis
-in aangaande God en goddelijke zaken, maar deze kennis geldt meer de
-existentia dan de rationes van die waarheden; de theoloog echter dringt
-door tot de idee, spoort het verband der waarheden op en leidt denkend
-er andere uit af, Liebermann, Instit. Theol. ed. 8. Moguntiae 1857 cap.
-1 § 1. Dat men zich het onderscheid van religie en theologie bewust
-was, blijkt ook nog uit de leer der fides implicita. Als het geloof
-volgens Rome bestond in toestemming aan geopenbaarde waarheden, moest
-vroeg of laat de vraag wel opkomen, welke en hoevele van die waarheden
-men minstens kennen en aannemen moest, om de zaligheid deelachtig te
-worden. Die vraag kon oprijzen met het oog op de Heidenen, met het
-oog op de geloovigen des O. T. en ook met het oog op de onkundige en
-onontwikkelde geloovigen in de dagen des N. Test. Augustinus had al
-gezegd: turbam non intelligendi vivacitas, sed credendi simplicitas
-tutissimam facit, c. Epist. fundamenti cap. 4. Maar Lombardus stelde
-deze vraag in zijne Sententiae lib. III dist. 25 eerst duidelijk aan de
-orde. Sedert werd ze in de theologie breedvoerig behandeld; in de 17e
-eeuw gaf ze zelfs in Frankrijk aanleiding tot een ernstigen strijd, die
-door Innocentius XI niet opgelost maar toch beëindigd werd. Gewoonlijk
-wordt de leer van de fides implicita in de Roomsche theologie op deze
-wijze voorgedragen. De fides carbonaria wordt uitdrukkelijk verworpen;
-alle Roomsche godgeleerden houden staande, dat er tot het zaligmakend
-geloof eenige, zij het ook geringe, kennis behoort; geheel impliciet
-kan en mag het geloof dus nooit zijn. Maar die kennis verschilt in de
-verschillende bedeelingen der genade. In de dagen des O. T. van Adam
-af tot den val van Jeruzalem toe, toen de eigenlijke mysteriën van het
-Christendom, zooals de triniteit en de vleeschwording nog niet waren
-gepromulgeerd, waren necessitate medii alleen deze twee artikelen
-noodig te gelooven, dat God is en dat Hij een belooner is, Hebr. 11:6.
-Daarmede wordt niet gezegd, dat vele geloovigen onder het O. T. geen
-meerdere en diepere kennis hadden van de waarheid; Adam bijv. kende ook
-wel de triniteit en de vleeschwording, Gen. 1:26, 2:23, 24, 3:15. Maar
-de eenvoudige geloovigen konden met die twee artikelen volstaan. Want
-implicite geloofden ze dan toch ook aan de eigenlijke mysteriën van het
-Christendom, de triniteit en de incarnatie. In de existentie en de
-eenheid Gods ligt implicite de triniteit, en daarin dat Hij remunerator
-is, ligt implicite de vleeschwording opgesloten. Nu zagen anderen,
-zooals Wiggers, Daelman enz. dit laatste nog niet zoo duidelijk in, en
-zeiden daarom, dat de O. T. geloovigen vier artikelen hadden aan te
-nemen, n.l. behalve de bovengenoemde twee ook nog de onsterfelijkheid
-der ziel en het zondebederf (infectio animarum), in welke dan de beide
-hoofddogmata des Christendoms implicite waren begrepen. De meest gewone
-voorstelling was echter, dat de twee genoemde artikelen voor de O.
-T. geloovigen voldoende waren. Maar na den val van Jeruzalem zijn die
-twee hoofdwaarheden des Christendoms duidelijk geopenbaard en bekend
-gemaakt; en nu is het dus necessitate medii noodzakelijk voor ieder
-die zalig wil worden, dat hij aanneme deze vier artikelen: Deus, isque
-remunerator, sanctissima trinitas, mediator. Anderen voegen er nog
-andere artikelen aan toe, zooals Deus Creator, Dei gratia ad salutem
-necessaria, immortalitas; en sommigen noemen zelfs de aanneming der 12
-artikelen, quoad substantiam, noodzakelijk. Maar de voorstanders van de
-vier artikelen drukken toch het meest gewone gevoelen uit. Heel deze
-leer van de fides implicita wordt dan gesteund met een beroep op Job
-1:14: de runderen, d. i. de ontwikkelde geloovigen, waren ploegende,
-en de ezelinnen, d. i. de eenvoudige leeken, weidende aan hunne zijde.
-Deze exegese komt al voor bij Gregorius M. Moral. lib. II cap. 25 en
-wordt dan door Lombardus, Thomas, Bellarminus enz. overgenomen. Cf.
-Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 5-8.
-Bellarminus, de Justific. I cap. 7. Billuart, Summa S. Thomae sive
-Cursus Theol. VII p. 46 sq. Daelman, Theol. seu Observ. theol. in
-Summam D. Thomae IV p. 44 sq. Dens, Theologia in usum semin. II 278
-sq. M. Becanus, Theol. Scholastica, Tom. II Pars II tract. 1 p. 22 sq.
-Jansen, Praelect. Theol. I 699 sq. Albr. Ritschl, Fides implicita,
-Bonn 1890. De kwestie zelve, die aan deze leer der fides implicita
-ten grondslag ligt, is ernstig en belangrijk genoeg; zij betreft toch
-niets minder dan het wezen van het Christendom zelf, de beteekenis van
-Israel, de mogelijkheid van progressie der openbaring bij het absoluut
-karakter der waarheid. Maar de intellectualistische opvatting van
-het geloof leidde er toe, om deze kwestie zuiver quantitatief op te
-lossen; het aannemen van vier geloofsartikelen maakt den Christen;
-in de praktijk bleek de legende van de fides carbonaria maar al te
-veel waarheid te bevatten. In elk geval echter bewijst de leer van de
-fides implicita duidelijk, dat de Roomsche theologen tusschen geloof en
-theologie in inhoud en omvang onderscheid maken.
-
-5. Ook de Reformatie bleef zich van dit verschil bewust. Luthersche en
-Gereformeerde theologen namen de onderscheiding over van habitus en
-actus der theologie, van theologia infusa en acquisita. De eerste is
-het deel van alle geloovigen; in beginsel kennen zij totam theologiam,
-hebben zij de ware en zuivere kennisse Gods. Maar als acquisita is
-ze alleen het deel van hen, die de kennisse Gods wetenschappelijk
-beoefenen. Dan toch is ze eene notitia conclusionum ex principiis
-theologicis per discursum theologicum collectarum, et certo ordine
-dispositarum, atque animo impressarum diuturno labore ac exercitio,
-Alsted, Methodus sacrosanctae theologiae 1623 p. 117, 126, 175. Owen,
-Theologoumena p. 465 sq. Calovius, Isagoge ad S. Theol. p. 17, 18.
-Wel werden religio en theologia telkens met elkaar verwisseld, cf.
-bv. Cloppenburg, Op. I 699. Mastricht, Theor.-pract. Theol. I cap.
-2 § 3, wat te lichter kon geschieden, omdat theologie en dogmatiek
-ongeveer hetzelfde waren. Maar ook in den bloeitijd der orthodoxie ging
-het onderscheid tusschen geloof en theologie niet geheel te loor,
-gelijk door de leer van de articuli fundamentales et non fundamentales
-bewezen wordt. De Hervorming verwierp beslist de Roomsche leer van de
-fides implicita, Calv., Inst. III. 2 § 2-6. Chamier, Panstr. Cath.
-T. III lib. 12 cap. 5. Polanus, Synt. Theol. p. 592. Maresius, Synt.
-Theol. loc. 11 § 29, enz. Cf. Ritschl, Fides implicita S. 56 f. Zij
-moest dit wel doen, omdat zij het zaligmakend geloof niet liet bestaan
-in het voor waar houden van eenige onbegrepen artikelen, maar in een
-persoonlijk vertrouwen op de genade Gods in Christus. Maar daarvoor
-kwam nu spoedig in de plaats de onderscheiding tusschen fundamenteele
-en niet-fundamenteele artikelen. Calvijn zeide al, dat men om minder
-wezenlijke punten niet van de kerk scheiden moest, Instit. IV, 1 § 12,
-13. IV, 2 § 1. Non enim unius sunt formae omnia verae doctrinae capita.
-Sunt quaedam ita necessaria cognitu, ut fixa esse et indubitata omnibus
-oporteat ceu propria religionis placita, qualia sunt: unum esse Deum,
-Christum Deum esse ac Dei filium, in Dei misericordia salutem nobis
-consistere et similia. Sunt alia, quae inter ecclesias controversa,
-fidei tamen unitatem non dirimant, IV cap. 1 § 12. De in de beschrijving
-des geloofs gebezigde juxtapositie van eene zekere kennis, waardoor ik
-het al voor waarachtig houde wat God in zijn woord heeft geopenbaard en
-van een vertrouwen, dat mij al mijne zonden om Christus’ wil vergeven
-zijn, kon aanleiding geven, om het zwaartepunt of in de fides generalis
-of in de fides specialis te zoeken. Het groote aantal van kerken,
-die successief uit de Reformatie voortkwamen en in verschillende
-artikelen van elkander afweken, bevorderde de onderscheiding tusschen
-wezenlijke en bijkomstige elementen in de openbaring. Het allengs
-opkomende syncretisme en indifferentisme, dat van het bijzondere tot het
-gemeenschappelijke terugging, maakte aanwijzing noodzakelijk van wat tot
-de fundamenten der christelijke religie behoorde. Zoo ontstond de leer
-van de articuli fundamentales. Nic. Hunnius schijnt de uitdrukking het
-eerst gebruikt te hebben in zijne Διασκεψις de fundamentali dissensu
-doctrinae Lutheranae et Calvinianae 1626. Quenstedt sprak van articuli
-primarii et secundarii. Anderen volgden, beide in de Luthersche en
-in de Gereformeerde kerken, cf. Voetius, Disp. Sel. II 511-538. H.
-Alting, Theol. probl. nova I 9. Spanheim fil., Opera III col. 1289
-sq. Heidegger, Theol. I § 51 sq. Turret. Theol. El. I qu. 14. Moor,
-Comm. in Marckii Comp. I 481 sq. Witsius, Exercit. in Symb. II § 2.
-Bretschneider, System. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4te
-Aufl. 1841 S. 103 f. Tholuck, Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs
-1852 S. 252 f. De orthodoxie was natuurlijk niet geneigd, om de articuli
-fundamentales tot een klein getal te beperken; maar toch is het streven
-merkbaar, om deze artikelen centraal op te vatten en ze te groepeeren
-rondom den persoon van Christus. De Roomschen verwierpen echter deze
-onderscheiding, al had ze schijnbaar nog zooveel overeenkomst met de
-fides implicita. Ze brachten de Geref. en Luth. godgeleerden in geen
-geringe verlegenheid. Ze vraagden, waar God in zijn woord tusschen
-wezenlijke en bijkomstige waarheden onderscheid had gemaakt; waar men het
-recht aan ontleende, om in de goddelijke openbaring het fundamenteele
-van het niet-fundamenteele te scheiden; welke waarheden dan tot de
-fundamenteele moesten gerekend worden; wie dat bepalen moest; en
-hoe op zulk standpunt het rationalisme en het indifferentisme was te
-vermijden? Het geloof heeft toch, naar ze beweerden, niet alleen tot
-object de divina misericordia, Conc. Trid. sess. VI can. 12, maar
-omnia quae Deus revelavit, Bellarminus, de Justif. I c. 8. Volgens
-de Jezuiten op het religiegesprek te Regensburg 1601 was het ook een
-articulus fidei, quod canis Tobiae caudam moverit. Cf. Denzinger, Vier
-Bücher usw. II 277 f. Heinrich, Dogm. II 658 f. Jansen, Prael. Theol. I
-449 sq. Lamennais, Essai sur l’indifférence I ch. 6, 7, enz. Tegenover
-al deze bedenkingen beriepen de Protestantsche theologen zich wel op de
-Schrift, Mt. 16:16; 1 Cor. 2:2, 3:11 v.; Ef. 2:20; Gal. 6:14; 1 Petr.
-2:6, enz. en maakten ze wel allerlei onderscheidingen, Spanheim. t.
-a. p. col. 1308 sq. Maar zij ontveinsden zich de moeilijkheden niet; ze
-waren bevreesd om in excessu en in defectu te dwalen; en zij eindigden
-met de verklaring, dat zij het minimum van kennis niet konden bepalen,
-waarmede een oprecht geloof gepaard moest gaan, Voetius, Disp. II
-537, 781. Spanheim t. a. p. col. 1291. Witsius, Exerc. in Symb. II §
-2 en 15. Hoornbeek, Conf. Socin. I p. 209. De orthodoxie liep uit op
-rationalisme ter eener en piëtisme ter anderer zijde. Leer en leven
-vielen hoe langer hoe verder uit elkaar. Hoofd en hart streden om den
-voorrang. Theologie en religie kwamen tegenover elkander te staan. Wij
-zijn de tegenstelling nog niet te boven. Jaren lang is er geroepen:
-godsdienst is geen leer maar leven; het komt er niet op aan, wat ge
-gelooft, maar alleen hoe ge leeft. Langzamerhand echter gaan de oogen
-ook voor de eenzijdigheid van deze richting open en wordt de waarde der
-godsdienstige voorstellingen voor het religieuse leven beter erkend,
-cf. bijv. Dr. Bruining in verschillende geschriften, Gids Juni 1884.
-Moderne mystiek 1885. Het bestaan van God 1892. Theol. Tijdschr. Nov.
-1894.
-
-6. Bij het onderzoek naar de verhouding van geloof en theologie dient de
-vraag zuiver te worden gesteld. Zij luidt niet, welke waarheden iemand
-minstens kennen en voor waar houden moet, om zalig te worden. Die
-vraag zij aan Rome overgelaten; en de Roomsche theologie make uit, of
-daartoe twee of vier of meer artikelen van noode zijn. De Protestantsche
-theologie heeft in de leer van de articuli fundamentales wel den
-schijn op zich geladen, alsof zij een dergelijken weg bewandelen wilde.
-Maar zij is geëindigd met de erkentenis, dat zij de grootte van Gods
-barmhartigheid niet wist en daarom de mate van kennis niet bepalen kon,
-die noodzakelijk eigen is aan een oprecht geloof. En bovendien is er
-tusschen de leer der fides implicita en die der articuli fundamentales,
-bij alle schijnbare overeenstemming, een belangrijk verschil. Bij Rome werd
-die leer ontwikkeld met het oog op de eenvoudige leeken, de asinae van
-Job 1:14. Maar in de theologie der Reformatie had ze haar oorsprong
-in het feit, dat er verschillende kerken naast elkaar optraden met
-eene op vele punten onderling afwijkende belijdenis; ze was dus eigenlijk
-een onderzoek naar het wezen des Christendoms. Bij Rome is het geloof
-toestemming aan allerlei geopenbaarde waarheden, die artikelsgewijze
-kunnen opgeteld worden en in den loop der tijden in aantal zijn
-toegenomen. Maar de Reformatie vatte het geloof op als fides specialis,
-met een bijzonder centraal object, de genade Gods in Christus; hier
-was eene optelsom van artikelen, wier kennis en toestemming ter
-zaligheid noodig was, niet mogelijk meer. Het geloof is eene persoonlijke
-verhouding des menschen tot Christus; het is organisch en heeft de
-additie, de quantiteit afgelegd. Rome moest daarom een minimum bepalen,
-zonder hetwelk van geen zaligheid sprake kan zijn; bij de Reformatie is
-het geloof een vertrouwen op de genade Gods en dus voor geen berekening
-meer vatbaar. Ieder geloovige zoo in het O. als in het N. Test. bezit
-in kiem diezelfde kennis, welke in de theologie dieper en breeder
-ontwikkeld wordt. Van dit standpunt uit is ook de verhouding van geloof
-en theologie nader in het licht te stellen.
-
-Allereerst is er tusschen beide eene sterke overeenkomst. Zij hebben het
-principium: het woord Gods, het voorwerp: de kennisse Gods, het doel:
-de eere Gods met elkander gemeen. Ook de theologie als wetenschap staat
-op den grondslag des geloofs. De plaats, die in de andere wetenschappen
-toekomt aan de waarneming, wordt hier ingenomen door het geloof. Het
-geloof verschaft aan de theologie de stof voor het denken. In de
-mundane wetenschap heet het: sensus praecedit intellectum, nihil est in
-intellectu quod non prius fuerit in sensu; in de theologie is de leuze:
-fides praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod non prius
-fuerit in fide, Rothe, Theol. Ethik § 267 II S. 180 noot. Leibniz
-vergeleek daarom la foi met l’expérience, Discours sur la conformité
-de la foi avec la raison, ch. 1. Begriffe ohne Anschauungen sind leer,
-zeide Kant; en zoo heeft ook de theologie geen inhoud dan uit en
-door het geloof. Zoodra zij het geloof laat varen, houdt zij zelve als
-theologie op te bestaan. En ook komt zij door het denken dit standpunt
-des geloofs nimmer te boven. Op allerlei wijze is dit wel beproefd,
-maar het is ijdel gebleken. Het geloof is het begin en ook het einde
-der theologie; zij brengt het nooit tot een weten in eigenlijken zin, d.
-i. tot een kennen op grond van eigen waarneming en inzicht. Daardoor
-wordt de theologie niet van haar vrijheid beroofd. Het geloof legt
-en handhaaft eenvoudig die relatie, welke er op dit gebied tusschen
-subject en object behoort te bestaan. Het plaatst den theoloog niet
-buiten en tegenover en boven, maar onder en in de waarheid, welke hij
-te onderzoeken heeft. Het doet niets anders, dan de theologie binden
-aan haar eigen object, op geen andere wijze als elke andere wetenschap
-gebonden is en blijft aan de waarneming en door haar in relatie staat
-met haar object. De theologie is even vrij en even afhankelijk als iedere
-andere wetenschap. Zij is vrij van alle banden, die strijden met hare
-natuur; maar zij is geheel en al bepaald door het voorwerp, dat zij zoekt
-te kennen, en dit heeft zij met alle wetenschappen gemeen. Naarmate zij
-zich strenger bindt aan haar object, loopt zij te minder gevaar om te
-ontaarden in dorre scholastiek en ijdele rhetoriek. Door het geloof
-blijft de theologie eene wetenschap der religie, eene Theologie der
-Thatsachen, die niet over begrippen maar over zaken denkt en niet in
-ijle abstracties zich verliest maar met beide voeten staat in die wereld
-der realiteiten, welke de Schrift ons openbaart, Vilmar, Die Theologie
-der Thatsachen wider die Theologie der Rhetorik, 4e Aufl. 1876.
-
-Maar aan de andere zijde is er tusschen geloof en theologie een
-aanmerkelijk verschil. In vroeger tijd konden beide licht met elkander
-verwisseld worden, omdat theologie en dogmatiek met ethiek vrij wel
-identische begrippen waren. Maar theologie is thans de naam geworden
-voor een ganschen cyclus van vakken. Het onderscheid springt daarom
-thans een ieder terstond in het oog. Theologie omvat tegenwoordig eene
-menigte van wetenschappen, welke de eenvoudige geloovige zelfs niet
-bij name kent. Maar al wordt theologie in den ouden zin genomen, toch
-blijft het onderscheid groot. Op elk gebied is er verschil tusschen het
-gewone, alledaagsche, empirische weten, en het eigenlijke, hoogere,
-wetenschappelijk weten. Ieder mensch heeft eenige empirische kennis van
-zon, maan, sterren enz., maar deze kennis verschilt hemelsbreed van
-de wetenschappelijke kennis van den astronoom. De eerste kent alleen
-de facta, deze de rationes. De man van wetenschap veracht het gewone,
-empirische weten niet; hij werpt de natuurlijke zekerheid niet omver;
-maar hij heeft toch de roeping om dat gewone weten te verhelderen,
-uit te breiden en des noodig ook te zuiveren en te verbeteren. Niet
-anders is het in de theologie. Het geloof blijft bij de feiten staan, de
-theologie zoekt door te dringen tot de idee. Het geloof heeft genoeg
-aan het dat, de theologie vraagt naar het waarom en het hoe. Het geloof
-is altijd persoonlijk, het stelt het voorwerp altijd in betrekking tot
-den mensch zelf, het heeft rechtstreeksch belang bij het religieus
-gehalte der dogmata; de theologie maakt in zekeren zin het object
-gegenständlich, zij tracht de waarheid te bezien gelijk zij objectief in
-zichzelve bestaat, zij speurt haar eenheid en haar innerlijk verband
-na, en zoekt te komen tot een systeem. Het geloof richt zich op het
-centrale object, de theologie breidt het onderzoek naar heel den omtrek
-van den cirkel uit. Maar hoe ook verschillend, zij kunnen elkander
-niet missen. Het geloof bewaart de theologie voor secularisatie, de
-theologie bewaart het geloof voor separatisme. Daarom zijn ook kerk
-en school (seminarie, theol. faculteit) wel twee, maar behooren zij
-toch in nauw verband te staan. Ook hierdoor wordt aan de vrijheid en
-onafhankelijkheid der theologie in niets te kort gedaan. Elke faculteit
-beoefent de wetenschap niet alleen om haar zelfs wil, maar leidt ook
-mannen op voor verschillende betrekkingen in de maatschappij. Iedere
-wetenschap heeft feitelijk te rekenen met de eischen van het leven.
-En zoo ook staat de theologie niet hoog boven, maar midden in het
-werkelijke leven, in het leven der gemeente. De wanverhouding, die er
-thans schier allerwege tusschen kerk en theologie bestaat, is eene ramp
-voor beide.
-
-7. Indien de theologie alzoo niet in het geloof als zoodanig maar in
-het geloovig denken haar principium internum heeft, dient de taak der
-rede in de theologische wetenschap nog nader omschreven te worden.
-Daarbij moet dan allereerst principieel die voorstelling worden
-afgewezen, welke in geloof en rede twee zelfstandige machten ziet,
-die met elkaar worstelen op leven en dood. Op die wijze maakt men eene
-tegenstelling, die op christelijk terrein niet thuis behoort. Het geloof
-is dan altijd supra of ook zelfs contra rationem. Aan den eenen kant
-dreigt het rationalisme en aan de andere zijde het supranaturalisme.
-Het geloof, de fides qua creditur, is geen orgaan of vermogen naast
-en boven de rede, maar eene gezindheid, eene hebbelijkheid van de rede
-zelve. De rede, of wil men liever, het denken is zeker geen bron
-der theologie, geen principium quo seu per quod aut ex quo seu cur
-credamus, Voetius, Disp. I p. 3; bron is de rede voor geen enkele
-wetenschap of hoogstens alleen voor de formeele wetenschappen, logika
-en mathesis. Maar de rede is toch subjectum fidei recipiens, fidei
-capax; het geloof is een akte van het bewustzijn, van het menschelijk
-bewustzijn; een dier is niet tot gelooven in staat. En voorts is het
-geloof geen dwang, maar eene vrije daad van den mensch. De Christen
-gelooft niet op bevel, uit vreeze, door geweld. Gelooven is de
-natuurlijke habitus van zijn verstand geworden. Natuurlijk niet in dien
-zin, alsof er niet telkens veel in zijne ziel tegen dat gelooven zich
-verzet. Maar toch wel zoo, dat hij, ofschoon dikwerf doende wat hij
-niet wil, toch een vermaak heeft in de wet Gods naar den inwendigen
-mensch. Gelooven is de natuurlijke ademtocht van het kind Gods. Zijne
-onderwerping aan het woord Gods is geen slavernij maar vrijheid. Het
-geloof is in dezen zin geen sacrificium intellectus maar sanitas
-mentis. Het geloof ontslaat den Christen daarom niet van onderzoek en
-nadenken; eerder spoort het hem daartoe aan. De natuur wordt door de
-wedergeboorte niet vernietigd maar hersteld.
-
-Vooraf heeft daarom de geloovige, die aan de theologie zich wijden wil,
-zijn denken te praepareeren voor de taak die hem wacht. Er is geen
-ingang in den tempel der theologie dan door de facultas artium heen.
-Philosophische, historische en linguistische propraedeuse is voor
-den beoefenaar der godgeleerde wetenschap onmisbaar. De philosophie,
-zeide Clemens Alexandrinus, προκατασκευαζει την ὁδον τῃ βασιλικωτατῃ
-διδασκαλιᾳ. Keizer Julianus wist wat hij deed, als hij de heidensche
-wetenschap aan de Christenen ontnam; hij vreesde, met zijne eigene
-wapenen verslagen te worden. Dit alzoo gepraepareerde en geoefende
-denken heeft dan in de theologie in hoofdzaak eene drievoudige taak.
-Allereerst verleent het zijn dienst bij de vinding der stof. De Schrift
-is het beginsel der theologie. Maar die Schrift is geen wetboek;
-zij is een organisch geheel. De stof voor de theologie, bepaaldelijk
-voor de dogmatiek, ligt door heel de Schrift heen verspreid. Gelijk
-het goud uit de mijn, zoo moet de waarheid des geloofs met inspanning
-aller geestelijke kracht uit de Schrift worden opgedolven. Met eenige
-loca probantia is niets gedaan. Niet op enkele losse teksten maar op
-de Schrift in haar geheel moet het dogma worden gebouwd; het moet
-organisch opkomen uit de principia, die er allerwege in de Schrift
-voor aanwezig zijn. De leer van God, van den mensch, van de zonde, van
-Christus enz. is immers niet slechts in enkele uitspraken te vinden,
-maar is verspreid door heel de Schrift heen en is niet enkel in
-sommige bewijsplaatsen maar ook in allerlei beelden en gelijkenissen,
-ceremoniën en geschiedenissen vervat. Er mag geen deel der Schrift
-verwaarloosd worden. De gansche Schrift bewijze het gansche systeem,
-Hofmann, Der Schriftbeweis, 2e Aufl. I S. 1-32. Ook in de theologie
-dient het separatisme vermeden te worden. Het is een kenmerk van vele
-secten, dat zij uitgaan van een klein gedeelte der Schrift en haar
-overigens geheel verwaarloozen. Het ergst en meest verspreid is de
-verwerping of veronachtzaming van het Oude Testament. Het Marcionitisme
-is telkens in de christelijke kerk teruggekeerd en speelt ook in de
-nieuwere theologie eene groote rol, cf. Diestel, Gesch. des Alten Test.
-in der christl. Kirche, Jena 1869. H. Schmidt, Der Marcionitismus in
-der neueren Theologie, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1893, en later
-bij de leer der verbonden. Al dit willekeurig gebruik der H. Schrift
-leidt tot eenzijdigheid en dwaling in de theologie en tot krankheid
-in het religieuse leven. Het volle rijke beeld der waarheid komt dan
-niet aan het licht. De persoon en het werk des Vaders of des Zoons of
-des H. Geestes worden miskend. Aan Christus wordt te kort gedaan in
-zijn profetisch, of in zijn priesterlijk, of in zijn koninklijk ambt. De
-christelijke religie boet haar katholiek karakter in. Hoofd, hart en
-hand des Christens worden niet harmonisch door de waarheid gevormd
-en geleid. Eerst de volle, gansche Schrift bewaart voor al deze
-eenzijdigheden. Maar daarom heeft ook het denken bij deze opsporing van
-de theologische stof eene belangrijke taak. Vervolgens heeft de theoloog
-deze alzoo verkregen stof ook denkend te bearbeiden. De dogmata staan
-niet totidem verbis, κατα ρητον maar κατα διανοιαν in de Schrift; zij
-zijn conclusiones fidei. De leer van de triniteit, van de twee naturen
-van Christus, van de voldoening, van de sacramenten enz. is niet op
-ééne enkele uitspraak der Schrift gebaseerd, maar is opgebouwd uit
-vele gegevens, die door heel de Schrift heen verspreid liggen. Dogmata
-zijn de korte samenvatting in onze taal van alwat de Schrift over
-de desbetreffende onderwerpen leert. De Roomsche en Protestantsche
-godgeleerden hebben daarom tegenover allerlei richtingen, die bij de
-letterlijke uitdrukkingen der Schrift wilden blijven staan, het recht
-van de dogmatische terminologie verdedigd. Zij deden dat, niet omdat
-zij minder, maar omdat zij meer en beter Schriftuurlijk wilden zijn dan
-deze. Dan juist kwam naar hunne gedachte de Schrift tot haar volle
-eere, als niet één enkele tekst letterlijk werd aangehaald maar als
-de gansche waarheid, in vele teksten begrepen, saamgevat en in het
-dogma weergegeven werd. De theologie is daarom niet slechts eene
-noëtische, maar ook eene dianoëtische, geen apprehensieve maar eene
-discursieve wetenschap. Zij denkt na, vergelijkt, beoordeelt, vat
-samen, leidt andere waarheden uit de verkregene af, enz. Ook Jezus en
-de apostelen deden alzoo, Mt. 22:32, 44 v.; Joh. 10:34 v.; Hd. 15:9
-v., 18:28; 1 Cor. 15, enz.; en kerkvaders, scholastici, Roomsche en
-Protestantsche godgeleerden hebben dat voorbeeld gevolgd. God heeft
-ons niet geroepen om letterlijk na te zeggen maar om na te denken, wat
-Hij in zijne openbaring ons voorgedacht heeft. En eindelijk heeft het
-denken in de theologie nog tot taak, om alle waarheid saam te vatten
-in één systeem. Een systeem is het hoogste, wat in de wetenschap te
-begeeren valt. Ook de theologie rust niet, voordat zij de eenheid heeft
-ontdekt, die in de openbaring verscholen ligt. Zij mag dat systeem niet
-van buiten opdringen, en de waarheid niet persen in een wijsgeerig
-stelsel, dat aan haar wezen vreemd is. Maar zij zoekt toch zoolang,
-totdat in het menschelijk bewustzijn het systeem zich afspiegele, dat in
-het object zelf aanwezig is. In dit alles gaat de theologie evenals
-andere wetenschappen te werk. Zij arbeidt op dezelfde manier. Zij is
-evenals deze gebonden aan haar object. Zij is bij het denken onderworpen
-aan de wetten, die voor dat denken gelden; straffeloos kan ook zij
-niet zondigen tegen de logika, Alsted, Praecognita 186. Het hoogste is
-ook voor haar de eenheid der waarheid, het systeem der kennisse Gods.
-Hoezeer de theologie dan ook van de andere wetenschappen verschille,
-in beginsel, voorwerp en doel; zij komt formeel met haar overeen en
-mag terecht op den naam van wetenschap aanspraak maken. En wijl de
-openbaring niet met de menschelijke rede strijdt per se, maar alleen
-per accidens corruptionis et pravae dispositionis, daarom kan de
-theologie zelfs in zekeren zin naturalis en rationalis heeten, Voetius,
-Disp. I 3. De christelijke religie is eene λογικη λατρεια, Rom. 12:1.
-De litteratuur over het gebruik der rede en der philosophie in de
-theologie is verbazend rijk. Zie voor de kerkvaders Kleutgen, Theol.
-der Vorzeit IV 143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II 574 f., en voorts
-Voetius, Disp. Sel. I p. 1-11. Turretinus, Theol. El. loc. 1 qu. 8-13.
-Witsius, Misc. Sacra II 584 sq. en verdere litt. bij M. Vitringa’s
-uitgave van C. Vitringa, Doctrina christ. relig. I p. 32-34.
-
-8. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen brengt zij
-het niet. Tusschen weten, kennen en begrijpen is een groot onderscheid.
-Wel worden deze woorden dikwerf door elkander gebruikt; maar er is
-toch een duidelijk aanwijsbaar verschil. Weten geldt de existentie, het
-dat; kennen de qualiteit, het wat; begrijpen de innerlijke mogelijkheid,
-het hoe van een ding. Begrijpen doen we zeer weinig, eigenlijk alleen
-datgene, wat geheel in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen.
-Eene machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze
-werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit
-verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen, wat,
-zooals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is. Dikwerf
-houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt. Wat vanzelf
-sprak, blijkt gansch ongewoon en wonderlijk te zijn. Hoe verder eene
-wetenschap doordringt in haar object, naar die mate nadert zij het
-mysterie. Al ontmoette zij geen ander op haren weg, dan zou zij toch ten
-slotte altijd stuiten op het mysterie des zijns. Waar echter het begrijpen
-ophoudt, blijft er toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zoo is
-het ook in de theologie. In de openbaring is het μυστηριον εὐσεβειας
-ons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het treedt
-ons als eene realiteit in de geschiedenis en in het eigen leven te
-gemoet; maar wij doorgronden het niet. In dezen zin heeft de christelijke
-theologie het altijd met mysteriën te doen, die zij wel kennen en
-bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden kan.
-
-Dikwerf is echter het mysterie in de christelijke theologie in gansch
-anderen zin verstaan. Het woord μυστηριον, van μυστης, μυω, zich
-sluiten, dichtgaan, van oogen, lippen, wonden; is in het gewoon
-grieksch de naam voor de religieus-politieke geheimleer die in
-sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace enz. alleen aan de
-ingewijden meegedeeld en voor alle anderen verborgen werd, Foucart,
-des associations religieuses chez les Grecs, Paris 1873. Edwin Hatch,
-Griechentum u. Christenthum, deutsch v. Preuschen 1892 S. 210 f. Gustav
-Anrich, Das antike Mysteriënwesen in seinem Einfluss auf das Christ.
-Göttingen 1894. In het N. Test. heeft het woord altijd religieuse
-beteekenis en duidt eene zaak aan van het koninkrijk Gods, welke of van
-wege den duisteren, raadselachtigen vorm, waarin ze wordt voorgedragen,
-Mt. 13:11; Mk. 4:11; Luk. 8:10; Op. 1:20, 17:5, 7, of ook van wege haar
-inhoud verborgen is. Vooral heet zoo het universeele, ook de Heidenen
-omvattende raadbesluit Gods aangaande de verlossing in Christus, Rom.
-16:25; Ef. 1:9, 3:3, 6:19; Col. 1:26, 27, 2:2, 4:3, benevens de wijze,
-waarop dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25; 1 Cor. 15:51; 2 Thess. 2 vs.
-7; Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zoo, niet omdat het nu nog
-verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was. Thans is het juist
-door het evangelie van Christus openbaar gemaakt; wordt het door de
-apostelen als οἰκονομοι μυστηριων θεου verkondigd, Rom. 16:25, 26; Col.
-1:26; 1 Cor. 2:14; Mt. 13:11; 1 Cor. 4:1; en treedt het ook voortaan
-in de historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess.
-2:7. Het N. T. μυστηριον duidt dus geen voor het denkend verstand
-onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar eene zaak, die
-eerst bij God verborgen was, daarna in het evangelie is bekend gemaakt
-en nu door de geloovigen wordt verstaan, Cremer, Wörterbuch der
-neutest. Gräcität s. v. Maar het kerkelijke spraakgebruik verstond er al
-spoedig eene zaak onder, die onbegrijpelijk was en ook het verstand van
-den geloovige verre te boven ging, zooals de vleeschwording, de unio
-mystica, de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door
-de rede niet konden bewezen worden, Suicerus, Thes. Eccles. s. v. Ook
-zoo bleef er nog een groot onderscheid tusschen het heidensch en het
-christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan eene geheimleer, die
-voor oningewijden verborgen moest gehouden worden; maar in de christ.
-kerk heeft er nooit eene eigenlijke disciplina arcana bestaan, al
-werd er ook eene zekere orde betracht in de meedeeling der waarheid.
-Zezschwitz, art. Arkandisciplin in Herzog². Hatch, Griechenthum u.
-Christ. 217 f. Kattenbusch, Vergleichende Konfessionskunde I 393
-f. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. δογμα. Maar toch waren de dogmata
-onbegrepen en onbegrijpelijke waarheden des geloofs, wel niet contra
-maar toch hoog supra rationem, Thomas, S. Theol. I qu. 32. art. I S.
-c. Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo I 3. II 6. Heinrich
-II 772 f. Denzinger, Vier Bücher v. d. rel. Erk. II 80-150. Kleutgen,
-Theol. der Vorzeit V 164 f. In de veroordeeling van Erigena, Raimundus
-Lullus, Hermes, Günther, Frohschammer sprak Rome hare afkeuring
-uit over iedere poging, om de mysteriën des geloofs uit de rede te
-bewijzen. En het Conc. Vatic. sprak uit: divina mysteria suapte natura
-intellectum creatum sic excedunt, ut etiam revelatione tradita et
-fide suscepta, ipsius tamen fidei velamine contecta et quadam quasi
-caligine obvoluta maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur
-a Domino; per fidem enim ambulamus, et non per speciem, sess. 3
-cap. 4. De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter der
-openbaring maar bracht toch feitelijk eene groote verandering aan. Bij
-Rome zijn de mysteriën in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk, omdat
-ze behooren tot eene andere, hoogere, bovennatuurlijke orde, die het
-verstand van den mensch als zoodanig verre overtreft. Het moet daarom
-allen nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid der mysteriën en deze in
-bescherming nemen en handhaven. Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf
-een bewijs voor de waarheid te zijn. Credibile est, quia ineptum est....
-Certum, quia impossibile, Tertull. de carne Chr. 5. Maar de Reformatie
-verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke orde door
-die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het mysterie niet
-daarin, dat het voor den mensch op zichzelf, maar voor het verstand
-van den psychischen mensch onbegrijpelijk was, Calv. Inst. II, 2, 20.
-Voetius, Disp. I 3. Zonder twijfel is deze opvatting veel meer met het
-N. Testamentisch spraakgebruik in overeenstemming. Nergens staat daar
-het abstract-bovennatuurlijke en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke
-van het mysterie op den voorgrond. Maar terwijl het eene dwaasheid is
-in de oogen van den natuurlijken mensch, hoe wijs hij ook zij; het wordt
-geopenbaard aan de geloovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in
-zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17; Rom. 11:33; 1 Cor. 1:30. Natuurlijk wil
-de Schrift nu daarmede ook niet te kennen geven, dat de geloovige die
-mysteriën in wetenschappelijken zin begrijpt en verstaat. Wij wandelen
-immers door geloof, kennen ten deele en zien door een spiegel in eene
-duistere rede, Rom. 11:34; 1 Cor. 13:12; 2 Cor. 5:7. Maar de geloovige
-kent die mysteriën toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis meer;
-hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Het komt daarom niet in
-hem op, dat ze zijne rede te boven gaan, dat zij supra rationem zijn; hij
-voelt ze niet als een drukkenden last maar als eene bevrijding voor zijn
-denken. Zijn geloof gaat in bewondering over, zijne kennis eindigt in
-aanbidding, en zijne belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van
-dien aard is ook de kennisse Gods, welke in de theologie wordt beoogd.
-Zij is geen weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter
-en heerlijker, zij is eene kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh.
-17:3. Cf. over de μυστηρια, behalve de reeds genoemde litt., ook nog
-Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe I 168. J.
-Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843. Scholten, L. H. K. I 223.
-Oosterzee, Dogm. I 168. Philippi Comm. op Rom. 11:25. Gretillat, Exposé
-de théol. syst. I 182 s. II 183.
-
-
- * * * * *
-
-
- CORRECTIES.
-
- Een aantal duidelijke zet- of drukfouten in het origineel zijn
- als volgt gecorrigeerd.
-
- Pag. 5: het woord „worden” ingevoegd (Er moet daarom
- onderscheiden worden tusschen).
- Pag. 7: „phychologisch” vervangen door „psychologisch” (als
- historisch en psychologisch verschijnsel).
- Pag. 31: „geplitst” vervangen door „gesplitst” (zich vertakt en
- gesplitst heeft).
- Pag. 32: „πιστεας” vervangen door „πιστεως” (Ἐκδοσις ἀκριβης της
- ὀρθοδοξου πιστεως).
- Pag. 35: „Chtistus” vervangen door „Christus” (de persoon en het
- werk van Christus).
- Pag. 54: „Jahrb.” vervangen door „Jahrh.” (Gesch. der 3 ersten
- Jahrh.).
- Pag. 59 voetnoot 1: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin,
- Nouvelle Bibliothèque).
- Pag. 75: „den den” vervangen door „den” (die den mensch dit doel
- doen bereiken).
- Pag. 78: „Erankrijk” vervangen door „Frankrijk” (Fridolinus en
- Columbanus † 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië).
- Pag. 81: „nn” vervangen door „nu” (Daarbij kwam nu in de tweede
- plaats).
- Pag. 83: „thologie” vervangen door „theologie” (aan de theologie
- eene eereplaats verzekerd).
- Pag. 92: „6e” vervangen door „de” (Maar daarmede was de strijd
- niet uit).
- Pag. 96: „objects” vervangen door „objets” (les premiers objets
- des connaissances morales).
- Pag. 102: „objective” vervangen door „objectieve” (over alle
- objectieve waarheid).
- Pag. 103: „Vernumft” vervangen door „Vernunft” (innerhalb der
- Grenzen der blossen Vernunft).
- Pag. 122: „Sanmur” vervangen door „Saumur” (In Frankrijk werd de
- akademie van Saumur).
- Pag. 127: „anjourdhui” vervangen door „aujourd’hui” (qui règne
- aujourd’hui parmi les Chrétiens).
- Pag. 132: „eightteenth” vervangen door „eighteenth” (the
- evangelical reaction of the eighteenth century).
- Pag. 133: „Archbischop” vervangen door „Archbishop” (hij was de
- Archbishop of the Slums).
- Pag. 138: „Systematie” vervangen door „Systematic” (Systematic
- Theology London).
- Pag. 153: „Stof” vervangen door „Stoff” (L. Büchner, Kraft und
- Stoff).
- Pag. 158: „auschaulichen” vervangen door „anschaulichen” (wurzelt
- auf der anschaulichen Welt).
- Pag. 162: „Vorstelling” vervangen door „Vorstellung” (φαντασια,
- φαντασμα, species sensibilis, perception, Vorstellung).
- Pag. 167: „and” vervangen door „und” (Nominalismus und Realismus
- in der neuesten deutschen Philosophie).
- Pag. 208: „contract” vervangen door „contrat” (de aanhangers van
- het contrat social).
- Pag. 221: „veroordeelf” vervangen door „veroordeelt” (en
- veroordeelt zoowel het traditionalisme).
- Pag. 240: „unbewust” vervangen door „unbewusst” (Das unbewusst
- Weissagende).
- Pag. 259: „אֹותוֹת” vervangen door „אוֹת” (Vooral worden ze ook
- genoemd אוֹת Ex. 3:12).
- Pag. 278: „uniomis” vervangen door „unionis” (niet reconciliationis
- maar unionis).
- Pag. 278: „tegenver” vervangen door „tegenover” (De openbaring
- staat niet tegenover de natuur).
- Pag. 309: „sec.” vervangen door „saec.” (patres apostolici et
- apologetae sec. saec. Lips. 1872).
- Pag. 313: „3{9}” vervangen door „3°” (3° liber aliquis).
- Pag. 313: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Dissert.
- préliminaire).
- Pag. 325: „zijn” vervangen door „zij” (zij gaan er van uit).
- Pag. 328: „reede” vervangen door „reeds” (legden de mannen van
- Hizkia reeds eene tweede verzameling aan).
- Pag. 333: „bij” vervangen door „by” (The modes of quotation used
- by the evangelical writers).
- Pag. 339: „Δογος” vervangen door „Λογος” (Λογος ἐνσαρκος).
- Pag. 343: „4te” vervangen door „4th” (4th ed. London 1854).
- Pag. 343: „heroen” vervangen door „heroën” (heeft daarom op de
- heroën of genieën gewezen).
- Pag. 389: „comtemplatie” vervangen door „contemplatie” (dat der
- contemplatie en visio Dei).
- Pag. 400: „continna” vervangen door „continua” (a Sp. S°. dictatas
- et continua successione).
- Pag. 404: „Oevres” vervangen door „Oeuvres” (Oeuvres Choisies de
- Joseph de Maistre).
- Pag. 409: „andieritis” vervangen door „audieritis” (quidquid inde
- audieritis, hoc vobis bene sapiat).
- Pag. 426: „praepatorii” vervangen door „praeparatorii” (de mensch
- door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft).
- Pag. 432: „toepepast” vervangen door „toegepast” (op de dogmatiek
- toegepast).
- Pag. 444: „chritienne” vervangen door „chrétienne” (De la
- certitude chrétienne).
- Pag. 491: „van” vervangen door „von” (Die Lehre der altprot. Dogm.
- von dem test. Sp. S.).
- Pag. 510: „iucarnationis” vervangen door „incarnationis” (modos
- incarnationis intueri).
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK ***
-
-***** This file should be named 51052-0.txt or 51052-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/0/5/51052/
-
-Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and
-the Online Distributed Proofreading Team at
-http://www.pgdp.net.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/51052-0.zip b/old/51052-0.zip
deleted file mode 100644
index da91b7b..0000000
--- a/old/51052-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/51052-h.zip b/old/51052-h.zip
deleted file mode 100644
index 905a0a2..0000000
--- a/old/51052-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/51052-h/51052-h.htm b/old/51052-h/51052-h.htm
deleted file mode 100644
index 7cb65cf..0000000
--- a/old/51052-h/51052-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,22245 +0,0 @@
-
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
-"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
-<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" lang="nl" xml:lang="nl">
-<head>
- <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
- <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
- <title>The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde Dogmatiek deel I,
- by Dr. Herman Bavinck.</title>
- <link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" />
-
- <style type="text/css">
-
-h1,h2,h3,h4 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;}
-h1 {margin: 3em 0 1em 0; padding-left: 4em; text-decoration: underline; text-indent: -4em;
- font-size: 250%; line-height: 1.5em;}
-h2 {margin: 4em 0 1em 0; font-size: 1em; line-height: 1.8em;}
-h3 {word-spacing: 0.2em;}
-h4 {margin: 2em 0 1.5em 0; letter-spacing: 0.2em; word-spacing: 0.2em;}
-p {margin: 0.5em 0 0 0.5em; text-align: justify; text-indent: 1.5em;}
-
-.pagenum {position: absolute; right: 94%; font-size: x-small;
- font-style: normal; font-weight: normal; letter-spacing: normal;
- color: #ccc; text-align: right;} /* page numbers shown */
-
-/* titles */
-.cent {text-align: center; text-indent: 0; clear: both;}
-
-/* spacing */
-.sep1 {margin-top: 1.2em;}
-.sep2 {margin-top: 1.5em;}
-.sep4 {margin-top: 4em;}
-.sep8 {margin-top: 8em;}
-
-/* styling */
-.cs6 {font-size: 0.6em;}
-.cs8 {font-size: 0.8em;}
-.cs12 {font-size: 1.2em;}
-.esp {letter-spacing: 0.1em; word-spacing: 0.3em;}
-ins {text-decoration: none; border-bottom: thin dotted silver;}
-.nobreak {page-break-before: avoid;}
-.noind {text-indent: 0;}
-.right {text-align: right; text-decoration: overline;}
-.sansrf {font-family: sans-serif;}
-.smcap {font-variant: small-caps;}
-sup {font-size: x-small;}
-
-/* images */
-.figcenter {margin: 2em auto 2em auto; text-align: center; text-indent: 0;}
-.figright {margin: 2em 3em 2em auto; text-align: right; text-indent: 0;}
-
-/* lists */
-.lsoff {list-style-type: none; margin-left: 3em; text-indent: -1.5em;
- font-size: 0.9em; margin-bottom: 0;}
-li {margin-top: 0.1em; margin-bottom: 0; line-height: 1.2em;}
-
-/* tables */
-table {margin: 2em auto 2em auto;}
-table.tabmat {width: 90%; font-size: 0.9em;}
-td.tdc {text-align: center; vertical-align: middle; line-height: 1.5em;
- padding: 1em 0 0.5em 0;}
-td.tdl {text-align: left; vertical-align: baseline;}
-td.tdr {text-align: right; vertical-align: bottom;}
-
-/* box */
-div.boxnt {margin: 6em auto 2em auto; max-width: 32em;
- background-color: #eee; padding: 1em; border: solid 1px #ccc;
- font-size: 0.9em; text-align: left;}
-
-/* lines */
-hr.full {margin: 2em auto 2em auto; height: 4px;
- border-width: 4px 0 0 0; border-color: #999;
- clear: both;}
-hr.hr16 {margin: 2em 42% 2em 42%; height: 1px;}
-hr.hr12 {margin: 1.5em 44% 2em 44%; height: 1px;}
-hr.hr10 {margin: 0.5em 45% 1em 45%; height: 1px;}
-hr.hr8 {margin: 0.5em 46% 1em 46%; height: 2px;}
-
-/* notes */
-div.footnotes {background-color: #f6f6f6; padding: 1em;
- margin: 2.5em 5% 1.5em 5%; font-size: 0.9em; border: solid 1px #ccc;}
-div.footnotes p {margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.3em;}
-.fnanchor {vertical-align: super; font-size: x-small;
- text-decoration: none; font-style: normal; letter-spacing: normal;}
-.label {position: relative; right: 1.5em;
- text-align: right; font-size: 0.9em;}
-
-@media screen {
- body {width: 80%; max-width: 36em; margin: 0 auto 0 auto;}
- .npage {margin-top: 6em;}
- }
-
-@media handheld {
- .pagenum {display: none;}
- .npage {page-break-before: always;}
- }
-
-/* links */
-a:link {color:#99c; text-decoration: none;}
-a:visited {color:#99c; text-decoration: none;}
-a:hover {color:#000; text-decoration: underline;}
-
- </style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Gereformeerde dogmatiek
- Eerste deel. Inleiding. Principia.
-
-Author: H. Bavinck
-
-Release Date: January 27, 2016 [EBook #51052]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK ***
-
-
-
-
-Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and
-the Online Distributed Proofreading Team at
-http://www.pgdp.net.
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-
-<hr class="full" />
-
-<p class="noind sansrf"><a href="#noot">Opmerkingen van de bewerker</a></p>
-
-<p class="noind sansrf"><a href="#toc">Inhoud</a></p>
-
-<p class="sep4 cent cs12">GEREFORMEERDE DOGMATIEK.</p>
-
-<div class="npage">
-
-<h1>GEREFORMEERDE<br />DOGMATIEK.</h1>
-
-<div class="sep4 cent cs6">DOOR</div>
-
-<div class="sep2 cent esp cs12">D<sup>R</sup>. H. BAVINCK.</div>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<div class="sep2 cent">EERSTE DEEL.</div>
-
-<div class="sep1 cent cs8 esp">INLEIDING. — PRINCIPIA.</div>
-
-<div class="figcenter">
- <img src="images/streep-1.jpg" alt="" title="" width="154" height="14" />
-</div>
-
-<div class="sep4 cent" style="text-decoration: overline;">KAMPEN. — J. H. BOS. — 1895.</div>
-
-</div>
-
-<div class="sep8 cs6 right">Nijmegen. — Snelpersdruk der Weesinrichting.</div>
-
-<h2 id="Page_III">VOORBERICHT.</h2>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<p><i>Met een kort woord moge het standpunt dezer dogmatiek
-in het licht worden gesteld. Niet alleen de geloovige, ook de
-dogmaticus heeft belijdenis te doen van de gemeenschap der heiligen.
-Alleen met alle de heiligen kan hij begrijpen, welke de
-breedte en lengte en diepte en hoogte zij en bekennen de liefde
-van Christus, die de kennis te boven gaat. Eerst in en door
-hunne gemeenschap leert hij het dogma verstaan, waarin het
-christelijk geloof zich uitspreekt. Bovendien ligt er in deze gemeenschap
-der heiligen eene sterkende kracht en een uitnemende
-troost. Dogmatiek is thans niet in eere; het christelijk dogma
-deelt niet in de gunst van den tijd. Vandaar, naar het woord
-van Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie 1868 bl. 17,
-somwijlen een gevoel van verlatenheid, van isolement. Maar des
-te meer stemt het dan tot dank, een beroep te kunnen doen op
-het bondgenootschap der voorgeslachten. Om deze redenen is er
-aan de patristische en scholastische theologie meer aandacht gewijd,
-dan anders wel bij protestantsche dogmatici het geval is.
-Mannen als Irenaeus, Augustinus, Thomas, behooren niet uitsluitend
-aan Rome. Zij zijn patres en doctores, aan wie de
-gansche christelijke kerk verplichtingen heeft. Voorts is ook de
-Roomsche theologie na de Hervorming niet vergeten. Er is onder
-de Protestanten menigmaal te weinig bekendheid zoowel met
-hetgeen hun met Rome gemeen is als wat van Rome hen scheidt.
-De herleving der Roomsche theologie onder de auspiciën van
-<span class="pagenum" id="Page_IV">[IV]</span>
-Thomas, maakt het voor den protestantschen Christen dubbel
-noodzakelijk, zich van zijne verhouding tot Rome welbewuste en
-heldere rekenschap te geven.</i></p>
-
-<p><i>Het nauwst sluit echter deze dogmatiek zich aan bij dat
-type, hetwelk de christelijke religie en theologie in de zestiende
-eeuw door de Reformatie, bepaaldelijk in Zwitserland, ontving.
-Niet omdat dit de eenig-ware, maar wijl het naar de overtuiging
-van den schrijver de relatief-zuiverste uitdrukking der waarheid
-is. In geen confessie is het christelijke in zijn religieus,
-ethisch en theologisch karakter zoo tot zijn recht gekomen; nergens
-is het zoo diep en breed, zoo ruim en vrij, zoo waarlijk
-katholiek opgevat als in die van de Gereformeerde kerken. Daarom
-is het te meer te betreuren, dat deze reformatie van religie
-en theologie, evenals die van kerk en wetenschap, zoo spoedig is
-gestuit. Er is in weerwil van veel goeds, dat ook de latere ontwikkeling
-niet alleen hier te lande, maar evenzeer in Engeland,
-Schotland, Amerika te aanschouwen geeft, toch weldra stilstand
-ingetreden en deformatie gevolgd. Bij voorkeur zich beroepende
-op de oudere generatie, die in frischheid en oorspronkelijkheid
-de latere verre overtreft, acht schrijver dezes het het recht
-van den dogmaticus, om in de geschiedenis der Gereformeerde
-theologie tusschen koren en kaf onderscheid te maken. Het oude
-te loven alleen omdat het oud is, is noch gereformeerd noch
-christelijk. En dogmatiek beschrijft niet wat gegolden heeft, maar
-wat gelden moet. Zij wortelt in het verleden, maar arbeidt
-voor de toekomst.</i></p>
-
-<p><i>Daarom eindelijk wenscht deze dogmatiek ook het stempel te
-dragen van haar tijd. Het ware een onbegonnen werk, zich los
-te maken van het heden; maar het zou ook niet goed zijn voor
-God, die in deze eeuw niet minder luide en ernstig tot ons spreekt
-dan in vorige geslachten. Er is acht geslagen op de velerlei
-richtingen, die op theologisch gebied elkander kruisen. Er is te
-midden van die alle eene plaats gezocht en positie gekozen. Waar
-afwijking plicht was, is er rekenschap van gegeven. Maar ook
-dan is er naar gestreefd, om het goede te waardeeren, waar
-<span class="pagenum" id="Page_V">[V]</span>
-het te vinden was. Dikwerf deed voortgezette studie verwantschap
-ontdekken, die aanvankelijk heel niet scheen te bestaan.</i></p>
-
-<p><i>Op dezen grondslag opgetrokken, tracht deze dogmatiek een
-handboek te zijn voor wie aan hare beoefening zich wijdt. Ook
-waar zij geen instemming verwerven kan, moge zij tot studie
-opwekken. Met het oog hierop zijn de vraagstukken en de verschillende
-oplossingen, die beproefd zijn, zoo objectief mogelijk
-voorgesteld. Litteratuur werd in die mate opgegeven, dat men
-spoedig zelf zich oriënteeren en aan de oplossing mede arbeiden
-kan.</i></p>
-
-<p><i>Dit eerste deel bespreekt de inleiding en de principia. Het
-tweede deel zal het dogma behandelen. Waarschijnlijk zal dit
-in twee gedeelten het licht zien, die in geen geval grooter van
-omvang zullen zijn dan dit eerste deel, en zoo spoedig doenlijk
-zullen volgen. Een uitvoerige index zal het werk besluiten.</i></p>
-
-<div class="figright">
- <img src="images/img-01.jpg" alt="H Bavinck." title="H Bavinck." width="300" height="44" />
-</div>
-
-<p><i><span class="esp">Kampen</span>, April 1895.</i></p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h2 id="toc">INHOUD.</h2>
-
-<div class="figcenter">
- <img src="images/streep-2.jpg" alt="" title="" width="114" height="16" />
-</div>
-
-<table class="tabmat" summary="Inhoud van Deel I">
-<tr>
- <td class="tdc esp" colspan="3"><a href="#Page_1">INLEIDING</a>.</td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdl" colspan="2">Paragraaf.</td>
- <td class="tdr">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">1.</td>
- <td class="tdl">Naam en begrip der Dogmatiek</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_1">1</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">2.</td>
- <td class="tdl">Encyclopaedische plaats der Dogmatiek</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_9">9</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">3.</td>
- <td class="tdl">Methode der Dogmatiek</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_14">14</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">4.</td>
- <td class="tdl">Indeeling der Dogmatiek</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_31">31</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">5.</td>
- <td class="tdl">Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_51">51</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdc" colspan="3"><hr class="hr10" />
- <b>DEEL I.</b><br />
- <b>Principia der Dogmatiek.</b><br />
- HOOFDSTUK I.<br />
- <span class="smcap esp">Principia in het Algemeen.</span></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">6.</td>
- <td class="tdl">Beteekenis der Principia</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_140">140</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">7.</td>
- <td class="tdl">Principia in de Wetenschap</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_145">145</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">8.</td>
- <td class="tdl">Principia in de Religie</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_171">171</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdc" colspan="3">HOOFDSTUK II.<br />
- <span class="smcap esp">Principium Externum.</span></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">9.</td>
- <td class="tdl">Algemeene Openbaring</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_215">215</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">10.</td>
- <td class="tdl">Bijzondere Openbaring</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_244">244</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">11.</td>
- <td class="tdl">De Heilige Schrift</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_295">295</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">12.</td>
- <td class="tdl">Eigenschappen der Schrift</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_363">363</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdc" colspan="3"><span class="pagenum" id="Page_VII">[VII]</span>
- HOOFDSTUK III.<br />
- <span class="smcap esp">Principium Internum.</span></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">13.</td>
- <td class="tdl">Beteekenis van het principium internum</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_416">416</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">14.</td>
- <td class="tdl">De historisch-apologetische methode</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_423">423</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">15.</td>
- <td class="tdl">De speculatieve methode</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_431">431</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">16.</td>
- <td class="tdl">De ethisch-psychologische methode</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_444">444</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">17.</td>
- <td class="tdl">Het geloof</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_465">465</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">18.</td>
- <td class="tdl">De grond des geloofs</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_484">484</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">19.</td>
- <td class="tdl">Geloof en theologie</td>
- <td class="tdr"><a href="#Page_509">509</a></td>
-</tr>
-</table>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h2 id="Page_1">INLEIDING.</h2>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;1. <span class="smcap">Naam en begrip der Dogmatiek.</span></h3>
-
-<p>1. De naam dogmatiek is nog van jonge dagteekening. Vroeger
-waren gansch andere namen in gebruik. Origenes gaf aan zijn
-dogmatisch hoofdwerk den titel περι ἀρχων. Augustinus omschreef
-zijn Enchiridium ad Laurentium door de bijvoeging, sive de fide,
-spe et caritate. Johannes Damascenus gaf eene Ἐκδοσις ἀκριβης
-της ὀρθοδοξου πιστεως. Met Isidorus Hispalensis komt de naam
-Sententiæ op, die in de 13<sup>de</sup> eeuw plaats maakt voor Summa
-theologiæ. Melanchton sprak van Loci communes rerum theologicarum,
-sive hypotyposes theologiæ. De uitdrukking loci is aan
-Cicero ontleend, en eene vertaling van het grieksche τοπος.
-Aristoteles verstond onder τοποι de algemeene regelen der dialectiek,
-die van zichzelf bekend waren en vaststonden en daarom
-als στοιχεια των ἀποδειξεων dienst konden doen, Rhet. lib.
-II c. 22 §&nbsp;13. Metaph. lib. IV c. 3 §&nbsp;3. Cicero bracht deze
-leer der τοποι van de dialectiek op de rhetorica over, en verstond
-er die plaatsen door, waar de redenaar de argumenten vinden
-kon, die hij in zijne rede noodig had. Hij verklaart de
-uitdrukking door sedes, notæ argumentorum, en wijst als zulke
-bronnen aan het begrip, de definitie, de divisie, de grondbeteekenis
-van het woord, de synoniemen enz. Top. II c. 2. Dit gebruik
-van het woord loci stemt met de beteekenis bij Aristoteles
-niet geheel overeen, en werd in de latere logica nog meer gewijzigd.
-Melanchton zelf verklaart in zijne Dialectica, lib. IV
-de uitdrukking loci door signa quædam, quibus rerum, quæ dici
-tractarique debent, capita indicantur. Loci communes zijn volgens
-Cicero, de Orat. III 27. Brutus 12, zulke stellingen, die op geen
-<span class="pagenum" id="Page_2">[2]</span>
-bepaald object betrekking hebben, algemeen zijn en daarom altijd
-en overal gelden; in onderscheiding van loci proprii, die concreet
-zijn en daarom alleen bij een bepaald onderwerp of in eene speciale
-wetenschap van kracht zijn. Melanchton wilde in zijne loci
-communes alleen de voornaamste hoofdstukken van de christelijke
-religie geven, gelijk die vooral door Paulus in zijn brief aan de
-Romeinen waren behandeld. Hij zelf omschrijft ze daarom door
-hypotyposes, ontwerp, schets, lineamenta der theologie. En de
-Duitsche vertaling van Spalatin gaf den titel weer door: Hauptartikel
-und fürnehmste Punkte der ganzen Heiligen Schrift. Naam
-en inhoud van Melanchton’s dogmatiek staan dus in tegenstelling
-met de scholastieke Sententiae en Summae. Ze bedoelde niet een
-volledig dogmatisch systeem aan de ontwikkelden te geven, maar
-veeleer de onontwikkelden in te leiden tot de kennis der Heilige
-Schrift. Cf. Heppe, Dogm. des Deutschen Protest. 1857 I s.
-4-14; Herzog u. Plitt, Real. Enc. 8, 708 f.; Sanseverino,
-Philosophia Christiana, ed. nov. Neap. 1878 III 286-315.
-Daaruit laat zich verklaren, dat de naam loci communes bij de
-Roomsche theologen, op eene enkele uitzondering na, geen ingang
-vond. Wel bezigen ze de uitdrukking loci, maar niet in den zin van
-Melanchton, maar in dien van Cicero of Aristoteles. Zij verstaan
-er niet onder de articuli fidei, maar de principia of bronnen der
-Theologie, Dens, Theologia ad usum Seminariorum. Mechl. 1828
-I 5; Billuart, Summa S. Thomae sive Cursus Theologiae 1747
-I 47; Daelman, Theologia seu Observ. theol. in Summam D.
-Thomae 1759 I 18. Het beroemde werk van Melchior Canus,
-Loci Theologici 1563 vat de uitdrukking in denzelfden zin op en
-behandelt niet de dogmatiek zelve, maar hare bronnen, welke
-tien in aantal zijn: Schrift, traditie, Paus, concilien, kerk, kerkvaders,
-scholastici, rede, philosophie, geschiedenis. Daarentegen
-werd de naam loci communes van Melanchton door vele luthersche
-en geref. theologen overgenomen, zooals Chemniz, Hutter,
-Gerhard, Calovius; Martyr, Musculus, Hyperius, Ursinus enz.
-Maar toch moest hij vrij spoedig voor een anderen titel wijken.
-Zwingli had dogmatische geschriften in het licht gegeven onder
-den titel van Commentarius de vera ac falsa religione, Christianae
-fidei brevis et clara expositio. Calvijn verkoos den naam
-van Institutio religionis Christianae. En latere theologen uit de
-luth. en geref. kerk keerden tot den ouden naam van theologia
-<span class="pagenum" id="Page_3">[3]</span>
-terug. Ter onderscheiding van andere theologische vakken, die
-allengs in aantal en in gewicht toenamen, moest deze naam van
-Theologia nader omschreven worden. Daartoe diende de bijvoeging
-didactica, systematica, theoretica, positiva, en sedert L. Reinhart,
-Synopsis theologiae dogmaticae 1659, ook die van dogmatica.
-Deze omschrijving lag voor de hand, wijl de geloofswaarheden
-reeds lang met den naam van dogmata werden aangeduid, en de
-met Danaeus en Calixtus begonnen scheiding van dogmatiek en
-ethiek voor beide vakken een afzonderlijken naam eischte. Sedert
-heeft deze bijvoeging zoo groote heerschappij verkregen, dat zij
-het hoofdbegrip van theologie heeft gebannen en zelfstandig is
-opgetreden, dat zij onder theologen van allerlei belijdenis instemming
-heeft gevonden, en door de nieuwere namen van geloofsleer,
-heilsleer, christelijke leer enz. niet is kunnen verdrongen
-worden.</p>
-
-<p class="sep2">2. Het woord δογμα, van δοκειν, dunken, duidt datgene
-aan, wat bepaald, besloten is en daarom vaststaat, το δεδογμενον,
-statutum, decretum, placitum. In de Schrift wordt het gebezigd
-van bevelen der overheid, LXX, Esth. 3:9; Dan. 2:13; 6:8;
-Luk. 2:1; Hd. 17:7, van de inzettingen des O. Verbonds Ef.
-2:15; Col. 2:14, en van de besluiten der vergadering te Jeruzalem,
-Hd. 15:28; 16:14. Bij de klassieken heeft het de beteekenis
-van besluit of bevel en in de philosophie die van door
-zichzelf of door bewijzen vaststaande waarheden, Plato, de Rep.
-VII c. 16. p. 538 C.; Arist. Phys. ausc. 4, 2; Cic. de fin.
-2, 32; Acad. prior. 2, 9. §&nbsp;27; Seneca Epist. 94, 95. In deze
-beteekenissen wordt het woord ook in de theologie overgenomen.
-Josephus, c. Ap. I, 8 zegt, dat de Joden de boeken des Ouden
-Verbonds van kindsbeen af houden voor θεου δογματα. In dezelfde
-beteekenis spreken de kerkvaders van de christelijke religie of
-leer als το θειον δογμα, van de menschwording van Christus als
-δογμα της θεολογιας, van de waarheden des geloofs, die in en
-voor de kerk gelden als τα της ἐκκλησιας δογματα, en evenzoo
-van de leeringen der ketters als δογματα των ἑτεροδοξων enz.
-Cf. Suicerus, Thesaurus Eccles. s. v.; Herzog<sup>2</sup> s. v. Dogmatik;
-H. Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Dezen zelfden
-zin behoudt het woord bij de Latijnen, zooals Vincentius in zijn
-Commonitorium c. 29, en bij de Protest. theologen zooals Sohnius,
-<span class="pagenum" id="Page_4">[4]</span>
-Opera 1609 I 32; Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 22; Hyperius,
-Methodus Theol. 1574 p. 34; Polanus, Synt. Theol. 1625 p. 133.</p>
-
-<p class="sep2">3. Het gebruik van het woord leert ons in de eerste plaats,
-dat met dogma allerlei bevelen, besluiten, philosophische waarheden,
-theoretische stellingen, practische regels enz. kunnen worden
-aangeduid, maar het gemeenschappelijke erin is, dat er altijd
-eene zekere autoriteit aan ten grondslag ligt. Een dogma is eene
-stelling, die gezag heeft, Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte,
-2<sup>te</sup> Aufl. 1888 I. 15. In het woord dogma ligt echter op zichzelf
-niet, op welk gezag het steunt. Bij de verschillende dogmata
-is ook dat gezag verschillend. Bij politieke dogmata is dat
-gezag de overheid, bij philosophische dogmata de innerlijke evidentie
-of de kracht der bewijzen; bij de godsdienstige of theologische
-dogmata ligt dat gezag alleen in Gods getuigenis, hetzij deze
-volgens de Protestanten alleen in de Schrift, of volgens de Roomschen
-ook in de kerk wordt vernomen. Eene stelling heeft in
-kerk en theologie alleen daarom gezag, wijl ze rust op de getuigenis
-Gods. Ten onrechte wordt daarom door en sedert Schleiermacher
-het wezen en karakter van een dogma in de kerkelijke
-vaststelling en afkondiging gezocht, Schleiermacher, Christl. Sitte
-1884, S. 5; Rothe, Zur Dogm. 10; Schweizer, Christl. Glaub.
-I. 23; Daubanton, Theol. Studien 1885, bl. 136-145; Kuyper,
-Encycl. III 395 v. Op Roomsch standpunt ware hier nog iets
-voor te zeggen, wijl de kerk onfeilbaar is. Maar de reformatie
-erkent geen waarheid dan alleen op het gezag Gods in de H.
-Schrift. Verbum Dei condit articulos fidei, et praeterea nemo,
-ne angelus quidem, Art. Smalc. Pars II art. 2. Dogmata en
-articuli fidei zijn alleen die waarheden, quae in scripturis proprie
-ut credenda proponuntur, Hyperius, Methodus theol. p. 34, 35.
-Het zijn alleen zulke sententiae, quibus credi aut obtemperari
-necesse est propter mandatum Dei, Ursinus, Tract. Theol. 22.
-En daarom keert telkens bij de Geref. theologen deze stelling
-terug: principium, in quod omnia dogmata theologica resolvuntur,
-est: Dominus dixit, cf. Ritschl, Lehre v. d. Rechtf. u. Vers.
-3<sup>te</sup> Aufl. II 2. Maar uit het karakter van autoriteit, dat aan
-een dogma eigen is, volgt toch in de tweede plaats vanzelf, dat
-het als zoodanig ook in zekeren kring wordt erkend. Er ligt
-ongetwijfeld in het begrip van dogma een sociaal element. Eene
-<span class="pagenum" id="Page_5">[5]</span>
-waarheid moge nog zoozeer vaststaan; indien ze niet erkend wordt,
-is zij in het oog van anderen niets meer dan eene sententia doctoris,
-eene particuliere opinie. Het begrip van dogma sluit in,
-dat de autoriteit, die het bezit, zichzelve ook weet te doen erkennen
-en te handhaven. Er moet daarom onderscheiden <ins id="cor_1" title="’worden’ ingevoegd">worden</ins> tusschen
-dogma quoad se en dogma quoad nos. Eene stelling is dogma
-in zichzelf, afgedacht van alle erkenning, indien ze rust op het
-gezag Gods. Maar om niet eigen opinie te vereenzelvigen met
-de waarheid Gods, is het voor iederen geloovige en vooral ook
-voor den dogmaticus van het hoogste belang te weten, welke
-waarheden uit de Schrift onder de leiding des H. Geestes in de
-kerk van Christus tot algemeene erkenning zijn gebracht. De belijdenis
-kan dus heeten het dogma quoad nos. Maar ook in dezen
-subjectieven zin is dogma volstrekt niet beperkt tot wat uitdrukkelijk
-in de symbolen is opgenomen en kerkelijk is vastgesteld.
-De kerk heeft een leven en een geloof, dat veel rijker is dan in
-de belijdenis tot uiting komt. De confessie formuleert lang niet
-den ganschen inhoud van het christelijk geloof. Zij behoort ook
-niet tot het wezen der kerk, is bijkomstig, en bijkans altijd uit
-bijzondere omstandigheden geboren. Zij neemt gewoonlijk slechts
-op, wat binnen of buiten haar bestrijding heeft gevonden. Evenals
-dus het hout niet brandt, omdat het rookt, maar de rook toch
-een teeken is van brand, zoo ook is eene stelling niet een dogma,
-omdat de kerk het erkent, al is het ook dat de erkenning door
-de kerk een belangrijk, ofschoon altijd feilbaar, bewijs is van de
-waarheid ervan, Kleutgen, Theologie der Vorzeit, 2<sup>te</sup> Aufl. I,
-97 f. In de derde plaats leert ons het gebruik van het woord
-dogma nog, dat het nu eens in ruimer, dan in enger zin werd
-gebezigd. Soms wordt er heel de christelijke religie mede aangeduid,
-en kan Basilius M., de Spiritu Sancto c. 27 onder δογματα
-(in tegenstelling met κηρυγματα, de uit de Schrift geputte articuli
-fidei) de kerkelijke ceremonieën en riten verstaan, Suicerus,
-Thes. Eccl. s. v. δογμα. Polanus t. a. p. zegt, dat dogma
-in ruimer zin alles omvat, wat in de H. Schrift is begrepen, niet
-alleen de doctrina evangelii et legis, maar ook alle conciones,
-historiae sacrae enz. Gewoonlijk werd het woord echter in enger
-zin gebezigd, voor de doctrina evangelii et legis, voor die sententiae,
-quibus credi aut obtemperari necesse est propter mandatum
-Dei, Ursinus t. a. p. 22. Het omvatte dus niet alleen de
-<span class="pagenum" id="Page_6">[6]</span>
-leerstellige, maar ook de ethische waarheid. Later echter is het
-woord dogma nog enger begrensd geworden, doordat de doctrina
-legis van de doctrina evangelii onderscheiden en gescheiden werd;
-dogmata waren nu alleen die sententiae, quibus credi necesse est
-propter mandatum Dei. Polanus ging nog verder en maakte ook
-nog onderscheid tusschen de dogmata en de principia theologiae.
-Zoo werd dogma de aanduiding van de articuli fidei, welke op
-het gezag van Gods Woord rusten en daarom allen verplichten
-tot geloof. En dogmatiek is dan het systeem der articuli fidei.</p>
-
-<p class="sep2">4. Toch is daarmee het begrip der dogmatiek nog slechts
-in formeelen zin vastgesteld. Eene definitie der dogmatiek als
-wetenschap der dogmen baat weinig, zoolang we de stof, den inhoud
-der dogmen niet kennen. Om nu het materieele begrip der
-dogmatiek te bepalen, moeten we ons herinneren, dat dogmatiek
-oorspronkelijk een adjectief was ter omschrijving van het hoofdbegrip
-theologie. Daarnaar werd in vroeger tijd de dogmatiek
-gewoonlijk opgevat als doctrina de Deo principaliter et de creaturis,
-secundum quod referuntur ad Deum ut ad principium vel
-finem, Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 3 en 7; Alb. Magnus,
-Sent. lib. I dist. 1 §&nbsp;2; Petavius, Opus de theol. dogmatibus
-cap. 1. —Gerhard, Loci Comm., prooemium de natura
-theologiae; Hase Hutterus Redivivus §&nbsp;11; H. Schmid, Dogm.
-der ev. luth. Kirche §&nbsp;2. —Fr. Junius, Opera Omnia I fol.
-1375-1424; Polanus, S. Theol. lib. I cap. 1-4; Gomarus,
-Disput. Theol., thesis 1; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura,
-ortu.... verae theologiae, libri sex. Oxon. 1661, lib. 1 cap. 1-4;
-Voetius, Diatribe de theologia. Ultraj. 1668; Coccejus, Summa
-theol. cap. 1. Anderen echter hadden bezwaar, om God tot het
-hoofdbegrip der dogmatiek te maken, en noemden haar object
-liever anders. Lombardus, Sent. I dist. 1, sloot zich bij Augustinus
-aan, die de doctr. christ. lib. I cap. 2 zegt: omnis doctrina
-vel rerum est, vel signorum, en droeg daarom aan de
-theologie twee zaken ter behandeling op: res, d. i. God, wereld,
-mensch, en signa, d. i. sacramenten. Maar deze onvolledige bepaling
-werd spoedig prijs gegeven en door de commentatoren
-verbeterd. Alexander Halesius en Bonaventura, Proleg. qu. I in
-1 Sent. en Breviloquium Pars I cap. 1 noemden Christus en
-zijn mystiek lichaam, de kerk; Hugo a St. Victor, De sacr. lib.
-<span class="pagenum" id="Page_7">[7]</span>
-I c. 2, noemde de opera reparationis stof en inhoud der theologie
-of dogmatiek. En ook Luth. en Geref. theologen omschreven
-den inhoud der dogmatiek op deze wijze. Calovius, Isagoge ad
-theologiam 1662, bestrijdt ten sterkste, dat God het eigenlijk
-object is der theologie; de etymologie beslist hier niets, de theologie
-op aarde is heel iets anders dan in den hemel, wij streven
-hier wel naar kennisse Gods, maar bereiken ze niet. God tot
-object te maken der theologie is even verkeerd als den Vorst tot
-object te maken van de politica, in plaats van de res publica,
-p. 283 s. 291 s.; het eigenlijk object der theologie is homo in
-quantum est perducendus ad salutem p. 252, 290 of de godsdienst
-p. 299, 324. En zoo wordt ook door Amesius, Medulla
-Theol. I c. 5; Maestricht, Theor. pract. Theol. I c. 1 §&nbsp;47;
-Marck, Merch der Christ. Godg. I §&nbsp;34; Moor, Comment. in
-Marckii Compendium I p. 112; Burmannus, Synopsis Theol. I
-c. 2 §&nbsp;30; Limborch, Theol. Christ. I c. 1, het Deo vivere per
-Christum, de religio, de cultus Dei tot inhoud der dogmatiek
-gemaakt. De subjectieve, practische opvatting van de theologie
-begon alzoo langzamerhand meer ingang te krijgen. En toen nu
-de philosophie van Kant het menschelijk kenvermogen tot de
-zienlijke dingen beperkte, het Agnosticisme de onkenbaarheid Gods
-uitsprak, de historische kritiek de bovennatuurlijke openbaring
-ondermijnde, is deze subjectieve, practische opvatting de heerschende
-geworden. Schleiermacher vatte de dogmatiek op als
-Glaubenslehre, en omschreef de dogmata als Auffassungen der
-frommen Gemüthszustände, Der Christl. Glaube §&nbsp;15, 16. En
-sedert hebben schier alle theologen dezen overgang mede gemaakt.
-Niet God, maar de godsdienst is object der theologie. En wel,
-de godsdienst in het algemeen als historisch en <ins id="cor_2" title="phychologisch">psychologisch</ins>
-verschijnsel, Tiele, Gids Mei 1866; Idem, Theol. Tijdschr. 1<sup>ste</sup>
-aflev. 1867; Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1869 bl. 1 v. 163 v.
-Wet op het Hooger Onderwijs van 1876, of meer bepaald de
-christelijke religie, gelijk zij in Schrift en gemeente tot openbaring
-komt. Dienovereenkomstig wordt dan aan de dogmatiek
-tot inhoud gegeven de religio of doctrina christiana, zooals die
-of uit de H. Schrift geput, of door eene of andere kerk beleden,
-of door persoonlijke ervaring gekend wordt.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_8">[8]</span>
-5. Nu heeft reeds Thomas in zijn tijd tegen hen, die eene
-andere omschrijving van de Theologie gaven, opgemerkt, dat zij
-daartoe kwamen wijl attendentes ad ea, quae in ista scientia tractantur
-et non ad rationem, secundum quam considerantur, Summa
-Theol. I qu. 1 art. 7. In de theologie en zoo ook in de dogmatiek,
-wordt over veel meer dan alleen over God gehandeld;
-ook engel en mensch, hemel en aarde, ja alle schepselen komen
-daarin ter sprake. Maar de vraag is, onder welk gezichtspunt
-en met welk doel ze in de theologie behandeld worden. Immers,
-behandeld worden al deze dingen ook in andere wetenschappen;
-het eigenaardige hunner behandeling in de theologie bestaat daarin,
-dat zij beschouwd worden in hunne relatie tot God, ut ad principium
-et finem, Kaftan, Wahrheit der Chr. Rel. S. 3. Voorts
-ware de definitie van de dogmatiek als wetenschap van de religio
-christiana op zichzelve nog niet zoo verkeerd, wanneer, gelijk
-in vroeger tijd, daaronder die religio werd verstaan, welke objectief
-in de Schrift was neergelegd. Maar na Kant en Schleiermacher
-heeft deze definitie een anderen zin gekregen en is de
-dogmatiek de beschrijving geworden van dat historisch verschijnsel,
-dat christelijke religie heet en zich ook in een eigenaardig geloof
-en leer openbaart. Wordt nu de dogmatiek in dezen zin verstaan,
-dan houdt ze op dogmatiek te zijn en wordt eenvoudig beschrijving
-van wat in zekeren kring voor waarheid op godsdienstig gebied
-gehouden wordt. Maar wetenschap is het om waarheid te
-doen; indien de dogmatiek werkelijk wetenschap wil zijn, dan is
-ze niet tevreden met de beschrijving van wat is, maar behoort
-ze aan te wijzen, wat als waarheid gelden moet. Niet het ὁτι,
-maar het διοτι, niet de werkelijkheid, maar de waarheid; niet
-het reëele, maar het ideëele, het logische, het noodwendige behoort
-ze aan te toonen. Zoodra ze dat echter beproeft, komt ze terstond
-tot God terug, wordt ze in eigenlijken zin wederom theologie.
-Immers, al wie het Christendom maakt tot object van eene
-eigen wetenschap, gaat uit niet van het feit van het <i>bestaan</i> van
-dat Christendom — want dan ware behandeling van dat historisch
-verschijnsel in de litt. faculteit volkomen voldoende — maar van
-eene bijzondere waardeering van dat feit, Gunning en Saussaye Jr.,
-Het ethische beginsel der Theologie 47. De theologie als eene
-afzonderlijke faculteitswetenschap onderstelt, dat in die historische
-feiten van het Christendom God op eene bijzondere wijze zich
-<span class="pagenum" id="Page_9">[9]</span>
-heeft geopenbaard, onderstelt en eischt dus het bestaan en de
-openbaring Gods. Dat is, de theologie eischt, om theologie te
-zijn en te blijven, dat alles in haar sub ratione Dei beschouwd
-wordt. En indien hiertegen de onkenbaarheid Gods worde ingebracht,
-dan geldt de regel: qui nimis probat, nihil probat. Indien
-God niet kenbaar is, valt daarmede niet alleen de dogmatiek
-en de theologie, maar ook de religie, want deze is op de kennis
-Gods gebouwd. Alzoo is dogmatiek het wetenschappelijk systeem
-der kennisse Gods, d. i. van die kennis, welke Hij aangaande
-zichzelf en aangaande alle schepsel als in relatie tot Hem in zijn
-Woord aan de kerk heeft geopenbaard.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;2. <span class="smcap">Encyclopaedische plaats der Dogmatiek.</span></h3>
-
-<p>1. Over de plaats der dogmatiek in de encyclopaedie der theologie
-is bijna geen verschil. Allen brengen haar tot de Systematische
-of Dogmatische Theologie, d. i. tot die groep van vakken,
-welke zich met het dogma bezig houden, en waartoe behalve de
-dogmatiek, ook de ethiek, symboliek, dogmengeschiedenis en elenctiek
-behooren. Alleen Schleiermacher, Kurze Darstellung des
-theol. Studiums, 2<sup>te</sup> Ausg. 1830 §&nbsp;195, voegde ze bij de historische
-theologie, omdat zij de wetenschap is von dem Zusammenhange
-der in der Kirche zu einer gegebenen Zeit geltenden Lehre,
-Der Christl. Glaube §&nbsp;19, ook Rothe, Zur Dogm. 1863 S. 14,
-en dus eene statistiek geeft van het heden. Schleiermacher kwam
-tot dit eigenaardig gevoelen, wijl hij de dogmatiek zoo streng
-mogelijk scheiden wilde van de apologetiek. Terwijl deze als
-deel der philosophische theologie heeft aan te toonen wat christelijke
-waarheid is, heeft gene alleen te beschrijven, wat als
-waarheid in eene of andere christelijke kerk geldt. Toch bedoelde
-Schleiermacher hiermede volstrekt niet, om aan de dogmatiek
-alleen een refereerend karakter toe te kennen; hij schrijft haar
-wel terdege eene kritische taak toe en verlangt, dat ze systematisch
-zij, dat ze eigen overtuiging geve, en dat ze beschrijve niet
-wat gegolden heeft, maar wat geldt, Dr. Is. van Dijk, Begrip
-en methode der Dogmatiek 38 v.; Hagenbach, Encycl. §&nbsp;80. Maar
-<span class="pagenum" id="Page_10">[10]</span>
-daarmede gaat ze dan ook de zuiver historische beschrijving reeds
-te boven. De christelijke gemeente kan zich niet tevreden stellen
-met een objectief referaat van haar geloofsinhoud, maar verlangt
-dat haar geloof ook als waarheid ontvouwd en uiteengezet wordt.
-De dogmaticus staat ook niet neutraal buiten en tegenover het
-geloof der gemeente, gelijk tegenover de godsdienstige leer van
-Mohammedanen en Buddhisten, maar behoort tot die gemeente,
-en beschrijft dus ook, wat voor hem als waarheid geldt en gelden
-moet. En eindelijk is er een wezenlijk onderscheid tusschen werken
-als van Hase, Schmid, Schweizer en Heppe, die eene objectieve
-beschrijving geven van de Luth. en Geref. leer, en de dogmatiek,
-die de waarheid der religieuse overtuigingen aantoonen
-en voorstellen wil. Als Schleiermacher, de dogmatiek een historisch
-vak noemende, daarmede niet anders bedoelde dan dat
-zij eene thetische, positieve wetenschap is, die haar object niet
-zoekt maar vindt en nu beschrijft, dan is zijne bedoeling te waardeeren,
-maar de benaming toch onjuist. Wanneer hij echter de
-meening koesterde, dat de dogmatiek slechts een historisch gegeven
-had te beschrijven en geen aanspraak maakte op normatieve
-waarheid, dan is zijne opvatting zeer zeker onjuist geweest
-en tegenwoordig dan ook algemeen verworpen. Hagenbach, Encycl.
-§&nbsp;80; Herzog<sup>2</sup> 3, 643.</p>
-
-<p class="sep2">2. Behoort alzoo de dogmatiek tot de vakken der dogmatische
-theologie, zij moet van hare zusteren wel onderscheiden worden.
-Alle vakken in dit deel der theologie hebben het met het dogma
-te doen, d. i. met de waarheid, gelijk God ze heeft geopenbaard,
-maar ieder op eene eigene wijze. Het kan beluisterd worden,
-zooals het door de gemeente klaar en krachtig in haar confessie
-beleden wordt, en dan ontstaat de theologia symbolica. Het kan
-in eenvoudigen, bevattelijken vorm, als melk 1 Petr. 2:2 aan
-de jeugdige leden, de kinderen der gemeente, worden voorgedragen,
-en dan is de theologia catechetica aan het woord, wel te
-onderscheiden van de catechetiek, de kunst om dat te doen. Het
-kan in zijn waarheid en recht tegenover bestrijders worden gehandhaafd,
-en dan volbrengt de theologia elenctica hare taak.
-Het kan ook thetisch en positief, maar in wetenschappelijken,
-systematischen vorm, voor het ontwikkeld bewustzijn worden uiteengezet,
-en dan wordt de dogmatiek beoefend. Al deze vakken
-<span class="pagenum" id="Page_11">[11]</span>
-hebben met elkander gemeen, dat ze de thesauri Sacrae Scripturae
-uitstallen, maar ieder op eigene wijze. De dogmatiek doet
-dat, gelijk men oudtijds zeide, op scholastieke, schoolsche wijze,
-dat is, zóó als het in de scholen der wetenschap behoort te geschieden.
-Natuurlijk hangt hier zoo niet alles, dan toch veel af
-van het standpunt, dat de dogmaticus inneemt. Indien hij met
-de piëtisten en theologi biblici eene scherpe tegenstelling aanneemt
-tusschen Schrift-en kerkleer, dan zal hij zoo eng mogelijk
-aan de Schrift zich aansluiten, ook in woorden en uitdrukkingen,
-en zoo min mogelijk de gevonden stof denkend verwerken. Ziet
-hij in de belijdenis der kerk, in de historia dogmatum, geen verbastering
-maar ontwikkeling der Schriftuurlijke waarheid, dan zal
-zijne dogmatiek kerkelijk en confessioneel gekleurd zijn. En als
-hij tegen Schrift en kerk beide rationalistisch overstaat, zullen
-de geloofsovertuigingen, die hij voordraagt, vooral een negatief
-karakter dragen. Dat alles is een verschil van methode en komt
-later ter sprake. Maar juist daarom is het niet goed, met Prof.
-Doedes, Encyclopaedie, §&nbsp;48, drieërlei dogmatiek te onderscheiden,
-n.l. N. Test. of christelijke, kerkelijke en kritische. Want daardoor
-wordt aan alle drie gelijke rang en bestaansrecht toegekend,
-neemt de verwarring nog toe, komt de N. Test. dogmatiek als
-de christelijke bij uitnemendheid tegenover de beide anderen te
-staan, kunnen de beide eerste soorten van dogmatiek geheel buiten
-de eigen overtuiging omgaan, en wordt de kritische dogmatiek
-alleen die van de eigene zelfstandige beschouwing. De taak der
-dogmatiek is veeleer altijd eene en dezelfde. Zij is en kan naar
-haar aard niets anders zijn dan eene wetenschappelijke uiteenzetting
-der godsdienstige waarheid, eene enarratio verbi Dei, eene
-uitstalling van de thesauri Sacrae Scripturae, eene παραδοσις εἰς
-τυπον διδαχης, Rom. 6:17, zoodat wij in haar hebben eene forma
-en imago van de doctrina coelestis. De dogmatiek is dus zelve
-niet het Woord Gods, zij is er altijd maar een flauw beeld en eene
-zwakke gelijkenis van; zij is eene feilbare, menschelijke poging om
-op eigene, vrije wijze na te denken en na te spreken, wat God voortijds
-veelmalen en op velerlei wijze door de Profeten en in deze laatste
-dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, Polanus, Syntagma
-p. 539; Heidegger, Corpus Theol. Christ. Loc. I §&nbsp;58. De vraag,
-hoe de dogmatiek het best deze haar taak vervullen kan, is eene
-vraag van methode en moet later afzonderlijk behandeld worden.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_12">[12]</span>
-3. Het nauwst verwant is de dogmatiek aan de ethiek. Het
-woord dogma omvatte oudtijds beide, de articuli fidei en de praecepta
-decalogi, de dogmata fidei en de dogmata morum. De ethiek
-werd of in de dogmatiek opgenomen, bij Lombardus, Thomas,
-Melanchton, Calvijn, Martyr, Musculus, Sohnius enz., of in een
-tweede deel na de dogmatiek bewerkt, bij Polanus, Amesius,
-Heidegger, Wollebius, Wendelinus, Maestricht, Brakel enz. of ook
-geheel zelfstandig, gescheiden van de dogmatiek, behandeld, bij
-Danaeus, Ethices Christ. libri III 1577, Keckermann, Walaeus,
-Polyander, Amyraldus, Pictet, Driessen, Hoornbeek, Heidegger,
-Osterwald, J. A. Turretinus, Stapfer, Beck, Wyttenbach, Endeman,
-cf. A. Schweizer, Die Entw. des Moralsystems in der ref.
-Kirche, Stud. u. Krit. 1850, Heft 1; Gass, Gesch. der chr. Ethik
-II Bd., 1<sup>te</sup> Abth. 1886 S. 131 f.; Luthardt, Gesch. der chr.
-Eth., 2<sup>te</sup> Hälfte 1893. De invloed van Aristoteles, die met Melanchtons
-philosophia moralis 1539 reeds begon, hield de ontwikkeling
-van de christelijke ethiek tegen. De scheiding, die later intrad,
-had tengevolge, dat de ethiek een eigen beginsel miste, dit ter
-kwader ure zoeken ging bij de philosophie, als verbasterde theol.
-ethiek vijandig kwam te staan tegenover de dogmatiek en deze
-verdrong van haar plaats, en eindelijk de grenzen tusschen haar
-en de dogmatiek geheel uitwischte. Ten bewijze strekken de
-vruchtelooze pogingen, om beide te onderscheiden. Bij Kant heeft
-de godsdienst geen eigen inhoud meer, maar is slechts de opvatting
-van het goede als gebod Gods, Religion innerhalb der Grenzen
-der blossen Vernunft, ed. Rosenkranz S. 184. Schleiermacher
-gaf aan beide tot inhoud het christelijk leven, maar de dogmatiek
-beschrijft dat leven in relatieve rust, de ethiek in relatieve
-beweging, Die Christl. Sitte, ed. Jonas, 2<sup>te</sup> Aufl. 1884 S. 12-24.
-Rothe zag het onvoldoende dezer onderscheiding in en maakte
-daarom de dogmatiek tot een historisch vak, dat de dogmata
-der kerk behandelde, de ethiek tot een speculatieve wetenschap,
-die haar stof dialectisch uit het Godsbewustzijn ontwikkelt, Theol.
-Ethik, §&nbsp;15. Dorner, Glaubenslehre I 9 f., Sittenlehre 47,
-Herzog<sup>2</sup> 4, 352, Wuttke, Christl. Sittenlehre I 9, Palmer, Moral
-des Christ. 24 f. e. a., onderscheiden beide als kennen en doen,
-verstand en wil. Doedes, Encycl. §&nbsp;52 n<sup>o</sup>. 4 en Van Oosterzee,
-Chr. Dogm. §&nbsp;4 n<sup>o</sup>. 4 als heil-en als levensleer; Gunning, Het
-ethische beginsel der Theologie 12 als leven van Christus in de
-<span class="pagenum" id="Page_13">[13]</span>
-kerk en in den individu; Daubanton, Theol. Stud. III 114 v.
-als leer van God en leer van den mensch, enz. Al deze onderscheidingen
-gaan daaraan mank, dat ze een principiëel verschil
-zoeken tusschen dogmatiek en ethiek. En dat is er niet. De
-theol. ethiek, wel te onderscheiden van de philos. ethiek, heeft
-geen eigen beginsel, maar wortelt geheel en al in de dogmatiek.
-De aangegeven scheidingslijnen scheppen een dualisme tusschen
-God en mensch, individu en gemeenschap, heil en leven, rust en
-beweging, verstand en wil, en banen er den weg toe, dat de ethiek
-een eigen beginsel gaat zoeken langs speculatieven philosophischen
-weg, zooals bij Rothe, haar theologisch karakter verliest en van
-uit hare speculatieve hoogte op de historische, positieve dogmatiek
-minachtend neerziet. Indien dogmatiek en ethiek afzonderlijk
-behandeld moeten worden, wat om verschillende redenen wenschelijk
-is, maar nog altijd door velen ontraden wordt, als Sartorius,
-Nitzsch, Beck, A. Dorner, Ueber das Verhältniss der Dogm. u.
-Ethik in der Theol. Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1889; Hofmann,
-Schriftbeweis I 14; Wendt, Die Aufgabe der System. Theol. 1894
-S. 12 f., dan kan de onderscheiding tusschen beide alleen hierin
-gelegen zijn, dat de mensch, hoezeer ten allen tijde van God volstrekt
-afhankelijk, toch ook een vrij en zelfstandig handelend
-wezen is. Door de genade des H. Geestes wedergeboren en vernieuwd,
-ontvangt de zondige mensch ook wederom lust en kracht,
-om naar Gods geboden te leven. De dogmatiek beschrijft de
-daden Gods voor en aan en in den mensch, de ethiek beschrijft
-de daden, die de vernieuwde mensch nu doet op grond en in de
-kracht van die daden Gods. In de dogmatiek is de mensch
-passief, ontvangt en gelooft; in de ethiek treedt hij zelf handelend
-op. In de dogmatiek komen de articuli fidei, in de ethiek
-de praecepta decalogi in behandeling. Daar wordt gehandeld de
-fide, hier de caritate, obedientia, bonis operibus. De dogmatiek
-ontwikkelt wat God is en doet voor den mensch en doet hem
-God kennen als zijn Schepper, Verlosser, Heiligmaker; de ethiek
-zet uiteen wat de mensch nu is en doet voor God, hoe de mensch
-geheel en al, met verstand en wil en alle krachten, zich Gode
-wijdt uit dankbaarheid en liefde. De dogmatiek is het systeem
-der kennisse Gods, de ethiek dat van den dienst Gods. Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. III 14.; H. Schultz, Grundriss der ev. Dogm.
-2<sup>te</sup> Aufl. 1892 S. 3; Wendt, t. a. p. 17. Beide wetenschappen
-<span class="pagenum" id="Page_14">[14]</span>
-zijn niet zelfstandig tegenover elkaar, maar vormen saâm één
-systeem, zijn bij elkander behoorende leden van één organisme,
-Wendt, ib. 19.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;3. <span class="smcap">Methode der Dogmatiek.</span></h3>
-
-<p>1. Onder methode der dogmatiek is in ruimen zin te verstaan
-de wijze, waarop de dogmatische stof verkregen en behandeld
-wordt. Drie zaken komen daarbij in aanmerking: de Schrift, de
-belijdenis der kerk en het persoonlijk geloof van den dogmaticus.
-Al naar gelang deze drie verwaarloosd of gebruikt en dan in
-verhouding tot elkander gesteld worden, verschilt het uitgangspunt
-en daarom de weg en de uitkomst der dogmatiek. Feitelijk
-gaat het nu altijd zoo toe, dat ieder Christen, ook de dogmaticus,
-zijne geloofsovertuigingen ontvangt uit den kring, waarin
-hij geboren en opgevoed is. Door prediking wordt de kerk gesticht
-en overgeplant van geslacht tot geslacht. Het geloof is
-uit het gehoor. De traditie, door Rome onfeilbaar verklaard,
-is ook door de Reformatie niet ten eenenmale verworpen en spoedig
-daarna tot eene macht geworden, die alle vrijheid aan banden
-legde. Men ontving de dogmatische stof uit de handen der kerk
-en der school. Materia theologiae proprie sunt loci communes,
-materia remota est S. Scriptura, zeggen Alsted en Alting, Schweizer,
-Glaub. der ev. ref. K. I 210. En na de reactie der zoogenaamde
-Theologia Biblica is in deze eeuw het sociaal element
-in de religie, het kerkelijk karakter der dogmatiek weer van verschillende
-zijde in het helderst licht gesteld. Er is schier niemand,
-die de confessioneele bepaaldheid van religie en dogmatiek
-ontkent, Schleiermacher, Glaub. §&nbsp;19; Rothe, Zur Dogm.
-S. 27; Lange, Dogm. I 659 f.; Herzog<sup>2</sup> 12, 651 f. e. a. Hier
-te lande legden de Groninger Godgeleerden weer op de kerk den
-nadruk, H. de Groot, De Gron. Godg. 68, 71-74, 97 v. Instit.
-theol. nat. §&nbsp;37; Voorlez. over de gesch. der opvoeding des
-menschdoms door God, II. 16<sup>de</sup> en 17<sup>de</sup> voorl. En zelfs moderne
-theologen sluiten gewoonlijk in de behandeling der geloofsleer bij
-het kerkelijk dogma zich aan. Biedermann, Chr. Dogm. 2<sup>te</sup> Aufl.
-II. 170 f.; Lipsius, Dogm. §&nbsp;7; Scholten, Leer der Herv. Kerk.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_15">[15]</span>
-2. Maar de kerk met hare belijdenis kan toch het principium
-der dogmatiek niet zijn. De Grieksche en Roomsche kerk hebben
-de traditie wel voor onfeilbaar verklaard, maar ten allen tijde
-hebben kerken, secten en richtingen, aan wie het christelijk
-karakter niet kon worden ontzegd, van die overlevering een beroep
-gedaan op de H. Schrift. Zelfs is in de Theologia biblica de
-poging beproefd, om zonder de hulp van kerk en belijdenis uit
-de Schrift alleen te komen tot eene leer des geloofs. Ze werd
-reeds voorbereid door Erasmus, Joh. Jansen, Gesch. des deutschen
-Volkes II. 15, de Socinianen, Herzog<sup>2</sup> 14, 389, en de Remonstranten,
-in de praefatie voor de apologie hunner confessie. Ze
-vond steun bij de vele secten, die daarna in en naast de kerken
-der Hervorming optraden. Ze werd in de kerken zelve ingeleid
-door Calixtus en Coccejus, en won in de 18<sup>de</sup> eeuw hoe langer
-hoe meer veld. Hare bedoeling wordt kenbaar b.v. uit de werken
-van A. F. Büsching, Epitome Theol. Christ. e solis S. S.
-verbis concinnatae et ab omnibus rebus et verbis scholasticis
-purgatae, Gott. 1755. Gedanken von der Beschaffenheid und dem
-Vorzüge der bibl. dogm. Theologie vor der scholastischen 1758.
-Nog in deze eeuw wordt zulk eene Bijbelsche richting in de dogmatiek
-voorgestaan door Beck en zijne volgelingen, door Doedes,
-Leer der zaligheid, 2<sup>de</sup> dr. 1876, en ook door Ritschl en zijne
-school, die van de door de Grieksche philosophie verbasterde
-dogmatiek terugkeert tot de openbaring Gods in den persoon van
-Christus.</p>
-
-<p class="sep2">3. Maar ook daarmêe is de mogelijkheid van conflict tusschen
-de leer der Schrift en de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus
-nog niet weggenomen. Zoolang de waarheid objectief
-voor den dogmaticus in de Schrift of in de kerkleer is neêrgelegd,
-schijnt aan de persoonlijkheid van den dogmaticus geen
-recht te kunnen wedervaren. Dogmatiek blijft dan eene uiteenzetting
-der leer van Schrift of kerk, maar misschien zonder persoonlijke
-instemming van den dogmaticus. Dat is echter geen
-dogmatiek. Want deze bestaat niet in een historisch referaat,
-maar zet uiteen, wat als waarheid gelden moet, en houdt dus
-in de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus. Sedert de
-autoriteit in zake religie voor velen geheel wegviel en de religio
-subjectiva van de religio objectiva onafhankelijk werd gemaakt,
-<span class="pagenum" id="Page_16">[16]</span>
-is het religieus bewustzijn, het geweten, het gevoel, de rede of
-hoe men het noemen wil, de bron en maatstaf van de godsdienstige
-voorstellingen geworden. Heel de theologie is door en na
-Schleiermacher, zoowel onder de orthodoxen als onder de modernen,
-bewustzijnstheologie. Scholten, Schweizer, Biedermann, Lipsius
-mogen nog bij de behandeling der dogmata van de kerkelijke
-formuleering uitgaan, zij geven toch ten slotte niets anders dan
-hun persoonlijk geloof. En ook theologen als Martensen, Dorner,
-Hofmann, Philippi, Frank e. a., nemen hun uitgangspunt in het
-bewustzijn van den geloovige. Hier te lande nam Van Oosterzee,
-Dogm. §&nbsp;10, het christelijk bewustzijn op onder de bronnen der
-dogmatiek. Des Amorie van der Hoeven Jr. dichtte in Geloof
-des harten: het onuitspreeklijk woord staat in ons hart te lezen,
-en Christus gaf er klanken aan. Beets, Dichtwerken IV 130 zong:
-Gansch objectief te zijn, is de eisch, is menschlijk. Maar zou
-het mooglijk zijn? Och, paai u met geen schijn! De stelsels
-zijn persoonlijk of onmenschlijk. En prof. Van Manen wees, in
-zijne inaugureele oratie te Groningen, op het persoonlijk karakter
-der leerstellige Godgeleerdheid, Gron. 1884. Uit dat persoonlijk
-karakter der dogmatiek verklaart Doedes, Encycl. bl. 168 v. de
-grenzelooze verwarring, die er op haar gebied heerscht.</p>
-
-<p class="sep2">4. Reeds dit overzicht van de drie dogmatische richtingen
-maakt het duidelijk, dat geen der drie de andere ontberen kan.
-Elk wordt op zichzelve genomen eenzijdig en vervalt tot dwaling.
-De kritische richting, die belijdenis en Schrift als kenbron verwerpt
-en alle religieuse waarheid uit het subject afleiden wil,
-is allereerst al met de ervaring in strijd. Ook religieus zijn we
-producten van onze omgeving. Wij ontvangen onze godsdienstige
-voorstellingen en indrukken van degenen, die ons verzorgen en
-opvoeden, en blijven ten allen tijde gebonden aan den kring,
-waarin wij leven. Eene goede psychologie toont aan, dat verstand
-en hart, rede en geweten, gevoel en verbeelding op geen
-enkel terrein als kenbron der waarheid kunnen gelden. Evenals
-wij physisch aan de natuur gebonden zijn en spijze en drank,
-deksel en kleeding van haar ontvangen moeten, zoo zijn we ook
-psychisch, in kunst, wetenschap, godsdienst, zedelijkheid afhankelijk
-van de wereld buiten ons. Al onze kennis komt van buiten;
-er zijn geen ideae innatae. Vooral het gevoel kan als kenbron
-<span class="pagenum" id="Page_17">[17]</span>
-niet in aanmerking komen, want het gevoel is nooit een prius,
-maar altijd een posterius; het reageert alleen op hetgeen het
-aandoet en geeft dan een gewaarwording van lust of onlust, van
-aangenaam of onaangenaam, Tholuck, art. Gefühl in Herzog<sup>2</sup>;
-Bender, Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 S. 659 f.; Philippi,
-Kirchl. Glaub. I 60 f.; Hodge, System. Theol. I 65 f.; Hoekstra,
-Godg. Bijdr. 1864 bl. 1-43. Id. Wijsgeerige Godsdienstleer,
-Amst. 1894 bl. 59 v. 213 v. Het autonoom verklaren van
-den godsdienstigen en zedelijken mensch hangt altijd met het
-deïsme of het pantheïsme saâm. Het deïsme maakt den mensch
-onafhankelijk van God en wereld, leert de algenoegzaamheid zijner
-rede en leidt tot rationalisme; het pantheïsme laat God in den
-mensch tot openbaring en zelfbewustzijn komen en kweekt het
-mysticisme. Beide vernietigen de objectieve waarheid, laten rede
-en gevoel, verstand en hart aan zichzelve over, en eindigen in
-ongeloof of bijgeloof. De rede critiseert alle openbaring weg,
-en het gevoel geeft aan den Roomsche evenveel recht, om zich
-Maria voor te stellen als de zondelooze koningin des hemels als
-aan den Protestant om dit geloof te bestrijden, Schweizer, Glaub.
-der ev. ref. K. I 94. Opmerkelijk is het daarom, dat de H.
-Schrift den mensch nooit naar zichzelf als kenbron en maatstaf
-der godsdienstige waarheid verwijst. Hoe zou zij het ook kunnen,
-waar zij den psychischen mensch geheel en al, in zijn verstand
-Ps. 14:3; Rom. 1:21-23; Rom. 8:7; 1 Cor. 1:23,
-2:14; 2 Cor. 3:5; Ef. 4:23; Gal. 1:6, 7; 1 Tim. 6:5;
-2 Tim. 3:8; in zijn hart Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; Ezech.
-36:26; Mark. 7:21; in zijn wil Joh. 8:34; Rom. 7:14;
-8:7; Ef. 2:3; en ook in zijn geweten Jer. 17:9; 1 Cor. 8:7,
-10, 12; 10:28; 1 Tim. 4:2; Tit. 1:15 als door de zonde
-verduisterd en verdorven beschrijft. Voor de kennis der waarheid
-verwijst ze hem altijd naar de objectieve openbaring, naar
-het woord, de onderwijzing, die van God is uitgegaan, Deut.
-4:1; Jes. 8:20; Joh. 5:39; 2 Tim. 3:15; 2 Petr. 1:19
-enz. En ook, waar de objectieve waarheid door het geloof ons
-persoonlijk eigendom wordt, is dat geloof toch nooit gelijk aan
-eene fontein, die het levende water uit zichzelve voortbrengt, maar
-aan een kanaal, dat het water van elders ons toevoert.</p>
-
-<p class="sep2">5. Rome heeft deze onmogelijkheid eener religieuse en zedelijke
-<span class="pagenum" id="Page_18">[18]</span>
-autonomie uitnemend begrepen en daarom den mensch op
-straffe van de zaligheid zijner ziel gebonden aan de onfeilbare
-kerk. Deze, en dus ter laatste instantie de onfeilbare Paus, is
-voor den roomschen Christen het principium van zijn geloof. Het
-Papa dixit is het einde aller tegenspraak. Maar de historie leert,
-dat deze theoretische of practische onfeilbaarheid der kerk niet
-alleen in Rome, maar ook in de kerken der Hervorming ten allen
-tijde tegenspraak en oppositie heeft ontmoet. Niet de ongeloovige,
-maar de vrome kringen zijn het in de eerste plaats, die
-deze macht der hierarchie als een knellenden band voor de conscientie
-hebben gevoeld. Er is alle eeuwen door niet slechts een
-wetenschappelijke, maatschappelijke, staatkundige, maar ook eene
-innig godsdienstige en zedelijke oppositie tegen de hierarchische
-macht der kerk geweest. Het gaat niet aan, deze oppositie uit
-ongeloof en ongehoorzaamheid te verklaren, en als met opzet de
-religieuse motieven te miskennen, die aan de oppositie der verschillende
-secten en richtingen ten grondslag lagen. Niemand
-durft al deze secten verdoemen, omdat ze tegen de kerk en hare
-traditie in verzet kwamen. Zelfs Rome deinst voor deze gevolgtrekking
-terug. Het extra ecclesiam nulla salus is eene belijdenis,
-die ook aan het sterkste geloof nog te zwaar valt. De wet, die
-we op alle terrein zien heerschen, gaat dan ook in godsdienst en
-zedelijkheid door. Er is eenerzijds een revolutionaire geest, die
-al het historisch gewordene tot den grond toe wil slechten, om
-dan van nieuws aan het bouwen te gaan; maar er is ook een
-valsch conservatisme, dat er behagen in schept om het bestaande
-onaangetast te laten alleen omdat het bestaat en, naar het bekende
-woord van Calvijn, malum bene positum non movere.
-Overal en op alle terrein is er te zijner tijd een zeker radikalisme
-van noode, om het evenwicht te herstellen, de ontwikkeling
-te doen voortgaan, en den stroom van het leven niet te
-laten verzanden. In kunst en wetenschap, in staat en maatschappij
-en zoo ook in godsdienst en zedelijkheid, ontstaat er langzamerhand
-eene sleur, die de rechten der persoonlijkheid, het genie,
-de vinding, de inspiratie, de vrijheid, de conscientie onderdrukt
-en verkracht. Maar dan staat ook altijd te zijner tijd de man
-op, die het onder dien druk niet houden kan, die het juk der
-dienstbaarheid van zich werpt, en die het weder opneemt voor
-de vrijheid van den mensch, voor de vrijheid van den Christen.
-<span class="pagenum" id="Page_19">[19]</span>
-Dat zijn de keerpunten in de geschiedenis. Zoo trad Christus
-zelf eenmaal op tegen de traditie der ouden en keerde tot de wet
-en de profeten terug. En zoo heeft eenmaal de reformatie het
-bestaan, om niet ter wille van eenig wetenschappelijk, sociaal of
-staatkundig belang, maar in naam van den Christenmensch te
-protesteeren tegen Rome’s hierarchie. Zelfs bij de secten en
-richtingen, die later in de Protestantsche kerken opkwamen, is
-menigmaal dat religieus, ethisch motief niet te miskennen. Ook
-de theologia biblica verdedigt een belangrijk stuk der godsdienstige
-waarheid. Als kerk en theologie de rust verkiezen boven
-den strijd, roepen zij zelve de oppositie wakker, die haar herinneren
-aan heur christelijke roeping en taak. Rome kan uitteraard
-zulk eene oppositie nimmer goedkeuren en moet ze reeds van te
-voren veroordeelen. De reformatie is er zelve uit voortgekomen
-en kan aan anderen niet onthouden wat zij voor zich zelve nam.
-En de H. Schrift, hoewel verre van alle revolutionair verzet,
-heeft toch het recht van tegenspraak tegen alle menschelijk, met
-Gods Woord strijdend bevel gewettigd in het koninklijk woord
-van Petrus: πειθαρχειν δει θεῳ μαλλον ἠ ἀνθρωποις, Hd. 5:29.</p>
-
-<p class="sep2">6. Zoo schijnt alleen die methode de ware te zijn, welke door
-de bijbelsche theologen toegepast wordt. Maar ook deze richting
-lijdt aan groote eenzijdigheid. Zij meent geheel onvooringenomen
-tegenover de Schrift te staan en zuiver en objectief haar inhoud
-weer te geven. Maar zij vergeet, dat elk geloovige en ieder
-dogmaticus zijne geloofsovertuigingen allereerst ontvangt uit de
-hand zijner kerk. Hij komt dus nooit van buiten af, zonder
-eenige kennis en vooropgevatte meening tot de Schrift, maar brengt
-van huis uit reeds eene zekere opvatting van den inhoud der
-openbaring mede en beziet dus ook de Schrift met den bril, dien
-de kerk hem voorhoudt. Elk dogmaticus staat, als hij aan den
-arbeid gaat, of hij ’t erkent of niet, in die historische verschijning
-van het Christendom, waarin hij geboren en opgevoed is en
-komt als gereformeerd of luthersch of roomsch Christen tot de
-Schrift. Men kan zich ook hier eenvoudig van zijne omgeving
-niet ontdoen, men is altijd kind van zijn tijd, product van zijne
-omgeving, Toorenenbergen, De Chr. Geloofsleer, bl. 6.; Nitzsch,
-Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S. 8 f. De uitkomst beantwoordt dan ook
-aan deze verwachting; alle dogmatische handboeken, die door de
-<span class="pagenum" id="Page_20">[20]</span>
-bijbelsche richting in ’t licht zijn gegeven, weerspiegelen getrouw
-het persoonlijke en kerkelijke standpunt van den auteur; ze kunnen
-op geen meerdere objectiviteit aanspraak maken dan die van
-de kerkelijke dogmatici. Het zuivere Evangelie, dat Ritschl bijv.
-bij Luther en bij Jezus terugvindt, beantwoordt geheel aan de
-opvatting, die hij er zich zelf van gevormd heeft. Al deze bijbelsche
-richtingen worden dan ook voortdurend door de historie geoordeeld,
-ze doen haar nut voor een tijd en roepen eene vergeten
-waarheid wakker, maar ze veranderen den stroom van het kerkelijk
-leven niet en hebben geen bestand in zich zelve. Gewoonlijk
-komen zij voort uit eene godsdienstige overtuiging, die ook in
-de Schrift zich niet meer vinden kan. Wel beginnen ze steeds
-met van de belijdenis op de Schrift zich te beroepen, maar ze
-gaan straks van de Schrift naar den persoon van Christus terug
-en eindigen er mede om ook zijne autoriteit aan te tasten. En
-altijd toont dan de historie weer, dat het Christendom het relatief
-zuiverst in de confessies der kerken is bewaard. Maar zulk eene
-bijbelsche opvatting is niet alleen practisch onmogelijk, zij is ook
-theoretisch onjuist. De Schrift is geen wetboek, waarvan de
-artikelen maar behoeven nageslagen te worden, om in een bepaald
-geval haar opinie te kennen. Zij is samengesteld uit vele boeken
-van onderscheidene personen, uit zeer verschillende tijden, met
-uiteenloopenden inhoud. Zij is geen abstracte, maar eene organische,
-levende eenheid. Zij bevat nergens eene schets der geloofsleer,
-maar deze moet uit heel het organisme der Schrift
-worden afgeleid. De Schrift is er niet op ingericht, dat wij haar
-napraten, maar dat wij haar als vrije kinderen Gods nadenken
-zullen. Maar dan is ook alle zoogenaamde Voraussetzungslosigkeit
-en objectiviteit onmogelijk. Dan is er zooveel studie en
-nadenken van het subject mee verbonden, dat één persoon daartoe
-ten eenenmale onbekwaam is. Daar zijn eeuwen voor noodig.
-Daar is de kerk voor aangesteld, die de belofte heeft van de
-leiding des Geestes in alle waarheid. Wie van de kerk, d. i.
-van de Christenheid, van de gansche dogmenhistorie zich isoleert,
-verliest de christelijke waarheid. Hij wordt een tak gelijk, die
-van den boom is gescheurd en wegsterft, een lid dat van het
-lichaam is gescheiden en daarom voor den dood is bestemd.
-Alleen in de gemeenschap der heiligen is de lengte en breedte,
-de diepte en hoogte van de liefde van Christus te verstaan, Ef.
-<span class="pagenum" id="Page_21">[21]</span>
-3:18. Daar komt nog bij, dat de voorstanders dezer richting
-vergeten, dat het Christendom universeel is en ingaan kan en
-moet in alle vormen en toestanden. Ze stellen de genade vijandig
-tegenover de natuur en rekenen niet genoeg met de vleeschwording
-des Woords. Want even waarachtig als de Zone Gods
-mensch is geworden, wordt ook de gedachte Gods neêrgelegd in
-de Schrift, vleesch en bloed in het bewustzijn der menschen.
-Dogmatiek is en behoort te zijn, de goddelijke gedachte volkomen
-ingegaan en opgenomen in ons menschelijk bewustzijn, uitgesproken
-vrij en zelfstandig in onze taal, in haar wezen vrucht der
-tijden, in haar vorm van dezen tijd (Da Costa). Daarom is ook
-de tegenstelling onjuist, die er dikwerf gemaakt wordt tusschen
-Bijbelsche Theologie en Dogmatiek, alsof gene den inhoud der
-Schrift, deze dien der kerkelijke dogmata zou weêrgeven. Want
-de dogmatiek bedoelt niets anders dan de gedachten Gods te
-exponeeren, die Hij in de H. Schrift neergelegd heeft, Maresius,
-Syst. Theol. loc. 1. §&nbsp;8. Maar ze doet dat, gelijk behoort, op
-wetenschappelijke manier, in een vorm en naar eene methode,
-gelijk die wetenschappelijk geëischt zijn. In dezen zin hebben de
-Gereformeerden vroeger het recht der zoogenaamde theologia
-scholastica verdedigd. Zij hadden er volstrekt niet op tegen,
-dat de geopenbaarde waarheid ook in eenvoudiger vorm onder
-den naam van theologia positiva, catechetica enz. werd voorgedragen.
-Maar ze bestreden ten sterkste, dat deze beide verschilden
-in inhoud; wat ze onderscheidde, was alleen een verschil
-in vorm en methode. En door dit standpunt in te nemen, hebben
-zij eenerzijds zoo sterk mogelijk de eenheid en den samenhang
-van geloof en theologie, van kerk en school, gehandhaafd,
-maar anderzijds ook het wetenschappelijk karakter der theologie
-hoog gehouden. De gedachten Gods mochten nog zoo hoog en
-wonderbaar zijn, ze waren toch geen aphorismen, maar vormden
-een organische eenheid, een systematisch geheel, dat ook ingedacht
-en in een wetenschappelijken vorm kon weergegeven worden.
-De Schrift zelve spoort tot dezen theologischen arbeid aan, als
-zij niet op het abstracte weten, maar op leer en waarheid, kennis
-en wijsheid allerwege den sterksten nadruk legt.</p>
-
-<p class="sep2">7. Eene goede methode der dogmatiek dient dus met alle drie
-gegevens, met Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging rekening
-<span class="pagenum" id="Page_22">[22]</span>
-te houden. Dan alleen is het mogelijk, om voor grove eenzijdigheden
-te worden bewaard. Toch komt het er dan nog op aan,
-de verhouding te bepalen, waarin deze drie gegevens tot elkaar
-staan. In den regel gaat het zoo, dat we onze godsdienstige
-overtuigingen ontvangen uit onze omgeving. Dat is het geval in
-alle godsdiensten, en ook in het Christendom. Wij worden allen
-als leden eener kerk geboren. Het verbond der genade neemt
-ons op van onze geboorte aan. De beloften Gods in Christus
-gelden niet alleen de geloovigen maar ook hun zaad. In kritische
-tijden, gelijk den onzen, gebeurt het dikwerf, dat er dan later
-eene smartelijke breuke komt tusschen het geloof der kindsheid
-en de persoonlijke overtuiging. Is deze breuke van dien aard,
-dat men wel zijn eigen kerk verlaten moet maar toch bij eene
-andere historisch bestaande kerk zich aansluiten kan, dan is ze
-betrekkelijk spoedig geheeld. Er is dan wel verandering, maar
-geen verlies van de religie zelve, van den Christennaam, van
-de gemeenschap, van de belijdenis. Er blijft dan nog een dogma,
-dat vaststaat en ons steun en troost biedt in het leven. Op dit
-standpunt blijft er dus ook nog eene dogmatiek mogelijk, die
-de waarheid Gods beschrijft, gelijk ze in eene bepaalde kerk
-erkenning vond. Maar dikwerf grijpt de twijfel veel dieper in het
-religieuse leven in. Velen verliezen alle geloof en komen tot
-skepticisme en agnosticisme; hier is er van dogmatiek, van geloof,
-van belijdenis, van gemeenschap geen sprake meer; loutere
-negatie is tot het stichten van gemeenschap onbekwaam. Anderen
-echter, het geloof der kindsheid niet meer kunnende handhaven,
-trachten onder ernstige inspanning en strijd zich een eigen godsdienstige
-overtuiging te verwerven. Ook hierbij laat natuurlijk
-de invloed der omgeving zich gelden; geheel zelfstandig komt
-men tot eene godsdienstige overtuiging nooit. Alleen is er daarbij
-dan dit verschil, dat hetgeen in eene kerk niet meer gevonden
-werd, nu gezocht wordt in eene wijsgeerige school. Iedere wijsbegeerte
-is in deze eeuw beurtelings aangegrepen, om zekere
-godsdienstige overtuigingen te wekken en te handhaven. Ook op
-dit standpunt is er van dogmatiek geen sprake meer. Er is alleen
-nog een godsdienstig geloof, eene Glaubenslehre, een wijsbegeerte
-van den godsdienst, eene wijsgeerige godsdienstleer.</p>
-
-<p>Dogmatiek is er dus alleen mogelijk voor hem, die in gemeenschap
-des geloofs staat met eene of andere christelijke kerk.
-<span class="pagenum" id="Page_23">[23]</span>
-Dit ligt ook in den aard van het godsdienstig geloof. Religieuse
-voorstellingen zijn van wetenschappelijke o. a. daarin onderscheiden,
-dat ze niet steunen op eigen inzicht, op het gezag van
-eenig mensch, maar alleen op het gezag Gods. Maar dit sluit
-in, dat ze ook in een godsdienstigen kring, d. i. in eene kerk
-geloof en erkenning hebben gevonden. Daarin wordt alleen het
-religieus gezag van eene godsdienstige voorstelling kenbaar. Eene
-kerk gelooft hare belijdenis niet, wijl ze de waarheid ervan
-wetenschappelijk inziet, maar enkel en alleen op grond van het
-Woord Gods, hetzij dit alleen in de Schrift of ook door kerkelijke
-organen zich uit. Wie zijne godsdienstige overtuiging zoekt
-bij eene wijsgeerige school, verwart godsdienst met wetenschap
-en ontvangt niets dan eene altijd onzekere, door velen bestredene,
-sententia of opinio doctoris. Het godsdienstig geloof echter is
-krachtens zijn eigen natuur aan eene gemeenschap en aan hare
-belijdenis verbonden. Ook hier is het als overal elders. Abstracties,
-universalia zijn er in de werkelijkheid niet. <i>De</i> boom, <i>de</i>
-mensch, <i>de</i> wetenschap, <i>de</i> taal, <i>de</i> godsdienst, <i>de</i> theologie zijn
-nergens te vinden. Er zijn alleen bijzondere boomen, menschen,
-wetenschappen, talen en godsdiensten; zooals eene taal samenhangt
-met een volk, zooals wetenschap en wijsbegeerte altijd in
-eene zekere richting en school beoefend worden, zoo is religie
-en theologie alleen te vinden en te kweeken in eene haar verwante
-gemeenschap. Eene kerk is de natuurlijke bodem voor
-religie en theologie. Evenmin als er nu reeds <i>de</i> kerk is, is er ook
-<i>de</i> religie en <i>de</i> theologie. Er zijn slechts verschillende kerken,
-en zoo ook verschillende theologieën. En dit zal duren, tot de
-gemeente in Christus haar vollen wasdom zal hebben bereikt en
-allen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs en der kennis van
-den Zone Gods. Deze eenheid is niet met geweld te grijpen,
-maar kan het best worden bevorderd als elk het geloof zijner
-eigene kerk indenkt, en ’t zuiverst voorstelt. Niet buiten de bestaande
-kerken om, maar door deze heen bereidt Christus zich
-zijne ééne heilige, algemeene gemeente. En niet buiten de verschillende
-kerkelijke dogmata om, maar door deze heen wordt de
-eenheid der kennisse Gods voorbereid en verkregen. Op deze wijze
-zal de dogmaticus ook het best vruchtbaar kunnen werken voor
-de reiniging en de ontwikkeling van het religieuse leven en de leer
-zijner kerk. Aanknooping aan het bestaande is voorwaarde tot
-<span class="pagenum" id="Page_24">[24]</span>
-verbetering in de toekomst. In het nu ligt wat worden zal, Twesten,
-Vorles. über die Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. I 46. Deze beteekenis der
-kerk voor de theologie en dogmatiek is gegrond in het verband,
-dat Christus zelf tusschen beide gelegd heeft. Hij heeft aan Zijne
-kerk den H. Geest beloofd, die haar leiden zou in de waarheid.
-De dogmenhistorie komt hierdoor in een heerlijk licht te staan.
-Zij is de explicatie der Schrift, Lange, Christl. Dogm. I 3;
-Schoeberlein, Princip. und System der Dogm. 26; de uitlegging,
-welke de H. Geest in de kerk van de schatten des Woords gegeven
-heeft. De dogmaticus heeft dus de stof voor zijne dogmatiek
-niet te putten alleen uit de geschreven confessie zijner eigene
-kerk, maar deze in samenhang te beschouwen met heel ’t eigenaardig
-geloof en leven zijner kerk, en deze wederom met de
-geschiedenis der gansche kerk van Christus. Hij staat dus op
-de schouders der voorgeslachten. Hij voelt zich omringd door
-eene wolke van getuigen, en laat zijne getuigenis saamvloeien
-met die stemme veler wateren. Elke dogmatiek behoort mede in te
-stemmen in den lofzang, die door de kerk aller eeuwen Gode
-toegebracht wordt.</p>
-
-<p class="sep2">8. Maar daarmee is de dogmenhistorie en de belijdenis der
-kerk nog niet verheven tot een onfeilbaar gezag. Er is onderscheid
-tusschen den weg, waarlangs de dogmaticus gevormd
-wordt, en het beginsel, waaruit de dogmatiek haar stof ontvangt.
-In iedere wetenschap begint de beoefenaar te leven van de traditie.
-De eerste kennis van zijn vak verkrijgt hij altijd door
-autoriteit. Hij moet eerst de geschiedenis van zijn vak in zich
-opnemen en opklimmen tot de hoogte en den tegenwoordigen
-stand van zijne wetenschap, om daarna zelfstandig aan den arbeid
-te gaan en zich een eigen inzicht in het voorwerp van zijn onderzoek
-te verwerven. Maar niemand zal daarom de traditie, die
-paedagogisch van zoo groot belang was, voor de bron zijner
-wetenschap houden. Niet anders is het met den dogmaticus.
-Paedagogisch gaat de kerk aan de Schrift vooraf. Maar naar
-logische orde is de Schrift het principium unicum van kerk en
-theologie. Bij verschil, waarvan de mogelijkheid op reformatorisch
-standpunt nooit kan worden ontkend, moet kerk en belijdenis
-wijken voor de Schrift.</p>
-
-<p>Niet de kerk maar de Schrift is αὐτοπιστος, judex controversiarum,
-<span class="pagenum" id="Page_25">[25]</span>
-sui ipsius interpres. Niets mag met haar op ééne lijn
-worden gesteld. Kerk, belijdenis, traditie, alles moet naar haar
-zich regelen, aan haar zich onderwerpen. De Remonstranten beschuldigden
-de Gereformeerden wel, dat zij door de belijdenis
-aan het gezag, de genoegzaamheid en de volmaaktheid der H.
-Schrift te kort deden. Maar de Gereformeerden, schoon in deze
-bedeeling der kerk belijdenis noodzakelijk achtende, om het
-Woord Gods te verklaren, de ketterijen te weren en de eenigheid
-des geloofs te onderhouden, bestreden zoo sterk mogelijk dat de
-belijdenis ook maar eenig gezag zou hebben naast de Schrift.
-De Schrift is alleen norma en regula fidei et vitae, de belijdenis
-verdient alleen geloof omdat en in zoover zij met de Schrift
-overeenkomt en blijft, als feilbaar menschenwerk, revisibel en
-examinabel aan de Schrift. De confessie is dus hoogstens norma
-secundaria, non veritatis sed doctrinae in aliqua ecclesia receptae,
-en daarom bindend voor allen, die in gemeenschap met de kerk
-willen leven. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als
-accoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der
-gemeente, maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op
-grond van de Schrift, Voetius, Pol. Eccl. IV 1-74; Turret,
-Theol. El. Loc. 18. cap. 30; Examen van het Ontwerp van Tolerantie,
-8<sup>e</sup> Sam. bl. 59-136; Moor, Comm. in Marckii Comp. VI
-353 s., enz. Alle christelijke kerken zijn één in de belijdenis, dat
-de H. Schrift het principium is der theologie, en de reformatie
-erkende haar eenparig als principium unicum. De Nederl. Confessie
-spreekt dat uit in art. 5, en alle Luthersche en Geref.
-theologen zijn hiermede eenstemmig, Schmid, Dogm. der ev.
-luth. K. §&nbsp;4; Heppe, Dogm. der ev. ref. K. loc. 2. Wel is waar
-wordt in art. 2 der Ned. Conf. beleden, dat God door twee
-middelen gekend wordt, nl. door de natuur en de Schrift, en
-is door alle Geref. theologen de theologia naturalis in haar
-waarheid en waarde gehandhaafd. Maar in den eersten tijd, voordat
-het rationalisme de Geref. theologie had vervalscht, werd
-duidelijk ingezien, dat natuur en Schrift niet onafhankelijk en
-los naast elkander stonden, evenmin als de theologia naturalis
-en revelata. Calvijn nam de theol. naturalis op in het corpus
-der christelijke dogmatiek, en zei dat de Schrift de bril was,
-waarmede de geloovige klaarder God aanschouwde ook in de
-werken der natuur, Instit. I. 6, 1. De theologia naturalis had
-<span class="pagenum" id="Page_26">[26]</span>
-oorspronkelijk volstrekt niet ten doel, om langzamerhand en geleidelijk
-den weg te banen tot de theologia revelata; men nam
-bij haar niet het voorloopige standpunt der rede in, om dan
-door redeneering en bewijs op te klimmen tot het standpunt des
-geloofs. Maar van den aanvang af stond de dogmaticus op den
-grondslag des geloofs, en bezag als Christen, als geloovige nu
-ook de natuur; en dan ontdekte hij, met zijn christelijk oog,
-gewapend met de H. Schrift, ook in de natuur sporen van dien
-God, dien hij door de Schrift, in Christus, als zijn Vader had
-leeren kennen. Subjectief kwam dus in de dogmatiek niet eerst
-de natuurlijke rede en daarna het geloof aan het woord; het
-was altijd de geloovige Christen, die in den catechismus, in de
-confessie, in de dogmatiek zijn geloof uitsprak. En evenzoo stond
-objectief de natuur niet als een zelfstandig en onafhankelijk principium
-naast de H. Schrift, beide een eigen stel van waarheden
-leverend. Maar de natuur werd bezien in het licht der Schrift,
-en de Schrift bevatte niet alleen de in strikten zin geopenbaarde
-waarheid, maar bevatte ook de waarheden, welke de geloovige
-in de natuur ontdekken kan. Zoo erkent Alsted in zijne Praecognita
-Theologiae 1623. p. 115, wel eene theologia naturalis
-in den onwedergeborene maar deze is verward en duister; voor
-den geloovige zijn de principia et conclusiones theologiae naturalis
-in de Schrift klaar en duidelijk herhaald, Hodge, System. Theol.
-I 11. 15; Shedd, Dogm. Theol. I 68.</p>
-
-<p>Ook al is er daarom een kennisse Gods uit de natuur, de
-dogmatiek heeft toch maar een eenig principium externum, n.l.
-de H. Schrift, evenals ook maar een eenig principium internum,
-n.l. de geloovige rede. En nu niet slechts zóó, dat de H. Schrift
-alleen norma zou zijn en geen bron, maar bepaaldelijk in den
-zin van principium theologiae. Er is tusschen vroegere theologen
-en die van den tegenwoordigen tijd een groot onderscheid. Sedert
-Schleiermacher van het object tot het subject terugging, zijn
-eene schare van theologen in de gemeente en hare belijdenis de
-bron der dogmatische waarheid gaan zien. Niet alleen hebben
-ze, en terecht, het confessioneel en kerkelijk karakter der dogmatiek
-erkend en uitgesproken, maar ze hebben ook de belijdenis
-der gemeente tot kenbron gemaakt en de H. Schrift tot norma
-verlaagd, Schleiermacher, Glaub. §&nbsp;19; Rothe, Zur Dogm. 27;
-Schoeberlein 23; Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 12;
-<span class="pagenum" id="Page_27">[27]</span>
-Dr. Van Dijk, Begrip en methode der dogm. 14 v.; Dr. Daubanton,
-Confessie en Dogmatiek 29 v., of ook de belijdenis naast
-de H. Schrift als kenbron geplaatst, Lange, Dogm. II 3; Van Oost
-§&nbsp;9; Von der Goltz, §&nbsp;18; Reiff, I 256. En Dr. Gunning t. a. p.
-31-34 beweerde zelfs, dat de leer van de Schrift als bron in
-plaats van als norma niet gereformeerd, maar eigenlijk remonstrantsch
-was. Maar deze voorstelling berust op eene onjuiste
-opvatting van de verhouding tusschen kerk en Schrift. In den
-eersten tijd van de christelijke gemeente kon er nog sprake zijn
-van eene zuivere traditie, die parallel liep met de geschriften der
-Apostelen. Maar die beide stroomen zijn reeds lang samengevloeid.
-Er is nu geen kennis van de christelijke waarheid meer,
-dan alleen uit de H. Schrift. Ook al voedt het religieuse leven
-in de gemeente zich veel meer uit stichtelijke werken dan uit
-de Schrift, Ritschl, Rechtf. u. Vers. II<sup>2</sup> 12, het zijn toch slechts
-kanalen, waardoor de waarheid der H. Schrift in meer bevattelijken
-vorm den geloovigen toegevoerd wordt. Bovendien, de dogmatiek
-is iets gansch anders dan symboliek. Deze beschrijft en
-verklaart de belijdenis der kerk. Maar de dogmatiek dogmatiseert,
-d. i. zij zet uiteen, wat op godsdienstig gebied niet als waarheid
-geldt, maar als waarheid gelden moet. Zij behoort wel met de
-belijdenis in verband te staan, evenals met de school en de kerk.
-Maar de dogmatiek staat toch zelfstandig naast de confessie, zij
-exponeert de waarheid Gods op eene haar eigene wijze. De Schrift
-is aan de kerk, maar ook aan de school, aan de wetenschap gegeven;
-en beide lezen en onderzoeken, verklaren en beschrijven
-haar inhoud. Confessie en dogmatiek werken daarbij op elkander
-in; de confessie is op haar beurt evenzeer afhankelijk van de
-dogmatiek, als deze van gene. Dogmata zijn niet door de kerk
-voortgebracht, maar zijn vrucht der theologie. Eerst waren er
-de Apologeten, toen kwam Nicea. Eerst traden de Hervormers
-op en later volgden de Protest. confessies enz., Harnack, Dogmengesch.
-I 10, en mijn artikel Theol. Stud. 1891, bl. 258-275.
-En eindelijk is de leer van de H. Schrift als unicum principium
-theologiae ook alleen zuiver reformatorisch en gereformeerd. De
-Nederl. Conf. leert in art. 2 en 7 uitdrukkelijk, dat de kennis
-van God en zijn dienst alleen uit de Schrift wordt geput en dat
-ze dus wel ter dege bron is en niet alleen norma. Calvijn, Instit.
-I. cap. 6, Melanchton in de praefatie voor zijne Loci en alle
-<span class="pagenum" id="Page_28">[28]</span>
-dogmatici verklaren, dat de kennisse Gods alleen klaar en volkomen
-uit de Schrift kan worden verkregen. Iedere dogmatiek
-haast begint met de leer der Schrift als unicum principium theologiae.
-De eigenschappen van de auctoritas, sufficientia, perfectio,
-die de Protestanten tegenover Rome aan de H. Schrift toekenden,
-betoogen datzelfde, Daubanton, Theol. Stud. 1885, bl. 191-210.
-Dat zij daarbij liefst niet van fons, maar van principium spraken,
-verzwakt deze geheel eenige beteekenis van de Schrift voor de
-dogmatiek niet. De naam principium is zelfs boven dien van
-fons te verkiezen. De laatste uitdrukking duidt de relatie tusschen
-Schrift en theologie als eene mechanische aan; en doet het
-voorkomen alsof de dogmata uit de H. Schrift geput konden
-worden als water uit de bron. Maar principium wijst op een
-organisch verband. Dogmata zijn er niet in de Schrift, maar de
-stof ervan ligt in haar vervat. De Schrift bevat de kiemen,
-de zaden waaruit de dogmata onder de onderwijzing des Geestes
-in de kerk opwassen. Dogmatiek is de waarheid der Schrift,
-heengegaan door het denkend bewustzijn van den mensch, en
-weergegeven in wetenschappelijken vorm.</p>
-
-<p class="sep2">9. Daarmede is echter het persoonlijk karakter der leerstellige
-Godgeleerdheid niet te niet gedaan. Dat kan en mag niet, wijl
-dogmatiek niet is een historisch referaat, maar eene aanwijzing
-van wat op religieus gebied als waarheid gelden moet. Dat persoonlijk
-karakter der dogmatiek vloeit echter niet daaruit voort,
-dat alle band aan het object wordt doorgesneden en elk nu maar
-voordraagt wat hij gelieft. Dan toch houdt de dogmatiek op
-eene wetenschap te zijn en is ze niets dan eene private opinie.
-Als de dogmatiek, volgens Prof. Van Manen bl. 23, den waan
-moet laten varen, dat er eene van buiten gegeven, objectieve
-waarheid is, dan is er geen dogmatiek meer. Dan zijn er maar
-subjectieve meeningen, waarvan de eene even goed is als de andere.
-Elke wetenschap, welke op dien naam aanspraak heeft, moet hebben
-een eigen, in de werkelijke wereld bestaand object; onderstelt
-verder, dat dat object kenbaar is; en is dan aan dat object zoo
-streng mogelijk gebonden. Voor de dogmatiek geldt geen andere
-eisch; ook zij moet een eigen voorwerp hebben, dat voorwerp
-moet kenbaar zijn, en aan dat voorwerp is ze volstrekt gebonden.
-Maar de loochening van zulk een eigen, kenbaar object mag nooit
-<span class="pagenum" id="Page_29">[29]</span>
-worden goedgemaakt met een beroep op het persoonlijk karakter
-der leerstellige Godgeleerdheid. Dat is verwarring van twee geheel
-verschillende kwestiën. Van een persoonlijk karakter der
-dogmatiek kan er eerst dan sprake zijn, als vooraf vaststaat, dat
-ze een eigen object heeft.</p>
-
-<p>Immers, elke wetenschap, van natuur, geschiedenis, recht, zede
-enz. heeft een object, dat in de werkelijke wereld aanwezig is.
-Maar daarom draagt iedere wetenschap toch nog wel een persoonlijk
-karakter; de eene zeker minder dan de andere, de wiskunde
-bijv. in veel geringere mate dan de geschiedenis. Maar
-naarmate de wetenschappen minder formeel zijn, en meer nabij het
-centrum liggen, naar die mate neemt de invloed van de persoonlijkheid
-toe. Een mensch kan zich bij de beoefening der wetenschap,
-evenmin als ergens elders, van zichzelven ontdoen; hij
-brengt zijn opvoeding, levensbeschouwing, hart en geweten, sympathieën
-en antipathieën mede, en deze oefenen vanzelf invloed
-op zijn onderzoek en nadenken. Dit nu is op zichzelf niet verkeerd;
-het dualisme, dat den mensch in twee helften deelt en
-bij de beoefening der wetenschappen tot een puur verstand verlaagt,
-is practisch onmogelijk en theoretisch valsch gedacht.
-Eisch is alleen, dat de mensch altijd en overal, ook dan als
-hij de wetenschap beoefent, een goed mensch zij, een mensch
-Gods tot alle goed werk bekwamelijk toegerust. En niet anders
-is het in de dogmatiek; ja hier is dit alles a fortiori het geval.
-Want de dogmatiek heeft het juist te doen met de diepste geloofsovertuigingen
-van den mensch en met het centrum aller
-wetenschap. Hier bovenal is het de eisch, dat de mensch een
-goed mensch zij, dat hij in de rechte verhouding sta tot God,
-wien te kennen het eeuwige leven is.</p>
-
-<p>Daarom is het ook de leer der Schrift, dat de objectieve
-revelatie zich voltooit in de subjectieve illuminatie. De Gereformeerde
-leer van de Schrift staat in het nauwste verband met
-die van het testimonium Spiritus Sancti. Het verbum externum
-blijft niet buiten ons, maar wordt door ’t geloof een verbum
-internum. De H. Geest, die de Schrift gaf, geeft ook getuigenis
-aan die Schrift in het hart der geloovigen. De Schrift zorgt
-zelve voor haar eigen zegepraal in het bewustzijn der gemeente
-van Christus. Daarvoor voelt de geloovige zich met heel zijn
-ziel gebonden aan de Schrift. In haar wordt Hij ingeleid door
-<span class="pagenum" id="Page_30">[30]</span>
-den H. Geest, den Doctor ecclesiae. En al zijn bedoelen is, om
-die gedachten Gods, neergelegd in de Schrift, in zijn bewustzijn
-op te nemen en ze denkend te verstaan. Maar daarbij blijft hij
-mensch, met eigen aanleg, opvoeding, inzicht; het geloof zelf
-ontstaat in ieder mensch niet op dezelfde wijze en is niet in
-allen van dezelfde kracht; de rede verschilt in scherpte, diepte,
-klaarheid van denken; de invloed der zonde blijft nawerken, ook
-in zijn bewustzijn en verstand. En ten gevolge van alle deze
-invloeden blijft de leerstellige Godgeleerdheid een persoonlijk
-karakter dragen. Dat is hier, als in elke wetenschap, het geval.
-Zelfs profeten en apostelen zagen dezelfde waarheid van verschillende
-zijden. De eenigheid des geloofs is nog evenmin als de
-eenheid der kennis bereikt. Maar juist door de verscheidenheid
-heen voert God Zijne gemeente de eenheid te gemoet. Als die
-eenheid des geloofs en der kennis is bereikt, heeft ook de dogmatiek
-haar taak volbracht. Zoo lang echter blijft haar de roeping
-toebetrouwd, om op de erve der wetenschap de gedachten
-te vertolken, die God in de H. Schriftuur voor ons heeft neergelegd.
-Tot deze taak zal de dogmaticus het uitnemendst toegerust
-zijn, als hij in geloofsgemeenschap leeft met de kerk van
-Christus en de Schrift als het eenig en genoegzaam principium
-der kennisse Gods belijdt. De dogmaticus ontvangt dus den
-inhoud van zijn geloof uit de handen der kerk. In paedagogischen
-zin komt hij door de kerk tot de Schrift. Maar daarbij
-mag hij, evenmin als eenig geloovige, blijven staan. Hij heeft
-de roeping, om de dogmata, die hij door de kerk heeft leeren
-kennen, te ontleden tot in hun vezelen toe, en na te gaan, hoe
-ze wortelen in de H. Schrift. Zoo zou zijne taak hierin bestaan,
-dat hij eerst de dogmata objectief overgaf, en daarna herleidde
-tot de H. Schrift; zijne methode ware dan historisch-analytisch.
-Maar al heeft deze methode voor een enkel dogma op zichzelf
-misschien veel aanbevelenswaardig; en al is ze in de dogmatiek
-ook ondergeschikt van waarde; toch heeft ze dit tegen, dat het
-bij haar niet komt tot een wetenschappelijk systeem. De dogmaticus
-doet daarom beter een anderen weg te bewandelen; niet
-van de rivier tot de bron, maar van de bron tot de rivier. Zonder
-te kort te doen aan de waarheid, dat de kerk in paedagogischen
-zin aan de Schrift voorafgaat, kan hij toch in de Schrift zelve
-als het principium theologiae zijne positie nemen, en dan van
-<span class="pagenum" id="Page_31">[31]</span>
-daaruit de dogmata ontwikkelen. Hij reproduceert dan als het
-ware den denkarbeid der kerk; hij laat ons zien, hoe de dogmata
-organisch uit de Schrift zijn uitgegroeid; hoe niet één
-enkele tekst, maar de Schrift in haar geheel de vaste, breede
-bodem is, waarop het dogmatisch gebouw verrezen is. Deze
-synthetische, genetische methode verschaft hem dan in de tweede
-plaats het voordeel, dat hij ook de eenheid en het onderling
-verband der dogmata aanwijzen kan. De verschillende dogmata
-zijn geen geisoleerde stellingen, maar zij vormen een eenheid.
-Er is eigenlijk maar één dogma, dat uit de Schrift is geboren
-en in allerlei bijzondere dogmata zich vertakt en <ins id="cor_3" title="geplitst">gesplitst</ins> heeft.
-De methode van de dogmaticus kan en mag niet anders dan
-systematisch zijn. En eindelijk heeft hij nog de roeping, om in
-deze genetische en systematische ontwikkeling der dogmata ook
-op mogelijke afwijkingen opmerkzaam te maken, mogelijke leemten
-aan te vullen, en alzoo te arbeiden aan de ontwikkeling der
-dogmata in de toekomst. Dat is de kritische taak, waartoe de
-dogmaticus geroepen is, maar die in de systematische bearbeiding
-der dogmatische stof vanzelf reeds opgesloten ligt. Op die wijze
-tracht hij in de dogmatiek eene expositie te geven van de schatten
-der wijsheid en der kennis, welke in Christus verborgen zijn
-en in de Schrift zijn uitgestald.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;4. <span class="smcap">Indeeling der dogmatiek</span>.</h3>
-
-<p>1. Zoodra de dogmatiek opkwam, was er ook eene indeeling
-noodig van de stof welke in haar behandeld werd. Die indeeling
-was in den beginne hoogst eenvoudig. De drie hoofdwerken van
-Clemens Alexandrinus, nl. Cohortatio ad gentes, Paedagogus en
-Stromata zijn wel saam verbonden door de idee der opvoeding
-van het menschelijk geslacht door den Logos, maar bevatten
-toch geen eigenlijke indeeling; en het laatste werk ontwikkelt
-wel de ware philosophie van het Christendom tegenover Heidendom
-en Jodendom, maar Clemens zegt zelf in ’t begin van het
-6<sup>e</sup> en aan ’t slot van het 7<sup>e</sup> boek van dat werk, dat hij daarin
-slechts schreef wat hem voor den zin kwam, en dat men dus
-<span class="pagenum" id="Page_32">[32]</span>
-over het gebrek aan orde zich niet verwonderen moet. Origenes’
-werk περι ἀρχων, de principiis, tracht reeds eenige orde in de
-stof te brengen, en heeft dan ook vier hoofdbegrippen: God,
-wereld, vrijheid, openbaring; het eerste boek handelt over God,
-de Triniteit en de engelen; het tweede over de wereld, den God
-des O. Test., het goede en kwade, de incarnatie en de opstanding;
-het derde over de wilsvrijheid, de verzoekingen en het
-wereldeinde; en het vierde over de H. Schrift, hare ingeving en
-uitlegging. De verschillende loci over God, engel, mensch, Christus,
-enz. komen hier reeds voor den dag, maar nog niet in goede
-orde en juiste begrenzing, en ook nog onvolledig; de leer der
-sacramenten ontbreekt, die over de Schrift komt achteraan, en
-een indeelingsbeginsel is nog niet te ontdekken. Deze indeeling
-van Origenes wordt verbeterd overgenomen door Theodoretus in
-het 5<sup>e</sup> boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη, haereticarum
-fabularum compendium, dat eene schets bevat van het orthodoxe
-geloof. Achtereenvolgens wordt hierin gehandeld over God, wereld,
-engel en mensch, Christus, Schrift en sacrament, opstanding en
-gericht, terwijl er ten slotte eenige ethische capita over virginiteit,
-boete, vasten aan toegevoegd worden. Voorts ligt ditzelfde
-schema ten grondslag aan de Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου
-<ins id="cor_4" title="πιστεας">πιστεως</ins> van Joh. Damascenus. De indeeling in vier boeken is
-eerst in de Middeleeuwen in het werk gebracht, nadat het op
-bevel van Eugenius III door den rechtsgeleerde Johannes Burgundis
-uit Pisa in het latijn was vertaald, en Petrus Lombardus
-in zijne Sententiae met de indeeling in vier boeken was voorgegaan.
-Damascenus begint met de leer van God, Triniteit, eigenschappen
-(boek I), spreekt dan over de wereld, schepping, engelen,
-menschen en de voorzienigheid (boek II), behandelt vervolgens
-den persoon en het werk van Christus (boek III en IV, cap.
-1-9), en eindigt met eenige soteriologische (geloof, doop, enz.),
-ethische (wet, sabbat, enz.) en eschatologische capita (boek IV,
-cap. 10-28).</p>
-
-<p>Daarnaast bood de apostolische geloofsbelijdenis, in aansluiting
-aan de doopsformule, reeds vroeg eene andere indeeling voor de
-dogmatische stof. De Expositio symboli van Rufinus en Augustinus’
-boek de fide et symbolo leverden commentaren daarop, en
-behandelden de hoofdzaken van het christelijk geloof aan de hand
-van het trinitarisch schema, dat aan ’t apostolisch symbool ten
-<span class="pagenum" id="Page_33">[33]</span>
-grondslag lag. Maar Augustinus was niet alleen in deze indeeling
-voor vele lateren ten voorbeeld, maar in zijn Enchiridium ad
-Laurentium behandelt hij heel de dogmatische en ethische stof
-onder de drie christelijke deugden geloof, hoop en liefde; echter
-op zeer ongelijkmatige wijze. Na eene inleiding, cap. 1-8, zet
-Augustinus dat wat geloofd moet worden uiteen van cap. 9
-tot cap. 113, hoofdzakelijk aan de hand van het apostolisch
-symbool, maar wijdt dan slechts drie capita (114-116) aan
-de hoop, waarbij hij ’t gebed des Heeren tot leiddraad neemt,
-en de overige capita 117-122 aan de liefde. Geloof, gebed en
-gebod vormen hier dus het schema der dogmatiek, dat later
-dikwerf, vooral in catechismussen, is overgenomen. Ook Isidorus
-van Sevilla heeft in het eerste boek van zijn Sententiarum sive
-de summo bono libri III, in hoofdzaak deze volgorde van het
-apostolisch symbool en handelt in 30 capita over God, schepping,
-wereld, engelen en menschen, Christus, den H. Geest, de kerk,
-Schrift en sacramenten, opstanding en laatste dingen en behandelt
-dan in het tweede en derde boek uitsluitend ethische stof.</p>
-
-<p class="sep2">2. De indeeling, welke Lombardus in de Middeleeuwen koos,
-herinnert meer aan die van Origenes, Theodoretus en Damascenus.
-Zijne Sententiae zijn in vier boeken verdeeld. Het eerste
-handelt de mysterio trinitatis; het tweede de rerum corporalium
-et spiritualium creatione et formatione: schepping, engelen, het
-hexaemeron, den mensch, den val, de zonde; het derde de
-incarnatione verbi: den persoon en het werk van Christus, het
-geloof, de hoop, de liefde, de 4 hoofddeugden en andere ethische
-onderwerpen; het vierde boek de sacramentis: over 7 sacramenten,
-de opstanding, het gericht, hemel en hel. Er is hier
-reeds merkbare vooruitgang te bespeuren: de onderwerpen zijn
-niet alleen beter gegroepeerd en begrensd, maar het geheel is
-ook in vier deelen gesplitst, elk met een eigen, onderscheiden
-object; de ethische stof is niet als bij Theodoretus aan het slot
-toegevoegd maar in de dogmatiek zelve opgenomen; de sacramenten,
-vroeger slechts even besproken, worden breedvoerig behandeld;
-daarentegen laat de rangschikking veelzins te wenschen
-over en komen verschillende onderwerpen zooals Schrift, kerk,
-en vooral ook de soteriologische bijna in ’t geheel niet ter sprake.
-De meeste Scholastici sloten zich aan dit werk van Lombardus
-<span class="pagenum" id="Page_34">[34]</span>
-aan en schreven er commentaren op. Sommigen brachten in de
-ordening der stof gelukkige verbeteringen aan. Thomas ontwikkelt
-bijv. in den proloog voor zijn commentaar op de Sententiae op
-schoone wijze, dat eerst God, en daarna zijne werken: schepping,
-herstelling en volmaking de onderwerpen der 4 boeken zijn.
-Maar eene eereplaats wordt ook uit formeel oogpunt ingenomen
-door het Breviloquium van Bonaventura. Vooreerst laat Bonaventura
-een prooemium aan zijn werk voorafgaan en geeft daarin
-in 7 paragrafen een schoon overzicht van de leer der Schrift,
-vooral van haar inhoud, dien hij in haar lengte en breedte, diepte
-en hoogte kortelijk ontvouwt. En daarna geeft hij in 7 partes
-ons een schets der geloofswaarheid; pars 1 handelt de trinitate,
-pars 2 de creatura mundi, pars 3 de corruptela peccati, pars 4
-de incarnatione verbi, pars 5 de gratia Spiritus Sancti, pars 6
-de medicina sacramentali, en pars 7 de statu finalis judicii. Hier
-is een vaste, methodische gang, eene volkomene beheersching
-der stof, eene zuivere begrenzing der onderwerpen, en ook een
-met bewustheid gekozen indeelingsbeginsel; want in pars 1 cap. 1
-zegt Bonaventura dat, al behandelt de theologie al die zeven
-onderwerpen, zij toch scientia una is, want God is niet alleen
-rerum primum principium et exemplar effectivum in creatione,
-sed etiam refectivum in redemptione et perfectivum in retributione.
-Geheel anders is de indeeling van Thomas in zijne Summa.
-Dit werk heeft drie partes, de partes zijn verdeeld in quaestiones,
-en deze weer in articuli. Pars I handelt in 119 quaestiones
-over God en zijne schepping, voor en buiten de zonde: God als
-principium en exemplar van alle dingen. Pars II spreekt over
-den mensch als zijn imago, en valt weer in eene prima en secunda
-uiteen; de prima omvat 114 quaestiones, begint met het
-einddoel des menschen, nl. de zaligheid, en ontwikkelt met het
-oog daarop den wil qu. 6-17, de goede en zondige qualiteit
-der menschelijke daden, hartstochten en hebbelijkheden qu. 18-54,
-de deugden in ’t algemeen qu. 55-70, de zonden in haar
-verdeeling, zetel, oorzaak en gevolgen, qu. 71-89, vervolgens
-de uit-en inwendige motieven die den mensch tot het goede
-aansporen, de wet, het evangelie, de genade en de verdienste,
-qu. 90-114. De secunda van dit tweede deel handelt dan in
-189 quaestiones over de zonden en deugden in het bijzonder,
-vooral naar de orde van de drie theologische en de vier cardinale
-<span class="pagenum" id="Page_35">[35]</span>
-deugden. Nadat alzoo het einddoel van den mensch is bepaald
-en zijne deugden en zonden in het licht gesteld zijn, beschrijft
-Pars III den weg, waarlangs wij tot de zaligheid van het onsterfelijk
-leven kunnen komen, dat is, Christus en de sacramenten.
-In 90 quaestiones worden de persoon en het werk van <ins id="cor_5" title="Chtistus">Christus</ins>
-en dan het sacramentsbegrip, de doop, confirmatie, eucharistie
-en poenitentia beschreven. Hier eindigt het werk van Thomas;
-hij liet het bij zijn dood onvoltooid achter. Het supplementum,
-dat er uit zijne andere geschriften aan toegevoegd is, bevat 99
-quaestiones, zet de sacramenten voort, en behandelt in qu. 69-99
-den toestand der zielen na den dood, de opstanding, het
-oordeel, de zaligheid en verdoemenis. Een appendix spreekt in
-3 quaestiones nog over het vagevuur. De indeeling van Thomas
-wijkt van die van Bonaventura niet alleen af, maar staat daarbij
-ook in veel opzichten ten achter. Wel wordt in Pars I qu. 1,
-eene breedvoerige ontwikkeling gegeven van het wezen der theologie,
-maar daartegenover blijft de leer der Schrift geheel onbesproken.
-Voorts springt Thomas bij het begin van het tweede
-deel in eens naar het einddoel van het menschelijk leven over,
-en wordt daardoor gedrongen om dikwerf te anticipeeren op wat
-eerst later behandeld kan worden. De christelijke deugden, het
-evangelie, de wet, de genade, welke Thomas in dit tweede deel
-opneemt, onderstellen den persoon en het werk van Christus.
-De indeeling van Thomas hangt reeds samen met de Roomsche
-leer van de ordo supernaturalis, waartoe de mensch verheven
-moet worden. Nadat het eerste deel over God gehandeld heeft,
-spreekt het tweede deel over den mensch, die als beeld Gods
-voor de gratia supernaturalis is bestemd maar deze niet bereiken
-kan, en het derde wijst dan in den persoon van Christus en de
-sacramenten den weg aan, waarlangs de mensch tot deze zijne
-bestemming geraken kan. God, mensch, Christus zijn dus de onderwerpen
-der drie deelen, Werner, Der h. Thomas v. Aq., Regensburg
-1858 I, 801 f.; Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. V,
-60-70; Kling, Descriptio Summae theol. Th. Aq., Bonn 1846.
-Eindelijk is ook de quaestionarische vorm van behandeling niet
-zonder bedenking, Pierson, Studiën over Joh. Calvijn, I 228 v.
-Thomas stelt elke geloofswaarheid in den vorm van eene kwestie,
-en brengt te berde, al wat er door tegenstanders tegen ingebracht
-is. Met een beroep op eene of andere autoriteit, Schrift, kerkvaders,
-<span class="pagenum" id="Page_36">[36]</span>
-Aristoteles, bewijst hij echter de waarheid van het gevraagde
-en maakt de conclusio op. Deze wordt dan toegelicht en
-eindelijk tegen de ingebrachte bezwaren verdedigd.</p>
-
-<p class="sep2">3. Deze indeelingen werden door de latere Roomsche theologen
-meestal overgenomen, niet alleen in de commentaren, die bijv.
-door vele middeleeuwsche theologen en ook later nog door Estius
-e. a. op de Sententiae van Lombardus of door Suarez, Valentia,
-Vasquez, Billuart, Daelman enz. op de Summa van Thomas
-geleverd werden; maar ook in zelfstandige dogmatische werken.
-Zoo werd de indeeling van Thomas overgenomen door Mart.
-Becanus in zijne theologia scholastica, Mogunt. 1619, de locaalmethode
-van Theodoretus, Damascenus, Lombardus door Petavius,
-Opus de theol. Dogm. Paris 1644. Proleg cap. I §&nbsp;4. Maar de
-scholastiek had nog een anderen invloed op de indeeling der stof.
-Bonaventura had reeds de leer der Schrift in het prooemium
-opgenomen; Thomas behandelde vooraf het wezen der theologie:
-de ontwikkeling der scholastiek leidde tot de onderscheiding van
-articuli mixti en puri, tot de leer van de praeambula fidei en
-motiva credibilitatis. Zoo werd de stof voor de prolegomena hoe
-langer hoe uitgebreider. En toen de Hervorming straks met het
-uitsluitend gezag der Schrift optrad, werd het voor de Roomsche
-theologen noodzakelijk, om ook van de principia der theologie
-zich rekenschap te geven. Melchior Canus vooral in zijne loci
-theologici 1563 ontwikkelde de leer van de loci, d. i. van de
-bronnen der Theologie. Dit werk is geen dogmatiek, maar eene
-topica, in Cicero’s zin (zie boven, <a href="#Page_2">bl. 2</a>). Hij behandelt in 12
-boeken tien bronnen der theologie n.l. Schrift, traditie, Paus,
-concilium, kerk, kerkvaders, scholastici, rede, philosophie en
-historie, waarvan de zeven eersten tot twee, Schrift en traditie,
-zijn te herleiden, en de laatste drie slechts ministerialiter theologisch
-zijn. Op deze wijze is er allengs vóór de eigenlijke
-dogmatiek eene breede inleiding noodzakelijk geworden, die mede
-door de principiëele bestrijding der theologie van den kant der
-philosophie enz. tot eene gansche fundamenteele dogmatiek is
-aangegroeid. De meeste Roomsche dogmatieken behandelen dan
-ook in een eerste deel het wezen of begrip der theologie, de
-praeambula fidei (theol. naturalis), de motiva credibilitatis (religie,
-openbaring, profetie, wonderen, wonderbare verbreiding van het
-<span class="pagenum" id="Page_37">[37]</span>
-christ., martelaren enz.), het geloof, de bronnen (Schrift en
-kerk), theologie en philosophie (geloof en rede), begrip der
-dogmatiek. Zoo bij Klee, Heinrich, Jansen, Scheeben, Liebermann,
-Perrone e. a. Perrone’s werk bijv. handelt vol. I de vera
-religione, en in de beide laatste deelen VIII en IX over de loci
-theologici; deze beide zijn wel later na de eigenlijke dogmatiek
-verschenen, maar behooren naar des schrijvers eigen verklaring,
-vol. VIII, praef., zakelijk op het eerste deel te volgen. In deze
-loci laat Perrone opzettelijk, in onderscheiding van Canus, de
-kerk aan de Schrift voorafgaan. En zoo is de rangschikking bij
-de meeste Roomsche dogmatici van den nieuweren tijd. De kerk
-dringt hoe langer hoe meer op den voorgrond; zij is het principium
-fidei. De gang der dogmatiek is dan gewoonlijk die der
-locaalmethode. Men begint met God, beschouwd in zichzelven
-als eenig en drieëenig; en gaat dan over tot God, beschouwd
-in Zijne relatie tot de schepselen, en wel eerst als Deus Creator,
-dan als Deus Redemptor, daarna als Deus Sanctificator en eindelijk
-als Deus Consummator.</p>
-
-<p class="sep2">4. De dogmatiek bij de Hervormers was van huis uit anti-scholastisch
-en werd eerst voorgedragen in zeer eenvoudigen
-en practischen vorm. Melanchton’s Loci, verschenen in 1521,
-ontstonden uit voorlezingen over Paulus’ brief aan de Romeinen.
-Ze zijn door en door practisch, behandelen alleen anthropologische
-en soteriologische capita, vooral die van zonde en genade, wet
-en evangelie, en laten de objectieve dogmata van God, triniteit,
-schepping, vleeschwording, voldoening geheel onbesproken. Maar
-de uitgave van 1535 werd door Melanchton zeer uitgebreid en
-leidde de secunda aetas der Loci in; ze werd in eene voorrede
-opgedragen aan Hendrik VIII, begon met 5 nieuwe capita over
-God, eenheid, triniteit, schepping en oorzaak der zonde, werd
-in het midden nog met eenige hoofdstukken verrijkt en breidde
-de drie laatste ethische capita uit tot tien hoofdstukken van
-ethischen, ecclesiologischen en eschatologischen inhoud, samen
-39 capita of artikelen. In 1543 gingen de Loci hunne tertia
-aetas in: er kwam eene voorrede bij pio lectori; het aantal loci
-daalt wegens vereenvoudiging van 39 tot 24; maar de inhoud
-is nog belangrijk toegenomen. De laatste door Melanchton zelf
-bezorgde editie is die van 1559. De opeenvolgende uitgaven
-<span class="pagenum" id="Page_38">[38]</span>
-toonen eene steeds grootere toenadering aan de synthetische
-indeeling, die bij God begint en tot zijne werken in natuur en
-genade afdaalt; maar daarbij is opmerkelijk, dat de prolegomena
-geheel ontbreken, dat de christologie te kort komt wijl Christus’
-persoon en werk niet afzonderlijk behandeld worden, dat het
-dogmatische en ethische ten nauwste verbonden blijft en het
-geheel niet met de eschatologische dogmata maar met eenige
-ethische capita wordt besloten, Phil. Melanchtonis Loci Theol.
-ed. Augusti 1821 p. 167 f. Die Loci C. des Ph. M. in ihrer
-Urgestalt nach G. L. Plitt. 2<sup>e</sup> Aufl. von Dr. Th. Kolde, Erlangen.
-Deichert 1890. Herzog<sup>2</sup> 9, 503 f. Zöckler Handb. der
-Theol. Wiss. II 622 f. en de uitgave der Loci in het Corpus
-Reformatorum.</p>
-
-<p>Zwingli’s Commentarius de vera et falsa religione, Opera ed.
-Schuler et Schulthess III 153 en zijne Fidei Christianae Expositio
-ib. IV 45, behandelen ook wel eenige dogmatische loci, maar
-werden spoedig in de schaduw gesteld door Calvijns Christianae
-Religionis Institutio. De eerste editie verscheen in ’t latijn te
-Bazel in Maart 1536 en bevatte eene praefatie van Aug. 1535
-aan Frans I, en daarna zes hoofdstukken over de wet, het geloof,
-het gebed, de sacramenten, de roomsche sacramenten en de vrijheid.
-Ze werd driemalen uitgebreid in 1539, 1543 en 1559.
-De laatste editie was ongeveer vijfmaal grooter dan de eerste,
-en bevatte wel vermeerdering en uitbreiding, maar geen verandering.
-Melanchton was in de latere uitgaven synergistisch en
-krypto-calvinistisch geworden; Calvijn bleef dezelfde. Melanchton’s
-Loci werden meer synthetisch in den vorm, maar bleven het
-karakter van eene reeks van loci behouden; Calvijns Institutie
-kreeg meer en meer een systematischen vorm. De editie van
-1559 bevat vier boeken, over de kennis van God als Schepper,
-als Verlosser, als Heiligmaker en een laatste boek over de uitwendige
-genademiddelen. De indeeling is dus niet zuiver trinitarisch
-maar is ontleend aan de apostol. geloofsbelijdenis; vandaar
-dat een vierde deel achteraan komt, handelend voornamelijk
-over kerk en sacramenten. Het eerste boek geeft veel meer dan
-de titel belooft, behandelt ook de bronnen der Godskennis en de
-leer der triniteit. Kosmologie en anthropologie worden over het
-eerste en tweede boek verdeeld. Het derde boek bevat behalve
-soteriologische ook vele ethische hoofdstukken, benevens de leer
-<span class="pagenum" id="Page_39">[39]</span>
-der verkiezing en der opstanding. Het uitgangspunt van de Institutie
-is theologisch, maar Calvijn gaat niet uit van een abstract
-Godsbegrip, maar van God gelijk hij door den mensch uit natuur
-en Schrift gekend wordt, Köstlin, Calvins Instit. nach Form
-und Inhalt in ihrer geschichl. Entw. Stud. u. Kr. 1861 S. 7-62,
-410-486. Godgel. Bijdr. 1868 bl. 861 v. 1869 bl. 483 v.
-Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 99 v. Pierson, Studien over J.
-Kalvijn I 127 v. en de uitgave in het Corpus Reform.</p>
-
-<p class="sep2">5. Luthersche en Gereformeerde theologen hebben deze synthetische
-indeeling van Melanchton en Calvijn in het eerst schier
-algemeen nagevolgd. Ze werd om verschillende redenen voor de
-beste gehouden. Met alleen Gereformeerden zooals Hyperius,
-Methodus Theol. 1574 p. 11-16, Alsted Theol. schol. didact,
-in de praefatio, Ursinus, Opera, Heidelb. 1612 I 417, H. Alting,
-Oratio inauguralis de methodo loc. comm. Heidelb. 1613, Leydecker,
-de Verit. Rel. Christ. 1690 p. 77; maar ook Lutherschen,
-zooals Flacius, Clavis Scripturae Sacrae, vol. II, tract. I p. 54,
-Declaratio tabulae trium methodorum theologiae, bij Gass, Gesch.
-der prot. Dogm. I 46 hebben aan de synthetische methode de
-voorkeur gegeven, wijl daarin gelijk Hyperius zegt, a primis
-principiis per formas ac differentias ad finem usque fit progressus.
-Deze indeeling werd daarom geprefereerd, omdat zij dienzelfden
-historischen gang volgde, welken God in Zijne openbaring had
-voorgeteekend; omdat zij de minste aanleiding bood voor apriorische
-speculatie en het positief karakter der theologie het best
-bewaarde; en omdat zij analoog was aan de methode in de
-andere wetenschappen, die ook met de eenvoudigste elementen
-of principia beginnen en dan tot het samengestelde voortschrijden.
-Deze indeeling bleef dan ook in de Luthersche kerk de heerschende
-tot op Calixtus toe; men vindt ze in hoofdzaak bij
-Strigel, Selneccer, Heerbrand, Chemniz, Hutter, Gerhard, enz.
-In de Geref. theologie wordt ze gevolgd tot op Coccejus toe,
-door Sohnius, Musculus, Hyperius, Ursinus, Martyr, Wollebius,
-Polanus, Amesius, enz. Maar toch wordt ze in sommige punten
-belangrijk gewijzigd. Reeds spoedig werd aan de eigenlijke dogmatiek
-eene inleiding voorgevoegd, waarin het begrip der theologie,
-de leer der Schrift, eene enkele maal ook, bijv. bij Amesius en
-Maestricht, het wezen des geloofs werd behandeld. De dogmatiek
-<span class="pagenum" id="Page_40">[40]</span>
-werd dus in twee deelen ingedeeld, de principiis theologiae en
-de articulis fidei, Polanus, Syntagma Theol. p. 133. In het
-corpus zelf kwam betere onderscheiding en begrenzing, en ook
-meer systematische ordening der loci: de verkiezing, door Calvijn
-in het derde boek behandeld, kwam naar voren in de leer der
-besluiten, de leer van wereld, mensch, Christus, enz. kregen
-ieder eene eigene plaats; het slot der dogmatiek werd niet in
-beslag genomen door eenige ethische capita, maar door de consummatio
-seculi; de ethische stof werd of in de soteriologie ter
-sprake gebracht of ook wel in een tweede deel, de operibus, in
-onderscheiding van het eerste de fide, behandeld, of met Danaeus
-en Calixtus geheel van de dogmatiek gescheiden. De behandeling
-der afzonderlijke loci werd in de 17<sup>e</sup> eeuw hoe langer zoo scholastischer;
-de samenhang met het leven des geloofs werd hoe
-langer hoe minder gevoeld.</p>
-
-<p class="sep2">6. De reactie tegen deze scholastiek kon op den duur niet
-uitblijven. Zij begon in de Luth. kerk met Calixtus, in de Geref.
-met Coccejus. Calixtus vatte de theologie als eene practische
-wetenschap op en volgde in zijn Epitome theologiae 1619 de
-analytische indeeling. Nieuw was deze in zooverre niet, als ook
-Thomas na de leer van God in het tweede deel tot de bestemming
-van den mensch overgaat en in het derde deel den weg
-beschrijft, die in Christus daarheen leidt. Maar Calixtus begint
-in eens met het doel, de bestemming van den mensch. Deel I
-handelt de fine, d. i. de immortalitate animae, resurrectione et
-extremo judicio. Deel II spreekt de subjecto, d. i. over God,
-engel, mensch, zonde. Deel III handelt de mediis, d. i. over
-praedestinatie, incarnatie, Christus, rechtvaardiging, woord, sacrament,
-enz. Deze drie deelen vormen de pars communis, welke
-allen geloovigen aangaat; maar daarop volgt nog een pars propria,
-dat vooral over de kerk handelt en inzonderheid voor de
-ambtsdragers van belang is. Al was er nu veel goeds in, om
-tegenover de scholastische behandeling der theologie op haar
-practisch karakter den nadruk te leggen, toch wordt deze indeeling
-door vele bezwaren gedrukt. Afgedacht daarvan, dat de in de
-pars propria behandelde leer van de kerk eene waarheid geldt,
-voor alle geloovigen van belang; het maakt een vreemden indruk,
-dat de dogmatiek met het einde, de onsterfelijkheid, enz. begint;
-<span class="pagenum" id="Page_41">[41]</span>
-het tweede deel moet handelen van het subject der theologie,
-den mensch, maar bevat ook heel de leer over God; het derde
-deel beantwoordt nog het best aan zijn titel, maar doet de soterologie
-bij de soteriologie te kort komen, Gass, Gesch. der prot.
-Dogm. I, 304 f. Toch werd deze analytische methode door de
-latere Luthersche theologen, Calovius, Quenstedt, König, Baier,
-Scherzer nagevolgd. En ook onder de Gereformeerden vond ze
-ingang. Barth. Keckermann te Dantzig had reeds vóór Calixtus
-in 1603 een systema S. Theologiae het licht doen zien, waarin
-hij met beroep op Ursinus in zijne Catechesis de theologie omschrijft
-niet als eene scientia contemplatrix maar als eene disciplina
-operatrix, of nog beter als eene prudentia religiosa ad
-salutem perveniendi, cap. 1. Daarom kiest hij met beslistheid
-de analytische methode, want de synthetische methode is eigen
-aan de wetenschappen, maar de analytische past aan de disciplinae
-operatrices. En zoo verdeelt hij dan zijne theologie in
-drie deelen. In het eerste deel handelt hij over de principia der
-theologie, nl. God, het principium essendi, en zijn Woord, het
-principium cognoscendi. Uit deze beide worden alleen het doel
-en de daartoe leidende middelen ons bekend. In het tweede deel
-zegt hij dan met een enkel woord dat het doel der Theologie
-is vita, salus aeterna, gelijk ook Ursinus in zijn catechismus
-vraag 1 dit voorop stelt. De middelen, om dit doel te bereiken,
-zijn tweeërlei: kennis van onze ellende, en verlossing uit die
-ellende, lib. II, cap. 1. Boek II handelt dus over den mensch
-en zijne zonde, en Boek III over de media salutis, verkiezing,
-Christus, kerk, rechtvaardiging, sacramenten. Opmerkelijk is nog,
-dat Keckermann met voorliefde de theologie met de medische
-wetenschap vergelijkt en zelfs de namen aan haar ontleent voor de
-verschillende deelen van zijne theologie. Bonaventura Brevil. Pars
-I, cap. 1, had dit reeds vóór hem gedaan. Hem en anderen
-navolgend, spreekt Keckermann van eene pars pathologica, therapeutica,
-diaetetica der theologie, p. 214, 295, cf. Kuyper,
-Encycl. I, 40.</p>
-
-<p>Evenzoo werd door Coccejus het theologische met het anthropologische
-standpunt verwisseld. Het nieuwe in zijn Systema
-doctrinae de foedere et testamento Dei 1648 bestond niet in het
-verbondsbegrip als zoodanig, dat al bij Zwingli en Calvijn voorkomt
-en door Bullinger, Olevianus, Cloppenburg ontwikkeld was.
-<span class="pagenum" id="Page_42">[42]</span>
-Maar het lag hierin, dat Coccejus voor het eerst heel de dogmatische
-stof van uit dit begrip indeelde, en daarmee bedoelde
-eene meer bijbelsch-theologische, anti-scholastische dogmatiek te
-geven; voorts dat hij in de rangschikking der stof de historische
-orde van de bedeelingen des verbonds volgde, deze bedeelingen
-zóó scherp onderscheidde, dat haar eenheid te loor ging en
-slechts door willekeurige typische exegese bewaard kon worden;
-en eindelijk, dat hij heel de geschiedenis van het genadeverbond
-van het begin tot het einde beschouwt als eene afschaffing van
-het werkverbond; zonde, Christus, Nieuw Verbond, lichamelijke
-dood en opstanding zijn de vijf keerpunten, waardoor successief
-het werkverbond van al zijne kracht en werking wordt beroofd,
-cap. III §&nbsp;68. Deze indeeling wordt door vele bezwaren gedrukt;
-ze neemt haar standpunt niet theologisch in God, maar
-in het verbond van God en mensch en kan dus de leer over God
-en mensch niet anders dan vooraf in eene inleiding, bij wijze van
-onderstelling, behandelen; ze wischt door haar historischen gang
-de grens uit tusschen de geschiedenis der openbaring en de dogmatiek
-en ondermijnt daardoor de laatste; ze valt in veelvuldige
-herhalingen en komt er vanzelf toe, om eenerzijds de analogieën
-en anderzijds de onderscheidingen in de verschillende bedeelingen
-van het verbond te overdrijven. Toch vond ze bij velen navolging,
-o. a. bij Momma, Heydanus, Vitringa, Braun, Witsius, en ook
-bij Lutheranen, zooals W. Jäger, 1702. En zelfs Leydecker, een
-volgeling van Voetius en bestrijder van Coccejus, trachtte de
-trinitarische indeeling met de foederalistische op die wijze te
-verbinden, dat de opeenvolgende huishoudingen der genade in
-verband werden gebracht met de drie personen en de drieërlei
-werkzaamheid in de triniteit, Schweizer, Gl. der ev. ref. k. I 115 f.</p>
-
-<p class="sep2">7. Maar nog grooter verandering kwam er in den vorm der
-dogmatiek door den invloed der wijsbegeerte. Vooral hierin komt
-dit uit, dat de eigenlijke materieele dogmatiek hoe langer hoe
-armer wordt, en de pars formalis aan omvang en uitgebreidheid
-steeds wint. Tot dusver was het gansch anders; de prolegomena
-ontbraken geheel, of waren klein van omvang en handelden
-hoogstens over theologie en Schrift; alle kracht werd gewijd
-aan de uitwerking en verdediging der bijzondere dogmata. Het
-fundament lag zoo vast, dat het heel niet werd onderzocht; alle
-<span class="pagenum" id="Page_43">[43]</span>
-arbeid werd besteed aan het gebouw, dat op dien grondslag werd
-opgetrokken. Dit veranderde door de philosophie, door de rechten
-die de rede allengs tegenover de openbaring zich aanmatigde.
-Zij was niet langer tevreden met de bescheiden rol van dienaresse,
-en verlangde eene stem in het kapittel. In de pars materialis
-had dit ten gevolge, dat alle scholastieke bewerking der dogmata
-zooveel mogelijk werd vermeden; men gaat van de belijdenis
-tot de Schrift terug en huldigt de historische, bijbelsche methode;
-de dogmata worden vereenvoudigd en afgesleten en verliezen het
-kenmerkende; alle dieper indenken van de dogmata wordt gebannen;
-de eenvoud wordt oppervlakkigheid. Maar nog grooter
-was de invloed op het formeele deel der dogmatiek. Men verliet
-hier het reformatorische uitgangspunt des geloofs en keerde tot
-dat van de Roomsche theologie terug. Vooreerst meende men,
-dat de menschelijke rede, ook buiten het geloof, al de waarheden
-der theol. naturalis uit zichzelve kon voortbrengen; de
-theol. naturalis ging als praeambula fidei aan de theol. revelata
-vooraf, de rede werd van het geloof, van de openbaring geëmancipeerd,
-beide stonden zelfstandig naast elkaar. S. van Til behandelde
-ze beide afzonderlijk in zijn Theologiae utriusque compendium,
-cum naturalis tum revelatae 1706. Vervolgens kreeg
-die rede niet alleen een eigen terrein naast de openbaring, maar
-strekte ze haar macht ook over die openbaring zelve uit. Aan
-haar werd het recht toegekend, om de waarheid der openbaring
-te onderzoeken. In de theologia naturalis stond men op vasten
-grondslag, op eene zuiver wetenschappelijke basis; van dit standpunt
-uit werd ook de openbaring onderzocht, en als dan de rede
-door allerlei rationeele en historische bewijzen, als zoovele motiva
-credibilitatis, de waarheid der openbaring had aangetoond, was
-het immers redelijk die openbaring te gelooven en zich aan haar
-te onderwerpen. Zoo werden de prolegomena al meer uitgebreid.
-Eerst wordt gehandeld over de religie als onderscheiden van de
-theologie; daarna over de theol. naturalis en de natuurlijke of
-redewaarheden; vervolgens over de openbaring, wier mogelijkheid,
-noodzakelijkheid en werkelijkheid breedvoerig wordt aangetoond;
-en eindelijk over de H. Schrift, wier waarheid door allerlei
-historische, kritische, rationeele bewijzen wordt gestaafd. En
-eerst na dien langen weg komt men toe aan de eigenlijke dogmatiek,
-die er zoo sober en zoo eenvoudig mogelijk uitziet. Heel
-<span class="pagenum" id="Page_44">[44]</span>
-het standpunt is veranderd; het uitgangspunt is niet meer het
-geloof maar de rede. Wat wonder dat deze in het deïsme en
-rationalisme heel de openbaring ontkent, eene openbaring, die
-immers toch niets nieuws geeft en geheel overbodig is. Deze
-orde van behandeling is wezenlijk eigen aan de scholastieke en
-Roomsche theologie. De Socinianen zijn dit rationalistisch standpunt
-nooit te boven gekomen, Fock, Der Socin. 291 f. En de
-Remonstranten zijn weer tot deze methode teruggekeerd. Limborch,
-Theol. Christ. spreekt in cap. 1 de theologia ac religione,
-in cap. 2 de existentia Dei en dan in cap. 3 v. over de H. Schrift.
-Episcopius breidt in zijne Instit. Theol. deze inleidende stof nog
-uit, spreekt eerst zelfs over de vereischten van den theoloog, en
-dan over het practisch karakter der theologie, de theol. naturalis,
-de religie, de openbaring en de H. Schrift. Langzamerhand drong
-deze uitbreiding der prolegomena ook in de orthodoxe dogmatiek
-door. De indeeling der dogmatiek in twee deelen: de fide en de
-operibus brengt er Amesius en Maestricht toe, om in den aanvang
-na theologie en Schrift ook de natuur van het geloof te
-bespreken; Marck en Moor spreken in het derde hoofdstuk over
-den godsdienst; Brakel begint met een hoofdstuk over de theol.
-naturalis. Er is dus veel verschil en verwarring over wat in de
-inleiding thuis hoort. Maar langzamerhand begint er in de 18<sup>e</sup>
-eeuw een reeks van onderwerpen voor de inleiding vast te staan
-als theologie, natuurlijke Godskennis, openbaring, Schrift; bijv.
-bij J. A. Turretinus, Werenfels, Osterwald, Buurt en alle theologen
-van rationalistische en supranaturalistische richting.</p>
-
-<p class="sep2">8. Wel werd nu door Kant die rationalistische grondslag der
-dogmatiek ondermijnd, en wel trachtte Schleiermacher geloof en
-geloofsleer te redden, door ze te beperken tot het gevoel en de
-beschrijving daarvan. Maar feitelijk is er in deze orde der dogmatiek
-geene verandering gekomen. De aanvallen op de christelijke
-religie in deze eeuw richten zich in de eerste plaats tegen
-de fundamenten zelve. In vroeger eeuwen was het geloof krachtiger
-en kwam de vraag: waarom geloof ik, haast niet op. De
-grondslagen schenen zoo vast, dat een onderzoek ervan geheel
-onnoodig was; alle kracht werd aan het optrekken van het
-gebouw besteed. Maar thans wordt de dogmatiek juist in hare
-wijsgeerige onderstellingen bestreden; niet een of ander leerstuk
-<span class="pagenum" id="Page_45">[45]</span>
-in de dogmatiek, maar de mogelijkheid der dogmatiek wordt
-ontkend, Pierson, Ter uitvaart 1870. Het menschelijk kenvermogen
-wordt tot de zienlijke dingen beperkt; de openbaring
-wordt onmogelijk geacht; de H. Schrift wordt door de historische
-kritiek van haar goddelijk gezag beroofd en zelfs het recht
-en de waarde van den godsdienst wordt ernstig betwist. Bij en
-ten deele door dit alles is het religieuse leven sterk verminderd;
-er is wel veel beweging op godsdienstig gebied, maar er is
-weinig echt godsdienstig leven. Het geloof voelt zich niet zeker
-meer; zelfs onder de geloovigen is er veel twijfel en onvastheid.
-Het kinderlijke en tegelijk heroieke: ik geloof, wordt zelden
-gehoord en heeft voor het kritisch twijfelen plaats gemaakt. Men
-gelooft misschien nog zijne belijdenis, maar men belijdt niet
-meer zijn geloof (Schweizer). In tijden van opgewekt godsdienstig
-leven spreekt men als machthebbende, en niet als de schriftgeleerde;
-dan klinkt het: ik weet in wien ik geloof, van
-de lippen. Maar in een kritischen tijd als den onzen is er
-onzekerheid juist over de principia, over kenbron, methode,
-bewijs, enz. De pars formalis is daarom nog het voornaamste
-deel der dogmatiek. Eene gansche apologetiek gaat aan de dogmatiek
-vooraf, Hoekstra, Godgel. Bijdr. 1864 bl. 2 v. Schleiermacher
-heeft de dogmatiek wel tot eene positieve, historische
-wetenschap gemaakt en haar van alle apologetiek trachten te
-verlossen. Maar hij liet aan de historische theologie, waartoe
-de dogmatiek behoort, de philosophische voorafgaan, die haar
-uitgangspunt moest nemen über dem Christenthum, in het religieuse
-gemeenschapsleven in het algemeen, en van daaruit kritisch
-het wezen des Christendoms had te bepalen, Kurze Darstellung
-des theol. Stud. 2<sup>e</sup> Ausg. §&nbsp;32 f. Feitelijk heeft hij dus de
-theologie niet van de philosophie bevrijd, maar zoo sterk mogelijk
-van haar afhankelijk gemaakt. Dit komt ook daarin uit,
-dat hij in zijne Glaubenslehre eene breede inleiding laat voorafgaan
-met allerlei Lehnsätze uit de ethiek, de religionsphilosophie
-en de apologetiek. Nu heeft het voorbeeld van Schleiermacher,
-om encyclopaedisch de philosophische theologie aan de historische
-te laten voorafgaan, wel slechts bij enkelen navolging gevonden;
-maar in aansluiting aan hem is het toch gewoonte
-geworden, om de dogmatiek aan te vangen met een apologetisch
-deel. Zoo schreef Voigt eene Fundamentaldogmatik, Lange eene
-<span class="pagenum" id="Page_46">[46]</span>
-philosophische dogmatiek, die aan de positieve voorafging, Van
-Oosterzee legde een apologetischen grondslag, Dorner laat een
-fundamentaler Theil of Apologetik voorafgaan, Biedermann een
-prinzipieller Theil, Lipsius en Nitzsch een Principienlehre, enz.
-De raad van Liebner, Jahrb. f. d. Th. 1856 I 196 f. om in
-de inleiding alleen het begrip der dogmatiek te ontwikkelen,
-daar er anders eene gansche dogmatiek komt vóór de dogmatiek,
-en de begrippen van religie, openbaring reeds de leer van God
-en mensch onderstellen, is weinig opgevolgd. De onderwerpen,
-die in deze Principienlehre behandeld worden, zijn niet bij allen
-gelijk, maar loopen toch meest over de begrippen: aard onzer
-kennis in religieuse dingen, religie, openbaring, H. Schrift en
-kerk. Het hoofdstuk theologie, vroeger meermalen opgenomen,
-is verhuisd naar de Encyclopaedie. De indeeling van de materieele
-dogmatiek is zeer verschillend. Sommigen volgen de trinitarische
-indeeling, zooals Martensen, Lange, Kahnis, Ebrard,
-Schweizer. Anderen gaan uit van Christus en behandelen de onderstellingen,
-den persoon en het werk van Christus, zooals Liebner,
-Thomasius, Lange. De tegenstelling van zonde en genade, met
-de daaraan voorafgaande onderstelling van de verhouding van
-God en wereld, ligt ten grondslag aan de indeeling van Schleiermacher
-en Rothe, zur Dogm. 29. Hofmann, Philippi, Lutbardt,
-hebben het foedusbegrip, d. i. de gemeenschap Gods tot uitgangspunt
-genomen en behandelen den oorsprong, de verstoring,
-de objectieve herstelling, de subjectieve verwezenlijking en de
-voltooiïng dier gemeenschap. Het koninkrijk Gods wordt tot principium
-dividendi gekozen door Van Oosterzee; het begrip van liefde
-door Schoeberlein; dat van leven door Oetinger, Reiff, enz., terwijl
-eindelijk velen de gewone orde volgen van theologie, anthropologie
-enz., zooals Vilmar, Hodge, Shedd, Böhl e. a.</p>
-
-<p class="sep2">9. Wat allereerst aangaat de indeeling der dogmatiek in een
-algemeen en een bijzonder deel, deze is niet alleen door de principieele
-bestrijding der dogmatiek noodzakelijk geworden, maar
-is ook op zichzelve nuttig en goed. Reeds vroeg werd er behoefte
-gevoeld, om vóór de eigenlijke dogmata het wezen der theologie
-en hare principia in het licht te stellen. Polanus maakte al
-onderscheid tusschen de principia en de articuli fidei. En allengs
-is het dringende behoefte geworden voor den geloovige, niet alleen
-<span class="pagenum" id="Page_47">[47]</span>
-te weten wat, maar ook waarom hij gelooft. Maar daartoe is
-dan ook de taak van het eerste, algemeene deel der dogmatiek
-bepaald. Dit eerste deel heeft zich niet in te laten met allerlei
-encyclopaedische kwestiën, zooals het wezen, de geschiedenis, de
-indeeling der theologie, gelijk Gretillat, Exposé de théol. system.
-I 1885, p. 199 s., nog doet. Vroeger geschiedde dat, omdat
-theologie met dogmatiek vereenzelvigd werd, en omdat de theol.
-encyclopaedie nog niet als eigen vak werd beoefend. Thans echter
-moet aan de encyclopaedie overgelaten worden de ontwikkeling
-van het wezen der theologie; in de dogmatiek behoort alleen nog
-de uiteenzetting van naam, begrip, methode, indeeling en geschiedenis
-der dogmatiek zelve, zooals dat in de inleiding geschiedt.
-Maar ook nog op eene andere wijze moet het principieele
-deel der dogmatiek beperkt worden. De methode, die reeds met
-de Scholastiek is opgekomen en dan later ook bij de Protestanten
-ingang vond, om nl. eerst de natuurlijke Godskennis (praeambula
-fidei) en daarna al de historische en redebewijzen (motiva credibilitatis)
-voor de openbaring te behandelen, verdient daarom
-afkeuring, wijl zij in het begin en in beginsel het standpunt des
-geloofs prijsgeeft, het positief karakter der dogmatiek miskent,
-op het terrein van den tegenstander overgaat, en dus feitelijk
-rationalistisch is en de dogmatiek van de philosophie afhankelijk
-maakt. Daartoe behoort ook de poging om de theologia of religio
-naturalis met het foedus operum te vereenzelvigen en dan te
-behandelen als eene voorbereiding voor de theologia revelata, die
-zakelijk één is met het foedus gratiae, Schweizer, Gl. der. ev. ref.
-K. I, 107-115, II 1 f. en Scholten L. H. K. I 304 v. Cf. Dr.
-van Dijk, Studiën, VI 1880, 1<sup>e</sup> stuk blz. 11 v. Beiden maken
-de natuurlijke religie (foedus operum, status integritatis), de
-wetsreligie (foedus gratiae ante legem en sub lege) en de Erlösungsreligion
-(foedus gratiae post legem) tot drie momenten in
-het religieuse proces. Daardoor wordt de openbaring niet alleen
-van haar bovennatuurlijk karakter beroofd, maar ook van de
-Geref. indeeling een gebruik gemaakt tegen haar bedoeling in.
-Het foedus operum, vóór den val, is geen voorbereiding van
-maar vormt eene tegenstelling met het foedus gratiae, dat eerst
-na verbreking van het foedus operum door de zonde in de historie
-optreedt. De onderscheiding van theol. naturalis en relevata is
-daarentegen eene gansch andere, niet eene historische maar eene,
-<span class="pagenum" id="Page_48">[48]</span>
-die nog altijd in de theologie bestaat en voortduurt. Tegenover
-zulk eene rationaliseering van religie en theologie moet met
-Schleiermacher, Rothe, Frank, Ritschl, enz. het positief karakter
-gehandhaafd worden. Ook de principia fidei zijn articuli fidei,
-die niet op menschelijke redeneeringen en bewijzen maar op goddelijk
-gezag rusten. De erkenning van de openbaring, van de
-Schrift als Gods Woord is een vrucht en daad des geloofs. In
-de dogmatiek is van het begin tot het eind de geloovige aan het
-woord, zoowel in de principia als in de articuli fidei; hij belijdt
-en geeft rekenschap van zijn geloof, van grond en van inhoud.
-In het eerste deel worden dus alleen de principia fidei ontwikkeld.
-Deze zijn tweevoudig, principium externum en internum, objectivum
-en formale, Voetius, Disp. I 2. Alting, Theol. Schol. didact.
-p. 10, evenals de religio objectiva en subjectiva onderscheiden
-moet worden. En in deze twee wordt heel het eerste deel der
-dogmatiek afgehandeld.</p>
-
-<p>Bij de ordening van de stof in het tweede deel is de trinitarische
-indeeling te verwerpen, omdat zij de behandeling der
-triniteit zelve natuurlijk niet in eene der drie oeconomieën kan
-opnemen en dus bij wijze van onderstelling in een hoofdstuk
-vooraf moet laten gaan. Voorts bestaat er bij deze indeeling gevaar,
-dat de opera ad extra veel te veel als opera personalia
-worden opgevat en te weinig worden beschouwd als opera essentialia,
-als gemeenschappelijke werken der drie personen, of ook
-andererzijds dat bij handhaving der eenheid de triniteit slechts
-oeconomisch genomen en in haar ontologisch karakter miskend
-wordt. Eindelijk is aan deze indeeling nog de schaduwzijde verbonden,
-dat de loci over schepping, engel, mensch, zonde, kerk,
-enz. onder de personen der triniteit verdeeld, niet tot hun recht
-kunnen komen. Maar nog veel meer bezwaren bestaan er tegen
-de christologische indeeling. Hoeveel aanlokkelijks ze ook bij
-den eersten oogopslag hebben moge, ze is toch onbruikbaar. Ze
-rust ten eerste dikwerf op de onjuiste voorstelling, alsof niet de
-Schrift maar bepaald de persoon van Christus het principium
-en de kenbron ware der dogmatiek, en toch weten we van Christus
-niets af dan uit en door de Schrift. Voorts is Christus zeer
-zeker het centrum en de hoofdinhoud der H. Schrift, maar juist
-omdat hij het middelpunt is, is hij het uitgangspunt niet; hij
-onderstelt God en den mensch, gelijk hij ook niet terstond bij,
-<span class="pagenum" id="Page_49">[49]</span>
-maar eerst vele eeuwen na de belofte in de historie is opgetreden.
-Vervolgens is het buiten twijfel, dat Christus ons den Vader
-heeft geopenbaard, maar dit spreken Gods door den Zoon doet
-het spreken Gods op velerlei wijze door de profeten niet te niet;
-niet het Nieuwe Testament alleen, noch ook alleen de woorden
-van Jezus, maar heel de Schrift is een Woord Gods, dat door
-Christus tot ons komt. Eindelijk is het duidelijk, dat de christologische
-indeeling de loci over God, schepping, wereld, mensch
-slechts bij wijze van onderstellingen en postulaten behandelen en
-dus niet in hunne rijke beteekenis ontwikkelen kan. De andere
-indeelingen, ontleend aan de drie deugden geloof, hoop, liefde,
-geloof, gebed en gebod, aan de bestemming en het einddoel des
-menschen, aan het verbond of de gemeenschap van God en
-mensch, aan het rijk Gods, aan de begrippen van leven, liefde,
-geest, enz. mogen practisch veel voor hebben en in een catechismus
-op haar plaats zijn; zij kunnen voor eene dogmatiek, die
-het systeem der kennisse Gods is, niet in aanmerking komen.
-Ze zijn daartoe niet centraal en algemeen genoeg. Zij zijn dan
-ook òf van buiten aangebracht en beheerschen het systeem niet,
-gelijk bij Van Oosterzee; òf zij zijn als indeelingsbeginsel streng
-vastgehouden maar doen aan verschillende loci te kort.</p>
-
-<p class="sep2">10. Inhoud der dogmatiek is de kennisse Gods, gelijk Hij die
-in Christus, door zijn Woord, heeft geopenbaard. Het eigenaardige
-van de kennis des geloovigen bestaat daarin, dat hij alles
-religieus, theologisch beziet, dat hij alles beschouwt in ’t licht
-Gods, sub specie aeternitatis. Dat is het onderscheid tusschen
-zijne en eene wijsgeerige of wetenschappelijke wereldbeschouwing.
-In de dogmatiek is altijd de geloovige, de Christen aan het
-woord. Hij speculeert niet over God, hij gaat niet van een
-abstract, philosophisch Godsbegrip uit, en komt niet door de
-theologia naturalis tot de theologia revelata. Hij redeneert niet
-over God, gelijk Hij in zichzelven bestaat, want deze kennis is
-volkomen onbereikbaar. Hij beschrijft alleen die kennisse Gods,
-welke hem in Christus is geopenbaard. Ook als hij dus in het
-eerste deel der dogmatiek over God, zijne eigenschappen, de
-triniteit handelt, spreekt en denkt hij als geloovige, als Christen,
-als theoloog en niet als philosoof. In elk dogma klopt dus het
-hart der religie. Dogmatiek is geen wijsgeerig systeem, dogmatiek
-<span class="pagenum" id="Page_50">[50]</span>
-is theologie. Maar daarom juist beschrijft de dogmaticus in zijn
-systeem der kennisse Gods niet, hoe hij tot het geloof kwam en
-door het geloof subjectief en successief inzicht verkreeg in de
-verschillende waarheden des geloofs. Dat ware eene analytische
-methode, die in een catechismus uitnemend is maar in eene dogmatiek
-niet past. Maar hij expliceert den inhoud van zijn geloof,
-gelijk die objectief, in de openbaring, door God zelven voor zijn
-geloofsoog uitgespreid is. Hij ontleent het beginsel van indeeling
-en de rangschikking der stof niet aan zijn eigen geloofsleven,
-maar aan het voorwerp zelf, dat hij in zijne dogmatiek te beschrijven
-heeft; niet aan het geloovig subject, maar aan het
-object des geloofs. Al stemmen we er dus van harte mede in,
-dat in de dogmatiek altijd en overal, van het begin tot het
-einde, de geloovige denkt en spreekt; toch is dit iets gansch
-anders, dan dat hij ook de ordening der dogmatische stof aan
-zijn eigen ervaring ontleenen zou. Daardoor zou de dogmatiek in
-haar karakter miskend worden, in anthropologie overgaan, en
-ophouden theologisch te zijn. Dit blijft ze alleen, als het systeem
-der dogmatiek aan haar eigen stof en inhoud wordt ontleend.</p>
-
-<p>Indien dit uitgangspunt goed is gekozen, zijn er maar twee
-indeelingen, die zichzelve daarvoor aanbevelen. De eerste is de
-reeds besprokene trinitarische indeeling. Er ligt in haar veel bekoorlijks;
-vandaar dat ze telkens weer ingang vond en ook in
-de philosophie grooten invloed oefende. Zij beveelt zich aan door
-haar zuiver theologisch karakter. God is begin en einde, alpha
-en omega. Natuur en geschiedenis worden onder Hem gesubsumeerd.
