diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/51052-0.txt | 19572 | ||||
| -rw-r--r-- | old/51052-0.zip | bin | 497199 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/51052-h.zip | bin | 608729 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/51052-h/51052-h.htm | 22245 | ||||
| -rw-r--r-- | old/51052-h/images/cover.jpg | bin | 95328 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/51052-h/images/img-01.jpg | bin | 7423 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/51052-h/images/streep-1.jpg | bin | 1093 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/51052-h/images/streep-2.jpg | bin | 1080 -> 0 bytes |
11 files changed, 17 insertions, 41817 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..4e438c1 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #51052 (https://www.gutenberg.org/ebooks/51052) diff --git a/old/51052-0.txt b/old/51052-0.txt deleted file mode 100644 index 56de342..0000000 --- a/old/51052-0.txt +++ /dev/null @@ -1,19572 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Gereformeerde dogmatiek - Eerste deel. Inleiding. Principia. - -Author: H. Bavinck - -Release Date: January 27, 2016 [EBook #51052] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK *** - - - - -Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and -the Online Distributed Proofreading Team at -http://www.pgdp.net. - - - - - - - - - - +--------------------------------------------------------------+ - | | - | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. | - | | - | Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe | - | afbeelding te geven van de originele versie. In het | - | origineel wordt æ bijna overal als ae weergegeven, en œ | - | overal als oe. Deze schrijfwijze is hier gehandhaafd. | - | Cursieve tekst is weergegeven als_cursief_, vet gedrukte of | - | extra gespatieerde tekst wordt hier weergegeven als =tekst=. | - | | - | Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is | - | gehandhaafd. | - | | - | Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie | - | stilzwijgend gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in | - | het Duits zijn waar nodig stilzwijgend van een hoofdletter | - | voorzien. | - | | - | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | - | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht | - | van de aangebrachte correcties. | - | | - +--------------------------------------------------------------+ - - - - - GEREFORMEERDE DOGMATIEK. - - - - - GEREFORMEERDE DOGMATIEK. - DOOR - DR. H. BAVINCK. - - - EERSTE DEEL. - INLEIDING. -- PRINCIPIA. - - - KAMPEN. -- J. H. BOS. -- 1895. - - - - - Nijmegen. -- Snelpersdruk der Weesinrichting. - - - - -VOORBERICHT. - - -_Met een kort woord moge het standpunt dezer dogmatiek in het licht -worden gesteld. Niet alleen de geloovige, ook de dogmaticus heeft -belijdenis te doen van de gemeenschap der heiligen. Alleen met alle -de heiligen kan hij begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en -hoogte zij en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven -gaat. Eerst in en door hunne gemeenschap leert hij het dogma verstaan, -waarin het christelijk geloof zich uitspreekt. Bovendien ligt er in -deze gemeenschap der heiligen eene sterkende kracht en een uitnemende -troost. Dogmatiek is thans niet in eere; het christelijk dogma deelt -niet in de gunst van den tijd. Vandaar, naar het woord van Groen van -Prinsterer, Ongeloof en Revolutie 1868 bl. 17, somwijlen een gevoel van -verlatenheid, van isolement. Maar des te meer stemt het dan tot dank, -een beroep te kunnen doen op het bondgenootschap der voorgeslachten. Om -deze redenen is er aan de patristische en scholastische theologie meer -aandacht gewijd, dan anders wel bij protestantsche dogmatici het geval -is. Mannen als Irenaeus, Augustinus, Thomas, behooren niet uitsluitend -aan Rome. Zij zijn patres en doctores, aan wie de gansche christelijke -kerk verplichtingen heeft. Voorts is ook de Roomsche theologie na de -Hervorming niet vergeten. Er is onder de Protestanten menigmaal te -weinig bekendheid zoowel met hetgeen hun met Rome gemeen is als wat -van Rome hen scheidt. De herleving der Roomsche theologie onder de -auspiciën van Thomas, maakt het voor den protestantschen Christen -dubbel noodzakelijk, zich van zijne verhouding tot Rome welbewuste en -heldere rekenschap te geven._ - -_Het nauwst sluit echter deze dogmatiek zich aan bij dat type, hetwelk -de christelijke religie en theologie in de zestiende eeuw door de -Reformatie, bepaaldelijk in Zwitserland, ontving. Niet omdat dit de -eenig-ware, maar wijl het naar de overtuiging van den schrijver de -relatief-zuiverste uitdrukking der waarheid is. In geen confessie is -het christelijke in zijn religieus, ethisch en theologisch karakter zoo -tot zijn recht gekomen; nergens is het zoo diep en breed, zoo ruim en -vrij, zoo waarlijk katholiek opgevat als in die van de Gereformeerde -kerken. Daarom is het te meer te betreuren, dat deze reformatie van -religie en theologie, evenals die van kerk en wetenschap, zoo spoedig -is gestuit. Er is in weerwil van veel goeds, dat ook de latere -ontwikkeling niet alleen hier te lande, maar evenzeer in Engeland, -Schotland, Amerika te aanschouwen geeft, toch weldra stilstand -ingetreden en deformatie gevolgd. Bij voorkeur zich beroepende op de -oudere generatie, die in frischheid en oorspronkelijkheid de latere -verre overtreft, acht schrijver dezes het het recht van den dogmaticus, -om in de geschiedenis der Gereformeerde theologie tusschen koren en -kaf onderscheid te maken. Het oude te loven alleen omdat het oud is, -is noch gereformeerd noch christelijk. En dogmatiek beschrijft niet wat -gegolden heeft, maar wat gelden moet. Zij wortelt in het verleden, maar -arbeidt voor de toekomst._ - -_Daarom eindelijk wenscht deze dogmatiek ook het stempel te dragen van -haar tijd. Het ware een onbegonnen werk, zich los te maken van het -heden; maar het zou ook niet goed zijn voor God, die in deze eeuw niet -minder luide en ernstig tot ons spreekt dan in vorige geslachten. Er -is acht geslagen op de velerlei richtingen, die op theologisch gebied -elkander kruisen. Er is te midden van die alle eene plaats gezocht -en positie gekozen. Waar afwijking plicht was, is er rekenschap van -gegeven. Maar ook dan is er naar gestreefd, om het goede te waardeeren, -waar het te vinden was. Dikwerf deed voortgezette studie verwantschap -ontdekken, die aanvankelijk heel niet scheen te bestaan._ - -_Op dezen grondslag opgetrokken, tracht deze dogmatiek een handboek te -zijn voor wie aan hare beoefening zich wijdt. Ook waar zij geen instemming -verwerven kan, moge zij tot studie opwekken. Met het oog hierop zijn de -vraagstukken en de verschillende oplossingen, die beproefd zijn, zoo -objectief mogelijk voorgesteld. Litteratuur werd in die mate opgegeven, -dat men spoedig zelf zich oriënteeren en aan de oplossing mede arbeiden -kan._ - -_Dit eerste deel bespreekt de inleiding en de principia. Het tweede -deel zal het dogma behandelen. Waarschijnlijk zal dit in twee gedeelten -het licht zien, die in geen geval grooter van omvang zullen zijn dan dit -eerste deel, en zoo spoedig doenlijk zullen volgen. Een uitvoerige index -zal het werk besluiten._ - - H Bavinck. - -_Kampen, April 1895._ - - - - -INHOUD. - - - INLEIDING. - - Paragraaf. Bladz. - - 1. Naam en begrip der Dogmatiek 1 - 2. Encyclopaedische plaats der Dogmatiek 9 - 3. Methode der Dogmatiek 14 - 4. Indeeling der Dogmatiek 31 - 5. Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek 51 - - DEEL I. - Principia der Dogmatiek. - - HOOFDSTUK I. - PRINCIPIA IN HET ALGEMEEN. - - 6. Beteekenis der Principia 140 - 7. Principia in de Wetenschap 145 - 8. Principia in de Religie 171 - - HOOFDSTUK II. - PRINCIPIUM EXTERNUM. - - 9. Algemeene Openbaring 215 - 10. Bijzondere Openbaring 244 - 11. De Heilige Schrift 295 - 12. Eigenschappen der Schrift 363 - - HOOFDSTUK III. - PRINCIPIUM INTERNUM. - - 13. Beteekenis van het principium internum 416 - 14. De historisch-apologetische methode 423 - 15. De speculatieve methode 431 - 16. De ethisch-psychologische methode 444 - 17. Het geloof 465 - 18. De grond des geloofs 484 - 19. Geloof en theologie 509 - - - - -INLEIDING. - - -§ 1. NAAM EN BEGRIP DER DOGMATIEK. - -1. De naam dogmatiek is nog van jonge dagteekening. Vroeger waren -gansch andere namen in gebruik. Origenes gaf aan zijn dogmatisch -hoofdwerk den titel περι ἀρχων. Augustinus omschreef zijn Enchiridium -ad Laurentium door de bijvoeging, sive de fide, spe et caritate. -Johannes Damascenus gaf eene Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως. Met -Isidorus Hispalensis komt de naam Sententiæ op, die in de 13de eeuw -plaats maakt voor Summa theologiæ. Melanchton sprak van Loci communes -rerum theologicarum, sive hypotyposes theologiæ. De uitdrukking loci -is aan Cicero ontleend, en eene vertaling van het grieksche τοπος. -Aristoteles verstond onder τοποι de algemeene regelen der dialectiek, -die van zichzelf bekend waren en vaststonden en daarom als στοιχεια των -ἀποδειξεων dienst konden doen, Rhet. lib. II c. 22 § 13. Metaph. lib. -IV c. 3 § 3. Cicero bracht deze leer der τοποι van de dialectiek op de -rhetorica over, en verstond er die plaatsen door, waar de redenaar de -argumenten vinden kon, die hij in zijne rede noodig had. Hij verklaart de -uitdrukking door sedes, notæ argumentorum, en wijst als zulke bronnen -aan het begrip, de definitie, de divisie, de grondbeteekenis van het -woord, de synoniemen enz. Top. II c. 2. Dit gebruik van het woord -loci stemt met de beteekenis bij Aristoteles niet geheel overeen, en -werd in de latere logica nog meer gewijzigd. Melanchton zelf verklaart -in zijne Dialectica, lib. IV de uitdrukking loci door signa quædam, -quibus rerum, quæ dici tractarique debent, capita indicantur. Loci -communes zijn volgens Cicero, de Orat. III 27. Brutus 12, zulke -stellingen, die op geen bepaald object betrekking hebben, algemeen -zijn en daarom altijd en overal gelden; in onderscheiding van loci -proprii, die concreet zijn en daarom alleen bij een bepaald onderwerp of -in eene speciale wetenschap van kracht zijn. Melanchton wilde in zijne -loci communes alleen de voornaamste hoofdstukken van de christelijke -religie geven, gelijk die vooral door Paulus in zijn brief aan de -Romeinen waren behandeld. Hij zelf omschrijft ze daarom door hypotyposes, -ontwerp, schets, lineamenta der theologie. En de Duitsche vertaling -van Spalatin gaf den titel weer door: Hauptartikel und fürnehmste -Punkte der ganzen Heiligen Schrift. Naam en inhoud van Melanchton’s -dogmatiek staan dus in tegenstelling met de scholastieke Sententiae -en Summae. Ze bedoelde niet een volledig dogmatisch systeem aan de -ontwikkelden te geven, maar veeleer de onontwikkelden in te leiden tot -de kennis der Heilige Schrift. Cf. Heppe, Dogm. des Deutschen Protest. -1857 I s. 4-14; Herzog u. Plitt, Real. Enc. 8, 708 f.; Sanseverino, -Philosophia Christiana, ed. nov. Neap. 1878 III 286-315. Daaruit laat -zich verklaren, dat de naam loci communes bij de Roomsche theologen, -op eene enkele uitzondering na, geen ingang vond. Wel bezigen ze de -uitdrukking loci, maar niet in den zin van Melanchton, maar in dien -van Cicero of Aristoteles. Zij verstaan er niet onder de articuli -fidei, maar de principia of bronnen der Theologie, Dens, Theologia ad -usum Seminariorum. Mechl. 1828 I 5; Billuart, Summa S. Thomae sive -Cursus Theologiae 1747 I 47; Daelman, Theologia seu Observ. theol. in -Summam D. Thomae 1759 I 18. Het beroemde werk van Melchior Canus, Loci -Theologici 1563 vat de uitdrukking in denzelfden zin op en behandelt -niet de dogmatiek zelve, maar hare bronnen, welke tien in aantal zijn: -Schrift, traditie, Paus, concilien, kerk, kerkvaders, scholastici, -rede, philosophie, geschiedenis. Daarentegen werd de naam loci communes -van Melanchton door vele luthersche en geref. theologen overgenomen, -zooals Chemniz, Hutter, Gerhard, Calovius; Martyr, Musculus, Hyperius, -Ursinus enz. Maar toch moest hij vrij spoedig voor een anderen titel -wijken. Zwingli had dogmatische geschriften in het licht gegeven onder -den titel van Commentarius de vera ac falsa religione, Christianae -fidei brevis et clara expositio. Calvijn verkoos den naam van Institutio -religionis Christianae. En latere theologen uit de luth. en geref. kerk -keerden tot den ouden naam van theologia terug. Ter onderscheiding -van andere theologische vakken, die allengs in aantal en in gewicht -toenamen, moest deze naam van Theologia nader omschreven worden. -Daartoe diende de bijvoeging didactica, systematica, theoretica, -positiva, en sedert L. Reinhart, Synopsis theologiae dogmaticae 1659, -ook die van dogmatica. Deze omschrijving lag voor de hand, wijl de -geloofswaarheden reeds lang met den naam van dogmata werden aangeduid, -en de met Danaeus en Calixtus begonnen scheiding van dogmatiek en -ethiek voor beide vakken een afzonderlijken naam eischte. Sedert heeft -deze bijvoeging zoo groote heerschappij verkregen, dat zij het hoofdbegrip -van theologie heeft gebannen en zelfstandig is opgetreden, dat zij onder -theologen van allerlei belijdenis instemming heeft gevonden, en door de -nieuwere namen van geloofsleer, heilsleer, christelijke leer enz. niet -is kunnen verdrongen worden. - -2. Het woord δογμα, van δοκειν, dunken, duidt datgene aan, wat -bepaald, besloten is en daarom vaststaat, το δεδογμενον, statutum, -decretum, placitum. In de Schrift wordt het gebezigd van bevelen der -overheid, LXX, Esth. 3:9; Dan. 2:13; 6:8; Luk. 2:1; Hd. 17:7, van de -inzettingen des O. Verbonds Ef. 2:15; Col. 2:14, en van de besluiten -der vergadering te Jeruzalem, Hd. 15:28; 16:14. Bij de klassieken heeft -het de beteekenis van besluit of bevel en in de philosophie die van -door zichzelf of door bewijzen vaststaande waarheden, Plato, de Rep. -VII c. 16. p. 538 C.; Arist. Phys. ausc. 4, 2; Cic. de fin. 2, 32; -Acad. prior. 2, 9. § 27; Seneca Epist. 94, 95. In deze beteekenissen -wordt het woord ook in de theologie overgenomen. Josephus, c. Ap. I, 8 -zegt, dat de Joden de boeken des Ouden Verbonds van kindsbeen af houden -voor θεου δογματα. In dezelfde beteekenis spreken de kerkvaders van de -christelijke religie of leer als το θειον δογμα, van de menschwording -van Christus als δογμα της θεολογιας, van de waarheden des geloofs, -die in en voor de kerk gelden als τα της ἐκκλησιας δογματα, en evenzoo -van de leeringen der ketters als δογματα των ἑτεροδοξων enz. Cf. -Suicerus, Thesaurus Eccles. s. v.; Herzog² s. v. Dogmatik; H. Cremer, -Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Dezen zelfden zin behoudt het -woord bij de Latijnen, zooals Vincentius in zijn Commonitorium c. 29, en -bij de Protest. theologen zooals Sohnius, Opera 1609 I 32; Ursinus, -Tract. Theol. 1584 p. 22; Hyperius, Methodus Theol. 1574 p. 34; -Polanus, Synt. Theol. 1625 p. 133. - -3. Het gebruik van het woord leert ons in de eerste plaats, dat -met dogma allerlei bevelen, besluiten, philosophische waarheden, -theoretische stellingen, practische regels enz. kunnen worden -aangeduid, maar het gemeenschappelijke erin is, dat er altijd eene zekere -autoriteit aan ten grondslag ligt. Een dogma is eene stelling, die -gezag heeft, Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte, 2te Aufl. 1888 I. -15. In het woord dogma ligt echter op zichzelf niet, op welk gezag het -steunt. Bij de verschillende dogmata is ook dat gezag verschillend. Bij -politieke dogmata is dat gezag de overheid, bij philosophische dogmata -de innerlijke evidentie of de kracht der bewijzen; bij de godsdienstige -of theologische dogmata ligt dat gezag alleen in Gods getuigenis, -hetzij deze volgens de Protestanten alleen in de Schrift, of volgens de -Roomschen ook in de kerk wordt vernomen. Eene stelling heeft in kerk -en theologie alleen daarom gezag, wijl ze rust op de getuigenis Gods. -Ten onrechte wordt daarom door en sedert Schleiermacher het wezen en -karakter van een dogma in de kerkelijke vaststelling en afkondiging -gezocht, Schleiermacher, Christl. Sitte 1884, S. 5; Rothe, Zur Dogm. -10; Schweizer, Christl. Glaub. I. 23; Daubanton, Theol. Studien -1885, bl. 136-145; Kuyper, Encycl. III 395 v. Op Roomsch standpunt -ware hier nog iets voor te zeggen, wijl de kerk onfeilbaar is. Maar -de reformatie erkent geen waarheid dan alleen op het gezag Gods in -de H. Schrift. Verbum Dei condit articulos fidei, et praeterea nemo, -ne angelus quidem, Art. Smalc. Pars II art. 2. Dogmata en articuli -fidei zijn alleen die waarheden, quae in scripturis proprie ut credenda -proponuntur, Hyperius, Methodus theol. p. 34, 35. Het zijn alleen zulke -sententiae, quibus credi aut obtemperari necesse est propter mandatum -Dei, Ursinus, Tract. Theol. 22. En daarom keert telkens bij de Geref. -theologen deze stelling terug: principium, in quod omnia dogmata -theologica resolvuntur, est: Dominus dixit, cf. Ritschl, Lehre v. d. -Rechtf. u. Vers. 3te Aufl. II 2. Maar uit het karakter van autoriteit, -dat aan een dogma eigen is, volgt toch in de tweede plaats vanzelf, dat -het als zoodanig ook in zekeren kring wordt erkend. Er ligt ongetwijfeld -in het begrip van dogma een sociaal element. Eene waarheid moge nog -zoozeer vaststaan; indien ze niet erkend wordt, is zij in het oog van -anderen niets meer dan eene sententia doctoris, eene particuliere -opinie. Het begrip van dogma sluit in, dat de autoriteit, die het -bezit, zichzelve ook weet te doen erkennen en te handhaven. Er moet -daarom onderscheiden worden tusschen dogma quoad se en dogma quoad -nos. Eene stelling is dogma in zichzelf, afgedacht van alle erkenning, -indien ze rust op het gezag Gods. Maar om niet eigen opinie te -vereenzelvigen met de waarheid Gods, is het voor iederen geloovige en -vooral ook voor den dogmaticus van het hoogste belang te weten, welke -waarheden uit de Schrift onder de leiding des H. Geestes in de kerk van -Christus tot algemeene erkenning zijn gebracht. De belijdenis kan dus -heeten het dogma quoad nos. Maar ook in dezen subjectieven zin is dogma -volstrekt niet beperkt tot wat uitdrukkelijk in de symbolen is opgenomen -en kerkelijk is vastgesteld. De kerk heeft een leven en een geloof, -dat veel rijker is dan in de belijdenis tot uiting komt. De confessie -formuleert lang niet den ganschen inhoud van het christelijk geloof. -Zij behoort ook niet tot het wezen der kerk, is bijkomstig, en bijkans -altijd uit bijzondere omstandigheden geboren. Zij neemt gewoonlijk slechts -op, wat binnen of buiten haar bestrijding heeft gevonden. Evenals dus -het hout niet brandt, omdat het rookt, maar de rook toch een teeken -is van brand, zoo ook is eene stelling niet een dogma, omdat de kerk -het erkent, al is het ook dat de erkenning door de kerk een belangrijk, -ofschoon altijd feilbaar, bewijs is van de waarheid ervan, Kleutgen, -Theologie der Vorzeit, 2te Aufl. I, 97 f. In de derde plaats leert ons -het gebruik van het woord dogma nog, dat het nu eens in ruimer, dan -in enger zin werd gebezigd. Soms wordt er heel de christelijke religie -mede aangeduid, en kan Basilius M., de Spiritu Sancto c. 27 onder -δογματα (in tegenstelling met κηρυγματα, de uit de Schrift geputte -articuli fidei) de kerkelijke ceremonieën en riten verstaan, Suicerus, -Thes. Eccl. s. v. δογμα. Polanus t. a. p. zegt, dat dogma in ruimer zin -alles omvat, wat in de H. Schrift is begrepen, niet alleen de doctrina -evangelii et legis, maar ook alle conciones, historiae sacrae enz. -Gewoonlijk werd het woord echter in enger zin gebezigd, voor de doctrina -evangelii et legis, voor die sententiae, quibus credi aut obtemperari -necesse est propter mandatum Dei, Ursinus t. a. p. 22. Het omvatte dus -niet alleen de leerstellige, maar ook de ethische waarheid. Later -echter is het woord dogma nog enger begrensd geworden, doordat de -doctrina legis van de doctrina evangelii onderscheiden en gescheiden -werd; dogmata waren nu alleen die sententiae, quibus credi necesse -est propter mandatum Dei. Polanus ging nog verder en maakte ook nog -onderscheid tusschen de dogmata en de principia theologiae. Zoo werd -dogma de aanduiding van de articuli fidei, welke op het gezag van Gods -Woord rusten en daarom allen verplichten tot geloof. En dogmatiek is -dan het systeem der articuli fidei. - -4. Toch is daarmee het begrip der dogmatiek nog slechts in formeelen -zin vastgesteld. Eene definitie der dogmatiek als wetenschap der -dogmen baat weinig, zoolang we de stof, den inhoud der dogmen niet -kennen. Om nu het materieele begrip der dogmatiek te bepalen, moeten -we ons herinneren, dat dogmatiek oorspronkelijk een adjectief was ter -omschrijving van het hoofdbegrip theologie. Daarnaar werd in vroeger tijd -de dogmatiek gewoonlijk opgevat als doctrina de Deo principaliter et de -creaturis, secundum quod referuntur ad Deum ut ad principium vel finem, -Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 3 en 7; Alb. Magnus, Sent. lib. I -dist. 1 § 2; Petavius, Opus de theol. dogmatibus cap. 1. --Gerhard, Loci -Comm., prooemium de natura theologiae; Hase Hutterus Redivivus § 11; -H. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche § 2. --Fr. Junius, Opera Omnia I -fol. 1375-1424; Polanus, S. Theol. lib. I cap. 1-4; Gomarus, Disput. -Theol., thesis 1; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, ortu.... verae -theologiae, libri sex. Oxon. 1661, lib. 1 cap. 1-4; Voetius, Diatribe -de theologia. Ultraj. 1668; Coccejus, Summa theol. cap. 1. Anderen -echter hadden bezwaar, om God tot het hoofdbegrip der dogmatiek te -maken, en noemden haar object liever anders. Lombardus, Sent. I dist. -1, sloot zich bij Augustinus aan, die de doctr. christ. lib. I cap. 2 -zegt: omnis doctrina vel rerum est, vel signorum, en droeg daarom aan -de theologie twee zaken ter behandeling op: res, d. i. God, wereld, -mensch, en signa, d. i. sacramenten. Maar deze onvolledige bepaling -werd spoedig prijs gegeven en door de commentatoren verbeterd. Alexander -Halesius en Bonaventura, Proleg. qu. I in 1 Sent. en Breviloquium Pars -I cap. 1 noemden Christus en zijn mystiek lichaam, de kerk; Hugo a St. -Victor, De sacr. lib. I c. 2, noemde de opera reparationis stof en -inhoud der theologie of dogmatiek. En ook Luth. en Geref. theologen -omschreven den inhoud der dogmatiek op deze wijze. Calovius, Isagoge ad -theologiam 1662, bestrijdt ten sterkste, dat God het eigenlijk object is -der theologie; de etymologie beslist hier niets, de theologie op aarde -is heel iets anders dan in den hemel, wij streven hier wel naar kennisse -Gods, maar bereiken ze niet. God tot object te maken der theologie is -even verkeerd als den Vorst tot object te maken van de politica, in -plaats van de res publica, p. 283 s. 291 s.; het eigenlijk object der -theologie is homo in quantum est perducendus ad salutem p. 252, 290 -of de godsdienst p. 299, 324. En zoo wordt ook door Amesius, Medulla -Theol. I c. 5; Maestricht, Theor. pract. Theol. I c. 1 § 47; Marck, -Merch der Christ. Godg. I § 34; Moor, Comment. in Marckii Compendium -I p. 112; Burmannus, Synopsis Theol. I c. 2 § 30; Limborch, Theol. -Christ. I c. 1, het Deo vivere per Christum, de religio, de cultus -Dei tot inhoud der dogmatiek gemaakt. De subjectieve, practische -opvatting van de theologie begon alzoo langzamerhand meer ingang te -krijgen. En toen nu de philosophie van Kant het menschelijk kenvermogen -tot de zienlijke dingen beperkte, het Agnosticisme de onkenbaarheid -Gods uitsprak, de historische kritiek de bovennatuurlijke openbaring -ondermijnde, is deze subjectieve, practische opvatting de heerschende -geworden. Schleiermacher vatte de dogmatiek op als Glaubenslehre, en -omschreef de dogmata als Auffassungen der frommen Gemüthszustände, -Der Christl. Glaube § 15, 16. En sedert hebben schier alle theologen -dezen overgang mede gemaakt. Niet God, maar de godsdienst is object -der theologie. En wel, de godsdienst in het algemeen als historisch en -psychologisch verschijnsel, Tiele, Gids Mei 1866; Idem, Theol. Tijdschr. -1ste aflev. 1867; Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1869 bl. 1 v. 163 v. -Wet op het Hooger Onderwijs van 1876, of meer bepaald de christelijke -religie, gelijk zij in Schrift en gemeente tot openbaring komt. -Dienovereenkomstig wordt dan aan de dogmatiek tot inhoud gegeven de -religio of doctrina christiana, zooals die of uit de H. Schrift geput, -of door eene of andere kerk beleden, of door persoonlijke ervaring -gekend wordt. - -5. Nu heeft reeds Thomas in zijn tijd tegen hen, die eene andere -omschrijving van de Theologie gaven, opgemerkt, dat zij daartoe kwamen -wijl attendentes ad ea, quae in ista scientia tractantur et non ad -rationem, secundum quam considerantur, Summa Theol. I qu. 1 art. 7. -In de theologie en zoo ook in de dogmatiek, wordt over veel meer dan -alleen over God gehandeld; ook engel en mensch, hemel en aarde, ja -alle schepselen komen daarin ter sprake. Maar de vraag is, onder welk -gezichtspunt en met welk doel ze in de theologie behandeld worden. -Immers, behandeld worden al deze dingen ook in andere wetenschappen; -het eigenaardige hunner behandeling in de theologie bestaat daarin, -dat zij beschouwd worden in hunne relatie tot God, ut ad principium et -finem, Kaftan, Wahrheit der Chr. Rel. S. 3. Voorts ware de definitie -van de dogmatiek als wetenschap van de religio christiana op zichzelve -nog niet zoo verkeerd, wanneer, gelijk in vroeger tijd, daaronder die -religio werd verstaan, welke objectief in de Schrift was neergelegd. -Maar na Kant en Schleiermacher heeft deze definitie een anderen -zin gekregen en is de dogmatiek de beschrijving geworden van dat -historisch verschijnsel, dat christelijke religie heet en zich ook in -een eigenaardig geloof en leer openbaart. Wordt nu de dogmatiek in -dezen zin verstaan, dan houdt ze op dogmatiek te zijn en wordt eenvoudig -beschrijving van wat in zekeren kring voor waarheid op godsdienstig -gebied gehouden wordt. Maar wetenschap is het om waarheid te doen; -indien de dogmatiek werkelijk wetenschap wil zijn, dan is ze niet -tevreden met de beschrijving van wat is, maar behoort ze aan te wijzen, -wat als waarheid gelden moet. Niet het ὁτι, maar het διοτι, niet de -werkelijkheid, maar de waarheid; niet het reëele, maar het ideëele, -het logische, het noodwendige behoort ze aan te toonen. Zoodra ze dat -echter beproeft, komt ze terstond tot God terug, wordt ze in eigenlijken -zin wederom theologie. Immers, al wie het Christendom maakt tot object -van eene eigen wetenschap, gaat uit niet van het feit van het _bestaan_ -van dat Christendom --want dan ware behandeling van dat historisch -verschijnsel in de litt. faculteit volkomen voldoende-- maar van eene -bijzondere waardeering van dat feit, Gunning en Saussaye Jr., Het -ethische beginsel der Theologie 47. De theologie als eene afzonderlijke -faculteitswetenschap onderstelt, dat in die historische feiten van -het Christendom God op eene bijzondere wijze zich heeft geopenbaard, -onderstelt en eischt dus het bestaan en de openbaring Gods. Dat is, de -theologie eischt, om theologie te zijn en te blijven, dat alles in haar -sub ratione Dei beschouwd wordt. En indien hiertegen de onkenbaarheid -Gods worde ingebracht, dan geldt de regel: qui nimis probat, nihil -probat. Indien God niet kenbaar is, valt daarmede niet alleen de -dogmatiek en de theologie, maar ook de religie, want deze is op de -kennis Gods gebouwd. Alzoo is dogmatiek het wetenschappelijk systeem der -kennisse Gods, d. i. van die kennis, welke Hij aangaande zichzelf en -aangaande alle schepsel als in relatie tot Hem in zijn Woord aan de kerk -heeft geopenbaard. - - -§ 2. ENCYCLOPAEDISCHE PLAATS DER DOGMATIEK. - -1. Over de plaats der dogmatiek in de encyclopaedie der theologie -is bijna geen verschil. Allen brengen haar tot de Systematische of -Dogmatische Theologie, d. i. tot die groep van vakken, welke zich -met het dogma bezig houden, en waartoe behalve de dogmatiek, ook de -ethiek, symboliek, dogmengeschiedenis en elenctiek behooren. Alleen -Schleiermacher, Kurze Darstellung des theol. Studiums, 2te Ausg. 1830 -§ 195, voegde ze bij de historische theologie, omdat zij de wetenschap -is von dem Zusammenhange der in der Kirche zu einer gegebenen Zeit -geltenden Lehre, Der Christl. Glaube § 19, ook Rothe, Zur Dogm. 1863 -S. 14, en dus eene statistiek geeft van het heden. Schleiermacher -kwam tot dit eigenaardig gevoelen, wijl hij de dogmatiek zoo streng -mogelijk scheiden wilde van de apologetiek. Terwijl deze als deel der -philosophische theologie heeft aan te toonen wat christelijke waarheid -is, heeft gene alleen te beschrijven, wat als waarheid in eene of -andere christelijke kerk geldt. Toch bedoelde Schleiermacher hiermede -volstrekt niet, om aan de dogmatiek alleen een refereerend karakter -toe te kennen; hij schrijft haar wel terdege eene kritische taak toe en -verlangt, dat ze systematisch zij, dat ze eigen overtuiging geve, en -dat ze beschrijve niet wat gegolden heeft, maar wat geldt, Dr. Is. van -Dijk, Begrip en methode der Dogmatiek 38 v.; Hagenbach, Encycl. § 80. -Maar daarmede gaat ze dan ook de zuiver historische beschrijving reeds -te boven. De christelijke gemeente kan zich niet tevreden stellen met -een objectief referaat van haar geloofsinhoud, maar verlangt dat haar -geloof ook als waarheid ontvouwd en uiteengezet wordt. De dogmaticus -staat ook niet neutraal buiten en tegenover het geloof der gemeente, -gelijk tegenover de godsdienstige leer van Mohammedanen en Buddhisten, -maar behoort tot die gemeente, en beschrijft dus ook, wat voor hem -als waarheid geldt en gelden moet. En eindelijk is er een wezenlijk -onderscheid tusschen werken als van Hase, Schmid, Schweizer en Heppe, -die eene objectieve beschrijving geven van de Luth. en Geref. leer, en -de dogmatiek, die de waarheid der religieuse overtuigingen aantoonen -en voorstellen wil. Als Schleiermacher, de dogmatiek een historisch -vak noemende, daarmede niet anders bedoelde dan dat zij eene thetische, -positieve wetenschap is, die haar object niet zoekt maar vindt en nu -beschrijft, dan is zijne bedoeling te waardeeren, maar de benaming toch -onjuist. Wanneer hij echter de meening koesterde, dat de dogmatiek -slechts een historisch gegeven had te beschrijven en geen aanspraak -maakte op normatieve waarheid, dan is zijne opvatting zeer zeker onjuist -geweest en tegenwoordig dan ook algemeen verworpen. Hagenbach, Encycl. -§ 80; Herzog² 3, 643. - -2. Behoort alzoo de dogmatiek tot de vakken der dogmatische theologie, -zij moet van hare zusteren wel onderscheiden worden. Alle vakken in -dit deel der theologie hebben het met het dogma te doen, d. i. met de -waarheid, gelijk God ze heeft geopenbaard, maar ieder op eene eigene -wijze. Het kan beluisterd worden, zooals het door de gemeente klaar en -krachtig in haar confessie beleden wordt, en dan ontstaat de theologia -symbolica. Het kan in eenvoudigen, bevattelijken vorm, als melk 1 -Petr. 2:2 aan de jeugdige leden, de kinderen der gemeente, worden -voorgedragen, en dan is de theologia catechetica aan het woord, wel -te onderscheiden van de catechetiek, de kunst om dat te doen. Het kan -in zijn waarheid en recht tegenover bestrijders worden gehandhaafd, en -dan volbrengt de theologia elenctica hare taak. Het kan ook thetisch -en positief, maar in wetenschappelijken, systematischen vorm, voor het -ontwikkeld bewustzijn worden uiteengezet, en dan wordt de dogmatiek -beoefend. Al deze vakken hebben met elkander gemeen, dat ze de -thesauri Sacrae Scripturae uitstallen, maar ieder op eigene wijze. -De dogmatiek doet dat, gelijk men oudtijds zeide, op scholastieke, -schoolsche wijze, dat is, zóó als het in de scholen der wetenschap -behoort te geschieden. Natuurlijk hangt hier zoo niet alles, dan toch -veel af van het standpunt, dat de dogmaticus inneemt. Indien hij met -de piëtisten en theologi biblici eene scherpe tegenstelling aanneemt -tusschen Schrift-en kerkleer, dan zal hij zoo eng mogelijk aan de -Schrift zich aansluiten, ook in woorden en uitdrukkingen, en zoo min -mogelijk de gevonden stof denkend verwerken. Ziet hij in de belijdenis -der kerk, in de historia dogmatum, geen verbastering maar ontwikkeling -der Schriftuurlijke waarheid, dan zal zijne dogmatiek kerkelijk en -confessioneel gekleurd zijn. En als hij tegen Schrift en kerk beide -rationalistisch overstaat, zullen de geloofsovertuigingen, die hij -voordraagt, vooral een negatief karakter dragen. Dat alles is een -verschil van methode en komt later ter sprake. Maar juist daarom is het -niet goed, met Prof. Doedes, Encyclopaedie, § 48, drieërlei dogmatiek -te onderscheiden, n.l. N. Test. of christelijke, kerkelijke en kritische. -Want daardoor wordt aan alle drie gelijke rang en bestaansrecht -toegekend, neemt de verwarring nog toe, komt de N. Test. dogmatiek als -de christelijke bij uitnemendheid tegenover de beide anderen te staan, -kunnen de beide eerste soorten van dogmatiek geheel buiten de eigen -overtuiging omgaan, en wordt de kritische dogmatiek alleen die van -de eigene zelfstandige beschouwing. De taak der dogmatiek is veeleer -altijd eene en dezelfde. Zij is en kan naar haar aard niets anders zijn -dan eene wetenschappelijke uiteenzetting der godsdienstige waarheid, -eene enarratio verbi Dei, eene uitstalling van de thesauri Sacrae -Scripturae, eene παραδοσις εἰς τυπον διδαχης, Rom. 6:17, zoodat wij in -haar hebben eene forma en imago van de doctrina coelestis. De dogmatiek -is dus zelve niet het Woord Gods, zij is er altijd maar een flauw beeld -en eene zwakke gelijkenis van; zij is eene feilbare, menschelijke poging -om op eigene, vrije wijze na te denken en na te spreken, wat God voortijds -veelmalen en op velerlei wijze door de Profeten en in deze laatste -dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, Polanus, Syntagma p. -539; Heidegger, Corpus Theol. Christ. Loc. I § 58. De vraag, hoe de -dogmatiek het best deze haar taak vervullen kan, is eene vraag van -methode en moet later afzonderlijk behandeld worden. - -3. Het nauwst verwant is de dogmatiek aan de ethiek. Het woord dogma -omvatte oudtijds beide, de articuli fidei en de praecepta decalogi, de -dogmata fidei en de dogmata morum. De ethiek werd of in de dogmatiek -opgenomen, bij Lombardus, Thomas, Melanchton, Calvijn, Martyr, Musculus, -Sohnius enz., of in een tweede deel na de dogmatiek bewerkt, bij -Polanus, Amesius, Heidegger, Wollebius, Wendelinus, Maestricht, -Brakel enz. of ook geheel zelfstandig, gescheiden van de dogmatiek, -behandeld, bij Danaeus, Ethices Christ. libri III 1577, Keckermann, -Walaeus, Polyander, Amyraldus, Pictet, Driessen, Hoornbeek, Heidegger, -Osterwald, J. A. Turretinus, Stapfer, Beck, Wyttenbach, Endeman, cf. -A. Schweizer, Die Entw. des Moralsystems in der ref. Kirche, Stud. -u. Krit. 1850, Heft 1; Gass, Gesch. der chr. Ethik II Bd., 1te Abth. -1886 S. 131 f.; Luthardt, Gesch. der chr. Eth., 2te Hälfte 1893. De -invloed van Aristoteles, die met Melanchtons philosophia moralis 1539 -reeds begon, hield de ontwikkeling van de christelijke ethiek tegen. De -scheiding, die later intrad, had tengevolge, dat de ethiek een eigen -beginsel miste, dit ter kwader ure zoeken ging bij de philosophie, -als verbasterde theol. ethiek vijandig kwam te staan tegenover de -dogmatiek en deze verdrong van haar plaats, en eindelijk de grenzen -tusschen haar en de dogmatiek geheel uitwischte. Ten bewijze strekken -de vruchtelooze pogingen, om beide te onderscheiden. Bij Kant heeft de -godsdienst geen eigen inhoud meer, maar is slechts de opvatting van -het goede als gebod Gods, Religion innerhalb der Grenzen der blossen -Vernunft, ed. Rosenkranz S. 184. Schleiermacher gaf aan beide tot -inhoud het christelijk leven, maar de dogmatiek beschrijft dat leven in -relatieve rust, de ethiek in relatieve beweging, Die Christl. Sitte, -ed. Jonas, 2te Aufl. 1884 S. 12-24. Rothe zag het onvoldoende dezer -onderscheiding in en maakte daarom de dogmatiek tot een historisch vak, -dat de dogmata der kerk behandelde, de ethiek tot een speculatieve -wetenschap, die haar stof dialectisch uit het Godsbewustzijn ontwikkelt, -Theol. Ethik, § 15. Dorner, Glaubenslehre I 9 f., Sittenlehre 47, -Herzog² 4, 352, Wuttke, Christl. Sittenlehre I 9, Palmer, Moral des -Christ. 24 f. e. a., onderscheiden beide als kennen en doen, verstand -en wil. Doedes, Encycl. § 52 n°. 4 en Van Oosterzee, Chr. Dogm. § 4 -n°. 4 als heil-en als levensleer; Gunning, Het ethische beginsel der -Theologie 12 als leven van Christus in de kerk en in den individu; -Daubanton, Theol. Stud. III 114 v. als leer van God en leer van den -mensch, enz. Al deze onderscheidingen gaan daaraan mank, dat ze een -principiëel verschil zoeken tusschen dogmatiek en ethiek. En dat is er -niet. De theol. ethiek, wel te onderscheiden van de philos. ethiek, -heeft geen eigen beginsel, maar wortelt geheel en al in de dogmatiek. -De aangegeven scheidingslijnen scheppen een dualisme tusschen God en -mensch, individu en gemeenschap, heil en leven, rust en beweging, -verstand en wil, en banen er den weg toe, dat de ethiek een eigen -beginsel gaat zoeken langs speculatieven philosophischen weg, zooals bij -Rothe, haar theologisch karakter verliest en van uit hare speculatieve -hoogte op de historische, positieve dogmatiek minachtend neerziet. -Indien dogmatiek en ethiek afzonderlijk behandeld moeten worden, wat om -verschillende redenen wenschelijk is, maar nog altijd door velen ontraden -wordt, als Sartorius, Nitzsch, Beck, A. Dorner, Ueber das Verhältniss -der Dogm. u. Ethik in der Theol. Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1889; -Hofmann, Schriftbeweis I 14; Wendt, Die Aufgabe der System. Theol. -1894 S. 12 f., dan kan de onderscheiding tusschen beide alleen hierin -gelegen zijn, dat de mensch, hoezeer ten allen tijde van God volstrekt -afhankelijk, toch ook een vrij en zelfstandig handelend wezen is. Door de -genade des H. Geestes wedergeboren en vernieuwd, ontvangt de zondige -mensch ook wederom lust en kracht, om naar Gods geboden te leven. De -dogmatiek beschrijft de daden Gods voor en aan en in den mensch, de -ethiek beschrijft de daden, die de vernieuwde mensch nu doet op grond en -in de kracht van die daden Gods. In de dogmatiek is de mensch passief, -ontvangt en gelooft; in de ethiek treedt hij zelf handelend op. In de -dogmatiek komen de articuli fidei, in de ethiek de praecepta decalogi -in behandeling. Daar wordt gehandeld de fide, hier de caritate, -obedientia, bonis operibus. De dogmatiek ontwikkelt wat God is en doet -voor den mensch en doet hem God kennen als zijn Schepper, Verlosser, -Heiligmaker; de ethiek zet uiteen wat de mensch nu is en doet voor God, -hoe de mensch geheel en al, met verstand en wil en alle krachten, zich -Gode wijdt uit dankbaarheid en liefde. De dogmatiek is het systeem der -kennisse Gods, de ethiek dat van den dienst Gods. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. III 14.; H. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. 2te Aufl. 1892 S. 3; -Wendt, t. a. p. 17. Beide wetenschappen zijn niet zelfstandig tegenover -elkaar, maar vormen saâm één systeem, zijn bij elkander behoorende leden -van één organisme, Wendt, ib. 19. - - -§ 3. METHODE DER DOGMATIEK. - -1. Onder methode der dogmatiek is in ruimen zin te verstaan de wijze, -waarop de dogmatische stof verkregen en behandeld wordt. Drie zaken -komen daarbij in aanmerking: de Schrift, de belijdenis der kerk en -het persoonlijk geloof van den dogmaticus. Al naar gelang deze drie -verwaarloosd of gebruikt en dan in verhouding tot elkander gesteld -worden, verschilt het uitgangspunt en daarom de weg en de uitkomst der -dogmatiek. Feitelijk gaat het nu altijd zoo toe, dat ieder Christen, ook -de dogmaticus, zijne geloofsovertuigingen ontvangt uit den kring, waarin -hij geboren en opgevoed is. Door prediking wordt de kerk gesticht en -overgeplant van geslacht tot geslacht. Het geloof is uit het gehoor. -De traditie, door Rome onfeilbaar verklaard, is ook door de Reformatie -niet ten eenenmale verworpen en spoedig daarna tot eene macht geworden, -die alle vrijheid aan banden legde. Men ontving de dogmatische stof -uit de handen der kerk en der school. Materia theologiae proprie -sunt loci communes, materia remota est S. Scriptura, zeggen Alsted -en Alting, Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 210. En na de reactie -der zoogenaamde Theologia Biblica is in deze eeuw het sociaal -element in de religie, het kerkelijk karakter der dogmatiek weer van -verschillende zijde in het helderst licht gesteld. Er is schier niemand, -die de confessioneele bepaaldheid van religie en dogmatiek ontkent, -Schleiermacher, Glaub. §19; Rothe, Zur Dogm. S. 27; Lange, Dogm. I -659 f.; Herzog² 12, 651 f. e. a. Hier te lande legden de Groninger -Godgeleerden weer op de kerk den nadruk, H. de Groot, De Gron. Godg. -68, 71-74, 97 v. Instit. theol. nat. § 37; Voorlez. over de gesch. der -opvoeding des menschdoms door God, II. 16de en 17de voorl. En zelfs -moderne theologen sluiten gewoonlijk in de behandeling der geloofsleer -bij het kerkelijk dogma zich aan. Biedermann, Chr. Dogm. 2te Aufl. II. -170 f.; Lipsius, Dogm. § 7; Scholten, Leer der Herv. Kerk. - -2. Maar de kerk met hare belijdenis kan toch het principium der -dogmatiek niet zijn. De Grieksche en Roomsche kerk hebben de traditie -wel voor onfeilbaar verklaard, maar ten allen tijde hebben kerken, -secten en richtingen, aan wie het christelijk karakter niet kon worden -ontzegd, van die overlevering een beroep gedaan op de H. Schrift. Zelfs -is in de Theologia biblica de poging beproefd, om zonder de hulp van -kerk en belijdenis uit de Schrift alleen te komen tot eene leer des -geloofs. Ze werd reeds voorbereid door Erasmus, Joh. Jansen, Gesch. -des deutschen Volkes II. 15, de Socinianen, Herzog² 14, 389, en de -Remonstranten, in de praefatie voor de apologie hunner confessie. -Ze vond steun bij de vele secten, die daarna in en naast de kerken -der Hervorming optraden. Ze werd in de kerken zelve ingeleid door -Calixtus en Coccejus, en won in de 18de eeuw hoe langer hoe meer -veld. Hare bedoeling wordt kenbaar b.v. uit de werken van A. F. -Büsching, Epitome Theol. Christ. e solis S. S. verbis concinnatae et -ab omnibus rebus et verbis scholasticis purgatae, Gott. 1755. Gedanken -von der Beschaffenheid und dem Vorzüge der bibl. dogm. Theologie vor -der scholastischen 1758. Nog in deze eeuw wordt zulk eene Bijbelsche -richting in de dogmatiek voorgestaan door Beck en zijne volgelingen, -door Doedes, Leer der zaligheid, 2de dr. 1876, en ook door Ritschl -en zijne school, die van de door de Grieksche philosophie verbasterde -dogmatiek terugkeert tot de openbaring Gods in den persoon van Christus. - -3. Maar ook daarmêe is de mogelijkheid van conflict tusschen de leer -der Schrift en de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus nog niet -weggenomen. Zoolang de waarheid objectief voor den dogmaticus in de -Schrift of in de kerkleer is neêrgelegd, schijnt aan de persoonlijkheid -van den dogmaticus geen recht te kunnen wedervaren. Dogmatiek blijft -dan eene uiteenzetting der leer van Schrift of kerk, maar misschien -zonder persoonlijke instemming van den dogmaticus. Dat is echter geen -dogmatiek. Want deze bestaat niet in een historisch referaat, maar zet -uiteen, wat als waarheid gelden moet, en houdt dus in de persoonlijke -overtuiging van den dogmaticus. Sedert de autoriteit in zake religie -voor velen geheel wegviel en de religio subjectiva van de religio -objectiva onafhankelijk werd gemaakt, is het religieus bewustzijn, -het geweten, het gevoel, de rede of hoe men het noemen wil, de bron -en maatstaf van de godsdienstige voorstellingen geworden. Heel de -theologie is door en na Schleiermacher, zoowel onder de orthodoxen -als onder de modernen, bewustzijnstheologie. Scholten, Schweizer, -Biedermann, Lipsius mogen nog bij de behandeling der dogmata van de -kerkelijke formuleering uitgaan, zij geven toch ten slotte niets anders -dan hun persoonlijk geloof. En ook theologen als Martensen, Dorner, -Hofmann, Philippi, Frank e. a., nemen hun uitgangspunt in het bewustzijn -van den geloovige. Hier te lande nam Van Oosterzee, Dogm. § 10, het -christelijk bewustzijn op onder de bronnen der dogmatiek. Des Amorie van -der Hoeven Jr. dichtte in Geloof des harten: het onuitspreeklijk woord -staat in ons hart te lezen, en Christus gaf er klanken aan. Beets, -Dichtwerken IV 130 zong: Gansch objectief te zijn, is de eisch, is -menschlijk. Maar zou het mooglijk zijn? Och, paai u met geen schijn! De -stelsels zijn persoonlijk of onmenschlijk. En prof. Van Manen wees, in -zijne inaugureele oratie te Groningen, op het persoonlijk karakter der -leerstellige Godgeleerdheid, Gron. 1884. Uit dat persoonlijk karakter -der dogmatiek verklaart Doedes, Encycl. bl. 168 v. de grenzelooze -verwarring, die er op haar gebied heerscht. - -4. Reeds dit overzicht van de drie dogmatische richtingen maakt -het duidelijk, dat geen der drie de andere ontberen kan. Elk wordt -op zichzelve genomen eenzijdig en vervalt tot dwaling. De kritische -richting, die belijdenis en Schrift als kenbron verwerpt en alle -religieuse waarheid uit het subject afleiden wil, is allereerst al -met de ervaring in strijd. Ook religieus zijn we producten van onze -omgeving. Wij ontvangen onze godsdienstige voorstellingen en indrukken -van degenen, die ons verzorgen en opvoeden, en blijven ten allen tijde -gebonden aan den kring, waarin wij leven. Eene goede psychologie toont -aan, dat verstand en hart, rede en geweten, gevoel en verbeelding op -geen enkel terrein als kenbron der waarheid kunnen gelden. Evenals -wij physisch aan de natuur gebonden zijn en spijze en drank, deksel en -kleeding van haar ontvangen moeten, zoo zijn we ook psychisch, in kunst, -wetenschap, godsdienst, zedelijkheid afhankelijk van de wereld buiten -ons. Al onze kennis komt van buiten; er zijn geen ideae innatae. Vooral -het gevoel kan als kenbron niet in aanmerking komen, want het gevoel -is nooit een prius, maar altijd een posterius; het reageert alleen op -hetgeen het aandoet en geeft dan een gewaarwording van lust of onlust, -van aangenaam of onaangenaam, Tholuck, art. Gefühl in Herzog²; Bender, -Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 S. 659 f.; Philippi, Kirchl. Glaub. I -60 f.; Hodge, System. Theol. I 65 f.; Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864 bl. -1-43. Id. Wijsgeerige Godsdienstleer, Amst. 1894 bl. 59 v. 213 v. Het -autonoom verklaren van den godsdienstigen en zedelijken mensch hangt -altijd met het deïsme of het pantheïsme saâm. Het deïsme maakt den -mensch onafhankelijk van God en wereld, leert de algenoegzaamheid zijner -rede en leidt tot rationalisme; het pantheïsme laat God in den mensch -tot openbaring en zelfbewustzijn komen en kweekt het mysticisme. Beide -vernietigen de objectieve waarheid, laten rede en gevoel, verstand en -hart aan zichzelve over, en eindigen in ongeloof of bijgeloof. De rede -critiseert alle openbaring weg, en het gevoel geeft aan den Roomsche -evenveel recht, om zich Maria voor te stellen als de zondelooze -koningin des hemels als aan den Protestant om dit geloof te bestrijden, -Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 94. Opmerkelijk is het daarom, dat -de H. Schrift den mensch nooit naar zichzelf als kenbron en maatstaf -der godsdienstige waarheid verwijst. Hoe zou zij het ook kunnen, waar zij -den psychischen mensch geheel en al, in zijn verstand Ps. 14:3; Rom. -1:21-23; Rom. 8:7; 1 Cor. 1:23, 2:14; 2 Cor. 3:5; Ef. 4:23; Gal. 1:6, -7; 1 Tim. 6:5; 2 Tim. 3:8; in zijn hart Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; -Ezech. 