-Alles is uit God en tot God. Het trinitarische behoedt
-voor eenvormigheid en waarborgt leven, ontwikkeling, proces.
-Maar daarmede is tegelijk haar gevaar aangewezen. Zij is te
-speculatief, ze offert de historie op aan het systeem, ze neemt
-zoo licht de kosmogonie op in het trinitarische leven Gods en
-wordt dan tot theogonie. De philosophie van Erigena, Böhme,
-Baader, Schelling, Hegel strekt ten bewijze. Daarom verdient
-die indeeling de voorkeur, welke theologisch is en tevens een
-historisch-genetisch karakter draagt. Ook zij neemt haar uitgangspunt
-in God en beschouwt alle schepselen slechts in relatie tot
-Hem. Maar van God uitgaande, daalt ze tot zijne werken af,
-om dan door deze heen weer tot Hem op te klimmen en in Hem
-te eindigen. Ook bij deze indeeling is God dus het begin, het
-<span class="pagenum" id="Page_51">[51]</span>
-midden en het einde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle
-dingen. Maar God wordt hier niet neergetrokken in het proces
-der historie, en de geschiedenis komt hier beter tot haar recht.
-Tusschen God en zijne werken wordt onderscheid gemaakt. In
-die werken treedt Hij op als Schepper, Hersteller en Volmaker.
-Hij is exemplar effectivum in creatione, refectivum in redemptione,
-perfectivum in retributione. De dogmatiek is het systeem
-der kennisse Gods gelijk Hij in Christus zich heeft geopenbaard;
-zij is het systeem der christelijke religie. En het wezen
-der christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des
-Vaders, door de zonde verwoest, weer in den dood van den Zone
-Gods wordt hersteld en door de genade des H. Geestes herschapen
-wordt tot een koninkrijk Gods. De dogmatiek toont ons, hoe
-God, de Algenoegzame in zichzelven, zich nochtans verheerlijkt
-in zijne schepping, die, ook als ze door de zonde wordt uiteengeslagen,
-toch weer in Christus wordt bijeenvergaderd Ef. 1:10.
-Zij beschrijft ons God, altijd God, van het begin tot het einde,
-God in zijn wezen, God in zijne schepping, God tegenover de
-zonde, God in Christus, God door den H. Geest allen tegenstand
-brekend, en heel de schepping heenleidend tot het door Hem
-vastgestelde doel, de glorie van zijn naam. Dogmatiek is dus
-geen dorre wetenschap. Zij is eene theodicee, een lofzang op alle
-Gods deugden en volmaaktheden, een lied der aanbidding en der
-dankzegging, een δοξα ἐν ὑψιστοις θεῳ.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;5. <span class="smcap">Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek.</span></h3>
-
-<h4>A. Opkomst der dogmatiek, 2<sup>e</sup>-4<sup>e</sup> eeuw.</h4>
-
-<p>1. De H. Schrift is geen dogmatiek. Zij bevat al de ons
-noodige kennisse Gods, maar heeft deze niet dogmatisch geformuleerd.
-De waarheid is daar neergelegd als vrucht van openbaring
-en inspiratie, in eene taal, die de onmiddellijke uiting
-is van het leven en daarom altijd frisch en oorspronkelijk blijft.
-Maar zij is nog geen voorwerp van reflectie geworden en nog
-niet heengegaan door het denkend bewustzijn. Hier en daar, b.v.
-<span class="pagenum" id="Page_52">[52]</span>
-in den brief aan de Romeinen, moge er een aanvang van dogmatische
-ontwikkeling zijn; meer dan een aanvang is het ook niet.
-De periode der openbaring moest gesloten zijn, eer die van de
-dogmatische reproductie een aanvang kon nemen. De Schrift is
-de goudmijn, maar de kerk is het, die het goud eruit opdelft,
-het stempelt en in gangbare munt omzet, Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. II 20 f. Deze dogmatische verwerking van den inhoud
-der H. Schrift is echter niet het werk van één enkel theoloog,
-of van eene bijzondere kerk of school, maar van de gansche
-kerk door alle eeuwen heen, van heel de nieuwe, door Christus
-herborene menschheid. Gelijk er eenheid en continuiteit is in de
-ontwikkeling van iedere wetenschap, zoo is dat ook het geval
-in de theologie en in de dogmatiek. Ook deze hebben eene geschiedenis.
-Niet alleen in dien zin, dat de stof en inhoud allengs,
-in een verloop van eeuwen, door God werd geopenbaard; noch
-slechts alzoo, dat de verschillende waarheden door de kerk allengs
-duidelijker geformuleerd en in het leven toegepast zijn; maar
-ook nog in deze beteekenis, dat het wetenschappelijk bewustzijn
-hoe langer hoe meer een helder inzicht kreeg in het organisme
-en het systeem dier geopenbaarde waarheid. Ook het wetenschappelijk
-karakter van dogmatiek en theologie heeft eene geschiedenis
-doorloopen.</p>
-
-<p>De Apostolische Vaders, o. a. uitgegeven door Hefele-Funk,
-Tübingen 1878-1881. Gebhardt, Harnack, Zahn, Patrum apost.
-opera. Lips. 1875-’77, ed minor repetita. Lips. 1894. Hilgenfeld,
-Nov. Test. extra canonem receptum, ed sec. Lips. 1884, vertaald
-door Duker en Van Manen, Oud-Christ. letterkunde. Amst. 1871,
-staan nog geheel op het standpunt van een naïef, kinderlijk geloof.
-Het Christendom was geen vrucht van menschelijk onderzoek, maar
-van openbaring en vorderde daarom in de eerste plaats geloof.
-Men spreekt de H. Schrift nog na. De bijbelsche begrippen, zooals
-van Christus als Heer, zijn dood, geloof, bekeering, gemeente,
-waken, gebed, aalmoes, opstanding, leven, onsterfelijkheid, enz.
-worden wel overgenomen, maar zonder dat de reflectie ontwaakt
-en de inhoud ervan ingedacht en ontleed wordt. Het Christendom
-vond trouwens ook meest ingang onder de eenvoudigen en onontwikkelden.
-Des te meer is al het streven erop gericht, om de
-christelijke waarheid om te zetten in het leven en ze practisch
-ook in cultus en organisatie tot heerschappij te brengen; niet op
-<span class="pagenum" id="Page_53">53</span>
-de gnosis maar op een heilig leven, op de beoefening der christelijke
-deugden van liefde, zachtmoedigheid, vrede, eenheid enz.
-wordt de nadruk gelegd. De kring van denkbeelden, waarin men
-zich beweegt, is daarom ook nog eng; vele bijbelsche begrippen
-ontbreken geheel, en andere worden verzwakt of gewijzigd; de
-werkheilige opvatting van het Christendom wordt voorbereid. Over
-het algemeen zijn de geschriften der Apost. Vaders ethisch krachtiger
-en rijker dan dogmatisch. In weerwil van denzelfden briefvorm
-en ten deele dezelfde gemeenten, aan wie zij zich richten,
-springt het onderscheid en de afstand tusschen de Apostelen en
-de Apostolische Vaders zeer sterk in het oog. Het heidensche
-bewustzijn kon zoo spoedig de christelijke gedachten niet in zich
-opnemen, Lübkert, Die Theol. der apost. Väter, in Niedner’s Zeits.
-f. hist. Th. 1854 S. 589 f. Sprinzl, Die Theol. der apost. Väter,
-Wien 1880. Lechler, Das apost. u. nachapost. Zeitalter, 3<sup>e</sup> Ausg.
-586-610. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss. Supplementband
-1889 S. 18 f. Dorner, Entw. Gesch. der Lehre v. d. Person
-Christi, 2<sup>e</sup> Aufl. I 130 f. Harnack, Dogmengesch. I 125-186.</p>
-
-<p class="sep2">2. Bij deze eenvoudige herhaling en practische toepassing
-der Schriftwaarheid kon echter de theologie niet blijven staan.
-De tegenstand, dien het Christendom allengs van de heidensche
-cultuur ondervond, dwong tot nadenken, en verdediging. In den
-eersten tijd bepaalde zich de heidensche macht tot vervolging,
-Uhlhorn, der Kampf des Christ. mit dem Heid. 3<sup>e</sup> Aufl. Stuttgart
-1879, haat, verachting en spot, gelijk ze door Tacitus,
-Ann. 15:44 en Lucianus in zijn Peregrinus Proteus worden
-geuit, Th. Keim, Rom und das Christenthum, herausg. v. H.
-Ziegler 1881. Stud. u. Kr. 1851, S. 826 f. Herzog<sup>2</sup> 8, 772.
-Maar langzamerhand moet de heidensche wereld met het Christendom
-rekenen en valt zij het wetenschappelijk aan. Heinrich
-Kellner heeft in zijn Hellenismus und Christenthum, Kölln 1866
-deze geistige Reaktion des antiken Heidenthums gegen das Christenthum
-opzettelijk beschreven, en ten slotte, S. 431 f. ook op
-hare verwantschap met de bestrijding van het Christendom in
-den tegenwoordigen tijd gewezen. De voornaamste wetenschappelijke
-bestrijders zijn: Celsus, (W. Th. Keim, Celsus’ wahres
-Wort. Zürich 1873. Origenes, contra Celsum. Bindemann, Zeits.
-f. d. histor. Theol. 1842, 2<sup>tes</sup> Heft S. 58 f. Baur, Kirch. Gesch.
-<span class="pagenum" id="Page_54">[54]</span>
-der 3 ersten <ins id="cor_6" title="Jahrb">Jahrh</ins>. 383 f. Herzog<sup>2</sup> 11, 100 f. Vigouroux, Les
-livres saints et la critique rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. I 133 s.) Porphyrius,
-(Baur, ib. 420 f. Jahrb. f. d. Theol. 1878. 2<sup>tes</sup> Heft
-S. 269 f. Herzog<sup>2</sup> 10, 524. Vigouroux, ib. I 156 s.), Fronto,
-de vriend van Aurelius (blijkens Minucius Felix, Octavius 9, 31.
-Boissier, Les polémiques religieuses au second siècle, Revue
-des Deux Mondes 1 Jan. 1879, Herzog<sup>2</sup> 8, 772), en later nog
-Julianus, die blijkens de weerlegging van Cyrillus, contra Julianum,
-een boek tegen de christenen schreef, (C. J. Neumann,
-Juliani imperatoris librorum contra Christianos quae supersunt
-Lips. Teubner 1880, ook vertaald in ’t Duitsch. ib.). Al de argumenten,
-die later alle eeuwen door tegen het Christendom zijn
-ingebracht, zijn reeds bij hen te vinden, zoo b.v. tegen de echtheid
-en waarheid van vele Bijbelboeken, den Pentateuch, Daniël,
-de Evangeliën, tegen de openbaring en de wonderen; tegen verschillende
-dogmata zooals de menschwording, de voldoening, de
-vergeving, de opstanding, de eeuwigheid der straf; tegen de
-moraal, zooals het ascetisme, de wereldverachting, de onbeschaafdheid;
-om niet te spreken van de lasterlijke beschuldigingen
-van het aanbidden van een ezelskop, kindermoord, echtbreuk enz.
-Toch heeft ook deze wetenschappelijke bestrijding het Christendom
-niet overwonnen. En de Heidenen zagen zich gedrongen, om of
-den ouden godsdienst tot nieuw leven te brengen, gelijk het
-Neopythagoreïsme en Neoplatonisme beproefden, Zeller, Philos.
-der Griechen 3<sup>e</sup> Aufl. V 79 f. 419 f., of het Christendom met
-het Heidendom te vermengen en te verbinden, gelijk dat geschiedde
-in het Gnosticisme en Manichaeisme. Vooral het Gnosticisme
-was eene machtige poging, om het Christendom in de
-combinatie en fusie van allerlei heidensche elementen, neoplaton.
-wijsbegeerte, syrische en phenicische mythologie, chaldeeuwsche
-astrologie, perzisch dualisme, enz. optenemen en zoo van zijn
-absoluut karakter te ontdoen. De hoofdvraag daarbij was deze,
-hoe de menschelijke geest in de banden der materie gekomen
-was en daaruit nu kon worden bevrijd. Gewoonlijk is God in
-het Gnosticisme de abstracte, onderscheidlooze eenheid. Uit hem
-is de materie, de oorzaak van het kwaad, niet te verklaren.
-Deze wordt afgeleid uit een lageren god, den demiurg, die tusschen
-den hoogsten God en de zinnelijke wereld in staat en vereenzelvigd
-wordt met den God des O. Test. Ter verlossing van
-<span class="pagenum" id="Page_55">[55]</span>
-de in de materie geboeide geesten gaan er uit God verschillende
-aeonen, die de verschillende godsdiensten vertegenwoordigen en
-hun hoogtepunt bereiken in den aeon Christus. Het Christendom
-is dus niet de eenige maar de hoogste godsdienst. Christus echter
-wordt docetisch opgevat, want niet op het feit, de historie, maar
-op de idee komt het aan. Daarom bestaat de hoogste zaligheid
-ook in het kennen; kennis met askese maakt zalig. De pistis,
-de theologie, moge goed zijn voor de onontwikkelden; de gnosis,
-de philosophie is het hoogste, zij is het eigendom der πνευματικοι.
-Deze ideeën werden door allegorische exegese met de Schrift in
-overeenstemming gebracht, en voorgedragen in vormen en beelden,
-aan de mythologie ontleend en door de phantasie versierd. Ze
-veranderden het Christendom in een soort van Religionsphilosophie,
-van speculatieve philosophie, welke alle eeuwen door, tot in de
-stelsels van Hegel en Schelling toe, haar invloed geoefend heeft,
-cf. Jacobi in Herzog<sup>2</sup> 5, 204 f. Harnack Dogm. I 186 f. Vigouroux
-t. a. p. I 106 s. en de daar aangeh. litt.</p>
-
-<p>Tegenover deze verschillende aanvallen was verdediging noodig.
-De Christenen werden gedwongen, om over den inhoud der
-openbaring na te denken, en eene ware, christelijke gnosis te
-stellen tegenover de valsche. De geopenbaarde waarheid wordt
-object van methodisch, wetenschappelijk denken. Er ontstond theologie,
-niet uit en voor de kerk en ter opleiding harer dienaren,
-maar naar aanleiding en ter afwering van de aanvallen, die op
-het Christendom gericht werden. Natuurlijk was tot zulk eene
-denkende werkzaamheid, kennis van de heidensche philosophie
-van noode; de theologie ontstond feitelijk met behulp van en
-door verbinding met de philosophie. De Gnostieken hadden dit
-ook reeds beproefd, maar er was een wezenlijk verschil in de
-wijze, waarop de Gnostieken en waarop de Apologeten die verbinding
-zochten. Dat verschil bestaat niet daarin, dat genen
-eene acute, en dezen eene allmählige Hellenisirung van het
-Christendom ondernamen, Harnack, Dogmengesch. I 168 f.
-413 f. Maar bij de Gnostieken ging de positieve, absolute
-inhoud der christelijke religie te loor, bij de Apologeten bleef
-deze bewaard; bij genen was het gebruik der philosophie materieel,
-bij dezen in hoofdzaak formeel; genen werden daarom door
-de kerk verloochend, dezen erkend; genen stelden de verschillende
-philosophieën voor als een religieus proces, waarin ook het
-<span class="pagenum" id="Page_56">[56]</span>
-Christendom werd opgenomen, dezen trachtten de christelijke
-religie, die ze erkenden en aannamen, aan te toonen als de hoogste
-waarheid, als de ware philosophie, die alle waarheidselementen
-van elders in zich vereenigt. Dit laatste is zelfs de grondgedachte
-der Apologeten, en ze werken deze aldus uit: God is
-één, onuitsprekelijk, geestelijk enz., maar Hij is door den Logos
-ook schepper der wereld, laatste oorzaak van al het zijnde en
-principe van al het zedelijk goede. Het gnostisch dualisme is
-hier overwonnen; de wereld draagt overal den stempel van den
-goddelijken Logos, ook de materie is goed en door God geschapen.
-De mensch is oorspronkelijk goed geschapen, ontving rede
-en vrijheid en werd voor de ἀθανασια bestemd; deze moest en
-kon hij bereiken in den weg der vrije gehoorzaamheid. Maar
-hij heeft zich laten verleiden door de daemonen en is nu onder
-de heerschappij der zinnelijkheid gekomen, aan de dwaling en
-den dood vervallen. Ook hier is het dualisme vermeden en
-wordt de oorzaak der zonde in den wil des menschen gezocht.
-Maar daarom zijn er nu nieuwe middelen van noode, om den
-mensch van den weg der leugen en des doods terug te brengen
-en heen te leiden naar de onsterfelijkheid. God openbaarde zich
-door den Logos van de oudste tijden af, en deelde kennis der
-waarheid mede ook wel aan sommige Heidenen, maar vooral aan
-de profeten onder Israel, en eindelijk in zijnen Zoon Jezus
-Christus. In Hem is alle vroegere waarheid bevestigd en voltooid.
-Door Hem als leeraar der waarheid wordt de mensch
-wederom tot zijne bestemming gebracht. De Apologeten zijn dus
-intellectualistisch en moralistisch; toch ontbreekt b.v. bij Justinus
-het streven niet, om Christus ook als Verzoener en Verlosser
-te begrijpen, door wiens bloed wij vergeving der zonde ontvangen.
-Uitgave der Apologeten Justinus, Tatianus, Athenagoras, Theophilus
-en Hermias, bij Migne ser. gr. t. 6. Van hen is Justinus
-verreweg de belangrijkste, Semisch, Justin der Martyrer, Breslau
-1840. Böhringer, Kirch. Gesch. in Biogr. I 1 S. 96-270. Aubé
-St. Justin philosophe et martyr. Paris 1861. Weiszäcker, Die
-Theol. des J. M. (Jahrb. f. d. Th. 1867, S. 60-119). Engelhardt,
-Das Christ. J. d. M. Erlangen 1878 en Herz.<sup>2</sup> 7, 318.
-Stählin, Justin der Martyrer Leipz. 1880. Harnack D. G. I
-413-464. Dr. H. Veit, Justinus des Philos. und Martyrers
-Rechtfertigung des Christ. Strassburg, Heitz. 1894.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_57">[57]</span>
-3. De aanvangen der theologie bij de Apologeten waren echter
-niet alleen zwak maar in velerlei opzicht ook van eenzijdigheid
-en dwaling niet vrij. De problemen die zich voordeden waren
-vele en machtige; de verhouding van theologie en philosophie,
-de leer van den Logos in zijne verhouding tot God, de beteekenis
-van Christus en zijn dood enz. waren veel te diep, dan dat
-in eens het rechte inzicht verkregen kon worden. Verschil van
-opvatting deed zich menigmaal voor. Zoodra er theologie kwam,
-kwam er ook onderscheid van richting en school. Tweeërlei
-dogmatische richting laat zich weldra onderscheiden. Eenerzijds
-die, welke vertegenwoordigd wordt door Tertullianus (ed. van
-Oehler, Leipzig 1853, van Gersdorf, Bibl. patr. eccles. lat. vol.
-4-7. Migne, ser. lat. t. 1-2). Cyprianus (ed. Gersdorf. vol.
-2-3. Hartel, Vienna 3 vol. 1868-71. Migne ser. lat. t. 4) en
-Lactantius (ed. Gersdorf. vol. 10-11. Migne t. 6), en ook door
-Irenaeus, van wien alleen het hoofdwerk Ἐλεγχος και ἀνατροπη
-της ψευδωνυμου γνωσεως, gewoonlijk geciteerd Adversus haereses
-libr. V is bewaard gebleven (ed. Stieren, Leipzig 1853. Migne
-ser. gr. t. 7) en zijn leerling Hippolytus van Rome, waarschijnlijk
-schrijver van de eerst aan Origenes toegeschreven φιλοσοφουμενα
-ἠ κατα πασων αἱρεσεων ἐλεγχος (ed. Duncker u. Schneidewin
-Gött. 1859. Migne, ser. gr. t. 10). Dezen allen staan antithetisch
-tegenover de philosophie. Irenaeus waarschuwt er zeer
-ernstig tegen, adv. haer. II 25-28 en Tertullianus bant ze
-geheel en zoo scherp mogelijk, de praescr. 7, in de bekende
-plaats: wat heeft Athene en Jeruzalem, de akademie en de kerk,
-de Christenen en de ketters gemeen enz. Toch maken zij er
-allen weer het naïefste gebruik van; Tertullianus is voor de
-theologie daarom zoo belangrijk, wijl hij een aantal termini voor
-het trinitarisch en christologisch dogma heeft ingevoerd, zooals
-trias, trinitas, satisfacere, meritum, sacramentum, una substantia
-en tres personae, duae substantiae in una persona enz.
-Maar ze staan daarbij op den grondslag van het geloof der kerk;
-ze zijn historisch, positief, realistisch en maken tusschen geloof
-en theologie, πιστις en γνωσις, geen qualitatief maar hoogstens
-een quantitatief onderscheid, Iren. adv. haer. I 10, 3. En wel
-is nog van een dogmatisch systeem bij deze mannen geen sprake;
-de dogmata staan los naast elkander, een bepaald principe is
-niet te vinden, zelfs is in de christologie door Tertullianus en
-<span class="pagenum" id="Page_58">[58]</span>
-Hippolytus het gnosticisme niet geheel overwonnen; maar toch
-is de theologie van deze mannen, inzonderheid van Irenaeus,
-die der volgende eeuwen geweest. Al de latere dogmata zijn bij
-hem te vinden. De eenheid Gods, de wezenseenheid van Vader
-en Zoon, van den God der schepping en der herschepping, de
-eenheid van den God des O. en dien des N. V., de schepping
-der wereld uit niets, de eenheid van het menschelijk geslacht,
-de oorsprong der zonde uit de wilsvrijheid, de beide naturen van
-Christus, de absolute openbaring Gods in Christus, de opstanding
-aller menschen enz. zijn door hem tegenover het Gnosticisme
-duidelijk uitgesproken en gehandhaafd. Het Christendom heeft
-bij Irenaeus het eerst eene eigene, zelfstandige theologische
-wetenschap ontvouwd, Harnack, Dogm. Gesch. I 464-547, de
-artikelen over de genoemde theologen bij Herzog<sup>2</sup>, de monographieën
-over hen, bijv. over Irenaeus, Böhringer, Kirchengesch. in
-Biogr. 2<sup>e</sup> Aufl. I Bd. 1<sup>e</sup> Abth. Ziegler, Irenaeus, Der Bischof von
-Lyon, Berlin 1871. Reville, Revue des deux Mondes 1865.
-Alzog, Grundriss der Patrologie, 4<sup>e</sup> Aufl. Freiburg 1888 S
-104 f. enz. Zöckler Supplement S. 40 f.<a name="FNanchor_1" id="FNanchor_1" href="#Footnote_1" class="fnanchor">[1]</a></p>
-
-<div class="footnotes">
-
-<p><a name="Footnote_1" id="Footnote_1" href="#FNanchor_1"><span class="label">[1]</span></a>Kortheidshalve worden hier eenige werken genoemd voor de Conciliën,
-Kerkvaders, Kerkelijke schrijvers, enz. en litteratuur daarover. De acten
-der conciliën zijn verzameld in: Joa. Harduinus, Conciliorum collectio regia
-maxima. Par. 1714. 11 Tomi in 12 vol., loopt tot 1714. J. Domin. Mansi.
-Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio. Flor. 1759-1788. 31
-vol.; eene nieuwe, verbeterde editie verschijnt sedert 1885 te Parijs. Acta
-et decreta sacrorum conciliorum recentiorum. Collectio Lacensis (Maria
-Laach), 7 vol. Frib. Brisg. 1870-1890, bevat de acta der concilia van
-1682-1870. De voornaamste besluiten van conciliën en Pausen zijn verzameld
-door H. Denzinger. Enchiridion symbolorum et definitionum, ed.
-6 aucta ab Ign. Stahl. Wirceb. 1888. De geschiedenis der conciliën is het
-volledigst behandeld door Karl Joseph von Hefele, Conciliëngeschichte,
-nach den Quellen bearbeitet, 7 Bde. Freiburg 1885-1671, 2<sup>e</sup> Aufl. Bd.
-1-4 door Hefele zelf, Bd. 5-6 door Knöpfler; ’t werk is voortgezet door
-Hergenröther, die Bd. 8-9 eraan toevoegde 1867 en 1890.</p>
-
-<p>De Kerkvaders en andere kerkelijke schrijvers zijn uitgegeven o. a. door:
-Andr. Gallandius, Bibliotheca veterum patrum antiquorumque scriptorum
-ecclesiasticorum, Venet. 1763-1781, 14 tomi fol. J. P. Migne, Patrologiae
-cursus completus, sive Bibliotheca universatis .... omnium S. S. Patrum,
-doctorum scriptorumque ecclesiasticorum, sive latinorum, sive graecorum.
-Paris 1844 sq. 473 tomi; series latina 221 tomi, series graeca 166 tomi,
-patrologia graeca latine tantum edita 86 tomi. Voorts zijn verschillende
-kerkvaders afzonderlijk uitgegeven door de Mauriner monniken (Cf. art. Herz<sup>2</sup>),
-zooals Origenes door Delarue Paris 1733, Chrysostomus door Montfaucon
-1718, Augustinus door Delfau e. a. 1679-1702 enz. En eindelijk verschijnt
-er eene uitnemende editie van de Lat. kerkvaders te Weenen onder leiding
-van de Keizerlijke Akademie der wetenschappen: Corpus scriptorum
-ecclesiasticorum Latinorum. Vindob. 1866 sq. waarin reeds verschillende
-kerkvaders Minucius Felix, Cyprianus, Arnob., Lact., enz. of gedeelten van
-kerkvaders Tert., August. enz. verschenen zijn. Zie verder Bellarminus, De
-Scriptoribus ecclesiasticis Romae 1613. <ins id="cor_7" title="El">Ed</ins>. du Pin, Nouvelle Bibliothèque
-des auteurs ecclésiastiques, 47 vol. Par. 1686-1714. Cave, Historia literaria
-script. eccles. 2 vol. Lond. 1689, Basil. 1741. Walch, Bibl. theol. sel. Jenae
-4 vol. 1757 sq. Ritter, Geschichte der christl. Philosophie, 4 Theile,
-Hamburg 1841-1845. Ueberweg, Grundriss der Gesch. d. Phil. der patr.
-u. schol. Zeit. 6<sup>e</sup> Aufl. 1881. Nirschl. Lehrb. der Patrol. u. Patristik, 3
-Bde. Mainz 1881-1885. Alzog, Grundriss der Patrologie, 4<sup>e</sup> Aufl. Freiburg
-1888. G. Krüger, Gesch. der altchristl. Litteratur in den ersten drei
-Jahrh. Freiburg 1895.</p>
-
-<p>Als hulpmiddelen kunnen dienst doen: voor het kerkelijk Grieksch, het
-woordenboek van J. C. Suicerus, Thesaurus ecclesiasticus, ed. 2a longe
-auctior Amst. 1728, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Grieksch C. Dufresne,
-dominus du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae graecitatis.
-Lugd, 1688, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Latijn C. Dufresne, dominus
-du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae latinitatis. Par.
-1678, 3 vol.; nieuwe uitgave door de Benedictijnen in 6 deelen 1733-36;
-door G. A. L. Henschel, Par. 1840-50 in 7 deelen; en door Leopold
-Favre in 10 deelen 1883-87. Ook Forcellini, Totius latinitatis lexicon, in
-4 deelen Padua 1771; nieuwe uitgave door Furlanetto in 4 deelen. Padua
-1828-’31: engelsche uitgave te Londen 1826; duitsche door Voigtlander
-en Hertel te Zwickau en Schneeberg 1829-33, nieuwe uitgave in Italië
-door Corradini te Padua 1859 en door D. Vinc. De Vit in 6 deelen te
-Prato 1858-79. Voor de plaatsnamen: J. V. Muller, Lexicon manuale,
-geographiam antiquam et mediam cum Latine tum Germanice illustrans,
-Lips. 1831. J. G. Th. Graesse, Orbis latinus over Verzeichniss der lateinischen
-Benennungen der bekanntesten Städte usw. Dresden 1861.</p>
-
-</div>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_59">[59]</span>
-Gansch anders was de houding, die door de Alexandrijnsche
-theologen tegenover de philosophie en het gnosticisme werd aangenomen.
-Op verschillende plaatsen, vooral in Alexandrië, ontwaakte
-tegen het einde der 2<sup>e</sup> en in het begin der 3<sup>e</sup> eeuw het
-streven, om de christelijke stof wetenschappelijk te bewerken en
-zoo mit dem Zeitbewusstsein zu vermitteln, Harnack, D. G.
-I 549. De oorsprong en het ontstaan der Katechetenschool in
-Alexandrië is ons onbekend, Guericke, De schola quae Alexandriae
-floruit catechetica 1824. Vacherot, Hist. crit. de l’école
-d’Alex. 1846-51. Herzog<sup>2</sup> I 290-292, maar ze bestond
-reeds ongeveer 190 en nam spoedig in aanzien en invloed toe.
-<span class="pagenum" id="Page_60">[60]</span>
-De eerste leeraar, die ons door zijne overgebleven geschriften
-bekend is, is Clemens Alexandrinus. Maar hij wordt in de
-schaduw gesteld door Origenes, den invloedrijksten theoloog uit
-de eerste eeuwen. Hun streven was, om de kerkelijke geloofsleer
-om te zetten in een speculatieve wetenschap. Wel handhaafden
-zij het geloof, en namen zij in onderscheiding van de gnostieken
-in de positieve leer der kerk hun uitgangspunt. Clemens noemde
-het geloof zelfs een γνωσις συντομος, schatte het hooger dan de
-heidensche wijsheid; het Christendom is een weg ter zaligheid
-voor alle menschen en kan slechts door het geloof toegeeigend worden;
-de inhoud van dat geloof is door de kerk in haar belijdenis
-samengevat, en de kenbron der waarheid is enkel en alleen de
-openbaring, de H. Schrift. Dit alles wordt door Clemens en
-Origenes even sterk vastgehouden als door Irenaeus en Tertullianus.
-Maar het onderscheid begint hier, dat de Alexandrijnen
-een qualitatief verschil aannamen tusschen geloof en wetenschap.
-Geloof moge goed zijn en noodig voor de eenvoudigen; de ontwikkelden
-hebben daaraan niet genoeg. De theologie moet er
-naar staan, om den inhoud des geloofs te ontwikkelen tot eene
-wetenschap, die niet rust op autoriteit maar in zichzelve haar
-waarborg en bevestiging vindt. De pistis moet tot gnosis verheven
-worden. De gnosis is hier geen middel meer, om de
-ketterij te weren en te bestrijden maar wordt doel. De pistis
-voert slechts tot een χριστιανισμος σωματικος, maar de theologie
-moet uit de H. Schrift den χριστιανισμος πνευματικος ontwikkelen.
-Wat Philo beproefd had voor de Joden, ondernamen
-Clemens en Origenes voor de Christenen; zij zetten het werk van
-Justinus Martyr voort. Om dit doel te bereiken, moesten zij
-natuurlijk kennis hebben en gebruik maken van de philosophie;
-ze sluiten zich wel niet aan bij een bepaald systeem, maar ze
-bedienen zich van de gansche grieksche philosophie sedert Socrates,
-vooral van die van Plato en van de Stoa. En met behulp
-daarvan levert Origenes een systeem dat zonder twijfel van
-genialen blik en diepe denkkracht getuigt, maar dat ook telkens
-gevaar loopt, om de theologie in philosophie te doen ondergaan.
-Subordinatie van den Zoon, eeuwigheid der schepping, praeexistentie
-der zielen, dualisme van geest en stof, aardsche loutering,
-herstelling aller dingen zijn zoovele elementen in het stelsel van
-Origenes, die het met het geloof der kerk in strijd brachten en
-<span class="pagenum" id="Page_61">[61]</span>
-later zijne veroordeeling bewerkten. Met de Schrift werd dit
-alles overeengebracht door eene pneumatische, allegorische exegese.
-Maar feitelijk wordt in deze theologie van Origenes de christelijke
-religie in ideeën opgelost. Zij zoekt eene transactie tusschen
-kerk en wereld, geloof en wetenschap, theologie en philosophie,
-een compromis tusschen de dwaasheid des kruises en de wijsheid
-der wereld en is zoo de schoonste en rijkste type van de telkens
-in de kerk opkomende Vermittelungstheologie, Bigg, The
-Christian Platonists of Alexandria. Oxford 1886. Harnack D. G.
-I 547-604, art. in Herzog<sup>2</sup> en de daar en bij Harnack aangeh.
-litt.; ook Zöckler, Supplement S. 51 f.</p>
-
-<p class="sep2">4. In den aanvang der derde eeuw zijn de grondslagen der
-christelijke theologie gelegd. De kerk heeft tegenover het Heidendom
-en Jodendom, tegenover het Gnosticisme en Ebionitisme
-welbewust eene vaste positie ingenomen, en de zelfstandigheid
-van het Christendom gered. Maar nu komen in de derde eeuw
-allerlei inwendige twisten op. De groote strijd der 3<sup>e</sup> eeuw liep
-over de verhouding van den Logos (en den Geest) tot den Vader, en
-de ketterij die moest bestreden worden was het Monarchianisme
-in zijne beide vormen van dynamistisch en modalistisch Monarchianisme.
-De eersten zooals de Alogi, Theodotus en zijne partij,
-Artemas c. s. en vooral ook in het Oosten Paulus van Samosata,
-bisschop van Antiochië sedert 260, trachtten de eenheid Gods zoo
-te handhaven, dat ze Zoon en Geest niet voor personen maar voor
-eigenschappen hielden en aan Jezus de Godheid ontzegden; Jezus
-was een mensch, in bijzondere mate door den Goddelijken Logos
-toegerust en met Gods Geest gezalfd. De modalistische Monarchianen
-echter leerden, dat de Godheid zelve in Christus vleesch
-geworden was; zij erkenden dus de Godheid van Christus maar
-identifieerden Vader en Zoon en kwamen zoo tot het patripassianisme.
-Dit gevoelen was in de 3<sup>e</sup> eeuw zeer verbreid en vond
-veel aanhang; het werd verdedigd en voorgestaan door Noetus,
-Epigonus, Kleomenes, Aeschines, Praxeas, Victorinus, Zephyrinus,
-Kallistus en vooral Sabellius. De monarchianen en
-antitrinitariërs zijn bestreden door Hippolytus in Contra haeresin
-Noeti, en Philosophumena, en ook in ’t zoogen. Parvus Labyrinthus
-(bij Euseb. h. e. 5, 28), door Tertullianus adv. Praxeam,
-Novatianus de trinitate, Dionysius Alex. adv. Sabellium, Eusebius
-<span class="pagenum" id="Page_62">[62]</span>
-contra Marcellum, de eccles. theologia, en de fide ad
-Sabellium. Zie Harnack D. G. I 604-709, en art. Monarch.
-in Herzog<sup>2</sup> 10, 178. Dorner, Gesch. d. Lehre v. d. P. Christi,
-2<sup>e</sup> Aufl. I 497 f. Lange, Gesch. u. Entw. der Systeme der
-Unitariër vor der nic. Synode, 1831. Hagemann, Die römische
-Kirche in den 3 ersten Jahrh. 1864. Aan het eind der 3<sup>e</sup> eeuw
-stond het dogma van Christus’ Godheid en van zijn onderscheid
-van den Vader vast. Er waren drie hypostasen in ’t Goddelijk
-wezen, Vader, Zoon en Geest. Dit was het geloof zoowel in het
-Oosten als in het Westen, Harnack D. G. I 667, 709. De begrippen,
-waarmede het denken in de volgende eeuw zich zal
-bezighouden, zooals μονας, τριας, οὐσια, ὑποστασις, προσωπον
-enz. bestaan reeds, maar zullen eerst later hun bepaald karakter
-en vaste waarde verkrijgen. De grondslag is gelegd, en de grenzen
-zijn afgebakend, binnen welke de christelijke speculatie haar
-kracht beproeven zal.</p>
-
-<h4>B. De dogmatiek in de Oostersche Kerk.</h4>
-
-<p>5. De periode van de 4<sup>e</sup> tot de 8<sup>e</sup> eeuw wordt in het Oosten
-geheel in beslag genomen door de christologische twisten. De
-homoousie van den in Christus mensch geworden Zoon met den
-Vader was het dogma bij uitnemendheid. Het religieus belang,
-hierbij in ’t spel, was dat God zelf mensch moest worden, opdat
-wij menschen van den dood bevrijd, tot de onsterfelijkheid en
-de aanschouwing Gods geleid, en der goddelijke natuur deelachtig
-gemaakt zouden worden. De Godheid van Christus is het
-wezen des Christendoms. Niemand heeft dit beter begrepen dan
-Athanasius. Zijne geschiedenis is die zijner eeuw. Voor hem
-concentreert zich heel het Christendom in de verlossing ten
-eeuwigen leven door den waarachtigen Zoon van God. Daarin
-handhaaft hij het specifiek karakter der christ. religie, maakt
-de leer der triniteit vrij van kosmologische speculaties, die er
-nog bij Origenes en Tertullianus mede verbonden waren, en bewaart
-’t Christendom voor verwereldlijking, Harnack II 21-27,
-204 f. Athanasius is christoloog. Hij voelt diep het religieus
-belang van de Godheid van Christus. Christus moest God zijn,
-om onze Zaligmaker te kunnen wezen. Door deze geheel eenige
-beteekenis van het christologisch dogma zien geen eigenlijke
-<span class="pagenum" id="Page_63">[63]</span>
-dogmatische systemen het licht. Wel echter zijn er een aantal
-belangrijke dogmatische verhandelingen. Het Arianisme wordt
-bestreden door Alexander, bisschop van Alexandrië, in zijn Epistolae
-de Ariana haeresi deque Arii depositione, door Athanasius
-in al zijne geschriften, vooral in zijne Orationes contra Arianos,
-door Basilius in zijn Libri V adv. Eunomium en in zijn Liber
-de Spiritu Sancto, door Gregorius Naz. in zijn Orationes V de
-theologia, door Gregorius Nyss. Libri s. orationes XII c. Eunomium,
-door Cyrillus, Hilarius, Ambrosius, Fulgentius e. a., en
-op de Synode van Nicea en Constantinopel veroordeeld. De
-Godheid en homoousie des H. Geestes werd tegen Macedonius
-van Constantinopel verdedigd door Athanasius in zijn Epistolae
-ad Serapionem, door Basilius in zijn werk tegen Eunomius, en
-in zijn verhandeling de Spiritu Sancto, door Greg. Naz. in verschillende
-van zijne Orationes theologicae, door Greg. Nyss. in
-zijn adv. pneumatomachos Macedonianos, en vooral ook door
-Didymus in zijn werken de Trinitate libri tres en de Spiritu
-Sancto, en werd vastgesteld op de Syn. te Constantinopel 381.
-Reeds tijdens de vraag over de homoousie des Zoons kwam eene
-tweede vraag op over de menschelijke natuur en over hare vereeniging
-met de goddelijke natuur. Apollinaris erkende dat de
-Verlosser God moest zijn, maar hij kon geen volkomen mensch
-zijn, want dan waren er twee wezens en twee personen en kwam
-er geen eenheid. De Logos nam daarom aan bezielde σαρξ en
-vormde daarin zelf het πνευμα, het ik, het principe van zelfbewustzijn
-en zelfbepaling. Maar hij werd bestreden door Athanasius,
-de incarnatione domini nostri J. C. contra Apollinarem,
-en de salutari adventu J. C., door Greg. Naz. in zijne Epistolae
-ad Cledonium en door Greg. Nyss. in zijn Antirrheticus adv.
-Apollinarem, en op de Synode te Rome 377 en te Constantinopel
-381 veroordeeld. Toen de twee naturen waren vastgesteld, rees
-er verschil over den aard harer vereeniging. Niet substantieel
-en wezenlijk, maar moreel en relatief, zei Nestorius; er zijn in
-Christus twee personen, ὑποστασεις. Maar hij vond een sterk
-bestrijder in Cyrillus van Alexandrië, die hem in verschillende
-werken de incarnatione Unigeniti, adversus Nestorii blasphemias
-contradictionum Libri V, enz. aanviel, en werd veroordeeld op
-de Synode te Efeze 431. Het lijnrecht daartegenover staande
-gevoelen van Eutyches werd bestreden door Theodoretus in zijn
-<span class="pagenum" id="Page_64">[64]</span>
-Ερανιστης ἠ πολυμορφος en Leo Magnus in zijn Epistola ad
-Flavianum en werd veroordeeld op de Synode te Chalcedon 451.</p>
-
-<p class="sep2">6. Het chalcedonisme bracht echter geen vrede, de verwarring
-nam toe, het monophysitisme was in het Oosten te sterk. Het vond
-wel een krachtig verdediger in Leontius van Byzantium 485-543,
-door Harnack II 383 de eerste scholasticus genoemd, en werd
-ook erkend op de 5<sup>e</sup> synode te Constantinopel 551. Maar de
-Monophysieten werden niet gewonnen, ook niet door de bemoeiingen
-van Justinianus I. De in de 7<sup>e</sup> eeuw opkomende monergistische
-en monotheletische strijd eindigde met de vaststelling van
-twee willen in Christus op de 6<sup>e</sup> synode te Constantinopel 680.
-En tot den huidigen dag zijn er monophysitische Christenen in
-Syrie, art. Jacobiten in Herzog<sup>2</sup>, Dr. H. G. Kleijn, Jakob Baradeus.
-Leiden 1881. Ze nemen ééne natuur in Christus aan, ex.
-niet in duabus naturis, verwerpen Chalcedon en erkennen de
-zoogenaamde rooversynode te Efeze, gebruiken gezuurd brood bij
-het avondmaal, maken het kruis met één vinger, hebben beelden- en
-heiligenvereering van de grieksche en roomsche kerk overgenomen
-en staan onder den „Patriarch van Antiochië” die echter
-gewoonlijk in Diarbekr woont. Dogmatisch van belang is de
-geloofsbelijdenis van Baradeus bij Kleijn bl. 110 v. Monophysieten
-zijn er voorts in Egypte, Kopten geheeten, onder een
-patriarch wonend in Kaïro, Herzog<sup>2</sup> 1, 178 f., in Abessynië, onder
-een Abbûna, door den patriarch in Kaïro benoemd en resideerende
-in Gondar, Herzog<sup>2</sup> 1, 69 f., in Armenië onder een Katholikos
-in Etschmiadsin, een klooster bij Erivan in Armenië. Zie Hofmann,
-Symboliek §&nbsp;62-68, met de daar en in Herzog aangegeven
-litteratuur, Kattenbusch, Confessionskunde I 205-234.</p>
-
-<p>Maar dogmatisch zijn niet alleen de christologische geschriften
-van belang, ook andere verhandelingen komen in aanmerking.
-De leer van God, zijn namen, eigenschappen, voorzienigheid
-werden behandeld in aansluiting aan de apologeten, die het christelijk
-Godsbegrip tegenover het gnosticisme hadden gehandhaafd.
-Men ging meest uit van de natuurlijke Godskennis, van God als
-een eenvoudig, onveranderlijk zijn, wiens bestaan psychologisch,
-kosmologisch en teleologisch bewezen kon worden, die wel onkenbaar
-was in zijn wezen, maar in de Schrift als Drieëenige
-was geopenbaard, Chrysostomus, Homiliae 12 contra Anomoeos
-<span class="pagenum" id="Page_65">[65]</span>
-seu de incomprehensibili Dei natura, Pseudodiomysius de divinis
-nominibus, Chrysostomus de providentia L. III. Theodoretus de
-providentia orationes X, Harnack II 116-122, Münscher-v. Coelln
-I 124 f. Kosmologie en anthropologie werden vooral behandeld
-in aansluiting aan Genesis 1-3, en zoo, dat het Origenisme
-vermeden werd. God had de wereld geschapen door den Logos
-naar het voorbeeld eener bovenaardsche geestelijke wereld; de
-zonde ontstond door den vrijen wil en wordt opgewogen door de
-straf en de verlossing, Basilius, Homiliae IX in hexaemeron.
-Greg. Nyss. Explicatio apologetica in hexaemeron en de hominis
-opificio, Ambrosius L. VI in hexaemeron. Augustinus, de Genesi
-contra Manich. L. II, De Genesi ad litteram liber imperfectus.
-Johannes Philoponus, de æternitate mundi c. Proclum, en de
-mundi creatione l. VII, Anastasius Sinaita, Anagogicæ contemplationes
-in hexaemeron, libri XII. Harnack D. G. II 122-129.
-Münscher-v. Coelln I 141 f. Schwane D. G. II. Voorts werden
-er ook zeer vele tractaten geschreven over de virginiteit, het
-monnikschap, de volmaaktheid, de priesterschap, de opstanding
-enz., zooals door Ephraem Syrus, Greg. Naz., Chrysost., Greg.
-Nyss., Chrysost., benevens vele apologieën tegen Joden, Heidenen
-en Ketters. Het merkwaardigst voor de geschiedenis der dogmatiek
-zijn de Ὑποτυπωσεις, Institutiones theologicæ libr. VII, in
-fragmenten bij Athanasius, en verzameld in Gallandii Bibl. III
-662-663. Routh Reliq. Sacr. III en Migne ser. gr. 18, waarvan
-de drie eerste boeken handelen over God, den Vader en den Schepper,
-den Zoon en den Geest, het vierde over engelen en daemonen,
-het vijfde en zesde over de incarnatie en het zevende over de
-schepping. Voorts de Κατηχησεις van Cyrillus, 18 voordrachten
-voor φωτιζομενοι over de waarheden des geloofs en vijf voor
-νεοφωτιστοι over de mysteriën, doop, zalving, eucharistie,
-liturgie, Plitt, de Cyrilli Hierosol. orationibus, quae exstant
-catecheticis. Heidelb. 1855. Gregorius van Nyssa, Oratio catechetica
-in 40 cap. bevat eene philosophische bewijsvoering voor de
-hoofdwaarheden des Christendoms, Gods bestaan, wezen, triniteit,
-schepping en val, verlossing, sacramenten, vooral boete en eucharistie,
-en eschatologie. Chrysostomus’ Catecheses duo zijn vooral
-zedelijke toespraken tot de catechumenen. Theodoretus gaf een
-compendium van het christ. geloof in het 5<sup>e</sup> boek van zijn
-Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη Haereticarum fabularum compendium.
-<span class="pagenum" id="Page_66">[66]</span>
-Maximus Confessor behandelde de geloofswaarheden der
-kerk in korte kapittels Κεφαλαια, 200 over de leer van God,
-300 over de menschwording en de zonde, 500 over de liefde.
-Van groote beteekenis waren ook de vijf geschriften περι θειων
-ὀνοματων, περι της οὐρανιας ἱεραρχιας, περι της ἐκκλησιαστικης
-ἱεραρχιας, περι μυστικης θεολογιας benevens 10 brieven,
-die in de vijfde eeuw het licht zagen en langen tijd doorgingen
-voor geschriften van Dionysius Areopagita. Ze gebruikten neoplatonische
-philosophie en pantheïstische mystiek tot toelichting en
-bewerking der christelijke leer en werden spoedig hooggeschat,
-gecommentariëerd door Maximus Confessor, Pachymeres e. a.,
-door theologen, mystici, asceten vooral in de Middeleeuwen gebruikt
-en haast met de Schrift gelijk gesteld. Al de elementen
-der dogmatische ontwikkeling werden eindelijk saamgevat en vereenigd
-door Joh. Damascenus in zijn Πηγη γνωσεως. Dit werk
-bestaat uit 3 deelen. In deel 1 Κεφαλαια φιλοσοφικα geeft hij
-een schets der philosophie als dienares en werktuig der theologie,
-bepaaldelijk der logica naar Aristoteles en Porphyrius. Deel 2
-is historisch, Περι αἱρεσεων en geeft een overzicht der ketterijen
-tot Mohammed toe. Deel 3 Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως
-is het eigenlijk dogmatische deel in 100 capita; hij erkent zelf
-daarin niets te geven dan wat de vaderen geleerd hebben en
-haalt dan ook de grieksche vaders, en Paus Leo telkens aan,
-J. Langen, Johannes van Damaskus, Gotha 1879. Grundlehner,
-Joh. Dam. Utrecht 1876.</p>
-
-<p>Eene geschiedenis van de theologie en de dogmatiek in de
-Oostersche kerk na Damascenus bestaat nog niet. De patristische
-tijd, waarin de groote dogmenvorming plaats had, eindigde
-ongeveer met Justinianus I 527-565, of ook met Photius ±
-860. Heel deze tijd van de 6<sup>e</sup> tot de 9<sup>e</sup> eeuw is een tijd van
-overgang. De beeldenstrijd 726-842 is daarin de karakteristieke
-gebeurtenis, Harnack, D. G. II 452 f. K. Schwarzlose, Der Bilderstreit,
-ein Kampf der gr. K. um ihre Eigenart und um ihre
-Freiheit, 1890. Reliquiën en beelden waren ook al voor de 5<sup>e</sup>
-eeuw in gebruik, maar het christologisch dogma kwam ze ondersteunen.
-Het eigenaardige van het Christendom scheen daarin
-gelegen, dat het het Goddelijke zinlijk en lichamelijk tegenwoordig
-maakte. Het beeld werd weldra van symbool tot drager en
-orgaan van het heilige. Het heidendom keerde in de christelijke
-<span class="pagenum" id="Page_67">[67]</span>
-kerk terug. Maar de verdediging der beelden was juist verbonden
-met die van de vrijheid der kerk en met de religieuse belangen, die
-er toen aanwezig waren. Daartegenover stond de keizerlijke partij,
-die de beelden bestreed maar daarmede ook de kerk aan den
-staat wilde onderwerpen, die aan den keizer de vaststelling van
-een kerkelijk dogma wilde laten, die door het bestrijden der
-beelden Joden en Mohammedanen te gemoet wilde komen. In
-de beeldenvereering trok heel de orthodoxie zich samen. In het
-zinlijke wil men het Goddelijke bezitten en genieten. Johannes
-Damascenus was een van de krachtigste verdedigers der beeldenvereering,
-in zijne de imaginibus orationes III; hij brengt ze
-met de vleeschwording Gods in Christus in ’t nauwste verband
-en ziet in hare bestrijding judaïsme en manichaeisme. De dogmatische
-rechtvaardiging der beeldenvereering is de laatste arbeid
-der kerk in ’t Oosten geweest. De Byzantijnsche periode, van de
-9<sup>e</sup> eeuw tot de inneming van Constantinopel door de Turken
-1453, treedt in. Het is een tijd van rust, van machteloosheid
-in het produceeren. De grieksche kerk is die der orthodoxie, zij
-bewaart alleen; het christologisch dogma is het dogma bij uitnemendheid.
-Toch is er tot 1453 toe een sterk wetenschappelijk
-leven geweest. De geschriften der Byzantijnsche theologen, van
-Damascenus af tot die welke de inneming van Constantinopel
-beleefden, vormen in den Cursus patrologiae graecae van Migne
-de banden 94-161. Na Damascenus, wiens dogmatiek nog tot
-heden toe norma is, verdient uit de Byzantijnsche periode vooral
-genoemd te worden Photius, patriarch van Constantinopel 891,
-wiens hoofdwerk Μυριοβιβλος of Bibliotheca geleerde excerpten
-uit allerlei schrijvers bevat en die als dogmaticus optrad in zijne
-Μυσταγωγια του ἁγιου πνευματος, ed. Hergenröther, Ratisb.
-1857; cf. Gass in Herzog<sup>2</sup>, Hergenröther, Photius, Patriarch v.
-K., Regensburg 1867-69. Voorts Euthymius Zigabenus in de
-12<sup>e</sup> eeuw, die op last van keizer Alexius I schreef eene Πανοπλια
-δογματικη της ὀρθοδοξου πιστεως ἠτοι ὁπλοθηκη δογματων, en
-Nicetas Choniates ± 1220 die het werk van Euthymius aanvulde
-in zijn Θησαυρος ὀρθοδοξιας, ten deele uitgegeven, cf. Ullmann,
-Nic. v. Meth., Euth. Zigab. und Nicetas Chon. oder die dogm.
-Entw. der gr. K. im 12 Jahrh., Stud. u. Kr. 1883 4<sup>tes</sup> Heft.
-Verder is het werk van Nicolaus Kabasilas, περι της ἐν Χριστῳ
-ζωης λογοι ἑπτα door Gass uitgegeven 1849; en eene verhandeling
-<span class="pagenum" id="Page_68">[68]</span>
-van Demetrius Kydonius περι του καταφρονειν τον θανατον
-door Kuinoel, Lips. 1786.</p>
-
-<p>Na de inneming van Constantinopel door de Turken zou de
-grieksche kerk in het Oosten geheel vernietigd of tot eene secte
-ineengekrompen zijn, indien ze niet steun had gevonden in het
-Russische rijk, dat in de 10<sup>e</sup> eeuw gekerstend werd en het
-grieksch-orthodoxe geloof in zijn geheel en zonder kritiek overnam.
-Van de theol. litteratuur na dien tijd is ons nog veel
-minder bekend, dan in het vroegere tijdvak. Migne’s uitgave
-gaat niet verder en laat ons hier in den steek. Een overzicht
-van namen en werken wordt gegeven in Νεοελλενικη φιλολογια,
-συγγραμμα Κωνσταντινου Σαθα, Athene 1868. De pogingen
-tot vereeniging met Rome op de concilies van Lyon 1274 en
-Florence 1439 zijn ons uit de akten bekend. De correspondentie
-van de Tubingsche theologen 1576 met den patriarch Jeremias II
-is te Wittenberg 1584 uitgegeven, Gass Symb. der gr. K. 45 f.;
-over die van Cyrillus Lucaris met vele protest. theologen en
-staatslieden zie men Gass, art. Lucaris in Herzog<sup>2</sup> 9, 5 f.,
-Kattenbusch 141 f. Men kan de geschiedenis dezer litteratuur
-niet in één woord: versteening, orthodoxisme, enz. samenvatten.
-Het zwaartepunt der grieksche kerk is naar Rusland verlegd,
-en Rusland is nog jong, heeft nog geen verleden en komt eerst
-op. Zijn litterarisch en wetenschappelijk leven heeft nog pas een
-aanvang genomen. Uit de vorige eeuw wordt genoemd Theophanes
-Procopowitsch, die als de vader der russische systematische
-theologie geldt, Philaret, Gesch. der Kirche Russlands II 209 v.
-En uit deze eeuw Philaret, Ausführl. Catech. der rechtgläub.
-kath. morgenl. Kirche in ’t werk van Philaret Gesch. d. K. Russl.
-II 293 f. Macarius, Handbuch zum Studium der christl. orthodox.
-dogm. Theol., deutsch von Blumenthal 1875. Zie Zöckler Supplement
-112 f. Kurtz, Lehrb. d. K. G. §&nbsp;68. Gass, Beiträge zur
-kirchl. litt. u. dogm. gesch. des gr. M. A., 2 Bde. Breslau
-1844-47. Ook: A. v. Reinholdt, Gesch. der russ. Lit. v. ihren
-Anfängen bis auf die neueste Zeit 1886. K. Krumbacher, Gesch.
-der byzant. Litt. 1891. Kattenbusch, Conf. 252-287. Het leerbegrip
-der grieksche (russische) kerk is te vinden bij Walch I
-431 sq. E. J. Kimmel, Monumenta fidei ecclesiae orientalis,
-2 Bde. 1850. Schaff, Creeds of Christ. I. 1881. p. 24-82;
-II 57-73; 275-554. Μεσολωρας, Συμβολικη της ὀρθοδοξου
-<span class="pagenum" id="Page_69">[69]</span>
-ἀνατολικης ἐκκλησιας I 1883. W. Gass, Symbolik der gr. Kirche
-1872. H. Schmidt, Handbuch der Symbolik, 1890. S. 30 f.
-Hoffmann, Symboliek bl. 130 v. Kattenbusch, Lehrb. der vergl.
-Confessionskunde I: Die orthodoxe anatolische Kirche I 1892.
-Voorts kan men nog raadplegen over de kerken in het Oosten,
-vooral in Rusland, de werken genoemd door Walch Bibl. theol.
-sel. II 559 sq. Le Quien, Oriens christianus, 3 Bde. 1740. J.
-Mason Neall, History of the holy eastern church I 1850. Gass,
-art. Gr. u. gr. russ. Kirche, Konstant. in Herzog<sup>2</sup>. J. Silbernagl,
-Verfassung und gegenwartiger Bestand sämmtlicher Kirchen des
-Orients, Landshut 1865. Victor Frank, Russische Selbstzeugnisse.
-I Russ. Christ. Paderborn 1889. H. Dalton, Die russ. Kirche,
-Leipzig 1892. Presb. and Ref. Rev. Jan. 1892 p. 103 v. Anatole
-Leroy Beaulieu, Das Reich des Czaren und der Russen, autor.
-deutsche mit Schluszbemerkungen versehene Ausgabe von L.
-Pezold und J. Muller. Sondershausen 1884-90. III Bd.: Die
-Macht der Religion, Kirche, Geistlichkeit und Sektenwezen in
-Russland. H. Dalton, Evangel. Strömungen in der russ. Kirche
-der Gegenwart, Heilbronn 1881. Nik. von Gerbel-Embach,
-Russische Sectirer, Heilbronn 1883 (beide in de Zeitfragen des
-Christ. Volkslebens Bd. VI en VIII). Over de Stundisten: The
-Stundists, the story of a great religious revolt. James Clarke,
-Fleetstreet, London. Dr. Ferd. Knie, Die russ.-schismatische Kirche,
-Ihr Lehre und ihr Cult. Graz 1894. Kattenbusch 234 f. 542 f.</p>
-
-<h4>C. De Dogmatiek in de Latijnsche, Roomsche Kerk.</h4>
-
-<p>8. De kerk en theologie draagt in het Westen van den aanvang
-af een eigen karakter. Bij Tertullianus, Cyprianus, Irenaeus
-komt dit reeds duidelijk uit. In het Oosten is de heerschende
-gedachte in de dogmatiek deze, dat de mensch door de zonde
-aan de φθορα onderworpen is en nu door God zelven in Christus
-van den dood bevrijd en het leven, de onsterfelijkheid, de goddelijke
-natuur deelachtig wordt gemaakt. De ideeën van substantie,
-wezen, natuur, staan hier op den voorgrond en kweeken
-stilstand, rust, zoowel in de leer als in het leven. In het
-Westen daarentegen valt de nadruk op de relatie, waarin de
-mensch tot God staat. En deze relatie is die van een schuldige
-tegenover een rechtvaardig God, wiens geboden hij overtreden
-<span class="pagenum" id="Page_70">[70]</span>
-heeft. Christus heeft echter door zijn werk de genade Gods,
-de vergeving der zonden, de kracht tot onderhouding der wet
-verworven. En dit drijft uit tot een werkdadig leven, tot
-gehoorzaamheid en onderwerping. In het Oosten sluit men zich
-vooral bij Johannes, in het Westen bij Paulus aan. Daar ligt
-het zwaartepunt in de vleeschwording, hier in den dood van
-Christus. Daar staat de persoon, hier het werk van Christus
-op den voorgrond. In het Oosten komt het in de eerste plaats
-aan op de godmenschelijke natuur, op de eenheid van beide
-naturen in Christus; in het Westen daarentegen op het onderscheid
-van beide naturen, op de Middelaarsplaats, welke Christus
-tusschen God en mensch inneemt. Daar heerscht het mystische,
-liturgische, hier het juridische, politieke element, Kattenbusch,
-Confessionskunde I 103 f. Dit onderscheid is van den beginne
-af aanwezig. De scheuring was eene kwestie van tijd. Met de
-opkomst van Constantinopel begon de openlijke strijd. Constantinopel
-kon niet wijzen op een apostolischen oorsprong en ontleende
-al zijne beteekenis aan de politiek, aan het keizerlijk
-hof. Het wilde een tweede Rome zijn. De bisschop van Constantinopel
-kreeg volgens het concilie van 381 can. 3 τα πρεσβεια
-της τιμης na den bisschop van Rome, δια το εἰναι αὐτην νεαν
-Ρωμην. Daarmede was het tevreden, met eene plaats naast
-Rome. Het Oosten wilde ééne kerk, ja, maar in twee helften,
-met twee keizers, twee hoofdsteden, twee bisschoppen van gelijken
-rang. De grieksche kerk noemt zich de orthodoxe, zij acht
-zichzelve in het volle bezit der waarheid, zij rust en geniet.
-Maar zij noemt zich ook de anatolische, zij bindt zich aan een
-bepaald land en is hiermede voldaan. Gansch anders was het
-met Rome. Rome handhaafde zich niet als politieke stad naast
-Constantinopel, maar plaatste zich als sedes apostolica hoog
-boven Constantinopel. Rome vertegenwoordigde en verdedigde
-een religieus belang. Het baseerde zijne aanspraken en rechten
-weldra op Mt. 16:18, en eischte eene universeele, eene katholieke
-plaats. In de Westersche kerk zit daarom eene aggressieve,
-eene wereldveroverende tendenz. Deze tweeërlei richting dreef
-het Oosten en Westen uiteen. Toen daarbij nog verschillen
-kwamen in gebruiken, riten en vooral in de belijdenis van het
-filioque, werd het schisma hoe langer hoe meer voorbereid. In
-1054 kwam het formeel tot stand.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_71">[71]</span>
-Toch was het Westen in veel opzichten van het Oosten
-afhankelijk. Hier was toch het eerst de kerk gesticht. Hier
-traden de Apostolische vaders en de Apologeten op. Hier werd
-de machtige strijd tegen het Gnosticisme en het Manichaeisme
-gestreden. Hier werden de theologische en christologische dogmata
-op de conciliën vastgesteld. Synoden zijn er, in de tweede
-eeuw, het eerst in Klein-Azië opgekomen. De oecumenische
-conciliën, van 325 af tot het midden der 9<sup>e</sup> eeuw toe, zijn alle in
-het Oosten, in Klein-Azië of Constantinopel gehouden, en worden
-tot dat van 879 toe alle ook door de Westersche kerk erkend.
-De objectieve grondslagen van de kerkleer zijn in het Oosten en
-Westen dezelfde. Sedert de tweede helft der tweede eeuw drong
-de oostersche theologie ook in het Westen door. Victorinus Rhetor,
-Hilarius, Ambrosius, Hieronymus, Rufinus hebben de theologische
-gedachtenwereld van het Oosten naar het Westen overgebracht.
-Oudtest. exegese, platonische theologie, monnikenwezen, het ideaal
-der virginiteit deden in het westen hun intocht en huwden
-daar met den westerschen geest. Ambrosius †&nbsp;397, bestudeerde
-de werken van Clemens, Origenes, Didymus, vooral van Basilius,
-en bracht de Oudtest. exegese (Hexaemeron, de Paradiso, de
-Cain et Abel etc. naar Basilius), het ideaal der virginiteit in
-den zin van het mystieke huwelijk der ziel met Christus (de
-virginitate, liber de Isaac et anima, naar Origenes, Methodius),
-en ook de triniteitsleer en de christologie der Cappadociërs,
-(Libri V de fide, Libri III de Spiritu S<sup>o</sup>, liber de incarnationis
-dominicæ sacramento) in het Westen over. Hilarius van Pictavium
-†&nbsp;368 verkeerde gedurende zijne ballingschap 356-359 in Kl.
-Azië, lichtte in zijn werk de Synodis seu de fide Orientalium
-de bisschoppen van Gallie in over den christologischen strijd in
-het Oosten, verdedigt deze leer in zijn werk de Trinitate in 12
-boeken, en maakt in zijne exegetische werken over Mattheus en
-enkele psalmen ruim gebruik van de typische en allegorische
-exegese. Victorinus rhetor, door Augustinus, Conf. 8,2 zeer geprezen,
-voerde in zijne geschriften Liber ad Justinum Manichæum
-contra duo principia Manichæorum et de vera carne Christi, in
-zijn liber de generatione divina en in zijn strijdschrift Adversus
-Arium Libri IV de neoplatonische philosophie in de theologie in
-en werd daardoor van den grootsten invloed op Augustinus.
-Rufinus †&nbsp;410 verkeerde vele jaren in Egypte en Palestina, en
-<span class="pagenum" id="Page_72">[72]</span>
-ging om met de kluizenaars, met Hieronymus, Didymus in
-Alexandrië, Johannes in Jeruzalem, en was vooral daardoor van
-beteekenis, dat hij vele grieksche werken van Josephus, Eusebius,
-Origenes, Basilius, Gregorius Naz., enz. in ’t latijn bewerkte.
-Bovendien schreef hij eene Historia monachorum, biografieën
-van 33 heiligen in de nitrische woestijn, en Peregrinationes
-ad loca sancta; verschillende commentaren op boeken des O. T.;
-en eindelijk eene Expositio symboli apostolici, wier waarde voor
-de historie grooter is dan voor de dogmatiek. Eindelijk moet
-hier Hieronymus †&nbsp;420 genoemd worden. Schoon opgevoed in
-Rome, vertoefde hij ’t grootste deel van zijn leven in Syrië en
-Palestina. Zijne verdienste ligt vooral in zijne vele Schriftstudiën;
-in de theologie is hij weinig zelfstandig, en zeer angstig
-voor zijne orthodoxie; in zijne exegese huldigt hij dikwerf de
-allegorische methode van Philo en de Alexandrijnsche theologen,
-vooral is hij een lofredenaar van de askese; hij verdedigde de
-jonkvrouwelijkheid van Maria tegen Helvidius, de verdienstelijkheid
-van het vasten en van het coelibaat tegen Jovinianus, de
-vereering der martelaars en van hunne reliquiën tegen Vigilantius
-en spreekt naar Luthers woord in de tafelgesprekken altijd van
-vasten, spijze, virginiteit en schier nooit van geloof en hoop
-en liefde.</p>
-
-<p class="sep2">9. Heel deze dogmatische ontwikkeling van het Oosten en
-Westen loopt uit op Augustinus. De triniteitsleer en de christologie
-van de Oostersche theologen; de leer van mensch, zonde, genade,
-geloof, voldoening, verdienste van Tertullianus en Ambrosius;
-het neoplatonisme van Victorinus; de leer van Cyprianus over
-kerk en sacrament; het monnikideaal van Hieronymus en Hilarius;
-dat alles is door Augustinus overgenomen en door hem, in zijn
-rijke levenservaring, tot zijn geestelijk eigendom gemaakt. Een
-theologisch, dogmatisch systeem heeft Augustinus niet geleverd.
-De stof die hem van alle kanten, uit Schrift, traditie, philosophie,
-toestroomt en die hij door zijn rijke persoonlijkheid uitbreidt
-en vermeerdert, liet zich niet in eens overzien en systematiseeren.
-Het voornaamste, dat Augustinus in dit opzicht geleverd
-heeft, is zijn Enchiridion de fide, spe et caritate, eene verklaring
-van de voornaamste geloofswaarheden aan de hand van het apost.
-symbool. Maar aan tegenstrijdigheden ontbreekt het in zijne leer
-<span class="pagenum" id="Page_73">[73]</span>
-niet, vooral niet aan die tusschen zijne kerk-en zijne genadeleer.
-Reuter heeft aangetoond, dat die tegenstrijdigheden niet te vereffenen
-zijn, en dat de gedachten van Augustinus zich niet in
-een systeem laten samenvatten. En toch is er geen kerkvader
-geweest, die zoo diep alle theol. problemen heeft ingedacht en
-zoo geworsteld heeft om tot eenheid te komen, Harnack III 87.
-Hij is de eerste geweest, die zich duidelijk trachtte rekenschap
-te geven van al die theol. vragen, welke later in de prolegomena
-der dogmatiek zouden behandeld worden, en die tot de laatste
-psychologische en noëtische problemen doordringt. Het vaste punt,
-waarvan hij uitgaat, is de mensch, zijn zelfbewustzijn, zijne
-onuitroeibare zucht naar en behoefte aan waarheid, geluk, ’t goede,
-welke alle één zijn. Dit uitgangspunt is zeker en betrouwbaar
-(tegen de sceptici), wijl het twijfelen zelf nog geloof aan waarheid
-onderstelt en het zelfbewustzijn de laatste grond der waarheid
-is. Augustinus werd zelf door zulk eene brandende waarheidsliefde
-verteerd. Nu neemt Augustinus wel twee kenorganen aan,
-sensus en intellectus. Maar de kennis, door ’t laatste verkregen,
-gaat die van het eerste ver te boven. Het zinlijke is de waarheid
-zelve niet, het is er maar een beeld van. Eeuwige, onveranderlijke
-waarheid is slechts door het denken te vinden. Wel ontkent
-Augustinus niet, dat wij ook door het zienlijke heen tot het
-onzienlijke kunnen opklimmen, maar gewoonlijk zoekt hij den
-weg tot de waarheid niet buiten ons door de natuur heen, maar
-door ’s menschen eigen geest. Daar vindt hij in zijne, in de aan
-allen eigene rede eeuwige, onveranderlijke waarheden, welke
-zelve weer terugwijzen op en zich samenvatten in God: de hoogste
-waarheid, het hoogste zijn, het eenig goed, aeterna ratio, principium
-universorum. Daarom, wijl God de volle waarheid, het
-zijn, het goede, het schoone zelf is, daarom is er in Hem alleen
-rust voor den mensch, voor zijn denken en willen. Zelfkennis
-en Godskennis zijn de twee polen, waartusschen al zijn denken
-zich beweegt. De wetenschap der natuur wordt wel niet veracht,
-maar toch achtergesteld. Deum et animam scire cupio! Noverim
-me noverim te! God is de zon der geesten. We zien en kennen
-geen waarheid dan in en door zijn licht.</p>
-
-<p>Maar de philosophie is toch onvoldoende. Niet slechts door
-het onvermogen der rede, om den weg tot de waarheid te vinden,
-maar vooral ook doordat haar de superbia in den weg staat.
-<span class="pagenum" id="Page_74">[74]</span>
-En humilitas is alleen de weg ten leven. Er is daarom nog een
-andere weg tot de waarheid, n.l. de auctoritas, de fides. Het
-onderstelt eenerzijds eenig weten, maar zoekt andererzijds naar
-weten en streeft naar kennis. Niet alleen het bestaan van God
-en de onsterfelijkheid der ziel, maar ook de triniteit trachtte
-Augustinus uit de natuur en vooral uit den mensch zelf te bewijzen.
-Maar God is voor hem niet het abstracte, praedicaatlooze
-zijn, maar de levende God, de hoogste waarheid en het hoogste
-goed, de hoogste zaligheid, en daarom de eenige en volle bevrediging
-van ’s menschen hart. Heel Augustinus’ denken is religieus,
-theologisch; hij ziet alles in God. In dat licht beziet hij
-ook de wereld; zij is eenerzijds een niet-zijn, een beeld, vergankelijk,
-maar andererzijds als schepping Gods een kunstwerk,
-naar de ideeën in Gods bewustzijn geschapen, en allengs, trapsgewijze,
-bij graden die ideeën realiseerende, en eene eenheid
-vormende, die de rijkste verscheidenheid in zich bevat; de dingen
-verschillen onderling in mate van zijn en dus van waarheid en
-goedheid. Ze is een kosmos, berustend op idee en getal, orde,
-maat, samengehouden door één wil, één rede, een amplissima
-inmensaque respublica; waarin de wonderen slechts zijn contra
-quam est nota natura, waarin de zonde slechts eene privatio is,
-door de straf wordt gecompenseerd, en mede bijdraagt tot de
-schoonheid en harmonie van het geheel. In het pulcherrimum
-carmen der schepping is ook deze antithese van noode; de zonde
-is aan de tegenstellingen in eene redevoering, aan de barbarismen
-in de taal, aan de schaduw op de schilderij gelijk. Augustinus
-tracht het kwade in te voegen in de orde van het geheel. Maar
-daarmee vergoelijkt hij de zonde niet. Hij stelt n.l. ’t doel der
-dingen niet in ’t ethisch goede, maar daarin dat de schepping is
-en meer en meer worde een harmonische openbaring van al Gods
-deugden en volmaaktheden. En daaraan wordt de zonde ook door
-Gods wil dienstbaar gemaakt. Voorts weet men, hoe diep en
-ernstig Augustinus de zonde opvatte. Nondum considerasti,
-quanti ponderis sit peccatum. Hij zag het om zich heen en voelde
-het: de mensch zoekt God en heeft behoefte aan Hem, en hij
-kan en wil niet tot Hem komen. Aan den mensch is nog alleen
-goed, dat hij is. De menschheid is eene massa perditionis. Zonde
-is vooral hoogmoed, superbia in de ziel en concupiscentia is
-’t lichaam. Zonde is in Adam ons aller daad geweest en daarom
-<span class="pagenum" id="Page_75">[75]</span>
-ons aller lot geworden. Zij is carentia dei, privatio boni, eene
-daad niet alleen maar een toestand, natura vitiata, een defectus,
-inopia, corruptio, een non posse non peccare. Deugden der
-heidenen zijn splendida vitia. Redding uit dien toestand is er
-alleen door de gratia, die haar aanvang reeds neemt in de praedestinatio,
-die zich objectief openbaart in den persoon en het
-werk van Christus, certum propriumque fidei catholicae fundamentum,
-maar die ook subjectief in ons komen moet als gratia
-interna, en ’t geloof en de liefde ons moet instorten. Maar die
-gratia werkt bij Augustinus alleen binnen de grenzen der zichtbare
-kerk. Deze is bij hem eene inrichting des heils, uitdeelster
-der genade, zetel der autoriteit, waarborg der Schrift, woonplaats
-der liefde, stichting des Geestes, ja het regnum Dei zelf. Augustinus
-heeft diep het belang der gemeenschap voor de religie gevoeld;
-de kerk is de moeder der geloovigen. De leer van de
-praedestinatio en van de gratia is met dit begrip van kerk en
-sacrament niet overeen te brengen. Multi qui foris videntur intus
-sunt et multi qui intus videntur foris sunt. Er zijn schapen
-buiten en wolven binnen de kooi. Ook leerde Augustinus wel de
-perseverantia sanctorum, maar hij durfde de subjectieve verzekerdheid
-daarvan niet aan. En juist vanwege deze opvatting van kerk
-en sacrament konden het geloof en de vergeving in de theologie
-van Augustinus niet tot hun recht komen. Geloof en liefde, vergeving
-en heiligmaking worden niet duidelijk onderscheiden. Het
-is alsof geloof en vergeving maar voorloopig zijn; Augustinus
-gaat van deze terstond tot de liefde, de heiligmaking, de goede
-werken over. De gemeenschap met God, de religio, wordt daardoor
-het resultaat van een proces, dat geloof, liefde, goede
-werken, enz. langzamerhand tot stand doen komen. De zaligheid,
-het eeuwige leven, de visio en fruitio Dei, worden toch weer
-eene vrucht van verdienste, en askese is een van de middelen,
-die <ins id="cor_8" title="den den">den</ins> mensch dit doel doen bereiken.</p>
-
-<p>Zoo is Augustinus van de grootste beteekenis geworden voor
-de latere dogmatiek. Hij beheerscht de volgende eeuwen. Elke
-reformatie keert tot hem en tot Paulus terug. In elk dogma
-heeft hij een formule gevonden die door allen overgenomen en
-herhaald wordt. Zijn invloed strekt tot alle kerken, richtingen
-en secten zich uit. Rome beroept zich op hem voor hare leer van
-kerk, sacrament en autoriteit; de reformatie voelde zich aan hem
-<span class="pagenum" id="Page_76">[76]</span>
-verwant in de leer van praedestinatio en gratia; de scholastiek
-bouwde voort op de fijnheid zijner waarneming, de scherpte van
-zijn verstand, de kracht zijner speculatie, Thomas heette optimus
-interpres S. Augustini; de mystiek vond stof in zijn neoplatonisme
-en religieus enthusiasme; roomsche en protestantsche
-vroomheid sterkt zich door zijne geschriften; askese en piëtisme
-vinden voedsel en steun hij hem. Augustinus behoort niet aan ééne
-kerk, maar aan alle kerken te zamen. Hij is Doctor universalis.
-Zelfs de philosophie kan niet dan tot eigen schade hem verwaarloozen.
-En door zijn schoonen, betooverenden stijl, door zijne
-fijne, nauwkeurige, hoogst individueele en toch weer algemeen-menschelijke
-uitdrukking is hij meer dan eenig ander kerkvader
-nog heden te genieten. Hij is de meest christelijke en de meest
-moderne van alle kerkvaders, hij staat van allen het dichtst bij
-ons. Hij heeft de aesthetische wereldbeschouwing vervangen door de
-ethische, de klassieke door de christelijke. Onze beste, diepste
-en rijkste gedachten in de dogmatiek danken wij aan hem. Augustinus
-is <i>de</i> dogmaticus der christelijke kerk geweest. Cf. Harnack.
-Dogm. III<sup>2</sup> 3-215.</p>
-
-<p class="sep2">10. Het Augustinisme was meer dan eene eeuw voorwerp van
-heftigen strijd, het hield de gemoederen verdeeld. Het vond
-niet alleen bestrijding bij Pelagius, Coelestius, Julianus, de
-eigenlijke Pelagianen, maar ook bij vele monniken in Gallie,
-onder wie vooral genoemd worden Joh. Cassianus, Vincentius
-van Lerinum, die in zijn Commonitorium niet alleen de kenmerken
-der traditie aangeeft maar aan het slot ook tegen het strenge
-Augustinisme partij kiest, Eucherius van Lyon, Hilarius van
-Arles, Salvianus van Massilia, Faustus van Rhegium, Gennadius
-van Massilia, schrijver van de fide sua ceu de dogmatibus ecclesiasticis
-in 88 capita. Aan Augustinus’ zijde stonden, behalve
-Possidius van Calama in Numidië, Orosius van Bracara in Spanje,
-Marius Mercator in Constantinopel e. a. vooral ook Prosper
-Aquitanus, Vigilius van Tapsus in Numidië, Fulgentius van
-Ruspe, schrijver van de fide ad Petrum seu de regula verae
-fidei, een korte schets van de hoofdwaarheden des geloofs, Caesarius
-van Arles, Avitus van Vienna e. a. De synode te Orange
-in 529 gaf in den strijd wel eenige beslissing ten gunste van
-Augustinus, maar voorkwam niet, dat semipelagiaansche denkbeelden
-<span class="pagenum" id="Page_77">[77]</span>
-hoe langer hoe meer ingang vonden. De gratia praeveniens
-werd aangenomen, maar de gratia irresistibilis en de
-particuliere praedestinatie toch niet beslist aanvaard, Wiggers.
-Versuch einer pragm. Darstellung des August. u. Pelag. Hamburg,
-Perthes, 2 Theile. 1833. Id. Zeits. f. d. hist. Theol. 1854-1859
-behandelt denzelfden strijd van Gregorius tot Gottschalk. Harnack,
-D. G. III 219 f. In het vervolg bleef er van het Augustinisme
-niet veel over. Paus Gregorius de Groote †&nbsp;604, naast
-Augustinus, Hieronymus en Ambrosius wel de vierde groote
-kerkleeraar genoemd, heeft niets nieuws voortgebracht, maar
-heeft de ideeën der vroegere kerkleeraars zich toegeeigend en voor
-het leven op velerlei wijze verwerkt. Zijne richting is practisch
-en tegelijk mystisch-allegorisch. Hij heeft geen systeem gevormd,
-maar eenvoudig het verkregene bewaard, de dogmata voor
-clerus en leek pasklaar gemaakt, en vooral de verschillende
-middelaars en middelen (engelen, heiligen, Christus, aalmoes,
-zielmis, vagevuur, boete) geschematiseerd, die het den verzwakten
-wil des menschen mogelijk maken, om van de straffen der
-zonde bevrijd te worden. Door dit alles heeft hij met trouwe
-zorg gearbeid aan de opvoeding der nieuwe volken en aan
-de vorming van den clerus. Hij heeft de uitwendige wettelijke
-religie der roomsche kerk gesanctioneerd, en aan het middeleeuwsch
-katholicisme zijn eigenlijke type gegeven. Hij is de sluitsteen
-der oude, de grondsteen der nieuwe wereld. Door zijne liturgische
-geschriften en door zijn kerkgezang heeft hij den roomschen
-cultus onder de Germanen ingevoerd. Door populariseering
-van de dogmata der kerkvaders heeft hij de leer der kerk practisch
-bruikbaar gemaakt voor de onbeschaafde, heidensche Germanen
-en bijgeloof, askese, werkheiligheid bevorderd. Met
-Boethius en Cassiodorius heeft hij op de vorming en het ontstaan
-der wetenschap bij de Germanen grooten invloed geoefend.
-Cassiodorius †&nbsp;± 565 schreef een Liber de artibus ac disciplinis
-liberalium litterarum en besprak daarin de beteekenis van elk
-der 7 vrije kunsten en gaf in zijn werk de institutione divinarum
-litterarum eene methodologie der theol. studie. Boethius heeft
-door zijne vertalingen en verklaringen van de logika van Aristoteles,
-de Isagoge van Porphyrius de kennis en het gebruik der grieksche
-philosophie bij de Germanen ingeleid. En Gregorius heeft
-de theologie in de kerk naar de Germanen overgebracht, Harnack,
-<span class="pagenum" id="Page_78">[78]</span>
-D. G. III 233-244. Lau, Gregor. I nach seinem Leben und
-seiner Lehre geschildert, Leipzig 1845, art. in Herzog<sup>2</sup>. Alzog,
-Patrologie 500.</p>
-
-<p>Bij alle gemis van cultuur en bij de onrust der volksverhuizing
-kon er in den eersten tijd onder de germaansche volken van een
-wetenschappelijk leven geen sprake zijn. De eerste sporen zijn
-te vinden in de bijbelvertaling en de ariaansche geloofsbelijdenis
-van Ulfilas †&nbsp;383. Tegen het einde der 5<sup>e</sup> eeuw waren de
-Oost-en Westgothen, Vandalen, Sueven, Bourgondiers, Herculers,
-Longobarden enz. reeds gekerstend in ariaanschen zin. Maar
-Clovis 481-511 nam met zijn Frankenrijk het roomsche Christendom
-aan. Patrik, schrijver van Confessiones, is apostel der
-Ieren †&nbsp;465. Schotland werd gekerstend door Columba †&nbsp;597.
-De Angelsaksen werden bekeerd door Augustinus met 40 monniken,
-daarheen gezonden door Paus Gregorius I in 596. Fridolinus
-en Columbanus †&nbsp;615 e. a. werkten in <ins id="cor_9" title="Erankrijk">Frankrijk</ins> en Italië;
-de laatste liet belangrijke brieven en ook een regula coenobialis
-na. Allemannië, Beieren, Thuringen, Friesland enz. werden in de
-6<sup>e</sup> en 7<sup>e</sup> E. gekerstend. Bonifacius is de apostel der Duitschers
-in de 8<sup>e</sup> eeuw †&nbsp;755, J. P. Muller, Bonif. eene kerkhist. studie,
-Amst. 1869. De Saksers werden ’t laatst onder Karel den
-Groote door oorlogen 772-804 toegebracht, en het Noorden
-vooral door Ansgar †&nbsp;865. Een der eerste dogmatici is Isidorus
-Hispalensis †&nbsp;636; zijne geschriften zijn van grammatischen,
-historischen, archaeologischen, dogmatischen, moreelen en ascetischen
-inhoud en omvatten al wat in dien tijd te weten viel.
-Hij brengt de klassieke en patristische geleerdheid over tot
-zijn volk. Hij is niet oorspronkelijk, maar geeft uittreksels
-uit heidensche en christelijke werken. In zijn Originum sive
-etymologiarum libri XX spreekt hij in boek 6 over de Schrift,
-in boek 7 over God, de engelen, profeten, apostelen, clerici,
-geloovigen, in boek 8 over de kerk, in boek 9 over de volken.
-Zijne Libri III Sententiarum s. de summo bono is vooral
-geexcerpeerd uit Augustinus en Gregorius en is een voorbeeld
-voor de middeleeuwsche sententieverzamelaars geweest. Boek I
-handelt over God, schepping, tijd, wereld, zonde, engel, mensch,
-ziel, Christus, H. Geest, kerk, ketterij, wet, Schrift, Oud en
-Nieuw Verbond, gebed, doop, martyrium, wonderen, antichrist,
-wereldeinde; boek II en III zijn van ethischen inhoud. Het is
-<span class="pagenum" id="Page_79">[79]</span>
-een compendium, dat het theologisch kapitaal der vorige eeuwen
-aan het Germaansche volk overlevert. Maar tot eene zelfstandige
-bewerking kwam het niet. Karel de Groote trachtte wel
-met geweld de oude cultuur in het Frankenrijk intevoeren. En
-inderdaad ontbrak het in de karolingische periode niet aan
-mannen van groote geleerdheid, maar vlijtig verzamelen en onzelfstandig
-reproduceeren blijven toch de karaktertrekken van de
-periode, die met de 7<sup>e</sup> E. begint en eerst met de kruistochten
-eindigt. Augustinus en Gregorius waren de autoriteiten. De voornaamste
-onder deze karolingische theologen was Alcuinus †&nbsp;804,
-die het adoptianisme van Elipandus van Toledo en Felix van
-Urgel bestreed in Liber contra haeresin Felicis, Libri VII contra
-Felicem en Libri IV adv. Elipandum en voorts nog schreef de
-fide sanctae et individuae Trinitatis Libri III, de Trinitate ad
-Fredegisum quaestiones en Libellus de processione Sp. S<sup>i</sup>. In al
-deze werken toont Alcuinus zijne vertrouwdheid met de werken
-der kerkvaders, hij weerlegt de adoptiaansche dwalingen met
-dezelfde argumenten die vroeger tegen het Nestorianisme b.v.
-door Cyrillus werden gebezigd. De studie van Augustinus leidde
-Gottschalk in de 9<sup>e</sup> E. tot belijdenis der gemina praedestinatio;
-hij vond steun bij Prudentius van Troyes, Remigius van Lyon,
-Ratramnus, Lupus van Ferrières e. a., maar werd tevens heftig
-bestreden door Rhabanus, Hinkmar, Erigena. Het filioque kwam
-uit Spanje in het Frankenrijk en werd opgenomen in ’t symbool.
-Reeds op de synode te Gentilly 767 had men de overtuiging,
-dat het symbolisch was. Het werd met talent door Karels theologen
-verdedigd, Alcuinus de processione Sp. S<sup>i</sup>., Theodulf van
-Orleans de Spiritu S<sup>o</sup>. De synode te Aken 809 besliste, dat
-’t filioque in het symbool behoorde. De beeldenvereering vond in
-het Frankenrijk tegenkanting, de 7<sup>e</sup> oecumenische synode, die
-servitium en adoratio der beelden verlangde, werd niet erkend,
-maar na de 9<sup>e</sup> eeuw zweeg allengs de oppositie. En eindelijk
-werd in de karolingische periode ook nog de mis verder ontwikkeld,
-vooral door Pachasius Radbertus, liber de corpore et
-sanguine domini 831, die bestreden werd door Rhabanus en
-Ratramnus. Radbertus is ook bekend als schrijver van een compendium
-de fide, spe et caritate, dat geloofswaarheden tot een
-zeker geheel samenvat. Vooral verdient in deze periode nog genoemd
-te worden Joh. Scotus Erigena †&nbsp;± 891, ofschoon hij
-<span class="pagenum" id="Page_80">[80]</span>
-meer thuis hoort in de philosophie dan in de theologie. Hij is
-niet de vader der scholastiek maar der speculatieve theologie.
-Hij sluit zich aan bij de gnosis van Origenes en de mystiek van
-Pseudo-dionysius. Zijne grondgedachte is de neoplaton. emanatieleer.
-In zijn werk de divisione naturae zegt hij eerst, dat theologie
-en philosophie eigenlijk één zijn. De recta ratio en de vera auctoritas
-strijden niet. De fides heeft haar waarheid, als theologia
-καταφατικη, affirmativa, in Schrift en traditie, maar de rede, als
-theologia negativa, ἀποφατικη, ontdoet deze waarheid van hare
-omhulselen en spoort er de idee van op. Zoo verandert hij de
-dogmatische waarheid in een kosmisch en theogonisch proces. Al
-’t zijnde vat hij samen onder één begrip, natura, welke in 4
-Stufen van ’t zijnde, door den Logos heen, in de verschijningswereld
-zich openbaart en weer tot God terugkeert.</p>
-
-<p class="sep2">11. Na de tiende eeuw, het saeculum obscurum, ontwaakt er
-overal een nieuw leven. Van het klooster te Clugny gaat er
-eene religieuse reformatie uit, die in de bedelorden der 12<sup>e</sup> eeuw
-zich voortzet. De vroomheid wordt opgevat als een navolgen en
-nabootsen van het leven van Jezus, vooral in zijne laatste
-lijdensweek. De kruistochten brengen nieuwe gedachten en verruimen
-den gezichtskring. De macht der Pausen neemt toe en
-stelt zich niets minder dan de wereldheerschappij tot haar ideaal.
-De wetenschap krijgt in de Universiteiten eene eigen kweekplaats
-en treedt in de theologie op als scholastiek. Theologia scholastica
-duidt, in onderscheiding van de theologia positiva, die de
-dogmata in eenvoudigen, thetischen vorm voordraagt, aan, dat
-de dogmatische stof naar eene wetenschappelijke, in de scholen
-gebruikelijke methode, verwerkt wordt. Scholastiek is op zichzelve
-niets anders dan wetenschappelijke theologie. Zij begint,
-waar de theologia positiva eindigt. Deze is tevreden, als zij de
-dogmata heeft uitgesproken en bewezen. Maar de theologia
-scholastica gaat van die dogmata als hare principia uit, Thomas,
-S. Theol. I qu. 2 en 8, en tracht van daar uit door redeneering
-den samenhang der dogmata op te sporen, dieper in de kennis
-der geopenbaarde waarheid in te dringen, en ze tegen alle bestrijding
-te verdedigen. In de Middeleeuwen kreeg de scholastiek
-echter door verschillende omstandigheden een bepaald karakter,
-dat haar in discrediet heeft gebracht. Ten eerste was het in de
-<span class="pagenum" id="Page_81">[81]</span>
-Middeleeuwen met bronnenstudie zeer droevig gesteld. De waarneming
-werd in theorie niet als principium der kennis geloochend,
-maar feitelijk legde men zich eenvoudig bij de overlevering neer
-en meende men, dat de vroegere geslachten de waarneming al
-voldoende hadden toegepast en volledig in de boeken hadden
-neergelegd. Physica, medicijnen, psychologie enz., alles werd
-uit boeken bestudeerd. In de theologie lag de stof volledig
-voor oogen in de Schrift, maar vooral in de traditie, in de
-kerkvaders, conciliën enz. De scholastiek stond daar niet kritisch
-en skeptisch, maar kinderlijk geloovig tegenover. Het geloof was
-uitgangspunt der scholastiek. Men zocht de dogmatische stof in
-de Schrift en de traditie en nam ze aan zonder eenige kritiek.
-Van de Schrift kwam daarbij dikwerf niet veel te recht. Hebreeuwsch
-en grieksch kende men niet. Grammaticale en historische zin
-ontbrak schier geheel. Men haalde de stof vooral uit de kerkvaders,
-uit Augustinus, Hilarius, Ambrosius, Hieronymus, Gregorius,
-Isidorus, Pseudodionysius, Damascenus en Boëthius.
-Daarbij kwam <ins id="cor_10" title="nn">nu</ins> in de tweede plaats, dat het denken door de
-logische geschriften van Aristoteles allengs geoefend werd, om
-deze dogmatische stof dialectisch en systematisch te verwerken.
-Eerst waren er van Aristoteles slechts de beide logische geschriften
-de categoriis en de interpretatione in latijnsche vertaling,
-benevens de inleiding van Porphyrius op de categoriën, en verschillende
-commentaren vooral van Boëthius bekend; van Plato
-had men slechts een gedeelte van den Timaeus in vertaling en
-voorts aanhalingen bij Augustinus, pseudo-Dionysius e. a. De
-wetenschap buiten de theologie was in het trivium en quadrivium
-verdeeld en was vervat in het encyclopaedisch werk van Cassiodorius.
-Eerst sedert ’t midden der 12<sup>e</sup> eeuw werd het Organon van
-Aristoteles volledig bekend en in ’t begin der 13<sup>e</sup> eeuw ook zijne
-andere werken over metaphysica, physica, psychologie en ethiek.
-Aan deze philosophie ontleende men de dialectische methode,
-maar voorts ook allerlei problemen en kwesties over de verhouding
-van geloof en rede, theologie en philosophie, over de realiteit
-der algemeene begrippen, over de eigenschappen Gods, de wonderen,
-de schepping van eeuwigheid, de ziel enz. Aristoteles
-werd praecursor Christi in naturalibus, evenals Johannes de Dooper
-in gratuitis. Allerlei kosmologische, natuurkundige, psychologische,
-philosophische stof werd daardoor in de dogmatiek opgenomen.
-<span class="pagenum" id="Page_82">[82]</span>
-De dogmatiek was geen geloofsleer meer maar werd een systeem
-der philosophie, eene encyclopaedie der wetenschap, waarin allerlei
-wijsgeerige stof werd opgenomen maar waarin de religie dikwerf
-te kort kwam. En eindelijk werd heel dit scholastiek systeem
-voorgedragen in een vorm, die hoe langer hoe meer tot ernstige
-bedenkingen aanleiding gaf. Niet alleen werd de stof zoo dialectisch
-bewerkt, zoo haarfijn uitgeplozen en zoo juristisch behandeld,
-dat de samenhang met het religieuse leven der gemeente geheel
-werd verbroken; bij voorkeur hield men zich bezig met allerlei
-spitsvondige kwestiën over engelen en duivelen, hemel en hel enz.
-Maar de questionaire vorm, waarin alles gegoten werd, bevorderde
-den twijfel en liet auctoritas en ratio dikwerf geheel uiteengaan
-en vijandig tegenover elkander staan. Menigmaal schijnt de
-zaak van een dogma geheel verloren; maar een enkel beroep op
-een tekst, op een kerkvader maakt alles weer goed. De indruk
-blijft echter, dat het er met het dogma hopeloos bijstaat. De
-taal was op den duur niet geschikt, om met den inhoud van
-het systeem te bevredigen. Het barbaarsch latijn, dat men schreef
-was naar de opmerking van Paulsen wel een bewijs, dat men
-zelfstandig dacht en vrij de woorden vormde, die men voor zijne
-denkbeelden van noode had, maar kon toch niet voldoen, zoodra
-de zin voor het klassieke, het eenvoudige schoon weer eenigermate
-ontwaakte.</p>
-
-<p class="sep2">12. De scholastiek verloopt in drie perioden, in eene aetas vetus,
-media en nova. Ze begint met Anselmus. Deze leeft nog in het
-naïef vertrouwen, dat het geloof tot weten kan verheven worden,
-en beproeft dat voor het bestaan van God in zijn Monologium,
-en voor de menschwording en voldoening in zijn Cur Deus homo.
-Hij doet het nog niet in den aristotelisch-scholastischen vorm,
-maar meer in den zin van Plato’s dialogen; toch neemt de scholastische
-speculatie bij hem een aanvang. Lombardus gaf in zijne
-Sententiarum libri IV niet enkele tractaten, zooals Anselmus,
-maar een volledig dogmatisch en ethisch handboek. Hij leverde
-den tekst voor de scholastieke theologie, en maakt zelf reeds
-een ruim gebruik van de philosophie, tot verduidelijking en verdediging
-der waarheid. Alexander Halesius schreef eene Summa
-universae theologiae, welke eigenlijk reeds een commentaar is op
-het werk van Lombardus; maar, terwijl deze over een onderwerp
-<span class="pagenum" id="Page_83">[83]</span>
-in eens ten einde toe voortredeneert, kleedt Halesius zijne gedachten
-in een streng dialectischen, syllogistischen vorm. Daarmede
-was de scholastische methode voorgoed gevestigd. Het ging
-niet geheel zonder strijd. Velen hadden bezwaar tegen het gebruik
-van Aristoteles in de theologie. Er bleven ten allen tijde Platonici,
-die Plato veel meer in overeenstemming achtten met de kerkleer.
-Johannes van Salisbury, Gerhoch, Walther van St. Victor, Petrus
-Cantor, Alanus ab insulis, Willem van Auvergne e. a. wezen
-op de gevaren der philosophie; en Abaelard scheen een afschrikwekkend
-voorbeeld. Maar de scholastische methode, door beroemde
-mannen gedekt, won veld. Weldra werd Aristoteles’ wijsbegeerte,
-ofschoon hier en daar gewijzigd, de beste verdediging
-der kerkleer geacht. Het volledigst werd naar deze methode de
-dogmatiek bewerkt door Albertus Magnus †&nbsp;1280, Thomas
-Aquinas †&nbsp;1274 en Bonaventura †&nbsp;1274. Alle drie schreven een
-commentaar op het werk van Lombardus, en werden daarin later
-door velen gevolgd. Fleury telde er in zijn tijd reeds 244. Bovendien
-schreef Albertus een Summa theologiae (onvoltooid) en een
-Summa de creaturis; Thomas een Summa theologiae (onvoltooid),
-en Summa de veritate cath. fidei contra gentiles; Bonaventura
-een Breviloquium. Alle drie hebben de scholastiek algemeen in
-eere gebracht, aan de <ins id="cor_11" title="thologie">theologie</ins> eene eereplaats verzekerd onder
-de wetenschappen, en met buitengewone denkkracht de diepste
-problemen behandeld. Maar de scholastiek heeft zich niet op die
-hoogte kunnen houden. Bij Duns Scotus †&nbsp;1308 is het vertrouwen
-al geschokt. Hij verwerpt het nominalisme, maar bestrijdt
-Thomas toch overal, waar hij maar durft en kan. <span id="ref_01">De Franciscaner
-de Rada</span> †&nbsp;1608 telde later in zijne Controversiae theol.
-inter Thomam et Scotum, Colon. 1620 niet minder dan 86
-punten van geschil op. De voornaamste daarvan waren die over
-de kenbaarheid Gods, het onderscheid in de goddelijke eigenschappen,
-de erfzonde, de verdiensten van Christus, enz. en
-vooral ook de onbevlekte ontvangenis van Maria. Scotus is nog
-wel realist, maar hij is ook sceptisch en plaatst theologie en
-philosophie naast elkaar, Werner, Joh. Duns Scotus, Wien 1881.
-De philosophie bereikt God niet, de theologie rust alleen op
-gezag, op openbaring. Maar vooral het nominalisme droeg tot
-verval der scholastiek bij; het was al opgekomen bij Roscellinus,
-Berengarius, maar won vooral terrein in de 14<sup>e</sup> en 15<sup>e</sup> eeuw.
-<span class="pagenum" id="Page_84">[84]</span>
-Petrus Aureolus †&nbsp;1321, schrijver van een commentaar op Lombardus
-en van Quodlibeta zei, dat de universalia niet objectief in de
-dingen bestonden, maar slechts gedachten waren; het werkelijke
-is altijd individueel. Willem Durand de St. Porciano †&nbsp;1332
-ontkende de universalia en loochende ’t wetenschappelijk karakter
-der theologie, ze is geen eenheid, ze kan de waarheid der dogmata
-niet aantoonen en de gronden er tegen niet weerleggen.
-Willem van Occam †&nbsp;1349, die den paus alle macht ontzegde
-over wereldlijke vorsten, dezen in hun verzet tegen den paus
-steunde maar ook op zijn beurt bescherming van hem vroeg, viel
-zoowel de school van Thomas als die van Scotus aan. Hij schiep
-er behagen in, om de onzekerheid der theologie aan te toonen;
-bestaan, eenheid, almacht Gods, eindigheid der wereld, onstoffelijkheid
-der ziel, noodzakelijkheid der openbaring enz., alles is
-onbewijsbaar. Alles is alleen, wijl God het zoo wil. Er zijn geen
-redewaarheden. God kon mensch maar hij kon ook een steen
-worden. Het Platonisme en Augustinisme verdwijnt uit de theologie.
-Alles wordt willekeur. De theologie gaat onder in skepticisme.
-Al bleef in de scholen ook meest het realisme heerschen:
-het had toch geen scheppende kracht meer, de vorm werd stijver,
-de taal barbaarscher, de methode spitsvondiger; subtiliteit verving
-grondigheid, ostentatie kwam in de plaats van wetenschappelijken
-ernst, dogmatiek ontaardde in een eindeloos dispuut. Daarbij
-kreeg het nominalisme van Occam aanhangers, Adam Goddam,
-Armand de Beauvoir, Robert Holkot, van wien het gezegde
-herkomstig zou zijn, dat iets in de theologie waar en in de philosophie
-valsch kan zijn, Joh. Buridan, Petrus van Alliaco en
-Gabriël Biel †&nbsp;1495, den laatsten scholasticus. Litteratuur over
-de Scholastiek: Alsted, Theol. schol. didact. 1608 p. 4-8.
-Voetius, Disp. I 12-29. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der
-Philos. Band II. 6<sup>e</sup> Aufl. 1881. Windelband, Gesch. der Philos.
-1892 S. 207-274. Ritter, Gesch. der Philos. Bd. VII-VIII.
-Erdman, Grundriss der Gesch. der Philos. I 240 f. Bach, Dogm.
-gesch. des M. A. 2 Bde., Wien, 1873, ’75. Schwane, Dogm.
-gesch. der mittl. Zeit. 1882. Harnack, Dogm. gesch. III 312 f.,
-en andere dogmenhistor. werken van Hagenbach, Thomasius,
-Seeberg, Nitzsch enz. Prantl., Gesch. der Logik. Bd. II-IV.
-H. Siebeck, Gesch. der Psychol. 2<sup>e</sup> Abth. 1884. Reuter, Gesch.
-der relig. Aufklärung im M. A. 2 Bde., Berlin, 1875-77. Werner,
-<span class="pagenum" id="Page_85">[85]</span>
-Die Schol. des späteren M. A. 3 Bde., Wien, 1881. Stöckl, Gesch.
-der Philos. des M. A., 3 Bde., Mainz, 1864-66. Hauréau,
-Histoire de la philos. schol. 2<sup>e</sup> ed., Paris, 1872, ’80. Rousselot,
-Etudes sur la philos. du moyen-âge., Paris, 1840-42. Pierson,
-Gesch. van het R. Kath. 3<sup>e</sup> deel. Id. De Nomin. et real. 1855.
-Nitzsch, art. Schol. Theol. in Herzog<sup>2</sup>. H. v. Eicken, Gesch.
-der mittelalt. Weltanschauung, Stuttgart, 1888. W. Kaulich,
-Gesch. der Schol. Philos. Prag, 1863. J. H. Löwe, Der Kampf zwischen
-Nom. u. Real. im M. A., sein Ursprung und sein Verlauf,
-Prag, 1876. M. Maywald, Die Lehre von der doppelten Wahrheit,
-Berlin, 1871, enz.</p>
-
-<p class="sep2">13. Een bijzondere vorm van de scholastiek was de mystiek, die
-vroeger wel als der scholastiek vijandig werd beschouwd maar
-thans beter in haar aard en karakter wordt verstaan. De mystici
-hebben de scholastieke theologie nooit bestreden; mannen als
-Hugo en Richard van St. Victor hebben in hun traktaten verschillende
-deelen der theologie naar dezelfde methode behandeld
-als Lombardus, en omgekeerd hebben scholastici zooals Halesius,
-Albertus, Thomas, Bonaventura ook vele mystieke geschriften
-nagelaten. De mystiek wordt zelfs in de schol. theol. opgenomen,
-Thomas S. Th. II, 2 qu. 179 sq. Van een strijd en antagonisme
-is er dus geen sprake. Daarbij komt, dat kerk en theologie ten
-allen tijde tusschen ware en valsche mystiek hebben onderscheiden;
-het Neoplatonisme, het Gnosticisme, Erigena, Almarich, Eckhart,
-Molinos, Böhme, enz. zijn steeds veroordeeld, maar de geschriften
-van pseudo-Dionysius, Albertus, Bonaventura, enz. zijn altijd
-geprezen en goedgekeurd door de Roomsche kerk. Er moet dus
-onderscheid zijn tusschen de orthodoxe en de pantheïstische mystiek.
-De eerste nu stond niet vijandig tegenover de scholastiek.
-Maar ze was er wel van onderscheiden. Ten eerste in methode:
-de scholastiek volgde de analytische methode van Aristoteles en
-trachtte door redeneering uit de eindige dingen tot God op te
-klimmen; de mystiek volgde de synthetische methode van Plato
-en trachtte uit de hoogere aanschouwing, die de ziel door de
-genade bereikte, inzicht te krijgen in de waarheden des geloofs.
-In oorsprong: de scholastiek ontstond vooral door het bekend
-worden der geschriften van Aristoteles, en had tot object de
-sententiae van Lombardus, de mystiek ontstond vooral door het
-<span class="pagenum" id="Page_86">[86]</span>
-bekend worden der werken van pseudo-Dionysius, die in ’t Westen
-ingang vonden door de vertaling van Erigena. In wezen: de
-scholastiek is de poging, om met behulp van de philosophie
-wetenschappelijke kennis te verkrijgen van de geopenbaarde waarheid;
-de mystische theologie had tot object de mystieke gemeenschap
-met God, die aan enkele bevoorrechten door bijzondere
-genade geschonken werd, en beschreef nu hoe en langs welken
-weg de ziel daartoe geraken kon en welk licht van daaruit, van
-uit die gemeenschap met God, verspreid kon worden over de
-waarheden des geloofs. De mystiek in dezen zin had ten allen
-tijde in de christelijke kerk hare vertegenwoordigers, en komt in
-meerdere of mindere mate bij alle kerkvaders voor; ze hangt ten
-nauwste samen met het monnikideaal; ze gaat uit van de onderstelling
-dat er niet alleen eene kennis van God is door ’t verstand,
-maar ook eene ervaring, bevinding, gemeenschap Gods is
-door het gemoed. Ze sloot in de Middeleeuwen zich vooral aan
-bij Augustinus, die het eerst de diepte van het zieleleven had
-gepeild en in onnavolgbare taal had weergegeven, en bij pseudo-Dionysius,
-die de trappen en mijlpalen had aangewezen langs welke
-de ziel uit de eindigheid tot den oneindigen God opklimmen kon.
-Door practische oefeningen, zooals askese, reiniging, zelfpijniging,
-wereldvlucht, enz. of ook door theoretische bespiegeling, zooals
-auditio, lectio, oratio, cogitatio, consideratio, meditatio, kan de
-ziel hier op aarde reeds komen tot een toestand van aanschouwen
-of genieten van God. Zoo wordt de mystiek opgevat en beschreven
-in verschillende werken van Bernard van Clairvaux, Hugo en
-Richard van St. Victor, Bonaventura, Thomas, Gerson en Thomas
-à Kempis. Maar het lag voor de hand, dat de mystiek, alzoo
-den nadruk leggende op de contemplatie, de kennis ging geringschatten;
-in de genieting des harten ging de helderheid des bewustzijns,
-de waarde der kennis te loor; ze kwam onder invloed menigmaal
-van ’t neoplatonisme en kreeg bijv. bij Eckhart †&nbsp;1327 e. a.
-een pantheïstischen trek, W. Preger, Gesch. der deutschen Mystik
-im M. A., 2 Bde. Leipzig 1875-81. Görres, Die christ. Mystik,
-2<sup>e</sup> Aufl. 5 Bde. Regensburg 1880. Harnack, D. G. III 314 f. 374 f.
-Art. Myst. in Herzog<sup>2</sup>. De dogmengesch. en philos. werken, boven
-bij de schol. genoemd, benevens de monographieën over Tauler,
-Eckhart, enz. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 49 f. Verdere litter.
-bij Kihn, Encycl. u. Methodol. der Theol. 1892. S. 453 f.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_87">[87]</span>
-14. Het ontbrak echter in de Middeleeuwen niet aan protesten
-tegen de richting, waarin kerk en theologie zich ontwikkelden.
-Verschillende secten traden er op, Katharen, Albigenzen, de
-volgelingen van Amalrik van Bena, David van Dinant, Ortlieb,
-de secte des vrijen geestes enz. en vernieuwden de oude manicheesche
-en gnostische dwalingen, Reuter, Gesch. der relig.
-Aufklärung im M. A. Berlin 1875-’77. L. Flathe, Gesch. der
-Ketzer im M. A. 3 Bde. Stuttgart 1845. Kurtz, Lehrb. der
-Kirch. gesch. §&nbsp;108. Döllinger, Beiträge zur Sektengesch. des
-M. A. 2 Th. München, Beck, 1890. De Waldenzen kwamen met
-Rome in conflict door hun leer van de vrijheid der prediking,
-Comba, art. in Herzog<sup>2</sup>, Haupt, Waldenzerthum und Inquisition
-im südöstl. Deutschl. Freiburg, Mohr, 1890. In vele
-kringen was er een terugkeer tot Augustinus en Paulus. Bradwardina
-†&nbsp;1349 trad in een geschrift de causa Dei contra
-Pelagium op als een moedig verdediger van de genade Gods,
-Lechler, De Th. Bradwardina commentatio, Lips. 1863 en art.
-in Herzog<sup>2</sup>. Wiclif †&nbsp;1384 was van hem afhankelijk gelijk
-Hus †&nbsp;1451 op zijn beurt weder van Wiclif. Wiclifs werken
-worden sedert 1882 uitgegeven door de Wiclif Society te Londen.
-Zijne leer wordt het best gekend uit zijne Summa in 12
-boeken, verkort en systematisch samengevat in zijn Trialogus,
-uitgeg. door Lechler, uit zijne verhandeling de Christo et suo
-adversario Antichristo uitgeg. door Buddensieg, en uit zijn tractaat
-de ecclesia uitgeg. door Loserth. Dat Hus geheel van Wiclif
-afhankelijk is, is aangetoond door Loserth, Hus und Wiclif,
-Prag. u. Leipz. 1884. Zelfs binnen de kerk stonden velen op, die
-een reformatie in capite et membris verlangden. Petrus d’ Ailly
-†&nbsp;1425, Gerson †&nbsp;1429, Nic. van Clémanges †&nbsp;1414, Nicolaus
-Cusanus †&nbsp;1464 e. a. verdedigden het episcopale stelsel; en de
-reformatorische concilien van Pisa 1409, Constanz 1414 en
-Bazel 1431 spraken zich uit in dien geest. Het concilie te
-Constanz in de 4<sup>e</sup> en 5<sup>e</sup> zitting verklaarde, dat een oecumenisch
-concilie zijn gezag onmiddellijk van Christus had en dat de paus
-ook daaraan onderworpen was. Maar al deze reformatiën hadden
-weinig succes. Ze waren kritiek van ’t bestaande van uit eenzelfde
-beginsel, Harnack D. G. III 408 f. 570 f. En toen in de 16<sup>e</sup>
-eeuw de Protest. reformatie opkwam, nam de Roomsche kerk ook
-weldra tegen haar positie. Vóór het concilie te Trente waren de
-<span class="pagenum" id="Page_88">[88]</span>
-voornaamste theologen Cajetanus †&nbsp;1534, Dr. Eck †&nbsp;1543,
-Cochlaeus †&nbsp;1552, Sadoletus †&nbsp;1547 e. a. Ze onderscheiden zich
-nog daardoor, dat ze vrijmoedig de gebreken der kerk erkennen.
-Hun geschriften zijn meest polemisch tegen de Hervormers.
-’t Merkwaardigst is Dr. Eck’s Enchiridion locorum omnium adv.
-Lutherum et alios hostes ecclesiae 1525, dat tot 1576 toe 46
-maal werd herdrukt, Hugo Lämmer, Die vortrident. kath. Theol.
-des Reformationszeitalters, Berlin 1858. De theologie was,
-vooral door den spot der Humanisten, in discrediet; op de
-Middeleeuwen zag men terug als een tijd van gothische barbaarschheid;
-en ook de vromen verlangden meer eenvoud en
-waarheid, meer practisch Christendom. Er behoorde voor de
-Roomsche theologen eenige moed toe en er was ook eenige tijd
-voor noodig, om tot bezinning te komen en den draad der
-scholastiek weer op te vatten. Het concilie te Trente nam wel
-verschillende besluiten ter reformatie, maar koos zoo sterk mogelijk
-tegen de Prot. reformatie partij. De dogmata, waarover met de
-reformatie geschil was, zooals de leer van de traditie, de zonde,
-den vrijen wil, de rechtvaardiging, de sacramenten, werden kras
-en duidelijk, in roomschen zin, geformuleerd; maar de onderlinge
-verschillen liet men rusten. De kwestie van paus en concilie,
-van Thomisme en Scotisme enz. werd niet besproken of zoo
-omzichtig mogelijk behandeld, Harnack, D. G. III 588 f. Herzog<sup>2</sup>
-16, 4 f. en de daar aangeh. litt. Bij gelegenheid, dat men te
-Trente beraadslaagde over het houden van voorlezingen over de
-H. Schrift in alle kloosters, stelde een Benedictijnerabt voor,
-om een verbod der scholastiek daaraan toe te voegen. Maar de
-Dominikaan Soto nam het woord, weerlegde de bezwaren, prees
-het nut der scholastiek en vond algemeen instemming, Kleutgen,
-Theol. d. Vorzeit IV 80. Langzamerhand werd de scholastiek
-in hare eere hersteld, maar met wijziging. Melchior Canus †&nbsp;1560
-wijdt in zijn werk de locis theologicis een geheel boek aan de
-verdediging der scholastiek, lib. VIII: de auctoritate scholasticorum
-doctorum en geeft toe dat vele scholastici aan verschillende
-fouten zich hebben schuldig gemaakt; hij keurt die gebreken
-af maar verdedigt beslist de scholastische methode. Ze werd
-vereenvoudigd en van overdrijving ontdaan, maar overigens behouden.
-Eene tweede verandering bestond hierin, dat Lombardus
-meer en meer voor Thomas plaats maakt. In de Middeleeuwen
-<span class="pagenum" id="Page_89">[89]</span>
-waren de Sententiae van Lombardus het dogmatisch handboek
-geweest; en ook na de hervorming schreven Soto †&nbsp;1560, Maldonatus
-†&nbsp;1583, Estius †&nbsp;1608 en anderen nog commentaren op
-dat werk. Maar de beroemde Cajetanus leverde een commentaar
-op de Summa van Thomas. En Franziscus Vittoria †&nbsp;1566,
-Hiëronymus Perez †&nbsp;1556, Barth. van Torres †&nbsp;1558 e. a. volgden
-zijn voorbeeld. Tegen het einde der 16<sup>e</sup> eeuw was Lombardus
-in de meeste scholen door Thomas vervangen; deze was zuiverder,
-uitgebreider, methodischer, en drong dieper in de dogmata
-door dan Lombardus. Voorts was ook dit nog een onderscheid
-tusschen de oude en de nieuwe scholastiek, dat de laatste veel
-nauwer met de positieve theologie zich verbond. In de Middeleeuwen
-werd de positieve dogmatiek, d. i. het bewijs voor de
-waarheid uit Schrift en traditie, bijna geheel verwaarloosd; maar
-nu werd deze in de dogmatiek opgenomen en met groote geleerdheid
-bewerkt. Canus schreef een eigen werk over de bewijsbronnen,
-die hij loci theologici noemt; door alle neo-scholastici
-Greg. van Valentia, Suarez, Bannez, Diego Ruyz, enz. wordt
-de studie van Schrift en traditie ijverig beoefend. Exegese, kerkhistorie,
-patristiek, archaeologie, enz. worden eigene, zelfstandige
-wetenschappen. Theologie is nog iets anders en meer dan dogmatiek.
-En omdat eindelijk de nieuwe scholastici niet die rust
-genoten als de theologen in de Middeleeuwen, maar van alle
-zijden werden aangevallen en op alle punten de Roomsche leer
-hadden te verdedigen, bleef er voor de subtiele kwesties en de
-spitsvondige onderscheidingen geen plaats en geen tijd meer;
-vorm, methode, taal, uitdrukking werd eenvoudiger; de werken
-van Canisius, Canus, Petavius, Bellarminus, enz. zijn geschreven
-in zuiver latijn, en in een aangenamen stijl, en zijn in dit opzicht
-gunstig onderscheiden van de werken der Middeleeuwsche theologen.
-Maar wat ook veranderd en verbeterd werd, de geest
-bleef dezelfde. Rome heeft zichzelf niet verloochend en ook door
-de reformatie niets geleerd. Zelfs is het eigenlijke karakter der
-Roomsche leer na en door de reformatie nog duidelijker aan het
-licht getreden. Het Pelagianisme en het Curialisme hebben na
-het concilie van Trente zich verder ontwikkeld en hebben eene
-volledige overwinning behaald. Vergelijk voor de geschiedenis
-der Roomsche theologie na Trente: Walch, Bibl. theol. sel. I
-148 sq. Pfaff, Introductio in Hist. theol. liter. 1724 p. 194 sq.
-<span class="pagenum" id="Page_90">[90]</span>
-206 sq. M. Brühl, Gesch. der kath. Liter. Deutschl. vom 17
-Jahrh. 2<sup>e</sup> Aufl. Wien 1861. H. Hurter, Nomenclator literarius
-recentioris theol. cathol. 4 vol. Innsbr. 1871-’83. Karl Werner,
-Gesch. der apol. u. polem. Lit. der christl. Theol. 5 Bde. Schaffh.
-1861-67. Id. Gesch. der kath. Theol. Deutschl. seit dem
-Trienter Concil bis zur Gegenwart, München, 1866, 2<sup>e</sup> Aufl.
-1889. Id. Der heilige Thomas von Aquino, 3 Bde. Regensburg
-1858-59. Bd. I Leben und Schriften. Bd. II Lehre. Bd. III
-Geschichte des Thomismus. Id. Franz Suarez und die Schol. der
-letzten Jahrh. 2 Bde. Regensburg 1861, 62. Schwane, Dogmengesch.
-der neueren Zeit, Freiburg 1890 S. 16 f. A. Stöckl,
-Gesch. der Philos. des M. A. III 1866 S. 628 f. Herzog<sup>2</sup> 15,
-589 f. Harnack, D. G. III 617 f.</p>
-
-<p class="sep2">15. De neo-scholastische theologie kwam op in Spanje en werd
-daar vooral beoefend aan de hoogescholen van Salamanca, Alcala
-(Complutum) en Coimbra. Franz de Vittoria 1480-1566, geboortig
-uit Vittoria in Cantabrië, behoorde tot de Dominikanen
-en werd van wege zijne orde naar Parijs gezonden om zich toe
-te leggen op de theologie. Daar bestudeerde hij vooral Thomas.
-In Spanje teruggekeerd, werd hij hoogleeraar te Salamanca en
-verbreidde daar de leer van Aquinas, op wiens Summa hij ook een
-commentaar schreef. Onder zijne leerlingen behoorden de beroemdste
-theologen van Spanje, Melchior Canus †&nbsp;1560, Loci theolog.
-1563; Dominicus Soto †&nbsp;1560, Comm. in 4<sup>m</sup> librum Sent. 1557-60
-en de natura et gratia libri III 1547 tegen den Scotist
-Catharinus; Barthol. Medina, Expositio in I 2 Thomae 1576.
-De thomistische theologie werd vooral beoefend door de orde
-der Dominikanen, tot wie behalve de bovengenoemden ook behoorden:
-Petrus de Soto, prof. te Dillingen †&nbsp;1563, Institutiones
-christ. 1548, Methodus confessionis 1553, Compendium doctrinae
-cathol. 1556, Defensio cathol. confessionis 1557 tegen Brenz;
-Dom. Bannez, Comm. in I Thomae, 2 tomi 1584, ’88; Didacus
-Alvarez, de auxiliis gratiae div. et humani arbitrii viribus et
-libertate etc. Lugd. 1611, de incarn. verbi div. Lugd. 1614;
-Vincentius Contenson, Theologia mentis et cordis, 2 tom. Colon.
-1687; J. Baptista Gonetus †&nbsp;1681, Clypeus theol. thomist.
-1659-69, diss. theol. de probabilitate casuistarum; Natalis
-Alexander, Theol. dogm. et mor. sec. ordinem catech. Conc. Trid.
-<span class="pagenum" id="Page_91">[91]</span>
-Paris 1703; Billuart †&nbsp;1757, Summa S. Thomae hodiernis academiarum
-moribus accommodata, 19 tom. Leodii 1747-59,
-nieuwe uitgave bij Palmé te Parijs in 8 vol.; en verder nog
-Fr. de Sylvestris, Joh. Viguerius, Joh. Gonsalez, Martin Ledesma,
-Joh. Vincentius, Balt. Navarretus, Raphael Ripa, Franz en
-Dominicus Perez, Gazzaniga †&nbsp;1799, Praelect. theol. Bononiae
-1790 e. a. Bij de Dominikanen sluiten zich de Karmelieten aan,
-van wie vooral beroemd is Salmanticensis collegii Carmelitarum
-discalceatorum cursus theol. in D. Thomam, 10 vol. Lugd. 1679
-sq. Maar ook de scotistische theologie vond in den nieuwen tijd
-nog aanhang en verdediging, bij Ambrosius Catharinus †&nbsp;1553,
-Fr. Lychetus, Comm. in I II III librum Sent. Scoti, Venet.
-1589; Frassenius †&nbsp;1711, Scotus Academicus, 4 tom. Paris
-1662-77; Dupasquier †&nbsp;1718, Summa theol. scotisticae; Barth.
-Durandus, Clypeus Scoticae doctrinae; Thomas van Charmes,
-Theol. universa; en voorts bij Brancatus, Mastrius, Faber †&nbsp;1630,
-Bonaventura Bellutus †&nbsp;1676, Lukas Wadding †&nbsp;1657,
-uitgever van Scotus’ werken te Lyon 1639 v. e. a. De Franciscaner
-de Rada, bisschop van Trani, †&nbsp;1608 gaf in zijn <a href="#ref_01">boven</a>
-reeds aangehaald werk een overzicht van de controversen tusschen
-de Thomisten en de Scotisten.</p>
-
-<p>De scholastische theologie werd echter vooral beoefend door
-de Jezuïten, die meer dan eenige andere orde tot haar herleving
-en bloei hebben bijgedragen. Methodisch en met buitengewoon
-talent namen zij de contrareformatie ter hand. Als polemici tegen
-de leer der Protestanten traden onder hen op Possevinus †&nbsp;1611;
-Bellarminus †&nbsp;1621, Disput. de controv. christ. fidei adv. hujus
-temporis haereticos, Ingolstadt 1581. Gretser, Opera omnia in 17
-tomi, Regensburg 1734 sq. Becanus, Manuale controversiarum.
-De beroemdste theologen uit de orde der Jezuïten zijn Petrus
-Canisius †&nbsp;1597, Summa doctrinae et institutionis christ. 1554,
-in 130 jaar 400 maal uitgegeven, en een kleiner catechismus:
-Institutiones christ. pietatis 1566. Franc. Toletus †&nbsp;1596, In
-Summam S. Thomae tom. 4, opnieuw uitgeg. te Rome 1869,
-Joh. Maldonatus, leerling van Toletus en Soto te Salamanca †&nbsp;1583,
-beroemd exegeet, en schrijver van vele dogm. tractaten,
-de sacramentis, de libero arbitrio, de gratia etc. Leonh. Lessius
-prof. te Leuven †&nbsp;1623, Disput. de gratia, decretis divinis,
-libertate arbitrii et praescientia Dei conditionata Antw. 1610.
-<span class="pagenum" id="Page_92">[92]</span>
-De perfectionibus divinis libri 14, Antw. 1620. Theologia 1651
-etc. Lud. Molina prof. te Evora, later te Madrid †&nbsp;1600, Liberi
-arbitrii cum gratiae donis, divina praescientia, provid. praedest.
-et reprob. concordia 1588, de justitia et jure, en commentaar
-op het eerste deel van Thomas. Greg. de Valentia prof. te Dillingen,
-Ingolstadt, Rome †&nbsp;1603, Analysis fidei cathol. 1585.
-Theol. Comment. in Summam S. Thomae Tomi IV 1602. Mart.
-Becanus, prof. te Mainz †&nbsp;1624. Manuale controv. en Theol.
-scholastica, 3 partes 1612-’22. Roderich Arriaga, prof. in
-Valladolid, Salamanca, Praag †&nbsp;1667, Disputationes theol. 8
-tomi 1643 sq. Franz. Suarez †&nbsp;1617, Commentaria et disputationes
-in Thomam, tomi V, en vele tractaten de gratia etc.;
-een kort excerpt uit zijne theologie is Theologiae R. P. Fr. Suarez
-S. J., Summa seu Compendium auctore T. Noel S. J. Tomi II
-Paris, Migne 1858. Gabr. Vasquez †&nbsp;1604, Comm. in Summam
-S. Thomae, Ingolstadt 7 vol. 1609 sq.; Didacus Ruyz de Montoya
-†&nbsp;1632, Comment. op verschillende loci van Thomas, Theol.
-scholastica 1630. Clavis Theol. 1634; Antoine, Theologia universa
-speculativa et dogmatica, Paris 1713; Dion. Petavius †&nbsp;1652,
-De theol. dogmatibus, 5 tomi, onvoltooid Paris 1644; en verder
-nog Melch. de Castro, Lusitanus, Zunniga, Tannez, Hurtado,
-Ripalda †&nbsp;1648, Mendoza, Lugo †&nbsp;1660, Arriago, Gotti †&nbsp;1742,
-Zaccaria †&nbsp;1795 e. a. Afzonderlijke vermelding verdient nog de
-door de Würzburger professoren S. J. geschreven Theologia
-Wirceburgensis, dogm. polem. schol. et mor. 14 vol. Wirceb.
-1766-1771, nieuwe uitg. in 10 vol. Paris 1880.</p>
-
-<p>De Jezuiten volgden over het algemeen Thomas, maar weken
-tengevolge van hun pelagianisme in de leer van de zonde, den
-vrijen wil en de genade van hem af. Dit werd oorzaak van een
-langdurigen strijd. Hij begon met Bajus, prof. te Leuven †&nbsp;1589,
-die de leer van Augustinus over de zonde en de onvrijheid van
-wil voordroeg en ook de onbevlekte ontvangenis van Maria verwierp.
-Reeds in 1560 werden verschillende theses van Bajus
-door de Sorbonne verworpen, en Paus Pius V veroordeelde 79
-stellingen van Bajus in de bul Ex omnibus afflictionibus 1567.
-Bajus herriep. Maar daarmede was <ins id="cor_12" title="6e">de</ins> strijd niet uit. Hij ontbrandde
-opnieuw in 1588 door het werk van Molina, Liberi
-arbitrii cum gratiae donis ... concordia. De Thomisten, meest
-Dominikanen, vielen dit werk aan, vooral bij monde van een
-<span class="pagenum" id="Page_93">[93]</span>
-hunner beroemdste vertegenwoordigers Bannez †&nbsp;1604, die eene
-physische praedeterminatie leerde. Thomisten, (Bannez, Sylvester,
-Alvarez, Lesmos, Reginaldi, enz.), resp. Augustinianen (Noris
-†&nbsp;1704, Laur. Berti †&nbsp;1766, Bertieri) en Jezuiten, Molinisten
-of Congruisten (Bellarminus) stonden jaren lang tegenover elkaar.
-Eene menigte strijdschriften over zonde, vrijen wil, genade zagen
-het licht, Walch, Bibl. theol. sel. I 179 sq. De commissie, in
-Rome benoemd, werd 1607 ontbonden zonder eene beslissing te
-nemen; en de paus zeide dat hij later uitspraak zou doen en
-dat zoolang de eene partij de andere niet verketteren mocht. In
-1640, toen het werk Augustinus van Cornelius Jansen, bisschop
-van IJperen verscheen, werd opnieuw de vonk in ’t kruit geworpen.
-De strijd duurde tot in de 18<sup>e</sup> eeuw voort. De mannen
-van Port Royal stonden aan de zijde van Jansenius, Arnauld
-†&nbsp;1694, Pascal †&nbsp;1662, Nicole †&nbsp;1695, Sacy †&nbsp;1684, Tillemont
-†&nbsp;1698, Quesnell †&nbsp;1719. Maar geleerdheid en welsprekendheid
-mochten niet baten. In verschillende bullen 1653, 1656,
-1664, 1705 en 1713 werd het Jansenisme, en daarin Augustinus,
-en zelfs Paulus veroordeeld, en later werd de bul Unigenitus
-van 1713 nog meermalen bevestigd. En evenals in dogmaticis het
-Pelagianisme zegevierde, zoo behaalde in ethicis het Probabilisme
-en in ecclesiasticis het Curialisme of Papale stelsel de zegepraal.</p>
-
-<p class="sep2">16. Maar in het begin der 17<sup>e</sup> eeuw was de bloeitijd der neoscholastiek
-voorbij. In heel Europa kwam de rationalistische geest
-op. De philosophie van Bacon en Cartesius verdrong die van
-Aristoteles. Zelfs theologen, die de scholastieke dogmata aannamen,
-meenden, dat er een andere methode noodig was; zooals
-Bossuet †&nbsp;1704, de beroemde verdediger van het gallikaansche
-stelsel en bestrijder der Protestanten, Exposition de la doctrine
-de l’église cath. sur les matières de controverse 1671, Histoire
-des variations des églises protest. 2 vol. Paris, 1688. Fénélon
-†&nbsp;1715, Thomassinus †&nbsp;1695, Dogmata theol. De historische en
-critische studiën, die vooral in Frankrijk beoefend werden, drongen
-de eigenlijke theologie terug. Vele geleerde Maurinen en Oratorianen
-vervielen zelfs tot ongeloof. In de scholen bleef nog wel
-lang tot diep in de 18<sup>e</sup> eeuw de scholastiek heerschen. Ook
-bleven de verschillende richtingen van Thomisten, b.v. Peri,
-Quaest. theol. 5 vol. 1719-32, Scotisten, b.v. Krisper, Theol.
-<span class="pagenum" id="Page_94">[94]</span>
-scolae scotisticae, 4 Tom. 1728-48, Molinisten, b.v. Anton
-Erber, Theol. specul. tractatus octo 1787, en Augustianen, b.v.
-Amort, Theol. eclectica moralis et scholastica, 23 tomi, Augsburg,
-1752 sq. naast elkaar voortduren. Maar de scholastiek
-trok zich toch meer en meer in de scholen terug. Andere deïstische,
-naturalistische partijen komen op, krijgen het hoogste
-woord en oefenen invloed op de Roomsche theologie. De scholastieke
-philosophie werd in Frankrijk door Cartesius, in Duitschland
-door Leibniz-Wolff terzijde gesteld. In Oostenrijk werd
-1752 de peripatetische leer verboden en 1759 de leiding der
-theol. en philos. studiën aan de Jezuïten ontnomen. De orde
-werd 1773 door Clemens XIV opgeheven. Het Gallikaansche
-stelsel werd in 1763 door Nic. van Hontheim, wijbisschop van
-Trier in een werk de statu ecclesiae et legitima potestate Romani
-Pontificis verdedigd en door Jozef II in 1781 als kerkrecht ingevoerd.
-De confessioneele verschillen werden vergeten; in plaats
-van den strijd tegen de Protestanten komt die tegen vrijdenkers,
-ongeloovigen enz. bij Klüpfel, Fahrman, Stattler, Storchenau,
-Burkhauser. De theologie komt geheel onder invloed der wisselende
-philosophie. De Aufklärung had haar vertegenwoordiger
-in Ad. Weishaupt, prof. te Ingolstad, stichter van de orde der
-Illuminaten. Kant’s invloed is merkbaar bij Ildefons Schwarz,
-Peutinger, Zimmer. Jacobi’s philosophie vond aanhang bij J.
-Salat en Cajetan Weiller. Thanner stond onder invloed van
-Schelling. De voornaamste theoloog, die in de 18<sup>e</sup> eeuw tegen
-alle dwalingen pal bleef staan, was Alphonsus van Liguori †&nbsp;1787,
-door Pius IX in 1871 opgenomen onder de doctores ecclesiae.</p>
-
-<p class="sep2">17. Ook in deze 19<sup>e</sup> eeuw bleef aanvankelijk het rationalisme
-nog in vele Roomsche kringen heerschen. Er was in Duitschland
-eene groote partij, die de inrichting en leer der Roomsche kerk in
-overeenstemming wilde brengen met de eischen van den nieuweren
-tijd, Dalberg †&nbsp;1817, Wessenberg †&nbsp;1860, Werkmeister e. a.,
-Hermes, prof. te Bonn †&nbsp;1831, Einleitung in die Christkath.
-Theologie 1819, ’29, Christkath. Dogm. 1834, ’36 trachtte de
-openbaring, de autoriteit op redelijke gronden te doen rusten,
-en gaf aan de rede bij de beoordeeling van wat openbaring is
-dezelfde rechten, als de Wolffsche philosophie gedaan had. Eerst
-<span class="pagenum" id="Page_95">[95]</span>
-had Hermes vele aanhangers, Achterfeldt, die zijne dogmatiek
-uitgaf, Braun, von Droste-Hülfshof, prof. in de rechten te Bonn,
-Spiegel, aartsbisschop van Keulen; maar toen paus Gregorius
-XVI 26 Sept. 1835 het Hermesianisme veroordeeld had, daalde
-zijn invloed. Anton Günther †&nbsp;1863 in Weenen, Vorschule zur
-specul. Theol. 1828. Peregrius Gastmahl 1830 u. s. w. sloot zich
-bij Hegel’s stelling aan, dat philosophie en speculatieve theologie
-eigenlijk één zijn. Er is geen tweeërlei waarheid en zekerheid.
-Maar gelooven is de aanvang en onderstelling van alle weten, en
-alle geloof, ook aan de openbaring, kan in weten overgaan en tot
-evidentie worden verheven. Ook Günther had vele aanhangers,
-Pabst, Merten, Veith, Gaugauf, Baltzer, Knoodt; maar hij werd
-1857 veroordeeld. Franz von Baader †&nbsp;1841, Vorlesungen über
-specul. Dogmatik, Sämmtliche schriften, Leipzig 1850-57 in 15
-deelen, onder invloed van Böhme en Schelling, zocht heil niet in
-terugkeer, maar in nieuwe ontwikkeling van het oude, in vernieuwing
-der dogmata, en wilde langs theosophischen weg het
-gelooven tot weten verheffen. Zijne aanhangers waren Schaden,
-Lutterbek, Hoffmann, Hamberger, Sengler, Schlüter, maar Baader
-werd wegens zijn bestrijding van het primaat gecensureerd. J.
-Frohschammer, Einleitung in die Philosophie und Grundriss der
-Metaphysik 1858 enz. verwierp de scholastieke en de idealistische
-philosophie, en trachtte de metaphysica, de theologie op te bouwen
-niet op de abstracte rede maar op het concreete, algemeene, historische
-feit van het Godsbewustzijn in de menschheid. Theologie
-en philosophie vallen dus voor hem in inhoud samen; ze verschillen
-alleen in methode; ’t natuurlijke en ’t bovennatuurlijke
-zijn niet streng te scheiden. Pius IX veroordeelde deze philosophie
-in een brief aan den aartsbisschop te München 11 Dec. 1862.
-Zijne werken werden op den index geplaatst, hijzelf in 1863
-gesuspendeerd. Frohschammer onderwierp zich echter niet en bleef
-in tal van geschriften voor de vrijheid der wetenschap en tegen
-de aanspraken van den paus strijden. Zoo werd door Rome
-eenerzijds de onafhankelijkheid der wetenschap bestreden, maar
-andererzijds toch ook weer in haar betrekkelijke vrijheid erkend.
-Na de revolutie kwam in Frankrijk het traditionalisme op, nl. de
-leer, dat de hoogere metaphysische waarheden niet door de rede
-te vinden zijn, maar alleen verkregen worden uit de openbaring,
-die van den eersten mensch af in de menschheid door traditie is
-<span class="pagenum" id="Page_96">[96]</span>
-voortgeplant en in de taal wordt bewaard. Deze theorie werd met
-talent verdedigd door de Bonald, Recherches philos. sur les
-premiers <ins id="cor_13" title="objects">objets</ins> des connaissances morales, Paris 1817, Lamennais,
-Essai sur l’indifférence en matière de religion, Paris 1817, en
-Bautain, de l’enseignement de la philos. en France au 19<sup>e</sup> siècle,
-1833, Philos. du Christianisme, 1835. Maar ze kon te Rome geen
-genade vinden. Bautain onderteekende in 1840 zes theses, die hem
-werden voorgelegd, en herriep zijne leer. En evenzoo werd het
-ontologisme van Gerdil †&nbsp;1802, Gioberti †&nbsp;1852, Rosmini †&nbsp;1855,
-Gratry †&nbsp;1872, Ubaghs e. a. verworpen, dat naar het
-idealisme van Malebranche terugging en alle hoogere waarheid
-afleidde uit de onmiddellijke aanschouwing Gods en der ideeën.</p>
-
-<p>Al deze veroordeelingen bewijzen, dat Rome na het rationalisme
-der vorige eeuw hoe langer hoe meer zichzelf bewust werd en
-tot ontwaking kwam. Er is na de revolutie ook eene herleving
-van de Roomsche kerk en theologie geweest. Het romantisme
-kwam aan Rome ten goede en maakte vele bekeerlingen, Winckelmann,
-Stolberg, Schlegel, Ad. Müller, Z. Werner, Schlosser,
-Haller enz. In Frankrijk kwam er reactie tegen de revolutie
-en het ongeloof door Chateaubriand, Génie du christianisme,
-Joseph de Maistre, †&nbsp;1821, Bonald, Lamennais. Het Puseyisme
-of Tractarianisme, dat onder Pusey en Newman in 1833
-te Oxford begon, leidde velen tot de Roomsche kerk en versterkte
-de hoogkerkelijke, ritualiseerende en romaniseerende
-richting in de episcop. kerk. De geloovige theologie, die in
-Duitschland opkwam, sloot zich eerst in menig punt bij Schleiermacher
-aan. Zijne leer van Schrift, wedergeboorte, rechtvaardiging,
-kerk bevatte vele elementen, die de Roomschen ten hunnen
-voordeele konden aanwenden. En dat geschiedde dan ook met
-talent en ijver door Görres, Baader, Phillips, Döllinger in
-München; Klee in Bonn; Möhler, Hirscher, Drey in München
-en Tübingen; Staudenmaier en Kuhn in Giessen enz. De mannen
-van deze richting waren nog wel niet geheel en al naar het hart
-van Rome en het Jezuïtisme; ze streefden allen nog naar bemiddeling,
-ze zochten eene verzoening van gelooven en weten, zij
-trachtten door de speculatieve methode de dogmata te bewijzen
-en waren al te liberaal tegenover de Protestanten en deden nu en
-dan belangrijke concessies. Maar ze hadden uitnemende woordvoerders,
-en droegen veel bij tot herleving van de Roomsche theologie.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_97">[97]</span>
-Maar toch, op den duur voldeed deze verzoenende en bemiddelende
-richting niet. Langzamerhand kwam de neo-scholastieke
-richting op. In 1814 werd de Jezuitenorde hersteld, en haar
-invloed op het Pausdom nam hoe langer hoe meer toe; haar
-macht breidde zich in alle landen uit. De „vrijheid der wetenschap”
-werd door haar met alle macht bestreden. Al de bovengenoemde
-veroordeelingen liepen uit op de beroemde encycliek
-van 8 Dec. 1864, en op het Vaticanum van 1870, waarin de
-onfeilbaarheid van den Paus werd uitgesproken. Deze neo-scholastieke
-richting werd in Italië vooral voorgestaan door den
-philosoof Sanseverino, Philosophia christiana, 7 vol. ed. nov.
-Neap. 1878 en door den theoloog J. Perrone, Praelectiones
-theologiae, 9 vol. 1838-43; in Duitschland door J. Kleutgen,
-Theol. der Vorzeit, 5 Th. 2<sup>e</sup> Aufl., Münster 1867 en Philos.
-der Vorzeit, 2 Th., Innsbr. 1878 en A. Stöckl in verschillende
-philosophische werken. De tegenwoordige Paus zette 4 Aug. 1879
-daarop het zegel, door in zijne encycliek Aeterni Patris de studie
-van Thomas aan te bevelen. En sedert is er een machtig en
-algemeen streven, om de autoriteit van Thomas op elk gebied
-van wetenschap te herstellen. Staats-en rechtsleer, psychologie
-en ethiek, theologie en philosophie worden in zijn geest bestudeerd.
-In dienzelfden geest werd de dogmatiek behandeld door
-Franzelin, Scheeben, Heinrich, Bautz, enz.; hier te lande door
-G. M. Jansen, prof. te Rijsenburg, Praelect. theol. fundam.
-Ultraj. 1875-76, Theol. dogm. spec. 1877-79. Zie verdere
-litter. bij Kihn, Enc. u. Meth. der Theol., Freiburg 1892 S. 412 f.</p>
-
-<h4>D. De Dogmatiek in de Luthersche Kerk.</h4>
-
-<p>18. Voor de geschiedenis der Luthersche dogmatiek kunnen
-als hulpbronnen dienst doen: Walch, Bibl. theol. selecta I 35 sq.
-Pfaff, Introductio in historiam theol. litterariam 1724 p. 204 sq.
-G. Frank, Gesch. der prot. Theol., 3 Theile 1862-75. Dorner,
-Gesch. d. prot. Th. 1867. Gass, Gesch. der prot. Dogm., 4
-Theile 1854-67. Tholuck, Das kirchl. Leben im 17 Jahrh.
-1861-2. Id. Das akad. Leben des 17 Jahrh. 1853-4, samen
-vormend die Vorgesch. des Ration. Id. Gesch. des Ration., I<sup>er</sup>
-Theil, 1865. Id. Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs im
-17 Jahrh. 1852. Kahnis, Der innere Gang des deutschen Protest.,
-<span class="pagenum" id="Page_98">[98]</span>
-2 Th., Leipzig 1874. Ritschl, Gesch. des Pietismus, 3 Th.
-1880-6. Harnack, Dogmengesch. III 691 f. Zöckler, Handbuch
-der theol. Wiss., Supplement 144 f. Luther was geen
-systematische natuur; eene dogmatiek liet hij niet na. Des te
-meer was hij een oorspronkelijke, een scheppende geest. Hij heeft
-het Christendom van Paulus en Augustinus opnieuw ontdekt,
-het Evangelie weer als eene heerlijke boodschap der genade en
-der vergeving verstaan, en de religie in de religie hersteld. Daardoor
-is hij vruchtbaar geworden voor heel de theologie, en voor
-de gansche dogmatiek, zelfs de oude dogmata zijn wel door hem
-opgenomen maar met een nieuw religieus leven bezield, Th.
-Harnack, Luthers Theologie, 2 Th., Erlangen 1862-66. J.
-Köstlin, Luthers Theologie, 2e Ausg., Stuttgart 1883. Lommatzsch,
-Luthers Lehre vom eth. relig. Standp., Berlin 1879.
-Voordat de Luthersche reformatie eene confessie had, had ze
-reeds een dogmatiek in Melanchton’s Loci 1521, opnieuw uitgegeven
-door Augusti 1821, Plitt 1864, Bindseil in Corpus
-Reform. XXI p. 62. Dit werk, ontstaan uit eene verklaring van
-den brief aan de Romeinen, was practisch, eenvoudig, soteriologisch,
-zonder eenige scholastiek, eigenlijk veel meer eene confessie
-dan eene dogmatiek. In dit werk vond de Duitsche reformatie
-een tijd lang haar eenheid. Maar reeds in 1526 kwam Melanchton
-eenigszins van de belijdenis der strenge praedestinatie terug, en
-straks begon hij ook op andere punten, vooral in zake de avondmaalsleer,
-van Luther af te wijken. Deze dissensus van Luther
-komt het eerst duidelijk uit in de nieuwe uitgaven der Loci van
-1535 en 1543, dan in de verandering der Augustana 1540 en
-1542, en eindelijk in het Leipziger Interim en den daardoor
-veroorzaakten adiaphoristischen strijd. Nu kwamen er twee partijen
-tegenover elkander te staan. Aan de eene zijde de aanhangers
-van Melanchton, de Philippisten, vooral aan de akademiën te
-Wittenberg en Leipzig, zooals G. Major, Paul Eber, Joh.
-Pfeffinger, Victor Strigel †&nbsp;1569, wiens Loci Theologici ontstonden
-uit voorlezingen over Melanchtons Loci en door Pezel
-in 4 deelen 1582-5 werden uitgegeven, Christ. Pezel †&nbsp;1604,
-schrijver van Argumenta et objectiones de praecipuis articulis
-doctrinae christ., Neost. 1580-89, Sohnius, Opera. Herb. 1609,
-e. a. Cf. H. Heppe, Dogm. des deutschen Protest. im 16 Jahrh.
-3 Bde. Gotha 1857. Aan de andere zijde stonden de Gnesio-lutheranen,
-<span class="pagenum" id="Page_99">[99]</span>
-vooral in Weimar en Jena, zooals Nic. von Amsdorf
-†&nbsp;1565, Matth. Flacius †&nbsp;1575, schrijver van de Solida Confutatio
-et condemnatio praecipuarum sectarum en vele andere
-polemische geschriften, Joh. Wigand †&nbsp;1587, Joh. Marbach
-†&nbsp;1581, Joachim Westphal †&nbsp;1574, die vooral Calvijns avondmaalsleer
-bestreed, Tileman Heshusius †&nbsp;1588 e. a. De velerlei
-dogmatische twisten, die in deze eerste periode onder de Luthersche
-theologen opkwamen, over de wet met Agricola, over de rechtvaardiging
-met Osiander, over de hellevaart van Christus met
-Aepinus, over de obedientia activa met Parsimonius, over de
-adiaphora, het synergisme en het kryptocalvinisme met Melanchton
-c. s., over de goede werken met Major, over de erfzonde met
-Flacius, leidden eindelijk tot en werden bijgelegd in de Formula
-Concordiae van 1580, Frank, Die Theologie der Konkordienformel,
-2 Th., Erl. Deichert 1858-61. Ze was het werk vooral
-van Jakob Andreae †&nbsp;1590 en van Mart. Chemnitz †&nbsp;1586, den
-voornaamsten Lutherschen theoloog in deze eeuw, schrijver van
-het Examen Concilii Tridentini, 4 tomi 1565-73, opnieuw uitgegeven
-door Preuss 1861, van een verhandeling de duabus
-naturis in Christo, etc. 1571, vermeerderd 1578, en van Loci
-Theol., na zijn dood door Leyser in 1592 uitgegeven.</p>
-
-<p class="sep2">19. Toen alzoo het Luthersche dogma gereed was, werd het in de
-17<sup>e</sup> eeuw op scholastische wijze behandeld en ontwikkeld. Heerbrand
-†&nbsp;1600, Compendium theologiae 1573, belangrijk vermeerderd
-1578, en Hafenreffer, Loci Theologici certa methodo ac
-ratione in libros tres tributi 1603 maakten daarmee reeds den
-aanvang. De scholastische behandeling wordt dan voortgezet door
-Leonhard Hutter †&nbsp;1616, Compendium locorum theol. ex Scriptura
-sacra et libro Concordiae collectum 1610, Joh. Gerhard †&nbsp;1637,
-Loci Communes theologici, 9 tomi 1610-22, beste editie van
-Cotta 1762-87, herdrukt Berlin-Leipzig 1864-75, en bereikt
-haar hoogtepunt in Dannhauer †&nbsp;1666, Hodosophia christiana,
-Hülsemann †&nbsp;1635 Breviarium theologiae 1640, Calovius †&nbsp;1686
-Systema loc. theol. 1655-77, Quenstedt †&nbsp;1688 Theologia
-didact-polem. 1685, Hollaz †&nbsp;1713 Examen theol. acroamaticum
-1707, König †&nbsp;1664 Theol. positiva acroamatica 1664. De kracht
-dezer dogmatiek lag in hare objectieviteit. De dogmata liggen
-gereed, het subject onderwerpt er zich aan zonder kritiek; ze
-<span class="pagenum" id="Page_100">[100]</span>
-worden alleen exegetisch, dogmenhistorisch, polemisch, scholastisch
-en practisch uitgewerkt en toegepast. Maar reeds in de 17<sup>e</sup> eeuw
-kwam er reactie tegen deze methode. Het Philippisme was door
-de Formula Concordiae niet overwonnen; het bleef zijn aanhangers
-houden, vooral in Altdorf en Helmstadt. Georg Calixtus,
-hoogl. te Helmstadt †&nbsp;1656, kwam door zijne studie van Aristoteles,
-door zijne kennismaking met Roomsche en Geref. theologen
-en door zijn afkeer van de scholastische orthodoxie tot eene
-gematigde, irenische theologie. In zijne werken de praecipuis
-religionis christianae capitibus 1613, epitome theologiae 1619,
-de immortalitate animae et resurr. mort. 1627 kwam hij op voor
-eene scherpere scheiding van philosophie en theologie, en ging hij
-tot het oorspronkelijk Christendom der vier eerste eeuwen terug,
-om in het gemeenschappelijke van alle christelijke confessies eene
-unie te zoeken van Luth. Geref. en Roomschen.</p>
-
-<p class="sep2">20. Calixtus vond met zijn syncretisme natuurlijk veel bestrijding.
-Maar de eeuw der objectieviteit ging voorbij. In de 18<sup>e</sup> eeuw
-laat het subject zich gelden; het herneemt zijn rechten en komt
-tegen de macht van het objectieve in verzet. In het Piëtisme
-van 1700 tot 1730 wordt de subjectieve vroomheid het uitgangspunt,
-en wordt het zwaartepunt uit het object in het subject
-verlegd. Spener, de vader van het Piëtisme 1635-1705, oefende
-door zijn persoon en door zijne werken, o. a. Pia desideria 1678,
-Allgemeine Gottesgelahrtheit aller gläubigen Christen und rechtschaffenen
-Theologen 1680, Tabulae Catecheticae 1683, Theolog.
-Bedenken 1712 enz. ontzachlijken invloed. In Halle waren de
-voornaamste piëtisten Francke †&nbsp;1727, Breithaupt †&nbsp;1732 Instit.
-theol. 1695. Freylinghausen †&nbsp;1739 Grundlegung der Theologie
-1703. Joachim Lange †&nbsp;1744 Antibarbarus orthodoxiae 1709.
-Mosaisches Licht u. Recht, Rambach †&nbsp;1735, Der wohlinformirte
-Katechet 1722. In Wurtemberg verbond zich bij Hedinger †&nbsp;1704,
-Bengel †&nbsp;1752, Oetinger †&nbsp;1782 het Piëtisme met een
-bijbelsch realisme en met apocalyptische verwachtingen. Natuurlijk
-trad de orthodoxie bijv. bij monde van Löscher in Dresden
-†&nbsp;1749 zeer vijandig tegen dit Piëtisme op. Maar de tijd voor
-de orthodoxie was voorbij. In de jaren 1730-60 sluit zij in
-Buddeus †&nbsp;1729 Instit. theol. dogm. et mor., Weismann †&nbsp;1760,
-Crusius †&nbsp;1775, J. G. Walch Einleitung in die dogm. Gottesgelahrheit
-<span class="pagenum" id="Page_101">[101]</span>
-1749 en zijn zoon Ch. W. F. Walch Breviarium theol.
-dogm. 1775 met het Piëtisme een verbond en gaat over in eene
-gemoedelijk-vrome richting, die op de practijk des geloofs nadruk
-legt, afkeerig is van scholastieke spitsvondigheid, gematigd is in
-polemiek en vooral aan geleerde historische onderzoekingen haar
-krachten wijdt. Met het Piëtisme is het Herrnhuttisme verwant,
-dat eveneens eene reaktie was van het gevoel tegen de verstandelijke
-orthodoxie. De vader van von Zinzendorf was een Speneriaan.
-Maar terwijl het Piëtisme door een Busskampf tot bekeering wil
-leiden, tracht het Herrnhuttisme dit te bereiken door de prediking
-van den lieven Heiland. Het wil van geen wet, maar alleen van
-Evangelie weten. De genade dringt hier de natuur zoo geheel op
-zijde, dat Jezus zelfs den Vader vervangt, Jezus is de Schepper, de
-Regeerder, de Vader, de Jehova des O. Test. En zijn persoon
-en lijden werd door Zinzendorf, onder Roomschen invloed, zoo
-pathologisch opgevat, dat de verwantschap van mystiek en zinnelijkheid,
-vooral in den eersten romantischen tijd, 1743-1750,
-zeer duidelijk aan het licht trad. Met het Piëtisme loopt evenwijdig
-het Rationalisme. Beiden hebben, elk op eigene wijze, aan
-het gezag der orthodoxie afbreuk gedaan, beide verleggen het
-zwaartepunt in het subject. Het Rationalisme nu kwam op door
-de philosophie van Cartesius, Spinoza, Leibniz †&nbsp;1716 en Wolff
-†&nbsp;1754. Zij maakten klaarheid, mathematische klaarheid tot norm
-der waarheid. Carpovius, prof. in de mathesis te Weimar, poogde
-in zijne Oeconomia salutis N. T. seu theologia revelata, dogmatica
-methodo scientifica adornata 1737-65, de kerkleer naar
-mathematische methode te demonstreeren. Canz, Reusch, Schubert,
-Reinbeck, vooral S. J. Baumgarten Halle †&nbsp;1757, Evangel.
-Glaubenslehre, uitgeg. door Semler 1759-60 en J. L. von
-Mosheim te Göttingen †&nbsp;1755 behooren tot deze Wolffiaansche
-richting. In hoofdzaak waren deze mannen nog orthodox, maar
-het religieus belang der waarheid wordt niet meer gevoeld, de
-geloofsleer wordt een object van historische geleerdheid en verstandelijke
-demonstratie. Geen wonder, dat bij andere Wolffianen,
-zooals Töllner, Syst. der dogm. Theol., Heilmann, Compendium
-theol. dogm. 1761, J. P. Miller, Instit. theol. dogm. 1767,
-Seiler, Theol. dogm. polem. 1774 reeds eene vrijere houding
-tegenover de kerkleer wordt aangenomen.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_102">[102]</span>
-21. Als deze rationalistische richting dan van buiten af nog
-gevoed en versterkt wordt door het Engelsche Deïsme en het
-Fransche ongeloof, komt na 1760 in Duitschland de Aufklärung
-op, die het gezond verstand van den individueelen mensch tot
-heerschappij tracht te brengen over alle <ins id="cor_14" title="objective">objectieve</ins> waarheid. Overal
-moet het positieve, het traditioneele, het historisch gewordene
-wijken voor het rationeele, het klaar-verstandelijke. Wolff c. s.
-had de openbaring nog redelijk gevonden. Maar de Aufklärung
-was deïstisch en rationalistisch. Frederik de Groote was haar
-koning, Berlijn haar middelpunt, de Allgemeine Deutsche Bibliotheek
-1765-1805 haar orgaan. De dogmatiek werd in dezen
-rationalistischen geest bewerkt door W. A. Teller, Lehrbuch des
-christl. Glaubens 1764. Religion der Vollkommneren 1792. Henke,
-Lineamenta instit. fidei christ. 1793. Eckermann, Compend. theol.
-1791 en vooral door Wegscheider, Instit. theol. christ. dogm.
-1815, 8<sup>e</sup> Aufl. 1844. Tegen dit Rationalisme nam de orthodoxie
-den verzwakten vorm van het Supranaturalisme aan. Zij durfde
-niet meer positief en thetisch haar standpunt nemen in het
-geloof, maar had met hare tegenstanders den grondslag van de
-rede gemeen; alleen trachtte ze van daaruit toch nog tot de
-openbaring te komen, wier noodzakelijkheid, mogelijkheid en
-werkelijkheid zij verdedigde. De inhoud der openbaring kromp
-echter gaandeweg bij haar in; de dogmata worden zooveel mogelijk
-van al het aanstootelijke bevrijd en door zoogenaamde bijbelsche
-voorstelling voor de rede pasklaar gemaakt. Op dit standpunt
-stelden zich Doederlein, Instit. theol. 1780. Morus, Epitome
-Theol. christ. 1789. Knapp, Vorles. über die christ. Glaub. 1827,
-vooral Reinhard, Vorles. über die Dogmatik 1801. Storr, Doctrinae
-christ. pars theoret. 1793. e. a. Terwijl eene verzoening
-van Rat. en Supran. beproefd werd door Tzschirner, von Ammon,
-Schott, en vooral door Bretschneider, Dogm. der ev. luth.
-Kirche 1814.</p>
-
-<p class="sep2">22. Voor de Luthersche dogmatiek in de 19<sup>e</sup> eeuw komen,
-behalve de bovenaangehaalde werken, in aanmerking: Mücke,
-Die Dogm. des 19 Jahrh. Gotha 1857. E. Lichtenberger, Histoire
-des idées relig. en Allemagne. Paris, Fischbacher. Thilo, Die
-Wissenschaftlickkeit der modernen spekul. Theol. in ihren Principien
-beleuchtet, Leipz. 1851. O. Flügel, Die spekulative Theol.
-<span class="pagenum" id="Page_103">[103]</span>
-der Gegenwart, 2<sup>e</sup> Aufl. Cöthen 1888. Hagenbach, Ueber die
-sogenannte Vermittelungstheologie 1858. Carl Schwarz, Gesch.
-der neueren Theol., 1857, holl. van Krabbe. Hartmann, Die
-Krisis des Christ. in der mod. Theol., Berlin 1880. O. Pfleiderer,
-Die Entw. der prot. Theol. in Deutschland seit Kant und in Gross-Britt.
-seit 1825. Freiburg 1891. Frank, Gesch. u. Krit. der
-neueren Theol. u. s. w. herausgeg. von P. Schaarschmidt. Erl.
-Deichert, 1894. Kattenbusch, von Schleiermacher zu Ritschl.
-Giessen 1892. Voor Scandinavie: Presbyt. and Ref. Rev. Oct. 1893.
-De eigenaardigheid der Luthersche dogmatiek in deze eeuw bestaat
-daarin, dat ze schier geheel onder invloed staat van de
-philosophie. In de vorige eeuw had ze door het Rationalisme haar
-principe, methode, inhoud bijna geheel en al verloren. Ze was
-een compendium geworden van rationeele gedachten over God,
-deugd en onsterfelijkheid. Kant was de eerste, die door zijne
-scherpe kritiek van de zuivere rede dezen rationeelen grondslag
-der dogmatiek geheel ondermijnde. Zijne kritiek was ontmoedigend,
-vernietigend zelfs voor het rationalisme en eudaemonisme
-der Aufklärung. Maar door de practische Vernunft tracht hij te
-herwinnen, wat hij door de reine Vernunft verloor. De kategorische
-imperatief, het zedelijk bewustzijn geeft ons recht om het
-bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid te postuleeren. De
-dogmatiek wordt opgebouwd op de moraal, de religie wordt een
-middel voor de deugd, God een noodhulp voor den mensch. De
-inhoud der religie en dogmatiek, door Kant in zijne Religion
-innerhalb der Grenzen der blossen <ins id="cor_15" title="Vernumft">Vernunft</ins> 1793 ontwikkeld,
-is zuiver rationalistisch; Kant staat nog geheel in de 18<sup>e</sup> eeuw,
-het historische, positieve heeft voor hem geen waarde, hij isoleert
-den mensch van alle invloeden, alleen de autonome Vernunftreligion
-is de ware religie. Maar door zijne kritiek van de rede,
-door zijn beroep op het zedelijk bewustzijn, door zijne strenge
-opvatting van de moraal, die hem zelfs van het radikal Böse
-in den mensch en van de noodzakelijkheid eener Art Widergeburt
-deed spreken, is hij van grooten invloed geweest op de
-theologie. De zedelijke bestemming van den mensch niet alleen,
-maar ook de onmacht der rede, om het bovenzinnelijke te bereiken,
-werd een argument voor de noodzakelijkheid der openbaring, van
-geloof en autoriteit. En in dezen Kantiaanschen geest werd de
-dogmatiek bewerkt door Tieftrunk, Dilucidationes ad theoreticam
-<span class="pagenum" id="Page_104">[104]</span>
-religionis christ. partem 1793. Stäudlin, J. E. C. Schmidt, Ammon
-e. a.</p>
-
-<p class="sep2">23. Eene andere reactie tegen de Aufklärung kwam van de
-zijde des gevoels. Sentimentaliteit was een karaktertrek van de
-tweede helft der 18<sup>e</sup> eeuw. Gelijk in Engeland Shaftesbury optrad
-tegen Hume, in Frankrijk Rousseau tegen Voltaire, zoo deed
-ook in Duitschland het gevoel bij mannen als Hamann, Claudius,
-Lavater, Stilling, Herder, Jacobi zijne rechten gelden tegenover
-het koude Rationalisme. Zij gaan allen uit van de onmiddellijke
-ervaring, van de kracht en innigheid des gemoeds; dat is het
-diepste wezen, het menschelijke in den mensch, daarop rust de
-religie, daaruit ontspringt het geloof, hier verneemt de mensch
-het goddelijke. En van hieruit ziet en ontdekt hij het goddelijke
-rondom zich in de natuur, in de geschiedenis, bovenal in Christus,
-den menschelijksten van alle menschen. De inhoud des geloofs
-verschilde bij deze mannen, te meer omdat ze van een systeem
-afkeerig waren; maar de grond des geloofs is bij allen dezelfde.
-Gevoel, geloof, Vernunft, inspiratie, Begeisterung, ervaring, of
-hoe men het noemen moge, is bij allen grondslag en norm der
-waarheid. Jacobi wees tegenover het voortschrijdende kriticisme
-op den onmiddellijken zin, waarin eene andere, hoogere objectieviteit
-opging voor den mensch. Hij kwam zoo tot een consequent
-dualisme van hoofd en hart, van philosophie en geloof, van
-zinlijke en geestelijke wereld. In de dogmatiek werd dit dualisme
-toegepast door de Wette, Bibl. Dogmatik, 3<sup>e</sup> Aufl. 1831, Dogm.
-der prot. Kirche, 3<sup>e</sup> Aufl. 1840, Ueber Religion u. Theol. 2<sup>e</sup> Aufl.
-1821. Das Wezen des christ. Glaubens vom Standpunkt des
-Glaubens 1840, en na hem door Hase, Evang. Dogm. 1826,
-6<sup>e</sup> Aufl. 1870. Aan allen is gemeen de scheiding van gelooven
-en weten, van aesthetische (ethische, religieuse) en verstandelijke
-(empirische) wereldbeschouwing, van ideale en zinnelijke wereld.
-De waarheid, door het religieus gevoel of bewustzijn geëischt,
-is onaantastbaar voor het verstand; zij behoort tot eene andere,
-niet waarneembare wereld.</p>
-
-<p class="sep2">24. Nauw verwant aan deze richting is de theologie van Schleiermacher.
-In zijne Reden über die Religion 1799 en de Monologen
-1800 staat hij geheel onder den invloed der romantiek. Godsdienst
-<span class="pagenum" id="Page_105">[105]</span>
-is gevoel, gevoel voor het universum, zin voor het
-oneindige, de richting des gemoeds op het eeuwige, evenals
-Spinoza’s cognitio Dei intuitiva. Schleiermacher neemt dus zijn
-standpunt ook in het subject, maar niet in verstand of wil, maar
-in het gevoel. God is hem de eenheid der wereld, geen object
-van het denken, want het denken beweegt zich altijd in tegenstellingen,
-maar alleen te genieten in het gevoel. En dat genieten
-van God in het gevoel is religie. Maar daarmede verbindt
-Schleiermacher nu aanstonds de idee der gemeenschap. Uit het
-wezen der religie ontspringt de zucht naar gemeenschap, tot
-uitwisseling van het genotene. De godsdiensten verschillen, naarmate
-het oneindige het gevoel anders bepaalt en de gemeenschap
-anders vormt. In zijne Glaubenslehre zijn de wijsgeerige grondgedachten
-dezelfde, maar hier wordt het gevoel nader omschreven
-als volstrekte afhankelijkheid, God opgevat als absolute causaliteit,
-en het Christendom omschreven als eene ethische religie, waarin
-alles in betrekking staat tot de verlossing door Christus. Dogmata
-zijn en blijven dus beschrijvingen van subjectieve gemoedstoestanden,
-maar toch van zulke, die door de christelijke gemeenschap,
-en alzoo door den persoon van Christus bepaald zijn. Door deze
-drie ideeën, van het onmiddellijk zelfbewustzijn als bron der
-religie, van de gemeenschap als noodzakelijke bestaansvorm der
-religie en van den persoon van Christus als centrum van het
-Christendom is Schleiermacher van onberekenbaren invloed
-geworden. Heel de theologie na hem is van hem afhankelijk;
-zijne dogmatiek is door niemand overgenomen, en toch heeft hij
-op alle richtingen, liberale, bemiddelende, confessioneele en in
-alle kerken, Roomsche, Luth. en Geref. zijn invloed doen gevoelen.
-Het naast aan hem verwant zijn de dusgenaamde Vermittelungstheologen,
-Nitzsch, Twesten, Neander, J. Müller, Rothe, Dorner,
-Martensen, Schenkel enz. Het eigenaardige en gemeenschappelijke
-van al deze mannen is het subjectieve uitgangspunt. Zij gaan
-allen uit niet van eene uitwendige autoriteit maar van het gemoed,
-van het religieus bewustzijn. Zij nemen de waarheid eerst aan
-als inhoud der subjectieve christelijke ervaring. Maar daarbij
-blijven zij niet staan; zij willen boven Schleiermacher uitgaan,
-en daartoe verbinden zij het subjectieve religieuse uitgangspunt
-van Schleiermacher met Hegelsche speculatie. De agnostische
-elementen in Schleiermacher, die hij met Kant gemeen had,
-<span class="pagenum" id="Page_106">[106]</span>
-werden uitgewisseld voor de Hegelsche leer van de kenbaarheid
-van het Absolute. De waarheid, eerst als inhoud der religieuse
-ervaring aangenomen, moest vervolgens op den weg der speculatie
-als denknoodwendig begrepen en voor de rechtbank der philosophie
-gelegitimeerd worden. Zoo zou geloof en wetenschap, het
-natuurlijke en het positieve, kerk en cultuur, Schriftgezag en
-kritiek, antieke en moderne wereldbeschouwing met elkander
-verzoend en bevredigd worden.</p>
-
-<p class="sep2">25. Dit was trouwens ook het streven van Hegel geweest.
-Hegel is de consequenste idealist; het Cartesiaansche uitgangspunt
-komt hier tot zijne laatste gevolgtrekkingen. Het denken
-produceert het zijn, al het zijnde is dus logisch, redelijk. Maar
-deze gedachte verbindt hij met die van het worden, van de
-evolutie. De realiseering der gedachte in ’t zijnde geschiedt
-allengs, van trap tot trap. In den mensch komt dat denken het
-eerst tot bewustzijn. Maar op den laagsten trap, als natuurlijke,
-eindige geest, voelt de mensch zich van God gescheiden. In de
-religie, vooral in de christelijke, ziet hij echter die scheiding
-opgeheven; God en mensch zijn één. Deze eenheid van God en
-mensch is het wezen van alle religie, maar wordt in den godsdienst
-niet adaequaat uitgedrukt; zij is daar gehuld in vormen
-van voorstelling en gevoel. Eerst in de philosophie komt de idee
-tot haar adaequaat begrip; zij is het absolute weten, het weten
-der menschheid van God, het weten Gods van zichzelf. Naar
-deze wijsgeerige gedachten trachtte Hegel alle christelijke dogmata,
-triniteit, menschwording, verzoening, enz. te verklaren.
-Velen geloofden aan de Hegelsche verzoening van theologie en
-philosophie; de zoogenaamde rechterzijde Marheinecke, Daub,
-Göschel, Rosenkranz bewerkte de dogmata in zijn geest en trachtte
-Hegelsche speculatie en orthodoxe theologie te vereenigen. Maar
-allengs werd openbaar, wat gevaar er in de Hegelsche philosophie
-voor de christelijke dogmata verscholen lag. Feuerbach,
-Strauss, Vatke, Bruno Bauer trokken de consequenties en gaven
-de voorstelling, die het kleed is der religie, prijs om alleen
-over te houden het abstracte begrip. Strauss zag in de Evangelieverhalen
-onbewuste symbolische verdichtingen van de ideale
-waarheid, dat het Oneindige zich uitstort in het eindige, echter
-niet in een enkel mensch maar in de menschheid; deze is de
-<span class="pagenum" id="Page_107">[107]</span>
-ware zoon van God, de ideale Christus. In zijne Glaubenslehre
-1840 beproeft hij aan te toonen, dat de geschiedenis van elk
-dogma tegelijk zijne kritiek en ontbinding is. Religie en philosophie
-verschillen in vorm, maar daarom ook in inhoud; de philosophie
-vervangt de religie. De neo-Hegelianen, Biedermann, Pfleiderer,
-zijn wel behoedzamer geworden, maar hebben toch van Hegel
-overgenomen, dat het denken staat boven het religieus bewustzijn
-en dus tot taak heeft, om de religieuse voorstelling van haar
-tijdelijken, zinnelijken vorm te ontdoen, in haar ideale kern voor
-te stellen en in overeenstemming te brengen met onze gansche
-wereldbeschouwing.</p>
-
-<p class="sep2">26. Terwijl Hegels philosophie alzoo tot verwerping van het
-Christendom leidde, werd vooral sedert 1830 bekend, dat Schelling
-allengs het identiteitssysteem verlaten had en thans eene
-positieve philosophie ontwikkelde, waarin niet de noodwendigheid
-maar de vrijheid heerschte en waarin de wil en de daad in de
-plaats trad van het logisch proces. Evenals Hamann, Lavater,
-enz. in de vorige eeuw, zoo kwam Schelling allengs tot de overtuiging,
-dat er nog een ander, dieper zijn en leven is dan dat
-van het logisch verstand, nl. dat van den wil, van de daad,
-van de vrijheid. Maar alle leven is worden, een wisselwerking
-van tegenstellingen. Zoo is het in God, en zoo is het in de
-wereld. In God is eerst de donkere natuurgrond, dan het verstand,
-en uit beiden wordt de wil geboren. In de wereld is eerst
-de chaos, dan de geest, daarna de kosmos. En zoo is in de
-religie eerst de natuurlijke drift in het Heidendom, dan het
-Woord of het Licht in Christus, en eindelijk het zijn van God
-in allen. Onder invloed van Böhme en Oetinger verbond Schelling
-daarmede allerlei theosophische bespiegelingen. De theosophie
-houdt zich altijd op met twee problemen, met den
-overgang tusschen God en wereld en tusschen ziel en lichaam.
-Het eerste probleem wordt hierdoor opgelost, dat de grond der
-wereld in de natuur van God wordt gezocht, en dat de theogonie,
-het trinitarisch proces in God, min of meer geidentifieerd of
-althans geparalleliseerd wordt met de kosmogonie. God zelf komt
-eerst tot volle ontvouwing van zijn wezen in en door het wereldproces.
-Het tweede probleem wordt op dezelfde wijze door de
-idee der Geistleiblichkeit opgelost. Het geestelijke, God, de ziel,
-<span class="pagenum" id="Page_108">[108]</span>
-is niet in strikten zin onlichamelijk, wel niet stoffelijk, maar
-übermateriell, en zoo heeft de geest op zijn beurt de taak, om
-het lichaam, de wereld, wier grove stoffelijkheid een gevolg der
-zonde is, te vergeistigen en te vergeistlichen. Deze theosophische
-speculatie van Schelling vond ingang in de theologie: Baader,
-Görres, Windischmann, J. F. von Meyer, Steffens, Wagner, Stahl,
-Rothe, Hamberger, Fr. Hoffmann, Keerl, Osiander, Lange,
-Delizsch, Bähr, Kurtz, Splittgerber, hebben allen in meerdere
-of mindere mate zijn invloed ondergaan.</p>
-
-<p class="sep2">27. Het was natuurlijk, dat er tegen deze velerlei vermenging
-van theologie en philosophie verzet kwam van de zijde der kerkelijke
-orthodoxie. Op de theologie der bemiddeling moest wel
-eene der scheiding volgen. De studie der confessie, de historische
-dogmatieken van de Wette, Bretschneider, Hase, Schmid,
-Schneckenburger kwamen aan het confessioneel bewustzijn ten
-goede. Altlutheraner zooals Guericke en Rudelbach, Neolutheranen
-zooals Harms, Hengstenberg, Keil, Philippi, Vilmar,
-Kliefoth, Höfling, Thomasius, Hofmann, mannen der positieve
-Union zooals Kahnis, Luthardt, Zöckler, H. Schmidt, Frank,
-Grau, enz. arbeidden aan het herstel der oude Luthersche theologie.
-Toch waren ook zij kinderen van hun tijd. Het Piëtisme
-werkte na in mannen als Hengstenberg en Tholuck. Vilmar,
-Löhe, Münchmeyer e. a. waren in hunne opvatting van kerk.
-sacrament en ambt niet vrij van Roomsche overdrijving; de
-Zuidduitsche theologen in Erlangen, Thomasius, Hofmann, en
-ook de tegenwoordige positieve theologen staan vrijer tegenover
-de confessie en wijken in belangrijke punten, Christologie, voldoening,
-Schrift van de oud-luthersche dogmatiek af. Zelfs een
-zoo orthodox Lutheraan als Philippi gaat evenals Hofmann en
-Frank van het subjectief geloofsbewustzijn uit en heeft dus zijn
-uitgangspunt aan Schleiermacher ontleend. Naast deze confessioneele
-staan de Bijbelsche theologen, onder wie Beck de voornaamste
-is, die het dogmatisch systeem niet uit het geloovig bewustzijn
-noch ook uit de confessie maar alleen uit de Schrift willen
-opbouwen. Maar Beck vatte die Schrift op in den zin dier
-mystieke theosophie, welke sedert Oetinger en Michael Hahn in
-Zwaben beoefend werd, als een systeem van hemelsche waarheden,
-die afdruk waren van hemelsche krachten en deze door
-<span class="pagenum" id="Page_109">[109]</span>
-de werking des H. Geestes in de ziel des menschen inplantten,
-en kwam daardoor dikwerf tot eene vrij willekeurige exegese,
-en tot een systeem, dat wel diep en origineel was maar ook van
-een eenzijdig ascetisme en individualisme niet vrij te pleiten was.</p>
-
-<p class="sep2">28. Nog van eene andere zijde kwam er oppositie tegen de
-vermenging van philosophie en theologie. Liebmann, in zijn werk
-Kant und die Epigonen, Stuttgart 1865 en F. A. Lange, in zijne
-Geschichte des Materialismus 1866 gaven op wijsgeerig gebied
-het parool: naar Kant terug. De speculatie van Hegel en Schelling
-had tot niets geleid; het verstand moest wederom tot besef
-komen van zijne eindigheid en beperktheid, en geen kennis van
-het bovenzinlijke zich aanmatigen. Er moge daarnaast plaats over
-blijven voor het geloof, de verbeelding, maar de rede is tot het
-zinlijk-waarneembare beperkt. Dit standpunt van het Neo-Kantianisme
-werd op dogmatisch gebied ingenomen door Lipsius en
-Ritschl. Maar met niet onbelangrijk verschil. Lipsius erkent, Ritschl
-ontkent het mystieke element in de religie. Lipsius acht de religie
-eene eigene, zelfstandige macht, Ritschl laat ze bijna geheel in
-het ethische opgaan. Lipsius acht de religie in de eerste plaats
-eene zaak van het individu, Ritschl van de gemeenschap. Lipsius
-tracht de religieuse voorstellingen in elk geval nog in overeenstemming
-te brengen met de resultaten der wetenschap, Ritschl
-scheidt theologie en wetenschap geheel en al. Voor Lipsius is de
-genade Gods in Christus, voor Ritschl is het door Christus
-gestichte Godsrijk de hoofdinhoud der openbaring enz. Maar beiden
-sluiten zich toch aan bij Kant’s afkeer van metaphysica, bij
-zijne leer van de beperktheid van het menschelijk kenvermogen.
-Daarom wil Ritschl volledige scheiding van metaphysica (philosophie,
-wetenschap) en religie (theologie). De religie en theologie
-spreekt geen zijns- maar waardeeringsoordeelen uit. Zij zegt niets
-over het onkenbare wezen der dingen maar spreekt alleen uit
-de waarde en beteekenis, die ze hebben voor ons. Door zulk eene
-scheiding tracht Ritschl aan de religie en theologie eene eigene,
-voor de wetenschap onaantastbare plaats te verzekeren. De religie
-steunt niet op de wetenschap, maar is gegrond op een eigen
-beginsel, op de zedelijke natuur van den mensch. Zij heeft een
-eigen inhoud, n.l. geen zijns- maar waardeeringsoordeelen, d. i.
-zuiver relig.-ethische uitspraken. Zij heeft een eigen doel, n.l.
-<span class="pagenum" id="Page_110">[110]</span>
-om den mensch in ethischen zin onafhankelijk te maken van de
-wereld. Ritschl’s theologie heeft thans grooten invloed, niet alleen
-in maar ook verre buiten Duitschland. Verschillende oorzaken
-verklaren haar opgang. De schijnbare verzoening van gelooven en
-weten, de religieus-ethische opvatting der religie, de aansluiting
-aan de openbaring Gods in Christus, aan de H. Schrift en aan
-de theologie van Luther en Melanchton, de verwerping van alle
-theol. naturalis en scholastieke dogmatiek enz. hebben aan deze
-theologie een plotselinge verbreiding en een buitengewonen
-opgang bezorgd. Eene schare van mannen, Herrmann, Kaftan,
-Häring, Harnack, Schürer, Gottschick, Kattenbusch, Stade, Wendt,
-Schultz, Lobstein enz. hebben zich bij haar aangesloten, en passen
-hare beginselen op heel het veld der theol. wetenschap toe. Toch
-is de Ritschl’sche leer van het kenvermogen, de volledige scheiding
-van theologie en metaphysica, de moralistische opvatting
-van de religie, de beperking van de religie tot waardeeringsoordeelen,
-enz. onbevredigend. Ook deze richting zal op den duur
-noch het hoofd noch het hart kunnen bevredigen, cf. mijn opstel
-over de Theol. van Ritschl in de Theol. Stud. van Dr. Daubanton
-e. a. 1888.</p>
-
-<h4>E. De Dogmatiek in de Gereformeerde Kerk.</h4>
-
-<p>29. Bij alle overeenstemming, tot zelfs in de belijdenis der
-praedestinatie toe, was er van den aanvang af toch een belangrijk
-verschil tusschen de Duitsche en de Zwitsersche reformatie. Het
-onderscheid in land en volk, waar Luther en Zwingli optraden,
-het verschil in afkomst, opvoeding, karakter en levenservaringen
-werkten er toe mede om beide uiteen te doen gaan. Het duurde
-slechts kort, eer het aan het licht trad, dat beide hervormers
-van een anderen geest waren. In 1529 werd te Marburg nog
-wel de vrede geteekend, maar alleen op papier. En toen Zwingli
-wegviel en Calvijn, in weerwil van zijne hoogachting voor Luther
-en in zijne toenadering in de leer van het avondmaal, toch principieel
-de zijde van Zwingli koos, toen werd de scheuring tusschen
-luthersch en gereformeerd Protestantisme hoe langer hoe
-grooter en een feit, dat niet meer ongedaan kon gemaakt worden.
-De historische onderzoekingen naar het kenmerkend onderscheid
-van beide in deze eeuw hebben duidelijk aangetoond, dat er
-<span class="pagenum" id="Page_111">[111]</span>
-een verschil van beginsel aan ten grondslag ligt. In vroeger tijd
-somde men eenvoudig de dogmatische verschillen op, zonder ze
-tot een gemeenschappelijk principe te herleiden, Hoornbeek, Summa
-Controv. 1653 p. 618. Maar Max Goebel, Die relig. Eigenthümlichkeit
-der luth. u. ref. K. 1837, holl. vert. Gron. Smit 1841,
-leverde de eerste proeve van eene historische en principieele verklaring
-van beider onderscheid. Sedert hebben verschillende mannen
-dat onderzoek voortgezet, zooals Ullmann, Semisch, Hagenbach,
-Ebrard, Herzog, Schweizer, Baur, Schneckenburger, Guder,
-Schenkel, Schoeberlein, Stahl, Hundeshagen, wier werken aangehaald
-en beoordeeld worden door Voigt, Fundamentaldogmatik,
-1874 S. 397-480, Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4<sup>e</sup> dr. II
-309 v. enz. Het onderscheid schijnt nog het best daardoor weergegeven
-te worden, dat de gereformeerde theologisch, de luthersche
-anthropologisch is. De gereformeerde blijft niet in de historie
-staan, maar klimt op tot de idee, tot het eeuwig besluit Gods;
-de luthersche neemt zijn standpunt midden in de heilsgeschiedenis
-en heeft geen behoefte om dieper in den raad Gods door
-te dringen. Bij de gereformeerden is daarom de verkiezing het
-cor ecclesiae, bij de lutherschen is de rechtvaardigmaking het
-articulus stantis et cadentis ecclesiae. Daar is de eerste en voornaamste
-vraag: hoe komt God tot zijne eer; hier daarentegen:
-hoe komt de mensch tot de zaligheid. Daar is de strijd vooral
-tegen het paganisme, de afgoderij; hier tegen het judaïsme, de
-werkheiligheid gericht. De gereformeerde heeft geen rust, voor
-hij rugwaarts alles tot het besluit Gods heeft herleid en het
-διοτι der dingen heeft opgespoord en voorwaarts alles aan de
-eere Gods heeft dienstbaar gemaakt; de luthersche is met het ὁτι
-tevreden en geniet in de zaligheid, die hij door het geloof deelachtig
-is. Uit dit verschil in beginsel laten zich de dogmatische
-controversen in de leer van het beeld Gods, de erfzonde, den
-persoon van Christus, de heilsorde, de sacramenten, de kerkregeering,
-de ethiek enz. gemakkelijk verklaren.</p>
-
-<p>De geschiedenis der geref. dogmatiek is veel moeilijker te beschrijven
-dan die van de luth. De geref. kerk is niet tot één land
-en volk beperkt, maar heeft zich in verschillende landen en
-onder verschillende volken uitgebreid. De geref. type is niet in
-ééne belijdenis neergelegd maar heeft in tal van confessies uitdrukking
-gevonden. De dogmatische ontwikkeling, bijv. in de
-<span class="pagenum" id="Page_112">[112]</span>
-leer der verkiezing, der rechtvaardiging, der wedergeboorte, der
-sacramenten enz. is in de geref. kerk veel rijker en veelzijdiger
-dan in de luth. geweest. En eindelijk is de geschiedenis van de
-geref. dogmatiek veel minder beoefend dan die van de andere
-kerken; er ligt hier nog een veld voor het onderzoek open. De
-voornaamste werken, die over haar handelen zijn: C. M. Pfaff,
-Introductio in historiam theol. literariam, Tüb. 1724 p. 258 sq.
-Walch, Bibl. theol. sel. I 211 sq. B. Pictet, De Christel. Godg.,
-holl. vert. 1728 deel III. A. Ypey, Beknopte letterk. gesch. der
-system. Godg. 3 deelen, 1793-98 I 200 v. II 55 v. Id. Gesch.
-v. d. Krist. Kerk in de 18<sup>e</sup> eeuw, Utrecht, 1797 v. deel VII
-en VIII. A. Schweizer, Die Glaub. der ev. ref. K. 1844 I 1-134.
-Id. Die Centraldogmen der ref. K. 2 Bde. 1854, ’56.
-J. H. A. Ebrard, Christl. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. 1862 I 44 f. J. H.
-Scholten, Leer der Herv. K. I 67 v. C. Sepp, Het godg. onderwijs
-in Nederl. gedurende de 16<sup>e</sup> en 17<sup>e</sup> eeuw, 2 deelen, Leiden,
-1873, ’74. Voorts de boven aangeh. werken van Gasz, Dorner,
-Frank, Ritschl enz. en de later te noemen litteratuur.</p>
-
-<p class="sep2">30. De Gereformeerde dogmatiek begint met Zwingli. Bij
-hem zijn de grondgedachten reeds aanwezig, het theol. uitgangspunt,
-de volstrekte afhankelijkheid des menschen, de praedestinatie,
-de menschelijke natuur van Christus, de geestelijke opvatting
-van kerk en sacrament, de ethische en politieke strekking
-der reformatie. Maar Zwingli heeft nog vele leemten in zijne
-theologie; door zijn humanisme vat hij de zonde en de verzoening
-te ondiep op; door zijn spiritualisme zet hij God en mensch,
-divina en humana justitia, teeken en beteekende zaak in het
-sacrament enz. abstract dualistisch tegenover elkaar; zijn klaarheid
-en helderheid van gedachte kan het gemis aan diepte niet vergoeden;
-en tot een eenigszins afgerond en samenhangend systeem
-komt het bij hem niet. Zwingli heeft slechts de algemeene omtrekken
-ontworpen, binnen welke de verschillende richtingen in
-de Geref. kerken zich later bewogen hebben. Eerst Calvijns organiseerende
-en systematische geest gaf aan de Zwitsersche reformatie
-haar belijnde leer en vaste organisatie. Zijne theologie
-stond reeds bij de eerste uitgave zijner Institutie in 1536 vast.
-Er is uitbreiding, ontwikkeling maar geen verandering. Calvijn
-onderscheidt zich daarin van Zwingli, dat hij alle wijsgeerige en
-<span class="pagenum" id="Page_113">[113]</span>
-humanistische ideeën bant en zich zoo streng mogelijk aansluit aan
-de Schrift. Voorts handhaaft hij beter de objectieviteit van de
-christelijke religie, van het verbond Gods, van den persoon en
-het werk van Christus, van Schrift, kerk en sacrament en staat
-daarom sterker tegen de Wederdoopers. Verder overwint hij zoowel
-de tegenstelling van Luther tusschen het geestelijke en
-wereldlijke als die van Zwingli tusschen vleesch en geest, en
-is daarom wel rigoristisch maar in geen enkel opzicht asceet.
-Eindelijk brengt hij in zijne gedachten eenheid en systeem,
-iets, wat noch Luther noch Zwingli vermocht, en vergeet
-daarbij toch nooit het verband met het christelijk leven. Calvijn
-wist allengs heel Zwitserland, ook in zake de avondmaalsleer
-(Consensus Tigurinus 1549) en de praedestinatie (Consensus
-Genev. 1552, Tweede Helv. Conf. 1564) voor zich te winnen,
-Hundeshagen, Die Conflikte des Zwinglianismus, Lutherthums und
-Calvinismus in der Bernischen Landeskirche von 1532-1558,
-Bern 1842. De Institutie van Calvijn werd weldra overal bestudeerd.
-Die van Bern beriepen zich later evenzeer op Calvijn als
-die van Genève, Zurich, Bazel en Schaffhausen. Geheel in Calvijns
-geest werd de dogmatiek in Zwitserland in deze 16<sup>e</sup> eeuw
-behandeld door Beza, Tractationes theol. 1570, Petrus Martyr
-Vermiglius, Loci Communes 1576, Musculus, Loci Comm. 1560,
-1567 en Aretius, Theol. problemata 1579.</p>
-
-<p>Van Zwitserland breidde Calvijns theologie zich naar Frankrijk
-uit. Hij droeg zijne Institutie in 1536 aan Frans I met eene
-voorrede op. Hij werd de ziel der Fransche reformatie. Zijne leer
-werd algemeen aangenomen; zijne werken werden in ’t Fransch
-vertaald en verspreid; bij hem zocht men raad en troost, en
-velen gingen naar Genève om opgeleid te worden tot den dienst
-des woords. De voornaamste theologen in Frankrijk in deze eeuw
-waren Chandieu †&nbsp;1591, die onder den pseudoniem Sadeel,
-Zamariel verschillende theol. tractaten schreef, de verbo Dei, de
-Christi sacerdotio, de remissione peccatorum enz., Marlorat †&nbsp;1562,
-schrijver van Thesaurus S. Scripturae in locos comm.
-rerum et dogmatum, uitgeg. in 1574 door Feugueraeus, en du
-Plessis Mornay †&nbsp;1623, die bekend is door zijn Traité de
-l’Eglise 1578, Traité de la vérité de la religion chrétienne 1581
-en vooral ook door zijn in citaten zeer onnauwkeurig Le mystère
-d’iniquité c’est à dire l’histoire de la papauté 1611.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_114">[114]</span>
-Door de uitgewekenen naar Oostfriesland, de Paltz, Kleefsland,
-en van uit het Zuiden drong het Calvinisme ook in Nederland
-door. Calvijns Institutie werd reeds 1560 in ’t Ned. vertaald.
-Dathenus, de Brès, Modet, Marnix, Caspar Heydanus e. a. waren
-strenge Calvinisten. Velen zochten in Genève en Heidelberg hun
-opleiding. Maar reeds 1575 werd de akademie te Leiden, en 1585
-die te Franeker gesticht. Feugueraeus, Danaeus, Saravia, Trelcatius
-Sr., Bastingius, Junius waren te Leiden; Lubbertus, Lydius en
-Nerdenus waren te Franeker de beroemdste hoogleeraren in deze
-eeuw. De theol. arbeid bestond voornamelijk in polemiek tegen
-Rome en tegen de Wederdoopers. Maar toch zagen reeds verschillende
-dogmatische handboeken het licht, van Gellius Snecanus,
-Methodica descriptio et fundamentum trium locorum communium
-S. Scr. 1584, van Bastingius de eerste verklaring van den Catechismus
-1590, van Feugueraeus Propheticae et apostolicae, i. e.
-totius divinae et canonicae scripturae thesaurus 1574, van Trelcatius
-Sr. Loci Communes 1587, van Junius Theses Theologicae
-(Opera Omnia I 1592 sq.).</p>
-
-<p>Ook in Engeland en Schotland vond het Calvinisme ingang.
-Het kwam daar in strijd niet alleen met Rome, maar ook met
-de reformatie, die van boven af door Hendrik VIII en Elisabeth
-ondernomen werd. De Hervormingsgezinden, die onder Maria naar
-het vasteland vluchtten, kwamen hier in kennis met de leer van
-Calvijn, Bullinger, Beza, Martyr enz. en ergerden zich straks bij
-hun terugkeer aan de halfheid der Engelsche reformatie. Het
-verschil liep eerst over de ceremoniën. In de leer waren Puriteinen
-en Anglikanen het oorspronkelijk eens. De Engelsche
-theologie droeg tot in het begin der 17<sup>e</sup> eeuw toe een beslist
-Calvinistisch karakter. Op de Universiteiten werd Calvijns Institutie
-onderwezen. Zelfs de episcopale regeeringsvorm werd door
-Cranmer, Jewel, Hooker e. a. niet als de eenig ware, maar alleen
-in het belang van het welzijn der kerk verdedigd, Schaff, Creeds
-of Christendom, 3 vol. New-York 1881 I 602 etc. Maar toen
-in en sedert 1567 de nonconformisten, onder wie Pilkington,
-Whittingham, Thomas Sampson en Humphrey uit Oxford de
-voornaamste waren, zich afscheidden, breidde de strijd over heel
-de kerkregeering zich uit. De krachtigste voorstander van den
-presbyterialen kerkvorm was Thomas Cartwight, prof. te Cambridge,
-1570 afgezet, 1603 gestorven. En tegen het einde der
-<span class="pagenum" id="Page_115">[115]</span>
-eeuw kwam daar nog een verschil in de leer bij; William Perkins
-†&nbsp;1602, Alle de werken, 3 vol. Amst. 1659 v. en William
-Whitaker †&nbsp;1595, Opera, Genev. 1610 2 vol., hoogleeraren te
-Cambridge, trachtten de praedestinatie nog te handhaven in de 9
-Lambeth-artikelen, Schaff, Creeds I 658 III 523, welke zij aan
-Elisabeths raadsman Whitgift voorlegden, maar het hoogkerkelijke
-en het pelagiaansche gevoelen nam hoe langer hoe meer de overhand.
-In Schotland werd echter het Calvinisme door John Knox
-†&nbsp;1572, John Craig †&nbsp;1600, e. a. met kracht ingevoerd en eindelijk
-ook door den Koning erkend 1581.</p>
-
-<p>In Duitschland was de Geref. kerk en theologie minder afhankelijk
-van Calvijn. De Heid. Catechismus, de theologie van
-Pareus, Ursinus, Olevianus, Hyperius, Boquinus, ook van à Lasco
-vertoont in veel opzichten een eigen karakter. Hofstede de Groot,
-Ebrard en Heppe hebben deze eigenaardigheid uit Melanchton
-verklaard; maar deze voorstelling is onhistorisch en voldoende
-weerlegd. Veel beter wordt ze door Prof. Gooszen in twee studiewerken
-over den Heid. Catech. 1890 en 1893 en door Dr. Van
-’t Hooft, De Theol. van Heinrich Bullinger 1888 uit den opvolger
-van Zwingli in Zurich afgeleid. Toch is er tusschen de theologie
-van Calvijn en van Bullinger geen enkel zakelijk, maar alleen
-een formeel en methodologisch verschil. Het is het onderscheid
-tusschen het supra- en het infralapsarisme, tusschen het streng-theologisch
-en het foederalistisch uitgangspunt, dat altijd in de
-Geref. kerken heeft bestaan en over en weer als gereformeerd is
-erkend, cf. mijn opstel Calvin. en Geref. in De Vrije Kerk, Febr.
-1893, en de repliek van Prof. Gooszen, Geloof en Vrijheid,
-Dec. 1894. Naast Ursinus en Olevianus werkte dan ook in Heidelberg
-de streng-calvinistische Zanchius.</p>
-
-<p class="sep2">31. Reeds tegen het einde der 16<sup>e</sup> eeuw kwam in de Geref.
-theologie de scholastische methode op. De eenvoudige behandeling
-der dogmata, gelijk we die bij Calvijn, Hyperius, Sohnius aantreffen,
-kon op den duur niet voldoen. Bij Martyr, Sadeel, Junius
-treffen we al bekendheid aan met de vraagstukken, die in
-de MiddelE. door de scholastici werden behandeld. Vooral
-Zanchius †&nbsp;1590 is in zijne werken De tribus Elohim, de natura
-Dei, de operibus Dei, de incarnatione (Opera Omnia in 8 tomi,
-Geneve 1619) en Polanus a Polansdorf †&nbsp;1610 in zijn Syntagma
-<span class="pagenum" id="Page_116">[116]</span>
-Theologiae met de theologie der kerkvaders en der scholastici
-uitnemend vertrouwd. Op schoolsche manier wordt dan de dogmatiek
-in de Geref. kerken in deze eeuw behandeld, in Nederland
-door Trelcatius Jr., Scholastica et methodica locorum omnium
-S. Scr. institutio 1604, Nerdenus, Systema theol. 1611, Maccovius,
-Collegia theologica 1623, ed. 3<sup>a</sup> 1641. Loci Comm. Theol. 1626,
-Fr. Gomarus, Opera theol. omnia Amstel. 1664, Gisb. Voetius,
-Disputationes sel. 5 partes, Ultraj. 1648-59, en elders vooral door
-J. H. Alsted, prof. te Herborn en Weissenburg †&nbsp;1638, Theol.
-scholastica didactica, exhibens locos communes theol. methodo
-scholastica 1618. De scholastieke methode vond echter lang niet
-algemeene instemming. Maccovius kreeg op de Dordsche Synode
-de vermaning, ut cum Spiritu Sancto loquatur, non cum Bellarmino
-ant Suarezio, Heringa, De twistzaak van Maccovius, Archief
-voor Kerk. Gesch. III 1831 bl. 505 v. De twist van Maccovius
-en Amesius, ib. bl. 643 v. en Van der Tuuk, Joh. Bogerman
-bl. 229 v. en van Maresius tegen Voetius had in dezelfde scholastieke
-methode haar grond. Maresius noemde Voetius een theologus
-paradoxus, telde niet minder dan 600 paradoxa in zijne theologie
-op, en beschuldigde hem vooral dat hij lacum asphaltidem scholasticorum
-derivare in fontem Siloe; zie zijn Theologus paradoxus
-retectus et refutatus 1649 en daartegen Voetius, Disput. Sel. V.
-572-716. Maar ook waar men voor wijsgeerige terminologie,
-scholastieke distincties en ijdele schoolsche vragen zich wachtte
-en de waarheid in meer eenvoudigen vorm voordroeg, was de
-17<sup>e</sup> eeuw toch de eeuw der objectieviteit. De stof lag gereed, ze
-behoefde alleen geordend te worden. De traditie werd eene macht.
-Niet alleen de Schrift, maar ook de belijdenis, ja zelfs de dogmatische
-behandeling kreeg eene onaantastbare autoriteit en deed
-Camero de klacht slaken, dat men in de leer niet afwijken kon
-ἀπο των δοκουντων εἰναι στυλοι, zonder vervolgd te worden,
-Schweizer, Centraldogmen II 237. De voornaamste godgeleerden
-in ons land waren Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus,
-schrijvers der Synopsis Purioris theologiae, Trigland, Hoornbeek
-te Leiden; Maccovius, Acronius, Amesius, Schotanus, Bogerman,
-Cloppenburg, Arnoldus te Franeker; Ravensperger, Gomarus,
-H. Alting, Maresius te Groningen; Voetius, Essenius, Mastricht,
-Leydecker te Utrecht; verder Bucanus te Lausanne, Wollebius
-te Bazel; Danaeus, Franc. Turretinus en B. Pictet te Genève;
-<span class="pagenum" id="Page_117">[117]</span>
-J. H. Heidegger en J. H. Hottinger te Zurich; Chamier, Bérault,
-Garissoles te Montauban; Tilenus, Dumoulin, Beaulieu te Sedan;
-voorts Benj. Basnage, David Blondel, Sam. Bochartus, Jean
-Mestrezat, Charles Drelincourt, Jean Daillé en vooral de theologen
-te Saumur Camero, Amyraldus, Cappellus, Placaeus, cf. Félice,
-Histoire des Protestants de France 7<sup>e</sup> ed. 1880. In Engeland
-won in de 17<sup>e</sup> eeuw de hoogkerkelijke en arminiaansche richting
-veld; zij vond steun hij de Stuarts, bij de aartsbisschoppen, bij
-den adel, en werd bevorderd door Bancroft, den opvolger van
-Whitgift 1604-1610, die in een preek 1589 het episcopaat als
-noodzakelijk verdedigde, Buckingham 1625-28, aartsbisschop
-Laud 1628-45, Lord Clarendon †&nbsp;1674. Daarentegen waren
-er nog vele theologen in de Anglikaansche kerk, die wel het
-Episcopalisme verdedigden maar toch trouw aan het Calvinisme
-bleven. Zoo Whitgift, aartsbisschop van Canterbury, 1583-1604,
-raadsman van Elizabeth, aartsbisschop Abbot 1604-1623, 1622 in
-ongenade gevallen, de afgevaardigden ter Dordsche Synode Carlton,
-Hall, Davenant, prof. in Cambridge, later bisschop van Salisbury,
-Determinationes quaestionum quarundam theologicarum, Cambr.
-1634, Ward, Goad, Balcanqual en voorts mannen als Burton, Warton,
-Prynne, Rouse, Preston, Usher, Corpus theologiae, Dublin
-1638, holl. vert. van Ruytingius, ’t Lichaam der Godd. leer
-Amst. 1656, Morton, Joh. Prideaux, Lectiones theologicae,
-Scholasticae theologiae syntagma 1651, Saunderson, Hammond,
-Opera Omnia Lond. 1684, Westfield, Stillingfleet, Op. Omn. Lond.
-1709, Tillotson aartsb. van Canterbury, Works Londen 1704,
-John Pearson, Exposition of the Creed 1659, Lectiones de Deo
-et ejus attributis, Burnet †&nbsp;1715 prof. in Glasgow, later bisschop
-van Salisbury, An exposition of the 39 articles. Roger Boyle,
-Summa theologiae christ. Dubl. 1687. J. Forbesius a Corse, prof.
-te Aberdeen, Instructiones histor. theol. de doctrina christ. 1699.
-Thomas Pierce, Pacificatorium orthodoxae ecclesiae corpusculum
-1685. Foggius, Theol. speculativae schema 1712. W. Beveridge,
-Thesaurus theol. or a complete system of divinity Lond. 1710-11.
-Th. Bennet, Instructions for studying 1 a general system or
-body of divinity, 2 the 39 articles of religion, Lond. 1715.
-Onder de Puriteinen zijn uit deze periode vooral bekend Bradshaw,
-Raynolds, Baynes, Byfield, Rogers, Hooker, White, Archer,
-Hildersham, Davenport, Lightfoot, Seldenus, Twissus, Calamy,
-<span class="pagenum" id="Page_118">[118]</span>
-Gataker, Baxter, Bates, Mead, Owen enz. Het Arminianisme had
-in Engeland, zoowel onder de dissenters als onder de Anglikanen
-grooten invloed. En daarnaast werd vanuit Frankrijk ook het
-Amyraldisme in Engeland overgebracht. Beide vloeiden dikwerf
-saam en vonden hun vereeniging in de neonomiaansche theorie,
-die tot een belangrijken en langdurigen strijd aanleiding gaf. De
-neonomianen legden den grond der rechtvaardiging in het geloof,
-zooals b.v. de Arminiaan John Goodwin, de vriend van Milton,
-in zijn The banner of justification displayed, Imputatio fidei 1642,
-Richard Baxter, Justifying Righteousness, Dr. Dan. Williams,
-Works, 1750. Benj. Woodbridge, The method of grace in the
-justification of sinners 1656. Daartegenover stonden anderen, die
-ten onrechte anti-nominianen werden genoemd maar eigenlijk
-anti-neonomianen moesten heeten en den grond der rechtvaardiging
-alleen stelden in de toegerekende gerechtigheid van Christus,
-zooals Dr. Crisp, Dr. Tully, Justificatio paulina sine operibus
-1677. Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id. Alexipharmacon,
-a fresh antidote against neonomian bane 1700. John
-Eaton, The honeycombe of free justification by Christ alone
-1642, William Eyre, Vindiciae justificationis gratuitae 1654 enz.,
-verg. Witsius, Misc. Sacra II p. 753 Sq. James Buchanan, The
-doctrine of justification, Edinburgh Clark, 1867 p. 176, 464.
-Over het algemeen genomen, lag echter het zwaartepunt der
-Engelsche theologie niet in de dogmatische maar in de bijbelsche,
-kerkhistorische, patristische, archaeologische en praktikale studiën.
-De staatkundige en kerkelijke verhoudingen gaven daar vanzelf
-aanleiding toe, Gass, Gesch. der prot. Theol. III 297 f. Ypey,
-Syst. Godg. II 268 v. en voorts Weingarten, Die Revolutionskirchen
-Englands 1868. Neal, Historie der Puriteinen, Rott. 1752
-v. Marsden, History of the early and later Puritans from the
-reformation to the ejection of the nonconf. clergy in 1662, 2 vol.
-London 1852. Dr. Stoughton, History of religion in England from
-the opening of the long Parliament to the end of the 18<sup>th</sup> century,
-8 vol. 1881. Dr. Tulloch, Rational theology and Christ. theology
-in England in the 17<sup>th</sup> century, 2 vol. 1872. Rijker en krachtiger
-was naar verhouding het dogmatisch leven in Schotland. Hier
-had het Calvinisme een geschikten bodem gevonden en werd het
-in strengen, positieven geest verder ontwikkeld. De voornaamste
-theologen in deze periode waren: Rollock, sedert 1583 principal
-<span class="pagenum" id="Page_119">[119]</span>
-van de universiteit te Edinburgh, schrijver van commentaren op
-de brieven van Paulus, de Psalmen, Daniël en vooral ook van
-eene verhandeling over de krachtdadige roeping; John Welsh,
-van Ayr, die tegen het Romanisme schreef; John Sharp, die
-eene harmonie van de profeten en de apostelen in het licht gaf;
-de gebroeders Simpson, Patrick, die eene kerkgeschiedenis gaf,
-William, die over de Hebr. accenten schreef, en Archibald, die
-eene uitlegging gaf van de zeven boetpsalmen; Boyd of Trochrigg,
-prof. te Saumur, in 1614 principal van de universiteit te Glasgow,
-beroemd door zijn commentaar op den brief aan Efeze, die niet
-alleen eene uitlegging geeft maar een ware thesaurus is en allerlei
-dogmatische en theologische excursen bevat, over triniteit, praedestinatie,
-vleeschwording, zonde, doop, enz.; David Calderwood,
-die hier te lande vertoefde en zijn Altare damascenum
-tegen het anglikaansche episcopaat schreef; Samuel Rutherford,
-prof. te St. Andrews, bekend door zijne Brieven niet alleen maar
-ook door vele andere werken, Exercitationes apol. pro divina
-gratia 1637, de Providentia, Examen Arminianismi, The spiritual
-Antichrist enz.; George Gillespie, schrijver van Nihil respondes,
-Male audis, Aaron’s Rod blossoming, Miscellanies; en voorts
-nog Baillie, Dickson, Durham, Dr. Strang, James Wood, Patrick
-Gillespie, Hugh Binning e. a. cf. David Calderwood, The history
-of the Kirk of Scotland, 7 vol. Edinb. 1842. Buckle, History
-of civilization in England, 5 vol. Leipzig 1865, ch. 17-20.
-James Walker, The theology and theologians of Scotland, Edinb.
-Clark 1872. Deze positieve ontwikkeling der Geref. dogmatiek
-bereikt in zekeren zin haar hoogte- en tegelijk haar eindpunt in
-de canones van Dordrecht 1618/19, in de confessie en den catechismus
-van Westminster 1646, in den Consensus Helveticus
-1675, en de Walchersche artikelen 1693.</p>
-
-<p class="sep2">32. Maar reeds in de 17<sup>e</sup> eeuw waren de beginselen aanwezig,
-die de Geref. theologie ondermijnden en tot verval brachten.
-In de hervormingseeuw was er niet alleen eene Luthersche
-en Calvinistische reformatie, maar daarnaast traden nog
-twee andere partijen op, nl. de Wederdoopers en de Socinianen,
-die juist in de Geref. kerk en theologie in Zwitserland, Nederland,
-Engeland, Amerika ten allen tijde van grooten invloed zijn geweest.
-Zij vertegenwoordigen het mystieke en het rationeele element
-<span class="pagenum" id="Page_120">[120]</span>
-in de religie en de theologie. Zie voor de Wederdoopers en Mennonieten:
-oudere litteratuur van Luther, Melanchton, Zwingli, Bullinger,
-a Lasco, de Bres, Modet, Marnix, Taffin, Caspar Heydanus,
-Spanheim, Faukelius, Schotanus, Hoornbeek, Cloppenburg
-enz. bij Walch Bibl. Theol. sel. II 13-29, en nieuwere
-litteratuur van Arnold, Schenkel, Erbkam, Hase, Halbertsma,
-Blaupot ten Cate, Hoekstra, Gorter, Cramer enz. bij Scholten,
-L. H. K. II 271-308. Voorts L. Keller, Gesch. der Wiedertäufer
-u. ihres Reiches in Münster 1880. Goebel, Gesch. des
-christl. Lebens u. s. w. I 1849 S. 134 f. Ritschl, Gesch. des
-Pietismus I 1880 S. 22 f. J. H. Maronier, Het inwendig woord,
-Amst. 1890. L. Keller, Die Reformation u. die älteren Reformparteien,
-Leipzig 1885, verschillende opstellen van Sepp in zijne
-Geschiedk. Nasporingen, 2 deelen 1872/3 en Kerkhist. Studiën
-1885. A. Brons, Ursprung, Entw. u. Schicksale der Taufgesinnten
-oder Mennoniten, Norden 1884. Art. Anabapt. en Mennon.
-in Herzog<sup>2</sup>. Voor de Socinianen en Unitariërs van vroeger en
-later tijd vergelijke men Fock, Der Socinianismus 1847. Trechsel,
-Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socin, 2 Bde
-1839/44. Art. Socin in Herzog<sup>2</sup>. Harnack, Dogmengesch. III
-653-691.</p>
-
-<p>Het Arminianisme had reeds in de 16<sup>e</sup> eeuw zijne voorloopers
-in Coolhaes, Coornhert, Wiggerts e. a. maar werd in ’t begin
-der 17<sup>e</sup> eeuw eene macht in de kerk. Het kwam in verzet tegen
-de belijdenis van Gods volstrekte souvereiniteit op de bekende
-vijf punten, de praedestinatie, de voldoening, ’s menschen bedorvenheid,
-bekeering, en volharding. Zie hun Remonstrantie,
-1610 aan de Staten aangeboden, de Confessio en de Apologia
-pro confessione, door Episcopius opgesteld, Opera II 69 sq. 95 sq.;
-van de confessie verscheen 1665 eene holl. uitgave door Uytenbogaert.
-Arminius, Opera Theologica, Francof. 1631. Uytenbogaert,
-Onderwijzing in de christ. religie 1640. Episcopius, Institut.
-Theol. Opera I 11 sq. Limborch Theol. Christ. ed. 5<sup>a</sup> 1730.
-Curcellaeus, Opera Theol. Amst. 1675.</p>
-
-<p>Het Cartesianisme was in principe eene volkomene emancipatie
-van alle autoriteit en van alle objectieviteit, en een opbouwen
-van heel den kosmos uit het subject, uit het denken. Cogito,
-ergo sum. Het verwerpen van alle traditie en de schijnbaar zekere
-mathematische methode, langs welke Cartesius tot het bestaan
-<span class="pagenum" id="Page_121">[121]</span>
-van de wereld, van God, van den geest besloot, behaagde aan
-velen. Cartesius kreeg vele aanhangers, ook onder de theologen.
-Renerius en Regius in Utrecht; Raey, Heerebord, Abr. Heydanus
-in Leiden, en voorts Roell, Bekker, Joh. v. d. Waeyen, Hautecour,
-Andala, namen het Cartesianisme over en droegen het rationalisme
-in de kerk in. De verhouding van rede en openbaring werd nu
-de voornaamste kwestie; de rede emancipeert zich van de openbaring
-en tracht hare zelfstandigheid te herwinnen, A. C. Duker,
-Schoolgezag en eigen onderzoek, Leiden 1861. Daarbij kwam nu
-nog het Coccejanisme, dat inderdaad aan het Cartesianisme in
-methode verwant was. Het Coccejanisme was ook eene reactie
-tegen de traditioneele theologie en kwam dan ook spoedig tegen
-het einde der eeuw met het Cartesianisme in verbond. Het nieuwe
-in Coccejus †&nbsp;1669 was niet zijne verbondsleer, gelijk thans algemeen
-erkend wordt, want deze komt reeds bij Zwingli, Bullinger,
-Olevianus enz. en hier te lande bij Snecanus, Gomarus, Trelcatius,
-Cloppenburg enz. voor, maar zijne foederalistische methode.
-Coccejus’ Summa doctrinae de foedere et testamento 1648 was
-eene bijbelsch-historische dogmatiek, maakte de Schrift niet alleen
-tot principe en norma maar ook tot voorwerp der dogmatiek, en
-plaatste zoo de theologia scripturaria tegenover de theologia
-traditiva, het foedus tegenover het decreet, de historie tegenover
-de idee, de anthropologische methode tegenover de theologische;
-het gevaar dezer methode bestond daarin, dat zij het eeuwige,
-onveranderlijke (substantia foederis) neertrok in den stroom van
-het tijdelijke, historische (oeconomia foederis) en zoo op God
-zelf de idee van het worden overbracht. Maar velen volgden de
-Coccejaansche methode, Heydanus, Wittichius, Momma, Burman,
-Braun, Van der Waeyen, Witsius, Camp. Vitringa, S. van Til,
-Joh. d’Outrein, F. A. Lampe e. a., Diestel, Studien zur Foederaltheol.
-Jahrb. f. d. Theol. 1865, 2<sup>tes</sup> Heft. De strijd van Voetianen
-en Coccejanen en daarna die van groene en dorre, vrije en stijve
-Coccejanen duurde tot diep in de 18<sup>e</sup> eeuw voort. Ze eindigde
-feitelijk met eene overwinning van het Coccejanisme en het Cartesianisme.
-De scholastiek had haar tijd gehad, de bloei der
-Aristotelische philosophie was voorbij. De meeste katheders werden
-met Coccejanen bezet. De komst van Lampe te Utrecht 1720
-was eene overwinning der Coccejanen. De dogmatische handboeken,
-die nu het licht zagen, zijn meest Coccejaansch, Melchior, Systema
-<span class="pagenum" id="Page_122">[122]</span>
-1685. C. Vitringa, Korte grondstellingen der Godg. 1688. S. van
-Til 1704. T. H. v. d. Honert, Waeragtige wegen Gods 1706.
-Ravestein 1716, J. v. d. Honert 1735 enz. In hoofdzaak zijn ze
-nog orthodox, maar ze zijn meest klein van omvang, vermijden
-alle scholastiek, en wijken op vele punten al van de oude voorstelling
-af. Er rijst twijfel aangaande de bijzondere voldoening,
-verkiezing, generatie des zoons (Roell), de triniteit (P. Maty),
-het werkverbond (Alting, Vlak, Bekker, enz.), rede en openbaring
-(Roell). De Voetianen werden meer en meer teruggedrongen, en
-trokken zich in de stilte terug. Marck’s Merch 1686, holl. vert.
-1705 en Brakels Redel. Godsd. 1700 waren de laatste dogmatieken
-in hun geest, maar ook reeds gespeend aan de kracht der
-vroegere. Piëtistische, labadistische, anti-nomiaansche denkbeelden
-drongen in hun kringen door, Lodenstein, Labadie, Koelman,
-Lampe, Verschoor, Schortinghuis, Eswijler, Antoinette de Bourignon
-enz.</p>
-
-<p class="sep2">33. En zoo was het verloop der theologie in alle Geref.
-kerken. In Frankrijk werd de akademie van <ins id="cor_16" title="Sanmur">Saumur</ins> middelpunt
-van allerlei opzienbarende stellingen. Camero †&nbsp;1625 sloot niet
-alleen in de ontkenning der toerekening van Christus’ obedientia
-activa bij Piscator in Herborn zich aan, maar leerde bovendien,
-dat de wil altijd het verstand volgt en dat dus de buiging van
-den wil in de wedergeboorte geene physische maar eene ethische
-daad was. Amyraldus †&nbsp;1664 Traité de la prédestination maakte
-de gewone leer van de voluntas signi, van het ernstig en welmeenend
-aanbod der genade tot een afzonderlijk besluit, dat aan
-dat der verkiezing voorafging. Hij legde daarmee een remonstrantschen
-grondslag onder het Calvinistische gebouw en liep
-gevaar om de onmacht des menschen tot ’t geloof tot eene zedelijke
-te verzwakken. Cappellus †&nbsp;1658 beweerde in zijn werk
-Arcanum punctationis revelatum, 1624 anoniem uitgegeven te
-Leiden door Erpenius, dat de Hebr. punten quoad figuram door
-de Joodsche geleerden later waren uitgevonden en in den tekst
-gevoegd, en lokte tegenspraak uit van Buxtorf 1648. In zijne
-Critica sacra 1650 leerde hij, dat de Hebr. tekst niet ongeschonden
-was, en in zijn Diatribe de veris et antiquis Hebraeorum
-literis 1645 dat ’t Samaritaansche schrift ouder was dan het
-Hebr. kwadraatschrift. Placaeus, de statu hominis lapsi ante
-<span class="pagenum" id="Page_123">[123]</span>
-gratiam 1640 ontkende de onmiddellijke toerekening van Adams
-zonde. Claude Pajon †&nbsp;1685 loochende de noodzakelijkheid van
-de gratia interna, en werd bestreden door Jurieu in zijn Traité
-de la nature et de la grâce 1687. De theologische strijd liep
-dus in Frankrijk vooral over den aard der subjectieve genade.
-Camero beperkte haar tot verlichting des verstands, Amyraldus
-maakte de objectieve genade universeel, Pajon leerde ’t overbodige
-eener bijzondere subjectieve genade. Het deïsme en rationalisme
-werd hierdoor voorbereid.</p>
-
-<p>In Engeland was er onder de nonconformisten groote verscheidenheid.
-De Presbyterianen gingen na de Westminster Synode
-zoowel in aantal als in invloed achteruit, en moesten de plaats
-ruimen voor het Independentisme, dat reeds in de 16<sup>e</sup> eeuw werd
-omhelsd door Robert Browne, Johnson, Ainsworth en John
-Robinson †&nbsp;1625, Works, 3 vol. London 1851, cf. Ned. Archief
-v. K. Gesch. v. Kist en Royaards 1848 VIII bl. 369-407,
-en tijdens den burgeroorlog in macht en aanzien toenam. Op de
-Westminster Synode hadden de Presbyterianen nog de meerderheid
-en beschikten de Independenten nog slechts over enkele
-stemmen, Thomas Goodwin †&nbsp;1680, Philip Nye †&nbsp;1672, Jeremias
-Burroughs †&nbsp;1646, William Bridge †&nbsp;1670, William
-Carter †&nbsp;1658, Sydrach Simpson †&nbsp;1658, Joseph Caryll †&nbsp;1673
-e. a. Maar reeds in Oct. 1658 waren op eene vergadering te
-Londen afgevaardigden van meer dan honderd independente gemeenten
-aanwezig. Daar werd de Savoy Declaration opgesteld,
-door Hoornbeek 1659 in het latijn vertaald en achter zijne Epistola
-ad Duraeum de Independentismo afgedrukt, Schaff, Creeds
-I 820-840 III 707. Hun voornaamste theoloog was Dr. John
-Owen 1616-1683, Works, 21 vol. London 1826; de Doctrina
-Christiana van Milton werd 1827 te Brunswijk uitgegeven, Stud.
-u. Kr. 1879, 4<sup>tes</sup> Heft. Zie voorts Jos. Fletcher, History of
-independency in England since the reformation 4 vol. London
-1847-49, en andere litt. bij Schaff, Creeds I 820. Ook het
-Baptisme kwam reeds in de 16<sup>e</sup> eeuw sporadisch in Engeland
-voor, maar begon toch eerst sedert 1633 eigen gemeenten te
-vormen. In 1644 telde het 7 gemeenten in en 47 buiten Londen.
-In 1677 gaven de Baptisten eene Confession of faith, die alleen
-in de kerkregeering en den doop van de Westminster confessie
-en de Savoy Declaration afweek. Op den grondslag van deze
-<span class="pagenum" id="Page_124">[124]</span>
-confessie werd in 1693 door William Collins een catechismus
-opgesteld, die algemeen werd aangenomen. Van de Calvinistische
-Baptisten zijn de General, Arminian of Free-will Baptists onderscheiden.
-Het Baptisme vond later vooral in Amerika verbreiding
-door Roger Williams †&nbsp;1683. Voor de dogmatiek heeft het
-weinig gedaan, maar het heeft in John Bunjan †&nbsp;1688, Robert
-Hall, John Foster, enz. machtige predikers voortgebracht, Schaff,
-Creeds I 845-859, III 738-756. J. M. Cramp, Baptist History
-from the foundation of the Christ. Church to the close of
-the 18 century, Philad. 1868. De periode van den burgeroorlog
-was in Engeland op religieus en theologisch gebied een tijd van
-de grootste verwarring. Allerlei denkbeelden en richtingen woelden
-dooreen. Vroeger werden deze voor even zoovele secten gehouden,
-maar veel beter worden ze met Weingarten als nuanceeringen
-in de ééne groote partij der Heiligen beschouwd. Arminiaansche,
-baptistische, chiliastische, antinomistische, en zelfs libertijnsche
-gevoelens vonden ingang. Er heerschte een religieus individualisme.
-In het Quakerisme bereikte dit zijn toppunt. De emancipatie van
-de traditie, de confessie, het kerkverband voltooit zich daarin,
-dat ieder geloovige op zich zelf wordt gesteld, zelfs van de
-Schrift wordt losgemaakt, en in zich zelf, in den Geest, in het
-inwendig licht de bron bezit van zijn religieuse leven en kennen.
-Al het objectieve, Schrift, Christus, kerk, ambt, sacrament
-wordt ter zijde gesteld; de geloovigen leven uit een eigen beginsel
-en onderscheiden zich ook in de maatschappij door eigen
-zeden, gewoonten, kleeding, enz. George Fox 1624-1640,
-Works, 3 vol. London 1694-1706 was stichter van deze secte,
-Robert Barclay 1648-1690, Apologia theologiae vere christianae,
-Amst. 1675 was haar theoloog, en William Penn 1644-1718
-haar staatsman, William Sewel, History of the rise, increase
-and progress of the christian people called Quaker, London 1725.
-Th. Evans, An exposition of the faith of the religious society
-of friends, Philad. 1828. Schneckenburger, Vorles. über die
-Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 69 f. Weingarten,
-Rev. Kirchen Englands 364 f. Möhler, Symbolik 492 f.
-Schaff, Creeds I 859-873. Herzog<sup>2</sup> art. Quäker.</p>
-
-<p>Al deze individualistische lichtingen baanden den weg voor
-het Deïsme. Het realisme van het Engelsche volkskarakter, het
-nominalisme van Duns Scotus, Roger Bacon en Willem van
-<span class="pagenum" id="Page_125">[125]</span>
-Occam, de empiristische philosophie van Francis Bacon †&nbsp;1626
-hadden het reeds voorbereid. En toen daar nu in de 17<sup>e</sup> eeuw
-de verwarring bijkwam in de religieuse overtuigingen, en heel
-Engeland in partijen en secten was verdeeld, ontwaakte bij velen
-de gedachte, dat alleen in datgene, wat aan allen gemeen was,
-het wezen der religie gelegen kon zijn. Het latitudarisme vond
-ingang en liep op het deïsme uit. De rij der deïsten werd geopend
-door Herbert van Cherbury †&nbsp;1648, die in zijn werk de
-veritate 1624 en de religione gentilium 1645 het wezen der
-religie tot vijf waarheden herleidde: bestaan Gods, vereering
-Gods, deugd, berouw en vergelding; maar deze oorspronkelijke,
-ware en zuivere godsdienst is op allerlei wijze door de priesters
-vervalscht. Dit was het program van ’t deïsme. Van daaruit werd
-nu vervolgens de strijd tegen de openbaring ondernomen. Locke
-†&nbsp;1704, The reasonableness of christianity 1695, droeg aan de
-rede de beslissing over de openbaring op. John Toland †&nbsp;1722,
-Christianity not mysterious 1696 sprak uit dat het Christ.
-niet alleen niets tegen maar ook niets boven de rede bevatte.
-Anton Collins †&nbsp;1729, Discourse on freethinking 1713 beval het
-vrije, d. i. ongeloovige denken aan. Thomas Woolston †&nbsp;1731
-schreef Discourses on the miracles of our saviour 1727-30 en
-trachtte deze door allegorie te verklaren. M. Tindal †&nbsp;1733,
-Christianity as old as creation 1730 stelde heel de openbaring
-ter zijde. Het deïsme eindigde in skepticisme bij Henry Dodwell,
-Christianity not founded on argument 1742. En deze skepsis werd
-op philosophisch gebied door D. Hume †&nbsp;1776 voltooid.</p>
-
-<p class="sep2">34. Ongeveer 1750 is overal het verval der Geref. theologie
-ingetreden. De ontbindende elementen, reeds in de vorige eeuw
-aanwezig, werken door en ondermijnen de dogmatiek. Nadat het
-Coccejanisme hier te lande de overwinning had behaald, kwam
-van 1740 tot 1770 het tijdperk der Toleranten. De kracht der
-waarheid werd verloochend; van de belijdenis trok men zich naar
-de Schrift terug; eigenaardige geref. leerstukken, erfschuld, werkverbond,
-bijzondere voldoening, enz. werden losgelaten; onder
-schoonen vorm en bijbelschen naam kwamen allerlei remonstrantsche
-en sociniaansche dwalingen op. De belijders der Geref. religie
-leggen zich hoogstens nog bij het voorhandene neer, maar ze
-leven er niet meer in en spreken er niet meer uit. De oude
-<span class="pagenum" id="Page_126">[126]</span>
-dogmatiek werd een voorwerp van historische studie. Prof. Bernh.
-de Moor schreef een Commentarius perpetuus in Marckii Compendium,
-6 vol. Lugd. B. 1761-71, en Ds. Martinus Vitringa
-gaf een commentaar op de Doctrina Christ. religionis van zijn
-vader Campegius Vitringa, onder den titel Doctrina Christ.
-relig. per aphorismos summatim descripta, ed. sexta. Cui nunc
-accedit ὑποτυπωσις theologiae elencticae in usum scholarum
-domesticarum Campegii Vitringae, curante Martino Vitringa, qui
-praefationem, prolegomena et adnotationes adjecit, nec non analysin
-v. cl. Theodori Scheltingae, 9 partes, Amst. 1761. Onder
-de weinigen, die met hart en ziel aan de oude geref. leer vasthielden
-en ze met talent verdedigden en verder ontwikkelden
-nemen Alex. Comrie †&nbsp;1774, A. B. C. des geloofs 1739, Eigengesch.
-des zaligm. geloofs 1744, Verklaring van den Catech.
-1753, Brief over de rechtvaardigmaking 1761, cf. Dr. A. G. Honig,
-Alex. Comrie, 1892, Nic. Holtius †&nbsp;1773, Verhandeling over
-de rechtv. door het geloof 1750, en J. J. Brahé, Aanmerkingen
-wegens de vijf Walch. art. 1758 eene eerste plaats in. De beide
-eersten bonden in hun Examen van het ontwerp van Tolerantie,
-in 10 Samenspraken, Amst. 1753-59 den strijd tegen de Toleranten
-aan, onder wie de Hoogleeraren J. van den Honert, J. J.
-Schultens en Alberti het vooral moesten ontgelden. Naast hen
-verdient ook nog J. C. Appelius genoemd te worden, die bekend
-is door zijn strijd over het avondmaal, Zedig en vrijmoedig onderzoek,
-enz. 1763. Over het avondmaal 1764. Aanmerkingen over
-het rechte gebruik van het Evangelie. Vervolg van de Aanmerkingen,
-enz. De Hervormde leer 1769.</p>
-
-<p>Maar sedert 1770 nam de zoogenaamde neologie hoe langer
-hoe meer aan invloed toe. Het Engelsche deïsme, het Fransche
-ongeloof en het Duitsche rationalisme vond hier een vruchtbaren
-bodem. De revolutie was een totale keer in de begrippen. De
-orthodoxie werd in den vorm van een niet rationalistisch maar
-rationeel, gematigd, bijbelsch supranaturalisme overgeleid naar
-de 19<sup>e</sup> eeuw, en had als zoodanig haar voornaamste vertegenwoordigers
-in P. Chevallier, Schema Institutionum theol. 1773-75.
-Br. Broes, Institut. Theol. theor. 1788. J. van Nuys Klinkenberg,
-Onderwijs in den godsdienst 12 deelen 1780 v. Samuel van Emdre,
-Katechismus der H. Godg. 1780. W. E. de Perponcher, Beschouw.
-Godg. 1790 enz., inzonderheid H. Muntinghe, Pars theologiae
-<span class="pagenum" id="Page_127">[127]</span>
-christ. theoretica 1800. En evenzoo ging het in andere landen.
-Frankrijk had in de 18<sup>e</sup> eeuw geen eigen geref. theologie meer.
-De herroeping van het edict van Nantes bande de beste krachten
-buiten ’s lands. In de 18<sup>e</sup> eeuw verwierven Paul Rabaut †&nbsp;1794
-en Antoine Court †&nbsp;1760, zich den eerenaam van herstellers
-der geref. kerk in Frankrijk. De Fransche predikanten ontvingen
-hunne opleiding meest in Lausanne, waar een eigen seminarie
-was opgericht voor de Fransche studenten naar het plan van
-Antoine Court. In Zwitserland kon de Consensus Helvetius 1675
-het rationalisme niet keeren. J. E. Wettstein en zijn zoon in
-Bazel, J. C. Suicerus en zijn zoon Henricus in Zurich, Mestrezat
-en Louis Tronchin in Genève brachten er al bezwaren tegen in,
-Schweizer, Centraldogmen II 663 v.; reeds in 1685 werden er
-pogingen in het werk gesteld om haar terzijde te stellen, en in
-de 18<sup>e</sup> eeuw werden deze in Genève, Bazel, Appenzell, Zurich,
-Bern enz. met goed gevolg bekroond. J. F. Osterwald, pred. te
-Neufchatel †&nbsp;1747 vormt den overgang van de 17<sup>e</sup> eeuwsche
-orthodoxie tot het 18<sup>e</sup> eeuwsch rationalisme. In zijn Traité des
-sources de la corruption, qui règne <ins id="cor_17" title="anjourdhui">aujourd’hui</ins> parmi les Chrétiens
-1700, Catéchisme 1702, Compendium theol. Christ. 1739
-klaagt hij over de doode orthodoxie en de fijn uitgesponnen
-dogmata, verzwijgt hij vele leerstukken, bijv. over de verkiezing,
-en zoekt herleving der moraal. Met hem vormden J. A.
-Turretinus †&nbsp;1737, Opera 3 vol. en S. Werenfels †&nbsp;1740, Opuscula,
-ed. 2. 1739 het Zwitsersche triumviraat. De door hen
-vertegenwoordigde gematigde orthodoxie leidde welhaast tot besliste
-heterodoxie bij J. J. Zimmermann †&nbsp;1757. Opuscula
-1751-59. J. J. Lavater †&nbsp;1759 art. Genève in de Dictionn.
-Encycl. van Diderot en d’Alembert, J. Vernet, Instruction Chrétienne
-1754. De mathematische methode van Wolf werd op de
-theologie toegepast door D. Wyttenbach, Tentamen theol. dogm.
-methodo scientifica pertractata, 3 tomi 1747, J. F. Stapfer,
-Institut. theol....... ordine scientifico dispositae, 5 vol. 1743,
-Grundlegung zur wahren Religion Zurich 1751-52, Bernsau, later
-prof. te Franeker, Theol. dogmatica, methodo scientifica pertractata
-1745-47, in Duitschland door Ferdinand Stosch †&nbsp;1780,
-Summa paedagogiae scholasticae ad praelectiones academicas in
-theologiam revel. dogm. 1770, Sam. Endemann prof. te Marburg
-Instit. theol. dogm. 1777 en Sam. Mursinna prof. te Halle, Compendium
-<span class="pagenum" id="Page_128">[128]</span>
-theol. dogm. 1777. In Engeland werd de dogmatiek
-schier geheel in beslag genomen door de kwestiën over voorspelling,
-wonder en openbaring, die door het deïsme aan de
-orde waren gesteld. Ofschoon de apologetiek dikwerf rationalistisch
-gekleurd was, had ze toch vele en onder hen ook sommige
-uitnemende vertegenwoordigers, Samuel Clarke †&nbsp;1729, Nathan
-Lardner †&nbsp;1768, Joseph Butler †&nbsp;1752, Richard Bentley, William
-Whiston, Arthur Ashley Sykes, Thomas Sherlock †&nbsp;1761,
-Daniël Waterland †&nbsp;1742, John Coneybeare, John Leland, James
-Foster, William Warburton †&nbsp;1779, Richard Watson †&nbsp;1816,
-William Paley †&nbsp;1805, Evidences of Christianity 1794. Natural
-Theology 1802 enz. Onder de dogmatische werken, die in deze
-periode het licht zagen, zijn de voornaamste die van Hutchinson,
-waarvan een uittreksel gegeven wordt in A letter to a bishop
-concerning some important discoveries in philosophy and theology
-1735; van Stackhouse †&nbsp;1752, A complete body of speculative
-and practical divinity 1709, holl. vert. 1758, Isaac Watts †&nbsp;1748
-bekend niet alleen door zijne geestelijke liederen en logika
-maar ook door zijn catechismus 1728, Philipp Doddridge †&nbsp;1751,
-Rise and progress of religion in the soul 1745, e. a. Onder de
-Schotsche Godgeleerden in de 18<sup>e</sup> eeuw treden op den voorgrond
-Thomas Boston †&nbsp;1732, A complete body of divinity, 3 vol.
-1773, Fourfold State, holl. vert. 1742, A view of the covenant
-of grace, holl. vert. van Comrie 1741; Adam Gib, en de eerste
-vijf Seceders, Fisher, Wilson, Moncrieff en de gebroeders Ralph
-en Ebenezer Erskine, wier werken ook in ’t holl. zijn vertaald,
-nieuwe uitgave, Amst. 1856. Van belang was de zoogenaamde
-Marrow controversy, die in 1717 begon naar aanleiding, dat het
-werk van den Independent Edward Fisher, The marrow of modern
-divinity, verschenen in 1647, opnieuw in Schotland werd uitgegeven.
-De neonomiaansche strijd, die in de vorige eeuw in Engeland
-was gestreden, werd daardoor naar Schotland overgeplant.
-Het boek werd aangevallen door Principal Hadow van St. Andrews
-in een werk, getiteld The antinomianism of the marrow detected
-1721. Men beschuldigde de „Marrow divines”, onder wie Boston
-de voornaamste was, van antinomianisme, maar hield zichzelf
-van neonomianisme niet vrij. De General Assembly veroordeelde
-sommige stellingen in het Marrowboek als dwalingen; wat mede
-aanleiding gaf tot de scheiding van de Erskine’s, die zich aan
-<span class="pagenum" id="Page_129">[129]</span>
-de zijde van Boston hadden geschaard. Het neonomianisme was
-de voorbereiding voor het rationalisme, dat langzamerhand ook
-in de theologie en kerk van Schotland doordrong en in mannen
-als Simpson, M<sup>c</sup>. Laurin e. a. reeds duidelijk merkbaar is, Walker,
-The Theology and theol. of Scotland p. 25 v. 39 v. 53 v.
-James Buchanan, The doctrine of justification 1867 p. 182-188.
-Merle d’Aubigné, Duitschland, Engeland en Schotland,
-Rotterdam, 1849.</p>
-
-<p class="sep2">35. In den aanvang der 19<sup>e</sup> eeuw verkeerde de Geref. theologie
-bijna overal in een droevig verval. In den vorm van het
-supranaturalisme werd de theologie hier beoefend door Van der
-Palm, Van Voorst, Borger, Clarisse, Kist, van Hengel te Leiden,
-door Abresch, Chevallier, Muntinghe, Ypey te Groningen, Heringa,
-Royaards, Bouman, Vinke te Utrecht, door vele bekwame en
-voorname predikanten Dermout, Broes, Donker Curtius, van
-Senden, Egeling enz. en door vele verhandelaars in het Stolpiaansch
-legaat 1756, Teylers Genootschap 1778 en het Haagsch Genootschap
-1787. Deze supranat. richting wilde rationeel zijn, niet
-rationalistisch in den zin van Wegscheider, Röhr, Paulus, ze
-handhaafde de openbaring en betoogde hare noodzakelijkheid,
-mogelijkheid en waarheid op allerlei rationeele en historische
-gronden. Ze wilde bijbelsch zijn en was anticonfessioneel, antiphilosophisch,
-anticalvinistisch; ze kreeg een dogmatiek, die
-deïstisch was in de theologie, pelagiaansch in de anthropologie,
-moralistisch in de Christologie, collegialistisch in de ecclesiologie,
-en eudaemonistisch in de eschatologie. Ze werd in de
-noordelijke provinciën des lands ongeveer 1835 vervangen door
-de Groninger theologie, die op het voetspoor van de Socratische
-wijsbegeerte van Van Heusde †&nbsp;1839 de idee van openbaring en
-leer verving door die van opvoeding, en dus een ethisch element
-in de verhouding van God en mensch opnam. God was hier niet
-in de eerste plaats Leeraar, maar de groote Opvoeder, die door
-natuur en geschiedenis, door den persoon en de kerk van Christus
-de menschen als zijne kinderen opleidde tot wijze en vrome
-christenen, tot Godegelijkvormigheid. De bestrijding, die ze ondervond
-van orthodoxe, straks ook van moderne zijde, en de innerlijke
-ontwikkeling tot Evangelische richting maakten, dat ze ongeveer
-1850 plaats moest maken voor de Moderne Theologie. Deze kwam
-<span class="pagenum" id="Page_130">[130]</span>
-op met Opzoomer die hoogleeraar te Utrecht werd in 1845 en
-de empiristische philosophie van Mill en Comte toepaste op den
-godsdienst. Hij kwam tot het antisupranaturalisme. Scholten gaf
-in zijne Leer der Hervormde Kerk ten slotte eene moderne dogmatiek
-onder gereformeerde vlag. En Kuenen trad op als voorstander
-der evolutie op het gebied der Oudtest. Schrift. Er was
-dus langzamerhand eene ontwikkeling op theologisch gebied naar
-het ongeloof heen; de moderne theologie heeft geen dogmatiek
-meer. Tegenover deze negatieve richtingen kwamen echter in deze
-eeuw op in ons vaderland de positieve richtingen van den Reveil
-en de afscheiding, van de Utrechtsche en de ethisch-irenische
-school en eindelijk van het Calvinisme, dat er naar streeft om
-ook theologisch een eigen positie te veroveren. Zie verder mijn
-opstel over de Gesch. der theol. in Nederland, Presb. and Ref.
-Review April 1892, en Tijdschr. voor Geref. Theol. Juni en
-Juli 1894 bl. 161 v. en de daar opgegeven litteratuur. In Duitschland
-is de Geref. theologie hoe langer hoe verder achteruitgegaan.
-De Geref. kerk had in Duitschland een breed terrein
-veroverd. Haar theologie werd beoefend in Heidelberg, Duisburg,
-Marburg, Frankfurt a/O, Herborn, Bremen, Halle. Zoo bleef
-het tot het midden der 18<sup>e</sup> eeuw. Maar toen kwam de Aufklärung,
-in 1817 de Union, vervolgens de invloed der wijsbegeerte
-van Kant, Schleiermacher enz, en al deze oorzaken hebben
-de Geref. kerk en theol. in Duitschland geheel tot verval gebracht.
-Wel kwam er in het begin dezer eeuw eenige ontwaking
-ook van het Geref. bewustzijn, bij Krafft in Erlangen, G. D.
-Krummacher in Elberfeld, Geibel in Lübeck, Mallet in Bremen
-enz. Maar deze was toch niet sterk genoeg. Zelfs mannen als
-Ebrard †&nbsp;1888 in Erlangen, Heppe †&nbsp;1879 in Marburg hebben door
-hun Melanchtonianisme aan de Geref. zaak groote schade toegebracht.
-Alleen Wichelhaus †&nbsp;1858 in Halle, Karl Südhoff †&nbsp;1865
-in Frankfurt a/M., Böhl in Weenen, Dr. A. Zahn in Stuttgart,
-O. Thelemann in Detmold, Kohlbrugge †&nbsp;1875 in Elberfeld
-e. a. stelden zich beslist op den grondslag der Geref. confessie.
-Thans is er in Duitschland geen enkele theol. Universiteit of school,
-en geen enkel theol. professor van Geref. belijdenis meer, A. Zahn,
-Die Ursachen des Niederganges der ref. Kirche in Deutschl. Barmen
-1881. Id. Abriss einer Gesch. der ev. Kirche auf dem europ.
-Festlande im 19 Jahrh. Stuttgart 3<sup>e</sup> Aufl. 1893, 12<sup>tes</sup> Kapitel.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_131">[131]</span>
-36. In Zwitserland en Frankrijk kwam er herleving door den
-Reveil, die van uit Schotland daar werd overgeplant. De Reveil,
-(cf. Wagenaar, Het reveil en de afscheiding, die bl. 40 litt.
-opgeeft. H. von der Goltz, Die reform. Kirche Genfs im 19.
-Jahrh. Bazel u. Genf 1862. Léon Maury, Le réveil religieux
-dans l’église réformée à Genève et en France, Paris, Fischbacher
-2 vol. 1892. W. van Oosterwijk Bruijn, Het Reveil in Nederland,
-Utrecht 1890. Pierson, Oudere Tijdgenooten 1888) was eene
-machtige, geestelijke beweging, maar was van huis uit onkerkelijk
-en anticonfessioneel. Hij stond op algemeen-christelijken
-grondslag en kenmerkte zich verder door zijn individualistisch,
-aristocratisch, methodistisch en philanthropisch karakter. In Zwitserland
-legde hij vooral op twee dogmata, de verkiezing (Cesar
-Malan †&nbsp;1864. Biographie door Malan Jr. Amst. Höveker 1874) en
-de inspiratie (Merle d’Aubigné †&nbsp;1872. Gaussen †&nbsp;1863) nadruk.
-Maar Alexander Vinet 1797-1847, in 1822/’23 onder invloed
-van den Reveil gekomen, ging theologisch van eene andere gedachte
-uit. Het levensbeginsel van zijn geloof en zijne theologie
-was de harmonie van Christendom en geweten. Daardoor kwam
-hij er toe, om zoo sterk aan te dringen op het verband van
-dogma en moraal, op de ethische zijde der waarheid; daardoor
-kwam hij tot zijn synergisme en tot verwerping der verkiezing
-enz. Vinet bleef echter tot den einde toe aan de hoofdwaarheden
-van het Christendom vasthouden, Dr. J. Cramer, Alex.
-Vinet als christ. moralist en apologeet geteekend en gewaardeerd,
-Leiden, Brill 1883, en de daar bl. 6 aangeh. litt. Veel verder
-ging echter zijn leerling E. Scherer, die eerst streng orthodox
-was maar allengs met zijn verleden brak, en in volslagen ongeloof
-zijn leven eindigde. Sedert kwam er in Frankrijk en Zwitserland
-een liberaal Protestantisme, Pécaut Le Christ et la conscience,
-Paris 1859, Martin-Paschoud, Réville; Cougnard, Buisson.
-Zoo stonden er twee richtingen, eene liberale en eene evangelische,
-tegenover elkaar. Maar onder de laatste werkten de beginselen
-van Vinet door, later nog gesteund door den invloed van Ritschl.
-Er zijn thans drie richtingen te onderscheiden: eene liberale of
-linkerzijde, Bouvier in Genève; eene bemiddelende richting, Pressensé,
-Astié, Sécrétan, Sabatier, Leopold Monod, Chapuis, Dandiran,
-Lobstein; en eene evangelische, gematigd-orthodoxe, Godet
-vader en zoon, Porret, Berthoud, Martin, Doumergue, Bertrand,
-<span class="pagenum" id="Page_132">[132]</span>
-H. Bois, Gretillat. De strijd tusschen deze twee richtingen loopt
-thans vooral over twee vragen. De eene raakt de autoriteit in
-zake de religie, of deze n.l. ligt in de Schrift, in Christus of
-in rede en geweten. De tweede geldt den persoon van Christus,
-of hij n.l. waarachtig God is of door kenose zich ontledigd heeft
-of ook slechts een mensch is, gradueel van ons verschillend, cf.
-Gretillat in The Presb. and Ref. Review, July 1892 en July 1893.</p>
-
-<p class="sep2">37. Een overzicht van de theologie in Engeland en Schotland
-wordt gegeven door Pfleiderer, Die Entw. der prot. Theol. in
-Deutschl. seit Kant u. in Grossbritt. seit 1825, Freiburg 1891,
-S. 386 f. Ad. Zahn, Abriss einer Gesch. der ev. Kirche im britischen
-Weltreich im 19 Jahrh. Stuttgart 1891. Dr. Carl Clemen,
-Der gegenwärtige Stand des relig. Denkens in Grossbrittannie,
-Stud. u. Krit. 1892, 3<sup>tes</sup> Heft S. 513-548. G. Elliott, Bilder
-aus dem kirchl. Leben Englands, Leipzig Akad. Buchhandlung.
-G. d’Alviella, L’évolution relig. chez les Anglais, les Americains
-et les Hindous 1884. Walker, Present theological drifts in Scotland,
-Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893. Het godsdienstig Engeland,
-gelijk wij het heden kennen, is een werk van het Methodisme.
-John Wesley 1703-1791 was geen wetenschappelijk theoloog,
-maar een machtig prediker, die het evangelie individualiseerde,
-en tot een levensvraag maakte voor ieder mensch cf. J. Wedgwood,
-John Wesley and the evangelical reaction of the <ins id="cor_18" title="eightteenth">eighteenth</ins>
-century 1870. Het door hem en George Whitefield 1714-1771
-opgekomen Methodisme was niet in de eerste plaats eene
-afwijking van een of ander der 39 artikelen, maar het concentreerde
-heel de waarheid der religie om twee middelpunten, n.l.
-om de plotselinge, bewuste ervaring van schuld en genade, d. i.
-om de persoonlijke bekeering, en ten tweede om de openbaring
-van dat nieuwe leven in een geheel nieuwen vorm, daarin bestaande
-dat men uitging op het bekeeren van anderen, van verschillende
-adiaphora zich onthield en de christelijke volmaaktheid
-reeds in dit leven voor bereikbaar hield. Deze eenzijdigheid leidde
-er toe dat allengs verschillende dogmata werden bestreden, gewijzigd
-of van ondergeschikte waarde werden beschouwd; cf. over
-het Methodisme het art. van Schoell in Herzog<sup>2</sup>. Saussaye, Godsd.
-Bewegingen 109 v. Möhler, Symbolik §&nbsp;75-76. Schneckenburger,
-Vorles. über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien
-<span class="pagenum" id="Page_133">[133]</span>
-1863 S. 103-151. Kolde, der Methodismus u. seine Bekämpfung,
-Erlangen 1886. Id. Die Heilsarmee ib. 1885, holl. vert. van
-Dr. A. W. Bronsveld. Het Methodisme heeft een onberekenbaren
-invloed geoefend, op Independenten, Baptisten, Presbyterianen,
-Anglikanen; Wesley is de herschepper van het Engelsche en
-Amerikaansche Protestantisme geweest, de revivals zijn sedert
-niet meer uit de Prot. kerken geweken, hij was de <ins id="cor_19" title="Archbischop">Archbishop</ins>
-of the Slums, de vader van de inwendige zending, de stichter
-van het christelijk socialisme. Het Methodisme was echter in
-hoofdzaak beperkt tot het volk. In de hoogere kringen, in politiek,
-philosophie, letteren bleef het koude liberalisme heerschen. Daartegen
-kwam reactie door de romantiek, (W. Scott, Southey, S. T.
-Coleridge †&nbsp;1834), welke op kerkelijk en theologisch gebied werd
-overgeplant in de Oxforder beweging. Deze beweging heeft de
-hoogkerkelijke partij, die al van de 16<sup>e</sup> eeuw af bestond, aanzienlijk
-versterkt, en de Roomsche leer en ritus in de Anglikaansche
-kerk krachtig bevorderd. Cf. art. Traktarianismus in Herzog<sup>2</sup>.
-Ook de schrijvers van Lux Mundi 1890, Canon Holland, Moore,
-Illingworth, Talbot, C. Gore e. a. trachtten het Puseyisme te vernieuwen
-en de christelijke dogmata plausibel te maken, door ze
-te plaatsen in het licht van den nieuweren tijd. Naast de hoogkerkelijke
-is de breedkerkelijke partij opgetreden, die reeds in de
-17<sup>e</sup> en 18<sup>e</sup> eeuw werd voorbereid door het Latitudinarisme, en
-in deze eeuw uitnemende vertegenwoordigers kreeg in Thomas
-Arnold †&nbsp;1842, Hampden †&nbsp;1868, F. D. Maurice †&nbsp;1872, Ch.
-Kingsley †&nbsp;1874, Whately †&nbsp;1863, F. W. Robertson †&nbsp;1853,
-A. P. Stanley †&nbsp;1881. Afkeerig van het Methodisme der laagkerkelijke
-partij, hebben zij allen op ernstige en edele wijze
-gestreefd naar eene verzoening van Christendom en cultuur. De
-kerk moest naar hunne overtuiging eene opvoedingschool van het
-volk worden; de religie moest zich verzoenen met al het ware,
-goede en schoone, waar het ook te vinden was; en het Christendom
-moest vooral in de zedelijke vernieuwing der maatschappij
-zijne kracht openbaren. Dit breede, tolerante standpunt vond hoe
-langer hoe meer instemming. De opkomst en voortgang van het
-ritualisme, de velerlei secten en richtingen, de nood der lagere
-maatschappij en vooral ook het Higher Criticism, dat reeds met
-bisschop Colenso zijn intrede in de Engelsche wereld deed, en
-dan door Rob. Smith, T. K. Cheyne, S. R. Driver gepropageerd
-<span class="pagenum" id="Page_134">[134]</span>
-werd, hebben aan de breedkerkelijke richting de overhand verschaft.
-Een van de voornaamste woordvoerders in den tegenwoordigen
-tijd is F. W. Farrar, deken der Westminster Abbey. Maar
-lang niet alleen in, ook ver buiten de Staatskerk wordt dit breede
-standpunt thans door velen ingenomen. Onder de voornaamste
-woordvoerders behooren thans de Baptist J. Clifford; de Congregationalisten
-E. W. Dale, The old Evangelicalism and the new
-1889, Dr. Joseph Parker te Londen, Dr. Fairbairn van Mansfield
-College, The place of Christ in modern theology, cf. Theol. Stud.
-van Dr. Daubanton, Mei, Juni 1894; de Presbyterianen Prof.
-Henry Drummond, The natural law in the spiritual world, Summum
-bonum enz. Marcus Dods, A. B. Bruce, Apologetics, or
-Christianity defensively stated, Edinburgh Clark 1892. James
-Lindsay, The progressiveness of modern Christian thought, Edinb.
-Blackwood 1892. Horton, Inspiration and the Bible Rev.
-J. B. Heard, Alexandrinian and Carthaginian Theology Edinb.
-Clark, Hulsean lectures, Prof. Edw. Caird, The evolution of
-religion, 2 vol., James Orr, The Christian view of God and the
-world, as centring in the incarnation, Edinb. Elliot. 1893, cf.
-mijn opstel, Theol. Stud. van Dr. Daubanton 1894. En voorts
-nog Flint, Milligan, Gloag in de Establ. Church van Schotland,
-Brown, Rainy, Davidson, Salmond, Laidlaw, G. A. Smith, in de
-Free Church, Cairns, Muir, Thomson, J. Smith in de United
-Presbyt. enz. Behalve door haar christologisch uitgangspunt, dat
-alles concentreert rondom de incarnatie, kenmerkt zich deze richting
-nog door haar unieerende tendenz. De kerkelijke verschillen
-worden uitgewischt of als van geringe beteekenis voorgesteld; practisch
-werkt men met mannen van allerlei kerk en richting saam;
-en theoretisch streven velen zelfs naar vereeniging van alle Protestantsche
-kerken, zooals b.v. J. Clifford. W. T. Stead gaat
-zeker wel het verst, als hij op eene „kerk der toekomst” hoopt,
-die de gansche sociale hervorming leiden, heel de cultuur, tot
-zelfs de theaters toe, in zich opnemen en alle menschen omvatten
-zal. Dikwerf gaat dan hiermede nog gepaard de hope op eene
-wederherstelling aller dingen aan gene zijde van het graf; zie
-van de rijke litteratuur alleen The wider Hope, Essays and
-Strictures on the doctrine and literature of future punishment
-by numerous writers, lay and clerical, London, Fisher Unwin
-1890. Het strenge Calvinisme verliest bij den dag aan terrein.
-<span class="pagenum" id="Page_135">[135]</span>
-Hier en daar wordt het nog gehandhaafd, in de Schotsche Hooglanden,
-in Wales enz., maar van eene wetenschappelijke beoefening
-en verdediging is geen sprake meer. Daarentegen breidt de
-leer der evolutie zich in Engeland bij den dag uit. Nadat het
-Deisme alreede de wonderen, de voorspellingen en de openbaring
-aan eene geduchte kritiek had onderworpen, heeft onder invloed
-van de afstammingsleer van Darwin, het agnosticisme van Spencer,
-het empirisme van Stuart Mill en het materialisme van Tyndal,
-Huxley, Evolution and ethics 1893 cf. Tijdspiegel, April 1894
-dit religieuse ontbindingsproces zich nog verder voortgezet. De
-kritiek der christelijke dogmata kreeg een ongedachten, sterken
-steun van Edwin Hatch, The organisation of the early christ.
-churches 1881, The influence of Greek ideas and usages upon
-the christ. church, Hibbert lectures 1888, die evenals reeds
-Hampden voor hem in zijn The scholastic philosophy in relation
-to christ. theology 1832 de dogmata verklaarde uit de verbinding
-van de heidensche wijsbegeerte met het oorspronkelijk Christendom.
-Het Unitarisme, dat in 1773 zijne eerste gemeente stichtte
-en thans in James Martineau, A study of religion, its sources
-and contents 1888, The seat of authority in religion 1890 een
-uitnemend woordvoerder bezit, wint gaandeweg aan invloed. Velen
-hebben zelfs met het Christendom geheel gebroken, G. Eliott,
-Ch. Bradlaugh, A. Besant, W. St. Ross, Morley, J. C. Morison,
-cf. Ch. Bradlaugh, A. Besant and Ch. Watts, The freethinkers
-textbook 1876; en zoeken hunne religieuse bevrediging in Buddhistische
-theosophie (Mevr. Blavatzky, A. Besant), in de moraal
-(M. Arnold, Literature and dogma 1873, God and the Bible 1875,
-die de religie omschreef als morality touched with emotion en
-God als the eternal power, not ourselves, which makes for
-righteousness), of in een gezelschap voor ethische cultuur, (opgericht
-1876 in Amerika, 1886 in Engeland. W. M. Salter, Die
-Religion der Moral, deutsch von G. von Gizycki, Leipzig 1885)
-of zelfs in het Mohammedanisme, waarvoor in 1891 in Liverpool
-eene moskee werd geopend.</p>
-
-<p class="sep2">38. Voor de geschiedenis der dogmatiek in Amerika kan men
-o. a. raadplegen Encyclopedia of living divines and Christian
-Workers of all denominations in Europe and America. Being a
-supplement to Schaff-Herzog, Encyclopedia of religious knowledge.
-<span class="pagenum" id="Page_136">[136]</span>
-Edited by Rev. Ph. Schaff and Rev. S. M. Jackson, New-York 1887.
-Adolf Zahn, Abriss einer Gesch. der Evang. Kirche in Amerika
-im 19 Jahrh. Stuttgart 1889. Fr. Nippold, Amerik. Kirchengeschichte
-seit der Unabhängigkeitserklärung der Ver. Staaten,
-Berlin 1892. Alle kerken zijn uit Engeland en andere landen
-van Europa successief in Amerika en Canada overgeplant. De
-Episcopaalsche kerk is de oudste en rijkste en dagteekent al
-van de immigratie in Virginia in 1607. De Dutch Reformed
-Church is er gevestigd sedert de ontdekking van den Hudson
-en van Manhattan Island 1609. De Independenten of Congregationalisten
-landden het eerst te Plymouth 1620. De
-Kwakers werden door William Penn in 1680 naar Pennsylvanie
-geleid. De Baptisten kregen vasten voet in Amerika op Rhode
-Island door Roger Williams 1639. De Methodisten vonden er
-ingang door Wesley 1735 en Whitefield 1738. De Duitsche
-kerken, zoowel de Luthersche als de Geref. werden er gevestigd
-sedert het midden der vorige eeuw. De Presbyteriaansche kerken
-zijn er in verschillende groepen verdeeld. Eene schets van de
-Presbyt. theologie geeft Prof. Schaff in zijn Theological Propaedeutic,
-2 parts, New-York 1892 ’93, II p. 374-405, en in The
-Independent, New-York vol. 45 N<sup>o</sup>. 2321, 2324, 2329 en 2330.
-Voor het Congregationalisme zie men Congregationalists in America,
-ed. by Dr. Albert E. Dunning, New-York, Hill and Co. 1894.
-Bijna al deze kerken en richtingen in kerken waren van Calvinistischen
-oorsprong. Van alle godsdienstige bewegingen is het Calvinisme
-in Amerika de krachtigste geweest. Het is niet tot eene
-of andere kerk beperkt, maar is onder allerlei wijziging het
-bezielend element in de Congregat. Bapt. Presbyt. Holl. en Duitsch
-Geref. kerken enz. Van alle kanten werd het in Amerika gebracht,
-uit Engeland, Schotland, Frankrijk, Holland, Duitschland. Het
-vormde het karakter van New-England gedurende de koloniale
-periode 1620-1776. Er moet echter onderscheiden worden tusschen
-het Puriteinsche Calvinisme, dat vooral uit Engeland kwam
-en in New-England ingang vond, en het Presbyteriaansche Calvinisme,
-dat van uit Schotland in de Zuidelijke, Midden en Westelijke
-Staten werd ingevoerd. Beide vormen van Calvinisme
-hadden tot basis de Westminster confessie van 1647, maar in
-beide kwam ook weldra een strijd tusschen eene oude en eene
-nieuwe school. De eerste en voornaamste theoloog van New-England
-<span class="pagenum" id="Page_137">[137]</span>
-was Jonathan Edwards 1703-1758, art. in Herzog<sup>2</sup>, biographie
-door Prof. A. V. G. Allen, bij Houghton, Miffin and
-Comp. New-York, 1<sup>e</sup> deel van American religious leaders. Zijne
-werken zijn in 4 deelen uitgegeven te New-York, Carter and
-Brothers 1881. Hij verbond diepe metaphysische denkkracht met
-eene ernstige vroomheid. In 1734, nog vóór de komst van Wesley
-in Amerika, had er in zijne gemeente te Northampton eene
-merkwaardige opwekking plaats; en later heeft hij met zijn vriend
-Whitefield dergelijke revivals meermalen geleid en verdedigd.
-Theologisch voerde hij den strijd vooral tegen het Arminianisme,
-dat door de geschriften van Daniel Whitby and John Taylor in
-New-England doordrong. Hij trachtte het Calvinisme door zijne
-metaphysische en ethische speculaties te versterken, maar heeft
-het toch feitelijk door zijne onderscheiding van natuurlijke en
-zedelijke onmacht verzwakt. Hij werd de vader van de Edwardianen,
-New-Theology Men, New-Lights, zooals ze genoemd worden,
-die wel de Calvinistische leer van Gods souvereiniteit en uitverkiezing
-handhaafden, maar daarmede vereenigden de verwerping
-van de erfschuld en de algemeenheid der verzoening, evenals de
-Saumursche theologen dat in Frankrijk deden. Zijn zoon Jonathan
-Edwards 1745-1801 droeg in de leer der voldoening in ’t wezen
-der zaak de theorie van Grotius voor. Samuel Hopkins, een
-leerling van Edwards 1721-1803, wiens werken in 1852 te
-Boston door Prof. Park van Andover werden uitgegeven, schreef
-een systeem der Godgeleerdheid, waarin hij het stelsel van Edwards
-teruggaf en vooral de belangelooze liefde tot God uitwerkte in
-den zin van Fénélon en Madame Guyon. Nathaniel Emmons
-1745-1840, Works, Boston 1842 was een van de voornaamste
-verdedigers van het Hopkinsianisme. Bij Timothy Dwight 1752-1817,
-Nathaniel W. Taylor 1786-1858 werd het systeem van
-Edwards in pelagiaanschen zin gewijzigd. En het leidde in den
-tegenwoordigen tijd te Andover, onder leiding van Dr. Egbert C.
-Smyth, hoogl. in kerkhistorie, tot verdediging van eene progressieve
-orthodoxie en tot de leer van the future probation. De
-Old School in de theologie van New-England was vooral gerepresenteerd
-door Dr. Bennet Tyler 1783-1858, en Dr. Leonard
-Woods 1774-1854, die het oude Calvinisme verdedigden. Het
-Puritanisme heeft echter meer en meer de standaards van
-Dordrecht en Westminster verlaten. Op de synode van de Congregat.
-<span class="pagenum" id="Page_138">[138]</span>
-kerken in Amerika, te St. Louis 1880, werd eene nieuwe
-confessie van 12 artikelen voorbereid, waarin de kenmerkend
-Geref. leerstukken zijn weggelaten.</p>
-
-<p class="sep2">39. De theologie in de Presbyt. kerken in Amerika heeft
-een parallel verloop gehad. Ook hier kwam scheuring niet alleen
-onder de theologen, tusschen de Old Lights en de New Lights,
-maar ook in de kerken tusschen de Synode van Philadelphia en
-New-York 1741-1758. Een van de eerste theologen was John
-Dickinson 1688-1747, wiens voornaamste werk eene verdediging
-is van de vijf artikelen tegen de Remonstranten. De Old School
-vond vooral steun in Princeton college, gesticht 1812, en werd
-daar vertegenwoordigd door Dr. Archibald Alexander 1772-1851,
-Dr. Charles Hodge 1797-1878, <ins id="cor_20" title="Systematie">Systematic</ins> Theology
-London and Edinb. Nelson 1873 3 vol. en diens zoon en opvolger
-Archibald Alexander Hodge 1823-1886, Outlines of Theology,
-ed. by W. H. Goold. London, Nelson 1866. Evangelical Theology,
-ib. 1890. De zoogenaamde Princeton Theology is in hoofdzaak
-eene reproductie van het Calvinisme der 17<sup>e</sup> eeuw, gelijk het
-neergelegd is in de Westminster confessie en den Consensus Helveticus
-en vooral uitgewerkt is door F. Turretinus in zijne Theol.
-Elenctica. Hetzelfde systeem wordt ook voorgestaan door de Zuidelijke
-theologen James H. Thornwell 1812-1862, Robert J.
-Breckinridge 1800-1871 en Robert L. Dabney. Een van
-de jongste representanten der Old School, is W. G. T. Shedd,
-sedert 1890 emeritus professor van Union Seminary te New-York,
-Dogmatic Theology, 2 vol. New-York, Scribner 1888. Tusschen
-Hodge en Shedd is er echter een merkwaardig onderscheid. De
-eerste is foederalist en creatianist, de tweede is realist en traducianist.
-Beide echter stemmen daarin weer overeen, dat ze de
-verkiezing zeer ruim opvatten en daaronder ook alle jongstervende
-kinderen opnemen. De New Lights weken van de Oude
-School af, behalve in het gezag der algem. synode, de revivals,
-de unie met de congregationalisten enz. vooral ook in zake de
-erfschuld en de bijzondere voldoening, waarbij later nog gekomen
-zijn de inspiratie der H. Schrift en de eschatologie. Vertegenwoordigers
-dezer nieuwe richting waren Albert Barnes 1798-1870,
-Lyman Beecher 1775-1863 en Thomas H. Skinner 1791-1871,
-die echter geen van drie een theol. systeem hebben nagelaten.
-<span class="pagenum" id="Page_139">[139]</span>
-Barnes en Beecher werden van ketterij aangeklaagd maar vrijgesproken.
-Toch kwam het opnieuw tot eene scheuring in de kerken
-in 1837, toen de Oude School de meerderheid in de Algemeene
-Synode kreeg en vier synoden van de gemeenschap afsneed. In
-1869 werden ze echter wederom vereenigd vooral door den invloed
-van het Union Theol. Seminary te New-York, gesticht in 1836.
-Hier werd de dogmatiek gedoceerd door Dr. Henry B. Smith
-1815-1877, System of Christian Theology, ed. by W. S. Karr,
-4 ed. New-York Armstrong 1890, die tusschen Oude en Nieuwe
-School eene bemiddeling zocht in het christocentrische standpunt.
-Een zijner leerlingen, Lewis French Stearns †&nbsp;1892 schreef
-Present day Theology, en staat daarin al de nieuwere denkbeelden
-voor over inspiratie, voorzienigheid, kenosis, praedestinatie, zaligheid.
-Een ander Hoogleeraar in Union Seminary, Dr. Charles
-Briggs werd in 1892 aangeklaagd van heterodoxie, wijl hij de
-rede voor bron houdt, dwalingen in de Schrift aanneemt, het
-Higher Criticism erkent, The Bible, the Church and the reason;
-Messianic prophecy; Inspiration and inerrancy enz., en in 1893
-door de General Assembly veroordeeld. Maar daarmede is de
-crisis niet uit. De Geref. kerken in Amerika doorleven een moeilijken
-tijd. De dogmata van de onfeilbaarheid der H. Schrift,
-van de triniteit, van den val en de onmacht des menschen, van
-de bijzondere voldoening, van verkiezing en verwerping enz.
-worden heimelijk ontkend of open bestreden. De revisiekwestie
-is wel tijdelijk in de Presbyt. kerk van de baan, maar komt
-toch waarschijnlijk wel weer aan de orde. Het heden schijnt
-voor den bloei van de Geref. theologie niet gunstig te zijn, cf.
-mijn opstel The future of Calvinism, Presb. and Ref. Review
-Jan. 1894.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<div class="npage cent" style="line-height: 1.8em;" id="Page_140"><b>DEEL I.</b><br />
-<span class="esp">PRINCIPIA DER DOGMATIEK.</span></div>
-
-<hr class="hr8" />
-
-<h2 class="nobreak" style="margin-top: 1em;">HOOFDSTUK I.<br />
-<b>Principia in het algemeen.</b></h2>
-
-<hr class="hr10" />
-
-<h3>§&nbsp;6. <span class="smcap">Beteekenis der principia.</span></h3>
-
-<p>1. Volgens Simplicius, den neoplatonischen commentator van
-Aristoteles, Phys. 32 en evenzoo volgens Hippolytus in zijne
-Refutatio omnium haeresium I 6, cf. H. Ritter et L. Preller,
-Historia philos. graecae 1886 p. 16, 17, was Anaximander de
-eerste, die den grond der dingen, waarvoor hij het ἀπειρον
-hield, aanduidde met den naam van ἀρχη. Misschien gaf hij
-echter daarmede alleen nog te kennen, dat het ἀπειρον de aanvang
-en het eerste van alle dingen was, Ed. Zeller, Die Philosophie
-der Griechen, 4<sup>e</sup> Aufl. I 203. Maar in de philosophie
-van Plato en Aristoteles kreeg dit woord de beteekenis van
-laatste oorzaak der dingen. Aristoteles verstaat onder ἀρχαι in
-het algemeen de eerste dingen in eene reeks, en dan vooral de
-eerste oorzaken, die uit geen andere zijn af te leiden; hij geeft
-Metaph. V. 1. 1013, a, 17 deze definitie: πασων μεν οὐν
-κοινον των ἀρχων το πρωτον εἰναι ὁθεν ἠ ἐστιν ἠ γινεται ἠ
-γιγνωσκεται, id unde aliquid est aut fit aut cognoscitur. Zulke
-oorzaken nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van
-het zijn en van het bewustzijn, in de metaphysica en in de logika.
-Het zijn der dingen werd door hem uit vier ἀρχαι afgeleid, nl.
-ὑλη, εἰδος, ἀρχη της κινησεως en τελος, Phys. II, 3, 194_{b}, 16
-enz. Maar evenzoo nam hij zulke laatste oorzaken in de logika
-aan. Aristoteles merkte nl. op, dat er lang niet van alles een
-bewijs kan gegeven worden; van vele zaken toch hebben we niet
-<span class="pagenum" id="Page_141">[141]</span>
-een middellijk weten door bewijsvoering maar een onmiddellijk
-weten door de rede. De bewijzen zelve moeten, om niet een
-regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen,
-die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het
-ook niet behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles ἀρχαι
-ἀποδειξεως, ἀρχαι συλλογιστικαι, ἀρχαι ἀμεσοι, of ook wel als
-algemeene onderstelling van alle bewijsvoering ἀξιωματα, Anal.
-post. I 2, 72<sup>a</sup>, 7, enz. en hij zegt er daar zelf van: λεγω δ’
-ἀρχας ἐν ἑκαστῳ γενει ταυτας, ἁς ὁτι ἐστι μη ἐνδεχεται δειξαι.
-In denzelfden zin werd het latijnsche principium gebezigd. Cicero
-spreekt b.v. van rerum principia Acad. IV 36, principia naturae
-Off. III 12, principia naturalia Fin. II 11, principium philosophiae
-Nat. D. I 1, principia juris Leg. I 6, enz. In overeenstemming
-met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles
-werd nu later in de logika drieërlei principium onderscheiden,
-principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het
-zijn, de wording of de kennis van eenig ding uit iets anders
-moest worden afgeleid. Van principium was causa dan weder zoo
-onderscheiden, dat causa het principium aanduidde als influxu
-suo determinans aliquid sibi insufficiens ad existendum, en als
-tempore of ten minste natura prius dan de zaak die zij veroorzaakte.
-Causa is dus een bijzondere soort van principium; alle
-causa is principium, maar niet alle principium is causa, J. F.
-Buddeus, Elementa philosophiae instrumentalis, ed. 5<sup>a</sup> 1714,
-I p. 140 sq. 288 sq. Liberatore, Instit. philos. ed. 8<sup>a</sup> Romae
-1855 I 217.</p>
-
-<p class="sep2">2. Ook in de Theologie werd dit spraakgebruik overgenomen.
-In de H. Schrift heeft ἀρχη niet alleen dikwerf temporeele Marc.
-1:1, Joh. 1:1 enz., maar ook enkele malen causatieve beteekenis.
-In de LXX heet de vreeze des Heeren de ἀρχη της σοφιας
-Spr. 1:7, en in Apoc. 3:14 en Col. 1:18 wordt Christus de
-ἀρχη der schepping en der opstanding genoemd. De kerkvaders
-spreken dikwerf van den Vader als ἀρχη, πηγη, αἰτιον van Zoon
-en Geest, Athan. C. Arianos II. Basilius, adv. Eunom. I. Damasc.
-de fide orthod. I 9, enz., gelijk ook Augustinus den Vader principium
-totius divinitatis noemt, de S. Trin. IV cap. 20. Zoo was
-God dus het principium essendi of existendi van al het geschapene,
-dus ook van de wetenschap, en bepaald nog weer van de
-<span class="pagenum" id="Page_142">[142]</span>
-theologie. Op dit laatste terrein werd het altijd uitdrukkelijk
-herhaald, dat God het principium essendi was der theologie. Er
-was hiervoor eene bijzondere reden. Er is geen kennis van God
-mogelijk, dan alleen uit en door God Matth. 11:27; 1 Cor.
-2:10 v. Het was een axioma der vroegere theologie: a deo
-discendum quid de ipso intelligendum, quia non nisi ipso auctore
-cognoscitur. Dat er in het schepsel eenige kennis van God
-is, dat is alleen aan God te danken. Hij is kenbaar alleen omdat
-en inzoover Hij dat zelf wil. Reeds de analogie van een mensch
-bewijst de waarheid hiervan. Een mensch is tot op zekere hoogte
-het principium essendi van onze kennis aangaande zijn persoon,
-1 Cor. 2:11; hij moet zich openbaren, zich door verschijning,
-woord en daad te zien geven, opdat we hem eenigszins kunnen
-leeren kennen. Maar bij een mensch is dit altijd relatief; hij
-openbaart zich dikwerf geheel onwillekeurig en zijns ondanks;
-hij openbaart zich menigmaal in karaktertrekken en eigenaardigheden,
-welke hem zelven onbekend zijn; hij openbaart zich somtijds
-ook anders dan hij is, valsch en onwaar enz. Maar dat
-alles valt in God niet. Hij is in absoluten zin principium essendi,
-causa efficiens principialis van onze Godskennis, want Hij is
-volstrekt vrij, zelfbewust en waarachtig. Zijne zelfkennis, zijn
-zelfbewustzijn is het principium essendi onzer Godskennis. Zonder
-zelfbewustzijn Gods geen kennis Gods in de schepselen. Het
-pantheïsme is de dood der theologie. De verhouding nu van
-deze zelfkennis Gods tot onze Godskennis werd vroeger zoo uitgedrukt,
-dat gene de theologia archetypa was van deze, en deze
-de theologie ectypa van gene. Onze kennisse Gods is een afdruk
-van die kennis, welke God van zichzelven heeft, maar dan altijd
-in creatuurlijken zin. De kennisse Gods in zijne schepselen is
-maar eene zwakke gelijkenis, eene eindige, beperkte, naar het
-menschelijk of creatuurlijk bewustzijn geaccommodeerde schets
-van het absolute zelfbewustzijn Gods. Maar hoe groot de afstand
-ook zij, principium essendi van onze Godskennis is alleen God
-zelf, die zich vrij, zelfbewust en waarachtig openbaart.</p>
-
-<p class="sep2">3. Van dit principium essendi is nu het principium cognoscendi
-te onderscheiden. Dat er theologie is, danken we alleen aan
-God, aan zijn zelfbewustzijn, aan zijn welbehagen. Maar het
-middel, de weg, waardoor die kennisse Gods tot ons komt, is
-<span class="pagenum" id="Page_143">[143]</span>
-Gods openbaring, hier nog genomen in gansch algemeenen zin.
-De aard der zaak brengt dit met zich. Een mensch wordt voor
-ons alleen daaruit kenbaar, dat hij zich aan ons openbaart,
-d. w. z. dat hij zichzelf te zien geeft, spreekt of handelt. Verschijning,
-woord en daad zijn de drie openbaringsvormen van den
-eenen mensch aan den ander. Alzoo is het ook bij den Heere
-onzen God; ook zijne kennis vloeit ons alleen uit zijne openbaring
-toe; en ook die openbaring kan alleen zijn verschijning, woord
-en daad. Principium cognoscendi der theologie is dus de zelfopenbaring
-of zelfmededeeling Gods aan zijne schepselen. Of die
-zelfopenbaring Gods nu individueel tot elk mensch komt of voor
-de gansche menschheid neergelegd is in de Schrift of in de kerk,
-kan eerst later worden onderzocht. Thans volsta, dat de zelfopenbaring
-Gods, krachtens den aard der zaak, het eenige principium
-cognoscendi van onze Godskennis kan zijn. Alleen zij er
-de opmerking aan toegevoegd, dat, indien die zelfopenbaring
-Gods is neergelegd in de Schrift of in de kerk, die Schrift en
-die kerk alleen kunnen hebben eene instrumenteele, en dus in
-zekeren zin toevallige, voorbijgaande beteekenis. De H. Schrift
-is dus hoogstens causa efficiens <i>instrumentalis</i> der theologie.</p>
-
-<p>Immers, doel der theologie kan geen ander zijn, dan dat het
-redelijk schepsel God kenne en kennend Hem verheerlijke Spr.
-16:4, Rom. 11:36, 1 Cor. 8:6, Col. 3:17. Het is zijne
-εὐδοκια, om door menschen gekend te worden Matth. 11:25, 26.
-De zelfopenbaring Gods bedoelt dus, om in het menschelijk bewustzijn
-zijne kennis in te brengen en daardoor heen weer aan
-God zelf heerlijkheid en eere te bereiden. Maar die zelfopenbaring
-Gods kan dan ook niet eindigen buiten, voor, bij den
-mensch, maar moet zich voortzetten tot in den mensch zelf, d. i.
-de openbaring kan niet alleen uitwendig maar moet ook inwendig
-zijn. Daarom werd vroeger onderscheid gemaakt tusschen principium
-cognoscendi externum en internum, verbum externum en
-internum, revelatio en illuminatio, de werking van Gods Woord
-en van zijn Geest. Het verbum internum is het verbum principale,
-want dit brengt de kennisse Gods in den mensch, en dat
-is het doel van alle theologie, van heel de zelfopenbaring Gods.
-Het verbum externum, de openbaring neergelegd in de H. Schrift,
-doet daarbij den dienst van een middel; het is verbum instrumentale,
-noodzakelijk misschien om allerlei bijkomstige redenen
-<span class="pagenum" id="Page_144">[144]</span>
-in deze bedeeling, maar toch naar zijn wezen tijdelijk en toevallig.</p>
-
-<p class="sep2">4. Zoo leerden we dus drie principia kennen. Ten eerste God
-als het principium essendi der theologie. Vervolgens het principium
-cognoscendi externum, n.l. de zelfopenbaring Gods, die,
-in zoover ze neergelegd is in de H. Schrift, een instrumenteel
-en tijdelijk karakter draagt. En eindelijk het principium cognoscendi
-internum, de illuminatie van den mensch door Gods Geest.
-Deze drie zijn daarin één, dat ze God hebben tot auteur, en
-dat ze ééne zelfde kennis Gods tot inhoud hebben. De theologia
-archetypa in het Goddelijk bewustzijn; de theologia ectypa, in
-de openbaring geschonken en in de H. Schrift neergelegd; en de
-theologia in subjecto, de kennis Gods, voorzoover ze uit de
-openbaring in het bewustzijn van den mensch ingaat en opgenomen
-wordt, zijn alle drie uit God. Het is God zelf, die zijne
-zelfkennis ontsluit, door openbaring meedeelt, en in den mensch
-inbrengt. En ook zakelijk zijn ze één, want het is ééne zelfde
-zuivere en waarachtige kennis van God, die Hij heeft van zichzelf,
-die Hij meedeelt in de openbaring en die Hij inbrengt in
-het menschelijk bewustzijn. Ze mogen en kunnen dus nimmer
-van elkander gescheiden en losgemaakt worden. Maar andererzijds
-dienen ze toch wèl te worden onderscheiden. Want de kennis,
-die God van zichzelven heeft, is absoluut, eenvoudig, oneindig,
-en in haar absoluutheid onmededeelbaar aan het eindig bewustzijn.
-Daarom werd vroeger de theologia archetypa ook wel beperkt
-tot dat gedeelte der zelfkennis God, dat Hij besloten had
-aan schepselen mede te deelen. Maar deze distinctie maakt de
-verhouding tusschen theologia archetypa en theologia ectypa tot
-eene mechanische, en vergeet, dat absoluut niet alleen ligt in
-de quantiteit, maar ook in de qualiteit. Desniettemin ligt er de
-ware gedachte in, dat de theologia ectypa, welke door de openbaring
-aan schepselen geschonken wordt, niet is de absolute
-zelfkennis Gods, maar die kennis Gods, gelijk ze geaccommodeerd
-is, naar en geschikt gemaakt is voor het eindig bewustzijn, dus
-geanthropomorphiseerd. Deze theologia ectypa, welke objectief in de
-openbaring voor ons ligt, is externa maar is bestemd om overgeleid
-te worden in het bewustzijn van de redelijke schepselen,
-om te worden theologia ectypa interna, theologia in subjecto,
-<span class="pagenum" id="Page_145">[145]</span>
-maar ondergaat ook daarin weer veranderingen naar den aard
-van het subject. Zij is niet re et ratione, maar toch gradu et
-modo in Christus (theol. unionis), in de engelen en de gezaligden
-(theol. visionis), in de menschen op aarde (theol. viatorum, viae,
-revelationis) en dan weer onder dezen in profeten en apostelen,
-in theologen en leeken verschillend. Zij is in ieders bewustzijn
-naar zijne vatbaarheid gemodificeerd. Maar zakelijk is en
-blijft het toch ééne zelfde kennis, die van God uitgaat en langs
-den weg der openbaring in het bewustzijn zijner redelijke schepselen
-wordt overgeplant. Deze drieërlei principia, onderscheiden
-en toch wezenlijk één, berusten in het trinitarisch wezen Gods.
-Het is de Vader, die door den Zoon, als Logos, in den Geest
-aan zijne schepselen zich meedeelt. Cf. over deze principia der
-theologie: Thomas S. Theol. qu. 1; Fr. Junius, de vera theologia,
-Op. Omnia, Gen. 1607 I fol. 1375-1424, ed. Kuyper
-p. 45 sq.; Gomarus, Disput. Theol. thesis 1; Voetius, Diatribe
-de Theologia Ultraj. 1668; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura,
-ortu ... verae theol. libri 6, Oxon. 1661; Alsted, Methodus
-Sacros. Theol. octo libris tradita, Hanov. 1623 I Praecognita
-Theol. p. 1-138, en voorts de eerste hoofdst. over theol. in
-verschillende dogmatieken van Turretinus, Coccejus, Marck, Moor,
-Vitringa, enz. Dr. A. Kuyper, Enc. der H. Godg. II 177 v.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;7. <span class="smcap">Principia in de wetenschap.</span></h3>
-
-<h4>A. Het Rationalisme.</h4>
-
-<p>1. Wetenschap bestaat altijd in eene logische relatie tusschen
-subject en object. De verhouding, waarin we deze beide tot
-elkander stellen, bepaalt onze opvatting van de wetenschap. Ten
-allen tijde zijn er twee richtingen geweest, die te dezen opzichte
-lijnrecht tegenover elkander staan, het Rationalisme en het Empirisme.
-Ze zijn al opgekomen in de Grieksche philosophie. Reeds
-daar werd de tegenstelling gemaakt van αἰσθησις en λογος, van
-zinlijke waarneming en denken, en dus ook van δοξα en ἐπιστημη.
-De school van Elea, Plato, de Neoplatonici stonden aan de zijde
-van het rationalisme; de zinlijke waarneming geeft geen kennis,
-zij heeft tot object wisselende verschijnselen, en leert ons alleen
-<span class="pagenum" id="Page_146">[146]</span>
-kennen dat iets is en zoo is, maar niet waarom het zoo is;
-bovendien bedriegt zij ons menigmaal en verschaft ons valsche
-voorstellingen, b.v. den krommen stok in het water, de opgaande
-zon enz., welke alleen door het denken van hare
-onwaarheid kunnen gereinigd worden. Daarom staat het denken
-ver boven de zinlijke waarneming. Dit alleen levert ons
-ἐπιστημη; wetenschap komt niet van buiten, zij is een product
-van den menschelijken geest. In de nieuwere philosophie is
-deze rationalistische richting weer opgekomen met Cartesius,
-die, alles wegwerpende, ten slotte zijn vast uitgangspunt vond in
-het denken en daaruit concludeerde tot het zijn, cogito ergo sum.
-Daarmede werd de denknoodwendigheid, het logisch verband, de
-mathematische orde van grond en gevolg bij Spinoza de maatstaf
-der waarheid. De zinnelijke wereld is hoogstens aanleiding maar
-geen bron onzer kennis, de menschelijke geest kan alle kennis uit
-zichzelf, met eigen middelen, denkende, voortbrengen. Nos idées,
-même celles des choses sensibles, viennent de notre propre fond,
-Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain I ch. 1.
-Kant heeft nu dit rationalisme wel in zoover getemperd, als hij
-niet de stof maar alleen de vormen der waarneming afleidde uit
-den menschelijken geest (transcendentaal, kritisch idealisme). Maar
-Fichte zag terecht in, dat zulk eene onderscheiding onmogelijk
-was, en sprak daarom uit dat alle elementen onzer kennis, tot
-zelfs de waarneming toe, apriorisch waren en door het Ik werden
-geponeerd (absoluut idealisme). Nu werd dit rationalisme bij deze
-wijsgeeren nog altijd beperkt tot het gebied van het kenvermogen,
-en dus alleen bedoeld in erkenntniss-theoretischen zin. Maar dit
-subjectief rationalisme werd door Fichte, Schelling en Hegel tot
-een objectief rationalisme uitgebreid; niet slechts de kennis, maar
-ook het zijn, niet alleen de voorstellingen maar ook de dingen
-zelve zijn alleen uit het denken voortgekomen, denken en zijn
-zijn één (metaphysisch idealisme). Er is gang in deze historie van
-het rationalisme; het denken, niet de zinlijke waarneming, geeft
-waarheid; het brengt daartoe in zichzelf de principia, de semina
-van alle kennis, mede; het schept den vorm onzer gedachtenwereld
-(Kant), en ook haar stof en inhoud (Fichte), ja het schept
-en construeert de gansche wereld, niet alleen van het denken,
-maar ook van het zijn.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_147">[147]</span>
-2. In welke verschillende vormen dit rationalisme ook is
-opgetreden, het heeft toch altijd ééne grondgedachte, n.l. dat de
-oorsprong der kennis te zoeken is in het subject. Het is goed te
-begrijpen dat men tot deze gedachte kwam. Afgedacht toch van
-de onbetrouwbaarheid der zinlijke waarneming, er is tusschen de
-voorstellingen in ons en de dingen buiten ons zulk een wezenlijk
-verschil, dat de eerste niet uit de laatste zijn te verklaren. Stof
-kan niet werken op den geest; geestelijke verschijnselen, zooals
-de voorstellingen zijn, zijn alleen uit den geest te verklaren;
-gelijk kan alleen door gelijk worden gekend. Daaruit volgt, dat
-het bestaan en de samenwerking van stof en geest, van dingen
-buiten ons en voorstellingen in ons òf alleen nog kan gehandhaafd
-worden door hypothesen als het occasionalisme (Geulinx), de
-harmonia praestabilita (Leibniz), de aanschouwing der ideeën in
-God (Malebranche) enz., òf dat eenvoudig de tweeheid van stof
-en geest moet worden ontkend, en dat ding en voorstelling, zijn
-en denken beschouwd worden als wezenlijk één. Immers, zoo zegt
-het idealisme, indien ding en voorstelling twee zijn, dan moeten
-we aan de kennis van het ding wanhopen; wij kunnen toch nooit
-onze voorstelling van het ding aan het ding zelf toetsen; wij
-kunnen nooit uit onszelf, uit onze voorstellingswereld, uitkomen;
-nous ne pouvous nous mettre à la fenêtre, pour nous voir passer
-dans la rue (Scherer). Wij blijven altijd binnen den kring onzer
-voorstellingen en komen nooit met het ding zelf, maar altijd weer
-met onze voorstelling van het ding, in aanraking; alleen het
-bewuste bestaat voor ons; ik kan alleen het gedachte, niet het
-ding, denken; wat niet mijn gedachte is, is voor mij ondenkbaar,
-onkenbaar, bestaat voor mij niet. En dit idealisme is dan nog
-versterkt door wat de physiologie der zintuigen thans leert. Reeds
-Democritus maakte onderscheid tusschen zulke eigenschappen als
-zwaarte, dichtheid, hardheid, die objectief zijn en in de dingen
-zelve liggen, en andere, zooals warmte, koude, smaak, kleur,
-die alleen subjectief in onze gewaarwordingen aanwezig zijn, Zeller,
-Philos. der Gr. I<sup>4</sup> 783. Deze onderscheiding van objectieve en
-subjectieve, quantitatieve en qualitatieve eigenschappen is door
-Cartesius, Hobbes, Locke, die ze het eerst noemde primaire en
-secundaire eigenschappen, An essay concerning human understanding,
-II ch. 8 §&nbsp;19 etc. overgenomen, en dan in deze eeuw vooral
-uitgewerkt door Helmholtz in zijn Handbuch der physiol. Optik,
-<span class="pagenum" id="Page_148">[148]</span>
-Leipzig 1865-66 en Lehre von den Tonempfindungen, Braunschw.
-1862, 4<sup>e</sup> Aufl. 1877, cf. ook Lange, Gesch. des Mater. 4<sup>e</sup> Aufl.
-1882 S. 712 f. Pierson, Gids Juni 1871. Volgens dit zoogenaamd
-semi-idealisme zijn er buiten ons in de wereld alleen mechanische
-bewegingen der atomen, de materie is qualiteitloos. Onze zintuigen
-ontvangen slechts indrukken door de beweging en golving der
-atomen; die indrukken zijn qualitatief gelijk; maar in onze hersenen
-brengen we uit die eenvormige bewegingen de oneindige
-verscheidenheid der waarnemingswereld voort. Licht, geluid, kleur,
-smaak, warmte, koude, alle qualitatieve eigenschappen, die wij
-in de dingen meenen waar te nemen, bestaan niet buiten maar
-ontstaan en bestaan alleen in den menschelijken geest. Een zelfde
-beweging der materie, onzen tastzin rakend, maakt den indruk
-van warmte; en vallend in het oog, verschaft zij ons de gewaarwording
-van licht. De wereld is in haar substantie niet, maar
-toch in haar vorm een product van den mensch. Zoo heeft het
-idealisme hoe langer hoe meer in de philosophie veld gewonnen
-en zelfs van de natuurwetenschap krachtigen steun ontvangen.</p>
-
-<p class="sep2">3. Toch zijn er tegen het idealisme zeer ernstige bezwaren.
-In de eerste plaats is het met alle ervaring in strijd. Wij zijn
-van nature allen realisten, en de idealisten zelven zijn het ook
-in de practijk. Feitelijk is het idealisme eene zaak, eene opinie
-der school, die met het leven en de ervaring in lijnrechten strijd is.
-Het verklaart niet, hoe en waarom ieder mensch er vanzelf en
-onwillekeurig toe komt, om aan de waargenomen verschijnselen
-objectieviteit en zelfstandige realiteit toe te schrijven, en ze niet
-louter op te vatten als innerlijke bewustzijnstoestanden, terwijl
-we toch duidelijk onderscheid maken tusschen inwendige toestanden
-en uitwendige dingen, tusschen wat in en buiten ons
-is, tusschen droom (hallucinatie) en werkelijkheid. Daarbij komt,
-dat de mensch nooit en op geen enkel gebied autonoom is, maar
-overal en altijd afhankelijk is van de natuur rondom hem heen.
-Door zijn lichaam is hij aan de aarde gebonden. Deksel, voedsel,
-kleeding ontvangt hij van haar; het zou vreemd zijn, als het
-intellectueel anders met hem gesteld ware. Zooals wij voedsel
-en kleeding wel met onze hand bereiden, maar toch de stof
-ervoor aan de natuur buiten ons ontleenen, zoo ook ontvangen
-we met het intellect de stof van buiten. Het intellect is ook hier
-<span class="pagenum" id="Page_149">[149]</span>
-instrument, geen bron. Het idealisme vereenzelvigt het orgaan
-met de bron der kennis, maakt als het ware het oog tot de
-bron van het licht, leidt het gedachte af uit het denken. Dat
-kan echter niet, omdat een ding en zijne voorstelling, zijn en
-denken, esse en percipi twee zijn en niet kunnen vereenzelvigd
-worden. Ze zijn immers beide toto genere verschillend. Een ding
-stijgt niet in ons op als een droom, en volgt ook niet logisch
-uit voorafgaande voorstellingen, maar komt dikwerf plotseling
-van buiten af tot mij en breekt de reeks mijner voorstellingen
-af, het is onafhankelijk van mij, en heeft een bestaan buiten
-mij; het heeft eigenschappen, die niet aan de voorstelling ervan
-kunnen worden toegeschreven. Het ding, dat men een kachel
-noemt, is b.v. warm, maar de voorstelling, die van dat ding
-in mijn bewustzijn is, heeft zulk een eigenschap niet. Indien
-desniettemin ding en voorstelling met elkaar vereenzelvigd worden,
-moet het idealisme leiden tot absoluut illusionisme; niet alleen
-de wereld buiten mij wordt schijn, maar ook ik zelf ben niets
-dan een voorstelling, een verschijnsel voor mij zelf. Alles wordt
-een droom, er is geen werkelijkheid maar ook geen waarheid
-meer. Het idealisme moge nu op handel en gedrag zijner aanhangers
-geen invloed oefenen, Land, Inleiding tot de wijsbegeerte,
-’s Grav. 1889 bl. 92 v. Fr. Paulsen, Einleitung in die Philosophie,
-Berlin 1892, S. 363, wijl het leven menigmaal beter en
-sterker is dan de leer, toch is niet in te zien, hoe b.v.
-godsdienst en zedelijkheid nog theoretisch te rechtvaardigen zijn,
-als beide geen reëele verhoudingen zijn tot buiten mij bestaande
-wezens maar slechts tot voorstellingen in mij. Het dualisme van
-denken en zijn, waarvan het idealisme bij Plato, Cartesius, Kant
-uitgaat, slaat dan ook altijd weer in de identiteit van beide bij
-Spinoza, Fichte, Schelling en Hegel om; het subjectief rationalisme
-leidt tot absoluut en objectief rationalisme. Maar het
-abstracte, inhoudlooze denken, het alleralgemeenste principe van
-substantie, ’t absolute, ’t zijnde, het denken, waarvan de idealistische
-philosophie dan haar uitgangspunt neemt, is niet bij
-machte het rijke volle zijn te produceeren. Uit dat dorre
-abstractum is niet de levende wereld, uit dat levenloos ééne
-niet de veelheid der verschijnselen te verklaren. De klip, waarop
-alle pantheïsme strandt, is de veelheid; er is geen overgang te
-vinden van het abstracte tot het concreete, van het algemeene
-<span class="pagenum" id="Page_150">[150]</span>
-tot het bijzondere. Schelling sprak het dan ook open uit, dass
-es schwer sei an die Wirklichkeit heran zu kommen, bij Liberatore,
-Die Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aquin, deutsch
-von Eugen Franz, Mainz 1861 S. VII. Eindelijk, eene onderscheiding
-als van Kant tusschen den vorm, dien we zelf bij de
-waarneming meebrengen, en de stof, die van buiten tot ons
-komt, of als die van het semi-idealisme tusschen objectieve,
-primaire en subjectieve, secundaire verschijnselen is daarom
-onhoudbaar, wijl eene grens tusschen beiden niet is aan te wijzen.
-De stof eener voorstelling behoort, zooals Fichte dan ook uitsprak,
-evengoed tot de voorstelling als haar vorm. En de primaire
-quantitatieve eigenschappen, ja ook de lichamen zelf, zijn evengoed
-waargenomen verschijnselen als de qualitatieve eigenschappen
-van toon en kleur enz. Er bestaat geen reden om de getuigenis
-van één zintuig, den tastzin, aan te nemen en die van de andere
-vier te verwerpen, en dus voor de eigenschappen der uitgebreidheid,
-hardheid enz. alleen eene uitzondering te maken. Er is
-geen bezwaar, om aan de vormen der waarneming, tijd en ruimte,
-en aan de kategorieën van het denken ook objectieve realiteit in
-de dingen zelve toe te kennen. En de physiologie der zintuigen
-verhindert ons niet, om juist in de verschillende quantitatieve
-verhoudingen en bewegingen den objectieven grond der qualitatieve
-verschijnselen te zien, F. Pillon, L’évolution historique de
-l’idéalisme, de Démocrite à Locke, in L’année philosophique,
-sous la direction de F. Pillon 3<sup>e</sup> année, Paris, Alcan, 1893,
-p. 77-212. Georges Lyon, L’idéalisme en Angleterre au 18<sup>e</sup>
-siècle, Paris, Alcan, 1888. Dr. Glossner, Der moderne Idealismus,
-Münster 1880. Ernst Laas, Idealismus und Positivismus,
-3 Theile Berlin 1879 f. E. von Hartmann, Kritische
-Grundlegung des transcendentalen Realismus, Berlin 1885. Id.
-Das Grundproblem der Erkenntniss-theorie, Leipzig, Bd. I Abth.
-2 van de Ausgewählte Werke, S. 40 f. Id. Neukantianismus,
-Schopenhaueranismus und Hegelianismus, Berlin 1877. Stöckl,
-Lehrbuch der Philos. 6<sup>e</sup> Aufl. I 363 f. E. L. Fischer, die Grundfragen
-der Erkentniss-theorie 1887 S. 49 f. Id. Theorie der
-Gesichtswahrnemung, Mainz, Kirchheim 1891. Al Schmid, Erkenntnisslehre
-2 Bde. Freiburg 1890 II 134-141. L. Strümpell,
-Die Einleitung in die Philosophie, Leipzig, 1886, S. 165 f.
-Paulsen, Einleitung in die Philos. Berlin 1892 S. 354 f. C. A.
-<span class="pagenum" id="Page_151">[151]</span>
-Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der modernen specul. Theol. 1851
-S. 1-48. Flügel, Die specul. Theol. der Gegenwart 1888.
-J. T. Beck, Vorlesungen über Chr. Glaubenslehre, I 1887, S.
-44 f. F. J. Stahl, Philos. des Rechts, 5<sup>e</sup> Aufl. 1878 I 90 f.
-Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft, Leipzig 1885, S. 265 f.
-Gretillat, Exposé de théol. systém. 1885 I p. 63 s. Pierson,
-Bespiegeling, gezag en ervaring, 1855, cap. 1 §&nbsp;1. Opzoomer,
-Wetenschap en Wijsbegeerte, 1857, hoofdst. 1. Land, Inleiding
-tot de wijsbeg. 1889, bl. 82 v. Bilderdijk, Verhandelingen, ziel-,
-zede- en rechtsleer betreffende, 1821 bl. 121 v: over de oorzakelijkheid,
-bl. 141 v. van het menschelijk verstand, enz.</p>
-
-<h4>B. Het Empirisme.</h4>
-
-<p>4. Lijnrecht tegenover het Rationalisme staat het Empirisme,
-dat reeds bij de Grieken in de Atomisten zijne voorloopers had,
-dan in de Middeleeuwen als Nominalisme optrad, vervolgens als
-philosophische richting in den nieuwen tijd met Fr. Bacon zijn
-intrede deed, en over Locke, Hume en de Fransche Encyclopaedisten
-heen in deze eeuw is uitgeloopen op het Positivisme van
-A. Comte, de ervaringswijsbegeerte van Stuart Mill, het Agnosticisme
-van H. Spencer en het Materialisme van Büchner, Czolbe,
-Moleschott enz. Ook het empirisme treedt in verschillende vormen
-en stelsels op, maar heeft toch altijd dit beginsel tot uitgangspunt,
-dat alleen de zinlijke waarneming de bron onzer kennis is. Terwijl
-het rationalisme de objectieve wereld zich geheel of ten
-deele richten laat naar den menschelijken geest, onderwerpt het
-empirisme het bewustzijn geheel en al aan de wereld buiten ons.
-De mensch brengt bij het streven naar kennis niets mede dan
-alleen het vermogen van waarnemen; daaruit neemt alle intellectuele
-werkzaamheid haar aanvang en oorsprong. Aangeboren
-begrippen zijn er dus niet; alle vooropgevatte meeningen moet
-de wetenschappelijke onderzoeker ter zijde stellen. Uit den tempel
-der waarheid, dien hij in zijn bewustzijn opbouwen wil,
-moet hij alle idola verwijderen; geen anticipatio mentis, maar
-interpretatio naturae, mera experientia moet hem leiden (Bacon).
-De menschelijke geest is en moet zijn eene tabula rasa, in qua
-nihil scriptum est, volkomen voraussetzungslos. Dan slechts is
-de kennis betrouwbaar, als ze enkel en alleen uit de waarneming
-<span class="pagenum" id="Page_152">[152]</span>
-is opgebouwd. Begriffe ohne Anschauungen sind leer. Hoe verder
-de mensch van de ervaring zich verwijdert en boven haar uitgaat,
-hoe minder hij in zijn wetenschappelijk streven te vertrouwen is.
-Daarom is er ook geen wetenschap mogelijk van het bovenzinlijke
-(noumena) en van het bovennatuurlijke. Metaphysica, theologie,
-de geestelijke wetenschappen in het algemeen, zelfs volgens
-Comte de psychologie, zijn geen wetenschap in eigenlijken zin.
-Wetenschap is tot de sciences exactes beperkt. En zelfs binnen
-den kring van de waarneembare verschijnselen bepaalt zich onze
-kennis tot het dat en hoe; het wat en het waarom blijft verborgen.
-Oorzaak en doel, oorsprong en bestemming der dingen
-liggen buiten ons bereik; alleen de onderlinge betrekking der dingen,
-de relations invariables de succession et de similitude, A. Comte,
-Cours de philos. positive I p. 8 s. zijn het voorwerp van het
-wetenschappelijk onderzoek. Of er achter en boven de waarneembare
-verschijnselen nog iets anders is, of de ziel, God, het
-jenseits bestaat, moge misschien langs anderen weg, door de
-practische rede, het geloof, de phantasie enz. aannemelijk kunnen
-gemaakt worden, maar wetenschappelijk is en blijft dat alles
-eene terra incognita. Het doel der wetenschap kan dus niet meer
-daarin gelegen zijn dat men eene Welterklärung geve, maar
-strekt zich slechts uit naar eene zoodanige kennis der werkelijkheid,
-dat we daarnaar ons leven kunnen inrichten en er practisch nut
-van trekken. Savoir, c’est prévoir; science, d’où prévoyance; prévoyance,
-d’où action. Maar deze absolute gebondenheid van den
-geest aan de waarnemingswereld, heeft anderen tot de poging
-geleid, om niet alleen den denkinhoud des geestes, maar ook
-het bewustzijn en den geest zelf uit de wereld te verklaren, het
-empirisme is in materialisme geëindigd. Ook hier is dus gang,
-geschiedenis, ontwikkeling op te merken. Eerst wordt de gedachteninhoud,
-dan de faculteit, eindelijk ook de substantie des
-geestes uit de stoffelijke wereld afgeleid. E. Laas, Idealismus
-und Positivismus, 3 Bde 1879-84. Kuno Fischer, Francis Bacon
-und seine Nachfolger, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1875. A. Comte, Cours
-de philosophie positive, 2<sup>e</sup> ed. 1861-64. Die positive Philosophie
-von A. Comte, im Auszuge von Jules Rig, übersetzt von J. H.
-von Kirchmann, Heidelberg, Weiss, 2 Bde. Littré, Aug. Comte
-et la philosophie positive, Paris 1863. Id. Analyse raisonnée du
-Cours de philos. positive de M. A. Comte, Utrecht, Kemink
-<span class="pagenum" id="Page_153">[153]</span>
-1845. J. Stuart Mill, Aug. Comte et le Positivisme, fransche
-vert. door Clémenceau, Paris 1868. Henri Taine, De l’intelligence,
-2 vol. 3<sup>e</sup> ed. Paris, Hachette, 1878. l’Ange Huet, De
-methode der posit. filosofie, Leiden 1866. Id. Nieuwe oplossing
-van een oud vraagstuk, Leiden 1872. Algemeene grondslagen
-der stellige wijsbegeerte door A. Comte, ’s Hage, 1846 (bevat
-de twee eerste lessen uit Comte’s werk). Pünjer in Jahrb. f.
-prot. Theol. 1878 S. 79-121. 1882 S. 385-404. (Bibl. voor
-mod. Theol. 1883 bl. 243 v). H. Gruber, A. Comte, der Begründer
-des Positivismus, Freiburg. Id. Der Positivismus von
-A. Comte bis auf unsere Tage 1857-91, Freiburg 1891. Herzog<sup>2</sup>
-art. Positivismus, van Zöckler. J. Stuart Mill, System of Logic,
-ratiocinative and inductive, 2 Bde 9<sup>th</sup> ed. Lond. 1875, duitsche
-vert. van Gomperz, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1884. Opzoomer, De weg
-der wetenschap, een handboek der logica 1851, 3<sup>e</sup> omgewerkte
-druk onder den titel Het wezen der kennis, een leerboek der
-logica 1863. Id. Wetenschap en wijsbegeerte 1857. Id. De waarheid
-en hare kenbronnen 1859. Pierson, Bespiegeling, gezag en
-ervaring 1855. Id. Eene levensbeschouwing 1875 bl. 65 v. H.
-Spencer, A. system of synthetic philosophy, Vol. I First principles,
-5<sup>th</sup> ed. Williams and Norgate, London 1887. F. A. Lange, Geschichte
-des Materialismus, 4<sup>e</sup> Aufl. Iserlohn 1882. L. Büchner,
-Kraft und <ins id="cor_21" title="Stof">Stoff</ins>, 16<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1888 enz.</p>
-
-<p class="sep2">5. Dit empirisme heeft nu wel een machtigen steun in de afhankelijkheid
-des menschen van de hem omringende natuur,
-maar wordt toch ook door wichtige bezwaren gedrukt. Vooreerst
-staat het vast, dat de geest des menschen bij zijne intellectueele
-werkzaamheid nooit in volstrekten zin passief of zelfs receptief
-is, maar altijd ook in meerdere of mindere mate actief optreedt.
-Het is toch niet het oog dat ziet en het oor dat hoort, maar
-de mensch zelf, die door het oog ziet en hoort door het oor.
-De eenvoudigste gewaarwording en voorstelling onderstelt reeds
-de bewustheid, en dus eene werkzaamheid der ziel. Tabula rasa,
-waarop de buitenwereld schrijven kan wat ze wil, is de menschelijke
-geest nooit; hij is het zelf, die waarneemt, de waarnemingen
-verbindt, vergelijkt, beoordeelt. Maar er is meer; Kant,
-Kritik der reinen Vernunft, Einleitung §&nbsp;2 zegt terecht: Erfahrung
-lehrt uns zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht,
-<span class="pagenum" id="Page_154">[154]</span>
-dass es nicht anders sein könne. Nu hebben we echter niet alleen
-bijzondere en toevallige, maar ook algemeene en noodwendige
-waarheden, in de logika, de mathesis, enz., die de empiristen
-tevergeefs uit de ervaring hebben trachten af te leiden. Het
-principe der causaliteit bijv. is naar waarheid het bolwerk der
-intuitieve school genoemd; en alle moeite, die er aangewend is
-om dit principe en fundament aller wetenschap uit de wilsbepaling,
-uit de gewoonte, enz. te verklaren, is vruchteloos geweest,
-Dr. G. Heijmans, Schets eener kritische gesch. van het
-causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte, Leiden, Brill 1890.
-Dr. E. Koenig, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius
-bis Kant, Leipzig, Wigand 1888. Spruyt, Proeve van
-eene geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen, Leiden,
-Brill 1879. Ja, alle wetenschappen gaan van eene reeks onbewezene
-en onbewijsbare stellingen uit, die apriori aangenomen
-worden en tot uitgangspunt dienen voor alle redeneering en bewijs.
-Aristoteles heeft dit reeds ingezien; er is geen regressus in
-infinitum; juist om bewijskracht te hebben, moeten de bewijzen
-ten slotte rusten in eene stelling, die geen bewijs behoeft, die
-in zichzelve rust, en die daarom als ἀρχη ἀποδειξεως, principium
-argumentationis dienst kan doen, Zeller, Philos. der Gr.
-III 190 f. 235 f. Schopenhauer, Die Welt als Wille u. Vorstellung,
-6<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1887 I 78. Een gebouw kan niet in
-de lucht staan, en eene redeneering kan alleen rusten op een
-fundament dat vast ligt door evidentie, en niet door bewijs. Het
-uitgangspunt van het empirisme is hiermede geoordeeld, maar
-ook zijne opvatting van de wetenschap is aan ernstige bedenking
-onderhevig. Immers, het is der wetenschap naar haar aard om
-de kennis van het algemeene, het noodzakelijke en eeuwige, het
-logische, de idee te doen. Kennis van verschijnselen, personen,
-feiten enz. is goed, maar is toch slechts een voorbereidende arbeid;
-analyse ga voorop, maar de synthesis moet volgen. Wetenschap
-is er dan eerst, als wij de dingen in hun oorzaak en wezen, in hun
-doel en bestemming doorzien, als we niet slechts het ὁτι maar
-ook het διοτι kennen en alzoo rerum dignoscimus causas. Het
-empirisme is echter genoodzaakt, om aan alle wetenschappen
-den naam van wetenschap te ontzeggen en dezen alleen over
-te laten voor de sciences exactes. Maar deze beperking is om eene
-dubbele reden onmogelijk. Eerst omdat er behalve, en dan nog
-<span class="pagenum" id="Page_155">[155]</span>
-maar in zekeren zin, de zuiver formeele wetenschappen (logika,
-mathesis, mechanica, astronomie, chemie) geene wetenschap mogelijk
-is zonder een wijsgeerig element, en in elke wetenschap dus de
-vinding, de intuitie, de phantasie, i. e. w. het genie en in verband
-daarmede de wetenschappelijke hypothese eene zeer gewichtige
-plaats inneemt. En ten andere, wijl de naam van wetenschap
-dan ten slotte alleen behouden kan blijven voor enkele subsidiaire
-vakken, en juist die kennis, welke voor den mensch het belangrijkste
-is en waarom het hem bij het onderzoek in de eerste plaats
-te doen is, van de erve der wetenschap verbannen wordt. Het
-blijft toch waar, wat op het voorbeeld van Aristoteles, Ethic. 10,7;
-de part. an. 1,5; de coelo et mundo 2,5. Thomas Aquinas zeide
-S. Theol. I qu. 1 art. 5, ad. 1, Minimum quod potest haberi de
-cognitione rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima
-cognitio, quae habetur de minimis rebus. En Schopenhauer sprak
-in gelijken geest: Sie hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und
-Gewissheit der Mathematik zu rühmen. Aber was hilft es mir,
-noch so gewiss und zuverlässig zu wissen, daran mir gar nichts
-gelegen ist, bij Van Oosterzee, voor Kerk en Theol. I 101.
-Trouwens, de wereld der geestelijke dingen, de Welt der Werthe,
-van goed en kwaad, recht en zede, religie en moraal, van al wat
-ons liefde en haat inboezemt, ons opbeurt en troost of ook neerslaat
-en smart, die gansche rijke onzienlijke wereld is even goed
-voor ons eene realiteit, als de Welt der Wirklichkeit, die we
-waarnemen met onze zintuigen. Haar macht op ons leven en in
-de geschiedenis der menschheid is nog veel grooter dan die van
-de zienlijke dingen rondom ons heen. Vrij moge men dan den
-mensch den eisch stellen, dat hij zich in zijn onderzoek beperke
-wijl op dit terrein geen kennis mogelijk is; die eisch stuit af op
-wat Schopenhauer genoemd heeft das metaphysische Bedürfniss
-van den menschelijken geest. De mensch is niet alleen een verstandelijk
-maar ook een willend en gevoelend wezen; hij is geen
-denkmachine maar heeft bij zijn hoofd ook een hart, een wereld
-van aandoeningen en hartstochten. Deze brengt hij mede bij zijn
-wetenschappelijk onderzoek, hij kan bij zijne werkzaamheid in
-studeerkamer en laboratorium zichzelf niet buitensluiten. Het kan
-geen eisch zijn, dat de mensch bij den wetenschappelijken arbeid,
-dat is, bij eene van de edelste en hoogste werkzaamheden zijns
-geestes, aan zijn gemoed, aan zijn hart, aan het beste dat in hem
-<span class="pagenum" id="Page_156">[156]</span>
-is het zwijgen oplegge, en zichzelf alzoo verminke. Dit alleen
-mag altijd en zoo ook bij den beoefenaar der wetenschap worden
-geeischt, dat hij een goed, een waar mensch zij, een mensch Gods,
-tot alle goed werk, ook tot dit werk der wetenschap, bekwamelijk
-toegerust (verg. boven <a href="#Page_29">bl. 29</a>). Indien men echter de wetenschap
-zoowel in subjectieven als in objectieven zin beperkt, zal
-men niet anders verkrijgen dan dat toch langs andere wegen
-voorziening in het metaphysische Bedürfniss wordt gezocht. Kant
-sloeg den weg der practische Vernunft in, Comte voerde een dienst
-der menschheid in en wijdde zichzelf tot hoogepriester, Spencer
-buigt zich in ootmoed neer voor The Unknowable. Allen zoeken
-op de eene of andere wijze, tot in het spiritisme, de magie, de
-theosophie toe, vergoeding voor wat de wetenschap hun niet
-schenkt. En de religie met alle geestelijke kennis, eerst smadelijk
-ter voordeur uitgejaagd, wordt, maar dan menigmaal in superstitieusen
-vorm, wederom ter achterdeur ingelaten. Naturam
-expellas furcâ, tamen usque recurret. Het onvermijdelijk gevolg
-is dan alleen dit, dat de wetenschap onverdedigd en ongewapend
-overgelaten wordt aan het materialisme. Daartoe heeft feitelijk
-het empirisme ook geleid. Indien de inhoud en straks ook de
-intellectueele faculteit der ziel geheel en al uit de buitenwereld
-voortkomt, waarom zou dan ook de substantie der ziel ten slotte
-niet uit haar kunnen worden verklaard? Daartegenover staan
-echter nog altijd de „sieben Welträthsel” tot eene kwelling en
-eene ergernis voor het materialistisch denken. Het geestelijke is
-nog niet uit het stoffelijke verklaard, evenmin als het aan het
-rationalisme gelukt is, om het zijn af te leiden uit het denken.
-De overgang tusschen beide is niet gevonden. Hier is eene klove,
-die noch idealisme noch materialisme overbruggen kan. Het is
-zelfs niet gewaagd, hier niet alleen van een Ignoramus maar ook
-van een Ignorabimus te spreken. Maar als we zien hoe empirisme
-en rationalisme, trots de groote beloften en de nog grooter verwachtingen,
-in deze eeuw, op niets anders dan materialisme en
-illusionisme zijn uitgeloopen, en in weerwil van hun tegenstelling
-toch elkander bevorderd en in de hand gewerkt hebben —het
-idealisme van Hegel liep bij Feuerbach en Strauss op materialisme
-uit, en het materialisme gaat bij vele natuuronderzoekers
-weer in half of heel idealisme over,— dan is er in elk geval wel
-reden om te vragen, of er niet herziening noodig is van heel
-<span class="pagenum" id="Page_157">[157]</span>
-de nieuwere philosophie, zoowel in haar Cartesiaansche als in
-haar Baconische richting; of er niet andere en betere principia
-der wetenschap zijn, die ons voor materialisme en idealisme beide
-behoeden? Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, 6<sup>e</sup>
-Aufl. 1887, I 505 f. II 192 f. E. v. Hartmann, Naturwissenschaft
-u. Philosophie, Gesammelte Studien und Aufsätze, Berlin 1876,
-S. 421 f. E. L. Fischer, Die Grundfragen der Erkenntnisstheorie,
-Mainz 1887, S. 314 f. Schmid, Erkenntnisslehre, Freiburg 1890
-I 111 f. 243 f. II 13 f. Stöckl, Lehrb. der Philos. I 345 f.
-Paulsen, Einl. in die Philos. 394 f. Strümpell, Einl. in die Philos.
-75 f. W. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften, Leipzig,
-Duncker u. Humblot 1883. Emil du Roys-Reymond, Uber die
-Grenzen des Naturerkennens. Die sieben Welträthsel. Leipzig,
-Veit u. C. 1882. Pressensé, Les Origines, Paris Fischbacher 1883
-p. 1-128. P. Vallet, Le Kantisme et le Positivisme, Paris 1887.
-Gretillat, Exposé de théol. systém. I p. 42 s. D. Chantepie de
-la Saussaye, Leven en Rigting 1865. Id. Empirisch of ethisch
-(Ernst en Vrede. 1858 bl. 193 v.) enz.</p>
-
-<h4>C. Het Realisme.</h4>
-
-<p>6. Uitgangspunt der Erkenntnisstheorie behoort te zijn de
-gewone, dagelijksche ervaring, de algemeene en natuurlijke zekerheid
-des menschen aangaande de objectieviteit en waarheid zijner
-kennis. De philosophie schept toch het kenvermogen en het kennen
-niet, maar vindt het en beproeft het nu te verklaren; en elke
-solutie, die het kenvermogen niet verklaart maar vernietigt en
-het kennen niet begrijpt maar tot eene illusie maakt, is daardoor
-geoordeeld. Alleen zulk eene Erkenntnisstheorie heeft kans van
-slagen, die eenerzijds den bodem der ervaring niet verlaat maar
-andererzijds ook in heel de diepte van het probleem indringt,
-Prior homo, quam philosophus vel poeta, Tertull. de test. an 5.
-Primum vivere, deinde philosophari. De natuurlijke zekerheid is
-de onmisbare grondslag der wetenschap. Het wetenschappelijk
-weten is geen vernietiging maar eene zuivering, uitbreiding, voltooiing
-van het gewone weten, Kaftan, Die Wahrheit der Chr.
-Rel. Basel, 1889 S. 317 f. Ieder mensch toch neemt de betrouwbaarheid
-der zintuigen en het bestaan der buitenwereld aan,
-niet door een logisch besluit uit de werking, in casu de voorstelling
-<span class="pagenum" id="Page_158">[158]</span>
-in zijn bewustzijn, tot de oorzaak buiten zich, noch ook
-door eene redeneering uit den tegenstand, dien zijn wil ondervindt,
-tot eene objectieve realiteit welke dien tegenstand biedt;
-maar vóór alle reflectie en redeneering is elk van het reëel bestaan
-der wereld ten volle verzekerd. Deze zekerheid is niet uit een
-syllogisme geboren en steunt op geen bewijs, maar is onmiddellijk,
-spontaan met de waarneming zelve in mij ontstaande, niet product
-maar grondslag en uitgangspunt van alle andere zekerheid. Denn
-die ganze Welt der Reflexion ruht und wurzelt auf der <ins id="cor_22" title="auschaulichen">anschaulichen</ins>
-Welt, Schopenhauer, Welt als W. u. V. 6<sup>e</sup> Aufl. I 78.
-Alleen moet hierbij wel worden onderscheiden tusschen de zekerheid,
-die terstond met de actueele waarneming van een voorwerp
-gegeven is, en die, welke later, nadat de waarneming reeds lang
-voorbij is, uit de achtergebleven voorstelling volgt. Over de eerste
-wordt hier alleen gehandeld, en deze is geen besluit uit eene
-redeneering, maar onmiddellijk met de waarneming zelve in mij
-aanwezig. Cf. Ed. Zeller, Ueber die Gründe unseres Glaubens an
-die Realität der Aussenwelt 1884. E. L. Fischer, Die Grundfragen
-der Erkenntnisstheorie 1887 S. 392 f. Paulsen, Einl. in die Philos.
-385 f. Flügel, Die Probleme der Philosophie und ihre Lösungen,
-Cöthen, Schulze, 2<sup>e</sup> Aufl. 1888 S. 104 f. Schmid, Erkenntnisslehre
-1890 II 307 f. Land, Inl. tot de wijsbeg. bl. 97 v. enz.</p>
-
-<p class="sep2">7. Reeds dit ééne feit, de natuurlijke zekerheid aangaande
-de betrouwbaarheid der zintuigen en de realiteit der buitenwereld,
-bewijst dat er nog eene andere dan wetenschappelijke, demonstratieve
-zekerheid bestaat. De empiristen hebben dit ten onrechte
-ontkend. De ervaring leert alleen dat iets is, maar niet dat het
-zijn moet, leert ons alleen het toevallige, veranderlijke, de werkelijkheid
-kennen. Wij hebben echter ook algemeene, noodzakelijke
-waarheden, waarvan we niet door waarneming en redeneering,
-maar apriori zeker zijn. De meeste wijsgeeren hebben daarom
-naast de wetenschappelijke of middellijke ook nog eene metaphysische,
-intuitieve, onmiddellijke zekerheid aangenomen, ook wel
-eene zekerheid des geloofs, der evidentie genoemd. Aristoteles
-heeft het eerst duidelijk ingezien, dat de ἐπιστημη ter laatster
-instantie op onbewijsbare, evidente waarheden is gebouwd. Sommigen
-zooals Plato, Cartesius, Leibniz, Rosmini hebben dit onveranderlijk,
-eeuwig karakter der waarheid zoeken te verklaren door
-<span class="pagenum" id="Page_159">[159]</span>
-de leer der aangeboren ideeën, cf. Spruyt, Proeve van eene gesch.
-van de leer der aangeb. begrippen, Leiden 1879. Maar deze leer
-rust op een onhoudbaar dualisme van subject en object, maakt
-den menschelijken geest onafhankelijk van den kosmos, is in
-beginsel rationalistisch en leidt logisch en ook historisch tot het
-absolute idealisme. Dit was de reden, waarom de leer der ideae
-innatae eenparig door de scholastieke en ook door de Geref. theologen
-verworpen werd, Spruyt ib. 57-60. Frohschammer, Die
-Philosophie des Thomas von Aquino, Leipzig, Brockhaus 1889
-S. 44 f. Liberatore, Die Erkenntnisstheorie des H. Thomas v.
-Aquin, deutsch von Eugen Franz, Mainz 1861 S. 130 f. Polanus,
-Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III 636 sq. Voetius bestrijdt
-de leer van Cartesius opzettelijk in zijne Disput. Sel. V
-477-525. Zij namen zelfs de empiristische stelling over: nihil
-est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, en spraken van
-den mensch vóórdat hij waarneemt als van eene tabula rasa, in
-qua nihil scriptum est, Thomas S. Theol. I qu. 79 art. 2. Voetius,
-Disp. V 459, 525. En dit handhaafden ze, omdat de mensch
-in onderscheiding van de engelen lichamelijk is, zijn lichaam
-geen kerker is maar tot zijne natuur behoort en hij door dat
-lichaam aan den kosmos gebonden is, Thomas ib. I qu. 84 art.
-3. qu. 85 art. 1. Voetius ib. V 483. Zij hebben dus eenerzijds
-het rationalisme zoo beslist mogelijk verworpen, niet alleen in den
-vorm van de aangeboren begrippen, waarin het door Plato, Cartesius,
-Leibniz werd geleerd, maar ook in dien van de aangeboren
-vormen, waarin het bij Kant, en in dien van de aangeboren idee
-des zijns, waarin het bij Rosmini en de ontologisten optrad. Maar
-aan den anderen kant mogen de bovengenoemde uitdrukkingen
-toch niet in den zin van Locke’s empirisme worden verstaan.
-Als Thomas den menschelijken geest eene tabula rasa noemt, dan
-wil hij daarmede geenszins ontkennen, dat toch ipse intellectus
-hem aangeboren is. Leibniz voegde aan de spreuk nihil est in
-intellectu quod non prius fuerit in sensu, de beperking toe nisi
-ipse intellectus. Thomas drukt zich nog juister uit: species aliorum
-intelligibilium non sunt ei innatae, sed essentia sua sibi innata
-est, ut non eam necesse habeat a phantasmatibus acquirere, qu.
-de mente art. 8 ad 1 cf. Liberatore, ib. 144. En Voetius verklaart
-de bovengenoemde spreuk alzoo, dat daarmede niet uitgesloten
-wordt, dat het intellect in de zinnelijk waargenomen wereld
-<span class="pagenum" id="Page_160">[160]</span>
-ook het eeuwige en onveranderlijke, bijv. in de werken der natuur
-ook haar auteur, n.l. God opmerken en kennen kan. En dit is
-dan ook de eigenlijke gedachte van hunne Erkenntnisstheorie: de
-menschelijke geest is niet bij machte en in elk geval niet in de
-gelegenheid, om buiten de zinnelijke wereld om, uit eigen fonds,
-met eigen middelen, de kennis der dingen, ook niet de kennis der
-principia aeterna, κοιναι ἐννοιαι voort te brengen. Hij is van
-huis uit aan het lichaam en hierdoor aan den kosmos gebonden,
-en daarom kan ook de intellectus tot geene werkzaamheid komen
-dan door en op grond van den sensus. De intellectus is bij den
-aanvang zuivere potentia, tabula rasa, zonder eenigen inhoud, en
-wordt eerst van buiten door de zinlijke wereld tot werkzaamheid,
-tot actualiteit opgewekt. De stoot gaat dus van de zinlijke wereld
-uit; deze werkt in op den menschelijken geest, roept hem wakker,
-en dringt hem tot actie. Maar zoodra de intellectus werken gaat,
-werkt hij terstond en vanzelf ook op zijne eigene wijze en naar
-zijn eigen aard. En de natuur van den intellectus bestaat daarin,
-dat hij de vis, facultas, inclinatio, aptitudo bezit, om in en met
-de waarneming terstond, vanzelf, onwillekeurig, sine ullo labore,
-sine praevio studio, sine ratiocinatione die grondbegrippen en
-grondbeginselen te vormen, welke apriori, vóór elke redeneering
-en vóór alle bewijs vaststaan, en daarom veritates aeternae verdienen
-te heeten. Zoo voelt het denken zelf, zoodra het werken
-gaat, vanzelf zich aan de wetten van het denken gebonden; in
-het denken zelf liggen de wetten van het denken opgesloten en
-komen ze voor den dag. Zoo leert ons de ervaring, wat een deel
-en wat een geheel is, maar het intellect begrijpt terstond, dat
-een geheel grooter is dan zijn deel. Zoo leert ons de ervaring,
-wat goed en wat kwaad is, maar de intellectus practicus weet
-onmiddellijk, dat het eene gedaan en het andere moet nagelaten
-worden. Dit wil niet zeggen, dat ieder mensch nu ook van deze
-grondbegrippen en grondbeginselen zichzelf of anderen duidelijk
-rekenschap kan geven; maar ieder mensch, ook de eenvoudigste,
-past deze grondbegrippen en grondbeginselen toch, zonder eenige
-wetenschappelijke reflectie, onbewust en met de meeste zekerheid
-in het leven toe. Het verschil tusschen deze leer van het kenvermogen
-en die van het rationalisme en empirisme is in deze
-twee gelegen: ten eerste in eene eigenaardige opvatting van den
-intellectus, die eene eigene natuur meebrengt en dienovereenkomstig
-<span class="pagenum" id="Page_161">[161]</span>
-ook op eene eigene wijze werken gaat, en ten tweede daarin,
-dat deze intellectus, alzoo werkende naar zijn eigene natuur, toch
-niet anders doet, dan dat logische uit de waargenomen dingen
-abstraheeren, dat er van nature ook in die dingen verborgen ligt.
-Het rationalisme dwingt als het ware de dingen, om zich te
-richten naar het intellect, past ze in vormen waarvan het niet
-weet of zij er aan passen, construeert de wereld naar een spel
-van begrippen. Het empirisme dwingt den geest, om zich te
-richten naar de zinnelijke wereld, kortwiekt hem in zijne ideale
-vlucht, en verklaart hem ten slotte zelf uit de stof. Maar de
-Erkenntnisstheorie, die allengs in de christelijke theologie is
-opgekomen en in grondtrekken het eerst door Augustinus is uitgedacht,
-handhaaft beide, de vrijheid en de gebondenheid van
-den menschelijken geest; de vrijheid om optestijgen tot de wereld
-van het ideale, de gebondenheid waardoor hij ook in deze zijne
-vlucht de wereld der realiteit niet onder de voeten verliest.</p>
-
-<p class="sep2">8. Het uitgangspunt van alle kennis bij den mensch is dus
-de zinnelijke waarneming. Οὐδε νοει ὁ νους τα ἐκτος μη μετ’
-αἰσθησεως ὀντα, Arist. de sensu c. 6, Zeller Philos. d. Gr. III
-198. Omnis cognitio intellectualis incipit a sensu, Thomas S. Theol.
-I. qu. 84 art. 1 en 7. Intellectus noster nihil intelligit sine phantasmate,
-id. C. Gent. III 41. En alle christelijke theologen waren
-van dezelfde gedachte. De fout der scholastiek, zoo bij Protestanten
-als Roomschen, lag alleen hierin, dat zij met de waarneming
-veel te vroeg klaar was en ze schier volledig, op ieder
-terrein van wetenschap, in de boeken van Euclides, Aristoteles,
-de kerkvaders, de confessie opgenomen en neergelegd dacht. In
-die meening liet men de waarneming na en begon in eens met
-de reeds verkregen begrippen, Spruyt, Proeve 36. Daarom kon
-het haast eene ontdekking heeten, toen Bacon tot de zinnelijke
-waarneming als tot de eenige bron der kennis terugkeerde.
-Toch was het geen ontdekking, maar wel eene noodzakelijke
-verfrissching voor de wetenschap, want deze moet altijd weer
-tot de bronnen terug. Niet uit boeken, maar uit de werkelijke
-wereld moet de waarheid geput. Aanschouwing is de bron van
-alle echte wetenschap. Die Anschauungen sind die Kontanten,
-die Begriffe die Zettel, Schopenhauer, Die Welt u. s. w. 6<sup>e</sup> Aufl.
-II 76 cf. 76-98. Bij deze zinnelijke waarneming nu heeft ieder
-<span class="pagenum" id="Page_162">[162]</span>
-zintuig zijn eigen aard en zijne eigene taak; elk zoekt in de verschijnselen
-het verwante op, de tastzin doet ons de mechanische,
-smaak en reuk doen ons de chemische eigenschappen kennen, het
-gehoor ontsluit ons de wereld der tonen en het gezicht die der
-kleuren, Arist. bij Zeller, Philos. d. Gr. III 533 f. Thomas, S.
-Theol. I qu. 78 art. 3. Schopenhauer, Die Welt u. s. w. II
-30-36. Land, Inleiding 63 v. Bilderdijk, Taal-en Dichtk. Verscheidenheden,
-1821 II 39 v. Verhandelingen, ziel-, zede- en
-rechtsleer betreffende 1821 bl. 12 v. Brieven V 48. De zintuigen
-nemen dus ieder voor zichzelf niet het geheele voorwerp waar,
-maar slechts bepaalde eigenschappen aan dat voorwerp. Het waarnemingsbeeld,
-dat in ons bewustzijn ontstaat, is saamgesteld
-uit vele verschillende indrukken, die door de verschillende zintuigen
-ontvangen, langs de zenuwdraden in onze hersens overgeplant,
-daar op eene onverklaarbare wijze in gewaarwordingen
-omgezet, en tot een geheel verbonden worden. Er zijn geen eenvoudige
-gewaarwordingen, ze zijn alle reeds uit verschillende
-andere samengesteld; elk voorwerp dat we zien, elke toon dien
-we hooren is reeds een complex van waarnemingen. De menschelijke
-geest is daarom bij de eenvoudigste waarnemingen reeds
-actief; hij is geen tabula rasa, waarop de buitenwereld slechts
-schrijft wat ze wil, geen spiegel, waarin het voorwerp zich eenvoudig
-weerkaatst. Maar elk waarnemingsbeeld is in ’t bewustzijn
-zelf gevormd uit de factoren, die door de verschillende zintuigen
-uit het voorwerp worden aangebracht. Daarom is de vraag van
-zoo groot belang, wat de verhouding is tusschen het waarnemingsbeeld,
-de voorstelling (φαντασια, φαντασμα, species sensibilis,
-perception, <ins id="cor_23" title="Vorstelling">Vorstellung</ins>) in ons bewustzijn en de werkelijkheid,
-het voorwerp, buiten ons. De Grieksche philosophie ging over
-het algemeen uit van de gedachte, dat gelijk slechts door gelijk
-kon worden gekend; φασι γαρ γιγνωσκεσθαι το ὁμοιον τῳ ὁμοιῳ,
-Arist. de an. I 2. Sommigen leidden daaruit af, dat de ziel des
-menschen uit dezelfde elementen en atomen moest bestaan als
-de werkelijke wereld, en dat er bij de waarneming stoffelijke
-atomen uit de voorwerpen indrongen in de ziel. Aristoteles echter
-vatte dit zoo op, dat de ziel niet actueel maar potentieel al het
-gedachte is —ἡ ψυχη τα ὀντα πως ἐστι παντα, de an. III, 8— en
-dat de voorwerpen door waarneming en denken eene ideale
-existentie in de ziel verkregen. De scholastiek nam dit over en
-<span class="pagenum" id="Page_163">[163]</span>
-zei: cognitum est in cognoscente per modum cognitionis, non
-per modum cogniti, d. i. de dingen gaan niet zelve in de ziel
-over, maar alleen hun beeld, hun vorm, εἰδος, forma, species,
-similitudo, Thomas S. Theol. I qu. 75. I 2 qu. 5 art. 5. II 2
-qu. 23 art. 6 ad 1. S. c. Gent. I 77 II 77, 98. Er is dus eenerzijds
-een wezenlijk verschil tusschen het ding en zijne voorstelling,
-want het eerste is buiten ons, heeft daar een reëel bestaan, maar
-de tweede bestaat in ons en heeft slechts eene ideale existentie.
-Maar er was andererzijds toch ook eene volkomene overeenstemming;
-de voorstelling is een beeld, eene getrouwe ideale reproductie
-van het voorwerp buiten ons. De nieuwere philosophie
-echter, lettende op de activiteit van ’s menschen bewustzijn bij
-het vormen der waarnemingsbeelden, heeft tusschen ding en
-voorstelling eene hoe langer hoe breedere klove gegraven. De
-waarnemingsbeelden zijn geen species, formae, maar hoogstens
-nog teekens, symbolen, diagrammen van de buitenwereld, vrij
-in onzen geest gevormd naar aanleiding van de wijzigingen die
-van buiten door de zintuigen en zenuwen heen in onze hersencellen
-worden aangebracht. Indien dit zoo is, verdwijnt de objectieve
-wereld steeds verder uit ons gezicht, ze lost zich op in
-schijn; want eene controle van het waarnemingsbeeld aan de
-werkelijkheid is daarom onmogelijk, wijl we haar nimmer benaderen
-kunnen, en het waarnemingsbeeld altijd tusschen haar
-en ons zich inschuift, Land, Inleiding 71, en de vroeger aangeh.
-litt. De dwaling, die aan deze theorie ten grondslag ligt, schijnt
-deze te zijn, dat het eigenlijk voorwerp van onze waarneming
-niet het ding buiten ons, maar een of andere indruk of trilling
-van onze zenuwen in ons zou zijn. Nu is het zeker waar, dat er
-geen voorstelling in ons bewustzijn gevormd kan worden, zonder
-dat er trillingen in de zenuwen naar onze hersencellen worden
-overgeplant. Maar ook het beeld, dat op het netvlies van het
-oog geworpen wordt, noch de wijzigingen in de hersencellen ten
-gevolge van de zenuwtrillingen zijn de oorzaak, waaruit de gewaarwording
-en voorstelling in ons bewustzijn ontstaat. Alle psychometrische
-onderzoekingen, hoe belangrijk ook, hebben ons ter
-verklaring van dit wonderbaar verschijnsel geen stap nader gebracht.
-Wij staan hier voor een, naar het schijnt, onoplosbaar
-raadsel. De zenuwtrillingen kunnen tot in het centrum der hersens
-worden nagegaan, haar sterkte en snelheid kan worden berekend;
-<span class="pagenum" id="Page_164">[164]</span>
-maar de voorstelling, die daarna in ons bewustzijn ontstaat, is
-toto genere daarvan verschillend. Zij is een psychische, geestelijke
-acte, uit physische verschijnselen, gelijk de zenuwtrillingen zijn,
-nooit te verklaren. Zoo kunnen dan de voorstellingen geen producten
-zijn, die door de zenuwtrillingen ons zelf onbewust in
-ons bewustzijn worden voortgebracht. En zij kunnen ook geen
-bewuste scheppingen zijn van onzen geest, naar aanleiding van
-de wijzigingen in onze hersencellen, om de eenvoudige reden,
-dat niemand van heel dit proces der zenuwtrillingen ook maar
-iets bij de waarneming weet, en eerst door opzettelijk physiologisch
-onderzoek daarvan kennis krijgt. Daar komt nog bij, dat
-de zenuwtrillingen en wijzigingen in de hersencellen soms wel,
-bij het zien zonder opmerken, bij het hooren zonder verstaan
-enz. geheel en zuiver mechanisch toegaan, maar dat ze toch bij
-het eigenlijk waarnemen altijd reeds van een psychische akte
-vergezeld zijn. Het gaat niet zoo, dat de zenuwtrillingen eerst
-in onze hersens worden overgebracht, en dat eerst daarna het
-bewustzijn ontwaakt en uit die wijzigingen in de hersencellen de
-voorstelling vormt; maar de waarneming zelve door de zintuigen
-is een akte van het bewustzijn. Het is de geest des menschen,
-die ziet door het oog en hoort door het oor. Voorwerp van de
-waarneming is dus niet eenig verschijnsel in mij, maar het ding
-buiten mij. Dezelfde geest, die het voorwerp ziet, is het ook,
-die de voorstelling vormt. Beide zijn psychische akten. Daarom
-is er ook geen reden tot twijfel, dat wij in de voorstellingen
-eene getrouwe, ideale reproductie hebben van de voorwerpen
-buiten ons. Daarbij is het tot op zekere hoogte onverschillig, of
-wij de voorstellingen εἶδη, species, formae, teekens, symbolen
-enz. van de dingen noemen; want ook deze woorden zijn beelden,
-en voor het meerendeel aan de gezichtswaarneming ontleend.
-Indien maar vaststaat, dat de voorstellingen in haar geheel en
-in haar deelen getrouwe vertolkingen zijn van de wereld der
-werkelijkheid buiten ons.</p>
-
-<p class="sep2">9. Maar bij deze voorstellingen blijft de menschelijke geest
-niet staan. Wetenschappelijke kennis komt niet voort uit de zintuigen
-maar uit het verstand. Niet de loutere waarneming, maar
-het ernstig nadenken over de waargenomen verschijnselen hebben
-Kopernikus tot den vader der astronomie en Newton tot den
-<span class="pagenum" id="Page_165">[165]</span>
-ontdekker der zwaartekracht gemaakt. Het waarnemen van verschijnselen
-is noodig en goed, maar het is niet het eenige en
-het hoogste. Object van de wetenschap is niet het bijzondere
-maar het algemeene, het logische, de idee. De Grieksche philosophie
-heeft dit reeds ingezien. Socrates was de eerste, die de
-idee van het weten met bewustheid indacht en tot beginsel maakte
-van zijne philosophie; wetenschap is kennis, niet van den schijn,
-maar van het wezen der dingen, Xenophon, Memor. IV, 6.1.
-Plato onderscheidde tusschen δοξα, welke tot inhoud had het
-gewone, empirische weten, en ἐπιστημη, die het waarlijk zijnde
-der dingen tot inhoud had, Rep. V 476 D-478 D. Sympos.
-202 A enz. En Aristoteles omschreef wetenschap in denzelfden
-zin als kennis του ὀντος, του καθολου, των πρωτων αἰτιων
-και ἀρχων (plaatsen bij Zeller, Philos. d. Gr. III 161 f). Vooral
-Augustinus heeft deze intellectueele kennis op den voorgrond
-gesteld. Hij verwerpt de kennis door de zintuigen niet, hij verdedigt
-hare waarheid tegen de Academici in een afzonderlijk
-geschrift, en erkent dat wij de invisibilia Dei verstaan per ea
-quae facta sunt, de Gen. ad. litt. 4,32. Maar hij onderschat
-toch hare waarde, evenals Plato; het zinrijke geeft slechts δοξα,
-c. Acad. 3,26, het is de waarheid zelve niet, het is er maar
-een beeld van, Solil. 2,32. De kennis der natuur is zonder
-waarde, nihil prodest, Conf. 5,7. 10,55. Enchir. 3,5. Er zijn
-eigenlijk maar twee dingen, die het belangrijk is te kennen,
-God en onszelven: deum et animam scire cupio. Nihilne plus?
-Nihil omnino, Solil. 1,7. En deze kennis verkrijgt hij niet door
-naar buiten, maar door naar binnen te zien; noli foras ire, in
-te ipsum redi, in interiore homine habitat veritas, de vera relig.
-c. 39 n. 72; niet door de zinnelijke waarneming maar door het
-denken; aliud est sentire, aliud nosse, de ord. 2,5. cf. Solil.
-2,33. De scholastiek, zich nauwer aansluitend aan Aristoteles,
-heeft de waarde der zinnelijke waarneming beter ingezien, maar
-toch ook de beteekenis van den intellectus voor de wetenschap
-ten volle erkend. Thomas drukte dit kort en duidelijk aldus uit,
-scientia non est singularium, S. Theol. I qu. 1 art. 2, intellectus
-est universalium, S. c. Gent. I c. 44. Wetenschap heeft tot object
-het algemeene en noodzakelijke, S. Theol. I qu. 14 art. 13 ad 3.
-I qu. 84 art. 1 ad 2. I qu. 86 art. 1 en 3, en kan daarom alleen
-door den intellectus worden verschaft. Want terwijl de zinnelijke
-<span class="pagenum" id="Page_166">[166]</span>
-waarneming de dingen beschouwt quantum ad exteriora ejus
-accidentia, is het juist het eigenaardige van den intellectus, dat
-hij doordringt ad interiora rei, S. c. Gent. I 58. III 56. IV 11,
-penetrat ad essentiam rei, S. Theol. II. 2 qu. 8 art. 1. Zijn eigenlijk
-object is de quidditas rei materialis, S. Theol. I qu. 85 art. 5
-ad 3. Het verstand n.l. maakt als intellectus agens, dat is als
-abstractievermogen, gelijk wij het noemen zouden, uit de zinnelijke
-voorstellingen het algemeene los; het laat het bijzondere
-eruit wegvallen, het schijnt er als een licht over henen, maakt
-ze intelligibel, laat het algemeene eruit kenbaar worden, en neemt
-dan als intellectus possibilis, d. i. als intellectueel kenvermogen,
-dat algemeene in zich op en maakt het tot eigendom van den
-geest, S. Theol. I qu. 79 art. 3 en 4. I qu. 84 art. 6. S. c.
-Gent. II 76.77. III 45.</p>
-
-<p>Nu is er eigenlijk hierover nog geen verschil, dat niet de
-zinlijke waarneming maar het verstand het orgaan der wetenschap
-is. Ook het empirisme heeft dit niet ontkend. Bacon, Hume,
-St. Mill erkennen ten volle, dat de zinnelijke waarneming wel
-het eerste maar niet het eenige is en dat het verstand door inductie
-het algemeene uit het bijzondere tracht af te leiden. Het
-was Bacon juist te doen om eene betrouwbare methode, waarnaar
-uit bijzondere waarnemingen algemeen-geldige oordeelen
-konden gevormd worden. Maar bij de begrippen, die het verstand
-uit de voorstellingen vormt, komt met dubbelen ernst de vraag
-terug, die boven reeds bij de waarnemingsbeelden werd gedaan:
-wat is de verhouding tusschen deze begrippen des verstands en
-de wereld der werkelijkheid? En hier gaan Nominalisme en Realisme
-uiteen. Beide richtingen komen in het wezen der zaak reeds
-voor in de Grieksche philosophie. Plato en Aristoteles waren
-realisten, zij het ook met onderscheid; en de eigenlijke gedachte
-van het nominalisme vinden we reeds o. a. bij den cynischen
-wijsgeer Antisthenes, die de realiteit der algemeene begrippen
-ontkende en tegen Plato zei: ἱππον μεν ὁρῶ, ἱπποτητα δε οὐχ
-ὁρω, Zeller, Philos. der Gr. II<sup>4</sup> 295, en bij de Stoische wijsgeeren,
-die de ἐννοηματα, de gedachten, slechts hielden voor
-φαντασματα διανοιας, ib. IV<sup>3</sup> 79. 125. In de Middeleeuwen
-werd deze opvatting van de algemeene begrippen vernieuwd en
-kreeg ze den naam van nominalisme. Roscellinus was van oordeel,
-dat de algemeene begrippen slechts flatus vocis waren, Gedankendinge,
-<span class="pagenum" id="Page_167">[167]</span>
-waaraan geen realiteit beantwoordt; in de werkelijkheid
-zijn er geen algemeene maar slechts bijzondere, individueele
-dingen, is er geen menschheid maar zijn er alleen menschen enz.
-De strijd tusschen realisme en nominalisme duurde tot de 15<sup>e</sup> eeuw
-voort. Cf. A. Stöckl, Gesch. der Philos. des Mittelalters. 3 Bde
-Mainz 1864-66 I 135 f. II 986 f. Hauréau, De la philosophie
-scolastique, 2 vol. Paris 1850. Schwane, Dogmengeschichte der
-mittl. Zeit. Freiburg 1882 S. 4 f. Voorts geschiedenis der dogmen
-van Bach, Thomasius, Münscher, Baur, Harnack enz., gesch.
-der philos. van Ueberweg, Erdmann, Windelband enz. A. Pierson,
-De realismo et nominalismo 1855. Id. Gesch. van het R.-Katholic.
-III 1871 bl. 53 v. 87 v. 183 v. Spruyt, Proeve 66 v. Maar
-ook daarna is de kwestie niet uit de philosophie geweken. Het
-geschil tusschen realisme en nominalisme is geen twistpunt van
-scholastieke spitsvondigheid, maar van diepingrijpende beteekenis.
-Het nominalisme is in nieuwen vorm als empirisme weer in de
-nieuwere philosophie te voorschijn getreden, Spruyt, Proeve passim.
-Hugo Spitzer, Nominalismus <ins id="cor_24" title="and">und</ins> Realismus in der neuesten
-deutschen Philosophie mit Berücksichtigung ihres Verhältnisses
-zur modernen Naturwissenschaft. Leipzig 1876. Janet, Traité
-élémentaire de philos. Paris, Delagrave 1887 p. 162 s. Land,
-Inleiding 107 v. Pierson, Wijsgeerig Onderzoek. Deventer, ter
-Gunne 1882 bl. 200 v. Indien nu het nominalisme het recht
-aan zijne zijde heeft, is het met alle wetenschap gedaan. Want
-één van beide: indien wij de overeenstemmende kenmerken van
-eene groep van dingen in een begrip en woord kunnen samenvatten,
-dan geschiedt dit òf zonder grond en vertegenwoordigen
-die woorden en begrippen geen waarde in de werkelijkheid; òf
-de dingen gelijken in de werkelijkheid aan elkaar en hebben
-gemeenschappelijke kenmerken. In dit geval zijn de begrippen
-echter geen ledige Gedankendinge, maar de som van wezenlijke
-eigenschappen der dingen, en dus geen nomina maar res. Daarom
-had dan ook het realisme zonder twijfel gelijk, als het de realiteit
-der algemeene begrippen aannam, niet in platonischen of ontologischen
-zin ante rem, maar in aristotelischen zin in re, en
-daarom ook in mente hominis post rem. Het algemeene, dat wij
-in het begrip uitdrukken, bestaat niet juist zóó, als universale,
-buiten ons (cf. boven <a href="#Page_23">bl. 23</a>); maar in ieder exemplaar der soort
-bijzonderlijk geïndividualiseerd en gespecialiseerd, heeft het toch
-<span class="pagenum" id="Page_168">[168]</span>
-zijn grond in de dingen en wordt daaruit door de werkzaamheid
-van het verstand geabstraheerd en uitgedrukt in een begrip,
-Thomas, S. Theol. I qu. 85 art. 2 ad 2. S. c. Gent. I 65. Met
-de begrippen verwijderen we ons dus niet van de werkelijkheid,
-maar naderen haar hoe langer hoe meer. Het schijnt wel, dat
-we, begrippen en oordeelen en besluiten vormende, hoe langer
-hoe meer den vasten grond onder het gebouw onzer kennis verliezen
-en hoog gaan zweven in de lucht. Het lijkt vreemd en
-wonderlijk, dat we, de voorstellingen omzettende in begrippen
-en deze weer verwerkende naar de wetten van het denken, uitkomsten
-verkrijgen, die in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.
-En toch wie deze overtuiging prijsgeeft, is verloren,
-Land, Inleiding bl. 250. Maar die overtuiging kan dan ook alleen
-rusten in het geloof, dat het eenzelfde Logos is, die èn de werkelijkheid
-buiten ons èn de wetten van het denken in ons schiep,
-en die beide in organisch verband zette met en correspondeeren
-liet op elkaar. Zoo alleen is er wetenschap mogelijk, d. i. kennis
-niet slechts van den wisselenden schijn maar van het algemeene,
-van het logische in de dingen. Zeker, het zijn zelf der dingen,
-hun existentie, blijft buiten ons; nooit gaan de dingen zelve
-realiter in ons in; het zijn is dus nimmer door ons te benaderen,
-het is een factum dat aanvaard moet worden en dat den grondslag
-van het denken uitmaakt. Maar in zoover de dingen ook
-logisch bestaan, uit gedachte zijn voortgekomen en in gedachte
-rusten Joh. 1:3, Col. 1:15, zijn ze ook begrijpbaar en denkbaar
-voor den menschelijken geest.</p>
-
-<p class="sep2">10. Plato helderde dit proces der wetenschap op door een
-schoon en treffend beeld. Gelijk de zon objectief het voorwerp
-en subjectief ons oog verlicht, zoo is God of de idee van het
-goede het licht, waardoor de waarheid, het wezen der dingen,
-zichtbaar wordt en tevens onze geest die waarheid aanschouwen
-en erkennen kan, cf. Siebeck, Geschichte der Psychologie, I Theil,
-2 Abth. Gotha, Perthes 1880, ’84 I 226. Aristoteles, ib. II 70.
-Augustinus nam dit beeld over: God is de zon der geesten. In
-het onveranderlijk licht der waarheid ziet en oordeelt onze geest
-over alles, in ipsa incommutabili veritate mens rationalis et
-intellectualis intuetur, eaque luce de his omnibus judicat, de
-Gen. ad litt. L. 8 cap. 25. Zooals wij met het lichamelijk oog
-<span class="pagenum" id="Page_169">[169]</span>
-niets kunnen zien, als de zon haar licht er niet over verspreidt,
-zoo kunnen wij ook geen waarheid zien dan in het licht Gods,
-die de zon onzer kennis is, Solil. I c. 8, 13, de Trin. 12 c. 15.
-Deus intelligibilis lux, in quo et a quo et per quem intelligibiliter
-lucent, quae intelligibiliter lucent omnia. Thomas spreekt
-meermalen op dezelfde wijze, en bezigt dezelfde gelijkenis, S.
-Theol. I qu. 12 art. 11 ad 3, qu. 79 art. 4, qu. 88 art. 3 ad 1.
-II 1 qu. 109 art. 1 ad 2. S. c. Gent. 3 c. 47. Alleen wees
-Thomas erop, dat dit niet pantheïstisch mocht worden verstaan,
-gelijk Averroes onder neoplatonischen invloed leerde en daarin
-later door Malebranche en de ontologistische school gevolgd
-werd. Gelijk we, zegt Thomas, in het natuurlijke zien, niet
-door zelf in de zon te zijn, maar door het licht der zon dat
-ons bestraalt, zoo zien wij ook de dingen niet in het goddelijk
-wezen, maar door het licht dat van God in onzen eigen intellectus
-schijnt. De rede in ons is dat goddelijk licht, zij is niet
-de goddelijke logos zelf, maar heeft daaraan deel. Gode komt
-toe het esse, vivere, intelligere per essentiam, ons per participationem
-S. Theol. I qu. 79 art. 4. Dit beeld van de zon bracht
-er toe, om in gezonden zin te spreken van het natuurlijk licht
-der rede, cf. Polanus Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III
-636 sq., waaronder dan niets anders verstaan werd dan die permanente
-eigenschap of kracht van den menschelijken geest, waardoor
-hij in staat gesteld wordt, terstond bij de eerste waarnemingen
-die grondbegrippen en grondbeginselen te vormen, welke hem
-verder bij alle waarneming en denken leiden. Het licht der rede
-is alzoo in de eerste plaats gelijk aan den intellectus agens, aan
-het abstractievermogen, dat over de voorwerpen schijnt en het
-intelligibile daaruit te voorschijn doet treden en voorts aan dat
-fonds van κοιναι ἐννοιαι, dat onze geest juist door het vermogen
-der abstractie zich eigen maakt. Maar in beiderlei zin is dat
-licht aan God, of meer bepaald aan den Logos te danken, Ps. 36
-vs. 10, Joh. 1:9. Hij is het, die dit licht in ons doet opgaan
-en voortdurend onderhoudt. En zoo is het dan niet aan den
-mensch, die maar instrument is, maar aan God te danken, als
-door de stralen van dat licht de waarheid zich voor onzen geest
-onthult, Liberatore, Die Erkenntnisslehre des h. Thomas v. A.
-185 f. Kleutgen, Die Philosophie der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. Innsbrück
-1878 I 89 f.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_170">[170]</span>
-Deze schoone beeldspraak maakt ons duidelijk, welke de principia
-zijn, waaruit alle wetenschap voortkomt. Niet alleen in de
-theologie, gelijk de vorige §&nbsp;ons deed zien, maar in elke wetenschap
-zijn er drie principia te onderscheiden. Ook hier is God
-het principium essendi; in zijn zelfbewustzijn liggen de ideeën
-aller dingen; alle dingen berusten op gedachten en zijn geschapen
-door het woord. Maar het is zijn welbehagen, om van deze
-cognitio archetypa in zijn goddelijk bewustzijn eene ectypische
-kennis over te brengen in den mensch, die naar zijn beeld is
-gemaakt. Maar dat doet Hij, niet door ons de ideeën in zijne
-essentia te laten aanschouwen (Malebranche), noch ook door ze
-ons alle reeds bij de geboorte mede te geven (Plato, leer der
-ideae innatae), maar door ze in de werken zijner handen uittespreiden
-voor des menschen geest. De wereld is eene belichaming
-van gedachten Gods; zij is een schoon boek, in hetwelk alle
-schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de
-onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven; zij is geen schrijfboek,
-waarin wij naar de voorstelling der idealisten de woorden
-zouden hebben in te vullen, maar een leesboek, waaruit God
-ons kennen doet wat Hij er voor ons in neergeschreven heeft.
-De geschapene wereld is dus het principium cognoscendi externum
-van alle wetenschap. Maar dat is niet genoeg. Om te zien
-is een oog noodig. Wär’ nicht das Auge sonnenhaft, wie könnten
-wir das Licht erblicken? Er moet correspondentie, verwantschap
-zijn tusschen object en subject. Dezelfde Logos, die schijnt in
-de wereld, moet zijn licht ook laten stralen in ons bewustzijn.
-Dat is de intellectus, de ratio, die, zelf uit den Logos afkomstig,
-den Logos in de dingen ontdekt en erkent. Zij is het principium
-cognoscendi internum. Sicut scientia in nobis est sigillatio rerum
-in animabus nostris, ita e converso formae non sunt nisi quaedam
-sigillatio divinae scientiae in rebus, Thomas, bij Liberatore, Die
-Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aq. S. 148. Zoo is het dan
-God alleen, die uit zijn goddelijk bewustzijn de kennis der
-waarheid door de schepselen heen inbrengt in onzen geest; de
-Vader, die door den Zoon in den Geest zich aan ons openbaart.
-Multi dicunt: quis ostendet nobis bona? Signatum est super nos
-lumen vultus tui, Domine!</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<div class="pagenum" id="Page_171">[171]</div>
-
-<h3>§&nbsp;8. <span class="smcap">Principia in de religie.</span></h3>
-
-<h4>A. Wezen der religie.</h4>
-
-<p>1. Evenals de wetenschap heeft ook de religie hare principia.
-Om deze te leeren kennen, is het allereerst noodig, het wezen
-der religie te bepalen, vooral ook in onderscheiding van wetenschap
-en kunst. De naam religie geeft weinig licht. Cicero, de
-nat. deor. 2, 28, leidt het woord af van relegere, herlezen, nog
-eens overdoen, nauwkeurig waarnemen, en duidt daarmede de
-religie aan als een voortdurend en ijverig in acht nemen van al
-wat op de vereering der goden betrekking heeft, cf. de invent.
-2, 22 en 53. Lactantius, Instit. divin. 4, 28, verklaart het uit
-religare en verstaat dus onder religie den band, die den mensch
-aan God verbindt. Eene derde afleiding, van relinquere, komt
-bij Gellius, Noct. Att. 4, 9, voor en wijst aan, dat al wat tot
-de religie behoort, wegens zijne heiligheid van het ongewijde is
-afgezonderd. Augustinus, de civ. Dei 10, 4, brengt het eenmaal
-in verband met re-eligere: in de religie kiezen we God, dien we
-door de zonde hadden verloren, weder terug als de bron onzer
-zaligheid. J. C. Leidenroth, Neue Jahrb. für Philologie und
-Pädagogik von Seebode, Jahn und Klotz 1834 S. 455, neemt
-op grond daarvan dat de drie verba diligere, negligere en intelligere
-een ander perfectum hebben dan lego en zijne composita,
-een verloren stam ligere aan, sanscr. lok, gr. λευσσειν, duitsch
-lugen, eng. look, cf. lucere, met de beteekenis van zien; diligere
-zou dan beteekenen met liefde aanzien, negligere niet zien,
-intelligere inzien; en daarvan zou dan ook religere, terugzien en
-religio, het met vreeze omzien, cf. respectus, gekomen zijn. De
-afleiding van religare, relinquere, re-eligere stuit op grammatisch
-bezwaar en verklaart ook niet de eigenaardige beteekenissen, die
-religio in ’t latijn bezit. Tusschen de afleiding van Cicero en van
-Leidenroth is het pleit nog niet beslist; maar zakelijk komen
-beide hierin overeen, dat religio den godsdienst aanduidt als eene
-gezindheid van schuwe vrees tegenover de Godheid en als eene
-daaruit voortvloeiende angstig-nauwgezette waarneming van wat
-de cultus der goden eischt. Cf. den versregel bij Figulus (Gellius,
-Noct. Att. 4, 9): religentem esse oportet, religiosum nefas, H.
-<span class="pagenum" id="Page_172">[172]</span>
-Voigt, Fundamentaldogmatik. Gotha, Perthes 1874 S. 9 f.
-F. A. B. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. Freiburg, Mohr, 1889
-S. 83. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 52 v. Het woord is
-dus volstrekt niet geschikt, om den vollen inhoud van den christelijken
-godsdienst weer te geven. Maar het gebruik en de afleiding
-van Lactantius, die algemeen ingang vond, hebben het
-woord gekerstend. De Vulgata nam het op Hand. 26:5, Jak.
-1:27. Het woord is in alle europeesche talen overgegaan, en
-heeft ook in onze taal naast godsdienst, vroomheid (van het
-goth. fruma, lat. primus, op den voorgrond tredend, deugdzaam,
-dapper, bijv. Stat. Vert. Gen. 42:11, enz.), godsvrucht, godzaligheid
-burgerrecht verkregen en behouden.</p>
-
-<p class="sep2">2. De H. Schrift geeft geene definitie en bezit ook geen
-algemeen begrip ter aanduiding van het verschijnsel der religie.
-Zij heeft afzonderlijke woorden voor hare objectieve en hare subjectieve
-zijde. De religio objectiva is identisch met de openbaring
-Gods, en bestaat in het verbond, בְרִית, hetwelk God aan Israël
-gaf, en dat dus in vollen zin eene goddelijke stichting, διαθηκη,
-heeten mag, Exod. 20:1 v., 34:10 v., 27 v.; Jes. 54:10,
-enz. De ordeningen in dat verbond, welke Israël onderhouden
-moet, vormen saam den inhoud der תּוֹרָה, onderwijzing, leer,
-wet, wetboek des Heeren, en worden met zeer verschillende
-namen aangeduid. Ze heeten דְּבָרִים woorden Num. 12:6; Ps.
-33:4, enz., מִצוֹת geboden, Gen. 26:5; Ex. 15:26, enz., פִקּוּדִים
-bevelen, Ps. 119:4, 5, 15, enz.; חֻקִּים inzettingen, besluiten,
-Ex. 15:26; Lev. 25:18; Ps. 89:32; Job 28:26, enz.; מִשְׁפָּטִים
-rechtszaak, rechtsuitspraak, Num. 36:13; Ps. 19:10, enz.;
-דְּרָכִים‎, ‏אֳרָחוֹת wegen, paden, Deut. 5:33; Job 21:14; Ps. 25:4;
-enz.; מִשְׁמָרוֹת wetten die te bewaren zijn, Gen. 26:5; Lev.
-18:30, enz. De vele uitdrukkingen wijzen aan, hoe in Israëls
-religie het objectieve, de inzetting Gods op den voorgrond staat.
-Aan die religio objectiva beantwoordt nu subjectief de יִרְאַת יהוה,
-de vreeze des Heeren. Deze drukt de innerlijke gezindheid
-van den vromen Israëliet uit tegenover de heilige wetten, die
-hem van Godswege ter onderhouding zijn voorgeschreven. Maar
-deze vreeze is toch wezenlijk onderscheiden van de angstige
-schuwheid, die oorspronkelijk in het lat. woord religio ligt opgesloten.
-Dat blijkt daaruit, dat deze vreeze des Heeren overgaat
-<span class="pagenum" id="Page_173">[173]</span>
-in en verbonden is met allerlei andere godsdienstige stemmingen,
-zooals gelooven הֶאֱמִין Gen. 15:6; Jes. 7:9; Hab. 2:4; vertrouwen
-בָּטַח Ps. 26:1, 37:3, 5; toevlucht nemen חָסָה Ps.
-5:12, 37:40; steunen סָמוּךְ, zich vastklemmen דָּבַק 2 Kon.
-18:6; hopen קִוָּה, verwachten חִכָּה, ja zelfs liefhebben van
-God חָשַׁק Ex. 20:6; Deut. 6:5; Ps. 91:14. De rechten des
-Heeren blijven niet als een voorwerp van schrik en vreeze staan
-buiten en boven den Israëliet, maar worden een object van zijne
-liefde. Hij overpeinst ze met zijn verstand en betracht ze met
-zijn wil. Zij zijn zijne vermaking den ganschen dag. In het Nieuwe
-Testament treffen we in het wezen der zaak dezelfde opvatting
-aan. Maar nu geeft God zijne openbaring niet in eene reeks van
-wetten, maar in den persoon van Christus. Deze is de weg en
-de waarheid, Joh. 14:6. De ὁδος του κυριου Hand. 18:25,
-19:9, 23, 22:4; de διδαχη of διδασκαλια Mt. 7:28, 22:33;
-Joh. 7:16, 17; Hd. 2:42; Rom. 6:17; 1 Tim. 1:10, 4:6,
-16, 6:1, 3; 2 Tim. 4:2, 3; Tit. 1:9, 2:1, 7, 10; het
-εὐαγγελιον Mk. 1:1, 14, 15, enz.; de λογος του θεου Mt.
-13:19; Mk. 2:2, 4:14 v.; 2 Cor. 9:19, enz. concentreeren
-zich alle om Christus en zijn niets dan explicatie van zijn persoon
-en werk. Dienovereenkomstig verandert dan ook de subjectieve
-gezindheid. De gewone Grieksche woorden waren niet
-geschikt, om deze in haar eigenlijk karakter weer te geven.
-Δεισιδαιμονια wordt door Festus van den Joodschen Hd. 25:19,
-en het adjectief door Paulus van den Heidenschen godsdienst
-Hd. 17:22 gebezigd. Θεοσεβεια komt maar eenmaal voor 1 Tim.
-2:10. Εὐσεβεια geeft te kennen heiligen eerbied voor God; het
-is in beteekenis verwant aan het lat. pietas, en drukt dus eene
-stemming uit, gelijk die ook in kinderen tegenover hunne ouders
-enz. aanwezig is; meermalen komt dit woord in het N. T. voor,
-vooral in de Pastoraalbrieven; wat de εὐσεβεια eigenlijk is en
-behoort te wezen, is eerst in het Evangelie geopenbaard 1 Tim.
-3:16. Ook de vreeze is in het N. T. niet geheel uit de religio
-subjectiva geweken Luk. 18:2; Hd. 9:31; 2 Cor. 5:11, 7:1;
-Rom. 3:18; Ef. 5:21; Phil. 2:12; 1 Petr. 1:17, 3:2,
-3:15, maar ze komt toch veel zeldzamer voor als beschrijving
-van de religieuse gezindheid; zij heeft in de meeste plaatsen
-betrekking op bijzondere gebeurtenissen, bijv. Gods gericht, en
-is door de liefde vervangen Rom. 8:15, 1 Joh. 4:18. Het
-<span class="pagenum" id="Page_174">[174]</span>
-gewone woord voor de religio subjectiva in het N. T. is πιστις.
-Aan de blijde boodschap der vergeving en der zaligheid in Christus
-beantwoordt van ’s menschen zijde het geloof, hetwelk een
-kinderlijk vertrouwen op Gods genade is en daarom ook terstond
-de liefde in ons hart werkt. Πιστις en ἀγαπη zijn de grondstemmingen
-van de christelijke vroomheid. De woorden λατρεια
-Rom. 9:4, 12:1; Hebr. 9:1, 6 en θρησκεια Hd. 26:5; Col.
-2:18; Jak. 1:27 duiden den cultus aan, die Gode uit het
-beginsel des geloofs wordt toegebracht. J. Köstlin, Die Religion
-in N. T. Stud. u. Kr. 1888 S. 7-102. Nitzsch t. a. p. 85.</p>
-
-<p class="sep2">3. De H. Schrift geeft dus geen beschrijving van het wezen
-der religie, gelijk het naar de moderne voorstelling aan
-alle godsdiensten ten grondslag ligt. Maar zij teekent en
-beschrijft als religie alleen die verhouding tusschen God en
-den mensch, welke door God zelf is geregeld en bepaald.
-Evenzoo ging de vroegere theologie bij het bepalen van het wezen
-der religie altijd van de religio vera uit. En deze methode beveelt
-zich nog door hare juistheid aan. Zij kan alleen bestreden
-worden door hen, die meenen, dat de kategorieën van waar en
-valsch op de godsdiensten niet passen, wijl er geen kennis van
-het bovennatuurlijke mogelijk is, en dat dus de voorstellingen
-hoegenaamd niets te maken hebben met de religieuse gezindheid.
-Dit indifferentisme is echter, gelijk later blijken zal, onhoudbaar;
-ook het kennen is een wezenlijk element der religie. Aangenomen
-voor het oogenblik, dat er eene kennis is van het
-bovennatuurlijke en dat er eene religio vera bestaat; dan is er
-geen enkel bezwaar denkbaar, om aan haar de definitie te ontleenen
-voor het wezen der religie en deze te bezigen als maatstaf
-bij de beoordeeling van de andere godsdiensten. Geen enkele
-godsdienst kan er op tegen hebben, om getoetst te worden aan
-het zuivere begrip der religie. Het valsche wordt alleen door het
-echte gekend, en de leugen wordt ontdekt door de waarheid. Er is
-op geen enkel gebied eene juiste beoordeeling en waardeering der
-dingen mogelijk zonder een vasten, positieven maatstaf. Zoo is het
-in het recht, de moraal, de aesthetica en zoo is het ook in de
-religie. De studie der godsdiensten onderstelt dat we althans
-eenigszins weten, wat godsdienst is. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 184.</p>
-
-<p>Naar het voorbeeld der H. Schrift hebben we bij het onderzoek
-<span class="pagenum" id="Page_175">[175]</span>
-naar het wezen der religie onderscheid te maken tusschen
-hare objectieve en hare subjectieve zijde. Deze onderscheiding
-ligt voor de hand en is in elken godsdienst aanwezig. De religio
-objectiva gaat vooraf. Alle menschen vinden haar bij hunne
-geboorte; zij groeien er in evenals in huisgezin, maatschappij,
-kerk, staat enz. Dit zijn altemaal objectieve instellingen en
-machten, die niet willekeurig uit en door den mensch ontstaan,
-maar die hem opnemen bij zijne geboorte, hem vormen en opvoeden
-en zelfs tegen zijn wil hem blijven beheerschen zijn gansche
-leven lang. Het is met de historie en met de psychologie in
-strijd, om bij de bepaling van het wezen der religie uit te gaan
-van de religio subjectiva en dan in de verschillende godsdiensten
-niets dan wisselende vormen en indifferente uitingen van haar
-leven te zien. Op die wijze wordt de dagelijksche ervaring miskend,
-de macht der religio objectiva geloochend, en alle verhouding
-van object en subject op revolutionaire wijze omgekeerd.
-Zeer zeker heeft ook de religio objectiva haar oorsprong, welke
-opgezocht en verklaard worden moet. Maar alle godsdiensten,
-wier oorsprong eenigermate bekend is, toonen ons, dat zij in
-aansluiting aan het bestaande zijn opgekomen, en met heel het
-historisch milieu ten nauwste in verband staan. Er is geen enkele
-godsdienst, die zuivere uiting is van de religieuse gezindheid en
-daaruit alleen zich verklaren laat. De religio subjectiva wijzigt
-en vervormt de bestaande religieuse voorstellingen en gebruiken
-en bezielt ze dikwerf met een nieuw leven. Maar zij schept niet,
-zij ontstaat zelve altijd en overal onder den invloed en de werking
-der bestaande godsdiensten. Stichters van godsdiensten zijn
-er daarom niet in eigenlijken zin. De religio objectiva is de
-haard van de religio subjectiva, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I. 123.
-Daar komt bij, dat alle godsdiensten willen beschouwd zijn, niet
-als uiting en vorm van eene religieuse gezindheid maar als vrucht
-van openbaring. Zij leiden hun oorsprong niet uit den mensch af
-maar uit God. Men moge dit beroep op openbaring laten gelden of
-niet; het feit spreekt te sterk en is te algemeen, dan dat het niet
-zou moeten worden verklaard. Het wijst aan, dat het begrip der
-religie aan dat der openbaring onafscheidelijk verbonden is. Er is
-geen religie zonder openbaring. Openbaring is de grondslag en de
-oorsprong van alle religie. Het staat daarom den man van wetenschap
-niet vrij, om reeds apriori dit begrip der openbaring te elimineeren
-<span class="pagenum" id="Page_176">[176]</span>
-en in de godsdiensten niets dan vormen van een zelfde wezen, uitingen
-van eene zelfde religieuse gezindheid te zien. Ook de H. Schrift
-leidt de religio objectiva uit openbaring af. God voortijds veelmaal
-en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende
-door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken
-door den Zoon, Hebr. 1:1. Trouwens ligt het ook in den aard
-der zaak, dat openbaring en religie ten nauwste verbonden zijn.
-God alleen kan de wijze bepalen, waarop Hij door menschen
-gediend wil worden. Hominum non est, instituere et formare
-Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire, Conf.
-Helv. II art. 19. Naar de leer der H. Schrift heeft God dat
-gedaan deels door de natuur, deels door zijn Woord. De religio
-objectiva valt dus saam met de thora, genomen in den ruimsten
-zin, d. i. met heel die onderwijzing des Heeren, welke uit wet
-en evangelie, woord en feit, historie en profetie tot ons komt.
-Zij is de hoofdinhoud der H. Schrift en de stof der dogmatiek.
-De religio objectiva is niets anders dan de wijze, waarop God
-zelf heeft bepaald, dat Hij gediend en vereerd wil worden.
-Formeel komen alle godsdiensten overeen. Maar de overeenkomst
-strekt zich nog verder uit. Alle godsdiensten zijn samengesteld
-uit eenige bestanddeelen, die constant terugkeeren. Ten eerste is
-er in elken godsdienst eene traditie aangaande haar goddelijken
-oorsprong; elke godsdienst beroept zich op openbaring; dat is
-het historische, het positieve element, het element van traditie.
-Vervolgens is er in elke religie eene zekere leer, waarin God
-aan den mensch die kennis openbaart, welke tot zijn dienst
-onmisbaar is; deze wordt met het woord dogma aangeduid.
-Verder bevat iedere religie ook zekere wetten, welke den mensch
-voorschrijven, wat hij te doen en te laten heeft om met God in
-gemeenschap te kunnen leven; dat is de zedeleer, die iedere
-religie medebrengt. En eindelijk zijn er in elke religie ook een
-grooter of kleiner aantal van ceremoniën, d. i. van plechtige
-vormen en gebruiken, die de gemeenschap van den mensch met
-God ook in het uitwendige uitdrukken, begeleiden en versterken:
-dat is het cultisch of liturgisch bestanddeel in den godsdienst.
-In de verschillende godsdiensten is de onderlinge verhouding
-dezer bestanddeelen zeer verschillend; in sommige is er veel
-dogma en weinig cultus en omgekeerd; in andere is er eene rijke
-traditie en een gering aantal van zedelijke voorschriften, enz.
-<span class="pagenum" id="Page_177">[177]</span>
-Maar in alle religies zijn alle vier elementen aanwezig. Ook de
-religio vera, in de H. Schrift neergelegd, heeft haar historie en
-dogma, haar moraal en haar cultus, F. A. B. Nitzsch, Lehrb.
-der ev. Dogm. 1889 S. 101-108. H. Siebeck, Lehrb. der
-Religionsphilosophie, Freiburg, Mohr 1893 S. 263 f.</p>
-
-<p class="sep2">4. Aan die religio objectiva beantwoordt in den mensch de
-religio subjectiva. Zeer gewoon was vroeger de omschrijving van
-den godsdienst als recta verum Deum cognoscendi et colendi
-ratio. Zij komt reeds bij Lactantius, Instit. div. 4,4 voor, en is
-behouden tot in deze eeuw toe. Toch is zij niet boven kritiek
-verheven. Zij zegt niets aangaande de subjectieve gezindheid,
-welke tot het dienen van God noodig is; zij wijst het verband
-niet aan, dat tusschen het kennen en dienen van God bestaat
-en stelt deze eenvoudig naast elkaar; en zij maakt van de andere
-elementen, die in de religie liggen, geen melding. De scholastiek
-drong dieper in de zaak door en deed onderzoek naar de subjectieve
-gezindheid, waaruit de religie bij den mensch opkomt.
-Thomas brengt ze tot de deugden. Deze worden door hem in drie
-soorten verdeeld: virtutes intellectuales (sapientia, scientia, intellectus,
-etc), virtutes morales (de vier cardinale deugden prudentia,
-justitia, fortitudo en temperantia), deze twee groepen
-werden aan Aristoteles ontleend. En daaraan werden als derde
-klasse toegevoegd de drie supranatureele of theologische deugden
-geloof, hoop en liefde, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 57, 58, 62.
-De religio wordt nu door Thomas gebracht niet onder de virtutes
-theologicae maar onder de virtutes morales. Want de theol.
-deugden hebben dit eigenaardige, dat zij God tot rechtstreeksch
-object hebben; zij ordinant nos ad Deum immediate et directe
-ut ad objectum, ib. II 1 qu. 62 art. 2; maar in de religie is
-God niet objectum maar finis, het eigenlijk object in de religie
-is de cultus, die Gode wordt toegebracht. Zij is dus geen virtus
-theologica, die God tot object heeft, maar eene virtus moralis,
-die verkeert circa ea, quae sunt ad finem; zij ordinat hominem
-in Deum, non sicut in objectum, sed sicut in finem. Onder de
-virtutes morales is ze echter wel de voornaamste, omdat zij het
-nauwst in betrekking staat tot Hem, die het doel aller deugden
-is, n.l. God, ib. II 2 qu. 81 art. 5, 6. Nader wordt de religio
-door Thomas tot die virtus moralis gerekend, welke justitia heet.
-<span class="pagenum" id="Page_178">[178]</span>
-Hij vat de religio n.l. op als die virtus, per quam homines
-Deo debitum cultum et reverentiam exhibent. Al wordt Jak. 1
-vs. 27 ook het bezoeken van weezen en weduwen enz. tot den
-godsdienst gerekend, toch is de religie in eigenlijken en engeren
-zin alleen eene verhouding tot God en nooit tot menschen. En
-ofschoon alles gedaan moet worden ter eere Gods, is de eere,
-die Gode in de religie wordt toegebracht, toch in specialen zin
-bedoeld en omvat strikt genomen alleen dat, wat betrekking
-heeft ad reverentiam Dei. Zij is dus één met de latreia, S. Theol.
-II 2 qu. 81 art. 1-4. Deze definitie van Thomas, die door zeer
-velen is overgenomen, cf. C. R. Billuart, Summa S. Thomae — — sive
-Cursus Theologiae, Tom IV 1746 p. 5 sq. Petrus Dens,
-Theologia ad usum seminariorum IV p. 9 sq. P. Collet, Instit.
-Theol. moralis III p. 401 sq. enz., is echter in de eerste plaats
-te eng, wijl ze alleen den cultus omschrijft en dus met latreia
-samenvalt. De religio subjectiva is niet alleen een dienst, eene
-vereering, maar allereerst eene gezindheid, welke in dien dienst
-zich uitspreekt. Voorts is de onderscheiding van virtutes morales
-en virtutes theologicae te supranaturalistisch en dualistisch. Er
-ligt natuurlijk eenige waarheid in, n.l. deze, dat ook in den
-gevallen mensch nog overblijfselen van het beeld Gods en zedelijke
-deugden zijn, zelfs de religie is niet geheel uitgeroeid. Maar de
-virtutes morales en ook de religieuse gezindheid moeten vernieuwd
-en herboren worden, om waarlijk goed te zijn. Thomas erkent
-dan ook, dat de theol. deugden, geloof, hoop, liefde causant
-actum religionis, quae operatur quaedam in ordine ad Deum,
-S. Th. II, 2 qu. 81 art. 5 ad 1, maar zij worden toch zelve
-van de religie uitgesloten; en terwijl de virtutes intellectuales
-en morales zijn secundum naturam hominis, zijn de virtutes
-theologicae super naturam I, 2 qu. 62 art. 2. De Hervorming
-heeft deze opvatting van de religie vooral in tweeërlei opzicht
-gewijzigd. Ten eerste maken de theologen der reformatie beter
-en duidelijker onderscheid tusschen de pietas als beginsel en den
-cultus als actio der religie. En ten tweede worden geloof, hoop
-en liefde niet als afzonderlijke theol. deugden naast de religie
-geplaatst, maar juist als de voornaamste akten van den cultus
-internus in de religie zelve opgenomen. De religio, zegt Zwingli,
-Opera ed. Schuler et Schulthess, III 155 omvat pietatem totam
-Christianorum, fidem, vitam, leges, ritus, sacramenta; zij bestaat
-<span class="pagenum" id="Page_179">[179]</span>
-in ea adhaesio, qua (homo) Deo utpote summo bono inconcusse
-fidit eoque parentis loco utitur, ib. 175, zij is animae deique
-connubium, ib. 180. Bij Calvijn treffen we drie begrippen aan:
-1<sup>o</sup> de notitia, de kennis Gods, het besef zijner deugden; 2<sup>o</sup> deze
-notitia is idoneus pietatis magister; zij kweekt pietas, welke
-bestaat in conjuncta cum amore Dei reverentia, quam beneficiorum
-ejus notitia conciliat; en 3<sup>o</sup> is het deze pietas weer, ex qua religio,
-in den zin van cultus, nascitur, Inst. I. 2, 1. Evenzoo onderscheidt
-Zanchius, Op. IV 263 sq. tusschen cultus, die de actio
-externa vel interna, qua Deum veneramur aanduidt en de religio
-of pietas, welke de virtus is, waaruit de cultus geboren wordt.
-Polanus zegt, Synt. Theol. 580 A, religio verschilt van cultus
-Dei, ut causa ab effectu. Religio of pietas is causa interna cultus
-Dei. De cultus, vrucht der pietas, wordt dan evenals bij de
-scholastici onderscheiden in internus en externus; de eerste heeft
-tot voornaamste daden fides, fiducia, spes, adoratio, dilectio,
-invocatio, gratiarum actio, sacrificium, obedientia; en de cultus
-externus is weer of moralis (belijdenis, gebed enz.) of ceremonialis
-(sacramenta, sacrificia, sacra). Zanchius IV 410 sq. Ursinus,
-Catech. qu. 94-103 en de explicatie daarvan, ook Tract. Theol.
-1584 I p. 283 sq. Polanus, Synt. Theol. p. 32 F. Hoornbeek,
-Theol. pract. Lib. 9 cap. 6-8. Id. Summa Controv. p. 7 sq.
-Alsted, Theol. Catech. p. 5 sq. Moor, Comm. in Marckii Comp.
-I. 44 sq. Voor de Luth. vergelijke men Calovius, Isag. ad S.
-Theol. 1652 p. 301 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche
-6<sup>e</sup> Aufl. S. 5 f. Hase, Hutterus Rediv. Loc. 1 §&nbsp;2. Herzog<sup>2</sup> 12:645.</p>
-
-<p class="sep2">5. De religio subjectiva is allereerst eene ἑξις, habitus, een
-zekere aanleg in den mensch, welke door inwerking van de religio
-objectiva in actus (cultus in- en externus) overgaat. Zulk een
-habitus is er in iederen mensch; semen religionis omnibus inditum
-est, Calv. Inst. I. 4, 1. Maar deze habitus is in den gevallen
-mensch bedorven en brengt, door eene onware en onzuivere religio
-objectiva bevrucht, ook een cultus voort, die idololatreia, ἐθελοθρησκεια
-is. Daarom is voor eene zuivere religie noodig, dat
-ten eerste de van buiten tot ons komende religio objectiva ons
-God weer kennen doe gelijk Hij werkelijk is, en dat ten tweede
-de bedorven habitus religionis in den mensch wordt herboren en
-vernieuwd. In dezen zin is de religio subjectiva dus eene virtus
-<span class="pagenum" id="Page_180">[180]</span>
-infusa a Spiritu Sancto, Hoornbeek, Theol. pract. II p. 207, 213.
-Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd. De mensch heeft vele
-deugden, zoowel in zijn verstand als in zijn wil. De eigenaardigheid
-dier virtus, welke in de religie werkt, moet dus nader
-worden aangewezen. Vroeger omschreef men deze virtus als pietas,
-reverentia, timor, fides enz., en zoo ook tegenwoordig als eerbied,
-ontzag, vreeze, afhankelijkheidsgevoel. Toch zijn alle deze omschrijvingen
-niet bepaald genoeg; al deze aandoeningen hebben
-we in meerder of minder mate ook ten opzichte van schepselen.
-Er moet een wezenlijk onderscheid zijn tusschen den cultus religiosus
-en den cultus civilis, tusschen λατρεια en δουλεια, tusschen
-de aandoeningen van vrees, eerbied, ontzag enz. gelijk wij
-die koesteren tegenover God en tegenover schepselen. Dat onderscheid
-kan alleen daarin gelegen zijn, dat in de religie in aanmerking
-komt de <i>absoluta</i> dignitas et potestas Dei en de <i>absoluta</i>
-subjectio onzerzijds, Hoornbeek, Theol. pract. II 205 sq. Van
-schepselen zijn we slechts ten deele afhankelijk; wij staan als
-schepselen met hen op gelijke lijn; maar God is een wezen, van
-hetwelk wij volstrekt afhankelijk zijn en dat in elk opzicht de
-beslissing heeft over ons wel en ons wee. Bij de Heidenen wordt
-deze absoluutheid Gods wel als het ware onder vele goden verdeeld,
-maar toch is iedere god op zijn terrein met zoodanige
-macht bekleed, dat de mensch voor zijn geluk of ongeluk volstrekt
-van hem afhankelijk is. Het is vooral Schleiermacher geweest,
-die in zijn Christ. Gl. §&nbsp;4 de religie omschreven heeft
-als schlechthiniges Abhängigkeitsgefühl. Tegen deze definitie zijn
-vele bedenkingen ingebracht, die o. a. kort worden weergegeven
-door Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 70 v. Inderdaad heeft
-deze omschrijving bij Schleiermacher een zin, welke niet kan
-toegelaten worden. De afhankelijkheid wordt bij hem zoo pantheïstisch
-opgevat, dat ze objectief alleen betrekking heeft op
-het wereldgeheel en subjectief beperkt wordt tot het gevoel.
-Toch ligt er in Schleiermachers definitie een gewichtig bestanddeel
-van waarheid. Wat den mensch tot een religieus wezen
-maakt en tot religie drijft, is het besef, dat hij tot God in eene
-relatie staat, die specifiek verschilt van alle andere verhoudingen,
-waarin hij geplaatst is. Deze relatie is zoo diep en teeder, zoo
-rijk en veelzijdig, dat zij moeilijk door één begrip kan worden
-uitgedrukt. Maar zeker komt dat van afhankelijkheid wel het
-<span class="pagenum" id="Page_181">[181]</span>
-eerst en het meest hiervoor in aanmerking. Want in de religie
-voelt de mensch zich in betrekking tot een persoonlijk wezen,
-dat zijn lot op ieder gebied van het leven en voor tijd en eeuwigheid
-in de hand heeft. Daarom wordt God in de religie nog niet
-uitsluitend als macht opgevat; want ook als Genadige, Barmhartige,
-Rechtvaardige, Heilige enz. staat God tegen den mensch
-toch altijd als Souverein, als Absolute, als God over. En de
-mensch staat tegenover Hem altijd als schepsel; hij is dat tegenover
-niemand en niets anders, hij is dat alleen tegenover God.
-En daarom is deze creatuurlijke afhankelijkheid niet het wezen
-maar toch de grondslag van de religie. De mensch is echter niet
-alleen schepsel, maar ook een redelijk en zedelijk schepsel; zijne
-verhouding tot God is daarom eene gansch andere dan van engelen
-en dieren. De volstrekte afhankelijkheid, waarin de mensch tot
-God staat, sluit daarom de vrijheid niet uit. Hij is afhankelijk,
-maar op eene andere wijze dan de andere schepselen; hij is zoo
-en in dien zin afhankelijk, dat hij tegelijk een redelijk en zedelijk
-wezen blijft, dat hij Gode verwant, zijn geslacht en zijn beeld is.
-Volstrekt afhankelijk is hij zoodat de loochening dezer afhankelijkheid
-hem nimmer vrij maakt, en toch hare erkenning hem
-nooit tot slaaf vernedert. Integendeel, in de bewuste, vrijwillige
-aanvaarding van deze zijne afhankelijkheid komt de mensch tot
-de hoogste vrijheid. Hij wordt in dezelfde mate mensch, als hij
-kind Gods is. De H. Schrift stelt geen onderzoek in naar het
-wezen der religio subjectiva, gelijk die nog in alle menschen
-en onder alle godsdiensten wordt gevonden. Het zou ook een
-onbegonnen werk zijn. Want de religieuse gezindheid is in de
-velerlei godsdiensten zoo verschillend, dat er hoogstens een zeer
-algemeen en vaag begrip voor aangegeven kan worden. De Schrift
-bestempelt echter die religieuse gezindheid, welke de Christen
-tegenover God en zijne openbaring gevoelt, met den naam van
-geloof. Dat is het centrale begrip in de religio subjectiva van
-den Christen. Over de natuur van dat geloof is in de christelijke
-kerk ten allen tijde groot verschil geweest. Het religieuse leven
-is zoo rijk en diep, dat het telkens van eene andere zijde kan
-worden beschouwd. Maar in het geloof liggen toch altijd deze
-twee elementen opgesloten, ten eerste, dat de mensch tegenover
-God en zijne openbaring geheel receptief en volstrekt van God
-afhankelijk is, en ten andere, dat hij juist door erkenning dezer
-<span class="pagenum" id="Page_182">[182]</span>
-afhankelijkheid de vergeving, het kindschap, de zaligheid uit
-genade deelachtig wordt. Analogie van deze religio subjectiva in
-het Christendom is er zeker ook bij andere godsdiensten, maar
-alleen in de christelijke religie is de subjectieve relatie van den
-mensch tot God volkomen normaal. Afhankelijkheid en vrijheid
-zijn hier met elkander verzoend. De souvereiniteit Gods blijft
-hier ten volle gehandhaafd en de verwantschap des menschen
-met God wordt toch volledig erkend. De mensch is te religieuser
-en wordt te meer den beelde Gods gelijkvormig, naarmate hij
-zijne afhankelijkheid dieper beseft en erkent. Daarom kunnen
-alle deugden ten opzichte van schepselen overdreven worden;
-maar met betrekking tot God is er geene overdrijving mogelijk.
-Men kan Hem nooit te veel gelooven, vertrouwen, liefhebben
-enz., nooit kan ’t geloof te veel verwachten, Voigt, Fundamentaldogmatik
-65 f. Aug. Dorner, Stud. u. Kr. 1883 S. 217 f. Kahnis,
-Die luth. Dogm. 2<sup>e</sup> Ausg. 1874 I 81 f. Abr. des Amorie van
-der Hoeven Jr. De godsdienst het wezen van den mensch,
-Leeuwarden, 1848 bl. 38 v.</p>
-
-<p class="sep2">6. De religio subjectiva gaat door de inwerking der religio
-objectiva uit haar habitueelen toestand in daden over. Deze daden
-zijn in- of uitwendig, en maken alzoo onderscheid tusschen den
-cultus internus en externus. Religio en cultus verhouden zich
-als oorzaak en gevolg. Toch is hiermede niet bedoeld dat de
-cultus eene vrije vinding en uiting is van de subjectieve religie.
-Alle ἐθελοθρησκεια is verboden, Mt. 15:9. Mk. 7:7. Col.
-2:23. Zoowel het antinomistisch Anabaptisme als het nomistisch
-Romanisme is hier te vermijden. God bepaalt alleen, hoe Hij
-wil gediend worden. En de wedergeboorte van de door de zonde
-bedorven religio subjectiva, van den habitus religionis, bestaat
-juist daarin, dat de geloovigen een oprechten lust ontvangen,
-om niet alleen naar sommige maar naar alle geboden Gods in
-volmaaktheid te leven. Het is hunne spijze, om den wil des
-Vaders te doen. Jezus sprak en deed nooit iets, dan waartoe
-Hij een gebod van den Vader had ontvangen. Daarom legt de
-Schrift op het wandelen in Gods geboden, op het onderhouden
-van zijne inzettingen enz. zoo sterken nadruk. En daartoe wederbaart
-God den mensch, om hem, die afkeerig is van zijn dienst,
-wederom in het innerlijkste van zijn wezen in overeenstemming
-<span class="pagenum" id="Page_183">[183]</span>
-te brengen met zijn wil en wet, in de religio objectiva neergelegd.
-De cultus internus omvat de daden van geloof, vertrouwen,
-vreeze, liefde, gebed, dankzegging enz., en de cultus externus
-openbaart zich in belijdenis, gebed, gezang, dienst des woords
-en der sacramenten, gelofte, vasten, waken enz. Deze is dus
-deels moreel, deels ceremonieel; en kan wederom solitarius en
-socius zijn. In het laatste geval is hij privaat of publiek; de
-gemeenschappelijke, openbare cultus wordt in de kerkenordeningen
-geregeld. In al deze religieuse handelingen is het besef der absolute
-afhankelijkheid de religieuse grondgedachte, het bezielend element.
-Daarvan losgemaakt worden ze letterdienst, lippenwerk, koud
-en dood formalisme. Maar daardoor bezield, krijgen zij alle haar
-specifiek religieus karakter. Ook schepselen zijn voorwerp van ons
-geloof, van onze hope, van onze liefde enz. Wat al deze handelingen
-tot religieuse stempelt, is, dat zij ons in betrekking
-stellen tot een Persoon, van wien wij met alle dingen in volstrekten
-zin en toch weer op eene eigene wijze, d. i. als redelijke
-schepselen afhankelijk zijn. Het wezen der religie kan toch in
-niets anders gelegen zijn, dan daarin dat God juist als <i>God</i>
-wordt verheerlijkt en gedankt. Elke religie, die hierin te kort
-schiet, komt de eere Gods te na en houdt in diezelfde mate
-ook op, echt religieus te zijn. Daarentegen bestaat de echte religie
-in eene zoodanige gezindheid van den mensch, welke eenerzijds
-wortelt in het diep besef zijner volstrekte afhankelijkheid van
-God als Schepper, Verlosser, Heiligmaker enz., en andererzijds
-zich uitstrekt, om naar alle Gods inzettingen in oprechtheid te
-wandelen.</p>
-
-<h4>B. Zetel der religie.</h4>
-
-<p>7. Nadat het wezen der religie is onderzocht, moet de plaats
-worden bepaald, welke zij in den mensch, te midden van zijne
-faculteiten en functiën inneemt. Meteen wordt dan de verhouding
-duidelijk, waarin de godsdienst staat tot wetenschap, kunst en
-zedelijkheid. Reeds de scholastiek stelde de vraag, of de religio
-eene virtus intellectualis of moralis was, en Thomas zeide het
-laatste, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 5. Maar eerst in de nieuwere
-philosophie, vooral nadat de godsdiensten der volken meer bekend
-zijn geworden, is het wezen der religie tot een voorwerp van
-<span class="pagenum" id="Page_184">[184]</span>
-psychologisch en historisch onderzoek gemaakt. Lessing’s Erziehung
-des Menschengeschlechts 1780 en Herder’s Ideen zur Philos.
-der Gesch. der Menschheit 1784 maakten er een aanvang mede.
-En sedert is de historie en de philosophie der godsdiensten een
-geliefkoosde studie geworden. Ter bepaling van het wezen der
-religie gaat het tegenwoordig onderzoek bijna altijd uit van de
-religio subjectiva, en het recht, de macht, de waarde der religio
-objectiva wordt bijna algemeen miskend. Dit is gevolg van eene
-wijsgeerige praemisse, dat alle godsdiensten in wezen gelijk zijn
-en slechts in vorm verschillen. Maar dit religieuse indifferentisme
-is daarom onhoudbaar, wijl alle religie noodwendig een
-kennen insluit en de realiteit poneert van zijn object; zoodra
-echter dit het geval is, valt een godsdienst onder de kategorie
-van waar en onwaar. Indien de religie niets ware dan gevoel en
-phantasie, zou ze aan haar scheppingen ook slechts eene aesthetische
-waarde hechten. Maar elke religie is overtuigd van de
-realiteit en de waarheid harer objecten (goden, profeten, heilige
-plaatsen enz.), en is zonder dat geloof onbestaanbaar, cf. Dr.
-Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 bl. 563 v. 598 v. Feitelijk
-past ieder dan ook de kategorie van waar en onwaar op de
-religies toe; de religionsphilosoof gelooft niet aan de waarheid
-van de goden der volken, al waardeert hij ook de religieuse
-gezindheid, die in hun vereering zich menigmaal uitspreekt.
-Voorts staan de verschillende godsdiensten zelve lang niet indifferent
-tegenover elkaar; zij beschouwen zichzelve en elkander niet
-als staande in verhouding van lager en hooger, maar van waar
-en valsch. De wijsgeer staat met zijn indifferentisme vrij wel
-alleen. Frederik de Groote moge zeggen: in meinem Reiche soll
-Jeder nach seiner Façon selig werden, de godsdiensten zelve
-denken er gansch anders over. En ze kunnen niet anders; wat
-de een poneert, negeert de andere. Zij sluiten elkaar uit, en kunnen
-niet beide waar zijn. Indien Christus de Gezondene is des Vaders,
-dan is Mohammed het niet. En eindelijk berust het religieuse
-indifferentisme nog op de zondige gedachte, dat het Gode onverschillig
-is, hoe Hij gediend wordt. Het ontneemt Hem het recht,
-om de wijze van zijn dienst te bepalen. In elk geval gaat het
-uit van de gedachte, dat God zijn dienst niet heeft voorgeschreven,
-dus van de apriorische loochening der openbaring. De stelling,
-dat de godsdiensten in wezen overeenkomen en in vorm verschillen,
-<span class="pagenum" id="Page_185">[185]</span>
-is omgekeerd veel juister; zij verschillen in wezen maar komen in
-vorm overeen. Daarbij moet ten slotte nog de opmerking worden
-gemaakt, dat het indifferentisme in zake de religie zich meer of
-minder ver uitstrekken kan. Het syncretisme houdt het kerkelijke,
-het deïsme houdt het christelijke, het modernisme houdt de
-religio objectiva, de morale indépendante houdt al het religieuse
-voor indifferent. Feitelijk en objectief is er echter niets indifferent,
-noch in de natuur, noch in den staat, noch in wetenschap of
-kunst. Alles, ook het geringste, heeft zijne bepaalde plaats en
-beteekenis in het geheel. Indifferent is de mensch alleen voor
-wat hij niet kent; wat hij weet, wordt ook vanzelf door hem
-getaxeerd en gewaardeerd. God is onverschillig voor niets, omdat
-hij alles kent. Cf. Lamennais, Essai sur l’indifférence en matière
-de religion, 9<sup>e</sup> éd. Paris 1835, vooral tome premier, waarvan
-de introduction begint: le siècle le plus malade n’est pas celui
-qui se passionne pour l’erreur, mais le siècle qui néglige, qui
-dédaigne la vérité.</p>
-
-<p class="sep2">8. Het algemeen geloof, dat de godsdiensten verschillende
-vormen zijn van één wezen, gaat uit van de gedachte, dat het
-wezen der religie niet in de religio objectiva, maar in de religio
-subjectiva ligt. De eerste is onverschillig, op de laatste, op de
-religieuse gezindheid of stemming komt het aan. Naar die gezindheid
-moet dus onderzocht, om het wezen der religie te bepalen.
-Maar waar en hoe moet dat onderzoek geschieden? Twee methoden
-dienen zich aan, de historische en de psychologische. De historische,
-voorgestaan bv. door Dr. A. Bruining, Wijsbeg. v. d.
-godsd. Theol. Tijdschr. 1881 bl. 365 v. wil uit historisch onderzoek
-en vergelijkende waarneming van de godsdienstige verschijnselen
-het wezen van de religie bepalen. Maar deze methode is feitelijk
-onmogelijk, omdat elk onderzoek van de godsdiensten reeds eene
-notie van den godsdienst onderstelt; een vergelijkend onderzoek
-van alle godsdiensten een onuitvoerbare arbeid is; en in de godsdiensten
-juist de religieuse gezindheid het diepst is verborgen
-en schier aan alle waarneming ontsnapt. Wat weten wij nog van
-de stemming en gezindheid, die in de verschillende richtingen en
-kerken binnen het Christendom aan de godsdienstige verschijnselen
-ten grondslag ligt! De psychologische methode, o. a. door.
-Hugenholtz, Studiën op godsd. en zedek. gebied II 83 v. en
-<span class="pagenum" id="Page_186">[186]</span>
-Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsdienst 41 v. verdedigd, wil het
-wezen van den godsdienst zielkundig verklaren en verlangt daarom,
-dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een godsdienstig
-mensch zij en als zoodanig de godsdienstige verschijnselen waarneme
-en beoordeele. Hier is op zichzelf niets tegen te zeggen.