36:26; Mark. 7:21; in zijn wil Joh. 8:34; Rom. 7:14; 8:7; Ef. -2:3; en ook in zijn geweten Jer. 17:9; 1 Cor. 8:7, 10, 12; 10:28; 1 Tim. -4:2; Tit. 1:15 als door de zonde verduisterd en verdorven beschrijft. -Voor de kennis der waarheid verwijst ze hem altijd naar de objectieve -openbaring, naar het woord, de onderwijzing, die van God is uitgegaan, -Deut. 4:1; Jes. 8:20; Joh. 5:39; 2 Tim. 3:15; 2 Petr. 1:19 enz. En ook, -waar de objectieve waarheid door het geloof ons persoonlijk eigendom -wordt, is dat geloof toch nooit gelijk aan eene fontein, die het levende -water uit zichzelve voortbrengt, maar aan een kanaal, dat het water van -elders ons toevoert. - -5. Rome heeft deze onmogelijkheid eener religieuse en zedelijke -autonomie uitnemend begrepen en daarom den mensch op straffe van -de zaligheid zijner ziel gebonden aan de onfeilbare kerk. Deze, en -dus ter laatste instantie de onfeilbare Paus, is voor den roomschen -Christen het principium van zijn geloof. Het Papa dixit is het einde -aller tegenspraak. Maar de historie leert, dat deze theoretische of -practische onfeilbaarheid der kerk niet alleen in Rome, maar ook in -de kerken der Hervorming ten allen tijde tegenspraak en oppositie -heeft ontmoet. Niet de ongeloovige, maar de vrome kringen zijn het in -de eerste plaats, die deze macht der hierarchie als een knellenden -band voor de conscientie hebben gevoeld. Er is alle eeuwen door niet -slechts een wetenschappelijke, maatschappelijke, staatkundige, maar ook -eene innig godsdienstige en zedelijke oppositie tegen de hierarchische -macht der kerk geweest. Het gaat niet aan, deze oppositie uit ongeloof -en ongehoorzaamheid te verklaren, en als met opzet de religieuse -motieven te miskennen, die aan de oppositie der verschillende secten -en richtingen ten grondslag lagen. Niemand durft al deze secten -verdoemen, omdat ze tegen de kerk en hare traditie in verzet kwamen. -Zelfs Rome deinst voor deze gevolgtrekking terug. Het extra ecclesiam -nulla salus is eene belijdenis, die ook aan het sterkste geloof nog te -zwaar valt. De wet, die we op alle terrein zien heerschen, gaat dan ook -in godsdienst en zedelijkheid door. Er is eenerzijds een revolutionaire -geest, die al het historisch gewordene tot den grond toe wil slechten, -om dan van nieuws aan het bouwen te gaan; maar er is ook een valsch -conservatisme, dat er behagen in schept om het bestaande onaangetast te -laten alleen omdat het bestaat en, naar het bekende woord van Calvijn, -malum bene positum non movere. Overal en op alle terrein is er te zijner -tijd een zeker radikalisme van noode, om het evenwicht te herstellen, -de ontwikkeling te doen voortgaan, en den stroom van het leven niet te -laten verzanden. In kunst en wetenschap, in staat en maatschappij en -zoo ook in godsdienst en zedelijkheid, ontstaat er langzamerhand eene -sleur, die de rechten der persoonlijkheid, het genie, de vinding, de -inspiratie, de vrijheid, de conscientie onderdrukt en verkracht. Maar -dan staat ook altijd te zijner tijd de man op, die het onder dien druk -niet houden kan, die het juk der dienstbaarheid van zich werpt, en -die het weder opneemt voor de vrijheid van den mensch, voor de vrijheid -van den Christen. Dat zijn de keerpunten in de geschiedenis. Zoo -trad Christus zelf eenmaal op tegen de traditie der ouden en keerde -tot de wet en de profeten terug. En zoo heeft eenmaal de reformatie -het bestaan, om niet ter wille van eenig wetenschappelijk, sociaal of -staatkundig belang, maar in naam van den Christenmensch te protesteeren -tegen Rome’s hierarchie. Zelfs bij de secten en richtingen, die later -in de Protestantsche kerken opkwamen, is menigmaal dat religieus, -ethisch motief niet te miskennen. Ook de theologia biblica verdedigt -een belangrijk stuk der godsdienstige waarheid. Als kerk en theologie de -rust verkiezen boven den strijd, roepen zij zelve de oppositie wakker, -die haar herinneren aan heur christelijke roeping en taak. Rome kan -uitteraard zulk eene oppositie nimmer goedkeuren en moet ze reeds van -te voren veroordeelen. De reformatie is er zelve uit voortgekomen en -kan aan anderen niet onthouden wat zij voor zich zelve nam. En de H. -Schrift, hoewel verre van alle revolutionair verzet, heeft toch het -recht van tegenspraak tegen alle menschelijk, met Gods Woord strijdend -bevel gewettigd in het koninklijk woord van Petrus: πειθαρχειν δει θεῳ -μαλλον ἠ ἀνθρωποις, Hd. 5:29. - -6. Zoo schijnt alleen die methode de ware te zijn, welke door de -bijbelsche theologen toegepast wordt. Maar ook deze richting lijdt -aan groote eenzijdigheid. Zij meent geheel onvooringenomen tegenover -de Schrift te staan en zuiver en objectief haar inhoud weer te -geven. Maar zij vergeet, dat elk geloovige en ieder dogmaticus zijne -geloofsovertuigingen allereerst ontvangt uit de hand zijner kerk. Hij -komt dus nooit van buiten af, zonder eenige kennis en vooropgevatte -meening tot de Schrift, maar brengt van huis uit reeds eene zekere -opvatting van den inhoud der openbaring mede en beziet dus ook de -Schrift met den bril, dien de kerk hem voorhoudt. Elk dogmaticus staat, -als hij aan den arbeid gaat, of hij ’t erkent of niet, in die historische -verschijning van het Christendom, waarin hij geboren en opgevoed is en -komt als gereformeerd of luthersch of roomsch Christen tot de Schrift. -Men kan zich ook hier eenvoudig van zijne omgeving niet ontdoen, men is -altijd kind van zijn tijd, product van zijne omgeving, Toorenenbergen, De -Chr. Geloofsleer, bl. 6.; Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S. 8 f. -De uitkomst beantwoordt dan ook aan deze verwachting; alle dogmatische -handboeken, die door de bijbelsche richting in ’t licht zijn gegeven, -weerspiegelen getrouw het persoonlijke en kerkelijke standpunt van den -auteur; ze kunnen op geen meerdere objectiviteit aanspraak maken dan -die van de kerkelijke dogmatici. Het zuivere Evangelie, dat Ritschl bijv. -bij Luther en bij Jezus terugvindt, beantwoordt geheel aan de opvatting, -die hij er zich zelf van gevormd heeft. Al deze bijbelsche richtingen -worden dan ook voortdurend door de historie geoordeeld, ze doen haar -nut voor een tijd en roepen eene vergeten waarheid wakker, maar ze -veranderen den stroom van het kerkelijk leven niet en hebben geen -bestand in zich zelve. Gewoonlijk komen zij voort uit eene godsdienstige -overtuiging, die ook in de Schrift zich niet meer vinden kan. Wel -beginnen ze steeds met van de belijdenis op de Schrift zich te beroepen, -maar ze gaan straks van de Schrift naar den persoon van Christus terug -en eindigen er mede om ook zijne autoriteit aan te tasten. En altijd -toont dan de historie weer, dat het Christendom het relatief zuiverst -in de confessies der kerken is bewaard. Maar zulk eene bijbelsche -opvatting is niet alleen practisch onmogelijk, zij is ook theoretisch -onjuist. De Schrift is geen wetboek, waarvan de artikelen maar behoeven -nageslagen te worden, om in een bepaald geval haar opinie te kennen. -Zij is samengesteld uit vele boeken van onderscheidene personen, uit -zeer verschillende tijden, met uiteenloopenden inhoud. Zij is geen -abstracte, maar eene organische, levende eenheid. Zij bevat nergens -eene schets der geloofsleer, maar deze moet uit heel het organisme -der Schrift worden afgeleid. De Schrift is er niet op ingericht, dat -wij haar napraten, maar dat wij haar als vrije kinderen Gods nadenken -zullen. Maar dan is ook alle zoogenaamde Voraussetzungslosigkeit en -objectiviteit onmogelijk. Dan is er zooveel studie en nadenken van het -subject mee verbonden, dat één persoon daartoe ten eenenmale onbekwaam -is. Daar zijn eeuwen voor noodig. Daar is de kerk voor aangesteld, die -de belofte heeft van de leiding des Geestes in alle waarheid. Wie van -de kerk, d. i. van de Christenheid, van de gansche dogmenhistorie -zich isoleert, verliest de christelijke waarheid. Hij wordt een tak -gelijk, die van den boom is gescheurd en wegsterft, een lid dat van -het lichaam is gescheiden en daarom voor den dood is bestemd. Alleen -in de gemeenschap der heiligen is de lengte en breedte, de diepte en -hoogte van de liefde van Christus te verstaan, Ef. 3:18. Daar komt nog -bij, dat de voorstanders dezer richting vergeten, dat het Christendom -universeel is en ingaan kan en moet in alle vormen en toestanden. Ze -stellen de genade vijandig tegenover de natuur en rekenen niet genoeg -met de vleeschwording des Woords. Want even waarachtig als de Zone -Gods mensch is geworden, wordt ook de gedachte Gods neêrgelegd in de -Schrift, vleesch en bloed in het bewustzijn der menschen. Dogmatiek is -en behoort te zijn, de goddelijke gedachte volkomen ingegaan en opgenomen -in ons menschelijk bewustzijn, uitgesproken vrij en zelfstandig in onze -taal, in haar wezen vrucht der tijden, in haar vorm van dezen tijd (Da -Costa). Daarom is ook de tegenstelling onjuist, die er dikwerf gemaakt -wordt tusschen Bijbelsche Theologie en Dogmatiek, alsof gene den inhoud -der Schrift, deze dien der kerkelijke dogmata zou weêrgeven. Want de -dogmatiek bedoelt niets anders dan de gedachten Gods te exponeeren, die -Hij in de H. Schrift neergelegd heeft, Maresius, Syst. Theol. loc. 1. § -8. Maar ze doet dat, gelijk behoort, op wetenschappelijke manier, in een -vorm en naar eene methode, gelijk die wetenschappelijk geëischt zijn. In -dezen zin hebben de Gereformeerden vroeger het recht der zoogenaamde -theologia scholastica verdedigd. Zij hadden er volstrekt niet op tegen, -dat de geopenbaarde waarheid ook in eenvoudiger vorm onder den naam -van theologia positiva, catechetica enz. werd voorgedragen. Maar ze -bestreden ten sterkste, dat deze beide verschilden in inhoud; wat ze -onderscheidde, was alleen een verschil in vorm en methode. En door -dit standpunt in te nemen, hebben zij eenerzijds zoo sterk mogelijk -de eenheid en den samenhang van geloof en theologie, van kerk en -school, gehandhaafd, maar anderzijds ook het wetenschappelijk karakter -der theologie hoog gehouden. De gedachten Gods mochten nog zoo hoog -en wonderbaar zijn, ze waren toch geen aphorismen, maar vormden een -organische eenheid, een systematisch geheel, dat ook ingedacht en in -een wetenschappelijken vorm kon weergegeven worden. De Schrift zelve -spoort tot dezen theologischen arbeid aan, als zij niet op het abstracte -weten, maar op leer en waarheid, kennis en wijsheid allerwege den -sterksten nadruk legt. - -7. Eene goede methode der dogmatiek dient dus met alle drie gegevens, -met Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging rekening te houden. Dan -alleen is het mogelijk, om voor grove eenzijdigheden te worden bewaard. -Toch komt het er dan nog op aan, de verhouding te bepalen, waarin deze -drie gegevens tot elkaar staan. In den regel gaat het zoo, dat we -onze godsdienstige overtuigingen ontvangen uit onze omgeving. Dat is -het geval in alle godsdiensten, en ook in het Christendom. Wij worden -allen als leden eener kerk geboren. Het verbond der genade neemt ons -op van onze geboorte aan. De beloften Gods in Christus gelden niet -alleen de geloovigen maar ook hun zaad. In kritische tijden, gelijk -den onzen, gebeurt het dikwerf, dat er dan later eene smartelijke -breuke komt tusschen het geloof der kindsheid en de persoonlijke -overtuiging. Is deze breuke van dien aard, dat men wel zijn eigen kerk -verlaten moet maar toch bij eene andere historisch bestaande kerk -zich aansluiten kan, dan is ze betrekkelijk spoedig geheeld. Er is -dan wel verandering, maar geen verlies van de religie zelve, van den -Christennaam, van de gemeenschap, van de belijdenis. Er blijft dan nog -een dogma, dat vaststaat en ons steun en troost biedt in het leven. -Op dit standpunt blijft er dus ook nog eene dogmatiek mogelijk, die de -waarheid Gods beschrijft, gelijk ze in eene bepaalde kerk erkenning vond. -Maar dikwerf grijpt de twijfel veel dieper in het religieuse leven in. -Velen verliezen alle geloof en komen tot skepticisme en agnosticisme; -hier is er van dogmatiek, van geloof, van belijdenis, van gemeenschap -geen sprake meer; loutere negatie is tot het stichten van gemeenschap -onbekwaam. Anderen echter, het geloof der kindsheid niet meer kunnende -handhaven, trachten onder ernstige inspanning en strijd zich een eigen -godsdienstige overtuiging te verwerven. Ook hierbij laat natuurlijk de -invloed der omgeving zich gelden; geheel zelfstandig komt men tot eene -godsdienstige overtuiging nooit. Alleen is er daarbij dan dit verschil, -dat hetgeen in eene kerk niet meer gevonden werd, nu gezocht wordt in -eene wijsgeerige school. Iedere wijsbegeerte is in deze eeuw beurtelings -aangegrepen, om zekere godsdienstige overtuigingen te wekken en te -handhaven. Ook op dit standpunt is er van dogmatiek geen sprake meer. -Er is alleen nog een godsdienstig geloof, eene Glaubenslehre, een -wijsbegeerte van den godsdienst, eene wijsgeerige godsdienstleer. - -Dogmatiek is er dus alleen mogelijk voor hem, die in gemeenschap des -geloofs staat met eene of andere christelijke kerk. Dit ligt ook in -den aard van het godsdienstig geloof. Religieuse voorstellingen zijn -van wetenschappelijke o. a. daarin onderscheiden, dat ze niet steunen -op eigen inzicht, op het gezag van eenig mensch, maar alleen op het -gezag Gods. Maar dit sluit in, dat ze ook in een godsdienstigen kring, -d. i. in eene kerk geloof en erkenning hebben gevonden. Daarin wordt -alleen het religieus gezag van eene godsdienstige voorstelling kenbaar. -Eene kerk gelooft hare belijdenis niet, wijl ze de waarheid ervan -wetenschappelijk inziet, maar enkel en alleen op grond van het Woord -Gods, hetzij dit alleen in de Schrift of ook door kerkelijke organen -zich uit. Wie zijne godsdienstige overtuiging zoekt bij eene wijsgeerige -school, verwart godsdienst met wetenschap en ontvangt niets dan eene -altijd onzekere, door velen bestredene, sententia of opinio doctoris. -Het godsdienstig geloof echter is krachtens zijn eigen natuur aan eene -gemeenschap en aan hare belijdenis verbonden. Ook hier is het als overal -elders. Abstracties, universalia zijn er in de werkelijkheid niet. _De_ -boom, _de_ mensch, _de_ wetenschap, _de_ taal, _de_ godsdienst, _de_ -theologie zijn nergens te vinden. Er zijn alleen bijzondere boomen, -menschen, wetenschappen, talen en godsdiensten; zooals eene taal -samenhangt met een volk, zooals wetenschap en wijsbegeerte altijd in eene -zekere richting en school beoefend worden, zoo is religie en theologie -alleen te vinden en te kweeken in eene haar verwante gemeenschap. Eene -kerk is de natuurlijke bodem voor religie en theologie. Evenmin als er -nu reeds _de_ kerk is, is er ook _de_ religie en _de_ theologie. Er zijn -slechts verschillende kerken, en zoo ook verschillende theologieën. -En dit zal duren, tot de gemeente in Christus haar vollen wasdom -zal hebben bereikt en allen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs -en der kennis van den Zone Gods. Deze eenheid is niet met geweld -te grijpen, maar kan het best worden bevorderd als elk het geloof -zijner eigene kerk indenkt, en ’t zuiverst voorstelt. Niet buiten de -bestaande kerken om, maar door deze heen bereidt Christus zich zijne -ééne heilige, algemeene gemeente. En niet buiten de verschillende -kerkelijke dogmata om, maar door deze heen wordt de eenheid der kennisse -Gods voorbereid en verkregen. Op deze wijze zal de dogmaticus ook het -best vruchtbaar kunnen werken voor de reiniging en de ontwikkeling -van het religieuse leven en de leer zijner kerk. Aanknooping aan het -bestaande is voorwaarde tot verbetering in de toekomst. In het nu ligt -wat worden zal, Twesten, Vorles. über die Dogm. 2e Aufl. I 46. Deze -beteekenis der kerk voor de theologie en dogmatiek is gegrond in het -verband, dat Christus zelf tusschen beide gelegd heeft. Hij heeft aan -Zijne kerk den H. Geest beloofd, die haar leiden zou in de waarheid. -De dogmenhistorie komt hierdoor in een heerlijk licht te staan. Zij is -de explicatie der Schrift, Lange, Christl. Dogm. I 3; Schoeberlein, -Princip. und System der Dogm. 26; de uitlegging, welke de H. Geest in -de kerk van de schatten des Woords gegeven heeft. De dogmaticus heeft -dus de stof voor zijne dogmatiek niet te putten alleen uit de geschreven -confessie zijner eigene kerk, maar deze in samenhang te beschouwen met -heel ’t eigenaardig geloof en leven zijner kerk, en deze wederom met -de geschiedenis der gansche kerk van Christus. Hij staat dus op de -schouders der voorgeslachten. Hij voelt zich omringd door eene wolke -van getuigen, en laat zijne getuigenis saamvloeien met die stemme veler -wateren. Elke dogmatiek behoort mede in te stemmen in den lofzang, die -door de kerk aller eeuwen Gode toegebracht wordt. - -8. Maar daarmee is de dogmenhistorie en de belijdenis der kerk nog niet -verheven tot een onfeilbaar gezag. Er is onderscheid tusschen den weg, -waarlangs de dogmaticus gevormd wordt, en het beginsel, waaruit de -dogmatiek haar stof ontvangt. In iedere wetenschap begint de beoefenaar -te leven van de traditie. De eerste kennis van zijn vak verkrijgt hij -altijd door autoriteit. Hij moet eerst de geschiedenis van zijn vak in -zich opnemen en opklimmen tot de hoogte en den tegenwoordigen stand -van zijne wetenschap, om daarna zelfstandig aan den arbeid te gaan en -zich een eigen inzicht in het voorwerp van zijn onderzoek te verwerven. -Maar niemand zal daarom de traditie, die paedagogisch van zoo groot -belang was, voor de bron zijner wetenschap houden. Niet anders is het -met den dogmaticus. Paedagogisch gaat de kerk aan de Schrift vooraf. -Maar naar logische orde is de Schrift het principium unicum van kerk -en theologie. Bij verschil, waarvan de mogelijkheid op reformatorisch -standpunt nooit kan worden ontkend, moet kerk en belijdenis wijken voor -de Schrift. - -Niet de kerk maar de Schrift is αὐτοπιστος, judex controversiarum, -sui ipsius interpres. Niets mag met haar op ééne lijn worden gesteld. -Kerk, belijdenis, traditie, alles moet naar haar zich regelen, aan haar -zich onderwerpen. De Remonstranten beschuldigden de Gereformeerden -wel, dat zij door de belijdenis aan het gezag, de genoegzaamheid en de -volmaaktheid der H. Schrift te kort deden. Maar de Gereformeerden, -schoon in deze bedeeling der kerk belijdenis noodzakelijk achtende, om -het Woord Gods te verklaren, de ketterijen te weren en de eenigheid des -geloofs te onderhouden, bestreden zoo sterk mogelijk dat de belijdenis -ook maar eenig gezag zou hebben naast de Schrift. De Schrift is alleen -norma en regula fidei et vitae, de belijdenis verdient alleen geloof -omdat en in zoover zij met de Schrift overeenkomt en blijft, als feilbaar -menschenwerk, revisibel en examinabel aan de Schrift. De confessie is -dus hoogstens norma secundaria, non veritatis sed doctrinae in aliqua -ecclesia receptae, en daarom bindend voor allen, die in gemeenschap met -de kerk willen leven. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als -accoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der gemeente, -maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op grond van de -Schrift, Voetius, Pol. Eccl. IV 1-74; Turret, Theol. El. Loc. 18. cap. -30; Examen van het Ontwerp van Tolerantie, 8e Sam. bl. 59-136; Moor, -Comm. in Marckii Comp. VI 353 s., enz. Alle christelijke kerken zijn één -in de belijdenis, dat de H. Schrift het principium is der theologie, en -de reformatie erkende haar eenparig als principium unicum. De Nederl. -Confessie spreekt dat uit in art. 5, en alle Luthersche en Geref. -theologen zijn hiermede eenstemmig, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 4; -Heppe, Dogm. der ev. ref. K. loc. 2. Wel is waar wordt in art. 2 der -Ned. Conf. beleden, dat God door twee middelen gekend wordt, nl. door -de natuur en de Schrift, en is door alle Geref. theologen de theologia -naturalis in haar waarheid en waarde gehandhaafd. Maar in den eersten -tijd, voordat het rationalisme de Geref. theologie had vervalscht, werd -duidelijk ingezien, dat natuur en Schrift niet onafhankelijk en los naast -elkander stonden, evenmin als de theologia naturalis en revelata. -Calvijn nam de theol. naturalis op in het corpus der christelijke -dogmatiek, en zei dat de Schrift de bril was, waarmede de geloovige -klaarder God aanschouwde ook in de werken der natuur, Instit. I. 6, -1. De theologia naturalis had oorspronkelijk volstrekt niet ten doel, -om langzamerhand en geleidelijk den weg te banen tot de theologia -revelata; men nam bij haar niet het voorloopige standpunt der rede in, -om dan door redeneering en bewijs op te klimmen tot het standpunt des -geloofs. Maar van den aanvang af stond de dogmaticus op den grondslag -des geloofs, en bezag als Christen, als geloovige nu ook de natuur; en -dan ontdekte hij, met zijn christelijk oog, gewapend met de H. Schrift, -ook in de natuur sporen van dien God, dien hij door de Schrift, in -Christus, als zijn Vader had leeren kennen. Subjectief kwam dus in de -dogmatiek niet eerst de natuurlijke rede en daarna het geloof aan het -woord; het was altijd de geloovige Christen, die in den catechismus, in -de confessie, in de dogmatiek zijn geloof uitsprak. En evenzoo stond -objectief de natuur niet als een zelfstandig en onafhankelijk principium -naast de H. Schrift, beide een eigen stel van waarheden leverend. Maar -de natuur werd bezien in het licht der Schrift, en de Schrift bevatte -niet alleen de in strikten zin geopenbaarde waarheid, maar bevatte ook -de waarheden, welke de geloovige in de natuur ontdekken kan. Zoo erkent -Alsted in zijne Praecognita Theologiae 1623. p. 115, wel eene theologia -naturalis in den onwedergeborene maar deze is verward en duister; voor -den geloovige zijn de principia et conclusiones theologiae naturalis in -de Schrift klaar en duidelijk herhaald, Hodge, System. Theol. I 11. 15; -Shedd, Dogm. Theol. I 68. - -Ook al is er daarom een kennisse Gods uit de natuur, de dogmatiek -heeft toch maar een eenig principium externum, n.l. de H. Schrift, -evenals ook maar een eenig principium internum, n.l. de geloovige -rede. En nu niet slechts zóó, dat de H. Schrift alleen norma zou zijn -en geen bron, maar bepaaldelijk in den zin van principium theologiae. -Er is tusschen vroegere theologen en die van den tegenwoordigen tijd -een groot onderscheid. Sedert Schleiermacher van het object tot het -subject terugging, zijn eene schare van theologen in de gemeente en -hare belijdenis de bron der dogmatische waarheid gaan zien. Niet alleen -hebben ze, en terecht, het confessioneel en kerkelijk karakter der -dogmatiek erkend en uitgesproken, maar ze hebben ook de belijdenis der -gemeente tot kenbron gemaakt en de H. Schrift tot norma verlaagd, -Schleiermacher, Glaub. § 19; Rothe, Zur Dogm. 27; Schoeberlein 23; -Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 12; Dr. Van Dijk, Begrip -en methode der dogm. 14 v.; Dr. Daubanton, Confessie en Dogmatiek 29 -v., of ook de belijdenis naast de H. Schrift als kenbron geplaatst, -Lange, Dogm. II 3; Van Oost § 9; Von der Goltz, § 18; Reiff, I 256. -En Dr. Gunning t. a. p. 31-34 beweerde zelfs, dat de leer van de -Schrift als bron in plaats van als norma niet gereformeerd, maar -eigenlijk remonstrantsch was. Maar deze voorstelling berust op eene -onjuiste opvatting van de verhouding tusschen kerk en Schrift. In -den eersten tijd van de christelijke gemeente kon er nog sprake zijn -van eene zuivere traditie, die parallel liep met de geschriften der -Apostelen. Maar die beide stroomen zijn reeds lang samengevloeid. Er -is nu geen kennis van de christelijke waarheid meer, dan alleen uit -de H. Schrift. Ook al voedt het religieuse leven in de gemeente zich -veel meer uit stichtelijke werken dan uit de Schrift, Ritschl, Rechtf. -u. Vers. II² 12, het zijn toch slechts kanalen, waardoor de waarheid -der H. Schrift in meer bevattelijken vorm den geloovigen toegevoerd -wordt. Bovendien, de dogmatiek is iets gansch anders dan symboliek. -Deze beschrijft en verklaart de belijdenis der kerk. Maar de dogmatiek -dogmatiseert, d. i. zij zet uiteen, wat op godsdienstig gebied niet als -waarheid geldt, maar als waarheid gelden moet. Zij behoort wel met de -belijdenis in verband te staan, evenals met de school en de kerk. Maar -de dogmatiek staat toch zelfstandig naast de confessie, zij exponeert -de waarheid Gods op eene haar eigene wijze. De Schrift is aan de kerk, -maar ook aan de school, aan de wetenschap gegeven; en beide lezen -en onderzoeken, verklaren en beschrijven haar inhoud. Confessie en -dogmatiek werken daarbij op elkander in; de confessie is op haar beurt -evenzeer afhankelijk van de dogmatiek, als deze van gene. Dogmata zijn -niet door de kerk voortgebracht, maar zijn vrucht der theologie. Eerst -waren er de Apologeten, toen kwam Nicea. Eerst traden de Hervormers op -en later volgden de Protest. confessies enz., Harnack, Dogmengesch. -I 10, en mijn artikel Theol. Stud. 1891, bl. 258-275. En eindelijk is -de leer van de H. Schrift als unicum principium theologiae ook alleen -zuiver reformatorisch en gereformeerd. De Nederl. Conf. leert in art. -2 en 7 uitdrukkelijk, dat de kennis van God en zijn dienst alleen uit de -Schrift wordt geput en dat ze dus wel ter dege bron is en niet alleen -norma. Calvijn, Instit. I. cap. 6, Melanchton in de praefatie voor zijne -Loci en alle dogmatici verklaren, dat de kennisse Gods alleen klaar -en volkomen uit de Schrift kan worden verkregen. Iedere dogmatiek -haast begint met de leer der Schrift als unicum principium theologiae. -De eigenschappen van de auctoritas, sufficientia, perfectio, die de -Protestanten tegenover Rome aan de H. Schrift toekenden, betoogen -datzelfde, Daubanton, Theol. Stud. 1885, bl. 191-210. Dat zij daarbij -liefst niet van fons, maar van principium spraken, verzwakt deze -geheel eenige beteekenis van de Schrift voor de dogmatiek niet. De -naam principium is zelfs boven dien van fons te verkiezen. De laatste -uitdrukking duidt de relatie tusschen Schrift en theologie als eene -mechanische aan; en doet het voorkomen alsof de dogmata uit de H. -Schrift geput konden worden als water uit de bron. Maar principium -wijst op een organisch verband. Dogmata zijn er niet in de Schrift, maar -de stof ervan ligt in haar vervat. De Schrift bevat de kiemen, de -zaden waaruit de dogmata onder de onderwijzing des Geestes in de kerk -opwassen. Dogmatiek is de waarheid der Schrift, heengegaan door het -denkend bewustzijn van den mensch, en weergegeven in wetenschappelijken -vorm. - -9. Daarmede is echter het persoonlijk karakter der leerstellige -Godgeleerdheid niet te niet gedaan. Dat kan en mag niet, wijl dogmatiek -niet is een historisch referaat, maar eene aanwijzing van wat op -religieus gebied als waarheid gelden moet. Dat persoonlijk karakter -der dogmatiek vloeit echter niet daaruit voort, dat alle band aan het -object wordt doorgesneden en elk nu maar voordraagt wat hij gelieft. Dan -toch houdt de dogmatiek op eene wetenschap te zijn en is ze niets dan -eene private opinie. Als de dogmatiek, volgens Prof. Van Manen bl. 23, -den waan moet laten varen, dat er eene van buiten gegeven, objectieve -waarheid is, dan is er geen dogmatiek meer. Dan zijn er maar subjectieve -meeningen, waarvan de eene even goed is als de andere. Elke wetenschap, -welke op dien naam aanspraak heeft, moet hebben een eigen, in de -werkelijke wereld bestaand object; onderstelt verder, dat dat object -kenbaar is; en is dan aan dat object zoo streng mogelijk gebonden. Voor -de dogmatiek geldt geen andere eisch; ook zij moet een eigen voorwerp -hebben, dat voorwerp moet kenbaar zijn, en aan dat voorwerp is ze -volstrekt gebonden. Maar de loochening van zulk een eigen, kenbaar -object mag nooit worden goedgemaakt met een beroep op het persoonlijk -karakter der leerstellige Godgeleerdheid. Dat is verwarring van -twee geheel verschillende kwestiën. Van een persoonlijk karakter der -dogmatiek kan er eerst dan sprake zijn, als vooraf vaststaat, dat ze een -eigen object heeft. - -Immers, elke wetenschap, van natuur, geschiedenis, recht, zede enz. -heeft een object, dat in de werkelijke wereld aanwezig is. Maar daarom -draagt iedere wetenschap toch nog wel een persoonlijk karakter; de eene -zeker minder dan de andere, de wiskunde bijv. in veel geringere mate -dan de geschiedenis. Maar naarmate de wetenschappen minder formeel -zijn, en meer nabij het centrum liggen, naar die mate neemt de invloed -van de persoonlijkheid toe. Een mensch kan zich bij de beoefening der -wetenschap, evenmin als ergens elders, van zichzelven ontdoen; hij -brengt zijn opvoeding, levensbeschouwing, hart en geweten, sympathieën -en antipathieën mede, en deze oefenen vanzelf invloed op zijn onderzoek -en nadenken. Dit nu is op zichzelf niet verkeerd; het dualisme, dat -den mensch in twee helften deelt en bij de beoefening der wetenschappen -tot een puur verstand verlaagt, is practisch onmogelijk en theoretisch -valsch gedacht. Eisch is alleen, dat de mensch altijd en overal, ook -dan als hij de wetenschap beoefent, een goed mensch zij, een mensch Gods -tot alle goed werk bekwamelijk toegerust. En niet anders is het in de -dogmatiek; ja hier is dit alles a fortiori het geval. Want de dogmatiek -heeft het juist te doen met de diepste geloofsovertuigingen van den -mensch en met het centrum aller wetenschap. Hier bovenal is het de -eisch, dat de mensch een goed mensch zij, dat hij in de rechte verhouding -sta tot God, wien te kennen het eeuwige leven is. - -Daarom is het ook de leer der Schrift, dat de objectieve revelatie -zich voltooit in de subjectieve illuminatie. De Gereformeerde leer van -de Schrift staat in het nauwste verband met die van het testimonium -Spiritus Sancti. Het verbum externum blijft niet buiten ons, maar wordt -door ’t geloof een verbum internum. De H. Geest, die de Schrift gaf, -geeft ook getuigenis aan die Schrift in het hart der geloovigen. De -Schrift zorgt zelve voor haar eigen zegepraal in het bewustzijn der -gemeente van Christus. Daarvoor voelt de geloovige zich met heel zijn -ziel gebonden aan de Schrift. In haar wordt Hij ingeleid door den H. -Geest, den Doctor ecclesiae. En al zijn bedoelen is, om die gedachten -Gods, neergelegd in de Schrift, in zijn bewustzijn op te nemen en ze -denkend te verstaan. Maar daarbij blijft hij mensch, met eigen aanleg, -opvoeding, inzicht; het geloof zelf ontstaat in ieder mensch niet -op dezelfde wijze en is niet in allen van dezelfde kracht; de rede -verschilt in scherpte, diepte, klaarheid van denken; de invloed -der zonde blijft nawerken, ook in zijn bewustzijn en verstand. En ten -gevolge van alle deze invloeden blijft de leerstellige Godgeleerdheid -een persoonlijk karakter dragen. Dat is hier, als in elke wetenschap, -het geval. Zelfs profeten en apostelen zagen dezelfde waarheid van -verschillende zijden. De eenigheid des geloofs is nog evenmin als de -eenheid der kennis bereikt. Maar juist door de verscheidenheid heen -voert God Zijne gemeente de eenheid te gemoet. Als die eenheid des -geloofs en der kennis is bereikt, heeft ook de dogmatiek haar taak -volbracht. Zoo lang echter blijft haar de roeping toebetrouwd, om op -de erve der wetenschap de gedachten te vertolken, die God in de H. -Schriftuur voor ons heeft neergelegd. Tot deze taak zal de dogmaticus -het uitnemendst toegerust zijn, als hij in geloofsgemeenschap leeft -met de kerk van Christus en de Schrift als het eenig en genoegzaam -principium der kennisse Gods belijdt. De dogmaticus ontvangt dus den -inhoud van zijn geloof uit de handen der kerk. In paedagogischen zin -komt hij door de kerk tot de Schrift. Maar daarbij mag hij, evenmin als -eenig geloovige, blijven staan. Hij heeft de roeping, om de dogmata, -die hij door de kerk heeft leeren kennen, te ontleden tot in hun -vezelen toe, en na te gaan, hoe ze wortelen in de H. Schrift. Zoo -zou zijne taak hierin bestaan, dat hij eerst de dogmata objectief -overgaf, en daarna herleidde tot de H. Schrift; zijne methode ware -dan historisch-analytisch. Maar al heeft deze methode voor een enkel -dogma op zichzelf misschien veel aanbevelenswaardig; en al is ze in de -dogmatiek ook ondergeschikt van waarde; toch heeft ze dit tegen, dat -het bij haar niet komt tot een wetenschappelijk systeem. De dogmaticus -doet daarom beter een anderen weg te bewandelen; niet van de rivier tot -de bron, maar van de bron tot de rivier. Zonder te kort te doen aan de -waarheid, dat de kerk in paedagogischen zin aan de Schrift voorafgaat, -kan hij toch in de Schrift zelve als het principium theologiae zijne -positie nemen, en dan van daaruit de dogmata ontwikkelen. Hij -reproduceert dan als het ware den denkarbeid der kerk; hij laat ons -zien, hoe de dogmata organisch uit de Schrift zijn uitgegroeid; hoe -niet één enkele tekst, maar de Schrift in haar geheel de vaste, breede -bodem is, waarop het dogmatisch gebouw verrezen is. Deze synthetische, -genetische methode verschaft hem dan in de tweede plaats het voordeel, -dat hij ook de eenheid en het onderling verband der dogmata aanwijzen -kan. De verschillende dogmata zijn geen geisoleerde stellingen, maar -zij vormen een eenheid. Er is eigenlijk maar één dogma, dat uit de -Schrift is geboren en in allerlei bijzondere dogmata zich vertakt en -gesplitst heeft. De methode van de dogmaticus kan en mag niet anders -dan systematisch zijn. En eindelijk heeft hij nog de roeping, om in deze -genetische en systematische ontwikkeling der dogmata ook op mogelijke -afwijkingen opmerkzaam te maken, mogelijke leemten aan te vullen, en -alzoo te arbeiden aan de ontwikkeling der dogmata in de toekomst. Dat -is de kritische taak, waartoe de dogmaticus geroepen is, maar die in de -systematische bearbeiding der dogmatische stof vanzelf reeds opgesloten -ligt. Op die wijze tracht hij in de dogmatiek eene expositie te geven van -de schatten der wijsheid en der kennis, welke in Christus verborgen zijn -en in de Schrift zijn uitgestald. - - -§ 4. INDEELING DER DOGMATIEK. - -1. Zoodra de dogmatiek opkwam, was er ook eene indeeling noodig van de -stof welke in haar behandeld werd. Die indeeling was in den beginne -hoogst eenvoudig. De drie hoofdwerken van Clemens Alexandrinus, nl. -Cohortatio ad gentes, Paedagogus en Stromata zijn wel saam verbonden -door de idee der opvoeding van het menschelijk geslacht door den -Logos, maar bevatten toch geen eigenlijke indeeling; en het laatste -werk ontwikkelt wel de ware philosophie van het Christendom tegenover -Heidendom en Jodendom, maar Clemens zegt zelf in ’t begin van het 6e -en aan ’t slot van het 7e boek van dat werk, dat hij daarin slechts -schreef wat hem voor den zin kwam, en dat men dus over het gebrek -aan orde zich niet verwonderen moet. Origenes’ werk περι ἀρχων, -de principiis, tracht reeds eenige orde in de stof te brengen, en -heeft dan ook vier hoofdbegrippen: God, wereld, vrijheid, openbaring; -het eerste boek handelt over God, de Triniteit en de engelen; het -tweede over de wereld, den God des O. Test., het goede en kwade, -de incarnatie en de opstanding; het derde over de wilsvrijheid, de -verzoekingen en het wereldeinde; en het vierde over de H. Schrift, -hare ingeving en uitlegging. De verschillende loci over God, engel, -mensch, Christus, enz. komen hier reeds voor den dag, maar nog niet -in goede orde en juiste begrenzing, en ook nog onvolledig; de leer -der sacramenten ontbreekt, die over de Schrift komt achteraan, en -een indeelingsbeginsel is nog niet te ontdekken. Deze indeeling van -Origenes wordt verbeterd overgenomen door Theodoretus in het 5e -boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη, haereticarum fabularum -compendium, dat eene schets bevat van het orthodoxe geloof. -Achtereenvolgens wordt hierin gehandeld over God, wereld, engel en -mensch, Christus, Schrift en sacrament, opstanding en gericht, terwijl -er ten slotte eenige ethische capita over virginiteit, boete, vasten -aan toegevoegd worden. Voorts ligt ditzelfde schema ten grondslag -aan de Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως van Joh. Damascenus. -De indeeling in vier boeken is eerst in de Middeleeuwen in het werk -gebracht, nadat het op bevel van Eugenius III door den rechtsgeleerde -Johannes Burgundis uit Pisa in het latijn was vertaald, en Petrus -Lombardus in zijne Sententiae met de indeeling in vier boeken was -voorgegaan. Damascenus begint met de leer van God, Triniteit, -eigenschappen (boek I), spreekt dan over de wereld, schepping, engelen, -menschen en de voorzienigheid (boek II), behandelt vervolgens den -persoon en het werk van Christus (boek III en IV, cap. 1-9), en eindigt -met eenige soteriologische (geloof, doop, enz.), ethische (wet, sabbat, -enz.) en eschatologische capita (boek IV, cap. 10-28). - -Daarnaast bood de apostolische geloofsbelijdenis, in aansluiting aan de -doopsformule, reeds vroeg eene andere indeeling voor de dogmatische -stof. De Expositio symboli van Rufinus en Augustinus’ boek de fide et -symbolo leverden commentaren daarop, en behandelden de hoofdzaken van -het christelijk geloof aan de hand van het trinitarisch schema, dat -aan ’t apostolisch symbool ten grondslag lag. Maar Augustinus was -niet alleen in deze indeeling voor vele lateren ten voorbeeld, maar -in zijn Enchiridium ad Laurentium behandelt hij heel de dogmatische en -ethische stof onder de drie christelijke deugden geloof, hoop en liefde; -echter op zeer ongelijkmatige wijze. Na eene inleiding, cap. 1-8, zet -Augustinus dat wat geloofd moet worden uiteen van cap. 9 tot cap. -113, hoofdzakelijk aan de hand van het apostolisch symbool, maar wijdt -dan slechts drie capita (114-116) aan de hoop, waarbij hij ’t gebed des -Heeren tot leiddraad neemt, en de overige capita 117-122 aan de liefde. -Geloof, gebed en gebod vormen hier dus het schema der dogmatiek, dat -later dikwerf, vooral in catechismussen, is overgenomen. Ook Isidorus -van Sevilla heeft in het eerste boek van zijn Sententiarum sive de -summo bono libri III, in hoofdzaak deze volgorde van het apostolisch -symbool en handelt in 30 capita over God, schepping, wereld, engelen -en menschen, Christus, den H. Geest, de kerk, Schrift en sacramenten, -opstanding en laatste dingen en behandelt dan in het tweede en derde -boek uitsluitend ethische stof. - -2. De indeeling, welke Lombardus in de Middeleeuwen koos, herinnert -meer aan die van Origenes, Theodoretus en Damascenus. Zijne Sententiae -zijn in vier boeken verdeeld. Het eerste handelt de mysterio trinitatis; -het tweede de rerum corporalium et spiritualium creatione et -formatione: schepping, engelen, het hexaemeron, den mensch, den val, -de zonde; het derde de incarnatione verbi: den persoon en het werk -van Christus, het geloof, de hoop, de liefde, de 4 hoofddeugden en -andere ethische onderwerpen; het vierde boek de sacramentis: over 7 -sacramenten, de opstanding, het gericht, hemel en hel. Er is hier reeds -merkbare vooruitgang te bespeuren: de onderwerpen zijn niet alleen -beter gegroepeerd en begrensd, maar het geheel is ook in vier deelen -gesplitst, elk met een eigen, onderscheiden object; de ethische stof is -niet als bij Theodoretus aan het slot toegevoegd maar in de dogmatiek -zelve opgenomen; de sacramenten, vroeger slechts even besproken, worden -breedvoerig behandeld; daarentegen laat de rangschikking veelzins te -wenschen over en komen verschillende onderwerpen zooals Schrift, kerk, -en vooral ook de soteriologische bijna in ’t geheel niet ter sprake. -De meeste Scholastici sloten zich aan dit werk van Lombardus aan en -schreven er commentaren op. Sommigen brachten in de ordening der stof -gelukkige verbeteringen aan. Thomas ontwikkelt bijv. in den proloog voor -zijn commentaar op de Sententiae op schoone wijze, dat eerst