-Bij de studie der godsdiensten het eigen godsdienstig bewustzijn
-buiten rekening te laten, gelijk Dr. Bruining wil, ware hetzelfde
-naar de goede opmerking van Dr. Hugenholtz, als zichzelven de
-oogen uit te steken uit vrees voor gezichtsbedrog. Maar dan mag
-toch geeischt, dat zulk een onderzoeker der godsdiensten geen
-valsche maar een ware en zuivere opvatting van den godsdienst
-meebrenge; anders toetst hij alle godsdiensten slechts aan zijn
-eigene misschien zeer verkeerde voorstelling en aan die zijner
-geestverwanten, bv. aan de moderne opvatting der religie. Indien
-de vraag echter zoo staat, dan is er tusschen orthodoxen en
-modernen geen kwestie meer van methode, maar alleen van de
-waarheid of onwaarheid der godsdienstige voorstelling, waarvan
-beiden uitgaan. En dan is de waarborg voor de waarheid der
-godsdienstige voorstelling, welke de orthodoxe meebrengt minstens
-even groot als die voor de moderne opvatting der religie;
-want gene ontleent haar aan de H. Schrift en is in overeenstemming
-met de kerk van alle eeuwen, en deze is van korten tijd
-en slechts in een kleinen kring van geestverwanten geldig.</p>
-
-<p class="sep2">9. De wijsbegeerte van den godsdienst heeft nu vooral drie
-opvattingen van het wezen der religio (subjectiva) voorgedragen.
-Ten eerste de intellectualistische, die ’t wezen der religie stelt in
-de kennis, en haar zetel plaatst in het verstand. Het gnosticisme
-zei al, dat de gnosis zalig maakte, dat de agnitio was redemptio
-interioris hominis, Irenaeus adv. haer. I cap. 21. Dit gnosticisme
-heeft ten allen tijde in de christelijke kerk verdedigers gevonden,
-maar is vooral weer opgekomen in de nieuwere philosophie.
-Spinoza houdt verstand en wil voor unum et idem, Eth. II prop.
-49, laat den amor Dei geboren worden uit de heldere en duidelijke
-kennis des menschen van zichzelf en zijne affecten, ib. V
-prop. 15, en noemt dezen amor intellectualis, ib. prop. 32.
-Summa mentis virtus est Deum cognoscere V prop. 27, en onze
-mens is pars infiniti Dei intellectus II prop. 11. Deze kennis Gods,
-d. i. der dingen sub specie aeternitatis II prop. 44 is summa
-<span class="pagenum" id="Page_187">[187]</span>
-mentis acquiescentia V prop. 27. Volgens Schelling in zijn eerste
-periode is er van het Absolute, als identiteit van het eindige en
-oneindige, alleen een absoluut weten mogelijk; de religie verliest
-hier dus geheel hare zelfstandigheid, het geloof is eene onjuiste,
-onzuivere opvatting van de idee, Philosophie u. Religion (Sämmtl.
-Werke, Erste Abth. VI S. 11 f.). Vooral Hegel heeft deze intellectualistische
-bepaling van het wezen der religie uitgewerkt. Bij
-hem is het Absolute het denken zelf, dat in de tegenstellingen
-ingaat en uit deze weer tot de identiteit met zichzelf terugkeert.
-Heel de wereld is dus eene ontwikkeling van den geest, eene
-logische ontvouwing van den inhoud der rede, een proces, waarin
-de idee eerst in de natuur zich objectiveert en dan daaruit in
-den geest weer tot zichzelve terugkeert. Een van de momenten,
-welke dit proces doorloopt, is de religie. De menschelijke geest
-is het, in wien het Absolute tot zichzelf komt en zich van zichzelf
-bewust wordt. En dit zelfbewustzijn van den absoluten geest
-in den eindigen geest is religie. Religie is dus wezenlijk weten,
-geen gevoelen en geen handelen, maar weten en wel van God
-door den eindigen geest of objectief weten Gods van zichzelven
-door en in den eindigen geest. Der Mensch weiss nur von Gott,
-insofern Gott im Menschen von sich selbst weiss, diess Wissen ist
-Selbstbewustseyn Gottes, aber ebenso ein Wissen desselben vom
-Menschen, und diess Wissen Gottes vom Menschen ist Wissen des
-Menschen von Gott. Der Geist des Menschen von Gott zu wissen,
-ist nur der Geist Gottes selbst, Vorles. über die Philos. der
-Religion, herausg. v. Marheinecke 1832 Werke XII S. 428.
-Religie is echter niet ’t hoogste weten; het is maar een weten
-van het absolute in den vorm van zinnelijke, historische voorstellingen.
-Het hoogste, ware weten wordt eerst bereikt in de
-philosophie. De religie is daarom tijdelijk, een lagere vorm, voor
-de onontwikkelden geschikt. Maar de philosophie maakt uit de
-zinnelijke voorstellingen der religie de idee los en komt alzoo tot
-een absoluut, adaequaat, begrifflich weten van God, ib. S. 15 f.
-cf. Strauss, Christl. Gl. I 12. Feuerbach, Wesen des Christenthums
-1841 en Strauss, Christliche Glaubenslehre 1840, Der
-alte und der neue Glaube, 2<sup>e</sup> Aufl. 1872 trokken de consequentie
-en voltooiden de breuke met de christelijke religie. Het idealisme
-sloeg in materialisme om. Evenals reeds in de vorige eeuw door
-La Mettrie, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. I 378, zoo
-<span class="pagenum" id="Page_188">[188]</span>
-werd ook nu weer door velen het geloof aan God voor de grootste
-en schadelijkste dwaling gehouden. Bruno Bauer, Arnold Ruge,
-Edgar Bauer, Max Stirner predikten het naaktste egoïsme. Het
-materialisme, dat ongeveer 1850 in Duitschland opkwam, oordeelde
-niet anders, Büchner, Kraft und Stoff 1855, 16<sup>e</sup> Aufl.
-1885 S. 392 f. Specht, Theol. u. Naturwiss. 3<sup>e</sup> Aufl. 1878 S.
-71 f. Moleschott, Kreislauf des Lebens 1852. Carl Vogt, Köhlerglaube
-und Wissenschaft 1854. Czolbe, Neue Darstellung des
-Sensualismus 1855.</p>
-
-<p class="sep2">10. Nu heeft Hegel zeer goed ingezien, dat religie ook kennis
-bevat en dat godsdienst en metaphysica ten nauwste verwant
-zijn. De aard der zaak maakt dit ook duidelijk. Religie is altijd
-eene verhouding des menschen tot eene boven hem staande, goddelijke
-Macht. Religie is er dus niet en kan er niet zijn zonder
-eene bepaalde voorstelling van God; en deze sluit weer andere
-voorstellingen in omtrent wereld en mensch, oorsprong en einddoel
-der dingen. Deze godsdienstige voorstellingen hebben voor den
-geloovige transcendentale beteekenis; hij is ten diepste overtuigd
-van haar objectieve realiteit en waarheid. Zoodra hij deze voorstellingen
-gaat houden voor producten zijner phantasie, voor
-idealen zonder realiteit, of ook aan de kenbaarheid van het
-metaphysische wanhoopt, is het met zijne religie gedaan. Het
-skepticisme vernietigt het voorwerp der religie en daarmede deze
-zelve. Ook met het verstand moet God worden gediend; maar
-als het verstand inziet, dat de religieuse voorstellingen niet
-beantwoorden aan eene werkelijkheid, houdt het op godsdienstig
-te zijn. Religieuse en theoretische wereldbeschouwing, theologie
-en wetenschap zijn niet hetzelfde maar kunnen toch onmogelijk
-met elkander strijden. Zulk een dualisme is met de eenheid van
-den menschelijken geest in onverbiddelijken strijd, Hartmann,
-Religionsphilosophie. II. Die Religion des Geistes, 2<sup>te</sup> Aufl.
-Leipzig, Friedrich S. 3-27.</p>
-
-<p>Maar Hegel dwaalde toch hierin dat hij godsdienst en wijsbegeerte
-tot elkander in verhouding stelde als lager en hooger,
-als voorstelling en begrip, en ze dus opvatte als successieve
-momenten van één proces. De Hegelianen zooals Strauss, Glaub.
-I 12 f. en Biedermann, Christl. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. I 184 f. zagen
-het onjuiste hiervan zelven in. Inhoud en vorm zijn nooit zoo
-<span class="pagenum" id="Page_189">[189]</span>
-mechanisch en uitwendig verbonden, dat geheele wijziging van
-dezen genen onveranderd laat. De omzetting der godsdienstige
-voorstellingen in philosophische begrippen tast ook den godsdienstigen
-inhoud zelven aan. De historie van de Hegelsche
-philosophie bracht dit spoedig aan het licht. Er bleef bij haar
-van de christelijke dogmata zoo goed als niets over; triniteit,
-menschwording, voldoening behielden de orthodoxe namen maar
-werden geheel anders geïnterpreteerd. De feiten van het Christendom
-werden tot den vorm gerekend en waardeloos geacht. In
-de plaats daarvan kreeg men begrippen, die geen inhoud meer
-hadden. Een tweede fout van Hegel bestond daarin, dat hij aan
-religie en philosophie een gelijken inhoud gaf en toch de eerste
-voor een lageren vorm hield van de tweede. De religie werd
-daardoor verlaagd tot een relatief goed, dat alleen nog maar
-waarde had voor de eenvoudigen en de onontwikkelden. De wijsgeeren
-waren er verre boven verheven en hadden aan de philosophie
-genoeg. Dit nu berust op eene totale miskenning van het
-wezen der religie. Want religie en wetenschap zijn wel verwant
-maar toch ook hemelsbreed verschillend. Al hebben ze ook menigmaal
-een zelfden inhoud en voorwerp, dezen komen toch in beide
-onder een geheel ander gezichtspunt voor. In de wetenschap is
-het om kennis, in de religie is het om troost, vrede, zaligheid
-te doen. De religie en philosophie zijn evenmin als de état théologique,
-métaphysique en positive van A. Comte elkaar historisch
-opvolgende toestanden van den menschelijken geest, maar zijn
-verschillende gezichtspunten, waaronder dikwerf eene zelfde zaak
-beschouwd kan worden. Ook de diepzinnigste wijsgeer komt daarom
-met al zijne kennis boven de religie niet uit; door de wetenschap
-kan hij nimmer zijne religieuse behoefte bevredigen. De
-wetenschap moge hem al zeggen, dat en wat God is; alleen
-door de religie weet hij, dat die God ook zijn God en zijn
-Vader is. De wetenschap moge hem leeren dat er zonde is en
-genade; alleen door de religie wordt hij de zaligheid der vergeving
-en van het kindschap Gods deelachtig. Al kon de wetenschap
-alles weten, en al kon ze alle metaphysische problemen
-oplossen; dan nog gaf ze slechts theoretische kennis, en geen
-persoonlijk deelgenootschap aan de goederen des heils. Niet aan
-het weten, maar alleen aan het gelooven is de zaligheid verbonden.
-Maar het is er verre van af, dat de wetenschap en de
-<span class="pagenum" id="Page_190">[190]</span>
-wijsbegeerte het zoover brengen kan. Juist op de belangrijkste
-vragen blijft zij het antwoord schuldig. De verwachting, die Renan
-in 1848 van de wetenschap koesteren kon, bleek hemzelven in
-1890 niets dan eene illusie te zijn, Renan, L’avenir de la science.
-Pensées de 1848. 2<sup>e</sup> éd. Paris 1890. De wetenschap zegt ons
-noch wat God noch wat de mensch is; zij laat ons onbekend
-met den oorsprong en de bestemming der dingen. De verschijnselen
-neemt ze waar, maar het noumenon blijft haar verborgen.
-Zij kan de religie nimmer vervangen en nooit haar verlies vergoeden,
-Voigt, Fundam. dogm. 120 f. Hartmann, Religionsphilosophie
-II S. 3-27. H. Siebeck, Lehrbuch der Religionsphilosophie,
-Freiburg 1893 S. 1-11. Nitzsch, Ev. Dogm. 92-96. Pfleiderer,
-Grundriss der christl. Gl. u. Sittenlehre §&nbsp;11.</p>
-
-<p class="sep2">11. Anderen hebben daarom de religie omschreven door zedelijk
-handelen en haar zetel in den wil gezocht. Het Pelagianisme in
-zijne verschillende vormen, Semipelag. Socin. Remonstr. Deisme,
-Ration. enz. heeft deze opvatting voorbereid, inzoover de fides bij
-deze richting aangevuld wordt door of zelfs alleen bestaat in eene
-nova obedientia. De leer is dan slechts middel en ondergeschikt,
-hoofdzaak is de liefde, op een deugdzaam, zedelijk leven komt
-het aan. Ook Spinoza heeft naast de intellectualistische deze
-moralistische opvatting. De H. Schrift is Gods woord, omdat ze
-de vera religio, de lex divina bevat, Tract. theol. pol. cap. 12
-§&nbsp;18 sq. Zij bedoelt niets praeter obedientiam, cap. 13 en deze
-obedientia erga Deum bestaat in solo amore proximi, ib. §&nbsp;8.
-Philosophie en geloof zijn zoo onderscheiden, dat gene tot doel
-heeft de veritas, dit de obedientia en pietas, cap. 14 §&nbsp;38. De
-intellectualis sive accurata Dei cognitio is geen gave aan alle
-geloovigen, maar wel de obedientia, deze wordt van allen geeischt,
-cap. 13 §&nbsp;9. Maar vooral Kant heeft aan dit moralisme ingang
-verschaft. De theoretische rede kan n.l. het bovenzinnelijke niet
-bereiken. God, vrijheid, onsterfelijkheid zijn wetenschappelijk niet
-te bewijzen. Zij zijn alleen postulaten van de practische rede tot
-vervulling van de zedewet en tot verkrijging van het hoogste
-goed, d. i. de met deugd verbondene zaligheid. Gelooven is dus
-voor waar houden niet op theoretische maar op practische gronden.
-De moraal wordt grondslag der religie. En religie ist subjektiv
-betrachtet das Erkenntniss aller unserer Pflichten als göttlicher
-<span class="pagenum" id="Page_191">[191]</span>
-Gebote. De religie is hier niet rechtstreeks en onmiddellijk gegrond
-in de menschelijke natuur, maar alleen door het zedelijke heen.
-Ze heeft ook geen eigen inhoud en stof, maar is niets dan eene
-nadere bepaling van het zedelijke; niet in het object maar alleen
-in den vorm ligt het onderscheid tusschen beide. Kant moest dan
-ook erkennen, dat geen godsdienst zich met zijne religie heeft
-tevreden gesteld. Alle godsdiensten bevatten behalve het zuivere
-redegeloof nog vele andere dogmata, een doktrinalen historischen
-Glauben. Maar hij verklaart dit uit de zwakheid der menschelijke
-natuur, die niet licht te overtuigen is, dat een zedelijke wandel
-alles is, wat God van ons eischt. Roeping is het, om den Kirchenglauben
-meer en meer te reinigen en in den zuiveren Vernunftglauben
-te doen overgaan, Religion innerhalb der Grenzen der
-blossen Vernunft, herausg. van K. Rosenkranz 1838. Kant’s
-religie bestond daarom feitelijk in niets anders dan de rationalistische
-trilogie God, deugd, onsterfelijkheid. Maar J. G. Fichte
-ging verder en leidde uit het zedelijk bewustzijn geen ander
-postulaat af, dan dat het ik het gansche niet-ik, de wereld,
-aanzie als het „versinnlichte Material” van zijn plicht, ze erkenne
-als zoo geordend dat zijn zedelijk willen en handelen op de lijn
-ligt van het zedelijke doel van het geheel, m. a. w. dat er eene
-zedelijke wereldorde is. Hier is de religie geheel in ’t zedelijke
-opgegaan. Cf. Ueber den Grund unseres Glaubens an eine göttliche
-Weltregierung 1798. Dit moralisme is in het ethicisme
-verdiept, doordat het moreele niet alleen psychologisch maar ook
-metaphysisch opgevat wordt. De wil, het goede, de liefde is dan
-het eigenlijke zijn, het Ursein, het Absolute; daaruit is alles, de
-triniteit, de wereld, de verlossing te verklaren; die macht van
-het goede realiseert zich in de menschenwereld door middel van
-het zedelijke. Dat is de grondgedachte, waarvan Schelling in zijne
-tweede periode uitging: es gibt in der letzten und höchsten
-Instanz gar kein anderes Sein als Wollen, Wollen ist Ursein,
-Ueber das Wesen der menschl. Freiheit, Sammtl. Werke VII
-331 f. Vooral Rothe heeft dit ethicisme in de theologie overgebracht;
-de Frömmigkeit heeft geen eigen inhoud maar valt in
-concreto met de ware zedelijkheid saam, Theol. Ethik §&nbsp;114-126;
-de kerk gaat daarom ook over in den staat §&nbsp;440. Sedert
-heeft deze ethische richting grooten invloed verkregen. Het ethische
-wordt beurtelings als grondslag (Neokantianen), inhoud
-<span class="pagenum" id="Page_192">[192]</span>
-(Ethischen onder de Vermittelungstheologen en onder de Modernen),
-of zelfs als geheele vergoeding (Morale indépendante. De ethische
-beweging in de religie) van de religie beschouwd. De ethische
-richting onder de Vermittelungstheologen trad in het voetspoor
-van Schleiermacher en Rothe, cf. mijne Theol. van D. Ch. de
-la Saussaye, Leiden 1884, bl. 20 v. Hier te lande zocht Hoekstra
-den grondslag van het godsdienstig geloof in de practische rede,
-in den wil, Bronnen en grondslagen van ’t godsd. geloof 1864
-bl. 23 v. 49 v. 63 v. De bij hem zich aansluitende ethische
-Modernen omschrijven den godsdienst als toewijding aan het
-zedelijk ideaal, als reine zedelijkheid, Dr. Hooijkaas, God in
-de geschiedenis 1870. Godsdienst volgens de beginselen der ethische
-richting onder de Modernen, vier voorlezingen van Hooijkaas,
-Hooijkaas Herderschee, Oort en van Hamel, ’s Bosch 1876. cf.
-Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 1887 bl. 116 v. Rauwenhoff
-zelf stelt het wezen van de religie in het geloof aan eene zedelijke
-wereldorde, Wijsb. v. d. godsd. 373 v. Verwant daarmede
-is de leer der Morale Indépendante, cf. C. Coignet, La morale
-indépendante dans son principe et dans son objet, Paris 1863.
-Vacherot, La religion, Paris 1869 cf. Bibl. v. mod. Theol. 1870
-I 333 v. Caro, La morale indép. Paris 1876. E. Bersier, sur
-la question de la mor. indép. in de Handelingen der Ev. Alliantie
-1867. Cramer, Christendom en Humaniteit 1871 bl. 159 v. en
-evenzoo die ethische beweging, welke uit Amerika in Engeland
-en Duitschland is doorgedrongen, en onverschillig voor allen
-godsdienst geen dogma erkent dan de liefde tot het goede. Zie
-W. M. Salter, De godsdienst der moraal, holl. door Dr. Hugenholtz
-1889, cf. Lamers, De godsd. evenmin moraal als metaphysica
-1885. Bibl. v. mod. Theol. 1887, 4<sup>e</sup> st. bl. 579. Kuenen
-in de Hervorming 1888, antwoord van Salter ib. 15 Dec. 1888.
-Dr. Felix Adler, Die ethischen Gezellschaften, Berlin, Dümmler
-1892. Die ethische Bewegung in Deutschland, vorbereitende
-Mittheilungen eines Kreises gleichgesinnter Männer u. Frauen
-zu Berlin, ib. 1892. St. Coit, Die ethische Bewegung in der
-Religion, vom Verf. durchges. Uebersetzung v. Gizycki. Leipzig,
-Reisland 1890. Daartegen: Dr. M. Keibel, Die Religion u. ihr
-Recht gegenüber dem modernen Moralismus. Halle, Pfeffer, 1892.
-Ook Otto Dreyer, Undogmatisches Christenthum, Braunschweig
-1888; Egidy, Ernste Gedanken, Leipzig 1890 (cf. Gids Mei 1893);
-<span class="pagenum" id="Page_193">[193]</span>
-H. Drummond, Summum Bonum, Pax Vobiscum, The spiritual
-law in the natural world; Tolstoi, Vernunft u. Dogma, Wie ist
-mein Leben? beide bij Otto Janke, Berlin. Worin besteht mein
-Glaube, Leipzig 1885 enz. ijveren voor een ondogmatisch, practisch,
-zedelijk Christendom, een Christendom der Bergrede.</p>
-
-<p class="sep2">12. Nu lijdt het geen twijfel dat godsdienst en zedelijkheid
-met elkaar in ’t nauwste verband staan. Die verwantschap blijkt
-ten eerste hieruit dat de religie zelve eene zedelijke verhouding
-is. De religie berust wel op eene mystieke unie van God en
-mensch, maar is zelve geen substantieele gemeenschap van beiden,
-maar een ethische relatie van den mensch tot God. God heeft
-geen religie; maar Gods inwoning in den mensch kweekt van
-zijne zijde die relatie tot God, welke wij religie noemen,
-Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Deze relatie is
-daarom van ethischen aard; zij is geregeld in die zelfde lex
-moralis, welke ook de andere verhoudingen des menschen tot
-zijne medeschepselen bepaalt; alle religieuse handelingen des
-menschen zijn zedelijke plichten, en heel de religie is een zedelijk
-gebod. Omgekeerd is het zedelijk leven ook weer een dienst Gods.
-Weduwen en weezen te bezoeken Jak. 1:27, is geen in eigenlijken
-zin godsdienstige handeling, maar kan toch godsdienst
-heeten, omdat de godsdienst zich daarin betoonen en bevestigen
-moet. De scholastiek maakte daarom onderscheid tusschen actus
-eliciti en actus imperati van de religie, Thomas, S. Theol. II
-2 qu. 81 art. 1. Geloof zonder werken, zonder liefde, is een dood
-geloof. De liefde tot God bewijst zich voor ons in de liefde tot
-den naaste Jer. 22:16. Jes. 1:11 v. 1 Joh. 2:3 v. Jak. 2:17
-enz. Heel ons leven behoort een dienst Gods te wezen. Het
-opschrift: Ik ben de Heere uw God, staat ook boven de geboden
-der tweede tafel. Liefde is het ééne groote beginsel, dat de gansche
-wet vervult, Rom. 13:13. De zedewet is één organisch geheel,
-zoodat wie één gebod overtreedt, de geheele wet schendt Jak.
-2:10. De naaste moet om Gods wil bemind worden, en de zonde
-tegen den naaste is ook eene zonde tegen God. Deze verhouding
-van godsdienst en zedelijkheid maakt het reeds duidelijk, dat
-de zedelijkheid nooit den inhoud noch ook den grondslag der
-religie uitmaken kan. In weerwil toch van hunne innige verwantschap,
-zijn beide wezenlijk onderscheiden. Godsdienst is
-<span class="pagenum" id="Page_194">[194]</span>
-altijd eene verhouding tot God, zedelijkheid tot de menschen;
-godsdienst heeft tot principe de πιστις, zedelijkheid de ἀγαπη;
-godsdienst openbaart zich in die religieuse handelingen, welke
-samen een cultus in- en externus vormen, zedelijkheid betoont
-zich in de daden van gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid
-enz. tegenover den naaste; de religie is geregeld in de eerste,
-de zedelijkheid in de tweede tafel der wet. Dit onderscheid tusschen
-religie en ethos kan door het pantheïsme niet gehandhaafd
-worden, omdat God hier niet een eigen, van de wereld onafhankelijk
-bestaan heeft; eene persoonlijke relatie tusschen God en
-mensch is er hier niet mogelijk; de liefde tot God kan zich dan
-niet anders uiten dan in de liefde tot den naaste. Ook het deïsme
-kan, wegens de loochening der gemeenschap van God en mensch,
-geen eigenlijke religie kweeken. Er is nog wel geloof aan God,
-maar geen dienen van God anders dan in de vervulling der zedelijke
-geboden. Maar op theïstisch standpunt staat de mensch in relatie
-tot de wereld maar ook in eene eigene, onderscheidene relatie
-tot God als een persoonlijk wezen. Religie is daarom iets wezenlijk
-anders dan zedelijkheid en openbaart zich in eene eigen reeks van
-daden. Indien dit echter zoo is, dan kan ook de moraal niet de
-grondslag der religie zijn, maar moet omgekeerd deze de basis
-vormen voor gene. De relatie tot God is dan de primaire en de
-centrale, welke alle andere verhoudingen des menschen bepaalt.
-Zoowel historisch als logisch is de moraal altijd in de religie
-gegrond. De religie dringt de zedelijke plichten aan, en de moraal
-zoekt de sanctie der religie. Eene autonome moraal komt in de
-werkelijkheid nergens voor. Overal en bij alle volken vindt de
-zedelijkheid haar laatsten grond en haar laatste doel in den godsdienst.
-De zedelijkheid verliest den bodem onder haar voet, als
-ze van de goddelijke autoriteit in de conscientie wordt beroofd.
-Alle Moral hat sich geschichtlich aus der Religion entwickelt,
-und wenn auch die so entwickelten geistigen Anlagen der Menschheit
-zur Sittlichkeit Dank ihrer Herkunft eine Zeit lang selbstständig
-fortbestehen können, wenn sie von ihrem Mutterboden
-abgelöst werden, so ist doch diese selbstständige Existenzfähigkeit
-zeitlich sehr begrenzt und schon in der zweiten Generation machen
-zich deutlich die Symptome des Verfalls der Sittlichkeit bemerkbar,
-E. v. Hartmann, Relig. philos. II 59. Materieel zijn natuurlijk
-lang niet alle verplichtingen en handelingen, die de menschen
-<span class="pagenum" id="Page_195">[195]</span>
-voor zedelijk houden, in overeenstemming met den wil van God.
-Maar het formeele, dat wat allen plicht tot onvoorwaardelijken
-plicht maakt, wat den mensch in de conscientie bindt, dat is
-van God. Er is geen moraal zonder metaphysica. Menschen,
-gewoonten, zeden enz. kunnen niet absoluut verplichten in de
-conscientie. Dat kan God alleen. Daarom is het geweten sacrosanct
-en gewetensvrijheid een onverbiddelijke eisch en een onvervreemdbaar
-recht. De geboden en verboden, die niet vastliggen in de
-conscientie, worden niet als zedelijk gevoeld. Eene wet, die geen
-fundament heeft in het volksgeweten, is machteloos. Krachtens
-dit verband is er ook eene wederkeerige inwerking van godsdienst
-en zedelijkheid op elkander. Tijdelijk kunnen ze zoowel in een
-individu als in een volk uiteenvallen en zelfs met elkaar strijden.
-Maar ze kunnen niet rusten, voordat ze in harmonie en evenwicht
-zijn. Wat in de religie wordt goedgekeurd, kan in de
-moraal niet worden veroordeeld, en omgekeerd. De verhouding
-tot God en tot de menschen moet beide éénzelfde zedelijk karakter
-dragen, in éénzelfde zedewet geregeld zijn. Religie en moraal,
-cultus en cultuur moeten wortelen in éénzelfde beginsel. Dat is
-in het Christendom het geval. De liefde is de vervulling der
-wet, en de band der volmaaktheid. H. Schultz, Religion und
-Sittlichkeit in ihrem Verhältniss zu einander, religionsgeschichtlich
-untersucht (Stud. u. Kr. 1883 Heft 1 S. 60-130). J. Köstlin,
-Rel. u. Sittl. (Stud. u. Kr. 1870). Pfleiderer, Moral u. Religion,
-Haarlem 1872. Rothe, Theol. Ethik §&nbsp;114 f. Martensen, Die
-christl. Ethik 3<sup>e</sup> Aufl. 1878 I 19-33. Janet, La morale, Paris
-1874 p. 596 s. Hoekstra, Godsdienst en zedelijkheid Theol.
-Tijdschr. II bl. 117 v. Id. Wijsg. Godsdienstleer I 251 v. Lamers,
-Godsd. en zedel. Amst. 1882. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der
-Religionsgesch. I 166 f. C. Stage, Relig. u. Sittl. Vortrag.
-Berlin, Bibliogr. Bureau 1894. Lamers, De Wetenschap v. d.
-godsd. II 167 v. Hugenholtz, Studiën op godsdienst- en zedekundig
-gebied, Amst. 1884 I passim. Hartmann, Religionsphilosophie
-2<sup>e</sup> Aufl. II 55-64. Siebeck, Handbuch der Rel. Phil.
-S. 243 f. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion, Basel 1881
-S. 124 f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 96 f.</p>
-
-<p class="sep2">13. Eindelijk zijn er ook nog, die aan de religie eene plaats
-geven in het gevoel en daarvoor soms zelfs een afzonderlijk vermogen
-<span class="pagenum" id="Page_196">[196]</span>
-in den mensch aannemen. Mysticisme en pietisme hadden
-in vroeger tijd daarvoor reeds den weg gebaand. Maar eerst door
-de Romantiek der vorige eeuw is deze opvatting een tijd lang
-tot heerschappij gekomen. De Romantiek was in het algemeen
-eene reactie van het vrije, ongebondene gemoedsleven tegen het
-objectieve, alles bindende en regelende klassicisme. Het subject
-verhief zich boven de wetten, die op ieder terrein van het leven
-aan zijn spontane uiting waren gesteld; de phantasie hernam hare
-rechten tegenover het verstand; de organische beschouwing kwam
-in de plaats van de mechanische; de idee van het worden verdrong
-die van het maken. Op elk gebied ging het oog open voor
-het vrije, het natuurlijke, het geniale; wording, groei, ontwikkeling
-was de wijze, waarop de dingen ontstonden; niet het nuttige
-maar het schoone, niet proza maar poëzie, niet arbeid maar spel,
-niet Machwerk maar kunst had de hoogste waarde. De gemaniereerdheid
-van vroeger sloeg om in eene oppervlakkige sentimentaliteit.
-Zoodanig was de beweging, die in Engeland haar
-tolk vond in Young, Southey, Wordsworth, S. T. Coleridge. In
-Frankrijk werd ze ingeleid door Rousseau, die in zijne profession
-de foi du vicaire Savoyard (Emile, livre 4) heel zijne deistische
-dogmatiek en moraal opbouwt uit het gevoel: le sentiment est
-plus que la raison, notre sensibilité est antérieure à notre intelligence.
-In Duitschland opende Winckelmann de oogen voor de
-schoonheid der grieksche kunst; Lessing stelde tegen de poëzie
-van het Fransche klassicisme het genie van Shakespeare over;
-Herder wees in de historie de openbaring en werking aan der
-eeuwige, goddelijke natuur; Hamann, Claudius, Lavater, Stilling
-gingen uit van de rijke subjectiviteit en stelden deze tegenover
-de platte, mechanische opvatting van de Aufklärung; Kant en
-Fichte plaatsten het ik van den mensch op den voorgrond.
-Overal was er eene breuke met de objectiviteit; het subject
-werd absoluut principe. Onder dezen invloed beriep Jacobi zich
-op het gevoel, als het unmittelbare Vernehmen des Göttlichen.
-Religie is gevoel voor ’t ware, schoone en goede; bewondering,
-liefde, achting voor het goddelijke; en zulk een gevoel is ons
-aangeboren als Grundtrieb der menschlichen Natur, Werke II 59
-f. 194 f. enz. Het aesthetisch rationalisme van Jacobi werd door
-Fries en de Wette zoo uitgewerkt, dat ze eene strenge scheiding
-maakten tusschen de empirisch-mathematische wereldbeschouwing
-<span class="pagenum" id="Page_197">[197]</span>
-des verstands en de ideale, aesthetisch-religieuse wereldbeschouwing
-des gevoels. Schleiermacher’s opvatting van de religie is uit
-diezelfde romantische richting te verklaren. In de tweede rede uit
-zijne Reden über die Religion 1799 omschrijft hij de religie als
-het onmiddellijk bewustzijn van het zijn van al het eindige in en
-door het oneindige. Zij is geen weten en geen doen, geen metaphysica
-en geen moraal, maar gevoel van het oneindige. Object
-van dat gevoel is geen persoonlijk God, met wien de mensch in
-gemeenschap leeft, maar het universum, de wereld als geheel,
-als eenheid gedacht. En orgaan voor het gewaarworden van dat
-oneindige is niet verstand, rede of wil, maar het gevoel, de richting
-van het gemoed op en de zin voor het oneindige. Nader
-wordt dit gevoel niet omschreven. En nog vager is het antwoord
-op de vraag, wanneer dat gevoel bepaald religieus gevoel
-wordt. Schleiermacher antwoordt daarop in de 3<sup>e</sup> rede slechts in
-overdrachtelijke taal: men moet zijn gevoel zoo wijd mogelijk
-voor de wereld als geheel ontsluiten, alles in het eene en het
-eene in alles beschouwen, al het bijzondere opvatten als eene
-openbaring van het oneindige enz. Dit alles zegt niet veel; het
-schijnt, dat ten slotte ieder gevoel religieus is, hetwelk door het
-wereldgeheel wordt opgewekt en ons de hoogste eenheid openbaart.
-In elk geval is het religieus gevoel niet duidelijk tegenover
-het aesthetische begrensd. In de Glaubenslehre treffen we in den
-grond der zaak dezelfde opvatting aan. Ook hier is de vroomheid
-gevoel §&nbsp;3, en wel volstrekt afhankelijkheidsgevoel §&nbsp;4. Maar
-er is toch een dubbel verschil. In de Reden was God het geheel,
-in de Glaub. is Hij de absolute causaliteit der wereld; dienovereenkomstig
-was het gevoel daar zin voor het oneindige, en
-hier onmiddellijk zelfbewustzijn en volstrekte afhankelijkheid.
-God krijgt hier meer een eigen, van de wereld onderscheiden
-bestaan, en de religie daarom ook een eigen, van het gevoel voor
-de wereld, onderscheiden inhoud. Er is dus eenige toenadering
-tot het theisme te bespeuren. Maar de grondgedachte is toch in
-zoover dezelfde, als God niet transcendent gedacht wordt boven
-maar alleen immanent in de wereld, en het orgaan voor het
-goddelijke niet is de rede, het geweten enz. maar het gevoel.
-Deze opvatting der religie is niet alleen door sommige Vermittelungstheologen,
-zij het ook met wijziging overgenomen, maar
-wordt in beginsel gevonden bij allen, die naast de mechanische
-<span class="pagenum" id="Page_198">[198]</span>
-nog eene aesthetische wereldbeschouwing trachten op te bouwen
-en daarin de religie opnemen of zelfs geheel laten opgaan.
-Lange Gesch. des Mater. S. 830 zegt, dat de kern der religie
-bestaat, niet in eene leer over God enz., maar in de verheffing
-des gemoeds boven de werkelijkheid en in de Erschaffung einer
-Heimath der Geister. Boven de wereld der feiten, die Welt des
-Seienden, bouwt de mensch door zijne phantasie eene Welt der
-Werthe, eene Welt der Dichtung. Pierson, Eene levensbeschouwing,
-huldigt eene dergelijke ideaalvorming; het gevoel des menschen,
-van buiten opgewekt, schept uit de voorstellingen, die het
-verstand uit de zinlijk waarneembare wereld verkrijgt, religieuse,
-ethische, aesthetische idealen, die wel geen onafhankelijk van
-ons bestaande realiteiten maar toch van groote waarde zijn
-voor ons leven, bl. 113-179. Opzoomer nam zelfs een afzonderlijk
-religieus gevoel aan en zag daarin de bron der religieuse
-voorstellingen, De weg der wetenschap, een handboek der logika
-1851 §&nbsp;15. De Godsdienst bl. 126-140. Het wezen der kennis,
-leerboek der logica §&nbsp;14. Rauwenhoff acht het wezen der religie
-wel gelegen in het geloof aan eene zedelijke wereldorde maar
-schrijft toch den vorm der religie, vereering van een persoonlijk
-God, toe aan de phantasie. Cf. ook Guyau, L’irreligion de l’avenir,
-Paris, Alcan, 1887. Dr. R. Koch, Natur und Menschengeist,
-Berlin 1891 enz.</p>
-
-<p class="sep2">14. Ook bij deze opvatting is het zonder tegenspraak, dat het
-gevoel in de religie eene belangrijke plaats inneemt. Religieuse
-voorstellingen op zich zelve en zonder meer zijn nog geen religie;
-eerst dan ontstaat deze, wanneer de mensch tot het object dier
-voorstellingen in eene werkelijke, persoonlijke relatie treedt. En
-zulk eene persoonlijke verhouding tot God kan niet anders dan
-inwerken op het gevoel; zij laat den mensch niet koud en onverschillig,
-maar roert hem tot in het diepste van zijn gemoed; zij
-wekt in hem een sterk gevoel van lust en onlust en kweekt eene
-gansche reeks van aandoeningen, schuldbewustzijn, smart, berouw,
-leedwezen, droefheid, vreugde, blijdschap, vertrouwen, vrede, rust
-enz. De religie maakt de diepste en teederste aandoeningen wakker
-in het menschelijk hart. Geen macht is er, die dieper, algemeener,
-sterker aangrijpt en roert. Alle deze door de religieuse
-voorstellingen opgewekte aandoeningen, geven aan de religie warmte,
-<span class="pagenum" id="Page_199">[199]</span>
-innigheid, leven, kracht, in tegenstelling met de doodigheid van
-het intellectualisme en de koudheid van het moralisme. Het hart
-is het centrum der religie.</p>
-
-<p>Maar daarom is het gevoel nog niet de eenige religieuse functie,
-niet de eenige zetel en bron der religie. Het gevoel, hier genomen
-niet als een afzonderlijk vermogen, wat het niet is, maar
-als het geheel der hartstochten en aandoeningen, is uitteraard
-passief; het reageert alleen op datgene, wat door het bewustzijn
-er mede in aanraking wordt gebracht, en wordt dan tot een gevoel
-van lust of onlust. Het heeft niets in zichzelf en brengt niets
-uit zichzelf voort, maar beoordeelt de dingen, de voorstellingen,
-die van buiten komen, alleen daarnaar of ze aangenaam of onaangenaam
-zijn. Op zichzelf is het gevoel, is elke aandoening noch
-goed noch kwaad, noch waar noch onwaar. Dit zijn kategorieën
-niet eigenlijk van de aandoeningen, maar van de voorstellingen.
-Van de aandoeningen kunnen ze alleen gebruikt worden, inzoover
-deze door ware of onware voorstellingen worden opgewekt, en
-door goede of kwade wilsrichtingen worden begeleid. In de religie
-is daarom ook niet het gevoel, maar het geloof, de religieuse
-voorstelling, het eerste; maar dat geloof werkt dan ook in op
-het gevoel. Wanneer echter, gelijk bij Schleiermacher, het gevoel
-van het geloof, van de religieuse voorstelling wordt losgemaakt
-en tot eigen en eenige bron en zetel van de religie wordt gemaakt,
-dan verliest het gevoel zijne qualiteit, wordt het geheel
-onafhankelijk van de kategorie van waar en onwaar, van goed
-en kwaad, en is eigenlijk elk gevoel als zoodanig reeds religieus,
-waar, goed en schoon. En dat was de schromelijke fout van
-heel de romantiek.</p>
-
-<p>Natuurlijk ligt dan ook de dwaling voor de hand, om het
-religieus gevoel te verwarren en te vereenzelvigen met het zinnelijk
-en met het aesthetisch gevoel. Uit de historie is aan ieder de
-verwantschap en de overgang bekend van religieuse en zinnelijke
-liefde. Maar even gevaarlijk is de vermenging van religieus en
-aesthetisch gevoel, van godsdienst en kunst. Beide zijn wezenlijk
-onderscheiden. Religie is leven, werkelijkheid; de kunst is ideaal,
-schijn. De kunst kan de klove niet dempen tusschen ideaal en
-werkelijkheid. Zij heft ons wel een oogenblik boven de werkelijkheid,
-en doet ons leven in het rijk der idealen. Maar dit
-heeft alleen plaats in de phantasie. De werkelijkheid blijft er
-<span class="pagenum" id="Page_200">[200]</span>
-dezelfde om. De kunst toont ons wel in de verte het rijk der
-heerlijkheid, maar zij brengt er ons niet in en maakt er ons
-geen burgers van. Zij verzoent niet onze schuld, zij droogt niet
-onze tranen, zij troost ons niet in leven en sterven. Zij maakt
-het Dort niemals Hier. Dat doet de religie alleen. Zij is en
-geeft realiteit. Zij schenkt leven en vrede. Zij poneert het ideaal
-als waarachtige werkelijkheid en maakt er ons deelgenoot van.
-Daarom kan het aesthetisch gevoel nooit het religieus gevoel,
-de kunst nooit de religie vervangen. Wel staan beide in verband.
-Religie en kunst zijn van den aanvang af nauw verbonden geweest;
-het verval der eene bracht dat der andere mede; de laatste drijfkracht
-der kunst lag in de religie. Cf. G. Portig, Religion und
-Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss, Iserlohn 1879-’80.
-I 5. 85. 90. 225 enz. Paulsen, System der Ethik, Berlin, Hertz
-1889 S. 434 f. In de religie, bepaald ook in den cultus, heeft
-de phantasie haar recht en haar waarde. Beim religiösen Process
-ist allerdings auch die Phantasie betheiligt, aber nicht als Erzeugingsprincip,
-sondern nur als Belebungsprincip. Die Einbildungskraft
-kan immer nur bereits gegebene Stoffe und Triebe gestalten,
-aber nie kan sie die Religion selbst erst schaffen, Nitzsch, Lehrb.
-der ev. Dogm. 91. Maar de Schaubühne is allerminst voor moralische
-Anstalt (Schiller) geschikt. Het theater kan de kerk en
-Lessings Nathan den Bijbel niet vervangen (Strauss). Idealen en
-scheppingen der phantasie zijn geen vergoeding voor de realiteit,
-die de religie biedt. Het religieus gevoel, hoe innig en diep het
-overigens ook zijn moge, is dan alleen zuiver, wanneer het door
-ware voorstellingen opgewekt wordt, Hartmann, Religionsphilosophie
-II 27-55. S. Hoekstra, Godsdienst en Kunst 1859.
-Lamers, Wetenschap v. d. godsd. II 164 v. Nitzsch, Lehrb.
-der ev. Dogm. S. 97 f.</p>
-
-<p class="sep2">15. Resultaat is derhalve, dat de religie niet tot één van
-’s menschen vermogens beperkt is, maar den ganschen mensch
-omvat. De verhouding tot God is een totale en centrale. Wij
-moeten God liefhebben met geheel ons verstand en met geheel
-onze ziel en met al onze krachten, enz. Juist wijl God God is,
-eischt hij ons geheel op, naar ziel en lichaam, met alle vermogens
-en in al onze relatiën. Wel is er orde ook in deze verhouding
-van den mensch tot God. Ook hier bestaat en werkt
-<span class="pagenum" id="Page_201">[201]</span>
-iedere faculteit in den mensch naar haar eigen aard. De kennis
-is het eerste; geen rechte dienst van God zonder rechte kennis.
-Ignoti nulla cupido. Onbekend is onbemind. Die tot God gaat,
-moet gelooven, dat Hij is en een belooner dergenen die Hem
-zoeken, Hebr. 11:6. Het geloof is uit het gehoor, Rom. 10:13,
-14. De Heidenen kwamen tot afgoderij en ongerechtigheid, omdat
-ze God niet in erkentenis hielden, Rom. 1:18 v. Maar die kennisse
-Gods dringt door in ’t hart en wekt daar allerlei aandoeningen
-van vreeze en hope, droefheid en vreugde, schuldgevoel
-en vergeving, ellende en verlossing, gelijk ze heel de Schrift
-door, bovenal in de psalmen, ons worden geteekend. En door het
-hart heen werkt ze weder op den wil; het geloof openbaart zich
-in de liefde, in de werken, Jak. 1:27. 1 Joh. 1:5-7. Rom.
-2:10, 13. Gal. 5:6. 1 Cor. 13, enz. Hoofd, hart en hand
-worden gelijkelijk, schoon ieder op zijne wijze, door de religie
-in beslag genomen; zij neemt den ganschen mensch, ziel en
-lichaam, in haar dienst. Daarom komt de religie ook met alle
-andere machten der cultuur in aanraking, inzonderheid met wetenschap,
-zedelijkheid en kunst. Proudhon zei eenmaal: il est étonnant,
-qu’au fond de toutes les choses nous retrouvons la théologie.
-Maar Donoso Cortes heeft daarop terecht geantwoord: dans ce
-fait il n’y a rien d’étonnant que l’étonnement de Mr. Proudhon.
-De religie als Verhouding tot God wijst de plaats aan, waarin
-de mensch tegenover alle andere schepselen staat. Zij bevat
-dogma, wet en cultus en staat daarom met wetenschap, zedelijkheid
-en kunst in nauw verband. Ze omvat den ganschen mensch,
-in zijn denken, gevoelen en handelen, in zijn gansche leven,
-overal en ten allen tijde. Er valt niets buiten de religie. Zij
-breidt haar macht uit over heel den mensch en de menschheid,
-over gezin en maatschappij en staat. Zij is de grondslag van het
-ware, het goede en schoone. Zij brengt eenheid, samenhang,
-leven in wereld en geschiedenis. Uit haar namen wetenschap,
-zede en kunst haar oorsprong; tot haar keeren ze weer en vinden
-ze rust. Zij is het begin en het einde, de ziel van alles, het
-hoogste en diepste. Wat God voor de wereld is, dat is de religie
-voor den mensch, Staudenmaier, Encyklopädie der theol. Wiss.
-1834 S. 114 f. 146.</p>
-
-<p>En toch is ze van alle machten der cultuur onderscheiden en
-bewaart ze tegenover die alle hare zelfstandigheid. De religie is
-<span class="pagenum" id="Page_202">[202]</span>
-centraal, wetenschap, zede en kruist zijn partieel. De religie
-omvat den ganschen mensch, maar wetenschap, zede, kunst
-wortelen in de verschillende vermogens van verstand, wil en
-gemoed. De religie bedoelt niets minder dan eeuwige zaligheid
-in de gemeenschap met God; wetenschap, zede en kunst zijn tot
-de schepselen beperkt en willen dit leven verrijken door het ware
-en goede en schoone. Zoo is dan de religie met niets gelijk te
-stellen; zij neemt in ’t leven en de geschiedenis der menschheid
-eene eigene en zelfstandige, eene eenige en allesbeheerschende
-plaats in. Haar onmisbaarheid kan zelfs daaruit worden bewezen,
-dat de mensch op hetzelfde oogenblik dat hij de religie als een
-waan verwerpt, toch een of ander creatuur weer maakt tot zijn
-God, en op andere wijze vergoeding zoekt voor zijne religieuse
-behoefte, in den dienst der menschheid (Comte), in zedelijk
-idealisme (Salter), in ideaalvorming (Lange, Pierson), in spiritisme,
-theosophie (Mad. Blavatzky, Mrs. Besant), of in andere
-religies zooals het Buddhisme, Mohammedanisme enz. Cf. H.
-Druskowitz, Moderne Versuche eines Religionsersatzes. Heidelberg
-1886. Id. Zur neuen Lehre. 1888.</p>
-
-<h4>C. Oorsprong der religie.</h4>
-
-<p>16. Van den oorsprong der religie is er nog evenmin als van
-dien der taal eene bevredigende verklaring. De afleiding der
-religie uit vrees, uit priesterbedrog, uit onkunde, is nog wel
-altijd in sommige atheistische kringen gangbaar, maar vindt toch
-geene wetenschappelijke verdediging. Darwin, de Afstamming des
-menschen, vert. door Dr. Hartogh Heys van Zouteveen 3<sup>e</sup> dr.
-1884 I p. 127 v. zoekt de religie in kiem, embryonisch, reeds
-bij de dieren, in de liefde bijv. welke een hond gevoelt voor zijn
-meester, en die gepaard gaat met een gevoel van ondergeschiktheid
-en vrees. Maar deze analogie gaat om verschillende redenen
-niet op. Vooreerst weten wij van het inwendig, psychisch leven
-der dieren weinig af; verder is godsdienst altijd verbonden met
-vereering, cultus, en eene godsdienstige handeling, zooals gebed,
-offer enz. komt bij de dieren niet voor; en voorts zijn er in de
-dieren ongetwijfeld zekere eigenschappen van trouw, aanhankelijkheid
-enz., maar deze maken toch nog evenmin de religie uit, als
-diezelfde eigenschappen onder menschen tegenover elkander reeds
-<span class="pagenum" id="Page_203">[203]</span>
-religie zijn; het eigenlijk object der religie, eene bovenzinlijke
-macht, is aan de dieren geheel onbekend. Het blijft daarom
-vooralsnog bij het woord van Lactantius, Instit. div. 7, 9 religio
-est paene sola, quae hominem discernit a brutis, cf. Hegel, Vorlesungen
-über die Religion I 207. Abr. d. A. v. d. Hoeven, De
-godsdienst het wezen van den mensch. 1848. bl. 29 v. Hartmann,
-Religionsphil. I S. 3-11. Saussaye, Lehrb. d. Relig. gesch.
-I 10 f. Lamers, Wet. v. d. godsd. II 150 v. Hoekstra, Wijsg.
-godsdienstleer I 1 v. De verklaring der religie uit het animisme,
-E. B. Tylor, Primitive Culture 1872, uit het feticisme, Fr.
-Schultze, Der Fetischismus, ein Beitrag zur Anthropologie und
-Religionsgeschichte 1871, en uit de vereering der voorouders, H.
-Spencer, Ecclesiastical Institutions, being part VI of the principles
-of sociology, Londen 1886, §&nbsp;583 etc. gaat uit van de geheel
-willekeurige onderstelling, dat de laagste vormen van religie de
-primitieve zijn, en houdt begeleidende verschijnselen van de religie
-voor haar wezen. Ook de poging van Max Müller, bv. in zijn
-De oorsprong en de ontwikkeling van den godsdienst nagegaan
-in den godsdienst van Indië, Utrecht 1879, om den godsdienst af
-te leiden uit het gevoel van het oneindige, heeft terecht weinig
-ingang gevonden; de waarneming van het eindelooze in de natuur
-leidt immers op zichzelf en zonder meer nog volstrekt niet tot
-het begrip van het oneindige en nog veel minder tot de vereering
-van den Oneindige, van God. Even onaannemelijk is de hypothese,
-welke den oorsprong der religie zoekt in den causaliteitsdrang, in
-de behoefte des menschen aan eene verklaring van wereld en
-leven, cf. Peschel, Völkerkunde 1881 S. 244 f. Voigt, Fundamentaldogm.
-1874 S. 94 f., want religie is in weerwil van alle
-verwantschap essentieel van metaphysica en philosophie verschillend
-en beantwoordt aan geheel andere behoeften van den mensch.
-En eindelijk zijn er ook weinigen meer, die met Cicero de nat.
-deor. 1,15. 2,5. Sextus Emp. 9,18 en de optimistische rationalisten
-der vorige eeuw de religie laten ontstaan uit de kinderlijke
-poezie, het dankbaar gevoel, de naieve vreugde, welke bij
-den onschuldigen natuurmensch werden opgewekt door de heerlijke
-en zegenrijke natuur, en die hem opleidden tot de erkenning
-en vereering van een bovennatuurlijk wezen, hetwelk dat alles
-schonk, cf. nog Pfleiderer, Relig. phil. II 24 f.; de wetenschap
-ziet tegenwoordig in die schildering van de onschuld der natuurmenschen
-<span class="pagenum" id="Page_204">[204]</span>
-en van de schoonheid en weldadigheid der natuur niets
-anders dan eene poetische idylle. De werkelijkheid toont ons
-overal een moeielijken struggle for life.</p>
-
-<p>Daarom heerscht er thans dan ook eene gansch andere voorstelling
-over den oorsprong der religie. De natuur staat menigmaal
-vijandig tegen den mensch over. Zij heeft het met haar
-stormen en onweders, met haar verzengende hitte en snerpende
-koude, met haar woedende krachten en onbeteugelde elementen op
-het bestaan en het leven van den mensch toegelegd. Hij ziet zich
-voortdurend verplicht, om tegenover haar zijn leven te beschermen,
-zijn bestaan te handhaven. Maar hij is zwak en machteloos.
-En zoo roept hij dan in het bange conflict tusschen zichzelf en
-de natuur, tusschen zelf- en noodgevoel, eene onzienlijke macht
-te hulp, die boven de natuur staat en hem helpen kan in den
-strijd. De mensch wil gelukkig zijn, maar hij is het niet en kan
-het ook door eigen kracht niet worden; daarom tracht hij in den
-godsdienst al die persoonlijke machten gunstig voor zich te stemmen,
-welke naar zijne voorstelling in de natuurverschijnselen
-aanwezig zijn. Deze verklaring van den godsdienst heeft het
-eigenaardige, dat zij de religie laat ontstaan niet uit theoretische
-maar bepaald uit practische motieven; niet uit voorstellingen,
-maar uit aandoeningen van vrees, angst, noodgevoel enz. Zij is
-in zoover een terugkeer tot het primus in orbe deos fecit timor
-van Petronius. Voorts wordt zij reeds aangetroffen bij Hume, cf.
-Stud. u. Krit. 1890, 2<sup>tes</sup> Heft S. 245, en in het Système de la
-nature, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. 1883 I 386, maar
-is vooral in den nieuweren tijd in zeer wijden kring aangenomen
-als de beste oplossing van de vraag naar den oorsprong der
-religie. Toch komt zij niet bij allen in denzelfden vorm voor.
-Sommigen zeggen, dat de godsdienst ontstond uit den Selbsterhaltungstrieb
-in het algemeen; de mensch wil in den godsdienst
-eenig goed deelachtig worden, welk goed dit ook zij, een zinnelijk,
-physisch, egoistisch goed of ook een zedelijk, geestelijk goed;
-hij wil in één woord een gelukkig leven, bevrijding van physisch
-of ook van ethisch kwaad. Zoo W. Bender, Das Wesen der
-Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung Bonn 1886.
-Ed. Zeller, Ursprung u. Wesen der Religion (Vorträge und Abhandlungen,
-II 1877 S. 1-83). J. Kaftan, Das Wesen der
-christl. Religion, Basel, Bahnmaier 1881. S. 38 f. H. Siebeck,
-<span class="pagenum" id="Page_205">[205]</span>
-Lehrb. der Religionsphilos. 1893 S. 58 f. Anderen zoeken den
-oorsprong der religie bepaald in de ethische Selbstbehauptung, in
-het handhaven des menschen van zijne zedelijke vrijheid en waarde
-tegenover de noodwendigheid en den dwang der physische wereld.
-Kant postuleerde op deze wijze reeds op grond van ’s menschen
-zedelijke natuur het bestaan van een God, die de wereld der
-noodwendigheid dienstbaar maken kon aan die der vrijheid, de
-natuurwet aan de zedewet, de physis aan den ethos. En op
-dezelfde wijze redeneeren Ritschl, Die christl. Lehre von der
-Rechtf. u. Versöhnung, 2<sup>e</sup> Aufl. III 1883 S. 186. W. Herrmann,
-Die Religion im Verhältniss zum Welterkennen und zur Sittlichkeit,
-Halle, Niemeyer 1879. S. 267 f. cf. ook Rauwenhoff, Wijsbeg.
-v. d. godsd. 94 v. Eindelijk zijn er ook nog, die in de religie
-niet alleen een ethisch maar ook een mystisch element erkennen,
-en die haar daarom niet min of meer in eene vrije wilsdaad maar
-in de natuur van den mensch gegrond achten; de mensch zoekt
-volgens dezen in den godsdienst wel zeker ethische Selbstbehauptung,
-maar toch ook nog iets anders en meer, n.l. gemeenschap
-met, leven in God, en daardoor juist ook vrijheid tegenover de
-wereld; de religie is allereerst eene verhouding tot God, en
-daarna tot de wereld. Zoo Pfleiderer, Religionsphilosophie, 2<sup>e</sup> Aufl.
-Berlin 1883. II 28 f. Id. Grundriss der christl. Glaubens- und
-Sittenlehre. 3<sup>e</sup> Aufl. Berlin, Reimer 1886 §&nbsp;10. Lipsius, Lehrb.
-der ev. prot. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. 1879 §&nbsp;18. Nitzsch, Lehrb. der
-ev. Dogm. S. 99 f.</p>
-
-<p class="sep2">17. Toch kan deze verklaring van den godsdienst, hoe algemeen
-ook aangenomen, niet bevredigen. Ten eerste blijft hier
-de Godsidee onverklaard. Gewoonlijk zegt men, dat de onontwikkelde,
-kinderlijke natuurmensch tusschen het persoonlijke en
-onpersoonlijke geen onderscheid maakt, de krachten in de natuur
-zich denkt naar analogie van zichzelf en alle dingen door zielen,
-geesten bewoond acht. Grondslag en onderstelling voor de religie
-is dan de zoogenaamde animistische wereldbeschouwing. Maar
-vooreerst is het zeer onwaarschijnlijk, dat het voor de hand
-liggend onderscheid tusschen persoonlijke wezens en onpersoonlijke
-dingen aan de eerste menschen onbekend is geweest. Vervolgens
-is het geloof aan zielen en geesten, die in de natuurverschijnselen
-wonen en werken, op zichzelf nog geen religie; religieus object
-<span class="pagenum" id="Page_206">[206]</span>
-worden deze zielen of geesten eerst dan, wanneer het begrip
-van het goddelijke erop overgebracht wordt. Er moet in den
-mensch een zeker besef van de godheid worden aangenomen, om
-de zielen en geesten, die hij aanwezig dacht in de krachten
-der natuur, te kunnen maken tot voorwerp van zijne religieuse
-vereering. Wel tracht de psychologische methode de orde om
-te keeren; de natuurmensch heeft volgens haar zich eerst tot
-eene of andere persoonlijk gedachte natuurkracht in eene religieuse
-verhouding geplaatst, en later daaruit het begrip van
-het goddelijke geabstraheerd, Hartmann, Religionsphil. I 15.
-Maar in elk geval gaat het zoo niet toe bij de historische
-menschen; allen ontvangen eerst door onderwijs en opvoeding
-het begrip der Godheid en ontwikkelen op grond daarvan eene
-religieuse verhouding. En er is geen enkel bewijs, dat het bij
-de eerste menschen anders toegegaan is of ook anders toegaan
-kon. Eene religieuse verhouding tot eene of andere macht onderstelt
-altijd reeds de Godsidee; en deze blijft bij de bovengenoemde
-methode onverklaard. Daarbij komt, dat ook het ontstaan
-der religie in subjectieven zin bij deze psychologische analyse
-onbegrijpelijk blijft. Laat het geloof aan persoonlijke wezens in
-de natuur gegeven zijn; maar waarom is en vooral wanneer wordt
-het zoeken van eenig zinnelijk of zedelijk goed bij die wezens
-tot religie? Religie ontstaat er toch eerst dan, wanneer niet in
-het algemeen hulp wordt gevraagd, gelijk menschen die ook bij
-elkander en in de kunst en de wetenschap zoeken, maar wanneer
-op eene gansch bijzondere wijze geloof, vertrouwen, besef van
-afhankelijkheid ten opzichte van eene onzienlijke goddelijke macht
-in het hart wordt gewekt. Religie onderstelt altijd eene zekere
-onderscheiding tusschen God en wereld, tusschen de macht van
-een wezen boven en de ondergeschikte krachten in de natuur.
-Wel kan dan die goddelijke macht als inwonende in de natuurverschijnselen
-worden gedacht, maar object van de religieuse
-vereering is toch nooit de natuurkracht in zichzelve maar het
-goddelijk wezen, dat in haar zich openbaart en werkt. Het grootste
-bezwaar tegen de boven genoemde verklaring ligt echter hierin,
-dat God bij haar niets anders wordt dan een helper in den nood,
-een wezen, wiens bestaan is uitgedacht om den mensch een of
-ander goed te verschaffen. De godsdienst wordt een middel, om
-de zinnelijke of zedelijke, maar altijd toch egoïstische behoeften
-<span class="pagenum" id="Page_207">[207]</span>
-van den mensch te bevredigen. Egoïsme is de bron en de oorsprong
-der religie geweest, Hartmann, Religionsphil. I 27. De
-eerste vorm, waarin deze verklaring van den oorsprong van den
-godsdienst boven werd weergegeven, spreekt dit duidelijk en
-onverholen uit. Bij den tweeden vorm wordt de godsdienst niet
-uit zinnelijke maar zedelijke behoeften afgeleid; de Godheid is
-geen product van eudaemonistische wenschen maar postulaat der
-practische rede. Echter geeft dit in het wezen der zaak weinig
-verschil. Het subjectieve en egoïstische uitgangspunt wordt niet
-overwonnen; God blijft een dienaar van den mensch. De derde
-vorm tracht dit egoïsme te vermijden, door in de religie een
-mystiek element te erkennen en alzoo God te maken tot het
-rechtstreeksche object van de religieuse vereering; maar ook hier
-is deze mystiek er later bijgekomen, zij is niet het beginsel en
-de oorsprong der religie geweest. Bij de bovengenoemde verklaring,
-in welken vorm zij ook wordt voorgedragen, staat de
-mensch altijd eerst in verhouding tot de wereld; en uit het
-conflict met die wereld wordt de religie en de Godsidee geboren.
-God komt dus op de derde plaats te staan; Hij wordt een Wunschwesen,
-een product van ’s menschen egoïsme, een hulpmiddel
-in den strijd tegen de natuur. De verwantschap van al deze verklaringen
-met die van Feuerbach springt duidelijk in het oog.
-Maar waarom, zoo kan er gevraagd worden, stelt de mensch
-met de in de natuur aanwezige krachten zich niet tevreden?
-Waarom zoekt hij niet in wetenschap, kunst, nijverheid enz.,
-in al de factoren der cultuur, de hulp, die hij in den strijd
-tegen de natuur behoeft? Hoe is het te verklaren, dat de mensch
-aan de goden, scheppingen van zijn wenschen, gelooven blijft,
-ook waar zij zoo menigmaal hem teleurstellen en overlaten aan
-eigen lot? Vanwaar dat hij alles, ook het dierbaarste dat hij
-heeft, aan zijne goden ten offer brengt en niets te kostbaar acht
-voor hunne vereering? Hoe komt het eindelijk, dat hij de goden
-dienen blijft, ook als door andere middelen en wegen zijne heerschappij
-over de natuur zich gaandeweg uitbreidt? Indien de
-bovengenoemde verklaring van den oorsprong der religie de juiste
-is, dan boet zij tegenover kunst en wetenschap hare zelfstandigheid
-in en is haar einde bereikt, zoodra de mensch op andere
-wijze zich redden kan.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_208">[208]</span>
-18. Maar, afgedacht van deze speciale bezwaren, er is tegen
-de methode zelve, waarnaar de oorsprong der religie onderzocht
-wordt, ernstige bedenking. Wat wil het zeggen, dat het ontstaan
-der religie wetenschappelijk moet worden verklaard? Het kan
-niet beduiden, dat de godsdienst van den eersten mensch of van
-de eerste menschen historisch wordt nagevorscht. Want de historie
-der godsdiensten laat ons hier volkomen in den steek; de historische
-methode is onbruikbaar. De godsdienstvormen der laagste,
-wilde volken voor de oorspronkelijke te houden; daartoe ontbreekt,
-gelijk ook meer en meer wordt ingezien, alle recht. De
-methode kan dus geen andere dan de psychologische zijn, en
-deze kan uitteraard het nooit verder brengen dan tot eene hypothese,
-die aannemelijk schijnt en bij gebrek aan beter een tijd
-lang in eene algemeene instemming zich verheugen mag. Maar
-welke is de vraag, die deze psychologische methode bij het zoeken
-naar den oorsprong der religie zich stelt? Toch geen andere dan
-deze: uit welke oorzaken en krachten in den mensch of in de
-menschheid is de religie voortgekomen? Er moet dus naar dat
-punt worden gezocht, wo noch nicht religiöse Lebenskräfte des
-Menschen zu dem Lebenskeim der Religion sich verbinden? Holsten,
-bij Rauwenhoff 50. Hypothetisch moet dus een mensch worden
-aangenomen, zoo onontwikkeld en barbaarsch, dat er van religie
-bij hem nog geen sprake is. Een oorspronkelijk, ingeschapen semen
-religionis mag op dit standpunt niet worden erkend. Want dan
-is dit oorspronkelijk gevoel, of hoe men het anders noemen wil,
-een wetenschappelijk onverklaard iets, eene soort mystieke openbaring,
-eene onderstelling reeds van datgene wat men zoekt te
-verklaren, Dr. Bruining, Gids Juni 1884. De psychologische
-methode eischt dus, dat de religie verklaard wordt uit factoren
-in den mensch, die op zich zelve niet religieus zijn, maar die
-door zekere verbinding, onder inwerking der natuur van buiten,
-de religie doen ontstaan. Maar zulk een godsdienstlooze mensch
-is een puur Gedankending, eene even ijle en ledige abstractie
-als de natuurmensch van Rousseau en van de aanhangers van
-het <ins id="cor_25" title="contract">contrat</ins> social; in de werkelijkheid heeft hij nimmer bestaan.
-De godsdienst zelve wordt zoo geheel een product van het toeval,
-evenals de moraal bij Darwin. Een „bloot toeval”, zegt Prof.
-Rauwenhoff 97, cf. 193, 250, 263 kon er den mensch toe brengen,
-om een of ander ding uit de natuur tot een god voor zich te
-<span class="pagenum" id="Page_209">[209]</span>
-maken. Eene andere verbinding van de factoren, en er ware
-nimmer religie geweest. Daarmee verliest de religie haar zelfstandige
-plaats, haar algemeenheid en noodzakelijkheid; zelfs
-haar waarde en haar recht zijn dan niet meer te handhaven.
-Want het is niet waar, wat Zeller, Vorträge und Abhandl. II
-57 f. beweert, dat de waarde der religie onafhankelijk is van
-de wijze van haar ontstaan; indien de oorsprong der religie toevallig
-is, verliest zij den vasten grondslag, waarop zij rusten
-moet. En ook haar recht van bestaan wordt dan op ernstige
-wijze bedreigd. Want indien de religie zoo wordt verklaard, dat
-het bestaan Gods daarbij in het geheel niet behoeft te worden
-aangenomen, dan is zij, ook al ware haar ontstaan psychologisch
-eene noodzakelijkheid, metaphysisch toch niets anders dan eene
-absurditeit. De psychologische methode tracht inderdaad de religie
-te begrijpen zonder het bestaan Gods. De mensch is louter natuurwezen,
-natuurproduct. Hij is het, die door allerlei omstandigheden
-geleid wordt tot de religie en de Godsidee voortbrengt.
-God schept den mensch niet, de mensch schept God. De religie
-subjectiva is de bron der religio objectiva. De mensch bepaalt,
-of hij en hoe hij God dienen wil. De psychologische methode is
-hierdoor geoordeeld; zij is in beginsel met het wezen der religie
-in strijd en vernietigt daarom het verschijnsel, dat zij te verklaren
-heeft, Kant, Lotze, Albrecht Ritschl, eine kritische
-Studie von L. Stählin, Leipzig 1888 S. 245 f. Vergelijk verder
-over den oorsprong van den godsdienst Rauwenhoff, Theol. Tijdschr.
-1885 bl. 257 v. Id. Wijsb. v. d. godsd. bl. 37-109. Saussaye,
-Lehrb. der Rel. Gesch. I 21 f. en de daar aangeh. litteratuur.
-Siebeck, Lehrb. der Rel. Philos. 43 f. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer
-I 136 v.</p>
-
-<h4>D. Resultaat.</h4>
-
-<p>19. Het voorafgaand onderzoek dwingt ons tot het kiezen
-van een ander uitgangspunt en tot het volgen van eene andere
-methode. Het wezen en de oorsprong der religie zijn bij de historische
-en psychologische methode niet te verklaren; haar recht en
-waarde kan daarbij niet worden gehandhaafd. Het gaat niet aan,
-om de religie te begrijpen zonder God. God is de groote onderstelling
-van den godsdienst. Zijn bestaan en openbaring is de
-<span class="pagenum" id="Page_210">[210]</span>
-grondslag, waarop alle religie rust. Nu heet het wel onwetenschappelijk,
-om bij de verklaring van eenig verschijnsel tot God
-terug te gaan; en inderdaad mag Hij ook niet dienstdoen als asylum
-ignorantiae. Maar het is toch eene arme wetenschap, die met
-God geen rekening houden mag en alle dingen zoekt te verklaren
-buiten en zonder Hem. Bij de wetenschappelijke verklaring
-van den godsdienst geldt dit in dubbelen zin. Want God is hier
-het eigenlijke en direkte object. Zonder Hem is alle religie eene
-ongerijmdheid. De keuze staat hier slechts tusschen deze twee,
-dat of de religie eene dwaasheid is, wijl God niet bestaat of
-volstrekt onkenbaar is, of dat zij waarheid is maar dan het
-bestaan en de openbaring onverbiddelijk en in streng logischen
-en wetenschappelijken zin eischt en onderstelt. Wie het eerste
-niet aanvaarden kan, wordt gedwongen het tweede aan te nemen
-en God te erkennen als het principium essendi van alle religie.
-Er is godsdienst, alleen omdat God is en van schepselen gediend
-wil worden. Dan alleen, als het bestaan Gods vaststaat, is wezen
-en oorsprong, recht en waarde der religie te begrijpen.</p>
-
-<p>Maar de religie eischt nog meer. Zij onderstelt niet alleen,
-dat God bestaat, maar ook dat Hij zich op de eene of andere
-wijze openbaart en kennen doet. Alle godsdiensten hebben dit
-begrip van openbaring. Het wordt niet van buiten af aan de
-religie opgedrongen, maar vloeit uit haar oorsprong en wezen
-vanzelve voort. Er is geen religie zonder openbaring; openbaring
-is het noodwendig correlaat der religie. Het wezen der religie
-bestaat niet alleen subjectief in eene religieuse gezindheid, die
-zich naar welgevallen uit, maar ook in eene religio objectiva,
-in een dogma, moraal en cultus, die daarom alleen gezag hebben
-voor den geloovige, wijl zij naar zijne overtuiging den wil en
-den dienst Gods bevatten. De oorsprong der religie is historisch
-niet aan te wijzen en psychologisch niet te verklaren, maar wijst
-noodzakelijk naar de openbaring als haar objectieven grondslag
-heen. Het onderscheid tusschen religie aan de eene en wetenschap
-en kunst aan de andere zijde doet ons datzelfde begrip van openbaring
-aan de hand. De natuur, de wereld rondom ons heen is
-de bron onzer kennis en artis magistra. Maar in de religie komt
-diezelfde wereld nog onder een ander gezichtspunt in aanmerking,
-n.l. als openbaring Gods, als bekendmaking zijner eeuwige kracht
-en goddelijkheid. Het is den mensch in de religie om iets gansch
-<span class="pagenum" id="Page_211">[211]</span>
-anders te doen dan in wetenschap en kunst. In de religie zoekt
-hij niet eene vermeerdering van zijne kennis noch eene bevrediging
-van zijne phantasie, maar een eeuwig leven in de gemeenschap
-met God, eene reëele verandering van zijn, eene bevrijding van
-zonde en ellende. Het is hem in de religie om God zelven te
-doen, omdat hij beseft, dat hij in God alleen rust en vrede
-vinden kan. Daarom eischt de religie een andere bron dan wetenschap
-en kunst; zij onderstelt eene openbaring, die God zelven
-tot hem komen doet en in gemeenschap met Hem brengt. De
-religie is in haar wezen en oorsprong een product van openbaring.
-Langzamerhand begint dit ook erkend te worden. De wijsbegeerte
-van den godsdienst, die het begrip der openbaring een tijd lang
-geen ernstige bespreking waardig keurde en het alleen aan eene
-negatieve kritiek onderwierp, wordt gedwongen er mede te rekenen.
-De opvatting van die openbaring is nog zeer verschillend en soms
-zeer onjuist; maar het feit spreekt toch sterk, dat velen dit
-begrip weder opnemen en er een positieven zin aan trachten toe
-te kennen, cf. Pfleiderer, Grundriss §&nbsp;13 f. Rauwenhoff, Wijsb.
-46. Hartmann, II 69 f. Biedermann, Dogm. I 264. Lipsius,
-Dogm. §&nbsp;53. Nitzsch, Dogm. 127. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I
-136 v. enz. De H. Schrift gaat van het bestaan en van de openbaring
-Gods uit. God laat zich niet onbetuigd, en daarom is er
-van ’s menschen zijde een zoeken, of hij Hem vinden en tasten
-mocht. Openbaring was er volgens de Schrift zoowel voor als
-na den val. Openbaring is het principium cognoscendi externum
-van de religie.</p>
-
-<p>Als wezen en oorsprong van de religie alzoo uit openbaring
-worden verklaard, mag dit niet in den sociniaanschen zin worden
-verstaan, alsof de religie niet in ’s menschen natuur ware gegrond
-maar uit eene uitwendige meedeeling van leer ware ontstaan,
-Fock, Der Socin. 291 f. In dat geval zou Schelling, Philos.
-der Mythol. I 141 terecht de opmerking hebben gemaakt: wäre
-der ursprüngliche Mensch nicht an sich schon Bewusstseyn von
-Gott, müsste ihm ein Bewusstseyn von Gott erst durch einen
-besonderen Actus zu Theil werden, so müssten die, welche diess
-annehmen, selbst einen ursprünglichen Atheïsmus des menschlichen
-Bewusstseyns behaupten. De religie ware dan een donum
-superadditum, niet wezenlijk eigen aan de menschelijke natuur.
-Maar de mensch is mensch wijl hij het beeld Gods is; hij is
-<span class="pagenum" id="Page_212">[212]</span>
-terstond als mensch een religieus wezen. De godsdienst is niet
-het wezen van den mensch, gelijk des Amorie van der Hoeven Jr.
-zich minder juist uitdrukte, want de religie is geen substantia
-maar een habitus of virtus; maar zij is toch eene wezenlijke
-eigenschap van de menschelijke natuur, zoo vanzelve met haar
-gegeven en zoo onafscheidelijk aan haar verbonden, dat zij door
-de zonde wel is verwoest, maar niet uitgeroeid is kunnen worden.
-Daarom is de religie ook algemeen en heeft ze ook zoo groote
-macht in het leven en de geschiedenis. Of men wil of niet,
-altijd stuit men ten slotte in den mensch op een zekeren godsdienstigen
-aanleg. Men kan dien verschillend noemen, semen
-religionis, sensus divinitatis (Calvijn), godsdienstig gevoel (Schleiermacher,
-Opzoomer), geloof (Hartmann, Relig. Philos. II 67)
-enz., maar altijd is het toch eene zekere vatbaarheid van de
-menschelijke natuur, om het goddelijke gewaar te worden, waar
-het wijsgeerig onderzoek naar de religie toe terugkeeren en in
-eindigen moet. Daarachter kan het niet doordringen. Want één
-van beide: de godsdienst is wezenlijk eigen aan de menschelijke
-natuur en dus met deze van huis uit gegeven, of de mensch
-was oorspronkelijk geen religieus wezen, dus ook geen mensch
-maar een dier en heeft zich langzamerhand tot een godsdienstig
-wezen ontwikkeld; en dan is de godsdienst toevallig en een voorbijgaand
-moment in het proces der evolutie. De vraag, waartoe
-het wijsgeerig onderzoek ten slotte afdaalt, is deze: is de mensch
-van den aanvang af mensch, beeld Gods, Gode verwant, een
-godsdienstig wezen geweest, of heeft hij langzamerhand daartoe
-zich ontwikkeld? Is cultuur of ruwe, woeste natuur de eerste
-toestand van het menschelijk geslacht geweest? Is de aanvang
-der menschheid absoluut of relatief? Cf. Schelling, Vorles. über
-die Meth. des akad. Studiums, Werke I 5 S. 286 f. Wie de
-religie in haar wezen handhaven wil, en ze beschouwt en erkent
-als eene wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, neemt
-den aanvang van den mensch absoluut en laat hem van huis
-uit Gode verwant en godsdienstig aangelegd zijn. Zulk een kan
-ook geen bezwaar meer hebben tegen den status integritatis,
-waarin de Schrift den eersten mensch laat optreden. Volgens de
-Schrift is de mensch van het eerste oogenblik van zijn bestaan
-af mensch geweest, naar Gods beeld geschapen, en dus van
-datzelfde oogenblik af ook een religieus wezen. De religie is er
-<span class="pagenum" id="Page_213">[213]</span>
-niet later bijgekomen door afzonderlijke schepping of in den langen
-weg der evolutie, maar ligt in het naar Gods beeld geschapen
-zijn van den mensch vanzelf opgesloten. Wel is die oorspronkelijke
-toestand door de zonde bedorven en verwoest, maar de
-mensch blijft toch Gode verwant, hij is θεου γενος en blijft
-Hem zoeken, of hij Hem tasten en vinden mocht. Aan de objectieve
-openbaring Gods correspondeert dus in den mensch eene
-zekere facultas, aptitudo zijner natuur, om het goddelijke op te
-merken. God doet geen half werk. Hij schept het licht niet
-alleen, maar ook het oog, om dat licht te aanschouwen. Aan
-het uitwendige beantwoordt het inwendige. Het oor is aangelegd
-op de wereld der tonen. De logos in de schepselen correspondeert
-met den logos in den mensch en maakt wetenschap mogelijk.
-Het schoone in de natuur vindt weerklank in zijn schoonheidsgevoel.
-En zoo is er niet alleen eene uitwendige, objectieve,
-maar ook eene inwendige subjectieve openbaring. Gene is het
-principium cognoscendi externum van de religie, en deze het
-principium cognoscendi internum. Beide principia staan ten nauwste
-met elkaar in verband, zooals het licht met het oog, de gedachte
-in de wereld met de rede in den mensch. De vraag, welk van
-beide het eerst is geweest, de uitwendige of de inwendige openbaring,
-is geheel overbodig. In hetzelfde moment, dat God zich
-openbaarde aan den mensch doordat Hij hem schiep naar zijn
-beeld, kende deze God en diende Hem en omgekeerd. En de
-ware, echte religie kan alleen bestaan in eene volkomene harmonie
-van de inwendige met de uitwendige openbaring; waarlijk
-religieus, beeld Gods, dienstknecht Gods, kind Gods, mensch
-in vollen zin is hij, die God, gelijk Hij is en zich door openbaring
-kennen doet, liefheeft met geheel zijn hart en met geheel
-zijne ziel en met al zijne krachten. Evenals in de wetenschap,
-zijn er dus ook in de religie drieërlei principia te onderscheiden.
-Er is religie, omdat God God is en als God door zijne redelijke
-schepselen gediend wil worden. Daartoe openbaart Hij zich aan
-den mensch in woord en daad — principium cognoscendi externum,
-en maakt hem subjectief bekwaam om door die openbaring
-God te kennen en lief te hebben — principium cognoscendi
-internum. De vormen, waarin de openbaring uit- en inwendig
-geschiedt, kunnen gewijzigd worden overeenkomstig den verschillenden
-toestand, waarin de mensch als creatura mutabilis verkeeren
-<span class="pagenum" id="Page_214">[214]</span>
-kan. Zij zijn andere in den status integritatis en corruptionis,
-in den status gratiae en gloriae. Maar de drie principia
-blijven dezelfde. Er is geen religie, dan doordat God zich objectief
-en subjectief kennen doet aan den mensch. En wederom vinden
-deze principia ook bij de religie hun grondslag in het trinitarisch
-wezen Gods. Het is de Vader, die in den Zoon en door den
-Geest zich openbaart. Niemand kent den Vader, dan wien het
-de Zoon door den Geest wil openbaren, Mt. 11:27, Joh. 16:13,
-14, 1 Cor. 2:10. Cf. Schleiermacher, Der Christ. Gl.
-§&nbsp;4. Schelling, Philosophie u. Religion, Sämmtl. Werke Abth I.
-Bd. VI 26 f. Einleitung in die Philosophie der Mythologie, Sämmtl.
-Werke, Abth. II. Bd. 1-4. I 74 f. 119 f. Ulrici, Gott und
-die Natur, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1866 S. 767 f. J. A. Dorner,
-Christ. Glaubenslehre, Berlin, Hertz. 1879 I S. 552 f. Aug.
-Dorner, Ueber das Wesen der Religion, Stud. u. Krit. 1883
-S. 217 f. J. T. Beck, Vorles. über Christl. Glaubenslehre, Gütersloh
-1887 I 149 f. 186 f. M. Kähler, Wissenschaft der Christl.
-Lehre, Erl. 1883 I 122. J. Köstlin, Der Glaube, sein Grund,
-Wesen und Gegenstand. Gotha 1859 S. 13 f. Id. Der Ursprung
-der Religion. Stud. u. Krit. 1890 S. 213-294. Id. Die Begründung
-unserer sittlich-religiösen Ueberzeugung. Berlin 1893 S.
-54 f. Gloatz, Spekulative Theologie, Gotha 1883 I 1 S. 130 f.
-Heman, Der Ursprung der Religion, Basel 1886. C. Pesch, Der
-Gottesbegriff, Freiburg 1885. Dr. T. Cannegieter, De taak en
-methode der Wijsb. v. d. godsd. 1886. Dr. Francken in Geloof
-en Vrijheid 1887 aflev. 1, 2. Drijber ib. 1890 afl. 5. bl. 426-455.
-Pressensé, Les Origines 449 S.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h2 id="Page_215">HOOFDSTUK II.<br />
-<b>Principium externum.</b></h2>
-
-<hr class="hr8" />
-
-<h3>§&nbsp;9. <span class="smcap">Algemeene Openbaring.</span></h3>
-
-<h4>A. Begrip der openbaring.</h4>
-
-<p>1. De religie, in haar wezen en oorsprong onderzocht, leidt
-zelve tot het begrip der openbaring heen. De geschiedenis der
-godsdiensten doet ons dit begrip kennen als het noodzakelijk
-correlaat van alle religie. De wijsbegeerte van den godsdienst
-kan dit begrip niet langer met stilzwijgen voorbij gaan. Maar
-de wijze, waarop de openbaring in theologie en philosophie wordt
-opgevat, is niet altijd met dat begrip zelf in overeenstemming.
-Het begrip openbaring brengt een zekeren inhoud mede, welke in
-zijne waarheid erkend moet worden, om van openbaring nog te
-kunnen blijven spreken. Het mag niet gebezigd worden als eene
-vlag, die eene valsche lading dekt. In de eerste plaats is openbaring
-een door en door religieus begrip; niet de wijsbegeerte,
-maar de godsdienst, niet de rede maar de historie doet het ons
-aan de hand. Aan de wetenschap en de wijsbegeerte moet dus
-het recht worden ontzegd, om apriori dit begrip te bepalen en
-daarnaar de historische en religieuse verschijnselen, die onder den
-naam van openbaring worden samengevat, pasklaar te maken.
-Het spreekt van zelf, dat wijsgeerige systemen zooals het pantheisme
-en het materialisme dit begrip niet in zijn recht kunnen
-erkennen. In deze stelsels is er voor openbaring geene plaats.
-Beide zijn krachtens hun beginsel onbekwaam, om de openbaring
-en alzoo ook de religie, met wie ze onverbrekelijk verbonden is,
-naar waarde te beoordeelen. Als God niet bestaat en naar
-<span class="pagenum" id="Page_216">[216]</span>
-Feuerbach’s gezegde, Wesen des Christenthums, 2<sup>e</sup> Aufl. 401,
-het geheim der theologie de anthropologie is, dan is religie en
-openbaring daarmede vanzelf geoordeeld en niets dan eene hallucinatie
-van den menschelijken geest. En evenzoo kan het pantheisme
-uit den aard der zaak aan de openbaring geene realiteit
-toekennen. Als God en mensch in substantie één zijn, is er eene
-relatie van den mensch tot God, gelijk die in de religie tot stand
-komt, niet mogelijk meer. De religie is dan hoogstens het tot
-zelfbewustzijn komen van God in den mensch, de terugkeer van
-het Absolute tot zichzelf in het menschelijke bewustzijn. Openbaring
-kan hier niets anders zijn dan een naam voor de religie
-in den mensch, van haar objectieve zijde beschouwd. Zoo zegt
-b.v. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie II 71, 75 u. s. w.,
-dat openbaring objectief en geloof subjectief één en dezelfde akte
-zijn, van de goddelijke en van de menschelijke zijde opgevat.
-Eene uitwendige, objectieve openbaring is er dan niet. Openbaring
-is niets dan het wonen en werken Gods in iederen mensch.
-Daargelaten nu de vraag, of ook hierin niet eene waarheid ligt
-opgesloten en de objectieve openbaring niet subjectief in de illuminatie
-zich voltooien moet, is het toch duidelijk, dat de openbaring
-naar de idee, welke de religie en de historie der godsdiensten
-ons kennen doen, hierbij geheel te loor gaat. De religie
-immers is altijd eene relatie van den mensch tot een Goddelijk
-persoon, wiens objectief en reëel bestaan voor het religieus
-bewustzijn boven allen twijfel verheven is. Zoodra de mensch
-twijfelen gaat aan het onderscheiden en zelfstandig bestaan van
-het voorwerp zijner vereering, is het met zijne religie gedaan.
-Deze verhouding van den mensch tot God in de religie is van
-ethischen aard (boven <a href="#Page_193">bl. 193</a>). Religie is geen physische of
-metaphysische gemeenschap van God en mensch, gelijk zoo dikwerf
-gezegd wordt. Zij bestaat niet in eene wezenseenheid, eene
-unio of communio physica van den mensch met God. Zij is geene
-substantie van den mensch, en maakt zijn wezen, zijne essentia
-niet uit. De religie onderstelt juist altijd, dat God en mensch,
-ofschoon verwant, toch onderscheiden zijn. En zij zelve bestaat
-dan, niet in eene verhouding van God tot den mensch, want God
-heeft geen religie, maar in eene verhouding van den mensch tot
-God. Deze verhouding is uitteraard niet physisch, metaphysisch,
-realis, maar ethisch, moreel van aard. Zij bestaat daarin dat de
-<span class="pagenum" id="Page_217">[217]</span>
-mensch God kent en liefheeft en voor Hem leeft, Denzinger, Vier
-Bücher von der religiösen Erkenntniss, Würzburg 1856 I S.
-1-10. Hoekstra, wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Godsdienst
-onderstelt wel, dat God en mensch in verwantschap en in goeden
-zin ook in gemeenschap met elkander staan, maar is zelf toch
-niet twee- maar eenzijdig. Hoe innig godsdienst en openbaring
-dan ook met elkander samenhangen, zij zijn toch twee; zij zijn
-niet twee zijden van eene en dezelfde zaak, maar wezenlijk en
-zakelijk van elkander verschillend. Gelijk het oog en het licht,
-het oor en de toon, de logos in ons en de logos buiten ons verwant
-en toch onderscheiden zijn; zoo is het ook met de religie
-en de openbaring. Het is op religieus gebied evenals op elk ander
-terrein. Wij komen naakt in de wereld en brengen niets mede.
-Wij ontvangen al ons voedsel zoowel in geestelijken als in natuurlijken
-zin van buiten. En ook in de religie komt de inhoud van
-buiten door openbaring tot ons.</p>
-
-<p class="sep2">2. Openbaring, gelijk dit begrip door de religie ons aan de
-hand wordt gedaan en hier nog in den ruimsten zin genomen
-wordt, is alle aktie, welke van God uitgaat, om den mensch te
-brengen en te houden in die eigenaardige relatie tot Hem, welke
-met den naam van religie aangeduid wordt. Het komt er hierbij
-allereerst op aan, om deze openbaring altijd en overal op te
-vatten als eene aktie, als eene daad van Gods zijde. God doet
-nooit iets onbewust; Hij doet alles met gedachte en heeft bij
-alles een doel. Openbaring is nooit eene onbewuste emanatie, eene
-onwillekeurige doorschijning Gods in zijne werken; maar altijd
-een bewust, vrij, actief zich kenbaar maken aan den mensch.
-Religie en openbaring rusten beide naar heur aard op den grondslag
-van het theisme, d. i. op het geloof, dat God en mensch
-niet afgescheiden maar wel onderscheiden bestaan. Sterk gesproken,
-heeft openbaring steeds tot onderstelling, dat er twee werelden
-zijn, eene bovennatuurlijke en eene natuurlijke, eene hemelsche
-en eene aardsche. En nu is openbaring elke werking, die
-van die andere onzienlijke wereld in deze zienlijke wereld uitgaat,
-om den mensch te doen bedenken de dingen, die boven zijn. De
-wijzen en vormen, waaronder God zich openbaart, kunnen verschillend
-zijn, evenals de eene mensch aan den ander zich in
-verschillende manieren kan kenbaar maken. God kan rechtstreeks
-<span class="pagenum" id="Page_218">[218]</span>
-en onmiddellijk zich openbaren; en Hij kan daarbij van
-gewone of buitengewone middelen zich bedienen. Deze vormen
-zijn in zekeren zin van ondergeschikte, wijl van instrumenteele
-beteekenis. Maar altijd is de openbaring, hetzij ze op gewone of
-ongewone wijze tot ons komt, eene daad van Gods zijde. Wie ze
-zoo verstaat, is in beginsel supranaturalist, hij moge de mogelijkheid
-van het wonder aannemen of niet. De kwestie van het
-naturalisme en het supranaturalisme wordt niet eerst bij de
-zoogenaamde bovennatuurlijke openbaring, maar wordt eigenlijk
-reeds hier bij den ingang, bij het begrip der openbaring in algemeenen
-zin, beslist. Het deisme is onhoudbaar. Er is maar keuze
-tusschen het theisme en het pantheisme (materialisme). Het
-pantheisme heeft geene openbaring en daarom ook geen religie
-meer. Het theisme is vanzelf supranaturalistisch, niet in de historische
-beteekenis van dat woord, maar in dezen zin, dat het eene
-ordo supra hanc naturam erkent en eene werking van gene wereld
-in deze aanneemt. Religie, openbaring, supranaturalisme, theisme
-staan en vallen met elkaar. Het doel der openbaring is geen
-ander, dan om religie te wekken en te kweeken in den mensch.
-Alles, wat dit bedoelt en daaraan dienstbaar is, is openbaring in
-eigenlijken zin. De openbaring valt saam met alle werken Gods
-in natuur en genade. Zij omvat de gansche schepping en herschepping.
-Al wat er is en geschiedt, is voor den vrome een
-middel, om hem op te leiden tot God. De gewone definities, dat
-de openbaring bestaan zou in mededeeling van leer of van leven
-enz. blijken reeds hier veel te eng te zijn. Het is er God bij
-zijne openbaring om te doen, om den mensch te stellen in eene
-religieuse verhouding tot Hem. De religie omvat echter den
-ganschen mensch met al zijne vermogens en krachten. In de
-openbaring nadert God tot den geheelen mensch, om hem geheel
-te winnen voor zijn dienst der liefde. Ja, de openbaring kan niet
-ten doel hebben, om den enkelen mensch in eene religieuse verhouding
-tot God te plaatsen. De menschheid is één geheel. Zij
-is het voorwerp van Gods liefde. De openbaring heeft dus tot
-einddoel, om de menschheid zelve als één geheel te maken tot
-een koninkrijk, tot een volk Gods. De openbaring is geen geisoleerd
-feit, dat in de geschiedenis op zichzelf staat. Zij is een
-systeem van daden Gods, beginnend met de schepping, eindigend
-in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Zij is onderwijzing,
-<span class="pagenum" id="Page_219">[219]</span>
-opvoeding, leiding, regeering, vernieuwing, vergeving enz., zij is
-dat alles te zamen. Openbaring is al wat God doet, om de
-menschheid te herscheppen tot zijn beeld en gelijkenis.</p>
-
-<h4>B. Algemeene en bijzondere openbaring.</h4>
-
-<p>3. De christelijke theologie kwam er spoedig toe, om in deze
-openbaring eene gewichtige onderscheiding te maken. Eenerzijds
-kon de samenhang en de overeenstemming van de religie der
-Christenen en den godsdienst der Heidenen, van theologie en
-philosophie, niet geheel worden ontkend; en andererzijds was
-het Christendom toch een eigen, zelfstandige godsdienst, in elk
-opzicht van dien der Heidenen verschillend. Zoo werd men geleid
-tot de onderscheiding van de revelatio (religio, theologia) naturalis
-en supernaturalis. Zakelijk wordt zij reeds bij de oudste kerkvaders
-aangetroffen. Justinus Martyr spreekt van eene ἀνθρωπειος
-διδασκαλια, die verkregen wordt door το ἐμφυτον παντι γενει
-ἀνθρωπων σπερμα του λογου en van eene γνωσις και θεωρια,
-die alleen door Christus ons deel wordt, Apol. II 8, 10, 13.
-Tertullianus heeft eene afzonderlijke verhandeling de testimonio
-animae, en spreekt van eene kennis Gods uit de werken der
-schepping, en van eene andere meer volledige door mannen, met
-Gods Geest vervuld, Apolog. II c. 18. Irenaeus spreekt meermalen
-in denzelfden zin, adv. haer. II c. 6, 9, 28. III 25.
-IV 6. Augustinus erkent eene openbaring Gods in de natuur,
-de Gen. ad. litt. 4, 32, de civ. Dei 8, 11 sq. 19, 1 enz. maar
-stelt naast de ratio de auctoritas, de fides, c. Acad. 3,20 de
-util. cred. 11, die alleen tot de ware kennisse Gods leidt, Conf.
-5,5, 7,26, de civ. 10,29. Bij Damascenus, de fide orthod. I.
-c. 1 sq. draagt deze onderscheiding al het karakter van een
-dogma. Ook de latere indeeling van de theologia naturalis in
-insita en acquisita is reeds bij de oudste kerkelijke schrijvers te
-vinden. Tertullianus beroept zich op het inwendig getuigenis der
-ziel en op de beschouwing van Gods werken. Augustinus zegt
-uitdrukkelijk, dat God uit de zienlijke dingen kan worden gekend,
-de Gen. ad. litt. 4,32 maar wijst vooral op het zelfbewustzijn
-en de zelfkennis als den weg tot de eeuwige waarheid,
-de vera relig. 72, de mag. 38, de trin. 4,1. Damascenus, de fide
-orth. I c. 1 en 3, stelt de ingeschapene en de verkregene kennisse
-<span class="pagenum" id="Page_220">[220]</span>
-Gods reeds duidelijk naast elkaar. Niet zoo spoedig waren
-de grenzen tusschen beide soorten van openbaring afgebakend.
-Langen tijd beproefde men nog, om de christelijke dogmata uit
-natuur en rede te bewijzen. Augustinus trachtte de triniteit, de
-trin. lib. 9-15, Anselmus in zijn Cur deus homo de menschwording
-en voldoening, Albertus Magnus, cf. Stöckl, Philos.
-des M. A. II. 384 f., en Thomas, S. c. Gent. II. 15 sq. de
-schepping aposteriori te bewijzen. Het verst ging hierin Raymund
-de Sabunde, die in zijn Liber naturae sive creaturarum, later
-ten onrechte Theologia naturalis genoemd (ed. van J. Sighart,
-Solisbaci, 1852 zonder den proloog, die 1595 werd veroordeeld)
-heel de christelijke geloofsleer uit de natuur des menschen
-trachtte op te bouwen, zonder hulp van Schrift en traditie en
-met vermijding der scholastische methode. Maar deze rationeele
-argumentatie was toch maar eene hulp, die achteraan kwam;
-de dogmata stonden apriori vast op grond der openbaring; adjuvantur
-in fide invisibilium per ea, quae facta sunt, Lombardus,
-Sent. I dist. 3, 6. cf. 2, 1. Overigens werd de kennis, welke
-uit de natuur verkregen kon worden, tot eenige articuli mixti
-beperkt, die zich concentreerden om de drie begrippen God,
-deugd en onsterfelijkheid, Thomas, S. c. Gent. Lib. 1-3. De
-onderscheiding tusschen de theol. naturalis en supernaturalis werd
-echter in de scholastiek hoe langer hoe strakker gespannen en
-ging in eene volstrekte tegenstelling over. Door de natuurlijke
-openbaring was er van God en goddelijke zaken eenige streng
-wetenschappelijke kennis te verkrijgen, Thomas, S. Theol. II 2
-qu. 1 art. 5, cf. Bellarminus, Controv. IV p. 277 sq. Thomas
-is hiervan zoo vast overtuigd, dat hij de vraag opwerpt, of in
-dat geval het aannemen van deze uit de natuur bekende waarheden
-dan niet al zijn verdienste verliest. Gelooven is toch alleen
-verdienstelijk, als het geen weten is maar een voor waar aannemen
-op gezag, eene daad des verstands ex motu voluntatis
-motae per gratiam, ib. II 2 qu. 2 art. 9. Het antwoord op die
-vraag luidt, dat het weten inderdaad de ratio fidei vermindert;
-maar dat toch altijd in den geloovige de ratio caritatis blijft,
-d. i. de gezindheid, om het gewetene ook steeds weer op Gods
-gezag als waar aan te nemen, ib. II 2 qu. 2 art. 10; en deze
-gezindheid, om de articuli mixti op gezag te gelooven, blijft
-om bijzondere omstandigheden (zie straks onder N<sup>o</sup> 7), ook altijd
-<span class="pagenum" id="Page_221">[221]</span>
-noodig. Aan deze kennis uit de natuur en rede is nu door de
-bovennatuurlijke openbaring de kennis der mysteria toegevoegd,
-maar deze rust uitsluitend op gezag en is en blijft van het begin
-tot het einde eene zaak des geloofs. De mysteriën des Christendoms
-behooren tot eene orde, die niet om eene toevallige reden,
-door de zonde, maar die uitteraard voor ieder mensch, ook voor
-den zondeloozen mensch, ja zelfs voor de engelen in eigenlijken
-zin bovennatuurlijk is en daarom nooit anders dan door openbaring
-gekend worden kan. Bij de bijzondere openbaring komt deze eigenaardige
-Roomsche leer nader ter sprake. Maar hier zij reeds opgemerkt,
-dat weten en gelooven, ratio en auctoritas, natuurlijke
-en bovennatuurlijke openbaring bij Rome dualistisch naast elkander
-staan. Rome erkent dus eenerzijds het recht van het rationalisme
-op het terrein van de natuurlijke openbaring en veroordeelt het
-excessieve supranaturalisme, dat ook in de articuli mixti geen kennis
-mogelijk acht dan door openbaring. En andererzijds huldigt het
-het supranaturalisme op het terrein van de mysteriën zoo streng
-mogelijk en veroordeelt het alle rationalisme, dat apriori of aposteriori
-in de dogmata aan het gezag en aan het geloof zoekt te
-ontkomen en ze in weten tracht te doen overgaan. Het verwerpt
-beide Tertullianus en Origenes en <ins id="cor_26" title="veroordeelf">veroordeelt</ins> zoowel het traditionalisme
-van de Bonald als het rationalisme van Hermes (boven
-<a href="#Page_94">bl. 94</a> v). De Roomsche kerk belijdt, volgens het Vaticanum,
-sess. III Const. Dogm. de fide cath. cap. 2, Deum.... naturali
-humanae rationis lumine e rebus creatis certo cognosci posse,
-maar dat het Gode behaagd heeft, alia, eaque supernaturali via,
-se ipsum ac aeterna voluntatis decreta humano generi revelare.</p>
-
-<p class="sep2">4. De Reformatie heeft deze onderscheiding van revelatio
-naturalis en supernaturalis overgenomen en er toch in beginsel
-eene geheel andere beteekenis aan gegeven. Wel namen de Hervormers
-eene openbaring Gods in de natuur aan. Maar de mensch
-was door de zonde zoo verduisterd in zijn verstand, dat hij ook
-deze openbaring niet recht kon kennen en verstaan. Er was dus
-tweeërlei noodig, n.l. dat God die waarheden, welke op zich
-zelve uit de natuur kenbaar zijn, ook weer in de bijzondere openbaring
-opnam; en dat de mensch, om God wederom op te merken
-in de natuur, eerst door Gods Geest moest worden verlicht.
-Om de algemeene openbaring Gods in de natuur te verstaan,
-<span class="pagenum" id="Page_222">[222]</span>
-was objectief de bijzondere openbaring in de H. Schrift van noode,
-welke daarom door Calvijn met eene bril werd vergeleken, en
-subjectief had de mensch behoefte aan het oog des geloofs, om
-God te aanschouwen ook in de werken zijner handen. Even belangrijk
-was de wijziging, door de Reformatie in de opvatting
-der bovennatuurlijke openbaring aangebracht. Deze was niet in
-de eerste plaats daarom bovennatuurlijk, wijl zij an sich tot eene
-andere orde behoorde en het verstand ook van den zondeloozen
-mensch en van de engelen te boven ging; maar bovennatuurlijk
-was ze vooral daarom, wijl zij de gedachten en wenschen van
-den zondigen, gevallen mensch verre overtrof, gelijk later zal
-worden aangetoond. Bij de Hervormers verloor de theologia naturalis
-dus hare rationeele zelfstandigheid. Ze werd niet afzonderlijk
-behandeld maar opgenomen in de christelijke geloofsleer, Zwingli,
-Comm. de vera et falsa relig. Op. ed. Schuler et Schulthess
-III 156 sq. Calvijn, Inst. I c. 1-5. Polanus, Synt. Theol. I
-cap. 10. Martyr, Loci Comm. loc. 2 etc. Maar verschillende
-oorzaken waren er, die dit reformatorisch beginsel tegenhielden
-in zijne ontwikkeling en volledige toepassing. Er was excessus,
-overspanning, aan de ééne zijde. Het Anabaptisme verwierp geheel
-de ordo naturalis en trachtte op revolutionaire wijze een koninkrijk
-der hemelen op aarde te stichten. De Socinianen verwierpen de
-theologia naturalis geheel en al, en leidden alle Godskennis uit
-openbaring af, Catech. Racov. qu. 46-49. Fock, Der Socin.
-307 f. Luther kwam door zijne bestrijding van de scholastieke
-leer, naturalia mansisse integra, zoover, dat hij aan Aristoteles,
-aan de rede, aan de philosophie in theologicis alle recht van
-spreken verbood en de Vernunft in religieuse dingen stock-, starr-und
-gar blind noemde, Köstlin, Luthers Theologie II 287 f.
-Luthardt, Ethik Luthers, 14 f. Strauss, Glaubenslehre I 311 f.
-De strenge Lutheranen volgden den Meester; en de Formula
-Concordiae, ofschoon erkennend dat humana ratio seu intellectus
-naturalis hominis obscuram aliquam notitiae illius scintillulam
-reliquam habet, quod sit Deus, et particulam aliquam legis tenet,
-II Pars. Sol. Decl. II. de lib. arb., J. T. Müller, Die symb.
-Bücher der ev. luth. K. 5<sup>e</sup> Aufl. 1882 S. 589, legt toch zoo
-eenzijdig op de duisternis en de onmacht van den natuurlijken
-mensch in zaken van religie den nadruk, dat de samenhang en
-het verband van de bijzondere met de algemeene openbaring geheel
-<span class="pagenum" id="Page_223">[223]</span>
-wordt verbroken; de mensch is in rebus spiritualibus et ad conversionem
-aut regenerationem niets meer dan een lapis, truncus
-aut limus, ib. bij Müller S. 594.</p>
-
-<p>De reactie daartegen kon niet uitblijven. Bij het Anabaptisme
-en het Socinianisme sloeg het excessieve supranaturalisme in
-rationalisme om. Luther was gedwongen, wijl hij aan de rede
-toch niet alle inzicht en oordeel ontzeggen kon, om eene scherpe
-scheiding te maken tusschen het geestelijke en het wereldlijke,
-het hemelsche en het aardsche, het eeuwige en het tijdelijke,
-Köstlin, Luthers Theol. II 244 f. En op zijn voetspoor maakten
-de Luth. theologen onderscheid tusschen duo hemisphaeria, quorum
-unum inferius, alterum superius; in aardsche dingen is de rede
-nog vrij en tot veel goeds in staat, hier is zij tot op zekere
-hoogte zelfstandig en van het geloof onafhankelijk, Schmid,
-Dogm. der ev. luth. K. 192 f. Ook Calvijn, ofschoon door zijne
-leer van de gratia communis in veel gunstiger conditie dan
-Luther, kwam toch niet altijd de oude dualistische tegenstelling
-van de revelatio naturalis en supernaturalis te boven, Inst. II,
-2, 12, 13. De rede kreeg daardoor weer eenige zeggenschap naast
-het geloof. Het scheen, dat zij niet altijd door het geloof moest
-worden geleid, maar op een, zij het ook nog zoo klein en onverschillig
-gebied, vrij en onafhankelijk was. Met dit haar toegestaan,
-althans niet ernstig betwiste recht heeft ze winste gedaan; gaandeweg
-heeft zij haar macht uitgebreid. Eerst in burgerlijke zaken,
-dan in de wetenschap, straks in de philosophie, en eindelijk ook
-in de theologie verheft zij zich naast en tegenover het geloof.
-Alsted gaf eene Theol. naturalis 1615 afzonderlijk uit, en telde
-als haar inhoud een zevental dogmata op: deus est, super omnia
-diligendus, honeste vivendum est, quod tibi non vis fieri alteri
-ne feceris, suum cuique tribuendum est, nemo laedendus est, plus
-est in bono communi positum quam in particulari, cf. Praecognita
-1623 p. 37-114. Vele Geref. theologen volgden dit voorbeeld,
-vooral toen de philosophie van Cartesius aan invloed won,
-Doedes, Inl. tot de leer van God, 2<sup>e</sup> dr. 1880 bl. 200 v. Door
-het Engelsche deisme en het Duitsche rationalisme nam de theologia
-naturalis of rationalis zoo in macht en aanzien toe, dat zij
-de theologia revelata als geheel onnoodig verwierp. Herbert van
-Cherbury 1581-1648, gaf aan de religio naturalis vijf artikelen
-tot inhoud: esse deum summum, coli debere, virtutem pietatemque
-<span class="pagenum" id="Page_224">[224]</span>
-esse praecipuas partes cultus divini, dolendum esse ob
-peccata ab iisque resipiscendum, dari ex bonitate justitiaque
-divina praemium vel poenam tum in hac vita tum post hanc
-vitam, Lechler, Gesch. des engl. Deismus 42. Maar nadat zij de
-theologia revelata gebannen had, is zij op haar beurt ook zelve
-geoordeeld. Kant betoogde in zijne kritiek der zuivere rede, dat
-deze tot de zinnelijk-waarneembare verschijnselen beperkt is en
-noch tot het bovenzinnelijke noch tot het bovennatuurlijke doordringen
-kan. De geschiedenis der godsdiensten toonde aan, dat
-geen enkele godsdienst aan de revelatio naturalis genoeg had,
-dat er nergens eene religio naturalis bestond en dat alle godsdiensten
-positief waren. En de kritiek der Schrift ondermijnde
-de revelatio supernaturalis en wischte de grenzen tusschen haar
-en de revelatio naturalis uit. De overtuiging werd daardoor algemeen,
-dat er, om eenige kennis van God te bekomen, een andere
-weg dan die der rede en der wetenschappelijke bewijsvoering
-moest worden ingeslagen, n.l. die des geloofs of der zedelijke
-ervaring of der phantasie. De theologia en religio naturalis, en
-daarmede ook de revelatio naturalis verloor hare waarde. De
-bewijzen voor Gods bestaan, de ziel, de onsterfelijkheid werden
-prijsgegeven en gebannen uit de dogmatiek. Pierson, Eene levensbeschouwing
-83, zeide zelfs, dat onderwijs in de theol. naturalis
-aan de rijkshoogescholen eene wanbesteding was van ’s lands
-penningen. Desniettemin is ze in de wet op het hooger onderwijs
-toch weer onder den naam van geschiedenis der leer aangaande
-God en van wijsbegeerte van den godsdienst opgenomen. Prof.
-Doedes verwierp ze in zijne Encyclopaedie bl. 190 v., maar
-behandelde ze toch feitelijk weer in zijne Inleiding tot de leer
-van God, 2<sup>e</sup> dr. 1880 en De Leer van God 1871. Alles wijst er
-op, gelijk in den locus de Deo zal worden aangetoond, dat de
-bewijzen voor Gods bestaan weer in waarde rijzen. De goede
-gedachte, die er ligt in de oude theologia naturalis, wordt langzamerhand
-weer beter erkend.</p>
-
-<p class="sep2">5. De Schrift kent wel het begrip van eene vaste natuurorde,
-maar maakt toch bij de openbaring tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke
-geen onderscheid. Zij bezigt voor beide dezelfde
-woorden, b.v. גלה, φανερουν en ἀποκαλυπτειν ook voor de
-revelatio naturalis Job 12:22, 33:16, 36:10; Rom. 1:18,
-<span class="pagenum" id="Page_225">[225]</span>
-19. Nösgen, Beweis des Glaubens, Nov. 1890 S. 416-417 maakt
-daarom ten onrechte bezwaar, om aan de openbaring Gods in de
-natuur reeds den naam van openbaring te geven. Eigenlijk is op
-het standpunt der Schrift alle openbaring, ook die in de natuur,
-bovennatuurlijk. Het woord zelf sluit ook niets in aangaande de
-wijze, waarop iets openbaar wordt, maar zegt alleen, dat iets,
-hetwelk verborgen was, aan het licht treedt. Op religieus terrein
-duidt het aan, dat God een eigen, zelfstandig, van de natuur
-onderscheiden leven bezit en nu uit zijne verborgenheid op eene
-of andere wijze voor het oog van redelijke schepselen te voorschijn
-treden kan. Van openbaring kan dus in eigenlijken zin
-alleen spreken, wie het supranatureele, een ordo supra hanc
-naturam erkent; en elk, die het woord in dezen zin bezigt, is in
-beginsel supranaturalist, ook al neemt hij slechts eene openbaring
-aan op natuurlijke wijze. De onderscheiding van revelatio naturalis
-en supernaturalis is niet ontleend aan de aktie Gods, die in de
-eene en in de andere openbaring zich uit, maar aan de wijze,
-waarop die openbaring geschiedt, n.l. per of praeter hanc naturam.
-In oorsprong is alle openbaring supranatureel. God werkt altijd
-Joh. 5:17. Dat werken Gods is naar buiten begonnen met de
-schepping. De creatie is de eerste revelatie Gods, aanvang en
-grondslag van alle volgende openbaring. Het bijbelsch begrip
-der openbaring wortelt in dat der schepping, Oehler, Theol. des
-A. T. 1882 S. 21. Door de schepping is God het eerst voor
-schepselen naar buiten getreden en heeft Hij zich aan schepselen
-geopenbaard. Als God de wereld schept door zijn Woord en
-levend maakt door zijn Geest, dan liggen daarin reeds de grondlijnen
-van alle volgende openbaringen geteekend. Maar aan de
-schepping sluit terstond de voorzienigheid zich aan. Ook deze
-is eene almachtige en alomtegenwoordige kracht en daad Gods.
-Al wat is en geschiedt, is een werk Gods in eigenlijken zin, en
-voor den vrome eene openbaring van zijne deugden en volmaaktheden.
-Zoo beziet de Schrift natuur en geschiedenis. Schepping,
-onderhouding en regeering zijne ééne machtige, voortgaande openbaring
-Gods. Geen natuurpoëzie heeft die van Israel overtroffen
-of geëvenaard, Pierson, Geestel. Voorouders I Israel bl. 389 v.
-Alles in de natuur spreekt den vrome van God. De hemelen
-vertellen Gods eer, het uitspansel zijner handen werk. Gods stem
-is op de groote wateren. Die stem verbreekt de cederen, dreunt
-<span class="pagenum" id="Page_226">[226]</span>
-in den donder, loeit in den stormwind. Het licht is zijn kleed,
-de hemel zijn gordijn, de wolken zijn wagen. Zijn adem schept
-en vernieuwt het aardrijk. Hij regent en geeft zonneschijn over
-rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Loof en gras, regen en
-droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren en alle dingen komen
-den geloovige niet bij geval toe maar van Gods vaderlijke
-hand. De natuur- en geschiedbeschouwing der Schrift is religieus
-en daarom ook supranatureel.</p>
-
-<p>Voor de Schrift hangen zelfs religie en bovennatuurlijke openbaring
-ten nauwste saam. Zij verhaalt van zulk eene openbaring niet
-eerst na, maar ook reeds vóór den val. De verhouding van God
-en mensch in den status integritatis wordt als een persoonlijke
-omgang geteekend. God spreekt tot den mensch Gen. 1:28-30,
-geeft hem een gebod dat hij van nature niet weten kon Gen 2:16
-en voegt als met eigen hand de vrouw ter hulpe hem toe, Gen. 2
-vs. 22. Ook het foedus operum is niet in dien zin een foedus
-naturae, dat het vanzelf uit ’s menschen natuurlijken aanleg opkomt,
-maar is eene vrucht van bovennatuurlijke openbaring. En
-wijl het foedus operum nu niets anders is dan de vorm der religie
-bij den naar Gods beeld geschapen mensch die het hoogste nog
-niet had verkregen, zoo kan gezegd worden, dat de Schrift de
-zuivere religie zich niet denken kan zonder revelatio supernaturalis.
-Het bovennatuurlijke strijdt niet met ’s menschen natuur,
-noch met de natuur der schepselen; het behoort, om zoo te
-spreken, tot het wezen van den mensch. De mensch is beeld
-Gods en Gode verwant, en door de religie staat hij tot God in
-eene rechtstreeksche verhouding. De aard dezer verhouding sluit
-in, dat God zich aan den naar zijn beeld geschapen mensch beide
-objectief en subjectief openbare. Er is geen religie zonder traditie,
-dogma, cultus; en deze alle zijn met het begrip van openbaring
-saamgeweven. Alle religies zijn dan ook positief en berusten niet
-alleen op natuurlijke maar altijd ook op werkelijke of vermeende
-bovennatuurlijke openbaring. En alle menschen erkennen van
-nature het supranatureele. Het naturalisme is evenals het atheïsme
-eene vondst der wijsbegeerte, maar het heeft geen steun in de
-menschelijke natuur. Zoolang de religie zal behooren tot het wezen
-van den mensch, zal de mensch ook zijn en blijven supranaturalist.
-Elk geloovige, van welke richting ook, hij moge naturalist zijn
-met zijn hoofd, hij is toch supranaturalist met zijn hart. Wie
-<span class="pagenum" id="Page_227">[227]</span>
-uit de religie, dus uit het gebed, uit de gemeenschapsoefening
-met God het supranatureele bannen wil, doodt de religie zelve.
-Want religie onderstelt werkelijke verwantschap en gemeenschap
-met God en is met hart en ziel supranaturalistisch. Zij is onafscheidelijk
-van het geloof, dat God supra naturam staat en dat
-Hij met haar doen kan naar zijn welbehagen, dat Hij de natuurorde
-dienstbaar maakt aan de zedelijke orde, de rijken der wereld
-aan het koninkrijk der hemelen, de physis aan den ethos. Er
-is daarom terecht gezegd, dat de bede om een rein hart even
-supranaturalistisch is als die om een gezond lichaam (Pierson).
-De theïst, die waarlijk theïst wil zijn en toch de bovennatuurlijke
-openbaring bestrijdt, is met deze ontkenning er nog volstrekt
-niet af. Hij moet of terug naar het deïsme of pantheïsme, of
-hij moet vooruit en ook de mogelijkheid der bovennatuurlijke
-openbaring aannemen. Er is geen religio naturalis. De rationalistische
-trilogie is onhoudbaar. De eenig ware tegenstelling van
-de erkenning van het supranatureele is dan ook niet het rationalistisch
-deïsme, maar het naturalisme, d. i. het geloof, dat
-er geen andere hoogere kracht bestaat dan die in de tegenwoordige
-natuurorde aanwezig is en zich openbaart. Maar dan valt ook
-alle recht, om aan den triumf van het goede, aan de eindelijke
-zegepraal van het rijk Gods, aan de macht van de zedelijke
-wereldorde te gelooven. Want het goede, het ware, de zedelijke
-wereldorde, het rijk Gods zijn zaken, die in zichzelf geen
-macht hebben, om zich te realiseeren. De hoop, dat de menschen
-ze tot heerschappij zullen brengen en voor de macht der waarheid
-zwichten zullen, wordt iederen dag door de ervaring teleurgesteld.
-Dan alleen is hun triumf verzekerd, als God een persoonlijk,
-almachtig wezen is en heel de schepping, trots allen tegenstand,
-heenleiden kan tot het door Hem beoogde doel. De religie, de
-moraal, de erkenning van eene bestemming voor menschheid en
-wereld, het geloof aan de zegepraal van het goede, de theïstische
-wereldbeschouwing, het geloof aan een persoonlijk God zijn alle
-onlosmakelijk met het supranaturalisme verbonden. De idee van
-God en van de religie involveert die van de openbaring. Pierson,
-Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. 36 v.
-James Orr, The christian view of God and the world, Edinb.
-1893 p. 60 etc. 91 etc. Cf. Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 530 v.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_228">[228]</span>
-6. Bovennatuurlijke openbaring mag echter niet met onmiddellijke
-openbaring vereenzelvigd worden. De onderscheiding van
-middellijke en onmiddellijke openbaring is telkens in verschillenden
-zin genomen. Onmiddellijk werd vroeger elke openbaring
-genoemd, die zonder tusschenpersoon tot den ontvanger zelven
-kwam; en middellijk die, welke door engelen of menschen aan
-anderen werd overgebracht, Witsius, Misc. Sacra I. 16. Inzoover
-nu de openbaring tot profeten en apostelen meest persoonlijk
-kwam, daarentegen tot ons slechts komt door hunne geschriften
-heen, kon de eerste als revelatio immediata tegen de laatste,
-als revelatio mediata, worden overgesteld. Bij de rationalistische
-en moderne theologen hebben deze benamingen dikwerf een geheel
-anderen zin ontvangen, en daardoor de verwarring in de opvatting
-der openbaring doen toenemen, Rothe, zur Dogm. 55 f. 64 f.
-Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 163 f. In strikten zin is er geen
-onmiddellijke openbaring, noch in de natuur noch in de genade.
-Altijd bedient God zich van een middel, hetzij uit de schepselen
-genomen hetzij vrij gekozen, waardoor Hij zich aan menschen
-openbaart. Door teekens en symbolen doet Hij hen zijne tegenwoordigheid
-gevoelen; door daden verkondigt Hij hun zijne deugden;
-door spraak en taal maakt Hij hun zijn wil en gedachte bekend.
-Zelfs waar Hij door zijn Geest inwendig zich openbaart in het
-bewustzijn, geschiedt deze openbaring toch altijd organisch en
-dus langs middellijken weg. De afstand tusschen Schepper en
-schepsel is veel te groot, dan dat de mensch God rechtstreeks
-gewaarworden kan. Finitum non est capax infiniti. Of er in den
-status gloriae eene visio Dei per essentiam zal zijn, kan eerst
-later worden onderzocht. Maar in deze bedeeling is alle openbaring
-middellijk. Gelijk God is en spreekt in zichzelven, kan
-Hij door geen schepsel worden aanschouwd of verstaan. Openbaring
-is daarom altijd eene daad van genade; in haar daalt
-God tot zijn schepsel af, dat naar zijn beeld is gemaakt. Alle
-openbaring is anthropomorphisme, is eene zekere menschwording
-Gods. Zij geschiedt altijd in zekere vormen, in bepaalde modi.
-In de revelatio naturalis zijn zijne goddelijke en eeuwige gedachten
-op creatuurlijke wijze in de schepselen neergelegd, zoodat ze door
-den mensch denkende kunnen verstaan worden. En bij de revelatio
-supernaturalis bindt Hij zich aan ruimte en tijd, neemt Hij aan
-menschelijke taal en spraak, en bedient zich van creatuurlijke
-<span class="pagenum" id="Page_229">[229]</span>
-middelen, Gen. 1:28, 2:16 v., 21 v., 3:8 v. En door deze
-media heen vernam en verstond de mensch God even goed en
-even duidelijk, als nu de vrome de sprake Gods verneemt in
-heel de natuur. Zoo weinig onmogelijk en bedriegelijk de openbaring
-Gods in natuur en geschiedenis is voor den geloovige, is
-het ook de bovennatuurlijke openbaring, waarbij God van ongewone
-middelen zich bedient, maar waarvoor Hij ook op bijzondere
-wijze de oogen opent. Natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring
-gaan dus naar de leer der Schrift in den status integritatis saam.
-Zij zijn geen tegenstelling maar vullen elkander aan. Zij zijn
-beide middellijk en aan bepaalde vormen en middelen gebonden. Zij
-berusten beide op de gedachte, dat God in genade zich nederbuigt
-tot den mensch en hem gelijkvormig wordt. En zij hebben
-beide deze modi, dat God zijne tegenwoordigheid gevoelen, zijne
-stemme hooren, zijne werken aanschouwen doet. Door verschijning,
-woord en daad maakte God van den aanvang af aan menschen
-zich openbaar.</p>
-
-<p>Opmerkelijk is het nu, dat de zonde, die door den eersten
-mensch intreedt in de wereld, in het feit zelf der openbaring geen
-verandering brengt. God blijft zich openbaren; Hij trekt zich niet
-terug. Allereerst wordt ons door heel de Schrift heen eene revelatio
-naturalis geleerd. Gods openbaring is begonnen in de schepping
-en zet in de onderhouding en regeering aller dingen zich voort.
-Hij openbaart zich in de natuur rondom ons henen; spreidt daarin
-zijne eeuwige kracht en goddelijkheid ten toon, en bewijst in
-zegeningen en oordeel en beurtelings zijne goedheid en zijn toorn,
-Job 36, 37. Ps. 29, 33:5, 65, 67:7, 90, 104, 107, 145,
-147. Jes. 59:17-19. Mt. 5:45. Rom: 1:18. Hd. 14:16.
-Hij openbaart zich in de geschiedenis van volken en personen
-Deut. 32:8. Ps. 33:10, 67:5, 115:16. Spr. 8:15, 16. Hd.
-17:26. Rom. 13:1. Hij openbaart zich ook in het hart en geweten
-van een iegelijk mensch Job 32:8, 33:4. Spr. 20:27.
-Joh. 1:3-5, 9, 10. Rom. 2:14, 15, 8:16. Deze openbaring
-Gods is algemeen, op zichzelve waarneembaar en verstaanbaar
-voor iederen mensch. Natuur en geschiedenis zijn het boek van
-Gods almacht en wijsheid, van zijne goedheid en rechtvaardigheid.
-Alle volken hebben deze openbaring tot op zekere hoogte erkend.
-Zelfs de afgoderij onderstelt, dat in de schepselen Gods δυναμις
-en θειοτης zich openbaart. Wijsgeeren, natuuronderzoekers en
-<span class="pagenum" id="Page_230">[230]</span>
-geschiedvorschers hebben menigmaal op treffende wijze van deze
-openbaring Gods gesproken, b.v. Xenophon, Memor. I 4, 5.
-Cicero, de nat. deor. II 2, de divinat. II 72. Zöckler, Gottes
-Zeugen im Reich der Natur, 2 Th. Gütersloh 1881. Door de
-christelijke theologie is deze algemeene openbaring ten allen tijde
-eenparig aangenomen en verdedigd, Iren. adv. haer. II 6. Tertull.
-de testim. animae, adv. Marc. I 10. August, de civ. Dei 8:9 sq.
-19:1, de trin. 4:20 enz. Joh. Damasc. de fide orthod. I c. 1 en 3.
-Thomas, S. c. Gent. lib. 1-3. S. Theol. I qu. 2 enz., cf. verder
-H. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II S. 27-45.
-Inzonderheid door de Geref. theologen werd deze algemeene openbaring
-gehandhaafd en hoog gewaardeerd, Calv. Inst. I c. 4 en
-cf. voorts Schweizer, Gl. der ev. K. I 241 f. Heppe, Dogm. der
-ev. ref. K. S. 1 f. Scholten, Leer der Herv. Kerk I<sup>4</sup> 304-326.
-Doedes, Inleiding tot de leer van God 2<sup>e</sup> dr. bl. 107-252.</p>
-
-<p>Maar volgens de Schrift is deze algemeene openbaring niet in
-strikten zin natuurlijk alleen, maar bevat zij ook bovennatuurlijke
-elementen. De openbaring, die terstond na den val geschiedt,
-draagt een supranatureel karakter Gen. 3:8 v. en wordt door
-traditie het eigendom der menschheid. De oorspronkelijke kennis
-en dienst Gods blijft nog langen tijd in min of meer zuiveren
-toestand bewaard. Aan Kain wordt genade geschonken voor recht:
-zelfs wordt hij de vader van een geslacht, dat met de cultuur
-een aanvang maakt, Gen. 4. Het verbond, dat na den zondvloed
-met Noach en in hem met heel de nieuwe menschheid opgericht
-wordt, is een verbond der natuur en toch niet natuurlijk meer,
-maar vrucht van ongehoudene bovennatuurlijke genade, Gen.
-8:21, 22. 9:1-17. Meermalen gewaagt de Schrift van wonderen,
-die God gewrocht heeft voor de oogen der Heidenen, in
-Egypte, Kanaan, Babel enz., en van bovennatuurlijke openbaringen,
-die aan niet-Israelieten ten beurt gevallen zijn, Gen. 20,
-30, 40, 41. Richt. 7. Dan. 2:4 enz. Eene werking van bovennatuurlijke
-krachten in de heidenwereld is apriori noch onmogelijk
-noch zelfs onwaarschijnlijk. Er kan waarheid liggen in het beroep
-op openbaringen, dat aan alle godsdiensten gemeenschappelijk is.
-En omgekeerd is niet alles wat tot het terrein der bijzondere
-genade behoort, in strikten zin bovennatuurlijk. Er verloopen
-gansche perioden in de geschiedenis van Israel, vele dagen en
-jaren in het leven van Jezus, en evenzoo in het leven der apostelen,
-<span class="pagenum" id="Page_231">[231]</span>
-waarin geene bovennatuurlijke openbaring plaats heeft en
-die toch een gewichtig deel vormen in de historia revelationis.
-Als Jezus den armen het evangelie verkondigt, is dit van geen
-minder gewicht, dan wanneer Hij kranken geneest en dooden
-opwekt. Zijn sterven, dat natuurlijk schijnt, is van geen mindere
-beteekenis dan zijne bovennatuurlijke geboorte. Daarom is
-de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring
-niet identisch met die van algemeene en bijzondere. Ter aanduiding
-van de tweeërlei openbaring, die aan de heidensche religies
-en aan de religie der Schrift ten grondslag ligt, is de laatste
-onderscheiding te verkiezen boven de eerste.</p>
-
-<h4>C. Ongenoegzaamheid der algemeene openbaring.</h4>
-
-<p>7. Deze revelatio generalis is echter om verschillende redenen
-onvoldoende. Ook hierin zijn alle christelijke theologen eenstemmig.
-Irenaeus adv. haeres. 2, 28 betoogt tegenover de gnostieken
-de beperktheid der menschelijke kennis. Justinus Martyr, Dial.
-c. Tryph., inleiding, Tertullianus, de an. c. 1. Lactantius, Instit.
-div. 3, 1. 4, 1. Arnobius, adv. nat. I, 38. II, 6. schilderen
-de zwakheid der rede in zeer sterke kleuren. Augustinus ontkent
-niet, dat er ook bij de Heidenen eenige waarheid is, waarmede
-de Christenen hun winst kunnen doen, de doctr. chr. 2, 60.
-Maar de philosophie is niet de ware weg tot de zaligheid. Ze
-kan slechts weinigen en slechts weinig leeren, de trin. 13, 12.
-de civ. 12, 20. de util. cred. 10, 24. Ze kent wel het doel,
-maar niet den weg, die tot het doel leidt, Conf. 5, 5. 7, 26.
-de civ. 10, 29. Dikwerf leidt ze op een dwaalweg en houdt de
-waarheid in ongerechtigheid onder, de trin. 13, 24, zoekt ze
-niet op vrome wijze, Conf. 5, 4, mist de liefde die tot kennis
-der waarheid noodig is, de civ. 9, 20, wordt door haar eigen
-superbia verhinderd in de kennis der waarheid, want alleen
-humilitas is de weg ten leven, de civ. 2, 7. Daarom is er nog
-een andere weg tot de waarheid noodig, nl. de auctoritas, de
-vera relig. c. 24. de mor. eccl. 1, 2. Thomas S. Theol. I qu.
-1 art. 1. S. c. Gent. I, 4. betoogt de noodzakelijkheid der openbaring
-zelfs voor de door de rede gekende articuli mixti. De
-Roomsche kerk heeft de insufficientia der theol. nat. duidelijk
-uitgesproken in de voorrede van den Catech. Romanus, en in
-<span class="pagenum" id="Page_232">[232]</span>
-’t Vaticanum sess. 3 cap. 2 de revelatione, en can. 2, 2-4. En
-de Protest. theologen oordeelden over deze insufficientia der algemeene
-openbaring niet anders, Calv. Inst. I. 5 §&nbsp;11 sq. en cap.
-6. Heidegger, Corpus Theol. I §&nbsp;9-13. Trigland, Antapologia
-cap. 17. Owen, Θεολογουμενα I cap. 6. Turret. Theol. Elenct.
-I qu. 4. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 61 39. De genoegzaamheid
-der algemeene openbaring en der daarop gebouwde
-religio naturalis werd in vroeger tijd alleen geleerd door de
-Pelagianen, die drieërlei weg tot de zaligheid aannamen, n.l. de
-lex naturae, lex Mosis en lex Christi. Ook waren er in de christelijke
-kerk altijd enkele theologen, die gunstiger over de Heidenen
-oordeelden en ook aan de mogelijkheid hunner zaligheid
-geloofden, zooals Justinus, Clemens Alex. Erasmus, Zwingli enz.
-cf. Vossius, Historia Pelag. 1655 p. 383 sq. Maar bij dezen
-rustte dit geloof meestentijds niet op de leer van de genoegzaamheid
-der algemeene openbaring, maar op de onderstelling, dat
-God ook met zijne bijzondere genade onder de Heidenen hetzij dan
-in of na dit leven werkte. Daarentegen werd de volkomen genoegzaamheid
-der algemeene openbaring en van de natuurlijke religie
-in de 18<sup>e</sup> eeuw geleerd door de deïsten en rationalisten, zooals
-Cherbury, Tindal, Collins, Rousseau, Kant enz. Litt. bij Lechler,
-Gesch. des engl. Deïsmus 1841 en art. Deïsmus in Herzog<sup>2</sup>.
-Bretschneider, System. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe
-1841 S. 35 f. Clarisse, Encycl. 1835 p. 405 sq. Doedes, Inleiding
-tot de Leer van God 1880 bl. 197 v.</p>
-
-<p>Over de insufficientia der algemeene openbaring kan er haast
-geen twijfel bestaan. Ten eerste blijkt ze daaruit, dat deze openbaring
-ons hoogstens eenige kennis verschaft van Gods bestaan
-en van sommige zijner eigenschappen, zooals goedheid en gerechtigheid;
-maar ze laat ons volstrekt onbekend met den persoon
-van Christus, die alleen is de weg tot den Vader, Mt. 11:27.
-Joh. 14:6, 17:3. Hd. 4:12. De algemeene openbaring is
-daarom onvoldoende voor den mensch als zondaar; zij weet van
-geen genade en vergeving; menigmaal is zij zelfs eene openbaring
-van toorn, Rom. 1:20. Genade en vergeving, die het wezen der
-religie moeten zijn, is een daad van welbehagen, niet van natuur
-en noodzakelijkheid. De algemeene openbaring kan hoogstens eenige
-waarheden doen kennen, maar brengt geen feiten, geen geschiedenis,
-en verandert dus niets in het zijn. Zij verlicht het bewustzijn
-<span class="pagenum" id="Page_233">[233]</span>
-eenigszins en beteugelt de zonde, maar zij herschept de natuur
-van mensch en wereld niet. Zij kan vrees inboezemen, maar geen
-vertrouwen en liefde, Shedd, Dogm. Theol. I 66, 218. In de
-tweede plaats is de kennis, welke de algemeene openbaring verschaffen
-kan, niet alleen gering en onvoldoende, maar ze is ook
-onzeker, steeds met dwaling vermengd, en voor verreweg de
-meeste menschen onbereikbaar. De geschiedenis der philosophie
-is eene geschiedenis van elkander afbrekende systemen geweest;
-en is bij de Grieken in het skepticisme, in de Middeleeuwen in
-het nominalisme, en thans in het agnosticisme geëindigd. De voor
-de religie noodzakelijkste waarheden, bestaan en wezen Gods,
-oorsprong en bestemming van mensch en wereld, zonde en vergeving,
-loon en straf zijn beurtelings geleerd en bestreden. Er
-is in de philosophie over al deze vragen geen genoegzame zekerheid
-te verkrijgen. Cicero, Tusc. 1,5 vraagt daarom terecht: ex philosophis
-nonne optimus et gravissimus quisque confitetur multa
-se ignorare, multa sibi etiam atque etiam esse discenda? Maar
-ook al kwamen sommige denkers tot eenige ware en zuivere kennis,
-zij was nog altijd met allerlei dwaling vermengd. Elk wijsgeerig
-systeem heeft zijne leemten en gebreken. Plato, wiens systeem
-volgens Augustinus, de civ. 8,5 het naast aan het Christendom
-verwant is, verdedigt het te vondeling leggen van zwakke kinderen,
-de paederastie, gemeenschap van vrouwen enz. Zelfs in de moraal
-is er groot verschil en onzekerheid; vérité en deça des Pyrenées,
-erreur au delà (Pascal). Nescio quomodo nihil tam absurde dici
-potest, quod non dicatur ab aliquo philosophorum, Cic. de divin.
-2,58. En al waren de wijsgeeren ook in het bezit geweest van
-de schoonste en zuiverste leer, de autoriteit zou hun toch hebben
-ontbroken, om haar onder het volk ingang te verschaffen. Dikwerf
-sluiten zij daarom zelf in de practijk van het leven toch
-weer bij het volksgeloof en de volkszeden zich aan; of zij trekken
-met een Odi profanum vulgus et arceo van het volk in hoogheid
-zich terug. Hun onderlinge strijd en de tegenstelling tusschen
-hun leer en leven verzwakte hun invloed. En al ware ook dit
-alles nog niet het geval geweest, dan zou toch de leer der wijsgeeren
-nooit de religie van het volk hebben kunnen worden of
-blijven, omdat in zaken van religie een intellectueel clericalisme
-en eene wetenschappelijke hierarchie onverdragelijk is. Daarom
-had Thomas volkomen gelijk, als hij zeide, dat ook zelfs in die
-<span class="pagenum" id="Page_234">[234]</span>
-waarheden, welke de algemeene openbaring ons kennen doet, nog
-openbaring en autoriteit van noode is, omdat die kennis slechts
-voor weinigen geschikt is, te langen tijd van onderzoek vereischen
-zou en ook dan nog onvolkomen en onzeker bleef, S. Theol. I
-qu. 1 art. 1, II 2 qu. 2 art. 4. S. contra Gent. I, 4. In de
-derde plaats wordt het onvoldoende der natuurlijke openbaring
-duidelijk aangetoond door het feit, dat geen enkel volk met de
-zoogenaamde religio naturalis is tevreden geweest. De algemeene
-religie der deïsten, de moralische Vernunftreligion van Kant, de
-pietas en obedientia van Spinoza, zijn alle niets dan pure abstracties,
-die in de werkelijkheid nooit hebben bestaan. Zelfs al waren
-de vijf artikelen van Herbert of de rationalistische trilogie van
-Kant volkomen zeker en streng wetenschappelijk bewijsbaar geweest,
-dan nog zouden ze tot het stichten van eene religie, van
-een kerk onbekwaam zijn geweest. Want religie is iets wezenlijk
-anders dan wetenschap, zij heeft een andere bron en grondslag.
-De achttiende eeuw kon in zulke redewaarheden en ijdele abstracties
-behagen vinden. De negentiende eeuw met haar historischen
-zin heeft spoedig ingezien, dat zulk een religio naturalis nergens
-bestond en ook nergens bestaan kan. Thans wordt algemeen toegestemd,
-dat alle godsdiensten positief zijn en rusten op openbaring,
-Schleiermacher, Glaub. §&nbsp;10 Zusatz. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. III<sup>2</sup> 4, 500. Id. Unterricht in der christl. Religion<sup>3</sup> S. 20.
-Frank, System der chr. Wahrheit. I<sup>2</sup> 512 f. Doedes, Encyclopaedie
-190, 191. W. Bender, Zur Geschichte der Emancipation
-der natürl. Theol., Jahrb. f. prot. Theol. 1883 S. 529<sup>4</sup>-592.
-R. Rütschi, Die Lehre von der natürlichen Religion u. vom
-Naturrecht, Jahrb. f. prot. Theol. 1884 S. 1-48. Hoekstra,
-Wijsg. Godsd. I 19 v.</p>
-
-<h4>D. Waarde der algemeene openbaring.</h4>
-
-<p>8. Daarmede heeft echter de algemeene openbaring niet hare
-waarde en beteekenis verloren. Ten eerste is ze van groote beteekenis
-voor de heidenwereld. Zij is de vaste en blijvende grondslag
-der heidensche godsdiensten. De H. Schrift velt over het
-Ethnicisme een gestreng oordeel en verklaart zijn oorsprong uit
-afval van de zuivere kennisse Gods. Wel bleef deze kennis, die
-’s menschen oorspronkelijk eigendom was, nog een tijd lang
-<span class="pagenum" id="Page_235">[235]</span>
-nawerken Gen. 4:3. 8:20, en openbaarde de schepping Gods
-eeuwige kracht en goddelijkheid, Rom. 1:20. Maar de menschen,
-verdwaasd in hunne gedachten en verduisterd in hun hart, hebben
-God kennende Hem als God niet verheerlijkt of gedankt.
-Daarbij is de verwarring der spraak en de verstrooiïng der volken
-Gen. 11 zeker ook voor de ontwikkeling van het polytheïsme
-van grooten invloed geweest, Orig. c. Cels V. Aug. de civ. Dei
-16:6. Schelling, Einleitung in die philos. der Mythologie I 94 f.
-Delitzsch, Comm. op Gen. 11. Auberlen, De goddelijke openbaring
-I 187 v. Fabri, Die Entstehung des Heidenthums und
-die Aufgabe der Heidenmission 1859. Herzog<sup>2</sup> 12:108. Het Hebr.
-גּוֹי, de door afkomst en taal verbondene menigte, natie, naast
-גַּם het door eenheid van bestuur verbondene volk wijst hier ook
-op. Want גּוֹיִים, ἐθνη wordt doorgaans van de heidensche
-volken gebruikt, en beteekent niet alleen volken maar ook heidenen;
-het woord heeft eene nationale maar tegelijk ook eene ethisch-religieuse
-beteekenis, evenals het lat. pagani en ons heidenen.
-De eenheid Gods en dus ook de reinheid der religie ging bij de
-splitsing der menschheid in volken te loor. Ieder volk kreeg zijn
-eigen, nationalen god. En toen eenmaal het begrip van de eenheid
-en de absoluutheid Gods was te loor gegaan, konden naast
-dien éénen nationalen god andere machten langzamerhand als
-goden erkend en vereerd worden; de idee van het goddelijke
-wordt onzuiver en daalt, de verschillende natuurmachten treden
-op den voorgrond en stijgen in beteekenis; de grens tusschen het
-goddelijke en het creatuurlijke wordt uitgewischt; en de religie
-kan zelfs ontaarden in animisme en feticisme, in tooverij en magie.
-Het karakter der heidensche godsdiensten bestaat dan ook volgens
-de Schrift in afgoderij. De heidensche goden zijn afgoden,
-zij bestaan niet, zij zijn leugen en ijdelheid Jes. 41:29, 42:17,
-46:1 v. Jer. 2:28. Ps. 106:28. Hd. 14:15, 19:26. Gal.
-4:8. 1 Cor. 8:5. In die religies werkt zelfs eene daemonische
-macht Deut. 32:17. Ps. 106:28. 1 Cor. 10:20 v. Apoc. 9:20.
-De toestand, waarin de heidenwereld buiten de openbaring aan
-Israel, buiten Christus verkeert, wordt beschreven als duisternis
-Jes. 9:1, 60:2. Luk. 1:79. Joh. 1:5. Ef. 4:18, als onwetendheid
-Hd. 17:30. 1 Petr 1:14. Rom 1:18 v.; als ingebeelde
-ijdele wijsheid 1 Cor. 1:18 v., 2:6, 3:19 v.; als zonde en
-ongerechtigheid Rom 1:24 v., 3:9 v.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_236">[236]</span>
-De heidenwereld is in haar oorsprong, karakter en bestemming
-een ontzachlijk probleem. Op zichzelve is de oplossing,
-welke de Schrift ervan geeft, niet alleen niet ongerijmd, maar
-zij beveelt zich zelfs door haar eenvoud en hare natuurlijkheid
-aan. Toch heeft de philosophie, zoowel die van de historie als
-van de godsdiensten, zich met die oplossing niet tevreden gesteld
-en eene andere beschouwing voorgedragen, welke lijnrecht tegen
-die der Schrift overstaat. Wel vindt de verheerlijking van den
-kinderlijken toestand der volken, gelijk die in de vorige eeuw
-gebruikelijk was, thans geene instemming meer. Maar de theorie
-der evolutie, die thans ter verklaring dienst doet, is evenzeer
-met de Schrift in strijd. Gelijk de natuurwetenschap het levende
-uit het levenlooze, het organische uit het anorganische, den
-mensch uit het dier, het bewuste uit het onbewuste, het hoogere
-uit het lagere tracht af te leiden, zoo zoekt de godsdienstwetenschap
-van den nieuweren tijd den godsdienst uit een vroegeren
-godsdienstloozen toestand en de zuivere religie uit de primitieve
-vormen van feticisme, animisme enz. te verklaren. D. Hume is
-daarmede reeds begonnen in zijne Natural history of religion.
-Bij Hegel paste zij geheel in het kader zijner pantheïstische
-philosophie, Vorlesungen über die Philosophie der Religion 1832.
-En sedert heeft ze hoe langer hoe meer verbreiding en verdediging
-gevonden, Buckle, History of civilization in England 1858.
-W. E. H. Lecky, History of the rise and influence of the spirit
-of rationalism in Europe 1865. E. B. Tylor, Researches into the
-early history of mankind and the development of civilization
-2<sup>d</sup> ed. 1870. Id. Primitive Culture 1872. Sir John Lubbock,
-Prehistoric times as illustrated by ancient remains and the manners
-and customs of modern savages 1865. Id. The origin of
-civilization and the primitive condition of man 1870. H. Spencer,
-The principles of sociology 1876-’82. F. von Hellwald, Kulturgeschichte
-in ihrer natürlichen Entwicklung bis zur Gegenwart,
-3<sup>e</sup> Aufl. 1883. O. Caspari, Die Urgeschichte der Menschheit
-mit Rücksicht auf die natürliche Entwicklung des frühesten Geisteslebens
-1873. G. Roskoff, Das Religionswesen der rohesten
-Natürvolker 1880. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie, Leipzig.
-O. Pfleiderer, Religionsphilos. auf geschichtl. Grundlage, 2<sup>e</sup> Aufl.
-1883-84. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilosophie 1893.
-A. Reville, Prolégomènes de l’histoire des religions, Paris 1881.
-<span class="pagenum" id="Page_237">[237]</span>
-C. P. Tiele, De plaats v. d. godsd. der natuurvolken in de godsdienstgeschiedenis
-1873. Id. Over de wetten der ontwikkeling
-van den godsdienst, Theol. Tijdschr. 1874. Id. Gesch. v. d.
-godsd. 1876 enz. Hoe algemeen deze leer der evolutie echter
-ook aangenomen zij, in elk geval heeft zij nog geen hoogeren rang
-dan dien van eene hypothese. Maar zij verklaart de verschijnselen
-niet. In de natuurwetenschap stuit zij nog altijd af op de feiten
-van leven, bewustzijn, spraak, taal, wil enz. En in de godsdienstwetenschap
-blijft het ontstaan en het wezen, de waarheid
-en de waarde der religie protest tegen haar indienen. Dat voorts
-de natuurvolken den oorspronkelijken toestand der menschheid
-vertegenwoordigen, dat feticisme en animisme de oudste godsdienstvormen
-zijn, en dat de eerste menschen gelijk waren aan
-kinderen of wilden, zijn meeningen, die voldoenden grond missen
-en daarom ook hoe langer hoe meer tegenspraak ontmoeten.
-Schelling nam in zijne Philosophie der Mythologie und Offenbarung
-een relatief monotheïsme als oorspronkelijk aan. Max
-Müller erkent een zoogenaamd henotheïsme als primitieven godsdienst,
-Vorlesungen über Ursprung und Entwicklung der Religion
-S. 292 f. Deutsche Rundschau Sept. 1878. Cf. Rauwenhoff, Wijsb.
-v. d. godsd. 95 v. 191 v. en Hoekstra, Wijsg. Godsd. 146 v.
-Ook de meening, dat de verschillende godsdiensten opeenvolgende
-momenten zijn in één ontwikkelingsproces, is veel minder waarschijnlijk
-dan die, welke ze houdt voor ontaardingen van eene
-soort, Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 185. De leer der Schrift
-over den oorsprong en het wezen van het Ethnicisme wordt
-daarom meer of minder beslist nog verdedigd door Lüken, Die
-Einheit des Menschengeschlechts und dessen Ausbreitung über
-die ganze Erde 1845. Doedes, De toepassing van de ontwikkelingstheorie
-niet aan te bevelen voor de gesch. der godsd. 1874.
-E. L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung 1878. Zöckler, Die
-Lehre vom Urstand des Menschen, Gütersloh 1879. Id. Art.
-Polytheismus in Herzog<sup>2</sup>. Lenormant, Les origines de l’histoire
-d’après la Bible et les traditions des peuples orientaux, 3 vol.
-1880-84. Diestel, der Monoth. des Heidenthums, Jahrb. f.
-deutsche Theol. 1860 S. 669-759. A. Tholuck, Der sittliche
-Charakter des Heidenthums 3<sup>e</sup> Aufl., Werke VIII 1865 S. 1-91.
-J. N. Sepp, Das Heidenthum und dessen Bedeutung für das
-Christenthum, 3 Theile Regensburg 1853. C. Pesch, Gott und
-<span class="pagenum" id="Page_238">[238]</span>
-Götter. Eine Studie zur vergleichenden Religionswissenschaft. Freiburg
-1890. Formby-Krieg, Der Monotheïsmus der Offenbarung
-und das Heidenthum. Mainz 1880. Ebrard, Apologetik, 2<sup>e</sup> Aufl.
-Gütersloh 1878-80. II 521 f. Vigouroux, La Bible et les découvertes
-modernes en Palestine, en Egypte et en Assyrie, 4
-vol. James Orr, The Christian view of God and the world,
-Edinburgh, Elliot 1893 p. 141, 193, 431, 466, 501. S. H.
-Kellogg, The genesis and growth of religion, New-York and
-London 1892. Cf. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch.
-S. 7 f. 23 f.</p>
-
-<p class="sep2">9. Maar, hoe streng de Schrift ook oordeele over het karakter
-van het heidendom, juist de algemeene openbaring die zij leert
-stelt ons in staat en geeft ons recht, om al de elementen van
-waarheid te erkennen, die ook in de heidensche religies aanwezig
-zijn. De studie der godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst
-der dogmatiek en apologetiek. De godsdienststichters, zooals Mohammed,
-werden eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers
-des duivels gehouden. Cf. Dr. Snouck Hurgronje, De
-Islam. Gids 1886 II 239 v. Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger
-bekend zijn geworden, is deze verklaring onhoudbaar
-gebleken; zij was beide met de historie en met de psychologie
-in strijd. Naar de H. Schrift is er ook onder de heidenen eene
-openbaring Gods, eene verlichting van den Logos, eene werking
-van Gods Geest, Gen. 6:17, 7:15. Ps. 33:6, 104:30, 139
-vs. 2. Job 32:8. Pred. 3:19. Spr. 8:22 v. Mal. 1:11, 14.
-Joh. 1:9. Rom.2:14. Gal. 4:1-3. Hd. 14:16, 17; 17 vs.
-22-30. Vele kerkvaders, Just. Martyr, Apol. 1,47, Clemens
-Alex. Strom. I 7 e. a. namen eene werkzaamheid van den Logos
-in de heidenwereld aan. Augustinus spreekt meermalen zeer ongunstig
-over de heidenen, maar erkent toch ook, dat zij de waarheid
-in schaduw zagen, de civ. 19,1 de trin. 4.20, dat de waarheid
-hun niet ten eenenmale verborgen was, de civ. 8:11 v.
-en dat wij dus met het ware in de heidensche philosophie onze
-winste moeten doen en het ons moeten toeëigenen, de doctr. chr.
-2,60. Non usque adeo in anima humana imago Dei terrenorum
-affectuum labe detrita est, ut nulla in ea velut lineamenta extrema
-remanserint, unde merito dici possit, etiam in ipsa impietate
-vitae suae facere aliqua legis vel sapere, de spir. et. litt.
-<span class="pagenum" id="Page_239">[239]</span>
-c. 27, 28. Ook vele niet-reinen erkennen veel waars, Retract. I
-c. 4. Thomas zegt niet alleen, dat de mensch als redelijk wezen,
-zonder bovennatuurlijke genade, de veritates naturales kennen
-kan, S. Theol. I 2 qu. 109 art. 1. maar getuigt ook II 2
-qu. 172 art. 6, dat het onmogelijk is esse aliquam cognitionem
-quae totaliter sit falsa, absque admixtione alicujus veritatis,
-en beroept zich daarbij op de woorden van Beda en Augustinus:
-nulla falsa est doctrina, quae non aliquando aliqua vera falsis
-intermisceat. De Gereformeerden waren er nog beter aan toe
-door hunne leer van de gratia communis. Hierdoor werden ze
-eenerzijds voor de dwaling van het Pelagianisme behoed, dat
-de sufficientia der theol. naturalis leerde en de zaligheid verbond
-aan de onderhouding der lex naturae; maar konden zij toch
-andererzijds al het ware en schoone en goede erkennen dat ook
-in de heidenwereld aanwezig was. Wetenschap, kunst, zedelijk,
-huiselijk, maatschappelijk leven enz. werden uit die gratia communis
-afgeleid en met dankbaarheid erkend en geprezen, Calv. Inst. II, 2.
-§&nbsp;12 v. II 3. §&nbsp;3 v. Zanchius, Opera VIII 646 sq. Wttewrongel,
-Christ. Huishoudinge I 288-299. Witsius, Oec. foed. III 12. §
-52. Id. Twist des Heeren met zijn wijngaart cap. 19. Turret,
-Theol. El. 10:5. Vossius, Hist. Pelag. 3:3. Pfanner, Systema
-Theol. Gentilis cap. 22 §&nbsp;33. Trigland, Antapologia cap. 17.
-Moor, Comm. in Marckii Comp. IV 826-829. Cf. mijne rede
-over De algemeene Genade, Kampen 1894. Gewoonlijk werd
-deze werking der gratia communis nu wel gezien in ’t zedelijk
-en verstandelijk, maatschappelijk en staatkundig leven, maar
-minder dikwijls in de religies. Dan werd alleen van eenige religio
-naturalis, insita en acquisita gesproken, maar het verband tusschen
-deze en de religies niet aangetoond. De godsdiensten werden uit
-bedrog of daemonische invloeden afgeleid. Maar niet alleen in
-wetenschap en kunst, in moraal en recht, maar ook in de religies
-is er eene werking van Gods Geest en van zijne algemeene genade
-op te merken. Calvijn sprak terecht van een semen religionis,
-een sensus divinitatis, Inst. I, 3, 1-3. I, 4, 1. II, 2, 18.
-Immers, de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen
-werktuigen van Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor
-hun tijd en voor hun volk een roeping hadden te vervullen, en
-op het leven der volken een gunstigen invloed hebben uitgeoefend.
-De verschillende godsdiensten, met hoeveel dwaling ook vermengd,
-<span class="pagenum" id="Page_240">[240]</span>
-hebben tot op zekere hoogte de religieuse behoeften
-bevredigd en troost in de smart van het leven geschonken. Niet
-alleen kreten van wanhoop, maar ook tonen van vertrouwen,
-hoop, berusting, vrede, onderwerping, lijdzaamheid enz. komen
-ons uit de heidenwereld tegen. Al de elementen en vormen, die
-essentieel zijn aan de religie, Godsbegrip, schuldbewustzijn,
-behoefte aan verlossing, offerande, priesterschap, tempel, cultus,
-gebed enz. komen verbasterd maar komen toch zoo ook in de
-heidensche godsdiensten voor. Zelfs ontbreekt het hier en daar
-niet aan onbewuste voorzeggingen en treffende verwachtingen van
-een betere en zuiverder religie. Daarom staat het Christendom
-niet uitsluitend antithetisch tegen het heidendom over; het is er
-ook de vervulling van. Het Christendom is de ware maar daarom
-ook de hoogste en zuiverste religie, het is de waarheid van alle
-godsdiensten. Wat in het Ethnicisme caricatuur is, is hier het
-levende origineel. Wat daar schijn is, is hier wezen. Wat daar
-gezocht wordt, is hier te vinden. Het Christendom is de verklaring
-van het Ethnicisme. Christus is de Beloofde aan Israel
-en de Wensch aller heidenen. Israel en de gemeente zijn uitverkoren
-ten bate der menschheid. In Abrahams zaad worden
-alle geslachten der aarde gezegend. Zie behalve de bovengenoemde
-werken van Fabri, Sepp, Tholuck e. a. ook nog Clemens Alex.
-Strom. 1, 1. 4, 5. 6, 8. Coh. ad gentes §&nbsp;6. Orig. c. Cels. 4, 4.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 184. Philippi, Kirchl. Gl. I 2.
-Beck, Einleitung in das Syst. der christl. Lehre 2<sup>e</sup> Aufl. 1870
-S. 45 f. Saussaye in mijne Theol. van Prof. Dr. Ch. d. l. S.
-bl. 31 v. 46 v. 83 v. V. von Strauss und Torney, Das <ins id="cor_27" title="unbewust">unbewusst</ins>
-Weissagende im vorchristl. Heidenthum (Zeitfr. des christl. Volkslebens
-VIII). Staudenmaier, Encycl. der theol. Wiss. 1835 §
-428 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 134 f. Kuyper, Encycl.
-III 445 v. 563 v.</p>
-
-<p class="sep2">10. Maar de revelatio generalis heeft niet alleen voor de
-heidenwereld, maar ook nog in en voor de christelijke religie
-beteekenis. Haar waarde is echter niet daarin gelegen, dat zij
-ons eene theologia of religio naturalis, een moralischen Vernunftglauben
-verschaft, die op zich zelve voldoende zou wezen en al
-het positieve in den godsdienst zou kunnen missen. Zulk een
-religio naturalis wordt er nergens gevonden en is ook niet bestaanbaar.
-<span class="pagenum" id="Page_241">[241]</span>
-Evenmin is het de bedoeling der revelatio generalis
-dat de Christen uit haar zijn eerste kennis over God, wereld
-en mensch zou putten, om deze dan later aan te vullen met de
-kennis van Christus. Ritschl en zijne volgelingen stellen het zoo
-voor, alsof de dogmaticus in de loci de Deo en de homine de
-stof alleen nam uit de revelatio generalis, en dan de stof voor
-de volgende loci eerst putte ging uit de H. Schrift. De dogmaticus
-zou dan eerst staan buiten en voor het christelijk geloof,
-en dan bij de latere dogmata in dat geloof zijne positie nemen,
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 4. Maar dit is de methode van
-de reformatorische dogmatiek althans in den beginne niet geweest.
-Als de Christen zijn geloof belijdt in God den Vader, den
-Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, dan is dat in
-den vollen zin christelijk geloof. En de dogmaticus ontdoet zich
-niet eerst van dit zijn geloof, om uit de algemeene openbaring
-eene redelijke leer over God en den mensch saam te stellen en
-deze later met de openbaring in Christus aan te vullen. Maar
-hij put zijne kennis enkel en alleen uit de revelatio specialis,
-d. i. uit de H. Schrift. Deze is zijn principium unicum. Maar
-hij beperkt deze bijzondere openbaring niet tot den persoon
-van Christus, gelijk die in enkele gedeelten der Schrift, bijv.
-in de Synopt. Evangeliën of alleen in de Bergrede geteekend
-wordt. De gansche openbaring, die in de Schrift is samengevat,
-is eene revelatio specialis, welke in Christus tot ons komt.
-Christus is middelpunt en inhoud van heel die bijzondere openbaring,
-welke bij het Paradijs begint en in de Apocalypse zich
-voltooit. De bijzondere revelatie heeft nu de algemeene erkend
-en gewaardeerd, en heeft ze zelfs overgenomen en als het ware
-geassimileerd. En zoo doet ook de Christen, zoo ook de dogmaticus.
-Hij staat in het christelijk geloof, in de revelatio specialis
-en ziet van daar uit ook in de natuur en geschiedenis. En
-nu ontdekt hij daar sporen van dienzelfden God, dien hij in
-Christus leerde kennen als zijn Vader. Juist als Christen, door
-het geloof, ziet hij de openbaring Gods in de natuur veel beter
-en duidelijker, dan hij ze vroeger opmerken kon. De psychische
-mensch verstaat de sprake Gods in de natuur en de geschiedenis
-niet. Hij doorzoekt het gansch heelal, zonder God te vinden.
-Maar de Christen, gewapend met de bril der H. Schrift, R. de
-Sabunde, Theol. Natur. in den Prologus, Calvijn, Inst. I 6, 1.,
-<span class="pagenum" id="Page_242">[242]</span>
-ziet God in alles en alles in God. Daarom treffen we in de
-Schrift eene natuurpoëzie en eene geschiedbeschouwing aan, zooals
-die nergens wordt gevonden. De geloovige vindt dus met zijne
-christelijke belijdenis ook in de wereld zich terecht; hij is er
-geen vreemdeling in, en ziet daar geen andere macht heerschen,
-dan die hij ook in Christus als zijn Vader aanroept. Door die
-algemeene openbaring voelt hij zich in de wereld thuis; het is
-Gods vaderlijke hand, uit welke ook in het natuurlijke alle
-dingen hem toekomen.</p>
-
-<p>In die algemeene openbaring heeft hij verder een vasten bodem,
-waarop hij alle niet-christenen ontmoeten kan. Hij heeft eenzelfden
-grondslag met hen gemeen. Door zijn christelijk geloof
-moge hij eene geïsoleerde positie innemen, hij moge zijne geloofsovertuigingen
-niet aan anderen kunnen bewijzen; in de algemeene
-openbaring heeft hij toch een aanknoopingspunt met al wie den
-naam van mensch draagt. Gelijk de klassieke propaedeuse eene
-gemeenschappelijke basis legt bij alle mannen van wetenschap,
-zoo houdt de algemeene openbaring alle menschen saam trots
-alle verschil van religie. Subjectief is bij den geloovige de kennisse
-Gods uit de natuur posterieur aan die uit de H. Schrift.
-Wij worden allen in een bepaalden positieven godsdienst geboren.
-Alleen het oog des geloofs ziet God in de schepping; ook hier
-geldt, dat slechts de reine van hart God ziet. Maar objectief
-gaat toch de natuur aan de genade, de revelatio generalis aan
-de revelatio specialis vooraf. Gratia praesupponit naturam. De
-ontkenning, dat de religio en theologia naturalis voldoende is en
-een eigen, zelfstandig bestaan heeft, doet niets te kort aan het
-feit, dat er uit de schepping, uit natuur en geschiedenis, uit
-hart en geweten eene sprake Gods komt tot iederen mensch. Aan
-de macht der revelatio generalis ontkomt niemand. De religie
-behoort tot het wezen van den mensch. De idee en de existentie
-Gods, de geestelijke zelfstandigheid en de eeuwige bestemming
-van den mensch, oorsprong en doel der wereld, de zedelijke
-wereldorde en haar eindelijke triumf zijn problemen, die den
-menschelijken geest geen rust laten. Het metaphysische Bedürfniss
-laat zich niet onderdrukken. De wijsbegeerte zoekt altijd
-weer er aan te voldoen. Het is de revelatio generalis, die deze
-behoefte levendig houdt. Zij belet, dat de mensch zich verlage
-tot een dier. Zij bindt hem aan de bovenzinlijke wereld. Zij
-<span class="pagenum" id="Page_243">[243]</span>
-handhaaft in hem het besef, dat hij naar Gods beeld is geschapen
-en geen ruste vindt dan in God. De revelatio generalis bewaart
-de menschheid, opdat en totdat zij door Christus gevonden en
-hersteld wordt. Inzoover werd de theologia naturalis vroeger
-terecht eene praeambula fidei, eene goddelijke voorbereiding en
-opvoeding tot het Christendom genoemd. De algemeene openbaring
-is de grondslag, waarop de bijzondere zich verheft.</p>
-
-<p>En eindelijk komt de rijke beteekenis der algemeene openbaring
-nog daarin uit, dat zij natuur en genade, schepping en herschepping,
-de Welt der Wirklichkeit en de Welt der Werthe met
-elkander in onverbrekelijk verband houdt. Zonder de algemeene
-openbaring verliest de bijzondere den samenhang met heel het
-kosmische zijn en leven. Dan ontbreekt de schakel, die het rijk
-der natuur en het koninkrijk der hemelen aan elkander verbindt.
-Wie met de kritische philosophie de revelatio generalis ontkent,
-doet vergeefsche moeite, om langs den weg der practische Vernunft
-of der phantasie te herwinnen, wat hij verloor. Hij heeft
-het steunpunt voor zijn geloof verloren. Het religieuse leven staat
-los naast het gewone, menschelijke zijn; het beeld Gods wordt
-een donum superadditum; de religie wordt evenals bij de Socinianen
-vreemd aan de menschelijke natuur; het Christendom
-wordt een sectarisch verschijnsel en van zijne katholiciteit beroofd;
-de genade staat vijandig tegenover de natuur. Consequent is het
-dan, om met de ethische modernen eene radikale scheiding aan
-te nemen tusschen de macht van het goede en de natuurmacht.
-Ethos en physis liggen totaal gescheiden. De wereld der Wirklichkeit
-en die der Werthe hebben niets met elkander te maken.
-In beginsel wordt het Parsisme, het Manichaeisme vernieuwd.
-Daarentegen handhaaft de revelatio generalis de eenheid van
-natuur en genade, van wereld en Godsrijk, van de natuurlijke
-en de zedelijke orde, van schepping en herschepping, van physis
-en ethos, van deugd en geluk, van heiligheid en zaligheid, en
-in dit alles de eenheid van het goddelijk Wezen. Het is eenzelfde
-God, die in de algemeene openbaring zich aan niemand
-onbetuigd laat en die in de bijzondere openbaring zich kennen
-doet als een God van genade. Algemeene en bijzondere openbaring
-werken dus op elkander in. Praemisit Deus naturam magistram,
-submissurus et prophetiam, quo facilius credas prophetiae
-discipulus naturae (Tertullianus). Natura praecedit gratiam, gratia
-<span class="pagenum" id="Page_244">[244]</span>
-perficit naturam. Ratio perficitur a fide, fides supponit naturam.
-Cf. Hofstede de Groot, Institutio theol. nat. ed. 4. 1861. Scholten,
-Leer der Herv. Kerk, 4<sup>e</sup> dr. I bl. 270 v. Kuyper, Nat. Godskennis,
-Uit het Woord III. Voigt, Fund. dogm. 172 f.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;10. <span class="smcap">Bijzondere Openbaring.</span></h3>
-
-<h4>A. Middelen der bijzondere openbaring.</h4>
-
-<p>1. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemeene
-openbaring genoeg heeft. Ook de christelijke religie beroept zich
-op eene bijzondere openbaring. De Schrift is het boek der revelatio
-specialis. De woorden, waarmede zij het begrip der openbaring
-uitdrukt, zijn voornamelijk deze: גלה ontdekken, ni. ontdekt
-worden, zich vertoonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen.
-35:7; 1 Sam. 2:27, 3:21; Jes. 53:1, 56:1; Hos. 7:1, enz.
-ראה zien, ni. gezien worden, zich vertoonen, schijnen, Gen. 12:7,
-17:1, 18:1, enz.; ידע kennen, ni. pi. hi. hithp. bekend maken,
-onderwijzen, Num. 12:6; ἐπιφαινειν verschijnen Luk. 1:79;
-Tit. 1:11; subst. ἐπιφανεια, verschijning, vooral van Christus
-in zijne wederkomst 2 Thess. 2:8; 1 Tim. 6:14; 2 Tim. 4:1;
-Tit. 2:13; 2 Tim. 1:10 van Christus’ eerste komst; ἐμφανιζειν
-openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertoonen, verschijnen
-Mt. 27:53; Joh. 14:21, 22; γνωριζειν bekend maken
-Luk. 2:15; Rom. 9:22; Ef. 3:3, 5, 10; δηλουν bekend
-maken 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:14; δεικνυναι toonen Joh.
-5:20; λαλειν spreken Hebr. 1:1, 2:2, 5:5; vooral ook
-ἀποκαλυπτειν en φανερουν. Beide woorden zijn niet te onderscheiden
-als subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige
-vertooning of openbaarmaking, gelijk Scholten, L. H. K.
-4e dr. I 165 v. 299. Dogm. Christ. Initia I 26 sq. meende:
-want ἀποκαλυπτειν wordt meermalen van objectieve openbaring
-gebezigd Luk. 17:30; Rom. 1:17, 18, 8:18; Ef. 3:5; 2 Thess.
-2:3, 6, 8; 1 Petr. 1:5, 5:1. Ook ligt het onderscheid niet
-daarin, dat φανερουν de algemeene openbaring Gods in de natuur,
-en ἀποκαλυπτειν de bijzondere openbaring der genade aanduidt,
-Neander, Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche
-<span class="pagenum" id="Page_245">[245]</span>
-durch die Apostel, 5<sup>te</sup> Aufl. Gotha, Perthes 1862 S. 131 f. want
-φανερουν wordt menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd
-Joh. 17:6; Rom. 16:26; Col. 1:26; 1 Tim. 3:16;
-2 Tim. 1:10, enz.; en ἀποκαλυπτειν komt Rom. 1:18 ook
-van de algemeene openbaring voor. Een constant verschil in het
-gebruik van beide woorden laat zich in het N. T. moeilijk aanwijzen.
-Maar etymologisch geeft ἀποκαλυπτειν te kennen het
-wegnemen van het bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen
-was, en φανερουν het openbaar maken van eene zaak, die verborgen
-of onbekend was. Bij het eerste valt daarom de nadruk op het uit
-den weg ruimen van de verhindering, die het kennen van het
-verborgene belette; op het mysterieus karakter van datgene,
-hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke daad,
-die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede
-woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en
-onbekend was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden.
-Ἀποκαλυψις neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen
-was; φανερωσις maakt de zaak zelve openbaar. Daarmede
-hangt saam, dat φανερωσις altijd van objectieve, ἀποκαλυψις
-beide van objectieve en subjectieve openbaring wordt gebezigd;
-dat φανερωσις meermalen èn de algemeene èn de bijzondere
-openbaring aanduidt, maar ἀποκαλυψις meest altijd de bijzondere
-en slechts eene enkele maal de algemeene. En beide woorden zijn
-dan van γνωριζειν en δηλουν wederom zoo onderscheiden, dat
-de beide eerste de dingen in ’t licht doen treden, onder de waarneming
-brengen, en de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu
-ook maken tot inhoud van ons denkend bewustzijn. Cf. Dr. F.
-G. B. van Bell, Disput. theol. de patefactionis christianae indole
-ex vocabulis φαν. et ἀποκ. in libris N. T. efficienda 1849.
-Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenhoff, De zelfstandigheid
-van den Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet. Theol. 1870
-bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s. v. Herzog<sup>2</sup> 12, 654. Voigt,
-Fundamentaldogm. 201 f. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v.</p>
-
-<p>De christelijke religie komt dus daarin met alle historische
-godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar
-de overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en
-wijzen toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen
-kunnen tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats
-verlangt het religieus geloof een God van nabij en niet van verre
-<span class="pagenum" id="Page_246">[246]</span>
-Hd. 17:27; het was daarom ten allen tijde overtuigd van verschijning
-der goden in eene of andere gedaante, onder een of
-ander teeken, op eene of andere plaats. Heilige plaatsen, heilige
-tijden, heilige beelden zijn er bijna in iederen godsdienst. De
-goden zijn niet aan de menschen gelijk en leven niet met hen
-op gelijken voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd;
-maar de goden wonen toch bij en onder de menschen
-op bepaalde plaatsen, in bijzondere voorwerpen, en deelen hun
-zegen op bepaalde tijden mede. De idololatrie, opgevat in den
-ruimsten zin, is geboren uit de behoefte aan een God van nabij,
-Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. I 54 f. 114 f. In de
-tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen, dat de goden
-op een of andere wijze hunne gedachte en hun wil openbaren,
-hetzij door menschen als hun organen, zooals waarzeggers, orakels,
-droomers, doodenvragers, geestenzieners, enz. hetzij kunstmatig
-en uitwendig door de sterren, de vlucht der vogels, de ingewanden
-der offerdieren, het spelen der vlam, de lijnen der hand, het
-toevallig opslaan en openvallen van een boek, enz., μαντικη,
-divinatio. Nemo vir magnus sine afflatu divino unquam fuit, Cic.
-de nat. deor. 2, 66, cf. Cicero de divinatione, Plutarchus, de
-defectu oraculorum, A. Bouché-Leclercq, Histoire de la divination
-dans l’antiquité, 4 vol. 1879-82. Saussaye t. a. p. 93 f.
-En eindelijk is in alle godsdiensten het geloof aanwezig aan
-bijzondere tusschenkomst en hulp der goden in tijden van nood;
-algemeen verbreid is de magie, d. i. die kunst, waardoor menschen
-met mysterieuse middelen, heilige woorden, formulen,
-amuletten, dranken, enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar
-maken en wonderbare werkingen te voorschijn brengen,
-Ennemoser, Gesch. der Magie, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1844. Alfr.
-Maury, La magie et l’astrologie dans l’antiquité et au moyen-âge
-1860. Lenormant, Les sciences occultes en Asie, 2 vol.
-1874-’75. Saussaye ib. Theophanie, mantiek en magie zijn de
-wegen, waarlangs alle openbaring tot den mensch komt. Dit algemeen
-religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is
-zeker niet, in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of daemonische
-werking, noch ook uit onbekendheid met de natuurorde
-te verklaren, maar is een noodzakelijk element in alle religie.
-De religieuse behoefte zoekt bevrediging; en waar ze deze niet
-vindt in eene haar tegenkomende, reëele openbaring Gods, zoekt
-<span class="pagenum" id="Page_247">[247]</span>
-ze haar in den weg der ἐθελοθρησκεια. Zij neemt die geheimzinnige
-krachten in den mensch zelf of buiten hem in de natuur
-in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met eene bovennatuurlijke
-wereld. De superstitie is de bastaardvorm der echte
-religie. Het bijgeloof is de caricatuur van de πιστις. De hedendaagsche
-verschijnselen van spiritisme, theosophie, telepathie,
-magnetisme, hypnotisme, enz. strekken hiervan ten bewijze, en
-toonen misschien ook aan, dat er in de zoogenaamde nachtzijde
-van de menschelijke natuur krachten verscholen liggen, welke
-een meer onmiddellijk rapport bewerken kunnen met eene bovenzinlijke
-wereld en in elk geval het geloof aan zoodanig rapport,
-zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz. genoegzaam
-kunnen verklaren. There are more things in heaven and earth,
-than are dreamt of in your philosophy (Shakespeare). Cf. art.
-Modern Bijgeloof in Tijdspiegel Jan. 1895. De H. Schrift schijnt
-aan dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen,
-Gen. 41:8; Ex. 7:8; Deut. 13:1, 2; Mt. 7:22, 24:24;
-2 Thess. 2:9; 2 Tim. 3:8; Apoc. 13:13-15. Maar de religie
-in O. en N. T. wil beslist met alle deze godsdienstige verschijnselen
-niets gemeen hebben. Zij staat er principieel tegenover. Zij
-erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten stelligste Lev. 19:26,
-31, 20:27; Num. 23:23; Deut. 18:10, 11; Hd. 8:9, 13:6,
-16:16, 19:13 v.; Gal. 5:20; Apoc. 21:8, 22:15. Profeten
-en apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn
-geplaatst te worden met de heidensche waarzeggers en toovenaars.
-Er moge soms, b.v. in de verschijningen aan de aartsvaders,
-overeenstemming van vorm zijn, maar er is verschil in wezen.
-Theophanie, mantiek, magie zijn evenals offerande, tempel,
-priesterschap, cultus, enz. essentieele elementen in de religie. Ze
-komen daarom in alle godsdiensten, ook in dien van Israel, en
-in het Christendom voor. Ook de christelijke religie heeft haar
-offerande Ef. 5:2, haar priester Hebr. 7, haar tempel 1 Cor.
-3:16, enz. Het onderscheid tusschen het Christendom en de
-andere godsdiensten ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke
-elementen der religie daar ontbreken, maar is hierin gelegen,
-dat alwat in ’t Heidendom voorkomt in caricatuur, in Israel tot
-schaduw en beeld, en hier tot waarachtige, geestelijke realiteit
-is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat Israels godsdienst
-eenerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel, priesterschap,
-<span class="pagenum" id="Page_248">[248]</span>
-enz. zooveel overeenkomst vertoont met de heidensche godsdiensten
-en andererzijds principieel ervan onderscheiden is, zoodat
-alleen uit Israel de Messias is voortgekomen. Dit principieel
-onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie
-niet genomen wordt door den mensch, maar door God. In de
-heidensche godsdiensten is het de mensch, die God zoekt, Hd.
-17:27; hij tracht op allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen,
-en trekt Hem neer in het stof Rom. 1:23; hij poogt
-door allerlei middelen macht over God te verkrijgen. Maar in
-de Schrift is het altijd God, die den mensch zoekt. Hij schept
-hem naar zijn beeld. Hij roept hem na den val. Hij behoudt
-Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israel zijne wetten.
-Hij roept en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij
-zondert de apostelen af. Hij oordeelt eens levenden en dooden.
-Het Ethnicisme leert ons den mensch kennen, in zijne rusteloosheid,
-in zijn ellende, in zijn onvrede, en ook in zijne edele
-aspiratiën, in zijne eeuwige behoeften; den mensch beide in zijne
-armoede en zijn rijkdom, in zijne zwakheid en in zijne kracht;
-het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme.
-Maar de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en
-zoeken van den mensch, in zijne ontferming en genade, in zijn
-recht en zijne liefde. Maar theophanie, profetie en wonder zijn
-ook hier de middelen, waardoor God zich openbaart en geeft aan
-den mensch, Oehler, Ueber das Verhältniss der altt. Prophetie
-zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882 S. 29 f. 753 f.
-Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 §&nbsp;1. Staudenmaier,
-Encycl. §&nbsp;231 f. §&nbsp;271 f. Schultz, Altt. Theologie,
-4<sup>e</sup> Aufl. Göttingen 1889 S. 226 f.</p>
-
-<p class="sep2">2. Theophanie (Angelophanie, Christophanie). Meermalen is
-er in de H. Schrift sprake van eene verschijning Gods; soms
-zonder eenige nadere omschrijving, Gen. 12:7, 17:1, 22, 26:2,
-24, 35:9; Ex. 6:2, cf. ook Gen. 11:5; Ex. 4:24, 12:12,
-23, 17:6; Num. 23:4, 16; 1 Sam. 3:21; 2 Sam. 5:24;
-maar elders in den droom, Gen. 20:3, 28:12 v. 31
-vs. 24; 1 Kon. 3:5, 9:2; of ook in het profetisch visioen,
-1 Kon. 22:19 v. Jes. 6. Ezech. 1:4 v., 3:12 v., 8:4 v.,
-10:1 v., 43:2 v., 44:4; Am. 7:7, 9:1; Dan. 7:9 v. Luk.
-2:9; 2 Petr. 1:17; en menigvuldiger nog in wolken van rook
-<span class="pagenum" id="Page_249">[249]</span>
-en vuur als teekenen van zijne tegenwoordigheid; zoo aan Abraham,
-Gen. 15:17 v., aan Mozes, Ex. 3:2, 33:18 v., op Sinaï,
-Ex. 19:9, 16 v., 24:16, cf. vs. 9-11, Deut. 5:23, 9:15;
-Hebr. 12:28, over het volk, Ex. 13:21 v., 14:19-24, 40
-vs. 38; Num. 9:21, 14:14; Deut. 1:33; Neh. 9:12, 19;
-Ps. 78:14, boven den tabernakel, Ex. 33:9, 40:34 v. Lev.
-9:23; Num. 9:15-23, 11:17, 25, 12:5, 17:7, 20:6; Deut.
-31:15; Ps. 99:7; Jes. 4:5, en in het heilige der heiligen Ex.
-25:8, 22, 29:45, 46; Lev. 16:2, 26:11, 12; Num. 7:89,
-cf. ook nog aan Elia 1 Kon. 19:11 v. Deze verschijningen onderstellen
-geene lichaamlijkheid Gods, Ex. 20:4, 33:20; Deut.
-4:12, 15, maar zijn zinnelijk waarneembare teekenen, waardoor
-zijne tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de H. Geest
-op den Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er
-is daarbij ook niet te denken aan eene emanatie van deze wolk
-uit het goddelijk Wezen, maar aan eene in creatuurlijke vormen
-zich openbarende tegenwoordigheid Gods. In die teekenen wordt
-de goddelijke heerlijkheid, כָּבוֹד, δοξα openbaar, Ex. 16:20,
-24:17; Lev. 9:6, 23, 24; Num. 14:10, 16:19, 20:6; en
-daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een verterend
-vuur Ex. 24:7; Lev. 9:23, 24 en als eene wolk 1 Kon. 8
-vs. 10, 11; Jes. 6:4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke
-teekenen; ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn
-volk. Omgeven en gediend door vele duizenden Engelen Jes. 6
-vs. 2, 6, zendt Hij dezen in menschelijke gedaante naar deze
-aarde heen, om zijn woord en wil bekend te maken. Zij komen
-reeds voor in Gen. 18, 19, 28:12, 32:1, 2; Deut, 33:2; Job
-33:23; 1 Kon. 13:18 en hebben volgens Hd. 7:53; Gal. 3
-vs. 19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der
-openbaring vooral na de Ballingschap, Dan. 8:13, 9:11, 10:5;
-Zach. 1:7-6:5. Nog vaker treden ze op in het N. Test.; ze
-zijn tegenwoordig bij de geboorte van Jezus, Mt. 1:20, 2:13, 19;
-Luk. 1:11, 2:9, telkens in zijn leven, Joh. 1:52; Mt. 4:6,
-bij zijn lijden, Mt. 26:53; Luk. 22:43, bij zijne opstanding en
-hemelvaart, Mt. 28:2, 5; Luk. 24:23; Joh. 20:12; Hd. 1:10.
-In de geschiedenis der apostelen komen ze meermalen voor Hd.
-5:19, 8:26, 10:3, 11:13, 12:7, 23:9, 27:23; Apoc. 22
-vs. 6, 16. En bij zijne wederkomst wordt Christus door de Engelen
-vergezeld Mt. 16:27, 25:31; Mk. 8:38; Luk. 9:26; 1 Thess.
-<span class="pagenum" id="Page_250">[250]</span>
-3:13 enz. Onder al deze gezanten Gods neemt de מלאך יהוה
-eene bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan Hagar, Gen. 16:6-13,
-21:17-20; aan Abraham, Gen. 18, 19, 22, 24:7, 40;
-aan Jakob, Gen. 28:13-17, 31:11-13, 32:24-30 cf. Hos.
-12:4; Gen. 48:15, 16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3:2 v.
-13:21, 14:19, 23:20-23, 32:34, 33:2 v. cf. Num. 20:16;
-Jes. 63:8, 9, en voorts nog Jos. 5:13, 14; Richt. 6:11-24,
-13:2-23. Deze Malak Jhvh is geen onzelfstandig symbool,
-noch ook een geschapen engel, maar eene persoonlijke, adaequate
-openbaring en verschijning Gods, van Hem onderscheiden, Ex.
-23:20-23, 33:14 v.; Jes. 63:8, 9, en toch met Hem één
-in naam Gen. 16:13, 31:13, 32:28, 30, 48:15, 16; Ex. 3:2
-v., 23:21; Richt. 13:1, 2; in macht Gen. 16:10, 11, 21:18,
-18:14, 18; Ex. 14:21; Richt. 6:21; in verlossing en
-zegening, Gen. 48:16; Ex. 3:8, 23:20; Jes. 63:8, 9; in
-aanbidding en eere, Gen. 18:3, 22:12; Ex. 23:21. Na de
-verlossing uit Egypte treedt de Malak Jhvh terug. God woont
-onder zijn volk in den tempel 1 Kon. 8:10 v.; 2 Chron. 7:1 v.;
-Ps. 68:17, 74:2, 132:13 v., 135:21. Daarheen gaat het
-zielsverlangen van Israels vromen uit, Ps. 27:4, 42, 43, 48,
-50, 63:3, 65, 84, 122, 137. Maar deze theophanie is onvolkomen.
-God woont niet in een huis met handen gemaakt 1 Kon.
-8:27; Jer. 7:4; Mich. 3:11; Hd. 7:48, 17:24. In het
-heilige der heiligen mocht slechts de hoogepriester eenmaal
-’s jaars ingaan. De theophanie bereikt in het O. T. nog niet haar
-einde en haar doel. Daarom wordt er nog eene andere en heerlijker
-komst van God tot zijn volk verwacht, zoowel tot verlossing
-als tot gericht, Ps. 50:3, 96:13; Jes. 2:21, 30:27,
-40 v. passim. Mich. 1:3, 4:7; Zeph. 3:8; Joel 3:17; Zach.
-2:10 v.; 14:9. De Engel des verbonds treedt wederom op in
-de profetie Zach. 1:8-12, 3; en zal komen tot zijnen tempel
-Mal. 3:1. De theophanie bereikt haar hoogtepunt in Christus,
-die de ἀγγελος, δοξα, εἰκων, λογος, υἱος του θεου is, in wien God
-ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken, Mt. 11:27;
-Joh. 1:14; 14:9; Col. 1:15, 2:19, enz. Door Hem en den
-Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen Gods onder en in
-zijn volk reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit Joh. 14:23;
-Rom. 8:9, 11; 2 Cor. 6:16. De gemeente is het huis Gods,
-de tempel des H. Geestes, Mt. 18:20; 1 Cor. 3:16, 6:19;
-<span class="pagenum" id="Page_251">[251]</span>
-Ef. 2:21. Maar ook deze inwoning Gods in de gemeente van
-Christus is nog niet het laatste en hoogste. Zij bereikt haar volle
-verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan is de tabernakel
-Gods bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij
-zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn.
-Zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hunne voorhoofden
-wezen, Mt. 5:8; 1 Cor. 15:28; 1 Joh. 3:2; Openb.
-21:3; 22:4. Cf. art. Theophanie en Schechina in Herzog<sup>2</sup>. Art.
-Wolken- u. Feuersäule in Winer, Bibl. Realwört. Trip, Die
-Theophanieen in den Geschichtsbüchern des A. T. Leiden 1858 en
-de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4<sup>e</sup> Aufl. 1889
-S. 507 f. Oehler, Altt. Theol. 2<sup>te</sup> Aufl. 1882 S. 195 f. Smend,
-Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 S. 42 f. Weber, System
-der altsynag. palästin. Theologie, Leipzig 1880 S. 179 f. Cremer,
-Wörterb. s. v. δοξα. Delitzsch, Bibl. Psychol., 2<sup>e</sup> Aufl. 1861 S.
-49 f. Keerl, Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes,
-Basel 1863. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v.</p>
-
-<p class="sep2">3. Profetie. Onder profetie verstaan wij hier de mededeeling
-Gods van zijne gedachten aan den mensch. Dikwerf wordt hiervoor
-de naam van inspiratie gebezigd; en in zooverre ook juister,
-als het begrip van profetie ruimer is dan dat van inspiratie en
-ook de verkondiging van die gedachten aan anderen omvat. Maar
-inspiratie is op grond van 2 Tim. 3:16 vooral van de beschreven
-openbaring gebruikelijk. En het woord profetie werd vroeger
-meermalen in onzen zin gebezigd, Thomas, S. Theol. II 2 qu.
-171 art. 1. Het sluit ook in het ontvangen der gedachten van
-God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord verkondigt.
-En het doet beter dan inspiratie de bedoeling Gods uitkomen,
-waarmede Hij zijne gedachten meedeelt, n.l. dat de mensch zelf
-een profeet zij, een verkondiger van zijne deugden. De gedachten
-Gods nu, welke in de profetie worden medegedeeld, kunnen betrekking
-hebben op het verleden, gelijk in de historische boeken
-der Schrift of op het heden of op de toekomst. Maar altijd stelt
-de profetie de gedachten Gods tegenover die der menschen, zijne
-waarheid tegenover hun leugen, zijne wijsheid tegenover hun
-dwaasheid. Deze mededeeling van Gods gedachten aan den mensch
-kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende wijze.
-Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menschelijke stem
-<span class="pagenum" id="Page_252">[252]</span>
-en taal, Gen. 2:16, 3:8-19, 4:6-16, 6:13, 9:1, 8 v.,
-32:26 v.; Ex. 19:9 v.; Num. 7:89; Deut. 5:4; 1 Sam.
-3:3 v.; Mt., 3:17, 17:5; Joh. 12:28, 29. Op vele plaatsen
-wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere omschrijving
-van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of
-inwendig, in droom of visioen, enz. Het vertrouwelijkst karakter
-draagt dit spreken Gods bij Mozes, die niet verschrikt noch
-nedervalt als God tot hem spreekt, maar met wien God sprak
-van mond tot mond, en omging als een vriend met zijn
-vriend, Num. 12:6-8; Ex. 33:11, 34:29; Deut. 5:5, 18:15,
-18; 2 Cor. 3:7; Gal. 3:19; Hebr. 3:5. Cf. Thomas S.
-Theol. II 2 qu. 174 art. 4. Witsius, de proph. I 7. Episcopius,
-Instit. Theol. III 2. De Joden spraken later van eene Bath-Kōl,
-eene hemelsche stem, waardoor God zich openbaarde; maar deze
-stond lager dan de vroegere profetie, en was gekomen nadat de
-geest der profetie had opgehouden, Weber, System der altsyn.
-pal. Theol. 187, Herzog<sup>2</sup> 2, 130. Maar dikwerf sluit God in de
-mededeeling zijner gedachten zich bij die lagere vormen aan,
-onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden hun
-wil bekend te maken. Er is dan in den vorm eene bijna volkomene
-overeenstemming. Daartoe behooren vooral het lot, de
-Urim en Thummim, de droom en het visioen. Het lot werd bij
-vele gelegenheden gebruikt, op den grooten verzoendag Lev. 16:9,
-bij verdeeling van het land, Jos. 13:6, 14:2 enz., Neh. 11:1;
-van de Levietensteden, Jos. 21:4; van buit Joel 3:3; Nah.
-3:10; Ob. 11; van kleederen, Mt. 27:35; Joh. 19:23;
-bij beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7; 1 Sam. 14:42;
-Spr. 16:33, 18:18; Jon. 1:7; bij verkiezing tot een ambt,
-1 Sam. 10:19; Hd. 1:26; 1 Chron. 24:5; Luk. 1:9, enz.;
-ook het Godsoordeel, Num. 5:11-31 kan hierbij gerekend
-worden, Herzog<sup>2</sup> 8 762. De Urim en Thummim, LXX δηλωσις
-και ἀληθεια, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen
-7 maal voor Ex. 28:30; Lev. 8:8; Num. 27:21; Deut. 33:8;
-1 Sam. 28:6; Ezra 2:63; Neh. 7:65. De U. en Th. zijn niet
-met de 12 edele steenen op den borstlap des hoogepriesters
-identisch, gelijk Josephus Ant. III, 8, 9 en velen na hem meenen,
-maar waren volgens Ex. 28:30 en Lev. 8:8 voorwerpen, die
-in den borstlap verborgen werden, Philo, Vita Mosis 3. Maar
-hoe ze Gods wil deden kennen, door glinstering van de steenen,
-<span class="pagenum" id="Page_253">[253]</span>
-door eene stem, door inspiratie, enz., en ook waarin ze bestonden,
-in twee steenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in
-eene van edele gesteenten gemaakte halsketen, of in steenen om
-te loten, is geheel onbekend. De laatste meening heeft in den
-nieuweren tijd steun gekregen in den door Thenius 1842 naar de
-LXX veranderden tekst van 1 Sam. 14:41. De U. en Th.
-zouden dan loten geweest zijn met ja en neen en ook gebruikt
-zijn Richt. 1:1, 20:18; 1 Sam. 22:10, 15, 23:6, 9-11,
-30:7 v.; 2 Sam. 2:1, 5:19, 23. Maar daarbij zijn antwoorden,
-niet van ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding
-Richt. 20:27; 1 Sam. 30:7 v.; 2 Sam. 5:23, 21:1; Richt.
-1:1, 20:18; 2 Sam. 2:1, vooral 1 Sam. 10:22<sup>b</sup>; 2 Sam. 5:23;
-1 Chron. 14:14, niet goed te verklaren. De U. en Th. behoorden
-echter zeker wel tot eene zelfde categorie van openbaring
-als het lot; zij komen vooral voor in den tijd van Salomo en
-schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie. Cf. art.
-U. en Th. in Herzog<sup>2</sup>. Winer Realwört. Riehm, Wörterb. Keil,
-Archaeol. §&nbsp;35. De Wette-Räbiger, Archaeol. S. 281 f. Oehler,
-Altt. Th. S. 334 f. Schultz, Altt. Th. 257 f. Dosker, Presbyt.
-and Ref. Rev. Oct. 1892 p. 717 etc.</p>
-
-<p>Vervolgens komen droomen in de H. Schrift als openbaringsmiddel
-voor. Daarvoor werden zij in de gansche oudheid gehouden,
-Homerus, Od. 19:560 v. Il. 1:63, 2:22, 56. Aristoteles,
-περι της καθ’ ὑπνον μαντικης. Cicero, de divinatione
-1:29. Philo, de somniis, enz. Herzog<sup>2</sup> 15:733. En nog wordt
-door velen groote waarde aan droomen gehecht, Splittgerber,
-Schlaf und Tod, 2<sup>e</sup> Aufl. 1881 I 66-205. Nu wist men ten
-allen tijde, dat droomen ook zeer bedriegelijk waren. Homerus
-Od. 19:560 v. Arist. t. a. p., en ook de H. S. wijst telkens
-op het ijdele der droomen Ps. 73:20; Job 20:28; Jes. 29:7;
-Pred. 5:2, 6; Sirach 31:1 v., 34:1 v.; en schrijft ze dikwerf
-aan de valsche profeten toe Jer. 23:25, 29:8; Mich. 3:6;
-Zach. 10:2. Maar toch bedient God zich telkens van droomen
-om zijn wil bekend te maken, Num. 12:6; Deut. 13:1-6;
-1 Sam. 28:6, 15; Joel 2:28 v.; zij komen bij Israelieten,
-maar ook meermalen bij niet-Israelieten voor Gen. 20, 31, 40, 41;
-Richt. 7; Dan. 2, 4 en behelzen of een woord, eene mededeeling
-Gods, Gen. 20:3, 31:9, 24; Matth. 1:20, 2:12, 19, 22,
-27:19; of een voorstelling der phantasie, die dan meermalen
-<span class="pagenum" id="Page_254">[254]</span>
-verklaring behoeft Gen. 28. 37:5, 40:5, 41:15; Richt. 7:13;
-Dan. 2, 4. Litter, bij Herzog<sup>2</sup> 15:734. G. E. W. de Wijs, De
-droomen in en buiten den Bijbel 1858. Witsius, de proph. I cap. 5.</p>
-
-<p>Met den droom is het visioen verwant Gen. 15:1, 11; 20:7;
-Num. 12:6. Reeds de namen רֹאֶה‎, ‏חֹזֶה‎, ‏נָבִיא en misschien ook
-צֹפֶה waarmede de profeet genoemd wordt, Kuenen, De Profeten
-I 49, 51 v. 97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond.
-II<sup>2</sup> 5 v. König, Der Offenbarungsbegriff I 71 f. Delitzsch,
-Genesis<sup>3</sup> 634. Schultz, Altt. Th. 239. Smend, Lehrb. 79 f., en
-de namen מַרְאֶה en חָזוֹן voor het profetisch gezicht duiden waarschijnlijk
-aan, dat het visioen een niet ongewoon middel der
-openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwerf hunne oorspronkelijke
-beteekenis verloren en worden ook gebruikt, als er
-geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3:15; Jes. 1:1;
-Ob. 1; Nah. 1:1, enz. Visioenen worden in de Schrift telkens
-vermeld en beschreven, van Genesis af tot in de Apoc. toe.
-Gen. 15:1, 46:2; Num. 12:6, 22:3, 24:3; 1 Kon. 22:17-23;
-Jes. 6, 21:6; Jer. 1:24; Ezech. 1-3, 8-11, 40;
-Dan. 1:17, 2:19, 7, 8, 10; Amos 7-9; Zach. 1-6; Matth.
-2:13, 19; Luk. 1:22, 24:23; Hd. 7:55, 9:3, 10:3, 10,
-16:9, 22:17, 26:19; 1 Cor. 12-14; 2 Cor. 12:1; Apoc.
-1:10, enz. Het visioen was menigmaal van eene zekere geestvervoering
-vergezeld. Muziek, dans en extase gaan saam; profetie
-en poezie zijn verwant, 1 Sam. 10:5 v., 19:20-24; 2 Kon.
-3:15; 1 Chr. 25:1, 25; 2 Chr. 29:30. Als de hand des
-Heeren op de profeten valt, Jes. 8:11; Ezech. 3:14, 11:5 of
-de Geest over hen komt, geraken zij menigmaal in een toestand
-van verrukking Num. 24:3; 2 Kon. 9:11; Jer. 29:26; Hos.
-9:5, en vallen ter aarde Num. 24:3, 15, 16; 1 Sam. 19:24;
-Ezech. 1:28, 3:23, 43:3; Dan. 10:8-10; Hd. 9:4; Apoc.
-1:17, 11:16, 22:8. In dien toestand worden hun de gedachten
-Gods in symbolischen vorm te zien of te hooren gegeven. In
-beelden en gezichten wordt hun zijn raad geopenbaard Jer. 1:13
-v., 24:1 v.; Am. 7-9; Zach. 1-6; Apoc., enz.; vooral
-aangaande de toekomst, Num. 23 v.; 1 Kon. 22:17; 2 Kon.
-5:26, 8:11 v.; Jer. 4:23 v., 14:18; Ezech. 8; Am. 7, enz.
-Ook hooren zij in dien toestand allerlei stemmen en geluiden,
-1 Kon. 18:41; 2 Kon. 6:32; Jes. 6:3, 8; Jer. 21:10, 49:14;
-Ezech. 1:24, 28, 2:2, 3:12; Apoc. 7:4, 9:16, 14:2,
-<span class="pagenum" id="Page_255">[255]</span>
-19:1, 21:3, 22:8, enz. Zelfs worden zij in den geest opgenomen
-en verplaatst, Ezech. 3:12 v., 8:3, 43:1; Dan. 8:2; Matth.
-4:5, 8; Hd. 9:10, 10, 11, 22:17, 23:11, 27:23; 2 Cor.
-12:2; Apoc. 1:9, 12, 4:1, 12:18. Daniel was na het
-ontvangen van een visioen eenige dagen krank, 7:28, 8:27.
-Toch was de extase waarin de ontvangers der openbaring menigmaal
-verkeerden, geen toestand, waarbij het bewustzijn geheel of
-gedeeltelijk was onderdrukt. Zoodanig was wel de toestand, waarin
-de grieksche μαντεις hunne godspraken gaven, Tholuck, Die
-Propheten u. s. w. 64 f. En Philo, Quis rer. div. heres,
-Just. Martyr, Dial. c. Tryph, c. 135. Coh. ad Graecos c. 37.
-Athenagoras, Leg. pro Christ. c. 8. Tertul. adv. Marc. 4, 22 en
-in den nieuweren tijd Hengstenberg in de eerste uitgave zijner
-Christol. des A. T. III. 2. 158 f. hebben de extase der profeten
-alzoo opgevat. Maar dezen ontvangen visioenen niet in
-slapenden maar in wakenden toestand, niet alleen in de eenzaamheid,
-maar ook in anderer bijzijn, Ezech. 8:1. Onder het visioen
-blijven zij zichzelf bewust, zien, hooren, denken, spreken, vragen
-en antwoorden Ex. 4-6, 32:7 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 4-6
-enz. en later herinneren zij zich alles en deelen het nauwkeurig
-mede, König, Der Offenbarungsbegriff, I 160 f. II 83 f. Kuenen,
-De profeten I 96 v. Oehler, Altt. Theol. §&nbsp;207 f. Orelli in
-Herzog<sup>2</sup> 16:724. Daarom werd de psychische gesteldheid der
-profeten onder het visioen door de meeste theologen gehouden
-voor eene zelfbewuste, geestelijke aanschouwing, voor eene
-alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor eene alienatio
-a mente; zoo o. a. door Orig. de princ. III, 3, 4, August. ad
-Simplic. II qu. 1. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 175. Witsius, de
-proph. I c. 4. Buddeus, Inst. theol. dogm. I, 2, 5 en in den
-nieuweren tijd door Hävernick en Keil in hunne inleiding op het
-O. T. Oehler, Altt. Theol. §&nbsp;210. Tholuck, Die Propheten S.
-64 f. Kueper, Das Profetenthum des Alten Bundes S. 51 f. Orelli
-bij Herzog<sup>2</sup> 16, 724. König, Offenb. II 132 f. Alleen heeft
-König, ten einde de objectiviteit te handhaven, daaraan de eigenaardige
-meening toegevoegd, dat alle visioenen uitwendig, lichamelijk
-en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn vele
-verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19, enz. naar de bedoeling
-der schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid
-tusschen theophanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde
-<span class="pagenum" id="Page_256">[256]</span>
-visioenen, 1 Kon. 22:17 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Dan.;
-Amos 7-9; Zach. 1-6, enz. zeker inwendig en geestelijk.
-Vele zijn van dien aard, dat ze niet zinnelijk voorstelbaar en
-waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij van het uitwendige
-der openbaring hare objectiviteit en waarheid laat afhangen, en
-geen inwerking van Gods Geest in den geest des menschen
-denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet
-dat er ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het
-uitwendige als zoodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus
-de zekerheid der openbaring door haar uitwendig karakter alleen
-niet voldoende bewezen wordt, Orelli bij Herzog<sup>2</sup> 16:724 f.
-Kuenen H. C. O. II<sup>2</sup> 13. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 62 v. Borchert,
-Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit. 1895, 2<sup>tes</sup> Heft.</p>
-
-<p>Als laatste vorm der openbaring moet nog genoemd worden
-de inwendige verlichting. Hengstenberg, Christol. des A. T. III<sup>2</sup> 2
-S. 158 cf. ook Kueper, Das Proph. 53 f. meende, dat de extase
-de gewone toestand was, waarin de profeet bij het ontvangen
-der openbaring verkeerde. Maar dit gevoelen is door velen, o. a.
-door Riehm, Mess. Weissagung<sup>2</sup> S. 15 f. König, Der Off. begriff
-II 48 f. 83 f. 132 f. bestreden en thans algemeen verworpen.
-De extase is niet de regel, maar de uitzondering, Kuenen, Prof.
-I 98. H. C. O<sup>2</sup> II 11. De meeste openbaringen aan de profeten
-ook in ’t O. T. hadden plaats zonder eenig visioen, bijv. bij
-Jesaja, Hagg., Mal., Ob., Nah., Hab., Jerem., Ezech. Wel
-wordt dan voor de Godspraak nog dikwerf het woord „gezicht”
-gebezigd, maar dit geschiedt ook daar waar er niets wordt gezien
-Jes. 1:1, 2:1; Amos 1:1; Hab. 1:1, 2:1; 1 Sam. 3:15;
-Ob. 1; Nah. 1:1 enz. De openbaring geschiedt dan inwendig
-door den Geest, als Geest der openbaring. Wel heeft König,
-Der Off. I 104 f. 141 f. 155 f. beweerd, dat de Geest niet is
-principe der openbaring maar alleen principe der illuminatie, d. i.
-dat Jahveh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring
-subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, wijl hij ook
-daardoor de objectiviteit en uitwendigheid der openbaring handhaven
-wilde en den subjectieven Geest wilde binden aan ’t objectieve
-woord van Jahveh. Maar Num. 11:25-29; Deut. 34:9,
-1 Sam. 10:6, 19:20 v.; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:24; 1 Chron.
-12:18, 28:12; 2 Chron. 15:1, 20:14 v., 24:20; Neh. 9:30;
-Jes. 11:1, 30:1, 42:1, 48:16, 59:21, 61:1, 63:10 v., Ezech.
-<span class="pagenum" id="Page_257">[257]</span>
-2:2, 3:24, 8:3, 11:5, 24; Micha 3:8; Hos. 9:7; Joël 2:28;
-Zach. 7:12, laten zich niet uitsluitend van eene formeele, subjectieve
-bekwaammaking des Geestes verstaan; zij leeren duidelijk,
-dat de profeten niet alleen door maar uit den Geest spraken, dat
-de profetie voortkwam uit den Geest in hen. Er was ook wel
-eene den profeet subjectief bekwaam makende werkzaamheid des
-Geestes, maar deze is niet de eenige; zij is niet van de andere
-openbarende werkzaamheid zoo streng te scheiden als König doet,
-zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel uitwendig
-is, ook onnoodig, Kuenen H. C. O<sup>2</sup> 14. En de leugengeest 1 Kon.
-22:22 leert duidelijk, dat de Geest bron van ’t woord is, Herz.<sup>2</sup>
-16:721. De Joodsche theologie zag in den Geest niet alleen
-de bron der verlichting, maar ook van de openbaring en profetie.
-Weber, System der altsyn. pal. Theol. 184-187. Het N.
-Test. verklaart even duidelijk, dat de O. T. profeten spraken uit
-en door den Geest Gods, Hd. 28:25; 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:21.
-Wel echter is er onderscheid in de wijze, waarop de H. Geest
-in O. en N. T. de openbaring innerlijk meedeelt. Onder het O. T.
-daalt de H. Geest van boven en momentaan op iemand neer.
-Hij komt over de profeten, Num. 24:2; 1 Sam. 19:20, 23;
-2 Chr. 15:1, 20:14; wordt vaardig over hen, Richt. 14:19,
-15:14; 1 Sam. 10:6; valt op hen, Ez. 11:5; trekt hen aan als
-een kleed, Richt. 6:34; 1 Chr. 12:18; de hand, d. i. de kracht
-des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8:11; Ez. 1:3, 3:22, 8:1,
-37:1, 40:1. Tegenover deze werking des Geestes zijn de profeten
-dan ook meest passief; zij zwijgen, vallen ter aarde, ontzetten
-zich, en verkeeren voor een tijd in een abnormen, extatischen
-toestand. De Geest der profetie is nog niet het blijvend
-bezit van de profeten; er is nog scheiding en afstand tusschen
-beiden; en de stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover
-het volk. Heel de profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom
-ook vooruit en verwacht een profeet, op wien de Geest des Heeren
-rusten zal Deut. 18:18; Jes. 11:2, 61:1; ja zij voorspelt de
-vervulling van Mozes’ wensch, dat al het volk des Heeren profeten
-mochten zijn Num. 11:29; en getuigt van eene toekomstige
-woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren, Jes. 32:15,
-44:3, 59:21; Joël 2:28; Ez. 11:19, 36:27, 39:29. In
-het N. T. verschijnt de hoogste, de eenige, de waarachtige profeet.
-Hij is als Logos de volle en voltooide openbaring Gods, Joh. 1:1
-<span class="pagenum" id="Page_258">[258]</span>
-v. 18, 14:9, 17:6; Col. 2:9. Hij ontvangt geen openbaring
-van boven of buiten, maar is zelf de bron der profetie. De H.
-Geest komt niet over Hem en valt niet op Hem neer. Hij woont
-in Hem zonder mate Joh. 3:34. Uit dien Geest is Hij ontvangen,
-door dien Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij, Mt. 3:16,
-12:28; Luk. 1:17, 2:27, 4:1, 14, 18; Rom. 1:4; Hebr.
-9:14. En dien Geest schenkt Hij, aan zijne discipelen, niet alleen
-als Geest der wedergeboorte en heiliging maar ook als Geest der
-openbaring en verlichting, Mk. 13:11; Luk. 12:12; Joh. 14:17,
-15:26, 16:13, 20:22; Hd. 2:4, 6:10, 8:29, 10:19, 11
-vs. 12, 13:2, 18:5, 21:4; 1 Cor. 2:12 v.; 12:7-11. Door
-dien Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd tot
-het ambt van profeet, Rom. 12:7; 1 Cor. 14:3; Ef. 2:20,
-3:5 enz. Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in ’t N. T.
-niet, Mt. 24; Hd. 20:23, 21:8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2. Apoc.
-Maar alle geloovigen zijn toch de zalving des Geestes deelachtig,
-1 Joh. 2:20; en zijn van den Heere geleerd, Mt. 11:25-27;
-Joh. 6:45. Allen zijn profeten, die de deugden des Heeren
-verkondigen, Hd. 2:17 v.; 1 Petr. 2:9. De profetie als eene
-bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13:8. In het
-nieuwe Jeruzalem zal de naam Gods op aller voorhoofden zijn.
-De leugen is er volkomen buitengesloten, Apoc. 21:27, 22:4, 15.
-Litteratuur over de profeten en de profetie bij Schultz Altt.
-Theol. 4<sup>e</sup> Aufl. 213 f; en verder König, Der Offenbarungsbegriff
-des A. T. Leipzig, Hinrichs 1882. Kuenen, Hist. crit. Onderzoek,
-2<sup>e</sup> uitg. 1889 II bl. 1 v. Smend, Lehrbuch der altt. Religionsgesch.
-1893. S. 79 f. Kuyper, Encycl. II 362 v. 429 v. C. H.
-Cornill, Der israel. Prophetismus, Strassburg 1894.</p>
-
-<p class="sep2">4. Wonderen. Gelijk de mensch, behalve door zijne verschijning
-en zijn woord, ook door zijne daden zich kennen doet, zoo openbaart
-zich God ook niet alleen door zijn woorden maar ook door
-zijne werken. Woord en daad staan in nauw verband. Gods woord
-is een daad, Ps. 33:9; en zijn doen is een spreken, Ps. 19:2,
-29:3; Jes. 28:26. Beide, woord en daad, verzellen elkaar in
-schepping zoowel als in herschepping. Gemeenlijk gaat het woord
-vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat de daad
-als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar doet
-wat Hem behaagt, Jes. 55:10, 11. Het woord eischt de daad;
-<span class="pagenum" id="Page_259">[259]</span>
-het wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook
-het zijn moet vernieuwd worden. De woorden, waarmede in de
-Schrift de daden, de werken Gods worden aangeduid, zijn verschillend.
-Naar hunne uitwendige verschijning zijn ze נִפְלָאוֹת
-Ex. 3:20, 34:10; Ps. 71:17; פֶּלֶא Ex. 15:11; Jes. 25:1,
-insignia, ingentia, of מוֹפְתִים Ex. 4:21, 7:19; Ps. 105:5,
-splendidum quid, beide gr. τερατα, iets bijzonders, ongewoons, dat
-van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heeten גְּבוּרוֹת
-Deut. 3:24; Ps. 21:14, 54:3, 66:7, δυναμεις, מַעֲשִׂים Ps. 8:7,
-19:2, 103:22; Jes. 5:19 of עֲלִילוֹת Ps. 9:12, 77:13
-ἐργα μεγαλεια, om de groote, goddelijke kracht, die er zich in
-openbaart. Vooral worden ze ook genoemd <ins id="cor_28" title="אֹותוֹת">אוֹת</ins> Ex. 3:12,
-12:13, enz. omdat ze een bewijs en teeken zijn van de tegenwoordigheid
-Gods. Die werken Gods zijn allereerst op te merken
-in zijne schepping en onderhouding. Al Gods werken zijn wonderen.
-Ook de werken der natuur worden menigmaal in de Schrift
-met den naam van wonderen aangeduid, Ps. 77:13, 97:3, 98:1,
-107:24, 139:14. Daaruit mag echter niet met Scholten, Supranaturalisme
-in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme
-Leiden 1867 bl. 9 v. worden afgeleid, dat de H. Schrift geen
-onderscheid kent tusschen natuur en wonder. Zeker, de gedachte,
-dat een wonder in strijd zou zijn met de wetten der natuur en
-dus onmogelijk zou wezen, komt niet op. Veeleer gaat heel de
-Schrift uit van het geloof, dat voor God niets te wonderlijk is,
-Gen. 18:14; Deut. 8:3 v.; Mt. 19:26. Maar daarom ontbreekt
-het niet aan eene onderscheiding tusschen de gewone orde
-der natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het O. T.
-kent eene vaste orde der natuur, ordinantiën die voor hemel en
-aarde gelden, die vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1:26,
-28, 8:22; Ps. 104:5, 9, 119:90, 91, 148:6; Pred. 1:10;
-Job 38:10 v.; Jer. 5:24, 31:25 v., 33:20, 25. En het
-N. T. maakt een even duidelijk onderscheid, Mt. 8:27, 9:5,
-24, 33, 13:54; Luk. 5:9, 7:16, 8:53; Joh. 3:2, 9:32,
-enz. Wonderen zijn een בְּרִיאָה eene schepping, iets nieuws, dat
-anders nooit gezien wordt, Ex. 34:10; Num. 16:30. De feiten,
-die in de H. S. als wonderen zijn vermeld, worden ook door ons
-nog als wonderen beschouwd; over de qualificatie dier feiten is
-er geen verschil, cf. Herzog<sup>2</sup> 17:360. Pierson, Gods wondermacht
-en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. Gloatz in Stud.
-<span class="pagenum" id="Page_260">[260]</span>
-u. Krit. 1886, 3<sup>tes</sup> Heft S. 403 f. W. Bender, Der Wunderbegriff
-des N. T. Frankf. 1871 S. 100 f. Schultz, Altt. Theol.
-577 f. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring
-ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen
-kunnen geschieden, Ex. 7:11, 22, 8:7, 18, 9:11; Mt. 24:24;
-Apoc. 13:13 v.; een teeken of wonder is op zichzelf dus niet
-genoeg tot verzegeling van een profeet, Deut. 13:1-3. Maar
-toch is het alleen Israels God, die wonderen doet, Ps. 72:18,
-77:15, 86:10, 136:4. Soms brengt Hij die wonderen zelf
-rechtstreeks tot stand; soms bedient Hij zich van menschen of
-engelen. Maar altijd is het God, die ze doet. Zijne δυναμις
-wordt daarin openbaar, Luk. 5:17, 14:19; Mk. 7:34; Luk.
-11:20; Joh. 3:2, 5:19 v., 10:25, 32; Hd. 2:22, 4:10.
-Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Mt. 12:28; Hd. 10:38.</p>
-
-<p>De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de
-schepping en onderhouding aller dingen, welke een voortdurend
-werk en wonder Gods is, Ps. 33:6, 9; Joh. 5:17. Al wat
-geschiedt, heeft zijn laatsten grond in den wil en de macht van
-God. Niets kan Hem wederstaan. Hij doet met ’t heir des hemels
-naar zijn welbehagen, Jes. 55:8 v. Ps. 115:3. Deze macht en
-vrijheid Gods wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5:22, 10:12,
-14:22, 27:5; Jes. 40:12, 50:2, 3; Ps. 33:13-17,
-104; Job 5:9 v., 9:4 v., enz. maar komt vooral uit in de
-geschiedenis van zijn volk, Deut. 10:21, 11:3, 26:8, 29:2,
-32:12 v.; Ps. 66:5 v., 74:13 v., 77:15 v., 78:4 v., 135:8
-v.; Jes. 51:2, 9; Jer. 32:20 v.; Hd. 7:2 v. In deze geschiedenis
-treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met
-verschillend doel. Nu eens, om de goddeloozen te straffen, Gen.
-6:6 v., 11, 19; Ex. 5 v.; Lev. 10:1; Num. 11:30 v., 14:21,
-16:1 v., 21:6, enz. Mt. 8:32, 21:19; Hd. 13:11, enz.
-Dan, om Gods volk te redden en te verlossen, om heil en genezing
-aan te brengen, zooals de plagen in Egypte, de doortocht
-door de Roode Zee, de wonderen in de woestijn, de genezingen
-van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreeksche of
-zijdelingsche bedoeling, om de zending der profeten, de waarheid
-van hun woord, en alzoo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen,
-Ex. 4:1-9; Deut. 13:1 v.; Richt. 6:37 v.; 1 Sam.
-12:16 v.; 1 Kon. 17:24; 2 Kon. 1:10, 20:8; Jes. 7:11,
-enz.; Mt. 14:33; Luk. 5:24; Joh. 2:11, 3:2, 5:36, 6:14,
-<span class="pagenum" id="Page_261">[261]</span>
-7:31, 9:16, 10:38, 12:37; Hd. 2:22, 10:38, enz. Profetie
-en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen
-hebben het bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot
-ook in zijne wonderen geweest, Ex. 5-15; Deut. 34:10-12.
-Zijne zonde bestond eenmaal in twijfel aan Gods wondermacht,
-Num. 20:10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een cyclus
-van wonderen, 1 Kon. 17-2 Kon. 13. Bij de latere profeten
-nemen de wonderen niet zoo groote plaats meer in. Dikwerf bedienen
-zij zich van zoogenaamde symbolische handelingen, om
-daarmede hunne profetie te bevestigen en als het ware aanvankelijk
-te realiseeren, 1 Kon. 11:29-39, 20:35 v., 22:11;
-Jes. 7:3, 8:1, 20:2 v., 21:6, 30:8; Jer. 13, 16, 18, 19,
-25:15, 27, 28:10 v., 32:6, 43:8; Ezech. 4, 5, 6:11, 7:23,
-12:3, 17:1; Hos. 1-3; Hd. 21:10 v., Schultz, Altt. Theol.
-250 f. Smend, Lehrb. der altt. Rel. Gesch. 88. König, Der
-Offenbarungsbegriff II 111 f. Maar toch worden ook van hen
-nog wonderen verhaald en hebben ze de overtuiging, wonderen
-te kunnen doen, Jes. 7:11, 16:14, 21:16, 38:7 cf. 2 Kon.
-20; Jer. 22:12, 30, 28:16, 29:22, 36:30, 37:7 v.; Dan.
-1-6. Maar al die wonderen in het O. T. hebben niet bewerkt
-eene verheffing, eene vernieuwing der natuur. Zij hebben hunne
-werking gehad. Zij hebben de menschheid beurtelings gestraft
-en gezegend, en in ieder geval voor den ondergang bewaard.
-Ze hebben in Israel een eigen volk gecreëerd, uit de dienstbaarheid
-van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de Heidenen
-bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende
-macht der natuur. Maar zij waren momentaan, gingen voorbij,
-verminderden in werking en werden vergeten. Het leven nam zijn
-gewoon verloop. De natuur scheen te zegepralen. Toen verhief
-de profetie hare stem en zij sprak, dat Israel niet onder kon
-gaan en vervloeien in ’t natuurleven der Heidenen. God zal op
-nieuw en in grootere heerlijkheid tot zijn volk komen. God zal
-zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond, Ps. 89:1-5;
-Jes. 54:10. Met dat komen Gods gaat de oude tijd over
-in den nieuwen. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis.
-Het is de יוֹם יהוה, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid
-openbaren en zijne wondermacht ten toon spreiden zal.
-God geeft dan wonderteekenen aan den hemel, Am. 8:8 v.;
-Joel 2:30. Heel de natuur, hemel en aarde, zullen bewogen
-<span class="pagenum" id="Page_262">[262]</span>
-worden, Am. 9:5; Jes. 13:10, 13, 24:18-20, 34:1-5;
-Joel 2:2, 10, 3:15; Mich. 1:3 v.; Hab. 3:3 v.; Nah. 1:4 v.;
-Ezech. 31:15 v., 32:7 v., 38:19 v. Het gericht zal gaan over
-de goddeloozen, Jes. 24:16 v. enz. maar het zal ook louteren
-en bevrijden. God zal zijn volk redden door zijne wonderen, Jes.
-9:3, 10:24 v., 11:15 v., 43:16-21, 52:10, 62:8. Hij
-doet wat nieuws op de aarde, Jes. 43:19, brengt Israel weer
-uit den dood, Ezech. 37:12-14, en doet het deelen in eene
-volheid van geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving
-der zonden, heiligheid, een nieuw verbond, Jes. 44:21-23,
-43:25; Ezech. 36:25-28; Jer. 31:31 v.; Zach. 14:20,
-21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel zijn.
-Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2:17 v.;
-Joel 3:18; Jer. 31:6, 12-14; Jes. 11:6-8, 65:25; Ezech.
-34:29, 36:29 v.; Zach. 8:12. Er komt een nieuwe hemel
-en een nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht
-worden, Jes. 65:17, 66:22. Deze Jom Jhvh, deze עֹלָם הַבָּא,
-αἰων μελλων, in tegenstelling met den עֹלָם הַזֶּה, αἰων οὑτος,
-is naar de voorstelling der Schrift met het N. Test. aangebroken.
-De komst van Christus is het keerpunt der tijden. Een nieuwe
-wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf het
-absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige,
-volkomene mensch. In Hem is in beginsel de schepping weer
-hersteld, uit haar val wederom opgeheven tot haar vroegere
-heerlijkheid. Zijne wonderen zijn σημεια van de tegenwoordigheid
-Gods, bewijs van den Messiaanschen tijd, Mt. 11:3-5, 12:28;
-Luk. 13:16, een deel van zijn Messiaanschen arbeid. In Christus
-treedt eene goddelijke δυναμις op, die sterker is dan alle verdervende
-en verwoestende macht der zonde. Deze macht valt Hij
-aan, niet alleen in de peripherie, door ziekten en kwalen te genezen
-en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar
-centrum door, breekt en overwint ze. Zijne menschwording en
-voldoening, zijne opstanding en hemelvaart zijn de groote verlossingsdaden
-Gods. Zij zijn de principieele herstelling van het
-rijk der heerlijkheid. Deze heilsfeiten zijn geen middelen alleen,
-om iets te openbaren, maar zij zijn de openbaring Gods zelve.
-Het wonder wordt hier tot historie, en de historie zelve is een
-wonder. De persoon en het werk van Christus is de centrale
-openbaring Gods; alle andere openbaring groepeert zich daar omheen.
-<span class="pagenum" id="Page_263">[263]</span>
-Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijne wondermacht in de
-discipelen zich voort, Mt. 10; Mk. 16:18; Luk. 8. En niet alleen
-in de Handelingen worden vele wonderen verhaald, 2:43, 3:5,
-5:12-16, 6:8, 8:6, 7, 13, 9:34, 40, 13:11, 14:3, 16:18,
-19:11, 20:10, 28:5, 8; maar ook Paulus legt getuigenis af
-van deze wondermacht der apostelen, Rom. 15:18, 19; 1 Cor.
-12:9, 10; 2 Cor. 12:12; Gal. 3:5, cf. Hebr. 2:4. Een tijd
-lang zet deze wondermacht zich nog voort in de gemeente.
-Maar ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de
-kerk het voorwerp is, waarin God de wonderen zijner genade
-verheerlijkt, Aug. de civ. 22:8, de util. cred. 16, de vera relig.
-25. De geestelijke wonderen zijn het, in welke God thans zijne
-macht en zijne heerlijkheid openbaart, Luther bij Köstlin, Luthers
-Theol. II 249 v. 341 v. Scholten, L. H. K. I 143. Toch wijst
-de Schrift heen naar eene toekomst, waarin het wonder op nieuw
-zijne werking zal doen. De αἰων μελλων voleindt zich eerst in
-den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid
-woont. Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis
-zijn verzoend. Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld
-is een, Op. 21-22. Cf. Oehler Theol. des A. T. 1882 S. 210 f.
-Schultz, Altt. Theol. 270 f. 534 f. 577 f. Smend, Lehrb. der
-Altt. Rel. Gesch. 88 f. W. Bender, Der Wunderbegriff des N.
-T. Frankf. a/M. 1871. Ph. Schaff, Jezus Christus, het wonder
-der geschiedenis 1867. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung
-der Chr. K. 5<sup>e</sup> Aufl. 1862 S. 49 f. 154 f. 336 f. Tholuck,
-Vermischte Schriften, Hamb. 1839 I 28 f.</p>
-
-<h4>B. Begrip der bijzondere openbaring.</h4>
-
-<p>5. Het openbaringssysteem, dat de Schrift ons kennen doet,
-is in de christelijke theologie al te veel miskend en verwaarloosd.
-Eerst in den nieuweren tijd is het begrip en het wezen
-der openbaring voorwerp van dieper onderzoek geworden. Vroeger
-werd daaraan geen behoefte gevoeld. Tusschen de Christenen
-en de Heidenen was de mogelijkheid der openbaring niet in
-geschil. Strijd was er alleen over de waarheid van die openbaring,
-welke in O. en N. Test. werd geleerd. En deze werd
-op allerlei gronden door de apologeten tegenover de aanvallen
-vooral van Celsus en Porphyrius betoogd. Overigens kwamen de
-<span class="pagenum" id="Page_264">[264]</span>
-gedachten over de openbaring neer op dit schema: God kan alleen
-door God worden gekend. Alle kennis en dienst Gods berust dus
-op openbaring zijnerzijds. Maar de openbaring Gods in natuur
-en geschiedenis is onvoldoende. Daarom is er eene bijzondere
-openbaring noodig, die in Christus haar hoogtepunt bereikt, Harnack,
-Lehrb. der Dogmengesch. I<sup>2</sup> 420 f. 436 f. 453 f. De volgende
-theologen, vooral ook de scholastici, besteedden alle zorg
-aan het bepalen en omschrijven van de verhouding tusschen
-natuur en openbaring, weten en gelooven, philosophie en theologie,
-maar dachten het begrip der openbaring niet in en brachten het
-ook slechts in het voorbijgaan ter sprake, cf. Thomas S. Theol.
-I qu. 57 art. 5 ad 3. II 2 qu. 2 art. 6. III qu. 55 art. 3. Ook
-de Protest. theologen hebben aan dit begrip te weinig aandacht
-gewijd. Zij vereenzelvigden de openbaring terstond met de H.
-Schrift en ontkwamen niet geheel aan de abstract-supranaturalistische
-en eenzijdig-intellectualistische opvatting, welke allengs
-in de theologie van haar gevormd was. Cf. Gerhard, Loci Theol.
-I §&nbsp;12. Calovius, Isagoge ad theol. p. 101 sq. 142 sq. Polanus,
-Synt. Theol. VI 9. Maresius, Syst. Theol. I §&nbsp;15 sq. Heidegger,
-Corpus Theol. XII 46. Het Socinianisme dreef dit bovennatuurlijk
-en verstandelijk begrip van de openbaring op de spits, Fock, Der
-Socin. 296 f. 314 f. Het Remonstrantisme had wezenlijk dezelfde
-voorstelling, Limborch, Theol. Christ. II 9, 18. Tusschen het
-rationalisme en supranaturalisme was over het begrip der openbaring
-geen verschil; voor beide bestond zij in eene uitwendige
-mededeeling van leer. Het was niet te verwonderen, en ook ten
-volle verdiend, dat zulk een openbaringsbegrip de kritiek van
-het deïsme en rationalisme niet kon doorstaan. Wat was de religieuse
-waarde van eene openbaring, welke niets gaf dan eenige
-verstandelijke waarheid, die misschien later door de rede zelve
-nog gevonden zou zijn? Toch bleek het, dat men al te spoedig
-met het begrip der openbaring had afgerekend. Religie en revelatie
-toonden bij dieper historisch en wijsgeerig onderzoek eene veel
-nauwere verwantschap, dan men vroeger gemeend had. Zoo kwam
-het begrip der openbaring in de nieuwere theologie en philosophie
-weer meer tot eere en werden verschillende pogingen tot
-reconstructie beproefd.</p>
-
-<p>Hamann, Claudius, Lavater, Herder, Jacobi e. a. wezen op
-de verwantschap van religie en kunst en brachten de openbaring
-<span class="pagenum" id="Page_265">[265]</span>
-met de geniale inspiratie in verband. Het begrip der openbaring
-werd zoo uitgebreid, dat alles openbaring werd. Religie, poëzie,
-philosophie, geschiedenis, taal zijn verschillende uitingen van eenzelfde
-oorspronkelijk leven. Omnia divina et humana omnia. En
-in het midden van al deze openbaringen staat Christus; naar
-Hem wijst alles heen, om Hem groepeert zich alles, Ehrenfeuchter,
-Christenthum und moderne Weltanschauung, Göttingen 1876 S.
-243 f. Ook Schleiermacher, Glaub. §&nbsp;10, 13 verwierp beslist de
-rationalistische leer van de openbaring. Hij zocht haar eigenaardigheid
-niet in het al of niet bovennatuurlijk karakter, dat ze
-draagt, maar in het nieuwe en oorspronkelijke, waarmede een
-persoon of eene gebeurtenis in de historie optreedt. Openbaring
-is daarom verwant met poëtische en heroïsche bezieling, en bestaat
-feitelijk in het wekken van nieuwe, oorspronkelijke aandoeningen
-van het religieus gevoel. Door Schleiermacher werd die opvatting
-van de openbaring voorbereid, welke haar bestaan laat niet in
-meedeeling van leer maar van leven. Rothe, Zur Dogmatik 1862
-S. 55-120 heeft aangaande de openbaring als inspiratie dezelfde
-gedachte, maar hij neemt daarbij als constitutief element van de
-openbaring nog eene uitwendige, historische manifestatie aan,
-opdat de inwendige openbaring, de inspiratie, niet magisch en
-mechanisch zij. De eigenaardigheden van het begrip der openbaring
-bij de theologen, die min of meer aan Schleiermacher
-zich aansluiten, bestaan dan vooral hierin: openbaring is van de
-theopneustie, van de H. Schrift te onderscheiden, de Schrift is
-niet de openbaring maar haar oorkonde; openbaring is een religieus,
-nader nog een soteriologisch begrip, met geniale, poëtische, heroïsche
-bezieling wel verwant maar niet identisch; zij is correlaat der
-religie alleen; uitgaande van God als Verlosser, heeft ze geen
-leer over allerlei physische, historische en metaphysische dingen
-tot inhoud, maar alleen religieus-ethische waarheid, zij is meedeeling
-van leven, zelfmededeeling Gods; zij is niet in strikten
-zin bovennatuurlijk, maar echt natuurlijk en menschelijk; zij is
-eindelijk niet alleen uitwendig (manifestatie), maar ook inwendig
-en geestelijk (inspiratie). Daarbij is er nog wel verschil over begin,
-omvang, einde der openbaring, maar in hoofdzaak is dit toch de
-opvatting, gelijk ze gevonden wordt bij Nitzsch, System der chr.
-Lehre §&nbsp;22. Twesten I 341 f. Martensen §&nbsp;11, 12. Lange I
-§&nbsp;56 f. Dorner I 569 f. Frank, System der chr. Wahrheit 2<sup>e</sup> Aufl.
-<span class="pagenum" id="Page_266">[266]</span>
-II 8 f. Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 192 f. Saussaye, mijne
-theologie 35 v. Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 21 v.
-enz. Maar niet alleen Schleiermacher en zijne school hebben het
-openbaringsbegrip tot nieuw leven gebracht, maar ook Schelling
-en Hegel hebben hetzelfde op hunne wijze beproefd. Door hen
-kreeg het rationalisme een speculatief karakter. Zij trachtten de
-christelijke openbaring niet door eene verstandskritiek te vernietigen,
-maar zochten speculatief de diepe idee op te sporen,
-welke aan haar en aan alle christelijke dogmata ten grondslag
-lag, en stelden zich alzoo als speculatief rationalisme tegenover
-het vulgaire rationalisme van vroeger tijd. Volgens Schelling in
-zijne eerste periode was heel de wereld de zelfopenbaring Gods.
-De natuur is de zichtbare geest, de geest de onzichtbare natuur.
-Gods wezen wordt den mensch kenbaar uit heel de natuur, vooral
-echter uit de ontwikkeling van den menschelijken geest in kunst,
-religie en wetenschap. En zoo leerde ook Hegel, dat God zich
-niet aan den mensch openbaart door eene voorbijgaande gebeurtenis
-in den tijd, maar Hij openbaart zich in den mensch zelf,
-en wordt zichzelf in den mensch bewust. En dit zichzelf bewust
-worden van God in den mensch, is het weten des menschen van
-God, is religie, Religionsphilosophie 1832 I 29. II 158. Encyclop.
-S. 576. Openbaring is bij Hegel dus gelijk met de noodwendige
-zelfopenbaring, met het zich zelf bewust worden van het Absolute
-in den menschelijken geest; de geschiedenis der godsdiensten is
-de geschiedenis van het tot zichzelf komen van het Absolute in
-het menschelijk bewustzijn, en bereikt haar hoogtepunt in het
-Christendom, dat de eenheid uitspreekt van God en mensch. Aan
-deze gedachte over de openbaring, als zelfmededeeling Gods aan
-een iegelijk mensch sluit in hoofdzaak die opvatting van de openbaring
-zich aan, welke wij vinden bij Marheineke, Grundlehren
-der chr. Dogm. §&nbsp;206. Rosenkranz, Encycl. der theol. Wiss.
-2<sup>e</sup> Aufl. 1845 S. 1 f. Erdmann, Glauben und Wissen 1837.
-Strauss, Glaubenslehre §&nbsp;19. Feuerbach, Wesen des Christ. 2<sup>e</sup> Ausg.
-S. 174. Biedermann, Chr. Dogm. I 264 f. Pfleiderer, Grundriss
-§&nbsp;16. Lipsius, Dogm. §&nbsp;52, Philos. und Religion 1885 S. 266 f.
-Scholten, Initia, ed. 2. p. 26-39. L. H. K. I 165 v. 233, 299.
-Gemeenschappelijk is aan dezen de ontkenning van het bovennatuurlijk
-karakter der openbaring, maar overigens is er groot
-onderscheid over inhoud, uitgestrektheid en wijze. Van beide
-<span class="pagenum" id="Page_267">[267]</span>
-groepen onderscheidt zich nog weer het begrip van openbaring
-in de school van Ritschl. Het eigenaardige van deze opvatting
-ligt hierin, dat er zeer weinig waarde gehecht wordt aan de
-onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring,
-dat nadruk gelegd wordt op het positief karakter van elke religie
-en op het historische, uitwendige in de openbaring, en dat voor
-het Christendom die historische openbaring vooral of zelfs uitsluitend
-gevonden wordt in den persoon van Christus, Ritschl
-Rechtf. u. Vers. III<sup>3</sup> 190 f. 599 f. Kaftan, Wesen der chr.
-Religion 171 f. 295 f. Herrmann, Der Begriff der Offenbarung
-Giessen 1887. G. v. Schulthess-Rettberg, Der Gedanke einer
-göttlichen Offenbarung, Zurich 1893. Nitzsch, Lehrbuch der ev.
-Dogm. S. 131 f. Cf. de Groninger school hier te lande, Hofstede de
-Groot, De Groninger Godgeleerden in hunne eigenaardigheid 42 v.</p>
-
-<p>Aan een duidelijk en helder begrip van de openbaring ontbreekt
-het nog in de dogmatiek. Er is onder de theologen verschil over
-alles, wat bij dat begrip in aanmerking komt. Misschien is er
-eene grens te trekken tusschen hen, die eene bovennatuurlijke
-of alleen eene natuurlijke openbaring aannemen. Maar ook dan
-rijst de vraag, of het bovennatuurlijk karakter der openbaring
-ligt in de wijze, waarop zij tot ons kwam, of in het nieuwe,
-oorspronkelijke van den inhoud (Schleiermacher). Waarin is verder
-de bovennatuurlijke openbaring onderscheiden van de natuurlijke
-openbaring in natuur en geschiedenis, vooral van de religieuse,
-poëtische, heroïsche inspiratie, die ook buiten het Christendom
-wordt aangetroffen en zoo dikwerf met de christelijke openbaring
-in verband is gebracht (Hamann, Herder, Jacobi, Schleiermacher)?
-Waar is vervolgens die bovennatuurlijke openbaring te vinden,
-ook in de religies der Heidenen, of alleen in Israel, of zelfs uitsluitend
-in den persoon van Christus (Schleiermacher, Ritschl).
-Hoever strekt zij zich uit na Christus, is zij tot Hem beperkt,
-of is ook de werking des H. Geestes in wedergeboorte, bekeering
-enz. nog onder het begrip van openbaring te rekenen (Frank)?
-Is haar inhoud in de eerste plaats kennis, zoodat zij het verstand
-verlicht (Hegel, Biedermann, Scholten), of is ze voornamelijk
-mystisch van aard, eene werking op het gemoed, eene aandoening,
-opwekking van het gevoel (Schleiermacher, Lipsius, Opzoomer,
-Ethischen)? Is bij de openbaring het uitwendige, het
-historische, de manifestatie, hetzij dan in natuur (Hegel, Scholten),
-<span class="pagenum" id="Page_268">[268]</span>
-hetzij in de historie (Schelling, Ritschl), of bepaald ook als
-wonder (Rothe) de hoofdzaak, of ligt het zwaartepunt in het
-subject in de zelfopenbaring van den absoluten Geest, van God,
-aan den mensch (Biedermann, Lipsius)?</p>
-
-<p class="sep2">6. De openbaring, welke de Schrift ons kennen doet, bestaat
-niet in enkele onsamenhangende woorden en feiten, maar is één
-historisch en organisch geheel, een machtig wereldbeheerschend
-en wereldvernieuwend systeem van daden Gods. Zij treedt, gelijk
-wij zagen, in drie vormen op, theophanie, profetie en wonder,
-שְׁכִינָה‎, ‏נְבוּיָה‎ en בְּרִיאָה‎. Maar deze drie staan niet los naast
-elkaar; zij vormen één geheel en beoogen samen één doel. Reeds
-door de revelatio generalis laat God zich aan den mensch niet
-onbetuigd; Hij openbaart zich in natuur en geschiedenis, Hij
-spreekt in hart en geweten; Hij werkt wonderen van mogendheid.
-Ook de revelatio generalis mag openbaring heeten. Want in
-ruimen zin is openbaring alle actie, die van God uitgaat, om
-den mensch te stellen in eene religieuse verhouding tot Hem.
-Maar door de zonde wordt eene andere openbaring van noode,
-die wel in velerlei verband staat met de revelatio generalis maar
-die er toch wezenlijk, in vorm en inhoud, van onderscheiden is.
-Zij richt zich toch tot den gevallen mensch, en moet dus zijn
-eene openbaring van genade. De revelatio specialis is het zoeken
-Gods van en het komen Gods tot den mensch. Hij moet zich
-nu zoo openbaren en zoo spreken en zoo werken, dat de mensch
-weer vernieuwd wordt naar zijn beeld. Daarom komt God tot
-den mensch op menschelijke wijze. De menschwording is het
-centrale feit in de revelatio specialis, hetwelk licht verspreidt
-over heel haar gebied. Reeds in de schepping maakt God zich
-den menschen gelijk. Maar in de herschepping wordt Hij mensch
-en gaat in onzen toestand in. En deze menschwording, die de
-eigenlijke inhoud is van de revelatio specialis, neemt reeds in
-zekeren zin terstond na den val haar aanvang. De bijzondere
-openbaring Gods gaat in in de historie, en vormt eene geschiedenis,
-die de eeuwen doorloopt. Zij neemt zulk een historisch
-karakter aan, wijl de menschheid zelve, tot wie zij zich richt,
-alleen in den historischen vorm bestaat. Zij leidt haar leven
-mede, volgt haar op hare gangen, doorwandelt met haar de
-tijden tot den einde toe. Zij grijpt diep in het leven der schepping
-<span class="pagenum" id="Page_269">[269]</span>
-terug, sluit aan de voorzienigheid zich aan en doet haar
-licht stralen door het prisma van menschelijke personen, toestanden
-en gebeurtenissen heen. Zij bedient zich van alle karakter
-en individualiteit, van alle aanleg en gave, die in de schepping
-gegeven zijn. Zij hult zich in de vormen van type en schaduw,
-van beeld en symbool, van kunst en poëzie, van briefvorm
-en kroniek. Zij neemt in de religie de gebruiken over, die in
-andere godsdiensten gevonden worden, zooals besnijdenis en
-offerande, tempel en priesterschap. Zij acht zelfs lot en droom
-en visioen niet te gering om ze te bezigen als instrument. Zoo
-diep daalt het goddelijke in het menschelijke neer, dat de grenzen
-tusschen de openbaring en de pseudoreligie schijnen te worden
-uitgewischt. Godspraak en orakel, profetie en mantiek, wonder
-en magie schijnen elkander te naderen.</p>
-
-<p>En toch is het een ander hart, dat in Israels religie klopt.
-De peripherische en atomistische beschouwing beroept zich op
-zulke feiten van overeenkomst tusschen de religie der Schrift en
-de godsdiensten der volken, maar zij verklaart de openbaring
-niet in haar karakter en beteekenis, en weet ten slotte met de
-Schrift geen raad. Daarom moet deze beschouwing wijken voor
-de centrale en organische, welke van uit het middelpunt het licht
-laat stralen tot aan den buitensten omtrek. En dat centrum is
-de menschwording Gods. Hij is het, die in de revelatio specialis
-nederdaalt en zich den menschen gelijk maakt. Subject van de
-bijzondere openbaring is in eigenlijken zin de Logos, de Malak
-Jhvh, de Christus. Hij is de middelaar der schepping, Joh. 1:3;
-Col. 1:15, maar ook der herschepping. Του γαρ δια της ἰδιας
-προνοιας και διακοσμησεως των ὁλων διδασκοντος περι του
-Πατρος, αὐτου ἠν και την αὐτην διδασκαλιαν ἀνανεωσαι, Athan.
-de incarn. c. 14. Cf. Iren. adv. haer. IV 6. Hij is het subject
-der openbaring ook reeds in het O. Test., de engel des verbonds,
-die Israel leidde, Ex. 14:19, 23:20, 32:34, 33:2; Jes. 63:8,
-9, de inhoud der profetie Joh. 5:39; 1 Petr. 1:11; Apoc.
-19:10. Door theophanie, profetie en wonder bereidt Hij zijne
-komst in het vleesch voor. De O. Test. openbaring is de geschiedenis
-van den komenden Christus. Theophanie, profetie en
-wonder loopen op Hem uit. In Christus vallen ze saam. Hij is
-de openbaring, het woord, de kracht Gods. Hij toont ons den
-Vader, verklaart ons zijn naam, volbrengt zijn werk. De menschwording
-<span class="pagenum" id="Page_270">[270]</span>
-is de afsluiting, het doel en het einde beide van Israels
-geschiedenis, en tevens het middelpunt van alle geschiedenis.
-Bis hierher und von daher geht die Geschichte (Joh. von Müller).
-De incarnatie is het Centralwunder; es ist das Wunder aller
-Wunder, da das Göttliche unmittelbar mit dem Menschlichen
-sich berührt, Ranke, Weltgeschichte VIII 72.</p>
-
-<p>Als de openbaring Gods in Christus, in zijn persoon en werk,
-verschenen en in de Schrift beschreven is, treedt er eene andere
-bedeeling in. De H. Geest ging wonen in de gemeente; daarmede
-was het karakter der tijden veranderd. De αἰων οὑτος ging over
-in den αἰων μελλων. Gelijk in de eerste periode alles op Christus
-voorbereid werd, zoo wordt nu alles van Hem afgeleid. Toen
-werd Christus gevormd tot het hoofd der gemeente, nu de gemeente
-tot het lichaam van Christus. Toen werd het Woord, de
-H. Schrift, af-, nu wordt het uitgewerkt. Maar toch neemt ook
-deze bedeeling eene plaats in in het systeem der openbaring. De
-openbaring is voortgezet, ofschoon gewijzigd naar den aard der
-bedeeling. De openbaring, als bedoelende en voortbrengende den
-Christus, heeft haar einde bereikt. Want Christus is er, zijn
-werk is volbracht, en zijn woord is voltooid. Nieuwe, constitutieve
-elementen van de revelatio specialis kunnen er niet meer bijkomen.
-De vraag is daarom ook van ondergeschikt belang, of
-in de christelijke kerk nog de gave der voorspelling en der
-wonderen voortduurt. De getuigenissen der kerkvaders zijn zoo
-talrijk en krachtig, dat voor de oudste tijden deze vraag moeilijk
-ontkennend kan beantwoord worden, Thomas II 2 qu. 178.
-Voetius, Disp. II 1002 sq. Gerhard, Loci, loc. 22 sectio 11.
-Dr. C. Middleton, A free inquiry into the miraculous powers,
-which are supposed to have subsisted in the Christian Church,
-3 ed. Lond. 1749. Tholuck, Ueber die wunder der Kath. Kirche,
-Verm. Schriften I 28-148. J. H. Newman, Two essays on
-scripture miracles and on ecclesiastical, 2 ed. Lond. 1870. H.
-Müller, Natur und Wunder, Strassb. 1892 S. 182. Maar al zijn
-die gaven gebleven, de inhoud dier revelatio specialis, welke in
-Christus zich concentreert en in de Schrift is neergelegd, wordt
-er niet rijker door; en indien zij naar de gedachte van Augustinus,
-de civ. 22, 8, de util. cred. 16, de vera relig. 25 verminderd
-en opgehouden zijn, die openbaring wordt er niet armer door.
-Hoe dit echter ook zij, de revelatio specialis in Christus zet toch
-<span class="pagenum" id="Page_271">[271]</span>
-in zekeren zin in deze bedeeling zich nog voort. Al is alle
-voorspelling in de christelijke kerk opgehouden en alle wonder
-in eigenlijken zin voorbij, de kerk zelve is van oogenblik tot
-oogenblik product der openbaring. De geestelijke wonderen duren
-voort. De genade Gods in Christus verheerlijkt zich in verlichting
-en wederbaring, in geloof en bekeering, in heiligmaking en bewaring.
-Christus is middelaar; het is Hem om de gemeente te
-doen; Hij kwam om de wereld te vernieuwen en de menschheid
-te herscheppen naar het beeld Gods. De revelatio specialis vindt
-haar doel in het tot stand brengen eener nieuwe orde van zaken.
-En daarom zet zij, in gewijzigden vorm. d. i. in geestelijken zin
-ook thans nog zich voort. Haar rustpunt vindt zij eerst in de
-epiphanie van Christus, in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde,
-waarin gerechtigheid woont.</p>
-
-<p>De openbaring naar de Schrift is dus een historisch proces,
-een organisch systeem, eene voortdurende goddelijke actie tot
-breking van de macht der zonde, tot stichting van zijn rijk, tot
-herstel van den kosmos, tot ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν
-Χριστῳ, Ef. 1:10. In de theophanie stelt God zichzelf wederom
-als den eenigen en waarachtigen God tegenover de afgoden van
-’s menschen eigen versiering; in de profetie plaatst Hij zijne gedachte
-als de waarheid tegenover de leugen van Satan, en in
-het wonder betoont Hij zijne goddelijke kracht tegenover alle
-werken der ongerechtigheid. In de openbaring poneert en handhaaft
-God zijn Ik tegenover alle niet-ik, en brengt het trots allen
-tegenstand tot algemeene erkenning en tot volkomen triumf.
-Soteriologisch is dus heel de openbaring. Zij gaat uit van Christus,
-zoowel in O. als in N. T. Maar soteriologisch dan opgevat in den
-zin der Schrift, niet in religieus-ethischen zin, alsof de openbaring
-slechts religieuse en ethische waarheid bevatten zou; nog
-veel minder in intellectueelen zin, alsof de openbaring slechts
-in leer bestond. Maar soteriologisch in schriftuurlijken zin, zoo
-n.l. dat de inhoud der openbaring niet is leer of leven of aandoening
-des gemoeds maar dat ze is dat alles te zaam, een
-goddelijk werk, eene wereld van gedachten en daden, een ordo
-gratiae, die de ordo peccati op alle terrein bestrijdt en verwint.
-Doel der openbaring is niet alleen, om den mensch te leeren en
-zijn verstand te verlichten (rationalisme), om hem de deugd te
-doen beoefenen (moralisme), om religieuse aandoeningen in hem
-<span class="pagenum" id="Page_272">[272]</span>
-te kweeken (mysticisme). Maar het doel Gods met zijne openbaring
-strekt zich veel verder en breeder uit. Het is geen ander
-dan om den mensch, de menschheid, de wereld aan de macht
-der zonde te onttrekken, en den Naam Gods weer te doen uitstralen
-in alle creatuur. De zonde heeft alles bedorven en verwoest,
-verstand en wil, ethische en physische wereld. En daarom
-is het ook de gansche mensch en heel de kosmos, om wiens
-redding en herstel het God met zijne openbaring te doen is.
-Soteriologisch is dus zeer zeker Gods openbaring, maar object
-van die σωτηρια is de kosmos, en niet alleen het ethische of
-de wil met uitsluiting van het verstand en niet het psychische
-alleen met uitsluiting van het somatische en physische, maar
-alles te zamen. Want God heeft allen onder de zonde besloten
-opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 5:15 v., 11:32;
-Gal. 3:22.</p>
-
-<h4>C. De bijzondere openbaring en het
-Supranaturalisme.</h4>
-
-<p>7. Deze organische opvatting van de openbaring is in de
-christelijke kerk op tweeërlei wijze miskend geworden, zoowel
-door het supranaturalisme als door het naturalisme (rationalisme).
-Tegenover beide dient zij daarom nader in het licht gesteld en
-gehandhaafd te worden. Eerst tegenover het supranaturalisme,
-dat vooral in Rome is opgekomen en dan in verschillende richtingen
-binnen het Protestantisme nawerkt. De Schrift kent wel
-onderscheid tusschen den gewonen gang der dingen en buitengewone
-werken Gods, maar maakt toch nog niet de tegenstelling
-van natuurlijk en bovennatuurlijk. Deze komt eerst bij de kerkvaders
-voor. De bijzondere openbaring wordt met de bovennatuurlijke
-vereenzelvigd en tegenover de natuurlijke gesteld. Clemens
-Alex., Strom. 2, 2 spreekt reeds van ὑπερφυης θεωρια, die
-men verkrijgt door het geloof. Chrysostomus, Hom. 36 in Gen,
-noemt de wonderen ὑπερ φυσιν en φυσει μειζονα. Ambrosius,
-de mysteriis c. 9. stelt gratia, miraculum, mysterium tegenover
-de ordo naturae. Johannes Damascenus spreekt meermalen van
-de wonderen, zooals de ontvangenis van Christus, de eucharistie
-enz. als ὑπερ φυσιν, ὑπερ λογον και ἐννοιαν, de fide orthod.
-IV 12-15. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. I
-<span class="pagenum" id="Page_273">[273]</span>
-82 f. Sedert heeft de onderscheiding van natuurlijk en bovennatuurlijk
-ingang gevonden en burgerrecht verkregen in heel de
-christelijke theologie. Zonder twijfel heeft deze onderscheiding
-ook recht van bestaan. De Schrift moge ze niet met zooveel
-woorden maken; zij erkent toch eene gewone orde der natuur
-en daarbij daden en werken, welke hun oorzaak alleen hebben
-in de macht Gods. De openbaring in de H. Schrift onderstelt,
-dat er nog eene andere, hoogere en betere wereld is dan deze
-natuur en dat er dus eene ordo rerum is supra hanc naturam.
-De begrippen van natuurlijk en bovennatuurlijk dienen daarom
-duidelijk te worden bepaald. Natuur, van nasci, worden, duidt
-in het algemeen datgene aan, wat zonder vreemde macht of
-invloed van buiten, alleen naar zijne inwendige krachten en wetten
-zich ontwikkelt. Natuur staat dan zelfs tegenover kunst, opvoeding,
-cultuur, geschiedenis, welke niet vanzelf, spontaan ontstaan, maar
-door menschelijk toedoen tot stand komen. Maar verder wordt
-het begrip natuur uitgebreid tot heel den kosmos, voor zoover
-deze niet van buiten maar van binnen uit, door immanente
-krachten en naar eigene ingeschapen wetten zich beweegt en ontwikkelt.
-Bovennatuurlijk is dan alwat de krachten der natura
-creata te boven gaat en zijne oorzaak niet heeft in de schepselen
-maar in de almacht Gods. In dezen zin werd de bijzondere openbaring
-in de christelijke theologie opgevat. In haar geheel genomen,
-had ze haar oorsprong in eene bijzondere daad Gods,
-welke niet in den gewonen gang der natuur maar in eene eigene,
-daarvan onderscheiden, orde van zaken zich had geopenbaard.
-Daarbij werd dan verder nog onderscheid gemaakt tusschen het
-bovennatuurlijke in absoluten zin, als iets de kracht van alle
-creatuur te bovengaat, en het bovennatuurlijke in relatieven zin,
-als het de kracht van eene bepaalde oorzaak in de gegeven omstandigheden
-overtreft; en voorts ook nog tusschen het supernaturale
-quoad substantiam, als het feit zelf bovennatuurlijk is,
-b.v. de opwekking van een doode, en het supernaturale quoad
-modum, als alleen de wijze van doen bovennatuurlijk is, b.v.
-de genezing van een kranke zonder middelen, Thomas, S. c.
-Gent. III 101. Ook in deze onderscheidingen lag op zichzelve
-nog geen gevaar. Zelfs moeten zij tegenover eene wijsbegeerte,
-die het bovennatuurlijke ontkent of verzwakt, verdedigd worden.
-De uitdrukking bovennatuurlijk is n.l. in de latere theologie en
-<span class="pagenum" id="Page_274">[274]</span>
-philosophie menigmaal in zeer gewijzigden zin verstaan, en beurtelings
-met het bovenzinlijke (Kant), het vrije (Fichte), het onbekende
-(Spinoza, Wegscheider), het nieuwe en oorspronkelijke
-(Schleiermacher), het religieus-ethische, het geestelijke (Saussaye),
-enz. vereenzelvigd. Maar zulk eene wijziging van de vaststaande
-en duidelijke beteekenis van een woord leidt tot misverstand.
-Indien men met bovennatuurlijk niets anders bedoelt dan het
-bovenzinlijke, het ethische. enz., doet men beter den term te
-vermijden. En de verwarring wordt nog grooter, als men het
-natuurlijke en het bovennatuurlijke dooreen mengt en aan deze
-fusie dan den naam van het Geistleibliche, Godmenschelijke, enz.
-geeft. Het begrip natuur omvat al het geschapene, niet alleen
-de stof, de materie, maar ook ziel en geest; niet alleen het
-physische maar ook het psychische, het religieuse en het ethische
-leven, voor zoover het uit den menschelijken aanleg vanzelf
-opkomt; niet alleen zienlijke, maar ook onzienlijke, bovenzinnelijke
-dingen. Het bovennatuurlijke is niet met het oorspronkelijke,
-het geniale, het vrije, het religieuse, het ethische, enz. identisch,
-maar is de duidelijke en vaststaande naam alleen voor datgene,
-wat uit de krachten en naar de wetten der geschapene dingen
-niet is te verklaren. Tot zoover is de onderscheiding, tusschen
-natuurlijk en bovennatuurlijk, die in de christelijke theologie
-opkwam, volkomen juist, beslist, duidelijk, alle verwarring afsnijdend.
-Behoudens het gezegde boven <a href="#Page_230">bl. 230</a> v., is bijzondere
-openbaring, in haar drie vormen van theophanie, profetie en
-wonder, bovennatuurlijk in strikten zin.</p>
-
-<p>Maar in de christelijke theologie werd het begrip van het
-bovennatuurlijke langzamerhand nog enger begrensd. Het werd
-eenerzijds van de schepping en andererzijds van de geestelijke
-wonderen der wedergeboorte enz. onderscheiden. De eerste onderscheiding
-werd gemaakt, omdat het bovennatuurlijke niet voor
-God, maar alleen voor ons bestaat en de gewone orde, door de
-schepping in het aanzijn geroepen, onderstelt. Van het bovennatuurlijke
-kan alleen gesproken worden, als de natuur vooraf reeds
-bestaat. En andererzijds werden wedergeboorte, vergeving, heiligmaking,
-unio mystica enz., wel voor rechtstreeksche daden Gods
-gehouden, maar toch niet tot de bovennatuurlijke openbaring
-gerekend, wijl zij niet ongewoon en zeldzaam zijn maar in de
-kerk tot de gewone ordo rerum behooren. De kerk zelve is wel
-<span class="pagenum" id="Page_275">[275]</span>
-supranatureel maar toch geen wonder. Ook het bovennatuurlijke
-en het wonder zijn weer onderscheiden. Al het bovennatuurlijke
-is geen wonder, maar wel omgekeerd. Wonderen zijn niet alleen
-bovennatuurlijke, maar bovendien ook nog ongewone en zeldzame
-gebeurtenissen in natuur of genade. Zij geschieden niet alleen
-praeter ordinem naturae alicujus particularis, maar praeter ordinem
-<i>totius</i> naturae creatae. Engelen en duivelen kunnen in eigenlijken
-zin geen wonderen doen, maar alleen zulke dingen, die ons wonderlijk
-toeschijnen en geschieden praeter ordinem naturae creatae
-<i>nobis notae</i>, Thomas, S. Theol. I qu. 110 art. 4. S. c. Gent.
-I 6. III 112. Voetius, Disp. II. 973 sq. Thomas spreekt niet
-alleen van wonderen praeter en supra, maar ook contra naturam,
-qu. de miraculis, art. 2 ad 3, Müller, Natur u. Wunder, Strassburg
-1892 S. 145. En Voetius zeide, dat wonderen wel niet
-zijn contra naturam universalem sed supra et praeter eam, maar
-toch ook soms konden zijn contra naturam aliquam particularem,
-Disp. II 973, cf. Gerhard, Loci Comm. Loc. 22 §&nbsp;271 sq. En
-wonderen hadden dus de volgende kenteekenen: opus immediatum
-Dei, supra omnem naturam, in sensus incurrens, rarum, ad confirmationem
-veritatis, Voetius, ib. II 965. Gerhard, ib. loc. 22
-§&nbsp;271. Hoeveel goeds er nu ook wezen moge in deze door de
-scholastiek gemaakte bepalingen en onderscheidingen, ze brachten
-toch geen gering gevaar met zich. De bijzondere openbaring werd
-eenerzijds losgemaakt van de schepping en de natuur; al werd
-erkend, dat bovennatuurlijke openbaring niet eerst nu maar ook
-reeds voor den val had plaats gehad, Calovius, Isag. ad theol.
-p. 49, en dus op zichzelf niet in strijd kon zijn met de natuur,
-toch werd dit niet ingedacht. Andererzijds werd de bijzondere
-openbaring tegengesteld aan de geestelijke wonderen, de werken
-der genade, die voortdurend plaats hebben in de kerk van Christus
-en dus geïsoleerd van de herschepping en de genade. De bijzondere
-openbaring kwam dus geheel op zich zelve te staan, zonder
-verband met natuur en geschiedenis. Haar historisch en organisch
-karakter werd miskend. Zij ging niet in wereld en menschheid
-in, maar bleef buiten en boven haar zweven. Zij werd eindelijk
-opgevat als eene leer, als eene verkondiging van onbegrepen en
-onbegrijpelijke mysteriën, wier waarheid bevestigd was door de
-wonderen. Zij was en bleef in één woord een donum superadditum
-van den kosmos.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_276">[276]</span>
-8. In Rome is dit supranaturalistisch en dualistisch stelsel
-consequent uitgewerkt. In God zijn er twee conceptiën van den
-mensch, van zijne natuur en bestemming. De mensch in puris
-naturalibus, zonder het beeld Gods, gelijk hij feitelijk na den
-val nog is, kan eene zuivere kennis van God hebben uit zijne
-werken, kan Hem dienen en vreezen en in eene normale, op zich
-zelf goede knechtsverhouding tot Hem staan, kan alle natuurlijke
-deugden beoefenen, ook zelfs de natuurlijke liefde tot God, en
-kan het alzoo brengen tot een zekeren staat van geluk in dit en
-in het toekomende leven. Brengt hij het zoover niet, dan is dat
-zijne eigene schuld en is dit te wijten aan het niet of slecht gebruiken
-van de hem geschonken natuurlijke krachten. Maar God
-wil aan den mensch nog eene hoogere, bovennatuurlijke, hemelsche
-bestemming geven. Dan moet hij daartoe aan den mensch
-verleenen dona superaddita zoowel voor als nu na den val. Hij
-moet hem schenken eene bovennatuurlijke genade, waardoor hij
-God op eene andere, betere, hoogere wijze kan kennen en liefhebben,
-betere en hoogere deugden kan beoefenen, en eene hoogere
-bestemming kan bereiken. Die hoogere kennis bestaat in de fides;
-die hoogere liefde in de caritas; die hoogere deugden zijn de
-theologische, geloof, hoop, liefde, welke essentieel van de virtutes
-cardinales (intellectuales et morales) zijn onderscheiden;
-en die hoogere bestemming bestaat in het kindschap Gods, de
-geboorte uit God, de unio mystica, de gemeenschap aan de Goddelijke
-natuur, de θεωσις, deificatio, de visio Dei enz. Deze
-leer is in sommige uitspraken der kerkvaders reeds voorbereid,
-maar is toch eerst ontwikkeld door de scholastiek, vooral door
-Halesius, Summa universae Theol. II qu. 91 m. 1. a. 3. Bonaventura,
-Breviloquium V cap. 1. Thomas disp. de verit. qu. 27.
-S. Theol. I 2. qu. 62 art. 1. In den strijd tegen Bajus en Jansenius
-werd ze kerkelijk vastgesteld, Denzinger, Enchir. symbol.
-et definit. num. 882 sq. en door het Vaticanum nadrukkelijk
-uitgesproken, Sess. III cap. 2: revelatio absolute necessaria dicenda
-est, — — quia Deus infinita bonitate sua ordinavit hominem
-ad finem supernaturalem, ad participanda sc. bona divina.
-quae humanae mentis intelligentiam superant, met beroep op 1
-Cor. 2:9. Cf. Canones II 3. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl.
-1872 II S. 3-151. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk.
-I 105 f. II 75 f. Scheeben, Handb. der kath. Dogm. II 1878 S.
-<span class="pagenum" id="Page_277">[277]</span>
-240 f. Id. Natur u. Gnade Mainz 1861. Schäzler, Natur u. Gnade.
-Oswald, Religiöse Urgeschichte der Menschheit 2<sup>e</sup> Aufl. 1887 §&nbsp;1 f.</p>
-
-<p>Nu dient erkend te worden dat het onderscheid in den
-toestand vóór en na den val niet ligt in openbaring op zich
-zelve. Er was bovennatuurlijke openbaring ook in het paradijs,
-Gen. 1:28 v.; 2:16 v.; ze is dus niet door de zonde eerst
-noodzakelijk geworden. Zelfs was er ook in den status integritatis
-eene openbaring der genade, want ook toen was de relatie
-der liefde, waarin God zich stelde tot den mensch, een betoon
-van ongehoudene goedheid. Wat door de zonde dus noodzakelijk
-is gemaakt, is niet de openbaring op zichzelf, maar de bepaalde
-inhoud der openbaring, dat is de gratia specialis, de openbaring
-Gods in Christus, de ἐνσαρκωσις του θεου. Openbaring Gods is
-er noodig geweest ook voor de religie in den status integritatis.
-Maar de religio christiana is op eene bijzondere, bepaalde openbaring
-gegrond. Hierop heeft Paulus het oog als hij in 1 Cor. 2
-vs. 4-16 spreekt van de wijsheid Gods, die altijd verborgen
-is geweest en in het hart des menschen niet is opgeklommen.
-Rome kan dit eigenlijk zelf niet ontkennen, tenzij het de leer
-aanvaarde, dat, in de onderstelling dat God aan den mensch
-een finis supernaturalis wilde schenken, heel de supranatureele
-orde, die er nu is in de incarnatie, de kerk, de sacramenten,
-ook zonder en buiten de zonde noodzakelijk zou geweest zijn.
-Daarmede zou echter het soteriologisch karakter der openbaring
-geheel te loor gaan, de val zijn beteekenis verliezen en de zonde
-hoegenaamd geene verandering hebben gebracht. De leer van den
-finis supernaturalis heeft dan ook in de Roomsche kerk altijd
-veel tegenspraak ontmoet, bij Bajus, Jansenius, Hirscher, Hermes,
-Günther; maar ze hangt ten nauwste saam met heel het Roomsche
-systeem, dat gebouwd is niet op de religieuse tegenstelling van
-zonde en genade, maar op het graadonderscheid in het goede,
-op de rangordening der schepselen en der deugden, op de hierarchie
-in physischen en in ethischen zin. De Reformatie had echter
-maar ééne idee, ééne conceptie van den mensch, nl. die van beelddrager
-Gods, en deze gold voor alle menschen. Als dat beeld
-in engeren zin verloren is, dan is daarmee heel de menschelijke
-natuur geschonden, en kan de mensch geen religie en geen ethos
-meer hebben, welke aan den eisch Gods en aan zijne eigene
-idee beantwoorden. Dan is zijne religie en zijne deugd, hoe schoon
-<span class="pagenum" id="Page_278">[278]</span>
-ze schijnen, toch in den wortel bedorven. Er is geen religio naturalis.
-Alle religies zijn superstities geworden. Maar daarom is
-de religio christiana ook essentieel één met de religio vera in
-den status integritatis. De Gereformeerden dreven dit zoover, dat
-ze zeiden dat ook Adam de kennis der triniteit en het geloof
-had gehad, dat ook toen de Logos mediator was geweest, niet
-reconciliationis maar <ins id="cor_29" title="uniomis">unionis</ins>, dat ook toen de H. Geest de auteur
-van alle deugd en kracht was enz. De ware gedachte lag erin,
-dat de wil van God geen willekeur is, die beurtelings deze en
-dan die idee van den mensch zich vormt; dat de conceptie van
-den mensch, de natuur van het beeld Gods, en dus ook de
-religio ééne moet zijn. En daaruit volgde dan eindelijk, dat de
-openbaring niet absoluut maar relatief, niet quoad substantiam
-maar quoad modum noodzakelijk was. De religio is ééne voor
-en na den val; dat ze echter christiana is, dat is noodzakelijk
-geworden door de zonde. De religio christiana is middel, geen
-doel; Christus is middelaar, maar het einde is ὁ θεος τα παντα
-ἐν πασιν, 1 Cor. 15:28.</p>
-
-<p>Daarmede is nu verder gegeven, dat de openbaring niet absoluut
-kan staan tegenover de natuur. Bij Rome is er quantitatieve
-tegenstelling; de religio naturalis is essentieel verschillend van
-de religio supernaturalis; beide staan naast elkaar; het zijn twee
-geheel verschillende concepties, twee gansch onderscheiden systemen
-en ordeningen; de ordo gratiae heft zich hoog op boven
-de orde naturae. Maar de Reformatie heeft die quantitatieve
-tegenstelling in eene qualitatieve omgezet. De openbaring staat
-niet <ins id="cor_30" title="tegenver">tegenover</ins> de natuur, maar tegenover de zonde. Dat is de
-macht, die de openbaring zoekt te breken, maar de natuur herstelt
-zij en voltooit zij. De schepping zelve is reeds openbaring.
-Openbaring was er voor den val. Openbaring is er ook nu
-nog in alle werken van Gods handen in natuur en geschiedenis.
-Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit de schepselen
-verstaan en doorzien. Analogieën van profetie en wonder zijn er
-ook buiten de revelatio specialis. De inspiratie der helden en
-kunstenaars, de wondere krachten, die soms aan ’t licht treden,
-kunnen tot opheldering en bevestiging dienen van de openbaringsfeiten,
-in de Schrift vermeld. Zelfs de mantiek en magie in de
-heidensche godsdiensten zijn verschijnselen, die als caricatuur
-nog gelijkenis toonen met het oorspronkelijk beeld in de openbaring.
-<span class="pagenum" id="Page_279">[279]</span>
-Ja, deze grijpt zelve als het ware in de natuur terug,
-sluit zich daarbij aan en bereidt zich daarin voor. De gratia
-communis wijst naar de gratia specialis heen, en deze neemt
-gene in dienst. Natura commendat gratiam, gratia emendat naturam.
-Even creation itself is built up on redemption lines, Orr,
-The christian view of God and the world, p. 323. Zie verder
-mijne rede over De algemeene Genade, Kampen 1894.</p>
-
-<h4>D. De bijzondere openbaring en het
-Naturalisme.</h4>
-
-<p>9. De principieele bestrijding van de openbaring nam eerst
-een aanvang in de nieuwere philosophie. Spinoza behoudt het
-woord openbaring nog wel en acht ze zelfs noodzakelijk, Tract.
-theol.-polit. cap. 15, 27, maar hij verstaat daaronder niets
-anders, dan dat de eenvoudigen de ware religie, het woord Gods,
-niet door het licht der rede kunnen vinden, maar op gezag
-moeten aannemen, ib. cap. 15, 44. cap. 4, 22-37. Overigens
-erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijken zin; alle decreta
-Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identisch,
-ib. cap. 4, 37; 3, 8; 6, 9, etc.; profetie en wonder werden aan
-eene scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard,
-ib. cap. 1-6. Deze kritiek werd door het deïsme en
-rationalisme voortgezet. Maar het rationalisme kan in verschillende
-vormen optreden en wisselt telkens van beteekenis, cf. Kant,
-Religion innerhalb usw. ed. Rosenkranz S. 185. Wegscheider,
-Instit. Theol. §&nbsp;7 d. §&nbsp;11-12. Bretschneider, Syst. Entw. aller
-in der Dogm. vork. Begriffe, §&nbsp;34. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm.
-S. 141 f. In de eerste plaats wordt met rationalisme die richting
-aangeduid, welke wel eene bovennatuurlijke openbaring aanneemt,
-maar de beslissing over de echtheid en den zin dier
-openbaring opdraagt aan de rede; daartoe behoorden vele Cartesiaansche
-theologen, zooals Roell, Wolzogen, G. W. Duker, en
-ook Leibniz, Wolff e. a. Vervolgens is rationalisme de naam voor
-die meening, welke nog wel een bovennatuurlijke openbaring
-mogelijk acht, maar alleen van zulke waarheden, welke de rede
-vroeger of later toch ook zou hebben kunnen vinden. De openbaring
-is dan slechts tijdelijk en toevallig van noode; ze dient
-slechts als voorbereiding en opvoeding voor de algemeene heerschappij
-<span class="pagenum" id="Page_280">[280]</span>
-der Vernunftreligion; ze geeft slechts spoediger en gemakkelijker,
-wat de rede anders bij langer en moeilijker weg zou
-hebben bereikt. Zoodanig is het begrip der openbaring bij Lessing,
-Erziehung des Menschengeschlechts 1780, Fichte, Versuch einer
-Kritik aller Offenbarung 1792, en Kant, Religion usw. 1793.
-In de derde plaats staat als rationalisme die theologie bekend,
-welke alle bovennatuurlijke openbaring ontkent, maar toch wel
-aanneemt dat God door bijzondere schikkingen zijner Voorzienigheid
-personen heeft toegerust en wegen heeft gebaand, die de
-menschheid brengen kunnen tot eene betere en zuiverder kennis
-der religieuse waarheid. Van dezen is Wegscheider de voornaamste
-representant, Instit. theol. I §&nbsp;12 p. 58, en voorts Röhr,
-Henke, Gabler, Paulus, Gesenius, enz. En eindelijk wordt de
-naam van rationalisme nog gegeven aan die richting, welke sedert
-het midden der 17<sup>e</sup> eeuw naturalisme, in Engeland deisme heette
-en ook atheisme, materialisme werd genoemd, en die alle openbaring
-ontkennend, de religio naturalis voor volkomen voldoende
-hield. Daartoe behooren Spinoza, Lud. Meyer, Voltaire, Rousseau,
-Reimarus, Nicolai, enz.</p>
-
-<p>De argumenten, door dit rationalisme tegen de openbaring
-ingebracht, komen hierop neer: Openbaring is allereerst onmogelijk
-van de zijde Gods, want zij zou meebrengen, dat God
-veranderlijk was, dat zijne schepping onvolmaakt en gebrekkig
-was en daarom verbetering behoefde; en dat Hij zelf, anders een
-Deus otiosus, dan alleen werkte, wanneer Hij werkt op buitengewone
-wijze. Voorts is openbaring ook onmogelijk van de zijde
-der wereld, wijl de wetenschap hoe langer hoe meer tot de ontdekking
-is gekomen, dat deze altijd en overal door een onverbrekelijk
-systeem van wetten wordt beheerscht, hetwelk voor een
-bovennatuurlijk ingrijpen Gods geen ruimte laat; de wetenschap
-gaat van dit causaal verband der dingen uit en kan ook niet
-anders; het supranaturalisme maakt de wetenschap onmogelijk,
-stelt willekeur in plaats van regel; naarmate de wetenschap dan
-ook is voortgeschreden, hebben alle verschijnselen hun supranatureel
-karakter verloren; er bestaat zelfs geen recht, om tegen
-alle ervaring in een verschijnsel voor supranatureel te houden;
-le surnaturel serait le surdivin. Vervolgens is openbaring, ook
-al ware zij geschied, toch voor den ontvanger zelven en nog
-meer voor degenen, die na hem leven, onherkenbaar en onbewijsbaar:
-<span class="pagenum" id="Page_281">[281]</span>
-hoe is het ooit uit te maken dat eene profetie of een
-wonder van God, en niet b.v. van den duivel, herkomstig is?
-Waaraan is eene openbaring kenbaar voor hem, die ze ontvangt
-en voor hen, die later leven? Zulke criteria zijn er niet aan te
-geven. Zij, die eene openbaring aannemen, gelooven dus alleen
-op menschelijk gezag, en hangen in de hoogste en gewichtigste
-zaken van menschen af. Que d’hommes entre Dieu et moi! En
-eindelijk, openbaring strijdt met de menschelijke rede; want wat
-men ook zeggen moge, alle openbaring, die supra rationem is,
-is daardoor ook contra rationem, zij onderdrukt dus de rede en
-leidt tot dweeperij; maar bovendien, indien de openbaring iets
-meedeelt dat supra rationem is, dan kan ze ook nooit worden
-opgenomen en geassimileerd en blijft ze steeds als een onbegrepen
-mysterie buiten ons bewustzijn staan; en indien ze iets meedeelt,
-wat de rede zelve had kunnen vinden, dan is ze onnoodig, geeft
-hoogstens slechts eerder en lichter wat anders toch verkregen
-zou zijn, en berooft de rede onnoodig van haar kracht en energie.
-Cf. Wegscheider, Instit. theol. §&nbsp;10-12. Bretschneider, Handbuch
-der Dogm. 4<sup>e</sup> Aufl. I 188-329. Nitzsch, Lehrb. der ev.
-Dogm. 141 f. 165.</p>
-
-<p class="sep2">10. De openbaring, welke in de H. Schrift is neergelegd, is
-een lastig feit voor elk die haar ontkent. Want ook wie hare
-mogelijkheid en werkelijkheid bestrijdt, moet toch streven naar
-eene verklaring van haar historisch ontstaan. Uit bedrog is zij
-niet voortgekomen, evenmin als de religie. Het geloof aan openbaring
-is niet iets willekeurigs of toevalligs, dat slechts onder
-bijzondere omstandigheden hier of daar voorkomt, maar is wezenlijk
-eigen aan alle religie. Zoo eenvoudig, als het rationalisme
-het zich soms voorstelde, is de kwestie van de openbaring niet.
-Dit blijkt al dadelijk daaruit, dat alle pogingen, van naturalistische
-zijde aangewend, om de bijbelsche wonderverhalen op
-natuurlijke wijze te verklaren, tot dusver schipbreuk hebben geleden.
-Als de openbaring, in al hare vormen, van theophanie,
-profetie en wonder, niet werkelijk bovennatuurlijk is maar slechts
-in dien zin van God herkomstig is, als alle werkzaamheid des
-menschen in Hem haar laatste oorzaak heeft; dan is men genoodzaakt,
-om of tot de zoogenaamde materieele of tot de formeele
-interpretatie der wonderverhalen de toevlucht te nemen.
-<span class="pagenum" id="Page_282">[282]</span>
-Dat is, men kan eenerzijds de feiten tot op zekere hoogte onaangetast
-laten en voor waarheid aannemen; men zoekt deze feiten
-dan te verklaren uit de onkunde des volks aangaande de natuurlijke
-oorzaken en uit de religieuse behoefte om alles direct aan God
-toe te schrijven, Spinoza, Tract. theol. pol. cap. 1 en 6. Hase, Dogm.
-§&nbsp;19. Leben Jesu §&nbsp;15. Strauss, Glaub. I 280. Scholten, Supranat.
-in verband met Bijbel, Christ. en Prot. 1867, bl. 8 v.; of men
-verklaart ze physisch uit onbekende natuurkrachten, Kant, Religion
-ed. Rosenkranz 101. Morus, Epitome Theol. Christ. p. 23.
-Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 324 f.; of psychologisch uit
-eene bijzondere virtuositeit, om het toekomstige vooruit te gevoelen,
-Bretschneider, Dogm. I S. 300. Hase, Dogm. §&nbsp;137, en
-om kranken zonder middelen te genezen, Weisse, Philos. Dogm.
-I S. 115. Ammon, Gesch. des Lebens Jesu 248; of teleologisch
-uit zoodanige schikking en ordening der in de natuur liggende,
-physische en psychische, krachten, dat zij een ongewoon resultaat
-teweegbrengen en tot erkenning van Gods voorzienigheid en
-tot geloof aan den prediker aansporen, Wegscheider, Inst. Theol.
-§&nbsp;48. Bretschneider, Dogm. I 314. Of men kan andererzijds
-oplossing zoeken in de formeele of genetische verklaring, d. i. in
-eene bijzondere opvatting van de berichten aangaande de openbaring;
-men roept dan te hulp de Oostersche voorstelling en
-inkleeding, en de accommodatie van Jezus en de apostelen naar de
-volksvoorstellingen, cf. Bretschneider, Syst. Entw. aller in der
-Dogm. vork. Begriffe, 4<sup>e</sup> Aufl. S. 135 f. Herzog<sup>2</sup> art. Accomodation;
-of men zoekt raad bij de allegorische, Woolston, Discourses
-on the miracles of our Saviour 1727; of bij de natuurlijke, Paulus
-van Heidelberg, Philol.-krit. u. histor. Commentar über das N. T.
-1800-1804. Leben Jesu 1828. Exeg. Handbuch über die 3 ersten
-Evang. 1830-33; of bij de mythische, Eichhorn, Gabler, G. L.
-Bauer, Strauss, Leben Jesu 1835; of bij de symbolische verklaring,
-A. D. Loman, Gids Febr. 1884. Cf. Wegscheider, Instit.
-Theol. S. 214. Bretschneider, System. Entw. S. 248 f. Denzinger,
-Vier Bücher von der relig. Erkenntniss II 156 f. 335 f. 405 f.</p>
-
-<p>Maar al deze verklaringen hebben weinig succes gehad. De
-Schrift is nu eenmaal niet naturalistisch of rationalistisch te
-duiden. De openbaringsfeiten zelve, welke de Schrift ons meedeelt,
-staan aan al dergelijke pogingen in den weg. Want wel is waar,
-dat de openbaring in de Schrift, in vorm velerlei overeenkomst
-<span class="pagenum" id="Page_283">[283]</span>
-heeft, met die, waarop andere godsdiensten zich beroepen; toch
-staat zij er in beginsel tegenover, zij maakt tusschen deze en
-zichzelve een beslist onderscheid; zij schrijft welbewust en volkomen
-verzekerd haar oorsprong alleen toe aan eene buitengewone
-werking Gods. De Schrift verbiedt alle waarzeggerij en
-tooverij, Num. 19:16, 31, 20:6, 27; Deut. 18:10 v.; Jes.
-8:9; Jer. 27:9; Hd. 8:9 v., 13:8 v., 19:13; Apoc. 21:8,
-22:15. Profeten en apostelen willen daarmede niets te maken
-hebben. Zij staan er lijnrecht tegenover en volgen geen kunstig
-verdichte fabelen, 2 Petr. 1:16. De profetie is voortijds niet
-voortgebracht door den wil eens menschen, maar de H. Geest
-heeft de profeten gedreven, 2 Petr. 1:21; 1 Cor. 2:11, 12.
-Het wonder is een σημειον van de tegenwoordigheid Gods. De
-klare zelfbewustheid, die wij allerwege bij de profeten aantreffen,
-en de volkomen heldere zelfgetuigenis, die de openbaring overal
-in de Schrift vergezelt, bieden een onoverkomelijk struikelblok
-voor de naturalistische verklaring. Ook de psychologische methode
-Strauss, Glaub. I 77. Kuenen, De profeten I 106 v., kan aan
-deze zelfbewustheid en zelfgetuigenis van profeten en apostelen,
-ja van Christus zelven, geen recht laten wedervaren. Dankbaar
-mag erkend worden, dat de moderne opvatting van de openbaring
-er geen oogenblik meer aan denkt, om de profeten en apostelen
-voor opzettelijke bedriegers te houden. Maar zij kan toch niet
-ontkomen aan de conclusie, dat al deze mannen arme bedrogenen
-en ter goeder trouw dwalenden waren, wijl zij zich beriepen op
-eene vermeende openbaring en optraden met eene ingebeelde goddelijke
-autoriteit. De kwestie staat immers niet zoo, alsof de
-openbaring alleen zekere feiten bevat, wier interpretatie zij aan
-ons inzicht overlaat. Maar zij werpt zelve op die feiten een eigenaardig
-licht; zij heeft, om zoo te zeggen, over die feiten eene
-eigene beschouwing en eene eigene theorie. In de openbaring
-der Schrift gaan woord en feit, profetie en wonder altijd hand
-aan hand. Beide zijn noodig, opdat zoowel het bewustzijn als
-het zijn worde herschapen en heel de kosmos van de zonde
-worde verlost. The light needs the reality and the reality needs
-the light, to produce — — — the beautiful creation of His
-grace. To apply the kantian phraseology to a higher subject,
-without God’s acts the words would be empty, without His words
-the acts would be blind, Dr. Vos, The idea of biblical theology
-<span class="pagenum" id="Page_284">[284]</span>
-as a science and as a theol. discipline, New-York, Randolph
-and Co. 1894 p. 15. Zie ook Kuyper, Uit het Woord I 1873
-bl. 69-160. Beide, woord en feit, zijn in de openbaring zoo
-innig saamgeweven, dat het eene niet aangenomen of verworpen
-kan worden zonder het ander. Elke poging, om de openbaringsfeiten
-naturalistisch te verklaren, is tot dusver dan ook altijd
-geëindigd met de erkenning, dat er tusschen de supranatureele
-wereldbeschouwing der Schrift en die der naturalisten eene diepe
-klove gaapt en verzoening onmogelijk is. De Hoogleeraar Scholten
-leverde hiervan een treffend voorbeeld. Eerst nam hij de uitspraken
-van den johanneïschen Jezus nog als waarheid aan. Toen
-trachtte hij die uitspraken te verklaren naar zijne gewijzigde
-inzichten, en de exegese dienstbaar te maken aan zijne heterodoxe
-dogmatiek. En eindelijk in 1864 erkende hij open, dat de wereldbeschouwing
-van den vierden evangelist eene andere dan de zijne
-was. Het Evangelie naar Johannes 1864 bl. III-VI. Elke negatieve
-richting erkent ten slotte, dat de openbaring der Schrift in de
-orthodoxie nog het zuiverst opgevat en weergegeven wordt. Het
-radikalisme laat de Schrift voor wat ze is en heeft met de openbaring
-afgedaan. Daarmede is de vraag tot haar diepste beginsel
-herleid. De al of niet erkenning van de openbaring wordt beslist
-door onze geheele levens- en wereldbeschouwing. Niet de historische
-kritiek maar de zelfkritiek, niet de wetenschap maar het
-geloof, niet het hoofd maar het hart geeft hierbij den doorslag.
-Uit het hart komt ook voort het onverstand, Mk. 2:22. Ons
-denken wortelt in ons zijn. Operari sequitur esse (Schopenhauer).
-Was für eine Philosophie man wähle, hängt davon ab, was für
-ein Mensch man ist. Unser Denksystem ist oft nur die Geschichte
-unseres Herzens (Fichte). Dat de al of niet erkenning van de
-openbaring ter laatster instantie eene vraag is des geloofs, wordt
-voldoende daardoor bewezen, dat geen van beide, noch de supranatureele
-noch de naturalistische opvatting in staat is, om alle
-moeilijkheden uit den weg te ruimen of alle bezwaren op te
-lossen. De naturalistische beschouwing schijnt sterk te zijn, als
-ze enkele wonderverhalen op zich zelf neemt en isoleert van het
-geheel; maar dat geheel zelf, het systeem der openbaring en
-daarin weder de persoon van Christus blijven voor haar een
-onoplosbaar raadsel en een steen des aanstoots. Omgekeerd is
-het der supranatureele beschouwing nog niet gelukt, om alle
-<span class="pagenum" id="Page_285">[285]</span>
-bijzondere feiten en woorden der openbaring in te voegen in de
-orde van het geheel. Maar hier is toch de overeenstemming met
-de openbaring in haar geheel, het inzicht in haar systeem, de
-conceptie van hare machtige harmonie. Ware nu de erkenning
-van de openbaring eene wijsgeerige stelling, zij zou betrekkelijk
-van weinig gewicht zijn. Maar er is een diep religieus belang
-mede gemoeid. De religie zelve hangt met de openbaring saam.
-Wie deze prijsgeeft, verliest ook de religie, die op haar is gebouwd.
-De openbaring der Schrift en de religie der Schrift staan
-en vallen met elkaar.</p>
-
-<p class="sep2">11. De wereldbeschouwing, welke tegenover die der Schrift
-staat en principieel alle openbaring bestrijden moet, kan het best
-met den naam van monisme worden aangeduid. Het monisme,
-zoowel in zijn pantheistischen als in zijn materialistischen vorm,
-streeft er naar, om alle krachten, stoffen en wetten, die er in de
-natuur zijn op te merken, tot ééne enkele kracht, stof en wet te
-herleiden. Het materialisme neemt alleen qualitatief gelijke atomen
-aan, die overal en altijd naar dezelfde mechanische wetten werken
-en door verbinding en scheiding alle dingen en verschijnselen
-doen worden en vergaan. Het pantheisme erkent evenzoo niets
-dan ééne enkele substantie, die in alle schepselen dezelfde is en
-overal naar dezelfde logische wetten zich wijzigt en vervormt.
-Beide worden bezield door eenzelfden drang, door den drang en
-de zucht naar eenheid, die eigen is aan den menschelijken geest.
-Maar terwijl het materialisme de eenheid van stof en wet, welke
-in de physische wereld heerscht, zoekt terug te vinden in alle
-andere, historische, psychische, religieuse, ethische, enz. verschijnselen
-en alzoo alle wetenschappen tracht te maken tot natuurwetenschap;
-beproeft het pantheisme, om alle verschijnselen, ook
-de physische, uit den geest te verklaren en alle wetenschappen
-om te zetten in geesteswetenschap. Beide zijn naturalisme, inzoover
-zij misschien nog voor het bovenzinlijke maar in elk geval niet
-voor het bovennatuurlijke eene plaats inruimen, en voor wetenschap
-en kunst, voor religie en moraal aan dezen kosmos, aan
-het diesseits genoeg hebben, Strauss, Der alte u. der neue Glaube,
-2<sup>e</sup> Aufl. I 211 f. E. Haeckel, Der Monismus als Band zwischen
-Religion und Wissenschaft, 6<sup>e</sup> Aufl. Bonn 1893. Konrad Dieterich,
-Philosophie u. Naturwissenschaft, ihr neuestes Bündniss und die
-<span class="pagenum" id="Page_286">[286]</span>
-monistische Weltanschauung, 2<sup>tes</sup> Ausg. Freiburg 1885. Dr. M.
-L. Stern, Philosophischer und naturwissenschaftlicher Monismus.
-T. Pesch, Die grossen Welträthsel, 2<sup>e</sup> Aufl. Herder, Freiburg II
-8 f. Stöckl, Lehrbuch der Philos. II 1887 S. 117 f. Schanz,
-Apologie des Christ. I 1887 S. 249 f. De wereldbeschouwing der
-Schrift en van heel de christelijke theologie is eene gansch andere.
-Zij is niet monisme maar theisme, niet naturalistisch maar supranatureel.
-Volgens deze theistische wereldbeschouwing is er eene
-veelheid van substanties, van krachten en stoffen en wetten. Zij
-tracht er niet naar, om de onderscheidingen van God en wereld,
-geest en stof, psychische en physische, ethische en religieuse enz.
-verschijnselen uittewisschen, maar om de harmonie te ontdekken,
-die alle dingen saam houdt en verbindt, en die uitvloeisel is van
-de scheppende gedachte Gods. Niet eenerleiheid of eenvormigheid,
-maar eenheid in de verscheidenheid is het doel van haar
-streven. In weerwil van alle pretensies van het monisme heeft
-deze theistische wereldbeschouwing recht en reden van bestaan.
-Immers, het is aan het monisme niet gelukt, om alle krachten
-en stoffen en wetten tot ééne enkele te herleiden. Het materialisme
-stuit op de psychische verschijnselen (Du Bois Reymond,
-Die sieben Welträthsel), en het pantheisme kan den overgang
-niet vinden van het denken tot het zijn en weet met de veelheid
-geen raad. Het zijn zelf is een mysterie, een wonder. Dat er iets
-is, en vanwaar het is, dwingt den denkenden geest verwondering
-af, en deze is daarom terecht de aanvang der philosophie genoemd.
-En hoe meer dat zijn wordt ingedacht, des te meer neemt de
-verwondering toe, want binnen den kring van het zijn, van den
-kosmos zien wij verschillende krachten optreden, in de mechanische,
-vegetatieve, animale, psychische wereld, en voorts in de
-religieuse en ethische, aesthetische en logische verschijnselen. De
-schepping toont ons eene opklimmende orde. De wetten van de
-onderhouding der kracht, van de causaliteit en van de continuiteit
-(natura non facit saltus) worden wel ten dienste van het
-monisme geïnterpreteerd en misbruikt. Maar desniettemin treden
-er telkens in de natuur krachten op, die uit de lagere niet zijn
-te verklaren. Reeds in de mechanische natuur heerscht de causaliteit
-slechts in hypothetischen zin. Gelijke oorzaken hebben
-gelijke werkingen, maar alleen onder gelijke omstandigheden. In
-het organische treedt eene kracht op, die niet uit het anorganische
-<span class="pagenum" id="Page_287">[287]</span>
-herkomstig is. Schon das Thier ist ein Wunder gegen die vegetabilische
-Natur und noch mehr der Geist gegen das Leben, gegen
-die bloss empfindende Natur, Hegel, Philos. der Rel., Werke XII
-256. In het verstand, in den wil, in religie, moraal, kunst,
-wetenschap, recht, geschiedenis zijn er krachten werkzaam, die
-van de mechanische wezenlijk verschillen. De poging, om al deze
-verschijnselen mechanisch te verklaren, is tot dusver ijdel gebleken.
-De geestelijke wetenschappen hebben tot nog toe hare zelfstandige
-plaats behouden. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften
-I 1883 S. 5 f. Drummond, Das Naturgesetz in der
-Geisteswelt, Aus dem Engl. Leipzig 1886 S. 18 f. Schoon ongaarne,
-moet Prof. Land, Inleiding tot de Wijsb. 328 toch erkennen, dat
-de wetenschap vooralsnog genoodzaakt is, dualistisch en zelfs
-pluralistisch te blijven.</p>
-
-<p>Elk van die krachten werkt naar haar eigen aard, naar haar
-eigen wet en op haar eigen wijze. De krachten verschillen en
-daarom ook hare werkingen en de wijze, waarop zij werken. De
-idee van natuurwet is eerst langzamerhand opgekomen. Vroeger
-verstond men onder lex naturae een ethischen regel, die van
-nature bekend was. Later is deze term in zeer oneigenlijken zin
-op de natuur overgedragen, want niemand heeft die wetten aan
-de natuur voorgeschreven en niemand is bij machte om ze te
-gehoorzamen of te overtreden. Vandaar, dat er over begrip en
-beteekenis der natuurwetten nog altijd groot verschil heerscht.
-Im 17<sup>ten</sup> Jahrhundert giebt Gott die Naturgesetze, in 18<sup>ten</sup> thut
-es die Natur selbst, und im 19<sup>ten</sup> besorgen es die einzelnen
-Naturforscher (Wundt). Maar zooveel staat vast, dat de zoogenaamde
-natuurwetten zelve geene kracht zijn, die heerschappij
-voert over de verschijnselen, maar niets dan eene, dikwerf zeer
-gebrekkige en altijd feilbare beschrijving van de wijze, waarop
-de in de natuur liggende krachten werken. Eene natuurwet zegt
-alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op
-dezelfde wijze werken, Ed. Zeller, Vorträge, III<sup>e</sup> Sammlung S.
-194 f. Wundt, Philos. Studien III 195 f. IV 12 f. Hellwald,
-Culturgeschichte, 3<sup>e</sup> Aufl. I 32. Hartmann, Philos. des Unbewussten,
-9<sup>e</sup> Aufl. II 96. Lotze, Mikrokosmos, 4<sup>e</sup> Aufl. I 31 f. II
-50 f. III 13 f. Art. Naturgesetz in Herzog<sup>2</sup>. De regelmatigheid
-der verschijnselen berust dus ten slotte op de onveranderlijkheid
-van de verschillende krachten, die in de natuur werken en van
-<span class="pagenum" id="Page_288">[288]</span>
-de laatste elementen of substanties, waaruit zij samengesteld is.
-De wetten verschillen, naarmate die elementen en krachten onderscheiden
-zijn. De mechanische wetten zijn andere dan de physische;
-de logische wederom andere dan de ethische en aesthetische. In
-physischen zin maakt geven armer, in ethischen zin maakt het
-rijker. De wetten der natuur, d. i. van den ganschen kosmos, van
-alle creatuur zijn daarom ook geen cordon om de dingen, zoodat
-er niets indringen of uitkomen kan, maar slechts eene formule
-voor de wijze, waarop naar onze waarneming iedere kracht werkt
-naar haar aard. Al deze elementen en krachten met de hun
-inwonende wetten worden naar de theistische wereldbeschouwing
-van oogenblik tot oogenblik in stand gehouden door God, die de
-laatste en hoogste, intelligente en vrije causaliteit van alle dingen
-is. Zij hebben als creatuur geen bestand in zichzelve. Het is
-Gods alomtegenwoordige en eeuwige kracht, die alles onderhoudt
-en regeert. In Hem, in zijne gedachte en in zijn bestuur, ligt de
-eenheid, de harmonie, die alle dingen in de rijkste verscheidenheid
-saamhoudt en verbindt en ze henenleidt tot één doel. Daardoor
-is er unitas, mensura, ordo, numerus, modus, gradus, species
-in de schepselen, gelijk Augustinus telkens zegt. Aliis dedit esse
-amplius, aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus
-ordinavit, August. de civ. 12, 2. God is in alles present. In Hem
-leven en bewegen zich en zijn alle dingen. Natuur en geschiedenis
-zijn zijn werk. Hij werkt altijd, Joh. 5:17. Alles openbaart ons
-God. Zijn vinger moge in de eene gebeurtenis voor ons duidelijker
-zijn op te merken dan in de andere; de reine van hart ziet
-God in al zijne werken. Wonderen zijn dus volstrekt niet noodig,
-om ons God te doen kennen als onderhouder en regeerder van
-het heelal. Alles is zijn daad. Niets geschiedt er zonder zijn wil.
-Hij is met zijn wezen in alle dingen tegenwoordig. En daarom
-is alles ook eene openbaring, een woord, een werk Gods.</p>
-
-<p class="sep2">12. Met zulk eene wereldbeschouwing is eene bovennatuurlijke
-openbaring volstrekt niet in strijd. De natuur bestaat hier toch
-geen enkel oogenblik onafhankelijk van God, maar leeft en beweegt
-zich in hem. Alle kracht, die erin optreedt, is van Hem
-afkomstig en werkt naar de wet, die Hij erin gelegd heeft. God
-staat niet buiten de natuur en is niet door eene omheining van
-wetten van haar afgesloten, maar is in haar tegenwoordig en
-<span class="pagenum" id="Page_289">[289]</span>
-draagt haar door het woord zijner kracht. Hij werkt van binnen
-uit, en kan nieuwe krachten doen optreden, die van de bestaande
-in aard en werking onderscheiden zijn. En deze hoogere krachten
-doen de lagere niet te niet, maar nemen toch naast en tegenover
-haar eene eigene plaats in. De menschelijke geest tracht
-ieder oogenblik de lagere natuurkrachten in haar werking tegen
-te gaan en over haar te heerschen. Heel de cultuur is eene
-macht, waardoor de mensch heerscht over de natuur. Kunst
-en wetenschap zijn een triumf van den geest over de stof. Evenzoo
-treedt er in de openbaring, in profetie en wonder, eene nieuwe
-goddelijke kracht op, die wel in den kosmos eene eigene plaats
-inneemt maar met de lagere krachten in hare wetten volstrekt
-niet strijdt. Van eene zoogenaamde opheffing der natuurwetten
-door de wonderen is geen sprake. Eene Durchlöcherung der natuur
-is er niet. Thomas zei reeds: quando Deus agit aliquid contra
-cursum naturae, non tollitur totus ordo universi, sed cursus qui
-est unius rei ad aliam, de pot. qu. 6 art. 1, bij Müller, Natur
-und Wunder 133. Ja zelfs de ordo causae ad suum effectum
-wordt niet te niet gedaan; ofschoon het vuur in den oven de
-drie jongelingen niet verbrandt, in dat vuur bleef toch de ordo
-ad comburendum. Er wordt door het wonder geen verandering
-aangebracht in de krachten, die in de natuur liggen, noch in
-de wetten, waarnaar zij werken. Het eenige, wat er in het wonder
-geschiedt, is, dat de werking der in de natuur aanwezige krachten
-op een bepaald punt wordt geschorst, doordat er eene andere
-kracht intreedt, die werkt naar eene eigene wet en eene eigene
-werking voortbrengt. De wetenschap heeft daarom van het supranatureele
-niets te vreezen. Maar iedere wetenschap blijve op haar
-terrein en matige zich niet het recht aan, om aan de andere de
-wet te stellen. Het is het recht en de plicht der natuurwetenschap,
-om binnen haar gebied te zoeken naar de natuurlijke oorzaken
-der verschijnselen. Maar zij heersche niet over de philosophie,
-als deze onderzoek doet naar den oorsprong en de bestemming
-der dingen. Zij erkenne ook het recht en de zelfstandigheid van
-religie en theologie, en ondermijne den grondslag niet, waarop
-deze rusten. Want hier komen religieuse motieven voor het geloof
-aan eene openbaring aan het woord, waarover de natuurwetenschap
-als zoodanig niet oordeelen kan. Ook bij de verschillende
-wetenschappen ligt het doel niet in de eenerleiheid maar in de
-<span class="pagenum" id="Page_290">[290]</span>
-harmonie. De theologie eere de natuurwetenschap, maar make
-zelve op gelijke behandeling aanspraak. Elke wetenschap blijve
-op haar eigen terrein. De uitwissching der grenzen heeft reeds
-al te veel verwarring gesticht. Daaruit is ook de bewering van
-Hume, Voltaire, Renan voortgekomen, dat er nog nooit een
-wonder voldoende is geconstateerd, en dat de constante ervaring
-niet door enkele getuigenissen omvergestooten kan worden. Renan,
-Vie de Jésus, p. LI zegt: nous ne disons pas, le miracle est
-impossible, nous disons, il n’ y a pas eu jusqu’ici de miracle
-constaté, en weigert aan een wonder te gelooven, zoolang niet
-eene commissie van allerlei wetenschappelijke mannen, physiologen,
-chemici enz. een zoodanig feit hebbe onderzocht en na herhaalde
-proefneming als een wonder hebbe geconstateerd. Bij zulk eene
-voorwaarde is het wonder apriori geoordeeld: want bij de wonderen
-der Schrift wordt de gelegenheid tot zulk een experiment
-noch aan Renan noch aan iemand onzer geschonken. De wonderen
-behooren nu eenmaal tot de historie; en in de historie geldt eene
-andere methode dan in de natuurkunde. Hier is het experiment
-op zijne plaats. Maar in de historie moeten wij het met getuigenissen
-doen. Indien echter op historisch gebied de methode van
-het experiment moet ingevoerd en toegepast worden, is er geen
-enkel feit, dat de proef kan doorstaan. Dan is het met alle
-historie gedaan. Daarom blijve iedere wetenschap op haar eigen
-terrein en onderzoeke daar naar haar eigen aard. Met het oor
-kan men niet zien, met de el niet wegen, en met het experiment
-kan men de openbaring niet beproeven, Vigouroux, Les livres
-saints et la critique rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. 1890 I 73. II 294.</p>
-
-<p>Voorts wordt de natuur, de kosmos, nog veel te veel opgevat
-als eene machine, die kant en klaar is en nu door ééne kracht
-wordt gedreven en altijd naar ééne wet zich beweegt. Het deïsme
-had deze onbeholpen voorstelling, maar nog altijd wordt ze
-onbewust door velen gedeeld en doet ze bij de bestrijding der
-openbaring dienst. Maar de natuur, de kosmos, is geen stuk
-werk, dat klaar is en nu zekere zelfstandigheid bezit; maar zij
-is φυσις, natura in eigenlijken zin, zij wordt altijd, zij bevindt
-zich in eene voortdurende teleologische ontwikkeling, zij wordt
-in opeenvolgende perioden eene goddelijke bestemming te gemoet
-gevoerd. In zulk eene conceptie van de natuur zijn wederom de
-wonderen volkomen op haar plaats. Hellwald zegt op de laatste
-<span class="pagenum" id="Page_291">[291]</span>
-bladzijde zijner Kulturgeschichte, dat alle leven op aarde eens
-ondergaan zal in de eeuwige rust van den dood en eindigt dan
-met de troostlooze woorden: Dann wird die Erde, ihrer Atmosphäre
-und Lebewelt beraubt, in mondgleicher Verödung um die
-Sonne kreisen, wie zuvor, das <i>Menschengeschlecht</i> aber, seine
-Kultur, sein Ringen und Streben, seine Schöpfungen und Ideale
-sind <i>gewesen</i>. Wozu? Natuurlijk zou in een stelsel, dat met
-zulk eene onbeantwoorde vraag eindigt, openbaring en wonder
-niets zijn dan eene absurditeit. Maar de Schrift leert ons, dat
-de openbaring daartoe dient, om de schepping, die verdorven
-wierd door de zonde, te herscheppen tot een koninkrijk Gods.
-Hier neemt de openbaring eene volkomen geëvenredigde en teleologische
-plaats in in het wereldplan, dat God zich gevormd heeft
-en dat Hij in den loop der tijden realiseert. In dien zin zeide
-reeds Augustinus, portentum fit non contra naturam sed contra
-quam est nota natura, de civ. 21,8. c. Faustum 29,2. 26,3. De
-uitdrukking is menigmaal in verkeerden zin geïnterpreteerd ten
-behoeve van eene theologie, die de wonderen trachtte te begrijpen
-als werking van eene kracht, die van nature in den mensch of
-in de natuur aanwezig is of ook door de wedergeboorte of het
-geloof in hem hersteld wordt. Deze eigenaardige opvatting komt
-reeds bij Philo en het Neoplatonisme voor, heeft dan telkens
-bij verschillende christelijke theologen weerklank gevonden, bij
-Scotus Erigena, Paracelsus, Cornelius Agrippa, Böhme, Oetinger,
-cf. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II. 182 f.
-361 f. en wordt nu en dan ook in de Vermittelungstheologie
-aangetroffen, Twesten, Vorles. I. 370 f. II. 171 f. Martensen,
-Dogm. §&nbsp;16 f. Schleiermacher, Glaub. §&nbsp;13,1 §&nbsp;129. Sack,
-Apologetik S. 137 f. Lange, Philos. Dogm. §&nbsp;64. Saussaye,
-mijne Theol. van Ch. d. l. S. 36 v. Gunning, Blikken in de
-openbaring II 37 v. Openbaring, inspiratie en wonder behoort
-dan tot den oorspronkelijken aanleg van de menschelijke natuur.
-Wel is die aanleg door de zonde verzwakt, maar hij komt toch
-nog voor den dag in de poëtische en heroische inspiratie, in het
-magnetisme en andere verwante verschijnselen. Langs ethischen
-weg, door vereeniging met God, door ascetische reiniging, door
-wedergeboorte enz. kan echter deze aanleg vernieuwd en versterkt
-worden. Alle geloovigen zijn dus eigenlijk geïnspireerd en
-kunnen wonderen doen. Si humana natura non peccaret eique,
-<span class="pagenum" id="Page_292">[292]</span>
-qui eam condiderat, immutabiliter adhaereret, profecto omnipotens
-esset, Erigena, de div. nat. 4,9. Wonderen zijn volgens
-Zimmer, Ueber den allgem. Verfall des menschl. Geschlechts
-III n. 90 f., Zeichen des über die Herrschaft der Natur erhobenen
-Menschen, in welchem die Herrlichkeit des ersten Menschenpaares
-vor seiner Sünde dargestellt wird. Als de ziel in liefde op
-God is gericht, zegt Böhme, so mag sie Wunder machen, was
-sie will. In verwanten zin liet C. Bonnet, Recherches philosophiques
-sur les preuves du christianisme, Geneve 1771, profetie en
-wonder van te voren in de natuur gepraeformeerd zijn en door
-werking der gewone natuurkrachten tot stand komen. Sommige
-theologen in de vorige eeuw spraken daarom van rationes seminales,
-primordiales en radicales der wonderen. Maar deze poging tot
-verklaring der wonderen kan niet worden geaccepteerd. Zij verwart
-het natuurlijke met het bovennatuurlijke, het supranatureele met
-het religieus-ethische en wischt de grenzen uit tusschen profetie
-en mantiek, wonder en magie, inspiratie en illuminatie. Zoo mag
-ook de bovengenoemde uitdrukking van Augustinus niet worden
-verklaard. Onder de natura nota verstaat hij de natuur in onzen
-zin. En met het oog hierop zegt hij zelfs, dat het wonder is
-contra naturam, evenals Thomas en Voetius dat later deden
-(boven <a href="#Page_275">bl. 275</a>). Maar datzelfde wonder is nu van den beginne af
-door God opgenomen in de natuur in ruimer zin, d. i. in de
-door God bepaalde bestemming der dingen, in het goddelijk
-wereldplan, F. Nitzsch, Augustinus’ Lehre vom Wunder, Berlin
-1865. Dezelfde gedachte werd later ook door Leibniz uitgesproken,
-Theodicée §&nbsp;54. 207. God heeft van den beginne aan de wonderen
-in zijn wereldplan opgenomen en brengt ze te zijner tijd tot
-stand; de wonderen zijn niet te verklaren par les natures des
-choses créées, maar des raisons d’un ordre supérieur à celui de
-la nature le portent à les faire. Volgens Leibniz liggen de wonderen
-dus niet keimartig, potentieel in de natuurkrachten opgesloten,
-gelijk Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 146 Leibniz verklaart,
-maar zijn constitueerende elementen in het wereldplan
-Gods. In zoover behooren de wonderen zeer zeker tot de natuur.
-Zij komen niet van buiten af in den bestaanden kosmos in,
-om dezen te verstoren, maar zij zijn in de wereldidee zelve opgenomen
-en dienen tot herstel en volmaking van de gevallen
-natuur. Ja, ook zonder de zonde zou er voor profetie en wonder
-<span class="pagenum" id="Page_293">[293]</span>
-in de wereld plaats zijn geweest. Het bovennatuurlijke is niet
-eerst door den val noodzakelijk geworden. Niet de openbaring
-en het wonder op zichzelf, alleen het soteriologisch karakter,
-dat beide thans dragen, is door de zonde veroorzaakt. In zoover
-is zelfs het wonder geen vreemd element, dat aan de gevallen
-schepping toegevoegd wordt. Openbaring en religie, profetie en
-wonder zijn op zichzelf geen dona superaddita. Zij zijn volkomen
-natuurlijk, in zoover als zij behooren tot de wereldidee Gods en
-tot het wereldplan, dat Hij in weerwil van allen tegenstand in
-den tijd tot uitvoering brengt.</p>
-
-<p>Desniettemin vormt de openbaring eene orde van zaken, die
-van de gewone ordo naturae onderscheiden is; een systeem van
-woorden en daden Gods, dat zelf door één beginsel wordt beheerscht
-en als een organisch geheel ons voor oogen treedt. De
-openbaring is geen einzelner Akt Gottes in der Zeit, geïsoleerd
-van heel de natuur, Strauss, Glaub. I 274, maar is eene wereld
-op zich zelve, van de natuur onderscheiden en toch op haar
-aangelegd, met haar verwant, voor haar bestemd. In dit systeem
-der openbaring, dat bij het paradijs begint en eerst in de parusie
-eindigt, is nog veel duister en onverklaard. Er kunnen hoofdlijnen
-getrokken worden. Beide in de historie der profetieën en
-der wonderen is er orde en gang te ontdekken. Ook de openbaring
-heeft hare eigene wetten en regelen. Het is de schoone
-taak der historia revelationis, om deze op te sporen, en het
-systeem te ontdekken, dat in haar geschiedenis verborgen ligt.
-Maar er zijn nog vele feiten, die in hunne eigenlijke beteekenis
-voor en samenhang met het geheel nog niet worden doorzien;
-nog vele woorden en daden, die onder geen regel te brengen
-zijn. Dit verwondere niet en mag allerminst als een grond voor
-het ongeloof worden geëxploiteerd. De philosophie der natuur en
-der geschiedenis is ook nog lang niet met haar arbeid gereed.
-Ook zij staat ieder oogenblik voor cruces, die zij niet te verklaren
-weet. Toch twijfelt daarom niemand aan de eenheid der
-natuur en aan het plan der geschiedenis. Met deze vergeleken,
-verkeert de openbaring zelfs in een gunstig geval. Haar hoofdlijnen
-staan vast. Zooals zij in het paradijs begint en in de
-parusie eindigt, vormt zij eene grootsche historie, die licht verspreidt
-over heel de natuur en geschiedenis en daarin naar Augustinus’
-woord het buitengewone door het gewone voor mateloosheid
-<span class="pagenum" id="Page_294">[294]</span>
-behoedt en het gewone door het buitengewone adelt, bij Müller,
-Natur und Wunder 180. Zonder haar wandelen wij in het duister,
-gaan wij de eeuwige rust van den dood te gemoet en hebben
-wij geen antwoord op de vraag, waartoe alles geweest is. Maar
-met haar bevinden wij ons in eene wereld, die trots alle zondige
-macht der herstelling en der volmaking te gemoet wordt gevoerd.
-Israel de voorbereiding, Christus het centrum, de kerk de uitwerking,
-de parusie de kroon — dat is het snoer, dat de openbaringsfeiten
-met elkander verbindt.</p>
-
-<p>Daarom is het geloof aan de bijzondere openbaring ten slotte
-eigenlijk één met het geloof aan eene andere en betere wereld
-dan deze. Indien deze wereld met de van nature haar inwonende
-krachten en wetten de eenige en de beste is, dan moeten wij
-het vanzelf ook met deze doen. Dan zijn de leges naturae gelijk
-aan de decreta Dei, dan is deze wereld de Zoon, de Logos,
-het eigenlijke beeld Gods, dan is in de ordo naturae, waarin
-wij leven, reeds de volle, adaequate openbaring van Gods wijsheid
-en macht, van zijne goedheid en heiligheid. Wat recht is er
-dan om te verwachten, dat het Dort toch eenmaal Hier worden
-zal, dat het ideaal in realiteit zal overgaan, dat het goede triumfeeren
-zal over het kwaad, en de Welt der Werthe eens heerschen
-zal over de Welt der Wirklichkeit? Evolutie brengt er
-ons niet. Nihil fit ex nihilo. Uit deze wereld wordt geen paradijs.
-Wat er niet in ligt, kan er niet uit voortkomen. Als er geen
-Jenseits is, geen God, die boven de natuur staat, geen ordo
-supernaturalis, dan is aan de zonde, aan de duisternis, aan den
-dood het laatste woord. De openbaring der Schrift doet ons eene
-andere wereld kennen van heiligheid en heerlijkheid, welke in
-deze gevallen wereld indaalt, niet als leer alleen maar ook als
-goddelijke δυναμις, als geschiedenis, als realiteit, als een harmonisch
-systeem van woorden en daden te zamen en die deze
-wereld opheft uit haar val en uit den status peccati door den
-status gratiae heen in den status gloriae henenleidt. De openbaring
-is het komen Gods tot de menschheid om eeuwiglijk bij
-haar te wonen. Litteratuur over de wonderen behalve de reeds
-genoemde: Köstlin, Jahrb. f. deutsche Wiss. 1864, 2<sup>tes</sup> Heft,
-S. 205-270 en art. Wunder in Herzog<sup>2</sup>. Nitzsch, Syst. der
-chr. Lehre §&nbsp;34. Twesten, Vorles I. 366 f. Martensen, Dogm.
-§&nbsp;16 f. Lange, Dogm. I 471 f. Rothe, Zur Dogm. 80 f. Gloatz,
-<span class="pagenum" id="Page_295">[295]</span>
-Ueber das Wunder, Stud. u. Kr. 1886, 3<sup>tes</sup> Heft. Dorner, Glaub.
-I 569 f. 583 f. Philippi, Kirchl. Glaub. I 25 f. Saussaye,
-mijne Theol. 36 v. Oosterzee, Dogm. I 205 v. Kuyper, Uit
-het Woord II 69 v. III 114 v. Encycl. II 369 v. 446 v.
-Müller, Natur und Wunder, Strassburg, Herder 1892 en de
-daar S. XV f. aangeh. litt., Gondal, Le miracle, Paris, Roger
-et Chernoviz 1894.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;11. <span class="smcap">De Heilige Schrift.</span></h3>
-
-<h4>A. Openbaring en Schrift.</h4>
-
-<p>1. De historie der godsdiensten wijst niet alleen een innig
-verband aan tusschen religie en openbaring, maar verder ook
-tusschen openbaring en schrift. Magische formulen, liturgische
-teksten, ritueele tractaten, ceremonieele wetten, priesterlijke documenten,
-historische en mythologische litteratuur, enz. komen op
-religieus terrein bij alle cultuurvolken voor. Maar in nog enger
-zin is er van heilige schriften in de godsdiensten sprake. Vele
-volken hebben ook een boek of een verzameling van boeken, die
-goddelijk gezag bezitten en als regel gelden van leer en leven.
-Daartoe behooren de Shu-king der Chineezen, de Veda der Indiërs,
-de Tripitaka der Buddhisten, de Avesta der Perzen, de Koran
-der Mohammedanen, het Oude Testament der Joden en de Bijbel
-der Christenen. Samen zijn deze zeven door Max Müller, Vorlesungen
-über den Ursprung der Religion 1880 S. 149 met den
-naam van de boekgodsdiensten aangeduid. Reeds dit verschijnsel
-wijst aan, dat openbaring en schrift niet in een toevallig, willekeurig
-verband kunnen staan. Zelfs biedt de geschiedenis van de
-leer van den Koran merkwaardige parallelen met die van het
-dogma der Schrift in de christelijke kerk, M. Th. Houtsma, De
-strijd over het dogma in den Islâm tot op El-Ash’ari, Leiden
-1875 bl. 96 v. Zie verder over de heilige boeken Ch. de la
-Saussaye, Lehrb. der Rel. Gesch. I 137 f. Lamers, Wetenschap
-v. d. godsd. II 249 v. Max Müller, Theosophy or psychological
-religion 1893. Lecture 2: The value of the sacred books.</p>
-
-<p>Nu zijn allereerst gedachte en woord, denken en spreken ten
-<span class="pagenum" id="Page_296">[296]</span>
-innigste aan elkander verwant. Zij zijn wel niet, gelijk Max Müller,
-Vorlesungen über die Wissenschaft der Sprache I 3<sup>e</sup> Aufl. 1875
-S. 459, Das Denken im Lichte der Sprache, Leipzig 1888 S.
-70-115 meent, identisch; want er is ook een denken, een bewustzijn,
-een besef, hoe onhelder ook, zonder woord. Homo enim
-nihil potest dicere, quod non etiam sentire possit; potest etiam
-aliquid sentire, quod dicere non possit, Augustinus, Serm. 117,
-c. 5. Maar het woord is toch eerst de voldragen, de tot zelfstandigheid
-en tot vollen wasdom gekomen en daarom ook de
-heldere, klare gedachte; een onontbeerlijk hulpmiddel voor het
-bewuste denken. De taal is de ziel der natie, de bewaardster
-van de goederen en schatten der menschheid, de band van menschen
-en volken en geslachten, de ééne groote traditie, die de
-menschenwereld, één in physis, ook één maakt in bewustzijn.
-Maar gelijk de gedachte zich belichaamt in het woord, zoo het
-woord wederom in het schrift. Ook de taal is niets dan een
-organisme van teekens, maar van hoorbare teekens. En het hoorbaar
-teeken zoekt uitteraard stabiliteit in het zichtbaar teeken,
-in het schrift. Het schrift is eigenlijk teekenkunst, en komt in
-dezen ruimen zin bij alle volken voor, maar heeft zich allengs
-van teeken- en beeldschrift, door woord- of begrippenschrift heen
-tot letterschrift ontwikkeld. Hoe ook verfijnd en in nauwkeurigheid
-toegenomen, het is onvolkomen. Ons denken, zegt Augustinus,
-de trin. 7, 4, de doctr. christ. 1, 6 blijft achter de zaak, ons
-denken achter ons spreken terug; en zoo ook is er een groote
-afstand tusschen woord en schrift. De klanken worden altijd
-slechts bij benadering in zichtbare teekens weergegeven. Het
-denken is rijker dan het spreken, en het spreken rijker dan het
-schrijven. Maar toch is het schrift van groote waarde en beteekenis.
-Schrift is het verduurzaamde, gegeneraliseerde en geaeterniseerde
-woord. Het maakt de gedachte tot eigendom van hen,
-die verre van ons en die na ons zijn, tot het gemeen goed der
-menschheid. Het schildert het woord af en spreekt tot de oogen.
-Het geeft lichaam en kleur aan de gedachte. Het schrift is de
-ἐνσαρκωσις van het woord.</p>
-
-<p>Dat geldt in het algemeen. De Traditionalisten, de Bonald,
-Lamennais, Bautain gingen zeker te ver, als ze zeiden, dat de
-taal rechtstreeks van God afkomstig was, dat in de taal alle
-schatten der waarheid werden bewaard, en dat de mensch nu alle
-<span class="pagenum" id="Page_297">[297]</span>
-waarheid uit en door de taal, de traditie, deelachtig werd, Stöckl,
-Lehrb. der neueren Philos. I 406 f. Maar er ligt toch eene goede
-gedachte in. En vooral op godsdienstig gebied krijgt woord en
-schrift eene hoogere beteekenis. De openbaring is in het Christendom
-eene historie. Zij bestaat in daden, gebeurtenissen, die
-voorbijgaan en weldra tot het verledene behooren. Zij is een actus
-transiens, temporair, momentaan zelfs, en heeft dezen tijdvorm,
-dit vergankelijke, met alle aardsche dingen gemeen. En toch
-bevat zij eeuwige gedachten, die niet alleen voor het oogenblik,
-waarin zij plaats had, en voor de personen, tot wie zij geschiedde,
-beteekenis hadden, maar die van waarde zijn voor alle tijden en
-voor alle menschen. Hoe is dit schijnbaar tegenstrijdige te vereenigen?
-Want het vreemde daarvan is schier altijd gevoeld. Het
-deisme in Engeland maakte er opmerkzaam op. Herbert van
-Cherbury sprak uit, dat alleen aan zulk eene openbaring geloof
-kon worden geschonken, die ons zelf onmiddellijk te beurt viel;
-openbaringen die anderen ontvangen hebben, zijn voor ons slechts
-geschiedenis, overlevering, en in geschiedenis kunnen wij het nooit
-verder brengen dan tot waarschijnlijkheid, de veritate 1656 p.
-288, Lechler, Gesch. des engl. Deismus 49. Hobbes zei evenzoo,
-dat eene openbaring, die anderen hadden ontvangen, voor ons niet
-te bewijzen was, Leviathan ch. 32. Locke maakte hetzelfde onderscheid
-tusschen original and traditional revelation, Essay concerning
-human understanding IV ch. 18. Het deisme leidde daaruit
-af, dat de religio naturalis genoegzaam was. Het maakte scheiding
-tusschen feit en idee, het tijdelijke en het eeuwige, zufällige
-Geschichtswahrheiten en nothwendige Vernunftwahrheiten. En het
-speculatieve rationalisme van Hegel trad in het zelfde spoor; de
-idee stort zich niet uit in een enkel individu.</p>
-
-<p>Nu is deze scheiding practisch onmogelijk gebleken. De losmaking
-der idee uit de historie komt in het Christendom, evenals
-in elke andere religie, op niets minder dan het verlies der idee
-zelve te staan. De stelling van Lessing in zijn geschrift Ueber
-den Beweis des Geistes und der Kraft: Zufällige Geschichtswahrheiten
-können der Beweis von nothwendigen Vernunftwahrheiten
-nie werden, heeft indertijd veel opgang gemaakt. Maar dat is
-alleen te verklaren uit den onhistorischen zin en de redevergoding
-der achttiende eeuw. De tegenwoordige eeuw heeft het
-dweepen met de noodwendige redewaarheden en het verachten van
-<span class="pagenum" id="Page_298">[298]</span>
-de historie verleerd. Zij heeft de geschiedenis in haar dieperen
-zin en in hare eeuwige beteekenis leeren verstaan. Indien de
-feiten der geschiedenis toevallig waren, werd zij zelve een aggregaat
-van op zich zelf staande voorvallen, zonder orde, zonder
-samenhang, zonder plan. Dan was er geen geschiedenis meer en
-hare beoefening een ijdele, nuttelooze bezigheid. En dan volgt van
-zelve, dat ook de historie der openbaring al haar waardij verliest.
-Maar de geschiedenis is juist verwezenlijking van gedachten Gods,
-uitwerking van een raad Gods over zijne schepselen; er is eenheid,
-gang, orde, logos in. En zulk eene opvatting van de
-geschiedenis is eerst door het Christendom mogelijk geworden.
-Bij Grieken en Romeinen wordt die niet gevonden; er waren
-slechts volken, er was geen menschheid. De Schrift echter leert
-ons de eenheid kennen van het menschelijk geslacht; zij geeft ons
-de grootsche conceptie van eene wereldgeschiedenis. En in deze
-neemt zij zelve de eerste en de allesbeheerschende plaats in. De
-Geschichtswahrheiten zijn dus niet toevallig, en allerminst onder
-deze wederom de geschiedenis der openbaring. Zij is zoo noodzakelijk,
-dat zonder haar heel de geschiedenis en heel de menschheid
-uiteen valt. Zij is de draagster der Godsgedachten; de
-apocalypse van Gods voornemen, welke den apostel Paulus telkens
-weer met bewondering en aanbidding vervulde; de revelatio
-mysterii, zonder welke de mensch in het duistere rondtast. En
-aan de andere zijde zijn de Vernunftwahrheiten, waarvan Lessing
-sprak, ook alles behalve noodwendig. De kritiek van Kant heeft
-dat anders aangetoond. Juist ten aanzien van die nothwendige
-Vernunftwahrheiten heerscht er tegenwoordig algemeen een bedenkelijk
-scepticisme. De verhouding is dus juist omgekeerd. Het
-historische is in zijne eeuwige beteekenis doorzien en het rationeele
-in zijne veranderlijkheid aan het licht getreden.</p>
-
-<p>Feit is dan ook, dat wij alles erven van de voorgeslachten.
-Wij brengen niets in de wereld, 1 Tim. 6:7. Physisch en psychisch,
-intellectueel en ethisch zijn we afhankelijk van de wereld
-om ons heen. En religieus is het niet anders. De openbaring,
-die in historie bestaat, kan niet anders dan in den weg der
-traditie, in den ruimsten zin, tot ons komen. Eene vraag, waarom
-niet aan elk mensch die openbaring geschonken wordt, Rousseau
-in zijn profession de foi, en Strauss, Glaub. I. 268 f. komt eigenlijk
-niet te pas. Ze onderstelt, dat de openbaring niets anders bevat
-<span class="pagenum" id="Page_299">[299]</span>
-dan leer en vergeet, dat ze historie is en wezen moet. Het centrum
-der openbaring is de persoon van Christus. En Christus is een
-historisch persoon; zijne menschwording, zijn lijden en sterven,
-zijne opstanding en hemelvaart zijn voor geene herhaling vatbaar.
-Ja, het behoort juist tot de ἐνσαρκωσις, dat hij in de historie
-inga en leve in den vorm van den tijd. Hij zou ons niet in alles
-gelijk zijn geweest, indien hij niet aan tijd en ruimte, aan de
-wet van het worden zich onderworpen had. De openbaring, niet
-als leer maar als incarnatie kan uitteraard niet anders dan historie
-zijn, d. i. vallen in een bepaalden tijd en gebonden zijn aan
-eene bepaalde plaats. De incarnatie is de eenheid van het zijn,
-ἐγω εἰμι, Joh. 8:58, en het worden, σαρξ ἐγενετο, Joh. 1:14.
-Bovendien, ook in de openbaring volgt God de grondlijnen, die
-Hij voor het samenleven der menschen getrokken heeft. De
-menschheid is niet een aggregaat van individuen, maar een organisch
-geheel, waarin allen leven van elkaar. De openbaring volgt
-deze wet, de herschepping sluit bij de schepping zich aan. Gelijk
-we op elk terrein door middel van de traditie deel krijgen aan
-de goederen der menschheid, zoo ook in de religie. Ook dat
-behoort tot de idee der incarnatie. Zij is zelve een actus transiens,
-maar wordt door de traditie heen het eigendom en de zegen
-van alle menschen. Dat die openbaring echter nog tot zulk een
-klein geheel van menschen beperkt is, levert een moeilijk probleem
-op, dat later nog nader dient onderzocht te worden; maar dit
-op zichzelf ontroerend feit kan nooit voor degenen, die haar
-kennen, eene reden zijn om ze te verwerpen. Vele volken leven
-in een staat van ruwe barbaarschheid. Ook dat geschiedt naar
-den wil en het welbehagen Gods. Toch komt het in niemand
-op om daarom de zegeningen der beschaving te verachten. Rousseau
-dweepte met den natuurmensch, maar hij bleef stil in Frankrijk.</p>
-
-<p class="sep2">2. De drager van de ideale goederen der menschheid is de
-taal, en de σαρξ van de taal is het schrift. Ook hierbij sluit
-God in de openbaring zich aan. Om volkomen in te gaan in de
-menschheid en ten volle haar eigendom te kunnen worden, neemt
-de openbaring de μορφη, het σχημα aan van de Schrift. De
-Schrift is de dienstknechtsgestalte van de openbaring. Ja, het
-centrale feit der openbaring, n.l. de incarnatie, leidt naar de
-Schrift heen. In profetie en wonder daalt de openbaring zoo laag
-<span class="pagenum" id="Page_300">[300]</span>
-neder en zoo diep af, dat ze zelfs de laagste vormen van het
-menschelijke, bepaaldelijk van het religieuse leven niet als middel
-versmaadt. De Logos zelf wordt niet ἀνθρωπος slechts, maar
-δουλος, σαρξ. En evenzoo neemt het woord der openbaring den
-onvolkomen, gebrekkigen vorm aan van het schrift. Maar zoo
-alleen wordt de openbaring het goed der menschheid. Het doel
-der openbaring is niet Christus; Christus is centrum en middel;
-het doel is, dat God wederom in zijn schepselen wone en in
-den kosmos zijne heerlijkheid openbare. Θεος τα παντα ἐν πασιν.
-Ook dit is in zekeren zin eene ἐνανθρωπησις του θεου, eene
-menschwording Gods. En om dat doel te bereiken, gaat het
-woord der openbaring over in schrift. Ook de Schrift is dus
-middel en instrument, geen doel. Zij vloeit voort uit de menschwording
-Gods in Christus, zij is in zekeren zin de voortzetting
-ervan, de weg, waarlangs Christus woning maakt in zijne gemeente;
-de praeparatio viae ad plenam inhabitationem Dei. Maar
-in deze inwoning Gods heeft ze dan ook haar τελος, haar einde
-en doel, 1 Cor. 15:28. Evenals heel de openbaring, is ook zij
-een actus transiens.</p>
-
-<p>Daardoor wordt de verhouding duidelijk, waarin de Schrift
-staat tot de openbaring. De vroegere theologie liet de openbaring
-bijna geheel opgaan in de theopneustie, in de gave der Schrift.
-Zij bracht de openbaring slechts terloops ter sprake, en vatte
-haar veel te eng op. Het scheen, alsof er achter die Schrift niets
-lag. En de Schrift kwam geheel los en geisoleerd te staan. Zij
-wortelde niet in de historie. Het had er veel van, alsof ze plotseling
-uit den hemel was komen vallen. De machtige conceptie
-van de openbaring als eene geschiedenis, die bij den val begint
-en eerst in de parousie eindigt, was haar schier geheel vreemd.
-Deze beschouwing is onhoudbaar. Immers, de openbaring gaat in
-verre de meeste gevallen aan de theopneustie vooraf en is daarvan
-dikwerf door een langen tijd gescheiden. De openbaring Gods
-aan de aartsvaders, in de geschiedenis van Israel, in den persoon
-van Christus werd soms eerst eeuwen en jaren daarna beschreven;
-en ook de profeten en apostelen stellen hunne openbaringen dikwerf
-eerst geruimen tijd na de ontvangst te boek, bv. Jer. 25:13,
-30:1, 36:2 v. Voorts waren vele personen, zooals Elia,
-Elisa, Thomas, Nathanael, enz. openbaringsorganen, die toch
-nimmer een boek schreven, dat in den kanon werd opgenomen;
-<span class="pagenum" id="Page_301">[301]</span>
-anderen daarentegen ontvingen geene openbaringen en deden geen
-wonderen, en brachten ze toch wel in geschrifte, zooals bijv. de
-schrijvers van vele historische boeken. Verder had de openbaring
-plaats in verschillende vormen, droom, visioen, enz., en bedoelde
-de bekendmaking van iets dat verborgen was; de theopneustie
-was altijd eene inwerking van Gods Geest in het bewustzijn en
-had tot doel de garantie van den inhoud der Schrift. De nieuwere
-theologie maakte daarom terecht tusschen de openbaring en de
-Schrift onderscheid. Maar zij viel dikwerf in een ander uiterste.
-Zij maakte de Schrift zoo geheel en al van de openbaring los,
-dat deze niets meer werd dan een toevallig aanhangsel, een willekeurig
-toevoegsel, eene menschelijke oorkonde van de openbaring,
-die misschien nog wel nuttig maar in elk geval niet noodzakelijk
-was. In allerlei variatiën is dit thema bezongen. Niet de letter
-maar de Geest, niet de Schrift maar de persoon van Christus,
-niet het woord maar het feit is het principium der theologie.
-En Lessing kwam tot de bekende bede: o Luther! gij groote en
-heilige man, gij hebt ons verlost van het juk van den Paus,
-maar wie zal ons verlossen van het juk der letter, van den
-papieren Paus. Deze beschouwing is niet minder verkeerd en nog
-gevaarlijker dan de andere. Want openbaring en theopneustie
-vallen in vele gevallen geheel samen. Lang niet alles, wat in de
-Schrift is beschreven, werd te voren geopenbaard, maar kwam
-onder het schrijven zelf in het bewustzijn op, bijv. in de psalmen,
-de brieven, enz. Wie de theopneustie ontkent en de Schrift minacht,
-verliest ook voor een zeer groot gedeelte de openbaring;
-hij houdt niets dan menschelijke geschriften over. Voorts is ons
-de openbaring, ook waar ze in feit of woord voorafging aan de
-beschrijving, enkel en alleen door de H. Schrift bekend. Wij
-weten van de openbaringen Gods onder Israel en in Christus
-letterlijk niets, dan alleen uit de H. Schrift. Er is geen ander
-principium. Met de H. Schrift valt dus de gansche openbaring,
-valt ook de persoon van Christus. Juist omdat de openbaring
-historie is, is er geen andere weg om er iets van te weten, dan
-de gewone weg bij alle historie, dat is de getuigenis. Het getuigenis
-beslist voor ons bewustzijn over de realiteit van een feit.
-Geen gemeenschap met Christus dan alleen door de gemeenschap
-aan het woord der apostelen, Joh. 17:20, 21; 1 Joh. 1:3. De
-openbaring bestaat voor ons, voor de kerk aller eeuwen, slechts
-<span class="pagenum" id="Page_302">[302]</span>
-in den vorm der H. Schrift. En eindelijk is de theopneustie,
-gelijk later blijken zal, eene eigenschap van de Schriften, een
-eigen en afzonderlijke daad Gods bij de vervaardiging der Schrift,
-en dus in zooverre ook zelve als openbaringsdaad te erkennen en
-te eeren. Verachting of verwerping van de Schrift is dus niet
-eene onschuldige handeling ten opzichte van menschelijke getuigenissen
-aangaande de openbaring, maar ontkenning van eene
-bijzondere openbaringsdaad Gods, en dus in beginsel loochening
-van alle openbaring.</p>
-
-<p>Beide richtingen zijn dus eenzijdig, zoowel die, welke de openbaring
-ten bate der Schrift, als die de Schrift ten bate der openbaring
-miskennen. Daar komt de φανερωσις, hier de θεοπνευστια
-niet tot haar recht. Ginds heeft men Schrift zonder schriften;
-hier heeft men geschriften zonder Schrift. Daar is eene verwaarloozing
-van de historie, hier eene minachting van het woord. De
-eerste richting vervalt in orthodox intellectualisme, de tweede
-loopt gevaar van anabaptistisch spiritualisme. De juiste beschouwing
-is deze, dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd
-noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst
-wordt. De theopneustie is een element <i>in</i> de openbaring; eene
-laatste akte, waarin de openbaring Gods in Christus voor deze
-bedeeling afgesloten wordt; in zooverre dus het einde, de kroon,
-de verduurzaming en de publicatie der openbaring, medium, quo
-revelatio immediata mediata facta inque libros relata est, Baumgarten
-bij Twesten, Vorles. über die Dogm. I 402.</p>
-
-<p class="sep2">3. De openbaring toch, in haar geheel genomen, heeft haar
-einde en doel eerst bereikt in de parousie van Christus. Maar
-zij valt in twee groote perioden, in twee onderscheidene bedeelingen
-uiteen (boven <a href="#Page_270">bladz. 270</a>). De eerste bedeeling strekte,
-om de volle openbaring Gods in te lijven in en tot een deel te
-maken van de geschiedenis der menschheid. Heel die oeconomie
-kan beschouwd worden als een komen Gods tot zijn volk, als
-een zoeken van een tabernakel voor Christus. Zij is dus overwegend
-eene openbaring Gods in Christus. Ze draagt een objectief
-karakter. Zij kenmerkt zich door buitengewone daden; theophanie
-profetie en wonder zijn de wegen, waarlangs God tot zijn volk
-komt. Christus is er het subject van. Hij is de Logos, die
-schijnt in de duisternis, komt tot het zijne, en vleesch wordt in
-<span class="pagenum" id="Page_303">[303]</span>
-Jezus. De H. Geest was toen nog niet, overmits Christus nog
-niet was verheerlijkt. In deze bedeeling houdt de teboekstelling
-gelijken tred met de openbaring. Beide groeien van eeuw tot eeuw.
-Naarmate de openbaring voortschrijdt, neemt de Schrift in omvang
-toe. Als in Christus de volle openbaring Gods is gegeven,
-theophanie, profetie en wonder in Hem haar hoogtepunt hebben
-bereikt en de genade Gods in Christus aan alle menschen is
-verschenen, dan is tegelijk ook de voltooiing der Schrift daar.
-Christus heeft ons in zijn persoon en werk den Vader ten volle
-geopenbaard, daarom wordt in de Schrift die openbaring ons ten
-volle beschreven. De openbaring heeft in zekeren zin haar einde
-bereikt. De bedeeling des Zoons maakt plaats voor de bedeeling
-des Geestes. De objectieve openbaring gaat over in de subjectieve
-toeeigening. In Christus is midden in de historie door God een
-organisch centrum geschapen; vandaar uit worden thans in steeds
-wijder kring de cirkels getrokken, binnen welke het licht der
-openbaring schijnt. De zon, opgaande bestrijkt slechts een klein
-oppervlak der aarde met haar stralen; staande in het zenith,
-straalt zij over heel de aarde heen. Israel was slechts instrument
-der openbaring; het heeft zijn dienst verricht en valt weg, als
-het den Christus heeft voortgebracht, zooveel het vleesch aangaat;
-thans verschijnt de genade Gods aan alle menschen. De openbaring
-zet zich dus wel voort, maar op andere wijze en in andere vormen.
-De H. Geest neemt alles uit Christus; Hij voegt niets nieuws
-aan de openbaring toe. Deze is voltooid en daarom voor geen
-vermeerdering vatbaar. Christus is de Logos, vol van genade en
-waarheid; zijn werk is volbracht; de Vader zelf rust in zijn
-arbeid. Zijn werk kan niet aangevuld of vermeerderd worden door
-de goede werken der heiligen; zijn woord niet door de traditie;
-zijn persoon niet door den paus. In Christus heeft God zich ten
-volle geopenbaard en ten volle geschonken. Daarom is de Schrift
-ook voltooid, zij is het volkomene woord Gods. En toch, schoon
-op andere wijze, gaat de openbaring voort, want zij heeft haar
-einddoel niet in Christus, die middelaar is, maar in de nieuwe
-menschheid, in het wonen Gods bij zijn volk. Zij gaat voort in
-al hare drie vormen van theophanie, profetie en wonder. God
-komt tot en woont in de gemeente van Christus; waar twee of
-drie in zijn naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. Hij doet
-wonderen altijd door; Hij vernieuwt haar door wedergeboorte,
-<span class="pagenum" id="Page_304">[304]</span>
-heiligmaking en verheerlijking; de geestelijke wonderen houden
-niet op. God werkt altijd. Maar dat is niet genoeg. De wereld
-van het zijn niet alleen, ook die van het bewustzijn moet vernieuwd.
-In den Logos was het leven maar ook het licht der
-menschen; Christus is vol van genade maar ook van waarheid;
-de openbaring bestond in wonder maar ook in profetie. Woord
-en daad gingen saam in de eerste bedeeling, zij vergezellen elkaar
-ook in de oeconomie des H. Geestes. De H. Geest wederbaart
-maar verlicht ook. Maar gelijk de geestelijke wonderen geen
-nieuw element aan de objectieve openbaringsfeiten toevoegen maar
-slechts uitwerking zijn van het wonder van Gods genade, in
-Christus gewrocht; zoo ook is de profetie in de gemeente, de
-illuminatie des H. Geestes, geen openbaring van verborgenheden
-maar toepassing van de schatten der wijsheid en kennis, die in
-Christus begrepen zijn en in zijn woord zijn uitgestald. En beide
-deze werkzaamheden des H. Geestes gaan in deze bedeeling hand
-aan hand. Profetie en wonder, woord en feit, illuminatie en regeneratie,
-Schrift en kerk vergezellen elkander. Ook thans is de
-openbaring geen leer alleen, die het verstand verlicht, maar ook
-een leven, dat het hart vernieuwt. Zij is beide te zamen in
-onverbreekbare eenheid. De eenzijdigheden van het intellectualisme
-en mysticisme zijn beide te vermijden, want zij zijn beide
-eene miskenning van den rijkdom der openbaring. Wijl hoofd en
-hart, de gansche mensch in zijn zijn en bewustzijn moet vernieuwd
-worden, zet de openbaring zich in deze bedeeling voort in de
-Schrift en in de kerk te zamen. En beide staan daarbij in het
-allernauwste verband tot elkander. De Schrift is het licht der
-kerk, de kerk is het leven der Schrift. Buiten de kerk is de
-Schrift een raadsel, eene ergernis. Zonder wedergeboorte kan
-niemand haar kennen. Wie haar leven niet deelachtig is, kan
-haar zin en meening niet verstaan. En omgekeerd is het leven
-der kerk eene verborgenheid, als de Schrift er haar licht niet
-over schijnen laat. De Schrift verklaart de kerk, de kerk verstaat
-de Schrift. In de kerk bevestigt en verzegelt de Schrift
-hare openbaring, en in de Schrift leert de Christen, leert de kerk
-zichzelve verstaan, in hare verhouding tot God en de wereld, in
-haar verleden en heden en toekomst.</p>
-
-<p>Daarom staat de Schrift ook niet op zichzelve. Zij mag niet
-deïstisch worden opgevat. Zij wortelt in eene historie van eeuwen
-<span class="pagenum" id="Page_305">[305]</span>
-en is vrucht van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar
-zij is toch geen boek uit lang vervlogene tijden, dat ons alleen
-met personen en gebeurtenissen van het verleden in verband
-brengt. De H. Schrift is geen dor verhaal en geen oude kroniek,
-maar zij is het altijd levende, eeuwig jeugdige woord, dat God
-nu in dezen tijd en altijd door tot zijn volk laat uitgaan. Zij is
-de altijd voortgaande sprake Gods tot ons. Zij dient niet alleen,
-om ons historisch te doen weten, wat er in het verledene is
-geschied. Zij heeft zelfs de bedoeling niet, om ons een historisch
-verhaal te leveren naar den maatstaf der getrouwheid, die in
-andere wetenschappen geeischt wordt. De H. Schrift is een tendenz-boek;
-al wat te voren geschreven is, is tot onze leering
-geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der
-Schriften hope hebben zouden. De Schrift is door den H. Geest
-geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij zijne leiding der kerk,
-bij de volmaking der heiligen, bij den opbouw van het lichaam
-van Christus. In haar komt God dagelijks tot zijn volk. In haar
-spreekt Hij tot zijne kinderen, niet uit de verte, maar van nabij.
-In haar openbaart Hij zich van dag tot dag aan de geloovigen
-in de volheid van zijn genade en waarheid. Door haar werkt Hij
-zijne wonderen van ontferming en trouw. De Schrift is het blijvend
-rapport tusschen hemel en aarde, tusschen Christus en zijne
-gemeente, tusschen God en zijne kinderen. Zij legt ons niet alleen
-vast aan het verleden, zij bindt ons aan den levenden Heer in
-de hemelen. Zij is de viva vox Dei, epistola Dei omnipotentis ad
-suam creaturam. Door het woord heeft God eenmaal de wereld
-geschapen, door het woord houdt Hij ze in stand; maar door
-het woord herschept Hij haar ook en bereidt ze tot zijne
-woning. De theopneustie is daarom ook eene blijvende eigenschap
-van de H. Schrift. Zij werd niet alleen getheopneusteerd
-in het moment, dat zij te boek werd gesteld; zij is theopneust.
-Divinitus inspirata est scriptura, non solum dum scripta est
-Deo spirante per scriptores; sed etiam dum legitur Deo spirante
-per scripturam et scriptura ipsum spirante, Bengel op
-2 Tim. 3:16. Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door
-de theopneustie levendig gehouden en efficax gemaakt. Het is
-de H. Geest, die profetie en wonder, Schrift en kerk beide
-in stand houdt en in verband zet met elkaar, en die alzoo
-de parusie voorbereidt. Want als zijn en bewustzijn beide eens
-<span class="pagenum" id="Page_306">[306]</span>
-geheel zullen vernieuwd zijn, dan heeft de openbaring haar einde.
-De Schrift is dan niet noodig meer. De theopneustie is dan het
-deel van alle kinderen Gods. Zij zullen allen door den Heere
-geleerd zijn en Hem dienen in zijnen tempel. Profetie en wonder
-zijn geworden tot natuur, want God woont onder zijn volk.</p>
-
-<h4>B. De leer der inspiratie.</h4>
-
-<p>4. De autoriteit der H. S. is door alle christelijke kerken
-erkend. Er is geen dogma, waarover meer eenheid bestaat, dan
-dat der H. Schrift. De genesis van dit geloof aan de H. Schrift
-is niet meer na te gaan. Het bestaat, zoover we teruggaan. In
-het O. T. staat het gezag van Jahveh’s geboden en inzettingen,
-d. i. van de thora en evenzoo van de profeten reeds vast. Mozes
-en de profeten zijn onder Israel altijd mannen van goddelijke
-autoriteit geweest; hunne geschriften werden terstond als gezaghebbend
-erkend. De Joden hebben daarop eene leer der inspiratie
-gebouwd, zoo streng en exclusief mogelijk. De thora staat in de
-Schrift des O. T. bovenaan, zij is in haar inhoud identisch met
-de goddelijke Wijsheid, het beeld Gods, de dochter Gods, de
-op zich zelve voldoende, voor alle volken bestemde openbaring
-des heils, het hoogste goed, de weg ten leven. Als Israel niet
-gezondigd had, ware zij genoegzaam geweest. Maar nu zijn de
-schriften der profeten er later ter verklaring aan toegevoegd.
-Al die schriften zijn goddelijk, heilig, regel van leer en leven,
-en met een oneindigen inhoud. Niets is er overbodig in; alles
-heeft beteekenis, iedere letter, elk teeken, tot de gedaante en
-vorm van eene letter toe, want alles is van God afkomstig.
-Volgens Philo, de migr. Abrahae, en Josephus, Ant. 4, 6, 5.
-c. Ap. 1,7 verkeerden de profeten bij de inspiratie in een toestand
-van verrukking en bewusteloosheid, dien zij met de heidensche
-mantiek vergeleken en ook wel tot anderen dan de
-profeten uitbreidden, maar het goddelijk gezag der H. Schrift
-staat ook bij hen onwrikbaar vast. Alleen werd aan dat gezag
-feitelijk weer afbreuk gedaan door de traditie. De Schrift was
-n.l. op zich zelve onvoldoende. Naar de voorstelling der Joden
-was er ook nog eene mondelinge traditie, welke van God afkomstig,
-door Mozes, Aäron, de oudsten, de profeten, de mannen der
-groote synagoge aan de Schriftgeleerden was overgeleverd. Zij
-<span class="pagenum" id="Page_307">[307]</span>
-werd eindelijk neergelegd in de Mishna en Gemara, welke nu
-als norma normata aan de norma normans is toegevoegd en met
-behulp vooral van dertien hermeneutische regelen met de Schrift
-in overeenstemming werd gebracht, Zunz, Die gottesd. Vorträge
-der Juden 1832 S. 37 f. Weber, System der altsyn. pal. Theol.
-1880. S. 14 f. 78 f. Schürer, Neutest. Zeitgeschichte, Leipzig,
-1874. S. 437 f.</p>
-
-<p>De christelijke gemeente verwierp nu met Jezus en de apostelen
-wel de geheele Joodsche traditie, maar erkende toch van
-den beginne af aan het goddelijk gezag der O. T. Schrift, Harnack,
-Dogm. gesch. I 39 f. 145 f. 244 f. De gemeente is nooit
-zonder Bijbel geweest. Zij ontving het O. Test. uit de hand der
-apostelen terstond met goddelijke autoriteit. Het christelijk geloof
-sloot van den aanvang af het geloof aan het goddelijk gezag des
-O. T. in zich. Clemens Romanus leert de inspiratie des O. T.
-zoo duidelijk mogelijk. Hij noemt de O. T. geschriften τα λογια
-του θεου, 1 Cor. 53, τας γραφας, τας ἀληθεις τας δια πνευματος
-του ἁγιου, ib. 45, voert plaatsen uit het O. T. aan met de
-formule: de H. Geest zegt, ib. 13 en zegt van de profeten: οἱ
-λειτουργοι της χαριτος του θεου δια πνευματος ἁγιου ἐλαλησαν
-ib. 8. Hij breidt de inspiratie ook tot de apostelen uit, en zegt,
-dat zij μετα πληροφοριας πνευματος ἁγιου uitgegaan zijn om
-te prediken, ib. 42, en dat Paulus aan de Corinthiërs πνευματικως
-geschreven heeft ib. 47. Overigens leveren de apost. vaders weinig
-stof voor het dogma der Schrift: de inspiratie zelve staat vast,
-maar over den omvang en de grenzen der inspiratie is er nog
-verschil; van de N. T. geschriften wordt weinig gesproken, en
-apocriefe worden soms als kanonische geciteerd. De Apologeten
-der 2<sup>e</sup> eeuw, Justinus, Coh. ad Graecos c. 8. en Athenagoras,
-Leg. pro Christo cap. 7. vergelijken de schrijvers bij een cither,
-lier of fluit, waarvan het goddelijk πληκτρον zich als van een
-orgaan bediende. De leer der apostelen staat met die van de
-profeten op één lijn; evenals Abraham, zoo gelooven wij τῃ φωνῃ
-του θεου, τῃ δια τε των ἀποστολων του χριστου λαληθεισῃ
-παλιν και τῃ δια των προφητων κηρυχθεισῃ ἡμιν, Just. Dial.
-119. De Evangeliën deelen in dezelfde inspiratie als de profeten,
-δια το τους παντας πνευματοφορους ἑνι πνευματι θεου
-λελαληκεναι, Theoph. ad Autol. 3 n. 12. Bij Irenaeus is reeds
-de volle erkenning aanwezig van de inspiratie van beide Testamenten;
-<span class="pagenum" id="Page_308">[308]</span>
-Scripturae perfectae sunt, quippe a Deo et Spiritu ejus
-dictae, adv. haer. 2, 28., ze hebben één auteur en één doel,
-4, 9. En voorts worden de H. Schriften door de kerkvaders
-aangehaald als θεια γραφη, κυριακαι γραφαι, θεοπνευστοι γραφαι,
-coelestes literae, divinae voces, bibliotheca sancta, chirographum
-Dei, enz. De schrijvers heeten λειτουργοι της χαριτος του θεου,
-ὀργανα θειας φωνης, στομα θεου, πνευματοφοροι, χριστοφοροι,
-ἐμπνευσθεντες, θεοφορουμενοι, Spiritu divino inundati, pleni
-enz. De acte der inspiratie wordt als een drijven, leiden enz.,
-maar vooral dikwerf als een dicteeren des H. Geestes voorgesteld,
-Iren. 1. c. Aug. de cons. Evang. 1, 54; de schrijvers waren de
-handen des H. G., Aug. ib., zij waren de auctores niet, maar
-alleen scriptores, scribae; auctor der H. Schrift is God alleen,
-Isidorus Hisp. lib. 1. de offic. c. 12, bij Dausch, Die Schriftinspiration
-1891 S. 87. De Schrift is eene epistola omnipotentis
-Dei ad suam creaturam, Aug. in Ps. 20. Serm. 2, 1. Greg.
-Magnus, Epist. 1. 4. ep. 31. Er is niets onverschilligs en niets
-overtolligs in, maar alles is vol van goddelijke wijsheid; nihil
-enim vacuum, neque sine signo apud Deum, Iren. adv. haer.
-4, 21, 3. Vooral Origenes dreef dit sterk en zei, dat er geen
-tittel of jota vergeefsch was, dat er niets was in de Schrift, quod
-non a plenitudine divinae majestatis descendat, Homil. 2. 21. 39
-in Jerem., en evenzoo Hieronymus, die zei: singuli sermones,
-syllabae, apices, puncta in divinis scripturis plena sunt sensibus
-et spirant caelestia sacramenta. De H. Schrift was daarom zonder
-eenig gebrek, zonder eenige dwaling, ook in chronologische,
-historische zaken, Theoph. ad Autol. 23, Iren. adv. haer. 3, 5.
-Wat de apostelen geschreven hebben, moet evenzoo worden aangenomen,
-alsof Christus zelf het geschreven had, want zij waren
-als het ware zijne handen, Aug. de cons. Evang. 1, 54. In zijn
-brief aan Hieronymus zegt hij vast te gelooven, dat geen der
-kanonische schrijvers scribendo aliquid errasse. Als er dus eene
-fout is, non licet dicere: auctor hujus libri non tenuit veritatem
-sed: aut codex mendosus est, aut interpres erravit, aut tu non
-intelligis, c. Faust. 11, 5. Maar tegelijk werd de zelfbewustheid
-der schrijvers bij de inspiratie tegenover het Montanisme
-zoo sterk mogelijk geaccentueerd; voorafgaand onderzoek, onderscheid
-in ontwikkeling, gebruik van bronnen en van de herinnering,
-verschil in taal en stijl werd door Iren. Orig. Euseb.
-<span class="pagenum" id="Page_309">[309]</span>
-August. Hieron. enz. volledig erkend; zelfs werd door sommigen
-een verschil in de wijze van inspiratie onder O. en N. T., of
-ook een verschil in graad van inspiratie naar den zedelijken toestand
-der schrijvers aangenomen, Novatianus, de trin. 4. Orig.
-c. Cels. 7. 4. Maar dat alles deed aan het geloof aan den goddelijken
-oorsprong en de goddelijke autoriteit der H. S. geen
-afbreuk. Deze stonden algemeen vast. Het practische gebruik
-der Schrift in de prediking, in de bewijsvoering, in de exegetische
-behandeling enz. bewijst dat nog meer en nog sterker dan de op
-zich zelf staande uitspraken. De kerk had in deze eerste periode
-meer te doen met de vaststelling van den kanon, dan met het
-begrip der inspiratie, maar verstond onder de kanonische juist
-divinae scripturae, Conc. Carth. 397 can. 47, en schreef aan
-deze alleen autoriteit toe, Conc. Tolet. 447, cf. Denzinger,
-Enchir. symb. et defin. n<sup>r</sup>. 49. 125. Joh. Delitzsch, de inspir.
-scripturae s., quid statuerint patres apostolici et apologetae sec.
-<ins id="cor_31" title="sec">saec</ins>. Lips. 1872. Hagenbach, Dogm. Gesch. §&nbsp;31 f. Rudelbach,
-Zeits. f. d. ges. luth. Theol. u. Kirche 1840. W. Rohnert, Die
-Inspiration der H. S. u. ihre Bestreiter, Leipz. 1889 S. 85 f.
-P. Dausch, Die Schriftinspiration, eine bibl. geschichtl. Studie,
-Freiburg 1891. S. 45 f. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie,
-Breslau 1891. 84 f. Cramer, Godgel. Bijdragen IV
-49-121. Dr. W. Sanday, Inspiration, eight lectures on the early
-history and origin of the doctrine of biblical inspiration, Bampton
-lectures 1893.</p>
-
-<p class="sep2">5. De theologie der Middeleeuwen bleef bij de kerkvaders
-staan en heeft de leer der inspiratie niet verder ontwikkeld.
-Joh. Damasc., de fide orthod. 4, 17 brengt de Schrift slechts
-even ter sprake en zegt, dat wet en profeten, evangelisten en
-apostelen, herders en leeraars door den H. Geest gesproken hebben;
-en daarom is de Schrift theopneust. Erigena, de div. nat.
-I 66 sq. zegt, dat men in alle stukken de autoriteit der H. S.
-moet volgen want vera auctoritas rectae rationi non obsistit, maar
-ook omnis auctoritas, quae vera ratione non approbatur, infirma
-videtur esse. Thomas behandelt de leer der H. Schrift evenmin
-als Lombardus, maar geeft zijne gedachte over de inspiratie toch
-in zijne leer over de profetie, S. Theol. II 2 qu. 171 sq. De
-profetie is bepaald eene gave des verstands en bestaat ten eerste
-<span class="pagenum" id="Page_310">[310]</span>
-in inspiratio, d. i. in eene elevatio mentis ad percipienda divina,
-welke geschiedt Spiritu Sancto movente, en ten tweede in revelatio,
-waardoor de goddelijke dingen worden gekend, de duisternis en
-onkunde worden weggenomen en de profetie zelve wordt voltooid,
-qu. 171 art. 1. Nader bestaat de profetie in de gave van het
-lumen propheticum, waardoor de goddelijke dingen zichtbaar
-worden, evenals de natuurlijke dingen door ’t natuurlijk licht der
-rede, ib. art. 2. Maar die openbaring verschilt; soms geschiedt
-ze onder bemiddeling van de zintuigen, soms door middel van
-de verbeeldingskracht, soms ook op zuiver geestelijke wijze, zooals
-bij Salomo en de apostelen, ib. qu. 173 art. 2. De profetie
-per intellectualem visionem staat in het algemeen hooger dan
-die per imaginariam visionem; als echter het lumen intellectuale
-geen bovennatuurlijke dingen openbaart, maar alleen de natuurlijk
-kenbare dingen op goddelijke wijze kennen en beoordeelen doet,
-dan staat zulk eene prophetia intellectualis beneden die visio
-imaginaria, welke bovennatuurlijke waarheid openbaart. De
-schrijvers der hagiographa schreven meermalen over zaken, die
-van nature kenbaar zijn, en ze spraken dan non quasi ex persona
-Dei, sed ex persona propria, cum adjutorio tamen divini luminis.
-Thomas erkent dus verschillende wijzen en graden van inspiratie.
-Hij zegt ook, qu. 176 art. 1, dat de apostelen de gave der talen
-kregen om het evangelie aan alle volken te kunnen prediken,
-sed quantum ad quaedam quae superadduntur humana arte ad
-ornatum et elegantiam locutionis, apostolus instructus erat in
-propria lingua, non autem in aliena, en zoo ook waren de apostelen
-genoegzaam met kennis toegerust voor hun ambt, maar
-kenden niet alles, wat er te kennen valt, b.v. arithematica enz.
-Maar eene dwaling of onwaarheid kan in de Schrift niet voorkomen,
-S. Theol. I qu. 32 art. 4. II 2 qu. 110 art. 4 ad 3.
-Het breedvoerigst wordt over de Schrift gehandeld door Bonaventura
-in het prooemium voor zijn Breviloquium, ed. Freiburg
-1881 p. 1-32: de H. Schrift heeft haar oorsprong niet uit
-menschelijk onderzoek, maar uit openbaring van den Vader door
-den Zoon in den H. Geest. Niemand kan haar kennen dan door
-het geloof, want Christus is haar inhoud. Zij is cor Dei, os
-Dei (des Vaders), lingua Dei (des Zoons), calamus Dei (des H. G.).
-Vier dingen komen van de Schrift vooral in aanmerking; hare
-latitudo: zij bevat vele deelen, O. en N. T., verschillende soorten
-<span class="pagenum" id="Page_311">[311]</span>
-van boeken, wettelijke, historische, profetische enz.; hare longitudo:
-zij beschrijft alle tijden van de schepping af tot den oordeelsdag
-toe in de drie tijdperken van lex naturae, lex scripta en lex
-gratiae of in zeven aetates; hare sublimitas: zij beschrijft de
-verschillende hierarchieën, ecclesiastica, angelica, divina; hare
-profunditas: zij heeft eene multiplicitas mysticarum intelligentiarum.
-Hoe zeer de H. Schrift ook verschillende wijzen van
-spreken gebruikt, zij is altijd echt, er is niets onwaars in. Want
-de H. Geest, ejus auctor perfectissimus nihil potuit dicere falsum,
-nihil superfluum, nihil diminutum. Daarom is het lezen en
-onderzoeken der H. S. zoo dringend noodig; en voor dit doel
-schreef Bonaventura zijn kostelijk Breviloquium. Duns Scotus
-voert in den Prologus voor zijne Sententiae wel verschillende
-gronden aan, waarop het geloof aan de H. S. rust, zooals de
-profetie, de innerlijke overeenstemming, de echtheid, de wonderen
-enz., maar behandelt de leer der H. S. niet. En ook overigens
-vinden we weinig stof voor het dogma der Schrift in de scholastiek.
-Er werd geen behoefte gevoeld aan eene bijzondere behandeling
-van den locus de S. Scr., wijl haar autoriteit vast stond en
-niemand ze bestreed. Zij had in de Middeleeuwen, althans formeel,
-eene onbetwiste heerschappij. Ze werd symbolisch voorgesteld als
-het water des levens, in lofspraken verheerlijkt, evenals het
-beeld van Christus vereerd en aangebeden, op de kostbaarste
-wijze overgeschreven, geïllustreerd, ingebonden en uitgestald.
-Ze had eene eereplaats op de conciliën, werd als eene reliquie
-bewaard, als amulet om den hals gedragen, met den gestorvene
-mede begraven, en als grondslag voor de eedsaflegging gebezigd.
-En ook werd ze veel meer, dan de Protestanten later meenden,
-gelezen, bestudeerd, verklaard en vertaald, Vigouroux, Les livres
-saints et la critique rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. I 226 s. Janssen,
-Gesch. des deutschen Volkes, I 48 f. Herzog<sup>2</sup> 3, 545 f. Bestrijding
-van de Schrift was er niet. Ook Abaelard, Sic et Non,
-ed. Henke et Lindenkohl, Marb. 1851 p. 10.11 zegt niet, dat
-profeten en apostelen in het schrijven, maar alleen, dat zij soms
-als personen hebben gedwaald, met beroep op Gregorius, die dat
-ook van Petrus had erkend; de gratia prophetiae werd hun soms
-ontnomen, opdat ze nederig zouden blijven en erkennen zouden,
-dat ze dien Geest van God, qui mentiri vel falli nescit, slechts
-als gave ontvingen en bezaten. En evenmin is Agobard van Lyon
-<span class="pagenum" id="Page_312">[312]</span>
-een bestrijder der inspiratie; alleen staat hij tegenover Fredegis
-van Tours eene meer organische opvatting voor, die verschil van
-taal en stijl, grammatische afwijkingen enz. erkent, Münscher-v.
-Coelln, Dogm. Gesch. II 1 S. 105. Kerkelijk werd de inspiratie
-en autoriteit der H. Schrift meermalen uitgesproken en erkend,
-Denzinger, Enchir. n. 296. 386. 367. 600.</p>
-
-<p class="sep2">6. Het Trentsche concilie verklaarde in sess. 4, dat de waarheid
-vervat is in de geschreven boeken en ongeschreven overleveringen,
-welke uit den mond van Christus door de apostelen zijn
-ontvangen of door dezelfde apostelen, Spirito Sancto dictante, als
-van hand tot hand zijn overgeleverd en tot ons gekomen zijn;
-en dat het daarom, naar het voorbeeld der vaderen alle boeken
-van O. en N. T., cum utriusque unus Deus sit auctor, en evenzoo
-de overleveringen ... tanquam vel oretenus a Christo, vel a
-Spiritu Sancto dictatas ... aanneemt en vereert. De inspiratie werd
-hier wel tot de traditie uitgebreid, maar toch ook duidelijk van
-de H. S. uitgesproken. Maar onder de Roomsche theologen kwam
-er spoedig groot verschil over den aard en den omvang der
-inspiratie. Zoowel het auctor utriusque testamenti als het dictare
-werd verschillend geinterpreteerd. De theologen der 16<sup>e</sup> eeuw
-waren over het algemeen nog de strengere richting van kerkvaders
-en scholastici toegedaan. Het waren meest aanhangers van
-Augustinus in de leer der genade, Jansenisten, Augustinianen en
-Dominikanen. De voornaamste onder deze richting zijn Melchior
-Canus, Loci theol. 1563, Bannez, Comment. in primam partem
-D. Thomae Lugd. 1788. Bajus en Jansenius, Billuart, Summa S.
-Thomae tom. 2. Wirceb. 1758, Rabaudy, Exerc. de Scriptura
-sacra; in deze eeuw nog Fernandez, diss. crit. theol. de verbali
-S. Bibl. inspiratione, maar voorts ook wel Jezuiten, zooals Tostatus,
-Costerus, Turrianus, Salmeron, Gregor de Valencia, De
-rebus fidei h. t. controv. Lugd. 1591 enz. Dezen leeren allen
-eene positieve inwerking van Gods Geest op de schrijvers, die
-zich ook tot de singula verba uitstrekte. Maar spoedig kwam
-er eene laxere richting op, en wel onder de Jezuiten. In het
-jaar 1586 openden Lessius en Hamelius hunne voorlezingen
-aan het Jezuitencollege te Leuven, en verdedigden daar o. a. de
-stellingen: 1<sup>o</sup> ut aliquis sit S. Scriptura, non est necessarium,
-singula ejus verba inspirata esse a Sp. S<sup>o</sup>. 2<sup>o</sup> non est necessarium,
-<span class="pagenum" id="Page_313">[313]</span>
-ut singulae veritates et sententiae sint immediate a Sp. S<sup>o</sup>. ipsi
-scriptori inspiratae. <ins id="cor_32" title="3{9}">3<sup>o</sup></ins> liber aliquis (qualis forte est secundus
-Machabaeorum) humana industria sine assistentia Sp. S<sup>i</sup>. scriptus,
-si Sp. S<sup>us</sup> postea testetur, ibi nihil esse falsum, efficitur Scriptura
-sacra. Hier wordt de woordinspiratie verworpen, de onmiddellijke
-inspiratie ook van vele zaken, bv. van geschiedenis, die de schrijvers
-wisten, onnoodig geacht, en zelfs bij sommige boeken eene
-later door Bonfrerius zoo genoemde inspiratio subsequens of
-aposteriorische approbatie des H. G. voor voldoende gehouden.
-De faculteiten van Leuven en Douai veroordeelden de stellingen,
-maar andere keurden deze censuur weer af, en de paus nam
-geene beslissing. De twee eerste stellingen vonden veel ingang,
-maar de derde ging al te ver en werd slechts door weinigen
-overgenomen, o. a. door Bonfrerius, Frassenius, Richard Simon,
-Histoire critique du N. T. 1689 ch. 23, en in deze eeuw nog
-door den bisschop van Spiers, Haneberg, Gesch. der bibl. Offenbarung,
-3<sup>e</sup> Aufl. 1863. Eene andere richting wordt vertegenwoordigd
-door Mariana, Tract. varii VIII, <ins id="cor_33" title="El">Ed</ins>. du Pin, Dissert. préliminaire
-tom. I Paris 1701. J. Jahn, Introductio in libros Vet.
-Test. 1814 en vat de inspiratie op als eene louter negatieve
-assistentie des H. G., waardoor de schrijvers voor dwaling werden
-behoed. Beide deze richtingen hielden vast aan de feilloosheid
-der H. Schrift, maar vereenzelvigden deze feitelijke uitkomst met
-den goddelijken oorsprong der Schrift. Daarentegen werd de
-onfeilbaarheid in zaken, die niet in engeren zin religieus-ethisch
-waren, prijsgegeven en de inspiratie tot het eigenlijk dogmatisch-ethische
-beperkt door Erasmus, op Mt. 2, Hd. 10, en
-Apologia adv. monachos quosdam Hispanos, Abbé Le Noir,
-Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible Paris 1880,
-de Broglie, Langen in Bonn, Rohling, Natur und Offenbarung
-1872. Verwant is daarmede de voorstelling van Holden,
-doctor der Sorbonne, in zijne Divinae fidei analysis 1770 en
-Chrismann, Regula fidei catholicae, die bij de geloofs- en
-zedewaarheden eene eigenlijke inspiratie aannamen maar bij den
-overigen inhoud der Schrift slechts zulk eene assistentie leerden,
-als welke alle geloovigen genieten. Van gelijke strekking is ook
-de opvatting in de Roomsche Tübinger school, wier vertegenwoordigers
-Drey, Apologetik 1838 S. 204 f. Kuhn, Einl. in die
-Dogmatik 1859 S. 9 f. Schanz, Apol. des Christ. II 318 f. enz.
-<span class="pagenum" id="Page_314">[314]</span>
-onder invloed van Schleiermacher, de inspiratie in verband brachten
-met heel het organisme der openbaring, en in verschillende
-mate tot de verschillende deelen der Schrift zich lieten uitstrekken.
-De meeste Roomsche theologen na de Reformatie bewandelen
-een middenweg. Zij verwerpen eenerzijds de laxe inspiratie
-die alleen in negatieve assistentie of posterieure approbatie zou
-bestaan hebben, want dan waren alle besluiten der concilien, dan
-was al het ware geinspireerd te noemen. Anderzijds ontkennen
-zij ook de strenge inspiratio verbalis, volgens welke alle zaken
-niet alleen maar ook zelfs alle singula verba gedicteerd en
-ingegeven zijn, want vele zaken en woorden waren den schrijvers
-bekend en behoefden dus niet geinspireerd te worden; het verschil
-in taal en stijl, het gebruik van bronnen enz. bewijst ook
-de onjuistheid der verbale inspiratie. Eene inspiratio realis is dus
-genoeg, die soms bepaald openbaring, soms echter assistentie is.
-Deze theorie vinden wij bij Bellarminus, de Verbo Dei. I c. 14.
-cf. de Conc. II c. 12. XII c. 14. C. a Lapide op 2 Tim. 3:16.
-de Theologia Wirceburgensis, disp. 1 cap. 1. Marchini, de divinitate
-et canonicitate sacr. Bibl. Pars 1 art. 7. Liebermann,
-Instit. theol. ed. 8. 1857 I p. 385 sq. Perrone, Praelect. Theol.
-IX 1843 p. 66 sq. Heinrich, Dogm. I 382 f. Franzelin, Tractatus
-de div. Script. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 50. H. Denzinger,
-Vier Bücher von der relig. Erk. II 108 f. F. Schmid,
-de inspirationis Bibl. vi et ratione. Jansen, Praelect. theol. I
-767 sq. Zie verder over deze verschillende theorieën van de
-inspiratie Perrone ib. IX 58 sq. Jansen, ib. 762 sq. P. Dansch,
-Die Schriftinspiration 1891. S. 145 f. Het Vaticanum droeg wel
-geen bepaalde theorie voor, maar veroordeelde toch beslist die
-van de inspiratio subsequens en de mera assistentia, en verklaarde,
-na het Trentsche besluit te hebben herhaald, dat de kerk die
-boeken voor heilig en kanoniek erkent, niet omdat zij sola industria
-humana concinnati, sua (d. i. der kerk) deinde autoritate
-sint approbati; noch ook, omdat zij revelationem sine errore
-contineant; maar daarom dat zij Spiritu Sancto inspirante conscripti
-Deum habent auctorem, atque ut tales ipsi ecclesiae
-traditi sunt. In can. 2, 4 noemt het concilie de boeken nog eens
-divinitus inspiratos. In cap. 3 de fide zegt het, dat fide divina
-et catholica ea omnia credenda sunt, quae in verbo Dei scripto
-vel tradito continentur. Dit besluit laat aan duidelijkheid niets
-<span class="pagenum" id="Page_315">[315]</span>
-te wenschen over. De Roomsche kerk vat de inspiratie op als
-eene positieve inwerking van Gods Geest en houdt de onfeilbaarheid
-der Schrift vast. En de encycliek van Leo XIII de studiis
-Scripturae sacrae 18 Nov. 1893 is geschreven in ditzelfde geloof.</p>
-
-<p class="sep2">7. De Hervormers namen de Schrift en hare theopneustie
-aan, gelijk hun die door de kerk was overgeleverd. Luther heeft
-nu en dan van uit zijn soteriologisch standpunt over sommige
-boeken, Esther, Ezra, Neh., Jakobus, Judas, Openb. een ongunstig
-oordeel geveld en kleinere onjuistheden toegegeven, maar toch
-aan de andere zijde de inspiratie in den strengsten zin vastgehouden
-en tot de letters toe uitgebreid. Bretschneider, Luther
-an unsere Zeit 1817. Schenkel, Das Wesen der Protest. II 56 f.
-Köstlin, Luthers Theologie II 246 f. W. Rohnert, Was lehrt L.
-von der Insp. der H. Schrift. Leipzig 1890. Fr. Pieper, Luthers
-doctrine of inspiration, Presbyt. and Ref. Rev. April 1893 p.
-249-266. De Luthersche symbolen hebben geen afzonderlijk
-artikel over de Schrift, maar onderstellen haar goddelijken oorsprong
-en autoriteit allerwege, Conf. Aug. praef. 8. art. 7. Art.
-Smalc. II art. 2. 15. Form. Conc. Pars I Epit. de comp. regula
-atque norma 1. De Luthersche dogmatici, Melanchton in de
-praefatio voor zijne loci, Chemniz, Examen Conc. Trid. Loc. 1.
-Gerhard, Loci Theol. loc. 1. enz. hebben allen dezelfde opvatting.
-Niet eerst Quenstedt en Calovius, maar reeds Gerhard noemt
-de schrijvers Dei amanuenses, Christi manus et Spiritus Sancti
-tabelliones sive notarios, ib. loc. 1. cap. 2 §&nbsp;18. Lateren hebben
-het beginsel slechts verder ontwikkeld en toegepast, Heppe, Dogmatik
-des deutschen Prot. I. 207-257. Hase Hutt. Rediv. §&nbsp;38
-f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. cap. 4. Rohnert, Die Inspiration
-der H. Schrift 169 f. Koelling, Die Lehre von der
-Theopneustie 1891. S. 212 f. Bij de Gereformeerden treffen we
-dezelfde leer over de Schrift aan. Zwingli stelt het uitwendig
-woord dikwerf achter bij het inwendig, geeft historische en chronologische
-onnauwkeurigheden toe, en breidt de inspiratie soms
-tot heidensche schrijvers uit, Zeller, Das theol. System Zwingli’s
-137 f. Chr. Sigwart, Ulr. Zwingli 45 f. Maar Calvijn houdt de
-Schrift in vollen en letterlijken zin voor Gods woord, Instit. I.
-c. 7-8, Comm. op 2 Tim. 3:16 en 2 Petr. 1:20; hij erkent
-den brief aan de Hebreën wel niet voor paulinisch maar toch
-<span class="pagenum" id="Page_316">[316]</span>
-voor kanoniek, en neemt Mt. 22:9, 23:25 eene fout aan,
-maar niet in de autographa, Cramer, De Schriftbeschouwing
-van Calvijn. Heraut. n<sup>o</sup>. 26 v. Moore, Calvins doctrine of holy
-Scripture, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893 p. 49 etc. De Geref.
-confessies hebben meest een artikel over de H. Schrift en spreken
-haar goddelijk gezag duidelijk uit, I Helv. 1-3. II Helv. 1. 2.
-13. 18. Gall. 5. Belg. 3. Angl. 6. Scot. 18 enz.; en de Geref.
-theologen nemen allen zonder onderscheid ditzelfde standpunt in,
-Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col.
-319-451. Junius, Theses Theol. cap. 2. Polanus, Synt. Theol.
-I 15. Synopsis, disp. 2. Voetius, Disp. Sel. I. 30 sq. etc. Cramer,
-De roomsch-kath. en oudprot. Schriftbeschouwing. Heraut n<sup>o</sup>. 26 v.
-Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 9 f. Eene enkele maal is er
-eene zwakke poging tot meer organische beschouwing te bespeuren.
-De inspiratie bestond niet altijd in openbaring, maar, als het
-bekende zaken gold, in assistentia en directio; de schrijvers waren
-niet altijd passief, maar ook wel actief, zoodat ze hun eigen
-verstand, geheugen, oordeel, stijl gebruikten, maar zoo, dat ze
-toch door den H. G. werden geleid en voor dwaling behoed,
-Synopsis 3:7. Rivetus, Isag. seu introd. generalis ad Script. V.
-et N. T. cap. 2. Heidegger, Corpus Theol. loc. 2. §&nbsp;33. 34,
-maar ook daarmede werd aan de goddelijkheid en onfeilbaarheid
-van de Schrift niet de minste afbreuk gedaan. De schrijvers
-waren geen auctores, maar scriptores, amanuenses, notarii, manus,
-calami Dei. De inspiratie was niet negatief maar altijd positief,
-een impulsus ad scribendum en eene suggestio rerum et verborum.
-Zij deelde niet alleen onbekende maar ook reeds bekende zaken
-en woorden mede, want de schrijvers moesten deze dan toch
-juist nu en juist zóó, niet alleen materialiter maar ook formaliter,
-niet alleen humane maar ook divine weten, Schmid, Dogm. der
-ev. luth. K. 23, 24. Voetius, Disp. I 30. De inspiratie strekte
-zich uit tot alle chronol. histor. geogr. zaken, tot de woorden,
-zelfs tot vokalen en teekens. J. Buxtorf, Tract. de punctorum
-origine, autiquitate et auctoritate 1648. Anticritica 1653. Alsted,
-Praecognita Theol. p. 276. Polanus, Synt. Theol. I p. 75. Voetius,
-Disp. I 34. Cons. Helv. art. 2. Barbarismen en soloecismen
-werden in de H. S. niet aangenomen. Verschil van stijl werd
-verklaard uit den wil des H. G., die nu zoo en dan anders
-wilde schrijven, Quenstedt en Hollaz bij Rohnert, Die Inspir.
-<span class="pagenum" id="Page_317">[317]</span>
-der H. Schrift 205. 208. Winer, Grammatik des N. T. Sprachidioms,
-6<sup>e</sup> Aufl. 11 f. Voetius ib. Gomarus, Op. 601. Materialiter,
-wat letters, syllaben en woorden aangaat, is de Schrift e sensu
-creaturarum, maar formaliter, wat den sensus θεοπνευστον betreft,
-male creaturis accensetur, cum sit mens, consilium, sapientia
-Dei. Hollaz, Exam. ed. Teller p. 992, bij Dausch 112. In 1714
-schreef Nitzsche in Gotha, volgens Tholuck, Vermischte Schriften
-II 86, eene dissertatie over de vraag, of de H. Schrift zelve
-God ware.</p>
-
-<p class="sep2">8. Maar toen de inspiratietheorie, evenals bij de Joden en
-de Mohammedanen, zoo haar uiterste consequentie getrokken had,
-kwam van alle kant de bestrijding op. Ook in vroegeren tijd
-ontbrak het niet aan kritiek op de Schrift. Jojakim verbrandde
-de rol van Baruch, Jer. 36. Apion vatte alle beschuldigingen
-saam, die door de Heidenen tegen de Joden werden ingebracht
-aangaande de besnijdenis, het verbod van zwijnenvleesch, den
-uittocht uit Egypte, het verblijf in de woestijn, enz. Josephus,
-contra Apionem, J. G. Muller, Des Flavius Josephus’ Schrift
-gegen den Apion 1877. De Gnostieken, Manicheën en de hun
-verwante secten in de Middeleeuwen rukten het N. Test. los van
-het Oude, en schreven dit aan een lageren god, den demiurg,
-toe. Vooral Marcion in zijne Antitheses, en zijne leerlingen
-Apelles en Tatianus, uitgaande van de paulinische tegenstelling
-van gerechtigheid en genade, wet en evangelie, werken en geloof,
-vleesch en geest, richtten hun aanval tegen de anthropomorfismen,
-de tegenstrijdigheden, de onzedelijkheid van het O. T.,
-en zeiden, dat een God, die toornt, berouw heeft, zich wreekt,
-jaloersch is, diefstal en leugen beveelt, nederdaalt, eene strenge
-wet geeft enz. niet de ware God kan zijn. Ook wezen ze met
-voorliefde op het groote verschil tusschen Christus, den waren
-Messias, en den Messias, gelijk de profeten hem verwachtten.
-Van het N. T. verwierp Marcion alle geschriften behalve die van
-Lukas en Paulus, en bedierf ook deze nog door verkorting en
-interpolatie, Tertullianus, adv. Marcionem. Epiphanius, Haer. 42.
-Irenaeus, adv. haer. passim. Harnack, Dogmengesch. I 226 f.
-Celsus zette dezen strijd op scherpzinnige wijze voort en leverde
-eene scherpe kritiek op de eerste hoofdstukken van Genesis, de
-scheppingsdagen, de schepping des menschen, de verzoeking, den
-<span class="pagenum" id="Page_318">[318]</span>
-val, den zondvloed, de ark, Babels torenbouw, de verwoesting
-van Sodom en Gomorra, en voorts op Jona, Daniël, de bovennatuurlijke
-geboorte van Jezus, den doop, de opstanding, de
-wonderen en beschuldigde Jezus en de apostelen, bij gebrek aan
-betere verklaring, van bedrog. Porphyrius maakte een aanvang
-met de historische kritiek der Bijbelboeken; hij bestreed de allegorische
-exegese des O. T., schreef den Pentateuch aan Ezra toe,
-hield Daniël voor een product uit den tijd van Antiochus, en
-onderwierp ook vele verhalen in de Evangeliën aan een scherpe
-kritiek. Julianus heeft later al deze aanvallen tegen de Schrift
-in zijne Λογοι κατα χριστιανων nog eens vernieuwd. Maar daarmede
-was het einde der toenmalige kritiek bereikt. De Schrift
-kwam tot algemeene en onbetwiste heerschappij; de kritiek werd
-vergeten. Zij herleefde in de Renaissance, maar werd toen nog
-een tijd lang door de Reformatie en de Roomsche contra-reformatie
-bedwongen. Straks verhief ze zich op nieuw, in het
-rationalisme, het deïsme en de Fransche philosophie. Eerst richtte
-zij zich meer tegen den inhoud der Schrift in de rationeele achttiende
-eeuw; daarna meer tegen de echtheid der geschriften in de historisch
-gezinde negentiende eeuw. Porphyrius vervangt Celsus, Renan volgt
-na Voltaire, Paulus van Heidelberg maakt plaats voor Strauss en
-Baur. Maar het resultaat blijft altijd hetzelfde, de Schrift is een
-boek vol dwaling en leugen.</p>
-
-<p>Ten gevolge van deze kritiek hebben velen de leer der inspiratie
-gewijzigd. Eerst wordt de inspiratie nog wel vastgehouden
-als eene bovennatuurlijke werking des H. G. bij het schrijven,
-maar tot het religieus-ethische beperkt; bij het chronologische,
-historische enz. wordt zij verzwakt of ontkend, zoodat hier grootere
-of kleinere fouten kunnen voorkomen. Het Woord Gods is
-te onderscheiden van de H. Schrift. Zoo leerden reeds de Socinianen.
-De schrijvers van O. en N. T. hebben wel geschreven
-divino spiritu impulsi eoque dictante, maar het O. T. heeft slechts
-historische waarde, alleen de leer is onmiddellijk geinspireerd, in
-het overige is een leviter errare mogelijk, Fock, Der Socin. 326
-f. De Remonstranten namen hetzelfde standpunt in. Zij erkennen
-de inspiratie, Conf. art. 1, maar geven toe, dat de schrijvers zich
-soms minder exacte et praecise hebben uitgedrukt, Limborch,
-Theol. Christ. I c. 4 §&nbsp;10, of soms ook in de circumstantiae
-fidei hebben gedwaald, Episcopius, Instit. Theol. IV 1 cap. 4,
-<span class="pagenum" id="Page_319">[319]</span>
-of sterker nog bij de historische boeken geen inspiratie behoefden
-noch ontvingen, H. Grotius, Votum pro pace ecclesiae, Clericus,
-bij Dr. Cramer, De geschied. van het leerstuk der inspiratie in
-de laatste twee eeuwen 1887, bl. 24. Dezelfde leer over de
-inspiratie vinden wij dan bij S. J. Baumgarten, J. G. Töllner,
-Semler, Michaelis, Reinhard, Dogm. §&nbsp;19. Vinke, Theol. Christ.
-Dogm. Comp. 1853 p. 53-57. Egeling, Weg der Zaligheid,
-3<sup>e</sup> dr. II 612, enz. Maar deze theorie stuitte toch op vele bezwaren.
-De scheiding tusschen hetgeen ter zaligheid noodig is en
-het bijkomstig historische is onmogelijk, wijl leer en geschiedenis
-in de Schrift geheel zijn dooreengeweven. Zij doet te kort aan de
-bewustheid der schrijvers, die hun gezag volstrekt niet tot het
-religieus-ethische beperken maar uitbreiden tot den ganschen inhoud
-hunner geschriften. Zij is in strijd met het gebruik der Schrift
-door Jezus, de apostelen en heel de christ. kerk. Deze dualistische
-opvatting maakte daarom plaats voor eene andere, de dynamische
-van Schleiermacher, Christ. Gl. §&nbsp;128-132. Zij bestaat
-hierin, dat de theopneustie van intellectueel op ethisch gebied
-wordt overgebracht. De inspiratie is niet in de eerste plaats eene
-eigenschap van de Schrift maar van de schrijvers. Dezen waren
-wedergeboren, heilige mannen; ze leefden in de nabijheid van
-Jezus, ondergingen zijn invloed, verkeerden in den heiligen kring
-der openbaring en werden alzoo vernieuwd, ook in hun denken
-en spreken. De inspiratie is de habitueele eigenschap der schrijvers.
-Hier deelen ook hunne geschriften in; ook zij dragen
-een nieuw, heilig karakter. Maar deze inspiratie der schrijvers is
-daarom niet essentieel, maar slechts gradueel van die van alle
-geloovigen onderscheiden, want alle geloovigen worden geleid door
-den H. Geest. Zij mag ook niet mechanisch worden opgevat,
-alsof zij slechts nu en dan en bij sommige onderwerpen het deel
-der schrijvers was. Gods Woord is niet mechanisch in de Schrift
-vervat gelijk de schilderij in de lijst, maar het doordringt en
-bezielt alle deelen der Schrift, gelijk de ziel alle leden des lichaams.
-Echter zijn niet alle deelen der Schrift deze inspiratie, dit woord
-Gods, in gelijke mate deelachtig; hoe dichter iets ligt bij het
-centrum der openbaring, hoe meer het ook den Geest Gods ademt.
-De Schrift is daarom tegelijk een goddelijk en een menschelijk
-boek, eenerzijds de hoogste waarheid bevattend en toch tevens
-zwak, feilbaar, onvolmaakt; niet de openbaring zelve maar oorkonde
-<span class="pagenum" id="Page_320">[320]</span>
-der openbaring; niet het woord Gods zelf maar beschrijving
-van dat woord; gebrekkig in velerlei opzicht maar toch een
-voldoend instrument voor ons, om tot eene feillooze kennis van
-de openbaring te geraken. Ten slotte is ook niet de Schrift, maar
-de persoon van Christus of in het algemeen de openbaring het
-principium der theologie. Natuurlijk laat deze theorie der inspiratie
-zeer vele wijzigingen toe; de theopneustie kan in meer of
-minder innig verband tot de openbaring worden gesteld, de
-werking des H. Geestes kan meer of minder positief worden
-opgevat, de mogelijkheid van dwaling kan meer of minder ver
-worden toegegeven. Maar de grondgedachten blijven toch dezelfde;
-de inspiratie is in de eerste plaats eene eigenschap van de schrijvers
-en daarna van hunne geschriften, zij is niet een momentane
-akte of eene bijzondere gave des H. Geestes maar eene habitueele
-eigenschap, zij werkt zoo dynamisch, dat mogelijkheid van dwaling
-niet in alle deelen wordt uitgesloten. Deze theorie heeft de oude
-leer der inspiratie bijna geheel vervangen. Er zijn slechts weinige
-theologen meer, die niet in hoofdzaak haar hebben overgenomen.
-Zie Rothe, Zur Dogm. 121 f. Twesten, Vorles. I 401 f. Dorner,
-Glaub. I 620 f. Lange, Dogm. I §&nbsp;76 f. Tholuck, art. Inspir.
-in Herzog<sup>1</sup>. Cremer, id. in Herzog<sup>2</sup>. Hofmann, Weiss. u. Erf. I 25
-f. Id. Schriftbeweis, 2<sup>e</sup> Aufl. I 670 f. III 98 f. Beck, Vorles. über
-christl. Glaub. I 424-530, Einleitung in das System der christl.
-Lehre, 2<sup>e</sup> Aufl. §&nbsp;82 f. Kahnis, Luth. Dogm. I 254-301.
-Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Id. Syst. der chr.
-Wahrheit, 2<sup>e</sup> Aufl. II. 409 f. Gess, Die Inspiration der Helden
-der Bibel und der Schriften der Bibel, Basel 1892. W. Volck,
-Zur Lehre von der H. Schrift, Dorpat 1885. Grau, Bew. d. Glaubens
-Juni 1890, S. 225 f. Zöckler, Bew. d. Gl. April 1892 S. 150 f.
-Kähler, Wiss. der chr. Lehre, 1884, S. 388 f. Kübel, Ueber
-den Unterscheid zw. der posit. u. der liber. Richtung in der mod.
-Theol. 2<sup>e</sup> Aufl. S. 216 f. Pareau et H. de Groot, Comp. dogm.
-et apol. Christ. 1848 p. 200 sq. H. de Groot, De Gron. Godgel.
-1855 bl. 59 v. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 49-61.
-Roozemeyer, Stemmen v. W. en Vr. Juli 1891. Dr. Is. van
-Dijk, Verkeerd Bijbelgebruik 1891. Daubanton, De theopneustie
-der H. Schrift 1882. Oosterzee, Dogmatiek §&nbsp;35 v. Id. Theopneustie
-1882. Doedes, Leer der zaligheid §&nbsp;1-9. Id. De Ned. Geloofsbel.
-bl. 11-36. R. F. Horton, Inspiration and the Bible 4 ed. London
-<span class="pagenum" id="Page_321">[321]</span>
-1889. C. Gore, Lux mundi, 13 ed. London 1892, p. 247.
-Farrar and others, Inspiration, a clerical symposium, 2 ed.
-Londen 1888. W. Gladden, Who wrote the Bible, Boston, Houghton
-1891. C. A. Briggs, Inspiration and inerrancy, with papers
-upon biblical scholarship and inspiration by L. J. Evans and
-H. P. Smiths, and an introduction by A. B. Bruce, London 1891.
-J. de Witt, Inspiration 1893 enz. Ook Ritschl en zijne school
-mag hier bijgenoemd worden, in zoover deze tegenover de bewustzijnstheologie
-op de objectieve openbaring in Christus nadruk
-legt en in verband daarmede ook de Schrift tracht te waardeeren,
-A. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II<sup>2</sup> 9 f. W. Herrmann, Die Bedeutung
-der Inspirationslehre für die ev. Kirche, Halle 1882.
-Kaftan, Wesen der christl. Rel. 1881 S. 307 f. Nitzsch, Lehrb.
-der ev. Dogm. 212-252. E. Haupt, Die Bedeutung der H.
-Schrift für den evang. Christen, Gütersloh 1891 enz. Maar deze
-theorie bevredigt noch de gemeente noch ook de zoogenaamde
-wetenschap. De kritische bezwaren tegen de Schrift gelden niet
-de peripherie maar het centrum zelf der openbaring. Daarom
-zijn anderen nog verder gegaan en hebben heel de inspiratie als
-eene bovennatuurlijke werking van Gods Geest ontkend. De Bijbel
-is eene toevallige verzameling van menschelijke geschriften, zij
-het ook geschreven door mannen met een diep religieus gemoed
-en ontstaan onder een volk, dat bij uitnemendheid het volk van
-den godsdienst mag heeten. Van openbaring en ingeving is er
-dan nog slechts in overdrachtelijken zin sprake. Hoogstens is er
-eene bijzondere leiding van Gods algemeene voorzienigheid in
-het ontstaan en de verzameling dier geschriften op te merken.
-De inspiratie is alleen gradueel verschillend van de religieuse
-bezieling, waarin alle vromen deelen, Spinoza, Tract. theol. polit.
-cap. 12. Wegscheider, Instit. theol. §&nbsp;13. Strauss, Glaub. I 136 f.
-Schweizer, Glaub. I 43 f. 179 f. Biedermann, Dogm. §&nbsp;179-208.
-Pfleiderer, Grundriss §&nbsp;39 f. Lipsius, Dogm. §&nbsp;179 f.
-Scholten, L. H. K. I 78 v. Toch is het opmerkelijk, dat al deze
-mannen nog tot op zekere hoogte de religieuse waarde der Schrift
-blijven erkennen. Zij zien in haar niet alleen eene bron voor de
-kennis van Israël en van het eerste Christendom, maar trachten
-haar ook nog te handhaven als een genademiddel tot kweeking
-van het religieus-ethische leven, cf. Bruining, Theol. Tijdschr.
-Nov. 1894 bl. 587 v. In zoover onderscheiden zij zich gunstig
-<span class="pagenum" id="Page_322">[322]</span>
-van alle radikalen, die met de Schrift geheel hebben afgerekend,
-alle piëteit voor haar hebben uitgeschud en niets dan spot en
-verachting voor haar over hebben. Hiervan waren in de eerste
-eeuwen Celsus en Lucianus de tolken; tegen het einde der Middeleeuwen
-vond de lastering van de tres impostores ingang; in
-de 18<sup>e</sup> eeuw werd aan dezen haat tegen het Christendom uiting
-gegeven door Voltaire, die van 1760 af voor het Christendom
-geen anderen naam had dan l’infâme en sedert 1764 zijne brieven
-meest onderteekende met écrasez l’infâme; en in deze eeuw is
-deze vijandschap tegen Christus en zijn woord nog toegenomen
-en uitgebreid.</p>
-
-<p>Tegenover al deze meer of min negatieve richtingen wordt de
-inspiratie der Schrift in positieven en vollen zin nog in deze
-eeuw erkend en verdedigd, behalve door Roomsche theologen,
-door I. da Costa, Over de godd. ingeving der H. S., uitgeg. door
-Ds. Eggestein, Rott. Bredée 1884. Dr. A. Kuyper, De Schrift
-het woord Gods, Tiel 1870. Id. De hedend. Schriftcritiek, Amst.
-1881. Toorenenbergen, Bijdragen tot de verklaring, toetsing
-en ontwikkeling van de leer der Herv. Kerk, 1865, bl. 9 v.
-L. Gaussen, Theopneustie ou inspiration plénaire des S. Ecritures
-1840. Id. Le Canon des S. Ecr. 1860. J. H. Merle d’Aubigné,
-L’autorité des Ecritures 1850. A. de Gasparin, Les écoles du
-doute et l’école de la foi 1853. Philippi, Kirchl. Glaub. 3<sup>e</sup> Aufl.
-1883 I 125 f. Vilmar, Dogm. herausgeg. von Piderit, Gütersloh
-1874 I 91 f. W. Rohnert, Die Inspiration der H. Schrift u.
-ihre Bestreiter, Leipzig 1889. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie,
-Breslau 1891. Henderson, Divine Inspiration 1836. Rob.
-Haldane, The verbal inspiration of the old and new test. Edinb.
-1830. Th. H. Horne, An introduction to the critical study and
-knowledge of the holy scriptures, 2<sup>e</sup> ed. London 1821 4 vol.
-vol. I. Eleazar Lord, The plenary inspiration of the holy Scripture,
-New-York 1858, ’9. W. Lee, The inspiration of holy Scripture,
-its nature and proof. 3<sup>e</sup> ed. Dublin 1864. Hodge, System. Theol.
-I 151. Shedd, Dogm. Theol. I 61 B. Warfield, The real problem
-of inspiration, Presb. and Ref. Rev. Apr. 1893 p. 177-221.
-W. E. Gladstone, The impregnable rock of holy Scripture, 2
-ed. London 1892.</p>
-
-<div class="pagenum" id="Page_323">[323]</div>
-
-<h4>C. De inspiratie naar de Schrift.</h4>
-
-<p>9. Het Oude Testament levert voor de leer der inspiratie
-de volgende belangrijke momenten: a) de profeten weten zich in
-een bepaald oogenblik van hun leven door den Heere geroepen,
-Exod. 3; 1 Sam. 3; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Am. 3:7, 8,
-7:15. De roeping ging menigmaal in tegen hun eigen wensch
-en begeerte, Ex. 3; Jer. 20:7; Am. 3:8, maar Jahveh is hun
-te sterk geweest. De overtuiging onder Israel was algemeen, dat
-de profeten gezanten Gods waren, Jer. 26:5, 7:15, door Hem
-verwekt en gezonden, Jer. 29:15; Deut. 18:15; Num. 11:29;
-2 Chron. 36:15, zijne knechten, 2 Kon. 17:23, 21:10, 24:2;
-Ezra 9:11; Ps. 105:15 enz., staande voor zijn aangezicht,
-1 Kon. 17:1; 2 Kon. 3:14, 5:16. b) Zij zijn zich bewust,
-dat Jahveh tot hen gesproken heeft, en zij van Hem de openbaring
-hebben ontvangen. Hij leert hen, wat zij spreken zullen,
-Ex. 2:12; Deut. 18:18, legt de woorden in hun mond, Num.
-22:38, 23:5; Deut. 18:18, spreekt tot hen, Hos. 1:2; Hab.
-2:1; Zach. 1:9, 13, 2:2, 7, 4:1, 4, 11, 5:5, 10, 6:4;
-Num. 12:2, 8; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:28. Vooral wordt
-de formule gebruikt: alzoo zegt de Heere, of: het woord des
-Heeren geschiedde tot mij, of: woord, godspraak, נאם part. pass,
-het gesprokene van Jahveh. Heel de Oudtest. Schrift is vol van
-deze uitdrukking. Keer op keer wordt de profetische rede daardoor
-ingeleid. Zelfs wordt Jahveh telkens sprekende in den eersten
-persoon ingevoerd, Jos. 24:2; Jes. 1:1, 2, 8:1, 11; Jer. 1
-vs. 2, 4, 11, 2:1, 7:1; Ezech. 1:3, 2:1; Hos. 1:1; Joël 1:1;
-Am. 2:1 enz. Eigenlijk is het Jahveh, die door hen spreekt,
-2 Sam. 23:1, 2, die door hun mond spreekt, Ex. 4:12, 15;
-Num. 23:5, door hun dienst, Hagg. 1:1; 2 Kon. 17:13. Heel
-hun woord is gedekt door ’t gezag van Jahveh. c) Deze bewustheid
-is bij de profeten zoo klaar en vast, dat zij zelfs de plaats
-en den tijd aangeven, waar Jahveh tot hen sprak en onderscheid
-maken tusschen tijden, waarin Hij wel en waarin Hij niet tot
-hen sprak, Jes. 16:13, 14; Jer. 3:6, 13:3, 26:1, 27:1;
-28:1, 33:1, 34:1, 35:1, 36:1, 49:34; Ezech. 3:16, 8:1,
-12:8; Hagg. 1:1; Zach. 1:1 enz. En daarbij is die bewustheid
-zoo objectief, dat zij zichzelf duidelijk onderscheiden van Jahveh;
-<span class="pagenum" id="Page_324">[324]</span>
-Hij spreekt tot hen, Jes. 8:1, 51:16, 59:21; Jer. 1:9, 3:6,
-5:14; Ez. 3:26 enz., en zij luisteren met hun ooren en zien
-met hun oogen, Jes. 5:9, 6:8, 21:3, 10, 22:14, 28:22;
-Jer. 23:18, 49:14; Ezech. 2:8, 3:10, 17, 33:7, 40:4,
-44:5; Hab. 3:2, 16; 2 Sam. 7:27; Job 33:16, 36:10, en
-nemen de woorden van Jahveh in zich op, Jer. 15:16; Ezech.
-3:1-3. d) Vandaar dat zij eene scherpe tegenstelling maken
-tusschen wat God hun geopenbaard heeft en hetgeen er opkomt
-uit hun eigen hart, Num. 16:28, 24:13; 1 Kon. 12:33; Neh.
-6:8; Ps. 41:6, 7. Zij leggen den valschen profeten juist ten
-laste, dat dezen spreken uit eigen hart, Ezech. 13:2, 3, 17;
-Jer. 14:14, 23:16, 26; Jes. 59:13, zonder gezonden te zijn,
-Jer. 14:14, 29:9; Ezech. 13:6, zoodat zij leugenprofeten,
-Jer. 23:32; Jes. 9:14; Jer. 14:14, 20:6, 23:21, 22, 26,
-31, 36, 27:14; Ezech. 13:6 v.; Mich. 2:11; Zeph. 3:4;
-Zach. 10:2 en waarzeggers zijn, Jes. 3:2; Mich. 3:5 v. Zach.
-10:2; Jer. 27:9, 29:8; Ezech. 13:9, 12, 21:26, 28, 34;
-Jes. 44:25. König II 163-167. Herzog<sup>2</sup> 16, 726. e) De profeten
-zijn zich eindelijk bewust, sprekende of schrijvende, niet
-hun eigen woord maar het woord des Heeren te verkondigen.
-Trouwens, het woord werd hun niet geopenbaard voor henzelf,
-maar voor anderen. Zij hadden geene vrijheid om het te verbergen.
-Zij moèten spreken, Jer. 20:7, 9; Exod. 3, 4; Ezech. 3;
-Amos 3:8; Jona, en spreken dus niet naar menschelijke gunst
-of berekening, Jes. 56:10; Mich. 3:5, 11. Daarom zijn zij
-juist profeten, sprekers in Jahvehs naam en van zijn woord. En
-daarbij weten zij dan, te moeten geven alwat zij ontvangen hebben,
-Deut. 4:2, 12:32; Jer. 1:7, 17, 26:2, 42:4; Ezech. 3:10.