God, en -daarna zijne werken: schepping, herstelling en volmaking de onderwerpen -der 4 boeken zijn. Maar eene eereplaats wordt ook uit formeel oogpunt -ingenomen door het Breviloquium van Bonaventura. Vooreerst laat -Bonaventura een prooemium aan zijn werk voorafgaan en geeft daarin in -7 paragrafen een schoon overzicht van de leer der Schrift, vooral -van haar inhoud, dien hij in haar lengte en breedte, diepte en hoogte -kortelijk ontvouwt. En daarna geeft hij in 7 partes ons een schets der -geloofswaarheid; pars 1 handelt de trinitate, pars 2 de creatura -mundi, pars 3 de corruptela peccati, pars 4 de incarnatione verbi, -pars 5 de gratia Spiritus Sancti, pars 6 de medicina sacramentali, -en pars 7 de statu finalis judicii. Hier is een vaste, methodische -gang, eene volkomene beheersching der stof, eene zuivere begrenzing -der onderwerpen, en ook een met bewustheid gekozen indeelingsbeginsel; -want in pars 1 cap. 1 zegt Bonaventura dat, al behandelt de theologie -al die zeven onderwerpen, zij toch scientia una is, want God is niet -alleen rerum primum principium et exemplar effectivum in creatione, -sed etiam refectivum in redemptione et perfectivum in retributione. -Geheel anders is de indeeling van Thomas in zijne Summa. Dit werk -heeft drie partes, de partes zijn verdeeld in quaestiones, en deze -weer in articuli. Pars I handelt in 119 quaestiones over God en zijne -schepping, voor en buiten de zonde: God als principium en exemplar van -alle dingen. Pars II spreekt over den mensch als zijn imago, en valt -weer in eene prima en secunda uiteen; de prima omvat 114 quaestiones, -begint met het einddoel des menschen, nl. de zaligheid, en ontwikkelt -met het oog daarop den wil qu. 6-17, de goede en zondige qualiteit der -menschelijke daden, hartstochten en hebbelijkheden qu. 18-54, de deugden -in ’t algemeen qu. 55-70, de zonden in haar verdeeling, zetel, oorzaak -en gevolgen, qu. 71-89, vervolgens de uit-en inwendige motieven die -den mensch tot het goede aansporen, de wet, het evangelie, de genade -en de verdienste, qu. 90-114. De secunda van dit tweede deel handelt -dan in 189 quaestiones over de zonden en deugden in het bijzonder, -vooral naar de orde van de drie theologische en de vier cardinale -deugden. Nadat alzoo het einddoel van den mensch is bepaald en zijne -deugden en zonden in het licht gesteld zijn, beschrijft Pars III den -weg, waarlangs wij tot de zaligheid van het onsterfelijk leven kunnen -komen, dat is, Christus en de sacramenten. In 90 quaestiones worden -de persoon en het werk van Christus en dan het sacramentsbegrip, de -doop, confirmatie, eucharistie en poenitentia beschreven. Hier eindigt -het werk van Thomas; hij liet het bij zijn dood onvoltooid achter. Het -supplementum, dat er uit zijne andere geschriften aan toegevoegd is, -bevat 99 quaestiones, zet de sacramenten voort, en behandelt in qu. -69-99 den toestand der zielen na den dood, de opstanding, het oordeel, -de zaligheid en verdoemenis. Een appendix spreekt in 3 quaestiones nog -over het vagevuur. De indeeling van Thomas wijkt van die van Bonaventura -niet alleen af, maar staat daarbij ook in veel opzichten ten achter. -Wel wordt in Pars I qu. 1, eene breedvoerige ontwikkeling gegeven van -het wezen der theologie, maar daartegenover blijft de leer der Schrift -geheel onbesproken. Voorts springt Thomas bij het begin van het tweede -deel in eens naar het einddoel van het menschelijk leven over, en wordt -daardoor gedrongen om dikwerf te anticipeeren op wat eerst later -behandeld kan worden. De christelijke deugden, het evangelie, de wet, -de genade, welke Thomas in dit tweede deel opneemt, onderstellen den -persoon en het werk van Christus. De indeeling van Thomas hangt reeds -samen met de Roomsche leer van de ordo supernaturalis, waartoe de -mensch verheven moet worden. Nadat het eerste deel over God gehandeld -heeft, spreekt het tweede deel over den mensch, die als beeld Gods voor -de gratia supernaturalis is bestemd maar deze niet bereiken kan, en het -derde wijst dan in den persoon van Christus en de sacramenten den weg -aan, waarlangs de mensch tot deze zijne bestemming geraken kan. God, -mensch, Christus zijn dus de onderwerpen der drie deelen, Werner, Der h. -Thomas v. Aq., Regensburg 1858 I, 801 f.; Kleutgen, Theol. der Vorzeit, -2e Aufl. V, 60-70; Kling, Descriptio Summae theol. Th. Aq., Bonn 1846. -Eindelijk is ook de quaestionarische vorm van behandeling niet zonder -bedenking, Pierson, Studiën over Joh. Calvijn, I 228 v. Thomas stelt -elke geloofswaarheid in den vorm van eene kwestie, en brengt te berde, -al wat er door tegenstanders tegen ingebracht is. Met een beroep op -eene of andere autoriteit, Schrift, kerkvaders, Aristoteles, bewijst -hij echter de waarheid van het gevraagde en maakt de conclusio op. -Deze wordt dan toegelicht en eindelijk tegen de ingebrachte bezwaren -verdedigd. - -3. Deze indeelingen werden door de latere Roomsche theologen meestal -overgenomen, niet alleen in de commentaren, die bijv. door vele -middeleeuwsche theologen en ook later nog door Estius e. a. op de -Sententiae van Lombardus of door Suarez, Valentia, Vasquez, Billuart, -Daelman enz. op de Summa van Thomas geleverd werden; maar ook in -zelfstandige dogmatische werken. Zoo werd de indeeling van Thomas -overgenomen door Mart. Becanus in zijne theologia scholastica, Mogunt. -1619, de locaalmethode van Theodoretus, Damascenus, Lombardus door -Petavius, Opus de theol. Dogm. Paris 1644. Proleg cap. I § 4. Maar -de scholastiek had nog een anderen invloed op de indeeling der stof. -Bonaventura had reeds de leer der Schrift in het prooemium opgenomen; -Thomas behandelde vooraf het wezen der theologie: de ontwikkeling -der scholastiek leidde tot de onderscheiding van articuli mixti en -puri, tot de leer van de praeambula fidei en motiva credibilitatis. -Zoo werd de stof voor de prolegomena hoe langer hoe uitgebreider. -En toen de Hervorming straks met het uitsluitend gezag der Schrift -optrad, werd het voor de Roomsche theologen noodzakelijk, om ook van -de principia der theologie zich rekenschap te geven. Melchior Canus -vooral in zijne loci theologici 1563 ontwikkelde de leer van de loci, -d. i. van de bronnen der Theologie. Dit werk is geen dogmatiek, -maar eene topica, in Cicero’s zin (zie boven, bl. 2). Hij behandelt -in 12 boeken tien bronnen der theologie n.l. Schrift, traditie, -Paus, concilium, kerk, kerkvaders, scholastici, rede, philosophie en -historie, waarvan de zeven eersten tot twee, Schrift en traditie, zijn -te herleiden, en de laatste drie slechts ministerialiter theologisch -zijn. Op deze wijze is er allengs vóór de eigenlijke dogmatiek eene -breede inleiding noodzakelijk geworden, die mede door de principiëele -bestrijding der theologie van den kant der philosophie enz. tot eene -gansche fundamenteele dogmatiek is aangegroeid. De meeste Roomsche -dogmatieken behandelen dan ook in een eerste deel het wezen of begrip -der theologie, de praeambula fidei (theol. naturalis), de motiva -credibilitatis (religie, openbaring, profetie, wonderen, wonderbare -verbreiding van het christ., martelaren enz.), het geloof, de bronnen -(Schrift en kerk), theologie en philosophie (geloof en rede), begrip -der dogmatiek. Zoo bij Klee, Heinrich, Jansen, Scheeben, Liebermann, -Perrone e. a. Perrone’s werk bijv. handelt vol. I de vera religione, en -in de beide laatste deelen VIII en IX over de loci theologici; deze -beide zijn wel later na de eigenlijke dogmatiek verschenen, maar behooren -naar des schrijvers eigen verklaring, vol. VIII, praef., zakelijk op -het eerste deel te volgen. In deze loci laat Perrone opzettelijk, in -onderscheiding van Canus, de kerk aan de Schrift voorafgaan. En zoo -is de rangschikking bij de meeste Roomsche dogmatici van den nieuweren -tijd. De kerk dringt hoe langer hoe meer op den voorgrond; zij is het -principium fidei. De gang der dogmatiek is dan gewoonlijk die der -locaalmethode. Men begint met God, beschouwd in zichzelven als eenig -en drieëenig; en gaat dan over tot God, beschouwd in Zijne relatie tot -de schepselen, en wel eerst als Deus Creator, dan als Deus Redemptor, -daarna als Deus Sanctificator en eindelijk als Deus Consummator. - -4. De dogmatiek bij de Hervormers was van huis uit anti-scholastisch -en werd eerst voorgedragen in zeer eenvoudigen en practischen vorm. -Melanchton’s Loci, verschenen in 1521, ontstonden uit voorlezingen -over Paulus’ brief aan de Romeinen. Ze zijn door en door practisch, -behandelen alleen anthropologische en soteriologische capita, vooral -die van zonde en genade, wet en evangelie, en laten de objectieve -dogmata van God, triniteit, schepping, vleeschwording, voldoening -geheel onbesproken. Maar de uitgave van 1535 werd door Melanchton -zeer uitgebreid en leidde de secunda aetas der Loci in; ze werd in -eene voorrede opgedragen aan Hendrik VIII, begon met 5 nieuwe capita -over God, eenheid, triniteit, schepping en oorzaak der zonde, werd -in het midden nog met eenige hoofdstukken verrijkt en breidde de drie -laatste ethische capita uit tot tien hoofdstukken van ethischen, -ecclesiologischen en eschatologischen inhoud, samen 39 capita of -artikelen. In 1543 gingen de Loci hunne tertia aetas in: er kwam eene -voorrede bij pio lectori; het aantal loci daalt wegens vereenvoudiging -van 39 tot 24; maar de inhoud is nog belangrijk toegenomen. De laatste -door Melanchton zelf bezorgde editie is die van 1559. De opeenvolgende -uitgaven toonen eene steeds grootere toenadering aan de synthetische -indeeling, die bij God begint en tot zijne werken in natuur en genade -afdaalt; maar daarbij is opmerkelijk, dat de prolegomena geheel -ontbreken, dat de christologie te kort komt wijl Christus’ persoon en -werk niet afzonderlijk behandeld worden, dat het dogmatische en ethische -ten nauwste verbonden blijft en het geheel niet met de eschatologische -dogmata maar met eenige ethische capita wordt besloten, Phil. -Melanchtonis Loci Theol. ed. Augusti 1821 p. 167 f. Die Loci C. des Ph. -M. in ihrer Urgestalt nach G. L. Plitt. 2e Aufl. von Dr. Th. Kolde, -Erlangen. Deichert 1890. Herzog² 9, 503 f. Zöckler Handb. der Theol. -Wiss. II 622 f. en de uitgave der Loci in het Corpus Reformatorum. - -Zwingli’s Commentarius de vera et falsa religione, Opera ed. Schuler -et Schulthess III 153 en zijne Fidei Christianae Expositio ib. IV 45, -behandelen ook wel eenige dogmatische loci, maar werden spoedig in -de schaduw gesteld door Calvijns Christianae Religionis Institutio. -De eerste editie verscheen in ’t latijn te Bazel in Maart 1536 en -bevatte eene praefatie van Aug. 1535 aan Frans I, en daarna zes -hoofdstukken over de wet, het geloof, het gebed, de sacramenten, de -roomsche sacramenten en de vrijheid. Ze werd driemalen uitgebreid in -1539, 1543 en 1559. De laatste editie was ongeveer vijfmaal grooter -dan de eerste, en bevatte wel vermeerdering en uitbreiding, maar geen -verandering. Melanchton was in de latere uitgaven synergistisch en -krypto-calvinistisch geworden; Calvijn bleef dezelfde. Melanchton’s -Loci werden meer synthetisch in den vorm, maar bleven het karakter -van eene reeks van loci behouden; Calvijns Institutie kreeg meer en -meer een systematischen vorm. De editie van 1559 bevat vier boeken, -over de kennis van God als Schepper, als Verlosser, als Heiligmaker -en een laatste boek over de uitwendige genademiddelen. De indeeling -is dus niet zuiver trinitarisch maar is ontleend aan de apostol. -geloofsbelijdenis; vandaar dat een vierde deel achteraan komt, handelend -voornamelijk over kerk en sacramenten. Het eerste boek geeft veel meer -dan de titel belooft, behandelt ook de bronnen der Godskennis en de -leer der triniteit. Kosmologie en anthropologie worden over het eerste -en tweede boek verdeeld. Het derde boek bevat behalve soteriologische -ook vele ethische hoofdstukken, benevens de leer der verkiezing en der -opstanding. Het uitgangspunt van de Institutie is theologisch, maar -Calvijn gaat niet uit van een abstract Godsbegrip, maar van God gelijk hij -door den mensch uit natuur en Schrift gekend wordt, Köstlin, Calvins -Instit. nach Form und Inhalt in ihrer geschichl. Entw. Stud. u. Kr. -1861 S. 7-62, 410-486. Godgel. Bijdr. 1868 bl. 861 v. 1869 bl. 483 v. -Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 99 v. Pierson, Studien over J. Kalvijn I -127 v. en de uitgave in het Corpus Reform. - -5. Luthersche en Gereformeerde theologen hebben deze synthetische -indeeling van Melanchton en Calvijn in het eerst schier algemeen -nagevolgd. Ze werd om verschillende redenen voor de beste gehouden. -Met alleen Gereformeerden zooals Hyperius, Methodus Theol. 1574 -p. 11-16, Alsted Theol. schol. didact, in de praefatio, Ursinus, -Opera, Heidelb. 1612 I 417, H. Alting, Oratio inauguralis de methodo -loc. comm. Heidelb. 1613, Leydecker, de Verit. Rel. Christ. 1690 -p. 77; maar ook Lutherschen, zooals Flacius, Clavis Scripturae -Sacrae, vol. II, tract. I p. 54, Declaratio tabulae trium methodorum -theologiae, bij Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 46 hebben aan de -synthetische methode de voorkeur gegeven, wijl daarin gelijk Hyperius -zegt, a primis principiis per formas ac differentias ad finem usque -fit progressus. Deze indeeling werd daarom geprefereerd, omdat zij -dienzelfden historischen gang volgde, welken God in Zijne openbaring -had voorgeteekend; omdat zij de minste aanleiding bood voor apriorische -speculatie en het positief karakter der theologie het best bewaarde; -en omdat zij analoog was aan de methode in de andere wetenschappen, -die ook met de eenvoudigste elementen of principia beginnen en dan -tot het samengestelde voortschrijden. Deze indeeling bleef dan ook -in de Luthersche kerk de heerschende tot op Calixtus toe; men vindt -ze in hoofdzaak bij Strigel, Selneccer, Heerbrand, Chemniz, Hutter, -Gerhard, enz. In de Geref. theologie wordt ze gevolgd tot op Coccejus -toe, door Sohnius, Musculus, Hyperius, Ursinus, Martyr, Wollebius, -Polanus, Amesius, enz. Maar toch wordt ze in sommige punten belangrijk -gewijzigd. Reeds spoedig werd aan de eigenlijke dogmatiek eene inleiding -voorgevoegd, waarin het begrip der theologie, de leer der Schrift, eene -enkele maal ook, bijv. bij Amesius en Maestricht, het wezen des geloofs -werd behandeld. De dogmatiek werd dus in twee deelen ingedeeld, de -principiis theologiae en de articulis fidei, Polanus, Syntagma Theol. -p. 133. In het corpus zelf kwam betere onderscheiding en begrenzing, en -ook meer systematische ordening der loci: de verkiezing, door Calvijn -in het derde boek behandeld, kwam naar voren in de leer der besluiten, -de leer van wereld, mensch, Christus, enz. kregen ieder eene eigene -plaats; het slot der dogmatiek werd niet in beslag genomen door eenige -ethische capita, maar door de consummatio seculi; de ethische stof werd -of in de soteriologie ter sprake gebracht of ook wel in een tweede -deel, de operibus, in onderscheiding van het eerste de fide, behandeld, -of met Danaeus en Calixtus geheel van de dogmatiek gescheiden. De -behandeling der afzonderlijke loci werd in de 17e eeuw hoe langer zoo -scholastischer; de samenhang met het leven des geloofs werd hoe langer -hoe minder gevoeld. - -6. De reactie tegen deze scholastiek kon op den duur niet uitblijven. -Zij begon in de Luth. kerk met Calixtus, in de Geref. met Coccejus. -Calixtus vatte de theologie als eene practische wetenschap op en volgde -in zijn Epitome theologiae 1619 de analytische indeeling. Nieuw was deze -in zooverre niet, als ook Thomas na de leer van God in het tweede deel -tot de bestemming van den mensch overgaat en in het derde deel den weg -beschrijft, die in Christus daarheen leidt. Maar Calixtus begint in eens -met het doel, de bestemming van den mensch. Deel I handelt de fine, d. -i. de immortalitate animae, resurrectione et extremo judicio. Deel II -spreekt de subjecto, d. i. over God, engel, mensch, zonde. Deel III -handelt de mediis, d. i. over praedestinatie, incarnatie, Christus, -rechtvaardiging, woord, sacrament, enz. Deze drie deelen vormen de pars -communis, welke allen geloovigen aangaat; maar daarop volgt nog een -pars propria, dat vooral over de kerk handelt en inzonderheid voor de -ambtsdragers van belang is. Al was er nu veel goeds in, om tegenover -de scholastische behandeling der theologie op haar practisch karakter -den nadruk te leggen, toch wordt deze indeeling door vele bezwaren -gedrukt. Afgedacht daarvan, dat de in de pars propria behandelde leer -van de kerk eene waarheid geldt, voor alle geloovigen van belang; -het maakt een vreemden indruk, dat de dogmatiek met het einde, de -onsterfelijkheid, enz. begint; het tweede deel moet handelen van het -subject der theologie, den mensch, maar bevat ook heel de leer over -God; het derde deel beantwoordt nog het best aan zijn titel, maar doet -de soterologie bij de soteriologie te kort komen, Gass, Gesch. der prot. -Dogm. I, 304 f. Toch werd deze analytische methode door de latere -Luthersche theologen, Calovius, Quenstedt, König, Baier, Scherzer -nagevolgd. En ook onder de Gereformeerden vond ze ingang. Barth. -Keckermann te Dantzig had reeds vóór Calixtus in 1603 een systema -S. Theologiae het licht doen zien, waarin hij met beroep op Ursinus -in zijne Catechesis de theologie omschrijft niet als eene scientia -contemplatrix maar als eene disciplina operatrix, of nog beter als eene -prudentia religiosa ad salutem perveniendi, cap. 1. Daarom kiest hij met -beslistheid de analytische methode, want de synthetische methode is -eigen aan de wetenschappen, maar de analytische past aan de disciplinae -operatrices. En zoo verdeelt hij dan zijne theologie in drie deelen. In -het eerste deel handelt hij over de principia der theologie, nl. God, -het principium essendi, en zijn Woord, het principium cognoscendi. Uit -deze beide worden alleen het doel en de daartoe leidende middelen ons -bekend. In het tweede deel zegt hij dan met een enkel woord dat het -doel der Theologie is vita, salus aeterna, gelijk ook Ursinus in zijn -catechismus vraag 1 dit voorop stelt. De middelen, om dit doel te -bereiken, zijn tweeërlei: kennis van onze ellende, en verlossing uit -die ellende, lib. II, cap. 1. Boek II handelt dus over den mensch en -zijne zonde, en Boek III over de media salutis, verkiezing, Christus, -kerk, rechtvaardiging, sacramenten. Opmerkelijk is nog, dat Keckermann -met voorliefde de theologie met de medische wetenschap vergelijkt en -zelfs de namen aan haar ontleent voor de verschillende deelen van zijne -theologie. Bonaventura Brevil. Pars I, cap. 1, had dit reeds vóór hem -gedaan. Hem en anderen navolgend, spreekt Keckermann van eene pars -pathologica, therapeutica, diaetetica der theologie, p. 214, 295, cf. -Kuyper, Encycl. I, 40. - -Evenzoo werd door Coccejus het theologische met het anthropologische -standpunt verwisseld. Het nieuwe in zijn Systema doctrinae de foedere et -testamento Dei 1648 bestond niet in het verbondsbegrip als zoodanig, -dat al bij Zwingli en Calvijn voorkomt en door Bullinger, Olevianus, -Cloppenburg ontwikkeld was. Maar het lag hierin, dat Coccejus voor het -eerst heel de dogmatische stof van uit dit begrip indeelde, en daarmee -bedoelde eene meer bijbelsch-theologische, anti-scholastische dogmatiek -te geven; voorts dat hij in de rangschikking der stof de historische -orde van de bedeelingen des verbonds volgde, deze bedeelingen zóó -scherp onderscheidde, dat haar eenheid te loor ging en slechts door -willekeurige typische exegese bewaard kon worden; en eindelijk, dat hij -heel de geschiedenis van het genadeverbond van het begin tot het einde -beschouwt als eene afschaffing van het werkverbond; zonde, Christus, -Nieuw Verbond, lichamelijke dood en opstanding zijn de vijf keerpunten, -waardoor successief het werkverbond van al zijne kracht en werking -wordt beroofd, cap. III § 68. Deze indeeling wordt door vele bezwaren -gedrukt; ze neemt haar standpunt niet theologisch in God, maar in -het verbond van God en mensch en kan dus de leer over God en mensch -niet anders dan vooraf in eene inleiding, bij wijze van onderstelling, -behandelen; ze wischt door haar historischen gang de grens uit tusschen -de geschiedenis der openbaring en de dogmatiek en ondermijnt daardoor -de laatste; ze valt in veelvuldige herhalingen en komt er vanzelf -toe, om eenerzijds de analogieën en anderzijds de onderscheidingen in -de verschillende bedeelingen van het verbond te overdrijven. Toch -vond ze bij velen navolging, o. a. bij Momma, Heydanus, Vitringa, -Braun, Witsius, en ook bij Lutheranen, zooals W. Jäger, 1702. En zelfs -Leydecker, een volgeling van Voetius en bestrijder van Coccejus, -trachtte de trinitarische indeeling met de foederalistische op die wijze -te verbinden, dat de opeenvolgende huishoudingen der genade in verband -werden gebracht met de drie personen en de drieërlei werkzaamheid in de -triniteit, Schweizer, Gl. der ev. ref. k. I 115 f. - -7. Maar nog grooter verandering kwam er in den vorm der dogmatiek -door den invloed der wijsbegeerte. Vooral hierin komt dit uit, dat de -eigenlijke materieele dogmatiek hoe langer hoe armer wordt, en de pars -formalis aan omvang en uitgebreidheid steeds wint. Tot dusver was het -gansch anders; de prolegomena ontbraken geheel, of waren klein van -omvang en handelden hoogstens over theologie en Schrift; alle kracht -werd gewijd aan de uitwerking en verdediging der bijzondere dogmata. Het -fundament lag zoo vast, dat het heel niet werd onderzocht; alle arbeid -werd besteed aan het gebouw, dat op dien grondslag werd opgetrokken. -Dit veranderde door de philosophie, door de rechten die de rede -allengs tegenover de openbaring zich aanmatigde. Zij was niet langer -tevreden met de bescheiden rol van dienaresse, en verlangde eene stem -in het kapittel. In de pars materialis had dit ten gevolge, dat alle -scholastieke bewerking der dogmata zooveel mogelijk werd vermeden; men -gaat van de belijdenis tot de Schrift terug en huldigt de historische, -bijbelsche methode; de dogmata worden vereenvoudigd en afgesleten en -verliezen het kenmerkende; alle dieper indenken van de dogmata wordt -gebannen; de eenvoud wordt oppervlakkigheid. Maar nog grooter was -de invloed op het formeele deel der dogmatiek. Men verliet hier het -reformatorische uitgangspunt des geloofs en keerde tot dat van de -Roomsche theologie terug. Vooreerst meende men, dat de menschelijke -rede, ook buiten het geloof, al de waarheden der theol. naturalis uit -zichzelve kon voortbrengen; de theol. naturalis ging als praeambula -fidei aan de theol. revelata vooraf, de rede werd van het geloof, van -de openbaring geëmancipeerd, beide stonden zelfstandig naast elkaar. -S. van Til behandelde ze beide afzonderlijk in zijn Theologiae utriusque -compendium, cum naturalis tum revelatae 1706. Vervolgens kreeg die -rede niet alleen een eigen terrein naast de openbaring, maar strekte -ze haar macht ook over die openbaring zelve uit. Aan haar werd het -recht toegekend, om de waarheid der openbaring te onderzoeken. In de -theologia naturalis stond men op vasten grondslag, op eene zuiver -wetenschappelijke basis; van dit standpunt uit werd ook de openbaring -onderzocht, en als dan de rede door allerlei rationeele en historische -bewijzen, als zoovele motiva credibilitatis, de waarheid der openbaring -had aangetoond, was het immers redelijk die openbaring te gelooven -en zich aan haar te onderwerpen. Zoo werden de prolegomena al meer -uitgebreid. Eerst wordt gehandeld over de religie als onderscheiden -van de theologie; daarna over de theol. naturalis en de natuurlijke -of redewaarheden; vervolgens over de openbaring, wier mogelijkheid, -noodzakelijkheid en werkelijkheid breedvoerig wordt aangetoond; en -eindelijk over de H. Schrift, wier waarheid door allerlei historische, -kritische, rationeele bewijzen wordt gestaafd. En eerst na dien langen -weg komt men toe aan de eigenlijke dogmatiek, die er zoo sober en zoo -eenvoudig mogelijk uitziet. Heel het standpunt is veranderd; het -uitgangspunt is niet meer het geloof maar de rede. Wat wonder dat -deze in het deïsme en rationalisme heel de openbaring ontkent, eene -openbaring, die immers toch niets nieuws geeft en geheel overbodig is. -Deze orde van behandeling is wezenlijk eigen aan de scholastieke en -Roomsche theologie. De Socinianen zijn dit rationalistisch standpunt -nooit te boven gekomen, Fock, Der Socin. 291 f. En de Remonstranten -zijn weer tot deze methode teruggekeerd. Limborch, Theol. Christ. -spreekt in cap. 1 de theologia ac religione, in cap. 2 de existentia -Dei en dan in cap. 3 v. over de H. Schrift. Episcopius breidt in zijne -Instit. Theol. deze inleidende stof nog uit, spreekt eerst zelfs over -de vereischten van den theoloog, en dan over het practisch karakter -der theologie, de theol. naturalis, de religie, de openbaring en de -H. Schrift. Langzamerhand drong deze uitbreiding der prolegomena -ook in de orthodoxe dogmatiek door. De indeeling der dogmatiek in -twee deelen: de fide en de operibus brengt er Amesius en Maestricht -toe, om in den aanvang na theologie en Schrift ook de natuur van het -geloof te bespreken; Marck en Moor spreken in het derde hoofdstuk -over den godsdienst; Brakel begint met een hoofdstuk over de theol. -naturalis. Er is dus veel verschil en verwarring over wat in de -inleiding thuis hoort. Maar langzamerhand begint er in de 18e eeuw een -reeks van onderwerpen voor de inleiding vast te staan als theologie, -natuurlijke Godskennis, openbaring, Schrift; bijv. bij J. A. Turretinus, -Werenfels, Osterwald, Buurt en alle theologen van rationalistische en -supranaturalistische richting. - -8. Wel werd nu door Kant die rationalistische grondslag der dogmatiek -ondermijnd, en wel trachtte Schleiermacher geloof en geloofsleer te -redden, door ze te beperken tot het gevoel en de beschrijving daarvan. -Maar feitelijk is er in deze orde der dogmatiek geene verandering -gekomen. De aanvallen op de christelijke religie in deze eeuw richten -zich in de eerste plaats tegen de fundamenten zelve. In vroeger -eeuwen was het geloof krachtiger en kwam de vraag: waarom geloof ik, -haast niet op. De grondslagen schenen zoo vast, dat een onderzoek -ervan geheel onnoodig was; alle kracht werd aan het optrekken van het -gebouw besteed. Maar thans wordt de dogmatiek juist in hare wijsgeerige -onderstellingen bestreden; niet een of ander leerstuk in de dogmatiek, -maar de mogelijkheid der dogmatiek wordt ontkend, Pierson, Ter uitvaart -1870. Het menschelijk kenvermogen wordt tot de zienlijke dingen beperkt; -de openbaring wordt onmogelijk geacht; de H. Schrift wordt door de -historische kritiek van haar goddelijk gezag beroofd en zelfs het -recht en de waarde van den godsdienst wordt ernstig betwist. Bij en -ten deele door dit alles is het religieuse leven sterk verminderd; -er is wel veel beweging op godsdienstig gebied, maar er is weinig -echt godsdienstig leven. Het geloof voelt zich niet zeker meer; zelfs -onder de geloovigen is er veel twijfel en onvastheid. Het kinderlijke -en tegelijk heroieke: ik geloof, wordt zelden gehoord en heeft voor -het kritisch twijfelen plaats gemaakt. Men gelooft misschien nog zijne -belijdenis, maar men belijdt niet meer zijn geloof (Schweizer). In tijden -van opgewekt godsdienstig leven spreekt men als machthebbende, en niet -als de schriftgeleerde; dan klinkt het: ik weet in wien ik geloof, van -de lippen. Maar in een kritischen tijd als den onzen is er onzekerheid -juist over de principia, over kenbron, methode, bewijs, enz. De pars -formalis is daarom nog het voornaamste deel der dogmatiek. Eene -gansche apologetiek gaat aan de dogmatiek vooraf, Hoekstra, Godgel. -Bijdr. 1864 bl. 2 v. Schleiermacher heeft de dogmatiek wel tot eene -positieve, historische wetenschap gemaakt en haar van alle apologetiek -trachten te verlossen. Maar hij liet aan de historische theologie, -waartoe de dogmatiek behoort, de philosophische voorafgaan, die haar -uitgangspunt moest nemen über dem Christenthum, in het religieuse -gemeenschapsleven in het algemeen, en van daaruit kritisch het wezen -des Christendoms had te bepalen, Kurze Darstellung des theol. Stud. -2e Ausg. § 32 f. Feitelijk heeft hij dus de theologie niet van de -philosophie bevrijd, maar zoo sterk mogelijk van haar afhankelijk gemaakt. -Dit komt ook daarin uit, dat hij in zijne Glaubenslehre eene breede -inleiding laat voorafgaan met allerlei Lehnsätze uit de ethiek, de -religionsphilosophie en de apologetiek. Nu heeft het voorbeeld van -Schleiermacher, om encyclopaedisch de philosophische theologie aan -de historische te laten voorafgaan, wel slechts bij enkelen navolging -gevonden; maar in aansluiting aan hem is het toch gewoonte geworden, -om de dogmatiek aan te vangen met een apologetisch deel. Zoo schreef -Voigt eene Fundamentaldogmatik, Lange eene philosophische dogmatiek, -die aan de positieve voorafging, Van Oosterzee legde een apologetischen -grondslag, Dorner laat een fundamentaler Theil of Apologetik -voorafgaan, Biedermann een prinzipieller Theil, Lipsius en Nitzsch een -Principienlehre, enz. De raad van Liebner, Jahrb. f. d. Th. 1856 I 196 -f. om in de inleiding alleen het begrip der dogmatiek te ontwikkelen, -daar er anders eene gansche dogmatiek komt vóór de dogmatiek, en de -begrippen van religie, openbaring reeds de leer van God en mensch -onderstellen, is weinig opgevolgd. De onderwerpen, die in deze -Principienlehre behandeld worden, zijn niet bij allen gelijk, maar loopen -toch meest over de begrippen: aard onzer kennis in religieuse dingen, -religie, openbaring, H. Schrift en kerk. Het hoofdstuk theologie, -vroeger meermalen opgenomen, is verhuisd naar de Encyclopaedie. De -indeeling van de materieele dogmatiek is zeer verschillend. Sommigen -volgen de trinitarische indeeling, zooals Martensen, Lange, Kahnis, -Ebrard, Schweizer. Anderen gaan uit van Christus en behandelen de -onderstellingen, den persoon en het werk van Christus, zooals Liebner, -Thomasius, Lange. De tegenstelling van zonde en genade, met de daaraan -voorafgaande onderstelling van de verhouding van God en wereld, ligt -ten grondslag aan de indeeling van Schleiermacher en Rothe, zur Dogm. -29. Hofmann, Philippi, Lutbardt, hebben het foedusbegrip, d. i. de -gemeenschap Gods tot uitgangspunt genomen en behandelen den oorsprong, -de verstoring, de objectieve herstelling, de subjectieve verwezenlijking -en de voltooiïng dier gemeenschap. Het koninkrijk Gods wordt tot -principium dividendi gekozen door Van Oosterzee; het begrip van liefde -door Schoeberlein; dat van leven door Oetinger, Reiff, enz., terwijl -eindelijk velen de gewone orde volgen van theologie, anthropologie enz., -zooals Vilmar, Hodge, Shedd, Böhl e. a. - -9. Wat allereerst aangaat de indeeling der dogmatiek in een algemeen en -een bijzonder deel, deze is niet alleen door de principieele bestrijding -der dogmatiek noodzakelijk geworden, maar is ook op zichzelve nuttig -en goed. Reeds vroeg werd er behoefte gevoeld, om vóór de eigenlijke -dogmata het wezen der theologie en hare principia in het licht te -stellen. Polanus maakte al onderscheid tusschen de principia en de -articuli fidei. En allengs is het dringende behoefte geworden voor -den geloovige, niet alleen te weten wat, maar ook waarom hij gelooft. -Maar daartoe is dan ook de taak van het eerste, algemeene deel der -dogmatiek bepaald. Dit eerste deel heeft zich niet in te laten met -allerlei encyclopaedische kwestiën, zooals het wezen, de geschiedenis, -de indeeling der theologie, gelijk Gretillat, Exposé de théol. system. I -1885, p. 199 s., nog doet. Vroeger geschiedde dat, omdat theologie met -dogmatiek vereenzelvigd werd, en omdat de theol. encyclopaedie nog niet -als eigen vak werd beoefend. Thans echter moet aan de encyclopaedie -overgelaten worden de ontwikkeling van het wezen der theologie; in -de dogmatiek behoort alleen nog de uiteenzetting van naam, begrip, -methode, indeeling en geschiedenis der dogmatiek zelve, zooals dat -in de inleiding geschiedt. Maar ook nog op eene andere wijze moet het -principieele deel der dogmatiek beperkt worden. De methode, die reeds -met de Scholastiek is opgekomen en dan later ook bij de Protestanten -ingang vond, om nl. eerst de natuurlijke Godskennis (praeambula fidei) -en daarna al de historische en redebewijzen (motiva credibilitatis) voor -de openbaring te behandelen, verdient daarom afkeuring, wijl zij in het -begin en in beginsel het standpunt des geloofs prijsgeeft, het positief -karakter der dogmatiek miskent, op het terrein van den tegenstander -overgaat, en dus feitelijk rationalistisch is en de dogmatiek van de -philosophie afhankelijk maakt. Daartoe behoort ook de poging om de -theologia of religio naturalis met het foedus operum te vereenzelvigen -en dan te behandelen als eene voorbereiding voor de theologia revelata, -die zakelijk één is met het foedus gratiae, Schweizer, Gl. der. ev. -ref. K. I, 107-115, II 1 f. en Scholten L. H. K. I 304 v. Cf. Dr. van -Dijk, Studiën, VI 1880, 1e stuk blz. 11 v. Beiden maken de natuurlijke -religie (foedus operum, status integritatis), de wetsreligie (foedus -gratiae ante legem en sub lege) en de Erlösungsreligion (foedus gratiae -post legem) tot drie momenten in het religieuse proces. Daardoor wordt -de openbaring niet alleen van haar bovennatuurlijk karakter beroofd, -maar ook van de Geref. indeeling een gebruik gemaakt tegen haar -bedoeling in. Het foedus operum, vóór den val, is geen voorbereiding -van maar vormt eene tegenstelling met het foedus gratiae, dat eerst -na verbreking van het foedus operum door de zonde in de historie -optreedt. De onderscheiding van theol. naturalis en relevata is -daarentegen eene gansch andere, niet eene historische maar eene, die -nog altijd in de theologie bestaat en voortduurt. Tegenover zulk eene -rationaliseering van religie en theologie moet met Schleiermacher, -Rothe, Frank, Ritschl, enz. het positief karakter gehandhaafd worden. -Ook de principia fidei zijn articuli fidei, die niet op menschelijke -redeneeringen en bewijzen maar op goddelijk gezag rusten. De erkenning -van de openbaring, van de Schrift als Gods Woord is een vrucht en daad -des geloofs. In de dogmatiek is van het begin tot het eind de geloovige -aan het woord, zoowel in de principia als in de articuli fidei; hij -belijdt en geeft rekenschap van zijn geloof, van grond en van inhoud. In -het eerste deel worden dus alleen de principia fidei ontwikkeld. Deze -zijn tweevoudig, principium externum en internum, objectivum en formale, -Voetius, Disp. I 2. Alting, Theol. Schol. didact. p. 10, evenals de -religio objectiva en subjectiva onderscheiden moet worden. En in deze -twee wordt heel het eerste deel der dogmatiek afgehandeld. - -Bij de ordening van de stof in het tweede deel is de trinitarische -indeeling te verwerpen, omdat zij de behandeling der triniteit zelve -natuurlijk niet in eene der drie oeconomieën kan opnemen en dus bij wijze -van onderstelling in een hoofdstuk vooraf moet laten gaan. Voorts -bestaat er bij deze indeeling gevaar, dat de opera ad extra veel te -veel als opera personalia worden opgevat en te weinig worden beschouwd -als opera essentialia, als gemeenschappelijke werken der drie personen, -of ook andererzijds dat bij handhaving der eenheid de triniteit slechts -oeconomisch genomen en in haar ontologisch karakter miskend wordt. -Eindelijk is aan deze indeeling nog de schaduwzijde verbonden, dat de -loci over schepping, engel, mensch, zonde, kerk, enz. onder de personen -der triniteit verdeeld, niet tot hun recht kunnen komen. Maar nog veel -meer bezwaren bestaan er tegen de christologische indeeling. Hoeveel -aanlokkelijks ze ook bij den eersten oogopslag hebben moge, ze is toch -onbruikbaar. Ze rust ten eerste dikwerf op de onjuiste voorstelling, -alsof niet de Schrift maar bepaald de persoon van Christus het -principium en de kenbron ware der dogmatiek, en toch weten we van -Christus niets af dan uit en door de Schrift. Voorts is Christus zeer -zeker het centrum en de hoofdinhoud der H. Schrift, maar juist omdat -hij het middelpunt is, is hij het uitgangspunt niet; hij onderstelt God -en den mensch, gelijk hij ook niet terstond bij, maar eerst vele eeuwen -na de belofte in de historie is opgetreden. Vervolgens is het buiten -twijfel, dat Christus ons den Vader heeft geopenbaard, maar dit spreken -Gods door den Zoon doet het spreken Gods op velerlei wijze door de -profeten niet te niet; niet het Nieuwe Testament alleen, noch ook -alleen de woorden van Jezus, maar heel de Schrift is een Woord Gods, -dat door Christus tot ons komt. Eindelijk is het duidelijk, dat de -christologische indeeling de loci over God, schepping, wereld, mensch -slechts bij wijze van onderstellingen en postulaten behandelen en dus -niet in hunne rijke beteekenis ontwikkelen kan. De andere indeelingen, -ontleend aan de drie deugden geloof, hoop, liefde, geloof, gebed en -gebod, aan de bestemming en het einddoel des menschen, aan het verbond -of de gemeenschap van God en mensch, aan het rijk Gods, aan de begrippen -van leven, liefde, geest, enz. mogen practisch veel voor hebben en in -een catechismus op haar plaats zijn; zij kunnen voor eene dogmatiek, die -het systeem der kennisse Gods is, niet in aanmerking komen. Ze zijn -daartoe niet centraal en algemeen genoeg. Zij zijn dan ook òf van buiten -aangebracht en beheerschen het systeem niet, gelijk bij Van Oosterzee; -òf zij zijn als indeelingsbeginsel streng vastgehouden maar doen aan -verschillende loci te kort. - -10. Inhoud der dogmatiek is de kennisse Gods, gelijk Hij die in Christus, -door zijn Woord, heeft geopenbaard. Het eigenaardige van de kennis des -geloovigen bestaat daarin, dat hij alles religieus, theologisch beziet, -dat hij alles beschouwt in ’t licht Gods, sub specie aeternitatis. Dat -is het onderscheid tusschen zijne en eene wijsgeerige of wetenschappelijke -wereldbeschouwing. In de dogmatiek is altijd de geloovige, de Christen -aan het woord. Hij speculeert niet over God, hij gaat niet van een -abstract, philosophisch Godsbegrip uit, en komt niet door de theologia -naturalis tot de theologia revelata. Hij redeneert niet over God, gelijk -Hij in zichzelven bestaat, want deze kennis is volkomen onbereikbaar. -Hij beschrijft alleen die kennisse Gods, welke hem in Christus is -geopenbaard. Ook als hij dus in het eerste deel der dogmatiek over -God, zijne eigenschappen, de triniteit handelt, spreekt en denkt hij -als geloovige, als Christen, als theoloog en niet als philosoof. In -elk dogma klopt dus het hart der religie. Dogmatiek is geen wijsgeerig -systeem, dogmatiek is theologie. Maar daarom juist beschrijft de -dogmaticus in zijn systeem der kennisse Gods niet, hoe hij tot het geloof -kwam en door het geloof subjectief en successief inzicht verkreeg in de -verschillende waarheden des geloofs. Dat ware eene analytische methode, -die in een catechismus uitnemend is maar in eene dogmatiek niet past. -Maar hij expliceert den inhoud van zijn geloof, gelijk die objectief, in -de openbaring, door God zelven voor zijn geloofsoog uitgespreid is. Hij -ontleent het beginsel van indeeling en de rangschikking der stof niet -aan zijn eigen geloofsleven, maar aan het voorwerp zelf, dat hij in zijne -dogmatiek te beschrijven heeft; niet aan het geloovig subject, maar -aan het object des geloofs. Al stemmen we er dus van harte mede in, -dat in de dogmatiek altijd en overal, van het begin tot het einde, de -geloovige denkt en spreekt; toch is dit iets gansch anders, dan dat hij -ook de ordening der dogmatische stof aan zijn eigen ervaring ontleenen -zou. Daardoor zou de dogmatiek in haar karakter miskend worden, in -anthropologie overgaan, en ophouden theologisch te zijn. Dit blijft ze -alleen, als het systeem der dogmatiek aan haar eigen stof en inhoud -wordt ontleend. - -Indien dit uitgangspunt goed is gekozen, zijn er maar twee indeelingen, -die zichzelve daarvoor aanbevelen. De eerste is de reeds besprokene -trinitarische indeeling. Er ligt in haar veel bekoorlijks; vandaar dat -ze telkens weer ingang vond en ook in de philosophie grooten invloed -oefende. Zij beveelt zich aan door haar zuiver theologisch karakter. -God is begin en einde, alpha en omega. Natuur en geschiedenis worden -onder Hem gesubsumeerd. Alles is uit God en tot God. Het trinitarische -behoedt voor eenvormigheid en waarborgt leven, ontwikkeling, proces. -Maar daarmede is tegelijk haar gevaar aangewezen. Zij is te speculatief, -ze offert de historie op aan het systeem, ze neemt zoo licht de -kosmogonie op in het trinitarische leven Gods en wordt dan tot -theogonie. De philosophie van Erigena, Böhme, Baader, Schelling, Hegel -strekt ten bewijze. Daarom verdient die indeeling de voorkeur, welke -theologisch is en tevens een historisch-genetisch karakter draagt. -Ook zij neemt haar uitgangspunt in God en beschouwt alle schepselen -slechts in relatie tot Hem. Maar van God uitgaande, daalt ze tot -zijne werken af, om dan door deze heen weer tot Hem op te klimmen en -in Hem te eindigen. Ook bij deze indeeling is God dus het begin, het -midden en het einde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. -Maar God wordt hier niet neergetrokken in het proces der historie, -en de geschiedenis komt hier beter tot haar recht. Tusschen God en -zijne werken wordt onderscheid gemaakt. In die werken treedt Hij op -als Schepper, Hersteller en Volmaker. Hij is exemplar effectivum in -creatione, refectivum in redemptione, perfectivum in retributione. De -dogmatiek is het systeem der kennisse Gods gelijk Hij in Christus zich -heeft geopenbaard; zij is het systeem der christelijke religie. En het -wezen der christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des -Vaders, door de zonde verwoest, weer in den dood van den Zone Gods -wordt hersteld en door de genade des H. Geestes herschapen wordt tot -een koninkrijk Gods. De dogmatiek toont ons, hoe God, de Algenoegzame -in zichzelven, zich nochtans verheerlijkt in zijne schepping, die, ook -als ze door de zonde wordt uiteengeslagen, toch weer in Christus -wordt bijeenvergaderd Ef. 1:10. Zij beschrijft ons God, altijd God, van -het begin tot het einde, God in zijn wezen, God in zijne schepping, -God tegenover de zonde, God in Christus, God door den H. Geest allen -tegenstand brekend, en heel de schepping heenleidend tot het door Hem -vastgestelde doel, de glorie van zijn naam. Dogmatiek is dus geen dorre -wetenschap. Zij is eene theodicee, een lofzang op alle Gods deugden en -volmaaktheden, een lied der aanbidding en der dankzegging, een δοξα ἐν -ὑψιστοις θεῳ. - - -§ 5. GESCHIEDENIS EN LITTERATUUR DER DOGMATIEK. - -A. Opkomst der dogmatiek, 2e-4e eeuw. - -1. De H. Schrift is geen dogmatiek. Zij bevat al de ons noodige kennisse -Gods, maar heeft deze niet dogmatisch geformuleerd. De waarheid is -daar neergelegd als vrucht van openbaring en inspiratie, in eene taal, -die de onmiddellijke uiting is van het leven en daarom altijd frisch -en oorspronkelijk blijft. Maar zij is nog geen voorwerp van reflectie -geworden en nog niet heengegaan door het denkend bewustzijn. Hier en -daar, b.v. in den brief aan de Romeinen, moge er een aanvang van -dogmatische ontwikkeling zijn; meer dan een aanvang is het ook niet. De -periode der openbaring moest gesloten zijn, eer die van de dogmatische -reproductie een aanvang kon nemen. De Schrift is de goudmijn, maar de -kerk is het, die het goud eruit opdelft, het stempelt en in gangbare -munt omzet, Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 20 f. Deze dogmatische -verwerking van den inhoud der H. Schrift is echter niet het werk -van één enkel theoloog, of van eene bijzondere kerk of school, maar -van de gansche kerk door alle eeuwen heen, van heel de nieuwe, door -Christus herborene menschheid. Gelijk er eenheid en continuiteit is in -de ontwikkeling van iedere wetenschap, zoo is dat ook het geval in -de theologie en in de dogmatiek. Ook deze hebben eene geschiedenis. -Niet alleen in dien zin, dat de stof en inhoud allengs, in een verloop -van eeuwen, door God werd geopenbaard; noch slechts alzoo, dat de -verschillende waarheden door de kerk allengs duidelijker geformuleerd -en in het leven toegepast zijn; maar ook nog in deze beteekenis, dat -het wetenschappelijk bewustzijn hoe langer hoe meer een helder inzicht -kreeg in het organisme en het systeem dier geopenbaarde waarheid. Ook -het wetenschappelijk karakter van dogmatiek en theologie heeft eene -geschiedenis doorloopen. - -De Apostolische Vaders, o. a. uitgegeven door Hefele-Funk, Tübingen -1878-1881. Gebhardt, Harnack, Zahn, Patrum apost. opera. Lips. -1875-’77, ed minor repetita. Lips. 1894. Hilgenfeld, Nov. Test. extra -canonem receptum, ed sec. Lips. 1884, vertaald door Duker en Van Manen, -Oud-Christ. letterkunde. Amst. 1871, staan nog geheel op het standpunt -van een naïef, kinderlijk geloof. Het Christendom was geen vrucht van -menschelijk onderzoek, maar van openbaring en vorderde daarom in de -eerste plaats geloof. Men spreekt de H. Schrift nog na. De bijbelsche -begrippen, zooals van Christus als Heer, zijn dood, geloof, bekeering, -gemeente, waken, gebed, aalmoes, opstanding, leven, onsterfelijkheid, -enz. worden wel overgenomen, maar zonder dat de reflectie ontwaakt -en de inhoud ervan ingedacht en ontleed wordt. Het Christendom vond -trouwens ook meest ingang onder de eenvoudigen en onontwikkelden. Des -te meer is al het streven erop gericht, om de christelijke waarheid om -te zetten in het leven en ze practisch ook in cultus en organisatie tot -heerschappij te brengen; niet op de gnosis maar op een heilig leven, -op de beoefening der christelijke deugden van liefde, zachtmoedigheid, -vrede, eenheid enz. wordt de nadruk gelegd. De kring van denkbeelden, -waarin men zich beweegt, is daarom ook nog eng; vele bijbelsche -begrippen ontbreken geheel, en andere worden verzwakt of gewijzigd; de -werkheilige opvatting van het Christendom wordt voorbereid. Over het -algemeen zijn de geschriften der Apost. Vaders ethisch krachtiger en -rijker dan dogmatisch. In weerwil van denzelfden briefvorm en ten deele -dezelfde gemeenten, aan wie zij zich richten, springt het onderscheid en -de afstand tusschen de Apostelen en de Apostolische Vaders zeer sterk -in het oog. Het heidensche bewustzijn kon zoo spoedig de christelijke -gedachten niet in zich opnemen, Lübkert, Die Theol. der apost. Väter, -in Niedner’s Zeits. f. hist. Th. 1854 S. 589 f. Sprinzl, Die Theol. der -apost. Väter, Wien 1880. Lechler, Das apost. u. nachapost. Zeitalter, -3e Ausg. 586-610. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss. Supplementband -1889 S. 18 f. Dorner, Entw. Gesch. der Lehre v. d. Person Christi, 2e -Aufl. I 130 f. Harnack, Dogmengesch. I 125-186. - -2. Bij deze eenvoudige herhaling en practische toepassing der -Schriftwaarheid kon echter de theologie niet blijven staan. De -tegenstand, dien het Christendom allengs van de heidensche cultuur -ondervond, dwong tot nadenken, en verdediging. In den eersten tijd -bepaalde zich de heidensche macht tot vervolging, Uhlhorn, der Kampf -des Christ. mit dem Heid. 3e Aufl. Stuttgart 1879, haat, verachting en -spot, gelijk ze door Tacitus, Ann. 15:44 en Lucianus in zijn Peregrinus -Proteus worden geuit, Th. Keim, Rom und das Christenthum, herausg. v. -H. Ziegler 1881. Stud. u. Kr. 1851, S. 826 f. Herzog² 8, 772. Maar -langzamerhand moet de heidensche wereld met het Christendom rekenen -en valt zij het wetenschappelijk aan. Heinrich Kellner heeft in zijn -Hellenismus und Christenthum, Kölln 1866 deze geistige Reaktion des -antiken Heidenthums gegen das Christenthum opzettelijk beschreven, en -ten slotte, S. 431 f. ook op hare verwantschap met de bestrijding van -het Christendom in den tegenwoordigen tijd gewezen. De voornaamste -wetenschappelijke bestrijders zijn: Celsus, (W. Th. Keim, Celsus’ wahres -Wort. Zürich 1873. Origenes, contra Celsum. Bindemann, Zeits. f. d. -histor. Theol. 1842, 2tes Heft S. 58 f. Baur, Kirch. Gesch. der 3 -ersten Jahrh. 383 f. Herzog² 11, 100 f. Vigouroux, Les livres saints -et la critique rationaliste, 3e ed. I 133 s.) Porphyrius, (Baur, -ib. 420 f. Jahrb. f. d. Theol. 1878. 2tes Heft S. 269 f. Herzog² -10, 524. Vigouroux, ib. I 156 s.), Fronto, de vriend van Aurelius -(blijkens Minucius Felix, Octavius 9, 31. Boissier, Les polémiques -religieuses au second siècle, Revue des Deux Mondes 1 Jan. 1879, -Herzog² 8, 772), en later nog Julianus, die blijkens de weerlegging -van Cyrillus, contra Julianum, een boek tegen de christenen schreef, -(C. J. Neumann, Juliani imperatoris librorum contra Christianos quae -supersunt Lips. Teubner 1880, ook vertaald in ’t Duitsch. ib.). Al -de argumenten, die later alle eeuwen door tegen het Christendom zijn -ingebracht, zijn reeds bij hen te vinden, zoo b.v. tegen de echtheid en -waarheid van vele Bijbelboeken, den Pentateuch, Daniël, de Evangeliën, -tegen de openbaring en de wonderen; tegen verschillende dogmata -zooals de menschwording, de voldoening, de vergeving, de opstanding, -de eeuwigheid der straf; tegen de moraal, zooals het ascetisme, -de wereldverachting, de onbeschaafdheid; om niet te spreken van -de lasterlijke beschuldigingen van het aanbidden van een ezelskop, -kindermoord, echtbreuk enz. Toch heeft ook deze wetenschappelijke -bestrijding het Christendom niet overwonnen. En de Heidenen zagen zich -gedrongen, om of den ouden godsdienst tot nieuw leven te brengen, gelijk -het Neopythagoreïsme en Neoplatonisme beproefden, Zeller, Philos. der -Griechen 3e Aufl. V 79 f. 419 f., of het Christendom met het Heidendom -te vermengen en te verbinden, gelijk dat geschiedde in het Gnosticisme -en Manichaeisme. Vooral het Gnosticisme was eene machtige poging, om -het Christendom in de combinatie en fusie van allerlei heidensche -elementen, neoplaton. wijsbegeerte, syrische en phenicische mythologie, -chaldeeuwsche astrologie, perzisch dualisme, enz. optenemen en zoo van -zijn absoluut karakter te ontdoen. De hoofdvraag daarbij was deze, hoe de -menschelijke geest in de banden der materie gekomen was en daaruit nu -kon worden bevrijd. Gewoonlijk is God in het Gnosticisme de abstracte, -onderscheidlooze eenheid. Uit hem is de materie, de oorzaak van het -kwaad, niet te verklaren. Deze wordt afgeleid uit een lageren god, -den demiurg, die tusschen den hoogsten God en de zinnelijke wereld in -staat en vereenzelvigd wordt met den God des O. Test. Ter verlossing -van de in de materie geboeide geesten gaan er uit God verschillende -aeonen, die de verschillende godsdiensten vertegenwoordigen en hun -hoogtepunt bereiken in den aeon Christus. Het Christendom is dus niet -de eenige maar de hoogste godsdienst. Christus echter wordt docetisch -opgevat, want niet op het feit, de historie, maar op de idee komt het -aan. Daarom bestaat de hoogste zaligheid ook in het kennen; kennis met -askese maakt zalig. De pistis, de theologie, moge goed zijn voor de -onontwikkelden; de gnosis, de philosophie is het hoogste, zij is het -eigendom der πνευματικοι. Deze ideeën werden door allegorische exegese -met de Schrift in overeenstemming gebracht, en voorgedragen in vormen -en beelden, aan de mythologie ontleend en door de phantasie versierd. -Ze veranderden het Christendom in een soort van Religionsphilosophie, -van speculatieve philosophie, welke alle eeuwen door, tot in de -stelsels van Hegel en Schelling toe, haar invloed geoefend heeft, cf. -Jacobi in Herzog² 5, 204 f. Harnack Dogm. I 186 f. Vigouroux t. a. p. I -106 s. en de daar aangeh. litt. - -Tegenover deze verschillende aanvallen was verdediging noodig. De -Christenen werden gedwongen, om over den inhoud der openbaring na -te denken, en eene ware, christelijke gnosis te stellen tegenover -de valsche. De geopenbaarde waarheid wordt object van methodisch, -wetenschappelijk denken. Er ontstond theologie, niet uit en voor de kerk -en ter opleiding harer dienaren, maar naar aanleiding en ter afwering -van de aanvallen, die op het Christendom gericht werden. Natuurlijk -was tot zulk eene denkende werkzaamheid, kennis van de heidensche -philosophie van noode; de theologie ontstond feitelijk met behulp van -en door verbinding met de philosophie. De Gnostieken hadden dit ook -reeds beproefd, maar er was een wezenlijk verschil in de wijze, waarop de -Gnostieken en waarop de Apologeten die verbinding zochten. Dat verschil -bestaat niet daarin, dat genen eene acute, en dezen eene allmählige -Hellenisirung van het Christendom ondernamen, Harnack, Dogmengesch. -I 168 f. 413 f. Maar bij de Gnostieken ging de positieve, absolute -inhoud der christelijke religie te loor, bij de Apologeten bleef deze -bewaard; bij genen was het gebruik der philosophie materieel, bij dezen -in hoofdzaak formeel; genen werden daarom door de kerk verloochend, -dezen erkend; genen stelden de verschillende philosophieën voor als -een religieus proces, waarin ook het Christendom werd opgenomen, -dezen trachtten de christelijke religie, die ze erkenden en aannamen, -aan te toonen als de hoogste waarheid, als de ware philosophie, die -alle waarheidselementen van elders in zich vereenigt. Dit laatste -is zelfs de grondgedachte der Apologeten, en ze werken deze aldus -uit: God is één, onuitsprekelijk, geestelijk enz., maar Hij is door den -Logos ook schepper der wereld, laatste oorzaak van al het zijnde en -principe van al het zedelijk goede. Het gnostisch dualisme is hier -overwonnen; de wereld draagt overal den stempel van den goddelijken -Logos, ook de materie is goed en door God geschapen. De mensch is -oorspronkelijk goed geschapen, ontving rede en vrijheid en werd voor de -ἀθανασια bestemd; deze moest en kon hij bereiken in den weg der vrije -gehoorzaamheid. Maar hij heeft zich laten verleiden door de daemonen en -is nu onder de heerschappij der zinnelijkheid gekomen, aan de dwaling -en den dood vervallen. Ook hier is het dualisme vermeden en wordt de -oorzaak der zonde in den wil des menschen gezocht. Maar daarom zijn er -nu nieuwe middelen van noode, om den mensch van den weg der leugen en -des doods terug te brengen en heen te leiden naar de onsterfelijkheid. -God openbaarde zich door den Logos van de oudste tijden af, en deelde -kennis der waarheid mede ook wel aan sommige Heidenen, maar vooral aan -de profeten onder Israel, en eindelijk in zijnen Zoon Jezus Christus. -In Hem is alle vroegere waarheid bevestigd en voltooid. Door Hem als -leeraar der waarheid wordt de mensch wederom tot zijne bestemming -gebracht. De Apologeten zijn dus intellectualistisch en moralistisch; -toch ontbreekt b.v. bij Justinus het streven niet, om Christus ook als -Verzoener en Verlosser te begrijpen, door wiens bloed wij vergeving -der zonde ontvangen. Uitgave der Apologeten Justinus, Tatianus, -Athenagoras, Theophilus en Hermias, bij Migne ser. gr. t. 6. Van hen -is Justinus verreweg de belangrijkste, Semisch, Justin der Martyrer, -Breslau 1840. Böhringer, Kirch. Gesch. in Biogr. I 1 S. 96-270. Aubé St. -Justin philosophe et martyr. Paris 1861. Weiszäcker, Die Theol. des J. -M. (Jahrb. f. d. Th. 1867, S. 60-119). Engelhardt, Das Christ. J. d. M. -Erlangen 1878 en Herz.² 7, 318. Stählin, Justin der Martyrer Leipz. -1880. Harnack D. G. I 413-464. Dr. H. Veit, Justinus des Philos. und -Martyrers Rechtfertigung des Christ. Strassburg, Heitz. 1894. - -3. De aanvangen der theologie bij de Apologeten waren echter niet -alleen zwak maar in velerlei opzicht ook van eenzijdigheid en dwaling -niet vrij. De problemen die zich voordeden waren vele en machtige; de -verhouding van theologie en philosophie, de leer van den Logos in zijne -verhouding tot God, de beteekenis van Christus en zijn dood enz. waren -veel te diep, dan dat in eens het rechte inzicht verkregen kon worden. -Verschil van opvatting deed zich menigmaal voor. Zoodra er theologie -kwam, kwam er ook onderscheid van richting en school. Tweeërlei -dogmatische richting laat zich weldra onderscheiden. Eenerzijds die, -welke vertegenwoordigd wordt door Tertullianus (ed. van Oehler, -Leipzig 1853, van Gersdorf, Bibl. patr. eccles. lat. vol. 4-7. Migne, -ser. lat. t. 1-2). Cyprianus (ed. Gersdorf. vol. 2-3. Hartel, Vienna -3 vol. 1868-71. Migne ser. lat. t. 4) en Lactantius (ed. Gersdorf. -vol. 10-11. Migne t. 6), en ook door Irenaeus, van wien alleen het -hoofdwerk Ἐλεγχος και ἀνατροπη της ψευδωνυμου γνωσεως, gewoonlijk -geciteerd Adversus haereses libr. V is bewaard gebleven (ed. Stieren, -Leipzig 1853. Migne ser. gr. t. 7) en zijn leerling Hippolytus van -Rome, waarschijnlijk schrijver van de eerst aan Origenes toegeschreven -φιλοσοφουμενα ἠ κατα πασων αἱρεσεων ἐλεγχος (ed. Duncker u. Schneidewin -Gött. 1859. Migne, ser. gr. t. 10). Dezen allen staan antithetisch -tegenover de philosophie. Irenaeus waarschuwt er zeer ernstig tegen, -adv. haer. II 25-28 en Tertullianus bant ze geheel en zoo scherp -mogelijk, de praescr. 7, in de bekende plaats: wat heeft Athene en -Jeruzalem, de akademie en de kerk, de Christenen en de ketters gemeen -enz. Toch maken zij er allen weer het naïefste gebruik van; Tertullianus -is voor de theologie daarom zoo belangrijk, wijl hij een aantal termini -voor het trinitarisch en christologisch dogma heeft ingevoerd, zooals -trias, trinitas, satisfacere, meritum, sacramentum, una substantia -en tres personae, duae substantiae in una persona enz. Maar ze staan -daarbij op den grondslag van het geloof der kerk; ze zijn historisch, -positief, realistisch en maken tusschen geloof en theologie, πιστις en -γνωσις, geen qualitatief maar hoogstens een quantitatief onderscheid, -Iren. adv. haer. I 10, 3. En wel is nog van een dogmatisch systeem -bij deze mannen geen sprake; de dogmata staan los naast elkander, een -bepaald principe is niet te vinden, zelfs is in de christologie door -Tertullianus en Hippolytus het gnosticisme niet geheel overwonnen; -maar toch is de theologie van deze mannen, inzonderheid van Irenaeus, -die der volgende eeuwen geweest. Al de latere dogmata zijn bij hem te -vinden. De eenheid Gods, de wezenseenheid van Vader en Zoon, van den -God der schepping en der herschepping, de eenheid van den God des O. -en dien des N. V., de schepping der wereld uit niets, de eenheid van -het menschelijk geslacht, de oorsprong der zonde uit de wilsvrijheid, de -beide naturen van Christus, de absolute openbaring Gods in Christus, de -opstanding aller menschen enz. zijn door hem tegenover het Gnosticisme -duidelijk uitgesproken en gehandhaafd. Het Christendom heeft bij Irenaeus -het eerst eene eigene, zelfstandige theologische wetenschap ontvouwd, -Harnack, Dogm. Gesch. I 464-547, de artikelen over de genoemde -theologen bij Herzog², de monographieën over hen, bijv. over Irenaeus, -Böhringer, Kirchengesch. in Biogr. 2e Aufl. I Bd. 1e Abth. Ziegler, -Irenaeus, Der Bischof von Lyon, Berlin 1871. Reville, Revue des deux -Mondes 1865. Alzog, Grundriss der Patrologie, 4e Aufl. Freiburg 1888 S -104 f. enz. Zöckler Supplement S. 40 f.[1] - - [1] Kortheidshalve worden hier eenige werken genoemd voor - de Conciliën, Kerkvaders, Kerkelijke schrijvers, enz. en - litteratuur daarover. De acten der conciliën zijn verzameld - in: Joa. Harduinus, Conciliorum collectio regia maxima. - Par. 1714. 11 Tomi in 12 vol., loopt tot 1714. J. Domin. - Mansi. Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio. - Flor. 1759-1788. 31 vol.; eene nieuwe, verbeterde editie - verschijnt sedert 1885 te Parijs. Acta et decreta sacrorum - conciliorum recentiorum. Collectio Lacensis (Maria Laach), 7 - vol. Frib. Brisg. 1870-1890, bevat de acta der concilia van - 1682-1870. De voornaamste besluiten van conciliën en Pausen - zijn verzameld door H. Denzinger. Enchiridion symbolorum et - definitionum, ed. 6 aucta ab Ign. Stahl. Wirceb. 1888. De - geschiedenis der conciliën is het volledigst behandeld door - Karl Joseph von Hefele, Conciliëngeschichte, nach den Quellen - bearbeitet, 7 Bde. Freiburg 1885-1671, 2e Aufl. Bd. 1-4 door - Hefele zelf, Bd. 5-6 door Knöpfler; ’t werk is voortgezet - door Hergenröther, die Bd. 8-9 eraan toevoegde 1867 en 1890. - - De Kerkvaders en andere kerkelijke schrijvers zijn uitgegeven - o. a. door: Andr. Gallandius, Bibliotheca veterum patrum - antiquorumque scriptorum ecclesiasticorum, Venet. 1763-1781, - 14 tomi fol. J. P. Migne, Patrologiae cursus completus, - sive Bibliotheca universatis .... omnium S. S. Patrum, - doctorum scriptorumque ecclesiasticorum, sive latinorum, - sive graecorum. Paris 1844 sq. 473 tomi; series latina 221 - tomi, series graeca 166 tomi, patrologia graeca latine - tantum edita 86 tomi. Voorts zijn verschillende kerkvaders - afzonderlijk uitgegeven door de Mauriner monniken (Cf. - art. Herz²), zooals Origenes door Delarue Paris 1733, - Chrysostomus door Montfaucon 1718, Augustinus door Delfau e. - a. 1679-1702 enz. En eindelijk verschijnt er eene uitnemende - editie van de Lat. kerkvaders te Weenen onder leiding van - de Keizerlijke Akademie der wetenschappen: Corpus scriptorum - ecclesiasticorum Latinorum. Vindob. 1866 sq. waarin reeds - verschillende kerkvaders Minucius Felix, Cyprianus, Arnob., - Lact., enz. of gedeelten van kerkvaders Tert., August. enz. - verschenen zijn. Zie verder Bellarminus, De Scriptoribus - ecclesiasticis Romae 1613. Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque - des auteurs ecclésiastiques, 47 vol. Par. 1686-1714. Cave, - Historia literaria script. eccles. 2 vol. Lond. 1689, Basil. - 1741. Walch, Bibl. theol. sel. Jenae 4 vol. 1757 sq. Ritter, - Geschichte der christl. Philosophie, 4 Theile, Hamburg - 1841-1845. Ueberweg, Grundriss der Gesch. d. Phil. der patr. - u. schol. Zeit. 6e Aufl. 1881. Nirschl. Lehrb. der Patrol. - u. Patristik, 3 Bde. Mainz 1881-1885. Alzog, Grundriss der - Patrologie, 4e Aufl. Freiburg 1888. G. Krüger, Gesch. der - altchristl. Litteratur in den ersten drei Jahrh. Freiburg - 1895. - - Als hulpmiddelen kunnen dienst doen: voor het kerkelijk - Grieksch, het woordenboek van J. C. Suicerus, Thesaurus - ecclesiasticus, ed. 2a longe auctior Amst. 1728, 2 tomi; voor - het middeleeuwsch Grieksch C. Dufresne, dominus du Cange, - Glossarium ad scriptores mediae et infimae graecitatis. Lugd, - 1688, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Latijn C. Dufresne, - dominus du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae - latinitatis. Par. 1678, 3 vol.; nieuwe uitgave door de - Benedictijnen in 6 deelen 1733-36; door G. A. L. Henschel, - Par. 1840-50 in 7 deelen; en door Leopold Favre in 10 - deelen 1883-87. Ook Forcellini, Totius latinitatis lexicon, - in 4 deelen Padua 1771; nieuwe uitgave door Furlanetto - in 4 deelen. Padua 1828-’31: engelsche uitgave te Londen - 1826; duitsche door Voigtlander en Hertel te Zwickau en - Schneeberg 1829-33, nieuwe uitgave in Italië door Corradini - te Padua 1859 en door D. Vinc. De Vit in 6 deelen te Prato - 1858-79. Voor de plaatsnamen: J. V. Muller, Lexicon manuale, - geographiam antiquam et mediam cum Latine tum Germanice - illustrans, Lips. 1831. J. G. Th. Graesse, Orbis latinus over - Verzeichniss der lateinischen Benennungen der bekanntesten - Städte usw. Dresden 1861. - -Gansch anders was de houding, die door de Alexandrijnsche theologen -tegenover de philosophie en het gnosticisme werd aangenomen. Op -verschillende plaatsen, vooral in Alexandrië, ontwaakte tegen het einde -der 2e en in het begin der 3e eeuw het streven, om de christelijke -stof wetenschappelijk te bewerken en zoo mit dem Zeitbewusstsein -zu vermitteln, Harnack, D. G. I 549. De oorsprong en het ontstaan -der Katechetenschool in Alexandrië is ons onbekend, Guericke, De -schola quae Alexandriae floruit catechetica 1824. Vacherot, Hist. -crit. de l’école d’Alex. 1846-51. Herzog² I 290-292, maar ze bestond -reeds ongeveer 190 en nam spoedig in aanzien en invloed toe. De -eerste leeraar, die ons door zijne overgebleven geschriften bekend -is, is Clemens Alexandrinus. Maar hij wordt in de schaduw gesteld -door Origenes, den invloedrijksten theoloog uit de eerste eeuwen. -Hun streven was, om de kerkelijke geloofsleer om te zetten in een -speculatieve wetenschap. Wel handhaafden zij het geloof, en namen zij -in onderscheiding van de gnostieken in de positieve leer der kerk hun -uitgangspunt. Clemens noemde het geloof zelfs een γνωσις συντομος, -schatte het hooger dan de heidensche wijsheid; het Christendom is een -weg ter zaligheid voor alle menschen en kan slechts door het geloof -toegeeigend worden; de inhoud van dat geloof is door de kerk in haar -belijdenis samengevat, en de kenbron der waarheid is enkel en alleen de -openbaring, de H. Schrift. Dit alles wordt door Clemens en Origenes -even sterk vastgehouden als door Irenaeus en Tertullianus. Maar het -onderscheid begint hier, dat de Alexandrijnen een qualitatief verschil -aannamen tusschen geloof en wetenschap. Geloof moge goed zijn en noodig -voor de eenvoudigen; de ontwikkelden hebben daaraan niet genoeg. De -theologie moet er naar staan, om den inhoud des geloofs te ontwikkelen -tot eene wetenschap, die niet rust op autoriteit maar in zichzelve -haar waarborg en bevestiging vindt. De pistis moet tot gnosis verheven -worden. De gnosis is hier geen middel meer, om de ketterij te weren -en te bestrijden maar wordt doel. De pistis voert slechts tot een -χριστιανισμος σωματικος, maar de theologie moet uit de H. Schrift den -χριστιανισμος πνευματικος ontwikkelen. Wat Philo beproefd had voor de -Joden, ondernamen Clemens en Origenes voor de Christenen; zij zetten -het werk van Justinus Martyr voort. Om dit doel te bereiken, moesten -zij natuurlijk kennis hebben en gebruik maken van de philosophie; ze -sluiten zich wel niet aan bij een bepaald systeem, maar ze bedienen -zich van de gansche grieksche philosophie sedert Socrates, vooral van -die van Plato en van de Stoa. En met behulp daarvan levert Origenes -een systeem dat zonder twijfel van genialen blik en diepe denkkracht -getuigt, maar dat ook telkens gevaar loopt, om de theologie in -philosophie te doen ondergaan. Subordinatie van den Zoon, eeuwigheid -der schepping, praeexistentie der zielen, dualisme van geest en stof, -aardsche loutering, herstelling aller dingen zijn zoovele elementen in -het stelsel van Origenes, die het met het geloof der kerk in strijd -brachten en later zijne veroordeeling bewerkten. Met de Schrift werd -dit alles overeengebracht door eene pneumatische, allegorische exegese. -Maar feitelijk wordt in deze theologie van Origenes de christelijke -religie in ideeën opgelost. Zij zoekt eene transactie tusschen kerk en -wereld, geloof en wetenschap, theologie en philosophie, een compromis -tusschen de dwaasheid des kruises en de wijsheid der wereld en is -zoo de schoonste en rijkste type van de telkens in de kerk opkomende -Vermittelungstheologie, Bigg, The Christian Platonists of Alexandria. -Oxford 1886. Harnack D. G. I 547-604, art. in Herzog² en de daar en bij -Harnack aangeh. litt.; ook Zöckler, Supplement S. 51 f. - -4. In den aanvang der derde eeuw zijn de grondslagen der christelijke -theologie gelegd. De kerk heeft tegenover het Heidendom en Jodendom, -tegenover het Gnosticisme en Ebionitisme welbewust eene vaste positie -ingenomen, en de zelfstandigheid van het Christendom gered. Maar nu -komen in de derde eeuw allerlei inwendige twisten op. De groote strijd -der 3e eeuw liep over de verhouding van den Logos (en den Geest) -tot den Vader, en de ketterij die moest bestreden worden was het -Monarchianisme in zijne beide vormen van dynamistisch en modalistisch -Monarchianisme. De eersten zooals de Alogi, Theodotus en zijne partij, -Artemas c. s. en vooral ook in het Oosten Paulus van Samosata, bisschop -van Antiochië sedert 260, trachtten de eenheid Gods zoo te handhaven, -dat ze Zoon en Geest niet voor personen maar voor eigenschappen -hielden en aan Jezus de Godheid ontzegden; Jezus was een mensch, in -bijzondere mate door den Goddelijken Logos toegerust en met Gods Geest -gezalfd. De modalistische Monarchianen echter leerden, dat de Godheid -zelve in Christus vleesch geworden was; zij erkenden dus de Godheid -van Christus maar identifieerden Vader en Zoon en kwamen zoo tot het -patripassianisme. Dit gevoelen was in de 3e eeuw zeer verbreid en vond -veel aanhang; het werd verdedigd en voorgestaan door Noetus, Epigonus, -Kleomenes, Aeschines, Praxeas, Victorinus, Zephyrinus, Kallistus en -vooral Sabellius. De monarchianen en antitrinitariërs zijn bestreden -door Hippolytus in Contra haeresin Noeti, en Philosophumena, en -ook in ’t zoogen. Parvus Labyrinthus (bij Euseb. h. e. 5, 28), door -Tertullianus adv. Praxeam, Novatianus de trinitate, Dionysius Alex. -adv. Sabellium, Eusebius contra Marcellum, de eccles. theologia, en -de fide ad Sabellium. Zie Harnack D. G. I 604-709, en art. Monarch. in -Herzog² 10, 178. Dorner, Gesch. d. Lehre v. d. P. Christi, 2e Aufl. I -497 f. Lange, Gesch. u. Entw. der Systeme der Unitariër vor der nic. -Synode, 1831. Hagemann, Die römische Kirche in den 3 ersten Jahrh. -1864. Aan het eind der 3e eeuw stond het dogma van Christus’ Godheid -en van zijn onderscheid van den Vader vast. Er waren drie hypostasen in -’t Goddelijk wezen, Vader, Zoon en Geest. Dit was het geloof zoowel in -het Oosten als in het Westen, Harnack D. G. I 667, 709. De begrippen, -waarmede het denken in de volgende eeuw zich zal bezighouden, zooals -μονας, τριας, οὐσια, ὑποστασις, προσωπον enz. bestaan reeds, maar -zullen eerst later hun bepaald karakter en vaste waarde verkrijgen. De -grondslag is gelegd, en de grenzen zijn afgebakend, binnen welke de -christelijke speculatie haar kracht beproeven zal. - - -B. De dogmatiek in de Oostersche Kerk. - -5. De periode van de 4e tot de 8e eeuw wordt in het Oosten geheel -in beslag genomen door de christologische twisten. De homoousie van -den in Christus mensch geworden Zoon met den Vader was het dogma bij -uitnemendheid. Het religieus belang, hierbij in ’t spel, was dat God -zelf mensch moest worden, opdat wij menschen van den dood bevrijd, tot de -onsterfelijkheid en de aanschouwing Gods geleid, en der goddelijke natuur -deelachtig gemaakt zouden worden. De Godheid van Christus is het wezen -des Christendoms. Niemand heeft dit beter begrepen dan Athanasius. Zijne -geschiedenis is die zijner eeuw. Voor hem concentreert zich heel het -Christendom in de verlossing ten eeuwigen leven door den waarachtigen -Zoon van God. Daarin handhaaft hij het specifiek karakter der christ. -religie, maakt de leer der triniteit vrij van kosmologische speculaties, -die er nog bij Origenes en Tertullianus mede verbonden waren, en -bewaart ’t Christendom voor verwereldlijking, Harnack II 21-27, 204 f. -Athanasius is christoloog. Hij voelt diep het religieus belang van de -Godheid van Christus. Christus moest God zijn, om onze Zaligmaker te -kunnen wezen. Door deze geheel eenige beteekenis van het christologisch -dogma zien geen eigenlijke dogmatische systemen het licht. Wel echter -zijn er een aantal belangrijke dogmatische verhandelingen. Het Arianisme -wordt bestreden door Alexander, bisschop van Alexandrië, in zijn -Epistolae de Ariana haeresi deque Arii depositione, door Athanasius -in al zijne geschriften, vooral in zijne Orationes contra Arianos, door -Basilius in zijn Libri V adv. Eunomium en in zijn Liber de Spiritu -Sancto, door Gregorius Naz. in zijn Orationes V de theologia, door -Gregorius Nyss. Libri s. orationes XII c. Eunomium, door Cyrillus, -Hilarius, Ambrosius, Fulgentius e. a., en op de Synode van Nicea en -Constantinopel veroordeeld. De Godheid en homoousie des H. Geestes werd -tegen Macedonius van Constantinopel verdedigd door Athanasius in zijn -Epistolae ad Serapionem, door Basilius in zijn werk tegen Eunomius, en -in zijn verhandeling de Spiritu Sancto, door Greg. Naz. in verschillende -van zijne Orationes theologicae, door Greg. Nyss. in zijn adv. -pneumatomachos Macedonianos, en vooral ook door Didymus in zijn werken -de Trinitate libri tres en de Spiritu Sancto, en werd vastgesteld op -de Syn. te Constantinopel 381. Reeds tijdens de vraag over de homoousie -des Zoons kwam eene tweede vraag op over de menschelijke natuur en over -hare vereeniging met de goddelijke natuur. Apollinaris erkende dat de -Verlosser God moest zijn, maar hij kon geen volkomen mensch zijn, want -dan waren er twee wezens en twee personen en kwam er geen eenheid. De -Logos nam daarom aan bezielde σαρξ en vormde daarin zelf het πνευμα, -het ik, het principe van zelfbewustzijn en zelfbepaling. Maar hij werd -bestreden door Athanasius, de incarnatione domini nostri J. C. contra -Apollinarem, en de salutari adventu J. C., door Greg. Naz. in zijne -Epistolae ad Cledonium en door Greg. Nyss. in zijn Antirrheticus adv. -Apollinarem, en op de Synode te Rome 377 en te Constantinopel 381 -veroordeeld. Toen de twee naturen waren vastgesteld, rees er verschil -over den aard harer vereeniging. Niet substantieel en wezenlijk, -maar moreel en relatief, zei Nestorius; er zijn in Christus twee -personen, ὑποστασεις. Maar hij vond een sterk bestrijder in Cyrillus van -Alexandrië, die hem in verschillende werken de incarnatione Unigeniti, -adversus Nestorii blasphemias contradictionum Libri V, enz. aanviel, en -werd veroordeeld op de Synode te Efeze 431. Het lijnrecht daartegenover -staande gevoelen van Eutyches werd bestreden door Theodoretus in zijn -Ερανιστης ἠ πολυμορφος en Leo Magnus in zijn Epistola ad Flavianum en -werd veroordeeld op de Synode te Chalcedon 451. - -6. Het chalcedonisme bracht echter geen vrede, de verwarring nam -toe, het monophysitisme was in het Oosten te sterk. Het vond wel een -krachtig verdediger in Leontius van Byzantium 485-543, door Harnack II -383 de eerste scholasticus genoemd, en werd ook erkend op de 5e synode -te Constantinopel 551. Maar de Monophysieten werden niet gewonnen, ook -niet door de bemoeiingen van Justinianus I. De in de 7e eeuw opkomende -monergistische en monotheletische strijd eindigde met de vaststelling -van twee willen in Christus op de 6e synode te Constantinopel 680. En -tot den huidigen dag zijn er monophysitische Christenen in Syrie, art. -Jacobiten in Herzog², Dr. H. G. Kleijn, Jakob Baradeus. Leiden 1881. -Ze nemen ééne natuur in Christus aan, ex. niet in duabus naturis, -verwerpen Chalcedon en erkennen de zoogenaamde rooversynode te Efeze, -gebruiken gezuurd brood bij het avondmaal, maken het kruis met één -vinger, hebben beelden- en heiligenvereering van de grieksche en -roomsche kerk overgenomen en staan onder den „Patriarch van Antiochië” -die echter gewoonlijk in Diarbekr woont. Dogmatisch van belang is de -geloofsbelijdenis van Baradeus bij Kleijn bl. 110 v. Monophysieten zijn -er voorts in Egypte, Kopten geheeten, onder een patriarch wonend in -Kaïro, Herzog² 1, 178 f., in Abessynië, onder een Abbûna, door den -patriarch in Kaïro benoemd en resideerende in Gondar, Herzog² 1, 69 f., -in Armenië onder een Katholikos in Etschmiadsin, een klooster bij Erivan -in Armenië. Zie Hofmann, Symboliek § 62-68, met de daar en in Herzog -aangegeven litteratuur, Kattenbusch, Confessionskunde I 205-234. - -Maar dogmatisch zijn niet alleen de christologische geschriften van -belang, ook andere verhandelingen komen in aanmerking. De leer van -God, zijn namen, eigenschappen, voorzienigheid werden behandeld -in aansluiting aan de apologeten, die het christelijk Godsbegrip -tegenover het gnosticisme hadden gehandhaafd. Men ging meest uit van -de natuurlijke Godskennis, van God als een eenvoudig, onveranderlijk -zijn, wiens bestaan psychologisch, kosmologisch en teleologisch bewezen -kon worden, die wel onkenbaar was in zijn wezen, maar in de Schrift -als Drieëenige was geopenbaard, Chrysostomus, Homiliae 12 contra -Anomoeos seu de incomprehensibili Dei natura, Pseudodiomysius de -divinis nominibus, Chrysostomus de providentia L. III. Theodoretus de -providentia orationes X, Harnack II 116-122, Münscher-v. Coelln I 124 -f. Kosmologie en anthropologie werden vooral behandeld in aansluiting -aan Genesis 1-3, en zoo, dat het Origenisme vermeden werd. God had de -wereld geschapen door den Logos naar het voorbeeld eener bovenaardsche -geestelijke wereld; de zonde ontstond door den vrijen wil en wordt -opgewogen door de straf en de verlossing, Basilius, Homiliae IX in -hexaemeron. Greg. Nyss. Explicatio apologetica in hexaemeron en de -hominis opificio, Ambrosius L. VI in hexaemeron. Augustinus, de Genesi -contra Manich. L. II, De Genesi ad litteram liber imperfectus. Johannes -Philoponus, de æternitate mundi c. Proclum, en de mundi creatione l. -VII, Anastasius Sinaita, Anagogicæ contemplationes in hexaemeron, libri -XII. Harnack D. G. II 122-129. Münscher-v. Coelln I 141 f. Schwane D. -G. II. Voorts werden er ook zeer vele tractaten geschreven over de -virginiteit, het monnikschap, de volmaaktheid, de priesterschap, de -opstanding enz., zooals door Ephraem Syrus, Greg. Naz., Chrysost., -Greg. Nyss., Chrysost., benevens vele apologieën tegen Joden, Heidenen -en Ketters. Het merkwaardigst voor de geschiedenis der dogmatiek zijn -de Ὑποτυπωσεις, Institutiones theologicæ libr. VII, in fragmenten bij -Athanasius, en verzameld in Gallandii Bibl. III 662-663. Routh Reliq. -Sacr. III en Migne ser. gr. 18, waarvan de drie eerste boeken handelen -over God, den Vader en den Schepper, den Zoon en den Geest, het vierde -over engelen en daemonen, het vijfde en zesde over de incarnatie en -het zevende over de schepping. Voorts de Κατηχησεις van Cyrillus, 18 -voordrachten voor φωτιζομενοι over de waarheden des geloofs en vijf voor -νεοφωτιστοι over de mysteriën, doop, zalving, eucharistie, liturgie, -Plitt, de Cyrilli Hierosol. orationibus, quae exstant catecheticis. -Heidelb. 1855. Gregorius van Nyssa, Oratio catechetica in 40 cap. -bevat eene philosophische bewijsvoering voor de hoofdwaarheden des -Christendoms, Gods bestaan, wezen, triniteit, schepping en val, -verlossing, sacramenten, vooral boete en eucharistie, en eschatologie. -Chrysostomus’ Catecheses duo zijn vooral zedelijke toespraken tot de -catechumenen. Theodoretus gaf een compendium van het christ. geloof -in het 5e boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη Haereticarum -fabularum compendium. Maximus Confessor behandelde de geloofswaarheden -der kerk in korte kapittels Κεφαλαια, 200 over de leer van God, 300 -over de menschwording en de zonde, 500 over de liefde. Van groote -beteekenis waren ook de vijf geschriften περι θειων ὀνοματων, περι της -οὐρανιας ἱεραρχιας, περι της ἐκκλησιαστικης ἱεραρχιας, περι μυστικης -θεολογιας benevens 10 brieven, die in de vijfde eeuw het licht zagen -en langen tijd doorgingen voor geschriften van Dionysius Areopagita. -Ze gebruikten neoplatonische philosophie en pantheïstische mystiek -tot toelichting en bewerking der christelijke leer en werden spoedig -hooggeschat, gecommentariëerd door Maximus Confessor, Pachymeres e. a., -door theologen, mystici, asceten vooral in de Middeleeuwen gebruikt en -haast met de Schrift gelijk gesteld. Al de elementen der dogmatische -ontwikkeling werden eindelijk saamgevat en vereenigd door Joh. -Damascenus in zijn Πηγη γνωσεως. Dit werk bestaat uit 3 deelen. In deel -1 Κεφαλαια φιλοσοφικα geeft hij een schets der philosophie als dienares -en werktuig der theologie, bepaaldelijk der logica naar Aristoteles en -Porphyrius. Deel 2 is historisch, Περι αἱρεσεων en geeft een overzicht -der ketterijen tot Mohammed toe. Deel 3 Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου -πιστεως is het eigenlijk dogmatische deel in 100 capita; hij erkent zelf -daarin niets te geven dan wat de vaderen geleerd hebben en haalt dan -ook de grieksche vaders, en Paus Leo telkens aan, J. Langen, Johannes -van Damaskus, Gotha 1879. Grundlehner, Joh. Dam. Utrecht 1876. - -Eene geschiedenis van de theologie en de dogmatiek in de Oostersche -kerk na Damascenus bestaat nog niet. De patristische tijd, waarin de -groote dogmenvorming plaats had, eindigde ongeveer met Justinianus I -527-565, of ook met Photius ± 860. Heel deze tijd van de 6e tot de 9e -eeuw is een tijd van overgang. De beeldenstrijd 726-842 is daarin de -karakteristieke gebeurtenis, Harnack, D. G. II 452 f. K. Schwarzlose, -Der Bilderstreit, ein Kampf der gr. K. um ihre Eigenart und um ihre -Freiheit, 1890. Reliquiën en beelden waren ook al voor de 5e eeuw -in gebruik, maar het christologisch dogma kwam ze ondersteunen. Het -eigenaardige van het Christendom scheen daarin gelegen, dat het -het Goddelijke zinlijk en lichamelijk tegenwoordig maakte. Het beeld -werd weldra van symbool tot drager en orgaan van het heilige. Het -heidendom keerde in de christelijke kerk terug. Maar de verdediging -der beelden was juist verbonden met die van de vrijheid der kerk en -met de religieuse belangen, die er toen aanwezig waren. Daartegenover -stond de keizerlijke partij, die de beelden bestreed maar daarmede -ook de kerk aan den staat wilde onderwerpen, die aan den keizer -de vaststelling van een kerkelijk dogma wilde laten, die door het -bestrijden der beelden Joden en Mohammedanen te gemoet wilde komen. In -de beeldenvereering trok heel de orthodoxie zich samen. In het zinlijke -wil men het Goddelijke bezitten en genieten. Johannes Damascenus was -een van de krachtigste verdedigers der beeldenvereering, in zijne de -imaginibus orationes III; hij brengt ze met de vleeschwording Gods in -Christus in ’t nauwste verband en ziet in hare bestrijding judaïsme -en manichaeisme. De dogmatische rechtvaardiging der beeldenvereering -is de laatste arbeid der kerk in ’t Oosten geweest. De Byzantijnsche -periode, van de 9e eeuw tot de inneming van Constantinopel door de -Turken 1453, treedt in. Het is een tijd van rust, van machteloosheid in -het produceeren. De grieksche kerk is die der orthodoxie, zij bewaart -alleen; het christologisch dogma is het dogma bij uitnemendheid. Toch is -er tot 1453 toe een sterk wetenschappelijk leven geweest. De geschriften -der Byzantijnsche theologen, van Damascenus af tot die welke de inneming -van Constantinopel beleefden, vormen in den Cursus patrologiae graecae -van Migne de banden 94-161. Na Damascenus, wiens dogmatiek nog tot -heden toe norma is, verdient uit de Byzantijnsche periode vooral -genoemd te worden Photius, patriarch van Constantinopel 891, wiens -hoofdwerk Μυριοβιβλος of Bibliotheca geleerde excerpten uit allerlei -schrijvers bevat en die als dogmaticus optrad in zijne Μυσταγωγια του -ἁγιου πνευματος, ed. Hergenröther, Ratisb. 1857; cf. Gass in Herzog², -Hergenröther, Photius, Patriarch v. K., Regensburg 1867-69. Voorts -Euthymius Zigabenus in de 12e eeuw, die op last van keizer Alexius I -schreef eene Πανοπλια δογματικη της ὀρθοδοξου πιστεως ἠτοι ὁπλοθηκη -δογματων, en Nicetas Choniates ± 1220 die het werk van Euthymius -aanvulde in zijn Θησαυρος ὀρθοδοξιας, ten deele uitgegeven, cf. Ullmann, -Nic. v. Meth., Euth. Zigab. und Nicetas Chon. oder die dogm. Entw. der -gr. K. im 12 Jahrh., Stud. u. Kr. 1883 4tes Heft. Verder is het werk -van Nicolaus Kabasilas, περι της ἐν Χριστῳ ζωης λογοι ἑπτα door Gass -uitgegeven 1849; en eene verhandeling van Demetrius Kydonius περι του -καταφρονειν τον θανατον door Kuinoel, Lips. 1786. - -Na de inneming van Constantinopel door de Turken zou de grieksche -kerk in het Oosten geheel vernietigd of tot eene secte ineengekrompen -zijn, indien ze niet steun had gevonden in het Russische rijk, dat in -de 10e eeuw gekerstend werd en het grieksch-orthodoxe geloof in zijn -geheel en zonder kritiek overnam. Van de theol. litteratuur na dien -tijd is ons nog veel minder bekend, dan in het vroegere tijdvak. Migne’s -uitgave gaat niet verder en laat ons hier in den steek. Een overzicht -van namen en werken wordt gegeven in Νεοελλενικη φιλολογια, συγγραμμα -Κωνσταντινου Σαθα, Athene 1868. De pogingen tot vereeniging met Rome -op de concilies van Lyon 1274 en Florence 1439 zijn ons uit de akten -bekend. De correspondentie van de Tubingsche theologen 1576 met den -patriarch Jeremias II is te Wittenberg 1584 uitgegeven, Gass Symb. -der gr. K. 45 f.; over die van Cyrillus Lucaris met vele protest. -theologen en staatslieden zie men Gass, art. Lucaris in Herzog² 9, -5 f., Kattenbusch 141 f. Men kan de geschiedenis dezer litteratuur -niet in één woord: versteening, orthodoxisme, enz. samenvatten. Het -zwaartepunt der grieksche kerk is naar Rusland verlegd, en Rusland is -nog jong, heeft nog geen verleden en komt eerst op. Zijn litterarisch en -wetenschappelijk leven heeft nog pas een aanvang genomen. Uit de vorige -eeuw wordt genoemd Theophanes Procopowitsch, die als de vader der -russische systematische theologie geldt, Philaret, Gesch. der Kirche -Russlands II 209 v. En uit deze eeuw Philaret, Ausführl. Catech. der -rechtgläub. kath. morgenl. Kirche in ’t werk van Philaret Gesch. d. K. -Russl. II 293 f. Macarius, Handbuch zum Studium der christl. orthodox. -dogm. Theol., deutsch von Blumenthal 1875. Zie Zöckler Supplement -112 f. Kurtz, Lehrb. d. K. G. § 68. Gass, Beiträge zur kirchl. litt. -u. dogm. gesch. des gr. M. A., 2 Bde. Breslau 1844-47. Ook: A. v. -Reinholdt, Gesch. der russ. Lit. v. ihren Anfängen bis auf die neueste -Zeit 1886. K. Krumbacher, Gesch. der byzant. Litt. 1891. Kattenbusch, -Conf. 252-287. Het leerbegrip der grieksche (russische) kerk is te -vinden bij Walch I 431 sq. E. J. Kimmel, Monumenta fidei ecclesiae -orientalis, 2 Bde. 1850. Schaff, Creeds of Christ. I. 1881. p. 24-82; -II 57-73; 275-554. Μεσολωρας, Συμβολικη της ὀρθοδοξου ἀνατολικης -ἐκκλησιας I 1883. W. Gass, Symbolik der gr. Kirche 1872. H. Schmidt, -Handbuch der Symbolik, 1890. S. 30 f. Hoffmann, Symboliek bl. 130 -v. Kattenbusch, Lehrb. der vergl. Confessionskunde I: Die orthodoxe -anatolische Kirche I 1892. Voorts kan men nog raadplegen over de -kerken in het Oosten, vooral in Rusland, de werken genoemd door Walch -Bibl. theol. sel. II 559 sq. Le Quien, Oriens christianus, 3 Bde. -1740. J. Mason Neall, History of the holy eastern church I 1850. Gass, -art. Gr. u. gr. russ. Kirche, Konstant. in Herzog². J. Silbernagl, -Verfassung und gegenwartiger Bestand sämmtlicher Kirchen des Orients, -Landshut 1865. Victor Frank, Russische Selbstzeugnisse. I Russ. Christ. -Paderborn 1889. H. Dalton, Die russ. Kirche, Leipzig 1892. Presb. -and Ref. Rev. Jan. 1892 p. 103 v. Anatole Leroy Beaulieu, Das Reich -des Czaren und der Russen, autor. deutsche mit Schluszbemerkungen -versehene Ausgabe von L. Pezold und J. Muller. Sondershausen 1884-90. -III Bd.: Die Macht der Religion, Kirche, Geistlichkeit und Sektenwezen -in Russland. H. Dalton, Evangel. Strömungen in der russ. Kirche der -Gegenwart, Heilbronn 1881. Nik. von Gerbel-Embach, Russische Sectirer, -Heilbronn 1883 (beide in de Zeitfragen des Christ. Volkslebens Bd. -VI en VIII). Over de Stundisten: The Stundists, the story of a great -religious revolt. James Clarke, Fleetstreet, London. Dr. Ferd. Knie, -Die russ.