-En uit een zelfden drang mag en moet ook het schrijven der
-profeten worden afgeleid. De letterlijke teksten, waar een bevel
-tot schrijven wordt gegeven, zijn weinige, Ex. 17:14, 24:3, 4,
-34:27; Num. 33:2; Deut. 4:2, 12:32, 31:19; Jes. 8:1,
-30:8; Jer. 25:13, 30:1, 36:2, 24, 27-32; Ezech. 24:1;
-Dan. 12:4; Hab. 2:2 en slaan maar op een zeer klein gedeelte
-der O. T. Schrift. Maar de schriftelijke opteekening is wel een
-later, maar toch noodzakelijk stadium in de geschiedenis van het
-profetisme. Vele profetieën zijn zeker nooit uitgesproken maar waren
-wel bestemd om gelezen en overdacht te worden. De meeste zijn
-met zorg, zelfs met kunst bewerkt en toonen reeds door hun vorm
-<span class="pagenum" id="Page_325">[325]</span>
-voor het schrift bestemd te zijn. De opteekening der Godspraken
-werd geleid door de gedachte, dat Israël niet meer door daden te
-redden was, dat nu en in verre geslachten de dienst van Jahveh door
-woord en redelijke overtuiging ingang moest vinden, Kuenen, Prof. I
-74, II 345 v. Zij gingen schrijven omdat zij zich richten wilden tot
-anderen, dan alleen degenen, die hen hooren konden. f) Tusschen het
-ontvangen en het gesproken of geschreven woord bestaat verschil.
-Er zou niets vernederends voor de profeten in liggen, indien zij
-het ontvangen woord zoo letterlijk mogelijk hadden opgeteekend.
-Maar de openbaring ging voort ook in ’t moment der theopneustie
-en wijzigde en voltooide de vroegere openbaring, en deze werd
-dus vrij gereproduceerd. Maar daarom juist eischen de profeten
-voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor ’t gesproken
-woord. Zelfs maken de tusschenredenen der profeten tusschen
-de eigenlijke woorden van Jahveh in, bv. Jes. 6, 10:24-12:6,
-31:1-3, 32, of de uitwerking van een woord van Jahveh door
-den profeet, 52:7-12, 63:15-64:12 daarop geene uitzondering.
-De overgang van het woord van Jahveh in het woord van den
-profeet en omgekeerd is menigmaal zoo plotseling, en beide zijn
-zoo ineengestrengeld bijv. Jer. 13:18 v., dat scheiding niet
-mogelijk is. Zij hebben dezelfde autoriteit, Jer. 36:10, 11, 25:3.
-Jesaia noemt 34:16 zijne eigene opgeteekende profetieën het
-Boek van Jahveh. g) De profeten leiden hunne openbaring niet af
-uit de wet. Ofschoon uit hun geschriften de omvang der thora
-niet kan bepaald worden, toch onderstelt de profetie eene thora.
-Alle profeten staan op den grondslag eener wet, zij plaatsen zich
-met hun tegenstanders op eene gemeenschappelijke basis. Zij
-onderstellen allen een door God met Israel gesloten verbond, eene
-genadige verkiezing van Israel, Hos. 1:1-3, 6:7, 8:3; Jerem.
-11:6 v., 14:21, 22:9, 31:31 v.; Ezech. 16:8 v.; Jes. 54:10,
-56:4, 6, 59:21. De profeten zijn niet de scheppers van een
-nieuwen godsdienst, van een ethisch monotheïsme geweest, Kuenen,
-Prof. II 335 v. De verhouding van Jahveh tot Israel was nimmer
-gelijk aan die van Kamos tot Moab, Kuenen, Godsd. van
-Israel I 222. De profeten gewagen nooit van zulk eene tegenstelling
-tusschen hun religie en die des volks. Zij erkennen, dat
-het volk schier alle eeuwen door aan afgoderij zich schuldig heeft
-gemaakt; maar zij beschouwen dat altijd en eenparig als ontrouw
-en afval, <ins id="cor_34" title="zijn">zij</ins> gaan er van uit, dat het volk beter wist. Zij
-<span class="pagenum" id="Page_326">[326]</span>
-knoopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde historie
-zich vast. Zij spreken uit de overtuiging, dat zij met het volk
-denzelfden dienst Gods gemeen hebben, dat Jahveh hen verkoren
-en geroepen heeft tot zijn dienst. Daarin vinden zij hun kracht,
-en daarom toetsen zij het volk aan de van rechtswege tusschen
-hen en Jahveh bestaande verhouding, Hos. 12:14; Mich. 6:4,
-8; Jes. 63:11; Jer. 7:25 enz., König, Die Hauptprobleme der
-altisr. Religionsgeschichte 1884 S. 15 f. 38 f. De thora duidt
-niet alleen onderwijzing Gods in het algemeen aan, maar is meermalen
-ook de naam voor de reeds bestaande, objectieve openbaring
-van Jahveh, Jes. 2:3; Mich. 4:2; Am. 2:4; Hos. 8:1,
-4:6; Jer. 18:18; Ezech. 7:26; Zeph. 3:4. Het verbond Gods
-met Israel, op welks grondslag de profeten met heel het volk
-staan, sluit vanzelf ook allerlei inzettingen en rechten in, en de
-profeten spreken daarom telkens van geboden, Jes. 48:18; Jer.
-8:13, inzettingen Jes. 24:5; Jer. 44:10, 23; Ezech. 5:6, 7,
-11:12, 20, 18:9, 17, 20:11 v., 36:27, 37:24; Am. 2:4;
-Zach. 1:6; Mal. 3:7, 4:4; rechten, Ezech. 5:7, 11:12 enz.
-Deze thora moet hebben bevat de leer van de eenheid van Jahveh,
-van zijne schepping en regeering aller dingen, het verbod der
-afgoderij, en andere godsdienstige en zedelijke geboden, en voorts
-ook allerlei ceremonieele (sabbat, offer, reinheid enz.) en historische
-(schepping, uittocht uit Egypte, bondssluiting enz.) bestanddeelen.
-Over den omvang der thora vóór het profetisme moge
-verschil kunnen bestaan, de verhouding van wet en profeten kan
-niet worden omgekeerd, zonder met heel de geschiedenis van
-Israel en het wezen van het profetisme in botsing te geraken.
-De profeet onder Israel was als het ware die lebendige Stimme
-des Gesetzes und der Vermittler seiner Erfüllung (Staudenmaier).
-De meest negatieve kritiek ziet zich gedwongen, om de persoonlijkheid
-van Mozes en zijn monotheisme, het verblijf in Egypte,
-den uittocht, de verovering van Kanaän enz. nog als historisch
-aan te nemen, ofschoon hun bij hunne kritiek van den Pentateuch
-alle grond daartoe ontbreekt, cf. bijv. Smend, Lehrb. der altt.
-Rel. S. 13 f. h) Het is apriori waarschijnlijk, dat bij een volk,
-zoo lang reeds met de schrijfkunst bekend, Herzog<sup>2</sup> 13, 689 f.
-de wet ook reeds lang in geschreven vorm zal hebben bestaan.
-In Hos. 8:12 schijnt dit ook uitgesproken te zijn, Bredenkamp,
-Gesetz und Proph. 21 f. König, Der Offenbarungsbegriff II 333 f.
-<span class="pagenum" id="Page_327">[327]</span>
-Deze thora had van den aanvang af gezag onder Israel. Van
-twijfel of bestrijding is niets bekend. Mozes nam onder alle profeten
-eene geheel eenige plaats in, Ex. 33:11; Num. 12:6-8;
-Deut. 18:18; Ps. 103:7, 106:23; Jes. 63:11; Jer. 15:1
-enz. Hij stond tot Jahveh in eene bijzondere relatie; de Heere
-sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Hij was de Middelaar
-des O. Testaments. Overal schrijft de wet zich zelve een
-goddelijken oorsprong toe. Het is Jahveh, die door Mozes aan
-Israel de thora gegeven heeft. Niet alleen de tien woorden Ex.
-20 en het Bondsboek Ex. 21-23; maar ook alle andere wetten
-worden uit een spreken Gods tot Mozes afgeleid. Elk oogenblik
-komt in de wetten van den Pentateuch de formule voor: de
-Heere zeide of sprak tot Mozes. Ieder hoofdstuk haast begint er
-mede, Ex. 25:1, 30:11, 17, 22, 31:1, 32:9 enz.; Lev. 1:1,
-4:1, 6:1 enz.; Num. 1:1, 2:1, 3:44, 4:1 enz. En Deuteronomium
-wil niets geven dan wat Mozes tot de kinderen Israels
-gesproken heeft, Deut. 1:6, 2:1, 2, 17, 3:2, 5:2, 6:1 enz.
-i) De historische boeken des O. T. zijn alle door profeten en in
-profetischen geest geschreven, 1 Kron. 29:29; 2 Kron. 9:29,
-20:34 enz. De profeten verwijzen in hunne toespraken en geschriften
-niet alleen herhaaldelijk naar Israels geschiedenis, maar
-zij zijn het ook, die deze bewaard, bewerkt en ons overgeleverd
-hebben. Maar zij bedoelen daarmede geenszins, om ons een getrouw
-en aaneengeschakeld verhaal te verschaffen van de lotgevallen van
-het Israelietische volk, gelijk andere geschiedschrijvers dat beoogen.
-De profeten stellen zich ook in de historische boeken des O. T.
-op den grondslag der thora en beschouwen en beschrijven van uit
-haar standpunt de geschiedenis van Israel, Richt. 2:6-3:6;
-2 Kon. 17:7-23, 34-41. De historische boeken zijn de commentaar
-in feiten van het verbond Gods met Israel. Zij zijn geen
-geschiedenis in onzen zin maar profetie, en willen naar een anderen
-maatstaf beoordeeld zijn dan de geschiedboeken der andere volken.
-Het is hun niet daarom te doen, dat wij nauwkeurige kennis
-zouden verkrijgen van Israels geschiedenis, maar dat wij in de
-historie van Israel de openbaring Gods, zijne gedachte en zijn
-raad zouden verstaan. De profeten zijn altijd verkondigers van
-het woord van Jahveh, zoowel waar zij achterwaarts zien in de
-historie als wanneer zij vooruit blikken in de toekomst. j) Wat
-eindelijk de in engeren zin poëtische boeken betreft, die in den
-<span class="pagenum" id="Page_328">[328]</span>
-kanon zijn opgenomen, deze dragen alle evenals de andere O. T.
-geschriften een religieus-ethisch karakter. Zij onderstellen de openbaring
-Gods als haar objectieven grondslag en laten de uitwerking
-en toepassing zien van die openbaring in de verschillende
-toestanden en verhoudingen van het menschelijk leven. De Prediker
-schetst de ijdelheid der wereld zonder en tegenover de vreeze
-des Heeren. Job houdt zich bezig met het probleem van de
-gerechtigheid Gods en het lijden der vromen. De Spreuken
-schilderen ons de ware wijsheid in hare toepassing op het rijke
-menschenleven. Het Hooglied bezingt de innigheid en de kracht
-der liefde. En de Psalmen doen in den spiegel van de ervaringen
-der vromen Gods menigvuldige genade ons zien. De lyrische en
-didactische poëzie treedt onder Israel in den dienst van de openbaring
-Gods. Volgens 2 Sam. 23:1-3 sprak David, de liefelijke
-in zangen Israels, door den Geest van Jahveh en was diens woord
-op zijne tong. k) Naarmate de verschillende geschriften des O.
-T. ontstonden en bekend werden, werden zij ook als gezaghebbend
-erkend. De wetten van Jahveh werden in het heiligdom gelegd,
-Ex. 25:22, 38:21, 40:20; Deut. 31:9, 26; Jos. 24:25 v.;
-1 Sam. 10:25. De dichterlijke voortbrengselen werden bewaard,
-Deut. 31:19; Jos. 10:13; 2 Sam. 1:18; de Psalmen werden
-reeds vroeg ten behoeve van den cultus verzameld, Ps. 72:20;
-van de Spreuken legden de mannen van Hizkia <ins id="cor_35" title="reede">reeds</ins> eene tweede
-verzameling aan, Spr. 25:1. De profetieën werden veel gelezen,
-Ezechiel kent Jesaia en Jeremia, latere profeten beroepen zich op
-de voorafgaande. Daniel, cap. 9:2 kent reeds eene verzameling
-van profetische geschriften, waartoe ook Jeremia behoorde. In de
-na-exilische gemeente staat het gezag van wet en profetieën vast,
-gelijk uit Ezra, Haggai en Zacharia duidelijk blijkt. Jezus ben
-Sirach stelt wet en profeten zeer hoog, cap. 15:1-8, 24:23,
-39:1 v.; cap. 44-49. In de voorrede maakt zijn kleinzoon
-gewag van drie deelen, waarin de Schrift is gesplitst. De LXX
-bevat verschillende apocriefe geschriften, maar deze getuigen zelve
-voor het gezag der kanonische boeken, 1 Makk. 2:50; 2 Makk.
-6:23; Wijsh. 11:1, 18:4; Baruch 2:28; Tob. 1:6, 14:7;
-Jezus Sir. 1:5, 17:12, 24:23, 39:1, 46:15, 48:25 enz.
-Philo citeert alleen kanonische boeken. Het vierde boek van Ezra
-cap. 14:18-47 kent de indeeling in 24 boeken. Josephus, c.
-Ap. 1, 8, telt 22 boeken in drie deelen. Omnium consensu was
-<span class="pagenum" id="Page_329">[329]</span>
-de Oudtestamentische kanon van Philo en Josephus aan den
-onzen gelijk, G. Wildeboer, Het ontstaan van den Kanon des O.
-V. 1889 bl. 126 v. 134. Strack in Herzog<sup>2</sup> 7, 429.</p>
-
-<p class="sep2">10. Deze kanon des Ouden Testaments bezat voor Jezus en
-de apostelen, evenals voor hunne tijdgenooten, goddelijke autoriteit.
-Dit blijkt duidelijk uit de volgende gegevens: a) de formule,
-waarmede het O. T. in het N. wordt aangehaald, is verschillend
-maar bewijst altijd, dat het O. T. voor de schrijvers van het
-N. T. van goddelijken oorsprong is en een goddelijk gezag draagt.
-Jezus haalt soms eene plaats uit het O. T. aan met den naam
-van den schrijver, bijv. van Mozes, Mt. 8:4, 19:8; Mk. 7:10;
-Joh. 5:45, 7:22; Jesaia, Mt. 15:7; Mk. 13:14; David, Mt.
-22:43; Daniël, Mt. 24:15, maar citeert menigmaal ook met
-de formule: er staat geschreven, Mt. 4:4 v., 11:10; Luk. 10
-vs. 26; Joh. 6:45, 8:47, of: de Schrift zegt, Mt. 21:42;
-Luk. 4:21; Joh. 7:38, 10:35, of ook naar den auctor primarius,
-d. i. God of den H. Geest, Mt. 15:4, 22:43, 45, 24:15;
-Mk. 12:26. De Evangelisten bezigen dikwerf de uitdrukking:
-hetgeen gesproken is door den profeet, Mt. 1:22, 2:15, 17,
-23, 3:3 enz. of door den Heere of door den H. Geest, Mt. 1
-vs. 22, 2:15; Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25.
-Johannes citeert gewoonlijk bij den auctor secundarius, cap. 1:23,
-46, 12:38. Paulus spreekt altijd van de Schrift, Rom. 4:3,
-9:17, 10:11, 11:2; Gal. 4:30; 1 Tim. 5:18 enz., die soms
-zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3:8, 22, 4:30;
-Rom. 9:17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of den
-H. Geest als auctor primarius, 1:5 v., 3:7, 4:3, 5, 5:6,
-7:21, 8:5, 8, 10:16, 30, 12:26, 13:5. Deze wijze van citeeren
-leert klaar en duidelijk, dat de Schrift des O. V. voor Jezus
-en de apostelen wel uit verschillende deelen samengesteld en
-van verschillende schrijvers afkomstig was, maar toch één organisch
-geheel vormde, dat God zelven tot auteur had. b) Meermalen
-wordt dit goddelijk gezag der O. T. Schrift door Jezus
-en de apostelen ook beslist uitgesproken en geleerd, Mt. 5:17;
-Luk. 16:17, 29; Joh. 10:35; Rom. 15:4; 1 Petr. 1:10-12;
-2 Petr. 1:19, 21; 2 Tim. 3:16. De Schrift is eene eenheid,
-die noch in haar geheel noch in haar deelen gebroken en
-vernietigd kan worden. In den laatst aangehaalden tekst wordt
-<span class="pagenum" id="Page_330">[330]</span>
-de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig, gedrukt
-door het bezwaar, dat dan achter ὠφελιμος het praedikaat ἐστιν
-niet had kunnen ontbreken, Hofmann, Weiss. u. Erf. I 43. De
-overzetting: iedere schrift, gansch in het algemeen, is theopneust
-en nuttig, wordt door den aard der zaak uitgesloten. Er blijft
-dus slechts keuze tusschen de beide vertalingen: de gansche
-Schrift, of: iedere Schrift, n.l. die in τα ἱερα γραμματα, vs. 15
-begrepen is, is theopneust. Zakelijk geeft dit geen verschil, en
-met het oog op plaatsen als Mt. 2:3; Hd. 2:36; 2 Cor. 12
-vs. 12; Ef. 1:8, 2:21, 3:15; Col. 4:12; 1 Petr. 1:15;
-Jak. 1:2 schijnt πας zonder artikel toch ook wel geheel te
-kunnen beteekenen. c) Nooit staan Jezus of de apostelen kritisch
-tegenover den inhoud van het O. T., maar zij aanvaarden dien
-geheel en zonder voorbehoud. In alle deelen, niet alleen in de
-religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf
-spreekt, maar ook in haar historische bestanddeelen wordt de
-Schrift des O. T. onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk
-erkend. Jezus houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van
-Jesaia, Mt. 13:14, Ps. 110 van David, Mt. 22:43, de Mt.
-24:15 aangehaalde profetie van Daniël, en schrijft de wet aan
-Mozes toe, Joh. 5:46. De historische verhalen des O. T.
-worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de
-schepping des menschen, Mt. 19:4, 5; Abels moord, Mt. 22
-vs. 35; de zondvloed, Mt. 24:37-39; de geschiedenis der aartsvaders,
-Mt. 22:32, Joh. 8:56; de verwoesting van Sodom,
-Mt. 11:23, Luk. 17:28-33; de brandende braambosch, Luk.
-20:37; de slang in de woestijn, Joh. 3:14; het manna, Joh.
-6:32; de geschiedenis van Elia, Luk. 4:25, 26; Naäman, ib.,
-Jona, Mt. 12:39-41 enz. d) Dogmatisch is het O. T. voor
-Jezus en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, πασης
-ἀντιλογιας περας. Het O. T. is vervuld in het Nieuwe. Het
-wordt meermalen zoo voorgesteld, alsof alles is geschied met
-het doel om de H. Schrift te vervullen, ἱνα πληρωθῃ το ρηθεν,
-Mt. 1:22 en passim, Mk. 14:49, 15:28; Luk. 4:2, 24:44;
-Joh. 13:18, 17:12, 19:24, 36; Hd. 1:16; Jak. 2:23 enz.
-Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt,
-Mt. 21:16; Luk. 4:21, 22:37; Joh. 15:25, 17:12, 19:28
-enz.; alwat aan Jezus is geschied, is tevoren in het O. T. beschreven,
-Luk. 18:31-33. Jezus en de apostelen rechtvaardigen
-<span class="pagenum" id="Page_331">[331]</span>
-hun gedrag en bewijzen hunne leer telkens met een beroep op
-het O. Test., Mt. 12:3, 22:32; Joh. 10:34; Rom. 4; Gal. 3;
-1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit der Schrift strekt
-zich zoo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een
-tittel en jota daardoor gedekt wordt, Math. 5:17, 22:45; Luk.
-16:17; Joh. 10:35; Gal. 3:16. e) Desniettemin wordt het
-O. T. in het N. T. doorgaans naar de grieksche vertaling der
-LXX geciteerd. De schrijvers van het N. T., schrijvende in het
-grieksch en voor grieksche lezers, gebruikten gemeenlijk de vertaling,
-die aan dezen bekend en voor hen toegankelijk was. De
-citaten kunnen naar hunne verhouding tot den Hebr. tekst en tot
-de grieksche vertaling in drie groepen worden verdeeld. In sommige
-teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met den
-Hebr. tekst, b.v. Mt. 2:15, 18, 8:17, 12:18-21, 27:46; Joh.
-19:37; Rom. 10:15, 16, 11:9; 1 Cor. 3:19, 15:54. In andere is
-er omgekeerd overeenstemming met de LXX en afwijking van het
-Hebr., bijv. Mt. 15:8, 9; Hd. 7:14, 15:16, 17; Ef. 4:8;
-Hebr. 10:5, 11:21, 12:6. In eene derde groep van citaten is
-er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX en Hebr.
-tekst, bijv. Mt. 2:6, 3:3, 26:31; Joh. 12:15, 13:18; Rom.
-10:6-9; 1 Cor. 2:9. Ook verdient het opmerking, dat sommige
-boeken des O. T. nl. Ezra, Neh., Ob., Nah., Zef., Esth.,
-Pred. en Hoogl. nooit in het N. T. worden aangehaald; dat er
-wel geen apocriefe boeken worden geciteerd maar toch in 2 Tim.
-3:8; Hebr. 11:34 v.; Judas 9 v. 14 v., namen en feiten
-worden vermeld, die in het O. T. niet voorkomen; en dat enkele
-malen ook grieksche klassieken worden aangehaald, Hd. 17:18;
-1 Cor. 15:33; Tit. 1:12. f). Wat eindelijk het materieel gebruik
-van het O. T. in het N. T. aangaat, ook hierin is er
-groot verschil. Soms dienen de citaten tot bewijs en bevestiging
-van eenige waarheid, bijv. Mt. 4:4, 7, 10, 9:13, 19:5, 22:32;
-Joh. 10:34; Hd. 15:16, 23:5; Rom. 1:17, 3:10 v.,
-4:3, 7, 9:7, 12, 13, 15, 17, 10:5; Gal. 3:10, 4:30; 1 Cor.
-9:9, 10:26; 2 Cor. 6:17. Zeer dikwijls wordt het O. T. aangehaald
-ten bewijze, dat het in het N. T. vervuld <i>moest</i> worden
-en vervuld is; hetzij in letterlijken zin, Mt. 1:23, 3:3, 4:15,
-16, 8:17, 12:18, 13:14, 15, 21:42, 27:46; Mk. 15:28;
-Luk. 4:17 v.; Joh. 12:38; Hd. 2:17, 3:22, 7:37, 8:32,
-enz., hetzij in typischen zin, Mt. 11:14, 12:39 v., 17:11;
-<span class="pagenum" id="Page_332">[332]</span>
-Luk. 1:17; Joh. 3:14, 19:36; 1 Cor. 5:7, 10:4; 2 Cor.
-6:16; Gal. 3:13, 4:21; Hebr. 2:6-8, 7:1-10, enz. Meermalen
-dienen de citaten uit het O. T. eenvoudig tot opheldering,
-toelichting, vermaning, vertroosting, enz., bijv. Luk. 2:23; Joh.
-7:38; Hd. 7:3, 42; Rom. 8:36; 1 Cor. 2:16, 10:7; 2 Cor.
-4:13, 8:15, 13:1; Hebr. 12:5, 13:15; 1 Petr. 1:16, 24,
-25, 2:9. Bij dat gebruik worden wij door den zin, dien de N.
-T. schrijvers in den tekst des O. T. vinden, menigmaal verrast;
-zoo vooral in Mt. 2:15, 18, 23, 21:5, 22:32, 26:31, 27:9,
-10, 35; Joh. 19:37; Hd. 1:20, 2:31; 1 Cor. 9:9; Gal.
-3:16, 4:22 v.; Ef. 4:8 v.; Hebr. 2:6-8, 10:5. Deze
-exegese van het O. in het N. T. onderstelt bij Jezus en de
-apostelen de gedachte, dat een woord of zin veel dieper beteekenis
-en veel verdere strekking kan hebben, dan de schrijver er
-bij vermoed of er in neergelegd heeft. Dit is ook meermalen bij
-klassieke schrijvers het geval. Niemand zal meenen, dat Goethe
-bij het neerschrijven van zijne klassieke poëzie dat alles voor
-den geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt. Hamerling
-heeft in zijn Epilog an die Kritiker, Poet. Werke, Tiel Campagne
-I 142 f. dit duidelijk uitgesproken. Bij de Schrift is dit
-nog in veel sterker mate het geval, wijl zij naar de overtuiging
-van Jezus en zijne apostelen den H. Geest tot auctor primarius
-heeft en een teleologisch karakter draagt, cf. ook Valeton, Theol.
-Stud. 1887 aflev. 6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend
-S. 236. Niet in die enkele bovengenoemde plaatsen slechts, maar
-in heel de opvatting en uitlegging van het O. Test., wordt het
-N. Test. gedragen door de gedachte, dat het Israelietische zijne
-vervulling heeft in het Christelijke. De gansche oeconomie des
-O. V. met al hare instellingen en rechten en in heel haar geschiedenis
-wijst henen naar de bedeeling des N. Verbonds. Niet
-het Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam
-van de schatten des heils, aan Abraham en zijn zaad
-beloofd. Litt. over het O. T. in het N. T., Glassius, Philologia
-Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius, Βιβλος καταλλαγης, in quo
-sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et modos interpretandi
-conciliantur loca V. T. in N. T. allegata, Amst. 1713. J.
-Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum
-in oraculis ex V. T. in N. allegatis, Tub. 1773-81. Th. Randolph,
-The prophecies and other texts cited in the New Test.
-<span class="pagenum" id="Page_333">[333]</span>
-compared with the Hebr. Original and with the Sept. version,
-Oxf. 1782. Dr. H. Owen, The modes of quotation used <ins id="cor_36" title="bij">by</ins> the
-evangelical writers explained and vindicated, Lond. 1789. F. H.
-Horne, An introduction to the critical study and knowledge of
-the holy Script. 4 vol. Lond. 1821 II 356-463. C. Sepp, De
-leer des N. T. over de H. Schrift des O. V. 1849. Tholuck,
-Das A. T. im N. 6<sup>e</sup> Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 f.
-Hofmann, Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841.
-E. Haupt, Die altt. Citate in den vier Evang. 1871. Kautzsch,
-De V. T. locis a Paulo allegatis, 1869. E. Böhl, Forschungen
-nach einer Volksbibel zur Zeit Jesu 1873. Id. Die altt. Citate
-im N. T. 1878. K. Walz, Die Lehre der Kirche von der Schrift
-nach der Schrift selbst geprüft, Leiden 1884. Kuenen, De Profeten
-II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old Test.
-Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des
-A. T. im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer,
-Die altt. Citate bei Paulus usw. Freiburg 1895.</p>
-
-<p class="sep2">11. Voor de inspiratie des N. T. vinden wij in de schriften
-der apostelen de volgende gegevens: a) Jezus’ getuigenis geldt
-in heel het N. T. als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is
-de Logos, die den Vader verklaart, Joh. 1:18, 17:6; ὁ μαρτυς
-ὁ πιστος και ἀληθινος, Op. 1:5, 3:14; cf. Jes. 55:4, de
-Amen, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, Op. 3:14;
-2 Cor. 1:20. Er is geen bedrog, δολος, in zijn mond geweest,
-1 Petr. 2:22. Hij is de Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis,
-Hebr. 3:1; 1 Tim. 6:13. Hij spreekt niet ἐκ των ἰδιων,
-gelijk Satan die een leugenaar is, Joh. 8:44. Maar God spreekt
-door Hem, Hebr. 5:1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8:42
-en spreekt niets dan wat Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3:32.
-Hij spreekt de woorden Gods, Joh. 3:34, 17:8 en geeft
-alleen aan de waarheid getuigenis, 5:33, 18:37. Daarom is
-zijne getuigenis waarachtig, Joh. 8:14, 14:6, door de getuigenis
-van God zelven bevestigd, 5:32, 37, 8:18. Niet alleen
-is Jezus in ethischen zin heilig en zonder zonde, Joh. 8:46,
-maar Hij is ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog.
-Het is volkomen waar, dat Jezus zich in engeren zin niet bewogen
-heeft op het gebied der wetenschap. Hij kwam op aarde om
-ons den Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar
-<span class="pagenum" id="Page_334">[334]</span>
-de inspiratie der Schrift, waarover Jezus zich uitspreekt, is geen
-wetenschappelijk probleem maar een religieuse waarheid. Indien
-Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op een punt,
-dat ten nauwste samenhangt met het religieuse leven, en kan Hij
-ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze
-hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag der H. Schrift
-vormt een gewichtig bestanddeel in de woorden Gods, die Jezus
-verkondigd heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geene
-buitengewone, bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen
-actus transiens; maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven
-had, zou Hij daarbij geene bijzondere assistentie des H. G.
-hebben noodig gehad. Hij had de inspiratie als eene buitengewone
-gave niet noodig, wijl Hij den Geest ontving niet met mate,
-Joh. 3:34, de Logos was, Joh. 1:1 en de volheid Gods lichamelijk
-in Hem woonde, Col. 1:19, 2:9. b) Jezus heeft ons
-echter niets in geschrifte nagelaten, en Hij zelf is heengegaan.
-Zoo moest Hij dan zorg dragen, dat zijne waarachtige getuigenis
-onvervalscht en zuiver aan de menschheid werd overgegeven.
-Daartoe kiest Hij de apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon
-ambt en een gansch bijzondere dienst in Jezus’ gemeente.
-De apostelen zijn Hem bepaald door den Vader gegeven, Joh.
-17:6, door Hemzelven uitverkoren, Joh. 6:70, 13:18, 15:16,
-19 en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige taak
-voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks
-na Jezus’ heengaan, als <i>getuigen</i> moesten optreden, Luk. 24:48;
-Joh. 15:27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden
-en werken geweest; zij hadden het woord des levens met de
-oogen aanschouwd en met de handen getast, 1 Joh. 1:1, en hadden
-nu deze getuigenis aangaande Jezus te brengen aan Israel en
-aan de geheele wereld, Mt. 28:19; Joh. 15:27, 17:20; Hd.
-1:8. Maar alle mensch is leugenachtig, God alleen is waarachtig,
-Rom. 3:4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen
-onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van
-hen bedient Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke
-getuige, die trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de H.
-Geest. Hij is de Geest der waarheid, en zal van Jezus getuigen,
-Joh. 15:26, en de apostelen kunnen eerst als getuigen
-optreden na en door Hem, Joh. 15:27. Die Geest wordt dan
-ook in bijzonderen zin aan de apostelen beloofd en geschonken,
-<span class="pagenum" id="Page_335">[335]</span>
-Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 20:22. Vooral Joh.
-14:26 leert dat duidelijk. De H. Geest ὑπομνησει ὑμας
-παντα ἁ εἰπον ὑμιν. Hij zal de jongeren met hun personen en
-gaven, met hun herinnering en oordeel enz. in zijn dienst nemen.
-Hij zal aan de openbaring materieel niets nieuws toevoegen,
-wat niet reeds in Christus’ persoon, woord en werk besloten ligt,
-want Hij neemt alles uit Christus en maakt de apostelen in
-zooverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al de waarheid,
-Joh. 14:26, 16:13, 14. En deze getuigenis des H. Geestes
-door den mond der apostelen is de verheerlijking van Jezus,
-Joh. 16:14, gelijk Jezus’ getuigenis eene verheerlijking was van
-den Vader, 17:4. c) Met dien Geest in bijzonderen zin toegerust,
-Joh. 20:22; Hd. 1:8; Ef. 3:5, treden de apostelen na
-den Pinksterdag ook openlijk als getuigen op, Hd. 1:8, 21, 22,
-2:14, 32, 3:15, 4:8, 20, 33, 5:32, 10:39, 51, 13:31.
-In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben,
-ligt de beteekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen
-en bekwaamd. Daaraan ontleenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen
-zij zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht
-weder aan hun getuigenis zijn zegel door teekenen en wonderen,
-en geestelijken zegen, Mt. 10:1, 9; Mk. 16:15 v.; Hd. 2:43,
-3:2, 5:12-16, 6:8, 8:6 v., 10:44, 11:21, 14:3,
-15:8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure suo, de leiders
-der Jeruzalemsche gemeente, zij hebben opzicht over de geloovigen
-in Samaria, Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32,
-11:22, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28,
-en genieten eene algemeen erkende autoriteit. Zij spreken en
-handelen krachtens de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus
-nergens een expres bevel gaf om ook zijne woorden en daden op
-te teekenen —alleen in de Openb. is meermalen van een bevel
-tot schrijven sprake, 1:11, 19, enz.— de apostelen spreken in
-hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven is een bijzondere
-vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen van
-Christus, Luk. 1:2; Joh. 1:14, 19:35, 20:31, 21:24; 1 Joh.
-1:1-4; 1 Petr. 1:12, 5:1; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3;
-Op. 1:3, 22:18, 19. Hun getuigenis is getrouw en waarachtig,
-Joh. 19:35; 3 Joh. 12. d) Onder de apostelen staat Paulus
-weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen om tegen de Judaïsten
-zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1-2; 1 Cor. 1:10-4:21;
-<span class="pagenum" id="Page_336">[336]</span>
-2 Cor. 10-13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat hij
-van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1:14; door Jezus zelf tot
-apostel is geroepen, Gal. 1:1; Jezus zelf persoonlijk heeft gezien,
-1 Cor. 9:1, 15:8; met openbaringen en gezichten verwaardigd
-werd, 2 Cor. 12; Hd. 26:16; van Jezus zelf zijn
-Evangelie ontvangen heeft, Gal. 1:12; 1 Tim. 1:12; Ef. 3:2-8,
-en dus evengoed als de andere apostelen een zelfstandig
-en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen, Hd. 26:16;
-ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en teekenen,
-1 Cor. 12:10, 28; Rom. 12:4-8, 15:18, 19; 2 Cor. 11:23
-v.; Gal. 3:5; Hebr. 2:4; en met geestelijken zegen, 1 Cor.
-15:10; 2 Cor. 11:5, enz. Hij is zich daarom bewust, dat er
-geen ander evangelie is dan ’t zijne, Gal. 1:7; dat hij getrouw
-is, 1 Cor. 7:25; den Geest Gods heeft, 1 Cor. 7:40; dat
-Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13:3; 1 Cor. 2:10, 16;
-2 Cor. 2:17, 5:23; dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor.
-2:17; 1 Thess. 2:13; tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden
-toe, 1 Cor. 2:4, 10-13; en niet alleen als hij spreekt maar
-ook als hij schrijft, 1 Thess. 5:27; Col. 4:16; 2 Thess. 2:15,
-3:14. Evenals de andere apostelen treedt Paulus meermalen
-met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2:9, en geeft
-bindende bevelen, 1 Cor. 7:40; 1 Thess. 4:2, 11; 2 Thess.
-3:6-14. En wel beroept hij zich eene enkele maal op het oordeel
-der gemeente, 1 Cor. 10:15, maar niet om zijne uitspraak
-aan haar goed- of afkeuring te onderwerpen, maar integendeel
-om door het geweten en het oordeel der gemeente, die immers
-ook den Geest Gods en de zalving van den Heilige heeft, 1 Joh.
-2:20, gerechtvaardigd te worden. Zoo weinig maakt Paulus zich
-daarmede van het oordeel der gemeente afhankelijk, dat hij
-1 Cor. 14:37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn
-en den Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijne
-erkentenis, dat hetgeen Paulus schrijft des Heeren geboden zijn.
-e) Deze geschriften van de apostelen hadden van stonde aan
-autoriteit in de gemeenten, waar ze bekend waren. Ze werden
-spoedig verbreid en kregen daardoor steeds uitgebreider gezag,
-Hd. 15:22 v.; Col. 4:16. De Synoptische Evangeliën toonen
-eene zoo groote verwantschap, dat het eene geheel of gedeeltelijk
-aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan Petrus
-bekend, en 2 Petr. 3:16 kent reeds vele brieven van Paulus en
-<span class="pagenum" id="Page_337">[337]</span>
-stelt ze met de andere Schriften op ééne lijn. Langzamerhand
-kwamen er vertalingen van N. T. geschriften ter voorlezing in
-de gemeente, Just. M. Apol. 1:67. In de eerste helft der tweede
-eeuw moeten deze reeds hebben bestaan, Papias bij Euseb. H. E.
-3:39. Just. M. Apol. 1:66, 67. Een dogmatisch gebruik wordt
-er al van gemaakt door Athenagoras, de resurr. c. 16, die daar
-zijne redeneering bewijst met 1 Cor. 15:33; 2 Cor. 5:10. En
-Theophilus, ad Autol. 3:4 haalt teksten uit Paulus aan met de
-formule, διδασκει, κελευει ὁ θειος λογος. Irenaeus adv. haer. 3,
-11, Tert. ad Prax. 15 en anderen, de Peschitto en het fragment
-van Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e
-helft der 2<sup>e</sup> eeuw de meeste geschriften van het N. T. kanonisch
-gezag hadden en met de boeken des O. V. eene gelijke digniteit
-genoten. Over sommige boeken, Jak., Jud., 2 Petr., 2 en 3 Joh.
-bleef er verschil bestaan, Euseb. H. E. 3:25. Maar de bedenkingen
-tegen deze antilegomena werden in de 3<sup>e</sup> eeuw steeds
-minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo
-Regius in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegomena
-opnemen en den kanon sluiten. Deze besluiten der
-kerk waren geen eigenmachtige en autoritaire handeling, maar
-slechts codificatie en registratie van het recht, dat ten aanzien
-van deze geschriften reeds lang in de gemeenten had bestaan.
-De kanon is niet gevormd door een besluit van concilien. Canon
-non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a Deo
-animorum temporumque rectore, productus est, Loescher bij
-Herzog<sup>2</sup> 7, 424. In den belangrijken strijd van Harnack en Zahn
-over de geschiedenis van den N. T. kanon legt Harnack ongetwijfeld
-te eenzijdig nadruk op de begrippen, Goddelijkheid,
-onfeilbaarheid, inspiratie, kanon, op de formeele vaststelling van
-het dogma der N. T. Schrift. Lang voordat dit in de 2<sup>e</sup> helft
-der 2<sup>e</sup> eeuw geschiedde, waren de N. T. geschriften door het
-gezag der apostelen, de voorlezing in de gemeente, enz. tot algemeen
-erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigt
-Zahn zeer terecht de aandacht. Verg. over dezen strijd Köppel,
-Stud. u. Krit. 1891, 1<sup>es</sup> Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol.
-1893, 1<sup>es</sup> Heft. f.) Welke beginselen de gemeente, zoo onder het
-Oude als Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de kanoniciteit
-der O. en N. T. geschriften hebben geleid, is met zekerheid
-niet uit te maken. De apostolische oorsprong kan den
-<span class="pagenum" id="Page_338">[338]</span>
-doorslag niet hebben gegeven want ook Markus, Lukas en Hebr.
-zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning der kanoniciteit haar
-grond in het feit, dat er geen andere geschriften aangaande
-Christus bestonden, want Luk. 1:1 maakt van vele andere gewag,
-en volgens Irenaeus adv. haer. 1:20 was er ἀμυθητον πληθος
-ἀποκρυφων και νοθων γραφων. Het beginsel der kanonvorming
-kan ook niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en
-3 Joh. zijn zeer klein: evenmin in de bekendheid der schrijvers,
-Markus, Lukas, met de apostelen, want brieven van Clemens en
-Barnabas werden niet opgenomen; en ook niet in de originaliteit,
-want Mattheus, Markus en Lukas; Efeze en Colosse; Judas en
-2 Petr. zijn de een van den ander afhankelijk. Er kan niets
-anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze
-geschriften zonder eenige afspraak, vanzelve in alle gemeenten
-plaats had. Op enkele uitzonderingen na, werden de O. en de N.
-T. geschriften terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel,
-zonder een woord van twijfel of protest als heilige, goddelijke
-schriften aangenomen. De plaats en de tijd, waar hun het eerst
-gezag werd toegekend, is niet aan te wijzen. De kanoniciteit der
-Bijbelboeken wortelt in hun existentie. Zij hebben gezag van
-zichzelve, jure suo, omdat ze er zijn. Het is de Geest des Heeren,
-die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente tot
-erkenning bracht. Harnack, D. G. I 304 f. 318 f. Wildeboer,
-Het ontstaan v. d. Kanon des O. V. 107 v. Reuss, Gesch. des
-N. T. §&nbsp;298 f. Herzog<sup>2</sup> art. Kanon. W. Lee, The Inspiration of
-holy Scripture, 3<sup>e</sup> ed. Dublin 1864 p. 43.</p>
-
-<p class="sep2">12. Het resultaat van dit onderzoek naar de leer der Schrift
-over zichzelve kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelve
-houdt en uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord
-Gods of woord des Heeren heeft in de Schrift verschillende
-beteekenissen. Dikwerf wordt er door aangeduid de kracht Gods,
-waardoor Hij alle dingen schept en onderhoudt, Gen. 1:3; Ps.
-33:6, 147:17, 18, 148:18; Rom. 4:17; Hebr. 1:3, 11:3.
-Vervolgens wordt zoo de bijzondere openbaring genoemd, waardoor
-God iets bekend maakt aan de profeten. In het O. T. komt
-de uitdrukking in dezen zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens
-heet het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het
-N. T. vinden we het in dezen zin alleen, Joh. 10:35; het woord
-<span class="pagenum" id="Page_339">[339]</span>
-geschiedt nu niet meer en komt niet eene enkele maal van boven
-en van buiten tot de profeten, het is geschied in Christus en
-blijft. Verder beteekent woord Gods den inhoud der openbaring;
-dan is er sprake van woord of woorden Gods, naast rechten,
-wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israel gegeven zijn, Ex.
-9:20, 21; Richt. 3:20; Ps. 33:4, 119:9, 16, 17 enz. Jes.
-40:8; Rom. 3:2 enz. In het N. Test. heet zoo het Evangelie,
-dat door God in Christus is geopenbaard en door de apostelen
-verkondigd werd, Luk. 5:1; Joh. 3:34, 5:24, 6:63, 17:8,
-14, 17; Hd. 8:25, 13:7; 1 Thess. 2:13 enz. Niet onwaarschijnlijk
-is het, dat de naam woord Gods dan voorts in de Schrift
-eene enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus
-een gedeelte der Schrift, mede aan te duiden, Ps. 119:11, 105.
-Schultz, Grundriss der ev. Dogm. 4 f. In het N. T. laat zich
-zulk eene plaats niet aanwijzen. Ook Hebr. 4:12 is woord Gods
-niet gelijk de Schrift. Maar toch ziet het N. T. feitelijk in de
-boeken des O. V. niets anders dan het woord Gods. God, of
-de H. Geest is de auctor primarius, die door, δια c. gen., de
-profeten sprak in de Schrift, Hd. 1:16, 28:25. De Schrift heet
-dan zoo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De formeele
-en materieele beteekenis der uitdrukking is in de Schrift ten
-nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord Gods
-gebezigd voor Christus zelven. Hij is de Logos in geheel eenigen
-zin, revelator en revelatio tegelijk. Alle openbaringen Gods, alle
-woorden Gods, in natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping,
-onder O. en N. T. hebben in Hem hun grond, hun
-eenheid en middelpunt. Hij is de zon, de andere woorden Gods
-zijn zijne stralen. Het woord Gods in de natuur, onder Israel, in
-het N. Test., in de Schrift mag geen oogenblik van Hem worden
-losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, wijl Hij
-de Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemeenen
-zin van alle wetenschap, in bijzonderen zin, als <ins id="cor_37" title="Δογος">Λογος</ins> ἐνσαρκος,
-van alle kennisse Gods, van religie en theologie, Mt. 11:27.</p>
-
-<h4>D. Begrip der inspiratie.</h4>
-
-<p>13. De H. Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd
-dogma over de inspiratie, maar zij geeft de zaak, het feit der
-theopneustie en al de momenten, die er voor de constructie van
-<span class="pagenum" id="Page_340">[340]</span>
-het dogma noodig zijn. Zij leert de theopneustie der Schrift in
-denzelfden zin en op dezelfde wijze, even helder en even duidelijk,
-maar ook even weinig in abstracte begrippen geformuleerd als
-het dogma der triniteit, der vleeschwording, der voldoening enz.
-Meermalen is dit ontkend. Elke sectarische en haeretische richting
-begint haast met een beroep op de Schrift tegen de confessie,
-en tracht hare afwijking te doen voorkomen als door de Schrift
-geboden. Maar in de meeste gevallen leidt dieper onderzoek tot
-de erkentenis, dat de orthodoxie de getuigenis der Schrift aan
-hare zijde heeft. De modernen geven thans over het algemeen
-gulweg toe, dat Jezus en de apostelen de O. T. Schrift als Gods
-woord hebben aangenomen, Lipsius, Dogm. §&nbsp;185 S. 141, Strauss
-I 79, Pfleiderer, Der Paulinismus, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipz. 1890 S. 87 f.
-Rothe, Zur Dogm. 178 f. erkent dit ook ten opzichte van de
-apostelen, maar meent dat de kerkelijke dogmatiek voor hare
-leer van de inspiratie zich niet op Jezus beroepen kan. Deze
-meening staat echter vrij wel op zichzelve en wordt door weinigen
-gedeeld. Jezus’ positieve uitspraken over de O. T. Schrift, Mt.
-5:8; Luk. 16:17; Joh. 10:35, zijne aanhaling en gebruik,
-Mt. 19:4, 5, 22:43 enz. spreken daartoe te sterk, en zijn niets
-vrijer dan die van de apostelen. Maar deze tegenstelling, die
-Rothe maakt tusschen de leer van Jezus en die van de apostelen,
-verheft niet maar ondermijnt feitelijk het gezag van Jezus zelf.
-Want van Jezus weten we niets dan door de apostelen; wie dus
-de apostelen discrediteert en als onbetrouwbare getuigen der
-waarheid voorstelt, weerspreekt terstond Jezus zelf, die zijn apostelen
-tot volkomen betrouwbare getuigen aangesteld heeft en door
-zijn Geest hen leiden zou in al de waarheid. En daartoe behoort
-voorzeker ook de waarheid aangaande de H. Schrift. De leuze:
-naar Christus terug is bedriegelijk en valsch, als ze in tegenstelling
-staat met de getuigenis der apostelen.</p>
-
-<p>Zeer gewoon is ook eene andere tegenstelling, die gemaakt
-wordt om van de zelfgetuigenis der Schrift bevrijd te worden.
-De Schrift, zoo zegt men dan, moge hier en daar de inspiratie
-leeren; maar om de leer der Schrift aangaande de Schrift op
-te bouwen, moeten ook de feiten in rekening worden gebracht,
-welke de Schrift in haar ontstaan, wording, geschiedenis, bestand
-en inhoud ons kennen doet. Alleen zulk eene theorie van inspiratie
-is dus waar en goed, die met de phenomena der Schrift bestaanbaar
-<span class="pagenum" id="Page_341">[341]</span>
-is, en uit deze zelve is afgeleid. Zeer dikwerf doet men
-het hierbij dan voorkomen, dat de tegenpartij eene eigene, apriorische
-opinie aan de Schrift opdringt, en haar perst in het keurslijf
-der scholastiek. En men beroept er zich op, dat men tegenover
-al die theorieën en systemen juist de Schrift zelve wil laten
-spreken en alleen van zichzelve wil laten getuigen. Het schort
-der orthodoxie juist aan eerbied voor de Schrift. Zij doet den
-tekst, de feiten der H. S. geweld aan, Dr. G. Wildeboer, Letterk.
-des O. V. bl. V. Deze voorstelling klinkt op het eerste hooren
-schoon en aannemelijk, maar blijkt toch bij nadere overweging
-onhoudbaar. De tegenstelling is in de eerste plaats niet die tusschen
-eene of andere inspiratietheorie en de zelfgetuigenis der
-Schrift. De inspiratie is een feit, door de H. Schrift zelve geleerd.
-Jezus en de apostelen hebben eene getuigenis gegeven aangaande
-de Schrift. De Schrift bevat eene leer ook over zichzelve. Afgedacht
-van alle dogmatische of scholastieke ontwikkeling dezer
-leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in deze hare
-zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Er kan verschil bestaan
-over de vraag, of de Schrift zulk eene theopneustie van zichzelve
-leert; maar indien ja, dan behoort ze ook daarin geloofd
-te worden, evengoed als in hare uitspraken over God, Christus,
-de zaligheid enz. De zoogenaamde phenomena der Schrift kunnen
-die zelfgetuigenis der Schrift niet omverstooten en mogen tegen
-haar zelfs niet als partij worden opgeroepen. Want wie zijne
-leer van de Schrift afhankelijk maakt van het historisch onderzoek
-naar hare wording en struktuur, begint reeds met de zelfgetuigenis
-der H. Schrift te verwerpen en staat dus niet meer
-in het geloof aan die Schrift. Hij meent de leer van de Schrift
-beter te kunnen opbouwen uit eigen onderzoek, dan ze in den
-geloove te ontleenen aan de Schrift; hij stelt zijne eigene gedachten
-in plaats van en boven die der Schrift. Voorts, de zelfgetuigenis
-der Schrift is klaar, duidelijk en zelfs door de tegenstanders als
-zoodanig erkend, maar de beschouwing over de phenomena der
-Schrift is resultaat van langdurig historisch-critisch onderzoek
-en wijzigt zich in allerlei vormen naar het verschillend standpunt
-der critici; de theoloog, die uit zulke onderzoekingen tot eene
-leer over de Schrift wil komen, stelt feitelijk zijn wetenschappelijk
-inzicht tegenover de leer der Schrift aangaande zichzelve. Maar
-langs dien weg komt men ook nooit tot eene leer over de Schrift;
-<span class="pagenum" id="Page_342">[342]</span>
-historisch-critisch onderzoek kan een helder inzicht geven in het
-ontstaan, de geschiedenis, de structuur van de Schrift maar leidt
-nooit tot eene leer, tot een dogma de S. Scriptura. Dit kan
-uitteraard slechts gebouwd worden op eene getuigenis der Schrift
-aangaande zichzelve. Niemand denkt er aan, om eene geschiedenis
-over den oorsprong en de bestanddeelen van de Ilias eene leer
-te noemen. Bij deze methode valt dus niet alleen eene of andere
-theorie over de inspiratie, maar deze zelve als feit en getuigenis
-der Schrift. Inspiratie, indien men dat woord nog behoudt, wordt
-dan niets dan de korte samenvatting van wat de Bijbel <i>is</i>, of
-liever van wat men <i>meent</i> dat de Bijbel is, en kan dan lijnrecht
-in strijd zijn met wat de Bijbel zelf beweert te zijn, en waarvoor
-hij zichzelf uitgeeft en aandient. De methode, die men volgt, is
-in het wezen der zaak geen andere, dan die, waarbij de leer der
-schepping, van den mensch, van de zonde enz. niet opgebouwd
-wordt uit de getuigenis der Schrift dienaangaande, maar uit de
-zelfstandige studie van die facta. In beide gevallen is het een
-corrigeeren van de leer des Bijbels door eigen wetenschappelijk
-onderzoek, een afhankelijk maken van het getuigenis der Schrift
-van menschelijk oordeel. De feiten en verschijnselen der Schrift,
-de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek mogen dienen
-ter verklaring, toelichting, enz. van de leer der Schrift aangaande
-zichzelve, maar kunnen nooit het feit der inspiratie, waarvan zij
-getuigt, te niet doen. Terwijl generzijds dus beweerd wordt, dat
-alleen zulk eene inspiratie aannemelijk is, die overeenstemt met
-de phenomena der Schrift, is het dezerzijds het beginsel, dat de
-phenomena der Schrift, niet gelijk de kritiek ze ziet, maar gelijk
-ze in zichzelve zijn, bestaanbaar zijn met hare zelfgetuigenis.</p>
-
-<p class="sep2">14. Gewoonlijk wordt in het woord theopneustie of inspiratie
-saamgevat, wat de Schrift aangaande zichzelve leert. Het woord
-θεοπνευστος 2 Tim. 3:16 komt vroeger niet voor en is dus
-misschien het eerst door Paulus gebruikt. Het kan etymologisch
-zoowel actieve als passieve beteekenis hebben, en dus vertaald
-worden zoowel door: God ademend, als: door God geademd.
-Maar de passieve beteekenis heeft de voorkeur, wijl ze door de
-plaatsen, waar het woord buiten het N. T. voorkomt, het meest
-wordt gesteund en door de Schriftleer des N. T. wordt aanbevolen,
-2 Petr. 1:21. In de Vulgata is het weergegeven door
-<span class="pagenum" id="Page_343">[343]</span>
-divinitus inspirata. Het woord inspiratie heeft oorspronkelijk veel
-ruimer zin. De Grieken en Romeinen schreven aan allen, die
-iets groots en goeds tot stand brachten, een afflatus of instinctus
-divinus toe. Nemo vir magnus sine aliquo afflatu divino unquam
-fuit, Cic. de Nat. D. 2, 66. Est deus in nobis, agitante calescimus
-illo, Ovid. Fasti 6, 5. De inspiratie van dichters, kunstenaars,
-vates, enz. kan ook inderdaad tot opheldering dienen van
-de inspiratie, waar de H. S. van spreekt. Bijna alle groote mannen
-hebben het uitgesproken, dat hunne schoonste gedachten
-plotseling en onbewust in hunne ziel opstegen en voor henzelven
-eene verrassing waren. Eén getuigenis moge volstaan. Goethe
-schreef eens aan Ekkermann, aangehaald door Hoekstra, Godg.
-Bijdr. 1864, bl. 27, 28. Jede Produktivität höchster Art, jedes
-bedeutendes Aperçue, jede Erfindung, jeder grosse Gedanke der
-Früchte bringt und Folgen hat, steht in Niemandes Gewalt
-und ist über alle irdische Macht erhaben. Dergleichen hat der
-Mensch als unverhoffte Geschenke von oben, als reine Kinder
-Gottes zu betrachten, die er mit freudigem Danke zu empfangen
-und zu verehren hat. In solchen Fällen ist der Mensch als das
-Werkzeug einer höhern Weltregierung zu betrachten, als ein
-würdig befundenes Gefäss zur Aufnahme eines göttlichen Einflusses.
-Carlyle, On heroes, hero-worship and the heroic in history,
-<ins id="cor_38" title="4te">4<sup>th</sup></ins> ed. London 1854, heeft daarom op de <ins id="cor_39" title="heroen">heroën</ins> of genieën
-gewezen als de kern van de geschiedenis der menschheid. Op
-hun beurt hebben deze genieën, op elk terrein, weer de massa
-geinspireerd. Luther, Baco, Napoleon, Hegel hebben de gedachten
-van millioenen omgezet en het bewustzijn veranderd. Dit feit
-reeds leert ons, dat er eene inwerking van den eenen geest op
-den ander mogelijk is. De wijze daarvan is verschillend, als de
-eene mensch spreekt tot den ander, als de redenaar de schare
-bezielt door zijn woord, als de hypnotiseur zijne gedachte overplant
-in den gemagnetiseerde, enz., maar altijd is er suggestie
-van gedachten, inspiratie in ruimer zin. Nu leert ons de Schrift,
-dat de wereld niet zelfstandig is en uit zichzelve bestaat en leeft,
-maar dat de Geest van God immanent is in al het geschapene.
-De immanentie Gods is de basis voor alle inspiratie en theopneustie,
-Ps. 104:30, 139:7; Job 33:4. Het zijn en het leven
-wordt aan ieder schepsel van oogenblik tot oogenblik door den
-Geest geinspireerd. Nog nader is die Geest des Heeren principe
-<span class="pagenum" id="Page_344">[344]</span>
-van alle verstand en wijsheid, Job 32:8; Jes. 11:2, zoodat
-alle kennis en kunst, alle talent en genie uit Hem voortkomt.
-In de gemeente is Hij de Geest der wedergeboorte en vernieuwing,
-Ps. 51:13; Ezech. 36:26, 27; Joh. 3:3; de uitdeeler der
-gaven, 1 Cor. 12:4-6. In de profeten is Hij de Geest der
-voorzegging, Num. 11:25, 24:2, 3; Jes. 11:2. 42:1; Micha
-3:8, enz. En zoo ook is Hij bij de samenstelling der Schrift de
-Geest der inspiratie. Deze laatste werkzaamheid des H. G. staat
-dus niet op zichzelve; zij staat in verband met zijn gansche
-immanente werkzaamheid in de wereld en in de gemeente. Zij
-is de kroon en de spitse van alles. De inspiratie der schrijvers
-bij de vervaardiging der Bijbelboeken is op al die andere werkzaamheden
-des H. Geestes opgebouwd. Zij onderstelt een werk
-des Vaders, waardoor de openbaringsorganen lang te voren van
-de geboorte af aan, ja zelfs voor de geboorte in hun geslacht,
-omgeving, opvoeding, ontwikkeling, enz. voor die taak werden
-voorbereid, tot welke zij later speciaal zouden geroepen worden,
-Ex. 3-4; Jer. 1:5; Hd. 7:22; Gal. 1:15, enz. De inspiratie
-mag dus niet, gelijk de modernen doen, met de heroische,
-poëtische, religieuse bezieling worden vereenzelvigd; zij is niet
-een werk van de providentia Dei generalis, niet eene inwerking
-van Gods Geest in gelijke mate en op dezelfde wijze als in de
-helden en kunstenaars, al is het ook dat deze inwerking van Gods
-Geest bij de profeten en bijbelschrijvers meermalen ondersteld
-wordt. De Geest in de schepping werkt den Geest in de herschepping
-voor. Voorts wordt bij de eigenlijke inspiratie ook nog
-een voorafgaand werk des Zoons ondersteld. De gave der
-theopneustie wordt alleen geschonken binnen den kring der openbaring.
-Theophanie, profetie en wonder gaan aan de eigenlijke
-inspiratie vooraf. Revelatie en inspiratie zijn onderscheiden; gene
-is een werk des Zoons, van den Logos, deze van den H. Geest.
-Er ligt dus waarheid in de gedachte van Schleiermacher, dat de
-heilige schrijvers onder invloed stonden van den heiligen kring,
-waarin zij leefden. Openbaring en ingeving moeten onderscheiden
-worden. Maar de ingeving is niet met de openbaring identisch
-(cf. boven <a href="#Page_300">bl. 300</a>). Zij wortelt in deze, maar zij verheft er zich
-boven. Eindelijk, de inspiratie onderstelt meestal, ofschoon niet
-altijd, ook nog een werk des H. G. zelven in wedergeboorte, geloof
-en bekeering. De profeten en apostelen waren meest heilige mannen,
-<span class="pagenum" id="Page_345">[345]</span>
-kinderen Gods. Ook deze gedachte der ethische theologie
-bevat dus elementen van waarheid. Maar toch is inspiratie niet
-met wedergeboorte identisch. Wedergeboorte omvat den ganschen
-mensch, inspiratie is eene werking in het bewustzijn. Gene heiligt
-en vernieuwt, deze verlicht en onderwijst. Gene brengt niet van
-zelf de inspiratie mede, en inspiratie is mogelijk zonder wedergeboorte,
-Num. 23:5; Joh. 11:51; cf. Num. 22:28; 1 Sam.
-19:24; Hebr. 6:4. Wedergeboorte is een habitus permanens,
-inspiratie is een actus transiens. Met al deze genoemde werkzaamheden
-Gods staat dus de inspiratie in ’t nauwste verband.
-Zij mag er niet van geisoleerd worden. Zij is opgenomen in al
-die inwerkingen Gods in al het geschapene. Maar ook hier moet
-de evolutie-theorie bestreden worden, alsof het hoogere alleen
-door immanente ontwikkeling uit het lagere voortkomen zou. De
-werking van Gods Geest in de natuur, in de menschheid, in de
-gemeente, in de profeten, in de bijbelschrijvers is verwant en
-analoog, maar niet identisch. Er is harmonie, geen eenzelvigheid.</p>
-
-<p class="sep2">15. Waarin bestaat zij zelve dan? De Schrift verspreidt daarover
-licht, als zij meermalen zegt, dat de Heere spreekt door
-de profeten of door den mond zijner profeten. Van God wordt
-de praepositie ὑπο gebruikt; Hij is de sprekende, Hij is het
-eigenlijke subject; maar de profeten zijn sprekende of schrijvende
-zijne organen, van hen wordt altijd de praepositie δια c. gen. en
-nooit ὑπο gebezigd, Mt. 1:22, 2:15, 17, 23, 3:3, 4:14, enz.;
-Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. God, of de H.
-Geest is de eigenlijke spreker, de zegsman, de auctor primarius,
-en de schrijvers zijn de organen, door wie God spreekt, de
-auctores secundarii, de scriptores of scribae. Nadere opheldering
-geeft nog 2 Petr. 1:19-21, waar de oorsprong der profetie niet
-gezocht wordt in den wil des menschen, maar in de drijving van
-Gods Geest. Het φερεσθαι, cf. Hd. 27:15, 17 waar het schip
-gedreven wordt door den wind, is van het ἀγεσθαι der kinderen
-Gods, Rom. 8:14 wezenlijk onderscheiden; de profeten zijn gedragen,
-aangedreven door den H. Geest en spraken dientengevolge.
-En evenzoo wordt de verkondiging der apostelen een spreken
-(ἐν) πνευματι ἁγιῳ genoemd, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26,
-16:7; 1 Cor. 2:10-13, 16, 7:40; 2 Cor. 2:17, 5:20,
-13:3. Profeten en apostelen zijn dus θεοφορουμενοι; het is God,
-<span class="pagenum" id="Page_346">[346]</span>
-die in en door hen spreekt. Maar de Schrift zelve gaat ons voor,
-om dit spreken Gods door den mond der profeten zoo organisch
-mogelijk op te vatten. Er is hier onderscheid tusschen de profeten
-en de apostelen, en tusschen beiden weer onderling. Mozes staat
-onder de profeten bovenaan; God sprak met hem als een vriend
-met zijn vriend. Bij Jesaia draagt de drijving des Geestes een
-ander karakter dan bij Ezechiel; Jeremia’s profetieën onderscheiden
-zich door haar eenvoud en natuurlijkheid van die bij
-Zacharia en Daniel. Bij al de profeten des O. T. is de drijving
-des Geestes min of meer transcendent; zij komt van boven en
-van buiten tot hen, valt op hen en werkt momentaan. Bij de
-apostelen daarentegen woont de H. Geest immanent in de harten,
-leidt en drijft, verlicht en onderwijst hen. Er is dus zeer groot
-onderscheid ook in het organische karakter der inspiratie. Maar
-desniettemin gebiedt ons heel de Schrift, de inspiratie niet mechanisch
-maar organisch te denken. Niet echter, omdat eene mechanische
-inspiratie op zichzelve onmogelijk en ongeoorloofd zou zijn en in
-strijd met de waardigheid van den mensch. Als het niet onwaardig
-is voor een kind, om zijne ouders en onderwijzers op gezag
-te gelooven en eenvoudig van hen te leeren, wat het niet weet;
-als het niet onwaardig is voor een knecht, om bevelen van zijn
-heer te ontvangen, die hij niet begrijpt en alleen heeft uit te
-voeren, wat onwaardigs zou er dan in liggen voor den mensch,
-om in zulk eene relatie te staan tot den Heere zijn God? Maar
-God heeft dezen weg niet ingeslagen, Hij is in de openbaring en de
-inspiratie tot den mensch nedergedaald en heeft zich aangesloten bij
-de eigenaardigheden en zelfs bij de zwakheden zijner menschelijke
-natuur. Ook dat is eene genade der ἐνσαρκωσις geweest. Evenals
-de Logos niet een mensch overviel en met zich verbond maar
-in de menschelijke natuur inging en deze zelve toebereidde
-en vormde door den Geest, van wien ze ontvangen werd, zoo
-heeft de Geest des Heeren ook gehandeld bij de inspiratie. Hij
-is in de profeten en apostelen zelven ingegaan en heeft hen alzoo
-in dienst genomen en bewerkt, dat zij zelven onderzochten en
-dachten, spraken en schreven. Hij is het, die door hen spreekt;
-maar zij zelven zijn het tevens, die spreken en schrijven. Gedreven
-werden ze door den Geest, maar zij spraken toch zelven,
-ἐλαλησαν, 2 Petr. 1:20. Dikwerf wordt de O. T. Schrift in het
-N. T. bij den auctor primarius aangehaald, Luk. 1:70; Hd. 1:16,
-<span class="pagenum" id="Page_347">[347]</span>
-3:18, 4:25, 28:25 en altijd in Hebr. 1:5 v., 4:3, 5
-enz., maar even dikwerf bij de auctores secundarii, Mozes, David,
-Jesaja enz., Mt. 13:14, 22:43; Joh. 1:23, 46, 5:46, 12:38.
-De momenten der inspiratie zijn niet elk los op zichzelf te beschouwen,
-maar staan in verband met al het voorafgaande: de
-profeten en apostelen zijn van der jeugd af toebereid en bekwaamd
-voor hun taak; hun karakter, aard, neiging, verstand, ontwikkeling
-enz. wordt niet onderdrukt, maar, als zelve reeds door den
-Geest des Heeren gevormd, nu ook door dienzelfden Geest in
-dienst genomen en gebruikt; hun gansche persoon met alle gaven
-en krachten wordt dienstbaar aan de roeping, waartoe zij geroepen
-worden. Onderzoek, Luk. 1:1, nadenken en herinnering, Joh.
-14:26, gebruik van bronnen enz., wordt daarom door de inspiratie
-niet uitgesloten, maar is daarin opgenomen. Schier alle boeken
-van O. en N. T. zijn daarom in zekeren zin ook gelegenheidsschriften.
-Van een rechtstreeksch bevel tot schrijven is slechts
-in enkele teksten sprake; zij dekken lang niet den ganschen
-inhoud der Schrift. Maar ook die gelegenheden, die tot schrijven
-drongen, behooren tot de leiding des Geestes; juist door deze
-heen dreef Hij tot schrijven aan. De roeping tot profeet en apostel
-sloot wel van zelf en natuurlijk die tot spreken en getuigen in,
-Ex. 3; Ez. 3; Am. 3:8; Hd. 1:8 enz., maar niet die van
-schrijven. Immers, vele profeten en apostelen schreven niet. Uit
-Mt. 28:19 is een speciaal gebod tot schrijven niet af te leiden.
-Onder de charismata, 1 Cor. 12 wordt het schrijven niet genoemd,
-Bellarm., de verbo Dei IV cap. 3-4. Maar de H. Geest heeft
-de historie der kerk onder Israel en in het N. T. alzoo geleid,
-dat de daad moest overgaan in het woord en het woord in het
-schrift. Uit deze leiding is bij profeten en apostelen de roeping
-tot schrijven, de impulsus ad scribendum geboren. En dat schrijven
-is de hoogste, de machtigste, de algemeenste getuigenis, die
-niet vervliegt op den adem des winds maar manet in aeternum.
-En juist, omdat de geschriften der profeten en apostelen niet
-ontstaan zijn buiten maar uit en in de historie, daarom is er
-eene wetenschap in de theologie, die alle die gelegenheden en
-omstandigheden, waaronder de bijbelboeken ontstonden, onderzoekt
-en kennen doet. Als dan de profeten en apostelen alzoo schrijvende
-getuigen, behouden ze ook hun eigen karakter, hun eigen taal en
-stijl. Ten allen tijde is dit verschil in de boeken des Bijbels
-<span class="pagenum" id="Page_348">[348]</span>
-erkend, maar niet altijd bevredigend verklaard. Niet daaruit is
-het te verklaren, dat de H. Geest naar louter willekeur nu eens
-zoo en dan aldus wilde schrijven; maar ingaande in de schrijvers,
-is Hij ook in hun stijl en taal, in hun karakter en eigenaardigheid
-ingegaan, die Hij zelf reeds toebereid en gevormd had. Daartoe
-behoort ook, dat Hij in het O. T. het Hebreeuwsch, in het N.
-T. het hellenistisch Grieksch tot voertuig der goddelijke gedachten
-kiest. Ook hierin was geen willekeur. Het purisme verdedigde op
-onbeholpen manier eene kostelijke waarheid. Naar het Grieksch
-van Plato en Demosthenes gemeten, is het N. T. vol barbarismen
-en soloecismen; maar het huwelijk, dat in het hellenistisch
-Grieksch gesloten werd tusschen het zuiver Hebreeuwsch en het
-zuiver Attisch, tusschen den Oosterschen en Westerschen geest,
-was op taalgebied de realiseering van de goddelijke gedachte, dat
-de zaligheid uit de Joden is, maar voor heel de menschheid is
-bestemd. De taal des N. T. is niet de schoonste, grammatisch
-en linguistisch beschouwd, maar zij is wel de geschiktste tot
-meedeeling van de gedachten Gods. Het woord is ook in dit
-opzicht waarachtig en algemeen menschelijk geworden. En eindelijk,
-als de profeten en apostelen schreven, dan leverde hun
-eigen ervaring en geschiedenis meermalen de stof voor hun
-schrijven. In de psalmen is het de vrome zanger, die beurtelings
-klaagt en juicht, in droefheid terneerzit of jubelt van vreugde.
-In Rom. 7 teekent ons Paulus zijne eigene levenservaring, en
-door heel de Schrift heen zijn het telkens de personen der schrijvers
-zelf, wier leven en ervaring, wier hope en vreeze, wier geloof
-en vertrouwen, wier klacht en ellende beschreven en geschilderd
-wordt. Dat rijke leven, die diepe ervaring, van een David bv. is
-door den Geest des Heeren alzoo gevormd en geleid, dat het
-in de Schrift opgenomen, voor de volgende geslachten tot leering
-zou zijn, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften
-hope hebben zouden, Rom. 15:4. De organische inspiratie doet
-alleen aan de Schrift recht wedervaren. Zij is in de leer der
-Schrift de uitwerking en toepassing van het centrale feit der
-openbaring, de vleeschwording des woords. De Λογος is σαρξ
-geworden, en het woord is Schrift geworden; het zijn twee feiten,
-die parallel loopen niet alleen, maar ook ten innigste verbonden
-zijn. Christus is vleesch geworden, een dienstknecht, zonder gedaante
-of heerlijkheid, de verachtste onder de menschen; Hij is
-<span class="pagenum" id="Page_349">[349]</span>
-nedergedaald in de nederste deelen der aarde, is gehoorzaam
-geworden tot den dood des kruises. En zoo ook is het woord, de
-openbaring Gods ingegaan in het creatuurlijke, in het leven en de
-historie van menschen en volken, in alle menschelijke vormen
-van droom en visioen, van onderzoek en nadenken, tot zelfs in
-het menschelijk zwakke en verachte en onedele toe; het woord
-is schrift geworden, en heeft als schrift aan het lot van alle schrift
-zich onderworpen. Dit alles is geschied, opdat de uitnemendheid
-der kracht, ook van de kracht der Schrift, zij Godes en niet uit
-ons. Gelijk elke menschelijke gedachte en handeling vrucht is
-geheel van de actie Gods in wien wij leven en zijn, en tegelijk
-geheel vrucht is van de werkzaamheid des menschen, zoo ook is
-de Schrift product geheel en al van den Geest Gods, die door
-de profeten en apostelen spreekt, en tegelijk geheel product van
-de werkzaamheid der schrijvers. Θεια παντα και ἀνθρωπινα
-παντα.</p>
-
-<p class="sep2">16. Deze organische beschouwing is echter meermalen gebruikt,
-om juist aan het eerste, aan het auteurschap des H. Geestes,
-afbreuk te doen. De vleeschwording van Christus eischt, dat men
-haar naspeure tot in de diepte van haar vernedering toe, in al
-haar zwakheid en smaad. De beschrijving van het woord, van de
-openbaring, noodigt ons uit, om ook in de Schrift dat zwakke en
-nederige, die dienstknechtsgestalte te erkennen. Maar gelijk het
-menschelijke in Christus, hoe zwak en nederig ook, toch van het
-zondige vrij bleef, zoo ook is de Schrift sine labe concepta.
-Menschelijk geheel en in al haar deelen, maar ook evenzoo θεια
-παντα. Toch is op velerlei wijze aan dit goddelijk karakter der
-Schrift te kort gedaan. De geschiedenis der inspiratie leert ons
-dat deze eerst tot in de 17<sup>e</sup> eeuw toe hoe langer hoe verder is
-uitgebreid, tot de vokalen en punten toe (inspiratio punctualis),
-en vervolgens dat zij allengs hoe meer is ingekrompen en beperkt,
-van de punten tot de woorden (insp. verbalis), van de singula
-verba tot het woord, de gedachte (Wort in plaats van Wörterinspiration
-bij Philippi, Kirchl. Glaub. I<sup>3</sup>, 252), van het woord
-als gedachte tot de zaken (insp. realis), van de zaken tot den
-religieus-ethischen inhoud, tot hetgeen in eigenlijken zin geopenbaard
-is, tot het woord Gods sensu stricto, tot het speciale object
-van het zaligmakend geloof (insp. fundamentalis, religiosa), van
-<span class="pagenum" id="Page_350">[350]</span>
-deze zaken weder tot de personen (insp. personalis), en van deze
-eindelijk tot loochening van alle inspiratie als bovennatuurlijke
-gave. Nu is het verblijdend, dat zelfs de meest negatieve richting
-aan de Schrift nog eene plaats verzekeren en eenige waarde
-toeschrijven wil in het religieuse leven en denken der Christenheid.
-De leer der H. S. is niet eene opinie van deze of geene school,
-geen dogma van eene particuliere kerk of secte, maar een articulus
-fundamentalis, een geloofsartikel van de ééne heilige algemeene
-christelijke kerk. Haar beteekenis voor heel het Christendom
-wordt hoe langer hoe beter ingezien; haar onverbrekelijke samenhang
-met het christelijk geloof en leven steeds beter erkend.
-Een tijd lang in de dogmatiek naar de media gratiae verwezen,
-heeft ze zich de plaats in den ingang tot de dogmatiek weer
-met eere heroverd, Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 212. Heel de
-Roomsche en Grieksche kerk staat nog onverzwakt in de belijdenis
-van de goddelijke ingeving der H. Schrift. Vele Protestantsche
-kerken en richtingen hebben tot nog toe alle geweld weerstaan,
-om haar van dezen grondslag af te dringen. De gemeente blijft
-door prediking en onderwijs, door lezing en onderzoek middellijk
-of rechtstreeks uit de Schrift leven en met de Schrift zich voeden.
-Zelfs wie in theorie de inspiratie ontkent, spreekt en handelt in
-de praktijk van het leven menigmaal, alsof hij ze ten volle aanvaardt.
-Het dualisme van gelooven en weten, waarin naar veler
-voorstelling de orthodoxie bij de leer der Schrift verkeert, komt
-niet in vergelijk bij de tweeslachtige positie der Vermittelungstheologie,
-die op den katheder de inspiratie loochent en op den
-kansel ze feitelijk belijdt. Het radikalisme komt hoe langer hoe
-meer tot de erkentenis, dat de inspiratie der Schrift door de
-Schrift zelve wordt geleerd en met deze aangenomen of verworpen
-moet worden. Dit alles toont, dat het leven sterker is dan de
-leer en dat de Schrift zelve altijd weer reageert tegen iedere
-naturalistische verklaring. Zij pretendeert zelve uit den Geest
-Gods te zijn voortgekomen en houdt deze pretensie staande tegenover
-alle kritiek. Elke poging om haar van het mysterieus karakter
-van haar oorsprong, inhoud en kracht te ontdoen, is tot dusver
-geëindigd met het op te geven en de Schrift de Schrift te laten.
-Eene inspiratie is daarom geene verklaring van de Schrift, en
-dus eigenlijk ook geen theorie; maar zij is en behoort te zijn
-eene geloovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelve
-<span class="pagenum" id="Page_351">[351]</span>
-getuigt, in weerwil van den schijn die tegen haar is. De inspiratie
-is een dogma evenals de triniteit, de menschwording, enz., dat
-de Christen aanneemt, niet wijl hij de waarheid ervan inziet,
-maar omdat God het alzoo getuigt. Zij is geen wetenschappelijke
-uitspraak maar eene belijdenis des geloofs. Bij de inspiratie even
-als bij elk ander dogma is het niet in de eerste plaats de vraag:
-hoe veel kan en mag ik belijden, zonder in conflict te komen
-met de wetenschap, maar wat is de getuigenis Gods en wat is
-dienovereenkomstig de uitspraak van het christelijk geloof? En
-dan is er maar één antwoord mogelijk, dat de Schrift zichzelve
-aandient als het woord Gods en de kerke Gods in alle eeuwen
-haar als zoodanig heeft erkend. De inspiratie steunt op het gezag
-der Schrift en heeft getuigenis bekomen van de kerk aller eeuwen.</p>
-
-<p>Met dit dogmatisch en religieus karakter van de leer der
-inspiratie is de inspiratio personalis en fundamentalis in strijd.
-Wel ligt er ook in deze opvattingen eene goede gedachte. Want
-het zijn zeker de personen geweest, die met al hun gaven en
-krachten bij de inspiratie door den H. Geest in dienst werden
-genomen; en die personen waren heilige mannen, menschen Gods,
-tot dit werk bekwamelijk toegerust. Ook is er in de Schrift
-zonder twijfel onderscheid tusschen meer en minder belangrijke
-deelen; niet alle boeken des Bijbels hebben gelijke waarde.
-Maar beide voorstellingen van de inspiratie verzwakken de getuigenis,
-welke de Schrift van zichzelve geeft, en zijn niet geboren
-uit de plerophorie des geloofs maar uit transactie met de wetenschap.
-Bovendien stuit de inspiratio personalis nog af op deze
-bezwaren, dat zij het onderscheid uitwischt tusschen inspiratie en
-illuminatie (wedergeboorte), tusschen het intellectueele en het
-ethische leven, tusschen het φερεσθαι der profeten, 2 Petr. 1:21
-en het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14, tusschen de
-H. Schrift en de stichtelijke lectuur. Voorts keert zij met
-Rome de verhouding van Schrift en kerk in haar tegendeel om,
-berooft de gemeente van de vastigheid die zij behoeft en
-maakt haar afhankelijk van de wetenschap, die uitmaken moet,
-wat in de Schrift al dan niet Gods woord is. Wel trachten
-vele voorstanders van deze inspiratietheorie aan deze bezwaren
-te ontkomen, door zich te beroepen op den persoon van
-Christus als bron en autoriteit der dogmatiek, maar dit baat
-daarom niet, wijl er juist verschil is over de vraag, wie
-<span class="pagenum" id="Page_352">[352]</span>
-Christus is en wat Hij geleerd en gedaan heeft. Indien de apostolische
-getuigenis aangaande Christus niet betrouwbaar is, is er
-geen kennis van Christus mogelijk. Daar komt bij, dat, indien
-Christus autoriteit is, Hij dat ook is in de leer aangaande de
-Schrift; de inspiratie moet dan juist op zijn gezag worden aangenomen.
-De bovengenoemde theorie komt met het gezag van
-Christus zelven in botsing. De inspiratio fundamentalis onderscheidt
-zich van de inspiratio personalis daardoor, dat zij nog
-eene bijzondere werkzaamheid des Geestes bij het schrijven aanneemt,
-maar alleen bij sommige gedeelten der Schrift. Deze
-voorstelling is echter zoo deistisch en dualistisch, dat zij reeds
-daarom onaannemelijk is. Daarbij zijn woord en feit, het religieuse
-en het historische, het door God en door menschen gesprokene
-in de Schrift zoo saamgeweven en ineengevlochten, dat scheiding
-onmogelijk is. Ook de historie in de Schrift is een openbaring
-Gods. En eindelijk komen deze beide theorieën toch niet te gemoet
-aan de bezwaren, die van de zijde der wetenschap tegen de
-Schrift en hare inspiratie worden ingebracht. Want deze gelden
-volstrekt niet enkele ondergeschikte punten in de peripherie der
-openbaring, maar raken haar hart en centrum zelf. De inspiratio
-personalis en fundamentalis is volstrekt niet wetenschappelijker
-en rationeeler, dan de strengste inspiratio verbalis.</p>
-
-<p>De andere inspiratietheorieën, inspiratio punctualis, verbalis,
-realis en ook de Wortinspiration van Philippi wijken onderling
-weinig af. De werkzaamheid des H. Geestes bij het schrijven
-heeft toch daarin bestaan, dat Hij, na het menschelijk bewustzijn
-der scriptores op allerlei wijze, door geboorte, opvoeding, natuurlijke
-gaven, onderzoek, herinnering, nadenken, levenservaring,
-openbaring, enz. gepraepareerd te hebben, nu in en onder en bij
-het schrijven zelf in dat bewustzijn die gedachten en woorden,
-die taal en stijl, deed opkomen, welke de goddelijke gedachte op
-de beste wijze voor menschen van allerlei rang en stand en volk
-en eeuw vertolken konden. In de gedachten zijn de woorden en
-in de woorden de vocalen begrepen. Maar daaruit volgt niet, dat
-de vocaalteekens in onze Hebr. handschriften van de schrijvers
-zelven afkomstig zouden zijn. Daaruit volgt ook niet, dat alles
-vol is van goddelijke wijsheid, dat elke jota en elke tittel een
-oneindigen inhoud heeft. Alles heeft zijn zin en zijne beteekenis
-zeer zeker, maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het
-<span class="pagenum" id="Page_353">[353]</span>
-voorkomt. Niet atomistisch mag de Schrift beschouwd worden,
-alsof elk woord en elke letter los op zich zelve en geisoleerd,
-als zoodanig, door God zou zijn ingegeven, met een eigen bedoeling,
-met een eigen en dus goddelijken, oneindigen inhoud.
-Dat leidt tot de dwaze hermeneutische regelen der Joodsche
-Schriftgeleerden en eert niet maar onteert de H. Schrift. Maar
-organisch moet de inspiratie worden opgevat, zoodat ook het geringste
-zijne plaats en beteekenis heeft en tegelijk toch op veel
-verder afstand ligt van het centrum dan andere deelen. In het
-menschelijk organisme is niets toevallig, noch de lengte, noch de
-breedte, noch de kleur, noch de tint; maar daarom staat niet
-alles met het levenscentrum in hetzelfde nauw verband. Hoofd
-en hart nemen een veel belangrijker plaats in het lichaam in dan
-hand en voet, en deze staan weer in waarde verre boven nagels
-en haren. Ook in de Schrift ligt niet alles even dicht om het
-centrum geschaard; er is eene peripherie, die wijd om het middelpunt
-zich heen beweegt, maar ook zij behoort tot den cirkel der
-gedachten Gods. Soorten en graden in de inspiratie zelve zijn er
-dus niet. Het haar des hoofds is hetzelfde leven deelachtig als
-hart en hand. Het is ééne anima, die tota est in toto corpore
-et in omnibus partibus. Het is één Geest, waaruit heel de Schrift
-door het bewustzijn der schrijvers is voortgekomen. Maar wel is
-er verschil in de wijze, waarop hetzelfde leven in de verschillende
-deelen des lichaams immanent en werkzaam is. Er is verscheidenheid
-van gaven, ook in de Schrift, maar het is dezelfde Geest.</p>
-
-<h4>E. Bezwaren tegen de inspiratie.</h4>
-
-<p>17. Tegen deze inspiratie der Schrift worden vele en zeer
-ernstige bezwaren ingebracht. Zij zijn ontleend aan de historische
-kritiek, die de echtheid en geloofwaardigheid van vele Bijbelboeken
-bestrijdt; aan de innerlijke tegenstrijdigheden, die telkens
-in de Schrift voorkomen; aan de wijze, waarop het Oude Test.
-in het Nieuwe aangehaald en uitgelegd wordt; aan de ongewijde
-geschiedenis, met welke de verhalen der Schrift menigmaal niet
-overeen te brengen zijn; aan de natuur, welke zoowel in haar
-ontstaan als in haar bestaan de Schrift met hare schepping en
-hare wonderen weerspreekt; aan de religie en moraal, die menigmaal
-over het geloof en leven van de personen des Bijbels een
-<span class="pagenum" id="Page_354">[354]</span>
-afkeurend oordeel velt; aan den tegenwoordigen vorm der Schrift,
-die blijkens de tekstkritiek in hare autographa verloren, in hare
-apographa corrupt en in hare vertalingen gebrekkig is, enz. Het
-is eene ijdele poging, om deze bezwaren weg te cijferen en te
-doen, als zij niet bestaan. Maar toch dient in de eerste plaats
-gewezen te worden op de ethische beteekenis van den strijd, die
-alle eeuwen door tegen de Schrift is gevoerd. Indien de Schrift
-het woord Gods is, is die strijd niet toevallig maar noodzakelijk
-en ook volkomen verklaarbaar. Omdat zij de beschrijving is van
-de openbaring Gods in Christus, moet zij denzelfden tegenstand
-wakker roepen als Christus zelf. Deze is tot eene κρισις in de
-wereld gekomen en is gezet tot een val en eene opstanding voor
-velen. Hij brengt scheiding tusschen licht en duisternis en maakt
-de gedachten uit veler hart openbaar. En evenzoo is de Schrift
-een levend en krachtig woord, een oordeelaar van de gedachten
-en de overleggingen des harten. Zij werd niet alleen geïnspireerd,
-zij is nog theopneust. Gelijk er aan de akte der inspiratie veel
-voorafgaat, heel de werkzaamheid des H. Geestes in natuur,
-geschiedenis, openbaring, wedergeboorte, zoo volgt er ook veel op.
-De inspiratie staat niet op zichzelve. De H. Geest trekt zich,
-na de akte der inspiratie, niet van de H. Schrift terug en laat
-haar niet over aan haar lot, maar Hij draagt en bezielt haar,
-en brengt haar inhoud in allerlei vorm tot de menschheid, tot
-haar hart en geweten. Door de Schrift als het woord Gods bindt
-de H. Geest een voortdurenden kamp aan tegen de gedachten,
-en overleggingen van den ψυχικος ἀνθρωπος. Op zichzelf behoeft
-het dus niet de minste verwondering te baren, dat de Schrift
-ten allen tijde weerspraak en bestrijding heeft ontmoet. Christus
-heeft een kruis gedragen, en een dienstknecht is niet meerder
-dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd van Christus. Zij
-deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap wakker van den
-zondigen mensch.</p>
-
-<p>Daaruit is nu wel niet alle bestrijding van de Schrift te verklaren.
-Maar toch zijn de aanvallen, waaraan de Schrift in deze
-eeuw blootstaat, niet op zichzelf te beschouwen. Zij hangen ongetwijfeld
-samen met heel de geestesrichting dezer eeuw. Over
-personen en bedoelingen komt ons het oordeel niet toe; maar
-het zou oppervlakkig zijn te beweren, dat de strijd tegen de
-Schrift in deze eeuw geheel op zichzelf stond, door gansch
-<span class="pagenum" id="Page_355">[355]</span>
-andere en veel zuiverder motieven werd beheerscht dan in vroegere
-eeuwen, dat thans alleen het hoofd meespreken zou en het hart
-er geheel buiten zou blijven. Ieder geloovige doet de ervaring
-op, dat hij in de beste oogenblikken van zijn leven ook het
-sterkst staat in het geloof aan de Schrift; zijn vertrouwen op
-de Schrift neemt toe met zijn geloof in Christus, en omgekeerd
-is ignoratio Scripturarum vanzelve en in diezelfde mate ook eene
-ignoratio Christi (Hieronymus). Het verband van zonde en dwaling
-ligt dikwerf diep onder de oppervlakte van het bewuste leven.
-Bij een ander is het schier nimmer aan te wijzen, maar soms
-wordt het aan het eigen zielsoog ontdekt. De strijd tegen de
-Schrift is in de eerste plaats eene openbaring van de vijandschap
-van het menschelijk hart. Maar die vijandschap kan zich uiten
-op verschillende wijze. Zij komt volstrekt niet alleen en misschien
-zelfs niet het sterkst uit in de kritiek, waaraan de Schrift in
-onzen tijd onderworpen wordt. De Schrift als het woord Gods
-ontmoet tegenstand en ongeloof bij iederen psychischen mensch.
-In de dagen der doode orthodoxie was principiëel het ongeloof
-aan de Schrift even machtig als in onze historische en kritische
-eeuw. De vormen wisselen, maar het wezen blijft één. Hetzij de
-vijandschap tegen de Schrift zich uit in eene kritiek als die van
-Celsus en Porphyrius, hetzij zij zich openbaart in een dood geloof,
-de vijandschap is in beginsel dezelfde. Want niet de hoorders,
-maar de daders des woords worden zalig gesproken. De dienstknecht
-welke geweten heeft den wil zijns heeren en zich niet
-bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen
-geslagen worden.</p>
-
-<p>Daarom blijft het voor iederen mensch plicht, om allereerst
-deze vijandschap tegen het woord Gods af te leggen en alle
-gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.
-De Schrift treedt zelve allerwege op met dezen eisch. Alleen
-de reine van hart zal God zien. Wedergeboorte doet het koninkrijk
-Gods aanschouwen. Zelfverloochening is de voorwaarde, om Jezus’
-discipel te zijn. De wijsheid der wereld is dwaasheid bij God.
-De Schrift neemt tegenover ieder mensch zoo hooge plaats in,
-dat zij, in plaats van aan zijne kritiek zich te onderwerpen, veeleer
-hem oordeelt in al zijne gedachten en begeerten. En dit is het
-standpunt der christelijke kerk tegenover de Schrift ten allen
-tijde geweest. Nederigheid was volgens Chrysostomus de grondslag
-<span class="pagenum" id="Page_356">[356]</span>
-der philosophie. Augustinus zeide: quemadmodum rhetor ille
-rogatus, quid primum esset in eloquentiae praeceptis, respondit:
-pronuntiationem; quid secundum, pronuntiationem; quid tertium,
-pronuntiationem; ita si me interroges de religionis Christianae,
-primo, secundo et tertio semper respondere liberet: humilitatem.
-Calvijn, Inst. II 2, 11, haalt dit met instemming aan. En Pascal,
-Pensées, Art. 8, roept het den mensch toe: humiliez-vous, raison
-impuissante, taisez-vous, nature imbécile..... écoutez Dieu!
-Zoo heeft de kerk in alle eeuw tegenover de Schrift gestaan.
-En de christelijke dogmaticus mag geen andere positie innemen.
-Want een dogma steunt niet op de uitkomsten van eenig historisch-kritisch
-onderzoek, maar rust alleen op de getuigenis Gods, op
-de zelfgetuigenis der H. Schrift. Een Christen gelooft niet, omdat
-alles Gods liefde ontdekt, maar ondanks alles, dat twijfel wekt.
-Ook in de Schrift blijft er veel, dat twijfel wekt. Alle geloovigen
-weten daaruit bij ervaring mede te spreken. De mannen van de
-Schriftkritiek stellen het dikwerf zoo voor, alsof de eenvoudige
-gemeente niets wist van de bezwaren, die tegen de Schrift worden
-ingebracht en niets gevoelde van de moeilijkheid, om aan de
-Schrift te blijven gelooven. Maar dat is eene onzuivere voorstelling.
-Zeker, de eenvoudige Christenen kennen de hinderpalen niet, welke
-de wetenschap voor het geloof aan de Schrift in den weg legt.
-Maar zij kennen toch in meerdere of mindere mate den strijd,
-die in hoofd en hart beide tegen de Schrift wordt gestreden.
-Er is geen enkel geloovige, die niet op zijne wijze de tegenstelling
-heeft leeren kennen tusschen de σοφια του κοσμου en de μωρια
-του θεου. Het is éénzelfde en het is een altijd voortdurende
-strijd, die door alle Christenen, geleerd of ongeleerd, gestreden
-moet worden, om de gedachten gevangen te houden onder de
-gehoorzaamheid van Christus. Niemand komt hier op aarde dien
-strijd te boven. Er blijven over heel de erve des geloofs cruces,
-die overwonnen moeten worden. Er is geen geloof zonder strijd.
-Gelooven is strijden, strijden tegen den schijn der dingen. Zoolang
-iemand nog iets gelooft, wordt hem zijn geloof van alle
-kanten betwist. Ook de moderne geloovige wordt daarvan niet
-verlost. Concessies verzwakken maar bevrijden niet. Zoo blijven
-er dan nog bezwaren genoeg over, ook voor wie kinderlijk
-aan de Schrift zich onderwerpt. Deze behoeven niet verbloemd
-te worden. Er zijn cruces in de Schrift, die niet weg te cijferen
-<span class="pagenum" id="Page_357">[357]</span>
-zijn, en die waarschijnlijk ook nooit zullen worden opgelost. Maar
-deze moeilijkheden, welke de H. Schrift zelve tegenover hare
-inspiratie ons biedt, zijn voor een groot gedeelte niet nieuw ontdekt
-in deze eeuw; zij zijn ten allen tijde opgemerkt, en desniettemin
-hebben Jezus en de apostelen, hebben Athanasius en
-Augustinus, Thomas en Bonaventura, Luther en Calvijn, hebben
-alle Christenen van alle kerken en door alle eeuwen de Schrift
-beleden en erkend als het woord van God. Wie met het geloof
-aan de Schrift wil wachten, totdat alle bezwaren uit den weg
-zijn geruimd en alle tegenstrijdigheden zijn verzoend, komt nimmer
-tot het geloof. Hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook
-hopen? Jezus spreekt zalig degenen, die niet gezien en nogtans
-zullen geloofd hebben. Maar bovendien, bezwaren en moeielijkheden
-zijn er in iedere wetenschap. Wie niet met gelooven wil aanvangen,
-komt nimmer tot weten. De Erkenntnisstheorie is het
-beginsel der philosophie; maar zij is mysterie van het begin tot
-het eind. Wie niet eer aan het wetenschappelijk onderzoek wil
-gaan, voordat hij den weg ziet gebaand, waarlangs wij tot kennis
-komen, begint er nooit mede. Wie niet eten wil, voor hij heel
-het proces begrijpt, waardoor de spijze tot hem komt, sterft den
-hongerdood; en wie het woord Gods niet gelooven wil, voor hij
-alle moeilijkheden opgelost ziet, komt om van geestelijk gebrek.
-Met begrijpen zal ’t niet gaan, grijp het onbegrepen aan (Beets).
-De natuur, de geschiedenis en elke wetenschap biedt evenveel
-cruces als de H. Schrift. De natuur bevat zoovele raadselen, dat
-zij ons menigmaal kan doen twijfelen aan het bestaan van een
-wijs en rechtvaardig God. Er zijn ἐναντιοφανη in menigte op
-iedere bladzijde van het boek der natuur. Er is een onverklaarbare
-rest (Schelling), die met alle verklaring spot. Wie geeft
-daarom prijs het geloof aan de Voorzienigheid Gods, welke over
-alle dingen gaat? Het Mohammedanisme, het leven en de levensbestemming
-der onbeschaafde volken is een crux in de geschiedenis
-der menschheid, even groot en even moeilijk als de samenstelling
-van den Pentateuch en de Synoptici. Wie twijfelt er
-daarom aan, dat God ook dat boek der natuur en der geschiedenis
-schrijft met zijne almachtige hand? Natuurlijk kan men
-hier en zoo ook bij de Schrift zich in de armen werpen van het
-agnosticisme en van het pessimisme. Maar wanhoop is een salto
-mortale ook op wetenschappelijk gebied. Met het ongeloof nemen
-<span class="pagenum" id="Page_358">[358]</span>
-de mysteriën des zijns niet af maar toe. En de onvrede des harten
-wordt grooter.</p>
-
-<p class="sep2">18. Maar voorts doet de organische opvatting van de inspiratie
-vele middelen aan de hand, om aan de bezwaren, tegen
-haar ingebracht, te gemoet te komen. Zij houdt toch in, dat de
-H. Geest bij het beschrijven van het woord Gods niets menschelijks
-heeft versmaad, om tot orgaan te dienen van het goddelijke.
-De openbaring Gods is niet abstract-supranatureel, maar is ingegaan
-in het menschelijke, in personen en toestanden, in vormen
-en gebruiken, in geschiedenis en leven. Zij blijft niet hoog boven
-ons zweven, maar is nedergedaald in onzen toestand; zij is
-vleesch en bloed en ons in alles gelijk geworden uitgenomen de
-zonde. Zij maakt thans een onuitroeibaar bestanddeel uit van
-dezen kosmos waarin wij leven, en zet vernieuwend en herstellend
-daarin hare werking voort. Het menschelijke is orgaan geworden
-van het goddelijke, het natuurlijke de openbaring van het bovennatuurlijke,
-het zienlijke teeken en zegel van het onzienlijke. Bij
-de inspiratie is gebruik gemaakt van alle gaven en krachten, die
-er liggen in de menschelijke natuur. Daardoor is ten eerste volkomen
-verklaarbaar het verschil in taal en stijl, in karakter en
-individualiteit, dat in de Bijbelboeken valt op te merken. Vroeger
-werd dit verschil verklaard uit den wil des H. Geestes, en eene
-diepere beschouwing ontbrak. Maar bij de organische inspiratie
-is dit verschil volkomen natuurlijk. Ook het gebruik van bronnen,
-de bekendheid der schrijvers met vroegere geschriften, eigen
-onderzoek, herinnering, nadenken en levenservaring is door de
-organische opvatting niet uitgesloten maar opgenomen. De H.
-Geest heeft zelf op die wijze zijne scriptores gepraepareerd; Hij
-is niet in eens van boven op hen neergedaald, maar heeft zich
-van heel hunne persoonlijkheid als van zijn instrument bediend.
-Ook hier geldt het woord, dat gratia non tollit sed perficit
-naturam. De persoonlijkheid der schrijvers is niet uitgewischt
-maar gehandhaafd en geheiligd. De inspiratie eischt dus in geenen
-deele, dat wij litterarisch of aesthetisch den stijl van Amos gelijk
-stellen met dien van Jesaia, of dat we alle barbarismen en
-soloecismen in de taal des N. T. zouden loochenen. In de tweede
-plaats brengt de organische opvatting van openbaring en inspiratie
-mede, dat het gewoon menschelijke en natuurlijke leven niet
-<span class="pagenum" id="Page_359">[359]</span>
-uitgesloten is maar mede dienstbaar is gemaakt aan de gedachten
-Gods. De Schrift is het woord Gods; zij bevat het niet alleen
-maar zij is het. Maar het formeele en materieele element mag in
-deze uitdrukking niet vaneen gescheiden worden. Inspiratie alleen
-en op zichzelve zou een geschrift nog niet tot woord Gods maken
-in schriftuurlijken zin. Al ware een boek over aardrijkskunde
-bijv. geheel en al ingegeven en in den meest letterlijken zin van
-woord tot woord gedicteerd, daardoor werd het nog niet theopneust
-in den zin van 2 Tim. 3:16. De Schrift is het woord Gods,
-omdat de H. Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij den
-Λογος ἐνσαρκος tot stof en inhoud heeft. Vorm en inhoud doordringen
-elkaar, en zijn niet te scheiden. Maar om dit beeld van
-Christus ons ten voeten uit als voor de oogen te schilderen,
-daartoe is noodig, dat ook de menschelijke zonde en de satanische
-leugen in al haar gruwel geteekend wordt. Op de schilderij
-is de schaduw noodig, om het licht te helderder te doen uitkomen.
-Zonde moet ook in Bijbelheiligen zonde worden genoemd,
-en dwaling mag ook in hen niet worden vergoelijkt. En terwijl
-de openbaring Gods in Christus alzoo de ongerechtigheid als
-antithese in zich opneemt, versmaadt zij ook het menschelijk-zwakke
-en natuurlijke niet. Christus heeft niets menschelijks zich
-vreemd gerekend, en de Schrift vergeet ook de kleinste zorgen
-van het dagelijksch leven niet, 2 Tim. 4:13. Het christelijke
-staat niet antithetisch tegenover het menschelijke; het is er de
-herstelling en vernieuwing van. In de derde plaats hangt met
-den inhoud ook ten nauwste de bedoeling en de bestemming der
-Schrift samen. Alwat te voren geschreven is, is tot onze leering
-geschreven. Het strekt tot leering, wederlegging, verbetering,
-onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mensch Gods
-volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. Het dient
-om ons wijs te maken tot zaligheid. De H. Schrift heeft eene
-door en door religieus-ethische bestemming. Zij wil geen handboek
-zijn voor de verschillende wetenschappen. Zij is principium
-alleen van de theologie en verlangt dat wij haar <i>theologisch</i> lezen
-en onderzoeken zullen. Bij al de vakken, die om de Schrift zich
-groepeeren, moet het ons te doen zijn om de zaligmakende kennisse
-Gods. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In dien zin
-is zij volkomen genoegzaam en volmaakt. Wie echter uit de
-Schrift eene geschiedenis van Israel, eene biographie van Jezus,
-<span class="pagenum" id="Page_360">[360]</span>
-eene geschiedenis van Israels of de oud-christelijke letterkunde
-enz. wil afleiden, vindt telkens zich teleurgesteld. Dan zijn er
-leemten, die niet dan door gissingen kunnen worden aangevuld.
-De historische kritiek heeft deze bestemming der Schrift ten
-eenenmale vergeten. Zij tracht eene geschiedenis van Israels volk
-en godsdienst en letterkunde te leveren, en komt apriori met
-eischen tot de Schrift, waaraan zij niet kan voldoen. Zij stuit
-op tegenstrijdigheden, die niet op te lossen zijn, schift bronnen
-en boeken eindeloos, rangschikt en ordent ze gansch anders, alleen
-met het gevolg, dat er een hopelooze verwarring ontstaat. Uit
-de vier Evangelien is geen leven van Jezus te construeeren en
-uit het Oude Testament geen geschiedenis van Israel. De H. Geest
-heeft dat niet bedoeld. Notarieele opteekening is de inspiratie niet
-geweest. De harmonistiek der evangelische verhalen is mislukt,
-cf. Dieckhoff, Die Inspiration und Irrthumslosigkeit der H. Schrift,
-Leipzig 1891. Id. Noch einmal über die Insp. u. Irrth. der H. S.
-Rostock 1893. Herzog<sup>2</sup> art. Evangelienharmonien en Synopse.
-Aan exacte kennis, gelijk wij die in de mathesis, de astronomie,
-de chemie enz. eischen, voldoet de Schrift niet. Zulk een maatstaf
-mag aan haar niet worden aangelegd. Daarom zijn de autographa
-ook verloren. Daarom is de tekst, in welke geringe mate
-dan ook, corrupt; daarom bezit de gemeente en waarlijk de leeken
-niet alleen de Schrift slechts in eene gebrekkige en feilbare vertaling.
-Dat zijn feiten, die niet te loochenen zijn. En zij leeren
-ons, dat de Schrift een eigen maatstaf heeft, van eene eigen
-uitlegging is en eene eigene bestemming heeft. Die bestemming
-is geen andere, dan dat zij ons wijs zoude maken tot zaligheid.
-Het Oude Testament is geen bron voor eene geschiedenis van
-Israels volk en godsdienst maar wel voor eene historia revelationis.
-De Evangelien zijn geen bron voor een leven van Jezus
-maar wel voor eene dogmatische kennis van zijn persoon en werk.
-De Schrift is het boek voor de christelijke religie en voor de
-christelijke theologie. Daartoe is zij gegeven. Daarvoor is zij geschikt.
-En daarom is zij het woord Gods, ons geschonken door
-den H. Geest.</p>
-
-<p class="sep2">19. Daaruit wordt eindelijk de verhouding duidelijk, waarin
-de Schrift tot de andere wetenschappen staat. Er is veel misbruik
-gemaakt van het woord van Baronius: de Schrift zegt niet,
-<span class="pagenum" id="Page_361">[361]</span>
-hoe de hemel gaat maar hoe wij naar den hemel gaan. Juist
-als boek der kennisse Gods heeft de Schrift veel te zeggen, ook
-tot de andere wetenschappen. Zij is een licht op het pad en
-eene lamp voor den voet, ook van de wetenschap en de kunst.
-Zij maakt aanspraak op gezag op alle terrein van het leven.
-Christus heeft alle macht in hemel en op aarde. Objectief is de
-beperking van de inspiratie tot het religieus-ethische gedeelte
-der Schrift onhoudbaar, en subjectief is de scheiding tusschen
-het godsdienstige en het overige leven van den mensch niet te
-handhaven. De inspiratie strekt zich uit tot alle deelen der
-Schrift, en de religie is eene zaak van den ganschen mensch.
-Zeer veel van wat in de Schrift vermeld wordt, is ook voor de
-andere wetenschappen van principiëele beteekenis. De schepping
-en val des menschen, de eenheid van het menschelijk geslacht,
-de zondvloed, het ontstaan der volken en talen, enz. zijn feiten
-ook voor de andere wetenschappen van het hoogste belang. Ieder
-oogenblik komen wetenschap en kunst met de Schrift in aanraking,
-de principia voor heel het leven zijn gegeven in de Schrift.
-Hieraan mag niets te kort worden gedaan. Maar toch ligt er
-anderzijds ook eene groote waarheid in het woord van den kardinaal
-Baronius. Ook alle die feiten worden in de Schrift niet
-op en voor zichzelf medegedeeld, maar met een theologisch doel,
-opdat wij God zouden kennen tot zaligheid. De Schrift bemoeit
-zich nooit opzettelijk met de wetenschap als zoodanig. Christus
-zelf, ofschoon vrij van alle dwaling en zonde, heeft zich toch
-nooit in engeren zin bewogen op het gebied van wetenschap en
-kunst, van handel en nijverheid, van rechtspraak en politiek.
-Zijns was eene andere grootheid; de heerlijkheid des Eengeborenen
-van den Vader, vol van genade en waarheid. Maar juist daardoor
-is Hij ten zegen geweest ook voor wetenschap en kunst,
-voor maatschappij en staat. Jezus is Zaligmaker, dat alleen,
-maar dat ook geheel. Hij kwam niet alleen, om het religieus-ethische
-leven van den mensch te herstellen en al het andere
-ongemoeid te laten, alsof dit niet door de zonde bedorven ware
-en geen herstelling van noode had. Neen zoover als de zonde,
-strekt ook de genade van Christus zich uit. En evenzoo is het
-met de Schrift. Ook zij is door en door religieus, het woord
-Gods tot zaligheid, maar daarom ook juist een woord voor gezin
-en maatschappij, voor wetenschap en kunst. De Schrift is een
-<span class="pagenum" id="Page_362">[362]</span>
-boek voor de gansche menschheid, in al haar rangen en standen,
-in al haar geslachten en volken. Maar daarom ook is zij geen
-wetenschappelijk boek in engeren zin. Wijsheid, niet geleerdheid
-is in haar aan het woord. Zij spreekt niet de exacte taal der
-wetenschap en der school, maar die der aanschouwing en des
-dagelijkschen levens. Zij beoordeelt en beschrijft de dingen niet
-naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar naar
-de intuitie, naar den eersten, levendigen indruk, dien de verschijnselen
-maken op den mensch. Daarom spreekt zij van het
-naderen van het land, van het opgaan en stilstaan der zon, van
-het bloed als de ziel van het dier, van de nieren als zetel der
-aandoeningen, van het hart als bron der gedachten, enz. en
-bekommert zich daarbij ganschelijk niet om de wetenschappelijk-nauwkeurige
-taal van de astronomie, de physiologie, de psychologie,
-enz. Zij spreekt over de aarde als het centrum van Gods
-schepping en kiest geen partij tusschen de Ptolemeische en de
-Kopernikaansche wereldbeschouwing. Zij beslist niet tusschen het
-Neptunisme en het Plutonisme, noch ook tusschen de allopathie
-en de homoeopathie. De scriptores der H. Schrift wisten waarschijnlijk
-in al deze wetenschappen, geologie, zoölogie, physiologie,
-medicijnen, enz. niets meer dan al hunne tijdgenooten. Het behoefde
-ook niet. Want de H. Schrift bezigt de taal der dagelijksche
-ervaring, die altijd waar is en altijd blijft. Indien de
-Schrift in plaats daarvan de taal der school had gebruikt en
-wetenschappelijk-exact hadde gesproken, zij zou aan haar eigen
-gezag in den weg hebben gestaan. Indien zij beslist had voor
-de Ptolemeische wereldbeschouwing, zou zij ongeloofwaardig zijn
-in eene eeuw, die het Kopernikaansche stelsel huldigde. Zij zou
-ook geen boek voor het leven, voor de menschheid hebben kunnen
-zijn. Maar nu spreekt zij in algemeen-menschelijke taal,
-verstaanbaar voor den eenvoudigste, duidelijk voor geleerde en
-ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de aanschouwing, die
-altijd naast die der wetenschap en van de school zal blijven
-bestaan. Daarom kan zij ook duren tot aan het einde der eeuwen.
-Daarom is zij oud, zonder ooit te verouderen. Zij is altijd jong
-en frisch; zij is de sprake des levens. Verbum Dei manet in
-aeternum.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<div class="pagenum" id="Page_363">[363]</div>
-
-<h3>§&nbsp;12. <span class="smcap">Eigenschappen der Schrift.</span></h3>
-
-<h4>A. De eigenschappen der Schrift in het algemeen.</h4>
-
-<p>1. De leer van de affectiones S. Scr. heeft zich geheel ontwikkeld
-uit den strijd tegen Rome en het Anabaptisme. In de
-belijdenis van de inspiratie en autoriteit der Schrift was er overeenstemming,
-maar overigens was er in den locus de S. Scr.
-groot verschil tusschen Rome en de Hervorming. De verhouding,
-waarin Rome Schrift en kerk tot elkaar had gesteld, werd in
-de Reformatie principieel veranderd. Bij de kerkvaders en scholastici
-stond de Schrift, althans in theorie, nog verre boven kerk en
-traditie; zij rustte in zichzelve, was αὐτοπιστος en voor kerk
-en theologie de norma normans. Augustinus zei, scriptura canonica
-certis suis terminis continetur, bij Harnack, D. G. II 85, en
-redeneert Conf. 6,5, 11,3 zoo, alsof de waarheid der H. Schrift
-alleen afhangt van zichzelve. Bonaventura, de sept. don. n. 37-43,
-geciteerd in het Breviloquium ed. Freiburg 1881 p. 370,
-verklaart: ecclesia enim fundata est super eloquia Sacrae Scripturae,
-quae si deficiant, deficit intellectus........ Cum enim
-ecclesia fundata sit in Sacra Scriptura, qui nescit eam, nescit
-ecclesiam regere. Meer dergelijke getuigenissen worden door
-Gerhard, Loci theol. I cap. 3 §&nbsp;45, 46 aangehaald uit Salvianus,
-Biel, Cajetanus, Hosius, Valentia enz. Canisius zegt in zijn Summa
-doctrinae christ., in cap. de praeceptis ecclesiae §&nbsp;16: Proinde
-sicut scripturae propter testimonium Divini Spiritus in illa loquentis
-credimus, adhaeremus ac tribuimus maximam auctoritatem, sic
-ecclesiae fidem, reverentiam obedientiamque debemus. En ook
-Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 1 cap. 2 verklaart nog: Sacris
-Scripturis, quae propheticis et apostolicis litteris continentur, nihil
-est notius, nihil certius, ut stultissimum esse necesse sit qui
-illis fidem habendam esse negat. Allen waren van oordeel, dat
-de Schrift genoegzaam uit en door zichzelve als waarheid bewezen
-kon worden; zij hangt niet van de kerk af, maar omgekeerd de
-kerk van haar; de kerk met hare traditie moge regula fidei zijn,
-fundamentum fidei is zij nog niet. Dat is de Schrift alleen.</p>
-
-<p>Maar de kerk met haar ambt en traditie begon bij Rome hoe
-langer hoe meer eene onafhankelijke plaats in te nemen en autoriteit
-<span class="pagenum" id="Page_364">[364]</span>
-te verkrijgen naast de H. Schrift. De verhouding van beide werd
-eerst niet nader omschreven, maar eischte toch spoedig eene
-betere regeling. En toen de kerk steeds toenam in macht en
-zelfgenoegzaamheid, werd de autoriteit hoe langer hoe meer van
-de Schrift naar de kerk verlegd. Verschillende momenten in de
-geschiedenis wijzen het proces aan, waarlangs de kerk van de
-plaats onder, tot die naast, en eindelijk ook tot die boven de
-Schrift zich verhief. De vraag, welke van beide, de Schrift of
-de kerk, den voorrang had, werd duidelijk en bewust eerst gesteld
-in den tijd der reformatorische conciliën. Ondanks de tegenspraak
-van Gerson, d’Ailly, en vooral van Nicolaas van Clémange,
-Herz.<sup>2</sup> 3:247 werd ze ten voordeele der kerk beslist. Trente
-heeft dit tegenover de Hervorming gesanctioneerd. In den strijd
-tegen het Gallikanisme werd de kwestie nog nader gepraeciseerd,
-en in het Vaticanum 1870 is ze zoo opgelost, dat de kerk onfeilbaar
-werd verklaard. Subject van deze onfeilbaarheid is echter
-niet de ecclesia audiens, noch de ecclesia docens, noch ook
-de gezamenlijke bisschoppen, in concilie vergaderd, maar bepaald
-de paus. En deze weer niet als privaat persoon, noch ook als
-bisschop van Rome of patriarch van het Westen maar als Opperherder
-der gansche kerk. Hij bezit deze onfeilbaarheid wel als
-hoofd der kerk en niet los van haar, maar hij bezit ze toch niet
-door en met haar, maar boven en in onderscheiding van haar.
-Zelfs bisschoppen en conciliën hebben deel aan de onfeilbaarheid,
-niet gescheiden van, maar alleen in eenheid met en onderwerping
-aan den paus. Hij staat boven allen, en maakt alleen de kerk,
-de traditie, de conciliën, de canones onfeilbaar. Concilies zonder
-paus kunnen dwalen en hebben gedwaald, Bellarminus, de Conc.
-et Eccl. II c. 10-11. Heel de kerk, zoowel docens als audiens,
-is alleen onfeilbaar una cum et sub Romano pontifice, Jansen,
-Theol. I 506. Daarmede is heel de verhouding van kerk en
-Schrift omgekeerd. De kerk, of meer concreet de paus, gaat
-voor en staat boven de Schrift. Ubi papa, ibi ecclesia, Jansen,
-I 511. De onfeilbaarheid van den paus maakt die van de kerk,
-de bisschoppen en conciliën en evenzoo die van de Schrift onnoodig.</p>
-
-<p class="sep2">2. Uit deze Roomsche opvatting van de verhouding van Schrift
-en kerk vloeien alle verschillen voort, welke in de leer der
-<span class="pagenum" id="Page_365">[365]</span>
-Schrift tusschen Rome en de Hervorming bestaan. Zij betreffen
-voornamelijk de noodzakelijkheid der H. Schrift, de apocriefen
-van het O. Test., de editio Vulgata, het bijbelverbod, de uitlegging
-der Schrift en de traditie. Formeel komt de omkeer in
-de verhouding van Schrift en kerk het duidelijkst daarin uit,
-dat de nieuwere Roomsche theologen de leer der kerk behandelen
-in de pars formalis der dogmatiek. De kerk behoort tot de principia
-fidei. Gelijk de Schrift bij de Reformatie, zoo is de kerk, het
-magisterium, of eigenlijk de paus het formeele principe, het
-fundamentum fidei in het Romanisme, Jansen, I 829.</p>
-
-<p>Daartegenover plaatsten de Hervormers de leer van de eigenschappen
-der Schrift. Zij droeg geheel en al een polemisch karakter,
-maar stond daardoor ook in hoofdzaak van den aanvang af vast,
-Heppe, Dogm. d. deutschen Prot. I 207-257. Allengs werd ze
-ook min of meer systematisch en methodisch in de dogmatiek
-opgenomen, nog niet bij Zwingli, Calvijn, Melanchton, enz., maar
-toch reeds bij Musculus, Loci Comm. 1567 p. 374 sq. Zanchius,
-de S. Script. Op. VIII 319 sq. Polanus, Synt. Theol. 17 sq.
-Junius, Theses Theol. Op. I 1594 sq. enz., en in de Luthersche
-kerk bij Gerhard, Quenstedt, Calovius, Hollaz, enz. Maar in de
-behandeling was er verschil. Soms werd er allerlei historische
-en kritische stof in besproken; de dogmatiek nam schier heel
-de „Inleiding”, de canonica generalis en specialis, in zich op.
-Ook het aantal en de verdeeling der eigenschappen werd ongelijk
-opgegeven. Gezag, nuttigheid, noodzakelijkheid, waarheid, duidelijkheid,
-genoegzaamheid, oorsprong, verdeeling, inhoud, apocriefen,
-concilie, kerk, traditie, editio authentica, vertalingen, uitlegging,
-bewijzen, testimonium Sp. S<sup>i</sup>., dit alles en nog veel meer werd
-in de leer der Schrift en van hare eigenschappen ter sprake
-gebracht. Langzamerhand kwam er meer begrenzing der stof.
-Calovius en Quenstedt onderscheidden tusschen affectiones primariae
-en secundariae; tot de eerste behoorden de auctoritas, veritas,
-perfectio, perspicuitas, semet ipsam interpretandi facultas, judicialis
-potestas en efficacia, en onder de laatste werden gerekend de
-necessitas, integritas, puritas, authentia en legendi omnibus concessa
-licentia. Nog eenvoudiger was de menigmaal gevolgde orde:
-auctoritas, necessitas, perfectio seu sufficientia, perspicuitas, semet
-ipsam interpretandi facultas en efficacia, Hase, Hutterus Rediv.
-§&nbsp;43 f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 27 f. Herzog<sup>2</sup> 2,
-<span class="pagenum" id="Page_366">[366]</span>
-365 f. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 9 f. Voigt, Fundamentaldogm.
-S. 644 f. Maar ook zoo is er nog vereenvoudiging aan
-te brengen. De historische, kritische, archaeologische stof enz.
-hoort niet thuis in de dogmatiek, maar in de bibliologische vakken
-der theologie. De authentia, integritas, puritas enz. kunnen daarom
-in de dogmatiek niet volledig behandeld worden, zij komen daar
-slechts in zooverre ter sprake, als de leer der Schrift ook voor
-hare gesteldheid eenige gegevens biedt. De veritas behoeft na de
-inspiratie en autoriteit geen afzonderlijk betoog meer, en zou
-daardoor eer verzwakt dan versterkt worden. De efficacia vindt
-haar plaats in de leer van de media gratiae. Zoo blijven alleen
-de auctoritas, necessitas, perfectio en perspicuitas over. Onder
-deze is er nog dit onderscheid, dat de auctoritas geene eigenschap
-is, die gecoordineerd is met de andere, want zij is met de inspiratie
-vanzelf gegeven; de necessitas, perspicuitas en sufficientia
-daarentegen vloeien niet in denzelfden zin uit de inspiratie voort.
-Het laat zich denken, dat eene onfeilbare Schrift aangevuld en
-uitgelegd moest worden door eene onfeilbare traditie. Rome erkent
-wel de autoriteit der Schrift, maar loochent hare andere eigenschappen.</p>
-
-<h4>B. Het gezag der Schrift.</h4>
-
-<p>3. Het gezag der Schrift is ten allen tijde in de christelijke
-kerk erkend. Jezus en de apostelen geloofden aan het O. Test.
-als het woord Gods en schreven daaraan toe een goddelijk gezag.
-De christelijke kerk is onder het gezag der Schrift geboren en
-opgegroeid. Wat de apostelen geschreven hebben, moet zoo worden
-aangenomen alsof Christus zelf het geschreven had, Aug. de cons.
-evang. I 35. En Calvijn verklaart in zijne uitlegging van 2 Tim.
-3:16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam verschuldigd
-zijn als aan God. Dat gezag der Schrift stond tot de vorige eeuw
-toe in alle kerken en onder alle Christenen vast. Daarentegen
-kwam er tusschen Rome en de Hervorming een ernstig verschil
-over den grond, waarop dat gezag rust. Kerkvaders en scholastici
-leerden nog dikwerf de autopistie der Schrift, maar de drijfkracht
-van het Roomsche beginsel heeft hoe langer hoe meer de kerk
-geschoven vóór de Schrift. De kerk, zoo is thans de algemeene
-Roomsche leer, gaat temporeel en logisch aan de Schrift vooraf.
-<span class="pagenum" id="Page_367">[367]</span>
-Zij was er eerder dan de Schrift, en heeft haar oorsprong,
-bestaan en autoriteit niet aan de Schrift te danken, maar bestaat
-in en door zichzelve, d. i. door Christus, of den H. Geest die in
-haar woont. De Schrift daarentegen is juist voortgekomen uit de
-kerk en wordt nu door haar erkend, bevestigd, bewaard, uitgelegd,
-verdedigd enz. De Schrift heeft dus wel de kerk, maar de
-kerk heeft niet de Schrift van noode. Zonder kerk is er geen
-Schrift, maar zonder Schrift is er wel eene kerk. De kerk met
-de onfeilbare traditie is het oorspronkelijk en genoegzaam middel,
-om de openbaring te bewaren en mee te deelen; de H. Schrift
-is er later bijgekomen, is op zichzelve onvoldoende, maar is als
-steun en bevestiging van de traditie wel nuttig en goed. Feitelijk
-wordt bij Rome de Schrift geheel afhankelijk van de kerk. De
-authentie, integriteit, inspiratie, canoniciteit, autoriteit van de
-Schrift wordt door de kerk vastgesteld. Daarbij wordt dan echter
-deze onderscheiding gemaakt, dat de Schrift niet quoad se, maar
-quoad nos geheel van de kerk afhangt. De kerk maakt door hare
-erkenning de Schrift niet geinspireerd, kanonisch, echt enz., maar
-zij is toch de eenige, die deze eigenschappen van de Schrift op
-onfeilbare wijze kennen kan. De zelfgetuigenis der Schrift toch
-maakt niet uit, dat juist deze boeken van O. en N. T., en geen
-andere en geen mindere, geinspireerd zijn; nergens geeft de H.
-Schrift een catalogus van de boeken, die tot haar behooren; de
-teksten, die de inspiratie leeren, dekken nooit de gansche Schrift,
-2 Tim. 3:16 slaat alleen op het O. Test.; bovendien een beroep
-voor de inspiratie der Schrift op de Schrift zelve is altijd nog
-maar een cirkelbewijs. De Protestanten zijn dan ook onderling
-verdeeld over de boeken, die tot de Schrift behooren; Luthers
-oordeel over Jakobus wijkt af van dat van Calvijn enz. De bewijzen
-voor de Schrift aan de kerkvaders enz. ontleend, zijn niet vast
-en stevig genoeg, ze hebben als motiva credibilitatis groote
-waarde, maar ze geven toch slechts waarschijnlijkheid, menschelijke
-en dus feilbare zekerheid. Alleen de kerk geeft goddelijke,
-onfeilbare gewisheid, gelijk Augustinus dan ook zeide: ego vero
-Evangelio non crederem, nisi me catholicae ecclesiae commoveret
-auctoritas, c. epist. Manich. cap. 5. c. Faustum l. 28. cap. 2,4,6.
-De Protestanten hebben daarom de Schrift ook kunnen aannemen
-en erkennen als Gods woord, wijl zij haar uit de hand der kerk
-ontvingen, Bellarminus, de Verbo Dei IV cap. 4. Perrone, Praelect.
-<span class="pagenum" id="Page_368">[368]</span>
-Theol. IX 71 sq. Heinrich, Dogm. I 775 f. Jansen, Theol. I
-766 sq. Het Vaticanum, sess. 3. cap. 2 erkende de boeken des
-O. en N. T. als kanonisch, propterea quod Sp. S<sup>o</sup>. inspirante
-conscripti Deum habent autorem <i>atque ut tales ipsi ecclesiae
-traditi sunt</i>. Door deze gedachten geleid, stelde Rome te Trente
-sess. 4 en in het Vatikaan sess. 3 cap. 2 den kanon vast, nam
-daarin naar het voorbeeld der Grieksche vertaling en de practijk
-der kerkvaders ook de apocriefen des O. T. op, en verklaarde
-bovendien de editio Vulgata voor den authentieken tekst, zoodat
-deze in kerk en theologie beslissend gezag heeft.</p>
-
-<p class="sep2">4. Tegenover deze Roomsche leer stelde de Reformatie de
-autopistie der Schrift, Calvijn, Inst. I c. 7. Ursinus, Tract.
-Theol. 1584 p. 8 sq. Polanus, Synt. I c. 23-30. Zanchius, de
-S. Scriptura, Op. VIII 332-353. Junius, Theses Theol. c.
-3-5. Synopsis pur. theol. disp. 2 §&nbsp;29 sq. Gerhard, Loci
-theol. I c. 3. enz. Bij dit verschil liep de vraag niet hierover,
-of de kerk niet eene roeping had te vervullen tegenover de
-Schrift. Algemeen werd toegestemd, dat de kerk van groote
-beteekenis is voor de Schrift. Haar getuigenis is van groot gewicht
-en een motivum credibilitatis. De kerk der eerste eeuwen
-bezit in hare getuigenissen een sterken steun voor de Schrift.
-Voor elk mensch is de kerk de leidsvrouw tot de Schrift. In
-dezen zin is en blijft het woord van Augustinus waar, dat hij
-door de kerk bewogen was om de Schrift te gelooven. Protestantsche
-theologen, Calv. Inst. I 7, 3. Polanus, Synt. p. 30. Turretinus,
-de S. Scr. auctoritate, disp. 3 §&nbsp;13 s. Gerhard, Loci
-theol. I c. 3 §&nbsp;51 hebben dit woord van Augustinus verzwakt,
-door het alleen op het verleden, op het ontstaan des geloofs te
-laten slaan. Maar de redeneering van Augustinus t. a. p. is
-duidelijk. Hij plaatst zijn manicheeschen tegenstander voor dit
-dilemma: gij moet òf tot mij zeggen: geloof den katholieken,
-maar dezen waarschuwen mij juist om u te gelooven, òf geloof
-den katholieken niet, maar dan kunt gij u ook niet tegenover
-mij op het evangelie beroepen, quia ipsi Evangelio, catholicis
-praedicantibus, credidi. De kerk is inderdaad voor Augustinus
-een motief des geloofs, waarvan hij hier tegenover den manicheer
-gebruik maakt. Maar er is verschil tusschen motief en laatsten
-grond des geloofs. Hoe hij in de kerk een motief des geloofs
-<span class="pagenum" id="Page_369">[369]</span>
-ziet, heldert hij elders, C. Faustum lib. 32 c. 19 zelf op als hij
-zegt: cur non potius evangelicae autoritati, tam fundatae, tam
-stabilitae, tanta gloria diffamatae atque ab apostolorum temporibus
-usque ad nostra tempora per successiones certissimas commendatae,
-non te subdis? Cf. de util. cred. c. 14. De kerk met haar
-waardigheid, haar macht, haar hierarchie enz. heeft altijd op
-Augustinus een diepen indruk gemaakt. Zij bewoog hem voortdurend
-tot het geloof, zij steunde en sterkte hem in twijfel en
-strijd, zij was de vaste hand, die hem altijd weer leidde tot
-de Schrift. Maar daarmede wil Augustinus niet zeggen, dat de
-autoriteit der Schrift van de kerk afhangt, dat zij de laatste
-en diepste grond is van zijn geloof. Elders zegt hij duidelijk,
-dat de H. Schr. door zichzelve gezag heeft en om zichzelve moet
-geloofd worden, Clausen, Augustinus S. Scr. interpres 1827 p.
-125. Dorner, Augustinus, Berlin 1873 S. 237 f. Reuter, Augustinische
-Studien, Gotha 1887 S. 348 f. Schmidt, Jahrb. f. deutsche
-Theol. VI 235 f. Hase, Protest. Polemik 5<sup>te</sup> Aufl. Leipzig
-1891 S. 81. Harnack D. G. III 70 f.</p>
-
-<p>De kerk heeft en houdt voor ieder geloovige tot aan zijn
-dood toe eene rijke en diepe paedagogische beteekenis. De wolke
-van getuigen, die om ons heen ligt, kan ons sterken en bemoedigen
-in den strijd. Maar dit is heel iets anders, dan dat de
-autoriteit der Schrift van de kerk afhangen zou. Rome durft dit
-zelfs nog niet openlijk uitspreken. Het Vaticanum erkende de
-boeken des O. en N. T. toch ook daarom voor kanonisch,
-propterea quod <i>Spiritu S inspirante conscripti Deum autorem
-habent</i> en als zoodanig der kerk zijn overgeleverd. En de Roomsche
-theologen maken onderscheid tusschen de autoriteit der
-Schrift quoad se en quoad nos. Maar die onderscheiding kan hier
-niet gelden. Want indien de kerk de laatste en diepste grond is,
-waarom ik aan de Schrift geloof, dan is die kerk, en niet de
-Schrift αὐτοπιστος. En nu een van beide: de Schrift bevat eene
-getuigenis, eene leer over zichzelve, over haar inspiratie en autoriteit,
-en dan doet de kerk niets dan die getuigenis aannemen en
-bevestigen; of de Schrift leert zelve zulk eene inspiratie en
-autoriteit niet, en dan is het dogma der kerk over de Schrift
-voor den Protestant geoordeeld. De Roomsche theologen verkeeren
-dan ook in eene niet geringe tegenstrijdigheid. Eenerzijds trachten
-zij in de leer der Schrift haar inspiratie en gezag uit haar zelve
-<span class="pagenum" id="Page_370">[370]</span>
-te betoogen; en andererzijds, toegekomen aan de leer der kerk,
-pogen zij die bewijzen te verzwakken en aan te toonen, dat alleen
-de getuigenis der kerk eene onomstootelijke zekerheid geeft.
-Hangt daarentegen de autoriteit quoad se van de Schrift zelve
-af, dan is zij ook quoad nos, de laatste grond van ons geloof.
-De kerk kan slechts erkennen wat er is; zij kan niet maken wat
-er niet is. De beschuldiging, dat op die wijze eene cirkelredeneering
-wordt gemaakt en de Schrift met de Schrift zelve wordt
-bewezen, kan op Rome zelf worden teruggeworpen, wijl zij de
-kerk met de Schrift en de Schrift met de kerk bewijst. Indien
-Rome daartegen opmerkt, dat zij in het eerste geval de Schrift
-niet als Gods woord maar als menschelijke, geloofwaardige en
-betrouwbare getuigenis gebruikt, dan kan ook de Protestantsche
-theoloog deze opmerking overnemen: eerst wordt uit de Schrift
-als betrouwbaar getuigenis de inspiratie afgeleid en daarna met
-deze de Schrift als Gods woord bewezen. Maar veel meer is dit
-van beteekenis, dat in elk vak van wetenschap, en zoo ook in de
-theologie, de principia door zichzelve vast staan. De waarheid
-van een principium kan niet betoogd, maar alleen erkend worden.
-Principium creditur propter se, non propter aliud. Principii principium
-haberi non potest nec quaeri debet, Gerhard, Loc. theol.
-I cap. 3. Zanchius, Op. VIII 339 sq. Polanus, Synt. I cap. 23 sq.
-Turret. Theol. El. loc. 2 qu. 6. Trelcatius, Schol. et method.
-loc. comm. S. Theol. Institutio 1651 p. 26.</p>
-
-<p>De Schrift zelve leert dan ook duidelijk, dat niet de kerk maar
-het woord Gods, beschreven of onbeschreven, αὐτοπιστος is. De
-kerk is ten allen tijde aan dat woord Gods, voor zoover het er
-was en in dien vorm waarin het bestond, gebonden geweest. Israel
-ontvangt op Horeb de wet, Jezus en de apostelen onderwerpen
-zich aan de O. T. Schrift, de christ. kerk is van den aanvang
-af gebonden aan het gesproken en geschreven woord der apostelen.
-Het woord Gods is het fundament der kerk, Deut. 4:1; Jes.
-8:20; Ezech. 20:19; Luk. 16:29; Joh. 5:39; Ef. 2:20;
-2 Tim. 3:14; 2 Petr. 1:19 enz. De kerk kan wel getuigen
-van het woord, maar het woord staat boven haar. Zij kan niemand
-het geloof aan het woord Gods in het hart schenken. Dat
-kan het woord Gods alleen, door zichzelf en de kracht des H.
-Geestes, Jer. 23:29; Mk. 4:28; Luk. 8:11; Rom. 1:16;
-Hebr. 4:12; 1 Petr. 1:23. En reeds daardoor alleen blijkt de
-<span class="pagenum" id="Page_371">[371]</span>
-kerk beneden de Schrift te staan. Daarom kan de kerk en kunnen
-de geloovigen de inspiratie, autoriteit, kanoniciteit van de
-Schrift uit haar zelve leeren kennen, maar zij kunnen deze nooit
-eigenmachtig afkondigen en vaststellen. De Hervorming heeft
-liever eenige onzekerheid gewild, dan eene gewisheid, die alleen
-door eene willekeurige beslissing der kerk werd verkregen. Want
-de Schrift geeft inderdaad nergens een catalogus van de boeken
-die zij bevat. Over sommige boeken is er in de oudste christelijke
-kerk en ook later verschil van meening geweest. De tekst bezit
-niet die integritas, welke ook Luth. en Geref. theologen zoo gaarne
-wenschten. Maar desniettemin heeft de Reformatie de autopistie
-der Schrift tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de
-kerk ondergeschikt gemaakt aan het woord Gods, en daardoor
-de vrijheid van den Christen gered.</p>
-
-<p class="sep2">5. Bij dit verschil tusschen Rome en de Hervorming over
-den grond van het gezag der Schrift kwam er in de 17<sup>e</sup> eeuw
-in de Protestantsche kerken zelve nog een belangrijke strijd
-over den aard van dat gezag. Hierover was men het eens, dat
-aan de Schrift, wijl zij God tot auteur had, eene auctoritas divina
-toekwam. Nader werd deze autoriteit daardoor omschreven, dat
-de Schrift door allen geloofd en gehoorzaamd moest worden, en
-de eenige regel was van geloof en leven. Deze omschrijving leidde
-echter vanzelf tot de onderscheiding van eene auctoritas historica
-en eene auctoritas normativa. De openbaring Gods toch is gegeven
-in den vorm van eene geschiedenis; zij heeft verschillende tijden
-doorloopen. Lang niet alles, wat in de Schrift staat opgeteekend,
-heeft normatief gezag voor ons geloof en leven. Veel van wat
-door God geboden en ingesteld is geweest, of door profeten en
-apostelen is voorgeschreven en verordend, gaat ons niet rechtstreeks
-meer aan en had op vroeger levende personen betrekking.
-Het gebod aan Abraham, om zijn zoon te offeren; het bevel aan
-Israel, om alle Kanaänieten te dooden; de ceremonieele en burgerlijke
-wetten, die golden in de dagen des O. T.; de bepalingen
-van de synode te Jeruzalem en zoo veel meer zijn zeker als
-historie nog nuttig ter leering en vermaning, maar kunnen en
-mogen door ons niet meer opgevolgd worden. En dat niet alleen,
-maar de openbaring heeft in hare beschrijving niet alleen de goede
-werken der heiligen maar ook de booze daden der goddeloozen
-<span class="pagenum" id="Page_372">[372]</span>
-opgeteekend. Meermalen komen er dus woorden en handelingen
-in de Schrift voor, welke wel als historisch waar maar niet als
-normatief worden voorgesteld; zoover is het er van daan, dat
-deze regel mogen zijn voor ons geloof en leven, dat zij veeleer
-verworpen en afgekeurd moeten worden. Ook de zonden der heiligen,
-van een Abraham, Mozes, Job, Jeremia, Petrus enz. worden
-ter waarschuwing, niet ter navolging medegedeeld. En eindelijk
-kan bij vele personen, bij de aartsvaders, Debora, de richters, de
-koningen, de vrienden van Job, Hanna, Agur, de moeder van
-Lemuel, de dichters van sommige psalmen, zooals de vloekpsalmen
-ps. 73:13, 14, 77:7-9, 116:11, en voorts bij Zacharia, Simeon,
-Maria, Stephanus enz. de vraag gesteld worden, of hunne woorden
-alleen formeel, wat hunne opteekening betreft, of ook zakelijk,
-wat hun inhoud aangaat, zijn geinspireerd. Voetius oordeelde, dat
-velen van deze personen, zooals Job en zijne vrienden, niet tot
-de profeten kunnen gerekend worden en handhaafde dit gevoelen
-tegenover Maresius, Voetius, Disp. I 31, 40-44. V 634-640.
-Maresius, Theologus paradoxus p. 83-87, en verder Maccovius,
-Loci Comm. p. 31-32, Cloppenburg, de canone theol. disp. 3
-Op. II 18-23. Witsius, Misc. Sacra I 316-318. Moor, Comm.
-in Marckii Comp. I 131-134. Carpzovius, Critica S. Vet. Test.
-I c. 2 §&nbsp;3. Deze kwestie had wel geen verdere gevolgen, maar
-was toch in veel opzichten belangrijk. Zij bracht het eerst duidelijk
-tot bewustzijn, dat er onderscheid is tusschen woord Gods in
-formeelen en woord Gods in materieelen zin, en dwong tot nadenken
-over de verhouding, waarin beide tot elkander staan. Nu
-werd die verhouding zeer zeker door de meesten der bovengenoemde
-theologen al te dualistisch opgevat. De auctoritas historiae
-en de historia normae laten zich in de Schrift niet op zoo abstracte
-wijze scheiden. De formeele en de materieele beteekenis van de
-uitdrukking woord Gods zijn veel te nauw verbonden. Ook in
-de leugenachtige woorden van Satan en de booze daden der
-goddeloozen heeft God iets tot ons te zeggen. De Schrift is niet
-alleen nuttig tot leering maar ook tot waarschuwing en vermaning.
-Zij onderwijst en verbetert ons, zoowel door af te schrikken
-als door aan te sporen, zoowel door beschaming als door vertroosting.
-Maar wel werd het door die onderscheiding duidelijk gemaakt,
-dat de Schrift niet kan en mag opgevat worden als een wetboek
-vol artikelen. Beroep op een tekst buiten het verband is voor een
-<span class="pagenum" id="Page_373">[373]</span>
-dogma niet genoeg. De openbaring, in de Schrift neergelegd, is
-een historisch en organisch geheel. Zoo wil ze gelezen en verklaard
-worden. En daarom moet het dogma, dat met autoriteit tot ons
-komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op heel het
-organisme der Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. Het gezag
-der Schrift is een ander dan dat van eene staatswet.</p>
-
-<p class="sep2">6. Aard en grond van het gezag der Schrift zijn echter vooral
-in de nieuwere theologie in discussie gebracht. In vroeger tijd
-rustte de autoriteit der H. Schrift op hare inspiratie en was met
-deze vanzelf gegeven. Maar toen de inspiratie werd prijsgegeven,
-was het gezag der Schrift niet meer te handhaven. Wel werd
-dit op allerlei wijze beproefd, maar men zag zich genoodzaakt,
-om zoowel de gronden als het karakter van de autoriteit der
-H. Schrift gansch anders op te vatten. Het gezag der Schrift,
-voorzoover het nog werd erkend, werd daarop gebaseerd, dat zij
-de authentieke oorkonde is van de openbaring; de christelijke
-idee het zuiverst uitdrukt, evenals het water ook het reinst is
-bij de bron; de vervulling is van de Oudtestamentische heilsgedachte,
-en de christelijke leer volkomen, zij het ook in kiem,
-in zich bevat; en de aanvang en voortdurende vernieuwing is van
-den christelijken geest in de gemeente. Deze en dergelijke overwegingen
-voor het gezag der Schrift kan men vinden bij theologen
-van de verschillendste richtingen, zooals bij Scholten, L. H. K.
-I 78 v. Saussaye, mijne theol. van Ch. d. l. S. 53 v. Schleiermacher,
-Gl. §&nbsp;129 f. Rothe, Zur Dogm. S. 166 f. Lipsius, Dogm.
-§&nbsp;193 f. Biedermann, Dogm. §&nbsp;193 f. Schweizer, Christl. Gl.
-I S. 178 f. Hofmann, Weiss. u. Erf. III 98 f. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers. II 5 f. 9 f. enz. Toch zijn al deze gronden niet hecht
-genoeg, om een gezag te dragen, gelijk dat de religie behoeft.
-Ze mogen als motiva credibilitatis in aanmerking komen, maar
-als gronden zijn ze onhoudbaar. Want vooreerst maken zij door
-de onderscheiding tusschen openbaring en hare oorkonde, tusschen
-woord Gods en Schrift, het gezag der Schrift feitelijk geheel
-illusoir. Want indien niet de Schrift in haar geheel, maar alleen
-het woord Gods in haar, het religieus-ethische, de openbaring
-of hoe men het noemen wil, gezag heeft, dan heeft ieder voor
-zichzelf uit te maken, wat dat woord Gods in de Schrift is, en
-elk bepaalt dit naar goedvinden. Het zwaartepunt wordt uit het
-<span class="pagenum" id="Page_374">[374]</span>
-object naar het subject overgebracht; de Schrift kritiseert niet
-den mensch, maar deze oordeelt de Schrift; het gezag der Schrift
-hangt af van het menschelijk welgevallen; het bestaat slechts,
-voorzoover men het erkennen wil, en wordt dus geheel vernietigd.
-Maar ook al zouden al deze gronden eenig gezag voor de Schrift
-kunnen vindiceeren, het zou toch geen ander zijn dan een louter
-historisch gezag. En dit is in de religie onvoldoende. Hier hebben
-we aan een historisch, d. i. menschelijk en feilbaar gezag niet
-genoeg. Omdat de religie onze zaligheid raakt en in verband
-staat met onze eeuwige belangen, kunnen wij in haar met niets
-minder toe dan met een goddelijk gezag. Wij moeten niet alleen
-weten, dat de Schrift de historische oorkonde voor onze kennis
-van het Christendom is en dat zij de oorspronkelijke christelijke
-ideeën het zuiverst bevat en weergeeft; maar in de religie dienen
-wij te weten, dat de Schrift het woord en de waarheid Gods is.
-Zonder deze zekerheid is er geen troost in het leven en in het
-sterven. En niet alleen heeft ieder Christen aan deze zekerheid
-behoefte, maar ook de kerk zelve kan als instituut deze gewisheid
-niet ontberen. Want indien een prediker de overtuiging mist van
-de goddelijke waarheid van het woord dat hij verkondigt, verliest
-zijne prediking alle gezag en invloed en kracht. Indien hij
-geen goddelijke boodschap heeft te brengen, wie geeft hem dan
-het recht om op te treden voor menschen van gelijke bewegingen
-als hij? Wie geeft hem vrijheid om zich op den kansel boven
-hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen
-der ziel en des levens en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig
-wel of een eeuwig wee? Wie durft en wie kan dat doen, anders
-dan die een woord Gods te verkondigen heeft? Het christelijk
-geloof en de christelijke prediking eischen beide eene goddelijke
-autoriteit, waarop zij steunen. Titubabit fides, si divinarum scripturarum
-vacillat auctoritas, Aug. de doctr. christ. I 37.</p>
-
-<p>Daarom kan het ook geen goedkeuring wegdragen, wanneer de
-aard van het gezag der Schrift als zedelijk omschreven wordt.
-Lessing is daarmede al begonnen als hij zeide, dat iets niet
-daarom waar is wijl het in den Bijbel staat, maar dat het in
-den Bijbel staat omdat het waar is. Sedert zijne verzuchting om
-verlossing van het gezag der letter en van den papieren paus,
-is het gelooven op gezag op allerlei wijze bespottelijk gemaakt.
-Christelijke theologen hebben zich daardoor laten influenceeren
-<span class="pagenum" id="Page_375">[375]</span>
-en het autoriteitsgeloof gewijzigd of bestreden. Doedes bijv., Inl.
-tot de leer van God, 1880 bl. 29-40 wil niets weten van gelooven
-op gezag en spreekt alleen nog van zedelijke autoriteit in
-de religie. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 53 v. verklaart,
-dat er geen ander is dan zedelijk gezag en dat het zedelijke
-geheel gezag is. Intellectueel gezag is er niet, maar moreel gezag
-is de zedelijkheid, de godsdienst zelve. Men gelooft de waarheid
-niet op gezag, maar de waarheid heeft gezag, d. i. heeft het
-recht, dat men haar gehoorzame. Deze voorstelling lijdt echter
-aan verwarring van begrippen. De waarheid heeft gezag, zeer
-zeker; niemand, die het ontkent. Maar de vraag is juist, wat
-op godsdienstig gebied waarheid is en waar zij te vinden is.
-Hierop is maar tweeërlei antwoord mogelijk. Of aan de eene
-zijde: wat waarheid is, of indien men wil, wie Christus is, dat
-zeggen ons de apostelen, dat zegt ons de Schrift; of aan de
-andere zijde: dit wordt uitgemaakt door het eigen oordeel, door
-de rede of het geweten van ieder mensch voor zichzelf. In het
-laatste geval is er geen gezag en geen autoriteit der Schrift
-meer; zij is geheel en al aan de kritiek van het subject onderworpen.
-Dan baat het ook niets, om met Rothe, Zur Dogm.
-287 te zeggen, dat de Bijbel het volkomen toereikend instrument
-is, om tot eene zuivere kennis van Gods openbaring te komen.
-Want elke objectieve maatstaf ontbreekt, waarnaar in de Schrift
-die openbaring beoordeeld en gevonden kan worden. Er is inderdaad
-maar één grond, waarop het gezag der Schrift rusten kan,
-en dat is hare inspiratie. Valt deze, dan is het ook met de
-autoriteit der Schrift gedaan. Zij bevat dan slechts menschelijke
-geschriften, die als zoodanig geen enkelen titel kunnen laten gelden,
-om norma te zijn voor ons geloof en leven. En met de Schrift
-valt voor den Protestant alle gezag in de religie. Alle pogingen,
-om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, bijv. in den
-persoon van Christus, in de kerk, in de religieuse ervaring, in
-rede of geweten, loopen op teleurstelling uit, Stanton, The place
-of authority in matters of religious belief, London Longmans
-1891. James Martineau, The seat of authority in religion, London
-Longmans 1891. C. A. Briggs, The authority of H. Scriptures.
-Inaugural address, 4 ed. New-York Scribner, 1892. L. Monod,
-Le problème de l’autorité, Paris Fischbacher 1892. E. Doumergue,
-L’autorité en matière de foi, Lausanne Payot 1892. E. Ménégoz,
-<span class="pagenum" id="Page_376">[376]</span>
-L’autorité de Dieu, réflexions sur l’autorité en matière de foi.
-Paris Fischbacher 1892. G. Godet, Vinet et l’autorité en matière
-de foi, Revue de théol. et de philos. Mars 1893 p. 173-191.
-Zij bewijzen alleen, dat eene religie zonder gezag niet kan bestaan.
-Religie is wezenlijk van wetenschap onderscheiden. Zij heeft eene
-eigene zekerheid; niet zulk eene, die op inzicht steunt, maar die
-in geloof, in vertrouwen bestaat. En dit religieuse geloof en vertrouwen
-kan alleen rusten in God en in zijn woord. In de religie
-is een testimonium humanum en eene fides humana onvoldoende;
-hier hebben we behoefte aan een getuigenis Gods, waarop wij
-ons verlaten kunnen in leven en sterven. Inquietum est cor
-nostrum, donec requiescat in Te! Terecht zegt dan ook Harnack,
-D. G. III 73, es hat in der Welt keinen starken religiösen
-Glauben gegeben, der nicht an irgend einem <i>entscheidenden</i> Punkt
-sich auf eine <i>äussere Autorität</i> berufen hätte. Nur in den blassen
-Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den polemischen
-Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube construirt,
-der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten
-entnimmt. Cf. ook P. D. Chantepie de la Saussaye, Zekerheid
-en twijfel 1893 bl. 138 v. Het recht en de waarde van het gezag
-in de religie wordt langzamerhand weer erkend.</p>
-
-<p class="sep2">7. Maar, al kan de religie alleen met eene auctoritas divina
-volstaan, de aard van dat gezag dient toch nog nader te worden
-onderzocht. Gezag is in het algemeen de macht van iemand, die
-iets te zeggen heeft; het recht, om in eene of andere zaak mee te
-spreken, vandaar in het Mnl. geweld, macht, Woordenboek der
-Ned. Taal s. v. Van gezag kan er alleen sprake zijn tusschen
-ongelijken; het drukt altijd eene verhouding uit van een meerdere
-tot zijn mindere, van een hoogere tot zijn lagere. Omdat er
-onder menschen geen gelijkheid is maar allerlei onderscheid bestaat,
-kan er onder hen van gezag sprake zijn. En wijl die ongelijkheid
-zoo groot en zoo velerlei is, neemt het gezag onder
-menschen eene zeer breede plaats in. Het is zelfs het fundament
-der gansche menschelijke samenleving. Wie het ondermijnt,
-arbeidt aan de verwoesting der maatschappij. Dwaas en gevaarlijk
-is het dus, om het gelooven op gezag in een bespottelijk
-daglicht te plaatsen. Augustinus vraagde reeds: Si quod nescitur
-credendum non est, quomodo serviant parentibus liberi eosque
-<span class="pagenum" id="Page_377">[377]</span>
-mutua pietate diligant, quos parentes suos esse non credant.......
-Multa possunt afferri quibus ostendatur, nihil omnino humanae
-societatis incolume remanere, si nihil credere statuerimus, quod
-non possumus tenere perceptum, de util. cred. 12. Op ieder gebied
-leven wij van gezag. Onder het gezag worden wij in huisgezin,
-maatschappij en staat geboren en opgevoed. Ouders hebben
-gezag over hun kinderen, de meester over zijne leerlingen, de
-overheid over hare onderdanen. In al deze gevallen is het gezag
-duidelijk. Het drukt eene macht uit, die van rechtswege aan
-iemand over een ander toekomt. Het treedt daarom op met
-bevelen en wetten, eischt gehoorzaamheid en onderwerping, en
-heeft in geval van opstand zelfs recht van dwang en straf. Maar
-wij breiden dit begrip van gezag verder uit en passen het ook
-toe in wetenschap en kunst. Ook hier is er onderscheid van gave,
-en ontstaat de verhouding van meerderen en minderen, van magistri
-en discipuli. Er zijn mannen, die door hun genialen aanleg en
-noesten arbeid op een of ander gebied het meesterschap hebben
-verworven, en die daarom op dit terrein met gezag kunnen
-spreken. Van de ontdekkingen dezer magistri leven en leeren de
-minderen, de leeken. Ja, vanwege de ontzachlijke uitbreiding der
-wetenschap, kan ook de uitnemendste slechts magister zijn op
-een zeer klein gebied; in al het andere is hij discipulus en moet
-hij vertrouwen op het onderzoek van anderen. Dit gezag in wetenschap
-en kunst draagt echter een ander karakter dan van ouders,
-onderwijzers en overheid; het is niet juridisch, maar ethisch van
-aard; het kan en mag niet dwingen, het heeft geen recht van
-straf. De personen, die hier met autoriteit optreden, mogen nog
-zoo aanzienlijk en gewichtig zijn; hun getuigenis geldt slechts
-zooveel als ze er gronden voor kunnen aanvoeren. Het gezag
-rust hier dus niet ten slotte in de personen, zoodat een ipse
-dixit afdoende ware, maar rust in de bewijzen, waarop hun
-beweren steunt. En wijl alle menschen eenig verstand en oordeel
-ontvingen, is blind geloof hier ongeoorloofd en het streven naar
-een zelfstandig inzicht, voor zooveel noodig en mogelijk, plicht.
-Ook in de geschiedenis is dit het geval. De kennis der historie
-steunt eigenlijk geheel op autoriteit, op getuigenissen van anderen;
-maar deze getuigenissen behoeven niet blindelings geloofd te
-worden, maar mogen en moeten ernstig worden onderzocht, opdat
-zooveel mogelijk het eigen inzicht tot zijn recht kome. In één
-<span class="pagenum" id="Page_378">[378]</span>
-woord, in scientiis tantum valet auctoritas humana, quantum
-rationes.</p>
-
-<p>Dit begrip van gezag vinden we eindelijk ook terug in de
-religie en theologie. Hier is gezag niet in een minderen graad
-maar in eene veel hoogere mate van noode dan in gezin en
-maatschappij, in wetenschap en kunst. Hier is het eene levensbehoefte.
-Zonder gezag en geloof kan religie en theologie geen
-oogenblik bestaan. Maar het gezag draagt hier een geheel eigen
-karakter. Het moet uitteraard eene auctoritas divina zijn. En
-reeds hierdoor is het van het gezag in maatschappij en staat, in
-wetenschap en kunst onderscheiden. Van het laatste verschilt het
-vooral in dit opzicht, dat in wetenschap en kunst eigen inzicht
-oordeelen en beslissen mag. Maar bij eene divina auctoritas komt
-dit niet te pas. Als God gesproken heeft, is alle twijfel uit. De
-divina auctoritas is daarom niet zedelijk te noemen, althans niet
-in den zin, waarin we spreken van het zedelijk overwicht van
-een persoon, want de religie is niet eene verhouding van een
-mindere tot zijn meerdere, maar van een schepsel tot zijn Schepper,
-van een onderdaan tot zijn Souverein, van een kind tot zijn
-Vader. God heeft recht, om den mensch te bevelen en onvoorwaardelijke
-gehoorzaamheid van hem te verlangen. Zijn gezag
-rust in zijn wezen, niet in de rationes. In zoover komt het gezag
-van God en van zijn woord met dat van de overheid in den
-staat en van den vader in het gezin overeen. En er is niets vernederends
-in en niets, dat ook maar eenigszins aan ’s menschen
-vrijheid te kort doet, als hij kinderlijk naar het woord Gods
-luistert en daaraan gehoorzaamt. God op zijn woord, d. i. op
-gezag te gelooven, is even weinig met ’s menschen waardigheid
-in strijd, als het een kind onteert, zich met onbepaald vertrouwen
-te verlaten op het woord van zijn vader. En zooveel scheelt het,
-dat de Christen allengs boven dit gezag zou uitgroeien, Schweizer,
-Christl. Glaub. I 186 f., dat hij juist hoe langer hoe meer,
-met verloochening van alle eigene wijsheid, God gelooven gaat
-op zijn woord. De geloovige komt hier op aarde nooit het standpunt
-des geloofs en des gezags te boven. Naarmate hij toeneemt
-in het geloof, klemt hij zich te vaster aan de autoriteit Gods
-in zijn woord. Maar aan de andere zijde is er toch ook een groot
-verschil tusschen het gezag Gods in de religie en dat van een
-vader in zijn gezin en van eene overheid in den staat. Een vader
-<span class="pagenum" id="Page_379">[379]</span>
-dwingt desnoods zijn kind en brengt het door straf tot onderwerping;
-en de overheid draagt het zwaard niet te vergeefs.
-Dwang is onafscheidelijk van het gezag der aardsche overheid.
-Maar God dwingt niet. Zijne openbaring is eene openbaring van
-genade. En daarin komt Hij tot den mensch niet met geboden
-en eischen, met dwang en met straf, maar met de noodiging,
-met de vermaning, met de bede, om zich met Hem te laten
-verzoenen. God kon als Souverein tegenover den mensch optreden.
-Hij zal eenmaal als Rechter oordeelen allen, die het evangelie
-zijns Zoons ongehoorzaam zijn geweest. Maar in Christus daalt
-Hij tot ons neer, wordt ons in alles gelijk, handelt met ons als
-redelijke en zedelijke wezens; om dan toch weer, stuitende op
-vijandschap en ongeloof, zijne souvereiniteit te hernemen, zijn
-raad uit te voeren en glorie zich te bereiden uit alle creatuur.
-Het gezag, waarmede God in de religie optreedt, is dus geheel
-eigensoortig. Het is niet menschelijk maar goddelijk. Het is
-souverein en werkt toch op zedelijke wijze. Het dwingt niet, en
-weet zich toch te handhaven. Het is absoluut en wordt toch
-weerstaan. Het noodigt en bidt, en is toch onoverwinnelijk.</p>
-
-<p>En zoodanig is ook de autoriteit van de Schrift. Als woord
-Gods staat ze hoog boven alle gezag van menschen in staat en
-maatschappij, in wetenschap en kunst. Voor haar moet al het
-andere wijken. Want men moet Gode meer gehoorzamen dan
-den menschen. Alle andere autoriteit is beperkt binnen haar
-kring en geldt alleen op haar eigen terrein. Maar het gezag
-der Schrift breidt over heel den mensch en over de gansche
-menschheid zich uit. Zij staat boven verstand en wil, boven
-hart en geweten; zij is met geen andere autoriteit te vergelijken.
-Haar gezag is absoluut, wijl het goddelijk is. Zij heeft
-het recht, om door een ieder ten allen tijde geloofd en gehoorzaamd
-te worden. Zij gaat in majesteit alle andere macht zeer
-verre te boven. Maar zij roept, om zichzelve tot erkenning en
-heerschappij te brengen, niemand te hulp. Zij heeft den sterken
-arm der overheid niet noodig. Zij behoeft den steun der kerk
-niet. Zij roept het zwaard en de inquisitie niet op. Zij wil niet
-heerschen door dwang of geweld. Zij wil vrije en gewillige erkenning.
-En daarom brengt zij die zelve tot stand, op zedelijke
-wijze, door de werking des H. Geestes. De Schrift waakt voor
-haar eigen gezag. Daarom sprak men vroeger ook wel van eene
-<span class="pagenum" id="Page_380">[380]</span>
-auctoritas causativa der Schrift, qua Scriptura assensum credendorum
-in intellectu hominis generat et confirmat, Schmid, Dogm.
-der ev. luth. K. §&nbsp;8.</p>
-
-<h4>C. De noodzakelijkheid der Schrift.</h4>
-
-<p>8. In de autoriteit der Schrift is er groote overeenstemming
-tusschen de christelijke kerken, maar in de drie andere, nu volgende
-eigenschappen is er belangrijk verschil. Rome kan van
-wege de verhouding, die het aanneemt tusschen Schrift en kerk,
-de necessitas S. Scripturae inzien noch erkennen. Bij Rome is de
-kerk αὐτοπιστος, zelfgenoegzaam, levende uit en door den H.
-Geest; zij heeft de waarheid en bewaart ze trouw en zuiver door
-het onfeilbaar leerambt van den paus. De Schrift daarentegen,
-voortgekomen uit de kerk, moge nuttig en goed zijn als norma,
-maar principium der waarheid is zij niet. Zij is niet noodzakelijk
-ad esse ecclesiae. De kerk heeft eigenlijk niet de Schrift, maar
-wel heeft de Schrift voor haar gezag, aanvulling, uitlegging enz.
-de kerk van noode. De gronden voor deze leer worden daaraan
-ontleend, dat de kerk vóór Mozes en de eerste christelijke
-gemeente geen Schrift had, en dat vele geloovigen onder het O.
-en ook nog onder het N. Test. de Schrift nooit bezeten en gelezen
-hebben maar enkel en alleen leefden van de traditie, Bellarminus,
-de verbo Dei IV c. 4. Heinrich, Dogm. I 735 f. Liebermann,
-Instit. theol. 1857 I p. 449 sq. Dieringer, Lehrb. der kath.
-Dogm. 4<sup>e</sup> Aufl. 633. Gutberlet, Lehrb. der Apol. III 1894 S.
-221 f. Jansen. Prael. theol. I 786 sq. enz.</p>
-
-<p>Maar niet alleen Rome bestrijdt op die wijze de noodzakelijkheid
-der H. Schrift; ook allerlei mystieke richtingen hebben de
-beteekenis der Schrift voor kerk en theologie verzwakt en miskend.
-Het Gnosticisme verwierp niet alleen het O. T. maar paste op
-het N. T. de allegorische methode toe en trachtte daardoor zijn
-systeem met de Schrift in overeenstemming te brengen. De zinnelijke
-vormen en historische feiten hebben slechts symbolische
-beteekenis; zij zijn eene inkleeding, die voor menschen van lager
-standpunt noodig is, maar voor de hooger ontwikkelden, de
-πνευματικοι, wegvalt. De Schrift is geen bron der waarheid, maar
-slechts middel om tot het hooger standpunt der gnosis zich op
-te heffen, Herzog<sup>2</sup> 5, 209 f. Harnack, D. G. I 214 f. In het
-<span class="pagenum" id="Page_381">[381]</span>
-Montanisme trad eene nieuwe openbaring op, welke die in het
-N. T. aanvulde en verbeterde. Het Montanisme, vooral in zijn
-gematigden vorm bij Tertullianus, wilde eenerzijds niets nieuws
-zijn en de autoriteit der Schrift ten volle handhaven; en toch
-begroette het in Montanus een profeet, in wien de door Jezus
-beloofde Paracleet, de laatste en hoogste openbaring verschenen
-was. De Schrift moest op die wijze wel wijken voor de nieuwe
-profetie, welke door Montanus verkondigd werd, Harnack, D. G.
-I 353 f. Herzog<sup>2</sup> 10, 258 f. De kerk veroordeelde deze richtingen
-wel, en de kerkvaders bestreden dit spiritualisme. Augustinus
-schreef er tegen in den proloog voor zijn boek de doctrina
-christiana; maar toch nam ook Augustinus aan, dat de vromen,
-vooral de monniken, met eene zoo groote mate van geloof, hoop
-en liefde konden worden toegerust, dat ze voor zichzelf de Schrift
-konden missen en zonder haar in de eenzaamheid konden leven,
-de doctr. christ. I c. 39. Het spiritualisme kwam telkens weer
-op, en reageerde tegen de knellende macht van kerk en traditie.
-Verschillende secten, de Katharen, Amalrik van Bena, Joachim
-v. Floris, de broeders en zusters des vrijen geestes en later de
-Libertijnen in Genève, achtten na het tijdperk des Vaders en des
-Zoons dat des H. Geestes aangebroken, waarin allen leefden door
-den Geest en de uitwendige middelen van Schrift en kerk niet
-meer behoefden, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. §&nbsp;108, 116.
-Reuter, Gesch. der relig. Aufklärung im M. A. II 198 f. Herzog<sup>2</sup>
-2, 677. 6, 786. 8, 652 f. Hahn, Gesch. der Ketzer im M.
-A. II 420 f. III 72 f. Gieseler, Kirchengeschichte, II, 2, 1826
-S. 437 f. Hagenbach, Kirchengesch. in Vorlesungen II 1886 S.
-480 f. De mystiek, die in de Middeleeuwen in Frankrijk en
-Duitschland bloeide, zocht door middel van askese, meditatie en
-contemplatie eene gemeenschap met God te bereiken, welke de
-Schrift missen kon. De Schrift was wel bij wijze van ladder
-noodig om tot deze hoogte op te klimmen, maar werd overbodig,
-als de eenheid met God, de visio Dei, bereikt was, Herzog<sup>1</sup> 12,
-427 f. Harnack, D. G. III 374 f. Vooral de Wederdoopers
-verhieven het inwendig woord ten koste van het uitwendige. Reeds
-in 1521 werd de tegenstelling gemaakt tusschen Schrift en Geest,
-en deze tegenstelling is een blijvend kenmerk van het Anabaptisme
-geworden, Sepp, Kerkhist. Stud. 12. De H. Schrift is niet
-het waarachtig woord Gods, maar slechts eene getuigenis en
-<span class="pagenum" id="Page_382">[382]</span>
-beschrijving; het echte, ware woord is dat, hetwelk door den H.
-Geest in onze harten wordt gesproken. De Bijbel is maar een
-boek met letters; Bijbel is Babel, vol verwarring; hij kan het
-geloof in de harten niet werken, alleen de Geest leert ons het
-ware woord. En als die Geest ons onderwijst, dan kunnen wij ook
-de Schrift wel missen, zij is een tijdelijk hulpmiddel maar voor
-den geestelijken mensch niet noodig, A. Hegler, Geist u. Schrift
-bei Sebastian Franck, Freiburg 1892. J. H. Maronier, Het inwendig
-woord, Amst. 1890. Vigouroux, Les livres saints et la critique
-rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. I 435-453. Hans Denck vereenzelvigde dat
-inwendig woord reeds met de natuurlijke rede, en wees op vele
-tegenstrijdigheden in de Schrift. Ludwig Hetzer achtte de Schrift
-in het geheel niet noodzakelijk. Knipperdolling eischte te Munster,
-dat de H. Schrift moest worden afgeschaft en men alleen naar
-natuur en geest moest leven, Herz.<sup>2</sup> 10, 362. Het mysticisme
-sloeg in rationalisme om. Hetzelfde verschijnsel zien we later bij
-de anabaptistische en independentische sekten in Engeland, ten
-tijde van Cromwell, bij de kwakers en bij het piëtisme. De
-verheffing van het inwendig boven het uitwendig woord leidde altijd
-tot vereenzelviging van de onderwijzing des Geestes met het natuurlijk
-licht van rede en geweten, en zoo tot algeheele verwerping
-van openbaring en Schrift. Niemand heeft dan ook scherper de
-noodzakelijkheid der Schrift bestreden, dan Lessing in zijne Axiomata
-tegen Goeze. Ook hij maakt onderscheid tusschen letter en
-geest, Bijbel en godsdienst, theologie en religie, den christelijken
-godsdienst en den godsdienst van Jezus, en zegt nu, dat de laatste
-onafhankelijk van den eersten bestond en bestaan kan. De religie
-was er immers, eer er de Bijbel was. Het Christendom was er,
-eer evangelisten en apostelen schreven. De godsdienst, door hen
-geleerd, kan voortbestaan, ook al gingen al hun geschriften verloren.
-De godsdienst is niet waar, omdat evangelisten en apostelen
-hem leerden, maar zij leerden hem, omdat hij waar is. Hunne
-geschriften mogen en moeten dus naar de inwendige waarheid der
-religie worden verklaard. Een aanval op den Bijbel is nog geen
-aanval op de religie. Luther heeft ons verlost van het juk der traditie,
-wie verlost ons van het nog veel ondragelijker juk der letter?</p>
-
-<p class="sep2">9. Deze gedachten over de niet-noodzakelijkheid der Schrift
-zijn in de nieuwere theologie vooral binnengeleid door Schleiermacher.
-<span class="pagenum" id="Page_383">[383]</span>
-In zijne Glaubenslehre §&nbsp;128, 129 zegt hij dat het
-geloof aan Christus niet rust op het gezag der Schrift, maar
-aan het geloof der Schrift voorafgaat en juist aan die Schrift
-ons een bijzonder aanzien doet schenken. Bij de eerste Christenen
-ontstond het geloof aan Christus niet uit de H. Schrift, en zoo
-kan het ook bij ons daaruit niet ontstaan; want bij hen en ons
-moet het geloof eenzelfden grond hebben. De Schrift is dus geen
-bron der religie, maar wel norma; zij is het eerste lid in de rij
-der christelijke geschriften, zij staat het dichtst bij de bron,
-d. i. de openbaring in Christus, en had dus weinig gevaar om
-onzuivere bestanddeelen in zich op te nemen. Maar al de Schriften
-der evangelisten en apostelen zijn evenals alle volgende christelijke
-geschriften voortgekomen uit eenzelfden Geest, den Gemeingeist
-der christelijke kerk. De kerk is niet gebouwd op de Schrift,
-maar de Schrift is voortgekomen uit de kerk. Door Schleiermacher
-zijn deze gedachten tot het gemeen goed der nieuwere
-theologie geworden. Zij schijnen zoo waar te zijn en zoo vanzelf
-te spreken, dat er aan geen twijfel of kritiek wordt gedacht.
-Bij schier alle theologen kan men de voorstelling vinden, dat de
-kerk bestond voor de Schrift en dus ook onafhankelijk van haar
-kan bestaan. De kerk rust in zichzelve, zij leeft uit zichzelve,
-d. i. uit den Geest die in haar woont. De H. Schrift, in den
-aanvang, in de frischheid harer jeugd uit haar voortgekomen,
-is wel norma maar geen bron. Bron is de persoonlijke, levende
-Christus, die in de gemeente woont; de dogmatiek is beschrijving
-van het leven, explicatie van het religieus bewustzijn der gemeente,
-en heeft daarbij tot richtsnoer de Schrift, die dat leven der
-gemeente het eerst en het duidelijkst heeft vertolkt. De kerk is
-dus eigenlijk de Verfasserin der Bibel, en de Bijbel is de Reflex
-der Gemeinde, Lange, Philos. Dogm. §&nbsp;77. Rothe, Zur Dogm.
-333 f. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Philippi, Kirchl.
-Glaub. I<sup>3</sup> 190 f. Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 71 v. 97 v.
-Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. 49 v. Gunning en de la
-Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der theol. 34, enz.</p>
-
-<p>Al deze gedachten, van Rome, het anabaptisme, het mysticisme,
-het rationalisme, van Lessing, Schleiermacher enz. zijn
-onderling ten nauwste verwant. Vooral Schleiermacher heeft door
-zijne omkeering van de verhouding tusschen Schrift en kerk aan
-Rome een krachtigen steun geboden. Allen komen daarin overeen,
-<span class="pagenum" id="Page_384">[384]</span>
-dat de Schrift niet noodzakelijk maar hoogstens nuttig is en dat
-de kerk ook uit en door zichzelve kan bestaan. Het verschil ligt
-alleen hierin, dat Rome den grond en de mogelijkheid voor dit
-voortbestaan van de christelijke religie zoekt in de geïnstitueerde
-kerk, d. i. in den onfeilbaren paus, Schleiermacher c. s. in de
-gemeente als organisme, d. i. in de religieuse gemeenschap, en
-het mysticisme en rationalisme in de religieuse individuen. Allen
-zoeken het voortbestaan der kerk in de leiding des H. Geestes,
-in de inwoning van Christus, maar deze heeft bij Rome haar
-orgaan in den paus, bij Schleiermacher in het organisme der
-gemeente, bij het anabaptisme in elken geloovige hoofd voor
-hoofd. Het is gemakkelijk in te zien, dat Rome hierbij de sterkste
-positie inneemt. Want zeker, er is eene leiding des H. Geestes
-in de gemeente, Christus is opgestaan uit de dooden, leeft in
-den hemel en woont en werkt in zijne kerk op aarde. Er is eene
-mystieke unie tusschen Christus en zijn lichaam. Het woord
-alleen is onvoldoende, het principium externum eischt ook een
-principium internum. Het Protestantisme wist dit alles zeer goed
-en beleed het van harte. Maar de vraag was deze, of de kerk
-voor het <i>bewuste</i> leven der religie aan het woord, aan de Schrift
-gebonden was al dan niet. De religie is toch niet alleen een zaak
-van het hart, het gemoed, den wil, maar ook van het hoofd.
-Ook met het verstand moet God gediend en bemind worden.
-Voor het bewuste leven moet dus de kerk een bron hebben
-waaruit zij de waarheid put. Nu kan Rome met zijn onfeilbaren
-paus beweren, dat de Schrift niet noodzakelijk is. De onfeilbaarheid
-der kerk maakt inderdaad de Schrift overbodig. Maar het
-Protestantisme heeft geen onfeilbaar orgaan, noch in het instituut
-noch in het organisme noch in de individueele leden der
-gemeente. Wanneer het de noodzakelijkheid der Schrift ontkent,
-verzwakt het zichzelf, sterkt Rome en verliest de waarheid, die
-een onmisbaar element der religie is. Daarom stond de Hervorming
-zoo sterk op de noodzakelijkheid der H. Schrift. De Schrift
-was het δος μοι που στω van de Reformatie. Zij slaagde, omdat
-zij tegenover het gezag van kerk, concilies en paus de autoriteit
-kon stellen van Gods heilig woord. Wie dit standpunt der Hervorming
-verlaat, werkt onbewust aan den opbouw van Rome.
-Want indien niet de Schrift maar de kerk noodzakelijk is tot
-kennis der religieuse waarheid, dan wordt deze het onontbeerlijk
-<span class="pagenum" id="Page_385">[385]</span>
-medium gratiae. Het woord verliest zijne centrale plaats en behoudt
-slechts eene praeparatoire, paedagogische beteekenis. De Schrift
-moge nuttig en goed zijn, noodig is zij niet, noch voor de kerk
-in haar geheel noch voor de geloovigen in het bijzonder.</p>
-
-<p class="sep2">10. Ofschoon de Hervorming alzoo tegen Rome haar kracht
-zocht in de Schrift en hare noodzakelijkheid handhaafde, toch
-ontkende zij daarmede niet, dat de kerk voor Mozes eeuwen lang
-zonder Schrift had bestaan. Ook is het waar, dat de kerk des
-N. T. door de prediking der apostelen werd gesticht en langen
-tijd bestond zonder een Nieuwtestamentischen kanon. Voorts wordt
-de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld geplant
-door de verkondiging van het evangelie. De boeken des O. en
-N. T. zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de
-boekdrukkunst in gering aantal verspreid; vele geloovigen zijn
-in vroeger en later tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben
-gelezen en onderzocht, en nog zoekt het religieuse leven bevrediging
-voor zijne behoeften niet alleen in de Schrift maar minstens
-evenzeer in allerlei stichtelijke lectuur. Dit alles kan volmondig
-worden erkend, zonder dat daarmee aan de noodzakelijkheid der
-Schrift ook maar eenigszins wordt te kort gedaan. Zelfs had God,
-indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker nog op eene
-andere wijze bij de waarheid kunnen bewaren, dan door middel
-van een geschreven woord. De noodzakelijkheid der Schrift is niet
-absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei.</p>
-
-<p>Maar zoo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven allen
-twijfel verheven. De mensch heeft ten allen tijde slechts geleefd
-hij het woord, dat door den mond Gods uitgaat, Mt. 4:4. Het
-woord Gods is van den beginne af aan het zaad der kerk geweest.
-Zeer zeker bestond de kerk voor Mozes zonder Schrift.
-Maar er was toch een verbum ἀγραφον, voordat het ἐγγραφον
-werd. De kerk heeft nooit uit zichzelve geleefd en in zichzelve
-gerust, maar altijd door het woord Gods. Rome leert dit ook
-niet, maar neemt eene traditie aan, die het woord Gods onfeilbaar
-bewaart. Maar wel dient dit te worden uitgesproken tegenover
-hen, die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in
-instorting van goddelijke krachten, in opwekking van religieuse
-aandoeningen. De kerk moge dus ouder zijn dan het geschreven,
-zij is toch jonger dan het gesproken woord, Zanchius, Op. VIII
-<span class="pagenum" id="Page_386">[386]</span>
-343 sq. Polanus, Synt. theol. I c. 15. Synopsis pur. theol., disp. 2.
-Gerhard, Loci theol. I cap. 1 §&nbsp;5 sq. De gewone bewering, dat
-de kerk des N. T. langen tijd zonder Schrift bestond, moet ook
-goed worden opgevat. Het is waar, dat de kanon der N. T. geschriften
-eerst in de tweede helft der tweede eeuw algemeen
-werd erkend. Maar de christelijke gemeenten hadden van den
-aanvang af het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door
-het gesproken woord der apostelen. Zeer spoedig kwamen vele
-gemeenten in het bezit van apostolische geschriften, die ook aan
-andere werden ter lezing gegeven, weldra dienden tot voorlezing
-in de kerken en zeer spoedig werden verbreid. Het spreekt vanzelf,
-dat er, zoolang de apostelen leefden en de gemeenten bezochten,
-nog geen onderscheiding werd gemaakt tusschen hun
-gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het
-ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de
-afstand van de apostelen grooter werd, rezen de geschriften der
-apostelen in beteekenis, en hunne noodzakelijkheid nam gaandeweg
-toe. Inderdaad is de necessitas S. Scripturae ook geen stabiele
-maar eene steeds groeiende eigenschap. De Schrift was niet altijd
-in haar geheel voor de gansche kerk noodzakelijk. De Schrift
-is langzamerhand ontstaan en voltooid. Naarmate de openbaring
-voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen. Elke periode der
-kerk had genoeg aan dat gedeelte der Schrift, dat toen bestond,
-evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zoover was
-geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch
-geheel, dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem
-was de vrucht begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden
-gelijken tred met den staat der kerk en omgekeerd. Daarom
-kan er uit de vroegere toestanden der kerk ook geen conclusie
-worden getrokken voor het heden. Laat de kerk voor Mozes
-zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk voor de voltooiing der
-openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de gansche Schrift;
-daaruit volgt niets voor die bedeeling der kerk, in welke wij
-leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid.
-Voor deze bedeeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts,
-maar ook beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae.</p>
-
-<p class="sep2">11. Schrift toch is het eenig afdoende middel, om het gesproken
-woord onvervalscht te bewaren en tot eigendom van alle
-<span class="pagenum" id="Page_387">[387]</span>
-menschen te maken. Vox audita perit, littera scripta manet. De
-kortheid van het leven, de ontrouw van het geheugen, de arglistigheid
-van het hart en allerlei andere gevaren, die de zuiverheid
-der overlevering bedreigen, maken opteekening van het
-gesproken woord tot bewaring en verbreiding volstrekt noodzakelijk.
-Bij het woord der openbaring geldt dit nog in verhoogde
-mate. Want het evangelie is niet naar den mensch, het staat
-lijnrecht tegenover zijne gedachten en wenschen, het staat als
-goddelijke waarheid tegenover zijne leugen. Bovendien is de
-openbaring niet voor één geslacht en voor één tijd, maar voor
-alle volken en eeuwen bestemd. Het moet zijn loop volbrengen
-door de gansche menschheid heen en tot aan het einde der tijden.
-De waarheid is één, het Christendom is Universalreligion. Hoe
-zal deze bestemming van het woord der openbaring anders kunnen
-bereikt worden, dan doordat het opgeteekend en beschreven wordt?
-De kerk kan dezen dienst des woords niet verrichten. Nergens
-wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift
-verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en de getuigenis.
-Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d. i. de
-vergadering der geloovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook
-de vergadering der bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring
-van den paus is een bewijs voor de reformatorische
-stelling van de onbetrouwbaarheid der traditie, van de feilbaarheid
-der kerk, en zelfs van de noodzakelijkheid der Schrift.
-Want deze onfeilbaarverklaring houdt in, dat de waarheid van
-het woord der openbaring niet bewaard wordt of kan worden
-door de kerk als vergadering der geloovigen, wijl ook deze nog
-aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is
-uit eene bijzondere assistentie des H. Geestes, waarin dan naar
-Roomsch beweren de paus deelt. Rome en de Hervorming komen
-dus daarin overeen, dat het woord der openbaring in en voor de
-kerk alleen zuiver bewaard kan blijven door de instelling van
-het apostolaat, d. i. door de inspiratie. En het geschil loopt
-alleen hierover, of dat apostolaat heeft opgehouden dan wel in
-den paus wordt voortgezet. Daarentegen is de bewering der Vermittelungstheologie
-geheel onhoudbaar, dat de Schrift uit de kerk
-is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der Bibel
-is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt der
-profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte
-<span class="pagenum" id="Page_388">[388]</span>
-vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt.
-Naar de leer der Schrift is de inspiratie echter een
-bijzondere akte des H. Geestes, eene speciale gave aan profeten
-en apostelen, waardoor zij het woord Gods zuiver en onvervalscht
-aan de kerk aller eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift
-is dus niet uit de kerk voortgekomen, maar door een bijzondere
-werkzaamheid des H. Geestes in de profeten en apostelen aan de
-kerk gegeven. De Schrift behoort mede tot de openbaring, welke
-door God aan zijn volk is geschonken. Hierin zijn Rome en de
-Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt tegenover
-Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid des H. Geestes
-thans heeft opgehouden, m. a. w. dat het apostolaat niet meer
-bestaat en in den paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben
-hunne getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in
-de H. Schriften neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring
-Gods tot eigendom der menschheid gemaakt. De Schrift is het
-volkomen in de wereld ingegane woord Gods. Zij maakt dat
-woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de dwaling en leugen,
-aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate de menschheid
-grooter, het leven korter, het geheugen zwakker, de wetenschap
-uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester
-wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint
-het schrift en de pers in beteekenis. De boekdrukkunst was een
-reuzenstap ten hemel en ter hel. Ook in dezen ontwikkelingsgang
-deelt de H. Schrift. Hare noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe
-duidelijker aan het licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen
-eigendom gemaakt gelijk nimmer te voren. In honderden talen
-wordt zij overgezet. Zij komt onder aller oog en in ieders hand.
-Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te zijn, om de
-waarheid ter kennis aller menschen te brengen. Dat daarnaast
-de religieuse litteratuur voor velen het voornaamste voedsel blijft
-voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid
-der H. Schrift. Want alle christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks
-of zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt
-het water uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren,
-dat ons nu nog iets van christelijke waarheid zou toekomen buiten
-en zonder de H. Schrift. In de eerste eeuw was zoo iets mogelijk,
-maar thans zijn de stroomen van traditie en Schrift reeds lang
-samengevloeid en de eerste reeds lang in de tweede opgenomen.
-<span class="pagenum" id="Page_389">[389]</span>
-Rome kan dit alleen staande houden door zijne leer van de
-voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van den paus.
-Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het christelijk
-karakter der waarheid kan enkel en alleen daardoor worden
-betoogd, dat zij met al hare vezelen wortelt in de H. Schrift.
-Er is geen kennis van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap
-met Hem dan door gemeenschap aan het woord der apostelen.
-Cf. Ursinus, Tract. theol. p. 1 sq. Zanchius, Op. VIII 343
-sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 15. Synopsis pur. theol., disp. 2.
-Turretinus, Theol. El. loc. 2, qu. 1-3. Heppe, Dogm. der ev.
-ref. K. 25, 26 enz.</p>
-
-<p class="sep2">12. Ook al wordt de noodzakelijkheid der Schrift erkend, er
-kan toch nog verschil bestaan over den duur dier noodzakelijkheid.
-Zelfs wie van meening is, dat de Schrift haar tijd heeft
-gehad, stemt dikwerf gaarne toe, dat zij in haar tijd van groote
-beteekenis is geweest voor de opvoeding van menschen en volken.
-Maar op allerlei wijze is de duur dier noodzakelijkheid beperkt
-geworden. Het gnosticisme erkende hare noodzakelijkheid voor
-de ψυχικοι maar bestreed ze voor de πνευματικοι. De mystiek
-achtte de Schrift wel noodig op het standpunt der cogitatie en
-meditatie, maar niet meer op dat der <ins id="cor_40" title="comtemplatie">contemplatie</ins> en visio Dei.
-Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring,
-de Schrift, de statutarische Religion eene paedagogische
-plaats in, opdat daardoor de heerschappij der Vernunftreligion
-werd voorbereid. Evenzoo oordeelde Hegel, dat de vorm der
-aanschouwing in den godsdienst voor het volk noodzakelijk was,
-maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan geen behoefte
-meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de godsdienst
-goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar
-dat de ontwikkelden en beschaafden verre daarboven verheven zijn.</p>
-
-<p>Er ligt in deze voorstelling eene onmiskenbare en heerlijke
-waarheid. De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de christelijke
-religie draagt inderdaad een tijdelijk, praeparatoir en paedagogisch
-karakter. Gelijk de Oudtestamentische oeconomie van het
-foedus gratiae voorbij is gegaan, zoo zal ook deze bedeeling van
-het genadeverbond, waarin wij leven, eens tot het verleden behooren.
-Als Christus zijne gemeente vergaderd en als eene reine
-bruid aan den Vader voorgesteld heeft, geeft Hij Gode het
-<span class="pagenum" id="Page_390">[390]</span>
-koninkrijk over. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur,
-van openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie
-en philosophie niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de
-religie bestaat toch daarin, dat wij God dienen zonder dwang
-en zonder vreeze, uit liefde alleen, naar de uitspraak onzer eigen
-natuur. Het is God zelf in zijne openbaring er om te doen, om
-menschen te vormen in wien zijn beeld weer ten volle is hersteld.
-Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook den H. Geest,
-opdat die ons wederbaren zou, zijne wet in ons hart zou schrijven
-en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte,
-het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de
-bewijzen, dat God zijne kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een
-liefdedienst, die nimmer verdriet. In zoover kunnen de bovengenoemde
-voorstellingen eene anticipatie van het toekomstig
-ideaal worden genoemd. Maar zij zijn toch desniettemin van eene
-zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van eene verwarring
-tusschen de bedeeling van het heden en die van het hiernamaals.
-Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer behoeven
-zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat
-wij eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof
-in deze bedeeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en de triumfeerende
-kerk één is, blijft er toch onderscheid in beider toestand
-en leven. De grenslijn mag en kan niet worden uitgewischt. Tot
-het hemelsche leven brengen wij het hier op aarde nooit. Wij
-wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Wij zien nu
-door een spiegel in eene duistere rede; eerst hiernamaals zullen
-we zien van aangezicht tot aangezicht en kennen, gelijk we gekend
-zijn. De visio Dei is voor den hemel weggelegd. Zelfstandig,
-onafhankelijk worden we op deze aarde nooit. Wij blijven gebonden
-aan den kosmos, die ons omringt. Het standpunt des
-gezags kan hier op aarde nooit overwonnen worden.</p>
-
-<p>Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid
-der Schrift eene diepe klove tusschen de psychische en de pneumatische
-menschen, tusschen de beschaafden en de massa, tusschen
-de wijsgeeren en het volk. En zulk eene klove heeft in geen
-enkel opzicht recht van bestaan. Als godsdienst in kennis bestond,
-dan zouden de geleerden een voorrecht genieten boven de
-onontwikkelden. Maar religieus zijn alle menschen gelijk; zij
-hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen onderscheid
-<span class="pagenum" id="Page_391">[391]</span>
-van Griek en barbaar. De religie is voor alle menschen één, hoe
-verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling, enz.
-want voor de religie, d. i. voor het aangezicht Gods zijn al die
-rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men
-onder menschen boven anderen uitmunt. De scheiding tusschen
-die tweeërlei soort van menschen getuigt dan ook van een geestelijken
-hoogmoed, welke zelf met het wezen der christelijke religie,
-met den ootmoed, de nederigheid, enz., die zij eischt, in lijnrechten
-strijd is. De tollenaren gaan voor de Phariseën, en de
-minste is in het koninkrijk der hemelen de meeste.</p>
-
-<p>Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn,
-als het rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan
-Vernunftwahrheiten bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon
-voorloopig uit de openbaring gekend, later door het denken uit
-de rede zelve kunnen worden afgeleid. Maar de openbaring heeft
-een gansch anderen inhoud dan eene rationeele leer. Zij is historie,
-heeft genade tot inhoud, den persoon van Christus tot middelpunt,
-de herschepping der menschheid tot doel. Dit alles kan
-nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden
-afgeleid. Om zulk eene openbaring te kennen, blijft de Schrift
-ten allen tijde noodzakelijk. Zelfs eene openbaring Gods aan
-ieder mensch hoofd voor hoofd zou niet kunnen schenken, wat
-nu de openbaring in Christus door de Schrift aan alle menschen
-biedt. Het historisch karakter der openbaring, het feit en de
-idee der vleeschwording en de organische beschouwing van het
-menschelijk geslacht eischen eene Schrift, waarin de openbaring
-Gods voor de gansche menschheid neergelegd is (cf. <a href="#Page_299">blz. 299</a>).
-Daarom kan nu ook worden beslist, wat op <a href="#Page_143">bl. 143</a> nog in het
-midden werd gelaten, of n.l. de openbaring individueel tot elk
-mensch komt dan wel door de Schrift aan allen wordt gegeven.
-Gelijk ééne zon met hare stralen de gansche aarde verlicht, zoo
-is Christus de opgang uit de hoogte, die verschijnt aan degenen
-die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, en zoo is
-de eene en zelfde Schrift het licht op aller pad en de lamp voor
-aller voet. Zij is het woord Gods tot de gansche menschheid.
-De historie zelve legt voor deze noodzakelijkheid der Schrift een
-krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme is telkens
-omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het enthusiastisch
-spiritualisme is dikwerf in het grofste materialisme geeindigd.
-<span class="pagenum" id="Page_392">[392]</span>
-De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk bewezen
-uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de kerken,
-die haar belijden.</p>
-
-<h4>D. De duidelijkheid der Schrift.</h4>
-
-<p>13. Eene andere belangrijke eigenschap, die de Hervorming
-tegenover Rome aan de Schrift toekende, was de perspicuitas.
-Volgens Rome is de Schrift duister, Ps. 119:34, 68; Luk. 24:27;
-Hd. 8:30; 2 Petr. 3:16. Ook in die zaken, welke op geloof
-en leven betrekking hebben, is ze niet zoo helder, dat zij uitlegging
-missen kan. Ze handelt immers over de diepste verborgenheden,
-over God, de drieëenheid, de vleeschwording, de voorbeschikking
-enz., en is zelfs in de zedelijke voorschriften bv.
-Mt. 5:34, 40, 10:27; Luk. 12:33, 14:33 menigmaal zoo
-onduidelijk, dat misverstand en misvatting ieder oogenblik in de
-christ. kerk is voorgekomen. Tot recht verstand der Schrift is
-ook allerlei kennis noodig van historie, geographie, chronologie,
-archaeologie, talen enz., welke voor de leeken onbereikbaar is.
-De Protestanten schrijven dan ook zelven tallooze commentaren
-en wijken bij de belangrijkste teksten in exegese van elkander af.
-Daarom is er eene uitlegging der H. Schrift noodig. Deze kan
-niet door de Schrift zelve worden gegeven, de Schrift kan niet
-haar eigen uitlegster zijn. Reeds Plato, Phaedrus p. 274 zei, dat
-de letter mishandeld wordt en zichzelve niet helpen kan, en dat
-zij de hulp van haar vader behoeft. Zij is stom en kan in een
-geschil geen beslissing geven. Zij is gelijk aan de wet, waarnaar
-de rechter uitspraak doet, maar zij is niet wet en rechter tegelijk.
-De geleerde Jezuit Jakob Gretser maakte op het religiegesprek
-te Regensburg 1601 diepen indruk, toen hij aldus sprak: Sumus
-in conspectu sacrae Scripturae et Spiritus Sancti. Pronuntiet sententiam.
-Et si dicat: tu Gretsere male sentis, cecidisti causa tua,
-tu Jacobe Heilbrunnere vicisti; tunc ego statim transibo ad vestrum
-scamnum. Adsit, adsit, adsit et condemnet me! Er moet dus
-een uitlegger en een rechter zijn, die naar de Schrift beslissing
-geeft. Indien er zulk een rechter niet is, dan wordt de uitlegging
-geheel subjectief, ieder oordeelt naar zijn goedvinden en houdt
-zijne eigene individueele opvatting voor onfeilbaar. Ieder ketter
-heeft zijn letter. Ieder zoekt naar het bekende distichon van Werenfels,
-<span class="pagenum" id="Page_393">[393]</span>
-in de Schrift juist zijne dogmata. De Schrift wordt overgeleverd
-aan allerlei willekeur. Individualisme, enthusiasme, rationalisme,
-eindelooze verdeeldheid is het slot. En wat het ergste
-is, indien er geen onfeilbare uitlegging is, dan is er ook geen
-volstrekte geloofszekerheid; de grondslag, waar de hope des
-Christens op rust, is dan vrome meening, wetenschappelijk inzicht,
-maar geen goddelijke, onfeilbare getuigenis. En zoo ver is het
-er van af, dat iemand uit de H. Schrift zich een eigen overtuiging
-of leer kan vormen, dat ook de Protestanten feitelijk
-even goed als de Roomschen, van traditie leven en afgaan op
-het gezag van kerk, synodes, vaders, schrijvers enz.</p>
-
-<p>Zulk eene onfeilbare, goddelijke uitlegging van de Schrift is
-echter door God in zijne kerk geschonken. Niet de doode, onbegrepene,
-duistere en aan zichzelve overgelatene Schrift, maar de
-kerk, de levende, steeds tegenwoordige, altijd door den Geest
-zich vernieuwende kerk is de middelares der waarheid en de
-onfeilbare uitlegster der H. Schrift. Immers, elk is de beste uitlegger
-van zijn eigen woord. De ware interpreet van de Schrift
-is dus de H. Geest, die haar auteur is. En deze heeft zijn onfeilbaar
-orgaan in de kerk, of beter nog, in den paus. De kerk is
-door de traditie in het bezit der waarheid; zij wordt geleid door
-dienzelfden Geest welke de Schrift deed ontstaan; zij is aan
-haar verwant; zij alleen kan haar zin verstaan; zij is de pilaar
-en vastigheid der waarheid. Zoo is ook altijd de praktijk geweest.
-Mozes, de priesters, Christus, de apostelen verklaarden en beslisten
-voor de gemeente, Ex. 18; Deut. 17:9 v.; 2 Chr. 19:9 v.;
-Pred. 12:12; Hagg. 2:2; Mal. 2:7; Mt. 16:19, 18:17,
-23:2; Luk. 22:32; Joh. 21:15 v.; Hd. 15:28; Gal. 2:2;
-1 Cor. 12:8 v.; 2 Petr. 1:19; 1 Joh. 4:1, en pausen en
-conciliën hebben dat voorbeeld gevolgd. Daarom stelde het
-Trentsch concilie in sess. 4 vast, dat niemand de H. Schrift
-mag uitleggen contra eum sensum, quem tenuit et tenet sancta
-mater ecclesiae, cujus est judicare de vero sensu et interpretatione
-Scripturarum Sanctarum, aut etiam contra unanimem consensum
-Patrum, en bond daarmede de exegese niet alleen negatief,
-gelijk sommige Roomschen het pogen op te vatten, maar zeer
-beslist ook positief. Niemand mag eene andere exegese geven,
-dan die welke de kerk door hare patres, concilies of pausen
-gegeven heeft. De professio fidei van Pius IV, bij Denzinger,
-<span class="pagenum" id="Page_394">[394]</span>
-Enchir. symb. et defin. n. 864 en het Vaticanum sess. 3 cap. 2
-alin. 4 laten dienaangaande geen twijfel over. Maar niet alleen
-is door deze leer van de duisterheid der Schrift de wetenschappelijke
-exegese aan den paus onderworpen. Nog meer afhankelijk
-en gebonden is daardoor de leek. De Schrift is van wege haar
-duisterheid geen geschikte lectuur voor de leeken. Zonder uitlegging
-is ze voor het volk onverstaanbaar. Daarom werd het
-overzetten der Schrift in de volkstaal en het lezen van den
-Bijbel door het volk sedert het misbruik, dat er in de Middeleeuwen
-en later van gemaakt werd, door Rome hoe langer hoe
-meer beperkt. Lezing der Schrift is aan de leeken niet geoorloofd
-dan met toestemming der kerkelijke overheid. De Protestantsche
-Bijbelgenootschappen zijn herhaaldelijk door de Pausen
-veroordeeld, en in de Encycliek van 8 Dec. 1864 met de socialistische
-en communistische vereenigingen op ééne lijn gesteld,
-Denzinger, Enchir. n. 1566. En wel beveelt de tegenwoordige
-paus in zijne Encycliek de studiis Sacrae Scripturae de Schriftstudie
-aan, maar niet aan de leeken, Vincentius Lerinensis, Commonitorium
-cap. 3. Bellarminus, de verbo Dei, lib. III. M. Canus,
-Loci Theol. II cap. 6 sq. Perrone, Praelect. theol. IX 98 sq.
-Heinrich, Dogm. I 794 f. Möhler, Symbolik §&nbsp;38 f. Jansen,
-Prael. theol. I 771 s. Herzog<sup>2</sup> art. Bibellesen.</p>
-
-<p class="sep2">14. De leer van de perspicuitas S. Scr. is meermalen, zoowel
-door Protestanten als Roomschen misverstaan en onjuist voorgesteld.
-Ze houdt niet in, dat de zaken en onderwerpen, waarover
-de Schrift handelt, geen verborgenheden zijn, die het menschelijk
-verstand verre te boven gaan. Ook beweert ze niet, dat de H.
-Schrift duidelijk is in al haar deelen, zoodat er geene wetenschappelijke
-exegese noodig zou wezen. En evenmin bedoelt ze,
-dat de H. Schrift, ook in de leer der zaligheid, klaar en duidelijk
-is voor ieder mensch zonder onderscheid. Maar ze sluit alleen
-in, dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid
-noodig is, niet op elke bladzijde der H. Schrift even klaar, maar
-toch door heel de Schrift heen in zoo eenvoudigen en bevattelijken
-vorm wordt voorgesteld, dat iemand, wien het om de zaligheid
-zijner ziel te doen is, gemakkelijk door eigen lezen en onderzoek
-uit de Schrift die waarheid kan leeren kennen, zonder hulp en
-leiding van kerk en priester. De weg der zaligheid is er, niet
-<span class="pagenum" id="Page_395">[395]</span>
-wat de zaak maar wat den modus tradendi betreft, klaar in
-neergelegd voor den heilbegeerigen lezer. Het πως moge hij niet
-verstaan, het ὁτι is toch duidelijk, Zwingli, De claritate et
-certitudine verbi Dei, Op. ed. Schuler et Schulthess I 65 sq.
-Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 2<sup>e</sup> Ausg. 1883 II 58 f.
-Zanchius, de Scr. Sacra, Op. Omnia VIII 407 sq. Chamier,
-Panstratia catholica 1626 Loc. 1 Lib. I cap. 13-32. Amesius,
-Bellarminus Enervatus. Amst. 1630, lib. 1 cap. 4 en 5. Turretinus,
-Theol. El. loc. 2 qu. 17. Trigland, Antapologia cap. 3.
-Synopsis pur. Theol. disp. 5. Gerhard, Loci Theol. Loc. 1 cap.
-20 sq. Glassius, Philologia Sacra 1691 p. 186 sq.</p>
-
-<p>Zoo verstaan, is de perspicuitas eene eigenschap, welke de H.
-Schrift herhaaldelijk van zichzelve praediceert. De thora is door
-God aan gansch Israel gegeven, en Mozes brengt al de woorden
-des Heeren over aan heel het volk. De wet en het woord des
-Heeren is niet ver van een iegelijk hunner, maar is een licht op
-het pad en een lamp voor den voet, Deut. 30:11; Ps. 19:8,
-9, 119:105, 130; Spr. 6:23. De profeten richten zich sprekende
-en schrijvende tot heel het volk, Jes. 1:10 v., 5:3 v., 9:1,
-40:1 v.; Jer. 2:4, 4:1, 10:1; Ezech. 3:1. Jezus spreekt
-vrijuit tot al de scharen, Mt. 5:1, 13:1, 2, 26:55, enz. en de
-apostelen schrijven aan al de geroepen heiligen, Rom. 1:7;
-1 Cor. 1:2; 2 Cor. 1:1 enz., en zorgen zelf voor de verbreiding
-hunner brieven, Col. 4:16. Het geschreven woord wordt
-allen ten onderzoek aanbevolen, Joh. 5:39; Hd. 17:11 en is
-juist geschreven om geloof, lijdzaamheid, hope, vertroosting,
-leering enz. te schenken, Joh. 20:31; Rom. 15:4; 2 Tim. 3:16;
-1 Joh. 1:1 v. Van eene onthouding der Schrift aan de
-leeken is nergens sprake. De geloovigen zijn zelven mondig en
-in staat om te oordeelen, 1 Cor. 2:15, 10:15; 1 Joh. 2:20;
-1 Petr. 2:9. Hun worden de woorden Gods toebetrouwd, Rom.