-schismatische Kirche, Ihr Lehre und ihr Cult. Graz 1894. -Kattenbusch 234 f. 542 f. - - -C. De Dogmatiek in de Latijnsche, Roomsche Kerk. - -8. De kerk en theologie draagt in het Westen van den aanvang af een -eigen karakter. Bij Tertullianus, Cyprianus, Irenaeus komt dit reeds -duidelijk uit. In het Oosten is de heerschende gedachte in de dogmatiek -deze, dat de mensch door de zonde aan de φθορα onderworpen is en nu -door God zelven in Christus van den dood bevrijd en het leven, de -onsterfelijkheid, de goddelijke natuur deelachtig wordt gemaakt. De -ideeën van substantie, wezen, natuur, staan hier op den voorgrond en -kweeken stilstand, rust, zoowel in de leer als in het leven. In het -Westen daarentegen valt de nadruk op de relatie, waarin de mensch tot -God staat. En deze relatie is die van een schuldige tegenover een -rechtvaardig God, wiens geboden hij overtreden heeft. Christus heeft -echter door zijn werk de genade Gods, de vergeving der zonden, de kracht -tot onderhouding der wet verworven. En dit drijft uit tot een werkdadig -leven, tot gehoorzaamheid en onderwerping. In het Oosten sluit men -zich vooral bij Johannes, in het Westen bij Paulus aan. Daar ligt het -zwaartepunt in de vleeschwording, hier in den dood van Christus. Daar -staat de persoon, hier het werk van Christus op den voorgrond. In het -Oosten komt het in de eerste plaats aan op de godmenschelijke natuur, -op de eenheid van beide naturen in Christus; in het Westen daarentegen -op het onderscheid van beide naturen, op de Middelaarsplaats, welke -Christus tusschen God en mensch inneemt. Daar heerscht het mystische, -liturgische, hier het juridische, politieke element, Kattenbusch, -Confessionskunde I 103 f. Dit onderscheid is van den beginne af -aanwezig. De scheuring was eene kwestie van tijd. Met de opkomst van -Constantinopel begon de openlijke strijd. Constantinopel kon niet wijzen -op een apostolischen oorsprong en ontleende al zijne beteekenis aan de -politiek, aan het keizerlijk hof. Het wilde een tweede Rome zijn. De -bisschop van Constantinopel kreeg volgens het concilie van 381 can. -3 τα πρεσβεια της τιμης na den bisschop van Rome, δια το εἰναι αὐτην -νεαν Ρωμην. Daarmede was het tevreden, met eene plaats naast Rome. Het -Oosten wilde ééne kerk, ja, maar in twee helften, met twee keizers, -twee hoofdsteden, twee bisschoppen van gelijken rang. De grieksche kerk -noemt zich de orthodoxe, zij acht zichzelve in het volle bezit der -waarheid, zij rust en geniet. Maar zij noemt zich ook de anatolische, zij -bindt zich aan een bepaald land en is hiermede voldaan. Gansch anders -was het met Rome. Rome handhaafde zich niet als politieke stad naast -Constantinopel, maar plaatste zich als sedes apostolica hoog boven -Constantinopel. Rome vertegenwoordigde en verdedigde een religieus -belang. Het baseerde zijne aanspraken en rechten weldra op Mt. 16:18, -en eischte eene universeele, eene katholieke plaats. In de Westersche -kerk zit daarom eene aggressieve, eene wereldveroverende tendenz. Deze -tweeërlei richting dreef het Oosten en Westen uiteen. Toen daarbij nog -verschillen kwamen in gebruiken, riten en vooral in de belijdenis van -het filioque, werd het schisma hoe langer hoe meer voorbereid. In 1054 -kwam het formeel tot stand. - -Toch was het Westen in veel opzichten van het Oosten afhankelijk. Hier -was toch het eerst de kerk gesticht. Hier traden de Apostolische -vaders en de Apologeten op. Hier werd de machtige strijd tegen het -Gnosticisme en het Manichaeisme gestreden. Hier werden de theologische -en christologische dogmata op de conciliën vastgesteld. Synoden zijn er, -in de tweede eeuw, het eerst in Klein-Azië opgekomen. De oecumenische -conciliën, van 325 af tot het midden der 9e eeuw toe, zijn alle in het -Oosten, in Klein-Azië of Constantinopel gehouden, en worden tot dat -van 879 toe alle ook door de Westersche kerk erkend. De objectieve -grondslagen van de kerkleer zijn in het Oosten en Westen dezelfde. -Sedert de tweede helft der tweede eeuw drong de oostersche theologie -ook in het Westen door. Victorinus Rhetor, Hilarius, Ambrosius, -Hieronymus, Rufinus hebben de theologische gedachtenwereld van het -Oosten naar het Westen overgebracht. Oudtest. exegese, platonische -theologie, monnikenwezen, het ideaal der virginiteit deden in het -westen hun intocht en huwden daar met den westerschen geest. Ambrosius -† 397, bestudeerde de werken van Clemens, Origenes, Didymus, vooral -van Basilius, en bracht de Oudtest. exegese (Hexaemeron, de Paradiso, -de Cain et Abel etc. naar Basilius), het ideaal der virginiteit -in den zin van het mystieke huwelijk der ziel met Christus (de -virginitate, liber de Isaac et anima, naar Origenes, Methodius), en -ook de triniteitsleer en de christologie der Cappadociërs, (Libri V -de fide, Libri III de Spiritu S°, liber de incarnationis dominicæ -sacramento) in het Westen over. Hilarius van Pictavium † 368 verkeerde -gedurende zijne ballingschap 356-359 in Kl. Azië, lichtte in zijn werk -de Synodis seu de fide Orientalium de bisschoppen van Gallie in over -den christologischen strijd in het Oosten, verdedigt deze leer in zijn -werk de Trinitate in 12 boeken, en maakt in zijne exegetische werken -over Mattheus en enkele psalmen ruim gebruik van de typische en -allegorische exegese. Victorinus rhetor, door Augustinus, Conf. 8,2 -zeer geprezen, voerde in zijne geschriften Liber ad Justinum Manichæum -contra duo principia Manichæorum et de vera carne Christi, in zijn liber -de generatione divina en in zijn strijdschrift Adversus Arium Libri IV -de neoplatonische philosophie in de theologie in en werd daardoor van -den grootsten invloed op Augustinus. Rufinus † 410 verkeerde vele -jaren in Egypte en Palestina, en ging om met de kluizenaars, met -Hieronymus, Didymus in Alexandrië, Johannes in Jeruzalem, en was vooral -daardoor van beteekenis, dat hij vele grieksche werken van Josephus, -Eusebius, Origenes, Basilius, Gregorius Naz., enz. in ’t latijn -bewerkte. Bovendien schreef hij eene Historia monachorum, biografieën -van 33 heiligen in de nitrische woestijn, en Peregrinationes ad loca -sancta; verschillende commentaren op boeken des O. T.; en eindelijk eene -Expositio symboli apostolici, wier waarde voor de historie grooter is -dan voor de dogmatiek. Eindelijk moet hier Hieronymus † 420 genoemd -worden. Schoon opgevoed in Rome, vertoefde hij ’t grootste deel van -zijn leven in Syrië en Palestina. Zijne verdienste ligt vooral in zijne -vele Schriftstudiën; in de theologie is hij weinig zelfstandig, en zeer -angstig voor zijne orthodoxie; in zijne exegese huldigt hij dikwerf de -allegorische methode van Philo en de Alexandrijnsche theologen, vooral -is hij een lofredenaar van de askese; hij verdedigde de jonkvrouwelijkheid -van Maria tegen Helvidius, de verdienstelijkheid van het vasten en van -het coelibaat tegen Jovinianus, de vereering der martelaars en van -hunne reliquiën tegen Vigilantius en spreekt naar Luthers woord in de -tafelgesprekken altijd van vasten, spijze, virginiteit en schier nooit -van geloof en hoop en liefde. - -9. Heel deze dogmatische ontwikkeling van het Oosten en Westen -loopt uit op Augustinus. De triniteitsleer en de christologie van -de Oostersche theologen; de leer van mensch, zonde, genade, geloof, -voldoening, verdienste van Tertullianus en Ambrosius; het neoplatonisme -van Victorinus; de leer van Cyprianus over kerk en sacrament; -het monnikideaal van Hieronymus en Hilarius; dat alles is door -Augustinus overgenomen en door hem, in zijn rijke levenservaring, tot -zijn geestelijk eigendom gemaakt. Een theologisch, dogmatisch systeem -heeft Augustinus niet geleverd. De stof die hem van alle kanten, -uit Schrift, traditie, philosophie, toestroomt en die hij door zijn -rijke persoonlijkheid uitbreidt en vermeerdert, liet zich niet in eens -overzien en systematiseeren. Het voornaamste, dat Augustinus in dit -opzicht geleverd heeft, is zijn Enchiridion de fide, spe et caritate, -eene verklaring van de voornaamste geloofswaarheden aan de hand van -het apost. symbool. Maar aan tegenstrijdigheden ontbreekt het in zijne -leer niet, vooral niet aan die tusschen zijne kerk-en zijne genadeleer. -Reuter heeft aangetoond, dat die tegenstrijdigheden niet te vereffenen -zijn, en dat de gedachten van Augustinus zich niet in een systeem -laten samenvatten. En toch is er geen kerkvader geweest, die zoo diep -alle theol. problemen heeft ingedacht en zoo geworsteld heeft om tot -eenheid te komen, Harnack III 87. Hij is de eerste geweest, die zich -duidelijk trachtte rekenschap te geven van al die theol. vragen, welke -later in de prolegomena der dogmatiek zouden behandeld worden, en die -tot de laatste psychologische en noëtische problemen doordringt. Het -vaste punt, waarvan hij uitgaat, is de mensch, zijn zelfbewustzijn, zijne -onuitroeibare zucht naar en behoefte aan waarheid, geluk, ’t goede, -welke alle één zijn. Dit uitgangspunt is zeker en betrouwbaar (tegen de -sceptici), wijl het twijfelen zelf nog geloof aan waarheid onderstelt -en het zelfbewustzijn de laatste grond der waarheid is. Augustinus -werd zelf door zulk eene brandende waarheidsliefde verteerd. Nu neemt -Augustinus wel twee kenorganen aan, sensus en intellectus. Maar de -kennis, door ’t laatste verkregen, gaat die van het eerste ver te -boven. Het zinlijke is de waarheid zelve niet, het is er maar een beeld -van. Eeuwige, onveranderlijke waarheid is slechts door het denken te -vinden. Wel ontkent Augustinus niet, dat wij ook door het zienlijke -heen tot het onzienlijke kunnen opklimmen, maar gewoonlijk zoekt hij den -weg tot de waarheid niet buiten ons door de natuur heen, maar door ’s -menschen eigen geest. Daar vindt hij in zijne, in de aan allen eigene -rede eeuwige, onveranderlijke waarheden, welke zelve weer terugwijzen -op en zich samenvatten in God: de hoogste waarheid, het hoogste zijn, -het eenig goed, aeterna ratio, principium universorum. Daarom, wijl God -de volle waarheid, het zijn, het goede, het schoone zelf is, daarom -is er in Hem alleen rust voor den mensch, voor zijn denken en willen. -Zelfkennis en Godskennis zijn de twee polen, waartusschen al zijn denken -zich beweegt. De wetenschap der natuur wordt wel niet veracht, maar -toch achtergesteld. Deum et animam scire cupio! Noverim me noverim te! -God is de zon der geesten. We zien en kennen geen waarheid dan in en -door zijn licht. - -Maar de philosophie is toch onvoldoende. Niet slechts door het -onvermogen der rede, om den weg tot de waarheid te vinden, maar vooral -ook doordat haar de superbia in den weg staat. En humilitas is alleen -de weg ten leven. Er is daarom nog een andere weg tot de waarheid, n.l. -de auctoritas, de fides. Het onderstelt eenerzijds eenig weten, maar -zoekt andererzijds naar weten en streeft naar kennis. Niet alleen het -bestaan van God en de onsterfelijkheid der ziel, maar ook de triniteit -trachtte Augustinus uit de natuur en vooral uit den mensch zelf te -bewijzen. Maar God is voor hem niet het abstracte, praedicaatlooze -zijn, maar de levende God, de hoogste waarheid en het hoogste goed, -de hoogste zaligheid, en daarom de eenige en volle bevrediging van -’s menschen hart. Heel Augustinus’ denken is religieus, theologisch; -hij ziet alles in God. In dat licht beziet hij ook de wereld; zij is -eenerzijds een niet-zijn, een beeld, vergankelijk, maar andererzijds -als schepping Gods een kunstwerk, naar de ideeën in Gods bewustzijn -geschapen, en allengs, trapsgewijze, bij graden die ideeën realiseerende, -en eene eenheid vormende, die de rijkste verscheidenheid in zich bevat; -de dingen verschillen onderling in mate van zijn en dus van waarheid -en goedheid. Ze is een kosmos, berustend op idee en getal, orde, -maat, samengehouden door één wil, één rede, een amplissima inmensaque -respublica; waarin de wonderen slechts zijn contra quam est nota -natura, waarin de zonde slechts eene privatio is, door de straf wordt -gecompenseerd, en mede bijdraagt tot de schoonheid en harmonie van het -geheel. In het pulcherrimum carmen der schepping is ook deze antithese -van noode; de zonde is aan de tegenstellingen in eene redevoering, -aan de barbarismen in de taal, aan de schaduw op de schilderij gelijk. -Augustinus tracht het kwade in te voegen in de orde van het geheel. -Maar daarmee vergoelijkt hij de zonde niet. Hij stelt n.l. ’t doel der -dingen niet in ’t ethisch goede, maar daarin dat de schepping is en -meer en meer worde een harmonische openbaring van al Gods deugden en -volmaaktheden. En daaraan wordt de zonde ook door Gods wil dienstbaar -gemaakt. Voorts weet men, hoe diep en ernstig Augustinus de zonde -opvatte. Nondum considerasti, quanti ponderis sit peccatum. Hij zag -het om zich heen en voelde het: de mensch zoekt God en heeft behoefte -aan Hem, en hij kan en wil niet tot Hem komen. Aan den mensch is nog -alleen goed, dat hij is. De menschheid is eene massa perditionis. -Zonde is vooral hoogmoed, superbia in de ziel en concupiscentia is ’t -lichaam. Zonde is in Adam ons aller daad geweest en daarom ons aller -lot geworden. Zij is carentia dei, privatio boni, eene daad niet alleen -maar een toestand, natura vitiata, een defectus, inopia, corruptio, -een non posse non peccare. Deugden der heidenen zijn splendida vitia. -Redding uit dien toestand is er alleen door de gratia, die haar aanvang -reeds neemt in de praedestinatio, die zich objectief openbaart in den -persoon en het werk van Christus, certum propriumque fidei catholicae -fundamentum, maar die ook subjectief in ons komen moet als gratia -interna, en ’t geloof en de liefde ons moet instorten. Maar die gratia -werkt bij Augustinus alleen binnen de grenzen der zichtbare kerk. Deze -is bij hem eene inrichting des heils, uitdeelster der genade, zetel der -autoriteit, waarborg der Schrift, woonplaats der liefde, stichting -des Geestes, ja het regnum Dei zelf. Augustinus heeft diep het belang -der gemeenschap voor de religie gevoeld; de kerk is de moeder der -geloovigen. De leer van de praedestinatio en van de gratia is met dit -begrip van kerk en sacrament niet overeen te brengen. Multi qui foris -videntur intus sunt et multi qui intus videntur foris sunt. Er zijn -schapen buiten en wolven binnen de kooi. Ook leerde Augustinus wel de -perseverantia sanctorum, maar hij durfde de subjectieve verzekerdheid -daarvan niet aan. En juist vanwege deze opvatting van kerk en sacrament -konden het geloof en de vergeving in de theologie van Augustinus niet -tot hun recht komen. Geloof en liefde, vergeving en heiligmaking worden -niet duidelijk onderscheiden. Het is alsof geloof en vergeving maar -voorloopig zijn; Augustinus gaat van deze terstond tot de liefde, de -heiligmaking, de goede werken over. De gemeenschap met God, de religio, -wordt daardoor het resultaat van een proces, dat geloof, liefde, goede -werken, enz. langzamerhand tot stand doen komen. De zaligheid, het -eeuwige leven, de visio en fruitio Dei, worden toch weer eene vrucht -van verdienste, en askese is een van de middelen, die den mensch dit -doel doen bereiken. - -Zoo is Augustinus van de grootste beteekenis geworden voor de latere -dogmatiek. Hij beheerscht de volgende eeuwen. Elke reformatie keert tot -hem en tot Paulus terug. In elk dogma heeft hij een formule gevonden -die door allen overgenomen en herhaald wordt. Zijn invloed strekt tot -alle kerken, richtingen en secten zich uit. Rome beroept zich op hem -voor hare leer van kerk, sacrament en autoriteit; de reformatie voelde -zich aan hem verwant in de leer van praedestinatio en gratia; de -scholastiek bouwde voort op de fijnheid zijner waarneming, de scherpte -van zijn verstand, de kracht zijner speculatie, Thomas heette optimus -interpres S. Augustini; de mystiek vond stof in zijn neoplatonisme en -religieus enthusiasme; roomsche en protestantsche vroomheid sterkt zich -door zijne geschriften; askese en piëtisme vinden voedsel en steun hij -hem. Augustinus behoort niet aan ééne kerk, maar aan alle kerken te -zamen. Hij is Doctor universalis. Zelfs de philosophie kan niet dan tot -eigen schade hem verwaarloozen. En door zijn schoonen, betooverenden -stijl, door zijne fijne, nauwkeurige, hoogst individueele en toch weer -algemeen-menschelijke uitdrukking is hij meer dan eenig ander kerkvader -nog heden te genieten. Hij is de meest christelijke en de meest moderne -van alle kerkvaders, hij staat van allen het dichtst bij ons. Hij heeft -de aesthetische wereldbeschouwing vervangen door de ethische, de -klassieke door de christelijke. Onze beste, diepste en rijkste gedachten -in de dogmatiek danken wij aan hem. Augustinus is _de_ dogmaticus der -christelijke kerk geweest. Cf. Harnack. Dogm. III² 3-215. - -10. Het Augustinisme was meer dan eene eeuw voorwerp van heftigen -strijd, het hield de gemoederen verdeeld. Het vond niet alleen -bestrijding bij Pelagius, Coelestius, Julianus, de eigenlijke Pelagianen, -maar ook bij vele monniken in Gallie, onder wie vooral genoemd worden -Joh. Cassianus, Vincentius van Lerinum, die in zijn Commonitorium niet -alleen de kenmerken der traditie aangeeft maar aan het slot ook tegen -het strenge Augustinisme partij kiest, Eucherius van Lyon, Hilarius -van Arles, Salvianus van Massilia, Faustus van Rhegium, Gennadius van -Massilia, schrijver van de fide sua ceu de dogmatibus ecclesiasticis -in 88 capita. Aan Augustinus’ zijde stonden, behalve Possidius van -Calama in Numidië, Orosius van Bracara in Spanje, Marius Mercator in -Constantinopel e. a. vooral ook Prosper Aquitanus, Vigilius van Tapsus -in Numidië, Fulgentius van Ruspe, schrijver van de fide ad Petrum seu -de regula verae fidei, een korte schets van de hoofdwaarheden des -geloofs, Caesarius van Arles, Avitus van Vienna e. a. De synode te -Orange in 529 gaf in den strijd wel eenige beslissing ten gunste van -Augustinus, maar voorkwam niet, dat semipelagiaansche denkbeelden hoe -langer hoe meer ingang vonden. De gratia praeveniens werd aangenomen, -maar de gratia irresistibilis en de particuliere praedestinatie toch -niet beslist aanvaard, Wiggers. Versuch einer pragm. Darstellung des -August. u. Pelag. Hamburg, Perthes, 2 Theile. 1833. Id. Zeits. f. -d. hist. Theol. 1854-1859 behandelt denzelfden strijd van Gregorius -tot Gottschalk. Harnack, D. G. III 219 f. In het vervolg bleef -er van het Augustinisme niet veel over. Paus Gregorius de Groote -† 604, naast Augustinus, Hieronymus en Ambrosius wel de vierde groote -kerkleeraar genoemd, heeft niets nieuws voortgebracht, maar heeft de -ideeën der vroegere kerkleeraars zich toegeeigend en voor het leven -op velerlei wijze verwerkt. Zijne richting is practisch en tegelijk -mystisch-allegorisch. Hij heeft geen systeem gevormd, maar eenvoudig het -verkregene bewaard, de dogmata voor clerus en leek pasklaar gemaakt, -en vooral de verschillende middelaars en middelen (engelen, heiligen, -Christus, aalmoes, zielmis, vagevuur, boete) geschematiseerd, die het -den verzwakten wil des menschen mogelijk maken, om van de straffen -der zonde bevrijd te worden. Door dit alles heeft hij met trouwe zorg -gearbeid aan de opvoeding der nieuwe volken en aan de vorming van den -clerus. Hij heeft de uitwendige wettelijke religie der roomsche kerk -gesanctioneerd, en aan het middeleeuwsch katholicisme zijn eigenlijke -type gegeven. Hij is de sluitsteen der oude, de grondsteen der nieuwe -wereld. Door zijne liturgische geschriften en door zijn kerkgezang -heeft hij den roomschen cultus onder de Germanen ingevoerd. Door -populariseering van de dogmata der kerkvaders heeft hij de leer der -kerk practisch bruikbaar gemaakt voor de onbeschaafde, heidensche -Germanen en bijgeloof, askese, werkheiligheid bevorderd. Met Boethius -en Cassiodorius heeft hij op de vorming en het ontstaan der wetenschap -bij de Germanen grooten invloed geoefend. Cassiodorius † ± 565 schreef -een Liber de artibus ac disciplinis liberalium litterarum en besprak -daarin de beteekenis van elk der 7 vrije kunsten en gaf in zijn werk de -institutione divinarum litterarum eene methodologie der theol. studie. -Boethius heeft door zijne vertalingen en verklaringen van de logika van -Aristoteles, de Isagoge van Porphyrius de kennis en het gebruik der -grieksche philosophie bij de Germanen ingeleid. En Gregorius heeft de -theologie in de kerk naar de Germanen overgebracht, Harnack, D. G. III -233-244. Lau, Gregor. I nach seinem Leben und seiner Lehre geschildert, -Leipzig 1845, art. in Herzog². Alzog, Patrologie 500. - -Bij alle gemis van cultuur en bij de onrust der volksverhuizing kon er -in den eersten tijd onder de germaansche volken van een wetenschappelijk -leven geen sprake zijn. De eerste sporen zijn te vinden in de -bijbelvertaling en de ariaansche geloofsbelijdenis van Ulfilas † 383. -Tegen het einde der 5e eeuw waren de Oost-en Westgothen, Vandalen, -Sueven, Bourgondiers, Herculers, Longobarden enz. reeds gekerstend -in ariaanschen zin. Maar Clovis 481-511 nam met zijn Frankenrijk het -roomsche Christendom aan. Patrik, schrijver van Confessiones, is apostel -der Ieren † 465. Schotland werd gekerstend door Columba † 597. De -Angelsaksen werden bekeerd door Augustinus met 40 monniken, daarheen -gezonden door Paus Gregorius I in 596. Fridolinus en Columbanus -† 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië; de laatste liet belangrijke -brieven en ook een regula coenobialis na. Allemannië, Beieren, -Thuringen, Friesland enz. werden in de 6e en 7e E. gekerstend. -Bonifacius is de apostel der Duitschers in de 8e eeuw † 755, J. P. -Muller, Bonif. eene kerkhist. studie, Amst. 1869. De Saksers werden -’t laatst onder Karel den Groote door oorlogen 772-804 toegebracht, -en het Noorden vooral door Ansgar † 865. Een der eerste dogmatici is -Isidorus Hispalensis † 636; zijne geschriften zijn van grammatischen, -historischen, archaeologischen, dogmatischen, moreelen en ascetischen -inhoud en omvatten al wat in dien tijd te weten viel. Hij brengt de -klassieke en patristische geleerdheid over tot zijn volk. Hij is niet -oorspronkelijk, maar geeft uittreksels uit heidensche en christelijke -werken. In zijn Originum sive etymologiarum libri XX spreekt hij in -boek 6 over de Schrift, in boek 7 over God, de engelen, profeten, -apostelen, clerici, geloovigen, in boek 8 over de kerk, in boek 9 over -de volken. Zijne Libri III Sententiarum s. de summo bono is vooral -geexcerpeerd uit Augustinus en Gregorius en is een voorbeeld voor de -middeleeuwsche sententieverzamelaars geweest. Boek I handelt over -God, schepping, tijd, wereld, zonde, engel, mensch, ziel, Christus, H. -Geest, kerk, ketterij, wet, Schrift, Oud en Nieuw Verbond, gebed, doop, -martyrium, wonderen, antichrist, wereldeinde; boek II en III zijn van -ethischen inhoud. Het is een compendium, dat het theologisch kapitaal -der vorige eeuwen aan het Germaansche volk overlevert. Maar tot eene -zelfstandige bewerking kwam het niet. Karel de Groote trachtte wel -met geweld de oude cultuur in het Frankenrijk intevoeren. En inderdaad -ontbrak het in de karolingische periode niet aan mannen van groote -geleerdheid, maar vlijtig verzamelen en onzelfstandig reproduceeren -blijven toch de karaktertrekken van de periode, die met de 7e E. begint -en eerst met de kruistochten eindigt. Augustinus en Gregorius waren -de autoriteiten. De voornaamste onder deze karolingische theologen -was Alcuinus † 804, die het adoptianisme van Elipandus van Toledo -en Felix van Urgel bestreed in Liber contra haeresin Felicis, Libri -VII contra Felicem en Libri IV adv. Elipandum en voorts nog schreef -de fide sanctae et individuae Trinitatis Libri III, de Trinitate ad -Fredegisum quaestiones en Libellus de processione Sp. S{i}. In al deze -werken toont Alcuinus zijne vertrouwdheid met de werken der kerkvaders, -hij weerlegt de adoptiaansche dwalingen met dezelfde argumenten die -vroeger tegen het Nestorianisme b.v. door Cyrillus werden gebezigd. -De studie van Augustinus leidde Gottschalk in de 9e E. tot belijdenis -der gemina praedestinatio; hij vond steun bij Prudentius van Troyes, -Remigius van Lyon, Ratramnus, Lupus van Ferrières e. a., maar werd -tevens heftig bestreden door Rhabanus, Hinkmar, Erigena. Het filioque -kwam uit Spanje in het Frankenrijk en werd opgenomen in ’t symbool. -Reeds op de synode te Gentilly 767 had men de overtuiging, dat het -symbolisch was. Het werd met talent door Karels theologen verdedigd, -Alcuinus de processione Sp. S{i}., Theodulf van Orleans de Spiritu -S°. De synode te Aken 809 besliste, dat ’t filioque in het symbool -behoorde. De beeldenvereering vond in het Frankenrijk tegenkanting, -de 7e oecumenische synode, die servitium en adoratio der beelden -verlangde, werd niet erkend, maar na de 9e eeuw zweeg allengs de -oppositie. En eindelijk werd in de karolingische periode ook nog de mis -verder ontwikkeld, vooral door Pachasius Radbertus, liber de corpore -et sanguine domini 831, die bestreden werd door Rhabanus en Ratramnus. -Radbertus is ook bekend als schrijver van een compendium de fide, spe et -caritate, dat geloofswaarheden tot een zeker geheel samenvat. Vooral -verdient in deze periode nog genoemd te worden Joh. Scotus Erigena -† ± 891, ofschoon hij meer thuis hoort in de philosophie dan in de -theologie. Hij is niet de vader der scholastiek maar der speculatieve -theologie. Hij sluit zich aan bij de gnosis van Origenes en de mystiek -van Pseudo-dionysius. Zijne grondgedachte is de neoplaton. emanatieleer. -In zijn werk de divisione naturae zegt hij eerst, dat theologie en -philosophie eigenlijk één zijn. De recta ratio en de vera auctoritas -strijden niet. De fides heeft haar waarheid, als theologia καταφατικη, -affirmativa, in Schrift en traditie, maar de rede, als theologia -negativa, ἀποφατικη, ontdoet deze waarheid van hare omhulselen en -spoort er de idee van op. Zoo verandert hij de dogmatische waarheid in -een kosmisch en theogonisch proces. Al ’t zijnde vat hij samen onder één -begrip, natura, welke in 4 Stufen van ’t zijnde, door den Logos heen, in -de verschijningswereld zich openbaart en weer tot God terugkeert. - -11. Na de tiende eeuw, het saeculum obscurum, ontwaakt er overal -een nieuw leven. Van het klooster te Clugny gaat er eene religieuse -reformatie uit, die in de bedelorden der 12e eeuw zich voortzet. De -vroomheid wordt opgevat als een navolgen en nabootsen van het leven -van Jezus, vooral in zijne laatste lijdensweek. De kruistochten brengen -nieuwe gedachten en verruimen den gezichtskring. De macht der Pausen -neemt toe en stelt zich niets minder dan de wereldheerschappij tot -haar ideaal. De wetenschap krijgt in de Universiteiten eene eigen -kweekplaats en treedt in de theologie op als scholastiek. Theologia -scholastica duidt, in onderscheiding van de theologia positiva, die -de dogmata in eenvoudigen, thetischen vorm voordraagt, aan, dat de -dogmatische stof naar eene wetenschappelijke, in de scholen gebruikelijke -methode, verwerkt wordt. Scholastiek is op zichzelve niets anders dan -wetenschappelijke theologie. Zij begint, waar de theologia positiva -eindigt. Deze is tevreden, als zij de dogmata heeft uitgesproken en -bewezen. Maar de theologia scholastica gaat van die dogmata als hare -principia uit, Thomas, S. Theol. I qu. 2 en 8, en tracht van daar uit -door redeneering den samenhang der dogmata op te sporen, dieper in -de kennis der geopenbaarde waarheid in te dringen, en ze tegen alle -bestrijding te verdedigen. In de Middeleeuwen kreeg de scholastiek -echter door verschillende omstandigheden een bepaald karakter, dat haar -in discrediet heeft gebracht. Ten eerste was het in de Middeleeuwen -met bronnenstudie zeer droevig gesteld. De waarneming werd in theorie -niet als principium der kennis geloochend, maar feitelijk legde men -zich eenvoudig bij de overlevering neer en meende men, dat de vroegere -geslachten de waarneming al voldoende hadden toegepast en volledig in -de boeken hadden neergelegd. Physica, medicijnen, psychologie enz., -alles werd uit boeken bestudeerd. In de theologie lag de stof volledig -voor oogen in de Schrift, maar vooral in de traditie, in de kerkvaders, -conciliën enz. De scholastiek stond daar niet kritisch en skeptisch, -maar kinderlijk geloovig tegenover. Het geloof was uitgangspunt der -scholastiek. Men zocht de dogmatische stof in de Schrift en de traditie -en nam ze aan zonder eenige kritiek. Van de Schrift kwam daarbij -dikwerf niet veel te recht. Hebreeuwsch en grieksch kende men niet. -Grammaticale en historische zin ontbrak schier geheel. Men haalde de -stof vooral uit de kerkvaders, uit Augustinus, Hilarius, Ambrosius, -Hieronymus, Gregorius, Isidorus, Pseudodionysius, Damascenus en -Boëthius. Daarbij kwam nu in de tweede plaats, dat het denken door de -logische geschriften van Aristoteles allengs geoefend werd, om deze -dogmatische stof dialectisch en systematisch te verwerken. Eerst -waren er van Aristoteles slechts de beide logische geschriften de -categoriis en de interpretatione in latijnsche vertaling, benevens de -inleiding van Porphyrius op de categoriën, en verschillende commentaren -vooral van Boëthius bekend; van Plato had men slechts een gedeelte -van den Timaeus in vertaling en voorts aanhalingen bij Augustinus, -pseudo-Dionysius e. a. De wetenschap buiten de theologie was in het -trivium en quadrivium verdeeld en was vervat in het encyclopaedisch -werk van Cassiodorius. Eerst sedert ’t midden der 12e eeuw werd het -Organon van Aristoteles volledig bekend en in ’t begin der 13e eeuw ook -zijne andere werken over metaphysica, physica, psychologie en ethiek. -Aan deze philosophie ontleende men de dialectische methode, maar voorts -ook allerlei problemen en kwesties over de verhouding van geloof -en rede, theologie en philosophie, over de realiteit der algemeene -begrippen, over de eigenschappen Gods, de wonderen, de schepping -van eeuwigheid, de ziel enz. Aristoteles werd praecursor Christi -in naturalibus, evenals Johannes de Dooper in gratuitis. Allerlei -kosmologische, natuurkundige, psychologische, philosophische stof werd -daardoor in de dogmatiek opgenomen. De dogmatiek was geen geloofsleer -meer maar werd een systeem der philosophie, eene encyclopaedie der -wetenschap, waarin allerlei wijsgeerige stof werd opgenomen maar waarin -de religie dikwerf te kort kwam. En eindelijk werd heel dit scholastiek -systeem voorgedragen in een vorm, die hoe langer hoe meer tot ernstige -bedenkingen aanleiding gaf. Niet alleen werd de stof zoo dialectisch -bewerkt, zoo haarfijn uitgeplozen en zoo juristisch behandeld, dat de -samenhang met het religieuse leven der gemeente geheel werd verbroken; -bij voorkeur hield men zich bezig met allerlei spitsvondige kwestiën -over engelen en duivelen, hemel en hel enz. Maar de questionaire vorm, -waarin alles gegoten werd, bevorderde den twijfel en liet auctoritas en -ratio dikwerf geheel uiteengaan en vijandig tegenover elkander staan. -Menigmaal schijnt de zaak van een dogma geheel verloren; maar een enkel -beroep op een tekst, op een kerkvader maakt alles weer goed. De indruk -blijft echter, dat het er met het dogma hopeloos bijstaat. De taal -was op den duur niet geschikt, om met den inhoud van het systeem te -bevredigen. Het barbaarsch latijn, dat men schreef was naar de opmerking -van Paulsen wel een bewijs, dat men zelfstandig dacht en vrij de woorden -vormde, die men voor zijne denkbeelden van noode had, maar kon toch niet -voldoen, zoodra de zin voor het klassieke, het eenvoudige schoon weer -eenigermate ontwaakte. - -12. De scholastiek verloopt in drie perioden, in eene aetas vetus, -media en nova. Ze begint met Anselmus. Deze leeft nog in het naïef -vertrouwen, dat het geloof tot weten kan verheven worden, en -beproeft dat voor het bestaan van God in zijn Monologium, en voor de -menschwording en voldoening in zijn Cur Deus homo. Hij doet het nog -niet in den aristotelisch-scholastischen vorm, maar meer in den zin -van Plato’s dialogen; toch neemt de scholastische speculatie bij hem -een aanvang. Lombardus gaf in zijne Sententiarum libri IV niet enkele -tractaten, zooals Anselmus, maar een volledig dogmatisch en ethisch -handboek. Hij leverde den tekst voor de scholastieke theologie, en maakt -zelf reeds een ruim gebruik van de philosophie, tot verduidelijking -en verdediging der waarheid. Alexander Halesius schreef eene Summa -universae theologiae, welke eigenlijk reeds een commentaar is op het -werk van Lombardus; maar, terwijl deze over een onderwerp in eens ten -einde toe voortredeneert, kleedt Halesius zijne gedachten in een streng -dialectischen, syllogistischen vorm. Daarmede was de scholastische -methode voorgoed gevestigd. Het ging niet geheel zonder strijd. Velen -hadden bezwaar tegen het gebruik van Aristoteles in de theologie. Er -bleven ten allen tijde Platonici, die Plato veel meer in overeenstemming -achtten met de kerkleer. Johannes van Salisbury, Gerhoch, Walther van -St. Victor, Petrus Cantor, Alanus ab insulis, Willem van Auvergne -e. a. wezen op de gevaren der philosophie; en Abaelard scheen een -afschrikwekkend voorbeeld. Maar de scholastische methode, door beroemde -mannen gedekt, won veld. Weldra werd Aristoteles’ wijsbegeerte, ofschoon -hier en daar gewijzigd, de beste verdediging der kerkleer geacht. Het -volledigst werd naar deze methode de dogmatiek bewerkt door Albertus -Magnus † 1280, Thomas Aquinas † 1274 en Bonaventura † 1274. Alle drie -schreven een commentaar op het werk van Lombardus, en werden daarin -later door velen gevolgd. Fleury telde er in zijn tijd reeds 244. -Bovendien schreef Albertus een Summa theologiae (onvoltooid) en een -Summa de creaturis; Thomas een Summa theologiae (onvoltooid), en Summa -de veritate cath. fidei contra gentiles; Bonaventura een Breviloquium. -Alle drie hebben de scholastiek algemeen in eere gebracht, aan de -theologie eene eereplaats verzekerd onder de wetenschappen, en met -buitengewone denkkracht de diepste problemen behandeld. Maar de -scholastiek heeft zich niet op die hoogte kunnen houden. Bij Duns Scotus -† 1308 is het vertrouwen al geschokt. Hij verwerpt het nominalisme, maar -bestrijdt Thomas toch overal, waar hij maar durft en kan. De Franciscaner -de Rada † 1608 telde later in zijne Controversiae theol. inter Thomam -et Scotum, Colon. 1620 niet minder dan 86 punten van geschil op. De -voornaamste daarvan waren die over de kenbaarheid Gods, het onderscheid -in de goddelijke eigenschappen, de erfzonde, de verdiensten van -Christus, enz. en vooral ook de onbevlekte ontvangenis van Maria. -Scotus is nog wel realist, maar hij is ook sceptisch en plaatst -theologie en philosophie naast elkaar, Werner, Joh. Duns Scotus, Wien -1881. De philosophie bereikt God niet, de theologie rust alleen op -gezag, op openbaring. Maar vooral het nominalisme droeg tot verval -der scholastiek bij; het was al opgekomen bij Roscellinus, Berengarius, -maar won vooral terrein in de 14e en 15e eeuw. Petrus Aureolus -† 1321, schrijver van een commentaar op Lombardus en van Quodlibeta -zei, dat de universalia niet objectief in de dingen bestonden, maar -slechts gedachten waren; het werkelijke is altijd individueel. Willem -Durand de St. Porciano † 1332 ontkende de universalia en loochende ’t -wetenschappelijk karakter der theologie, ze is geen eenheid, ze kan -de waarheid der dogmata niet aantoonen en de gronden er tegen niet -weerleggen. Willem van Occam † 1349, die den paus alle macht ontzegde -over wereldlijke vorsten, dezen in hun verzet tegen den paus steunde -maar ook op zijn beurt bescherming van hem vroeg, viel zoowel de school -van Thomas als die van Scotus aan. Hij schiep er behagen in, om de -onzekerheid der theologie aan te toonen; bestaan, eenheid, almacht -Gods, eindigheid der wereld, onstoffelijkheid der ziel, noodzakelijkheid -der openbaring enz., alles is onbewijsbaar. Alles is alleen, wijl God het -zoo wil. Er zijn geen redewaarheden. God kon mensch maar hij kon ook een -steen worden. Het Platonisme en Augustinisme verdwijnt uit de theologie. -Alles wordt willekeur. De theologie gaat onder in skepticisme. Al bleef -in de scholen ook meest het realisme heerschen: het had toch geen -scheppende kracht meer, de vorm werd stijver, de taal barbaarscher, de -methode spitsvondiger; subtiliteit verving grondigheid, ostentatie -kwam in de plaats van wetenschappelijken ernst, dogmatiek ontaardde -in een eindeloos dispuut. Daarbij kreeg het nominalisme van Occam -aanhangers, Adam Goddam, Armand de Beauvoir, Robert Holkot, van wien -het gezegde herkomstig zou zijn, dat iets in de theologie waar en in -de philosophie valsch kan zijn, Joh. Buridan, Petrus van Alliaco en -Gabriël Biel † 1495, den laatsten scholasticus. Litteratuur over de -Scholastiek: Alsted, Theol. schol. didact. 1608 p. 4-8. Voetius, Disp. -I 12-29. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der Philos. Band II. 6e Aufl. -1881. Windelband, Gesch. der Philos. 1892 S. 207-274. Ritter, Gesch. -der Philos. Bd. VII-VIII. Erdman, Grundriss der Gesch. der Philos. I -240 f. Bach, Dogm. gesch. des M. A. 2 Bde., Wien, 1873, ’75. Schwane, -Dogm. gesch. der mittl. Zeit. 1882. Harnack, Dogm. gesch. III 312 f., -en andere dogmenhistor. werken van Hagenbach, Thomasius, Seeberg, -Nitzsch enz. Prantl., Gesch. der Logik. Bd. II-IV. H. Siebeck, Gesch. -der Psychol. 2e Abth. 1884. Reuter, Gesch. der relig. Aufklärung im M. -A. 2 Bde., Berlin, 1875-77. Werner, Die Schol. des späteren M. A. 3 -Bde., Wien, 1881. Stöckl, Gesch. der Philos. des M. A., 3 Bde., Mainz, -1864-66. Hauréau, Histoire de la philos. schol. 2e ed., Paris, 1872, -’80. Rousselot, Etudes sur la philos. du moyen-âge., Paris, 1840-42. -Pierson, Gesch. van het R. Kath. 3e deel. Id. De Nomin. et real. 1855. -Nitzsch, art. Schol. Theol. in Herzog². H. v. Eicken, Gesch. der -mittelalt. Weltanschauung, Stuttgart, 1888. W. Kaulich, Gesch. der -Schol. Philos. Prag, 1863. J. H. Löwe, Der Kampf zwischen Nom. u. Real. -im M. A., sein Ursprung und sein Verlauf, Prag, 1876. M. Maywald, Die -Lehre von der doppelten Wahrheit, Berlin, 1871, enz. - -13. Een bijzondere vorm van de scholastiek was de mystiek, die -vroeger wel als der scholastiek vijandig werd beschouwd maar thans -beter in haar aard en karakter wordt verstaan. De mystici hebben de -scholastieke theologie nooit bestreden; mannen als Hugo en Richard van -St. Victor hebben in hun traktaten verschillende deelen der theologie -naar dezelfde methode behandeld als Lombardus, en omgekeerd hebben -scholastici zooals Halesius, Albertus, Thomas, Bonaventura ook vele -mystieke geschriften nagelaten. De mystiek wordt zelfs in de schol. -theol. opgenomen, Thomas S. Th. II, 2 qu. 179 sq. Van een strijd en -antagonisme is er dus geen sprake. Daarbij komt, dat kerk en theologie -ten allen tijde tusschen ware en valsche mystiek hebben onderscheiden; -het Neoplatonisme, het Gnosticisme, Erigena, Almarich, Eckhart, -Molinos, Böhme, enz. zijn steeds veroordeeld, maar de geschriften van -pseudo-Dionysius, Albertus, Bonaventura, enz. zijn altijd geprezen en -goedgekeurd door de Roomsche kerk. Er moet dus onderscheid zijn tusschen -de orthodoxe en de pantheïstische mystiek. De eerste nu stond niet -vijandig tegenover de scholastiek. Maar ze was er wel van onderscheiden. -Ten eerste in methode: de scholastiek volgde de analytische methode -van Aristoteles en trachtte door redeneering uit de eindige dingen -tot God op te klimmen; de mystiek volgde de synthetische methode -van Plato en trachtte uit de hoogere aanschouwing, die de ziel door -de genade bereikte, inzicht te krijgen in de waarheden des geloofs. -In oorsprong: de scholastiek ontstond vooral door het bekend worden -der geschriften van Aristoteles, en had tot object de sententiae van -Lombardus, de mystiek ontstond vooral door het bekend worden der -werken van pseudo-Dionysius, die in ’t Westen ingang vonden door de -vertaling van Erigena. In wezen: de scholastiek is de poging, om -met behulp van de philosophie wetenschappelijke kennis te verkrijgen -van de geopenbaarde waarheid; de mystische theologie had tot object -de mystieke gemeenschap met God, die aan enkele bevoorrechten door -bijzondere genade geschonken werd, en beschreef nu hoe en langs welken -weg de ziel daartoe geraken kon en welk licht van daaruit, van uit -die gemeenschap met God, verspreid kon worden over de waarheden des -geloofs. De mystiek in dezen zin had ten allen tijde in de christelijke -kerk hare vertegenwoordigers, en komt in meerdere of mindere mate bij -alle kerkvaders voor; ze hangt ten nauwste samen met het monnikideaal; -ze gaat uit van de onderstelling dat er niet alleen eene kennis van God -is door ’t verstand, maar ook eene ervaring, bevinding, gemeenschap -Gods is door het gemoed. Ze sloot in de Middeleeuwen zich vooral aan -bij Augustinus, die het eerst de diepte van het zieleleven had gepeild -en in onnavolgbare taal had weergegeven, en bij pseudo-Dionysius, -die de trappen en mijlpalen had aangewezen langs welke de ziel uit -de eindigheid tot den oneindigen God opklimmen kon. Door practische -oefeningen, zooals askese, reiniging, zelfpijniging, wereldvlucht, -enz. of ook door theoretische bespiegeling, zooals auditio, lectio, -oratio, cogitatio, consideratio, meditatio, kan de ziel hier op aarde -reeds komen tot een toestand van aanschouwen of genieten van God. Zoo -wordt de mystiek opgevat en beschreven in verschillende werken van -Bernard van Clairvaux, Hugo en Richard van St. Victor, Bonaventura, -Thomas, Gerson en Thomas à Kempis. Maar het lag voor de hand, dat -de mystiek, alzoo den nadruk leggende op de contemplatie, de kennis -ging geringschatten; in de genieting des harten ging de helderheid -des bewustzijns, de waarde der kennis te loor; ze kwam onder invloed -menigmaal van ’t neoplatonisme en kreeg bijv. bij Eckhart † 1327 e. a. -een pantheïstischen trek, W. Preger, Gesch. der deutschen Mystik im -M. A., 2 Bde. Leipzig 1875-81. Görres, Die christ. Mystik, 2e Aufl. 5 -Bde. Regensburg 1880. Harnack, D. G. III 314 f. 374 f. Art. Myst. in -Herzog². De dogmengesch. en philos. werken, boven bij de schol. genoemd, -benevens de monographieën over Tauler, Eckhart, enz. Kleutgen, Theol. -der Vorzeit IV 49 f. Verdere litter. bij Kihn, Encycl. u. Methodol. der -Theol. 1892. S. 453 f. - -14. Het ontbrak echter in de Middeleeuwen niet aan protesten tegen de -richting, waarin kerk en theologie zich ontwikkelden. Verschillende -secten traden er op, Katharen, Albigenzen, de volgelingen van Amalrik -van Bena, David van Dinant, Ortlieb, de secte des vrijen geestes enz. -en vernieuwden de oude manicheesche en gnostische dwalingen, Reuter, -Gesch. der relig. Aufklärung im M. A. Berlin 1875-’77. L. Flathe, -Gesch. der Ketzer im M. A. 3 Bde. Stuttgart 1845. Kurtz, Lehrb. der -Kirch. gesch. § 108. Döllinger, Beiträge zur Sektengesch. des M. A. 2 -Th. München, Beck, 1890. De Waldenzen kwamen met Rome in conflict door -hun leer van de vrijheid der prediking, Comba, art. in Herzog², Haupt, -Waldenzerthum und Inquisition im südöstl. Deutschl. Freiburg, Mohr, -1890. In vele kringen was er een terugkeer tot Augustinus en Paulus. -Bradwardina † 1349 trad in een geschrift de causa Dei contra Pelagium -op als een moedig verdediger van de genade Gods, Lechler, De Th. -Bradwardina commentatio, Lips. 1863 en art. in Herzog². Wiclif † 1384 -was van hem afhankelijk gelijk Hus † 1451 op zijn beurt weder van Wiclif. -Wiclifs werken worden sedert 1882 uitgegeven door de Wiclif Society te -Londen. Zijne leer wordt het best gekend uit zijne Summa in 12 boeken, -verkort en systematisch samengevat in zijn Trialogus, uitgeg. door -Lechler, uit zijne verhandeling de Christo et suo adversario Antichristo -uitgeg. door Buddensieg, en uit zijn tractaat de ecclesia uitgeg. door -Loserth. Dat Hus geheel van Wiclif afhankelijk is, is aangetoond door -Loserth, Hus und Wiclif, Prag. u. Leipz. 1884. Zelfs binnen de kerk -stonden velen op, die een reformatie in capite et membris verlangden. -Petrus d’ Ailly † 1425, Gerson † 1429, Nic. van Clémanges † 1414, -Nicolaus Cusanus † 1464 e. a. verdedigden het episcopale stelsel; en de -reformatorische concilien van Pisa 1409, Constanz 1414 en Bazel 1431 -spraken zich uit in dien geest. Het concilie te Constanz in de 4e en 5e -zitting verklaarde, dat een oecumenisch concilie zijn gezag onmiddellijk -van Christus had en dat de paus ook daaraan onderworpen was. Maar -al deze reformatiën hadden weinig succes. Ze waren kritiek van ’t -bestaande van uit eenzelfde beginsel, Harnack D. G. III 408 f. 570 f. -En toen in de 16e eeuw de Protest. reformatie opkwam, nam de Roomsche -kerk ook weldra tegen haar positie. Vóór het concilie te Trente waren -de voornaamste theologen Cajetanus † 1534, Dr. Eck † 1543, Cochlaeus -† 1552, Sadoletus † 1547 e. a. Ze onderscheiden zich nog daardoor, -dat ze vrijmoedig de gebreken der kerk erkennen. Hun geschriften zijn -meest polemisch tegen de Hervormers. ’t Merkwaardigst is Dr. Eck’s -Enchiridion locorum omnium adv. Lutherum et alios hostes ecclesiae -1525, dat tot 1576 toe 46 maal werd herdrukt, Hugo Lämmer, Die -vortrident. kath. Theol. des Reformationszeitalters, Berlin 1858. De -theologie was, vooral door den spot der Humanisten, in discrediet; op -de Middeleeuwen zag men terug als een tijd van gothische barbaarschheid; -en ook de vromen verlangden meer eenvoud en waarheid, meer practisch -Christendom. Er behoorde voor de Roomsche theologen eenige moed toe -en er was ook eenige tijd voor noodig, om tot bezinning te komen en -den draad der scholastiek weer op te vatten. Het concilie te Trente -nam wel verschillende besluiten ter reformatie, maar koos zoo sterk -mogelijk tegen de Prot. reformatie partij. De dogmata, waarover met de -reformatie geschil was, zooals de leer van de traditie, de zonde, den -vrijen wil, de rechtvaardiging, de sacramenten, werden kras en duidelijk, -in roomschen zin, geformuleerd; maar de onderlinge verschillen liet men -rusten. De kwestie van paus en concilie, van Thomisme en Scotisme enz. -werd niet besproken of zoo omzichtig mogelijk behandeld, Harnack, D. G. -III 588 f. Herzog² 16, 4 f. en de daar aangeh. litt. Bij gelegenheid, -dat men te Trente beraadslaagde over het houden van voorlezingen -over de H. Schrift in alle kloosters, stelde een Benedictijnerabt -voor, om een verbod der scholastiek daaraan toe te voegen. Maar de -Dominikaan Soto nam het woord, weerlegde de bezwaren, prees het nut der -scholastiek en vond algemeen instemming, Kleutgen, Theol. d. Vorzeit IV -80. Langzamerhand werd de scholastiek in hare eere hersteld, maar met -wijziging. Melchior Canus † 1560 wijdt in zijn werk de locis theologicis -een geheel boek aan de verdediging der scholastiek, lib. VIII: de -auctoritate scholasticorum doctorum en geeft toe dat vele scholastici -aan verschillende fouten zich hebben schuldig gemaakt; hij keurt die -gebreken af maar verdedigt beslist de scholastische methode. Ze werd -vereenvoudigd en van overdrijving ontdaan, maar overigens behouden. -Eene tweede verandering bestond hierin, dat Lombardus meer en meer -voor Thomas plaats maakt. In de Middeleeuwen waren de Sententiae van -Lombardus het dogmatisch handboek geweest; en ook na de hervorming -schreven Soto † 1560, Maldonatus † 1583, Estius † 1608 en anderen -nog commentaren op dat werk. Maar de beroemde Cajetanus leverde een -commentaar op de Summa van Thomas. En Franziscus Vittoria † 1566, -Hiëronymus Perez † 1556, Barth. van Torres † 1558 e. a. volgden zijn -voorbeeld. Tegen het einde der 16e eeuw was Lombardus in de meeste -scholen door Thomas vervangen; deze was zuiverder, uitgebreider, -methodischer, en drong dieper in de dogmata door dan Lombardus. -Voorts was ook dit nog een onderscheid tusschen de oude en de nieuwe -scholastiek, dat de laatste veel nauwer met de positieve theologie -zich verbond. In de Middeleeuwen werd de positieve dogmatiek, d. -i. het bewijs voor de waarheid uit Schrift en traditie, bijna geheel -verwaarloosd; maar nu werd deze in de dogmatiek opgenomen en met groote -geleerdheid bewerkt. Canus schreef een eigen werk over de bewijsbronnen, -die hij loci theologici noemt; door alle neo-scholastici Greg. van -Valentia, Suarez, Bannez, Diego Ruyz, enz. wordt de studie van Schrift -en traditie ijverig beoefend. Exegese, kerkhistorie, patristiek, -archaeologie, enz. worden eigene, zelfstandige wetenschappen. Theologie -is nog iets anders en meer dan dogmatiek. En omdat eindelijk de nieuwe -scholastici niet die rust genoten als de theologen in de Middeleeuwen, -maar van alle zijden werden aangevallen en op alle punten de Roomsche -leer hadden te verdedigen, bleef er voor de subtiele kwesties en de -spitsvondige onderscheidingen geen plaats en geen tijd meer; vorm, -methode, taal, uitdrukking werd eenvoudiger; de werken van Canisius, -Canus, Petavius, Bellarminus, enz. zijn geschreven in zuiver latijn, en -in een aangenamen stijl, en zijn in dit opzicht gunstig onderscheiden -van de werken der Middeleeuwsche theologen. Maar wat ook veranderd -en verbeterd werd, de geest bleef dezelfde. Rome heeft zichzelf niet -verloochend en ook door de reformatie niets geleerd. Zelfs is het -eigenlijke karakter der Roomsche leer na en door de reformatie nog -duidelijker aan het licht getreden. Het Pelagianisme en het Curialisme -hebben na het concilie van Trente zich verder ontwikkeld en hebben -eene volledige overwinning behaald. Vergelijk voor de geschiedenis der -Roomsche theologie na Trente: Walch, Bibl. theol. sel. I 148 sq. Pfaff, -Introductio in Hist. theol. liter. 1724 p. 194 sq. 206 sq. M. Brühl, -Gesch. der kath. Liter. Deutschl. vom 17 Jahrh. 2e Aufl. Wien 1861. -H. Hurter, Nomenclator literarius recentioris theol. cathol. 4 vol. -Innsbr. 1871-’83. Karl Werner, Gesch. der apol. u. polem. Lit. der -christl. Theol. 5 Bde. Schaffh. 1861-67. Id. Gesch. der kath. Theol. -Deutschl. seit dem Trienter Concil bis zur Gegenwart, München, 1866, -2e Aufl. 1889. Id. Der heilige Thomas von Aquino, 3 Bde. Regensburg -1858-59. Bd. I Leben und Schriften. Bd. II Lehre. Bd. III Geschichte -des Thomismus. Id. Franz Suarez und die Schol. der letzten Jahrh. 2 -Bde. Regensburg 1861, 62. Schwane, Dogmengesch. der neueren Zeit, -Freiburg 1890 S. 16 f. A. Stöckl, Gesch. der Philos. des M. A. III 1866 -S. 628 f. Herzog² 15, 589 f. Harnack, D. G. III 617 f. - -15. De neo-scholastische theologie kwam op in Spanje en werd daar -vooral beoefend aan de hoogescholen van Salamanca, Alcala (Complutum) -en Coimbra. Franz de Vittoria 1480-1566, geboortig uit Vittoria in -Cantabrië, behoorde tot de Dominikanen en werd van wege zijne orde naar -Parijs gezonden om zich toe te leggen op de theologie. Daar bestudeerde -hij vooral Thomas. In Spanje teruggekeerd, werd hij hoogleeraar te -Salamanca en verbreidde daar de leer van Aquinas, op wiens Summa -hij ook een commentaar schreef. Onder zijne leerlingen behoorden de -beroemdste theologen van Spanje, Melchior Canus † 1560, Loci theolog. -1563; Dominicus Soto † 1560, Comm. in 4{m} librum Sent. 1557-60 en -de natura et gratia libri III 1547 tegen den Scotist Catharinus; -Barthol. Medina, Expositio in I 2 Thomae 1576. De thomistische -theologie werd vooral beoefend door de orde der Dominikanen, tot wie -behalve de bovengenoemden ook behoorden: Petrus de Soto, prof. te -Dillingen † 1563, Institutiones christ. 1548, Methodus confessionis -1553, Compendium doctrinae cathol. 1556, Defensio cathol. confessionis -1557 tegen Brenz; Dom. Bannez, Comm. in I Thomae, 2 tomi 1584, ’88; -Didacus Alvarez, de auxiliis gratiae div. et humani arbitrii viribus -et libertate etc. Lugd. 1611, de incarn. verbi div. Lugd. 1614; -Vincentius Contenson, Theologia mentis et cordis, 2 tom. Colon. 1687; -J. Baptista Gonetus † 1681, Clypeus theol. thomist. 1659-69, diss. -theol. de probabilitate casuistarum; Natalis Alexander, Theol. dogm. -et mor. sec. ordinem catech. Conc. Trid. Paris 1703; Billuart † 1757, -Summa S. Thomae hodiernis academiarum moribus accommodata, 19 tom. -Leodii 1747-59, nieuwe uitgave bij Palmé te Parijs in 8 vol.; en verder -nog Fr. de Sylvestris, Joh. Viguerius, Joh. Gonsalez, Martin Ledesma, -Joh. Vincentius, Balt. Navarretus, Raphael Ripa, Franz en Dominicus -Perez, Gazzaniga † 1799, Praelect. theol. Bononiae 1790 e. a. Bij de -Dominikanen sluiten zich de Karmelieten aan, van wie vooral beroemd is -Salmanticensis collegii Carmelitarum discalceatorum cursus theol. in D. -Thomam, 10 vol. Lugd. 1679 sq. Maar ook de scotistische theologie vond -in den nieuwen tijd nog aanhang en verdediging, bij Ambrosius Catharinus -† 1553, Fr. Lychetus, Comm. in I II III librum Sent. Scoti, Venet. -1589; Frassenius † 1711, Scotus Academicus, 4 tom. Paris 1662-77; -Dupasquier † 1718, Summa theol. scotisticae; Barth. Durandus, Clypeus -Scoticae doctrinae; Thomas van Charmes, Theol. universa; en voorts bij -Brancatus, Mastrius, Faber † 1630, Bonaventura Bellutus † 1676, Lukas -Wadding † 1657, uitgever van Scotus’ werken te Lyon 1639 v. e. a. De -Franciscaner de Rada, bisschop van Trani, † 1608 gaf in zijn boven reeds -aangehaald werk een overzicht van de controversen tusschen de Thomisten -en de Scotisten. - -De scholastische theologie werd echter vooral beoefend door de -Jezuïten, die meer dan eenige andere orde tot haar herleving en bloei -hebben bijgedragen. Methodisch en met buitengewoon talent namen zij de -contrareformatie ter hand. Als polemici tegen de leer der Protestanten -traden onder hen op Possevinus † 1611; Bellarminus † 1621, Disput. de -controv. christ. fidei adv. hujus temporis haereticos, Ingolstadt 1581. -Gretser, Opera omnia in 17 tomi, Regensburg 1734 sq. Becanus, Manuale -controversiarum. De beroemdste theologen uit de orde der Jezuïten -zijn Petrus Canisius † 1597, Summa doctrinae et institutionis christ. -1554, in 130 jaar 400 maal uitgegeven, en een kleiner catechismus: -Institutiones christ. pietatis 1566. Franc. Toletus † 1596, In Summam -S. Thomae tom. 4, opnieuw uitgeg. te Rome 1869, Joh. Maldonatus, -leerling van Toletus en Soto te Salamanca † 1583, beroemd exegeet, en -schrijver van vele dogm. tractaten, de sacramentis, de libero arbitrio, -de gratia etc. Leonh. Lessius prof. te Leuven † 1623, Disput. de -gratia, decretis divinis, libertate arbitrii et praescientia Dei -conditionata Antw. 1610. De perfectionibus divinis libri 14, Antw. -1620. Theologia 1651 etc. Lud. Molina prof. te Evora, later te Madrid -† 1600, Liberi arbitrii cum gratiae donis, divina praescientia, provid. -praedest. et reprob. concordia 1588, de justitia et jure, en commentaar -op het eerste deel van Thomas. Greg. de Valentia prof. te Dillingen, -Ingolstadt, Rome † 1603, Analysis fidei cathol. 1585. Theol. Comment. -in Summam S. Thomae Tomi IV 1602. Mart. Becanus, prof. te Mainz † 1624. -Manuale controv. en Theol. scholastica, 3 partes 1612-’22. Roderich -Arriaga, prof. in Valladolid, Salamanca, Praag † 1667, Disputationes -theol. 8 tomi 1643 sq. Franz. Suarez † 1617, Commentaria et -disputationes in Thomam, tomi V, en vele tractaten de gratia etc.; een -kort excerpt uit zijne theologie is Theologiae R. P. Fr. Suarez S. J., -Summa seu Compendium auctore T. Noel S. J. Tomi II Paris, Migne 1858. -Gabr. Vasquez † 1604, Comm. in Summam S. Thomae, Ingolstadt 7 vol. 1609 -sq.; Didacus Ruyz de Montoya † 1632, Comment. op verschillende loci van -Thomas, Theol. scholastica 1630. Clavis Theol. 1634; Antoine, Theologia -universa speculativa et dogmatica, Paris 1713; Dion. Petavius † 1652, -De theol. dogmatibus, 5 tomi, onvoltooid Paris 1644; en verder nog -Melch. de Castro, Lusitanus, Zunniga, Tannez, Hurtado, Ripalda † 1648, -Mendoza, Lugo † 1660, Arriago, Gotti † 1742, Zaccaria † 1795 e. a. -Afzonderlijke vermelding verdient nog de door de Würzburger professoren -S. J. geschreven Theologia Wirceburgensis, dogm. polem. schol. et mor. -14 vol. Wirceb. 1766-1771, nieuwe uitg. in 10 vol. Paris 1880. - -De Jezuiten volgden over het algemeen Thomas, maar weken tengevolge van -hun pelagianisme in de leer van de zonde, den vrijen wil en de genade -van hem af. Dit werd oorzaak van een langdurigen strijd. Hij begon met -Bajus, prof. te Leuven † 1589, die de leer van Augustinus over de zonde -en de onvrijheid van wil voordroeg en ook de onbevlekte ontvangenis -van Maria verwierp. Reeds in 1560 werden verschillende theses van -Bajus door de Sorbonne verworpen, en Paus Pius V veroordeelde 79 -stellingen van Bajus in de bul Ex omnibus afflictionibus 1567. Bajus -herriep. Maar daarmede was de strijd niet uit. Hij ontbrandde opnieuw -in 1588 door het werk van Molina, Liberi arbitrii cum gratiae donis -... concordia. De Thomisten, meest Dominikanen, vielen dit werk aan, -vooral bij monde van een hunner beroemdste vertegenwoordigers Bannez -† 1604, die eene physische praedeterminatie leerde. Thomisten, (Bannez, -Sylvester, Alvarez, Lesmos, Reginaldi, enz.), resp. Augustinianen -(Noris † 1704, Laur. Berti † 1766, Bertieri) en Jezuiten, Molinisten -of Congruisten (Bellarminus) stonden jaren lang tegenover elkaar. Eene -menigte strijdschriften over zonde, vrijen wil, genade zagen het licht, -Walch, Bibl. theol. sel. I 179 sq. De commissie, in Rome benoemd, -werd 1607 ontbonden zonder eene beslissing te nemen; en de paus -zeide dat hij later uitspraak zou doen en dat zoolang de eene partij -de andere niet verketteren mocht. In 1640, toen het werk Augustinus -van Cornelius Jansen, bisschop van IJperen verscheen, werd opnieuw de -vonk in ’t kruit geworpen. De strijd duurde tot in de 18e eeuw voort. -De mannen van Port Royal stonden aan de zijde van Jansenius, Arnauld -† 1694, Pascal † 1662, Nicole † 1695, Sacy † 1684, Tillemont † 1698, -Quesnell † 1719. Maar geleerdheid en welsprekendheid mochten niet -baten. In verschillende bullen 1653, 1656, 1664, 1705 en 1713 werd het -Jansenisme, en daarin Augustinus, en zelfs Paulus veroordeeld, en later -werd de bul Unigenitus van 1713 nog meermalen bevestigd. En evenals in -dogmaticis het Pelagianisme zegevierde, zoo behaalde in ethicis het -Probabilisme en in ecclesiasticis het Curialisme of Papale stelsel de -zegepraal. - -16. Maar in het begin der 17e eeuw was de bloeitijd der neoscholastiek -voorbij. In heel Europa kwam de rationalistische geest op. De -philosophie van Bacon en Cartesius verdrong die van Aristoteles. -Zelfs theologen, die de scholastieke dogmata aannamen, meenden, dat -er een andere methode noodig was; zooals Bossuet † 1704, de beroemde -verdediger van het gallikaansche stelsel en bestrijder der Protestanten, -Exposition de la doctrine de l’église cath. sur les matières de -controverse 1671, Histoire des variations des églises protest. 2 vol. -Paris, 1688. Fénélon † 1715, Thomassinus † 1695, Dogmata theol. De -historische en critische studiën, die vooral in Frankrijk beoefend -werden, drongen de eigenlijke theologie terug. Vele geleerde Maurinen -en Oratorianen vervielen zelfs tot ongeloof. In de scholen bleef nog -wel lang tot diep in de 18e eeuw de scholastiek heerschen. Ook bleven -de verschillende richtingen van Thomisten, b.v. Peri, Quaest. theol. 5 -vol. 1719-32, Scotisten, b.v. Krisper, Theol. scolae scotisticae, 4 -Tom. 1728-48, Molinisten, b.v. Anton Erber, Theol. specul. tractatus -octo 1787, en Augustianen, b.v. Amort, Theol. eclectica moralis et -scholastica, 23 tomi, Augsburg, 1752 sq. naast elkaar voortduren. -Maar de scholastiek trok zich toch meer en meer in de scholen terug. -Andere deïstische, naturalistische partijen komen op, krijgen het hoogste -woord en oefenen invloed op de Roomsche theologie. De scholastieke -philosophie werd in Frankrijk door Cartesius, in Duitschland door -Leibniz-Wolff terzijde gesteld. In Oostenrijk werd 1752 de peripatetische -leer verboden en 1759 de leiding der theol. en philos. studiën aan de -Jezuïten ontnomen. De orde werd 1773 door Clemens XIV opgeheven. Het -Gallikaansche stelsel werd in 1763 door Nic. van Hontheim, wijbisschop -van Trier in een werk de statu ecclesiae et legitima potestate Romani -Pontificis verdedigd en door Jozef II in 1781 als kerkrecht ingevoerd. -De confessioneele verschillen werden vergeten; in plaats van den strijd -tegen de Protestanten komt die tegen vrijdenkers, ongeloovigen enz. bij -Klüpfel, Fahrman, Stattler, Storchenau, Burkhauser. De theologie komt -geheel onder invloed der wisselende philosophie. De Aufklärung had -haar vertegenwoordiger in Ad. Weishaupt, prof. te Ingolstad, stichter -van de orde der Illuminaten. Kant’s invloed is merkbaar bij Ildefons -Schwarz, Peutinger, Zimmer. Jacobi’s philosophie vond aanhang bij J. -Salat en Cajetan Weiller. Thanner stond onder invloed van Schelling. De -voornaamste theoloog, die in de 18e eeuw tegen alle dwalingen pal bleef -staan, was Alphonsus van Liguori † 1787, door Pius IX in 1871 opgenomen -onder de doctores ecclesiae. - -17. Ook in deze 19e eeuw bleef aanvankelijk het rationalisme nog in -vele Roomsche kringen heerschen. Er was in Duitschland eene groote -partij, die de inrichting en leer der Roomsche kerk in overeenstemming -wilde brengen met de eischen van den nieuweren tijd, Dalberg † 1817, -Wessenberg † 1860, Werkmeister e. a., Hermes, prof. te Bonn † 1831, -Einleitung in die Christkath. Theologie 1819, ’29, Christkath. Dogm. -1834, ’36 trachtte de openbaring, de autoriteit op redelijke gronden te -doen rusten, en gaf aan de rede bij de beoordeeling van wat openbaring -is dezelfde rechten, als de Wolffsche philosophie gedaan had. Eerst -had Hermes vele aanhangers, Achterfeldt, die zijne dogmatiek uitgaf, -Braun, von Droste-Hülfshof, prof. in de rechten te Bonn, Spiegel, -aartsbisschop van Keulen; maar toen paus Gregorius XVI 26 Sept. 1835 -het Hermesianisme veroordeeld had, daalde zijn invloed. Anton Günther -† 1863 in Weenen, Vorschule zur specul. Theol. 1828. Peregrius Gastmahl -1830 u. s. w. sloot zich bij Hegel’s stelling aan, dat philosophie en -speculatieve theologie eigenlijk één zijn. Er is geen tweeërlei waarheid -en zekerheid. Maar gelooven is de aanvang en onderstelling van alle -weten, en alle geloof, ook aan de openbaring, kan in weten overgaan en -tot evidentie worden verheven. Ook Günther had vele aanhangers, Pabst, -Merten, Veith, Gaugauf, Baltzer, Knoodt; maar hij werd 1857 veroordeeld. -Franz von Baader † 1841, Vorlesungen über specul. Dogmatik, Sämmtliche -schriften, Leipzig 1850-57 in 15 deelen, onder invloed van Böhme en -Schelling, zocht heil niet in terugkeer, maar in nieuwe ontwikkeling -van het oude, in vernieuwing der dogmata, en wilde langs theosophischen -weg het gelooven tot weten verheffen. Zijne aanhangers waren Schaden, -Lutterbek, Hoffmann, Hamberger, Sengler, Schlüter, maar Baader werd -wegens zijn bestrijding van het primaat gecensureerd. J. Frohschammer, -Einleitung in die Philosophie und Grundriss der Metaphysik 1858 -enz. verwierp de scholastieke en de idealistische philosophie, -en trachtte de metaphysica, de theologie op te bouwen niet op de -abstracte rede maar op het concreete, algemeene, historische feit van -het Godsbewustzijn in de menschheid. Theologie en philosophie vallen -dus voor hem in inhoud samen; ze verschillen alleen in methode; ’t -natuurlijke en ’t bovennatuurlijke zijn niet streng te scheiden. Pius -IX veroordeelde deze philosophie in een brief aan den aartsbisschop -te München 11 Dec. 1862. Zijne werken werden op den index geplaatst, -hijzelf in 1863 gesuspendeerd. Frohschammer onderwierp zich echter niet -en bleef in tal van geschriften voor de vrijheid der wetenschap en -tegen de aanspraken van den paus strijden. Zoo werd door Rome eenerzijds -de onafhankelijkheid der wetenschap bestreden, maar andererzijds toch -ook weer in haar betrekkelijke vrijheid erkend. Na de revolutie kwam -in Frankrijk het traditionalisme op, nl. de leer, dat de hoogere -metaphysische waarheden niet door de rede te vinden zijn, maar alleen -verkregen worden uit de openbaring, die van den eersten mensch af in de -menschheid door traditie is voortgeplant en in de taal wordt bewaard. -Deze theorie werd met talent verdedigd door de Bonald, Recherches -philos. sur les premiers objets des connaissances morales, Paris 1817, -Lamennais, Essai sur l’indifférence en matière de religion, Paris 1817, -en Bautain, de l’enseignement de la philos. en France au 19e siècle, -1833, Philos. du Christianisme, 1835. Maar ze kon te Rome geen genade -vinden. Bautain onderteekende in 1840 zes theses, die hem werden -voorgelegd, en herriep zijne leer. En evenzoo werd het ontologisme van -Gerdil † 1802, Gioberti † 1852, Rosmini † 1855, Gratry † 1872, Ubaghs -e. a. verworpen, dat naar het idealisme van Malebranche terugging en -alle hoogere waarheid afleidde uit de onmiddellijke aanschouwing Gods en -der ideeën. - -Al deze veroordeelingen bewijzen, dat Rome na het rationalisme der -vorige eeuw hoe langer hoe meer zichzelf bewust werd en tot ontwaking -kwam. Er is na de revolutie ook eene herleving van de Roomsche kerk en -theologie geweest. Het romantisme kwam aan Rome ten goede en maakte -vele bekeerlingen, Winckelmann, Stolberg, Schlegel, Ad. Müller, Z. -Werner, Schlosser, Haller enz. In Frankrijk kwam er reactie tegen de -revolutie en het ongeloof door Chateaubriand, Génie du christianisme, -Joseph de Maistre, † 1821, Bonald, Lamennais. Het Puseyisme of -Tractarianisme, dat onder Pusey en Newman in 1833 te Oxford begon, -leidde velen tot de Roomsche kerk en versterkte de hoogkerkelijke, -ritualiseerende en romaniseerende richting in de episcop. kerk. De -geloovige theologie, die in Duitschland opkwam, sloot zich eerst in -menig punt bij Schleiermacher aan. Zijne leer van Schrift, wedergeboorte, -rechtvaardiging, kerk bevatte vele elementen, die de Roomschen ten -hunnen voordeele konden aanwenden. En dat geschiedde dan ook met talent -en ijver door Görres, Baader, Phillips, Döllinger in München; Klee in -Bonn; Möhler, Hirscher, Drey in München en Tübingen; Staudenmaier en -Kuhn in Giessen enz. De mannen van deze richting waren nog wel niet -geheel en al naar het hart van Rome en het Jezuïtisme; ze streefden -allen nog naar bemiddeling, ze zochten eene verzoening van gelooven en -weten, zij trachtten door de speculatieve methode de dogmata te bewijzen -en waren al te liberaal tegenover de Protestanten en deden nu en dan -belangrijke concessies. Maar ze hadden uitnemende woordvoerders, en -droegen veel bij tot herleving van de Roomsche theologie. - -Maar toch, op den duur voldeed deze verzoenende en bemiddelende -richting niet. Langzamerhand kwam de neo-scholastieke richting op. In -1814 werd de Jezuitenorde hersteld, en haar invloed op het Pausdom nam -hoe langer hoe meer toe; haar macht breidde zich in alle landen uit. De -„vrijheid der wetenschap” werd door haar met alle macht bestreden. Al -de bovengenoemde veroordeelingen liepen uit op de beroemde encycliek -van 8 Dec. 1864, en op het Vaticanum van 1870, waarin de onfeilbaarheid -van den Paus werd uitgesproken. Deze neo-scholastieke richting werd in -Italië vooral voorgestaan door den philosoof Sanseverino, Philosophia -christiana, 7 vol. ed. nov. Neap. 1878 en door den theoloog J. -Perrone, Praelectiones theologiae, 9 vol. 1838-43; in Duitschland -door J. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 5 Th. 2e Aufl., Münster 1867 en -Philos. der Vorzeit, 2 Th., Innsbr. 1878 en A. Stöckl in verschillende -philosophische werken. De tegenwoordige Paus zette 4 Aug. 1879 daarop -het zegel, door in zijne encycliek Aeterni Patris de studie van Thomas -aan te bevelen. En sedert is er een machtig en algemeen streven, om -de autoriteit van Thomas op elk gebied van wetenschap te herstellen. -Staats-en rechtsleer, psychologie en ethiek, theologie en philosophie -worden in zijn geest bestudeerd. In dienzelfden geest werd de dogmatiek -behandeld door Franzelin, Scheeben, Heinrich, Bautz, enz.; hier te -lande door G. M. Jansen, prof. te Rijsenburg, Praelect. theol. fundam. -Ultraj. 1875-76, Theol. dogm. spec. 1877-79. Zie verdere litter. bij -Kihn, Enc. u. Meth. der Theol., Freiburg 1892 S. 412 f. - - -D. De Dogmatiek in de Luthersche Kerk. - -18. Voor de geschiedenis der Luthersche dogmatiek kunnen als -hulpbronnen dienst doen: Walch, Bibl. theol. selecta I 35 sq. Pfaff, -Introductio in historiam theol. litterariam 1724 p. 204 sq. G. Frank, -Gesch. der prot. Theol., 3 Theile 1862-75. Dorner, Gesch. d. prot. Th. -1867. Gass, Gesch. der prot. Dogm., 4 Theile 1854-67. Tholuck, Das -kirchl. Leben im 17 Jahrh. 1861-2. Id. Das akad. Leben des 17 Jahrh. -1853-4, samen vormend die Vorgesch. des Ration. Id. Gesch. des Ration., -Ier Theil, 1865. Id. Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs im 17 -Jahrh. 1852. Kahnis, Der innere Gang des deutschen Protest., 2 Th., -Leipzig 1874. Ritschl, Gesch. des Pietismus, 3 Th. 1880-6. Harnack, -Dogmengesch. III 691 f. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss., Supplement -144 f. Luther was geen systematische natuur; eene dogmatiek liet hij -niet na. Des te meer was hij een oorspronkelijke, een scheppende geest. -Hij heeft het Christendom van Paulus en Augustinus opnieuw ontdekt, -het Evangelie weer als eene heerlijke boodschap der genade en der -vergeving verstaan, en de religie in de religie hersteld. Daardoor -is hij vruchtbaar geworden voor heel de theologie, en voor de gansche -dogmatiek, zelfs de oude dogmata zijn wel door hem opgenomen maar met -een nieuw religieus leven bezield, Th. Harnack, Luthers Theologie, -2 Th., Erlangen 1862-66. J. Köstlin, Luthers Theologie, 2e Ausg., -Stuttgart 1883. Lommatzsch, Luthers Lehre vom eth. relig. Standp., -Berlin 1879. Voordat de Luthersche reformatie eene confessie had, had -ze reeds een dogmatiek in Melanchton’s Loci 1521, opnieuw uitgegeven -door Augusti 1821, Plitt 1864, Bindseil in Corpus Reform. XXI p. 62. -Dit werk, ontstaan uit eene verklaring van den brief aan de Romeinen, -was practisch, eenvoudig, soteriologisch, zonder eenige scholastiek, -eigenlijk veel meer eene confessie dan eene dogmatiek. In dit werk vond -de Duitsche reformatie een tijd lang haar eenheid. Maar reeds in 1526 -kwam Melanchton eenigszins van de belijdenis der strenge praedestinatie -terug, en straks begon hij ook op andere punten, vooral in zake de -avondmaalsleer, van Luther af te wijken. Deze dissensus van Luther komt -het eerst duidelijk uit in de nieuwe uitgaven der Loci van 1535 en -1543, dan in de verandering der Augustana 1540 en 1542, en eindelijk in -het Leipziger Interim en den daardoor veroorzaakten adiaphoristischen -strijd. Nu kwamen er twee partijen tegenover elkander te staan. Aan de -eene zijde de aanhangers van Melanchton, de Philippisten, vooral aan de -akademiën te Wittenberg en Leipzig, zooals G. Major, Paul Eber, Joh. -Pfeffinger, Victor Strigel † 1569, wiens Loci Theologici ontstonden uit -voorlezingen over Melanchtons Loci en door Pezel in 4 deelen 1582-5 -werden uitgegeven, Christ. Pezel † 1604, schrijver van Argumenta et -objectiones de praecipuis articulis doctrinae christ., Neost. 1580-89, -Sohnius, Opera. Herb. 1609, e. a. Cf. H. Heppe, Dogm. des deutschen -Protest. im 16 Jahrh. 3 Bde. Gotha 1857. Aan de andere zijde stonden de -Gnesio-lutheranen, vooral in Weimar en Jena, zooals Nic. von Amsdorf -† 1565, Matth. Flacius † 1575, schrijver van de Solida Confutatio -et condemnatio praecipuarum sectarum en vele andere polemische -geschriften, Joh. Wigand † 1587, Joh. Marbach † 1581, Joachim Westphal -† 1574, die vooral Calvijns avondmaalsleer bestreed, Tileman Heshusius -† 1588 e. a. De velerlei dogmatische twisten, die in deze eerste -periode onder de Luthersche theologen opkwamen, over de wet met -Agricola, over de rechtvaardiging met Osiander, over de hellevaart van -Christus met Aepinus, over de obedientia activa met Parsimonius, over -de adiaphora, het synergisme en het kryptocalvinisme met Melanchton -c. s., over de goede werken met Major, over de erfzonde met Flacius, -leidden eindelijk tot en werden bijgelegd in de Formula Concordiae van -1580, Frank, Die Theologie der Konkordienformel, 2 Th., Erl. Deichert -1858-61. Ze was het werk vooral van Jakob Andreae † 1590 en van Mart. -Chemnitz † 1586, den voornaamsten Lutherschen theoloog in deze eeuw, -schrijver van het Examen Concilii Tridentini, 4 tomi 1565-73, opnieuw -uitgegeven door Preuss 1861, van een verhandeling de duabus naturis in -Christo, etc. 1571, vermeerderd 1578, en van Loci Theol., na zijn dood -door Leyser in 1592 uitgegeven. - -19. Toen alzoo het Luthersche dogma gereed was, werd het in de 17e -eeuw op scholastische wijze behandeld en ontwikkeld. Heerbrand † 1600, -Compendium theologiae 1573, belangrijk vermeerderd 1578, en Hafenreffer, -Loci Theologici certa methodo ac ratione in libros tres tributi 1603 -maakten daarmee reeds den aanvang. De scholastische behandeling wordt -dan voortgezet door Leonhard Hutter † 1616, Compendium locorum theol. -ex Scriptura sacra et libro Concordiae collectum 1610, Joh. Gerhard -† 1637, Loci Communes theologici, 9 tomi 1610-22, beste editie van -Cotta 1762-87, herdrukt Berlin-Leipzig 1864-75, en bereikt haar -hoogtepunt in Dannhauer † 1666, Hodosophia christiana, Hülsemann -† 1635 Breviarium theologiae 1640, Calovius † 1686 Systema loc. theol. -1655-77, Quenstedt † 1688 Theologia didact-polem. 1685, Hollaz † -1713 Examen theol. acroamaticum 1707, König † 1664 Theol. positiva -acroamatica 1664. De kracht dezer dogmatiek lag in hare objectieviteit. -De dogmata liggen gereed, het subject onderwerpt er zich aan zonder -kritiek; ze worden alleen exegetisch, dogmenhistorisch, polemisch, -scholastisch en practisch uitgewerkt en toegepast. Maar reeds in de 17e -eeuw kwam er reactie tegen deze methode. Het Philippisme was door de -Formula Concordiae niet overwonnen; het bleef zijn aanhangers houden, -vooral in Altdorf en Helmstadt. Georg Calixtus, hoogl. te Helmstadt † -1656, kwam door zijne studie van Aristoteles, door zijne kennismaking met -Roomsche en Geref. theologen en door zijn afkeer van de scholastische -orthodoxie tot eene gematigde, irenische theologie. In zijne werken de -praecipuis religionis christianae capitibus 1613, epitome theologiae -1619, de immortalitate animae et resurr. mort. 1627 kwam hij op voor -eene scherpere scheiding van philosophie en theologie, en ging hij tot -het oorspronkelijk Christendom der vier eerste eeuwen terug, om in het -gemeenschappelijke van alle christelijke confessies eene unie te zoeken -van Luth. Geref. en Roomschen. - -20. Calixtus vond met zijn syncretisme natuurlijk veel bestrijding. Maar -de eeuw der objectieviteit ging voorbij. In de 18e eeuw laat het subject -zich gelden; het herneemt zijn rechten en komt tegen de macht van het -objectieve in verzet. In het Piëtisme van 1700 tot 1730 wordt de -subjectieve vroomheid het uitgangspunt, en wordt het zwaartepunt uit -het object in het subject verlegd. Spener, de vader van het Piëtisme -1635-1705, oefende door zijn persoon en door zijne werken, o. a. Pia -desideria 1678, Allgemeine Gottesgelahrtheit aller gläubigen Christen -und rechtschaffenen Theologen 1680, Tabulae Catecheticae 1683, Theolog. -Bedenken 1712 enz. ontzachlijken invloed. In Halle waren de voornaamste -piëtisten Francke † 1727, Breithaupt † 1732 Instit. theol. 1695. -Freylinghausen † 1739 Grundlegung der Theologie 1703. Joachim Lange † -1744 Antibarbarus orthodoxiae 1709. Mosaisches Licht u. Recht, Rambach -† 1735, Der wohlinformirte Katechet 1722. In Wurtemberg verbond zich bij -Hedinger † 1704, Bengel † 1752, Oetinger † 1782 het Piëtisme met een -bijbelsch realisme en met apocalyptische verwachtingen. Natuurlijk trad -de orthodoxie bijv. bij monde van Löscher in Dresden † 1749 zeer vijandig -tegen dit Piëtisme op. Maar de tijd voor de orthodoxie was voorbij. In -de jaren 1730-60 sluit zij in Buddeus † 1729 Instit. theol. dogm. et -mor., Weismann † 1760, Crusius † 1775, J. G. Walch Einleitung in die -dogm. Gottesgelahrheit 1749 en zijn zoon Ch. W. F. Walch Breviarium -theol. dogm. 1775 met het Piëtisme een verbond en gaat over in eene -gemoedelijk-vrome richting, die op de practijk des geloofs nadruk legt, -afkeerig is van scholastieke spitsvondigheid, gematigd is in polemiek -en vooral aan geleerde historische onderzoekingen haar krachten wijdt. -Met het Piëtisme is het Herrnhuttisme verwant, dat eveneens eene -reaktie was van het gevoel tegen de verstandelijke orthodoxie. De vader -van von Zinzendorf was een Speneriaan. Maar terwijl het Piëtisme door -een Busskampf tot bekeering wil leiden, tracht het Herrnhuttisme dit -te bereiken door de prediking van den lieven Heiland. Het wil van -geen wet, maar alleen van Evangelie weten. De genade dringt hier de -natuur zoo geheel op zijde, dat Jezus zelfs den Vader vervangt, Jezus -is de Schepper, de Regeerder, de Vader, de Jehova des O. Test. En zijn -persoon en lijden werd door Zinzendorf, onder Roomschen invloed, zoo -pathologisch opgevat, dat de verwantschap van mystiek en zinnelijkheid, -vooral in den eersten romantischen tijd, 1743-1750, zeer duidelijk aan -het licht trad. Met het Piëtisme loopt evenwijdig het Rationalisme. -Beiden hebben, elk op eigene wijze, aan het gezag der orthodoxie -afbreuk gedaan, beide verleggen het zwaartepunt in het subject. Het -Rationalisme nu kwam op door de philosophie van Cartesius, Spinoza, -Leibniz † 1716 en Wolff † 1754. Zij maakten klaarheid, mathematische -klaarheid tot norm der waarheid. Carpovius, prof. in de mathesis -te Weimar, poogde in zijne Oeconomia salutis N. T. seu theologia -revelata, dogmatica methodo scientifica adornata 1737-65, de kerkleer -naar mathematische methode te demonstreeren. Canz, Reusch, Schubert, -Reinbeck, vooral S. J. Baumgarten Halle † 1757, Evangel. Glaubenslehre, -uitgeg. door Semler 1759-60 en J. L. von Mosheim te Göttingen † 1755 -behooren tot deze Wolffiaansche richting. In hoofdzaak waren deze -mannen nog orthodox, maar het religieus belang der waarheid wordt -niet meer gevoeld, de geloofsleer wordt een object van historische -geleerdheid en verstandelijke demonstratie. Geen wonder, dat bij -andere Wolffianen, zooals Töllner, Syst. der dogm. Theol., Heilmann, -Compendium theol. dogm. 1761, J. P. Miller, Instit. theol. dogm. 1767, -Seiler, Theol. dogm. polem. 1774 reeds eene vrijere houding tegenover de -kerkleer wordt aangenomen. - -21. Als deze rationalistische richting dan van buiten af nog gevoed en -versterkt wordt door het Engelsche Deïsme en het Fransche ongeloof, -komt na 1760 in Duitschland de Aufklärung op, die het gezond verstand -van den individueelen mensch tot heerschappij tracht te brengen -over alle objectieve waarheid. Overal moet het positieve, het -traditioneele, het historisch gewordene wijken voor het rationeele, -het klaar-verstandelijke. Wolff c. s. had de openbaring nog redelijk -gevonden. Maar de Aufklärung was deïstisch en rationalistisch. Frederik -de Groote was haar koning, Berlijn haar middelpunt, de Allgemeine -Deutsche Bibliotheek 1765-1805 haar orgaan. De dogmatiek werd in -dezen rationalistischen geest bewerkt door W. A. Teller, Lehrbuch -des christl. Glaubens 1764. Religion der Vollkommneren 1792. Henke, -Lineamenta instit. fidei christ. 1793. Eckermann, Compend. theol. 1791 -en vooral door Wegscheider, Instit. theol. christ. dogm. 1815, 8e Aufl. -1844. Tegen dit Rationalisme nam de orthodoxie den verzwakten vorm van -het Supranaturalisme aan. Zij durfde niet meer positief en thetisch -haar standpunt nemen in het geloof, maar had met hare tegenstanders -den grondslag van de rede gemeen; alleen trachtte ze van daaruit toch -nog tot de openbaring te komen, wier noodzakelijkheid, mogelijkheid en -werkelijkheid zij verdedigde. De inhoud der openbaring kromp echter -gaandeweg bij haar in; de dogmata worden zooveel mogelijk van al het -aanstootelijke bevrijd en door zoogenaamde bijbelsche voorstelling voor -de rede pasklaar gemaakt. Op dit standpunt stelden zich Doederlein, -Instit. theol. 1780. Morus, Epitome Theol. christ. 1789. Knapp, -Vorles. über die christ. Glaub. 1827, vooral Reinhard, Vorles. über -die Dogmatik 1801. Storr, Doctrinae christ. pars theoret. 1793. e. -a. Terwijl eene verzoening van Rat. en Supran. beproefd werd door -Tzschirner, von Ammon, Schott, en vooral door Bretschneider, Dogm. der -ev. luth. Kirche 1814. - -22. Voor de Luthersche dogmatiek in de 19e eeuw komen, behalve de -bovenaangehaalde werken, in aanmerking: Mücke, Die Dogm. des 19 Jahrh. -Gotha 1857. E. Lichtenberger, Histoire des idées relig. en Allemagne. -Paris, Fischbacher. Thilo, Die Wissenschaftlickkeit der modernen -spekul. Theol. in ihren Principien beleuchtet, Leipz. 1851. O. Flügel, -Die spekulative Theol. der Gegenwart, 2e Aufl. Cöthen 1888. Hagenbach, -Ueber die sogenannte Vermittelungstheologie 1858. Carl Schwarz, Gesch. -der neueren Theol., 1857, holl. van Krabbe. Hartmann, Die Krisis des -Christ. in der mod. Theol., Berlin 1880. O. Pfleiderer, Die Entw. der -prot. Theol. in Deutschland seit Kant und in Gross-Britt. seit 1825. -Freiburg 1891. Frank, Gesch. u. Krit. der neueren Theol. u. s. w. -herausgeg. von P. Schaarschmidt. Erl. Deichert, 1894. Kattenbusch, von -Schleiermacher zu Ritschl. Giessen 1892. Voor Scandinavie: Presbyt. -and Ref. Rev. Oct. 1893. De eigenaardigheid der Luthersche dogmatiek -in deze eeuw bestaat daarin, dat ze schier geheel onder invloed staat -van de philosophie. In de vorige eeuw had ze door het Rationalisme -haar principe, methode, inhoud bijna geheel en al verloren. Ze was -een compendium geworden van rationeele gedachten over God, deugd en -onsterfelijkheid. Kant was de eerste, die door zijne scherpe kritiek -van de zuivere rede dezen rationeelen grondslag der dogmatiek geheel -ondermijnde. Zijne kritiek was ontmoedigend, vernietigend zelfs voor het -rationalisme en eudaemonisme der Aufklärung. Maar door de practische -Vernunft tracht hij te herwinnen, wat hij door de reine Vernunft verloor. -De kategorische imperatief, het zedelijk bewustzijn geeft ons recht om -het bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid te postuleeren. De -dogmatiek wordt opgebouwd op de moraal, de religie wordt een middel -voor de deugd, God een noodhulp voor den mensch. De inhoud der religie -en dogmatiek, door Kant in zijne Religion innerhalb der Grenzen der -blossen Vernunft 1793 ontwikkeld, is zuiver rationalistisch; Kant -staat nog geheel in de 18e eeuw, het historische, positieve heeft -voor hem geen waarde, hij isoleert den mensch van alle invloeden, -alleen de autonome Vernunftreligion is de ware religie. Maar door zijne -kritiek van de rede, door zijn beroep op het zedelijk bewustzijn, door -zijne strenge opvatting van de moraal, die hem zelfs van het radikal -Böse in den mensch en van de noodzakelijkheid eener Art Widergeburt -deed spreken, is hij van grooten invloed geweest op de theologie. De -zedelijke bestemming van den mensch niet alleen, maar ook de onmacht -der rede, om het bovenzinnelijke te bereiken, werd een argument voor -de noodzakelijkheid der openbaring, van geloof en autoriteit. En in -dezen Kantiaanschen geest werd de dogmatiek bewerkt door Tieftrunk, -Dilucidationes ad theoreticam religionis christ. partem 1793. -Stäudlin, J. E. C. Schmidt, Ammon e. a. - -23. Eene andere reactie tegen de Aufklärung kwam van de zijde des -gevoels. Sentimentaliteit was een karaktertrek van de tweede helft der -18e eeuw. Gelijk in Engeland Shaftesbury optrad tegen Hume, in Frankrijk -Rousseau tegen Voltaire, zoo deed ook in Duitschland het gevoel bij -mannen als Hamann, Claudius, Lavater, Stilling, Herder, Jacobi zijne -rechten gelden tegenover het koude Rationalisme. Zij gaan allen uit -van de onmiddellijke ervaring, van de kracht en innigheid des gemoeds; -dat is het diepste wezen, het menschelijke in den mensch, daarop rust -de religie, daaruit ontspringt het geloof, hier verneemt de mensch -het goddelijke. En van hieruit ziet en ontdekt hij het goddelijke rondom -zich in de natuur, in de geschiedenis, bovenal in Christus, den -menschelijksten van alle menschen. De inhoud des geloofs verschilde bij -deze mannen, te meer omdat ze van een systeem afkeerig waren; maar -de grond des geloofs is bij allen dezelfde. Gevoel, geloof, Vernunft, -inspiratie, Begeisterung, ervaring, of hoe men het noemen moge, is -bij allen grondslag en norm der waarheid. Jacobi wees tegenover het -voortschrijdende kriticisme op den onmiddellijken zin, waarin eene -andere, hoogere objectieviteit opging voor den mensch. Hij kwam zoo -tot een consequent dualisme van hoofd en hart, van philosophie en -geloof, van zinlijke en geestelijke wereld. In de dogmatiek werd dit -dualisme toegepast door de Wette, Bibl. Dogmatik, 3e Aufl. 1831, Dogm. -der prot. Kirche, 3e Aufl. 1840, Ueber Religion u. Theol. 