-3:2. De kerkvaders weten dan ook niets van de duisterheid der
-Schrift in den lateren Roomschen zin. Wel spreken ze dikwerf
-over de diepten en verborgenheden der H. Schrift, cf. plaatsen
-bij Bellarm. de verbo Dei III c. 1.; maar ze roemen even dikwerf
-haar klaarheid en eenvoud. Zoo zegt Chrysostomus, hom. 3
-de Lazaro, als hij de geschriften der profeten en apostelen met
-die der wijsgeeren vergelijkt: Οἱ δε ἀποστολοι και οἱ προφηται
-τοὐναντιον ἁπαν ἐποιησαν· σαφη γαρ και δηλα τα παρ’ αὐτων
-<span class="pagenum" id="Page_396">[396]</span>
-κατεστησαν ἁπασιν, ἁτε κοινοι της οἰκουμενης ὀντες διδασκαλοι,
-ἱνα ἑκαστος και δι’ ἑαυτου μανθανειν δυνηται ἐκ της ἀναγνωσεως
-μονης τα λεγομενα. En elders, hom. 3 in 2 Thess. zegt hij:
-παντα σαφη και εὐθεα τα παρα ταις θειαις γραφαις, παντα τα
-ἀναγκαια δηλα. Evenzoo lezen we bij Augustinus, de doctr. chr.
-2, 6: nihil de illis obscuritatibus eruitur, quod non plenissime
-dictum alibi reperiatur, en ibid. 9: in iis quae clare in scripturis
-tradita sunt, inveniuntur omnia, quae continent fidem
-moresque vivendi. Bekend is ook het woord van Gregorius I,
-waarin hij de Schrift vergelijkt bij een fluvius planus et altus,
-in quo et agnus ambulet et elephas natet. Zelfs nu nog moeten
-Roomsche theologen erkennen, dat veel in de H. Schrift zoo
-duidelijk is, dat de geloovige niet alleen het verstaan kan, maar
-ook de ongeloovige, den duidelijken zin verwerpend, onontschuldigbaar
-is, Heinrich, Dogm. I 819. De kerkvaders dachten er
-dan ook niet aan, om de lezing der Schrift aan de leeken te
-verbieden. Integendeel, zij dringen telkens op onderzoek der H.
-Schriften aan, en verhalen van den zegen, dien zij zelven uit de
-lezing ontvingen, Vigouroux, Les livres saints et la critique rationaliste,
-3 ed. I 280 s. Gregorius I beval het lezen der Schrift
-nog aan alle leeken aan, Herzog<sup>2</sup> 2, 376. De beperking van het
-Bijbellezen kwam eerst op, toen sedert de twaalfde eeuw verschillende
-secten tegen de kerk op de Schrift zich gingen beroepen.
-De meening vond toen ingang, dat het bijbellezen der leeken
-de voornaamste bron der ketterij was. Ter zelfverdediging heeft
-Rome toen hoe langer hoe meer de duisterheid der Schrift
-geleerd en haar lectuur aan toestemming der kerkelijke overheid
-gebonden.</p>
-
-<p class="sep2">15. Inderdaad hebben de kerken der Hervorming tegenover
-Rome geen machtiger wapen dan de Schrift. Zij brengt aan de
-kerkelijke traditie en hierarchie de doodelijkste slagen toe. De
-leer van de perspicuitas S. Scr. is een van de hechtste bolwerken
-van de Reformatie. Ze brengt zeer zeker haar ernstige gevaren
-mede. Het Protestantisme is er hopeloos door verdeeld. Het
-individualisme heeft zich ten koste van het gemeenschapsgevoel
-ontwikkeld. Het vrije lezen en onderzoeken der Schrift is en wordt
-door allerlei partijen en richtingen op de schromelijkste wijze
-misbruikt. Maar toch wegen de nadeelen tegen de voordeelen
-<span class="pagenum" id="Page_397">[397]</span>
-niet op. Want de loochening van de duidelijkheid der Schrift
-brengt mede de onderwerping van den leek aan den priester,
-van het geweten aan de kerk. Met de perspicuitas S. Scr. valt
-de vrijheid van godsdienst en geweten, van kerk en theologie.
-Zij alleen is in staat, om te handhaven de vrijheid van den
-Christenmensch; zij is oorsprong en waarborg van de religieuse
-en ook van de politieke vrijheden, Stahl, Der Protest. als polit.
-Princip. 2<sup>e</sup> Aufl. 1853. Saussaye, Het Protest. als politiek beginsel,
-Rott. 1871. Kuyper, Het Calvinisme, oorsprong en waarborg
-onzer constitutioneele vrijheden, Amst. 1874. En eene vrijheid
-die niet anders verkregen en bezeten kan worden dan met het
-gevaar der losbandigheid en willekeur, is altijd nog te verkiezen
-boven eene tirannie, die alle vrijheid onderdrukt. God zelf heeft
-bij de schepping van den mensch dezen weg der vrijheid, die
-het gevaar en werkelijk ook het feit der zonde meebracht, verkoren
-boven dien van gedwongen onderwerping. En nog altijd
-volgt Hij in het bestuur van wereld en kerk dezen koninklijken
-weg der vrijheid. Dat is juist zijne eere, dat Hij toch door de
-vrijheid heen zijn doel bereikt, uit de wanorde de orde, uit de
-duisternis het licht, uit den chaos den kosmos schept. Beide,
-Rome en de Hervorming, stemmen hierin overeen, dat de H. Geest
-alleen de ware uitlegger is van het woord, Mt. 7:15, 16:17;
-Joh. 6:44, 10:3; 1 Cor. 2:12, 15, 10:15; Phil. 1:10, 3:13;
-Hebr. 5:14; 1 Joh. 4:1. Maar Rome meent, dat de H.
-Geest alleen onfeilbaar leert door den paus; de Hervorming
-gelooft, dat de H. Geest woont in het hart van ieder geloovige;
-ieder kind van God heeft de zalving van den Heilige. Zij geeft
-daarom de Schrift in aller hand, vertaalt en verspreidt ze en
-gebruikt in de kerk geen andere dan de volkstaal. Rome roemt
-op hare eenheid, maar deze eenheid schijnt grooter dan ze is.
-De splitsing der Reformatie in eene Luthersche en Gereformeerde
-heeft haar analogie in de scheuring der Grieksche en Latijnsche
-kerk. Onder den schijn eener uitwendige eenheid verbergt zich
-bij Rome eene schier even groote innerlijke verdeeldheid. Het
-aantal ongeloovigen en onverschilligen is in Roomsche landen
-niet geringer dan in Protestantsche. Rome heeft den stroom van
-het ongeloof evenmin kunnen keeren als de kerken der Hervorming.
-Reeds voor de Reformatie had het ongeloof zich in wijde
-kringen, b.v. in Italië, verbreid. De Hervorming heeft dit niet
-<span class="pagenum" id="Page_398">[398]</span>
-te voorschijn geroepen, maar juist gestuit en Rome zelf tot waakzaamheid
-en bestrijding opgewekt. Cartesius, de vader van het
-rationalisme, was Roomsch. De Duitsche rationalisten worden
-opgewogen door de Fransche materialisten; Rousseau door Voltaire,
-Strauss door Renan. De Revolutie heeft in Roomsche landen haar
-diepste wortelen geschoten en haar wrangste vruchten gedragen.
-Voorts staat het te bezien, of het aantal partijen, richtingen en
-sekten, die er telkens optreden, in Rome niet even groot zou zijn
-als in het Protestantisme, als Rome niet de macht en den moed
-had, om iedere richting door censuur, ban, interdict, desnoods
-door het zwaard te onderdrukken. Het is waarlijk niet aan Rome
-te danken, dat er zoovele bloeiende christelijke kerken naast
-haar zijn opgetreden. Welke schaduwzijden de verdeeldheid van
-het Protestantisme ook heeft, zij bewijst toch ook, dat het religieuse
-leven hier eene macht is, die telkens nieuwe vormen zich
-schept en bij alle verscheidenheid toch ook weer eene diepere
-eenheid openbaart. En in elk geval, het Protestantisme met zijn
-verdeeldheid is te verkiezen boven het schrikkelijk bijgeloof, waarin
-het volk in de Grieksche en in de Roomsche kerk hoe langer
-hoe meer wordt verstrikt. Mariadienst, reliquienvereering, beeldendienst,
-heiligenaanbidding verdringen steeds meer den dienst van
-den eenigen, waarachtigen God. Cf. Trede, Das Heidenthum in
-der römischen Kirche, Gotha, Perthes, 4 Theile 1889-92.</p>
-
-<p class="sep2">16. Vanwege deze perspicuitas heeft de Schrift ook de facultas
-se ipsam interpretandi en is se supremus judex controversiarum,
-Synopsis pur. theol. disp. 5 §&nbsp;20 sq. Polanus, Synt. Theol. Lib.
-I c. 45. Turret. Theol. El. Loc. II qu. 20. Amesius, Bellarm.
-enervatus Lib. I c. 5. Cloppenburg, De Canone Theol. disp.
-11-15. Op. II 64 sq. Moor, Comm. in Markii Comp. I 429 sq.
-Gerhard, Loci Theol. Loc. I c. 21, 22. Schmid, Dogm. der ev.
-luth. K. 6<sup>e</sup> Aufl. S. 42 f. De Schrift legt zichzelve uit, de duistere
-plaatsen worden verklaard door de duidelijke, en de grondgedachten
-van de Schrift als geheel dienen ter opheldering van
-de deelen. Dat was de interpretatio secundum analogiam fidei,
-welke ook door de Hervormden werd voorgestaan. Ook de Hervormers
-zijn niet voraussetzungslos tot de Schrift gekomen. Ze
-hebben de leer der Schrift, de apostolische geloofsbelijdenis, de
-besluiten der eerste conciliën schier zonder kritiek overgenomen.
-<span class="pagenum" id="Page_399">[399]</span>
-Ze waren niet revolutionair en wilden niet van voren afaan beginnen,
-maar protesteerden alleen tegen de ingeslopene dwalingen.
-De Hervorming was niet de vrijmaking van den natuurlijken,
-maar van den Christenmensch. Er was dus van den aanvang af
-bij de Hervormers eene analogia fidei, waarin zij zelven stonden,
-en waarnaar zij de Schrift uitlegden. Onder die analogia fidei
-verstonden zij oorspronkelijk den uit de duidelijke plaatsen der
-H. Schrift zelve afgeleiden zin, die dan later in de confessies
-neergelegd werd, Voetius Disp. V 9 sq. 419 sq. Moor, Comm. in
-Marckii Comp. I 436. VI praefatio. Turret., Theol. El. I qu. 19.
-Philippi, Kirchl. Gl. I 217 f. Zöckler, Handbuch I 663 f. Luz,
-Hermeneutik 154-176. In verband daarmede had ook de kerk
-eene roeping in betrekking tot de uitlegging der H. Schrift.
-Krachtens de potestas doctrinae, haar door Christus verleend, en
-de gave der uitlegging, door den H. Geest haar geschonken,
-1 Cor. 14:3, 29; Rom. 12:6; Ef. 4:11 v. heeft de kerk den
-plicht, om de Schrift te bewaren niet alleen, maar ook om ze
-uit te leggen en te verdedigen, en om de waarheid in haar confessie
-te formuleeren en de dwalingen te ontdekken en tegen te
-staan. Ook de kerk is dus binnen haar kring en op haar terrein
-judex controversiarum, en heeft alle meening te toetsen aan en
-te beoordeelen naar de H. Schrift. Onfeilbaar behoeft ze daartoe
-niet te zijn, want ook de rechter in den staat is wel gebonden
-aan de wet, maar is feilbaar in zijne uitspraken. En zoo is het
-ook in de kerk. De Schrift is norma, de kerk is richteres. Maar
-ook hier is er een hooger beroep. Rome ontkent dit en zegt dat
-de uitspraak der kerk de laatste en hoogste is. Van haar is zelfs
-een beroep op het goddelijk oordeel niet mogelijk meer. Zij bindt
-in de conscientie. Maar de Hervorming beweerde dat eene kerk,
-hoe eerbiedwaardig ook, toch dwalen kon. Haar uitlegging is niet
-magisterialis, maar ministerialis. Ze kan alleen in de conscientie
-binden, voorzoover iemand haar als goddelijk en onfeilbaar erkent.
-Of ze inderdaad met Gods woord overeenstemt, kan geen aardsche
-macht, maar kan elk alleen voor zichzelf uitmaken, Synopsis pur.
-theol. 5, 25 sq. De kerk kan dan iemand als ketter uitwerpen,
-maar hij staat en valt ten slotte zijn eigen heer. De eenvoudigste
-geloovige kan en mag met de Schrift in de hand desnoods tegen
-heel eene kerk zich verzetten, gelijk Luther deed tegen Rome.
-Zoo alleen is de vrijheid van den Christen, en tegelijk de souvereiniteit
-<span class="pagenum" id="Page_400">[400]</span>
-Gods gehandhaafd. Van de Schrift is er geen hooger
-appel. Zij is de hoogste rechtbank. Geen macht of uitspraak staat
-boven haar. Zij is het, die ten laatste, voor ieder in zijn conscientie,
-beslist. En daarom is zij judex supremus controversiarum.</p>
-
-<h4>E. De genoegzaamheid der Schrift.</h4>
-
-<p>17. Ten laatste werd door de Hervorming ook nog beleden
-de perfectio of sufficientia S. Scripturae. De Roomsche kerk
-meent, dat de Schrift onvolkomen is in partibus en door de
-traditie moet worden aangevuld. Zij verklaarde te Trente, sess. 4,
-dat zij traditiones ipsas, tum ad fidem tum ad mores pertinentes,
-tanquam vel ore tenus a Christo vel a Sp. S<sup>o</sup>. dictatas et <ins id="cor_41" title="continna">continua</ins>
-successione in Ecclesia Catholica conservatas, pari pietatis
-affectu et reverentia suscipit et veneratur, en sprak in het Vatic.
-sess. 3 cap. 2 uit, dat de bovennatuurlijke openbaring vervat is
-in libris scriptis et sine scripto traditionibus, quae ipsius Christi
-ore ab Apostolis acceptae, aut ab ipsis Apostolis Spiritu Sancto
-dictante quasi per manus traditae ad nos usque pervenerant. De
-gronden, welke Rome voor deze leer der traditie aanvoert, zijn
-verschillende. Eerst wordt er op gewezen, dat de kerk voor Mozes
-geheel en al zonder Schrift was en dat ook na dien tijd tot heden
-toe vele geloovigen leven en sterven, zonder ooit de Schrift te
-lezen of te onderzoeken. Verreweg de meeste kinderen Gods leven
-uit de traditie en weten van de Schrift weinig of niets. Het zou
-ook vreemd zijn, dat dit op religieus en kerkelijk terrein anders
-ware dan op elk ander gebied. Immers, in recht en zede, in
-kunst en wetenschap, in gezin en maatschappij is de traditie de
-draagster en de voedster van ons leven. Door haar zijn we aan
-de voorgeslachten verbonden, nemen hun schatten over en laten
-ze ook weer aan onze kinderen achter. De analogie eischt reeds,
-dat er ook in de kerk eene traditie zij; maar deze moet hier
-zooveel heerlijker en zekerder wezen dan elders, wijl Christus
-aan zijne kerk den H. Geest heeft gegeven en door dezen zijne
-gemeente onfeilbaar in alle waarheid leidt, Mt. 16:18, 28:20;
-Joh. 14:16. Daarbij komen nog vele uitspraken der Schrift, die
-het recht en de waarde der traditie erkennen, Joh. 16:12, 20:30,
-21:25; Hd. 1:3; 1 Cor. 11:2, 23; 2 Thess. 2:14; 1 Tim.
-6:20; 2 Joh. 12; 3 Joh. 13, 14. Jezus heeft mondeling en door
-<span class="pagenum" id="Page_401">[401]</span>
-zijn Geest aan zijne discipelen nog vele dingen geleerd, die niet
-door hen zijn beschreven maar van mond tot mond zijn voortgeplant.
-Kerkvaders, conciliën, pausen hebben zulk eene apostolische
-traditie ook van den aanvang af erkend. Feitelijk leeft
-de kerk nog altijd van en uit deze mondelinge, levende traditie.
-De Schrift alleen is onvoldoende. Want behalve dat lang niet
-alles is opgeteekend, verschillende geschriften van profeten en
-apostelen zijn ook verloren gegaan. De apostelen kregen wel een
-bevel om te getuigen, maar niet om dat schrijvende te doen.
-Ze kwamen tot schrijven alleen door de omstandigheden, necessitate
-quadam coacti; hun geschriften zijn daarom ook meest
-gelegenheidsschriften, en bevatten lang niet alles, wat tot de leer
-en het leven der kerk van noode is. Zoo vinden we in de Schrift
-weinig of niets van den doop der vrouwen, de Zondagsviering,
-het episcopaat, het zevental sacramenten, het vagevuur, de onbevlekte
-ontvangenis van Maria, de zaligheid van vele Heidenen
-in de dagen des O. T., de inspiratie en kanoniciteit der verschillende
-Bijbelboeken enz.; ja zelfs dogmata als van de triniteit,
-de eeuwige generatie, den uitgang des H. G., den kinderdoop
-enz. zijn niet letterlijk en met zooveel woorden in de Schrift te
-vinden. In één woord: de Schrift is nuttig, maar de traditie is
-noodzakelijk, Bellarminus, de Verbo Dei, lib. IV. Melchior Canus,
-Loci theol. lib. 3. Perrone, Praelect. Theol. IX 228 sq. Klee,
-Dogm. I 277 f. Heinrich, Dogm. Theol. II S. 1 f. Jansen,
-Praelect. theol. dogm. I 788 sq. Möhler, Symbolik §&nbsp;38 f.
-Kleutgen, Theol. der Vorzeit 2<sup>e</sup> Aufl. I 72 f. Dieringer, Dogm.
-§&nbsp;126. Liebermann, Instit. theol. I p. 448 sq. Voor de Grieksche
-kerk, Kattenbusch, Confessionskunde I 292.</p>
-
-<p class="sep2">18. Tegenover deze Roomsche leer van de traditie plaatste
-de Hervorming die van de volmaaktheid en genoegzaamheid der
-H. Schriftuur. Het goed recht van deze bestrijding van Rome
-is door de ontwikkeling van het begrip der traditie zelve in een
-helder licht gesteld. De eerste christelijke gemeenten werden,
-evenals nu nog de gemeenten onder de Heidenen, gesticht door
-het gepredikte woord. De leer en gebruiken, die zij van de apostelen
-of hunne medgezellen ontvangen hadden, plantte zich geruimen
-tijd van mond tot mond en van geslacht tot geslacht
-voort. Dit begrip der traditie was duidelijk; ze duidde aan de
-<span class="pagenum" id="Page_402">[402]</span>
-leer en gebruiken, welke van de apostelen ontvangen waren en
-in de kerken werden bewaard en voortgeplant. Maar naar mate
-de afstand grooter werd, die de kerken scheidde van den apostolischen
-tijd, werd het hoe langer hoe moeilijker om uit te
-maken of iets werkelijk van apostolische herkomst was. De Afrikaansche
-kerk protesteerde daarom tegen de overdreven waarde,
-welke vooral in de tweede helft tegen het Gnosticisme aan deze
-traditie werd gehecht. Tertullianus, de virg. vel. c. 1 zei: Dominus
-noster veritatem se, non consuetudinem cognominavit. Evenzoo
-stelde Cyprianus, Epist. 74 tegenover de traditie, waarop de
-bisschop van Rome zich beriep, de teksten Jes. 29:13; Mt. 15:9;
-1 Tim. 6:3-5 en zei: consuetudo sine veritate vetustas erroris est.
-Christus heeft zich niet de gewoonte maar de waarheid genoemd.
-Gene moet voor deze wijken. Daarom werd het noodig, om de
-traditie nader te bepalen en hare kenmerken op te geven. Vincentius
-Lerinensis vond in zijn Commonitorium cap. 2 de criteria
-van eene apostolische traditie daarin, dat iets ubique, semper
-et ab omnibus creditum est. Hoc est etenim vere proprieque
-catholicum. Eerst bestond ’t kenmerk der traditie dus hierin, dat
-ze was van apostolische herkomst. Nu wordt er aan toegevoegd,
-dat iets in dat geval van apostolische herkomst mag geacht
-worden te zijn, als het waarlijk algemeen, katholiek is. De
-apostolicitas wordt kenbaar aan de universitas, antiquitas en
-consensio. Het Tridentinum, het Vaticanum en ook de theologen
-sluiten zich bij de bepaling der traditie aan deze criteria van
-Vincentius aan. Maar zakelijk is er afwijking; de consequentie
-leidde verder. Het was niet vol te houden, dat iets dan alleen
-apostolisch was, wanneer het werkelijk altijd, overal en door
-allen was geloofd. Van welke leer of van welk gebruik kon zulk
-eene volstrekte katholiciteit worden aangetoond? De drie criteria
-zijn dus allengs verzwakt. De kerk mag wel niet iets nieuws tot
-dogma verklaren en moet zich houden aan de overlevering, maar
-de bewaring van die traditie is niet mechanisch te denken als
-van een schat in den akker, maar organisch zooals Maria de
-woorden der herders bewaarde en overlegde in haar hart, Heinrich,
-II 12. Eene waarheid kan dus zeer goed vroeger niet of niet
-algemeen geloofd zijn; zij is toch onfeilbare apostolische traditie,
-wanneer ze nu maar algemeen wordt geloofd. De beide criteria
-antiquitas en universitas zijn dus geen copulatieve maar distributieve
-<span class="pagenum" id="Page_403">[403]</span>
-kenmerken der traditie; zij zijn niet beide saam en tegelijk
-noodig, één van beide is genoeg. Feitelijk is daarmede de antiquitas
-opgeofferd aan de universitas. Maar ook deze laatste is
-weer beperkt. De vraag kwam op, wie het orgaan ter bewaring
-en ter erkenning der traditie was. De kerk in het algemeen kon
-dit niet zijn. Möhler, Symbolik, 6<sup>e</sup> Aufl. 357, identificeerde de
-traditie nog wel met das fortwährend in den Herzen der Gläubigen
-lebende Wort, maar dit antwoord was veel meer protestantsch
-dan roomsch gedacht. De taak, om de leer te bewaren
-en vasttestellen, kon en mocht niet aan de kerk in het algemeen,
-d. i. aan de leeken worden opgedragen. In de kerk is te onderscheiden
-tusschen de ecclesia audiens en docens. Beide behooren
-wel bij elkaar, en zijn onvergankelijk, maar de eerste bezit slechts
-eene infallibilitas passiva, d. i. zij is alleen in haar gelooven
-onfeilbaar, doordat zij en zoolang zij in verbinding blijft met
-de ecclesia docens. Maar ook deze laatste is nog weer niet het
-eigenlijk orgaan der leer. Het Gallikanisme, de Oudbisschoppelijke
-klerezie en de Oudkatholieken zijn hier blijven staan, en schrijven
-de onfeilbaarheid toe aan de gezamenlijke bisschoppen. Maar dit
-standpunt is onhoudbaar. Wanneer zijn die bisschoppen onfeilbaar?
-Buiten of alleen in het concilie? Indien het laatste, zijn ze alleen
-onfeilbaar als ze eenstemmig zijn, of is alleen de meerderheid
-onfeilbaar? Hoe groot moet deze zijn? Is ééne stem meerderheid
-voldoende? Is het concilie zonder, en zelfs tegenover, of alleen
-in overeenstemming met den paus onfeilbaar? Altemaal vragen,
-waarmede het Gallikanisme in ernstige verlegenheid verkeerde.
-Het papale systeem ging daarom een stap verder en schreef de
-onfeilbaarheid toe aan den paus. Dit primaat van den paus is
-het product van eene eeuwenlange ontwikkeling, de consequentie
-van eene geestesrichting, die reeds zeer vroeg in de kerk aanwezig
-was. Langzamerhand is de paus beschouwd geworden als
-het onfeilbaar orgaan van de goddelijke waarheid en dus ook
-van de traditie. Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 4 c. 9 nam
-onder de kenmerken der traditie ook dezen regel op: id sine
-dubio credendum esse, ex apostolica traditione descendere, quod
-pro tali habetur in illis ecclesiis, ubi est integra et continuata
-successio ab Apostolis. Nu waren er, zegt hij verder, in de oudheid
-vele zulke kerken behalve Rome. Thans echter is ze alleen in
-Rome over. En daarom ex testimonio hujus solius ecclesiae
-<span class="pagenum" id="Page_404">[404]</span>
-sumi potest certum argumentum ad probandas Apostolicas traditiones.
-De kerk van Rome bepaalt en maakt uit, wat apostolische
-traditie is. Latere theologen, vooral onder de Jesuiten, hebben
-dit verder ontwikkeld. En den 18<sup>den</sup> Juli 1870 werd in de vierde
-zitting van het Vaticaansch concilie de onfeilbaarheid openlijk
-als dogma afgekondigd. Nu is het wel zeker, dat de paus in
-deze zijne onfeilbaarheid niet losgedacht is van de kerk, vooral
-niet van de ecclesia docens. Voorts zijn de symbolen, decreten,
-liturgieën, patres, doctores en heel de historie der kerk zoovele
-monumenten der traditie, waaraan de paus bij de vaststelling
-van een dogma zich aansluit en waar hij rekening mede te houden
-heeft. Maar toch is de traditie formeel niet met den inhoud van
-al die monumenten identisch. De traditie is onfeilbaar; maar
-wat traditie is, wordt ter laatste instantie alleen uitgemaakt door
-den paus, met, zonder of desnoods tegen de kerk en de concilies in.
-De beoordeeling of en in hoeverre iets semper, ubique et ab
-omnibus is geloofd, kan niet staan aan de kerk, noch aan de
-ecclesia audiens noch aan de ecclesia docens, maar staat vanzelf
-alleen aan den onfeilbaren paus. Als de paus een dogma
-afkondigt, dan is het eo ipso apostolische traditie. Het criterium
-van de traditie is dus achtereenvolgens gezocht, in de apostoliciteit,
-in de katholiciteit, in de episcopale successie, in de papale beslissing.
-Daarmede is het einde bereikt. De onfeilbare paus is
-het principium formale van het Romanisme. Roma locuta, res
-finita. Paus en kerk, paus en Christendom zijn één. Ubi Papa,
-ibi ecclesia, ibi religio Christiana, ibi Spiritus. Van den paus is
-er geen hooger beroep, zelfs niet op God. Door den paus spreekt
-God zelf tot de menschheid, Perrone I 229, IX 279. Jansen I
-804, 822 s. 829. Heinrich I 726 noot, II 148 f. 537. Maistre,
-du Pape, <ins id="cor_42" title="Oevres">Oeuvres</ins> Choisies de Joseph de Maistre III, Paris z. j. 71.</p>
-
-<p>Deze uitkomst van den ontwikkelingsgang der traditie toont
-de valschheid van het principe aan, dat er van den beginne af
-in werkzaam was. De onfeilbaarheid van den paus kan eerst
-later, in de leer der kerk, breedvoerig behandeld worden. Maar
-het is duidelijk, dat het goede en ware element, waarom het
-in de eerste eeuwen bij de handhaving der traditie te doen was,
-geheel te loor is gegaan. Toen was het te doen om bewaring
-van datgene, wat krachtens apostolische instelling in de gemeenten
-geloofd werd en gebruikelijk was. Het lag voor de hand, dat men
-<span class="pagenum" id="Page_405">[405]</span>
-toen aan de traditie groot gewicht hechtte en de onmisbaarheid
-en noodzakelijkheid der apostolische geschriften nog niet inzag.
-Maar het kenmerk der apostoliciteit, dat toen vanzelf aan de
-traditie eigen was, moest verdwijnen, toen men verder van den
-apostolischen tijd verwijderd werd. De relatieve zelfstandigheid
-der traditie naast de Schrift verdween hoe langer zoo meer. De
-stroomen van Schrift en traditie vloeiden ineen. En spoedig na
-den dood van de apostelen en hunne tijdgenooten werd het onmogelijk,
-om iets als van apostolische herkomst aan te toonen
-anders dan door een beroep op de apostolische geschriften. Van
-geen enkel dogma, dat de Roomsche kerk buiten en zonder de
-Schrift belijdt, is de apostolische herkomst te bewijzen. De traditieleer
-bij Rome doet slechts dienst, om de afwijkingen van
-de Schrift en van de apostelen te rechtvaardigen. Mariavereering,
-het zevental sacramenten, de pauselijke onfeilbaarheid enz., dat
-zijn de dogmata, welke de traditie niet kunnen missen. Ter
-kwader ure is de apostolische overlevering met de kerkelijke
-gewoonten en met de pauselijke beslissingen vereenzelvigd. De
-traditie is bij Rome die gemeine Superstition, das Heidenthum,
-Harnack D. G. III 559 noot.</p>
-
-<p class="sep2">19. Feitelijk wordt door deze leer van de traditie de Schrift
-van heel haar gezag en kracht beroofd. De Roomschen praediceeren
-van beide, Schrift en traditie (paus), de onfeilbaarheid,
-maar erkennen, dat er tusschen beide toch een groot onderscheid
-bestaat. Bij beide wordt wel de oorzaak der onfeilbaarheid gezocht
-in eene bijzondere, bovennatuurlijke werking des H. Geestes;
-want Rome begrijpt zeer goed, dat de onfeilbaarheid der traditie
-niet afgeleid kan worden uit de geloovigen als zoodanig, uit de
-kracht en den geest des Christendoms, die in de geloovigen woont
-en werkt. Er komen immers in de kerk en onder de geloovigen
-vele dwalingen voor, die dikwerf langen tijd heerschen en velen
-vervoeren. De onfeilbaarheid van den paus wordt daarom even
-goed als die van de Schrift, verklaard uit eene buitengewone
-werking des H. Geestes op grond van Mt. 16:18, 28:20; Joh.
-14:16 v., 15:26, 16:12 v. Concil. Vatic. sess. 3. Maar er is
-toch onderscheid. De werkzaamheid des H. Geestes in de apostelen
-bestond in revelatie en inspiratie: die in den paus bestaat in
-assistentie. Het Vaticanum cap. 4 zegt: neque enim Petri successoribus
-<span class="pagenum" id="Page_406">[406]</span>
-Spiritus Sanctus promissus est, ut eo <i>revelante</i> novam
-doctrinam patefacerent, sed ut eo <i>assistente</i>, traditam per Apostolos
-revelationem seu fidei depositum sancte custodirent et fideliter
-exponerent. De Schrift is daarom woord Gods in eigenlijken zin,
-geïnspireerd, althans volgens vele theologen, tot de singula verba
-toe; de besluiten van concilies en pausen zijn woorden der kerk,
-die de waarheid Gods zuiver weergeven. De Schrift <i>is</i> het woord
-Gods, de traditie <i>bevat</i> het woord Gods. De Schrift bewaart de
-woorden der apostelen in hun oorspronkelijken vorm, de traditie
-geeft de leer der apostelen alleen weer wat de substantie betreft.
-De boeken der profeten en apostelen zijn dikwerf geschreven
-zonder onderzoek, alleen uit openbaring; maar bij de assistentia
-divina, aan de kerk beloofd, zijn de personen altijd zelf werkzaam,
-onderzoeken, overwegen, oordeelen, beslissen. Bij de inspiratie
-was de werkzaamheid des Geestes in strikten zin supranatureel,
-maar bij de assistentie bestaat ze menigmaal in een complex
-van zorgen der Voorzienigheid, waardoor de kerk voor dwaling
-wordt behoed. En eindelijk strekt de inspiratie in de Schrift zich
-tot alle zaken uit, ook van historie, chronologie enz., maar door
-de assistentie des H. G. is de paus alleen onfeilbaar als hij ex
-cathedra spreekt, d. i. als Pastor en Doctor der Christenheid, en
-als hij doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam
-definit. De Schrift heeft dus bij Rome nog enkele praerogatieven
-boven de traditie, Bellarminus, de Conciliis et Ecclesia,
-lib. 2 c. 12. Heinrich, I 726 f. II 220-245. Jansen, I 616.</p>
-
-<p>Maar feitelijk doet de traditie aan de Schrift groote afbreuk.
-Vooreerst bepaalt Trente, dat Schrift en traditie <i>pari</i> pietatis
-affectu et reverentia moeten worden vereerd. Vervolgens wordt
-de inspiratie der H. Schrift door de meeste Roomsche theologen
-als eene inspiratio realis opgevat, zoodat niet de singula verba
-maar de zaken zijn ingegeven. Verder is de onfeilbaarheid quoad
-formam en quoad substantiam zoo nauw de eene met de andere
-verbonden, dat de grenslijn tusschen beide niet te trekken is.
-Voorts is de paus in strikten zin alleen onfeilbaar in zaken van
-geloof en leven, maar om dit te kunnen wezen, moet hij het ook
-zijn in het oordeel over de bronnen des geloofs en in de uitlegging,
-d. i. in de bepaling van wat Schrift en traditie is, in
-de bepaling van het gezag der kerkvaders, der conciliën enz.;
-in het oordeel over de dwalingen en ketterijen en zelfs van de
-<span class="pagenum" id="Page_407">[407]</span>
-facta dogmatica, in het verbod van boeken, in zaken van tucht,
-in approbatie van orden, in canonisatie van heiligen enz. Heinrich,
-II 557 f. En al is de paus niet in al het andere in strikten
-zin onfeilbaar, zijne macht en autoriteit strekt zich toch ook uit
-over alle dingen, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae pertinent,
-en deze potestas is plena en suprema en breidt zich uit
-over alle pastores en fideles, Conc. Vatic. cap. 3. Zelfs wordt
-door vele Roomschen geëischt, dat de paus, om deze geestelijke
-souvereiniteit te kunnen uitoefenen, wereldlijk vorst moet zijn;
-en beweerd dat hij, indien niet direct, dan toch indirect bezit
-de summa potestas disponendi de rebus temporalibus omnium
-christianorum, Bellarm. de Romano Pontifice lib. 5. de Maistre,
-du Pape, livre 2. Jansen. I 651 sq. De macht en autoriteit van
-den paus gaat die van de Schrift verre te boven. Hij staat boven
-haar, oordeelt over haar inhoud en haar beteekenis en stelt auctoritate
-sua de dogmata van leer en leven vast. De Schrift moge
-het voornaamste middel zijn, om de overeenstemming van de
-hedendaagsche leer en traditie met de leer der apostelen aan te
-wijzen; zij moge veel bevatten, wat anders niet zoo goed geweten
-zou worden; ze moge eene goddelijke onderwijzing der leer zijn,
-welke alle andere overtreft, Heinrich, I 732 f.; zij is toch altijd
-voor Rome slechts een hulpmiddel, dat nuttig maar niet noodig
-is. De kerk bestond voor de Schrift, en de kerk bevat niet een
-deel maar de volle waarheid, de Schrift bevat echter slechts een
-gedeelte der leer. De Schrift heeft wel de traditie, de bevestiging
-van den paus, van noode, maar de traditie niet de H. Schrift.
-De traditie is geen aanvulling van de Schrift, maar de Schrift
-is eene aanvulling van de traditie. De Schrift alleen is onvoldoende,
-maar de traditie alleen is wel voldoende. De Schrift rust
-op de kerk, maar de kerk rust in zichzelve, Heinrich, I 730 f.</p>
-
-<p class="sep2">20. De ontwikkeling der traditie tot de pauselijke onfeilbaarheid
-en de daaruit noodzakelijk voortvloeiende degradatie der
-Schrift bewijzen op zichzelf reeds het goed recht der Reformatie,
-om tegen de traditie op te komen. Zij liet het echter niet alleen
-bij aanval, maar stelde tegenover de leer van Rome die van de
-perfectio of sufficientia Scripturae, Luther bij Köstlin, Luthers
-Theol. 2<sup>e</sup> Ausg. 1883 II 56 f. 246 f. Gerhard, Loci theol. loc.
-I c. 18. 19. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. §&nbsp;9. Calv. Inst.
-<span class="pagenum" id="Page_408">[408]</span>
-IV c. 10. Polanus, Synt. Theol. I c. 46. 47. Zanchius, Op. VIII
-col. 369 sq. Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 8 sq. 22 sq. Chamier,
-Panstratia Cathol. Loc. 1 lib. 8 en 9. Amesius, Bellarminus
-enervatus, Lib. I c. 6. Turret., Theol. El. loc. 2 qu. 16. Heppe,
-Dogm. der ev. ref. K. p. 11 f. Holtzmann, Kanon und Tradition,
-Ludwigsb. 1859. A. W. Dieckhoff, Schrift und Tradition, Rostock
-1870. J. L. Jacobi, Die kirchl. Lehre von der Tradition u. h.
-Schrift, 1 Abth. Berlin 1847. P. Tschackert, Evang. Polemik
-gegen die röm. Kirche, Gotha 1885 §&nbsp;23 f. Id. art. Tradition
-in Herzog<sup>2</sup>. Hase, Protest. Polemik, 5<sup>te</sup> Aufl. Leipzig 1891 S.
-77 f. Harnack, Dogm. Gesch. III 593 f. 623 f. Hodge, Syst.
-Theol. I 104 etc. Ook deze eigenschap der H. Schrift moet goed
-worden verstaan. Er wordt daarmede niet beweerd, dat al wat
-door de profeten, door Christus en de apostelen, gesproken of
-geschreven is, in de Schrift is opgenomen; er zijn immers vele
-profetische en apostolische geschriften verloren gegaan, Num. 21:14;
-Jos. 10:13; 1 Kon. 4:33; 1 Chron. 29:29; 2 Chron.
-9:29, 12:15; 1 Cor. 5:9; Col. 4:16; Phil. 3:1, en Jezus
-en de apostelen hebben zeker veel meer woorden gesproken en
-teekenen gedaan, dan beschreven zijn, Joh. 20:30; 1 Cor. 11:2,
-14; 2 Thess. 2:5, 15, 3:6, 10; 2 Joh. 12; 3 Joh. 14 enz.
-Ook houdt deze eigenschap niet in, dat de H. Schrift alle gebruiken,
-ceremoniën, bepalingen en reglementen bevat, welke de
-kerk voor hare organisatie behoeft; maar alleen, dat zij de fidei
-articuli volledig bevat, de res necessariae ad salutem. En dan
-sluit deze eigenschap der Schrift ook nog niet in, dat deze articuli
-fidei letterlijk en met zooveel woorden, αὐτολεξει en totidem
-verbis in haar begrepen zijn, maar alleen dat zij hetzij explicite
-hetzij implicite zoo in de Schrift zijn vervat, dat ze, zonder behulp
-van een andere bron, alleen door vergelijkend onderzoek en door
-nadenken eruit afgeleid kunnen worden. En ten slotte is deze
-perfectio S. Scr. niet zoo te verstaan, alsof de H. Schrift altijd
-dezelfde quoad gradum is geweest. In de verschillende tijden der
-kerk was de Schrift tot op hare voltooiing toe ongelijk van
-omvang. Maar in elken tijd was dat woord Gods, hetwelk onbeschreven
-of beschreven bestond, ook voor dien tijd voldoende.
-Ook de Reformatie maakte onderscheid tusschen een verbum
-ἀγραφον en ἐγγραφον, Ned. geloofsbel. art. 3. Maar Rome neemt
-beide naast elkaar aan, en houdt ze voor species van één genus;
-<span class="pagenum" id="Page_409">[409]</span>
-de Reformatie ziet in deze onderscheiding slechts één zelfde woord
-Gods, dat eerst een tijd lang onbeschreven bestond en daarna
-opgeteekend werd. Het geschil tusschen Rome en de Reformatie
-loopt dus alleen hierover, of er nu, nadat de Schrift voltooid is,
-nog een ander woord Gods in onbeschreven vorm daarnaast bestaat,
-m. a. w. of het beschreven woord Gods explicite of implicite al
-datgene bevat, wat wij tot onze zaligheid te kennen noodig hebben,
-en dus regula totalis et adaequata fidei et morum is, dan
-wel of er daarnaast in religie en theologie nog een ander principium
-cognoscendi moet worden aangenomen. Maar zoo gesteld,
-schijnt deze vraag haast voor geen tweeërlei antwoord meer vatbaar
-te zijn. Ook de Roomsche kerk erkent, dat de Schrift
-voltooid is, dat ze een organisch geheel vormt, dat de kanon
-gesloten is. Hoe hoog zij de traditie ook schatte, zij heeft het
-toch in theorie nog niet gewaagd, om de besluiten der kerk op
-ééne lijn te stellen met de Schrift. Zij maakt nog onderscheid
-tusschen verbum Dei en verbum ecclesiae. Maar hoe kan ooit,
-zoolang men met het verbum Dei ernst maakt, de ongenoegzaamheid
-der Schrift worden geleerd? Kerkvaders dachten er niet aan
-en spreken duidelijk de volkomen genoegzaamheid der H. Schrift
-uit. Irenaeus, adv. haer. III praef. en cap. 1 zegt, dat wij de
-waarheid kennen door de apostelen, per quos Evangelium pervenit
-ad nos, quod quidem tunc praeconaverunt, postea vero per Dei
-voluntatem in Scripturis nobis tradiderunt fundamentum et columnam
-fidei nostrae futuram. Tertullianus, adv. Hermog. c. 22, de
-carne Chr. c. 8 bewondert de plenitudo Scripturae, en verwerpt
-alles quod extra Scripturam is. Augustinus, Sermo de Past. c.
-11 getuigt: quidquid inde <ins id="cor_43" title="andieritis">audieritis</ins>, hoc vobis bene sapiat;
-quidquid extra est respuite. En evenzoo spreken vele anderen, cf.
-de plaatsen verzameld door Chamier, Panstratia Cathol. Loc. I
-lib. 8 cap. 10. Daarnaast erkennen ze zeer zeker ook de traditie,
-maar ze nemen daarin juist een element op, dat hunne overtuiging
-van de genoegzaamheid der Schrift ondermijnt en in de
-latere Roomsche leer van de insufficientia S. Scr. en van de sufficientia
-traditionis geeindigd is. Beide, Schrift en traditie, zijn
-naast elkaar niet te handhaven; wat aan de eene onthouden wordt,
-wordt geschonken aan de andere. De traditie kan alleen stijgen,
-als en naarmate de Schrift daalt. Het is dan ook zeer vreemd,
-dat Rome eenerzijds de Schrift voor voltooid en den kanon voor
-<span class="pagenum" id="Page_410">[410]</span>
-gesloten houdt, ja zelfs de Schrift voor het woord Gods erkent;
-en toch die Schrift als onvoldoende beschouwt en aanvult met
-de traditie. Terecht zeggen vele Roomsche theologen tegenwoordig,
-dat de Schrift de niet noodzakelijke maar hoogstens nuttige
-aanvulling van de traditie is.</p>
-
-<p class="sep2">21. Maar deze leer is met de Schrift zelve in lijnrechten strijd.
-Nooit wordt de gemeente in O. en N. T. naar iets anders verwezen
-dan naar het telkens voorhanden, hetzij dan geschreven of
-ongeschreven, woord Gods. Daarbij alleen kan de mensch geestelijk
-leven. In de telkens aanwezige Schrift vindt de gemeente
-al wat ze behoeft. De volgende Schriften onderstellen de voorafgaande,
-sluiten er zich bij aan en zijn er op gebouwd. De profeten
-en psalmisten onderstellen de thora. Jesaia roept cap. 8:20 allen
-tot de wet en de getuigenis. Het N. T. beschouwt zich als vervulling
-van het Oude, en wijst naar niets anders dan naar de
-bestaande Schrift terug. Sterker spreekt nog het feit, dat al wat
-buiten de Schrift ligt, zoo beslist mogelijk uitgesloten wordt.
-Tradities worden als inzettingen van menschen verworpen, Jes.
-29:13; Mt. 15:4, 9; 1 Cor. 4:6. De overlevering, die in de
-dagen des O. Test. opkwam, heeft de Joden tot verwerping van
-den Christus geleid. Jezus stelt tegen haar zijn Ik zeg u over,
-Mt. 5 en sluit zich juist wederom tegen de Phariseën en Schriftgeleerden
-bij de wet en de profeten aan. De apostelen beroepen
-zich alleen op de O. T. Schrift en verwijzen de gemeenten nooit
-naar iets anders dan het woord Gods, dat door hen verkondigd
-is. In zoover de traditie in den eersten tijd niets anders wilde
-wezen, dan bewaring van hetgeen persoonlijk door de apostelen
-was geleerd en ingesteld, droeg ze ook nog geen gevaarlijk
-karakter. Maar daarvan is de Roomsche traditie ten eenenmale
-ontaard. Het is onbewijsbaar, dat er nog eenige leer of eenig
-gebruik van de apostelen afkomstig is, dan voor zoover dit uit
-hunne schriften kan worden aangetoond. De traditie bij Rome,
-waaruit de mis, de Mariolatrie, de pauselijke onfeilbaarheid enz.
-is voortgekomen, is niets dan de sanctie van den feitelijken
-toestand der Roomsche kerk, de rechtvaardiging van de superstitie,
-die er binnen gedrongen is.</p>
-
-<p>De sufficientia der H. Schrift vloeit verder ook voort uit den
-aard der N. T. bedeeling. Christus is vleesch geworden en heeft
-<span class="pagenum" id="Page_411">[411]</span>
-al het werk volbracht. Hij is de laatste en hoogste openbaring
-Gods. Hij heeft ons den Vader verklaard, Joh. 1:18, 17:4, 6.
-Door Hem heeft God in de laatste dagen tot ons gesproken,
-Hebr. 1:1. Hij is de hoogste, de eenige profeet. Zelfs het Vatic.
-Concilie cap. 4 erkent, dat de assistentia divina, aan den paus
-geschonken, niet bestond in revelatie en in openbaring van eene
-nieuwe leer. En Rome tracht zijne dogmata, hoe nieuw ook, toch
-altijd nog zooveel mogelijk uit de H. Schrift te betoogen, en
-voor te stellen als ontwikkeling en explicatie van wat in kiem
-in de Schrift voorhanden is, Lombardus, Sent. III dist. 25.
-Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art. 7. qu. 174 art. 6. Schwane,
-Dogmengeschichte I 2<sup>e</sup> Aufl. 1892 S. 7 f. Heinrich II 23 f.
-Maar het wikkelt zich daardoor in geen geringe moeilijkheid.
-Want of de dogmata zijn alle in denzelfden zin als bv. de triniteit,
-de twee naturen van Christus enz. explicatie van momenten,
-die in de Schrift zijn vervat, en in dat geval is de traditie
-onnoodig en de Schrift genoegzaam; of ze zijn inderdaad nieuwe
-dogmata, die geen steun hebben in de Schrift, en dan is de
-assistentia divina van den paus wel wezenlijk eene revelatie en
-openbaring van nieuwe leer. Dit laatste moge theoretisch dan
-nog ontkend worden, practisch wordt het toch aanvaard. Daarom
-zijn de Roomsche theologen na de Hervorming over het algemeen
-vrijgeviger dan voor dien tijd in de erkentenis, dat sommige
-dogmata alleen in de traditie gegrond zijn. En daarom worden
-er thans argumenten voor de traditie aangevoerd, welke vroeger
-niet of althans niet in dien zin en in die mate werden gebezigd.
-Nu wordt de onvoldoendheid der Schrift en het recht der traditie
-daaruit bewezen, dat er profetische en apostolische geschriften
-zijn verloren gegaan, dat Christus niet alles aan zijne apostelen
-heeft geleerd, dat de apostelen ook mondeling veel aan de gemeenten
-hebben bevolen enz. Maar dat er geschriften zijn verloren
-gegaan, en of ze geinspireerd (Bellarm. de verbo Dei IV c. 4)
-waren of niet (August. de civ. 18, 38), doet niets ter zake.
-Want de vraag is alleen, of de voorhanden Schrift al datgene
-bevat, wat tot onze zaligheid te weten noodig is; en niet, of ze
-bevat al wat profeten en apostelen geschreven hebben, en Christus
-zelf gesproken en gedaan heeft. Ook al werden er nog geschriften
-van profeten en apostelen gevonden, ze zouden als Heilige Schrift
-geen dienst meer kunnen doen. En zoo staat het ook met het
-<span class="pagenum" id="Page_412">[412]</span>
-onderwijs van Jezus en de apostelen. Ze hebben meer gesproken
-en gedaan, dan ons beschreven is. Kennis daarvan ware historisch
-belangrijk; maar is religieus onnoodig. Wij hebben voor onze
-zaligheid aan de Schrift genoeg, en hebben geen enkel ander
-geschrift, al was het van Jezus zelf afkomstig, meer noodig.
-Dat was de leer der Hervorming. Quantitatief is de openbaring
-veel rijker en grooter geweest, dan de Schrift ons bewaard heeft,
-maar qualitatief, substantieel is de H. Schrift voor onze zaligheid
-volkomen genoegzaam. Rome kan dan ook geen andere dogmata
-noemen dan die van de Mariolatrie, de onfeilbaarheid van den
-paus en dergelijke, welke buiten de Schrift om uit de traditie
-zijn opgekomen; maar al die, welke betrekking hebben op God,
-den mensch, Christus, de zaligheid enz. zijn ook volgens Rome
-in de Schrift zelve te vinden. Wat hebben we dan nog getuigen van
-noode. De Roomsche traditie dient alleen om de specifiek Roomsche
-dogmata te bewijzen, maar de christelijke, de katholieke
-dogmata zijn, volgens Rome zelf, alle in de Schrift gegrond.
-Ook dit feit toont aan, dat de Schrift voldoende is, en dat de
-aard der N. T. bedeeling deze sufficientia S. Scr. meebrengt en
-eischt. Christus heeft alles ten volle of persoonlijk en mondeling
-of ook door zijnen Geest aan de apostelen geopenbaard. Door hun
-woord gelooven we in Christus en hebben we gemeenschap met
-God, Joh. 17:20; 1 Joh. 1:3. De H. Geest openbaart geen
-nieuwe leer meer, Hij neemt het alles uit Christus, Joh. 16:14.
-In Christus is de openbaring Gods voltooid. En evenzoo is het
-woord der zaligheid in de Schrift volkomen begrepen. Zij vormt
-één geheel, zij maakt zelve den indruk van een organisme, dat
-zijn vollen wasdom heeft bereikt. Ze eindigt, waar ze begint. Ze
-is een cirkel, die in zichzelven wederkeert. Ze begint met de
-schepping, ze eindigt met de herschepping van hemel en aarde.
-De kanon van O. en N. T. werd eerst gesloten, toen alle nieuwe
-Ansätze der heilshistorie aanwezig waren, Hofmann, Weissagung
-u. Erfüllung I 47. De H. Geest heeft geen andere taak in deze
-bedeeling, dan om het werk van Christus toe te passen en evenzoo
-het woord van Christus uit te leggen. Hij voegt aan beide
-niets nieuws toe. Het werk van Christus behoeft niet aangevuld
-te worden door de goede werken der geloovigen; het woord van
-Christus behoeft niet aangevuld te worden door de traditie der
-kerk; Christus zelf behoeft niet opgevolgd en vervangen te
-<span class="pagenum" id="Page_413">[413]</span>
-worden door den paus. De Roomsche leer van de traditie is de
-loochening van de volkomene vleeschwording Gods in Christus,
-van de algenoegzaamheid zijner offerande, van de volmaaktheid
-van zijn woord. De geschiedenis der Roomsche kerk toont ons
-het langzaam voortgaand proces, hoe een valsch beginsel zich
-indringt en eerst nog onder Christus en zijn woord zich stelt,
-dan daarnaast zich plaatst, straks daarboven zich verheft, om te
-eindigen in eene volledige remplaceering van de Schrift door de
-traditie, van Christus door den paus, van de gemeente door het
-instituut. De ontwikkeling is zeker nog niet ten einde. Het schijnt
-eene anomalie, dat de paus, die langzamerhand boven Schrift,
-kerk, concilie, traditie zich verhief, door feilbare menschen, al zijn
-zij ook kardinalen, wordt benoemd. Wie kan beter, dan hij, die
-zelf onfeilbaar is, zijn opvolger aanwijzen? Zoo is het best mogelijk,
-dat de pauselijke souvereiniteit in de toekomst zal blijken
-onvereenigbaar te zijn met de macht der kardinalen. In elk geval
-is de weg van de deificatie van den mensch door Rome nog niet
-ten einde toe afgeloopen.</p>
-
-<p class="sep2">22. Toch wordt met dit al het goede en ware niet miskend,
-dat in de leer der traditie ligt opgesloten. Het woord traditie
-heeft nog een ruimer zin, dan die er door Rome aan gegeven
-wordt. Rome verstaat er onder eene leer, die door de apostelen
-is overgeleverd, door de bisschoppen, bepaaldelijk door den paus
-wordt bewaard en door dezen wordt vastgesteld en afgekondigd;
-maar deze opvatting bleek onhoudbaar. Traditie kan echter ook
-verstaan worden van heel dat religieuse leven, denken, gevoelen,
-handelen, hetwelk in iedere godsdienstige gemeenschap wordt
-aangetroffen en in allerlei vormen, zeden, gewoonten, gebruiken,
-religieuse taal en litteratuur, confessie en liturgie enz. zijne uiting
-vindt. In dezen zin is er traditie in elken godsdienst. Zelfs kan
-het begrip nog verder worden uitgebreid tot al die rijke en veelsoortige
-banden, die de volgende geslachten verbinden aan de
-voorafgaande. In dezen zin is er geen gezin, geen geslacht, geen
-maatschappij, geen volk, geen kunst, geen wetenschap enz. zonder
-traditie bestaanbaar. De traditie is het middel, waardoor alle
-schatten en goederen van de voorgeslachten naar het heden en
-de toekomst worden overgebracht. Tegenover het individualisme
-en atomisme der vroegere eeuw hebben de Bonald, Lamennais
-<span class="pagenum" id="Page_414">[414]</span>
-e. a. en Bilderdijk ten onzent de beteekenis van de gemeenschap,
-de autoriteit, de taal, de traditie enz. wederom in het helderste
-licht geplaatst. Zulk eene traditie is er zeer zeker ook in de
-religie en in de kerk. Reeds de algemeenheid wijst er op, dat
-wij hier niet met een toevallig verschijnsel te doen hebben. Traditie
-vinden we niet alleen in de Roomsche kerk maar ook bij
-de Joden, de Mohammedanen, de Buddhisten enz. In de hoogere
-godsdiensten komt er nog eene reden bij voor de noodzakelijkheid
-der traditie. Zij zijn alle gebonden aan eene heilige schrift, die
-in een bepaalden tijd is ontstaan en in dien zin hoe langer hoe
-verder komt af te staan van het thans levend geslacht. Ook de
-Bijbel is een boek, in lang vervlogen eeuwen en onder allerlei
-historische omstandigheden geschreven. De verschillende boeken
-des Bijbels dragen het karakter van den tijd, waarin zij ontstonden.
-Hoe duidelijk de Schrift dan ook moge zijn in de leer
-der zaligheid en hoezeer zij is en blijft de viva vox Dei, cf. boven
-<a href="#Page_305">bl. 305</a>, zij vereischt tot recht verstand toch menigmaal allerlei
-historische, archaeologische, geographische kennis. De tijden zijn
-veranderd, en met de tijden de menschen, hun leven en denken
-en gevoelen. Daarom is er eene traditie noodig, om den samenhang
-te bewaren tusschen de Schrift en het religieuse leven van
-dezen tijd. Traditie in goeden zin is de vertolking en toepassing
-van de eeuwige waarheid in de sprake en het leven van het
-tegenwoordig geslacht. Eene Schrift zonder zulk eene traditie is
-onmogelijk. Vele secten in vroeger en later tijd hebben dit wel
-beproefd. Zij wilden van niets weten dan de woorden en letters
-der Schrift; verwierpen alle dogmatische terminologie, die niet
-in de Schrift werd gebruikt; keurden alle theologische opleiding
-en wetenschap af, en kwamen er soms toe om letterlijke toepassing
-te eischen van de burgerlijke wetten onder Israel en van
-de voorschriften der bergrede. Maar al deze richtingen veroordeelden
-daarmede zichzelve tot een wissen ondergang of althans
-tot een kwijnend leven. Ze plaatsen zich buiten de maatschappij
-en derven allen invloed op haar volk en haar eeuw. De Schrift
-is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat te worden
-maar om in het volle rijke menschenleven integaan en het te vormen,
-te leiden en tot zelfstandige werkzaamheid te brengen op
-ieder terrein. De Hervorming plaatste zich dan ook op een ander
-standpunt. Zij verwierp niet alle traditie als zoodanig, zij was
-<span class="pagenum" id="Page_415">[415]</span>
-reformatie, geen revolutie. Zij trachtte niet alles nieuw te scheppen,
-maar wel alles van dwaling en misbruik te reinigen naar den
-regel van Gods woord. Daarom bleef ze staan op den breeden
-christelijken grondslag van het apostolisch symbool en de eerste
-conciliën. Daarom was ze voor eene theologische wetenschap, die
-de waarheid der Schrift denkend vertolkte in de taal van het
-heden. Het verschil in de opvatting der traditie tusschen Rome
-en de Hervorming bestaat hierin: Rome wil eene traditie, die
-zelfstandig loopt naast de Schrift, eene traditio juxta Scripturam
-of liever nog eene Scriptura juxta traditionem. De Hervorming
-erkent alleen zulk eene traditie, die gegrond is op en voortvloeit
-uit de Schrift, traditio e Scriptura fluens, Moor, Comm. in Marckii
-Comp. I 351. De Schrift was naar de gedachte der Reformatie
-een organisch beginsel, waar heel de traditie, voortlevende in
-prediking, belijdenis, liturgie, cultus, theologie, religieuse litteratuur
-enz. uit opwast en gevoed wordt; eene zuivere bron van
-levend water, waar alle beekjes en kanalen van het religieuse
-leven uit gevoed en onderhouden worden. Zulk eene traditie is
-in de Schrift zelve gegrond. Als Jezus zijn werk heeft volbracht,
-zendt Hij den H. Geest, die wel niets nieuws aan de openbaring
-toevoegt, maar toch de gemeente inleidt in de waarheid, Joh. 16
-vs. 12-15, totdat zij door alle verscheidenheid heen komt tot
-de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, Ef. 3
-vs. 18, 19, 4:13. In dezen zin is er eene goede, ware, heerlijke
-traditie. Zij is de weg, waarlangs de H. Geest de waarheid der
-Schrift doet overgaan in het bewustzijn en leven der gemeente.
-De Schrift is immers maar middel, geen doel. Doel is, dat de
-kerk, onderwezen uit de Schrift, vrij en zelfstandig de deugden
-verkondige Desgenen, die haar geroepen heeft uit de duisternis
-tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum is instrument,
-het verbum internum is doel. De Schrift heeft hare bestemming
-bereikt, als allen door den Heere geleerd en met den H. Geest
-vervuld zullen zijn.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h2 id="Page_416">HOOFDSTUK III.<br />
-<b>Principium internum.</b></h2>
-
-<hr class="hr8" />
-
-<h3>§&nbsp;13. <span class="smcap">Beteekenis van het principium internum.</span></h3>
-
-<p>1. Aan het principium externum, dat in het vorige hoofdstuk
-besproken werd, moet in den mensch zelf een principium internum
-beantwoorden. Door Herbert Spencer, Principles of psychology
-§&nbsp;120 wordt het leven omschreven als the continuous adjustment
-of internal relations to external relations; en inderdaad berust
-alle leven bij den mensch op eene wederkeerige correspondentie
-van subject en object. De mensch is in elk opzicht afhankelijk
-van de wereld buiten hem; hij is op geen enkel gebied autonoom,
-hij leeft van gegeven d. i. van genade. Maar wederkeerig is hij
-op heel die wereld buiten hem aangelegd, hij staat door allerlei
-relatiën met haar in verband. Zijn lichaam is uit het stof der
-aarde genomen, uit dezelfde elementen samengesteld als andere
-lichamen, en daarom aan de physische wereld verwant. Zijn
-vegetatief leven wordt uit de aarde gevoed; voedsel, deksel en
-kleeding wordt hem door de natuur geschonken; licht en lucht,
-wisseling van dag en nacht heeft hij noodig voor zijn lichamelijk
-leven; hij is een mikrokosmos, aardsch uit de aarde. Als anima
-sensitiva ontving hij in de zintuigen organen, waardoor hij de
-wereld buiten zich in hare verschillende verhoudingen gewaarworden
-en zich voorstellen kan. Door den logos, die in hem is,
-verheft hij zich tot de wereld der intelligibile dingen en spoort
-hij den logos op, die in het zienlijke zich belichaamd heeft. En
-evenzoo staat de mensch religieus en ethisch met eene waarachtige
-wereld van ideale en geestelijke goederen in verband en heeft hij
-eene facultas ontvangen, om deze wereld gewaar te worden en
-<span class="pagenum" id="Page_417">[417]</span>
-te kennen. Het onderzoek naar het wezen der religie leidde ons
-vroeger reeds <a href="#Page_177">bl. 177</a>, <a href="#Page_212">212</a>, tot een zekeren godsdienstigen aanleg
-in den mensch, tot eene vatbaarheid van zijne natuur, om het
-goddelijke gewaar te worden. De Schrift drukt dit alzoo uit, dat
-de mensch naar Gods beeld is geschapen, dat hij zijn geslacht is
-en dat hij in den νους een orgaan bezit, om Gods openbaring in
-zijne schepping op te merken. Religie onderstelt, dat de mensch
-Gode verwant is.</p>
-
-<p>Maar deze religieuse vatbaarheid moge eigen zijn aan de
-menschelijke natuur, zij is toch eene abstractie en komt in de
-werkelijkheid nooit zuiver en zonder inhoud voor. Welke rijke
-aanleg er voor wetenschap of kunst ook in een kind verscholen
-moge zijn, het wordt toch in een toestand van hulpeloosheid
-geboren. Het hangt af van de genade zijner omgeving. Spijze en
-drank, deksel en kleeding, voorstellingen en begrippen, gewaarwordingen
-en begeerten ontvangen wij van den kring, waarin wij
-geboren en opgevoed worden. Ook de religie wordt ons ingeprent
-door onze ouders en verzorgers. Het is met den godsdienst als
-met de taal. Het spraakvermogen brengen we bij de geboorte
-mede; maar de taal, waarin wij later onze gedachten zullen uitdrukken,
-wordt ons geschonken door de omgeving. Schopenhauer,
-Die Welt als Wille und Vorstellung, 6<sup>e</sup> Aufl. II 181, maakt
-daarom de juiste opmerking, dat de godsdiensten boven de wijsgeerige
-stelsels een groot voorrecht genieten, wijl zij den kinderen
-van der jeugd aan ingeprent worden. De religie groeit van kindsbeen
-af samen met het innigste en teederste leven en is mede
-daarom schier onuitroeibaar. De regel is, dat iemand sterft in
-den godsdienst, in welken hij geboren werd. De Mohammedaan,
-de Christen, de Roomsche, de Protestant blijven gemeenlijk tot
-hun dood toe aan den godsdienst hunner jeugd en hunner ouders
-getrouw. Behalve in tijden van godsdienstige krisis, zooals bij
-de opkomst van het Christendom, het Mohammedanisme, de
-Reformatie, zijn bekeeringen zeldzaam; verandering van godsdienst
-is uitzondering, geen regel. Zelfs leven en sterven de meeste
-menschen, zonder ooit door ernstigen twijfel in hun godsdienstig
-geloof te worden geschokt. De vraag, waarom ze gelooven aan
-de waarheid der godsdienstige voorstellingen, in welke zij opgevoed
-zijn, komt in de gedachte niet op. Zij gelooven, vinden
-meer of minder bevrediging in hun geloof en denken over de
-<span class="pagenum" id="Page_418">[418]</span>
-gronden, waarop hun overtuiging rust, niet na. Als het geloof
-krachtig is, is er voor zulk een onderzoek naar de gronden des
-geloofs geen plaats. Wie honger heeft, onderzoekt niet eerst naar
-de wijze, waarop het brood bereid is, dat hem voorgezet wordt.
-Primum vivere, deinde philosophari. Er is groot verschil tusschen
-het leven en de reflectie. Het is geen bewijs van rijkdom maar
-van armoede des godsdienstigen levens, als aan de formeele
-kwestiën de meeste aandacht wordt gewijd. Als de philosophische
-denkkracht uitgeput is, werpt men zich op de geschiedenis der
-philosophie. Als men niet meer leeft in de belijdenis der kerk,
-wordt haar oorsprong en geschiedenis onderzocht. En als het
-geloof zijn kracht en vertrouwen verliest, wordt een onderzoek
-ingesteld naar de gronden, waarop het rust.</p>
-
-<p class="sep2">2. Toch heeft zoodanig onderzoek zijne goede en nuttige zijde.
-Kant heeft heel de philosophie omgekeerd in eene kritiek van
-het kenvermogen. En niemand zal de onderzoekingen minachten,
-die sedert aan den aard en de zekerheid onzer kennis zijn gewijd.
-Maar toch wordt te hoog gespannen verwachting hier altijd door
-teleurstelling gevolgd. De problemen zijn hier zoo ingewikkeld,
-dat oplossing onbereikbaar schijnt. Alle pogingen, om in deze
-vraag tot een bevredigend antwoord te komen, worden door
-ernstige bezwaren gedrukt. Soms gaan er stemmen op, die van
-verder onderzoek afmanen, wijl het volkomen nutteloos is. Op
-de wetenschap zelve hebben deze formeele kwestiën toch geen
-invloed. Of men idealist of empirist, realist of nominalist zij, er
-is toch geen wetenschap te verkrijgen dan langs den weg van
-waarneming en denken. Ook in de theologie en de religie is er
-reden, om voor overdreven verwachtingen te waarschuwen. De
-Erkenntnisstheorie vergoedt het geloof niet; de pars formalis van
-de dogmatiek kan de pars materialis niet vervangen. Zelfs is
-het onderzoek naar de gronden des geloofs nog veel moeilijker
-dan dat naar de gronden van het weten. Vooreerst is het voor
-de geloovigen in het algemeen ondoenlijk, om in wetenschappelijken
-zin zich rekenschap te geven van de redenen, waarom zij
-gelooven. Hun leven uit het geloof is voor hen zelf bewijs genoeg
-van de waarheid en waarde van dat geloof. Wie honger heeft en
-eet, ondervindt daardoor vanzelf de voedende kracht van het
-brood en heeft aan onderzoek naar zijn chemische bestanddeelen
-<span class="pagenum" id="Page_419">[419]</span>
-geen behoefte. Voorts is het ook zelfs voor wetenschappelijke
-theologen een overdreven eisch, dat zij vooraf het wetenschappelijk
-recht moeten bewijzen van de Erkenntnisstheorie, waarvan zij
-uitgaan, voordat zij een aanvang mogen maken met den theologischen
-arbeid, A. Ritschl, Theologie und Metaphysik 1881 S.
-38. Een theoloog is toch geen philosoof. Al is wijsgeerige vorming
-voor den godgeleerde onmisbaar, hij behoeft toch niet eerst alle
-wijsgeerige Erkenntnisstheorieën onderzocht te hebben, eer hij
-als theoloog optreden kan. De theologie brengt haar eigen kenleer
-mede en is wel van de philosophie maar niet van eenig philosophisch
-stelsel afhankelijk. En eindelijk ligt het voorwerp van
-het onderzoek hier zoo diep in het zieleleven verborgen en is
-zoo innig saamgeweven met de fijnste en teederste roerselen van
-het menschelijk hart, dat het schier geheel aan onze eigene en
-veel meer nog aan anderer waarneming ontsnapt. De religie wortelt
-dieper in de menschelijke natuur dan eenige andere kracht. Voor
-haar heeft de mensch alles over, zijn geld en zijn goed, zijn
-vrouw en zijn kind, zijn naam, zijn eer, zijn leven. Alleen de
-religie heeft bloedgetuigen, martelaars. Haar behoudende, kan de
-mensch alles verliezen, met haar behoudt hij toch zichzelven.
-Maar haar verloochenend, gaat hij zelf verloren. Wie zal dan
-van dit leven, dat met het leven des menschen zelf één is, den
-wortel kunnen naspeuren? Wie zal den grond kunnen blootleggen,
-waarop het gelooven rust? Het geloof zelf is reeds zulk eene
-wondere en geheimzinnige kracht. Wij omschrijven het door
-kennen, toestemmen, vertrouwen enz. maar gevoelen terstond de
-zwakheid dezer bepaling, en hebben na lange redeneering ten
-slotte nog niets of zeer weinig gezegd. De vraag: hoe en waarom
-weet ik, is zoo moeilijk, dat alle wijsgeerige denkkracht het
-antwoord nog niet heeft gevonden. Maar nog moeilijker is de
-vraag: hoe en waarom geloof ik? Zij is voor onszelven een
-raadsel, want wij kunnen niet afdalen in de diepten van ons eigen
-gemoed en niet doordringen met onzen blik in het duister, dat
-achter ons bewustzijn ligt. En voor anderen is zij nog grooter
-verborgenheid. Want voor onszelven gelden als gronden des
-geloofs nog allerlei stemmingen en aandoeningen, overleggingen
-en gezindheden, die met het geloof gepaard gaan en ons onlosmakelijk
-vasthechten aan het voorwerp onzes geloofs. Maar aan
-anderen kunnen wij deze niet meedeelen; ze zijn voor geen openbaring
-<span class="pagenum" id="Page_420">[420]</span>
-bestemd en voor geen meedeeling vatbaar. Als wij het
-soms beproeven, verliezen zij onder de meedeeling heur kracht
-en waardij; wij gevoelen er onszelf het minst door bevredigd.
-En dikwerf is het einde, dat wat als grond werd aangegeven,
-den toets niet kan doorstaan en blijkt geen grond te zijn. Desniettemin
-houdt het geloof trots alle redeneering zich staande
-en spreekt: ik kan niet anders, God helpe mij, amen.</p>
-
-<p class="sep2">3. Daarom baart het geen verwondering, dat de gronden voor
-het godsdienstig en zoo ook voor het christelijk geloof zeer verschillend
-worden opgegeven. Op de vraag: hoe iemand tot het
-geloof komt en waarom hij gelooft, loopen de antwoorden zeer
-verre uiteen. Sommigen zijn van oordeel, dat de mensch in zichzelf,
-in zijn eigen natuur, de genoegzame gegevens bezit, om eene
-religieuse voorstelling, de openbaring, de Schrift te onderkennen,
-te beoordeelen en aan te nemen. Het orgaan voor de beoordeeling
-en aanneming der openbaring wordt beurtelings gezocht in het
-verstand; het geloof rust dan op historisch-apologetische gronden.
-Of de rede wordt als zulk een orgaan aangegeven; het geloof
-wordt dan gebouwd op speculatieve redeneering. Of ook wordt
-het geweten, het gemoed, het hart als orgaan voor het goddelijke
-beschouwd; het geloof is dan gebaseerd op ethisch-practische
-motieven. Maar altijd wordt bij deze richtingen een mensch ondersteld,
-die misschien wel op de eene of andere wijze voor de
-openbaring is voorbereid, maar die toch nog feitelijk buiten het
-geloof staat en voor wien nu de openbaring langs verstandelijken
-of zedelijken weg moet worden gerechtvaardigd.</p>
-
-<p>Het volgend onderzoek zal leeren, dat deze gronden onvoldoende
-zijn en dat het standpunt, door deze richtingen ingenomen, niet
-aanvaard kan worden. Maar reeds apriori laat zich het ongenoegzame
-van deze verschillende methoden inzien. De religie toch
-is een zelfstandige grootheid; zij is van wetenschap, kunst, zedelijkheid
-wezenlijk onderscheiden. Zij heeft een eigen principium
-cognoscendi externum, n.l. de openbaring, en eischt daarom ook
-een eigen principium cognoscendi internum. Gelijk het oog beantwoordt
-aan het licht, het oor aan de klank, de logos in ons
-aan den logos buiten ons, zoo moet aan de objectieve openbaring
-een subjectief orgaan in den mensch correspondeeren. De religieuse
-vatbaarheid in het algemeen, het semen religionis, de νους kan
-<span class="pagenum" id="Page_421">[421]</span>
-daarvoor niet in aanmerking komen. Want vooreerst komt deze
-nooit en nergens in zuiveren toestand en zonder inhoud voor.
-Altijd is ze van het eerste ontwaken af in een historischen godsdienst
-ingegroeid en daarnaar geaccommodeerd. Maar vervolgens
-gaat de openbaring in de Schrift uit van de onderstelling, dat
-de mensch ook in deze zijne religieuse gezindheid verdorven is
-en herschepping behoeft. Zij zou daarom zichzelve vernietigen,
-als zij in den psychischen mensch haar competenten rechter erkende.
-Zij plaatst zich tegenover dezen in eene gansch andere verhouding.
-Zij stelt zich niet beneden hem en onderwerpt zich niet
-aan zijn oordeel, maar staat hoog boven hem en vraagt niets
-dan geloof en gehoorzaamheid. Zelfs verklaart de Schrift uitdrukkelijk,
-dat de psychische mensch de dingen des Geestes Gods
-niet verstaat, dat ze dwaasheid voor hem zijn, dat hij ze in
-vijandschap verwerpt en miskent. De openbaring Gods in Christus
-vraagt geen steun, geen rechtvaardiging bij menschen. Zij poneert
-en handhaaft zichzelve in hooge majesteit. Haar auctoritas is
-normativa maar ook causativa. Zij strijdt voor haar eigen triumf.
-Zij verovert zichzelve de harten. Zij maakt zichzelve onwederstandelijk.
-Daarom valt de openbaring in twee groote bedeelingen
-uiteen. Als de oeconomie des Zoons, der objectieve openbaring,
-is geëindigd, treedt die des Geestes in. Ook van deze subjectieve
-openbaring is God de auteur. Van Hem gaat de actie uit. Hij
-is de eerste en de laatste. De mensch komt niet tot de openbaring
-en zoekt God niet. God zoekt den mensch. Hij zoekt hem
-in den Zoon, Hij zoekt hem ook in den Geest. Als God in de
-laatste dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, dan komt
-de H. Geest, die het bij de wereld voor Christus opneemt, zijn
-zaak bepleit, zijn woord verdedigt en de harten der menschen tot
-gehoorzaamheid neigt. De H. Geest is de groote, machtige Getuige
-van Christus, objectief in de Schrift, subjectief in ’s menschen
-eigen geest. In dien Geest ontvangt de mensch een adaequaat
-orgaan voor de uitwendige openbaring. God kan alleen
-door God worden gekend; in zijn licht kan alleen het licht
-worden gezien. Niemand kent den Vader, dan wien het de Zoon
-wil openbaren, en niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn,
-dan door den H. Geest. God is dus het principium essendi van
-religie en theologie; de objectieve openbaring in Christus, neergelegd
-in de Schrift, is haar principium cognoscendi externum;
-<span class="pagenum" id="Page_422">[422]</span>
-en de H. Geest, die in de gemeente is uitgestort, haar wederbaart
-en leidt in de waarheid, is haar principium cognoscendi internum.
-In deze getuigenis des H. Geestes sluit de openbaring zich af en
-bereikt zij haar doel. Want het is het welbehagen Gods, om de
-menschheid te herscheppen naar zijn beeld en gelijkenis. Objectieve
-openbaring is dus niet genoeg; deze moet zich voortzetten en voltooien
-in de subjectieve openbaring. Ja, gene is slechts middel,
-deze is doel. Het principium externum is instrumentale; het principium
-internum is het principium formale en principale, <a href="#Page_143">bl. 143</a>.</p>
-
-<p>Daarom deed de christelijke kerk ten allen tijde belijdenis van
-het testimonium Spiritus Sancti. God is de auteur der uitwendige
-openbaring; maar Hij is het ook, die de gemeente verkiest,
-de kerk sticht en in haar van Christus getuigt. De Schrift is
-zijn woord, de gemeente is zijn tempel. In zoover is er eenstemmigheid
-in de belijdenis van alle kerken aangaande het testimonium
-Spiritus Sancti. Niet de natuurlijke maar alleen de geestelijke
-mensch weet de dingen, die hem van God geschonken zijn, 1 Cor.
-2:12 v. Maar overigens is er toch groot verschil over deze getuigenis
-des H. Geestes, vooral tusschen de Roomsche kerk en
-de kerken der Hervorming. Volgens Rome toch is de Schrift
-gegeven aan de kerk, en wel aan de kerk als instituut, en eerst
-door deze heen aan de geloovigen. De kerk ontvangt, bewaart,
-authoriseert, verklaart de H. Schrift. Alle openbaring Gods aan
-de geloovigen is door het instituut der kerk bemiddeld. Altijd
-staat de kerk tusschen God en de geloovigen in. De kerk is
-middelares, medium gratiae, principium externum. Zij is de tempel
-des H. Geestes. Het testimonium Spiritus Sancti uit zich bij
-Rome alleen door de kerk als instituut, door de ecclesia docens,
-door het magisterium, door den paus. Maar volgens de Hervorming
-is de openbaring, de Schrift, gegeven, ja ook aan de kerk,
-maar aan de kerk als organisme, aan de gemeente, aan de geloovigen.
-Zij zijn de tempel des H. Geestes. Het testimonium
-Spiritus Sancti is het eigendom van alle geloovigen. Waar twee
-of drie in Jezus’ naam vergaderd zijn, is Hij in het midden.
-Bij Rome is het instituut het wezen der kerk; volgens de Hervorming
-is dit een tijdelijk hulpmiddel, maar het wezen der kerk
-ligt in de vergadering der geloovigen. Deze is de woning Gods,
-het lichaam van Christus, de tempel des H. Geestes.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<div class="pagenum" id="Page_423">[423]</div>
-
-<h3>§&nbsp;14. <span class="smcap">De historisch-apologetische methode.</span></h3>
-
-<p>1. Nauwelijks was het Christendom in de Grieksch-romeinsche
-wereld ingedrongen, of het zag zich geroepen tot een ernstigen
-strijd. Joden en Heidenen vielen het aan en brachten er allerlei
-bezwaren tegen in. Toen stonden in de 2<sup>e</sup> eeuw de Apologeten
-op, die deze aanvallen zochten af te slaan en het Christendom
-trachtten te verdedigen. Justinus Martyr, Dialogus c. Tryphone,
-Tertullianus, adv. Judaeos, en Eusebius, Demonstratio evangelica
-schreven tegen de Joden. Veel grooter was het aantal apologetische
-geschriften tegen de Heidenen. De voornaamste zijn Justinus
-Martyr, Apologia maior en minor; Tatianus, Orat. adv.
-Graecos; Athenagoras, Legatio sive supplicatio pro Christianis;
-Theophilus, ad Autolycum; Clemens Alex., Coh. ad gentes; Origenes,
-contra Celsum; Tertullianus, Apologeticus en Ad nationes; Arnobius,
-Disput. adv. gentes; Minucius Felix, Octavius; Eusebius,
-Praeparatio evangelica; Athanasius, Orat. adv. gentes; Cyrillus,
-adv. impium Julianum; Augustinus, de civ. Dei. In deze werken
-worden voor de waarheid van het Christendom de volgende argumenten
-aangevoerd: a) het is veiliger, van twee onzekere dingen
-datgene te gelooven, quod aliquas spes ferat quam omnino quod
-nullas, Arnobius, adv. gentes II 4; b) de overeenstemming van
-het Christendom met het beste en schoonste, met de σπερματα ἀληθειας,
-welke ook onder de Heidenen nog door de inwerking van den
-Logos gevonden worden, Athenag. Leg. 6. Justinus, Apol. maior
-20 sq. Minucius, Octav. 19, 20; c) de voortreffelijkheid van het
-Christendom boven de heidensche godsdiensten, zoodat iedere menschelijke
-ziel daaraan onwilkeurig getuigenis moet geven, Justinus,
-Apol. min. 10. Tertull. de testim. an. 1. Arnobius, adv. gentes
-II 2; d) de zedelijke invloed van het Christendom op leer en
-leven, zoodat de gruwelijke zonden van afgoderij, tooverij, haat,
-gierigheid, wreedheid enz. er door verdwenen zijn, Epist. ad
-Diognetum 5. Justinus, Apol. maior 14. Athen., Leg. 11. Orig., c.
-Cels. I 26. Arnob., adv. gentes I 63. Lactant., Instit. div. III
-16. Euseb., Praep. evang. I 4; e) de standvastigheid der martelaars,
-Just. M., Apol. II 12, en de heiligheid der asceten, Just.,
-Apol. I 15. Athen., Leg. 33, 34. Euseb., Dem. Evang. III 6;
-f) de voorspellingen en hare vervulling, Just., Dial. c. Tryph.
-<span class="pagenum" id="Page_424">[424]</span>
-7, 8. Just., Apol. I 31. Orig., c. Cels. I 2; g) de wonderen,
-niet alleen in den vroegeren maar ook in den tegenwoordigen
-tijd, Just., Dial. c. Tryph. 39, 82, 88. Iren., adv. haer. II 31,
-32. Tertull., Apol. 23. Orig., c. Cels. III 24; h) het heilig karakter
-en leven van Jezus en de apostelen, Arnob., adv. gentes
-I 63. Euseb., Dem. evang. III 3, 5; i) het getuigenis der Schrift,
-de overeenstemming der Schriften onderling, de eenvoudige taal,
-de goddelijke inhoud, die door geen menschelijke rede kon worden
-voortgebracht, Just. M., Coh. ad Graec. 8. Orig., de princ. IV 1,
-benevens de wonderbare oorsprong, bewaring en verbreiding der
-Schrift, Tertull., Apol. 19; en eindelijk nog j) het getuigenis
-der traditie en der kerk, Iren., adv. haer. I 10, III 3. Tertull.,
-de praescr. 20. Cypr., de unitate eccles. August., de civ. dei enz.
-Cf. Münscher-v. Coelln, Lehrb. der christl. Dogm. Gesch. I
-1832 S. 103 f. Hagenbach, Dogm. Gesch. §&nbsp;29 f. Harnack, Dogm.
-Gesch. I<sup>2</sup> 413 f. Deze argumenten hebben sedert in de christelijke
-theologie algemeen burgerrecht verkregen. De inhoud der bovennatuurlijke
-waarheden was voor de rede onbegrijpelijk, Thomas
-S. Theol. I qu. 32 art. 1, S. c. Gent. I c. 9. Des te meer
-kwam het er dan op aan om te bewijzen, dat God zich geopenbaard
-had. Al de bewijzen, die daarvoor konden worden bijgebracht,
-werden onder den naam van rationes inductivae of
-motiva credibilitatis samengevat, Thomas, S. Theol. II 2 qu.
-2 art. 9 ad 3, art. 10. Duns Scotus, Prol. Sentent. qu. 2. Ludovicus
-Vives, de veritate fidei christ. 1543. Cf. Frohschammer,
-Die Philosophie des Thomas v. Aquino, Leipzig 1889 S. 130 f.
-Na de Hervorming werd vooral het argument, ontleend aan de
-kerk, nader ontwikkeld. De kerk werd toen bij Rome hoe langer
-hoe meer fundamentum et regula fidei. Augustinus had al gezegd,
-dat hij door de kerk bewogen werd om aan de Schrift te gelooven.
-De Roomschen na de Hervorming maakten de kerk tot den sterksten
-grond voor het geloof aan de Schrift, aan de openbaring.
-De motiva credibilitatis werden dikwerf in drie soorten verdeeld,
-Becanus, Theol. Schol. Tom. II pars. II tract. 1 cap. 6. Mogunt.
-1623 p. 93, in zulke, die gelden tegenover Joden en Heidenen;
-in andere, die vooral voor de Roomschen zelven beteekenis
-hebben; en in eene derde groep, die tegenover de ketters van
-kracht zijn. Tot deze laatste behoort nu vooral de kerk met hare
-15 notae, gelijk ze door Bellarminus, de Conciliis et Ecclesia,
-<span class="pagenum" id="Page_425">[425]</span>
-Lib. IV worden opgeteld. Wat de Hervormers van de Schrift
-zeiden, wordt op de kerk toegepast. Zij is als de zon, die hare
-stralen verspreidt en gemakkelijk bij haar eigen licht kan worden
-gekend. Onder de bewijzen voor de openbaring neemt de kerk
-de eerste en de hoogste plaats in; zij is van alle het krachtigste
-motief tot geloof. Het Conc. Vatic. Sess. III cap. 3 de fide verklaarde:
-ad solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia,
-quae ad evidentem fidei christianae credibilitatem tam multa et
-tam mira divinitus sunt disposita. Quin etiam Ecclesia per se
-ipsa, ob suam nempe admirabilem propagationem, eximiam sanctitatem
-et inexhaustam in omnibus bonis foecunditatem, ob catholicam
-unitatem invictamque stabililatem, magnum quoddam et
-perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae legationis
-testimonium irrefragabile. De waarde van al deze bewijzen, ook
-van dat der kerk, bestaat daarin, dat zij de geloofwaardigheid
-der openbaring kunnen aantoonen. Zij zijn in staat, om eene fides
-humana voorttebrengen en de redelijkheid van het gelooven te
-bewijzen. Zij maken de waarheid der openbaring in zulk eene
-mate en tot zulk eene hoogte duidelijk, dat alle redelijke
-twijfel is uitgesloten. Als er van de zijde des menschen geen
-zondige zelfzucht en geen vijandschap des harten in het spel
-kwam, dan zouden die motieven krachtig genoeg zijn, om tot
-het geloof aan de openbaring te bewegen. Zij maken de openbaring
-wel niet evidenter veram, want als dat het geval ware, dan
-zou er geen geloof meer noodig zijn en zou het geloof ook alle
-verdienste missen; maar toch wel evidenter credibilem, Thomas,
-S. Theol. II 2 qu. 1 art. 4 ad 2, 4, art. 5 ad 2, qu. 2 art. 1
-ad 1. Bellarm., de Conc. et Eccl. IV cap. 3. Billuart, Summa
-S. Thomae hodiernis acad. moribus accommodata, VIII p. 25 sq.
-P. Dens, Theologia ad usum seminariorum II 275 sq. De Roomsche
-theologen nemen dan ook gewoonlijk al die argumenten der
-apologetiek in de dogmatiek op en behandelen ze breedvoerig,
-Perrone, Prael. Theol. I. Jansen, Prael. Theol. I 117 sq. Hake,
-Handbuch der allgem. Religionswissenschaft, Freiburg 1887 II
-1 f. Heinrich, Dogm. I 279 f. Liebermann, Dogm. I p. 33 sq.
-enz. Zelfs gingen sommigen zoover, dat zij deze bewijzen ook
-voor den ongeloovige voldoende achtten, Billuart, I p. 28, 29.
-Dens, II 292. Maar de meesten erkenden, dat al deze bewijzen
-toch maar motieven waren en dat zij niet den laatsten en diepsten
-<span class="pagenum" id="Page_426">[426]</span>
-grond des geloofs uitmaakten. Dat kon alleen de autoriteit Gods
-zijn, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad 3 en art. 10. S. c.
-Gent. I c. 9. Billuart VIII p. 1 sq. Becanus ib. p. 3-17. Dens,
-II 280 sq. Jansen, Prael. Theol. I 701-706. En dat geloof
-aan de openbaring op grond van Gods gezag komt niet tot stand
-door die bewijzen maar door een auxilium dei, een instinctus
-interior, die den wil tot het geloof beweegt, Thomas II 1 qu.
-109 art, 6, qu. 112 art. 2 en 3, qu. 113 art. 4. Het Conc.
-Vatic. sess. III cap. 3 de fide, erkende evenzoo eenerzijds, dat
-het geloof was een virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et
-adjuvante gratia ab eo revelata vera esse credimus, non propter
-intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam,
-sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis. Maar andererzijds
-hechtte het toch groote waarde aan de apologetische argumenten
-en voegde er daarom aanstonds bij: ut nihilominus fidei nostrae
-obsequium rationi consentaneum esset, voluit Deus cum internis
-Spiritus Sancti auxiliis externa jungi revelationis suae argumenta.....
-quae.... divinae revelationis signa sunt certissima et omnium
-intelligentiae accommodata. Het veroordeelde zelfs in canon 3, 3
-dengene, die zeide, revelationem divinam externis signis credibilem
-fieri non posse, ideoque sola interna cujusque experientia aut
-inspiratione privata homines ad fidem moveri debere. Deze waardeering
-der apologetiek hangt bij Rome weer met geheel het
-stelsel saam. De bovennatuurlijke openbaring is opgetrokken op
-den grondslag der natuurlijke. Gene wordt alleen successief en
-bij trappen bereikt. De mensch in puris naturalibus komt eerst
-door bewijzen tot de theologia naturalis. Deze is praeambula
-fidei. Hier is zelfs wetenschap mogelijk. De bewijzen zijn overtuigend.
-Op zichzelf is hier nog van geen geloof sprake. Wie
-zoover gekomen is en op den grondslag der theol. naturalis staat,
-kan nu verder door de motiva credibilitatis, vooral door de signa
-en notae ecclesiae, de geloofwaardigheid der openbaring inzien,
-en de redelijkheid van het gelooven erkennen. En als zoo de fides
-humana verkregen is, en de mensch door de actus <ins id="cor_44" title="praepatorii">praeparatorii</ins>
-zich voorbereid heeft, wordt hij door de gratia infusa zelve in
-de bovennatuurlijke orde opgenomen en bereidt hij zich door
-goede werken weer voor voor den hemel, voor de visio Dei. De
-mensch gaat uit den natuurstaat bij trappen naar boven. Telkens
-komt hij een graad hooger te staan. De pura naturalia, theol.
-<span class="pagenum" id="Page_427">[427]</span>
-naturalis, motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa,
-bona opera, visio Dei vormen de verschillende treden van de
-ladder, die staat op de aarde en reikt in den hemel.</p>
-
-<p class="sep2">2. De Reformatie heeft nu wel in beginsel deze hierarchie
-van Rome bestreden en een ander standpunt ingenomen. Zij nam
-haar positie niet in de natuurlijke rede, om deze successief tot
-het geloof op te leiden, maar in het christelijk geloof. En zij
-sprak zoo beslist mogelijk uit, gelijk later zal worden aangetoond,
-dat dat geloof alleen steunde op Gods gezag en alleen gewerkt
-werd door den H. Geest. Maar de Protestantsche theologen hebben
-dit beginsel toch niet altijd streng vastgehouden en zijn meermalen
-tot de leer der theologia naturalis en van de historische
-bewijzen voor de waarheid der openbaring teruggekeerd. Calvijn
-zegt, Inst. I, 7, 3, dat het hem gemakkelijk vallen zou, de goddelijkheid
-der H. Schrift te bewijzen en voert in cap. 8 verschillende
-gronden daarvoor aan. En zoo spreken en doen ook
-Ursinus, Tract. Theol. p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 335
-sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 17 sq. c. 27, 28. Synopsis pur.
-theol. disp. 2, 10 sq. Du Plessis-Mornay, Traité de la vérité de
-la religion chrétienne contre les Athées etc. Anvers 1581. Abbadie,
-Traité de la vérité de la religion chrét. 1684 enz. Cf. Heppe,
-Dogm. der ev. ref. K. S. 20-22. Hase, Hutt. Rediv. §&nbsp;37.
-Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 32, 33. De overtuiging, dat
-deze bewijzen genoegzaam waren om althans eene fides humana
-te bewerken, heeft er onwillekeurig toe bijgedragen, om de rede
-te emancipeeren van het geloof en de dogmata der theol. naturalis
-en van de H. Schrift buiten de fides salvifica te plaatsen. Daarmede
-begon dan ook het rationalisme in de Protest. kerken. Het
-Socinianisme verwierp het testimonium Spiritus Sancti en grondde
-de waarheid van het Christendom op historische bewijzen, Catech.
-Racov. qu. 5-30. Fock, der Socin. 338 f. Het Remonstrantisme
-ging denzelfden weg op, Episcopius, Instit. Theol. Lib. IV cap. 2.
-Limborch, Theol. Christ. I c. 4. Id. De veritate relig. Christ.
-collatio cum erudito Iudaeo 1687. Hugo Grotius, de veritate relig.
-christ. 1627. Cf. Wijnmalen, Hugo de Groot als verdediger van
-het Christ. Utrecht 1869. Door Cartesius drong het rationalisme
-ook in de Geref. kerken door. De theologia naturalis kwam zelfstandig
-naast de theologia revelata te staan. En binnen deze
-<span class="pagenum" id="Page_428">[428]</span>
-laatste werd aan de rede het recht tot onderzoek en verklaring
-van de geloofsbrieven der openbaring toegekend, H. A. Roëll,
-Dissert. de theol. naturali 1700 enz. Leibniz sprak de algemeen
-heerschende opinie uit, als hij de openbaring tegenover de rede
-stelde, gelijk een buitengewoon gezant tegenover eene bevoegde
-vergadering staat. Deze onderzoekt zijne geloofsbrieven en gaat,
-als zij deze echt bevonden heeft, eerbiedig naar hem luisteren.
-Discours sur la conformité de la foi avec la raison §&nbsp;29. Het
-deisme in Engeland en het rationalisme in Duitschland leidde
-daaruit weldra af, dat de theologia naturalis volkomen voldoende
-was. En het supranaturalisme, dat de emancipatie der rede in
-de theol. naturalis en in het onderzoek naar de waarheid der
-openbaring toegaf, kon voor die rede met geen andere dan historische
-en rationeele bewijzen verschijnen. Op die wijze werd het
-Christendom verdedigd en de dogmatiek bearbeid door een aantal
-mannen in Engeland, Duitschland, Nederland, van wie we hier
-slechts de namen herinneren van Butler, The analogy of religion
-natural and revealed 1736. Paley, View of the evidences of christianity
-1794. Id. Natural Theology 1802. Chalmers, The evidence
-and authority of the christ. revelation 1817. Id. Natural theology
-1823; cf. Tholuck, Vermischte Schriften I S. 163-224. Reinhard,
-Morus, Doederlein, Knapp, Storr e. a.; hier te lande door
-Van Nuijs Klinkenberg, Muntinghe, Heringa, Vinke enz. en de
-werken van het Haagsch Genootschap. En voorts vinden we ook
-later dit standpunt nog terug bij Pareau en Hofstede de Groot,
-Compendium Dogm. et Apolog. Christ. 3 ed. 1848 p. 179 sq.;
-Van Oosterzee, die eerst het standpunt van Schleiermacher overnam
-Jaarb. v. wet. Theol. 1845 bl. 1-74, maar later heil zocht in
-eene apologetiek die aan de dogmatiek voorafging, Jaarb. v. wet.
-Theol. V bl. 406. De Leer der Herv. Kerk van J. H. Scholten
-beschouwd 1851 bl. 51, 53. Dogmatiek §&nbsp;30-34, §&nbsp;38 enz.;
-Doedes, die door onbevooroordeeld, zuiver historisch onderzoek
-het Christendom wil leeren kennen, Het regt des Christ. tegenover
-de wijsbeg. gehandhaafd 1847, Modern of Apost. Christ. 1860,
-De zoogen. moderne Theol. eenigszins toegelicht 1862; in het
-buitenland bij Voigt, Fundamentaldogmatik 1874 S. 184 f. 232 f.
-Gretillat, Exposé de theol. systématique II 176 s. A. B. Bruce,
-Apologetics, Edinburgh, Clark 1892 p. 42. W. M. Mc. Pheeters,
-Apostolical sanction the test of canonicity, Presb. and Ref. Rev.
-<span class="pagenum" id="Page_429">[429]</span>
-Jan. 1895. Ed. König, Der Glaubensact des Christen, Erl. 1891,
-S. 143 f. en vele andere apologetische werken, cf. Christlieb, Art.
-Apologetik in Herzog<sup>2</sup>.</p>
-
-<p class="sep2">3. Maar dit standpunt is door de geschiedenis van het supranaturalisme
-zelf en door de scherpe kritiek van Rousseau en
-Lessing, van Kant en Schleiermacher onhoudbaar gebleken. De
-apologetiek heeft zonder twijfel recht van bestaan; eene belangrijke
-taak is haar toebetrouwd. Zij heeft de waarheid Gods te
-handhaven en te verdedigen tegenover alle bestrijding zoowel
-van binnen als van buiten. Door verschillende omstandigheden
-is zij ten onrechte in minachting gekomen. Vooreerst verloor zij
-veler liefde door de zwakheid en subtiliteit der argumenten, die
-zij tegen de ernstige en wetenschappelijke bestrijding van het
-christelijk geloof te berde bracht. Vervolgens begon ze hoe langer
-hoe meer afkeer in te boezemen door de onderstelling, waarvan
-zij dikwerf uitging, dat het Christendom eene leer was, die verstandelijk
-kon gedemonstreerd worden. Voorts heeft vrees voor de
-wetenschap, die menigmaal op zoo hoogen toon sprak en zoo
-onfeilbaar hare dogmata afkondigde, de geloovigen dikwerf van
-verdediging afgeschrikt. Men bleef wel gelooven, maar trok zich
-angstig terug, en meed alle aanraking met de wetenschap; soms
-nam men gretig tot het mysticisme of het agnosticisme de toevlucht.
-Toch is er geen reden, om de apologetiek te verachten.
-De apologeten der tweede eeuw, de kerkvaders, de scholastieke
-theologen, de hervormers enz., zij stonden allen in het vaste
-geloof, dat de waarheid Gods tegenover de bestrijding, waaraan
-zij van alle zijden blootstond, verdedigd moest en kon worden.
-Zij lieten de aanvallen niet onbeantwoord. Zij zochten den vijand
-op en rustten niet, voordat zij hem overwonnen hadden. Dat
-geloof is reeds eene kracht en bijna de halve overwinning. Twijfel
-en wantrouwen in de zaak die wij voorstaan, maakt ons machteloos
-in den strijd. Maar daarmede is vanzelf ook reeds het standpunt
-aangegeven, van waaruit alleen eene goede verdediging der waarheid
-ondernomen kan worden. De apologetiek kan niet aan het geloof
-voorafgaan en tracht niet de waarheid van de openbaring apriori
-te betoogen. Zij onderstelt de waarheid en het geloof aan de
-waarheid; zij staat op den grondslag der dogmatiek en beproeft
-nu het dogma te handhaven en te verdedigen tegen de bestrijding,
-<span class="pagenum" id="Page_430">[430]</span>
-waaraan het onderworpen wordt. Indien echter de christelijke
-openbaring, die de duisternis en de dwaling van den psychischen
-mensch onderstelt, zich vooraf aan zijne rede ter beoordeeling
-overgaf, zou zij daarmede zichzelve weerspreken. Zij zou zich
-daarmede plaatsen voor eene rechtbank, wier bevoegdheid zij eerst
-had ontkend. En eenmaal in de principia het recht der rede
-erkennende, zou ze straks in de articuli fidei dat recht niet meer
-kunnen bestrijden. Het supranaturalisme moet altijd leiden tot
-rationalisme, wijl het in beginsel reeds rationalistisch is. Maar
-afgedacht van dit principieele bezwaar, de historisch-apologetische
-bewijsvoering voert ook niet tot het gewenschte resultaat. Zij
-kon het nog een eind ver brengen in een tijd, toen de echtheid
-der bijbelboeken en de historische waarheid van hun inhoud nog
-vrij algemeen vaststond. Maar de wonderen en voorspellingen
-der Schrift hebben thans zelf zooveel verdediging van noode, dat
-zij onmogelijk meer als argumenten dienst kunnen doen. De apologetiek
-zou, om iets te bewijzen, eerst heel de zoogenaamde inleidingswetenschap
-moeten behandelen en tal van andere vakken
-in zich moeten opnemen, eer zij met de uiteenzetting der waarheid
-een aanvang kon maken; aan het geloof, aan de dogmatiek kwam
-het op deze wijze nooit toe; de pars formalis zou zoo uitdijen,
-dat er voor de pars materialis geen tijd en geen plaats meer
-overbleef. Deze lange weg zou dan nog ingeslagen kunnen worden
-door iemand, die tijd en kracht en gave genoeg bezat om zulk
-een onderzoek naar de waarheid van het christelijk geloof in te
-stellen; maar hij zou geheel ontoegankelijk zijn voor den eenvoudige,
-die toch ook even goed als de geleerde, en niet eerst morgen
-maar nu reeds, op dit oogenblik, behoefte heeft aan den vrede
-en den troost des geloofs, en die daarom voor de zaligheid zijner
-ziel afhankelijk zou worden van een intellectueel en dies te ondragelijker
-clericalisme. En stel al, dat dit nog geen overwegend
-bezwaar ware en dat historisch onderzoek voor alle menschen
-de eenige weg tot de kennis der waarheid ware; dan zou toch
-het resultaat, dat in de gunstigste omstandigheden verkregen
-werd, geen ander zijn dan eene fides humana, welke morgen aan
-den dag weer door andere en betere onderzoekingen geschokt en
-omvergeworpen kon worden. De eeuwigheid kan inderdaad niet
-hangen aan een spinrag. In de religie mag geen mensch en geen
-schepsel instaan tusschen God en mijne ziel. Getroost en zalig
-<span class="pagenum" id="Page_431">[431]</span>
-te leven en te sterven is niet mogelijk, zoolang ik rust in een
-menschelijk, feilbaar getuigenis. In de religie is er geen mindere
-maar eene veel sterkere en vastere zekerheid dan in de wetenschap
-van noode. Er is hier alleen ruste in de getuigenis Gods.
-Ook de getuigenis der kerk is onvoldoende. Zij is van groote
-waarde niet alleen bij het ontstaan maar ook bij den voortduur
-van het christelijk geloof. Zij blijft een steun tot het einde des
-levens toe. Zij is inderdaad een motivum perpetuum tot het
-geloof. Wij zijn in heel ons leven aan eene gemeenschap gebonden.
-Een mensch is een ζωον πολιτικον. De gemeenschap houdt ons
-staande, telkens als we dreigen te struikelen. De wolke van getuigen,
-rondom ons heen liggende, moedigt ons aan in den strijd.
-Er behoort een ongewone moed en geestkracht toe, om pal te
-blijven, als allen ons verlaten en tegenover ons staan. Maar
-gemeenschap sterkt de eigen overtuiging. Toch kan daarom de
-getuigenis der kerk niet de laatste en diepste grond zijn van
-het geloof. Ook Roomsche theologen erkennen dat zelf, gelijk
-later blijken zal. Zij zijn bij het onderzoek naar de gronden des
-geloofs met hun onfeilbare kerk in hoegenaamd geen betere
-conditie dan de Protestanten. Want ook zij moeten de vraag
-stellen: waarop rust het geloof aan de kerk? Indien op apologetische
-bewijzen, dan rijzen daartegen dezelfde bezwaren, die
-boven zijn ingebracht. En indien op het testimonium Spiritus
-Sancti, dan is deze leer de hoeksteen van het christelijk geloof.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;15. <span class="smcap">De speculatieve methode.</span></h3>
-
-<p>1. Het supranaturalisme viel onder de slagen van Rousseau
-en Kant, van Lessing en Schleiermacher. Er volgde een machtige
-omkeer. Het klassicisme week op elk gebied voor de romantiek,
-de heerschappij en autonomie van het subject. In den eersten
-tijd, bij het gevoel der vrijheid, ging deze reactie zoo ver, dat
-ze al het objectieve wegcijferde en het subject zichzelf voor genoegzaam
-hield. Het subject produceert zoo niet de stof (Fichte),
-dan toch den vorm (Kant) der wereld. Het niet-ik is een product
-van het Ik, de zedelijke wereldorde komt door den mensch zelf
-tot stand, en de zedewet wordt vrij en koninklijk door het genie
-<span class="pagenum" id="Page_432">[432]</span>
-op zij gezet. Ook Schleiermacher nam eerst dit standpunt in.
-Maar dit absolute idealisme leidde tot allerlei schrikkelijke gevolgen.
-De Fransche Revolutie toonde het gevaarlijke van deze
-autonomie van den mensch. Er moest toch iets objectiefs zijn,
-dat vaststond en gezag had. Zoo kwam de restauratie, d. i. de
-poging, om met behoud van hetzelfde uitgangspunt, toch uit
-het subject weer tot het objectieve te komen. Van die restauratie
-was Hegel de wijsgeerige tolk. Hij verhief het subjectief, ethisch
-idealisme van Fichte tot een objectief, logisch idealisme, en verving
-de idee van het zijn door die van het worden. Heel de wereld
-werd een proces, eene ontwikkeling van de logische idee. In deze
-evolutie heeft ook de religie haar plaats. Maar die religie hult
-zich in vormen en symbolen, die alleen door de speculatieve rede
-in hun diepe beteekenis kunnen begrepen worden. Het rationalisme
-heeft daar niets van verstaan, en heeft de dogmata der kerk
-eenvoudig terzijde gesteld, niet wetende wat er mede te doen.
-Maar die dogmata zijn vol diepen, wijsgeerigen zin. Hegels geest
-wierp zich op die dogmata, ontdeed ze van hun historische symbolische
-vormen, en spoorde er de idee van op. De historie is
-maar de schaal, het omhulsel; de kern zelve is diepe, ware philosophie.
-Niet de rationalistische leerstukken God, deugd, onsterfelijkheid,
-maar de hoogste en diepste dogmata van het Christendom,
-zooals de triniteit, de menschwording, de voldoening, worden het
-voorwerp der stoute, wijsgeerige speculatie. Buiten de Schrift en
-buiten eenige autoriteit om worden die dogmata als noodwendig
-uit de rede afgeleid en als ten hoogste redelijk bewezen. Theologie
-en philosophie werden schijnbaar verzoend, het geloof werd
-door de speculatieve rede in absoluut weten omgezet. Deze speculatieve
-methode werd overgenomen en op de dogmatiek <ins id="cor_45" title="toepepast">toegepast</ins>,
-wel is waar met zeer verschillende uitkomst, door Daub, Markeineke,
-Strauss, Feuerbach, Vatke, Weisse, het laatst door
-Biedermann. Biedermann wijkt op gewichtige punten van Hegel
-af en aanvaardt niet zijne apriorische methode; maar uitgaande
-van de christelijke dogmata, tracht hij deze toch op dezelfde
-manier als Hegel te ontleden in het religieus principe dat er aan
-ten grondslag ligt en de historische uitdrukking die zij hebben
-aangenomen, en dan voorts speculatief en practisch verder te
-ontwikkelen, Christl. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. I 15, 16. En evenzoo heeft
-hier te lande Scholten beproefd, om in de Gereformeerde dogmata
-<span class="pagenum" id="Page_433">[433]</span>
-te onderscheiden tusschen inkleeding en idee, en ze te
-interpreteeren in monistischen en deterministischen zin.</p>
-
-<p class="sep2">2. Maar deze speculatieve methode heeft ook in de school
-van Schleiermacher ingang gevonden. Schleiermacher had met
-Hegel het subjectieve uitgangspunt gemeen, doch hij nam positie
-niet in de rede maar in het gevoel. Religie is eene eigenaardige
-bepaaldheid des gevoels of van het onmiddellijk zelfbewustzijn.
-Voorts vatte hij dat gevoel niet individueel op, maar historisch,
-zooals het in eene religieuse gemeenschap bestond en in de christelijke
-gemeente bepaaldelijk door Jezus als den Erlöser gevormd
-was. En eindelijk zag hij in de dogmatiek geene speculatieve
-ontwikkeling maar alleen beschrijving van de vrome gemoedstoestanden
-of van het geloof der gemeente; Schleiermacher bestreed
-in theorie alle vermenging van theologie en philosophie.
-Maar ter andere zijde toonde Schleiermacher’s Glaubenslehre toch,
-dat zijne eigene religieuse ervaring zeer sterk afweek van die
-der christelijke gemeente en zeer zeker mede onder invloed van
-Spinoza gevormd was; en in zijne Kurze Darstellung gaf hij de
-eerste plaats aan de philosophische theologie, die tot taak kreeg,
-om het wezen van het Christendom te bepalen. Feitelijk werd
-de theologie bij Schleiermacher geheel van de philosophie afhankelijk,
-Kurze Darst. §&nbsp;24, 32 f. cf. Christl. Glaub. §&nbsp;2 f. De
-Vermittelungstheologie nam met Schleiermacher haar standpunt
-in het bewustzijn, in het geloof, de belijdenis der gemeente, maar
-verbond daarmede de speculatieve methode van Hegel, om daardoor
-het geloof tot weten te verheffen en de autoriteit te doen
-wijken voor zelfstandig redelijk inzicht. Twesten streeft er naar,
-om door middel van redeneering uit het vroom gevoel eene orthodox-luthersche
-dogmatiek af te leiden, Vorles. I<sup>2</sup> 21 f. Müller wil langs
-regressieven weg, door reflectie over zijn eigen ervaring, uit de
-religieuse zekerheid des geloofs komen tot een objectief weten
-van God, Dogm. Abhandlungen 1870 S. 1-42, en art. Dogmatik
-in Herzog<sup>1</sup>. Martensen draagt aan het wedergeboren bewustzijn
-de taak op, om uit zijn eigen diepten de leer der Schrift en der
-kerk wetenschappelijk te reproduceeren, Dogm. §&nbsp;31 f. Bij Dorner
-is de Glaubenslehre niet enkel beschrijvend, maar ook constructief
-en progressief; zij brengt het religieuse weten tot systematische
-Begründung und Entfaltung en tracht de christelijke Godsidee
-<span class="pagenum" id="Page_434">[434]</span>
-als noodwendig aantetoonen, door aan te wijzen dat zij de aanvulling
-en voltooiïng van het Godsbegrip überhaupt is, Glaub. I
-155 f. Vooral in Rothe komt deze speculatieve methode der
-Vermittelungstheologie duidelijk uit; het Godsbewustzijn is de
-idee, waaruit hij met behulp der Hegelsche dialectiek heel de
-schepping, natuur, geschiedenis, zonde, verlossing afleidt, Theol.
-Ethik §&nbsp;7. Onder de Vermittelungstheologen is overigens groote
-verscheidenheid, maar zij hebben allen uitgangspunt en methode
-met elkander gemeen; zij gaan uit niet van eene of andere autoriteit,
-maar van het christelijk bewustzijn der gemeente, en zoeken
-het bewijs voor de waarheid des geloofs niet in een beroep op
-een of ander gezag maar in de innerlijke evidentie, in de denknoodwendigheid.</p>
-
-<p class="sep2">3. Zelfs buiten den kring dier theologen, die in engeren zin
-aan Hegel en Schleiermacher zich aansluiten, heeft deze methode
-ingang gevonden. Hofmann vat de dogmatiek wel niet op als
-beschrijving van gemoedstoestanden, evenmin als reproductie van
-Schrift- of kerkleer en ook niet als ontwikkeling der christelijke
-kennis uit een algemeen principe, maar hij gaat toch evenals
-Schleiermacher van de christelijke vroomheid uit. Dogmatiek is
-ontvouwing van dat, wat den Christen tot Christen maakt, van
-de door Christus bemiddelde persoonlijke gemeenschap Gods met
-den mensch. Die Erkenntniss und Aussage des Christenthums ist
-vor allem Selbsterkenntniss und Selbstaussage des Christen, Schriftbeweis,
-2<sup>e</sup> Aufl. I S. 5-16. Philippi, Kirchl. Glaub. I 52 f.
-108 f. Kahnis, Luther. Dogm. I 7, 8 hebben ditzelfde subjectieve
-uitgangspunt. Ebrard tracht in de dogmatiek de waarheid en
-noodwendigheid der Erlösungsthatsachen aan te toonen, door ze
-op alle punten te vergelijken met het wetenschappelijk ontwikkeld
-Erlösungsbedürfniss, Dogm. §&nbsp;52. enz. Vooral Frank heeft in
-zijn System der Christl. Gewissheit, 2<sup>e</sup> Aufl. 1884 deze gedachte
-overgenomen en uitgewerkt. Hofmann nam zijn standpunt in den
-Thatbestand der gemeenschap Gods met den mensch. Deze rust
-en draagt de zekerheid in zichzelve, en de Schrift geeft er getuigenis
-aan. Hier was dus voor een systeem der christelijke
-zekerheid geen plaats. De Christen is zichzelf bewust, en daarmede
-is alles gezegd. Maar Frank blijft hierbij niet staan; hij
-tracht rekenschap te geven waarom de Christen dat alles gelooft,
-<span class="pagenum" id="Page_435">[435]</span>
-wat zijn geloof inhoudt. Hij construeert dus een System der christlichen
-Gewissheit. De theologie, zoo zegt hij, moet in onderscheiding
-van de philosophie I 26 f., zich niet buiten maar midden
-in het christelijk bewustzijn plaatsen, en vandaar uit alles, ook
-het natuurlijke, overzien en beoordeelen, S. 31, 32, 119, 137.
-De christelijke zekerheid heeft immers haar grondslag en wezen
-niet in allerlei uitwendige bewijzen, noch ook in eene externe
-autoriteit, maar in den Christen zelf, in zijne zedelijke ervaring
-en zelfbepaling. Deze bijzondere zedelijke ervaring is de wedergeboorte
-en bekeering, S. 113. De Christen weet, dat er eene
-verandering met hem heeft plaats gehad en nog voortdurend
-plaats heeft, zoo dat er nu tweeërlei richting, tweeërlei ik in
-hem woont, S. 120 f.; en hij is daarvan even zeker als een
-kranke, die genas, zich bewust is van zijne vroegere ziekte en
-zijne tegenwoordige gezondheid, S. 129. Vanuit deze ervaring der
-wedergeboorte poneert hij nu vanzelf en terstond heel den inhoud
-der christelijke waarheid; hij doet zoo krachtens den aard van
-het hem geschonken nieuwe leven en kan zich van deze geloofswaarheid
-even weinig als van zichzelven ontdoen, S. 193. In
-drie kringen groepeert die christelijke geloofswaarheid zich rondom
-de ervaring der wedergeboorte heen. Eerst poneert de Christen
-krachtens zijn nieuw leven die geloofswaarheden, welke met het
-feit der wedergeboorte rechtstreeks en onmiddellijk gegeven zijn,
-n.l. de werkelijkheid der zonde, der gerechtigheid en der toekomstige
-volmaking. Dit is het gebied der centrale, immanente
-waarheden, die nog geheel tot het <i>zelf</i>bewustzijn des Christens
-behooren. Daaromheen vormt zich een tweede kring van waarheden;
-de geloovige kan n.l. dezen nieuwen toestand slechts
-verklaren door de realiteit van den persoonlijken God, het bestaan
-van God als Drieëenige, en de verzoening, verworven door den
-Godmensch. Deze drie vormen samen de groep der transcendente
-waarheden, en wijzen de factoren aan, welke die zedelijke verandering
-der wedergeboorte in den Christen hebben teweeggebracht.
-En eindelijk vormt zich daarom heen nog een derde kring van
-waarheden, n.l. de transeunte, welke de middelen aanwijzen,
-waardoor de bovengenoemde transcendente factoren de heilservaring
-bij den Christen bewerken; en dat zijn kerk, woord Gods, Schrift,
-sacrament, wonderen, openbaring en inspiratie. Ten slotte houdt
-de christelijke zekerheid ook nog in eene bepaalde verhouding
-<span class="pagenum" id="Page_436">[436]</span>
-van den wedergeborene tot het natuurlijke leven, tot wereld en
-menschheid, S. 191 f.</p>
-
-<p class="sep2">4. Deze speculatieve methode had belangrijke voordeelen boven
-de apologetische van den rationalistischen tijd. De klaarheid, die
-in de vorige eeuw voor den maatstaf der waarheid gehouden
-werd, had de openbaring veranderd in eene leer, de kerk in eene
-school, wedergeboorte in zedelijke verbetering, den gekruisten
-Christus in den wijze van Nazareth. Het rationalisme had heel
-de christelijke religie vervalscht. Met verachting keerden de beschaafden
-zich af van openbaring en religie, van gemeente en
-geloof. Er behoorde moed toe om, gelijk Schleiermacher en Hegel
-deden, tot de gemeente en hare dogmata terug te gaan en daarin,
-zij het ook slechts in zekeren zin, diepe religieuse waarheid te
-ontdekken. Het was een betoon van zedelijke kracht, om te breken
-met den rationalistischen eisch der klaarheid, om het op te
-nemen voor de verachte religie der gemeente en wederom het
-recht en de waarde uit te spreken van het christelijk geloof.
-Meer nog, er lag in het uitgangspunt van Hegel en Schleiermacher
-eene heerlijke waarheid. Denken en zijn zijn ten innigste
-verwant en beantwoorden aan elkaar. Het rationalisme trachtte
-de religie te rechtvaardigen voor de onbevoegde rechtbank van
-het gezond verstand. Maar Hegel en Schleiermacher zagen beiden
-in, dat de religie eene eigene plaats inneemt in het menschelijk
-leven, dat zij eene zelfstandige grootheid vormt en daarom ook
-een eigen correspondeerend orgaan eischt in de menschelijke natuur.
-Hegel en Schleiermacher verschilden onderling in de aanwijzing
-van dat orgaan, de een zocht het in de rede, de andere in het
-gevoel. Maar beiden kwamen toch het vulgaire rationalisme te
-boven en beiden wezen op de samenstemming van subject en
-object. Indien zij met hun subjectief uitgangspunt niets anders
-hadden bedoeld, zou hunne overwinning van het rationalisme
-slechts instemming hebben verdiend. Het objectieve toch bestaat
-voor ons niet dan voorzoover het tot ons bewustzijn komt. Het
-is op geen andere wijze te benaderen dan door het bewustzijn
-heen. En de religie is daarom ook geene realiteit voor mij, dan
-inzoover ik haar in gevoel of rede, of welk haar orgaan ook
-moge zijn in den mensch, heb opgenomen. Maar Hegel en
-Schleiermacher hebben zich niet vergenoegd met de stelling, dat
-<span class="pagenum" id="Page_437">[437]</span>
-denken en zijn aan elkander beantwoorden; zij hebben beide
-geidentificeerd. Deze vereenzelviging van denken en zijn is het
-πρωτον ψευδος der speculatieve philosophie. Plato ging daarvan
-reeds uit, als hij de ideeën voor de waarachtige wereld hield.
-Cartesius nam haar over in zijn cogito ergo sum. Spinoza sprak
-in denzelfden zin van eene causa sui, cujus essentia involvit
-existentiam. Fichte bracht ze tot heerschappij in de nieuwere
-philosophie. De groote vraag daarbij is deze: denken wij iets,
-omdat het bestaat of bestaat iets, wijl wij het noodzakelijk,
-logisch denken moeten? De speculatieve wijsbegeerte zei het
-laatste. Maar tusschen denken en zijn moge nog zoo groote overeenstemming
-bestaan; er is een niet minder wezenlijk onderscheid.
-Uit het denken is geen conclusie tot het zijn, wijl het zijn van
-alle schepselen geen emanatie is van het denken maar berust op
-eene daad van macht. De essentie der dingen is aan het denken,
-de existentie alleen aan het willen Gods te danken. Het menschelijk
-denken onderstelt dus het zijn; het verheft zich eerst op
-den grondslag van het geschapene; wij kunnen slechts nadenken,
-wat ons voorgedacht is en door de wereld heen tot ons bewustzijn
-komt. Indien men echter met de nieuwere philosophie alle
-stof verwerpt, die van buiten tot ons gekomen is, en de zuivere
-rede of het abstracte gevoel tot zijn uitgangspunt neemt, houdt
-men niets over of hoogstens een zoo algemeen, inhoudloos en
-vaag principe, dat er niets, laat staan de gansche wereld, of heel
-de christelijke openbaring en religie, uit af te leiden is, cf. boven
-<a href="#Page_148">bl. 148</a> v.</p>
-
-<p>De philosophie van Hegel was daarom niet zoo onschuldig, als
-zij oorspronkelijk schijnen kon. Zij was de uitwerking en toepassing
-van Fichte’s stelling, dat het ik het niet-ik poneert, dat het
-subject het object schept. Schleiermacher ging in de theologie
-tot dit principe terug, wijl alle autoriteit in de religie voor hem
-was weggevallen, de rationeele en historische bewijzen voor het
-Christendom hem niet voldeden, en God ook naar zijne meening
-voor de rede onkenbaar was. Gelijk Kant door de practische
-rede herstellen wilde wat hij door de kritiek der zuivere rede
-had verloren, zoo zag ook Schleiermacher geen kans om de religie
-te redden dan door uit te gaan van het religieuse subject, van
-het gevoel, van het bewustzijn. Daaruit volgde, dat de dogmatiek
-niets anders kon zijn dan beschrijving van gemoedstoestanden en
-<span class="pagenum" id="Page_438">[438]</span>
-dus eigenlijk thuis hoorde in de historische theologie. De theologie
-werd anthropologie, pisteologie, ecclesiologie, en hield op
-wat zij altijd beweerd had te zijn, kennisse Gods. Maar daarbij
-kon Schleiermacher toch niet blijven staan; het is ons ook in de
-religie niet om werkelijkheid maar om waarheid te doen. De
-rechtvaardiging van het Christendom werd daarom in het eerste
-deel der encyclopaedie opgedragen aan de philosophie. Wijl er
-geen andere grond meer is, waarop het christelijk geloof rust,
-krijgt de wijsbegeerte de taak om den godsdienst in zijn recht
-en waarde te handhaven. De Vermittelungstheologie nam het
-subjectieve uitgangspunt van Schleiermacher over, volgde het
-spoor door hem voor de verdediging der religieuse waarheid
-geteekend en kwam zoo vanzelve tot een verbond met de dialectische,
-speculatieve methode van Hegel. Zij kon zich met de
-empirische kennis van den inhoud van het christelijk bewustzijn
-niet tevreden stellen. Zulk een kennis was toch geen wetenschap.
-Niet het feit des geloofs alleen moest worden geconstateerd, ook
-het recht en de waarheid des geloofs moest betoogd worden. En
-wijl men geen ander bewijs had, werd de toevlucht genomen tot
-de speculatie. De speculatieve theologie, die na Schleiermacher
-opkwam, streefde naar eene hoogere kennis van het Christendom,
-dan die steunde op autoriteit en verkregen werd door het geloof.
-Zij was eene vernieuwing van de oude gnostiek. De christelijke
-dogmata, zooals de triniteit, de menschwording, de voldoening
-moesten niet maar als artikelen des geloofs beleden maar ook in
-hunne noodzakelijkheid doorzien en verstaan worden. Het dat is
-niet voldoende; ook het hoe en waarom moet begrepen worden.
-De speculatieve Vermittelungstheologie zocht daarom aan het
-lagere standpunt van het gezag te ontkomen en streefde ernaar
-om het Christendom als absolute waarheid in zichzelf te doen
-rusten. Zij ging wel uit van het geloof maar stelde zich het weten
-ten doel. Denknoodwendigheid was haar het bewijs der waarheid.</p>
-
-<p>Dat deze methode noch in de philosophie noch in de theologie
-tot een gewenscht resultaat zou leiden, was te voorzien en is
-door de historie treffend bewezen. Weerlegging is schier overbodig.
-De speculatie heeft reeds lang haar tijd gehad. De philosophie
-van Hegel leidde bij Feuerbach en Strauss tot verwerping van
-heel het christelijk geloof. De wijsgeerige bewerking der orthodoxe
-dogmatiek door Schweizer, Scholten, Biedermann heeft de
-<span class="pagenum" id="Page_439">[439]</span>
-dogmatische armoede der moderne theologie slechts voor een
-korten tijd bedekt. De meer rechtzinnige Vermittelungstheologie
-kan met recht zich beroemen op de werken van Rothe, Dorner,
-Lange, Martensen, Müller enz., die vol zijn van diepe en schoone
-gedachten; maar zij heeft toch volstrekt niet beantwoord aan de
-verwachting, welke zij opgewekt had. Het is haar niet gelukt,
-om de dwaasheid des kruises te veranderen in eene wijsheid der
-wereld; zij slaagde er niet in, om door hare diepzinnige beschouwingen
-de kinderen dezer eeuw wederom voor Christus te winnen.
-Integendeel, de bemiddeling liep uit op eene nog radikalere scheiding
-van gelooven en weten, van theologie en philosophie, van
-gemeente en wereld. De speculatie, die door een deel der Vermittelungstheologie
-werd nagestreefd, ging ook uit van de onjuiste
-onderstelling, dat het Christendom een logisch gedachtensysteem
-was, waarvan uit het eerste lid alle volgende door denken en
-redeneeren konden worden afgeleid. Maar als het zijn der dingen
-in het algemeen reeds niet op het denken maar op het willen
-berust; als de historie, hoezeer uitvoering van een raad Gods,
-toch nog iets wezenlijk anders is dan een rekenexempel; dan is
-nog veelmeer de christelijke religie onderscheiden van een logisch
-gedachtenstelsel. Want het Christendom is historie, het is eene
-historie van genade, en genade is iets anders en iets meer dan
-eene logische conclusie. In de christelijke religie komt daarom
-ook de diepste denker nooit het kinderlijk standpunt van het
-gezag en het geloof te boven. Zie behalve de litteratuur, boven
-<a href="#Page_151">bl. 151</a> genoemd, de art. Specul. Theol. en Theosophie in Herzog<sup>1</sup>.
-Pelt, Theol. Encyklopädie 1843 S. 532 f. Rothe, Theol.
-Ethik, 2<sup>e</sup> Aufl. §&nbsp;1 f. J. Müller, Die christl. Lehre v. d. Sünde,
-5<sup>te</sup> Aufl. I S. 1-31.</p>
-
-<p class="sep2">5. Afzonderlijke bespreking verdient de theologie van Dr.
-Fr. H. R. Frank, hoogl. te Erlangen, †&nbsp;Febr. 1894. Frank
-bestrijdt zoo sterk mogelijk de zoogenaamde prolegomena der
-dogmatiek, System der christl. Gewissheit 2<sup>e</sup> Aufl. 1884 I 36
-f. en geeft in plaats daarvan een System der christlichen Gewissheit.
-Deze titel is echter niet bijzonder duidelijk. Gewisheid,
-zekerheid is een toestand der ziel en sluit als zoodanig systeem
-uit. Indien gewisheid hier echter genomen wordt voor de
-objecten des geloofs, waarvan de Christen zeker is, dan is System
-<span class="pagenum" id="Page_440">[440]</span>
-der christl. Gewissheit zooveel als System der christl. Wahrheit.
-Dat kan de bedoeling niet zijn, want Frank heeft aan zijn tweede
-belangrijk werk juist dezen titel gegeven. In zijn System der
-christl. Gewissheit I 48 verklaart hij zich nader en zegt, dat
-dit zijn systeem tot object heeft de Gewissheit, voor zoover zij
-zich uitstrekt tot den zu verbürgenden Wahrheitsgehalt, d. i. de
-zekerheid als psychologischen toestand met al datgene, wat zij
-verzekert in zooverre als zij het verzekert. Het systeem der
-christelijke gewisheid komt dientengevolge neer op een formeel
-schema van de verschillende soorten en graden van zekerheid,
-die uit het christelijk zelfbewustzijn ten opzichte van de geloofsobjecten
-voortvloeien. Nu is het echter Franks bedoeling niet,
-dat de objecten van het christelijk geloof niet vooraf zouden
-bestaan en bekend zouden zijn. Hij verklaart uitdrukkelijk het
-tegendeel, Gew. I 313. Hij ontkent evenmin, dat de christelijke
-zekerheid ontstaan zou door het woord, Dogmatische Studien,
-Erl. u. Leipz. 1892 S. 56. Hij wil die objectieve waarheden
-niet afleiden uit het wedergeboren subject, ib. S. 68, 69. Meer
-nog; als hij al datgene, wat uit het christelijk zelfbewustzijn
-volgt, daaruit afgeleid en heel het systeem der christelijke zekerheid
-ontwikkeld en voltooid heeft, dan zegt hij met duidelijke
-woorden, dat er nu een omkeer volgt, en dat het laatste het
-eerste wordt. De Christen heeft uit en door zijne eigene zekerheid
-den objectieven grond gevonden, waarop hij met zijn geloofsleven
-rust, n.l. de genade Gods in Christus, en vandaar
-uit bouwt hij nu het systeem der christelijke waarheid op, Syst.
-der chr. Gew. II 281 f. De bedoeling van Frank is alleen, om
-antwoord te geven op de vraag: hoe komt een mensch daartoe,
-om op die objectieve factoren des heils, God, Christus, de H.
-Schrift, enz. zich te verlaten, om de Schrift onbepaald als Gods
-woord aan te nemen, S. der chr. Gew. II 285 f. Dogm. Stud. 56.
-In het systeem der christelijke zekerheid ontwikkelt Frank dus
-niet zoozeer de gronden des geloofs, als wel de wegen, waarlangs
-een mensch tot zekerheid komt aangaande de christelijke geloofswaarheden.
-En in het algemeen zegt Frank nu, dat een mensch
-deze zekerheid verkrijgt niet door historische of rationeele bewijzen
-en evenmin door gezag, kerk, traditie, enz. maar alleen
-door de ervaring der wedergeboorte, S. d. chr. Gew. I 314.</p>
-
-<p>De vraag, welke Frank zich ter beantwoording heeft voorgesteld,
-<span class="pagenum" id="Page_441">[441]</span>
-is dus allerbelangrijkst; zij is ook noodig en goed, want
-de christelijke zekerheid spreekt niet vanzelve en is dikwerf aan
-twijfel onderhevig. Ook het antwoord, dat Frank op die vraag
-geeft, is tot op zekere hoogte juist. Gelijk het oog noodig is,
-om het licht te aanschouwen, zoo is de wedergeboorte van noode,
-om het koninkrijk der hemelen te zien. Maar er kan twijfel rijzen
-of het System der christlichen Gewissheit van Frank aan deze
-zijne goede bedoeling beantwoordt. En voor dien twijfel bestaat
-grond. Immers is heel het systeem als zoodanig met die uitgesproken
-bedoeling in strijd. Als Frank niets had willen doen
-dan beschrijven, hoe de geloovige tot zekerheid komt, dan had
-hij alleen den oorsprong en den aard dier zekerheid in het licht
-gesteld en was hij daarmede geëindigd. Evenals de Erkenntnisstheorie
-alleen de gronden ontwikkelt waarop het geloof aan de
-buitenwereld rust, maar niet elk voorwerp in die wereld uit deze
-zekerheid afleidt, zoo had het systeem der christelijke zekerheid
-moeten volstaan met het aangeven van de gronden der zekerheid
-maar niet haar inhoud moeten bespreken. Dan ware er echter
-ook geen systeem in eigenlijken zin van de verschillende objecten,
-waarop de zekerheid betrekking heeft, mogelijk geweest. Frank
-doet echter veel meer; hij geeft een systeem. Hij leidt alle geloofswaarheden
-successief, wel niet in temporeelen maar toch in
-logischen, causalen zin, Gew. I 47, II 290 uit de wedergeboorte
-af. Hij laat den Christen uit de ervaring der wedergeboorte
-allengs komen tot alle christelijke dogmata, „alsof” hij er vroeger
-en langs anderen weg niets van wist. Zoo doet Frank met alle
-dogmata, van zonde, schuld, God, drieëenheid, menschwording,
-opstanding, enz. Wij krijgen den indruk, alsof al deze waarheden
-buiten Schrift en kerk om door den Christen uit zijne wedergeboorte
-kunnen worden afgeleid. Frank verwart onophoudelijk
-met elkander de causa essendi en de causa cognoscendi, den
-objectieven grond der geloofswaarheid en den subjectieven weg,
-waarlangs iemand tot zekerheid daarvan komt. Hij verwisselt en
-vereenzelvigt objectieve waarheid en subjectieve zekerheid. Meermalen
-drukt hij zich zoo uit, alsof de wedergeborene de objectieve
-geloofswaarheden eenvoudig krachtens zijne geestelijke
-ervaring als realiteiten poneert, Gew. I 94, 193. Hij spreekt van
-eene Autonomie des christlichen Subjektes als Garanten der
-Wahrheit, I 151.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_442">[442]</span>
-6. Dit alles wortelt bij Frank in eene eigenaardige Erkenntnisstheorie.
-Hij gaat een goed eind mede met het idealisme der
-nieuwere philosophie, I 58 f. Het object is als object, d. i. voor
-het subject slechts aanwezig door die Setzung durch das Subject,
-ib. 61. Wel erkent Frank de realiteit der objectieve wereld, zij
-het ook niet in empiristischen en sensualistischen zin, ib. 59, 60.
-Maar onze kennis heeft het nooit te doen met het Ding an und
-für sich, maar altijd met het Ding für uns. Dat wij aan het
-object een bestaan op zichzelf toekennen, komt daar vandaan,
-dat wij ons genoodzaakt zien, om het object zoo en niet anders
-te poneeren. Beide richtingen, zoowel het empirisme als het
-idealisme, doen dat; zij verschillen alleen in de wijze, waarop
-zij het doen, ib. 61. Zekerheid is daarom altijd zekerheid aangaande
-een object. Zij bestaat juist hierin, des Objectes inne zu
-sein als der Wahrheit, ib. 63. Wij komen door deze redeneering
-niet verder, dan dat onze geest zoo ingericht is, dat hij de objectieve
-realiteit der voorwerpen, waarvan hij zeker is, moet aannemen;
-of de menschelijke geest dit echter terecht doet en niet
-aan hallucinatie lijdt, is voor Frank geen vraag. De noodwendigheid
-der Setzung is voor hem de laatste grond der objectieve
-realiteit. De zekerheid is hem niet essentieel maar erkenntnisstheoretisch
-de waarborg der waarheid. De realiteit is wel zijnsgrond
-der zekerheid, maar deze is kengrond der realiteit.</p>
-
-<p>Deze Erkenntnisstheorie past Frank ook toe op het christelijk
-geloof. De objectieve waarheden en feiten van het Christendom
-gaan wel essentieel en causaal aan het geloof vooraf, maar in
-erkenntnisstheoretischen zin volgen zij er op. Evenals hij nu in
-de philosophie het zelfbewustzijn van den mensch tot uitgangspunt
-neemt, zoo gaat hij in de theologie uit van het zelfbewustzijn
-van den Christen, van de ervaring der wedergeboorte.
-Maar tegen dit uitgangspunt en tegen deze methode zijn vele
-bezwaren. a) Deze wedergeboorte van den Christen en evenzoo
-al zijne andere geestelijke ervaringen, ingesloten zelfs zijne zekerheid,
-zijn niet spontaan in den Christen ontstaan, maar staan
-van den beginne af en bij den voortduur in verband met de
-objectieve factoren van Schrift, kerk, enz. Frank erkent dat zelf
-meermalen, I 123, 124, 191, enz.; maar ten onrechte maakt
-hij de geestelijke ervaring dan apriori van die objectieve factoren
-los, om ze op zichzelve te stellen en in zichzelve te doen rusten.
-<span class="pagenum" id="Page_443">[443]</span>
-Het uitgangspunt van Frank, n.l. de zekerheid des Christens,
-is eene loutere abstractie; die zekerheid rust van den aanvang
-af en altijd door op de objectieve, van buiten tot den geloovige
-komende factoren des heils. b) Door, gelijk boven werd
-opgemerkt, in het System der chr. Gew. II 281 f. te erkennen,
-dat de orde nu omkeert, geeft Frank zelf toe, dat de wedergeboorte
-geen genoegzame zekerheid biedt voor de objectieve waarheid
-van het christelijk geloof. Want indien de objectieve, causale
-orde inderdaad zoo is, als Frank die in zijn System der christlichen
-Wahrheit aangeeft, n.l. zoo, dat het objectieve voorafgaat,
-dan moet deze ook de orde zijn van heel het systeem. Het
-systeem moet afdruk zijn van de zijnsorde, niet van de wijze,
-waarop iemand tot kennis en zekerheid komt van de objectieve
-waarheid. Want deze wijze is zoo verschillend, dat ze voor geen
-systematische beschrijving vatbaar is, cf. boven <a href="#Page_50">bl. 50</a>. c) De
-methode, waarnaar Frank de objectieve dogmata uit de zekerheid
-des Christens construeert, is eene, die in de christelijke religie
-en theologie niet past. Zij is ontleend aan de speculatieve philosophie.
-Evenals deze haar uitgangspunt nam in een algemeen,
-van alles geabstraheerd, vaag principe; zoo is het van alle
-objectieve factoren losgemaakte zelfbewustzijn van den Christen,
-zijne zekerheid an sich, het cogito ergo sum, het δος μοι που στω
-voor Frank. Daaruit concludeert hij allereerst tot de immanente
-geloofswaarheden. Vervolgens roept hij de methode der natuurwetenschap
-te hulp en besluit regressief uit het gevolg tot de
-oorzaak en wil het nieuwe leven des Christens geheel naar
-empirische methode verklaren, I 39. Zooals de natuurkundige
-door de spectraalanalyse de chemische bestanddeelen van de zon
-tracht te leeren kennen, zoo beproeft Frank het leven der wedergeboorte
-door ontleding tot zijne objectieve factoren te herleiden,
-I 315. De Christen, nadenkende over zijn geestelijk leven, kan
-het niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat God
-drieëenig is, dat Christus mensch geworden is en voldaan heeft,
-enz. d) Deze methode is ook met alle christelijke ervaring in
-strijd. Zoo kwam nooit eenig Christen tot zekerheid aangaande
-de objectieve waarheid. Zij gaat geheel buiten de werkelijkheid
-om. Bovendien is zij onpractisch, want in twijfel en ongeloof
-mist de Christen juist die zekerheid, welke alleen volgens Frank
-hem de objectieve waarheid van zijn geloof waarborgen kan. In
-<span class="pagenum" id="Page_444">[444]</span>
-zulke tijden heeft hij juist een objectief woord, eene objectieve
-daad van noode, welke hem staande houdt en waaraan hij zich
-vastklemmen en uit de diepte des twijfels en der aanvechting
-wederom opheffen kan. e) Eindelijk zijn er nog verschillende
-andere bedenkingen in te brengen tegen het systeem van Frank.
-Zoo lijdt de overgang van het natuurlijk tot het geestelijk weten
-en evenzoo het verband tusschen beide bij Frank aan onduidelijkheid.
-De onderscheiding van een tweeërlei ik in den wedergeborene
-is voor allerlei misverstand vatbaar; in de wedergeboorte
-wordt geen nieuw ik in den mensch geschapen maar het ik van
-den psychischen mensch vernieuwd. De splitsing van de dogmatiek
-in een systeem der zekerheid en een systeem der waarheid is
-niet vol te houden, wijl de zekerheid des Christens niet beschreven
-kan worden zonder de waarheid, welke zij geldt. Maar
-het bovenstaande is genoeg, om te doen zien, dat de beschuldiging
-van subjectivisme, al is ze ook vaag, niet geheel ten
-onrechte tegen de theologie van Frank, evenals tegen die van
-Ritschl ingebracht is. Cf. over Frank: Henri Bois, De la certitude
-<ins id="cor_46" title="chritienne">chrétienne</ins>. Essai sur la théologie de Frank, Paris Fischbacher
-1887. O. Flügel, Die spekulative Theol. der Gegenwart
-2<sup>e</sup> Aufl. 1888 S. 188 f. Dr. A. Carlblom, Zur Lehre von der
-christl. Gewissheit, Leipzig 1874. Dorner, Christl. Glaubenslehre
-I 1879 S. 37 f. Pfleiderer, Die Entwicklung der protest. Theol.
-usw. 1891 S. 183 f. Polstorff, Der Subjektivismus in der modernen
-Theologie und sein Unrecht, Gütersloh 1893. Gottschick, Die
-Kirchlichkeit der s. g. kirchl. Theol. 1890 S. 110 f. Ernst
-Haack, Ueber Wesen und Bedeutung der christl. Erfahrung,
-Schwerin 1894.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;16. <span class="smcap">De ethisch-psychologische methode.</span></h3>
-
-<p>1. Naast de historische bewijzen en de speculatieve redeneering
-bestaat er nog eene derde manier, waarop men het christelijk
-geloof heeft zoeken te rechtvaardigen; en dat is de ethisch-psychologische
-methode. Deze vat het Christendom niet op als eene
-leer, die gedemonstreerd, of als een historisch feit, dat bewezen
-kan worden; maar als eene religieus-ethische macht, die zich
-<span class="pagenum" id="Page_445">[445]</span>
-richt tot hart en geweten. Zij meent daarom ook niet, dat het
-Christendom aan ieder mensch zonder onderscheid en in alle
-omstandigheden aannemelijk kan worden gemaakt, maar zij eischt
-in den mensch eene voorafgaande zedelijke gesteldheid, een zin
-voor het goede, eene behoefte aan verlossing, een gevoel van
-onvoldaanheid enz. En als het Christendom dan met zulk een
-mensch in aanraking komt, beveelt het zichzelf zonder redeneering
-en bewijs aan zijne conscientie als goddelijke waarheid aan.
-Want het bevredigt zijne religieus-ethische behoeften, het beantwoordt
-aan zijne hoogere, edele inspiratiën, het verzoent hem met
-zichzelf, het bevrijdt hem van de schuld en den last der zonde,
-het schenkt hem vrede, troost, zaligheid, en in dit alles bewijst
-het zich als de kracht en de wijsheid Gods.</p>
-
-<p>Ook deze bewijsvoering voor de waarheid van het Christendom
-is reeds zeer oud. Tertullianus beriep zich al op het getuigenis,
-dat de ziel onwillekeurig voor Christus aflegt, de test. an. 1. cf.
-Apol. c. 17. Arnobius, adv. gentes II, 2. Bij vele Apologeten
-vinden we de gedachte, dat de heidensche philosophie en mythologie
-onbekwaam zijn, om een bevredigend antwoord te geven op
-de vragen naar God, mensch en wereld; om aan de religieuse
-behoeften te voldoen en een waarlijk zedelijk leven te kweeken.
-Het Christendom daarentegen omvat al het ware en goede, dat
-er verstrooid ook nog in de heidenwereld aanwezig was; het
-geeft stof aan het denken, het vernieuwt het hart, het kweekt
-allerlei deugden; het Christendom is de ware philosophie. Ὁσα
-οὐν παρα πασι καλως εἰρηται, ἡμων των χριστιανων ἐστιν,
-Just. Mart. Apol. II 13. cf. Harnack, D. G. I 421 f. 436 f.
-Evenzoo wijst Duns Scotus in den proloog voor zijne Sententiae
-op de redelijkheid van den inhoud der openbaring, op hare
-zedelijke werking en op hare genoegzaamheid voor den mensch,
-om zijne bestemming te bereiken. De argumenten, door Roomsche
-en Protestantsche theologen voor de waarheid der openbaring
-aangevoerd, waren niet alleen ontleend aan de wonderen en voorspellingen
-enz.; maar ook aan de schoonheid en majesteit van
-den stijl der Schrift, aan de onderlinge overeenstemming van al
-hare deelen, aan de verhevenheid en goddelijkheid van haar inhoud,
-aan de werking en invloed, die er van de christelijke religie
-uitgegaan was op het verstandelijk, zedelijk, aesthetisch, sociaal
-en politiek leven van den enkele en van gezinnen en volken,
-<span class="pagenum" id="Page_446">[446]</span>
-Bellarminus, de Conc. et Eccl. lib. 4. cap 11 sq. Perrone, Praelect.
-Theol. I 129 sq. Jansen I 158 sq. 269 sq. Hake, Handbuch
-der allgem. Religionswiss. 1887 II 228 f. Calv. Inst. I c.
-8. Maresius, Syst. theol. loc. I §&nbsp;31. Synops. pur. theol. Disp. 2.
-§&nbsp;17 sq. 25. Vitringa, Doctr. christ. relig. cap. 2 §&nbsp;26-29.
-Hoornbeek, Theol. pract. I p. 48. Quenstedt, Theol. didact-pol.
-I cap. 3 sect. 2 qu. 16. Glassius, Philol. Sacra I tract. 3. etc.
-Zelfs Rousseau kon in zijn Emile aan het leven en de leer van
-Jezus zijn lof niet onthouden: oui, si la vie et la mort de Socrate
-sont d’un sage, la vie et la mort de Jesus sont d’un Dieu. Het
-supranaturalisme verdeelde de bewijzen voor het Christendom in
-uit- en inwendige, en verstond onder de laatste juist die, welke
-de overeenstemming van het Christendom met de redelijke en
-zedelijke natuur des menschen aantoonden en vooral voor zijn
-hart en geweten van kracht waren. Ook de theologen van deze
-richting zagen in, dat de bewijzen toch niet voor ieder mensch
-zonder onderscheid voldoende waren, dat zij geen mathematische
-maar moreele zekerheid verschaften, en daarom ook eene zekere
-zedelijke gesteldheid van ’s menschen zijde onderstelden, Knapp,
-Glaub. I S. 71 f. Bretschneider, Dogm. I S. 281 f. Id., Entwicklung
-aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4<sup>e</sup> Aufl. S. 219-230.
-Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. §&nbsp;38. Vinke, Theol. Christ.
-Dogm. Comp. p. 17 sq. Voigt, Fundamentaldogm. S. 269 f.
-Oosterzee, Dogm. I bl. 199. 234 v. 252 v. Gretillat, Exposé de
-theol. systém. II 163 s. 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinb.
-1892 p. 42.</p>
-
-<p>Vooral echter is de ethisch-psychologische methode in eere
-gekomen door Pascal en Vinet. Bij beiden stond ze echter nog
-niet met de historische bewijsvoering in tegenstelling. De historische
-bewijzen vormen zelfs in de apologie van Pascal een noodzakelijk
-element en werden door hem zelf zeer hoog gewaardeerd,
-Wijnmalen, Pascal als bestrijder der Jezuiten en verdediger des
-Christendoms 1865 bl. 164-188. Maar hij gaf toch aan die
-historische bewijzen eene andere plaats en beteekenis. Zijne apologie
-is anthropologisch, ze gaat uit van de ellende des menschen, en
-wil bij hem eene behoefte naar verlossing wekken. En dan toont
-ze aan, dat die behoefte niet in de heidensche godsdiensten en
-in de wijsgeerige stelsels bevrediging vindt maar alleen in de
-door Israëls godsdienst voorbereide christelijke religie. En ook
-<span class="pagenum" id="Page_447">[447]</span>
-Vinet versmaadde de historische bewijzen niet, Discours sur quelques
-sujets religieux, 6<sup>e</sup> ed. Paris 1862 p. 29. Essais de philos.
-morale et relig. 1837 p. 36 s., maar hij acht ze toch onvoldoende
-en hecht grooter waarde aan het inwendig bewijs. Hij
-wil, dat de apologeet den ethischen weg bewandele en het Christendom
-van zijne ethische zijde, als de ware humaniteit, aan het
-geweten des menschen aanbevele, cf. zijn l’Evangile compris par
-le coeur in de Discours t. a. p. p. 29-41, en Le regard, in
-zijne Etudes Evangéliques 1847, cf. Dr. J. Cramer, Alex. Vinet,
-Leiden, Brill 1883 bl. 99 v. 117 v. Sedert is deze methode,
-met verwaarloozing en soms zelfs met minachting van de historische
-bewijzen, overgenomen en gehuldigd door Astié, De theol.
-des verstands en de theol. des gewetens, uit het Fransch door
-D. Ch. de la Saussaye 1866. Pressensé, Les Origines, Paris 1883
-p. 114-128. Sécrétan, La civilisation et la croyance, Paris,
-Alcan 1887, Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. bl. 55 v. 64 v.;
-en voorts vinden we deze zelfde bewijsvoering voor het Christendom
-bij Delitzsch, System der christl. Apol. Leipzig 1869 S. 30,
-34 f. Baumstark, Christl. Apol. auf anthropol. Grundlage I
-1872 S. 34-36. Köstlin, Die Begründung unserer sittlich-relig.
-Ueberzeugung, Berlin 1893 S. 58 f. enz.</p>
-
-<p class="sep2">2. Verwant aan deze methode is het moreel bewijs, gelijk
-het door Kant is voorgedragen. Kant nam twee bronnen voor
-onze kennis aan, de Sinnlichkeit voor de stof, en het verstand
-voor den vorm onzer kennis. Maar daarboven staat nu nog de
-rede, de reine Vernunft, wier apriorische synthetische Grundsatz
-deze is, dat zij uit het Bedingte tot het Unbedingte opklimt, Kr.
-d. r. Vern. ed. Kirchmann 5<sup>te</sup> Aufl. S. 300, cf. 310, 312, 319,
-347. Krachtens deze eigenaardigheid vormt de theoretische rede
-verschillende Grundsätze of ideeën, ib. 308, die absoluut, unbedingt,
-transcendent zijn en door de rede niet willekeurig, maar
-overeenkomstig hare natuur worden voortgebracht, ib. 312 f. Die
-ideeën zijn vooral een drietal, God, vrijheid en onsterfelijkheid, ib.
-317 f. Deze ideeën kunnen echter niet in hare objectieve waarheid
-aangetoond, maar slechts subjectief uit de natuur der rede afgeleid
-worden. De objecten dier ideeën zijn niet waarneembaar, en dus
-niet kenbaar. Wij komen tot die ideeën alleen door een nothwendigen
-Vernunftschluss, ib. 321. Ze zijn alle drie theoretisch onbewijsbaar.
-<span class="pagenum" id="Page_448">[448]</span>
-Zij vermeerderen onze kennis niet, maar regelen en ordenen ze
-slechts, en doen ons alles zoo aanzien en beschouwen, „alsob”
-die ideeën realiteit hadden, ib. 337, 425, 512, 530, 535, 537,
-539, 540 f. Dat ze realiteit hebben en wat ze zijn, kan ons de
-theoretische rede niet leeren. Maar nu is de rede niet alleen
-theoretisch maar ook practisch. Dat is: ze draagt eene zedelijke
-wet, een kategorischen imperatief in zich en houdt ons den plicht
-voor. En zij eischt, dat we dien plicht onvoorwaardelijk, zonder
-bijbedoeling, alleen uit achting voor dien plicht als zoodanig
-volbrengen zullen. Zij openbaart dus, dat de mensch nog tot eene
-andere orde dan die der natuur behoort, n.l. tot eene zedelijke
-wereldorde; dat hij naar een hoogste goed heeft te streven, hetwelk
-de zinnelijke goederen des levens ver te boven gaat en in
-niets anders bestaat dan in de eenheid van deugd en geluk. Indien
-dit gebod van den plicht nu geen illusie maar uitvoerbaar is,
-en het hoogste goed, de eenheid van deugd en geluk, werkelijk
-eens bereikt zal worden; indien m. a. w. de zedelijke wereldorde
-in ons en buiten ons eenmaal zal triumfeeren over de orde der
-natuur; dan moet God, de vrijheid, de onsterfelijkheid bestaan.
-Deze drie zijn dus postulaten der practische rede, haar realiteit
-wordt door de zedewet geëischt, de practische rede heeft haar
-bestaan noodig, Kr. der prakt. Vernunft, ed. Kirchmann, 3<sup>e</sup> Aufl.
-1882. S. 159 f.</p>
-
-<p>Dat is in hoofdzaak de beroemde postulaatstheorie van Kant.
-Maar zij is niet boven kritiek verheven. Ten eerste is het niet
-helder, wie deze postulaten uit de practische rede afleidt. Kant
-schijnt te meenen, dat de practische rede zelve dit doet. Maar
-dan komen er twee practische reden, eene voorafgaande en eene
-volgende, eene die den plicht voorhoudt en eene die daaruit door
-redeneering tot het bestaan der ideeën besluit. De practische rede
-wordt dan zelve weer theoretisch, Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd.
-325, 328. Van meer gewicht is eene andere bedenking, welke
-toch de grond zij, waarop de theoretische of practische rede tot
-het bestaan dier ideeën besluit; wat is het dringend motief voor
-die postulaten? Indien die grond, dat motief ligt in de practische
-rede op zichzelve, in den kategorischen imperatief, in het gebod
-van den plicht als zoodanig; dan kan ook de meest zedelooze uit
-het verschijnsel van die practische rede tot de realiteit dezer drie
-ideeën besluiten. Nu schijnt het soms, alsof Kant dit werkelijk
-<span class="pagenum" id="Page_449">[449]</span>
-meent. Hij geeft meermalen den indruk, alsof de practische rede
-op zichzelve, zonder meer, om zich te kunnen realiseeren, deze
-postulaten stellen moet. Hij zegt niet alleen, dat ieder zedelijk
-ontwikkeld mensch bevoegd is, om zoo te postuleeren, maar dat
-het voor elk redelijk wezen onvermijdelijk is, om zoo te besluiten;
-dat de onderstellingen van het bestaan van God, vrijheid en
-onsterfelijkheid even noodwendig zijn als de zedewet zelve, Kr.
-d. pr. V. 173 noot; en hij betoogt juist S. 146 f. 149 f. dat
-de zedewet, om uitvoerbaar te zijn, die drie ideeën als bestaande
-moet aannemen. Maar, indien dit Kants meening is, dan hebben
-we hier niet met psychologisch bemiddelde maar met objectief
-logische postulaten te doen; en de vraag rijst, waarom is zulk
-een logisch postulaat dan toch geen weten, geen element der
-theoretische rede? Waarom noemt Kant dit weten alleen practisch?
-Er pleit daarom meer voor om te denken, dat de grond
-en het motief voor deze postulaten niet ligt in de practische rede
-op zichzelf, maar in de zedelijke gezindheid, in den zedelijken wil
-van den mensch, die ernstig, zij het ook met zwakheid, aan den
-plicht, welken de practische rede hem voorschrijft, tracht te gehoorzamen.
-Daarom verklaart hij in de Kr. d. r. Vernunft S.
-638 f., dat de moralische Glaube een voor waar houden is op
-psychologische, moreele gronden; daarom zegt dit zedelijk geloof
-niet, het is zeker, maar ik ben moreel zeker; daarom rust het
-op de Voraussetzung moralischer Gesinnungen, ib. 639. En evenzoo
-zegt hij, Kr. d. pr. V. S. 172: der <i>Rechtschaffene</i> darf
-sagen; ik wil dat er een God is, ik laat mij dit geloof niet
-ontnemen, mijn zedelijk belang vordert het bestaan van God; en
-S. 173: het moreele geloof is geen gebod, een geloof, dat geboden
-wordt, is een onding; en S. 173-175: het plichtbesef is
-objectief en evenzoo de mogelijkheid om zedelijk te handelen en
-gelukkig te zijn; maar of dat verband tusschen deugd en geluk
-nu gelegd wordt door een persoonlijk God of door den samenhang
-der natuur, weten wij niet. Het zedelijke belang geeft hier
-den doorslag; het staat in unserer Wahl, maar de practische
-Vernunft beslist voor het geloof aan een wijzen Schepper der
-wereld. Inderdaad is er bij Kant een dubbel streven merkbaar,
-eenerzijds om de redelijkheid en andererzijds om de vrijheid van
-het geloof te handhaven. Het geloof aan God, vrijheid en onsterfelijkheid
-is in zooverre objectief als het gepostuleerd wordt door
-<span class="pagenum" id="Page_450">[450]</span>
-de aan allen eigene practische rede, maar hangt toch ook weer
-af van de zedelijke gezindheid van den individueelen mensch.
-Cf. over de practische Vernunft en de postulaatstheorie van Kant
-o. a. Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, 6<sup>e</sup> Aufl.
-I 610-625. J. Gottschick, Kants Beweis für das Dasein Grottes
-1878. E. Katzer, Der moralische Gottesbeweis nach Kant und
-Herbart, Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S. 482-532, 635-689.
-B. Pünjer, Gesch. der christl. Religionsphil. II S. 19-30. Fr.
-Paulsen, Was uns Kant sein kann, Separat-Abdruck aus der
-Vierteljahrsschrift für wiss. Philos. V S. 57 f. Rauwenhoff,
-Wijsbeg. v. d. godsd. 321 v. Leendertz, Het ethisch-evangelisch
-standpunt en het christ.-godsd. geloof 1891 I 215 v.</p>
-
-<p class="sep2">3. De beteekenis van Kant voor de theologie bestond voornamelijk
-daarin, dat hij scheiding maakte tusschen phaenomenon
-en noumenon, erklärbare en erlebbare Wirklichkeit, wereld van
-’t zijnde en van de Werthe, weten en gelooven, wetenschap en
-religie, theoretische en practische rede. De religie kwam naast
-en buiten de wetenschap te staan, en rustte op een eigen grondslag,
-op dien van ’s menschen zedelijke natuur. Reeds terstond
-was de invloed van Kants philosophie op de theologie merkbaar.
-Het supranaturalisme betoogde op grond van de onkenbaarheid
-van het bovenzinlijke de noodzakelijkheid der openbaring. Het
-rationalisme sloot zich aan bij de rationeele moraal en de moralistische
-religie van Kant. Schleiermacher nam Kant’s leer van
-de onkenbaarheid van het bovennatuurlijke en zijne scheiding van
-religie en wetenschap over, maar zocht voor de religie eene
-veilige schuilplaats in het gevoel. Maar vooral nadat de ijdelheid
-der historisch-apologetische en der speculatieve bewijsvoering
-gebleken was, gingen velen naar Kant terug. Hier te lande geschiedde
-dit reeds door Hoekstra. Onbevredigd door het intellectualisme
-en determinisme van Scholten, zocht hij den grondslag
-van het godsdienstig geloof met Kant in de practische rede
-en hare postulaten. Het geloof is volgens Hoekstra een zedelijke
-daad van den wil, een postulaat van onzen inwendigen geestelijken
-mensch tegenover de levenservaringen; het rust op het geloof
-aan de waarheid van ons eigen innerlijk wezen. Die wereldbeschouwing
-is alleen de ware, welke aan ons innerlijk wezen, aan
-onze zedelijke behoeften beantwoordt, Bronnen en grondsl. van
-<span class="pagenum" id="Page_451">[451]</span>
-het godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 45 v. Later heeft Hoekstra
-in een artikel in het Theol. Tijdschr. 1872 bl. 1 v. zijne gedachte
-nader gepreciseerd, en het godsdienstig geloof gegrond
-niet op onze behoeften, idealen, aspiratiën in het algemeen, maar
-bepaald op het onvoorwaardelijk plichtbesef, ib. 32, cf. Wijsgeerige
-Godsdienstleer I 220. In aansluiting aan Hoekstra laten
-Ph. R. Hugenholtz, Studien op godsdienst- en zedekundig gebied,
-Amst. 1884-89, bv. II 142 v. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd.
-335 v. Leendertz, Het ethisch-evang. standpunt en het christ.
-godsd. geloof. Rott. 1891 I 7, 10, 57 v. en anderen het godsdienstig
-geloof wortelen in het zedelijk zelfbewustzijn. De ethische
-modernen zijn nog een stap verder gegaan; afziende van de
-poging om tot een wijsgeerig stelsel te komen, hebben ze geloof
-en wetenschap zoo scherp mogelijk gescheiden en de religie tot
-het gebied van het zedelijke beperkt. Religie is zedelijk idealisme,
-toewijding aan het zedelijk ideaal, geloof aan de macht van het
-goede, welke macht dan volgens de meesten nog wel een objectief
-bestaan heeft, maar bij enkelen niets is dan eene conceptie van
-den menschelijken geest. Cf. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd.
-bl. 116 v., 366 v., die bl. 116 ook litt. aangeeft. Voorts nog
-J. W. v. d. Linden, in de Gids, Dec. 1883 en Bijblad van de Herv.
-9 Sept. 1887. Dr. A. Bruining, Verschillende schakeeringen van
-modernen, Bijblad v. d. Herv. 10 Febr. 1885. De Bussy, Ethisch
-idealisme 1875. Id. Over de waarde en den inhoud van godsd.
-voorstellingen 188O. Id. De maatstaf van het zedelijk oordeel,
-enz. 1889. Id. Theol. Tijdsch. Jan. 1895 bl. 1-14. Een soortgelijk
-dualisme wordt ook aangetroffen bij Dr. J. H. Gunning,
-Overlevering en wetenschap 1879, Dr. J. W. Gunning, in de
-inleiding voor Christendom en Natuurwetenschap, acht voordrachten
-van Fred. Temple, Haarlem 1887, en eveneens bij
-Doedes, als hij scheiding maakt tusschen het geloof, dat op
-gronden steunt en de wetenschap, die op bewijzen rust, Inl. tot
-de Leer van God 1880 bl. 7 v.</p>
-
-<p class="sep2">4. In Duitschland dagteekent de terugkeer tot Kant van Liebmann’s
-boek over Kant und die Epigonen 1865 en F. A. Lange’s
-Geschichte des Materialismus 1866. Cf. Hans Vaihinger, Hartmann,
-Dühring und Lange, Iserlohn 1876 S. 18 f. 54 f. usw.
-Ed. von Hartmann, Neukantianismus, Schopenhauerianismus und
-<span class="pagenum" id="Page_452">[452]</span>
-Hegelianismus, 2<sup>e</sup> Aufl. 1877 S. 1-118. In de theologie werd
-het Kantianisme vernieuwd door Ritschl en Lipsius. De principia
-der theologie van Ritschl en zijne school zijn deze: allereerst
-moet er eene scheiding gemaakt worden tusschen metaphysica
-en religie (theologie). Het metaphysisch begrip van het Absolute
-heeft niets te maken met de religieuse Godsidee, Ritschl, Theol.
-u. Metaph. 1881 S. 13. Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 201 f. 211 f. 221 f.
-Herrmann, Die Religion im Verhältniss zum Welterkennen und
-zur Sittlichkeit, Halle 1879 trok de scheiding nog verder door,
-en maakte onderscheid tusschen het object der metaphysica en
-der religie, ib. S. 100, tusschen de erklärbare en de erlebbare
-Wirklichkeit, S. 100, 107, tusschen de natuurlijke en de zedelijke
-wereld, S. 269, 355. Cf. ook Kaftan, Das Wesen der christl.
-Religion, Basel 1881 S. 200. Vervolgens heeft de theologie haar
-standpunt niet te nemen vóór het geloof, in eene theologia naturalis,
-die niet bestaat, maar in het geloof der gemeente. Van
-daar moet ze uitgaan en alles beschouwen en waardeeren, Ritschl,
-Theol. u. Metaph. S. 11 f. 61. Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 364 III 2-8,
-13, 32, 162, 165, 198, 304, 356 f. De orthodoxie liet aan de
-fides salvifica, d. i. de fiducia, nog wel de fides historica, den
-assensus voorafgaan, maar dat was in strijd met de oorspronkelijke
-leer der Hervorming bij Luther, Melanchton en Calvijn.
-Op die wijze zou het geloof altijd weer afhangen van uitwendige
-bewijzen, bestaan in het aannemen van eenige waarheden, en van
-alle vrijheid, zelfstandigheid en zekerheid worden beroofd, Ritschl,
-Fides implicita, Bonn, 1890 S. 69. Gottschick, Die Kirchlichkeit
-der sogenannten kirchl. Theol. Freiburg, 1890 S. 11-53, 69 f.
-Traub, Glaube u. Theol., Stud. u. Krit. 1893, 3<sup>tes</sup> Heft S.
-568-588. Herrmann, Die Gewissheit des Glaubens und die
-Freiheit der Theol., Freiburg 1887, 2<sup>e</sup> Aufl. 1889. Id. Der
-Verkehr des Christen mit Gott, Stuttgart 1886 S. 18 f. 83 f.
-92 f. 2<sup>e</sup> Aufl. 1892. Id. Der evang. Glaube und die Theol. Albr.
-Ritschls 1890. Id. in Beweis des Glaubens 1890. Kaftan, Brauchen
-wir ein neues Dogma, 1890, S. 37. Id. Glaube u. Dogma.
-Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick 1891 S. 478 f. cf. 1893
-S. 427 f. Kattenbusch, Ueber religiösen Glauben im Sinne des
-Christ. Giessen 1887. In de derde plaats tracht de theologie van
-Ritschl het zaligmakend geloof te binden aan de historische openbaring
-in den persoon van Christus. Het geloof is juist als fiducia
-<span class="pagenum" id="Page_453">[453]</span>
-niet aannemen van eene leer maar vertrouwen op een persoon.
-Maar dan komt het geloof natuurlijk niet vanzelf uit den mensch
-op, maar onderstelt het een object en eenige voorafgaande kennis
-van dat object. Herrmann erkent zelfs dat de notitia eene Vorbedingung
-des Glaubens is, Verkehr des Christen mit Gott, 2<sup>e</sup>
-Aufl. S. 182. Zeits. f. Theol. u. K. von Gottschick IV, 4<sup>tes</sup> Heft
-S. 273. Op welken grond staat nu dat object, die historische
-openbaring in Christus, vast? Van waar komt de zekerheid aangaande
-hare realiteit? Het antwoord, dat op die belangrijke vraag
-door de Ritschlianen gegeven wordt, is zeer verschillend. Ritschl
-zelf geeft eigenlijk geen antwoord. Hij verwijst den enkelen
-mensch naar de gemeente, die de ervaring heeft van de vergeving
-der zonden en van het kindschap Gods, maar zegt niet, wat den
-individueelen mensch nopen moet om bij die gemeente zich aan
-te sluiten. Alleen grondt hij het bestaan Gods en de redelijkheid
-der christelijke wereldbeschouwing op de zelfwaardeering des geestes,
-Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 200 f. 209 f. 573 f. Zijne volgelingen slaan
-echter gewoonlijk andere wegen in en laten de waarheid der openbaring
-in Christus rusten op de innerlijke ervaring. De aanschouwing
-van Christus treft ons door zijne zedelijke grootheid; Hij maakt
-op het onbevangen gemoed een diepen indruk, verootmoedigt
-maar heft ook op tot het vertrouwen dat God onze Vader is,
-Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886 S. 18 f. 26 f.
-Beweis des Glaubens 1890 S. 81 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit
-der sogen. kirchl. Theol. 1890 S. 222, 226. Traub, Stud. u.
-Krit. 1893, S. 577. cf. Köstlin, Die Begründung unserer sittl.
-relig. Ueberzeugung 1893, S. 98 f. Frank, Dogmatische Studien
-1892, S. 46 f. Herrmann bestrijdt zoo sterk mogelijk, dat historische
-bewijzen ons overtuigen kunnen van de waarheid van den
-persoon van Christus; hij laat de historische kritiek ook volkomen
-vrij en onttrekt haar niets, maar hij zegt toch dat de
-Christus extra nos de grond is van zijn geloof, Zeits. f. Theol.
-u. K. 1894, IV 4<sup>tes</sup> Heft S. 281; hij spreekt van eene zweifellose
-Thatsache, S. 280; vindt dat de grondtrekken van het beeld
-van Jezus geen twijfel aan de historische werkelijkheid van Jezus
-toelaten, S. 285, en erkent deze objectieve waarheid niet op grond
-van bewijzen, maar omdat hij de macht van het leven van Jezus
-over zich gevoeld en doorleefd heeft, S. 288; omdat Jezus’ leven
-de kracht heeft, sich unserm Gewissen als eine wirkliche Thatsache
-<span class="pagenum" id="Page_454">[454]</span>
-zu bezeugen, S. 293. En alleen dat is inhoud des geloofs,
-wat de kracht heeft sich dem Gewissen als wirkliche Thatsache
-zu bezeugen, S. 293. Eene diepere ontleding van de waarheid en
-zekerheid des geloofs wordt ons in de school van Ritschl niet
-gegeven; de indruk, dien de persoon van Christus op ons maakt,
-de kracht die er van het evangelie uitgaat in ons gemoed, de
-zedelijke ervaring van deemoed en vreugde, de overeenstemming
-van de idee van het Godsrijk met onze behoeften en eischen,
-Kaftan, Die Wahrheit der chr. Relig. Basel 1889 S. 537 f., schijnt
-voor de waarheid der openbaring in den persoon en het leven van
-Christus in te staan. Eindelijk wordt de inhoud des geloofs in
-de theologie van Ritschl tot een minimum gereduceerd. Ritschl
-zeide, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 369 cf. 191 f. alle Erkenntnisse
-religiöser Art sind directe Werthurtheile. Ook de philosophie
-waardeert wel. Maar daar zijn de Werthurtheile bijkomstig en
-begeleidend. In de religie zijn ze zelfstandig; berusten ze op
-’s menschen lust of onlust, op zijn wel of wee; hebben ze betrekking
-op zijne verhouding tot de wereld, en zijn onafhankelijk
-van de wetenschap. Als de wetenschap zich dus houdt op haar
-terrein en geene wereldbeschouwing tracht op te bouwen, dan is
-er geen strijd mogelijk, Ritschl, Theol. u. Metaph. 7, 9. Rechtf.
-u. Vers. III<sup>2</sup> 189-197. Fides implicita S. 68, 70. Herrmann
-ging nog verder en sprak zelfs uit, dat de werkelijkheid des geloofs
-voor de wetenschap eene inbeelding was, Die Religion
-usw. S. 108, 112. Maar toch hebben Ritschl en Herrmann
-de historische openbaring Gods in Christus als grondslag en
-bron van het godsdienstig geloof vastgehouden en in zoover de
-religie niet alleen in Werth- maar ook in Seinsurtheile laten bestaan.
-Het was ook al te duidelijk, dat het religieuse kennen
-evengoed de overtuiging insluit van de realiteit van zijn object
-als het wetenschappelijk kennen. Werthurtheile zijn van Seinsurtheile
-afhankelijk of anders niets dan inbeelding. Kaftan, Das
-Wesen der christl. Religion S. 35 f. 41 f. 55 f. erkent dan ook,
-dat de Werthurtheile de objectieve waarheid onderstellen, al laat
-hij in erkenntnisstheoretischen zin deze ook van gene afhangen.
-En Häring, Die Theol. und der Vorwurf der doppelten Wahrheit
-1886 zegt wel, dat practische, zedelijke gronden ons bewegen tot
-het geloof, maar voegt er toch aan toe, dat het christelijk geloof
-den waarborg voor de waarheid van het geloofde niet in
-<span class="pagenum" id="Page_455">[455]</span>
-zichzelf draagt, want wenschen is geen bewijs voor de vervulling
-van den wensch; maar dat het dien waarborg vindt in
-het historisch feit van de openbaring Gods in Christus, cf.
-Häring ook Zur Lehre von der h. Schrift, Stud. u. Krit. 1893,
-1<sup>es</sup> Heft S. 177-212, vooral S. 199 f. Vandaar, dat anderen er
-op wijzen, dat, al moge er nog zooveel in de Schrift voor de
-kritiek bezwijken, er toch nog genoeg vast blijft staan. Die ganze
-Erscheinung Christi kan toch niet onhistorisch zijn. Het geloof is
-van de bovennatuurlijke geboorte van Christus, Harnack, Das
-apost. Glaubensbekenntniss, Berlin, 1892, van de opstanding,
-Harnack, Dogmengesch. I<sup>2</sup> 73 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit
-usw. S. 90, van de wonderen onafhankelijk. Eerst als het historisch-kritisch
-onderzoek ons zou willen ontnemen, dat Christus
-onze Heer is, dan zou het christelijk geloof daartegen in verzet
-komen, cf. Otto Ritschl, Der histor. Christus, der christl. Glaube
-u. die theol. Wissenschaft, Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick
-III 4, 5<sup>tes</sup> Heft S. 371 f., Traub, Stud. u. Krit. 1893,
-S. 577 f. Erich Haupt, Die Bedeutung der h. Schrift für den
-evang. Christen, 1891. Max Reischle, Der Glaube an Jesus
-Christus und die geschichtliche Erforschung seines Lebens, Leipzig
-1893. Van de rijke litt. over de theologie van Ritschl en
-zijne school zij alleen genoemd Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl
-1888. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theol., Jahrb. f. prot. Theol.
-April 1889 S. 162 f., ook afzonderlijk uitgeg. te Braunschweig
-bij Schwetske. Id. over Herrmann, Kaftan en Bender, Jahrb. f.
-prot. Theol. 1891 S. 321-383. Id. Entw. der prot. Theol. 1891
-S. 228 f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart 1888 S.
-230 f. Frank, Die Theol. A. Ritschl’s 3<sup>e</sup> Aufl. Erl. 1891. Flügel,
-Ritschl’s philos. und theol. Ansichten, 2<sup>e</sup> Aufl. 1892. G. Mielke,
-Das System A. Ritschl’s dargestellt, nicht kritisirt, Bonn Marcus
-1894. Saussaye over Ritschl, Theol. Stud. van Dr. Daubanton
-1884 bl. 259 v. en mijn art. aldaar 1888 bl. 369 v.</p>
-
-<p class="sep2">5. Een zelfde standpunt wordt eindelijk ook ingenomen door
-R. A. Lipsius, Lehrbuch der ev. prot. Dogm. 1876, 2<sup>e</sup> Aufl.
-1879, 3<sup>e</sup> Aufl. 1893. Dogmatische Beiträge, Jahrb. f. prot.
-Theol. 1878, ook afzonderlijk uitgegeven Leipzig, Barth, 1878.
-Neue Beiträge, Jahrb. f. prot. Theol. 1885, en afzonderlijk uitgegeven
-onder den titel Philosophie und Religion, Leipzig 1885.
-<span class="pagenum" id="Page_456">[456]</span>
-Die Hauptpunkte der christ. Glaubenslehre, Jahrb. f. prot. Theol.
-1889 S. 1-41, en afzonderlijk uitgegeven Braunschw. 1889,
-2<sup>e</sup> Aufl. 1891. Ook Lipsius beperkt de wetenschap tot het gebied
-der in- en uitwendige ervaring, Lehrb. der ev. prot. Dogm. §&nbsp;1.
-Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 181 f. 1889 S. 1 f. Maar nu
-erkent Lipsius toch, in onderscheiding van Ritschl en Herrmann,
-nog eenig recht der metaphysica. Onze rede gevoelt behoefte en
-drang om uit de ervaringswereld op te klimmen tot een unbedingten
-Grund, en vormt zoo de begrippen van het Absolute,
-de ziel enz., Jahrb. 1885 S. 200, 278 f. 372, 395, ib. 1889 S. 3.
-Onze geest streeft naar eenheid, Jahrb. 1885 S. 283. Maar dit
-metaphysisch of philosophisch denken is geen eigenlijke wetenschap
-meer, het produceert geen positieven inhoud, het vermeerdert
-ons waarheidsbezit niet, gelijk Biedermann meent; het levert
-slechts Formbestimmingen, Grundbegriffe, regulative Prinzipien,
-Jahrb. 1885 S. 275-283. Wanneer wij er toch eenigen inhoud
-in willen leggen en er transcendente kennis door willen verkrijgen,
-dan dragen wij er zinnelijke vormen op over, en wikkelen we
-ons in eene antinomie. De logische en de symbolische opvatting
-van het metaphysische strijden met elkaar, Jahrb. 1885 S. 281-283,
-ib. 1889 S. 4. Langs dezen weg is er dus geen kennis van
-het bovenzinlijke te bekomen. Maar er is nog een andere weg,
-die der praktische, sittliche Nöthigungen. De mensch is n.l. een
-denkend maar ook een willend en handelend wezen, en hij gevoelt
-zich gedrongen, om zich als zoodanig tegenover de wereld te
-handhaven. Uit den Widerspruch tusschen ’s menschen geest en
-de natuur wordt bij hem de religie geboren. Deze is eene practische
-aangelegenheid des geestes, en ontstaat niet allereerst uit
-theoretische maar uit practische behoeften. De practische, ethische
-drang, om zich in zijn bestaan te handhaven, dringt den mensch
-tot het geloof aan God, tot het postuleeren van eene bovenzinnelijke
-wereld. Het geloof begint dus, waar de wetenschap ophoudt,
-Jahrb. 1885 S. 377 f. 557 f. Dit geloof brengt eene eigen zekerheid
-mede, geen wetenschappelijke maar moreele zekerheid, een
-zekerheid van ervaring, berustend op de erlebte Gewissheit van
-mijn eigen persoon, Jahrb. 1885 S. 385 f. 438 f. Voor een
-ander is deze zekerheid misschien niets dan inbeelding, maar
-voor het subject zelf is ze gewis, ib. 387 f. Zoodanige ervaring
-is ook het eenig criterium voor de waarheid der christelijke
-<span class="pagenum" id="Page_457">[457]</span>
-religie, der openbaring in Christus. De toeëigening der historische
-openbaring tot persoonlijk bezit is het eenige directe bewijs voor
-de waarheid der christelijke religie. De persoonlijke ervaring der
-geloovigen bevestigt de historische openbaring, gelijk deze gene
-wekt en versterkt, Jahrb. 1885 S. 600 f. En de Christen, alzoo
-geloovende, doet dan belijdenis van bovenzinlijke realiteiten; in
-de dogmata geeft hij niet maar eene beschrijving van gemoedstoestanden
-en Werthurtheile, maar Seinsurtheile over de verhouding
-van den mensch tot God en van God tot mensch en wereld.
-Deze religiöse Aussagen zijn objectief waar, indien ze in onverbrekelijk,
-denknoodwendig verband staan met de verwezenlijking
-van onze hoogste levensbestemming. Niet toevallige, maar wel
-noodwendige Werthurtheile bewijzen de objectieve waarheid der
-religieuse uitspraken, Jahrb. 1885 S. 440, 445. Voor den geloovige
-zelven zijn deze bewijzen voldoende; en tegenover niet-geloovigen
-heeft hij nog altijd een indirect apologetisch bewijs
-daarin, dat practische Nöthigungen den mensch tot religie dwingen;
-de religie is geen dwang, geen natuurmacht, maar is practisch,
-psychisch noodzakelijk, en is in zoover in ’s menschen wezen gegrond,
-Jahrb. 1885 S. 627 f. 639 f. Dogmatisch heeft de geloovige
-bovendien nog de taak, om den geloofsinhoud met al
-zijne kennis van de wereld saam te voegen tot één geheel.
-Herrmann heeft gelooven en weten zoo streng mogelijk en ten
-einde toe gescheiden gehouden. Maar Lipsius laat beider inhoud
-wel opkomen uit eene eigen bron, maar wil dien dan toch ten
-slotte saamvatten in eene einheitliche Weltanschauung. De dogmatiek
-kan den geloofsinhoud wel niet bewijzen en het gelooven
-niet tot weten verheffen, maar ze kan en moet de christelijke,
-de teleologische wereldbeschouwing in verband brengen met de
-causale wereldbeschouwing, met de van elders verkregen kennis
-der wereld, en ze heeft dan aan te toonen dat er geen strijd is,
-dat het conflict slechts schijnbaar is, dat er inderdaad eenheid is.
-Al behelzen de dogmata geen wetenschappelijke waarheid, geen
-theoretische Erkenntnisse; al zijn ze alle bildlich en anthropomorphistisch;
-ze mogen toch niet in strijd zijn met de vaste
-resultaten der wetenschap. De eenheid van onzen geest verbiedt
-het aannemen van eene dubbele waarheid. De religieuse Godsidee
-en het begrip van het Absolute, vrijheid en noodwendigheid,
-teleologische en causale wereldbeschouwing enz. moeten vereenigbaar
-<span class="pagenum" id="Page_458">[458]</span>
-zijn, Jahrb. 1885 S. 648 f. 658 f. 662 f. ib. 1889 S. 6.
-Dogm. §&nbsp;3. Cf. over Lipsius o. a. Ed. von Hartmann, Die Krisis
-des Christ. in der mod. Theol. Berlin 1880 S. 69 f. Biedermann,
-Christl. Dogm. 1884 I 58 f. 160 f. Flügel, Die spekul. Theol.
-der Gegenwart 1888 S. 95 f. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol.
-1891, S. 241 f. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 enz.</p>
-
-<p class="sep2">6. Deze ethische, practische methode tot rechtvaardiging van
-religie en Christendom verdient zeker verre de voorkeur boven
-de historische en speculatieve bewijsvoering. Zij vat de religie
-niet enkel op als leer, die voor het verstand moet gerechtvaardigd
-worden, noch als een toestand van het subject, die denkend
-ontleed moet worden. Maar ze ziet in de religie eene historische,
-objectieve macht, die aan de zedelijke gesteldheid van den mensch
-beantwoordt en daarin haar bewijs en hare rechtvaardiging vindt.
-Maar toch is ook deze methode aan ernstige bedenkingen onderhevig.
-In de eerste plaats is de overeenstemming van eene religie
-met de zedelijke behoeften des menschen zeer zeker van groote
-beteekenis. De bevrediging van hart en geweten is het zegel en
-de kroon der religie. Een godsdienst, die niet troosten kan in
-rouw en smart, in leven en sterven, kan de ware godsdienst niet
-zijn. Van andere wetenschappen, logika, mathesis, natuurkunde,
-enz. verwachten we niet, dat zij troost zullen bieden aan de
-schuldige conscientie en het bedroefde gemoed. Maar eene religie,
-die aan krank- en sterfbed verlegen staat, die het twijfelende
-niet bevestigen en het nedergebogene niet oprichten kan, is dien
-naam niet waard, Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 4 f. De
-zoo dikwerf gemaakte tegenstelling tusschen waarheid en troost
-hoort in de religie niet thuis. Eene waarheid, die geen troost
-bevat, die niet samenhangt met het religieus-ethische leven van
-den mensch, houdt daardoor ook op eene religieuse waarheid te
-zijn. Gelijk de medische wetenschap in al hare onderdeelen beheerscht
-wordt door de genezing van het kranke, zoo is het in
-de religie den mensch om vrede en zaligheid te doen. Maar hoe
-hoog deze troost in de religie ook moge geschat worden en hoezeer
-hij met andere bewijzen als een krachtig motivum credibilitatis
-in aanmerking mag komen; toch is hij, alleen en op zichzelf
-gesteld, als bewijs onvoldoende. Immers, eenige troost en bevrediging
-is er te vinden in alle religies; de ervaringen van
-<span class="pagenum" id="Page_459">[459]</span>
-ellende en schuld, van twijfel en vertrouwen, van lijdzaamheid
-en hope zijn niet alleen bij de Christenen, maar ook in meerdere
-of mindere mate bij Mohammedanen, Buddhisten, enz. aanwezig.
-Eene religie, die geen troost biedt en geen bevrediging schenkt
-aan de zedelijke behoeften van den mensch, is zeker valsch;
-maar omgekeerd is nog niet elke religie de ware, waarin de
-mensch zijn troost en zijne bevrediging zoekt. Voorts zijn de
-behoeften van hart en geweten, waaraan eene of andere religie
-voldoet, of zelve onder den invloed dier religie gewekt, en dan
-is hare bevrediging vrij natuurlijk en een weinig krachtig bewijs;
-of ze zijn buiten die religie om, onder andere invloeden en onder
-de werking van een anderen godsdienst, ontstaan, en dan is juist
-die eigenaardige behoefte, welke deze religie onderstelt, niet
-aanwezig en de bevrediging ontbreekt geheel. Van eene onbewuste
-aspiratie der ziel naar het Christendom wordt in de werkelijkheid
-schier niets gevonden. Van eene rijpheid der volken voor het
-Evangelie leert de geschiedenis der zending bitter weinig. Het
-Evangelie is niet naar den mensch, niet naar de behoeften, gelijk
-de mensch die zelf zich voorstelt. Buiten de openbaring kent ook
-de mensch zichzelven niet. De menigmaal herhaalde bewering,
-dat het Christendom aan ’s menschen behoeften beantwoordt,
-brengt het ernstig gevaar met zich, dat de waarheid pasklaar
-gemaakt wordt voor de menschelijke natuur. De stelling, dat de
-waarheid echt menschelijk is omdat ze goddelijk is, slaat zoo
-licht in het tegendeel om, dat ze slechts goddelijk is omdat ze
-menschelijk is. De prediking naar den mond in plaats van naar
-het hart van Jeruzalem is ook op christelijke kansels niet ongewoon.
-Vervolgens is de ervaring, in welke het bewijs voor de
-waarheid der religie gezocht wordt, een zeer zwevend begrip.
-Wat is er dan toch in eene historische religie, dat werkelijk
-inhoud van ervaring kan zijn? Ervaren worden eenige religieus-ethische
-aandoeningen van schuld, berouw, vergiffenis, dankbaarheid,
-vreugde, enz. Maar al het andere, dat in eene historische
-religie voorkomt, valt buiten de ervaring. Voor geen enkel der
-twaalf geloofsartikelen kan het: ik geloof door het: ik ervaar
-vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en aarde, dat
-Christus is Gods eengeboren Zoon, ontvangen van den H. Geest,
-geboren uit Maria, enz., enz., is uitteraard voor geen ervaring
-vatbaar. Op den grondslag der religieus-ethische ervaring kan
-<span class="pagenum" id="Page_460">[460]</span>
-nimmer de waarheid van het historische Christendom worden
-gebouwd. Gevolg van deze verheffing van de ervaring tot principium
-cognoscendi is dan ook alleen, dat de inhoud van geloof
-en dogmatiek hoe langer hoe meer van al het historische wordt
-losgemaakt en tot het zoogenaamd religieus-ethische beperkt wordt.
-Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de reeds
-meermalen te vergeefs beproefde scheiding tusschen idee en feit
-in het Christendom. De vrucht kan echter niet langer geplukt
-worden, als de boom wordt omgehouwen; en het frissche, heldere
-water stroomt niet meer, wanneer de bron wordt gestopt.</p>
-
-<p class="sep2">7. In plaats van in de bevrediging van hart en geweten,
-hebben anderen in zoogenaamde Werthurtheile den inhoud en
-het bewijs der christelijke religie gezocht. Toch is dit slechts een
-andere naam voor dezelfde zaak. Indien daarmede nu niets anders
-bedoeld werd, dan dat een dogma altijd eene religieus-ethische
-waarde bevatten moest, zou niemand tegen deze Werthurtheile
-eenig bezwaar kunnen inbrengen. In elk dogma moet men gelijk
-vroeger reeds gezegd werd, het hart der religie hooren slaan.
-Maar in de theologie van Ritschl kregen deze Werthurtheile eene
-geheele andere beteekenis. Van al het metaphysische losgemaakt,
-werden ze de grondslag en de inhoud der dogmatiek. En dat is
-onmogelijk. Religie sluit de overtuiging in van de realiteit van haar
-object. Religieuse en ethische waardeering onderstelt de waarheid
-van den persoon of de zaak, op welke zij betrekking heeft. Werthurtheile
-zijn daarom van Seinsurtheile afhankelijk; zij staan
-en vallen met deze. Indien de waardeering van een voorwerp niet
-in zijne realiteit is gegrond, wordt zij niets dan eene inbeelding,
-eene schepping der phantasie of eene ideaalvorming in den zin
-van Lange en Pierson. Het gaat daarom niet aan, om te zeggen:
-laten de feiten zoo of anders zijn, de waardeering beslist; want
-met de feiten verandert ook deze. Indien Israels volk en godsdienst
-zich zoo ontwikkeld heeft, als de nieuwere kritiek het
-voorstelt, moet de waardeering van het Oude Testament principieel
-worden gewijzigd. Eene moderne historiebeschouwing en
-eene orthodoxe waardeering passen slecht bij elkaar. Indien Christus
-niet waarachtig God is, dan kan hij ook voor den Christen
-niet de waarde van God hebben. En zoo is het met alle dogmata.
-Religieuse waardeering staat met de objectieve waarheid in het
-<span class="pagenum" id="Page_461">[461]</span>
-nauwste verband. Er zouden heel wat nevelen verdwijnen, als
-naar Biedermann’s wensch het Modestichwort: Werthurtheile
-gebannen werd. Cf. ook Scheibe, Die Bedeutung der Werthurtheile
-für das relig. Erkennen, Halle 1893. O. Ritschl, Ueber
-Werthurtheile, Freiburg Mohr 1895. Langzamerhand wint de
-overtuiging veld, dat religieus-ethische ervaring en waardeering,
-van hoe groot gewicht ook, toch niet de waarheid van haar object
-kunnen waarborgen noch ook de maatstaf kunnen zijn voor den
-inhoud der dogmatiek. Ook psychologisch is deze voorstelling
-niet te rechtvaardigen. Want de beslissing over de realiteit der
-dingen komt niet toe aan wil of gevoel, aan hart of geweten,
-maar aan het bewustzijn. Eerst als de realiteit van een ding voor
-het bewustzijn vaststaat, kunnen de andere vermogens der ziel
-daarmede werkzaam worden. Het wenschen, gevoelen, ervaren,
-verbeelden sluit in geenen deele in de realiteit van hunne objecten.
-De weg tot het hart ligt gebaand door het hoofd.</p>
-
-<p>Toch hebben velen, ofschoon de zwakheid inziende van het
-ervarings- en waardeeringsbewijs, er nog iets van trachten te redden
-door middel van de postulaatstheorie van Kant. Men geeft dan
-wel toe, dat de zedelijke natuur des menschen niet mag doen
-besluiten tot de realiteit van allerlei godsdienstige voorstellingen
-of ook tot de waarheid der christelijke religie; maar toch wordt
-aan haar het recht ontleend, om het werkelijk bestaan te postuleeren
-van al datgene, wat met die zedelijke natuur noodwendig
-samenhangt, en zonder hetwelk zij ondermijnd en vernietigd wordt.
-Maar waarin dit bestaat, kan niemand aangeven; de gevoelens
-loopen verre uiteen. Wie kan ook in het afgetrokkene bepalen,
-wat met de zedelijke natuur des menschen onmiddellijk en rechtstreeks
-gegeven is? Bij ieder is die zedelijke natuur verschillend
-naar gelang van de omgeving, waarin zij gevormd is. Elk postuleert
-juist zooveel, als waaraan hij voor zijne religie genoeg heeft.
-Kant leidde uit de practische rede datgene af, wat den inhoud
-uitmaakte van zijne moralische Vernunftreligion, het bestaan van
-God, vrijheid en onsterfelijkheid. Fichte had genoeg aan de zedelijke
-wereldorde. En Rauwenhoff beweert, dat het geloof in onszelf
-noodwendig postuleert het geloof aan eene zoodanige gesteldheid
-van de wereld, dat de wet van het plichtbesef daarin heerschen
-kan, Wijsb. v. d. godsd. bl. 343. Waarin deze gesteldheid bestaat,
-wordt ons niet nader gezegd. De zedelijke wereldorde, door
-<span class="pagenum" id="Page_462">[462]</span>
-Rauwenhoff gepostuleerd, is niets anders dan het goede in ons,
-bl. 536 v. Maar daarmede komen we geen stap verder. Want
-deze macht van het goede is ook thans reeds in den mensch
-aanwezig en valt geheel saam met die zedelijke natuur, op welke
-juist het postulaat was gebouwd. Of het postulaat nog iets meer
-insluit, bijv. dat het goede triumfeeren zal, dat eens alle menschen
-het zullen kunnen en willen volbrengen, daarover wordt het
-zwijgen bewaard. Rauwenhoff verwacht dezen triumf van het
-goede, maar op welken grond, zegt hij niet. Indien echter de
-tegenwoordige gesteldheid der wereld bestaanbaar is met de
-heerschappij der zedewet in ons, waarom zou zij het dan ook niet
-kunnen zijn in de toekomst? Wat recht geeft de zedelijke natuur
-van den mensch, om aan het eind de volkomen zegepraal van
-het goede, de harmonie van deugd en geluk, de overeenstemming
-van natuurlijke en zedelijke wereldorde te eischen? Bij Rauwenhoff
-is de postulaatstheorie daarmee geeindigd, dat zij tot het
-punt van uitgang is teruggekeerd; zij gaf aan het eind niet meer
-dan zij reeds bevatte in het begin. Maar afgezien van hare povere
-resultaten, rijst de vraag, of de grondslag betrouwbaar is, waarop
-het postulaat wordt gebouwd? Voor den modernen godsdienstwijsgeer
-is dit niet boven alle bedenking verheven. In de religie
-wil hij van eene oorspronkelijke religieuse natuur des menschen
-niet weten. Dat ware met eene wetenschappelijke verklaring in
-strijd. De religie moet afgeleid worden uit factoren, die elk op
-zichzelf nog niet religieus zijn. Maar toegekomen aan de zedelijke
-natuur van den mensch, schijnt hij den eisch zijner wetenschappelijke
-verklaring geheel te vergeten. Zonder zich te bekommeren
-om de bezwaren, van de zijde der materialistische wetenschap
-ingebracht, gaat hij van de zedelijke natuur des menschen
-als van eene vaststaande, onveranderlijke, oorspronkelijke eigenschap
-uit en bouwt daarop de realiteit eener zedelijke wereldorde of
-zelfs van eene geheele metaphysische wereld. Het recht daartoe
-had ten minste moeten aangetoond zijn. Indien dit onderzoek
-vooraf ware ingesteld, zou misschien gebleken zijn, dat de zedelijke
-natuur van den mensch zelve reeds de religie onderstelt. In
-erkenntnisstheoretischen zin moge men evenals bij het moreel
-bewijs voor het bestaan van God uit het zedelijke opklimmen
-tot het religieuse; logisch en reëel gaat toch de religie aan het
-ethische vooraf. Er is geen moraal zonder metaphysica. De idee
-<span class="pagenum" id="Page_463">[463]</span>
-van plicht involveert die van eene absolute macht, die bindt in
-de conscientie. Over Rauwenhoff’s Wijsb. v. d. godsd. wordt litt.
-opgegeven door Kuenen in zijn Levensbericht van R., Maatsch.
-v. Ned. Lett. 1889 bl. 126, en daarbij de Bussy, Gids Oct.
-1889. Cannegieter, De godsdienst uit plichtsbesef enz. Leiden 1890.</p>
-
-<p class="sep2">8. Een laatste bezwaar tegen de bovengenoemde richting bestaat
-daarin, dat zij altijd komen moet tot een zeker dualisme
-van gelooven en weten. Sommigen hebben dit zeer kras uitgesproken.
-De scholastiek eindigde in de Middeleeuwen bij enkele
-theologen met de stelling, dat iets in de theologie waar en in
-de philosophie valsch kon zijn. Jacobi beleed een heiden met het
-verstand maar een christen met het hart te zijn. Herrmann noemde
-de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap eene inbeelding.
-De ethische modernen eischten eene volledige scheiding tusschen
-wijsbegeerte en godsdienstig leven. De meesten durven echter
-zoover niet gaan en zien de onmogelijkheid in, om als wijsgeeren
-neen en als godsdienstige menschen ja te zeggen. Zij erkennen,
-dat er aan het eind toch samenstemming moet bestaan tusschen
-de uitspraken des geloofs en de resultaten der wetenschap. De
-wijsbegeerte moge de godsdienstige voorstellingen niet kunnen
-rechtvaardigen; zij moet er toch ook niet de onwaarheid van
-kunnen aantoonen. Beide, de uitkomsten van het wetenschappelijk
-onderzoek en de uitspraken van het godsdienstig geloof moeten
-tot één geheel verbonden kunnen worden of althans zonder strijd
-en vijandschap naast elkander kunnen bestaan. Deze overeenstemming
-aan ’t eind, in de resultaten, tracht men dan daardoor
-te verkrijgen, dat men eenerzijds de wetenschap in betrekking
-tot het bovenzinlijke en bovennatuurlijke agnostisch maakt, en
-aan de andere zijde de uitspraken van het godsdienstig geloof
-strikt tot het religieus-ethische beperkt. Maar al tracht men op
-die wijze het dualisme in het resultaat te vermijden, feitelijk
-blijft men het toch huldigen in het orgaan, waardoor en den
-weg of de methode, waarlangs men tot kennis der waarheid komt.
-Het hart is op zijn terrein evengoed een orgaan voor de waarheid
-als het hoofd. Godsdienstig-zedelijke ervaring waarborgt de realiteit
-der onzienlijke dingen even sterk als de zinnelijke waarneming
-die der zichtbare wereld. Het geloof met zijn gronden heeft evenveel
-recht als de wetenschap met hare bewijzen. Maar het is
-<span class="pagenum" id="Page_464">[464]</span>
-moeilijk in te zien, hoe men aan het dualisme, dat men bij den
-aanvang, in principe aanvaardt, in het eind bij het resultaat ontkomen
-kan. Indien hoofd en hart een eigen leven hebben, in
-dien zin, dat zij elk een zelfstandig orgaan vormen tot kennis
-der waarheid, dan is ook de eenheid van de waarheid, van de
-wereld, ja van God zelven, niet meer te handhaven. Gelijk subjectief
-de mensch in tweeën uiteenvalt, en eenerzijds een godsdienstloos
-wezen is, ingesloten in het natuurverband, en andererzijds
-een religieus-ethisch wezen, burger van eene zedelijke wereldorde;
-zoo staan objectief wetenschap en religie, erklärbare en
-erlebbare Wirklichkeit, de wereld van het zijn en van de waardeering,
-de zienlijke en de onzienlijke dingen, de absolute natuurmacht
-en de religieuse Godsidee gescheiden naast en straks vijandig
-tegenover elkaar.</p>
-
-<p>Nu ligt er ongetwijfeld in dit dualisme eene zekere waarheid,
-die niet miskend worden mag. Er is n.l. behalve eene logische,
-ook nog eene zekerheid des geloofs. Maar deze onderscheiding is,
-gelijk later blijken zal, eene gansch andere dan de scheiding,
-welke door het boven omschreven dualisme wordt voorgesteld.
-Deze tweeërlei zekerheid toch deelt noch den mensch noch de
-wereld in twee helften, maar maakt in den kring der wetenschap
-zelven onderscheid tusschen datgene wat onmiddellijk en wat door
-middel van bewijzen tot onze kennis komt. Maar het dualisme, dat
-in de nieuwere philosophie tot heerschappij is gekomen, laat al het
-geschapene in twee geheel gescheiden kringen uiteenvallen, en is
-daardoor in strijd met de eenheid van ’s menschen geest, met de
-eenheid der wetenschap en der waarheid, met de eenheid der wereld,
-met de eenheid van het goddelijk Wezen zelf. Daarom is het ook
-niet in staat, om gelooven en weten met elkander te verzoenen;
-veeleer doet het den strijd tusschen beide nog toenemen. Het geloof
-immers kan met die scheiding niet tevreden zijn, wijl het al
-het historische en metaphysische, waar het altijd in meerdere of
-mindere mate mede samenhangt, zich ontnomen ziet, en daarom
-of van de wetenschap geheel afhankelijk wordt of in het vage,
-mysterieuse gevoel zich terugtrekken moet. En de wetenschap
-kan er geen vrede bij hebben, omdat de beslissing over de realiteit
-der dingen opgedragen wordt aan eene faculteit, die daartoe ten
-eenenmale het recht en de bevoegdheid mist. Beide, geloof en
-wetenschap, laten zich niet op die wijze beperken. Zij grijpen
-<span class="pagenum" id="Page_465">[465]</span>
-ieder oogenblik op elkander in. Het kan ook geen goede eisch
-zijn, dat de religieuse mensch ophoude God te dienen, als hij
-aan de wetenschap zich wijdt, of de man van wetenschap zijn
-denken het zwijgen oplegge, als hij het terrein der religie betreedt,
-cf. boven <a href="#Page_29">bl. 29</a>, <a href="#Page_155">155</a> v.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;17. <span class="smcap">Het geloof.</span></h3>
-
-<p>1. Uit het voorafgaand onderzoek is ons duidelijk geworden,
-dat het principium internum der christelijke religie en theologie
-niet gelegen kan zijn in het verstand, de rede of het hart van
-den psychischen mensch. Noch bewijzen noch redeneeringen noch
-ook overeenstemming met ’s menschen behoeften zijn in staat, om
-ons te overtuigen van de diviniteit der religieuse waarheid. Op
-ieder terrein, en zoo ook in de religie behoort het principium
-internum aan het principium externum te beantwoorden; het moet
-daarmede van gelijke natuur zijn. Gelijk het licht alleen waar
-te nemen is door het oog, zoo kan de goddelijke waarheid alleen
-erkend worden door hem, die Gode verwant en zijn beeld is.