2e Aufl. -1821. Das Wezen des christ. Glaubens vom Standpunkt des Glaubens 1840, -en na hem door Hase, Evang. Dogm. 1826, 6e Aufl. 1870. Aan allen is -gemeen de scheiding van gelooven en weten, van aesthetische (ethische, -religieuse) en verstandelijke (empirische) wereldbeschouwing, van -ideale en zinnelijke wereld. De waarheid, door het religieus gevoel of -bewustzijn geëischt, is onaantastbaar voor het verstand; zij behoort tot -eene andere, niet waarneembare wereld. - -24. Nauw verwant aan deze richting is de theologie van Schleiermacher. -In zijne Reden über die Religion 1799 en de Monologen 1800 staat hij -geheel onder den invloed der romantiek. Godsdienst is gevoel, gevoel -voor het universum, zin voor het oneindige, de richting des gemoeds op -het eeuwige, evenals Spinoza’s cognitio Dei intuitiva. Schleiermacher -neemt dus zijn standpunt ook in het subject, maar niet in verstand of -wil, maar in het gevoel. God is hem de eenheid der wereld, geen object -van het denken, want het denken beweegt zich altijd in tegenstellingen, -maar alleen te genieten in het gevoel. En dat genieten van God in het -gevoel is religie. Maar daarmede verbindt Schleiermacher nu aanstonds -de idee der gemeenschap. Uit het wezen der religie ontspringt de zucht -naar gemeenschap, tot uitwisseling van het genotene. De godsdiensten -verschillen, naarmate het oneindige het gevoel anders bepaalt en de -gemeenschap anders vormt. In zijne Glaubenslehre zijn de wijsgeerige -grondgedachten dezelfde, maar hier wordt het gevoel nader omschreven -als volstrekte afhankelijkheid, God opgevat als absolute causaliteit, -en het Christendom omschreven als eene ethische religie, waarin alles -in betrekking staat tot de verlossing door Christus. Dogmata zijn en -blijven dus beschrijvingen van subjectieve gemoedstoestanden, maar -toch van zulke, die door de christelijke gemeenschap, en alzoo door -den persoon van Christus bepaald zijn. Door deze drie ideeën, van het -onmiddellijk zelfbewustzijn als bron der religie, van de gemeenschap als -noodzakelijke bestaansvorm der religie en van den persoon van Christus -als centrum van het Christendom is Schleiermacher van onberekenbaren -invloed geworden. Heel de theologie na hem is van hem afhankelijk; -zijne dogmatiek is door niemand overgenomen, en toch heeft hij op alle -richtingen, liberale, bemiddelende, confessioneele en in alle kerken, -Roomsche, Luth. en Geref. zijn invloed doen gevoelen. Het naast aan hem -verwant zijn de dusgenaamde Vermittelungstheologen, Nitzsch, Twesten, -Neander, J. Müller, Rothe, Dorner, Martensen, Schenkel enz. Het -eigenaardige en gemeenschappelijke van al deze mannen is het subjectieve -uitgangspunt. Zij gaan allen uit niet van eene uitwendige autoriteit -maar van het gemoed, van het religieus bewustzijn. Zij nemen de waarheid -eerst aan als inhoud der subjectieve christelijke ervaring. Maar -daarbij blijven zij niet staan; zij willen boven Schleiermacher uitgaan, -en daartoe verbinden zij het subjectieve religieuse uitgangspunt van -Schleiermacher met Hegelsche speculatie. De agnostische elementen -in Schleiermacher, die hij met Kant gemeen had, werden uitgewisseld -voor de Hegelsche leer van de kenbaarheid van het Absolute. De -waarheid, eerst als inhoud der religieuse ervaring aangenomen, moest -vervolgens op den weg der speculatie als denknoodwendig begrepen en -voor de rechtbank der philosophie gelegitimeerd worden. Zoo zou geloof -en wetenschap, het natuurlijke en het positieve, kerk en cultuur, -Schriftgezag en kritiek, antieke en moderne wereldbeschouwing met -elkander verzoend en bevredigd worden. - -25. Dit was trouwens ook het streven van Hegel geweest. Hegel is de -consequenste idealist; het Cartesiaansche uitgangspunt komt hier tot -zijne laatste gevolgtrekkingen. Het denken produceert het zijn, al het -zijnde is dus logisch, redelijk. Maar deze gedachte verbindt hij met -die van het worden, van de evolutie. De realiseering der gedachte in -’t zijnde geschiedt allengs, van trap tot trap. In den mensch komt -dat denken het eerst tot bewustzijn. Maar op den laagsten trap, als -natuurlijke, eindige geest, voelt de mensch zich van God gescheiden. -In de religie, vooral in de christelijke, ziet hij echter die scheiding -opgeheven; God en mensch zijn één. Deze eenheid van God en mensch is het -wezen van alle religie, maar wordt in den godsdienst niet adaequaat -uitgedrukt; zij is daar gehuld in vormen van voorstelling en gevoel. -Eerst in de philosophie komt de idee tot haar adaequaat begrip; zij -is het absolute weten, het weten der menschheid van God, het weten -Gods van zichzelf. Naar deze wijsgeerige gedachten trachtte Hegel alle -christelijke dogmata, triniteit, menschwording, verzoening, enz. te -verklaren. Velen geloofden aan de Hegelsche verzoening van theologie -en philosophie; de zoogenaamde rechterzijde Marheinecke, Daub, Göschel, -Rosenkranz bewerkte de dogmata in zijn geest en trachtte Hegelsche -speculatie en orthodoxe theologie te vereenigen. Maar allengs werd -openbaar, wat gevaar er in de Hegelsche philosophie voor de christelijke -dogmata verscholen lag. Feuerbach, Strauss, Vatke, Bruno Bauer trokken -de consequenties en gaven de voorstelling, die het kleed is der -religie, prijs om alleen over te houden het abstracte begrip. Strauss -zag in de Evangelieverhalen onbewuste symbolische verdichtingen van de -ideale waarheid, dat het Oneindige zich uitstort in het eindige, echter -niet in een enkel mensch maar in de menschheid; deze is de ware zoon -van God, de ideale Christus. In zijne Glaubenslehre 1840 beproeft hij aan -te toonen, dat de geschiedenis van elk dogma tegelijk zijne kritiek en -ontbinding is. Religie en philosophie verschillen in vorm, maar daarom -ook in inhoud; de philosophie vervangt de religie. De neo-Hegelianen, -Biedermann, Pfleiderer, zijn wel behoedzamer geworden, maar hebben -toch van Hegel overgenomen, dat het denken staat boven het religieus -bewustzijn en dus tot taak heeft, om de religieuse voorstelling van -haar tijdelijken, zinnelijken vorm te ontdoen, in haar ideale kern -voor te stellen en in overeenstemming te brengen met onze gansche -wereldbeschouwing. - -26. Terwijl Hegels philosophie alzoo tot verwerping van het Christendom -leidde, werd vooral sedert 1830 bekend, dat Schelling allengs het -identiteitssysteem verlaten had en thans eene positieve philosophie -ontwikkelde, waarin niet de noodwendigheid maar de vrijheid heerschte -en waarin de wil en de daad in de plaats trad van het logisch proces. -Evenals Hamann, Lavater, enz. in de vorige eeuw, zoo kwam Schelling -allengs tot de overtuiging, dat er nog een ander, dieper zijn en leven -is dan dat van het logisch verstand, nl. dat van den wil, van de daad, -van de vrijheid. Maar alle leven is worden, een wisselwerking van -tegenstellingen. Zoo is het in God, en zoo is het in de wereld. In God -is eerst de donkere natuurgrond, dan het verstand, en uit beiden wordt -de wil geboren. In de wereld is eerst de chaos, dan de geest, daarna -de kosmos. En zoo is in de religie eerst de natuurlijke drift in het -Heidendom, dan het Woord of het Licht in Christus, en eindelijk het zijn -van God in allen. Onder invloed van Böhme en Oetinger verbond Schelling -daarmede allerlei theosophische bespiegelingen. De theosophie houdt -zich altijd op met twee problemen, met den overgang tusschen God en -wereld en tusschen ziel en lichaam. Het eerste probleem wordt hierdoor -opgelost, dat de grond der wereld in de natuur van God wordt gezocht, -en dat de theogonie, het trinitarisch proces in God, min of meer -geidentifieerd of althans geparalleliseerd wordt met de kosmogonie. -God zelf komt eerst tot volle ontvouwing van zijn wezen in en door het -wereldproces. Het tweede probleem wordt op dezelfde wijze door de idee -der Geistleiblichkeit opgelost. Het geestelijke, God, de ziel, is niet -in strikten zin onlichamelijk, wel niet stoffelijk, maar übermateriell, -en zoo heeft de geest op zijn beurt de taak, om het lichaam, de wereld, -wier grove stoffelijkheid een gevolg der zonde is, te vergeistigen -en te vergeistlichen. Deze theosophische speculatie van Schelling -vond ingang in de theologie: Baader, Görres, Windischmann, J. F. von -Meyer, Steffens, Wagner, Stahl, Rothe, Hamberger, Fr. Hoffmann, Keerl, -Osiander, Lange, Delizsch, Bähr, Kurtz, Splittgerber, hebben allen in -meerdere of mindere mate zijn invloed ondergaan. - -27. Het was natuurlijk, dat er tegen deze velerlei vermenging van -theologie en philosophie verzet kwam van de zijde der kerkelijke -orthodoxie. Op de theologie der bemiddeling moest wel eene der -scheiding volgen. De studie der confessie, de historische dogmatieken -van de Wette, Bretschneider, Hase, Schmid, Schneckenburger kwamen aan -het confessioneel bewustzijn ten goede. Altlutheraner zooals Guericke en -Rudelbach, Neolutheranen zooals Harms, Hengstenberg, Keil, Philippi, -Vilmar, Kliefoth, Höfling, Thomasius, Hofmann, mannen der positieve -Union zooals Kahnis, Luthardt, Zöckler, H. Schmidt, Frank, Grau, -enz. arbeidden aan het herstel der oude Luthersche theologie. Toch -waren ook zij kinderen van hun tijd. Het Piëtisme werkte na in mannen -als Hengstenberg en Tholuck. Vilmar, Löhe, Münchmeyer e. a. waren in -hunne opvatting van kerk. sacrament en ambt niet vrij van Roomsche -overdrijving; de Zuidduitsche theologen in Erlangen, Thomasius, Hofmann, -en ook de tegenwoordige positieve theologen staan vrijer tegenover de -confessie en wijken in belangrijke punten, Christologie, voldoening, -Schrift van de oud-luthersche dogmatiek af. Zelfs een zoo orthodox -Lutheraan als Philippi gaat evenals Hofmann en Frank van het subjectief -geloofsbewustzijn uit en heeft dus zijn uitgangspunt aan Schleiermacher -ontleend. Naast deze confessioneele staan de Bijbelsche theologen, -onder wie Beck de voornaamste is, die het dogmatisch systeem niet uit -het geloovig bewustzijn noch ook uit de confessie maar alleen uit de -Schrift willen opbouwen. Maar Beck vatte die Schrift op in den zin dier -mystieke theosophie, welke sedert Oetinger en Michael Hahn in Zwaben -beoefend werd, als een systeem van hemelsche waarheden, die afdruk -waren van hemelsche krachten en deze door de werking des H. Geestes -in de ziel des menschen inplantten, en kwam daardoor dikwerf tot eene -vrij willekeurige exegese, en tot een systeem, dat wel diep en origineel -was maar ook van een eenzijdig ascetisme en individualisme niet vrij te -pleiten was. - -28. Nog van eene andere zijde kwam er oppositie tegen de vermenging van -philosophie en theologie. Liebmann, in zijn werk Kant und die Epigonen, -Stuttgart 1865 en F. A. Lange, in zijne Geschichte des Materialismus -1866 gaven op wijsgeerig gebied het parool: naar Kant terug. De -speculatie van Hegel en Schelling had tot niets geleid; het verstand -moest wederom tot besef komen van zijne eindigheid en beperktheid, en -geen kennis van het bovenzinlijke zich aanmatigen. Er moge daarnaast -plaats over blijven voor het geloof, de verbeelding, maar de rede is tot -het zinlijk-waarneembare beperkt. Dit standpunt van het Neo-Kantianisme -werd op dogmatisch gebied ingenomen door Lipsius en Ritschl. Maar -met niet onbelangrijk verschil. Lipsius erkent, Ritschl ontkent het -mystieke element in de religie. Lipsius acht de religie eene eigene, -zelfstandige macht, Ritschl laat ze bijna geheel in het ethische opgaan. -Lipsius acht de religie in de eerste plaats eene zaak van het individu, -Ritschl van de gemeenschap. Lipsius tracht de religieuse voorstellingen -in elk geval nog in overeenstemming te brengen met de resultaten der -wetenschap, Ritschl scheidt theologie en wetenschap geheel en al. -Voor Lipsius is de genade Gods in Christus, voor Ritschl is het door -Christus gestichte Godsrijk de hoofdinhoud der openbaring enz. Maar -beiden sluiten zich toch aan bij Kant’s afkeer van metaphysica, bij zijne -leer van de beperktheid van het menschelijk kenvermogen. Daarom wil -Ritschl volledige scheiding van metaphysica (philosophie, wetenschap) -en religie (theologie). De religie en theologie spreekt geen zijns- maar -waardeeringsoordeelen uit. Zij zegt niets over het onkenbare wezen der -dingen maar spreekt alleen uit de waarde en beteekenis, die ze hebben -voor ons. Door zulk eene scheiding tracht Ritschl aan de religie en -theologie eene eigene, voor de wetenschap onaantastbare plaats te -verzekeren. De religie steunt niet op de wetenschap, maar is gegrond op -een eigen beginsel, op de zedelijke natuur van den mensch. Zij heeft een -eigen inhoud, n.l. geen zijns- maar waardeeringsoordeelen, d. i. zuiver -relig.-ethische uitspraken. Zij heeft een eigen doel, n.l. om den -mensch in ethischen zin onafhankelijk te maken van de wereld. Ritschl’s -theologie heeft thans grooten invloed, niet alleen in maar ook verre -buiten Duitschland. Verschillende oorzaken verklaren haar opgang. De -schijnbare verzoening van gelooven en weten, de religieus-ethische -opvatting der religie, de aansluiting aan de openbaring Gods in -Christus, aan de H. Schrift en aan de theologie van Luther en -Melanchton, de verwerping van alle theol. naturalis en scholastieke -dogmatiek enz. hebben aan deze theologie een plotselinge verbreiding -en een buitengewonen opgang bezorgd. Eene schare van mannen, Herrmann, -Kaftan, Häring, Harnack, Schürer, Gottschick, Kattenbusch, Stade, -Wendt, Schultz, Lobstein enz. hebben zich bij haar aangesloten, en -passen hare beginselen op heel het veld der theol. wetenschap toe. Toch -is de Ritschl’sche leer van het kenvermogen, de volledige scheiding van -theologie en metaphysica, de moralistische opvatting van de religie, de -beperking van de religie tot waardeeringsoordeelen, enz. onbevredigend. -Ook deze richting zal op den duur noch het hoofd noch het hart kunnen -bevredigen, cf. mijn opstel over de Theol. van Ritschl in de Theol. -Stud. van Dr. Daubanton e. a. 1888. - - -E. De Dogmatiek in de Gereformeerde Kerk. - -29. Bij alle overeenstemming, tot zelfs in de belijdenis der -praedestinatie toe, was er van den aanvang af toch een belangrijk -verschil tusschen de Duitsche en de Zwitsersche reformatie. Het -onderscheid in land en volk, waar Luther en Zwingli optraden, het -verschil in afkomst, opvoeding, karakter en levenservaringen werkten -er toe mede om beide uiteen te doen gaan. Het duurde slechts kort, -eer het aan het licht trad, dat beide hervormers van een anderen -geest waren. In 1529 werd te Marburg nog wel de vrede geteekend, maar -alleen op papier. En toen Zwingli wegviel en Calvijn, in weerwil van -zijne hoogachting voor Luther en in zijne toenadering in de leer van het -avondmaal, toch principieel de zijde van Zwingli koos, toen werd de -scheuring tusschen luthersch en gereformeerd Protestantisme hoe langer -hoe grooter en een feit, dat niet meer ongedaan kon gemaakt worden. De -historische onderzoekingen naar het kenmerkend onderscheid van beide -in deze eeuw hebben duidelijk aangetoond, dat er een verschil van -beginsel aan ten grondslag ligt. In vroeger tijd somde men eenvoudig -de dogmatische verschillen op, zonder ze tot een gemeenschappelijk -principe te herleiden, Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 618. Maar -Max Goebel, Die relig. Eigenthümlichkeit der luth. u. ref. K. 1837, -holl. vert. Gron. Smit 1841, leverde de eerste proeve van eene -historische en principieele verklaring van beider onderscheid. Sedert -hebben verschillende mannen dat onderzoek voortgezet, zooals Ullmann, -Semisch, Hagenbach, Ebrard, Herzog, Schweizer, Baur, Schneckenburger, -Guder, Schenkel, Schoeberlein, Stahl, Hundeshagen, wier werken -aangehaald en beoordeeld worden door Voigt, Fundamentaldogmatik, 1874 -S. 397-480, Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e dr. II 309 v. enz. Het -onderscheid schijnt nog het best daardoor weergegeven te worden, dat -de gereformeerde theologisch, de luthersche anthropologisch is. De -gereformeerde blijft niet in de historie staan, maar klimt op tot de -idee, tot het eeuwig besluit Gods; de luthersche neemt zijn standpunt -midden in de heilsgeschiedenis en heeft geen behoefte om dieper in den -raad Gods door te dringen. Bij de gereformeerden is daarom de verkiezing -het cor ecclesiae, bij de lutherschen is de rechtvaardigmaking het -articulus stantis et cadentis ecclesiae. Daar is de eerste en -voornaamste vraag: hoe komt God tot zijne eer; hier daarentegen: hoe -komt de mensch tot de zaligheid. Daar is de strijd vooral tegen het -paganisme, de afgoderij; hier tegen het judaïsme, de werkheiligheid -gericht. De gereformeerde heeft geen rust, voor hij rugwaarts alles tot -het besluit Gods heeft herleid en het διοτι der dingen heeft opgespoord -en voorwaarts alles aan de eere Gods heeft dienstbaar gemaakt; de -luthersche is met het ὁτι tevreden en geniet in de zaligheid, die hij -door het geloof deelachtig is. Uit dit verschil in beginsel laten -zich de dogmatische controversen in de leer van het beeld Gods, de -erfzonde, den persoon van Christus, de heilsorde, de sacramenten, de -kerkregeering, de ethiek enz. gemakkelijk verklaren. - -De geschiedenis der geref. dogmatiek is veel moeilijker te beschrijven -dan die van de luth. De geref. kerk is niet tot één land en volk -beperkt, maar heeft zich in verschillende landen en onder verschillende -volken uitgebreid. De geref. type is niet in ééne belijdenis neergelegd -maar heeft in tal van confessies uitdrukking gevonden. De dogmatische -ontwikkeling, bijv. in de leer der verkiezing, der rechtvaardiging, -der wedergeboorte, der sacramenten enz. is in de geref. kerk veel -rijker en veelzijdiger dan in de luth. geweest. En eindelijk is de -geschiedenis van de geref. dogmatiek veel minder beoefend dan die -van de andere kerken; er ligt hier nog een veld voor het onderzoek -open. De voornaamste werken, die over haar handelen zijn: C. M. Pfaff, -Introductio in historiam theol. literariam, Tüb. 1724 p. 258 sq. Walch, -Bibl. theol. sel. I 211 sq. B. Pictet, De Christel. Godg., holl. vert. -1728 deel III. A. Ypey, Beknopte letterk. gesch. der system. Godg. 3 -deelen, 1793-98 I 200 v. II 55 v. Id. Gesch. v. d. Krist. Kerk in de -18e eeuw, Utrecht, 1797 v. deel VII en VIII. A. Schweizer, Die Glaub. -der ev. ref. K. 1844 I 1-134. Id. Die Centraldogmen der ref. K. 2 Bde. -1854, ’56. J. H. A. Ebrard, Christl. Dogm. 2e Aufl. 1862 I 44 f. J. -H. Scholten, Leer der Herv. K. I 67 v. C. Sepp, Het godg. onderwijs in -Nederl. gedurende de 16e en 17e eeuw, 2 deelen, Leiden, 1873, ’74. -Voorts de boven aangeh. werken van Gasz, Dorner, Frank, Ritschl enz. en -de later te noemen litteratuur. - -30. De Gereformeerde dogmatiek begint met Zwingli. Bij hem zijn de -grondgedachten reeds aanwezig, het theol. uitgangspunt, de volstrekte -afhankelijkheid des menschen, de praedestinatie, de menschelijke natuur -van Christus, de geestelijke opvatting van kerk en sacrament, de -ethische en politieke strekking der reformatie. Maar Zwingli heeft nog -vele leemten in zijne theologie; door zijn humanisme vat hij de zonde -en de verzoening te ondiep op; door zijn spiritualisme zet hij God en -mensch, divina en humana justitia, teeken en beteekende zaak in het -sacrament enz. abstract dualistisch tegenover elkaar; zijn klaarheid -en helderheid van gedachte kan het gemis aan diepte niet vergoeden; -en tot een eenigszins afgerond en samenhangend systeem komt het bij -hem niet. Zwingli heeft slechts de algemeene omtrekken ontworpen, -binnen welke de verschillende richtingen in de Geref. kerken zich -later bewogen hebben. Eerst Calvijns organiseerende en systematische -geest gaf aan de Zwitsersche reformatie haar belijnde leer en vaste -organisatie. Zijne theologie stond reeds bij de eerste uitgave zijner -Institutie in 1536 vast. Er is uitbreiding, ontwikkeling maar geen -verandering. Calvijn onderscheidt zich daarin van Zwingli, dat hij alle -wijsgeerige en humanistische ideeën bant en zich zoo streng mogelijk -aansluit aan de Schrift. Voorts handhaaft hij beter de objectieviteit -van de christelijke religie, van het verbond Gods, van den persoon -en het werk van Christus, van Schrift, kerk en sacrament en staat -daarom sterker tegen de Wederdoopers. Verder overwint hij zoowel de -tegenstelling van Luther tusschen het geestelijke en wereldlijke als die -van Zwingli tusschen vleesch en geest, en is daarom wel rigoristisch -maar in geen enkel opzicht asceet. Eindelijk brengt hij in zijne gedachten -eenheid en systeem, iets, wat noch Luther noch Zwingli vermocht, -en vergeet daarbij toch nooit het verband met het christelijk leven. -Calvijn wist allengs heel Zwitserland, ook in zake de avondmaalsleer -(Consensus Tigurinus 1549) en de praedestinatie (Consensus Genev. -1552, Tweede Helv. Conf. 1564) voor zich te winnen, Hundeshagen, Die -Conflikte des Zwinglianismus, Lutherthums und Calvinismus in der -Bernischen Landeskirche von 1532-1558, Bern 1842. De Institutie van -Calvijn werd weldra overal bestudeerd. Die van Bern beriepen zich later -evenzeer op Calvijn als die van Genève, Zurich, Bazel en Schaffhausen. -Geheel in Calvijns geest werd de dogmatiek in Zwitserland in deze 16e -eeuw behandeld door Beza, Tractationes theol. 1570, Petrus Martyr -Vermiglius, Loci Communes 1576, Musculus, Loci Comm. 1560, 1567 en -Aretius, Theol. problemata 1579. - -Van Zwitserland breidde Calvijns theologie zich naar Frankrijk uit. Hij -droeg zijne Institutie in 1536 aan Frans I met eene voorrede op. Hij werd -de ziel der Fransche reformatie. Zijne leer werd algemeen aangenomen; -zijne werken werden in ’t Fransch vertaald en verspreid; bij hem zocht -men raad en troost, en velen gingen naar Genève om opgeleid te worden -tot den dienst des woords. De voornaamste theologen in Frankrijk in deze -eeuw waren Chandieu † 1591, die onder den pseudoniem Sadeel, Zamariel -verschillende theol. tractaten schreef, de verbo Dei, de Christi -sacerdotio, de remissione peccatorum enz., Marlorat † 1562, schrijver -van Thesaurus S. Scripturae in locos comm. rerum et dogmatum, uitgeg. -in 1574 door Feugueraeus, en du Plessis Mornay † 1623, die bekend is -door zijn Traité de l’Eglise 1578, Traité de la vérité de la religion -chrétienne 1581 en vooral ook door zijn in citaten zeer onnauwkeurig Le -mystère d’iniquité c’est à dire l’histoire de la papauté 1611. - -Door de uitgewekenen naar Oostfriesland, de Paltz, Kleefsland, en van -uit het Zuiden drong het Calvinisme ook in Nederland door. Calvijns -Institutie werd reeds 1560 in ’t Ned. vertaald. Dathenus, de Brès, -Modet, Marnix, Caspar Heydanus e. a. waren strenge Calvinisten. Velen -zochten in Genève en Heidelberg hun opleiding. Maar reeds 1575 werd -de akademie te Leiden, en 1585 die te Franeker gesticht. Feugueraeus, -Danaeus, Saravia, Trelcatius Sr., Bastingius, Junius waren te Leiden; -Lubbertus, Lydius en Nerdenus waren te Franeker de beroemdste -hoogleeraren in deze eeuw. De theol. arbeid bestond voornamelijk in -polemiek tegen Rome en tegen de Wederdoopers. Maar toch zagen reeds -verschillende dogmatische handboeken het licht, van Gellius Snecanus, -Methodica descriptio et fundamentum trium locorum communium S. Scr. -1584, van Bastingius de eerste verklaring van den Catechismus 1590, -van Feugueraeus Propheticae et apostolicae, i. e. totius divinae et -canonicae scripturae thesaurus 1574, van Trelcatius Sr. Loci Communes -1587, van Junius Theses Theologicae (Opera Omnia I 1592 sq.). - -Ook in Engeland en Schotland vond het Calvinisme ingang. Het kwam -daar in strijd niet alleen met Rome, maar ook met de reformatie, die -van boven af door Hendrik VIII en Elisabeth ondernomen werd. De -Hervormingsgezinden, die onder Maria naar het vasteland vluchtten, -kwamen hier in kennis met de leer van Calvijn, Bullinger, Beza, Martyr -enz. en ergerden zich straks bij hun terugkeer aan de halfheid der -Engelsche reformatie. Het verschil liep eerst over de ceremoniën. -In de leer waren Puriteinen en Anglikanen het oorspronkelijk eens. -De Engelsche theologie droeg tot in het begin der 17e eeuw toe een -beslist Calvinistisch karakter. Op de Universiteiten werd Calvijns -Institutie onderwezen. Zelfs de episcopale regeeringsvorm werd door -Cranmer, Jewel, Hooker e. a. niet als de eenig ware, maar alleen -in het belang van het welzijn der kerk verdedigd, Schaff, Creeds of -Christendom, 3 vol. New-York 1881 I 602 etc. Maar toen in en sedert -1567 de nonconformisten, onder wie Pilkington, Whittingham, Thomas -Sampson en Humphrey uit Oxford de voornaamste waren, zich afscheidden, -breidde de strijd over heel de kerkregeering zich uit. De krachtigste -voorstander van den presbyterialen kerkvorm was Thomas Cartwight, -prof. te Cambridge, 1570 afgezet, 1603 gestorven. En tegen het einde -der eeuw kwam daar nog een verschil in de leer bij; William Perkins -† 1602, Alle de werken, 3 vol. Amst. 1659 v. en William Whitaker -† 1595, Opera, Genev. 1610 2 vol., hoogleeraren te Cambridge, trachtten -de praedestinatie nog te handhaven in de 9 Lambeth-artikelen, Schaff, -Creeds I 658 III 523, welke zij aan Elisabeths raadsman Whitgift -voorlegden, maar het hoogkerkelijke en het pelagiaansche gevoelen -nam hoe langer hoe meer de overhand. In Schotland werd echter het -Calvinisme door John Knox † 1572, John Craig † 1600, e. a. met kracht -ingevoerd en eindelijk ook door den Koning erkend 1581. - -In Duitschland was de Geref. kerk en theologie minder afhankelijk -van Calvijn. De Heid. Catechismus, de theologie van Pareus, Ursinus, -Olevianus, Hyperius, Boquinus, ook van à Lasco vertoont in veel -opzichten een eigen karakter. Hofstede de Groot, Ebrard en Heppe hebben -deze eigenaardigheid uit Melanchton verklaard; maar deze voorstelling -is onhistorisch en voldoende weerlegd. Veel beter wordt ze door Prof. -Gooszen in twee studiewerken over den Heid. Catech. 1890 en 1893 en -door Dr. Van ’t Hooft, De Theol. van Heinrich Bullinger 1888 uit -den opvolger van Zwingli in Zurich afgeleid. Toch is er tusschen de -theologie van Calvijn en van Bullinger geen enkel zakelijk, maar alleen -een formeel en methodologisch verschil. Het is het onderscheid tusschen -het supra- en het infralapsarisme, tusschen het streng-theologisch en -het foederalistisch uitgangspunt, dat altijd in de Geref. kerken heeft -bestaan en over en weer als gereformeerd is erkend, cf. mijn opstel -Calvin. en Geref. in De Vrije Kerk, Febr. 1893, en de repliek van Prof. -Gooszen, Geloof en Vrijheid, Dec. 1894. Naast Ursinus en Olevianus -werkte dan ook in Heidelberg de streng-calvinistische Zanchius. - -31. Reeds tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie -de scholastische methode op. De eenvoudige behandeling der dogmata, -gelijk we die bij Calvijn, Hyperius, Sohnius aantreffen, kon op den duur -niet voldoen. Bij Martyr, Sadeel, Junius treffen we al bekendheid aan -met de vraagstukken, die in de MiddelE. door de scholastici werden -behandeld. Vooral Zanchius † 1590 is in zijne werken De tribus Elohim, -de natura Dei, de operibus Dei, de incarnatione (Opera Omnia in 8 -tomi, Geneve 1619) en Polanus a Polansdorf † 1610 in zijn Syntagma -Theologiae met de theologie der kerkvaders en der scholastici -uitnemend vertrouwd. Op schoolsche manier wordt dan de dogmatiek in -de Geref. kerken in deze eeuw behandeld, in Nederland door Trelcatius -Jr., Scholastica et methodica locorum omnium S. Scr. institutio 1604, -Nerdenus, Systema theol. 1611, Maccovius, Collegia theologica 1623, -ed. 3a 1641. Loci Comm. Theol. 1626, Fr. Gomarus, Opera theol. omnia -Amstel. 1664, Gisb. Voetius, Disputationes sel. 5 partes, Ultraj. -1648-59, en elders vooral door J. H. Alsted, prof. te Herborn en -Weissenburg † 1638, Theol. scholastica didactica, exhibens locos -communes theol. methodo scholastica 1618. De scholastieke methode -vond echter lang niet algemeene instemming. Maccovius kreeg op de -Dordsche Synode de vermaning, ut cum Spiritu Sancto loquatur, non -cum Bellarmino ant Suarezio, Heringa, De twistzaak van Maccovius, -Archief voor Kerk. Gesch. III 1831 bl. 505 v. De twist van Maccovius -en Amesius, ib. bl. 643 v. en Van der Tuuk, Joh. Bogerman bl. 229 v. -en van Maresius tegen Voetius had in dezelfde scholastieke methode -haar grond. Maresius noemde Voetius een theologus paradoxus, telde -niet minder dan 600 paradoxa in zijne theologie op, en beschuldigde -hem vooral dat hij lacum asphaltidem scholasticorum derivare in -fontem Siloe; zie zijn Theologus paradoxus retectus et refutatus -1649 en daartegen Voetius, Disput. Sel. V. 572-716. Maar ook waar -men voor wijsgeerige terminologie, scholastieke distincties en ijdele -schoolsche vragen zich wachtte en de waarheid in meer eenvoudigen -vorm voordroeg, was de 17e eeuw toch de eeuw der objectieviteit. De -stof lag gereed, ze behoefde alleen geordend te worden. De traditie -werd eene macht. Niet alleen de Schrift, maar ook de belijdenis, ja -zelfs de dogmatische behandeling kreeg eene onaantastbare autoriteit -en deed Camero de klacht slaken, dat men in de leer niet afwijken kon -ἀπο των δοκουντων εἰναι στυλοι, zonder vervolgd te worden, Schweizer, -Centraldogmen II 237. De voornaamste godgeleerden in ons land waren -Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus, schrijvers der Synopsis -Purioris theologiae, Trigland, Hoornbeek te Leiden; Maccovius, -Acronius, Amesius, Schotanus, Bogerman, Cloppenburg, Arnoldus te -Franeker; Ravensperger, Gomarus, H. Alting, Maresius te Groningen; -Voetius, Essenius, Mastricht, Leydecker te Utrecht; verder Bucanus -te Lausanne, Wollebius te Bazel; Danaeus, Franc. Turretinus en B. -Pictet te Genève; J. H. Heidegger en J. H. Hottinger te Zurich; -Chamier, Bérault, Garissoles te Montauban; Tilenus, Dumoulin, Beaulieu -te Sedan; voorts Benj. Basnage, David Blondel, Sam. Bochartus, Jean -Mestrezat, Charles Drelincourt, Jean Daillé en vooral de theologen te -Saumur Camero, Amyraldus, Cappellus, Placaeus, cf. Félice, Histoire -des Protestants de France 7e ed. 1880. In Engeland won in de 17e eeuw -de hoogkerkelijke en arminiaansche richting veld; zij vond steun hij -de Stuarts, bij de aartsbisschoppen, bij den adel, en werd bevorderd -door Bancroft, den opvolger van Whitgift 1604-1610, die in een preek -1589 het episcopaat als noodzakelijk verdedigde, Buckingham 1625-28, -aartsbisschop Laud 1628-45, Lord Clarendon † 1674. Daarentegen -waren er nog vele theologen in de Anglikaansche kerk, die wel het -Episcopalisme verdedigden maar toch trouw aan het Calvinisme bleven. -Zoo Whitgift, aartsbisschop van Canterbury, 1583-1604, raadsman van -Elizabeth, aartsbisschop Abbot 1604-1623, 1622 in ongenade gevallen, de -afgevaardigden ter Dordsche Synode Carlton, Hall, Davenant, prof. in -Cambridge, later bisschop van Salisbury, Determinationes quaestionum -quarundam theologicarum, Cambr. 1634, Ward, Goad, Balcanqual en voorts -mannen als Burton, Warton, Prynne, Rouse, Preston, Usher, Corpus -theologiae, Dublin 1638, holl. vert. van Ruytingius, ’t Lichaam der -Godd. leer Amst. 1656, Morton, Joh. Prideaux, Lectiones theologicae, -Scholasticae theologiae syntagma 1651, Saunderson, Hammond, Opera Omnia -Lond. 1684, Westfield, Stillingfleet, Op. Omn. Lond. 1709, Tillotson -aartsb. van Canterbury, Works Londen 1704, John Pearson, Exposition -of the Creed 1659, Lectiones de Deo et ejus attributis, Burnet † 1715 -prof. in Glasgow, later bisschop van Salisbury, An exposition of the -39 articles. Roger Boyle, Summa theologiae christ. Dubl. 1687. J. -Forbesius a Corse, prof. te Aberdeen, Instructiones histor. theol. -de doctrina christ. 1699. Thomas Pierce, Pacificatorium orthodoxae -ecclesiae corpusculum 1685. Foggius, Theol. speculativae schema 1712. -W. Beveridge, Thesaurus theol. or a complete system of divinity Lond. -1710-11. Th. Bennet, Instructions for studying 1 a general system or -body of divinity, 2 the 39 articles of religion, Lond. 1715. Onder -de Puriteinen zijn uit deze periode vooral bekend Bradshaw, Raynolds, -Baynes, Byfield, Rogers, Hooker, White, Archer, Hildersham, Davenport, -Lightfoot, Seldenus, Twissus, Calamy, Gataker, Baxter, Bates, -Mead, Owen enz. Het Arminianisme had in Engeland, zoowel onder de -dissenters als onder de Anglikanen grooten invloed. En daarnaast werd -vanuit Frankrijk ook het Amyraldisme in Engeland overgebracht. Beide -vloeiden dikwerf saam en vonden hun vereeniging in de neonomiaansche -theorie, die tot een belangrijken en langdurigen strijd aanleiding gaf. -De neonomianen legden den grond der rechtvaardiging in het geloof, -zooals b.v. de Arminiaan John Goodwin, de vriend van Milton, in zijn -The banner of justification displayed, Imputatio fidei 1642, Richard -Baxter, Justifying Righteousness, Dr. Dan. Williams, Works, 1750. Benj. -Woodbridge, The method of grace in the justification of sinners 1656. -Daartegenover stonden anderen, die ten onrechte anti-nominianen werden -genoemd maar eigenlijk anti-neonomianen moesten heeten en den grond -der rechtvaardiging alleen stelden in de toegerekende gerechtigheid -van Christus, zooals Dr. Crisp, Dr. Tully, Justificatio paulina -sine operibus 1677. Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id. -Alexipharmacon, a fresh antidote against neonomian bane 1700. John -Eaton, The honeycombe of free justification by Christ alone 1642, -William Eyre, Vindiciae justificationis gratuitae 1654 enz., verg. -Witsius, Misc. Sacra II p. 753 Sq. James Buchanan, The doctrine of -justification, Edinburgh Clark, 1867 p. 176, 464. Over het algemeen -genomen, lag echter het zwaartepunt der Engelsche theologie niet in -de dogmatische maar in de bijbelsche, kerkhistorische, patristische, -archaeologische en praktikale studiën. De staatkundige en kerkelijke -verhoudingen gaven daar vanzelf aanleiding toe, Gass, Gesch. der prot. -Theol. III 297 f. Ypey, Syst. Godg. II 268 v. en voorts Weingarten, -Die Revolutionskirchen Englands 1868. Neal, Historie der Puriteinen, -Rott. 1752 v. Marsden, History of the early and later Puritans from -the reformation to the ejection of the nonconf. clergy in 1662, 2 -vol. London 1852. Dr. Stoughton, History of religion in England from -the opening of the long Parliament to the end of the 18th century, -8 vol. 1881. Dr. Tulloch, Rational theology and Christ. theology in -England in the 17th century, 2 vol. 1872. Rijker en krachtiger was naar -verhouding het dogmatisch leven in Schotland. Hier had het Calvinisme -een geschikten bodem gevonden en werd het in strengen, positieven geest -verder ontwikkeld. De voornaamste theologen in deze periode waren: -Rollock, sedert 1583 principal van de universiteit te Edinburgh, -schrijver van commentaren op de brieven van Paulus, de Psalmen, Daniël -en vooral ook van eene verhandeling over de krachtdadige roeping; -John Welsh, van Ayr, die tegen het Romanisme schreef; John Sharp, -die eene harmonie van de profeten en de apostelen in het licht gaf; -de gebroeders Simpson, Patrick, die eene kerkgeschiedenis gaf, -William, die over de Hebr. accenten schreef, en Archibald, die eene -uitlegging gaf van de zeven boetpsalmen; Boyd of Trochrigg, prof. te -Saumur, in 1614 principal van de universiteit te Glasgow, beroemd -door zijn commentaar op den brief aan Efeze, die niet alleen eene -uitlegging geeft maar een ware thesaurus is en allerlei dogmatische -en theologische excursen bevat, over triniteit, praedestinatie, -vleeschwording, zonde, doop, enz.; David Calderwood, die hier te lande -vertoefde en zijn Altare damascenum tegen het anglikaansche episcopaat -schreef; Samuel Rutherford, prof. te St. Andrews, bekend door zijne -Brieven niet alleen maar ook door vele andere werken, Exercitationes -apol. pro divina gratia 1637, de Providentia, Examen Arminianismi, -The spiritual Antichrist enz.; George Gillespie, schrijver van Nihil -respondes, Male audis, Aaron’s Rod blossoming, Miscellanies; en -voorts nog Baillie, Dickson, Durham, Dr. Strang, James Wood, Patrick -Gillespie, Hugh Binning e. a. cf. David Calderwood, The history of the -Kirk of Scotland, 7 vol. Edinb. 1842. Buckle, History of civilization -in England, 5 vol. Leipzig 1865, ch. 17-20. James Walker, The theology -and theologians of Scotland, Edinb. Clark 1872. Deze positieve -ontwikkeling der Geref. dogmatiek bereikt in zekeren zin haar hoogte- -en tegelijk haar eindpunt in de canones van Dordrecht 1618/19, in de -confessie en den catechismus van Westminster 1646, in den Consensus -Helveticus 1675, en de Walchersche artikelen 1693. - -32. Maar reeds in de 17e eeuw waren de beginselen aanwezig, die -de Geref. theologie ondermijnden en tot verval brachten. In de -hervormingseeuw was er niet alleen eene Luthersche en Calvinistische -reformatie, maar daarnaast traden nog twee andere partijen op, nl. -de Wederdoopers en de Socinianen, die juist in de Geref. kerk en -theologie in Zwitserland, Nederland, Engeland, Amerika ten allen tijde -van grooten invloed zijn geweest. Zij vertegenwoordigen het mystieke en -het rationeele element in de religie en de theologie. Zie voor de -Wederdoopers en Mennonieten: oudere litteratuur van Luther, Melanchton, -Zwingli, Bullinger, a Lasco, de Bres, Modet, Marnix, Taffin, Caspar -Heydanus, Spanheim, Faukelius, Schotanus, Hoornbeek, Cloppenburg enz. -bij Walch Bibl. Theol. sel. II 13-29, en nieuwere litteratuur van -Arnold, Schenkel, Erbkam, Hase, Halbertsma, Blaupot ten Cate, Hoekstra, -Gorter, Cramer enz. bij Scholten, L. H. K. II 271-308. Voorts L. Keller, -Gesch. der Wiedertäufer u. ihres Reiches in Münster 1880. Goebel, -Gesch. des christl. Lebens u. s. w. I 1849 S. 134 f. Ritschl, Gesch. -des Pietismus I 1880 S. 22 f. J. H. Maronier, Het inwendig woord, Amst. -1890. L. Keller, Die Reformation u. die älteren Reformparteien, Leipzig -1885, verschillende opstellen van Sepp in zijne Geschiedk. Nasporingen, -2 deelen 1872/3 en Kerkhist. Studiën 1885. A. Brons, Ursprung, Entw. -u. Schicksale der Taufgesinnten oder Mennoniten, Norden 1884. Art. -Anabapt. en Mennon. in Herzog². Voor de Socinianen en Unitariërs van -vroeger en later tijd vergelijke men Fock, Der Socinianismus 1847. -Trechsel, Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socin, 2 Bde -1839/44. Art. Socin in Herzog². Harnack, Dogmengesch. III 653-691. - -Het Arminianisme had reeds in de 16e eeuw zijne voorloopers in Coolhaes, -Coornhert, Wiggerts e. a. maar werd in ’t begin der 17e eeuw eene -macht in de kerk. Het kwam in verzet tegen de belijdenis van Gods -volstrekte souvereiniteit op de bekende vijf punten, de praedestinatie, -de voldoening, ’s menschen bedorvenheid, bekeering, en volharding. -Zie hun Remonstrantie, 1610 aan de Staten aangeboden, de Confessio en -de Apologia pro confessione, door Episcopius opgesteld, Opera II 69 -sq. 95 sq.; van de confessie verscheen 1665 eene holl. uitgave door -Uytenbogaert. Arminius, Opera Theologica, Francof. 1631. Uytenbogaert, -Onderwijzing in de christ. religie 1640. Episcopius, Institut. Theol. -Opera I 11 sq. Limborch Theol. Christ. ed. 5a 1730. Curcellaeus, Opera -Theol. Amst. 1675. - -Het Cartesianisme was in principe eene volkomene emancipatie van -alle autoriteit en van alle objectieviteit, en een opbouwen van heel -den kosmos uit het subject, uit het denken. Cogito, ergo sum. Het -verwerpen van alle traditie en de schijnbaar zekere mathematische -methode, langs welke Cartesius tot het bestaan van de wereld, van -God, van den geest besloot, behaagde aan velen. Cartesius kreeg vele -aanhangers, ook onder de theologen. Renerius en Regius in Utrecht; -Raey, Heerebord, Abr. Heydanus in Leiden, en voorts Roell, Bekker, -Joh. v. d. Waeyen, Hautecour, Andala, namen het Cartesianisme over -en droegen het rationalisme in de kerk in. De verhouding van rede -en openbaring werd nu de voornaamste kwestie; de rede emancipeert -zich van de openbaring en tracht hare zelfstandigheid te herwinnen, -A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek, Leiden 1861. Daarbij -kwam nu nog het Coccejanisme, dat inderdaad aan het Cartesianisme -in methode verwant was. Het Coccejanisme was ook eene reactie tegen -de traditioneele theologie en kwam dan ook spoedig tegen het einde -der eeuw met het Cartesianisme in verbond. Het nieuwe in Coccejus † -1669 was niet zijne verbondsleer, gelijk thans algemeen erkend wordt, -want deze komt reeds bij Zwingli, Bullinger, Olevianus enz. en hier -te lande bij Snecanus, Gomarus, Trelcatius, Cloppenburg enz. voor, -maar zijne foederalistische methode. Coccejus’ Summa doctrinae de -foedere et testamento 1648 was eene bijbelsch-historische dogmatiek, -maakte de Schrift niet alleen tot principe en norma maar ook tot -voorwerp der dogmatiek, en plaatste zoo de theologia scripturaria -tegenover de theologia traditiva, het foedus tegenover het decreet, -de historie tegenover de idee, de anthropologische methode tegenover -de theologische; het gevaar dezer methode bestond daarin, dat zij het -eeuwige, onveranderlijke (substantia foederis) neertrok in den stroom -van het tijdelijke, historische (oeconomia foederis) en zoo op God zelf -de idee van het worden overbracht. Maar velen volgden de Coccejaansche -methode, Heydanus, Wittichius, Momma, Burman, Braun, Van der Waeyen, -Witsius, Camp. Vitringa, S. van Til, Joh. d’Outrein, F. A. Lampe e. -a., Diestel, Studien zur Foederaltheol. Jahrb. f. d. Theol. 1865, 2tes -Heft. De strijd van Voetianen en Coccejanen en daarna die van groene -en dorre, vrije en stijve Coccejanen duurde tot diep in de 18e eeuw -voort. Ze eindigde feitelijk met eene overwinning van het Coccejanisme -en het Cartesianisme. De scholastiek had haar tijd gehad, de bloei der -Aristotelische philosophie was voorbij. De meeste katheders werden -met Coccejanen bezet. De komst van Lampe te Utrecht 1720 was eene -overwinning der Coccejanen. De dogmatische handboeken, die nu het licht -zagen, zijn meest Coccejaansch, Melchior, Systema 1685. C. Vitringa, -Korte grondstellingen der Godg. 1688. S. van Til 1704. T. H. v. d. -Honert, Waeragtige wegen Gods 1706. Ravestein 1716, J. v. d. Honert -1735 enz. In hoofdzaak zijn ze nog orthodox, maar ze zijn meest klein van -omvang, vermijden alle scholastiek, en wijken op vele punten al van de -oude voorstelling af. Er rijst twijfel aangaande de bijzondere voldoening, -verkiezing, generatie des zoons (Roell), de triniteit (P. Maty), het -werkverbond (Alting, Vlak, Bekker, enz.), rede en openbaring (Roell). -De Voetianen werden meer en meer teruggedrongen, en trokken zich in de -stilte terug. Marck’s Merch 1686, holl. vert. 1705 en Brakels Redel. -Godsd. 1700 waren de laatste dogmatieken in hun geest, maar ook reeds -gespeend aan de kracht der vroegere. Piëtistische, labadistische, -anti-nomiaansche denkbeelden drongen in hun kringen door, Lodenstein, -Labadie, Koelman, Lampe, Verschoor, Schortinghuis, Eswijler, Antoinette -de Bourignon enz. - -33. En zoo was het verloop der theologie in alle Geref. kerken. -In Frankrijk werd de akademie van Saumur middelpunt van allerlei -opzienbarende stellingen. Camero † 1625 sloot niet alleen in de -ontkenning der toerekening van Christus’ obedientia activa bij Piscator -in Herborn zich aan, maar leerde bovendien, dat de wil altijd het -verstand volgt en dat dus de buiging van den wil in de wedergeboorte -geene physische maar eene ethische daad was. Amyraldus † 1664 Traité -de la prédestination maakte de gewone leer van de voluntas signi, -van het ernstig en welmeenend aanbod der genade tot een afzonderlijk -besluit, dat aan dat der verkiezing voorafging. Hij legde daarmee een -remonstrantschen grondslag onder het Calvinistische gebouw en liep -gevaar om de onmacht des menschen tot ’t geloof tot eene zedelijke te -verzwakken. Cappellus † 1658 beweerde in zijn werk Arcanum punctationis -revelatum, 1624 anoniem uitgegeven te Leiden door Erpenius, dat de -Hebr. punten quoad figuram door de Joodsche geleerden later waren -uitgevonden en in den tekst gevoegd, en lokte tegenspraak uit van -Buxtorf 1648. In zijne Critica sacra 1650 leerde hij, dat de Hebr. -tekst niet ongeschonden was, en in zijn Diatribe de veris et antiquis -Hebraeorum literis 1645 dat ’t Samaritaansche schrift ouder was dan het -Hebr. kwadraatschrift. Placaeus, de statu hominis lapsi ante gratiam -1640 ontkende de onmiddellijke toerekening van Adams zonde. Claude -Pajon † 1685 loochende de noodzakelijkheid van de gratia interna, en -werd bestreden door Jurieu in zijn Traité de la nature et de la grâce -1687. De theologische strijd liep dus in Frankrijk vooral over den aard -der subjectieve genade. Camero beperkte haar tot verlichting des -verstands, Amyraldus maakte de objectieve genade universeel, Pajon -leerde ’t overbodige eener bijzondere subjectieve genade. Het deïsme en -rationalisme werd hierdoor voorbereid. - -In Engeland was er onder de nonconformisten groote verscheidenheid. -De Presbyterianen gingen na de Westminster Synode zoowel in aantal -als in invloed achteruit, en moesten de plaats ruimen voor het -Independentisme, dat reeds in de 16e eeuw werd omhelsd door Robert -Browne, Johnson, Ainsworth en John Robinson † 1625, Works, 3 vol. -London 1851, cf. Ned. Archief v. K. Gesch. v. Kist en Royaards 1848 -VIII bl. 369-407, en tijdens den burgeroorlog in macht en aanzien -toenam. Op de Westminster Synode hadden de Presbyterianen nog de -meerderheid en beschikten de Independenten nog slechts over enkele -stemmen, Thomas Goodwin † 1680, Philip Nye † 1672, Jeremias Burroughs † -1646, William Bridge † 1670, William Carter † 1658, Sydrach Simpson † -1658, Joseph Caryll † 1673 e. a. Maar reeds in Oct. 1658 waren op eene -vergadering te Londen afgevaardigden van meer dan honderd independente -gemeenten aanwezig. Daar werd de Savoy Declaration opgesteld, door -Hoornbeek 1659 in het latijn vertaald en achter zijne Epistola ad Duraeum -de Independentismo afgedrukt, Schaff, Creeds I 820-840 III 707. Hun -voornaamste theoloog was Dr. John Owen 1616-1683, Works, 21 vol. -London 1826; de Doctrina Christiana van Milton werd 1827 te Brunswijk -uitgegeven, Stud. u. Kr. 1879, 4tes Heft. Zie voorts Jos. Fletcher, -History of independency in England since the reformation 4 vol. London -1847-49, en andere litt. bij Schaff, Creeds I 820. Ook het Baptisme kwam -reeds in de 16e eeuw sporadisch in Engeland voor, maar begon toch eerst -sedert 1633 eigen gemeenten te vormen. In 1644 telde het 7 gemeenten -in en 47 buiten Londen. In 1677 gaven de Baptisten eene Confession of -faith, die alleen in de kerkregeering en den doop van de Westminster -confessie en de Savoy Declaration afweek. Op den grondslag van deze -confessie werd in 1693 door William Collins een catechismus opgesteld, -die algemeen werd aangenomen. Van de Calvinistische Baptisten zijn de -General, Arminian of Free-will Baptists onderscheiden. Het Baptisme -vond later vooral in Amerika verbreiding door Roger Williams † 1683. -Voor de dogmatiek heeft het weinig gedaan, maar het heeft in John -Bunjan † 1688, Robert Hall, John Foster, enz. machtige predikers -voortgebracht, Schaff, Creeds I 845-859, III 738-756. J. M. Cramp, -Baptist History from the foundation of the Christ. Church to the close -of the 18 century, Philad. 