-Alle bovengenoemde richtingen hebben dit in meerdere of mindere
-mate beseft. Zelfs zij, die de waarheid der christelijke religie
-verstandelijk wilden bewijzen, oordeelden toch, dat er van ’s menschen
-zijde eene zekere zedelijke gesteldheid noodig was, om de
-kracht dier bewijzen te gevoelen. Pascal beproefde in het eerste
-deel zijner apologie den mensch tot kennis zijner ellende te brengen
-en de behoefte bij hem op te wekken naar verlossing en vrede.
-Door en na Schleiermacher zijn de meeste theologen tot het
-inzicht gekomen, dat de religie van eene eigene natuur is en
-daarom ook door een eigen orgaan in den mensch moet worden
-gekend. De poging, om dat orgaan te vinden in de rede, het
-geweten, het hart, het gevoel was reeds eene schrede op den
-goeden weg, en verdiende verre de voorkeur boven het rationalistisch
-streven, om de godsdienstige waarheid te betoogen voor
-het nuchter verstand. Maar toch was daarmede nog niet genoeg
-gedaan. Indien er geen zonde ware, zou de mensch in zichzelf
-het vermogen bezitten, om de waarheid van de leugen te onderkennen
-even helder als het oog het licht onderscheidt van de
-<span class="pagenum" id="Page_466">[466]</span>
-duisternis. Maar niemand kan beweren, dat dit het geval is. De
-zonde heeft den mensch verduisterd in het verstand en bedorven
-in den wil. De onreine van hart kan God niet zien. Daarom is
-noodig, dat objectief de waarheid ons zuiver te gemoet trede en
-dat subjectief ons oog voor die waarheid worde geopend. De
-Schrift gaat hiervan uit. Zij onderwerpt zich niet aan het oordeel
-van den natuurlijken mensch; want alleen de geestelijke mensch,
-de wedergeborene, kan de dingen des Geestes Gods en van het
-koninkrijk der hemelen onderscheiden. Daarom behoudt de Schrift
-zelve het recht en de macht zich voor, om den mensch tot erkenning
-harer waarheid te brengen. Ze doet dat op geestelijke
-wijze, niet door bewijzen en redeneeringen maar in den weg eener
-geestelijke ervaring, door de onderwijzing des H. Geestes. Er is
-daarom niet alleen eene openbaring Gods in Christus buiten ons,
-maar ook eene verlichting des H. Geestes in ons; nadat God
-door den Zoon tot ons heeft gesproken, is de H. Geest gekomen
-om ons te leiden in de waarheid. God gaf niet alleen eene Schrift,
-die de objectieve openbaring volkomen bevat, maar stichtte ook
-eene kerk, welke het woord Gods verstaat en als waarheid belijdt.
-Het is om die reden ook met het wezen der christelijke religie
-in strijd, om haar waarheid te laten afhangen van het onderzoek
-en de uitspraak van den zondigen mensch. De dogmaticus heeft
-zijn standpunt te nemen niet vóór of buiten, maar midden in het
-geloof. De methodische twijfel van Bacon en Cartesius is noch
-in de philosophie noch in de theologie op zijne plaats. Twijfel
-moge hoogstens aanleiding zijn om de waarheid te gaan zoeken,
-het geloof alleen doet ze vinden; geloof is altijd de diepste grond
-van den arbeid der wetenschap, Snellen, Bijblad v. d. Herv.
-26 Febr. 1895 bl. 5. Voetius trok daarom terecht te velde tegen
-de theologia dubitans van Cartesius, Disp. Sel. III 825-870.
-A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek 1861 bl. 192 v.
-Het is eene verkeerde methode, als de wijsgeer van zijne natuurlijke
-zekerheid en de dogmaticus van zijn geloof zich ontdoet,
-eer hij met den wetenschappelijken arbeid een aanvang maakt.
-Zulk eene methode is niet alleen onpractisch maar laadt op den
-man van wetenschap ook den schijn, alsof zijne overtuiging en
-zijn geloof werkelijk op die gronden rust, die zijn denken hem
-achterna vinden doet. Cartesius vond een vast uitgangspunt in
-het cogito ergo sum. Maar niemand zal meenen, dat hij daarmede
-<span class="pagenum" id="Page_467">[467]</span>
-den laatsten en diepsten grond van het geloof aan zijn
-eigen bestaan heeft genoemd. Ook al werd de onjuistheid van
-deze thesis hem aangetoond, hij zou toch even vast aan zijn
-eigen bestaan blijven gelooven als vóór dien tijd. Evenmin als
-de wijsbegeerte de natuurlijke zekerheid ter zijde mag stellen,
-kan de dogmaticus zijne positie nemen buiten het geloof, waarin
-hij menigmaal al van der jeugd aan is opgevoed. De wetenschap
-heeft haar object niet te scheppen, maar te verklaren. De christelijke
-theologie heeft daarom een subjectief uitgangspunt. Zij
-neemt haar standpunt in de gemeente, die de waarheid Gods
-gelooft en belijdt. Een ander standpunt is er niet. Rome zoekt
-er wel naar maar kan het niet vinden. De Reformatie heeft ook
-het zoeken ernaar nagelaten; zij ging uit van het geloovig subject.
-En toen de theologie van het rationalisme en het supranaturalisme
-dit standpunt had prijsgegeven, is de nieuwere theologie
-door en na Schleiermacher schier in al hare richtingen tot dit
-reformatorisch beginsel teruggekeerd. Heel de theologie is ethisch
-geworden, in dien zin dat ze ernst heeft gemaakt met de stelling,
-dat alleen de wedergeborene het koninkrijk Gods ziet en dat
-alleen, wie Gods wil wil doen, erkennen kan of Jezus’ leer uit
-God is. Schier alle theologen nemen thans hun standpunt in het
-geloovig bewustzijn, in de wedergeboorte, in de religieuse ervaring.
-Er is in dit alles eene merkwaardige overeenstemming. De beschuldiging
-van subjectivisme tegen dit standpunt is geheel misplaatst.
-Er is nergens, in geen enkele wetenschap, een ander
-uitgangspunt. Het licht onderstelt het oog, de klank is alleen
-waarneembaar voor het oor. Al het objectieve bestaat voor ons
-slechts door bemiddeling van het subjectief bewustzijn. Zonder
-bewustzijn is de gansche wereld dood voor mij. Eene objectiviteit
-te begeeren, die niet subjectief bemiddeld ware, is een onmogelijke
-eisch. Tusschen het zijn der dingen en ons eigen zijn blijft altijd
-de waarneming instaan. Het subjectieve uitgangspunt heeft dus
-de theologie met alle wetenschap, ja met alle verhoudingen, die
-er bestaan tusschen mensch en wereld, gemeen. De beschuldiging
-van subjectivisme krijgt dan eerst recht van bestaan, wanneer het
-subjectief orgaan, dat onmisbaar is tot waarneming van het objectief
-bestaande, tot principium der kennis verheven wordt. Het oog
-moge onontbeerlijk orgaan wezen voor de waarneming van het
-licht, het is er toch niet de bron van. Het is juist de fout van
-<span class="pagenum" id="Page_468">[468]</span>
-het idealistisch rationalisme, dat het het orgaan met de bron der
-kennis vereenzelvigt, boven <a href="#Page_149">bl. 149</a>. Het denken is niet de bron
-van het gedachte, de voorstelling niet de oorzaak van het ding, het
-ik niet de schepper van het niet-ik; en zoo kan ook het geloof,
-de wedergeboorte, de ervaring niet de bron onzer religieuse kennis
-en niet het beginsel onzer theologie zijn. Hoezeer de nieuwere
-theologie dus terecht haar standpunt neemt in het subject, ze
-dwaalt, als zij daarom onder invloed der idealistische wijsbegeerte
-de theologie in anthropologie, ecclesiologie, godsdienstwetenschap
-verandert. In zooverre heeft Ritschl te recht de bewustzijnstheologie,
-die algemeen na Schleiermacher was opgekomen, teruggeroepen
-naar de objectieve, historische openbaring in Christus.</p>
-
-<p class="sep2">2. Meestentijds wordt in de Schrift, althans in het N. Testament,
-dit principium internum aangeduid met den naam van
-geloof. Ook wedergeboorte, reinheid des harten, liefde tot Gods
-wil, de Geest Gods worden in de Schrift als principium internum
-voorgesteld, Mt. 5:8; Joh. 3:3, 5, 7:17; 1 Cor. 2:12 enz.
-Toch verdient de naam van geloof ter aanduiding van dit principium
-de voorkeur. Niet alleen, omdat het geloof in de Schrift
-het meest als zoodanig op den voorgrond treedt. Maar vooral
-ook, omdat het begrip geloof ons plaatst op het terrein van het
-bewustzijn en daarbij den samenhang bewaart met de wijze, waarop
-we op ander gebied tot kennis komen. Vroeger zagen we, dat
-de menschelijke rede nooit en nergens bron is der kennis. Aangeboren
-begrippen zijn er niet. De mensch is physisch en evenzoo
-intellectueel geheel afhankelijk van de wereld buiten hem. Alle
-kennis komt van buiten. Maar al die kennis is van ’s menschen
-zijde bemiddeld door zijn bewustzijn. Niet het gevoel of het hart,
-maar het hoofd, het bewustzijn in zijn ganschen omvang (gewaarwording,
-besef, waarneming, verstand, rede, geweten) is het subjectieve
-orgaan der waarheid. Als de Schrift het geloof nu het
-principium internum noemt, dan huldigt ze daarmede dezelfde
-opvatting, en erkent dat ook de openbaring Gods alleen tot onze
-kennis komen kan door het bewustzijn heen. Niet alsof wedergeboorte,
-liefde, reinheid des harten, daarbij niet van de grootste
-beteekenis zouden zijn; het tegendeel zal later blijken. Maar
-het eigenlijk orgaan, waardoor de openbaring Gods gekend wordt,
-is een akte van het bewustzijn, n.l. het geloof. De openbaring
-<span class="pagenum" id="Page_469">[469]</span>
-Gods is een systeem van woorden en daden Gods, welke buiten
-en onafhankelijk van ons bestaan. Hoe zouden deze ooit tot onze
-kennis kunnen komen dan door het bewustzijn heen? De openbaring
-Gods is evangelie, is belofte, belofte van vergeving en
-zaligheid; maar aan eene belofte kan onzerzijds niets dan geloof
-beantwoorden. Alleen door geloof wordt eene belofte ons eigendom.
-Het geloof is daarom het principium internum cognoscendi van
-de openbaring, en alzoo ook van de religie en de theologie, Hartmann,
-Religionsphilos. II 65 f.</p>
-
-<p>Maar ook om nog eene andere reden verdient het de voorkeur,
-om het principium internum aan te duiden met den naam van
-geloof. Want daardoor wordt de samenhang bewaard van het
-religieuse kennen met alle andere kennen van den mensch. Er is
-zeker onderscheid, maar allereerst dient toch op de overeenstemming
-te worden gelet. Wij komen in religie en theologie op
-geen andere wijze tot kennis dan in de andere wetenschappen.
-Het geloof is geen nieuw orgaan, dat in den mensch wordt ingeplant,
-geen zesde zintuig, geen donum superadditum. Hoezeer
-het strijde met den „natuurlijken” mensch, het is toch volkomen
-natuurlijk, normaal, menschelijk. De openbaring sluit objectief
-en subjectief bij de natuur, de herschepping bij de schepping
-zich aan. Gelooven in het algemeen is een zeer gewone weg, om
-tot kennis en zekerheid te komen. Wij beginnen op ieder gebied
-met gelooven. Onze natuurlijke geneigdheid is te gelooven. Alleen
-verworven kennis en ervaring leeren ons ongeloovigheid, Hoekstra,
-Bronnen en grondslagen van het godsd. geloof 1864 bl. 383.
-Geloof is de grondslag der maatschappij en het fundament der
-wetenschap. Alle zekerheid rust ten slotte in geloof. Wel wordt
-het woord gelooven ook in eene zwakkere beteekenis gebruikt,
-als wij iets niet zeker weten maar toch op voor onszelven voldoende
-gronden voor waarschijnlijk houden. Gelooven vormt dan
-eene tegenstelling met weten en is aan meenen verwant. Zoo
-komt het voor in de uitdrukking: ik weet het niet, maar geloof
-het wel. Maar in deze beteekenis gaat het gebruik van het woord
-lang niet op. Reeds de etymologie wijst aan, dat er in het geloof
-nog eene andere diepere beteekenis schuilt. Het woord geloof is
-met loven, verloven, beloven, veroorloven, oorlof, lof, gelofte
-afkomstig van denzelfden stam; het is met lieven verwant, en
-drukt uit een met heel zijn persoon vertrouwen op, eene liefdevolle
-<span class="pagenum" id="Page_470">[470]</span>
-overgave en toewijding aan iemand, Kahnis, Luth. Dogm.
-2<sup>e</sup> Ausg. I 106. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 82 v. cf. Woordenboek
-der Ned. Taal s. v. Ook in andere talen heeft het woord
-geloof deze oorspronkelijke beteekenis van toewijding, vertrouwen,
-zekerheid, zooals האמין‎, אמונה; πειθω, πιστις; fido, fides; foi;
-faith naast belief enz. Gelooven wordt dan ook dikwerf gebezigd
-voor al zulke zekere kennis, welke niet op bewijzen maar op
-onmiddellijk, rechtstreeksch inzicht steunt. Plato onderscheidde
-ἐπιστημη, διανοια, πιστις en εἰκασια en verstond onder πιστις
-de zekerheid aangaande de zinnelijke wereld op grond van de
-waarneming, de Rep. VI p. 511, VII p. 534, cf. Zeller, Philos.
-der Griechen, 4<sup>e</sup> Aufl. II 591, 593. Siebeck, Gesch. der Psych.
-S. 209. Daarom zegt hij Tim. p. 29 c.: ὁ τι γαρ προς γενεσιν
-οὐσια, τουτο προς πιστιν ἀληθεια. Aristoteles maakte onderscheid
-tusschen kennis, welke langs demonstratieven weg werd
-verkregen, en kennis der principia, die uit den νους zelven werd
-afgeleid. Nu noemt hij deze laatste wel niet met den naam van
-geloof, maar toch zegt hij, Eth. Nicom. VI 3: ὁταν γαρ πως
-πιστευῃ και γνωριμοι αὐτῳ ὠσιν αἱ ἀρχαι, ἐπισταται. Toen
-daarna in het Christendom het woord geloof zulk eene diepe
-religieuse beteekenis kreeg, wezen vele kerkvaders met voorliefde
-op de belangrijke plaats, welke het gelooven in leven en wetenschap
-inneemt. Clemens Alexandrinus verstaat onder πιστις menigmaal
-alle onmiddellijke kennis en zekerheid, en zegt dan, dat er
-geen wetenschap is zonder geloof, dat de eerste principia, waaronder
-bijv. ook het bestaan Gods, niet bewezen maar geloofd
-worden, Strom. II n. 4, 6, cf. Denzinger, Vier Bücher von der
-relig. Erk. II 470. Strauss, Glaub. I 301 f. Vooral Augustinus
-heeft deze beteekenis van het geloof voor maatschappij en wetenschap
-in het licht gesteld. Wie niet gelooft, komt nimmer tot
-weten; nisi credideritis, non intelligetis, de trin. 15, 2 en passim.
-Het geloof is grondslag en band van heel de menschelijke samenleving.
-Als de stelling doorging, quod non video, credere non
-debeo, zouden alle banden des bloeds, der vriendschap en der
-liefde verbroken worden. Si ergo non credentibus nobis quae videre
-non possumus, ipsa humana societas, concordia pereunte, non
-stabit; quanto magis fides, quamvis quae non videntur, rebus
-est adhibenda divinis? de fide rerum invisibilium cap. 3, cf.
-de util. cred. c. 10 sq. Conf. 6, 5, cf. Ritter, Gesch. der christl.
-<span class="pagenum" id="Page_471">[471]</span>
-Philos. II 252 f. Gangauf Metaph. Psych. des Aug. 1852 S.
-52 f. Sedert keeren deze zelfde gedachten bij de christelijke
-theologen telkens terug, bijv. in den nieuweren tijd bij Dorner,
-Glaub. I 3. Lange, Dogm. I 342 f. Oosterzee, voor Kerk en
-Theol. I 94. Kuyper, Encycl. II 71 v. enz. De naam van geloof
-is dan gegeven geworden aan de onmiddellijke kennis der principia;
-aan het vertrouwen op onszelf, op onze waarneming en
-ons denken; aan de erkenning van het objectief bestaan der
-buitenwereld; aan het onderling vertrouwen, waarop heel de
-menschelijke samenleving is gebouwd; aan al datgene, wat door
-intuitie geweten en gedaan wordt. In zulk een geloof zag Schiller
-den waarborg van het bestaan dier nieuwe wereld, welke Columbus
-zocht: Wär’ sie noch nicht, sie stieg’ jetzt aus den Fluthen empor.</p>
-
-<p>Niemand, die doordenkt, zal deze diepe beteekenis der πιστις
-voor leven, kunst en wetenschap loochenen. Tegenover hen, die
-meenen, dat niets voor waar gehouden mag worden, wat niet
-zinnelijk waar te nemen of mathematisch te bewijzen is, staat
-het boven allen twijfel vast, dat verreweg het meeste en het
-belangrijkste, dat wij weten, niet op bewijzen steunt, maar op
-onmiddellijke zekerheid. Het gebied dezer laatste is veel grooter
-dan dat der demonstratieve zekerheid. En deze laatste is altijd
-weer op de eerste gebouwd, en staat en valt met deze. De weg,
-om op eene andere wijze dan door mathematische en logische
-bewijzen tot kennis en zekerheid te komen, is dus niets vreemds
-aan de menschelijke natuur. Geloof in algemeenen, ruimen zin is
-een onmisbaar element in de samenleving, en een normale weg
-tot wetenschap. Het is niet eerst door de zonde noodzakelijk
-geworden; buiten de zonde zou de intuitieve kennis en de onmiddellijke
-zekerheid nog breeder plaats hebben ingenomen in
-het menschelijk leven. Nog is in die mate ’s menschen oorspronkelijkheid
-grooter, als hij niet uit de reflectie maar uit de intuitie
-leeft. Als analogieën van het religieuse geloof kunnen alle
-bovengenoemde voorbeelden dus uitnemenden dienst bewijzen. Zij
-hebben met het godsdienstig geloof dit gemeen, dat de kennis
-onmiddellijk, niet door nadenken wordt verkregen, en dat ze in
-zekerheid niets onderdoet voor die, welke op bewijzen rust. Zij
-houden bovendien het verband vast, dat er bestaat tusschen
-den gewonen weg, waarop wij menschen tot kennis komen, en
-den weg des geloofs, die op religieus terrein tot zekerheid leidt.
-<span class="pagenum" id="Page_472">[472]</span>
-Zij toonen, dat gelooven op zichzelf zoo weinig met de menschelijke
-natuur en met den eisch der wetenschap in strijd is, dat
-er zonder dat van een normaal mensch en eene normale wetenschap
-geen sprake kan zijn.</p>
-
-<p class="sep2">3. Maar om deze overeenstemming mag toch het verschil
-niet over het hoofd worden gezien, dat er bestaat tusschen het
-geloof als onmiddellijke zekerheid en het geloof in godsdienstigen
-zin. In de religie, bepaaldelijk in de christelijke, krijgt πιστις
-eene eigene waarde. Ook de Grieken bezigden het woord in religieusen
-zin, van het geloof aan de goden, Cremer, Wörterbuch
-der neut. Gräcität s. v.; maar ook dan heeft het toch zelf geen
-religieuse beteekenis, evenmin als wanneer wij spreken van geloof
-aan God, aan de ziel en hare onsterfelijkheid enz. Gelooven is
-hier nog het gewone geloof, dat we dagelijks oefenen, maar toegepast
-op godsdienstige voorstellingen. In het N. Test. wordt
-πιστις echter geheel en al religieus bepaald, in voorwerp, grond
-en oorsprong; het duidt zelf eene religieuse verhouding aan van
-den mensch tot God. In Hebr. 11:1 worden ἐλπιζομενα, πραγματα
-οὐ βλεπομενα het algemeene voorwerp van het christelijk
-geloof genoemd. Reeds hierdoor is het geloof in religieusen zin
-onderscheiden van de kennis, die we door onmiddellijke zekerheid
-bezitten. Het geloof aan de buitenwereld, aan de zintuigen, aan
-de denkwetten, enz. berust op eigen inwendige waarneming. Wij
-hebben van al deze zaken een onmiddellijk besef. Maar het voorwerp
-van het christelijk geloof is onzienlijk en voor geen waarneming
-vatbaar. Als iets onmiddellijk door onszelf wordt waargenomen,
-is geloof overbodig; het geloof staat tegen aanschouwen
-over, Rom. 8:24; 2 Cor. 5:7. Daarmede is niet in strijd, dat
-de openbaring toch plaats had in ruimte en tijd, dat de persoon
-van Christus aanschouwd en getast kon worden. Want als voorwerp
-des geloofs is heel deze openbaring toch niet waarneembaar.
-Velen zagen Jezus en geloofden toch niet in Hem; alleen zijne
-discipelen aanschouwden in Hem eene δοξα ὡς μονογενους παρα
-πατρος, Joh. 1:14. Object van het geloof zijn woorden en daden
-alleen sub ratione Dei. Maar in de Schrift krijgt πιστις als
-fides salvifica eene nog praegnanter beteekenis; het heeft tot
-voorwerp niet allerlei woorden en daden Gods op zichzelf,
-maar de genade Gods in Christus, de beloften des evangelies,
-<span class="pagenum" id="Page_473">[473]</span>
-Mk. 1:15; Joh. 3:16, 17:3; Rom. 3:22; Gal. 2:20, 3:26
-enz. Dit speciale object komt voor het geloof nog onder eene
-andere kategorie in aanmerking dan onder die van waar tegenover
-valsch. En de algemeene natuur van het geloof wordt er zoo
-door gewijzigd, dat het in een vast en zeker weten, in een objectief
-voor waar houden niet opgaat, maar ook insluit een hartelijk
-vertrouwen op, eene algeheele overgave aan, eene persoonlijke
-toeëigening van de beloften Gods, in het evangelie geschonken.</p>
-
-<p>Vervolgens is het geloof in religieusen zin van de onmiddellijke
-zekerheid daarin onderscheiden, dat de laatste op eigen,
-maar het eerste op anderer inzicht steunt. Reeds dit is opmerkelijk,
-dat het woord geloof voor al die gevallen, waarin kennis op
-onmiddellijke waarneming rust, niet algemeen in gebruik is. Het
-geloof aan de buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten,
-aan de prima principia wordt gewoonlijk als onmiddellijk weten
-aangeduid. En inderdaad berust deze onmiddellijke kennis evenals
-de demonstratieve op eigen waarneming en inzicht. In zoover kan
-zij dan ook een weten worden genoemd in onderscheiding van
-gelooven. Doch bij de fides salvifica is het een ander geval. Deze
-heeft zeer zeker de genade Gods in Christus tot object. Maar
-van die genade Gods zouden we niet de minste kennis dragen,
-indien zij niet door het getuigenis van anderen tot ons gekomen
-ware, indien zij ons niet verzekerd wierd in de H. Schrift.
-Tusschen den persoon van Christus en ons geloof komt dus het
-getuigenis van de apostelen in te staan. Het woord Gods is
-medium gratiae. Wel komt nu die Schrift voor het geloof alleen
-als Gods woord in aanmerking, 1 Thess. 2:13. Want het religieus
-geloof kan niet rusten dan in eene getuigenis Gods, Joh.
-3:33; Rom. 10:14 v.; 1 Joh. 5:9-11. Maar toch is het
-geloof aan die Schrift verbonden. Het heeft de genade Gods tot
-object maar gelijk ze betuigd wordt in de H. Schrift; of, gelijk
-Calvijn Inst. III, 2, 6 het uitdrukt, het heeft tot voorwerp Christum
-evangelio suo vestitum. Daarom strekt het geloof als in één akte
-èn naar den persoon van Christus èn naar de Schrift zich uit.
-Het omhelst Christus als Zaligmaker en de Schrift als Gods
-woord. En daarom is ook beide waar: door Christus tot de Schrift
-en door de Schrift tot Christus. De Schrift leidt tot Christus
-henen en richt ’s menschen gedachten en genegenheden op Hem,
-die thans leeft in den hemel. Zelfs zij, die alle notitia en assensus
-<span class="pagenum" id="Page_474">[474]</span>
-uit de fides salvifica wegnemen en ze geheel en al in fiducia
-willen laten opgaan, kunnen er niet buiten, om deze fiducia te
-laten ontstaan uit een indruk, door het beeld van Christus op
-de ziel gemaakt. Ook het piëtisme is aan uitwendige middelen
-gebonden. Het moge die middelen beperken en niets willen weten
-van een catechismus of dogmatiek; het tracht toch de kinderen
-tot bekeering te leiden door tot hen te spreken van den lieven
-Jezus, Pierson, Eene levensbeschouwing bl. 13. Er is ook geen
-andere weg tot het hart des menschen dan door zijn hoofd en
-zijn bewustzijn heen. Gods Geest alleen kan onmiddellijk werken
-in het hart; wij zijn aan de middelen gebonden. De Schrift is
-en blijft medium gratiae. Maar omgekeerd werkt het geloof in
-Christus ook weer terug op het geloof aan de Schrift; het bindt
-en legt ons vast aan die Schrift en doet er ons op vertrouwen
-in nood en dood. Onze ziel moge dus aan Christus, den levenden
-Heer in de hemelen, onverbreekbaar gebonden zijn door de unio
-mystica des H. Geestes; voor ons bewustzijn is Christus, is heel
-de wereld der ἐλπιζομενα er slechts door het getuigenis Gods
-in zijn woord. En daarom sluit de fides salvifica ook altijd een
-kennen in. Wel is deze kennis van het zaligmakend geloof wezenlijk
-onderscheiden van de kennis der fides historica. Zelfs als deze
-laatste voorafgaat, wordt zij toch later op de fides salvifica nieuw
-ingeënt en verandert van karakter. Zij is geen bloot voor waar
-houden maar eene vaste en zekere kennis in den zin der H. Schrift.
-De bijbelsche idee van kennen is eene gansch andere en veel diepere
-dan die van het gewone spraakgebruik. Maar desniettemin is de kennis,
-welke de geloovige bezit, niet onmiddellijk en niet door eigen
-inzicht verkregen; zij is gebonden aan de H. Schrift; zij rust op
-het getuigenis van apostelen en profeten als op het woord Gods.</p>
-
-<p>Eindelijk is het christelijk geloof van de onmiddellijke zekerheid
-nog daardoor onderscheiden, dat het niet vanzelf opkomt
-uit de menschelijke natuur. Aan de buitenwereld, aan de principia,
-aan de waarneming, aan de denkwetten enz. gelooft ieder
-mensch vanzelf, zonder bevel, op grond van eigen inzicht. Maar
-alzoo is het niet met het christelijk geloof. Het geloof is niet
-aller, 2 Thess. 3:2. Hoezeer het volkomen menschelijk is,
-geen donum superadditum, maar de herstelling van den mensch;
-toch staat de psychische mensch vijandig tegen het gelooven
-over. Want geloof in christelijken zin onderstelt zelfverloochening,
-<span class="pagenum" id="Page_475">[475]</span>
-kruisiging van eigen gedachten en wil, wantrouwen in onszelf,
-en daartegenover vertrouwen op Gods genade in Christus. Daarom,
-gelijk de fides salvifica God zelven tot voorwerp heeft en op
-zijne getuigenis steunt; zoo heeft het Hem ook tot auteur. Hij
-zelf is het, die door den H. Geest den mensch tot het geloof
-beweegt en al zijne gedachten gevangen leidt tot de gehoorzaamheid
-van Christus, Mt. 16:17; Joh. 6:44; 1 Cor. 12:3; 2
-Cor. 10:5; 1 Thess. 2:13; 2 Thess. 3:2; Ef. 1:15, 16;
-Col. 1:13; Phil. 1:29. Daardoor is het christelijk geloof geheel
-en al religieus bepaald. Voorwerp, grond en oorsprong
-liggen geheel en alleen in God. Door dit religieus karakter is
-de fides salvifica wezenlijk onderscheiden van de onmiddellijke
-zekerheid, die soms met den naam van geloof wordt bestempeld
-en ook van de πιστις, waarvan de Grieken soms spraken in
-godsdienstigen zin. Het christelijk geloof is louter religie, religio
-subjectiva. Die mensch is waarlijk religieus, die alzoo gelooft;
-hij is beeld, kind, erfgenaam Gods.</p>
-
-<p class="sep2">4. In de christelijke kerk is echter spoedig die opvatting de
-heerschende geworden, welke in het geloof zag eene toestemming
-des verstands aan de geopenbaarde waarheid. Zeer gewoon is
-de omschrijving van het geloof als ἑκουσιος της ψυχης συγκαταθεσις,
-als ὑπερ τας λογικας μεθοδους την ψυχην εἰς συγκαταθεσιν
-ἑλκουσα, cf. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. Denzinger, Vier
-Bücher von der relig. Erk. II 467 f. Kleutgen, Theol. der
-Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. IV 246 f. Augustinus geeft dezelfde definitie:
-credere est cum assensione cogitare, de praed. sanct. c. 2.
-Quid est credere, nisi consentire, verum esse quod dicitur, de
-spir. et litt. c. 31. Fides est virtus, qua creduntur, quae non
-videntur, Enchir. c. 8. Tract. 40 in Joh. n. 9. de trin. 13, 1.
-De scholastieke theologie begon het onderzoek naar de natuur
-des geloofs gewoonlijk met de omschrijving in Hebr. 11:1 en
-de laatstgenoemde definitie van Augustinus, Lombardus, Sent. 3,
-23 e. a. Thomas handelt over het geloof in zijne Summa Theol.
-II 2 qu. 1 sq. en zegt, dat het object des geloofs God is en
-andere dingen nisi secundum quod habent aliquem ordinem ad
-Deum, qu. 1 art. 1. De grond des geloofs ligt alleen daarin,
-dat aliquid est a Deo revelatum, ib. en de auteur ervan is God
-alleen, ib. qu. 6 art. 1 en 2. Het Vaticanum omschreef het
-<span class="pagenum" id="Page_476">[476]</span>
-geloof als eene virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et adjuvante
-gratia, ab eo revelata vera esse credimus, non propter
-intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam
-sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis, qui nec falli nec
-fallere potest, sess. 3, Const. dogm. de fide cap. 3. Het geloof
-is bij Rome een assensus firmus ac certus aan de waarheden der
-openbaring op grond van het gezag Gods in Schrift en kerk,
-Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1. qu. 4 art. 2. Bellarminus,
-de justific. I c. 5, 6. Becanus, Theol. schol. tom. II pars 2
-tract. 1 cap. 1 sq. Perrone, Praelect theol. V 1840 p. 251 sq.
-Jansen, Praelect. theol. I 684. Kleutgen, Theol. der Vorzeit,
-IV 205 f. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk. II 426 f.</p>
-
-<p>In de practijk had deze opvatting van het geloof zeer schadelijke
-gevolgen. Vooreerst werd het geloof feitelijk niets
-anders dan eene verstandelijke toestemming aan eene de rede
-ver te boven gaande, mysterieuse leer, hetzij explicite aan
-al hare verschillende of implicite aan sommige noodzakelijke
-dogmata. De onderscheiding tusschen dit geloof en de door
-de Protestanten aangenomene fides historica is bij deze opvatting
-niet mogelijk en werd dan ook door de Roomsche theologie
-beslist verworpen. Rome heeft niet anders dan eene fides historica.
-Daaruit vloeide verder voort, dat dit geloof, indien
-het niets anders was dan eene verstandelijke toestemming, onmogelijk
-voldoende ter zaligheid kon zijn. Het moest aangevuld
-worden door eene andere deugd in den wil, n.l. de liefde,
-en wordt dan fides formata. Het geloof verliest daardoor zijne
-centrale plaats in het christelijk leven, het wordt verlaagd tot
-ééne der zeven praeparationes voor de gratia infusa der justificatio;
-en het zwaartepunt komt geheel te liggen in de liefde, d. i. in
-de goede werken. En eindelijk was het moeilijk vol te houden,
-dat het geloof in bovengenoemden zin eene vrucht was van de
-gratia interna, gelijk Augustinus die verstond. De belijdenis,
-dat het geloof eene gave Gods was, werd verzwakt. De assistentie
-en inspiratie, waar het Vaticanum van spreekt, wordt dikwerf
-in de Roomsche theologie beperkt tot de gave eener algemeene
-genade of ook zelfs tot de gave der natuurlijke krachten. Het
-gelooven was te verdienstelijker naarmate het meer ’s menschen
-eigen vrije daad was en meer bestond in het aannemen van
-onbegrijpelijke mysteria fidei, in een sacrificium intellectus.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_477">[477]</span>
-De Reformatie heeft deze Roomsche opvatting van het geloof
-in alle opzichten gewijzigd. Zij heeft de religieuse natuur van
-de πιστις hersteld. Ten eerste maakte zij een principieel onderscheid
-tusschen de fides historica en de fides salvifica. Historisch
-geloof mocht in sommige gevallen voorafgaan en op zichzelf van
-groote waarde zijn; het was en bleef essentieel verschillend van
-het zaligmakend geloof. Alle Hervormers waren eenstemmig van
-oordeel, dat het zaligmakend geloof, indien niet alleen dan toch
-zeker ook, in kennis bestond. Ze hebben geen van allen het
-geloof in eene onbewuste aandoening of stemming des gemoeds
-laten opgaan. Maar de kennis, die element was van het zaligmakend
-geloof, was toch eene gansch andere dan die van het
-historisch geloof. Deze laatste mocht later aan de fides salvifica
-ten goede komen; zij veranderde daarmede toch zelve van karakter
-en ging leven uit een nieuw beginsel. De fides kreeg bij de Hervormers
-daarom weer eene eigene, geestelijke, religieuse natuur,
-niet gradueel maar essentieel onderscheiden van alle ander geloof
-in het leven en de wetenschap, ja zelfs van het historisch geloof.
-Natuurlijk kon zulk een geloof dan ook niet voortvloeien uit
-hetzelfde beginsel, als waaruit alle andere geloof bij den mensch
-opkomt. De Reformatie was eenparig in de belijdenis, dat de fides
-salvifica eene gave Gods was. Zij was geen vrucht van de natuurlijke
-krachten van den mensch noch ook van de algemeene
-genade. Zij was eene vrucht van de bijzondere genade des H.
-Geestes, eene werkzaamheid van den nieuwen, wedergeboren
-mensch, en daarom ook volkomen genoegzaam tot zaligheid. Bij
-Rome neemt het geloof slechts eene praeparatoire plaats in; en
-terecht, want het is in den grond niets anders dan historisch
-geloof. Maar bij de Hervorming kreeg het wederom de centrale
-plaats, welke het bekleedt in het N. Test.; het behoeft niet
-aangevuld te worden door de liefde, het is genoegzaam om deel
-te krijgen aan alle goederen des heils. Wie alzoo gelooft, staat
-niet in het voorportaal maar in het heiligdom der christelijke
-waarheid; hij is Christus ingelijfd, al zijne weldaden deelachtig,
-een erfgenaam der eeuwige zaligheid. Moeilijk was het echter
-bij deze diepe opvatting van de fides salvifica, om hare natuur
-juist te omschrijven en in duidelijke woorden weer te geven. De
-theologie van de Hervorming heeft er ten allen tijde mede geworsteld.
-Ten aanzien van de vraag, waarin de eigenlijke akte
-<span class="pagenum" id="Page_478">[478]</span>
-van het geloof gelegen is, loopen de antwoorden zeer verre uiteen.
-Het is door kennen, toestemmen, vertrouwen, toevluchtnemen,
-enz., of door één van deze of door alle te zamen omschreven geworden.
-Eerst later kan bij de leer des geloofs dit alles nader worden
-onderzocht. Maar zooveel staat vast, dat het geloof in de theologie
-der Hervorming geen weten was van eenige leerstellige waarheden,
-maar dat het een band der ziel was aan den persoon
-van Christus naar de Schriften en aan de Schrift als het woord
-van Christus. De fides salvifica was wederom door en door
-religieus. Gods genade in Christus was haar voorwerp, de getuigenis
-Gods in zijn woord was haar grond, de H. Geest was
-haar auteur. Zij was in ieder opzicht religieus bepaald.</p>
-
-<p class="sep2">5. Dit geloof brengt naar de Schrift een eigen zekerheid
-mede. Het is een ὑποστασις en ἐλεγχος van de gehoopte en
-ongeziene dingen, Hebr. 11:1; niet omdat het in zichzelf zoo
-hecht en vast is, maar wijl het op Gods getuigenis en belofte
-steunt, gelijk het vervolg van Hebr. 11 duidelijk leert. Het
-maakt de onzienlijke goederen des heils zoo zeker voor ons, ja
-veel zekerder, dan eigen inzicht of een wetenschappelijk bewijs
-dat ooit zouden vermogen te doen. Daarom is er in de Schrift
-sprake van de παρρησια, Hebr. 4:16; πεποιθησις, Ef. 3:12;
-πληροφορια, Hebr. 6:11, 12, 10:22 des geloofs; en wordt
-er θαρσος, Mt. 9:2; καυχησις, Rom. 5:12; χαρα, 1 Petr.
-1:8, enz. aan toegeschreven. Het staat tegenover twijfel,
-zorg, vrees, wantrouwen, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, 14:31,
-21:21; Mk. 4:40; Luk. 8:25; Joh. 14:1; Rom. 4:20;
-Jak. 1:16. Zekerheid is door heel de Schrift heen een kenmerk
-des geloofs. Zelfs te midden van de zwaarste aanvechtingen, als
-alles tegen is, op hope tegen hope, houdt de geloovige zich
-staande als ziende den Onzienlijke, Job 19:25; Ps. 23, 32, 51;
-Rom. 4:20, 21, 5:1, 8:38; Hebr. 11, enz. Eer geeft de geloovige
-alles prijs, dan dat hij zijn geloof verloochent. Niets is
-hem te kostbaar voor zijn geloof, noch zijn geld noch zijn goed,
-noch zijn eer noch zijn leven. Het geloof is ἡ νικη ἡ νικησασα
-τον κοσμον, 1 Joh. 5:4.</p>
-
-<p>Deze zekerheid des geloofs was aan de wetenschap onbekend.
-Zij deed met het Christendom haar intrede in de wereld, Janet
-et Séailles, Histoire de la philosophie, Paris 1887 p. 668.
-<span class="pagenum" id="Page_479">[479]</span>
-De Grieksche philosophie erkende twee soorten van zekerheid,
-ééne, die uit de zinlijke waarneming, en eene andere, welke door
-het denken werd verkregen. Gemeenlijk werd de eerste verre
-beneden de tweede gesteld; de zinlijke waarneming gaf slechts
-δοξα, maar het denken leidde tot ἐπιστημη. Aristoteles onderscheidde
-in de laatste wederom tusschen die, welke op bewijzen,
-en die, welke op evidentie rustte. Er waren in de wetenschap
-dus drie wegen, om tot zekerheid te komen: de waarneming,
-de argumentatie en de evidentie. Deze drieërlei zekerheid kreeg
-burgerrecht in de wijsbegeerte, met dien verstande, dat de empiristen
-de zekerheid voornamelijk zochten in de waarneming en
-de rationalisten in het denken. Naast deze wetenschappelijke
-zekerheid plaatste het Christendom de zekerheid des geloofs.
-Concreet en practisch werd deze zekerheid aan de skeptische
-wereld vertoond in de geloovige gemeente, vooral in hare martelaars
-en bloedgetuigen. En theoretisch werd zij uitgesproken en
-ontwikkeld in de christelijke theologie. Er is in de leer van de
-zekerheid des geloofs een belangrijk verschil tusschen Rome en
-de Hervorming ten aanzien van de vraag, of de certitudo fidei
-ook insluit de certitudo salutis, de volstrekte verzekerdheid van
-eigen zaligheid. Van Augustinus af aan is deze certitudo salutis
-door de Roomsche kerk en theologie ontkend en bestreden. Rome
-beweert, dat volstrekte verzekerdheid der zaligheid slechts het
-deel is van enkele geloovigen, die haar door eene bijzondere
-openbaring ontvangen hebben, maar volstrekt niet voortvloeit uit de
-natuur des geloofs. Gewone geloovigen hebben ten aanzien van
-hunne zaligheid slechts eene certitudo moralis, conjecturalis, maar
-geen certitudo fidei. Voor deze zekerheid is er in het Roomsche
-stelsel geen plaats, wijl zij alleen bestaanbaar is bij de belijdenis
-van Gods verkiezende liefde, en de leeken onafhankelijk maken
-zou van kerk en priester. Cf. Augustinus, de bono persev. c. 8,
-13, 22, de civ. Dei c. 12. Epist, 107, etc. G. J. Vossius,
-Historia pelagiana 1655 p. 578 sq. Comment. op Sent. I dist.
-17. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de
-Justif. I c. 10. III c. 2 sq. Conc. Trid. sess. 6 cap. 9 can. 13,
-14, en later bij de leer des geloofs. Wel erkennen echter de
-Roomsche godgeleerden de certitudo fidei ten opzichte van de
-objectieve waarheden der openbaring. Facilius, zeide Augustinus,
-Conf. 7, 10, dubitarem vivere me, quam non esse veritatem,
-<span class="pagenum" id="Page_480">[480]</span>
-quae per ea, quae facta sunt, intellecta conspicitur. Albertus
-Magnus maakte onderscheid tusschen geloof in de philosophie en
-in de theologie. Daar is geloof niets anders dan credulitas en geen
-weg tot kennis; maar in theologicis fides lumen est, certissimam
-faciens adhaesionem et assensum.... et ideo est via et medium
-ad scientiam veritatis divinorum, bij Stöckl, Philos. der M. A.
-II 365, cf. verder Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 8. Bellarminus,
-de Justif. III c. 2. Billuart, Summa S. Thomae VIII
-p. 86 sq. Dens, Theol. II 241 sq. Daelman, Theol. I p. 12 sq.
-En daarmede stemmen over het algemeen de Protestantsche
-theologen overeen. Niemand heeft krasser en sterker deze zekerheid
-des geloofs uitgesproken dan Calvijn. Het geloof is bij hem
-certa, firma, plena et fixa certitudo, meer certitudo dan apprehensio,
-cordis fiducia et securitas, enz. Inst. I, 7, 5; II, 2, 8;
-III, 2, 14 v., 14, 8; 24, 4, enz. Zoowel bij Luthersche als
-Gereformeerde theologen is het geloof een firmus assensus, eene
-certa cognitio, die allen twijfel en alle onzekerheid buitensluit,
-Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 299 f. Hase, Hutt. Rediv.
-§&nbsp;108. Heid. Catech. vr. 21. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 384 f.</p>
-
-<p class="sep2">6. Door de wetenschap, bepaaldelijk door de wijsbegeerte,
-is aan deze geloofszekerheid over het algemeen weinig aandacht
-gewijd. Eerst Kant heeft ze in gewijzigden zin opgenomen
-en erkend. Kant nam in hoofdzaak drie soorten van zekerheid
-aan. De eerste is de empirische, problematische zekerheid, welke
-berust op eigen of anderer waarneming en bestaat in een meenen,
-in een theoretisch of practisch gelooven. Vervolgens is er eene
-logische, wetenschappelijke, apodictische zekerheid, die weer tweeledig
-is en of een intuitief, zooals in de mathesis, of, gelijk in
-de philosophie, een discursief karakter draagt. Dit zijn dezelfde
-soorten van zekerheid, die ook reeds in de grieksche philosophie
-werden aangenomen. Maar bij deze ruimt Kant nu ook nog eene
-plaats in voor de moreele, assertorische zekerheid. Het bovenzinlijke
-en het bovennatuurlijke is n.l. volgens Kant onkenbaar.
-God heeft de kennis daarvan met opzet ons onthouden, opdat
-wij de bestemming van den mensch niet in het weten zouden
-stellen maar in het handelen, in de vervulling zijner zedelijke
-roeping. Met het oog op deze ethische bestemming neemt de
-mensch de waarheid van sommige stellingen aan, zonder welke
-<span class="pagenum" id="Page_481">[481]</span>
-hij deze ethische taak niet vervullen kan. Zoo gelooft hij op
-practische, psychologische gronden aan het bestaan van God, de
-ziel en de onsterfelijkheid. Dit is moreel geloof. De zekerheid,
-welke de mensch door dit geloof verkrijgt, is niet theoretisch
-van aard, maar practisch, moreel. Zij doet hem zeggen, niet:
-ik ben zeker; noch ook: het is moreel zeker; maar: ik ben
-moreel zeker. Er is dus drieërlei zekerheid, eene empirische,
-logische en moreele, uitgedrukt en weergegeven door de woorden
-meenen, weten en gelooven, Kritik der reinen Vernunft, Methodenlehre
-II 3, ed. Kirchmann S. 632 f. De wijsbegeerte na
-Kant heeft deze leer der zekerheid van Kant wel ten deele overgenomen,
-maar er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd. Cf.
-Dr. Franz Grung, Das Problem der Gewissheit, Heidelb. 1886.</p>
-
-<p>Daarentegen heeft Kants leer van de moreele zekerheid op de
-theologie grooten invloed geoefend. Toen de autoriteit van Schrift
-en kerk was ondermijnd, heeft men in haar het fundament van
-religie en theologie gezocht. De bekende tekst Joh. 7:17, door
-Kant zelven reeds aangewend, Rel. innerhalb der Gr. usw. ed.
-Rosenkranz S. 135, is het uitgangspunt van deze richting geworden.
-Inderdaad ligt er in deze moreele zekerheid eene diepe
-waarheid, en dankbaar mag erkend, dat Kant haar eene plaats
-heeft ingeruimd in zijne philosophie. Van de onzienlijke dingen
-hebben we eene gansch andere zekerheid dan van die, welke wij
-met onze zintuigen kunnen waarnemen of met ons denken kunnen
-bewijzen. Het geloof aan de dingen, die men hoopt en niet ziet,
-gaat ook niet om buiten den wil, buiten de zedelijke gesteldheid
-en de geestelijke ervaring. Maar toch verdient het geen aanbeveling,
-om de geloofszekerheid van de H. Schrift, van de gemeente
-en van de christelijke theologie in te wisselen voor de
-moreele zekerheid van Kant. Vooreerst is de opmerking niet overbodig,
-dat zekerheid altijd een toestand is van het bewustzijn.
-De menschelijke geest kan ten aanzien van eene vraag of eene
-stelling in een verschillenden toestand verkeeren; hij kan er
-tegenover staan in een toestand van onzekerheid, twijfel, vermoeden,
-meening, enz. maar ook in een toestand van volstrekte zekerheid.
-Zekerheid is de rust van het menschelijk bewustzijn in de gevonden
-en erkende waarheid. Het verstand streeft n.l. naar kennis,
-naar waarheid. Dat is de aard en de natuur van het verstand;
-het ware is zijn goed, zijn rijkdom, de vervulling van zijne behoefte.
-<span class="pagenum" id="Page_482">[482]</span>
-Wanneer het die waarheid vindt is het daarom bevredigd;
-het rust daarin, het voelt zich veilig en zeker. Zekerheid is rust,
-vrede, vreugde, zaligheid; in veritate requies. Zekerheid is de
-normale toestand van den menschelijken geest, evenals de gezondheid
-die van het lichaam. Twijfel, onzekerheid daarentegen is
-onrust, onvrede, ellende. Strikt genomen is dus niet de zekerheid
-zelve moreel; zij heet alleen zoo, wijl de gronden, waarop de
-waarheid bij haar rust, van moreelen aard zijn. Maar vervolgens
-zijn de gronden, waarop de wetenschappelijke en de moreele waarheid
-rust, niet alzoo als theoretisch en practisch van elkander
-te scheiden en tegenover elkander te stellen. Er bestaat in de
-werkelijkheid zulk een dualisme niet, als Kant in zijne tweeërlei
-zekerheid aanneemt. Subjectief zijn hoofd en hart, en objectief
-zijn de zienlijke en onzienlijke dingen niet alzoo in tweeën te
-deelen. Het hart oefent ook invloed bij het wetenschappelijk onderzoek.
-De πιστις in ruimen zin neemt ook daar eene groote plaats
-in. Veel van wat in de wetenschap voor vast en zeker doorgaat,
-rust op moreele of immoreele gronden. En omgekeerd is het toch
-het bewustzijn, dat ook bij de moreele zekerheid de zedelijke
-gronden weegt en beoordeelt, waarop eene of andere stelling als
-waar wordt erkend en aangenomen. De wil moge het verstand
-tot het aannemen van eene of andere waarheid bewegen; dat
-aannemen zelf is toch eene daad des verstands; en het verstand
-kan dit alleen doen, wijl het zelf in meerdere of mindere mate
-de waarheid erkent en inziet. De geloofszekerheid komt niet tot
-stand door theoretische bewijzen maar evenmin door een wilsbesluit.
-Eindelijk zijn er vroeger reeds tegen de postulaatstheorie
-van Kant verschillende bezwaren ingebracht. Ze kunnen nog vermeerderd
-worden met deze vragen: komt het overeen met de
-natuur der ware zedelijkheid, die toch ook in ootmoed, nederigheid
-enz. bestaat, om op grond van onze zedelijke natuur en
-bestemming het bestaan van God en van de onsterfelijkheid te
-postuleeren? blijft de moreele zekerheid ook dan nog haar kracht
-behouden, als de zedelijke mensch in zonden valt, in aanvechting
-en bestrijding verkeert, en door den twijfel heen en weer wordt
-geslingerd? zijn zedelijke gronden voldoende, om tegenover de
-bestrijding der wetenschap daarop het geloof aan Gods bestaan,
-het bewustzijn der vergeving, de hope der zaligheid te bouwen?
-Maar al ware de moreele zekerheid ook genoegzaam voor den
-<span class="pagenum" id="Page_483">[483]</span>
-wijsgeer, zij is onbruikbaar voor den Christen. Want al kon de
-Vernunftreligion van Kant op haar als op een vasten grondslag
-rusten; zij is niet in staat, om de waarheid der christelijke religie
-te dragen.</p>
-
-<p>Om al deze redenen kan de moreele zekerheid van Kant de
-christelijke geloofszekerheid niet vervangen. Ten overvloede
-wordt dit nog bewezen door het onderscheid, dat Kant maakt
-tusschen meenen, gelooven en weten. Meenen was volgens hem
-een voor waar houden op onvoldoende, gelooven op subjectief
-voldoende en weten op objectief voldoende gronden, Kritik der
-reinen Vern. ed. Kirchmann S. 632 f. Nu is dit onderscheid
-juist ten aanzien van het gelooven in het dagelijksch leven en
-met betrekking van zulke dingen, die geweten kunnen worden.
-Dan is inderdaad gelooven een mindere en zwakkere graad
-van het weten. Maar in de religie is geloof de zekerheid zelve.
-Juister werd het onderscheid reeds door Augustinus bepaald.
-Hij zegt: tria sunt item velut finitima sibimet in animis hominum
-distinctione dignissima: intelligere, credere, opinari. Quae si per
-se ipsa considerentur, primum semper sine vitio est, secundum
-aliquando cum vitio, tertium nunquam sive vitio, de util. cred.
-c. 11. Inter credere autem atque opinari hoc distat, quod
-aliquando ille, qui credit, sentit se ignorare quod credit, quamvis
-de re, quam se ignorare novit, omnino non dubitet, sic enim
-firme credit; qui autem opinatur, putat se scire, quod nescit,
-de mendac. c. 3. Thomas omschrijft het onderscheid aldus: de
-ratione opinionis est quod accipiatur unum cum formidine alterius
-oppositi; unde non habet firmam inhaesionem. De ratione vero
-scientiae est quod habeat firmam inhaesionem cum visione intellectiva;
-habet enim certitudinem procedentem ex intellectu principiorum.
-Fides autem medio modo se habet; excedit enim
-opinionem in hoc quod habet firmam inhaesionem; deficit vero a
-scientia in eo quod non habet visionem, S. Theol. II 1 qu. 67
-art. 3. In gelijken zin gaf Zanchius deze definitie: opinio is
-eene cognitio neque certa neque evidens, fides is eene cognitio
-certa sed non evidens, scientia is eene cognitio aeque certa ac
-evidens, Op. II 196. Gelooven en weten zijn dus niet in zekerheid
-onderscheiden. Het geloof brengt eene even sterke zekerheid
-mede als het weten. Ja de geloofszekerheid is van beide de
-intensief sterkste; zij is schier onwankelbaar en onuitroeibaar.
-<span class="pagenum" id="Page_484">[484]</span>
-Voor het geloof heeft iemand zijn leven en alles veil. Galilei
-zwoer tot driemalen toe zijn geloof af aan het Kopernikaansche
-stelsel. Kepler hield zich tegen zijne overtuiging te Graz bezig
-met de astrologie om in zijn onderhoud te voorzien; de behoeftige
-moeder (astronomie) moest leven van de dwaze dochter
-(astrologie). Wie geeft voor eene wetenschappelijke thesis, bijv.
-dat de aarde om de zon draait, zijn leven prijs? Maar de
-religie kweekt martelaars. De geloofszekerheid gaat in intensieve
-kracht de wetenschappelijke zekerheid ver te boven. Bonaventura
-maakt echter in de zekerheid terecht onderscheid tusschen de
-certitudo adhaesionis en de certitudo speculationis, Sent. III dist.
-23 art. 1 qu. 4, cf. Stöckl. Philos. des M. A. II 883. De
-eerste is bij de geloofszekerheid grooter dan bij de wetenschappelijke
-zekerheid, want dikwerf zijn geen argumenten, geen
-vleierijen, geen pijnigingen in staat, om iemand in zijn geloof
-aan het wankelen te brengen. Hij klemt met heel zijn ziel aan
-het voorwerp des geloofs zich vast. Maar de certitudo speculationis
-behoeft wel niet altijd, maar kan soms toch sterker zijn
-in de wetenschap dan in het geloof. Het is dezelfde gedachte,
-die Augustinus uitsprak: weten is altijd sine vitio, maar gelooven
-geschiedt aliquando cum vitio. Het gelooven zelf is geen bewijs
-voor de waarheid van het geloofde. Er is groot verschil tusschen
-subjectieve verzekerdheid en objectieve waarheid. Alles hangt
-bij het geloof van de gronden af, waarop het rust.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;18. <span class="smcap">De grond des geloofs.</span></h3>
-
-<p>1. Zoodra de christelijke theologie ernstig ging nadenken
-over den laatsten en diepsten grond des geloofs, kwam zij tot
-de erkentenis, dat geen enkel verstandelijk of historisch bewijs,
-voor de waarheid der openbaring aangevoerd, ten slotte daarvoor
-gelden kon. De apologeten der 2<sup>e</sup> eeuw hechtten aan die bewijzen
-groote waarde, boven <a href="#Page_423">bl. 423</a>, en legden er tegenover
-het heidensch naturalisme nadruk op, dat het geloof eene redelijke,
-vrije daad was van den mensch, Just. M. Dial. c. 88.
-102. 131. Theophilus, ad Autol. II 27. Irenaeus, adv. haer.
-IV 37, 5, enz. Maar toch vinden wij ook bij hen reeds het
-<span class="pagenum" id="Page_485">[485]</span>
-besef, dat al die bewijzen onmachtig zijn, om iemand metterdaad
-te bewegen tot het geloof. Daartoe is nog iets anders en meer
-van noode, n.l. de goddelijke genade, Just. M. Dial. c. 119.
-Apol. 1, 10. 2, 10. Iren. adv. haer. IV 39, 2. Orig. de princ.
-I 10, 14, 19. Irenaeus vergelijkt haar bij den dauw en den
-regen, die den akker vruchtbaar maakt, ib. III 17, 2, 3.
-Maar Augustinus was de eerste, die de noodzakelijkheid der
-gratia interna duidelijk inzag en beleed. Hij schrijft elders
-groote waarde toe aan de kerk als motief des geloofs; maar
-zijne leer van de gratia interna bewijst, dat deze voor hem
-niet was de laatste en diepste oorzaak van zijn geloof. Dat was
-God alleen. Operatur Deus fidem nostram miro modo agens in
-cordibus nostris, ut credamus, de praed. sanct. 2, 6. Immers,
-gelooven is altijd vrijwillig, nemo credit nisi volens. En God
-buigt daarom door zijne genade den wil en doet ons gelooven
-met het verstand, Conf. 13, 1. de div. quaest. 1 qu. 2 n. 21,
-de praed. sanct. 19, de dono persev. 16, enz. Ook de latere
-theologen hebben groote kracht aan de praeambula fidei en de
-motiva credibilitatis toegekend; en onder deze nam de kerk hoe
-langer hoe voornamer plaats in. Maar allen geven toe, dat die
-motiva de openbaring non evidenter veram maar slechts evidenter
-credibilem maken. Zij sluiten redelijken twijfel uit, en toonen
-dat het niet onredelijk is, om te gelooven en wel onredelijk, om
-het tegendeel aan te nemen, Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art.
-5 ad. 2. S. c. Gent. I c. 9. Maar afdoende zijn ze niet. Ja,
-Thomas zegt uitdrukkelijk bij gelegenheid dat hij handelt over
-de philosophische bewijzen voor de triniteit: qui autem probare
-nititur trinitatem personarum naturali ratione, fidei derogat, S.
-Theol. I qu. 32 art. 1. Tegenover tegenstanders baten bewijzen
-weinig, quia ipsa rationum insufficientia eos magis in suo errore
-confirmaret, dum aestimarent nos propter tam debiles rationes
-veritati fidei consentire, S. c. Gent. I c. 9. De openbaring moge
-door de bewijzen nog zoo geloofwaardig gemaakt worden, ze is
-en blijft toch eene geloofswaarheid, Bellarm. de Conc. et Eccl.
-IV 3. Ze moet dat bij Rome ook nog om deze reden blijven,
-wijl anders de vrijwilligheid en daardoor de verdienstelijkheid
-des geloofs te loor zou gaan, Thomas S. Theol. II 2. qu. 2
-art. 9 en 10. Het geloof neemt dus de waarheid aan niet op
-grond van eigen inzicht, maar van goddelijke autoriteit. Non
-<span class="pagenum" id="Page_486">[486]</span>
-enim fides assentit alicui, nisi quia est a Deo revelatum, Thomas,
-S. Theol. II 2 qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I c. 9. Becanus, II
-2. p. 3-17. Billuart, II 2. Tom. 1 de fide p. 1 sq. Dens,
-II 280 sq. Jansen I 701-711. En om die autoriteit Gods
-te erkennen, moet er in den mensch eene verandering van den
-wil voorafgaan. Gelooven is wel eene daad des verstands, Thomas
-S. Theol. II 2. qu. 4 art. 2, maar het onderstelt eene buiging
-van den wil door de genade. Het verstand moet tot het geloof
-door den wil gedetermineerd worden, S. Theol. II 2 qu. 2 art.
-1 ad. 3. De assensus fidei is dus alleen a Deo, interius movente
-per gratiam, ib. I qu. 62 art. 2 ad 3. II 1 qu. 109 art. 6. qu.
-112 art. 2. II 2 qu. 6 art. 1. Gregorius XVI veroordeelde in
-de breve van 26 September 1835 het gevoelen van Hermes, dat
-de motiva credibilitatis de eigenlijke grond des geloofs aan de
-openbaring waren. En het Vaticaansch Concilie stelde vast in
-sess. 3, Const. dogm. de fide cap. 3, dat de motieven de goddelijke
-openbaring wel credibilis konden maken, nemo tamen
-evangelicae praedicationi consentire potest, sicut oportet ad
-salutem consequendam absque illuminatione et inspiratione
-Spiritus Sancti.</p>
-
-<p class="sep2">2. Feitelijk neemt Rome daarmede hetzelfde subjectieve standpunt
-in als de kerken der Hervorming. De motieven, hoe sterk
-ook, kunnen niet metterdaad bewegen tot het geloof. Het is
-Gods Geest alleen, die iemand inwendig vast en zeker overtuigen
-kan van de waarheid der goddelijke openbaring. De diepste grond
-voor het geloof is ook bij Rome niet de Schrift of de kerk,
-maar het lumen interius. Verschillende theologen hebben dit ook
-erkend. Duidelijkshalve moge de akte des geloofs voor een oogenblik
-in een syllogisme worden ontleed. De maior luidt dan:
-God is waarachtig; indien Hij zich openbaart, moet zijne openbaring
-in geloof worden aangenomen; de minor heet: deze feiten,
-b. v. de kerk, de Schrift zijn openbaringen Gods; en dan volgt
-de conclusie: dus moeten deze ook geloofd worden. Over den
-major is er geen verschil. Deze staat vast krachtens de idee
-Gods en wordt door allen erkend. Niemand ontkent, dat, <span class="esp">indien</span>
-God zich openbaart, Hij ook als de waarachtige geloof verdient.
-Des te meer komt alles aan op den minor. Het verschil loopt
-juist hierover, of en waar God zich geopenbaard heeft. De geloovige
-<span class="pagenum" id="Page_487">[487]</span>
-Christen zegt: in de Schrift of ook in de kerk. Maar
-hoe en waarom worden deze als openbaring Gods erkend? Indien
-op grond van bewijzen, van de motiva credibilitatis; dan is die
-grond menschelijk, feilbaar, en het geloof niet zuiver religieus
-en zeker. De openbaring Gods kan in religieusen zin alleen worden
-geloofd op grond van Gods autoriteit. Maar die autoriteit
-Gods laat zich alleen hooren, òf buiten mij, in de Schrift of de
-kerk, naar wier laatsten geloofsgrond ik juist onderzoek doe;
-òf binnen in mij, in de genade die mij tot het geloof beweegt,
-in het lumen interius, het testimonium Sp. S. Wie de autoriteit
-Gods als laatsten grond des geloofs en dus het geloof in zijn
-religieuse natuur handhaven wil, moet een van deze beide standpunten
-innemen. Nu zei Canus zonder aarzelen, dat de laatste
-grond lag in de genade, die hem inwendig tot het geloof bewoog.
-Ik geloof, sprak hij, dat God drieëenig is, wijl God het heeft
-geopenbaard; huic autem: Deus revelavit, immediate credo, a
-Deo motus per instinctum specialem, Loc. Theol. l. 2 c. 8 ad 4.
-Bij Canus lag dus de laatste grond voor zijn geloof objectief in
-de getuigenis Gods; maar dat hij deze getuigenis als goddelijk
-erkende, was te danken aan de genade, die zijn wil en verstand
-tot het gelooven bewoog. Dit gevoelen van Canus werd wel door
-enkele andere Roomsche godgeleerden, zooals Arragon, Gonet,
-enz. overgenomen; Prof. Hayd, Philos. Jahrbuch von Gutberlet
-III 1890 S. 27 sprak zelfs van een onmiddellijk getuigenis Gods
-in ons, dat ons de goddelijkheid van Jezus’ persoon en leer
-verzekert. Maar er werd toch door velen deze bedenking tegen
-ingebracht, dat Canus eigenlijk geen antwoord geeft op de vraag,
-op welken grond hij de getuigenis Gods in de Schrift en de
-kerk als goddelijk aanneemt. Hij zegt alleen, dat God het hem
-alzoo inwendig door zijne genade te gelooven geeft, maar legt
-er geen verdere rekenschap van af. Bovendien beval zich dit gevoelen
-van Canus ook daarom niet aan, wijl het, gelijk Suarez
-reeds opmerkte, zooveel overeenkomst had met en zoo licht verleiden
-kon tot de leer van Calvijn over het testimonium Spiritus
-Sancti. Daarom waren de Roomsche theologen erop bedacht, om
-den laatsten grond des geloofs elders te zoeken dan in het lumen
-interius. Suarez was van oordeel, dat niet alleen het voorwerp,
-maar ook de grond des geloofs zelf weer eene zaak des geloofs
-is. Wij gelooven niet alleen dat de Schrift waar is, wijl God
-<span class="pagenum" id="Page_488">[488]</span>
-zich daarin heeft geopenbaard; maar ook het feit, dat God zich
-daarin heeft geopenbaard, gelooven wij, omdat God zelf het in
-de Schrift getuigt. De openbaring is tegelijk het quo en het quod
-creditur. Unus enim et idem actus credit Deum et Deo. Gelijk
-het oog de kleuren en tevens het licht, waardoor die kleuren
-zichtbaar worden, waarneemt; gelijk de rede de afgeleide waarheden
-kent en tevens de principia, waardoor ze kenbaar zijn; zoo
-ook kent het geloof zoowel de geopenbaarde waarheden, als de
-getuigenis, waarop ze rusten, als goddelijk. Zeer vele theologen,
-ook in den nieuweren tijd, hebben met dit gevoelen van Suarez
-hun instemming betuigd, maar het bevredigde niet allen. De
-cirkelredeneering was toch duidelijk: de Schrift wordt geloofd,
-wijl ze geopenbaard is, en dat ze geopenbaard is, wordt wederom
-geloofd, wijl de Schrift het getuigt. Het leidt ook tot een
-progressus in infinitum: ik geloof eene openbaring, omdat eene
-andere openbaring het getuigt enz. Wel antwoordt Suarez op
-deze bedenking, dat de openbaring om zichzelve moet geloofd
-worden; dat God, zich openbarend, ook daarin tegelijk openbaart,
-dat <i>Hij</i> het is, die zich openbaart. Maar altijd blijft toch de
-vraag nog open, waarom gelooven wij het getuigenis, waarbij
-God verklaart, dat Hij het is, die zich heeft geopenbaard. Lugo
-leerde daarom, dat het aannemen van het feit, dat God zich in
-de Schrift geopenbaard heeft, wel bovennatuurlijk was, maar dat
-het toch niet in eigenlijken zin geloof kon worden genoemd. Gelooven
-toch is altijd iets voor waar aannemen op grond van een
-getuigenis. Indien nu het aannemen van het feit, dat God zich
-geopenbaard heeft, een gelooven ware in eigenlijken zin, dan
-onderstelde dit wederom een goddelijk getuigenis, en zoo in infinitum.
-Lugo nam daarom aan, dat het erkennen van het feit der
-openbaring niet rustte op het getuigenis Gods, maar daarop, dat
-de geloovige de openbaring zelve met haar wonderen, profetieën
-enz. onmiddellijk en rechtstreeks als openbaring inzag, evenals
-de rede de waarheid der principia onmiddellijk erkent. De openbaring
-kondigt zich zelve door haar inhoud als goddelijk aan,
-evenals naar het beeld van Thomas, S. Theol. III qu. 43 art. 1
-een gezant zich door den inhoud zijner boodschap, bv. door geheimen,
-die alleen zijn lastgever weten kan, verifieert. Maar deze
-voorstelling stuit weder op het bezwaar, dat deze erkenning der
-openbaring òf werkelijk onmiddellijk is, in welk geval zij eene
-<span class="pagenum" id="Page_489">[489]</span>
-nieuwe openbaring wordt in het subject, eene aanschouwing van
-het goddelijke, die we hier op aarde, als wandelende in het geloof,
-niet deelachtig worden; òf dat ze feitelijk middellijk is,
-maar dan ook voortvloeit uit de indicia en criteria der openbaring,
-en alzoo wederom komt te rusten op de bewijzen voor
-de openbaring, op de motiva credibilitatis. Ook deze oplossing
-is dus onbevredigend. Daarom hebben wederom anderen gezegd:
-het getuigenis Gods is de laatste grond des geloofs. Op de vraag:
-waarom gelooft gij? antwoordt de Christen: omdat God gesproken
-heeft. Deus dixit. Een anderen, dieperen grond kan hij in dezen
-niet aangeven. Als hem verder wordt gevraagd: maar waarom
-gelooft gij, dat God gesproken heeft, bijv. in de Schrift? dan
-kan hij alleen nog ten antwoord geven, dat God hem inwendig
-alzoo bewerkt, dat hij die Schrift als Gods woord erkent. Maar
-daarmede heeft hij ook alles gezegd. Het getuigenis Gods is de
-grond, maar de genade, de wil is de oorzaak des geloofs. De
-bewijzen mogen motiva credibilitatis zijn, de wil is ten slotte
-het motivum credendi. Boven kritiek is ook dit standpunt niet
-verheven. Want er kan gevraagd worden en er is ook werkelijk
-gevraagd, welken grond het <i>verstand</i> heeft, om de Schrift als
-woord Gods aan te nemen. Het antwoord, dat de wil of de genade
-het verstand daartoe beweegt, is onvoldoende. De wil kan
-het verstand toch niet bewegen, om iets voor waar aan te nemen
-zonder grond, waarvan het zelf het geloofwaardige niet inziet.
-Het verstand moet immers zelf erkennen, dat iets goddelijk is
-en daarom geloof verdient. Anders is het geloof onredelijk en
-maakt de geloovige met een sic volo, sic jubeo, stat pro ratione
-voluntas van de moeilijkheid zich af. Ook de Roomsche godgeleerden
-hebben daarom op de vraag naar den diepsten grond des
-geloofs geen allen bevredigend antwoord weten te geven. Zeer
-velen onthouden zich eenvoudig van eene beslissing en laten de
-keuze tusschen de verschillende bovengenoemde gevoelens vrij.
-Genoeg, om te doen zien, dat ook Rome met zijne onfeilbare kerk
-en zijn onfeilbaren paus niets vóór heeft boven de kerken der
-Hervorming. De diepste grond van het geloof ligt ook bij Rome,
-evengoed als bij het Protestantisme, in het subject. Cf. Denzinger,
-Vier Bücher von der rel. Erk. II 486-500. Kleutgen, Theol.
-der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. IV 473-532. Von Schäzler, Neue Untersuchungen
-über das Dogma von der Gnade und das Wesen des
-<span class="pagenum" id="Page_490">[490]</span>
-Glaubens, Mainz 1867 S. 513-537. Al. Schmid, Untersuchungen
-über den letzten Gewissheitsgrund des Offenbarungsglaubens,
-München, 1879. Jansen, Praelect. Theol. I 711-724.</p>
-
-<p class="sep2">3. De Reformatie nam welbewust en vrij haar standpunt in
-het religieuse subject, in het geloof van den Christen, in het
-getuigenis des H. Geestes. Wel is waar komen er bij Luther,
-Zwingli en Melanchton slechts enkele uitspraken voor over het
-testimonium Spiritus Sancti, Köstlin, Luthers Theol. I 279, II
-254 f. Scholten, L. H. K. I 186 v. Maar Calvijn heeft deze
-leer breedvoerig ontwikkeld en haar in verband gebracht niet
-alleen met den inhoud maar ook met den vorm en het gezag
-der Schrift. Dat de Schrift Gods woord is, zegt Calvijn, staat
-niet vast door de kerk, maar stond vast vóór haar besluit, want
-de kerk is gegrond op het fundament van apostelen en profeten.
-De Schrift brengt haar eigen gezag mede, zij rust in zichzelve,
-zij is αὐτοπιστος. Evenals het licht van de duisternis, de witte
-van de zwarte kleur, het zoet van het bitter onderscheiden is,
-zoo wordt de Schrift door haar eigen waarheid onderkend. Maar
-zekerheid bij ons krijgt die Schrift als Gods woord alleen door
-het getuigenis des H. Geestes. Bewijzen en redeneeringen zijn
-wel veel waard, maar dit getuigenis gaat ze alle in waarde verre
-te boven, het is omni ratione praestantius. Gelijk God alleen van
-zichzelf getuigen kan in zijn woord, zoo vindt zijn woord niet
-eerder geloof in het hart der menschen, dan nadat het door het
-inwendig getuigenis des Geestes bezegeld wordt. Dezelfde Geest,
-die door den mond der profeten sprak, moet in onze harten
-werken en ons overtuigen, dat zij getrouw hebben overgeleverd
-hetgeen hun van God bevolen was. De H. Geest is daarom zegel
-en bevestiging van het geloof der vromen. Indien we dat getuigenis
-in ons hebben, rusten we niet in eenig menschelijk oordeel,
-maar stellen ontwijfelbaar vast, alsof we God zelf in haar aanschouwden,
-dat de Schrift uit Gods mond door den dienst van
-menschen is voortgekomen. Wij onderwerpen ons aan haar ut rei
-extra aestimandi aleam positae. Maar dat moet niet zoo worden
-verstaan, alsof we ons blindelings onderwierpen aan eene zaak,
-die ons onbekend is. Neen, wij zijn ons bewust, dat wij in die
-Schrift de onoverwinbare waarheid bezitten en voelen non dubiam
-vim numinis illic, vigere ac spirare, waardoor wij, willens en
-<span class="pagenum" id="Page_491">[491]</span>
-wetens en toch levendig en krachtig tot gehoorzaamheid gedrongen
-worden, Inst. I c. 7. Comm. in 2 Tim. 3:16. Calvijn wist in
-deze leer van het testimonium Sp. S. geen private openbaring,
-maar de ervaring aller geloovigen te beschrijven, Inst. I, 7, 5.
-Dit getuigenis des H. G. was bij hem ook niet geïsoleerd van,
-maar stond in het nauwste verband met heel de werkzaamheid
-des H. G. in het hart der geloovigen; door haar alleen ontstaat
-en bestaat de gansche kerk; heel de toepassing des heils is een
-werk van den H. Geest; en het getuigen aangaande de Schrift
-is maar eene van de vele werkzaamheden des H. G. in de gemeente
-der geloovigen. Het testimonium Sp. S. geeft ook geen
-nieuwe openbaringen, maar maakt den geloovige vast ten aanzien
-van de waarheid Gods, die volledig in de Schrift is vervat; het
-maakt dat het geloof eene cognitio certa is en allen twijfel buitensluit.
-En het vindt ten slotte zijne analogie in het getuigenis,
-dat ons geweten geeft aan de wet Gods, en in de zekerheid,
-die we hebben aangaande Gods bestaan. Cf. Klaiber, Die Lehre
-der altprot. Dogm. <ins id="cor_47" title="van">von</ins> dem test. Sp. S., Jahrb. f. deutsche
-Theol. 1857 S. 1-54. Aug. Benezeh, Théorie de Calvin sur
-l’Ecriture Sainte, Paris 1890. Jacq. Pannier, Le témoignage du
-Saint-Esprit, Paris 1893. Deze leer van het testim. Sp. S. werd
-opgenomen in de Fransche, Nederl. en Westminstersche geloofsbelijdenis
-en in Calvijns geest ontwikkeld door Ursinus, Tract.
-Theol. p. 12, 13. Zanchius, Op. VIII col. 332 sq. Polanus, Synt.
-Theol. I cap. 16. Trigland, Antapologia p. 42 sq. Maccovius,
-Loci Comm. p. 28. Alsted, Theol. schol. didact. 1618 p. 10 sq.
-29 sq. Maresius, Syst. Theol. I §&nbsp;33 e. a. Ook buiten de Geref.
-theologie vond ze ingang bij de Lutherschen, nog niet bij Chemniz,
-Heerbrand enz. maar wel bij Hutter, Hunnius, Gerhard, Loc.
-Theol. loc. 1 cap. 3 §&nbsp;39. Quenstedt, Hollaz, cf. Hase, Hutterus
-Rediv. §&nbsp;37, 45. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6<sup>e</sup> Aufl. S.
-31. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 1-54. Dorner, Gesch.
-der Prot. Theol. S. 539-549.</p>
-
-<p>Maar deze leer vond bestrijding van den kant van het Socinianisme,
-Fock, der Socinianismus 336 f.; van het Remonstrantisme,
-Episcopius, Instit. Theol. Lib. 4 Sect. 1 cap. 5 §&nbsp;2. Limborch,
-Theol. Christ. I c. 4 §&nbsp;17, en van het Romanisme, Bellarminus,
-de verbo Dei IV 4; cf. Pannier, Le témoignage du S.
-Esprit p. 140 s. Langzamerhand begon het testimonium internum
-<span class="pagenum" id="Page_492">[492]</span>
-ook in de Geref. theologie zijne eereplaats te verliezen. Bij Turretinus,
-Theol. El. II qu. 6 §&nbsp;11 sq. en Decas disput. miscell.
-p. 30-70, Amyraldus, Syntagma thesium theol. in acad. Salmur.
-1665 p. 117-143, Molinaeus, Juge des controverses, chap. 16,
-17 e. a. wordt het reeds verzwakt, en vereenzelvigd met zoodanige
-verlichting des H. Geestes, waardoor het verstand in staat
-wordt gesteld, om de notae en criteria van de goddelijkheid der
-H. Schrift op te merken. Het geloof sluit zich niet rechtstreeks
-en onmiddellijk meer aan de Schrift aan, maar vloeit uit het
-inzicht in de veritatis et divinitatis notae voort. Tusschen de
-Schrift en het geloof worden de kenmerken van de waarheid der
-Schrift ingeschoven. Eerst nog in dien zin, dat het opmerken en
-onderkennen van die criteria aan eene verlichting des verstands
-door den H. Geest wordt toegeschreven. Maar het rationalisme
-achtte spoedig ook deze onnoodig, droeg het onderzoek van de
-waarheid der openbaring op aan de rede, en grondde het gezag
-der Schrift op historische bewijzen. Zelfs rechtzinnige theologen
-durfden nauwelijks meer spreken van het testimonium internum,
-Brakel, Red. godsd. 2:7. Marck, Merch der Godg. 2:6. Als
-het getuigenis des H. G. nog ter bevestiging van het gezag der
-Schrift ter sprake wordt gebracht, komt het geheel achteraan,
-en wordt het in een ervaringsbewijs veranderd, Reinhard, Dogm.
-5<sup>te</sup> Aufl. S. 69. Bretschneider, Dogm. 1838 I 283 en de daar
-aangeh. litt. Hase, Hutterus Rediv. §&nbsp;37, noot 4. Vinke, Theol.
-Christ. dogm. Comp. p. 21, 22 enz. Michaelis, Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl.
-Gött. 1784 S. 92, verklaarde, dat hij nooit zulk een getuigenis
-des H. G. in zijn hart vernomen had en ook in de Schrift niet
-vond. En Strauss, Gl. I 136, beweerde, dat het testimonium Sp.
-S. tot fanatisme of tot rationalisme leidde en de Achilleshiel
-was van het Protestantsche systeem.</p>
-
-<p>Verschillende oorzaken hebben er echter toe medegewerkt, om
-deze leer van het testimonium internum toch weer eenigermate
-in hare eer te herstellen. De kritiek van het rationalisme door
-Kant; het bewijs des Geistes und der Kraft, waarop Lessing zich
-beriep; de romantiek van Jacobi en Schleiermacher, en de onvruchtbaarheid
-der apologetiek hebben de overtuiging doen geboren
-worden, dat de rechtvaardiging van de christelijke religie
-uitgaan moet van het geloof der gemeente. Religieuse waarheid
-moet op andere wijze bewezen worden dan eene stelling uit de
-<span class="pagenum" id="Page_493">[493]</span>
-mathesis. Aan de openbaring die het principium externum der
-religie is, moet een correspondeerend orgaan in den mensch zelf
-beantwoorden. Wel verschilt dit alles nog zeer veel van het
-testimonium Sp. S., gelijk het door Calvijn ontwikkeld werd.
-Dikwerf wordt dit getuigenis door de nieuwere theologen van
-heel zijn bovennatuurlijk karakter beroofd. Gewoonlijk wordt het
-in verband gebracht niet met den vorm, maar alleen met den
-inhoud, en soms alleen met den religieus-ethischen inhoud der
-Schrift. Maar evenals de Roomsche, zoo moeten ook de Protestantsche
-theologen erkennen, dat de laatste en diepste grond des
-geloofs niet buiten ons liggen kan in bewijzen en redeneeringen,
-in kerk en traditie, maar alleen gevonden kan worden in den
-mensch zelf, in het religieuse subject. En die overtuiging komt
-aan de leer van het testimonium Sp. S. ten goede. Een enkele
-moge het nog voor de historische bewijzen opnemen en het testimonium
-Sp. S. bestrijden, zooals König, Der Glaubensakt des
-Christen 1891 S. 92-99. Id. Die letzte Instanz des bibl. Glaubens
-1892 S. 23 f. De meeste theologen nemen het weer op in
-de dogmatiek, en ruimen er eene grootere of kleinere plaats voor
-in, Oosterzee, Jaarb. v. wet. Theol. 1845. Dogm. I 242. Scholten
-L. H. K. I 115-233. Twesten I 433-7. Klaiber, Jahrb. f.
-d. Theol. 1857. Lange I §&nbsp;84. Kahnis, Luth. Dogm. I 291.
-Philippi, Kirchl. Dogm. 3<sup>e</sup> Aufl. I 135 f. Cremer in Herzog<sup>2</sup>
-6, 746. Frank, Syst. der chr. Gewissheit I 139. Id. Dogm. Studiën
-38-57. Thomasius, Christi Person u. Werk 3<sup>e</sup> Aufl. II 268 f.
-Dorner, Gesammelte Schriften, Berlin 1883 S. 131 f. Lipsius,
-Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 614. Hodge, Syst. Theol. III
-69. Pannier, Le témoignage du S. Esprit p. 193 s. Kuyper,
-Encycl. II 501-511. John de Witt, The testimony of the Holy
-Spirit to the Bible, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1895 p. 69-85.</p>
-
-<p class="sep2">4. Zoowel de Roomsche als de Protestantsche theologie is
-bij het onderzoek naar den diepsten grond des geloofs uitgekomen
-bij het religieuse subject en moet hare positie nemen in het
-geloof der gemeente. Elke andere weg, tot bewijs der religieuse
-waarheid ingeslagen, is gebleken eene impasse te zijn. Schijnbaar
-is dit eene teleurstelling; en zoo wordt ze ook gevoeld door elk,
-die het eigenlijk wezen van openbaring en godsdienst miskent en
-ze verandert in eene verstandelijk bewijsbare leer. Maar feitelijk
-<span class="pagenum" id="Page_494">[494]</span>
-is deze uitkomst voor de theologie eene winst. Want zij bewijst,
-dat de theologie tot het inzicht gekomen is van de eigensoortigheid
-der religie en dat zij in dezelfde conditie verkeert als alle
-andere wetenschappen. Het subjectieve uitgangspunt is toch volstrekt
-niet alleen aan de theologie eigen. Al het objectieve is
-slechts van uit het subject te benaderen; het Ding an sich is
-onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld der klanken
-heeft slechts realiteit voor den hoorenden, de wereld der gedachten
-alleen voor den denkenden geest. Het is vergeefsche
-moeite, aan den blinde het objectief bestaan der kleuren te
-willen bewijzen. Alle leven en kennen berust op eene samenstemming
-van subject en object. En de mensch is daarom zoo
-rijk, wijl hij door de verschillendste en de veelvuldigste relatiën
-aan de objectieve wereld verbonden is. Hij is aan de gansche
-wereld verwant; physisch, vegetatief, sensitief, intellectueel,
-ethisch, religieus staat hij met die wereld in harmonie; hij
-is een mikrokosmos. Nu gaat de Schrift ons voor, om al
-deze relatiën van den mensch tot de wereld religieus op te
-vatten en theïstisch te verklaren. De mensch heeft zich niet
-zelf in deze verhouding tot den kosmos gesteld. Hij is van huis
-uit op die wereld aangelegd, en deze wederkeerig op hem. Wijl
-hij beeld Gods is, is hij ook heer der aarde. En niet alleen is
-het God, die deze banden eenmaal tusschen mensch en wereld
-gelegd heeft; Hij is het ook, die ze voortdurend van oogenblik
-tot oogenblik in stand houdt en werken doet. Het is eenzelfde
-Logos, waardoor alle dingen in en buiten den mensch zijn gemaakt.
-Hij is vóór alle dingen en deze bestaan nog altijd te
-zamen door Hem, Joh. 1:3; Col. 1:15. Nog nader doet de
-Schrift ons den Geest van God kennen als principe en auteur
-van alle leven in mensch en wereld, Gen. 1:2; Ps. 33:6, 104:30,
-139:7; Job 26:13, 33:4, bepaaldelijk ook van het intellectueele,
-ethische en religieuse leven, Job 32:8; Jes. 11:2.
-Natuurlijk is de werking van dien Geest verschillend, overeenkomstig
-de verhoudingen, waarin de mensch tot de wereld staat.
-Physisch bestaat ze nog slechts in de aandrift, die mensch en
-dier hunne spijze van God doet zoeken, Ps. 104:20-30. Ze
-is dan nog gelijk aan het instinct, dat onbewust de handeling
-leidt. Maar hooger vorm neemt deze werking van Gods Geest
-aan in het intellectueele, ethische en religieuse leven van den
-<span class="pagenum" id="Page_495">[495]</span>
-mensch. Ze wordt dan tot ratio, conscientia, sensus divinitatis,
-welke geen rustende vermogens maar vatbaarheden zijn, die door
-inwerking van verwante verschijnselen uit de buitenwereld tot
-actie overgaan. En deze actie kan nu den naam van getuigenis
-dragen, door den menschelijken geest gegeven aan de correspondeerende
-verschijnselen buiten hem. Onze geest doet niets anders
-dan altijd door getuigenis geven aan de waarheid, die van buiten
-tot ons komt. Hij brengt die waarheid niet denkende en redeneerende
-uit zichzelven voort; hij produceert en schept ze niet,
-hij reproduceert en denkt ze slechts na. De waarheid bestaat
-vóór en onafhankelijk van den menschelijken geest; zij rust in
-zichzelve, in den Logos, waarin alles bestand heeft. Van ’s menschen
-zijde is alleen noodig, dat hij de waarheid inzie en in
-zich opneme; dat hij er zijn getuigenis aan geve en ze denkend
-en kennend verzegele. Zoo getuigde Jezus hetgeen hij gezien en
-gehoord had, Joh. 3:32; Hij gaf der waarheid getuigenis, Joh.
-18:37; en zoo waren de apostelen getuigen van het woord des
-levens, dat zij in Christus aanschouwd en getast hadden, Joh.
-15:27; 1 Joh. 1:3. Zulk een getuigenis geven aan de waarheid
-is voor den menschelijken geest rust, vreugde, zaligheid.
-De afstand tusschen ons en de waarheid is dan weggevallen; zij
-heeft ons, wij hebben haar gevonden. Er is onmiddellijke aanraking.
-Zij maakt ons door zichzelve tot hare getuigen. Alle
-waarheid maakt van hem, die haar kent, een getuige, een verkondiger,
-een profeet. Ingaande in onzen geest, brengt zij
-hare eigene getuigenis mede; zij brengt die zelve in ons voort.
-Religieus opgevat, is het de Logos zelf, die door onzen geest
-heen aan den Logos in de wereld getuigenis geeft. Het is eenzelfde
-Geest, die de waarheid objectief voor ons uitspreidt en
-ze subjectief in onzen geest tot zekerheid verheft. Het is zijn
-getuigenis, dat in ons bewustzijn gegeven wordt aan de gedachten,
-welke God in de schepselen heeft belichaamd. Bovenal in de
-religie is dit getuigenis des H. Geestes aan de waarheid duidelijk.
-God laat zich niet onbetuigd. Hij openbaart zijne δυναμις en
-θειοτης in de schepselen, en geeft zelf daaraan in onzen νους
-door zijnen Geest getuigenis. Alle kennen der waarheid is wezenlijk
-een getuigenis, dat de geest des menschen aangaande haar
-aflegt, en in den diepsten grond een getuigenis van den Geest
-Gods aan het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt.</p>
-
-<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_496">[496]</span>
-5. Dit getuigenis van des menschen geest aan de waarheid
-is onderstelling en grondslag, en tevens ook analogie van het
-testimonium Spiritus Sancti. Calvijn en anderen wezen reeds op
-deze overeenkomst, Instit. II 8, 1. Maresius, Syst. theol. I §&nbsp;33.
-Alsted, Theol. schol. did. p. 31. Maar analogie is geen identiteit.
-De christelijke religie heeft tot principium externum niet de
-algemeene openbaring Gods in de natuur, maar eene bijzondere
-openbaring Gods in Christus. Daarmede moet het principium
-internum overeenstemmen. De νους van den psychischen mensch
-is onvoldoende, om de dingen des Geestes Gods te onderscheiden.
-God kan alleen door God worden gekend. Ὁ ὠν ἐκ του θεου
-τα ρηματα του θεου ἀκουει, Joh. 8:47, 3:21, 7:17, 10:3 v.,
-18:37. Niemand kan over God spreken, dan die uit en door
-Hem spreekt. Daarom kan ook alleen diezelfde Geest, die door
-profeten en apostelen heeft gesproken, in onze harten aan de
-waarheid getuigenis geven en deze daardoor boven allen twijfel
-verheffen en tot volstrekte zekerheid brengen. Zulk een getuigenis
-des H. Geestes in de harten der geloovigen wordt in de
-Schrift zeer duidelijk geleerd. In de objectieve openbaring, d. i.
-in den persoon van Christus en in de Schrift als zijn woord, ligt
-alles besloten, wat de mensch tot de kennis en den dienst Gods
-van noode heeft. De openbaring Gods is in Christus voltooid en
-in de Schrift volkomen genoegzaam beschreven. Maar deze openbaring
-in Christus en in zijn woord is middel, geen doel. Doel
-is de schepping eener nieuwe menschheid, die het beeld Gods
-ten volle ontvouwt. Daarom moet heel de openbaring overgeleid
-worden uit Christus in de gemeente, uit de Schrift in het bewustzijn;
-God zoekt eene woning in den mensch. Dit groote,
-goddelijke werk van de toepassing des heils, van de leiding in
-alle waarheid is opgedragen aan den Heiligen Geest. Reeds in
-de dagen des O. Verbonds was Hij de auteur van alle religieus-ethische
-kennis en leven, Ps. 51:13, 143:10; Jes. 63:10.
-Maar Israel verkeerde in een staat van onmondigheid en was
-onder de verzorging der wet gesteld, Gal. 4:1 v. De H. Geest
-was nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt, Joh.
-7:39. Daarom zagen de profeten met verlangen uit naar de
-dagen des N. Verbonds, waarin allen door den Heere geleerd en
-allen door den H. Geest geleid zouden worden, Jer. 31:34;
-Ezech. 36:25 v.; Joel 2:28 v. Naar de belofte wordt deze
-<span class="pagenum" id="Page_497">[497]</span>
-Geest uitgestort op den Pinksterdag. Heel zijne werkzaamheid
-wordt door Jezus een getuigen, een verheerlijken van Hemzelven
-genoemd, Joh. 15:26, 16:14. De H. Geest is de waarachtige
-en de almachtige Getuige voor Christus. Heel de wereld staat
-vijandig tegen Christus over, niemand neemt het voor Hem op.
-Maar de H. Geest treedt bij die wereld als de paracleet, als de
-verdediger van Christus op. Dat doet Hij allereerst in de Schrift;
-deze is het getuigenis, de pleitrede des H. Geestes voor Christus,
-die Hij uitspreekt en handhaaft al de eeuwen door. Dit testimonium
-Spiritus Sancti in S. Scriptura gaat vooraf en ligt ten
-grondslag aan het getuigenis, dat de H. Geest aflegt in de harten
-der geloovigen. Gelijk de gedachten Gods objectief in de wereld
-belichaamd zijn en daaruit door den menschelijken geest worden
-afgeleid, zoo is ook het woord der openbaring eerst volkomen
-beschreven in de H. Schriftuur, om daarna verzegeld te worden
-in onze harten door het getuigenis des H. Geestes. Ook hier
-bestaat de werkzaamheid van den geest des menschen in niets
-anders dan om getuigenis te geven aan de waarheid, en na te
-denken wat God voorgedacht heeft. Het testimonium Sp. S. in
-de geloovigen blijkt hier alreede geen nieuwe openbaring of meedeeling
-van onbekende waarheden te zijn. Het is wezenlijk onderscheiden
-van profetie en inspiratie; het doet alleen de waarheid,
-die buiten en onafhankelijk van ons bestaat, als waarheid verstaan
-en verzekert en verzegelt ze mitsdien in het menschelijk
-bewustzijn. De verhouding van het getuigenis des H. Geestes in
-de harten der geloovigen tot de waarheid der openbaring in de
-H. Schrift is m. m. geene andere dan die van den menschelijken
-geest tot het voorwerp van zijne kennis. Het subject schept de
-waarheid niet; het erkent en beaamt ze slechts.</p>
-
-<p>Maar de analogie strekt zich nog verder uit. De objecten van
-het menschelijk weten zijn alle αὐτοπιστα, ze rusten in zichzelve,
-hun bestaan kan erkend maar niet bewezen worden. Bewijzen
-in strikten zin zijn er alleen mogelijk ten aanzien van
-afgeleide stellingen, en bestaan dan daaruit, dat deze tot algemeene
-stellingen worden herleid. Bewijzen is: het onbekende
-terugleiden tot het bekende, het bijzondere tot het algemeene,
-het onzekere tot het vaststaande. Misschien is het nog juister te
-zeggen, dat bewijzen bestaat in het herleiden van onzekere en
-betwijfelde stellingen tot zulke, die nu eenmaal algemeen als
-<span class="pagenum" id="Page_498">[498]</span>
-vaststaande worden aangenomen. Want de prima principia, waar
-alle bewijzen ten slotte op rusten, zijn zelve voor geen bewijs
-vatbaar; zij staan alleen vast door en voor het geloof. Bewijzen
-zijn daarom alleen van kracht voor hem, die in deze principia
-met ons overeenstemt. Contra principia negantem non est disputandum.
-Zoo kan in de moraal het stelen als ongeoorloofd worden
-bewezen aan hem, die het gezag der zedewet erkent, maar elk
-bewijs is krachteloos tegenover wie dit gezag loochent. De zedewet
-zelve is αὐτοπιστος, zij rust in zichzelve, zij is als de zon
-die alleen gezien wordt bij haar eigen stralen; zij hangt van
-geen bewijs en redeneering af; zij is machtig doordat zij er is,
-zichzelve poneert en handhaaft; haar macht bestaat in haar gezag,
-in de goddelijke majesteit, waarmede zij haar: gij zult, in
-onze conscientie hooren doet. De zedewet zou zichzelve verzwakken,
-als zij met ons ging redeneeren en zich onderwierp aan
-ons oordeel. Zij treedt kategorisch op, en wil van geen exceptiën,
-van geen verontschuldigingen weten. Op de vraag: waarom onderwerpt
-gij u aan de zedewet? is er maar één antwoord mogelijk:
-omdat zij mij Gods wil openbaart. Maar als dan verder gevraagd
-wordt: waarom gelooft gij, dat die zedewet Gods wil is? is er
-geen afdoend antwoord meer te geven. Wie dan toch antwoorden
-wil, slaat een zijweg in en beroept zich op allerlei notae en
-criteria, waarin die goddelijkheid der zedewet zich aan hem kenbaar
-maakt. Maar afdoende bewijzen zijn dit niet. En zoo is het
-gesteld met alle principia. Zij rusten in zichzelve en staan alleen
-vast voor het geloof. Op dezelfde wijze verhoudt het zich in de
-theologie. Bewijzen zijn hier alleen mogelijk ten aanzien van de
-afgeleide stellingen. De Godheid van Christus kan bewezen worden
-aan hem, die het gezag der Schrift erkent. Maar de autoriteit
-der Schrift rust in zichzelve en is voor geen bewijs vatbaar. De
-H. Schrift is αὐτοπιστος en daarom de laatste grond des geloofs.
-Een diepere grond is niet aan te voeren. Op de vraag: waarom
-gelooft gij de Schrift? is het eenige antwoord, wijl zij Gods
-woord is. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom gelooft gij,
-dat de H. Schrift Gods woord is? moet de Christen het antwoord
-schuldig blijven. Wel zal hij dan een beroep doen op de
-notae en criteria der Schrift, op de majesteit van haar stijl, de
-verhevenheid van haar inhoud, de diepte harer gedachten, het
-zegenrijke harer vruchten enz.; maar dat zijn toch niet de gronden
-<span class="pagenum" id="Page_499">[499]</span>
-van zijn geloof, het zijn slechts eigenschappen en kenmerken,
-die later door het geloovig denken in de Schrift worden ontdekt,
-evenals de bewijzen voor Gods bestaan niet aan het geloof
-voorafgaan en dit schragen, maar eruit voortvloeien en erdoor
-uitgedacht zijn. Alle bewijzen voor het geloof aan de Schrift,
-ontleend aan hare notae en criteria, toonen ten duidelijkste aan,
-dat er geen diepere grond kan aangegeven worden. Het Deus
-dixit is het primum principium, waartoe alle dogmata, ook dat
-aangaande de Schrift, kunnen herleid worden. De band der ziel
-aan de Schrift als het woord Gods ligt achter het bewustzijn,
-en onder de bewijzen; hij is mystiek van aard, evenals het geloof
-aan de principia in de verschillende wetenschappen.</p>
-
-<p class="sep2">6. Tegen deze voorstelling wordt echter van verschillende
-zijden de bedenking ingebracht, dat alzoo het gelooven geheel
-willekeurig wordt. In plaats van redenen op te geven, waarom
-de Schrift als woord Gods wordt geloofd, antwoordt men, dat
-God het alzoo te gelooven geeft. Daarmede kan de Mohammedaan
-zijn geloof aan den Koran, en ieder bijgeloovige zijne superstitie
-bewijzen. Het sic volo, sic jubeo neemt de plaats in van reden
-en bewijs. Cf. bijv. Scholten tegen Saussaye, Leer der Herv. Kerk,
-3<sup>e</sup> druk, voorrede. Hiertegen worde echter in de eerste plaats
-opgemerkt, dat de geloovige wel is waar geen dieperen grond voor
-de openbaring kan aangeven dan haar goddelijke autoriteit, welke
-hij door het geloof erkent. Maar daarom heeft hij nog wel wat
-in het midden te brengen tegenover den bestrijder dier openbaring.
-Het is zoo, afdoende bewijzen heeft hij niet, hij kan den
-tegenstander niet bewegen tot het geloof, maar hij heeft ter verdediging
-minstens evenveel te zeggen als gene tot aanval. Ook
-het ongeloof rust ten slotte niet op bewijzen en redeneeringen
-maar wortelt in het hart. Geloovigen en ongeloovigen staan in
-dit opzicht volkomen gelijk; beider overtuiging hangt met heel
-hun persoonlijkheid saam en wordt eerst aposteriori door bewijs
-en redeneering gesteund. En als nu beiden tegen elkander met
-deze aposteriorische bewijzen en redeneeringen strijd voeren, verkeeren
-de geloovigen in geen ongunstiger conditie dan zij, die
-niet gelooven. God is kenbaar genoeg voor degenen die Hem
-zoeken, en ook weder verborgen genoeg voor hen, die Hem ontvluchten.
-Il y a assez de lumière pour ceux, qui ne désirent
-<span class="pagenum" id="Page_500">[500]</span>
-que de voir, et assez d’obscurité pour ceux, qui ont une disposition
-contraire. Il y a assez de clarté pour éclairer les élus, et assez
-d’obscurité pour les humilier. Il y a assez d’obscurité pour aveugler
-les réprouvés, et assez de clarté, pour les condamner et les
-rendre inexcusables, Pascal, Oeuvres, Paris, Hachette 1869 I 345.
-Het staat met religie, theïsme, openbaring en Schrift nog niet zoo
-hopeloos, als de wetenschap ons jaren lang heeft willen doen gelooven.
-Theodor von Lerber schreef onlangs van de wetenschap niet
-geheel ten onrechte: ich habe als Dilettant zu oft neben ihr
-gesessen und ihr in die Karten und auf die Finger geschaut, um
-noch übermässigen Respekt vor der Dame zu haben. Sie wird mir
-auf meinen Grabstein schreiben müssen: er dachte klein von mir
-und starb, bij A. Zahn, Socialdemokratie und Theologie, Gütersloh
-1895 S. 34. Historische en rationeele bewijzen zullen niemand
-bekeeren, maar zijn toch tot verdediging van het geloof even
-krachtig, als de argumenten der tegenpartij voor de rechtvaardiging
-van haar ongeloof. Voorts is het getuigenis, dat door de
-geloovigen aan de christelijke openbaring, aan de Schrift, gegeven
-wordt, wel niet algemeen menschelijk, maar toch algemeen christelijk.
-De gansche Christenheid is in deze belijdenis eenparig. Het
-testimonium Spiritus Sancti is niet het getuigenis van een spiritus
-privatus, maar van den éénen en zelfden Geest, die in alle geloovigen
-woont. Calvijn verklaarde, dit getuigenis besprekende, niets
-te beschrijven dan wat de ervaring was van alle geloovigen, Inst.
-I 7, 6. Het is een machtig getuigenis, dat door de kerk aller
-eeuwen gegeven wordt aan de Schrift als het woord Gods. Over
-geen dogma heerscht er zoo groote eenstemmigheid. Het is een
-feit, dat niet met hallucinatie of willekeur op ééne lijn mag
-gesteld worden, en dat in elk geval verklaring behoeft. Vervolgens
-kan de geloovige zeer zeker geen dieperen grond voor zijn geloof
-aanwijzen dan de goddelijke autoriteit der H. Schrift. Maar hij
-kan wel nadere verklaring geven aangaande de wijze, waarop
-hij tot dit geloof is gekomen. Het is zoo, in den regel wordt
-iemand in dat geloof geboren en opgevoed; later ontdekt hij zelf,
-dat hij met heel zijne ziel aan de Schrift gebonden ligt, en tracht
-dan erover na te denken en van dezen mystieken band zich rekenschap
-te geven. Maar meermalen gebeurt het, dat iemand op
-lateren leeftijd tot bekeering komt en tot het geloof aan de Schrift.
-En ook zij, die van der jeugd aan uit dat geloof hebben geleefd,
-<span class="pagenum" id="Page_501">[501]</span>
-worden dikwerf geschokt en door de kritiek heen en weer geslingerd;
-eerst allengs komen zij tot de vaste verzekerdheid des
-geloofs. Welke is nu de ervaring, waardoor het geloof aan de
-openbaring voor het eerst gewekt of later hersteld en versterkt
-wordt? Zij is natuurlijk verschillend in de verschillende geloovigen;
-maar zij is toch altijd van religieus-ethischen, van geestelijken
-aard. Wat ons werkelijk gelooven doet is niet het inzicht
-van ons verstand noch een besluit van onzen wil; maar het is
-eene macht, die boven ons staat, die onzen wil buigt, die ons
-verstand verlicht, die zonder dwang en toch krachtdadig onze
-gedachten en overleggingen gevangen leidt tot de gehoorzaamheid
-van Christus. Dat beleed Augustinus, als hij het geloof
-toeschreef aan de gratia interna. Dat erkende Thomas, als hij
-zei, dat de assensus fidei was a Deo, interius movente per gratiam.
-Dat sprak het Vaticaansche concilie uit, als het getuigde dat
-het geloof niet tot stand kwam absque illuminatione et inspiratione
-Spiritus Sancti. En dat was de overtuiging van heel de
-Reformatie: het geloof is eene gave Gods, eene werking des
-H. Geestes. Gelooven is eene daad des verstands, is eene onmiddellijke,
-niet door bewijzen bemiddelde, aansluiting van het bewustzijn
-aan de openbaring. Maar dat geloof onderstelt eene verandering
-in de relatie van den ganschen mensch tot God, het onderstelt
-de wedergeboorte, de omzetting van den wil. Nemo credit
-nisi volens. Het weten dwingt; niemand kan eene mathematische
-stelling ontkennen. Maar gelooven is vrij, het is de daad der
-hoogste vrijheid, wijl de daad van de diepste zelfverloochening.
-Als God de zaligheid niet aan het weten maar aan het gelooven
-verbindt, dan is dat een bewijs, dat Hij niet dwingt en niet
-dwingen wil. De brief aan Diognetus, cap. 7 zegt zoo schoon:
-βια γαρ οὐ προσεστι τῳ θεῳ. Juist, wijl het geloof geen vrucht
-is van wetenschappelijke bewijzen, komt het niet buiten het hart
-en den wil des menschen om tot stand. Dat is de waarheid, die
-er ligt in de leer van Kant en de Neokantianen aangaande den
-moralischen Glauben. Het geloof is geen conclusie van een syllogisme.
-Toch is het aan de andere zijde ook geen wilsbesluit,
-geen postulaat. Postuleeren doet de verloren zoon niet, als hij
-terugkeert naar het vaderhuis. Het geloof is ook geen imperium
-voluntatis. Men kan niet gelooven als men wil. De wil kan aan
-het bewustzijn niet bevelen, om iets als waarheid aan te nemen,
-<span class="pagenum" id="Page_502">[502]</span>
-als het zelf hoegenaamd de waarheid er niet van inziet. Gelooven
-is geen willekeur, maar het is ook niet blind. Het onderstelt
-eene wilsverandering, operari sequitur esse; maar het is eene
-vrije, spontane erkenning des verstands van het woord Gods.
-Gelijk het oog, de zon ziende, van haar realiteit terstond overtuigd
-is, zoo aanschouwt de wedergeborene de waarheid van Gods
-openbaring. Voor den wedergeborene is het geloof aan de openbaring
-even natuurlijk als voor den zedelijken mensch de erkenning
-der zedewet. Het is ingeschapen in de natuur van het geestelijk
-leven; het wortelt in de geheimzinnige diepten van het wedergeboren
-hart. De geloovige kan dit geloof even weinig prijsgeven
-als zichzelven. Ja, zichzelf kan hij verloochenen, zijn leven kan
-hij opofferen, maar zijn geloof kan hij niet laten varen. Het
-geloof aan de openbaring is bij den Christen één met het geloof
-aan zichzelven, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 222. Kuyper, Encycl.
-II 77. De Christen zou het geloof aan zichzelf, aan zijn kindschap,
-aan de vergeving zijner zonden, aan de waarachtigheid en
-de trouwe Gods moeten prijsgeven, om in de openbaring niet
-het woord Gods te zien. Het geloof aan de openbaring is één
-met het beste dat in hem is; in zijne beste oogenblikken staat
-hij het sterkst in dat geloof. Wat er tegen opkome, hij kan niet
-anders en mag niet anders. Eindelijk, er komt veel op tegen dit
-zijn geloof. Niet alleen van buiten, maar veel meer nog van binnen.
-Hoezeer de wil is gebogen en het verstand is verlicht, er blijft
-in den geloovige nog veel, dat tegen deze gehoorzaamheid des
-geloofs zich verheft. Het geloof is, wijl het een bewijs is van
-zaken die men niet ziet, een voortdurende strijd. Zonden van
-het hart en dwalingen van het hoofd verzetten zich tegen het
-geloof; en ze hebben dikwerf den schijn voor zich. Er blijft een
-dualisme in den geloovige, zoolang hij op aarde is; een dualisme
-niet van hoofd en hart, maar van σαρξ en πνευμα, van den
-παλαιος en den καινος ἀνθρωπος. Het geloof behoudt min of
-meer een supranatureel karakter, inzoover het de natuur van den
-psychischen mensch te boven gaat. Het is nog niet ten volle
-natuurlijk; zoodra het dat wordt, houdt het zelf op en gaat het
-over in aanschouwen. Het geloof is juist geloof, wijl het iets
-ziet, wat de psychische mensch niet waarneemt. Maar dit dualisme,
-hoe pijnlijk ook, dient toch ter andere zijde tot bevestiging van
-het geloof. Want als het geloof niet opkomt uit de natuurlijke
-<span class="pagenum" id="Page_503">[503]</span>
-hebbelijkheden van den mensch, en noch een conclusie van een
-syllogisme is noch een besluit van den wil; dan is zijne aanwezigheid
-tevens een bewijs voor zijn waarheid. Onze eigen geest
-drijft ons niet van nature, om God onzen Vader te noemen en
-ons onder zijne kinderen te rekenen. Er is een wezenlijk en ook
-gemakkelijk kenbaar verschil tusschen het getuigenis des H. Geestes,
-als Hij tot onze ziele zegt: ik ben uw heil, en de verleiding van
-Satan als hij spreekt: Vrede, vrede en geen gevaar. Potestne
-quis a diabolo impelli, ut Deum in fide Abba, Patrem vocet?
-Heidegger, Corpus Theol. loc. 24 §&nbsp;78. Het christelijk geloof
-wijst op het testimonium Spiritus Sancti terug. Of Godgeleerdheid
-smale en Wijsbegeerte spott’, God zelf is laatste grond van mijn
-geloof in God (Beets).</p>
-
-<p class="sep2">7. Dit testimonium Spiritus Sancti is door Calvijn en de
-Geref. theologen al te eenzijdig betrokken op de autoriteit der
-H. Schrift. Het scheen, dat het geen anderen inhoud had dan
-de subjectieve verzekering van de Schrift als het woord Gods.
-Daardoor kwam dit testimonium op zichzelf te staan; het werd
-van het geloofsleven losgemaakt en scheen eene buitengewone
-openbaring aan te duiden, waarvan Michaelis zoo eerlijk was te
-erkennen, dat hij ze nimmer had ervaren. De Schrift leert echter
-gansch anders. In het algemeen wordt de H. Geest door Jezus
-beloofd als de Trooster, als de Geest der waarheid, die in de
-eerste plaats de apostelen maar dan door hun woord ook alle
-geloovigen leidt in de waarheid, bij hen van Christus getuigt en
-Hem verheerlijkt, Joh. 14:17, 15:26, 16:14. Daartoe overtuigt
-Hij van zonde, Joh. 16:8-11, wederbaart, Joh. 3:3, en
-brengt tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3.
-En voorts verzekert Hij van het kindschap en van de hemelsche
-erfenis, Rom. 8:14 v.; 2 Cor. 1:22, 5:5; Ef. 1:13, 4:30,
-doet alle dingen kennen die den geloovigen van God geschonken
-zijn, 1 Cor. 2:12; 1 Joh. 2:20, 3:24, 4:6-13, en is in de
-gemeente de auteur van alle christelijke deugden en van alle
-geestelijke gaven, Gal. 5:22; 1 Cor. 12:8-11. Duidelijk blijkt
-uit al deze plaatsen, dat het getuigenis des H. G. van religieus-ethischen
-aard is en ten nauwste samenhangt met het eigen
-geloofsleven. Het gaat niet buiten het geloof om, het is geen
-stem uit den hemel, geen droom of visioen; het is een getuigenis,
-<span class="pagenum" id="Page_504">[504]</span>
-dat de H. Geest in, met, door onzen eigen geest
-heen in het geloof aflegt. Het wordt niet aan ongeloovigen geschonken
-maar is het deel alleen der kinderen Gods. Episcopius,
-Instit. Theol. IV sect. 1 c. 5 §&nbsp;2, maakte daarom de bedenking,
-dat het testimonium Sp. S. geen grond des geloofs kan zijn, wijl
-het er eerst op volgt, Joh. 7:38, 14:17; Hd. 5:32; Gal. 3:2,
-4:6. Maar het geloof is zelf van den eersten aanvang af een
-werk des H. Geestes, 1 Cor. 12:3 en ontvangt in den Geest
-der υἱοθεσια zijn zegel en bevestiging. Het gelooven zelf is een
-getuigen des H. Geestes in onze harten en door onzen geest heen.
-Er is alleen in zoover onderscheid tusschen den Geest Gods en
-onzen geest bij dit getuigenis, als onze geest zich telkens nog daartegen
-verzet en voortdurend tot gehoorzaamheid geleid moet worden.
-Daarom geeft het getuigenis des H. Geestes geen verzekering
-van de objectieve waarheden des heils buiten verband met den
-staat van het religieuse subject. Het verzekert die waarheden,
-omdat ze in onlosmakelijk verband staan met wedergeboorte en
-bekeering, vergeving en kindschap van den geloovige. Het testimonium
-Spiritus Sancti is allereerst eene verzekering, dat wij
-kinderen Gods zijn. Dat is de centrale waarheid, de kern en het
-middelpunt van dit getuigenis. Maar in verband daarmede verzegelt
-het ook de objectieve waarheden des heils, de transcendente
-en transeunte waarheden, gelijk Frank ze noemde. Echter met
-deze nadere bepaling, dat het testimonium Sp. S. ons geen van
-deze waarheden openbaart, noch ook ons in staat stelt om ze door
-nadenken uit de natuur van ons geestelijk leven af te leiden. De
-verlichting des H. Geestes is geen kenbron der christelijke waarheid;
-zij doet ons geene materieele waarheden kennen, die aan
-den natuurlijken mensch verborgen zijn; zij doet ons dezelfde
-zaken alleen anders, dieper, geestelijk verstaan en opvatten.
-Paulus zegt uitdrukkelijk, dat de Geest ons doet weten de dingen
-die ons objectief door God in Christus geschonken zijn, 1 Cor. 2,
-cf. Hoekstra, Grondslag, wezen en openbaring van het godsd.
-geloof 1861 bl. 165 v. 184. De Geest, dien de geloovigen ontvangen,
-is de Geest van Christus, die alles uit Christus neemt
-en ontvangen wordt uit de prediking des evangelies, Joh. 14:17;
-Gal. 3:2, 4:6; 1 Joh. 2:20, 24, 27. Maar de waarheden
-zelve zijn van elders uit de Schrift ons bekend; zij worden alleen
-subjectief verzegeld door het getuigenis des H. Geestes.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_505">[505]</span>
-Daaruit volgt, dat het eigenlijk object, waaraan de H. Geest
-in de harten der geloovigen getuigenis geeft, niets anders is dan
-de divinitas der waarheid, in Christus ons geschonken. Historische,
-chronologische, geographische data zijn nooit als zoodanig, op
-zichzelve, object van het getuigenis des H. Geestes. Zelfs de
-feiten des heils zijn niet als nuda facta, inhoud van dat getuigenis.
-Geen enkel geloovige wordt door het getuigenis des
-H. Geestes in wetenschappelijken zin verzekerd van de bovennatuurlijke
-ontvangenis en de opstanding van Christus. Het eenige,
-waar het getuigenis des H. Geestes betrekking op heeft, is de
-divinitas. Maar dan ook de divinitas van al die waarheden, welke
-in de Schrift zijn geopenbaard en door God in Christus ons
-geschonken zijn. Het is onjuist, het testimonium Sp. S. alleen te
-laten slaan op datgene, wat in engeren zin alleen religieus-ethisch
-is. Wel is de divinitas het eenige directe object van dat
-getuigenis, maar deze divinitas is niet alleen eene eigenschap
-van enkele godsdienstige en zedelijke uitspraken, maar evenzeer
-van feiten en daden. Christus zelf is een historisch persoon, de
-verlossing is door historische daden tot stand gebracht, en het
-testimonium Sp. S. drukt ook op deze historie het merkteeken
-der divinitas. Daarom is dit testimonium Sp. S. door Calvijn ook
-terecht in verband gebracht met de Schrift als het woord Gods.
-Want niet alleen heeft deze Schrift omnium consensu eene rijke
-religieus-ethische beteekenis voor het christelijk leven, maar zij
-bevat ook eene leer over zichzelve. De H. Geest openbaart aan
-den geloovige geen enkele waarheid, evenmin aangaande den
-persoon van Christus als aangaande de H. Schrift. De geloovige
-kan alleen belijden wat God in Christus hem geschonken heeft.
-Maar de Schrift bevat ook eene leer over zichzelve evengoed als
-over Christus. En het testimonium Sp. S. ten aanzien van de
-H. Schrift bestaat daarin, niet dat de geloovige eene onmiddellijke,
-hemelsche aanschouwing ontvangt van de goddelijkheid
-der Schrift; noch ook, dat hij middellijk uit de notae en criteria
-tot hare goddelijkheid besluit; evenmin dat hij uit de ervaring
-van de kracht die van haar uitgaat, tot hare goddelijkheid
-opklimt; maar hierin dat hij vrij en spontaan het gezag erkent,
-waarmede de H. Schrift allerwege optreedt en dat zij zelve
-telkens uitdrukkelijk voor zichzelve vindiceert. Niet de authentie,
-noch de canoniciteit, noch zelfs de inspiratie, maar de divinitas
-<span class="pagenum" id="Page_506">[506]</span>
-der Schrift, hare goddelijke autoriteit is hierbij het eigenlijk
-object van het getuigenis des H. Geestes. Het doet den geloovige
-zich onderwerpen aan de Schrift en bindt hem in dezelfde mate
-en kracht aan deze als aan den persoon van Christus zelven.
-Het verzekert hem, dat hij in nood en dood, in leven en sterven
-op dat woord Gods zich verlaten en daarmede zelfs zonder vreeze
-voor den Rechter van hemel en aarde verschijnen kan. Historische
-kritiek der Schrift vindt daarom alleen in zooverre bij de gemeente
-tegenstand, als zij afbreuk doet aan deze divinitas der
-H. Schrift en daardoor het getuigenis van het kindschap Gods,
-de hope der heerlijkheid, de zekerheid der zaligheid ondermijnt.
-In zekeren zin schuilt er in dit testimonium Sp. S. eene cirkelredeneering.
-De divinitas der Schrift wordt uit dit getuigenis en
-de divinitas van dit getuigenis wederom uit de Schrift bewezen.
-Alleen komt het testimonium Spiritus Sancti hier in tweeërlei
-opzicht voor. De geloovige voelt zich eerst in zijne ziel aan het
-woord Gods gebonden en leert dan later uit de H. Schrift verstaan,
-dat dat geloof aan de Schrift in zijn hart gewerkt is door
-den H. Geest. Nauwkeurig gesproken is het getuigenis des
-H. Geestes ook niet de laatste grond van zijn geloof, want de
-Schrift is αὐτοπιστος; maar wel het middel, waardoor hij de
-goddelijkheid der Schrift erkent. Schrift en getuigenis des H.
-Geestes verhouden zich als objectieve waarheid en subjectieve
-verzekerdheid, als de prima principia en hunne evidentie, als het
-licht en het oog. Eens in hare goddelijkheid erkend, staat de
-Schrift voor het geloof der gemeente als woord Gods onomstootelijk
-vast, zoodat zij principium en norma is van geloof en van leven.</p>
-
-<p class="sep2">8. Dit getuigenis des H. Geestes wordt niet daardoor te niet
-gedaan, dat het in de geloovigen schijnbaar zoo verschillend is.
-Bellarminus bracht er reeds tegen in, dat Luther en Calvijn
-ondanks dit testimonium Sp. S. een zeer afwijkend oordeel velden
-over den brief van Jakobus. Maar de H. Geest getuigt in het
-hart der geloovigen niet alleen aangaande de H. Schrift maar
-evenzeer in betrekking tot alle andere waarheden des heils. Er
-is geen kerk, die in dezen zin niet een getuigenis, eene verlichting
-des H. Geestes aanneemt. En toch wordt daardoor verschil
-in de belijdenis der onderscheidene waarheden niet uitgesloten.
-Wij gelooven ééne heilige algemeene christelijke kerk, eene gemeenschap
-<span class="pagenum" id="Page_507">[507]</span>
-der heiligen; alle geloovigen belijden één Heer, één
-geloof, één doop, en zijn gedrenkt tot éénen Geest; en toch is
-er verdeeldheid en strijd tusschen de kerken onderling en in de
-voornaamste artikelen des geloofs. De eenheid der christelijke
-kerk ten aanzien van de Schrift is veel grooter dan in eenig
-ander dogma; zelfs dat van de triniteit en de Godheid van
-Christus niet uitgenomen. Toch doet al dat verschil ons niet
-twijfelen aan de eenheid des geloofs en der kennis, aan de
-katholiciteit der kerk, aan de leiding des Geestes in alle waarheid;
-want verschil zal er blijven, zoolang de kerk onvolmaakt,
-het hart verdorven, het inzicht beperkt, het geloof klein en zwak
-is. In den enkelen geloovige is het testimonium Spiritus Sancti
-niet altijd even sterk en luide; wijl het ten nauwste met het
-geloof en het geloofsleven samenhangt, gaat het op en neer en
-is aan twijfel en bestrijding onderhevig. Als in den geloovige de
-zonde de overhand neemt, wordt de bewustheid zijner vergeving
-verduisterd en verliest het getuigenis des H. Geestes aan kracht.
-Ons geloof aan de Schrift neemt af en toe met ons vertrouwen
-op Christus. De belijdenis van het testimonium Spiritus Sancti
-is zoo hoog en ideaal, dat de werkelijkheid van het christelijk
-leven er dikwerf verre beneden blijft.</p>
-
-<p>Daarbij komt, dat de Schrift zeer zeker een boek is ook voor
-den enkelen geloovige, maar toch in verband met de kerk aller
-eeuwen. De Schrift is aan de gansche kerk geschonken, aan de
-geloovigen van alle tijden en plaatsen. De enkele geloovige voedt
-zich altijd met een klein gedeelte der Schrift. Er zijn gansche
-gedeelten der Schrift, die voor de individueele geloovigen, ja
-voor geheele kerken en tijden, een gesloten boek blijven. Maar
-de belijdenis der Schrift als Gods woord is eene belijdenis der
-gansche kerk, waarmede de enkele geloovige instemt, en die hij
-ook voor zijn persoon en naar de mate zijns geloofs steunt en
-handhaaft, Hofmann, Weiss. und Erf. I 45 f. Het testimonium
-Spiritus Sancti is niet eene particuliere opinie, maar het getuigenis
-van de kerk aller eeuwen, van de gansche Christenheid, van
-heel de herborene menschheid. Die kerk stond ook eenmaal in al
-hare leden, evenals de wereld, vijandig tegenover het woord Gods.
-Maar de H. Geest heeft het in en bij haar opgenomen voor de
-waarheid van Christus. Hij heeft haar vijandschap gebroken, haar
-verstand verlicht, haar wil gebogen; en bewaart haar bij de
-<span class="pagenum" id="Page_508">[508]</span>
-waarheid van eeuw tot eeuw en van dag tot dag. Heel de belijdenis
-der gemeente is een testimonium Spiritus Sancti. Het is
-het ja en amen, dat de gemeente uitspreekt op de waarheid Gods.
-Het is het: Abba Vader, uw woord is de waarheid, dat uit de
-harten aller geloovigen opstijgt. Zoo weinig is het testimonium
-Spiritus Sancti de Achilleshiel van het Protestantisme, dat het
-veeleer verdient te heeten de hoeksteen der christelijke belijdenis,
-de kroon en het zegel van alle christelijke waarheid, de triumf
-des H. Geestes in de wereld. Neem het getuigenis des H. Geestes
-weg, niet alleen in betrekking tot de Schrift maar tot alle waarheden
-des heils, en er is geen kerk meer. Want het getuigenis,
-dat de H. Geest aan de Schrift als het woord Gods geeft, is
-maar een enkele toon in het lied, dat Hij op de lippen der gemeente
-legt; het is maar een klein gedeelte van dat groote,
-goddelijke werk, dat aan den H. Geest is opgedragen, om n.l.
-de volheid van Christus te doen wonen in zijne gemeente. Maar
-alzoo beschouwd, is dit getuigenis des H. Geestes ook tegenover
-tegenstanders niet van alle waarde ontbloot. Wanneer het losgemaakt
-wordt van heel zijne omgeving en afgesneden wordt van
-het geloofsleven, waarin het wortelt, van de gemeenschap der
-heiligen, waarin het bloeit, van het geheel der christelijke waarheid
-waarmede het samenhangt; zeer zeker, dan verliest het
-tegenover bestrijders al zijne kracht, en is het ja van den een
-niet sterker dan het neen van den ander. Maar opgevat als getuigenis,
-door den H. Geest afgelegd in de harten aller kinderen
-Gods aangaande de waarheid, welke daar is in Christus den Heer,
-laat het niet na indruk te maken op het gemoed, ook van den hardnekkigsten
-bestrijder. Ook dan komt het nog niet op ééne lijn te
-staan met eene logische redeneering of een mathematisch bewijs.
-Het behoudt eene eigene kracht. Maar ongelukkig ware de wetenschap
-eraan toe, als ze alleen rekenen mocht met wat demonstrabel
-is. Heeft de conscientie geen macht, omdat de onzedelijke
-mensch ieder oogenblik tegen haar getuigenis ingaat? Verdienen
-de principia der wetenschap geen geloof, wijl de skepticus ze
-weigert te erkennen? Is de H. Schrift machteloos, omdat haar
-waarheid niet kan betoogd worden aan den psychischen mensch?
-De kracht van al deze zedelijke grootheden is juist daarin gelegen,
-dat zij zichzelve niet demonstreeren, maar in hooge majesteit zich
-plaatsen voor ieders bewustzijn. Ze zijn machtig door het gezag,
-<span class="pagenum" id="Page_509">[509]</span>
-waarmede zij optreden. Een vader bewijst zijn gezag aan zijne
-kinderen niet maar houdt het staande met droit divin. En zoo
-doet de H. Schrift. Zij heeft haar gezag in de gemeente van
-Christus gehandhaafd tot op dezen dag; zij heeft alle geloovigen,
-en onder hen de grootste geesten en de edelste zielen, doen
-buigen voor hare autoriteit. Welke macht ter wereld is met die
-der Schrift te vergelijken? Het testimonium Spiritus Sancti is
-de zegepraal van de dwaasheid des kruises over de wijsheid der
-wereld, de triumf van de gedachten Gods over de overleggingen
-des menschen. In dezen zin bezit het getuigenis des H. Geestes
-eene uitnemende apologetische waarde. Dit toch is de overwinning,
-die de wereld overwint, namelijk ons geloof.</p>
-
-<hr class="hr12" />
-
-<h3>§&nbsp;19. <span class="smcap">Geloof en theologie.</span></h3>
-
-<p>1. De christelijke kerk heeft zich met het geloof niet tevreden
-gesteld, maar bijna van den beginne af aan naar kennis der
-religieuse waarheid gestreefd en aan eene bijzondere wetenschap,
-de theologie, het aanzijn geschonken. Toch kan niet gezegd worden,
-dat deze drang naar wetenschap in het geloof als zoodanig
-ligt opgesloten. Want het geloof is zekerheid en sluit allen twijfel
-uit; het rust in het woord Gods en heeft daaraan genoeg. Nobis
-curiositate opus non est post Christum Jesum, nec inquisitione
-post evangelium. Cum credimus, nihil desideramus ultra credere,
-Tertullianus, de praescr. haer. 8. Die Frömmigkeit ist ihrer selbst
-unmittelbar gewiss, Rothe, Theol. Ethik. §&nbsp;7. Het recht en de
-waarde der theologische wetenschap is daarom in de christelijke
-kerk meermalen bestreden. Tijdens de monophysitische en monotheletische
-twisten was er reeds eene partij der Gnosimachi, die
-alle wetenschap voor de Christenen onnoodig achtten. Zij leerden,
-dat God van den Christen niets verlangt dan goede werken en
-dat het beter was, simplici rudique animo institutum suum
-persequi, quam multam curam in cognoscendis decretis atque
-sententiis ponere, Johannes Damascenus, de haeresibus, Opera
-Omnia, Basileae 1575 p. 585. Tegen het einde der Middeleeuwen
-was de afkeer van de theologie algemeen. De scholastiek had
-alle vertrouwen verloren. In alle kringen en onder alle secten
-<span class="pagenum" id="Page_510">[510]</span>
-was er een sterk verlangen naar een meer eenvoudig, practisch
-Christendom, Harnack, D. G. III<sup>2</sup> 573. Het humanisme zag met
-minachting neer op de scholastiek, Paulsen, Gesch. des gelehrten
-Unterrichts, Leipzig 1885 S. 1 f. En sedert heeft de oppositie
-tegen de scholastiek in de Roomsche kerk schier nimmer gezwegen.
-Bajus, Jansenius, Launoy, vele theologen in de vorige en in
-deze eeuw, o. a. Günther, hebben tegen de scholastische theologie
-allerlei ernstige beschuldigingen ingebracht, Kleutgen, Theol. der
-Vorzeit IV<sup>2</sup> 133 f. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk.
-II 566 f.</p>
-
-<p>De Reformatie nam aanvankelijk hetzelfde standpunt in. Luthers
-oordeel over Aristoteles, de scholastiek en de rede is bekend.
-Köstlin, Luthers Theol. I 106 f. Melanchton schreef in de eerste
-uitgave zijner loci: hoc est Christum cognoscere, beneficia ejus
-cognoscere, non quod isti (scholastici) docent, ejus naturas, modos
-<ins id="cor_48" title="iucarnationis">incarnationis</ins> intueri, ed. Augusti 1821 p. 9. Zwingli zei, dat
-Christen te zijn niet bestond in schwatzen von Christo, sunder
-wandeln wie er gewandlet hat, cf. mijne Ethiek van Zwingli bl.
-119 v. Calvijn legt evenzoo sterken nadruk op deze practische
-zijde des geloofs, Inst. I, 2, 2. I, 5, 9. I, 12, 1. Comm. op Rom.
-1:19. Maar velen gingen verder dan de Hervormers en verwierpen
-alle theologie. Carlstadt veroordeelde met beroep op Mt.
-23:8 alle wetenschappelijke titels en ging leven als een boer
-onder de boeren, Herzog<sup>2</sup> 7, 528. De Wederdoopers en de Mennonieten
-wilden van eene wetenschappelijke opleiding tot de
-bediening des woords niets weten, en gaven het recht tot „vermanen”
-aan alle geloovigen. Menno Simons velde over de kerk
-en hare dienaren, over studie en geleerdheid menigmaal een zeer
-streng oordeel, Alle de Godtgel. Wercken, Amst. 1681 bl. 34 v.
-59 v. 260. 270 enz. Eerst later kregen de Mennonietische leeraars
-eene wetenschappelijke opleiding, Herzog<sup>2</sup> 9, 575. Sepp, Kerkhist.
-Studiën, Leiden 1885 bl. 84, 85. En toen later in de protestantsche
-kerken de scholastische behandeling der theologie veld
-won, kwam er van allen kant reactie. Calixtus en Coccejus, Spener
-en Zinzendorf, Fox en Wesley enz., zij allen werden gedreven
-door het verlangen naar meer eenvoud en waarheid in de leer
-des geloofs. Daartoe moest men van de leer teruggaan tot het
-leven, van de belijdenis tot de Schrift, van de theologie tot de
-religie. Zelfs het deisme en het rationalisme waren aan dit streven
-<span class="pagenum" id="Page_511">[511]</span>
-verwant; het algemeene en gemeenschappelijke zoekend, dat aan
-alle godsdiensten en belijdenissen ten grondslag lag, beriepen zij
-zich van de christliche Religion op de Religion Christi, van de
-statutarische Religion op de Vernunftreligion. Door de agnostische
-richting der philosophie, de gevoelstheologie van Schleiermacher,
-de historische kritiek der Schrift en andere invloeden is dit streven
-nog toegenomen. De afkeer van de dogmatiek is thans algemeen.
-Velen zien reikhalzend uit naar een nieuw woord, een
-nieuw dogma, verlangen eene religie zonder theologie, een leven
-zonder leer, en ijveren voor een practisch, ondogmatisch Christendom
-(Dreyer, Egidy, Drummond, Tolstoï enz.). Tot op zekere hoogte
-heeft dit streven zijne wetenschappelijke verdediging gevonden in
-de school van Ritschl. Zij trad op met den eisch, dat de theologie
-geheel en al van de metaphysica moest worden verlost, Ritschl,
-Theol. u. Metaph. 1881, cf. ook zijne studiën over de leer van
-God, Jahrb. für deutsche Theol. 1865, 1868. Harnack in zijne
-Dogmengeschichte, en E. Hatch in zijn werk, The influence of
-Greek ideas and usages upon the christ. church, London 1890,
-duitsche vertaling van E. Preuschen, Griechenthum und Christ.
-Freiburg 1882, cf. ook Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion
-1889, pasten dit beginsel toe op de historie der dogmata, en
-trachtten aan te toonen, dat de theologie eene vrucht is van het
-ter kwader uur gesloten huwelijk tusschen het oorspronkelijk
-Christendom en de grieksche philosophie. De beschuldigingen,
-door al deze richtingen tegen de theologie, bepaaldelijk tegen de
-dogmatiek ingebracht, komen hierop neer, dat zij de zuiverheid
-en den eenvoud der christelijke religie vervalscht; de religie
-verandert in eene leer, die verstandelijk moet bewezen en aangenomen
-worden; het religieuse leven doodt, eene koude dorre
-orthodoxie bevordert en de fides implicita noodzakelijk maakt;
-en eindelijk ook nog de religie als leer met de wetenschap in
-conflict brengt, en de ontwikkelde standen van het christelijk
-geloof vervreemdt. Cf. bijv. Kaftan, Glaube und Dogma, 3<sup>e</sup>
-Aufl. 1889.</p>
-
-<p class="sep2">2. Niemand zal ontkennen, dat er ernst en waarheid ligt in
-deze klachten over de theologie. Zij is menigmaal haar doel
-voorbijgestreefd en in battologie ontaard. Zij heeft al te dikwerf
-vergeten, dat ons kennen op aarde een kennen ten deele en een
-<span class="pagenum" id="Page_512">[512]</span>
-zien in eene duistere rede is. Soms scheen zij van de gedachte
-uittegaan, dat ze alle mogelijke vragen beantwoorden en alle
-kwesties oplossen kon. Bescheidenheid, teederheid, eenvoud hebben
-haar dikwerf ontbroken. Dat was te erger, omdat de theologie
-te doen heeft met de diepste problemen en in aanraking komt
-met de fijnste roerselen van het menschelijk hart. Meer dan
-eenige andere wetenschap past haar de vermaning, μη ὑπερφρονειν
-παρ’ ὁ δει φρονειν. Beter een eerlijk non liquet dan
-eene gewaagde gissing. Nescire velle, quae Magister optimus
-docere non vult, erudita inscitia est. Maar daarmede is toch de
-theologie nog niet in beginsel veroordeeld. Immers, indien de
-openbaring alleen bestond in meedeeling van leven en de religie
-alleen in stemmingen des gemoeds, er zou voor eene eigenlijke
-theologie geen plaats zijn. Maar de openbaring is een systeem
-van woorden en daden Gods; zij bevat eene wereld van gedachten;
-zij heeft haar centrum in de vleeschwording van den Logos.
-En de religie is geen gevoel en aandoening alleen, maar zij is
-ook geloof, een bewust leven, een dienen Gods met hart en hoofd
-te zamen. En daarom kan die openbaring Gods worden ingedacht,
-opdat zij te beter inga in het menschelijk bewustzijn. Zelfs kan
-het der theologie daarbij niet euvel geduid worden, als zij op
-helderheid in het denken, klaarheid in de onderscheiding, nauwkeurigheid
-in de uitdrukking zich toelegt. In alle wetenschappen
-wordt zulk eene praecisitas nagestreefd en op prijs gesteld; in
-de theologie is zij evenzeer op hare plaats. Het gevaar, dat zij
-daardoor ontaarden zal in spitsvondigheden en haarkloverijen,
-bestaat in de andere wetenschappen bijv. van het recht, van de
-letteren evenzeer. Maar niemand zal daarom het recht dier wetenschappen
-betwisten. Ook de theologie heeft hare perioden van
-bloei en verval; maar het gaat niet aan, haarzelve te veroordeelen
-om het misbruik, dat van haar is gemaakt. Abusus non
-tollit usum. Vervolgens is ons reeds vroeger gebleken, dat de
-scheiding tusschen de christelijke religie ter eener en de metaphysica
-enz. ter anderer zijde evenmin zuiver gedacht als practisch
-uitvoerbaar is. De historie heeft dit reeds herhaalde malen
-bewezen en toont het heden ten dage opnieuw. Om toch zulk
-eene scheiding eenigszins mogelijk te maken, zijn alle bovengenoemde
-richtingen gedwongen, zich van het evangelie van Christus
-eene eenzijdige en onvolledige voorstelling te vormen. Schier
-<span class="pagenum" id="Page_513">[513]</span>
-nimmer gaan zij terug tot de gansche Schrift, maar altijd tot
-een gedeelte; tot het N. Testament alleen, of tot de evangeliën,
-of tot de bergrede, of zelfs tot één enkelen tekst. Franciscus
-van Assisi bijv. richtte heel zijn leven in naar Mt. 10:9, 10,
-Reuter, Gesch. der rel. Aufklärung im M. A. II 184, 186. Paul
-Sabatier, Leben des h. Fr. v. A. deutsch von M. L. Berlin 1895
-S. 53. Tolstoi vindt de kern van het evangelie in Mt. 5:38, 39,
-Worin besteht mein Glaube, Leipzig, Duncker 1885 S. 12. Drummond
-zoekt in de liefde van 1 Cor. 13 het summum bonum. Ritschl
-verandert de dogmata in religieus-ethische waardeeringsoordeelen.
-Harnack D. G. I<sup>2</sup> 54 komt in de opvatting van het oorspronkelijk
-evangelie met Ritschl overeen. En velen vragen thans, waarom de
-christelijke kerken toch niet met de bergrede tevreden zijn geweest.
-Wat het wezen des Christendoms is, waarin de openbaring of
-het woord Gods bestaat, wie de persoon van Christus is, wordt
-niet door de apostelen uitgemaakt; ieder stelt het voor zichzelf
-naar zijne eigene inzichten vast. Gevolg daarvan is, dat al deze
-richtingen niet alleen de kerk, de belijdenis, de theologie maar
-ook de apostelen tegen Jezus en tegen het oorspronkelijk evangelie
-moeten overstellen. Harnack bijv. D. G. I 53 f. erkent, dat
-ook de apostolisch-katholieke leer in het N. Test. het evangelie
-van Jezus niet zuiver meer reproduceert. De invloed is er al in
-merkbaar van het judaisme, het hellenisme en de grieksch-romeinsche
-Religionsphilosophie. Reeds de apostelen, inzonderheid
-Paulus en Johannes, hebben het evangelie vervalscht. Ernst von
-Bunsen, Die Reconstruction der kirchl. Autorität, Leipzig Brockhaus
-1893 betoogt, dat Paulus het evangelie van Jezus heeft
-veranderd in eene speculatieve theologie. En als dan een feit
-zooals de opstanding van Christus toch niet uit het oorspronkelijk
-evangelie kan weggenomen worden, wordt het van zijne religieuse
-waarde beroofd, Harnack D. G. I 74. Al verder vloeit uit deze
-beschouwing voort, dat de historie van het dogma niet tot haar
-recht kan komen. Zij wordt ééne groote aberratie van den menschelijken,
-van den christelijken geest. De belofte van den Geest,
-die in alle waarheid zou leiden, blijkt ijdel te zijn geweest. De
-mogelijkheid zelfs om de waarheid te kennen, wordt aan de kerk
-ontnomen, wijl reeds de apostelen haar op een dwaalspoor hebben
-geleid. De leer van den logos, van de triniteit, van den
-eersten en den tweeden Adam, enz., altemaal dogmata, die de
-<span class="pagenum" id="Page_514">[514]</span>
-inmenging van de grieksche philosophie moeten bewijzen, wordt
-wel niet woordelijk maar toch zakelijk reeds in de Schrift gevonden.
-In één woord, de geschiedenis der dogmata is evenals
-bij Strauss de geschiedenis hunner kritiek. Niet de kerk heeft de
-wereld, maar de wereld heeft de kerk overwonnen. Eindelijk
-dreigt bij deze eenzijdige opvatting van het oorspronkelijk evangelie
-nog het gevaar, dat men de gemeenschap verliest met de
-kerk aller eeuwen en daardoor met den tijd, in welken men
-leeft. Dat is het oordeel van alle secten geweest. Afgesneden van
-de kerken en de theologie verachtende, hebben ze den invloed
-op hare eeuw en den band met de cultuur verloren. Gemeente
-en wereld, kerk en school, religie en wetenschap vallen dualistisch
-uit elkaar. Daarentegen heeft de theologie de heerlijke
-roeping, om deze beide met elkander in verband te houden; om
-eenerzijds het christelijk leven te bewaren voor allerlei geestelijke
-krankheden van mysticisme en separatisme, en andererzijds
-het wetenschappelijk denken van de dwaling en leugen te bevrijden
-door de waarheid van Christus. Het recht der theologie
-is in het wezen der christelijke religie gegrond. De openbaring
-richt zich tot den ganschen mensch, en heeft heel de wereld tot
-haar object. Op alle terrein bindt zij den strijd tegen de leugen
-aan. Zij biedt stof aan het diepste denken en plant op wetenschappelijk
-terrein de kennisse Gods naast en in organisch verband
-met die van mensch en wereld. Over de dogmenhistorische
-beschouwingen van Harnack en Hatch kunnen geraadpleegd worden
-Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. S. 369 f. Kuenen, Theol.
-Tijdschr. 1891 bl. 487 v. Van Rhijn, Theol. Studiën 1891 bl.
-365 v., 437 v. Dr. W. Schmidt, Der alte Glaube und die Wahrheit
-des Christ. Berlin, Wigandt 1894. Henri Bois, Le dogme
-grec, Paris, Fischbacher 1892.</p>
-
-<p class="sep2">3. Al is echter het christelijk dogma niet uit de grieksche
-philosophie te verklaren, toch is het niet zonder deze ontstaan.
-In de Schrift is er nog geen dogma en geen theologie in eigenlijken
-zin. Zoolang de openbaring zelve nog voortging, kon ze
-niet het voorwerp worden van wetenschappelijk nadenken. De
-inspiratie moest afgeloopen zijn eer de reflectie aan het woord
-kon komen. Het spraakgebruik van Mozaische, Paulinische,
-Bijbelsche theologie en dogmatiek enz., verdient daarom geen
-<span class="pagenum" id="Page_515">[515]</span>
-aanbeveling; het woord theologie komt trouwens in de Schrift
-ook niet voor en heeft eerst langzamerhand zijne tegenwoordige
-beteekenis gekregen, Kuyper, Encycl. II 117 v. Theologie is in
-de gemeente van Christus eerst opgekomen, toen de kinderlijke
-naïeveteit voorbij en het denkend bewustzijn ontwaakt was. Langzamerhand
-kwam de behoefte op om de gedachten der openbaring
-in te denken, met het overige weten in verband te brengen en
-tegen allerlei aanval te verdedigen. Daartoe had men de philosophie
-van noode. De wetenschappelijke theologie is met hare
-hulp ontstaan. Maar dat is niet toevallig geschied. De kerk is
-niet het slachtoffer van misleiding geweest. De kerkvaders hebben
-bij de vorming en ontwikkeling der dogmata een ruim gebruik
-van de philosophie gemaakt. Maar zij deden dat met volle bewustheid,
-met een helder inzicht in de gevaren die eraan verbonden
-waren, met klare rekenschap van de gronden, waarop zij
-het deden, en met uitdrukkelijke erkenning van het woord der
-apostelen als eenigen regel van geloof en leven. Daarom bedienden
-zij zich ook niet van de gansche grieksche philosophie; zij deden
-eene keuze; zij gebruikten alleen die philosophie, welke het meest
-geschikt was om de waarheid Gods in te denken en te verdedigen;
-zij gingen eclectisch te werk en hebben geen enkel wijsgeerig
-stelsel, hetzij van Plato of van Aristoteles overgenomen, maar
-met behulp van de grieksche philosophie eene eigene, christelijke
-philosophie voortgebracht. Voorts gebruikten zij die philosophie
-alleen als hulpmiddel. Gelijk Hagar dienstbaar was
-aan Sara, gelijk de schatten van Egypte door de Israëlieten
-werden aangewend tot versiering van den tabernakel, gelijk de
-wijzen uit het Oosten hun geschenken neerlegden aan de voeten
-van het kindeke in Bethlehem; zoo was naar het oordeel der
-kerkvaders de philosophie ondergeschikt aan de theologie. Er
-spreekt uit dit alles duidelijk, dat het gebruik van de philosophie
-in de theologie niet op eene vergissing, maar op eene vaste en
-klare overtuiging rustte. De kerkvaders wisten wat ze deden. Daardoor
-is nu wel niet uitgesloten, dat de invloed der philosophie
-op sommige punten hun te sterk is geweest. Maar dan dient
-daarbij toch terstond onderscheiden te worden tusschen de theologie
-der patres en de dogmata der kerk. De kerk heeft ten allen
-tijde gewaakt tegen het misbruik der philosophie; zij heeft niet
-alleen het Gnosticisme verworpen maar ook het Origenisme veroordeeld.
-<span class="pagenum" id="Page_516">[516]</span>
-En het is tot dusver niet gelukt, om de dogmata
-materieel uit de philosophie te verklaren; hoe dikwerf het ook
-is beproefd, altijd is toch ten slotte de schriftmatigheid der
-orthodoxie gerechtvaardigd. Cf. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV
-143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II 572 f.</p>
-
-<p>De Hervorming nam in den beginne eene vijandige houding
-aan tegen de scholastiek en de philosophie. Maar zij kwam daarvan
-spoedig terug; omdat zij geen secte was of wilde zijn, kon
-zij niet buiten eene theologie. Luther en Melanchton zijn daarom
-reeds tot het gebruik der philosophie teruggekeerd en hebben
-het nut daarvan erkend, cf. Ritter, Gesch. der neuern Philos. I
-495 f. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der Philos. III 5<sup>te</sup> Aufl.
-1880 S. 17 f. en voor de latere luth. theologen, Hase, Hutterus
-Rediv. §&nbsp;30. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. §&nbsp;5. Calvijn nam
-van den aanvang af dit hooge standpunt in, Inst. II, 2, 12 sq.
-en zag in de philosophie een praeclarum Dei donum, Opera, ed.
-Amst. IX B. 50. En zoo oordeelden alle Gereformeerde theologen,
-Hyperius, de theologo seu de ratione studii theol. 1556 lib. I.
-Zanchius, Opera III 223 sq. VIII 653 sq. Alsted, Praecognita theol.
-p. 174 sq. Voetius, Disp. III 741 sq. 751 sq. Owen, Theologumena
-p. 509 sq. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 71 sq. Nu
-loopt de vraag niet hierover, of de theologie zich van een bepaald
-wijsgeerig stelsel bedienen moet. De christelijke theologie
-heeft nooit eenig wijsgeerig systeem zonder kritiek overgenomen
-en als waarheid geijkt. Noch de philosophie van Plato noch die
-van Aristoteles is door eenig theoloog voor de ware gehouden.
-Dat nogtans aan deze beide wijsgeerige stelsels de voorkeur gegeven
-werd, had zijn oorzaak hierin, dat deze het best zich
-leenden, om de waarheid te ontwikkelen en te verdedigen. Er
-lag ook de gedachte in, dat de Grieken en Romeinen eene eigenaardige
-roeping en gave hadden ontvangen voor het leven der
-cultuur. Feitelijk is heel onze beschaving nog heden ten dage op
-die van Griekenland en Rome gebouwd. En het Christendom
-heeft deze niet vernietigd maar gekerstend en alzoo geheiligd.
-Maar toch is niet eene bepaalde philosophie voor de theologie
-van noode. Wat zij behoeft is philosophie in het algemeen. M. a. w.
-het komt tot geen wetenschappelijke theologie dan door het denken.
-Het eigenlijk principium cognoscendi internum der theologie
-is dus niet het geloof als zoodanig, maar het geloovig denken, de
-<span class="pagenum" id="Page_517">[517]</span>
-ratio christiana. Het geloof is zichzelf bewust en zeker. Het rust
-in de openbaring. Het sluit een kennen in, maar dat kennen is
-geheel en al van practischen aard, een γιγνωσκειν in den zin der
-H. Schrift. Theologie komt dus niet uit de geloovigen als zoodanig
-op; zij is geen vrucht van de kerk als ecclesia instituta;
-zij heeft haar oorsprong niet in het ambt, dat Christus aan zijne
-gemeente geschonken heeft. Maar de geloovigen hebben nog een
-ander, rijker leven, dan in de ecclesia instituta tot uiting komt.
-Zij leven als Christenen ook in gezin, staat, maatschappij en
-beoefenen wetenschap en kunst. Nog veel meer gaven dan die
-werken door het ambt worden hun geschonken, gaven van kennis
-en wijsheid en profetie. Onder hen zijn er ook, die een sterken
-drang tot onderzoek en kennis in zich voelen, die gaven hebben
-ontvangen, om de waarheid Gods in te denken en in systeem te
-brengen. En zoo komt de theologie op in de kerk van Christus;
-zij heeft tot subject niet de geinstitueerde kerk maar de kerk
-als organisme, als het lichaam van Christus; zij is eene vrucht
-van het denken der Christenheid.</p>
-
-<p class="sep2">4. Geloof en theologie zijn dus inderdaad onderscheiden.
-Min of meer was men zich daarvan ook ten allen tijde bewust.
-De scherpe tegenstelling, die het Gnosticisme maakte tusschen
-πιστις en γνωσις, werd verworpen; en ook de verhouding, door
-de Alexandrijnsche school tusschen beide aangenomen, werd niet
-in alle opzichten goedgekeurd en gebillijkt, cf. boven <a href="#Page_60">60</a>. Maar
-toch werd het onderscheid nadrukkelijk gehandhaafd en tegelijk
-het innig verband van beide vastgehouden en erkend. Augustinus
-verhief de spreuk: per fidem ad intellectum tot beginsel der
-theologie; hij nam tusschenbeide eene verhouding aan als tusschen
-ontvangenis en geboorte, werk en loon. Fidei fructus est
-intellectus, tract. 22 in Ev. Joh. n. 2. Intellectus merces est
-fidei, tract. 29 in Ev. Joh. n. 6. Hij wekt er toe op, ut ea,
-quae fidei firmitate jam tenes, etiam rationis luce conspicias.
-God veracht de rede niet. Absit namque, ut hoc in nobis Deus
-oderit, in quo nos reliquis animantibus excellentiores creavit,
-Ep. 120 ad Consent, n. 2-4. En dit was het beginsel en de
-grondgedachte van heel de scholastiek. Geloof en theologie waren
-onderscheiden als habitus en actus, als theologia infusa en acquisita.
-Het geloof is toestemming aan, de theologie is kennis van
-<span class="pagenum" id="Page_518">[518]</span>
-de geopenbaarde waarheden. Het geloof sluit ook wel eenige
-kennis in aangaande God en goddelijke zaken, maar deze kennis
-geldt meer de existentia dan de rationes van die waarheden; de
-theoloog echter dringt door tot de idee, spoort het verband der
-waarheden op en leidt denkend er andere uit af, Liebermann,
-Instit. Theol. ed. 8. Moguntiae 1857 cap. 1 §&nbsp;1. Dat men zich
-het onderscheid van religie en theologie bewust was, blijkt ook
-nog uit de leer der fides implicita. Als het geloof volgens Rome
-bestond in toestemming aan geopenbaarde waarheden, moest
-vroeg of laat de vraag wel opkomen, welke en hoevele van die
-waarheden men minstens kennen en aannemen moest, om de
-zaligheid deelachtig te worden. Die vraag kon oprijzen met het
-oog op de Heidenen, met het oog op de geloovigen des O. T.
-en ook met het oog op de onkundige en onontwikkelde geloovigen
-in de dagen des N. Test. Augustinus had al gezegd: turbam
-non intelligendi vivacitas, sed credendi simplicitas tutissimam
-facit, c. Epist. fundamenti cap. 4. Maar Lombardus stelde deze
-vraag in zijne Sententiae lib. III dist. 25 eerst duidelijk aan de
-orde. Sedert werd ze in de theologie breedvoerig behandeld; in
-de 17<sup>e</sup> eeuw gaf ze zelfs in Frankrijk aanleiding tot een ernstigen
-strijd, die door Innocentius XI niet opgelost maar toch beëindigd
-werd. Gewoonlijk wordt de leer van de fides implicita in de
-Roomsche theologie op deze wijze voorgedragen. De fides carbonaria
-wordt uitdrukkelijk verworpen; alle Roomsche godgeleerden
-houden staande, dat er tot het zaligmakend geloof eenige,
-zij het ook geringe, kennis behoort; geheel impliciet kan en mag
-het geloof dus nooit zijn. Maar die kennis verschilt in de verschillende
-bedeelingen der genade. In de dagen des O. T. van
-Adam af tot den val van Jeruzalem toe, toen de eigenlijke mysteriën
-van het Christendom, zooals de triniteit en de vleeschwording
-nog niet waren gepromulgeerd, waren necessitate medii
-alleen deze twee artikelen noodig te gelooven, dat God is en dat
-Hij een belooner is, Hebr. 11:6. Daarmede wordt niet gezegd,
-dat vele geloovigen onder het O. T. geen meerdere en diepere
-kennis hadden van de waarheid; Adam bijv. kende ook wel de
-triniteit en de vleeschwording, Gen. 1:26, 2:23, 24, 3:15.
-Maar de eenvoudige geloovigen konden met die twee artikelen
-volstaan. Want implicite geloofden ze dan toch ook aan de eigenlijke
-mysteriën van het Christendom, de triniteit en de incarnatie.
-<span class="pagenum" id="Page_519">[519]</span>
-In de existentie en de eenheid Gods ligt implicite de triniteit,
-en daarin dat Hij remunerator is, ligt implicite de vleeschwording
-opgesloten. Nu zagen anderen, zooals Wiggers, Daelman enz. dit
-laatste nog niet zoo duidelijk in, en zeiden daarom, dat de O. T.
-geloovigen vier artikelen hadden aan te nemen, n.l. behalve de
-bovengenoemde twee ook nog de onsterfelijkheid der ziel en het
-zondebederf (infectio animarum), in welke dan de beide hoofddogmata
-des Christendoms implicite waren begrepen. De meest
-gewone voorstelling was echter, dat de twee genoemde artikelen
-voor de O. T. geloovigen voldoende waren. Maar na den val
-van Jeruzalem zijn die twee hoofdwaarheden des Christendoms
-duidelijk geopenbaard en bekend gemaakt; en nu is het dus
-necessitate medii noodzakelijk voor ieder die zalig wil worden,
-dat hij aanneme deze vier artikelen: Deus, isque remunerator,
-sanctissima trinitas, mediator. Anderen voegen er nog andere
-artikelen aan toe, zooals Deus Creator, Dei gratia ad salutem
-necessaria, immortalitas; en sommigen noemen zelfs de aanneming
-der 12 artikelen, quoad substantiam, noodzakelijk. Maar de voorstanders
-van de vier artikelen drukken toch het meest gewone
-gevoelen uit. Heel deze leer van de fides implicita wordt dan
-gesteund met een beroep op Job 1:14: de runderen, d. i. de
-ontwikkelde geloovigen, waren ploegende, en de ezelinnen, d. i.
-de eenvoudige leeken, weidende aan hunne zijde. Deze exegese
-komt al voor bij Gregorius M. Moral. lib. II cap. 25 en wordt
-dan door Lombardus, Thomas, Bellarminus enz. overgenomen. Cf.
-Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2
-art. 5-8. Bellarminus, de Justific. I cap. 7. Billuart, Summa
-S. Thomae sive Cursus Theol. VII p. 46 sq. Daelman, Theol.
-seu Observ. theol. in Summam D. Thomae IV p. 44 sq. Dens,
-Theologia in usum semin. II 278 sq. M. Becanus, Theol. Scholastica,
-Tom. II Pars II tract. 1 p. 22 sq. Jansen, Praelect.
-Theol. I 699 sq. Albr. Ritschl, Fides implicita, Bonn 1890.
-De kwestie zelve, die aan deze leer der fides implicita ten grondslag
-ligt, is ernstig en belangrijk genoeg; zij betreft toch niets
-minder dan het wezen van het Christendom zelf, de beteekenis
-van Israel, de mogelijkheid van progressie der openbaring bij het
-absoluut karakter der waarheid. Maar de intellectualistische opvatting
-van het geloof leidde er toe, om deze kwestie zuiver
-quantitatief op te lossen; het aannemen van vier geloofsartikelen
-<span class="pagenum" id="Page_520">[520]</span>
-maakt den Christen; in de praktijk bleek de legende van de
-fides carbonaria maar al te veel waarheid te bevatten. In elk
-geval echter bewijst de leer van de fides implicita duidelijk,
-dat de Roomsche theologen tusschen geloof en theologie in inhoud
-en omvang onderscheid maken.</p>
-
-<p class="sep2">5. Ook de Reformatie bleef zich van dit verschil bewust.
-Luthersche en Gereformeerde theologen namen de onderscheiding
-over van habitus en actus der theologie, van theologia infusa
-en acquisita. De eerste is het deel van alle geloovigen; in beginsel
-kennen zij totam theologiam, hebben zij de ware en zuivere
-kennisse Gods. Maar als acquisita is ze alleen het deel van hen,
-die de kennisse Gods wetenschappelijk beoefenen. Dan toch is ze
-eene notitia conclusionum ex principiis theologicis per discursum
-theologicum collectarum, et certo ordine dispositarum, atque
-animo impressarum diuturno labore ac exercitio, Alsted, Methodus
-sacrosanctae theologiae 1623 p. 117, 126, 175. Owen,
-Theologoumena p. 465 sq. Calovius, Isagoge ad S. Theol. p. 17,
-18. Wel werden religio en theologia telkens met elkaar verwisseld,
-cf. bv. Cloppenburg, Op. I 699. Mastricht, Theor.-pract.
-Theol. I cap. 2 §&nbsp;3, wat te lichter kon geschieden, omdat
-theologie en dogmatiek ongeveer hetzelfde waren. Maar ook in
-den bloeitijd der orthodoxie ging het onderscheid tusschen geloof
-en theologie niet geheel te loor, gelijk door de leer van de articuli
-fundamentales et non fundamentales bewezen wordt. De Hervorming
-verwierp beslist de Roomsche leer van de fides implicita,
-Calv., Inst. III. 2 §&nbsp;2-6. Chamier, Panstr. Cath. T. III lib. 12
-cap. 5. Polanus, Synt. Theol. p. 592. Maresius, Synt. Theol.
-loc. 11 §&nbsp;29, enz. Cf. Ritschl, Fides implicita S. 56 f. Zij moest
-dit wel doen, omdat zij het zaligmakend geloof niet liet bestaan
-in het voor waar houden van eenige onbegrepen artikelen, maar
-in een persoonlijk vertrouwen op de genade Gods in Christus.
-Maar daarvoor kwam nu spoedig in de plaats de onderscheiding
-tusschen fundamenteele en niet-fundamenteele artikelen. Calvijn
-zeide al, dat men om minder wezenlijke punten niet van de kerk
-scheiden moest, Instit. IV, 1 §&nbsp;12, 13. IV, 2 §&nbsp;1. Non enim
-unius sunt formae omnia verae doctrinae capita. Sunt quaedam
-ita necessaria cognitu, ut fixa esse et indubitata omnibus oporteat
-ceu propria religionis placita, qualia sunt: unum esse Deum,
-<span class="pagenum" id="Page_521">[521]</span>
-Christum Deum esse ac Dei filium, in Dei misericordia salutem
-nobis consistere et similia. Sunt alia, quae inter ecclesias controversa,
-fidei tamen unitatem non dirimant, IV cap. 1 §&nbsp;12.
-De in de beschrijving des geloofs gebezigde juxtapositie van eene
-zekere kennis, waardoor ik het al voor waarachtig houde wat
-God in zijn woord heeft geopenbaard en van een vertrouwen, dat
-mij al mijne zonden om Christus’ wil vergeven zijn, kon aanleiding
-geven, om het zwaartepunt of in de fides generalis of in
-de fides specialis te zoeken. Het groote aantal van kerken, die
-successief uit de Reformatie voortkwamen en in verschillende
-artikelen van elkander afweken, bevorderde de onderscheiding
-tusschen wezenlijke en bijkomstige elementen in de openbaring.
-Het allengs opkomende syncretisme en indifferentisme, dat van
-het bijzondere tot het gemeenschappelijke terugging, maakte aanwijzing
-noodzakelijk van wat tot de fundamenten der christelijke
-religie behoorde. Zoo ontstond de leer van de articuli fundamentales.
-Nic. Hunnius schijnt de uitdrukking het eerst gebruikt
-te hebben in zijne Διασκεψις de fundamentali dissensu doctrinae
-Lutheranae et Calvinianae 1626. Quenstedt sprak van articuli
-primarii et secundarii. Anderen volgden, beide in de Luthersche
-en in de Gereformeerde kerken, cf. Voetius, Disp. Sel. II 511-538.
-H. Alting, Theol. probl. nova I 9. Spanheim fil., Opera
-III col. 1289 sq. Heidegger, Theol. I §&nbsp;51 sq. Turret. Theol.
-El. I qu. 14. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 481 sq. Witsius,
-Exercit. in Symb. II §&nbsp;2. Bretschneider, System. Entw. aller in
-der Dogm. vork. Begriffe, 4<sup>te</sup> Aufl. 1841 S. 103 f. Tholuck,
-Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs 1852 S. 252 f. De
-orthodoxie was natuurlijk niet geneigd, om de articuli fundamentales
-tot een klein getal te beperken; maar toch is het streven
-merkbaar, om deze artikelen centraal op te vatten en ze te
-groepeeren rondom den persoon van Christus. De Roomschen
-verwierpen echter deze onderscheiding, al had ze schijnbaar nog
-zooveel overeenkomst met de fides implicita. Ze brachten de
-Geref. en Luth. godgeleerden in geen geringe verlegenheid. Ze
-vraagden, waar God in zijn woord tusschen wezenlijke en bijkomstige
-waarheden onderscheid had gemaakt; waar men het recht
-aan ontleende, om in de goddelijke openbaring het fundamenteele
-van het niet-fundamenteele te scheiden; welke waarheden dan tot
-de fundamenteele moesten gerekend worden; wie dat bepalen
-<span class="pagenum" id="Page_522">[522]</span>
-moest; en hoe op zulk standpunt het rationalisme en het indifferentisme
-was te vermijden? Het geloof heeft toch, naar ze
-beweerden, niet alleen tot object de divina misericordia, Conc.
-Trid. sess. VI can. 12, maar omnia quae Deus revelavit, Bellarminus,
-de Justif. I c. 8. Volgens de Jezuiten op het religiegesprek
-te Regensburg 1601 was het ook een articulus fidei,
-quod canis Tobiae caudam moverit. Cf. Denzinger, Vier Bücher
-usw. II 277 f. Heinrich, Dogm. II 658 f. Jansen, Prael. Theol.
-I 449 sq. Lamennais, Essai sur l’indifférence I ch. 6, 7, enz.
-Tegenover al deze bedenkingen beriepen de Protestantsche theologen
-zich wel op de Schrift, Mt. 16:16; 1 Cor. 2:2, 3:11 v.;
-Ef. 2:20; Gal. 6:14; 1 Petr. 2:6, enz. en maakten ze wel
-allerlei onderscheidingen, Spanheim. t. a. p. col. 1308 sq. Maar
-zij ontveinsden zich de moeilijkheden niet; ze waren bevreesd
-om in excessu en in defectu te dwalen; en zij eindigden met de
-verklaring, dat zij het minimum van kennis niet konden bepalen,
-waarmede een oprecht geloof gepaard moest gaan, Voetius, Disp.
-II 537, 781. Spanheim t. a. p. col. 1291. Witsius, Exerc. in
-Symb. II §&nbsp;2 en 15. Hoornbeek, Conf. Socin. I p. 209. De
-orthodoxie liep uit op rationalisme ter eener en piëtisme ter
-anderer zijde. Leer en leven vielen hoe langer hoe verder uit
-elkaar. Hoofd en hart streden om den voorrang. Theologie en
-religie kwamen tegenover elkander te staan. Wij zijn de tegenstelling
-nog niet te boven. Jaren lang is er geroepen: godsdienst
-is geen leer maar leven; het komt er niet op aan, wat ge gelooft,
-maar alleen hoe ge leeft. Langzamerhand echter gaan de
-oogen ook voor de eenzijdigheid van deze richting open en wordt
-de waarde der godsdienstige voorstellingen voor het religieuse
-leven beter erkend, cf. bijv. Dr. Bruining in verschillende geschriften,
-Gids Juni 1884. Moderne mystiek 1885. Het bestaan
-van God 1892. Theol. Tijdschr. Nov. 1894.</p>
-
-<p class="sep2">6. Bij het onderzoek naar de verhouding van geloof en theologie
-dient de vraag zuiver te worden gesteld. Zij luidt niet,
-welke waarheden iemand minstens kennen en voor waar houden
-moet, om zalig te worden. Die vraag zij aan Rome overgelaten;
-en de Roomsche theologie make uit, of daartoe twee of vier of
-meer artikelen van noode zijn. De Protestantsche theologie heeft
-in de leer van de articuli fundamentales wel den schijn op zich
-<span class="pagenum" id="Page_523">[523]</span>
-geladen, alsof zij een dergelijken weg bewandelen wilde. Maar zij
-is geëindigd met de erkentenis, dat zij de grootte van Gods
-barmhartigheid niet wist en daarom de mate van kennis niet
-bepalen kon, die noodzakelijk eigen is aan een oprecht geloof.
-En bovendien is er tusschen de leer der fides implicita en die
-der articuli fundamentales, bij alle schijnbare overeenstemming,
-een belangrijk verschil. Bij Rome werd die leer ontwikkeld met
-het oog op de eenvoudige leeken, de asinae van Job 1:14. Maar
-in de theologie der Reformatie had ze haar oorsprong in het feit,
-dat er verschillende kerken naast elkaar optraden met eene op
-vele punten onderling afwijkende belijdenis; ze was dus eigenlijk
-een onderzoek naar het wezen des Christendoms. Bij Rome is het
-geloof toestemming aan allerlei geopenbaarde waarheden, die
-artikelsgewijze kunnen opgeteld worden en in den loop der tijden
-in aantal zijn toegenomen. Maar de Reformatie vatte het geloof
-op als fides specialis, met een bijzonder centraal object, de genade
-Gods in Christus; hier was eene optelsom van artikelen,
-wier kennis en toestemming ter zaligheid noodig was, niet mogelijk
-meer. Het geloof is eene persoonlijke verhouding des menschen
-tot Christus; het is organisch en heeft de additie, de quantiteit
-afgelegd. Rome moest daarom een minimum bepalen, zonder
-hetwelk van geen zaligheid sprake kan zijn; bij de Reformatie
-is het geloof een vertrouwen op de genade Gods en dus voor
-geen berekening meer vatbaar. Ieder geloovige zoo in het O. als
-in het N. Test. bezit in kiem diezelfde kennis, welke in de theologie
-dieper en breeder ontwikkeld wordt. Van dit standpunt
-uit is ook de verhouding van geloof en theologie nader in het
-licht te stellen.</p>
-
-<p>Allereerst is er tusschen beide eene sterke overeenkomst. Zij
-hebben het principium: het woord Gods, het voorwerp: de kennisse
-Gods, het doel: de eere Gods met elkander gemeen. Ook
-de theologie als wetenschap staat op den grondslag des geloofs.
-De plaats, die in de andere wetenschappen toekomt aan de waarneming,
-wordt hier ingenomen door het geloof. Het geloof verschaft
-aan de theologie de stof voor het denken. In de mundane
-wetenschap heet het: sensus praecedit intellectum, nihil est in
-intellectu quod non prius fuerit in sensu; in de theologie is de
-leuze: fides praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod
-non prius fuerit in fide, Rothe, Theol. Ethik §&nbsp;267 II S. 180
-<span class="pagenum" id="Page_524">[524]</span>
-noot. Leibniz vergeleek daarom la foi met l’expérience, Discours
-sur la conformité de la foi avec la raison, ch. 1. Begriffe ohne
-Anschauungen sind leer, zeide Kant; en zoo heeft ook de theologie
-geen inhoud dan uit en door het geloof. Zoodra zij het
-geloof laat varen, houdt zij zelve als theologie op te bestaan.
-En ook komt zij door het denken dit standpunt des geloofs nimmer
-te boven. Op allerlei wijze is dit wel beproefd, maar het
-is ijdel gebleken. Het geloof is het begin en ook het einde der
-theologie; zij brengt het nooit tot een weten in eigenlijken zin,
-d. i. tot een kennen op grond van eigen waarneming en inzicht.
-Daardoor wordt de theologie niet van haar vrijheid beroofd.
-Het geloof legt en handhaaft eenvoudig die relatie, welke er op
-dit gebied tusschen subject en object behoort te bestaan. Het
-plaatst den theoloog niet buiten en tegenover en boven, maar
-onder en in de waarheid, welke hij te onderzoeken heeft. Het
-doet niets anders, dan de theologie binden aan haar eigen object,
-op geen andere wijze als elke andere wetenschap gebonden is en
-blijft aan de waarneming en door haar in relatie staat met haar
-object. De theologie is even vrij en even afhankelijk als iedere
-andere wetenschap. Zij is vrij van alle banden, die strijden met
-hare natuur; maar zij is geheel en al bepaald door het voorwerp,
-dat zij zoekt te kennen, en dit heeft zij met alle wetenschappen
-gemeen. Naarmate zij zich strenger bindt aan haar
-object, loopt zij te minder gevaar om te ontaarden in dorre
-scholastiek en ijdele rhetoriek. Door het geloof blijft de theologie
-eene wetenschap der religie, eene Theologie der Thatsachen, die
-niet over begrippen maar over zaken denkt en niet in ijle abstracties
-zich verliest maar met beide voeten staat in die wereld
-der realiteiten, welke de Schrift ons openbaart, Vilmar, Die
-Theologie der Thatsachen wider die Theologie der Rhetorik,
-4<sup>e</sup> Aufl. 1876.</p>
-
-<p>Maar aan de andere zijde is er tusschen geloof en theologie
-een aanmerkelijk verschil. In vroeger tijd konden beide licht
-met elkander verwisseld worden, omdat theologie en dogmatiek
-met ethiek vrij wel identische begrippen waren. Maar theologie
-is thans de naam geworden voor een ganschen cyclus van vakken.
-Het onderscheid springt daarom thans een ieder terstond in het
-oog. Theologie omvat tegenwoordig eene menigte van wetenschappen,
-welke de eenvoudige geloovige zelfs niet bij name
-<span class="pagenum" id="Page_525">[525]</span>
-kent. Maar al wordt theologie in den ouden zin genomen, toch
-blijft het onderscheid groot. Op elk gebied is er verschil tusschen
-het gewone, alledaagsche, empirische weten, en het eigenlijke,
-hoogere, wetenschappelijk weten. Ieder mensch heeft eenige empirische
-kennis van zon, maan, sterren enz., maar deze kennis verschilt
-hemelsbreed van de wetenschappelijke kennis van den astronoom.
-De eerste kent alleen de facta, deze de rationes. De man
-van wetenschap veracht het gewone, empirische weten niet; hij
-werpt de natuurlijke zekerheid niet omver; maar hij heeft toch
-de roeping om dat gewone weten te verhelderen, uit te breiden
-en des noodig ook te zuiveren en te verbeteren. Niet anders is
-het in de theologie. Het geloof blijft bij de feiten staan, de theologie
-zoekt door te dringen tot de idee. Het geloof heeft genoeg
-aan het dat, de theologie vraagt naar het waarom en het hoe.
-Het geloof is altijd persoonlijk, het stelt het voorwerp altijd in
-betrekking tot den mensch zelf, het heeft rechtstreeksch belang
-bij het religieus gehalte der dogmata; de theologie maakt in
-zekeren zin het object gegenständlich, zij tracht de waarheid
-te bezien gelijk zij objectief in zichzelve bestaat, zij speurt haar
-eenheid en haar innerlijk verband na, en zoekt te komen tot een
-systeem. Het geloof richt zich op het centrale object, de theologie
-breidt het onderzoek naar heel den omtrek van den cirkel uit.
-Maar hoe ook verschillend, zij kunnen elkander niet missen. Het
-geloof bewaart de theologie voor secularisatie, de theologie bewaart
-het geloof voor separatisme. Daarom zijn ook kerk en
-school (seminarie, theol. faculteit) wel twee, maar behooren zij
-toch in nauw verband te staan. Ook hierdoor wordt aan de vrijheid
-en onafhankelijkheid der theologie in niets te kort gedaan.
-Elke faculteit beoefent de wetenschap niet alleen om haar zelfs
-wil, maar leidt ook mannen op voor verschillende betrekkingen
-in de maatschappij. Iedere wetenschap heeft feitelijk te rekenen
-met de eischen van het leven. En zoo ook staat de theologie
-niet hoog boven, maar midden in het werkelijke leven, in het
-leven der gemeente. De wanverhouding, die er thans schier allerwege
-tusschen kerk en theologie bestaat, is eene ramp voor beide.</p>
-
-<p class="sep2">7. Indien de theologie alzoo niet in het geloof als zoodanig
-maar in het geloovig denken haar principium internum heeft,
-dient de taak der rede in de theologische wetenschap nog nader
-<span class="pagenum" id="Page_526">[526]</span>
-omschreven te worden. Daarbij moet dan allereerst principieel
-die voorstelling worden afgewezen, welke in geloof en rede twee
-zelfstandige machten ziet, die met elkaar worstelen op leven en
-dood. Op die wijze maakt men eene tegenstelling, die op christelijk
-terrein niet thuis behoort. Het geloof is dan altijd supra of
-ook zelfs contra rationem. Aan den eenen kant dreigt het rationalisme
-en aan de andere zijde het supranaturalisme. Het geloof,
-de fides qua creditur, is geen orgaan of vermogen naast en boven
-de rede, maar eene gezindheid, eene hebbelijkheid van de rede
-zelve. De rede, of wil men liever, het denken is zeker geen bron
-der theologie, geen principium quo seu per quod aut ex quo seu
-cur credamus, Voetius, Disp. I p. 3; bron is de rede voor geen
-enkele wetenschap of hoogstens alleen voor de formeele wetenschappen,
-logika en mathesis. Maar de rede is toch subjectum
-fidei recipiens, fidei capax; het geloof is een akte van het bewustzijn,
-van het menschelijk bewustzijn; een dier is niet tot
-gelooven in staat. En voorts is het geloof geen dwang, maar
-eene vrije daad van den mensch. De Christen gelooft niet op
-bevel, uit vreeze, door geweld. Gelooven is de natuurlijke habitus
-van zijn verstand geworden. Natuurlijk niet in dien zin, alsof er
-niet telkens veel in zijne ziel tegen dat gelooven zich verzet.
-Maar toch wel zoo, dat hij, ofschoon dikwerf doende wat hij niet
-wil, toch een vermaak heeft in de wet Gods naar den inwendigen
-mensch. Gelooven is de natuurlijke ademtocht van het kind Gods.
-Zijne onderwerping aan het woord Gods is geen slavernij maar
-vrijheid. Het geloof is in dezen zin geen sacrificium intellectus
-maar sanitas mentis. Het geloof ontslaat den Christen daarom
-niet van onderzoek en nadenken; eerder spoort het hem daartoe
-aan. De natuur wordt door de wedergeboorte niet vernietigd maar
-hersteld.</p>
-
-<p>Vooraf heeft daarom de geloovige, die aan de theologie zich
-wijden wil, zijn denken te praepareeren voor de taak die hem
-wacht. Er is geen ingang in den tempel der theologie dan door
-de facultas artium heen. Philosophische, historische en linguistische
-propraedeuse is voor den beoefenaar der godgeleerde wetenschap
-onmisbaar. De philosophie, zeide Clemens Alexandrinus,
-προκατασκευαζει την ὁδον τῃ βασιλικωτατῃ διδασκαλιᾳ. Keizer
-Julianus wist wat hij deed, als hij de heidensche wetenschap
-aan de Christenen ontnam; hij vreesde, met zijne eigene wapenen
-<span class="pagenum" id="Page_527">[527]</span>
-verslagen te worden. Dit alzoo gepraepareerde en geoefende denken
-heeft dan in de theologie in hoofdzaak eene drievoudige taak.
-Allereerst verleent het zijn dienst bij de vinding der stof. De
-Schrift is het beginsel der theologie. Maar die Schrift is geen
-wetboek; zij is een organisch geheel. De stof voor de theologie,
-bepaaldelijk voor de dogmatiek, ligt door heel de Schrift heen
-verspreid. Gelijk het goud uit de mijn, zoo moet de waarheid
-des geloofs met inspanning aller geestelijke kracht uit de Schrift
-worden opgedolven. Met eenige loca probantia is niets gedaan.
-Niet op enkele losse teksten maar op de Schrift in haar geheel
-moet het dogma worden gebouwd; het moet organisch opkomen
-uit de principia, die er allerwege in de Schrift voor aanwezig
-zijn. De leer van God, van den mensch, van de zonde, van
-Christus enz. is immers niet slechts in enkele uitspraken te
-vinden, maar is verspreid door heel de Schrift heen en is niet
-enkel in sommige bewijsplaatsen maar ook in allerlei beelden en
-gelijkenissen, ceremoniën en geschiedenissen vervat. Er mag geen
-deel der Schrift verwaarloosd worden. De gansche Schrift bewijze
-het gansche systeem, Hofmann, Der Schriftbeweis, 2<sup>e</sup> Aufl. I S.
-1-32. Ook in de theologie dient het separatisme vermeden te
-worden. Het is een kenmerk van vele secten, dat zij uitgaan van
-een klein gedeelte der Schrift en haar overigens geheel verwaarloozen.
-Het ergst en meest verspreid is de verwerping of veronachtzaming
-van het Oude Testament. Het Marcionitisme is
-telkens in de christelijke kerk teruggekeerd en speelt ook in de
-nieuwere theologie eene groote rol, cf. Diestel, Gesch. des Alten
-Test. in der christl. Kirche, Jena 1869. H. Schmidt, Der Marcionitismus
-in der neueren Theologie, Neue Jahrb. f. deutsche
-Theol. 1893, en later bij de leer der verbonden. Al dit willekeurig
-gebruik der H. Schrift leidt tot eenzijdigheid en dwaling
-in de theologie en tot krankheid in het religieuse leven. Het
-volle rijke beeld der waarheid komt dan niet aan het licht. De
-persoon en het werk des Vaders of des Zoons of des H. Geestes
-worden miskend. Aan Christus wordt te kort gedaan in zijn
-profetisch, of in zijn priesterlijk, of in zijn koninklijk ambt. De
-christelijke religie boet haar katholiek karakter in. Hoofd, hart
-en hand des Christens worden niet harmonisch door de waarheid
-gevormd en geleid. Eerst de volle, gansche Schrift bewaart voor
-al deze eenzijdigheden. Maar daarom heeft ook het denken bij
-<span class="pagenum" id="Page_528">[528]</span>
-deze opsporing van de theologische stof eene belangrijke taak.
-Vervolgens heeft de theoloog deze alzoo verkregen stof ook denkend
-te bearbeiden. De dogmata staan niet totidem verbis, κατα
-ρητον maar κατα διανοιαν in de Schrift; zij zijn conclusiones
-fidei. De leer van de triniteit, van de twee naturen van Christus,
-van de voldoening, van de sacramenten enz. is niet op ééne
-enkele uitspraak der Schrift gebaseerd, maar is opgebouwd uit
-vele gegevens, die door heel de Schrift heen verspreid liggen.
-Dogmata zijn de korte samenvatting in onze taal van alwat de
-Schrift over de desbetreffende onderwerpen leert. De Roomsche
-en Protestantsche godgeleerden hebben daarom tegenover allerlei
-richtingen, die bij de letterlijke uitdrukkingen der Schrift wilden
-blijven staan, het recht van de dogmatische terminologie verdedigd.
-Zij deden dat, niet omdat zij minder, maar omdat zij
-meer en beter Schriftuurlijk wilden zijn dan deze. Dan juist
-kwam naar hunne gedachte de Schrift tot haar volle eere, als
-niet één enkele tekst letterlijk werd aangehaald maar als de
-gansche waarheid, in vele teksten begrepen, saamgevat en in het
-dogma weergegeven werd. De theologie is daarom niet slechts
-eene noëtische, maar ook eene dianoëtische, geen apprehensieve
-maar eene discursieve wetenschap. Zij denkt na, vergelijkt, beoordeelt,
-vat samen, leidt andere waarheden uit de verkregene
-af, enz. Ook Jezus en de apostelen deden alzoo, Mt. 22:32,
-44 v.; Joh. 10:34 v.; Hd. 15:9 v., 18:28; 1 Cor. 15, enz.;
-en kerkvaders, scholastici, Roomsche en Protestantsche godgeleerden
-hebben dat voorbeeld gevolgd. God heeft ons niet geroepen
-om letterlijk na te zeggen maar om na te denken, wat
-Hij in zijne openbaring ons voorgedacht heeft. En eindelijk heeft
-het denken in de theologie nog tot taak, om alle waarheid saam
-te vatten in één systeem. Een systeem is het hoogste, wat in de
-wetenschap te begeeren valt. Ook de theologie rust niet, voordat
-zij de eenheid heeft ontdekt, die in de openbaring verscholen ligt.
-Zij mag dat systeem niet van buiten opdringen, en de waarheid
-niet persen in een wijsgeerig stelsel, dat aan haar wezen vreemd
-is. Maar zij zoekt toch zoolang, totdat in het menschelijk bewustzijn
-het systeem zich afspiegele, dat in het object zelf aanwezig
-is. In dit alles gaat de theologie evenals andere wetenschappen
-te werk. Zij arbeidt op dezelfde manier. Zij is evenals
-deze gebonden aan haar object. Zij is bij het denken onderworpen
-<span class="pagenum" id="Page_529">[529]</span>
-aan de wetten, die voor dat denken gelden; straffeloos kan ook
-zij niet zondigen tegen de logika, Alsted, Praecognita 186. Het
-hoogste is ook voor haar de eenheid der waarheid, het systeem
-der kennisse Gods. Hoezeer de theologie dan ook van de andere
-wetenschappen verschille, in beginsel, voorwerp en doel; zij komt
-formeel met haar overeen en mag terecht op den naam van
-wetenschap aanspraak maken. En wijl de openbaring niet met de
-menschelijke rede strijdt per se, maar alleen per accidens corruptionis
-et pravae dispositionis, daarom kan de theologie zelfs
-in zekeren zin naturalis en rationalis heeten, Voetius, Disp. I 3.
-De christelijke religie is eene λογικη λατρεια, Rom. 12:1. De
-litteratuur over het gebruik der rede en der philosophie in de
-theologie is verbazend rijk. Zie voor de kerkvaders Kleutgen,
-Theol. der Vorzeit IV 143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II
-574 f., en voorts Voetius, Disp. Sel. I p. 1-11. Turretinus,
-Theol. El. loc. 1 qu. 8-13. Witsius, Misc. Sacra II 584 sq.
-en verdere litt. bij M. Vitringa’s uitgave van C. Vitringa, Doctrina
-christ. relig. I p. 32-34.</p>
-
-<p class="sep2">8. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen
-brengt zij het niet. Tusschen weten, kennen en begrijpen is een
-groot onderscheid. Wel worden deze woorden dikwerf door elkander
-gebruikt; maar er is toch een duidelijk aanwijsbaar verschil.
-Weten geldt de existentie, het dat; kennen de qualiteit, het wat;
-begrijpen de innerlijke mogelijkheid, het hoe van een ding. Begrijpen
-doen we zeer weinig, eigenlijk alleen datgene, wat geheel
-in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen. Eene
-machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze
-werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit
-verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen,
-wat, zooals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is.
-Dikwerf houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt.
-Wat vanzelf sprak, blijkt gansch ongewoon en wonderlijk te zijn.
-Hoe verder eene wetenschap doordringt in haar object, naar die
-mate nadert zij het mysterie. Al ontmoette zij geen ander op
-haren weg, dan zou zij toch ten slotte altijd stuiten op het
-mysterie des zijns. Waar echter het begrijpen ophoudt, blijft er
-toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zoo is het ook
-in de theologie. In de openbaring is het μυστηριον εὐσεβειας
-<span class="pagenum" id="Page_530">[530]</span>
-ons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het
-treedt ons als eene realiteit in de geschiedenis en in het eigen
-leven te gemoet; maar wij doorgronden het niet. In dezen zin
-heeft de christelijke theologie het altijd met mysteriën te doen,
-die zij wel kennen en bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden
-kan.</p>
-
-<p>Dikwerf is echter het mysterie in de christelijke theologie in
-gansch anderen zin verstaan. Het woord μυστηριον, van μυστης,
-μυω, zich sluiten, dichtgaan, van oogen, lippen, wonden; is in
-het gewoon grieksch de naam voor de religieus-politieke geheimleer
-die in sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace
-enz. alleen aan de ingewijden meegedeeld en voor alle anderen
-verborgen werd, Foucart, des associations religieuses chez les
-Grecs, Paris 1873. Edwin Hatch, Griechentum u. Christenthum,
-deutsch v. Preuschen 1892 S. 210 f. Gustav Anrich, Das antike
-Mysteriënwesen in seinem Einfluss auf das Christ. Göttingen 1894.
-In het N. Test. heeft het woord altijd religieuse beteekenis en
-duidt eene zaak aan van het koninkrijk Gods, welke of van wege
-den duisteren, raadselachtigen vorm, waarin ze wordt voorgedragen,
-Mt. 13:11; Mk. 4:11; Luk. 8:10; Op. 1:20, 17:5, 7,
-of ook van wege haar inhoud verborgen is. Vooral heet zoo het
-universeele, ook de Heidenen omvattende raadbesluit Gods aangaande
-de verlossing in Christus, Rom. 16:25; Ef. 1:9, 3:3,
-6:19; Col. 1:26, 27, 2:2, 4:3, benevens de wijze, waarop
-dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25; 1 Cor. 15:51; 2 Thess. 2
-vs. 7; Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zoo, niet omdat
-het nu nog verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was.
-Thans is het juist door het evangelie van Christus openbaar
-gemaakt; wordt het door de apostelen als οἰκονομοι μυστηριων
-θεου verkondigd, Rom. 16:25, 26; Col. 1:26; 1 Cor. 2:14;
-Mt. 13:11; 1 Cor. 4:1; en treedt het ook voortaan in de
-historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess.
-2:7. Het N. T. μυστηριον duidt dus geen voor het denkend
-verstand onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar
-eene zaak, die eerst bij God verborgen was, daarna in het evangelie
-is bekend gemaakt en nu door de geloovigen wordt verstaan,
-Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Maar het kerkelijke
-spraakgebruik verstond er al spoedig eene zaak onder,
-die onbegrijpelijk was en ook het verstand van den geloovige
-<span class="pagenum" id="Page_531">[531]</span>
-verre te boven ging, zooals de vleeschwording, de unio mystica,
-de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door de rede
-niet konden bewezen worden, Suicerus, Thes. Eccles. s. v. Ook
-zoo bleef er nog een groot onderscheid tusschen het heidensch
-en het christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan eene
-geheimleer, die voor oningewijden verborgen moest gehouden
-worden; maar in de christ. kerk heeft er nooit eene eigenlijke
-disciplina arcana bestaan, al werd er ook eene zekere orde betracht
-in de meedeeling der waarheid. Zezschwitz, art. Arkandisciplin
-in Herzog<sup>2</sup>. Hatch, Griechenthum u. Christ. 217 f. Kattenbusch,
-Vergleichende Konfessionskunde I 393 f. Suicerus, Thes.
-Eccl. s. v. δογμα. Maar toch waren de dogmata onbegrepen en
-onbegrijpelijke waarheden des geloofs, wel niet contra maar toch
-hoog supra rationem, Thomas, S. Theol. I qu. 32. art. I S. c.
-Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo I 3. II 6. Heinrich
-II 772 f. Denzinger, Vier Bücher v. d. rel. Erk. II 80-150.
-Kleutgen, Theol. der Vorzeit V 164 f. In de veroordeeling van
-Erigena, Raimundus Lullus, Hermes, Günther, Frohschammer
-sprak Rome hare afkeuring uit over iedere poging, om de mysteriën
-des geloofs uit de rede te bewijzen. En het Conc. Vatic.
-sprak uit: divina mysteria suapte natura intellectum creatum sic
-excedunt, ut etiam revelatione tradita et fide suscepta, ipsius
-tamen fidei velamine contecta et quadam quasi caligine obvoluta
-maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur a Domino;
-per fidem enim ambulamus, et non per speciem, sess. 3 cap. 4.
-De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter der
-openbaring maar bracht toch feitelijk eene groote verandering aan.
-Bij Rome zijn de mysteriën in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk,
-omdat ze behooren tot eene andere, hoogere, bovennatuurlijke
-orde, die het verstand van den mensch als zoodanig verre
-overtreft. Het moet daarom allen nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid
-der mysteriën en deze in bescherming nemen en handhaven.
-Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf een bewijs voor de
-waarheid te zijn. Credibile est, quia ineptum est.... Certum,
-quia impossibile, Tertull. de carne Chr. 5. Maar de Reformatie
-verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke
-orde door die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het
-mysterie niet daarin, dat het voor den mensch op zichzelf, maar
-voor het verstand van den psychischen mensch onbegrijpelijk was,
-<span class="pagenum" id="Page_532">[532]</span>
-Calv. Inst. II, 2, 20. Voetius, Disp. I 3. Zonder twijfel is deze
-opvatting veel meer met het N. Testamentisch spraakgebruik in
-overeenstemming. Nergens staat daar het abstract-bovennatuurlijke
-en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke van het mysterie op den
-voorgrond. Maar terwijl het eene dwaasheid is in de oogen van
-den natuurlijken mensch, hoe wijs hij ook zij; het wordt geopenbaard
-aan de geloovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in
-zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17; Rom. 11:33; 1 Cor. 1:30.
-Natuurlijk wil de Schrift nu daarmede ook niet te kennen
-geven, dat de geloovige die mysteriën in wetenschappelijken zin
-begrijpt en verstaat. Wij wandelen immers door geloof, kennen
-ten deele en zien door een spiegel in eene duistere rede, Rom.
-11:34; 1 Cor. 13:12; 2 Cor. 5:7. Maar de geloovige kent
-die mysteriën toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis
-meer; hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Het komt
-daarom niet in hem op, dat ze zijne rede te boven gaan, dat zij
-supra rationem zijn; hij voelt ze niet als een drukkenden last
-maar als eene bevrijding voor zijn denken. Zijn geloof gaat in
-bewondering over, zijne kennis eindigt in aanbidding, en zijne
-belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van dien aard is ook
-de kennisse Gods, welke in de theologie wordt beoogd. Zij is geen
-weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter en
-heerlijker, zij is eene kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh.
-17:3. Cf. over de μυστηρια, behalve de reeds genoemde litt.,
-ook nog Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork.
-Begriffe I 168. J. Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843.
-Scholten, L. H. K. I 223. Oosterzee, Dogm. I 168. Philippi
-Comm. op Rom. 11:25. Gretillat, Exposé de théol. syst. I 182
-s. II 183.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<div class="npage">
-
- <div class="boxnt" id="noot">
-
-<p class="noind sansrf">Opmerkingen van de bewerker.</p>
-
-<p>Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding
-te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ bijna
-overal als ae weergegeven, en œ overal als oe. Deze schrijfwijze
-is hier gehandhaafd.</p>
-
-<p>Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is gehandhaafd.</p>
-
-<p>Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie stilzwijgend
-gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in het Duits zijn waar
-nodig stilzwijgend van een hoofdletter voorzien.</p>
-
-<p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn
-als volgt gecorrigeerd.</p>
-
-<p class="noind sansrf">Correcties.</p>
-
-<ul class="lsoff">
-<li><a href="#cor_1">Pag. 5</a>: het woord „worden” ingevoegd (Er moet daarom onderscheiden worden tusschen).</li>
-<li><a href="#cor_2">Pag. 7</a>: „phychologisch” vervangen door „psychologisch” (als historisch en psychologisch verschijnsel).</li>
-<li><a href="#cor_3">Pag. 31</a>: „geplitst” vervangen door „gesplitst” (zich vertakt en gesplitst heeft).</li>
-<li><a href="#cor_4">Pag. 32</a>: „πιστεας” vervangen door „πιστεως” (Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως).</li>
-<li><a href="#cor_5">Pag. 35</a>: „Chtistus” vervangen door „Christus” (de persoon en het werk van Christus).</li>
-<li><a href="#cor_6">Pag. 54</a>: „Jahrb.” vervangen door „Jahrh.” (Gesch. der 3 ersten Jahrh.).</li>
-<li><a href="#cor_7">Voetnoot 1</a>: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque).</li>
-<li><a href="#cor_8">Pag. 75</a>: „den den” vervangen door „den” (die den mensch dit doel doen bereiken).</li>
-<li><a href="#cor_9">Pag. 78</a>: „Erankrijk” vervangen door „Frankrijk” (Fridolinus
-en Columbanus †&nbsp;615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië).</li>
-<li><a href="#cor_10">Pag. 81</a>: „nn” vervangen door „nu” (Daarbij kwam nu in de tweede plaats).</li>
-<li><a href="#cor_11">Pag. 83</a>: „thologie” vervangen door „theologie” (aan de theologie eene eereplaats verzekerd).</li>
-<li><a href="#cor_12">Pag. 92</a>: „6e” vervangen door „de” (Maar daarmede was de strijd niet uit).</li>
-<li><a href="#cor_13">Pag. 96</a>: „objects” vervangen door „objets” (les premiers objets des connaissances morales).</li>
-<li><a href="#cor_14">Pag. 102</a>: „objective” vervangen door „objectieve” (over alle objectieve waarheid).</li>
-<li><a href="#cor_15">Pag. 103</a>: „Vernumft” vervangen door „Vernunft” (innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft).</li>
-<li><a href="#cor_16">Pag. 122</a>: „Sanmur” vervangen door „Saumur” (In Frankrijk werd de akademie van Saumur).</li>
-<li><a href="#cor_17">Pag. 127</a>: „anjourdhui” vervangen door „aujourd’hui” (qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens).</li>
-<li><a href="#cor_18">Pag. 132</a>: „eightteenth” vervangen door „eighteenth” (the evangelical reaction of the eighteenth century).</li>
-<li><a href="#cor_19">Pag. 133</a>: „Archbischop” vervangen door „Archbishop” (hij was de Archbishop of the Slums).</li>
-<li><a href="#cor_20">Pag. 138</a>: „Systematie” vervangen door „Systematic” (Systematic Theology
-London).</li>
-<li><a href="#cor_21">Pag. 153</a>: „Stof” vervangen door „Stoff” (L. Büchner, Kraft und Stoff).</li>
-<li><a href="#cor_22">Pag. 158</a>: „auschaulichen” vervangen door „anschaulichen” (wurzelt auf der anschaulichen Welt).</li>
-<li><a href="#cor_23">Pag. 162</a>: „Vorstelling” vervangen door „Vorstellung” (φαντασια, φαντασμα, species sensibilis,
-perception, Vorstellung).</li>
-<li><a href="#cor_24">Pag. 167</a>: „and” vervangen door „und” (Nominalismus und Realismus in der neuesten
-deutschen Philosophie).</li>
-<li><a href="#cor_25">Pag. 208</a>: „contract” vervangen door „contrat” (de aanhangers van het contrat social).</li>
-<li><a href="#cor_26">Pag. 221</a>: „veroordeelf” vervangen door „veroordeelt” (en veroordeelt zoowel het traditionalisme).</li>
-<li><a href="#cor_27">Pag. 240</a>: „unbewust” vervangen door „unbewusst” (Das unbewusst Weissagende).</li>
-<li><a href="#cor_28">Pag. 259</a>: „&rlm;אֹותוֹת&lrm;” vervangen door „&rlm;אוֹת&lrm;” (Vooral worden ze ook genoemd &rlm;אוֹת&lrm; Ex. 3:12).</li>
-<li><a href="#cor_29">Pag. 278</a>: „uniomis” vervangen door „unionis” (niet reconciliationis maar unionis).</li>
-<li><a href="#cor_30">Pag. 278</a>: „tegenver” vervangen door „tegenover” (De openbaring staat niet tegenover de natuur).</li>
-<li><a href="#cor_31">Pag. 309</a>: „sec.” vervangen door „saec.” (patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872).</li>
-<li><a href="#cor_32">Pag. 313</a>: „3<sup>9</sup>” vervangen door „3<sup>o</sup>” (3<sup>o</sup> liber aliquis).</li>
-<li><a href="#cor_33">Pag. 313</a>: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Dissert. préliminaire).</li>
-<li><a href="#cor_34">Pag. 325</a>: „zijn” vervangen door „zij” (zij gaan er van uit).</li>
-<li><a href="#cor_35">Pag. 328</a>: „reede” vervangen door „reeds” (legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan).</li>
-<li><a href="#cor_36">Pag. 333</a>: „bij” vervangen door „by” (The modes of quotation used by the evangelical writers).</li>
-<li><a href="#cor_37">Pag. 339</a>: „Δογος” vervangen door „Λογος” (Λογος ἐνσαρκος).</li>
-<li><a href="#cor_38">Pag. 343</a>: „4te” vervangen door „4<sup>th</sup>” (4<sup>th</sup> ed. London 1854).</li>
-<li><a href="#cor_39">Pag. 343</a>: „heroen” vervangen door „heroën” (heeft daarom op de heroën of genieën gewezen).</li>
-<li><a href="#cor_40">Pag. 389</a>: „comtemplatie” vervangen door „contemplatie” (dat der contemplatie en visio Dei).</li>
-<li><a href="#cor_41">Pag. 400</a>: „continna” vervangen door „continua” (a Sp. S<sup>o</sup>. dictatas et continua successione).</li>
-<li><a href="#cor_42">Pag. 404</a>: „Oevres” vervangen door „Oeuvres” (Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre).</li>
-<li><a href="#cor_43">Pag. 409</a>: „andieritis” vervangen door „audieritis” (quidquid inde audieritis, hoc vobis bene sapiat).</li>
-<li><a href="#cor_44">Pag. 426</a>: „praepatorii” vervangen door „praeparatorii” (de mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft).</li>
-<li><a href="#cor_45">Pag. 432</a>: „toepepast” vervangen door „toegepast” (op de dogmatiek toegepast).</li>
-<li><a href="#cor_46">Pag. 444</a>: „chritienne” vervangen door „chrétienne” (De la certitude chrétienne).</li>
-<li><a href="#cor_47">Pag. 491</a>: „van” vervangen door „von” (Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp. S.).</li>
-<li><a href="#cor_48">Pag. 510</a>: „iucarnationis” vervangen door „incarnationis” (modos incarnationis intueri).</li>
-</ul>
-
- </div>
-
-</div>
-
-<hr class="full" />
-
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK ***
-
-***** This file should be named 51052-h.htm or 51052-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/0/5/51052/
-
-Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and
-the Online Distributed Proofreading Team at
-http://www.pgdp.net.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/51052-h/images/cover.jpg b/old/51052-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index 7679dff..0000000
--- a/old/51052-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/51052-h/images/img-01.jpg b/old/51052-h/images/img-01.jpg
deleted file mode 100644
index e1561bd..0000000
--- a/old/51052-h/images/img-01.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/51052-h/images/streep-1.jpg b/old/51052-h/images/streep-1.jpg
deleted file mode 100644
index a682a87..0000000
--- a/old/51052-h/images/streep-1.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/51052-h/images/streep-2.jpg b/old/51052-h/images/streep-2.jpg
deleted file mode 100644
index 2f25798..0000000
--- a/old/51052-h/images/streep-2.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