1868. De periode van den burgeroorlog was -in Engeland op religieus en theologisch gebied een tijd van de grootste -verwarring. Allerlei denkbeelden en richtingen woelden dooreen. -Vroeger werden deze voor even zoovele secten gehouden, maar veel beter -worden ze met Weingarten als nuanceeringen in de ééne groote partij -der Heiligen beschouwd. Arminiaansche, baptistische, chiliastische, -antinomistische, en zelfs libertijnsche gevoelens vonden ingang. Er -heerschte een religieus individualisme. In het Quakerisme bereikte -dit zijn toppunt. De emancipatie van de traditie, de confessie, het -kerkverband voltooit zich daarin, dat ieder geloovige op zich zelf -wordt gesteld, zelfs van de Schrift wordt losgemaakt, en in zich zelf, -in den Geest, in het inwendig licht de bron bezit van zijn religieuse -leven en kennen. Al het objectieve, Schrift, Christus, kerk, ambt, -sacrament wordt ter zijde gesteld; de geloovigen leven uit een eigen -beginsel en onderscheiden zich ook in de maatschappij door eigen zeden, -gewoonten, kleeding, enz. George Fox 1624-1640, Works, 3 vol. London -1694-1706 was stichter van deze secte, Robert Barclay 1648-1690, -Apologia theologiae vere christianae, Amst. 1675 was haar theoloog, -en William Penn 1644-1718 haar staatsman, William Sewel, History of -the rise, increase and progress of the christian people called Quaker, -London 1725. Th. Evans, An exposition of the faith of the religious -society of friends, Philad. 1828. Schneckenburger, Vorles. über die -Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 69 f. Weingarten, -Rev. Kirchen Englands 364 f. Möhler, Symbolik 492 f. Schaff, Creeds I -859-873. Herzog² art. Quäker. - -Al deze individualistische lichtingen baanden den weg voor het Deïsme. -Het realisme van het Engelsche volkskarakter, het nominalisme van Duns -Scotus, Roger Bacon en Willem van Occam, de empiristische philosophie -van Francis Bacon † 1626 hadden het reeds voorbereid. En toen daar nu -in de 17e eeuw de verwarring bijkwam in de religieuse overtuigingen, en -heel Engeland in partijen en secten was verdeeld, ontwaakte bij velen -de gedachte, dat alleen in datgene, wat aan allen gemeen was, het -wezen der religie gelegen kon zijn. Het latitudarisme vond ingang en -liep op het deïsme uit. De rij der deïsten werd geopend door Herbert -van Cherbury † 1648, die in zijn werk de veritate 1624 en de religione -gentilium 1645 het wezen der religie tot vijf waarheden herleidde: -bestaan Gods, vereering Gods, deugd, berouw en vergelding; maar deze -oorspronkelijke, ware en zuivere godsdienst is op allerlei wijze door de -priesters vervalscht. Dit was het program van ’t deïsme. Van daaruit -werd nu vervolgens de strijd tegen de openbaring ondernomen. Locke † -1704, The reasonableness of christianity 1695, droeg aan de rede de -beslissing over de openbaring op. John Toland † 1722, Christianity not -mysterious 1696 sprak uit dat het Christ. niet alleen niets tegen maar -ook niets boven de rede bevatte. Anton Collins † 1729, Discourse on -freethinking 1713 beval het vrije, d. i. ongeloovige denken aan. Thomas -Woolston † 1731 schreef Discourses on the miracles of our saviour -1727-30 en trachtte deze door allegorie te verklaren. M. Tindal † 1733, -Christianity as old as creation 1730 stelde heel de openbaring ter -zijde. Het deïsme eindigde in skepticisme bij Henry Dodwell, Christianity -not founded on argument 1742. En deze skepsis werd op philosophisch -gebied door D. Hume † 1776 voltooid. - -34. Ongeveer 1750 is overal het verval der Geref. theologie ingetreden. -De ontbindende elementen, reeds in de vorige eeuw aanwezig, werken -door en ondermijnen de dogmatiek. Nadat het Coccejanisme hier te lande -de overwinning had behaald, kwam van 1740 tot 1770 het tijdperk der -Toleranten. De kracht der waarheid werd verloochend; van de belijdenis -trok men zich naar de Schrift terug; eigenaardige geref. leerstukken, -erfschuld, werkverbond, bijzondere voldoening, enz. werden losgelaten; -onder schoonen vorm en bijbelschen naam kwamen allerlei remonstrantsche -en sociniaansche dwalingen op. De belijders der Geref. religie leggen -zich hoogstens nog bij het voorhandene neer, maar ze leven er niet -meer in en spreken er niet meer uit. De oude dogmatiek werd een -voorwerp van historische studie. Prof. Bernh. de Moor schreef een -Commentarius perpetuus in Marckii Compendium, 6 vol. Lugd. B. 1761-71, -en Ds. Martinus Vitringa gaf een commentaar op de Doctrina Christ. -religionis van zijn vader Campegius Vitringa, onder den titel Doctrina -Christ. relig. per aphorismos summatim descripta, ed. sexta. Cui nunc -accedit ὑποτυπωσις theologiae elencticae in usum scholarum domesticarum -Campegii Vitringae, curante Martino Vitringa, qui praefationem, -prolegomena et adnotationes adjecit, nec non analysin v. cl. Theodori -Scheltingae, 9 partes, Amst. 1761. Onder de weinigen, die met hart en -ziel aan de oude geref. leer vasthielden en ze met talent verdedigden -en verder ontwikkelden nemen Alex. Comrie † 1774, A. B. C. des geloofs -1739, Eigengesch. des zaligm. geloofs 1744, Verklaring van den Catech. -1753, Brief over de rechtvaardigmaking 1761, cf. Dr. A. G. Honig, Alex. -Comrie, 1892, Nic. Holtius † 1773, Verhandeling over de rechtv. door -het geloof 1750, en J. J. Brahé, Aanmerkingen wegens de vijf Walch. art. -1758 eene eerste plaats in. De beide eersten bonden in hun Examen van -het ontwerp van Tolerantie, in 10 Samenspraken, Amst. 1753-59 den strijd -tegen de Toleranten aan, onder wie de Hoogleeraren J. van den Honert, -J. J. Schultens en Alberti het vooral moesten ontgelden. Naast hen -verdient ook nog J. C. Appelius genoemd te worden, die bekend is door -zijn strijd over het avondmaal, Zedig en vrijmoedig onderzoek, enz. 1763. -Over het avondmaal 1764. Aanmerkingen over het rechte gebruik van het -Evangelie. Vervolg van de Aanmerkingen, enz. De Hervormde leer 1769. - -Maar sedert 1770 nam de zoogenaamde neologie hoe langer hoe meer -aan invloed toe. Het Engelsche deïsme, het Fransche ongeloof en het -Duitsche rationalisme vond hier een vruchtbaren bodem. De revolutie -was een totale keer in de begrippen. De orthodoxie werd in den vorm -van een niet rationalistisch maar rationeel, gematigd, bijbelsch -supranaturalisme overgeleid naar de 19e eeuw, en had als zoodanig haar -voornaamste vertegenwoordigers in P. Chevallier, Schema Institutionum -theol. 1773-75. Br. Broes, Institut. Theol. theor. 1788. J. van Nuys -Klinkenberg, Onderwijs in den godsdienst 12 deelen 1780 v. Samuel van -Emdre, Katechismus der H. Godg. 1780. W. E. de Perponcher, Beschouw. -Godg. 1790 enz., inzonderheid H. Muntinghe, Pars theologiae christ. -theoretica 1800. En evenzoo ging het in andere landen. Frankrijk had -in de 18e eeuw geen eigen geref. theologie meer. De herroeping van -het edict van Nantes bande de beste krachten buiten ’s lands. In de -18e eeuw verwierven Paul Rabaut † 1794 en Antoine Court † 1760, zich -den eerenaam van herstellers der geref. kerk in Frankrijk. De Fransche -predikanten ontvingen hunne opleiding meest in Lausanne, waar een -eigen seminarie was opgericht voor de Fransche studenten naar het plan -van Antoine Court. In Zwitserland kon de Consensus Helvetius 1675 het -rationalisme niet keeren. J. E. Wettstein en zijn zoon in Bazel, J. C. -Suicerus en zijn zoon Henricus in Zurich, Mestrezat en Louis Tronchin -in Genève brachten er al bezwaren tegen in, Schweizer, Centraldogmen -II 663 v.; reeds in 1685 werden er pogingen in het werk gesteld om -haar terzijde te stellen, en in de 18e eeuw werden deze in Genève, -Bazel, Appenzell, Zurich, Bern enz. met goed gevolg bekroond. J. F. -Osterwald, pred. te Neufchatel † 1747 vormt den overgang van de 17e -eeuwsche orthodoxie tot het 18e eeuwsch rationalisme. In zijn Traité des -sources de la corruption, qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens -1700, Catéchisme 1702, Compendium theol. Christ. 1739 klaagt hij over -de doode orthodoxie en de fijn uitgesponnen dogmata, verzwijgt hij vele -leerstukken, bijv. over de verkiezing, en zoekt herleving der moraal. -Met hem vormden J. A. Turretinus † 1737, Opera 3 vol. en S. Werenfels -† 1740, Opuscula, ed. 2. 1739 het Zwitsersche triumviraat. De door hen -vertegenwoordigde gematigde orthodoxie leidde welhaast tot besliste -heterodoxie bij J. J. Zimmermann † 1757. Opuscula 1751-59. J. J. Lavater -† 1759 art. Genève in de Dictionn. Encycl. van Diderot en d’Alembert, -J. Vernet, Instruction Chrétienne 1754. De mathematische methode van -Wolf werd op de theologie toegepast door D. Wyttenbach, Tentamen -theol. dogm. methodo scientifica pertractata, 3 tomi 1747, J. F. -Stapfer, Institut. theol....... ordine scientifico dispositae, 5 vol. -1743, Grundlegung zur wahren Religion Zurich 1751-52, Bernsau, later -prof. te Franeker, Theol. dogmatica, methodo scientifica pertractata -1745-47, in Duitschland door Ferdinand Stosch † 1780, Summa paedagogiae -scholasticae ad praelectiones academicas in theologiam revel. dogm. -1770, Sam. Endemann prof. te Marburg Instit. theol. dogm. 1777 en Sam. -Mursinna prof. te Halle, Compendium theol. dogm. 1777. In Engeland -werd de dogmatiek schier geheel in beslag genomen door de kwestiën -over voorspelling, wonder en openbaring, die door het deïsme aan de -orde waren gesteld. Ofschoon de apologetiek dikwerf rationalistisch -gekleurd was, had ze toch vele en onder hen ook sommige uitnemende -vertegenwoordigers, Samuel Clarke † 1729, Nathan Lardner † 1768, Joseph -Butler † 1752, Richard Bentley, William Whiston, Arthur Ashley Sykes, -Thomas Sherlock † 1761, Daniël Waterland † 1742, John Coneybeare, John -Leland, James Foster, William Warburton † 1779, Richard Watson † 1816, -William Paley † 1805, Evidences of Christianity 1794. Natural Theology -1802 enz. Onder de dogmatische werken, die in deze periode het licht -zagen, zijn de voornaamste die van Hutchinson, waarvan een uittreksel -gegeven wordt in A letter to a bishop concerning some important -discoveries in philosophy and theology 1735; van Stackhouse † 1752, -A complete body of speculative and practical divinity 1709, holl. -vert. 1758, Isaac Watts † 1748 bekend niet alleen door zijne geestelijke -liederen en logika maar ook door zijn catechismus 1728, Philipp -Doddridge † 1751, Rise and progress of religion in the soul 1745, e. a. -Onder de Schotsche Godgeleerden in de 18e eeuw treden op den voorgrond -Thomas Boston † 1732, A complete body of divinity, 3 vol. 1773, -Fourfold State, holl. vert. 1742, A view of the covenant of grace, -holl. vert. van Comrie 1741; Adam Gib, en de eerste vijf Seceders, -Fisher, Wilson, Moncrieff en de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine, -wier werken ook in ’t holl. zijn vertaald, nieuwe uitgave, Amst. 1856. -Van belang was de zoogenaamde Marrow controversy, die in 1717 begon -naar aanleiding, dat het werk van den Independent Edward Fisher, The -marrow of modern divinity, verschenen in 1647, opnieuw in Schotland -werd uitgegeven. De neonomiaansche strijd, die in de vorige eeuw in -Engeland was gestreden, werd daardoor naar Schotland overgeplant. Het -boek werd aangevallen door Principal Hadow van St. Andrews in een -werk, getiteld The antinomianism of the marrow detected 1721. Men -beschuldigde de „Marrow divines”, onder wie Boston de voornaamste was, -van antinomianisme, maar hield zichzelf van neonomianisme niet vrij. De -General Assembly veroordeelde sommige stellingen in het Marrowboek als -dwalingen; wat mede aanleiding gaf tot de scheiding van de Erskine’s, -die zich aan de zijde van Boston hadden geschaard. Het neonomianisme -was de voorbereiding voor het rationalisme, dat langzamerhand ook in -de theologie en kerk van Schotland doordrong en in mannen als Simpson, -Mc. Laurin e. a. reeds duidelijk merkbaar is, Walker, The Theology and -theol. of Scotland p. 25 v. 39 v. 53 v. James Buchanan, The doctrine of -justification 1867 p. 182-188. Merle d’Aubigné, Duitschland, Engeland -en Schotland, Rotterdam, 1849. - -35. In den aanvang der 19e eeuw verkeerde de Geref. theologie bijna -overal in een droevig verval. In den vorm van het supranaturalisme -werd de theologie hier beoefend door Van der Palm, Van Voorst, Borger, -Clarisse, Kist, van Hengel te Leiden, door Abresch, Chevallier, -Muntinghe, Ypey te Groningen, Heringa, Royaards, Bouman, Vinke te -Utrecht, door vele bekwame en voorname predikanten Dermout, Broes, -Donker Curtius, van Senden, Egeling enz. en door vele verhandelaars -in het Stolpiaansch legaat 1756, Teylers Genootschap 1778 en het -Haagsch Genootschap 1787. Deze supranat. richting wilde rationeel -zijn, niet rationalistisch in den zin van Wegscheider, Röhr, Paulus, -ze handhaafde de openbaring en betoogde hare noodzakelijkheid, -mogelijkheid en waarheid op allerlei rationeele en historische gronden. -Ze wilde bijbelsch zijn en was anticonfessioneel, antiphilosophisch, -anticalvinistisch; ze kreeg een dogmatiek, die deïstisch was in de -theologie, pelagiaansch in de anthropologie, moralistisch in de -Christologie, collegialistisch in de ecclesiologie, en eudaemonistisch -in de eschatologie. Ze werd in de noordelijke provinciën des lands -ongeveer 1835 vervangen door de Groninger theologie, die op het -voetspoor van de Socratische wijsbegeerte van Van Heusde † 1839 de -idee van openbaring en leer verving door die van opvoeding, en -dus een ethisch element in de verhouding van God en mensch opnam. -God was hier niet in de eerste plaats Leeraar, maar de groote -Opvoeder, die door natuur en geschiedenis, door den persoon en de -kerk van Christus de menschen als zijne kinderen opleidde tot wijze -en vrome christenen, tot Godegelijkvormigheid. De bestrijding, die ze -ondervond van orthodoxe, straks ook van moderne zijde, en de innerlijke -ontwikkeling tot Evangelische richting maakten, dat ze ongeveer 1850 -plaats moest maken voor de Moderne Theologie. Deze kwam op met -Opzoomer die hoogleeraar te Utrecht werd in 1845 en de empiristische -philosophie van Mill en Comte toepaste op den godsdienst. Hij kwam tot -het antisupranaturalisme. Scholten gaf in zijne Leer der Hervormde -Kerk ten slotte eene moderne dogmatiek onder gereformeerde vlag. En -Kuenen trad op als voorstander der evolutie op het gebied der Oudtest. -Schrift. Er was dus langzamerhand eene ontwikkeling op theologisch -gebied naar het ongeloof heen; de moderne theologie heeft geen -dogmatiek meer. Tegenover deze negatieve richtingen kwamen echter in -deze eeuw op in ons vaderland de positieve richtingen van den Reveil -en de afscheiding, van de Utrechtsche en de ethisch-irenische school -en eindelijk van het Calvinisme, dat er naar streeft om ook theologisch -een eigen positie te veroveren. Zie verder mijn opstel over de Gesch. -der theol. in Nederland, Presb. and Ref. Review April 1892, en Tijdschr. -voor Geref. Theol. Juni en Juli 1894 bl. 161 v. en de daar opgegeven -litteratuur. In Duitschland is de Geref. theologie hoe langer hoe -verder achteruitgegaan. De Geref. kerk had in Duitschland een breed -terrein veroverd. Haar theologie werd beoefend in Heidelberg, Duisburg, -Marburg, Frankfurt a/O, Herborn, Bremen, Halle. Zoo bleef het tot het -midden der 18e eeuw. Maar toen kwam de Aufklärung, in 1817 de Union, -vervolgens de invloed der wijsbegeerte van Kant, Schleiermacher enz, -en al deze oorzaken hebben de Geref. kerk en theol. in Duitschland -geheel tot verval gebracht. Wel kwam er in het begin dezer eeuw eenige -ontwaking ook van het Geref. bewustzijn, bij Krafft in Erlangen, G. D. -Krummacher in Elberfeld, Geibel in Lübeck, Mallet in Bremen enz. Maar -deze was toch niet sterk genoeg. Zelfs mannen als Ebrard † 1888 in -Erlangen, Heppe † 1879 in Marburg hebben door hun Melanchtonianisme -aan de Geref. zaak groote schade toegebracht. Alleen Wichelhaus † -1858 in Halle, Karl Südhoff † 1865 in Frankfurt a/M., Böhl in Weenen, -Dr. A. Zahn in Stuttgart, O. Thelemann in Detmold, Kohlbrugge † 1875 -in Elberfeld e. a. stelden zich beslist op den grondslag der Geref. -confessie. Thans is er in Duitschland geen enkele theol. Universiteit -of school, en geen enkel theol. professor van Geref. belijdenis meer, A. -Zahn, Die Ursachen des Niederganges der ref. Kirche in Deutschl. Barmen -1881. Id. Abriss einer Gesch. der ev. Kirche auf dem europ. Festlande -im 19 Jahrh. Stuttgart 3e Aufl. 1893, 12tes Kapitel. - -36. In Zwitserland en Frankrijk kwam er herleving door den Reveil, die -van uit Schotland daar werd overgeplant. De Reveil, (cf. Wagenaar, Het -reveil en de afscheiding, die bl. 40 litt. opgeeft. H. von der Goltz, -Die reform. Kirche Genfs im 19. Jahrh. Bazel u. Genf 1862. Léon Maury, -Le réveil religieux dans l’église réformée à Genève et en France, -Paris, Fischbacher 2 vol. 1892. W. van Oosterwijk Bruijn, Het Reveil -in Nederland, Utrecht 1890. Pierson, Oudere Tijdgenooten 1888) was -eene machtige, geestelijke beweging, maar was van huis uit onkerkelijk -en anticonfessioneel. Hij stond op algemeen-christelijken grondslag en -kenmerkte zich verder door zijn individualistisch, aristocratisch, -methodistisch en philanthropisch karakter. In Zwitserland legde hij -vooral op twee dogmata, de verkiezing (Cesar Malan † 1864. Biographie -door Malan Jr. Amst. Höveker 1874) en de inspiratie (Merle d’Aubigné -† 1872. Gaussen † 1863) nadruk. Maar Alexander Vinet 1797-1847, in -1822/’23 onder invloed van den Reveil gekomen, ging theologisch van -eene andere gedachte uit. Het levensbeginsel van zijn geloof en zijne -theologie was de harmonie van Christendom en geweten. Daardoor kwam -hij er toe, om zoo sterk aan te dringen op het verband van dogma en -moraal, op de ethische zijde der waarheid; daardoor kwam hij tot zijn -synergisme en tot verwerping der verkiezing enz. Vinet bleef echter tot -den einde toe aan de hoofdwaarheden van het Christendom vasthouden, -Dr. J. Cramer, Alex. Vinet als christ. moralist en apologeet geteekend -en gewaardeerd, Leiden, Brill 1883, en de daar bl. 6 aangeh. litt. -Veel verder ging echter zijn leerling E. Scherer, die eerst streng -orthodox was maar allengs met zijn verleden brak, en in volslagen -ongeloof zijn leven eindigde. Sedert kwam er in Frankrijk en Zwitserland -een liberaal Protestantisme, Pécaut Le Christ et la conscience, Paris -1859, Martin-Paschoud, Réville; Cougnard, Buisson. Zoo stonden er twee -richtingen, eene liberale en eene evangelische, tegenover elkaar. -Maar onder de laatste werkten de beginselen van Vinet door, later nog -gesteund door den invloed van Ritschl. Er zijn thans drie richtingen -te onderscheiden: eene liberale of linkerzijde, Bouvier in Genève; -eene bemiddelende richting, Pressensé, Astié, Sécrétan, Sabatier, -Leopold Monod, Chapuis, Dandiran, Lobstein; en eene evangelische, -gematigd-orthodoxe, Godet vader en zoon, Porret, Berthoud, Martin, -Doumergue, Bertrand, H. Bois, Gretillat. De strijd tusschen deze -twee richtingen loopt thans vooral over twee vragen. De eene raakt -de autoriteit in zake de religie, of deze n.l. ligt in de Schrift, -in Christus of in rede en geweten. De tweede geldt den persoon van -Christus, of hij n.l. waarachtig God is of door kenose zich ontledigd -heeft of ook slechts een mensch is, gradueel van ons verschillend, cf. -Gretillat in The Presb. and Ref. Review, July 1892 en July 1893. - -37. Een overzicht van de theologie in Engeland en Schotland wordt -gegeven door Pfleiderer, Die Entw. der prot. Theol. in Deutschl. seit -Kant u. in Grossbritt. seit 1825, Freiburg 1891, S. 386 f. Ad. Zahn, -Abriss einer Gesch. der ev. Kirche im britischen Weltreich im 19 Jahrh. -Stuttgart 1891. Dr. Carl Clemen, Der gegenwärtige Stand des relig. -Denkens in Grossbrittannie, Stud. u. Krit. 1892, 3tes Heft S. 513-548. -G. Elliott, Bilder aus dem kirchl. Leben Englands, Leipzig Akad. -Buchhandlung. G. d’Alviella, L’évolution relig. chez les Anglais, les -Americains et les Hindous 1884. Walker, Present theological drifts in -Scotland, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893. Het godsdienstig Engeland, -gelijk wij het heden kennen, is een werk van het Methodisme. John Wesley -1703-1791 was geen wetenschappelijk theoloog, maar een machtig prediker, -die het evangelie individualiseerde, en tot een levensvraag maakte voor -ieder mensch cf. J. Wedgwood, John Wesley and the evangelical reaction -of the eighteenth century 1870. Het door hem en George Whitefield -1714-1771 opgekomen Methodisme was niet in de eerste plaats eene -afwijking van een of ander der 39 artikelen, maar het concentreerde heel -de waarheid der religie om twee middelpunten, n.l. om de plotselinge, -bewuste ervaring van schuld en genade, d. i. om de persoonlijke -bekeering, en ten tweede om de openbaring van dat nieuwe leven in -een geheel nieuwen vorm, daarin bestaande dat men uitging op het -bekeeren van anderen, van verschillende adiaphora zich onthield en de -christelijke volmaaktheid reeds in dit leven voor bereikbaar hield. Deze -eenzijdigheid leidde er toe dat allengs verschillende dogmata werden -bestreden, gewijzigd of van ondergeschikte waarde werden beschouwd; cf. -over het Methodisme het art. van Schoell in Herzog². Saussaye, Godsd. -Bewegingen 109 v. Möhler, Symbolik § 75-76. Schneckenburger, Vorles. -über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 S. -103-151. Kolde, der Methodismus u. seine Bekämpfung, Erlangen 1886. -Id. Die Heilsarmee ib. 1885, holl. vert. van Dr. A. W. Bronsveld. Het -Methodisme heeft een onberekenbaren invloed geoefend, op Independenten, -Baptisten, Presbyterianen, Anglikanen; Wesley is de herschepper van -het Engelsche en Amerikaansche Protestantisme geweest, de revivals zijn -sedert niet meer uit de Prot. kerken geweken, hij was de Archbishop -of the Slums, de vader van de inwendige zending, de stichter van het -christelijk socialisme. Het Methodisme was echter in hoofdzaak beperkt -tot het volk. In de hoogere kringen, in politiek, philosophie, letteren -bleef het koude liberalisme heerschen. Daartegen kwam reactie door -de romantiek, (W. Scott, Southey, S. T. Coleridge † 1834), welke -op kerkelijk en theologisch gebied werd overgeplant in de Oxforder -beweging. Deze beweging heeft de hoogkerkelijke partij, die al van de 16e -eeuw af bestond, aanzienlijk versterkt, en de Roomsche leer en ritus -in de Anglikaansche kerk krachtig bevorderd. Cf. art. Traktarianismus -in Herzog². Ook de schrijvers van Lux Mundi 1890, Canon Holland, -Moore, Illingworth, Talbot, C. Gore e. a. trachtten het Puseyisme te -vernieuwen en de christelijke dogmata plausibel te maken, door ze te -plaatsen in het licht van den nieuweren tijd. Naast de hoogkerkelijke is -de breedkerkelijke partij opgetreden, die reeds in de 17e en 18e eeuw -werd voorbereid door het Latitudinarisme, en in deze eeuw uitnemende -vertegenwoordigers kreeg in Thomas Arnold † 1842, Hampden † 1868, -F. D. Maurice † 1872, Ch. Kingsley † 1874, Whately † 1863, F. W. -Robertson † 1853, A. P. Stanley † 1881. Afkeerig van het Methodisme -der laagkerkelijke partij, hebben zij allen op ernstige en edele wijze -gestreefd naar eene verzoening van Christendom en cultuur. De kerk -moest naar hunne overtuiging eene opvoedingschool van het volk worden; -de religie moest zich verzoenen met al het ware, goede en schoone, -waar het ook te vinden was; en het Christendom moest vooral in de -zedelijke vernieuwing der maatschappij zijne kracht openbaren. Dit breede, -tolerante standpunt vond hoe langer hoe meer instemming. De opkomst -en voortgang van het ritualisme, de velerlei secten en richtingen, de -nood der lagere maatschappij en vooral ook het Higher Criticism, dat -reeds met bisschop Colenso zijn intrede in de Engelsche wereld deed, en -dan door Rob. Smith, T. K. Cheyne, S. R. Driver gepropageerd werd, -hebben aan de breedkerkelijke richting de overhand verschaft. Een van de -voornaamste woordvoerders in den tegenwoordigen tijd is F. W. Farrar, -deken der Westminster Abbey. Maar lang niet alleen in, ook ver buiten -de Staatskerk wordt dit breede standpunt thans door velen ingenomen. -Onder de voornaamste woordvoerders behooren thans de Baptist J. -Clifford; de Congregationalisten E. W. Dale, The old Evangelicalism and -the new 1889, Dr. Joseph Parker te Londen, Dr. Fairbairn van Mansfield -College, The place of Christ in modern theology, cf. Theol. Stud. van -Dr. Daubanton, Mei, Juni 1894; de Presbyterianen Prof. Henry Drummond, -The natural law in the spiritual world, Summum bonum enz. Marcus Dods, -A. B. Bruce, Apologetics, or Christianity defensively stated, Edinburgh -Clark 1892. James Lindsay, The progressiveness of modern Christian -thought, Edinb. Blackwood 1892. Horton, Inspiration and the Bible Rev. -J. B. Heard, Alexandrinian and Carthaginian Theology Edinb. Clark, -Hulsean lectures, Prof. Edw. Caird, The evolution of religion, 2 vol., -James Orr, The Christian view of God and the world, as centring in the -incarnation, Edinb. Elliot. 1893, cf. mijn opstel, Theol. Stud. van Dr. -Daubanton 1894. En voorts nog Flint, Milligan, Gloag in de Establ. -Church van Schotland, Brown, Rainy, Davidson, Salmond, Laidlaw, G. -A. Smith, in de Free Church, Cairns, Muir, Thomson, J. Smith in de -United Presbyt. enz. Behalve door haar christologisch uitgangspunt, dat -alles concentreert rondom de incarnatie, kenmerkt zich deze richting -nog door haar unieerende tendenz. De kerkelijke verschillen worden -uitgewischt of als van geringe beteekenis voorgesteld; practisch werkt -men met mannen van allerlei kerk en richting saam; en theoretisch -streven velen zelfs naar vereeniging van alle Protestantsche kerken, -zooals b.v. J. Clifford. W. T. Stead gaat zeker wel het verst, als hij -op eene „kerk der toekomst” hoopt, die de gansche sociale hervorming -leiden, heel de cultuur, tot zelfs de theaters toe, in zich opnemen -en alle menschen omvatten zal. Dikwerf gaat dan hiermede nog gepaard -de hope op eene wederherstelling aller dingen aan gene zijde van het -graf; zie van de rijke litteratuur alleen The wider Hope, Essays and -Strictures on the doctrine and literature of future punishment by -numerous writers, lay and clerical, London, Fisher Unwin 1890. Het -strenge Calvinisme verliest bij den dag aan terrein. Hier en daar wordt -het nog gehandhaafd, in de Schotsche Hooglanden, in Wales enz., maar -van eene wetenschappelijke beoefening en verdediging is geen sprake -meer. Daarentegen breidt de leer der evolutie zich in Engeland bij -den dag uit. Nadat het Deisme alreede de wonderen, de voorspellingen -en de openbaring aan eene geduchte kritiek had onderworpen, heeft -onder invloed van de afstammingsleer van Darwin, het agnosticisme van -Spencer, het empirisme van Stuart Mill en het materialisme van Tyndal, -Huxley, Evolution and ethics 1893 cf. Tijdspiegel, April 1894 dit -religieuse ontbindingsproces zich nog verder voortgezet. De kritiek -der christelijke dogmata kreeg een ongedachten, sterken steun van -Edwin Hatch, The organisation of the early christ. churches 1881, The -influence of Greek ideas and usages upon the christ. church, Hibbert -lectures 1888, die evenals reeds Hampden voor hem in zijn The scholastic -philosophy in relation to christ. theology 1832 de dogmata verklaarde -uit de verbinding van de heidensche wijsbegeerte met het oorspronkelijk -Christendom. Het Unitarisme, dat in 1773 zijne eerste gemeente stichtte -en thans in James Martineau, A study of religion, its sources and -contents 1888, The seat of authority in religion 1890 een uitnemend -woordvoerder bezit, wint gaandeweg aan invloed. Velen hebben zelfs met -het Christendom geheel gebroken, G. Eliott, Ch. Bradlaugh, A. Besant, -W. St. Ross, Morley, J. C. Morison, cf. Ch. Bradlaugh, A. Besant and -Ch. Watts, The freethinkers textbook 1876; en zoeken hunne religieuse -bevrediging in Buddhistische theosophie (Mevr. Blavatzky, A. Besant), -in de moraal (M. Arnold, Literature and dogma 1873, God and the Bible -1875, die de religie omschreef als morality touched with emotion en God -als the eternal power, not ourselves, which makes for righteousness), -of in een gezelschap voor ethische cultuur, (opgericht 1876 in Amerika, -1886 in Engeland. W. M. Salter, Die Religion der Moral, deutsch von G. -von Gizycki, Leipzig 1885) of zelfs in het Mohammedanisme, waarvoor in -1891 in Liverpool eene moskee werd geopend. - -38. Voor de geschiedenis der dogmatiek in Amerika kan men o. a. -raadplegen Encyclopedia of living divines and Christian Workers -of all denominations in Europe and America. Being a supplement to -Schaff-Herzog, Encyclopedia of religious knowledge. Edited by -Rev. Ph. Schaff and Rev. S. M. Jackson, New-York 1887. Adolf Zahn, -Abriss einer Gesch. der Evang. Kirche in Amerika im 19 Jahrh. -Stuttgart 1889. Fr. Nippold, Amerik. Kirchengeschichte seit der -Unabhängigkeitserklärung der Ver. Staaten, Berlin 1892. Alle kerken -zijn uit Engeland en andere landen van Europa successief in Amerika -en Canada overgeplant. De Episcopaalsche kerk is de oudste en rijkste -en dagteekent al van de immigratie in Virginia in 1607. De Dutch -Reformed Church is er gevestigd sedert de ontdekking van den Hudson -en van Manhattan Island 1609. De Independenten of Congregationalisten -landden het eerst te Plymouth 1620. De Kwakers werden door William -Penn in 1680 naar Pennsylvanie geleid. De Baptisten kregen vasten voet -in Amerika op Rhode Island door Roger Williams 1639. De Methodisten -vonden er ingang door Wesley 1735 en Whitefield 1738. De Duitsche -kerken, zoowel de Luthersche als de Geref. werden er gevestigd sedert -het midden der vorige eeuw. De Presbyteriaansche kerken zijn er in -verschillende groepen verdeeld. Eene schets van de Presbyt. theologie -geeft Prof. Schaff in zijn Theological Propaedeutic, 2 parts, New-York -1892 ’93, II p. 374-405, en in The Independent, New-York vol. 45 -N°. 2321, 2324, 2329 en 2330. Voor het Congregationalisme zie men -Congregationalists in America, ed. by Dr. Albert E. Dunning, New-York, -Hill and Co. 1894. Bijna al deze kerken en richtingen in kerken waren -van Calvinistischen oorsprong. Van alle godsdienstige bewegingen is -het Calvinisme in Amerika de krachtigste geweest. Het is niet tot -eene of andere kerk beperkt, maar is onder allerlei wijziging het -bezielend element in de Congregat. Bapt. Presbyt. Holl. en Duitsch -Geref. kerken enz. Van alle kanten werd het in Amerika gebracht, uit -Engeland, Schotland, Frankrijk, Holland, Duitschland. Het vormde het -karakter van New-England gedurende de koloniale periode 1620-1776. Er -moet echter onderscheiden worden tusschen het Puriteinsche Calvinisme, -dat vooral uit Engeland kwam en in New-England ingang vond, en het -Presbyteriaansche Calvinisme, dat van uit Schotland in de Zuidelijke, -Midden en Westelijke Staten werd ingevoerd. Beide vormen van Calvinisme -hadden tot basis de Westminster confessie van 1647, maar in beide kwam -ook weldra een strijd tusschen eene oude en eene nieuwe school. De -eerste en voornaamste theoloog van New-England was Jonathan Edwards -1703-1758, art. in Herzog², biographie door Prof. A. V. G. Allen, bij -Houghton, Miffin and Comp. New-York, 1e deel van American religious -leaders. Zijne werken zijn in 4 deelen uitgegeven te New-York, Carter -and Brothers 1881. Hij verbond diepe metaphysische denkkracht met eene -ernstige vroomheid. In 1734, nog vóór de komst van Wesley in Amerika, -had er in zijne gemeente te Northampton eene merkwaardige opwekking -plaats; en later heeft hij met zijn vriend Whitefield dergelijke revivals -meermalen geleid en verdedigd. Theologisch voerde hij den strijd vooral -tegen het Arminianisme, dat door de geschriften van Daniel Whitby and -John Taylor in New-England doordrong. Hij trachtte het Calvinisme door -zijne metaphysische en ethische speculaties te versterken, maar heeft -het toch feitelijk door zijne onderscheiding van natuurlijke en zedelijke -onmacht verzwakt. Hij werd de vader van de Edwardianen, New-Theology -Men, New-Lights, zooals ze genoemd worden, die wel de Calvinistische -leer van Gods souvereiniteit en uitverkiezing handhaafden, maar -daarmede vereenigden de verwerping van de erfschuld en de algemeenheid -der verzoening, evenals de Saumursche theologen dat in Frankrijk deden. -Zijn zoon Jonathan Edwards 1745-1801 droeg in de leer der voldoening -in ’t wezen der zaak de theorie van Grotius voor. Samuel Hopkins, een -leerling van Edwards 1721-1803, wiens werken in 1852 te Boston door -Prof. Park van Andover werden uitgegeven, schreef een systeem der -Godgeleerdheid, waarin hij het stelsel van Edwards teruggaf en vooral de -belangelooze liefde tot God uitwerkte in den zin van Fénélon en Madame -Guyon. Nathaniel Emmons 1745-1840, Works, Boston 1842 was een van de -voornaamste verdedigers van het Hopkinsianisme. Bij Timothy Dwight -1752-1817, Nathaniel W. Taylor 1786-1858 werd het systeem van Edwards -in pelagiaanschen zin gewijzigd. En het leidde in den tegenwoordigen -tijd te Andover, onder leiding van Dr. Egbert C. Smyth, hoogl. in -kerkhistorie, tot verdediging van eene progressieve orthodoxie en tot -de leer van the future probation. De Old School in de theologie van -New-England was vooral gerepresenteerd door Dr. Bennet Tyler 1783-1858, -en Dr. Leonard Woods 1774-1854, die het oude Calvinisme verdedigden. -Het Puritanisme heeft echter meer en meer de standaards van Dordrecht -en Westminster verlaten. Op de synode van de Congregat. kerken in -Amerika, te St. Louis 1880, werd eene nieuwe confessie van 12 artikelen -voorbereid, waarin de kenmerkend Geref. leerstukken zijn weggelaten. - -39. De theologie in de Presbyt. kerken in Amerika heeft een parallel -verloop gehad. Ook hier kwam scheuring niet alleen onder de theologen, -tusschen de Old Lights en de New Lights, maar ook in de kerken tusschen -de Synode van Philadelphia en New-York 1741-1758. Een van de eerste -theologen was John Dickinson 1688-1747, wiens voornaamste werk eene -verdediging is van de vijf artikelen tegen de Remonstranten. De Old -School vond vooral steun in Princeton college, gesticht 1812, en -werd daar vertegenwoordigd door Dr. Archibald Alexander 1772-1851, -Dr. Charles Hodge 1797-1878, Systematic Theology London and Edinb. -Nelson 1873 3 vol. en diens zoon en opvolger Archibald Alexander -Hodge 1823-1886, Outlines of Theology, ed. by W. H. Goold. London, -Nelson 1866. Evangelical Theology, ib. 1890. De zoogenaamde Princeton -Theology is in hoofdzaak eene reproductie van het Calvinisme der -17e eeuw, gelijk het neergelegd is in de Westminster confessie en -den Consensus Helveticus en vooral uitgewerkt is door F. Turretinus -in zijne Theol. Elenctica. Hetzelfde systeem wordt ook voorgestaan -door de Zuidelijke theologen James H. Thornwell 1812-1862, Robert -J. Breckinridge 1800-1871 en Robert L. Dabney. Een van de jongste -representanten der Old School, is W. G. T. Shedd, sedert 1890 emeritus -professor van Union Seminary te New-York, Dogmatic Theology, 2 vol. -New-York, Scribner 1888. Tusschen Hodge en Shedd is er echter een -merkwaardig onderscheid. De eerste is foederalist en creatianist, de -tweede is realist en traducianist. Beide echter stemmen daarin weer -overeen, dat ze de verkiezing zeer ruim opvatten en daaronder ook alle -jongstervende kinderen opnemen. De New Lights weken van de Oude School -af, behalve in het gezag der algem. synode, de revivals, de unie met -de congregationalisten enz. vooral ook in zake de erfschuld en de -bijzondere voldoening, waarbij later nog gekomen zijn de inspiratie der H. -Schrift en de eschatologie. Vertegenwoordigers dezer nieuwe richting -waren Albert Barnes 1798-1870, Lyman Beecher 1775-1863 en Thomas H. -Skinner 1791-1871, die echter geen van drie een theol. systeem hebben -nagelaten. Barnes en Beecher werden van ketterij aangeklaagd maar -vrijgesproken. Toch kwam het opnieuw tot eene scheuring in de kerken in -1837, toen de Oude School de meerderheid in de Algemeene Synode kreeg -en vier synoden van de gemeenschap afsneed. In 1869 werden ze echter -wederom vereenigd vooral door den invloed van het Union Theol. Seminary -te New-York, gesticht in 1836. Hier werd de dogmatiek gedoceerd door -Dr. Henry B. Smith 1815-1877, System of Christian Theology, ed. by W. -S. Karr, 4 ed. New-York Armstrong 1890, die tusschen Oude en Nieuwe -School eene bemiddeling zocht in het christocentrische standpunt. -Een zijner leerlingen, Lewis French Stearns † 1892 schreef Present -day Theology, en staat daarin al de nieuwere denkbeelden voor over -inspiratie, voorzienigheid, kenosis, praedestinatie, zaligheid. Een -ander Hoogleeraar in Union Seminary, Dr. Charles Briggs werd in 1892 -aangeklaagd van heterodoxie, wijl hij de rede voor bron houdt, dwalingen -in de Schrift aanneemt, het Higher Criticism erkent, The Bible, the -Church and the reason; Messianic prophecy; Inspiration and inerrancy -enz., en in 1893 door de General Assembly veroordeeld. Maar daarmede is -de crisis niet uit. De Geref. kerken in Amerika doorleven een moeilijken -tijd. De dogmata van de onfeilbaarheid der H. Schrift, van de triniteit, -van den val en de onmacht des menschen, van de bijzondere voldoening, -van verkiezing en verwerping enz. worden heimelijk ontkend of open -bestreden. De revisiekwestie is wel tijdelijk in de Presbyt. kerk van -de baan, maar komt toch waarschijnlijk wel weer aan de orde. Het heden -schijnt voor den bloei van de Geref. theologie niet gunstig te zijn, cf. -mijn opstel The future of Calvinism, Presb. and Ref. Review Jan. 1894. - - - - -DEEL I. - -PRINCIPIA DER DOGMATIEK. - - - - -HOOFDSTUK I. - -Principia in het algemeen. - - -§ 6. BETEEKENIS DER PRINCIPIA. - -1. Volgens Simplicius, den neoplatonischen commentator van Aristoteles, -Phys. 32 en evenzoo volgens Hippolytus in zijne Refutatio omnium -haeresium I 6, cf. H. Ritter et L. Preller, Historia philos. graecae -1886 p. 16, 17, was Anaximander de eerste, die den grond der dingen, -waarvoor hij het ἀπειρον hield, aanduidde met den naam van ἀρχη. -Misschien gaf hij echter daarmede alleen nog te kennen, dat het -ἀπειρον de aanvang en het eerste van alle dingen was, Ed. Zeller, Die -Philosophie der Griechen, 4e Aufl. I 203. Maar in de philosophie van -Plato en Aristoteles kreeg dit woord de beteekenis van laatste oorzaak -der dingen. Aristoteles verstaat onder ἀρχαι in het algemeen de eerste -dingen in eene reeks, en dan vooral de eerste oorzaken, die uit geen -andere zijn af te leiden; hij geeft Metaph. V. 1. 1013, a, 17 deze -definitie: πασων μεν οὐν κοινον των ἀρχων το πρωτον εἰναι ὁθεν ἠ ἐστιν -ἠ γινεται ἠ γιγνωσκεται, id unde aliquid est aut fit aut cognoscitur. -Zulke oorzaken nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van het -zijn en van het bewustzijn, in de metaphysica en in de logika. Het zijn -der dingen werd door hem uit vier ἀρχαι afgeleid, nl. ὑλη, εἰδος, ἀρχη -της κινησεως en τελος, Phys. II, 3, 194_{b}, 16 enz. Maar evenzoo nam -hij zulke laatste oorzaken in de logika aan. Aristoteles merkte nl. -op, dat er lang niet van alles een bewijs kan gegeven worden; van vele -zaken toch hebben we niet een middellijk weten door bewijsvoering maar -een onmiddellijk weten door de rede. De bewijzen zelve moeten, om niet -een regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen, -die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het ook niet -behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles ἀρχαι ἀποδειξεως, ἀρχαι -συλλογιστικαι, ἀρχαι ἀμεσοι, of ook wel als algemeene onderstelling -van alle bewijsvoering ἀξιωματα, Anal. post. I 2, 72a, 7, enz. en -hij zegt er daar zelf van: λεγω δ’ ἀρχας ἐν ἑκαστῳ γενει ταυτας, ἁς -ὁτι ἐστι μη ἐνδεχεται δειξαι. In denzelfden zin werd het latijnsche -principium gebezigd. Cicero spreekt b.v. van rerum principia Acad. IV -36, principia naturae Off. III 12, principia naturalia Fin. II 11, -principium philosophiae Nat. D. I 1, principia juris Leg. I 6, enz. -In overeenstemming met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles -werd nu later in de logika drieërlei principium onderscheiden, -principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het zijn, -de wording of de kennis van eenig ding uit iets anders moest worden -afgeleid. Van principium was causa dan weder zoo onderscheiden, dat -causa het principium aanduidde als influxu suo determinans aliquid -sibi insufficiens ad existendum, en als tempore of ten minste natura -prius dan de zaak die zij veroorzaakte. Causa is dus een bijzondere soort -van principium; alle causa is principium, maar niet alle principium -is causa, J. F. Buddeus, Elementa philosophiae instrumentalis, ed. 5a -1714, I p. 140 sq. 288 sq. Liberatore, Instit. philos. ed. 8a Romae -1855 I 217. - -2. Ook in de Theologie werd dit spraakgebruik overgenomen. In de H. -Schrift heeft ἀρχη niet alleen dikwerf temporeele Marc. 1:1, Joh. 1:1 -enz., maar ook enkele malen causatieve beteekenis. In de LXX heet -de vreeze des Heeren de ἀρχη της σοφιας Spr. 1:7, en in Apoc. 3:14 -en Col. 1:18 wordt Christus de ἀρχη der schepping en der opstanding -genoemd. De kerkvaders spreken dikwerf van den Vader als ἀρχη, πηγη, -αἰτιον van Zoon en Geest, Athan. C. Arianos II. Basilius, adv. Eunom. -I. Damasc. de fide orthod. I 9, enz., gelijk ook Augustinus den Vader -principium totius divinitatis noemt, de S. Trin. IV cap. 20. Zoo was -God dus het principium essendi of existendi van al het geschapene, -dus ook van de wetenschap, en bepaald nog weer van de theologie. -Op dit laatste terrein werd het altijd uitdrukkelijk herhaald, dat -God het principium essendi was der theologie. Er was hiervoor eene -bijzondere reden. Er is geen kennis van God mogelijk, dan alleen uit en -door God Matth. 11:27; 1 Cor. 2:10 v. Het was een axioma der vroegere -theologie: a deo discendum quid de ipso intelligendum, quia non nisi -ipso auctore cognoscitur. Dat er in het schepsel eenige kennis van God -is, dat is alleen aan God te danken. Hij is kenbaar alleen omdat en -inzoover Hij dat zelf wil. Reeds de analogie van een mensch bewijst de -waarheid hiervan. Een mensch is tot op zekere hoogte het principium -essendi van onze kennis aangaande zijn persoon, 1 Cor. 2:11; hij moet -zich openbaren, zich door verschijning, woord en daad te zien geven, -opdat we hem eenigszins kunnen leeren kennen. Maar bij een mensch is -dit altijd relatief; hij openbaart zich dikwerf geheel onwillekeurig -en zijns ondanks; hij openbaart zich menigmaal in karaktertrekken en -eigenaardigheden, welke hem zelven onbekend zijn; hij openbaart zich -somtijds ook anders dan hij is, valsch en onwaar enz. Maar dat alles valt -in God niet. Hij is in absoluten zin principium essendi, causa efficiens -principialis van onze Godskennis, want Hij is volstrekt vrij, zelfbewust -en waarachtig. Zijne zelfkennis, zijn zelfbewustzijn is het principium -essendi onzer Godskennis. Zonder zelfbewustzijn Gods geen kennis Gods in -de schepselen. Het pantheïsme is de dood der theologie. De verhouding -nu van deze zelfkennis Gods tot onze Godskennis werd vroeger zoo -uitgedrukt, dat gene de theologia archetypa was van deze, en deze de -theologie ectypa van gene. Onze kennisse Gods is een afdruk van die -kennis, welke God van zichzelven heeft, maar dan altijd in creatuurlijken -zin. De kennisse Gods in zijne schepselen is maar eene zwakke gelijkenis, -eene eindige, beperkte, naar het menschelijk of creatuurlijk bewustzijn -geaccommodeerde schets van het absolute zelfbewustzijn Gods. Maar hoe -groot de afstand ook zij, principium essendi van onze Godskennis is -alleen God zelf, die zich vrij, zelfbewust en waarachtig openbaart. - -3. Van dit principium essendi is nu het principium cognoscendi te -onderscheiden. Dat er theologie is, danken we alleen aan God, aan zijn -zelfbewustzijn, aan zijn welbehagen. Maar het middel, de weg, waardoor -die kennisse Gods tot ons komt, is Gods openbaring, hier nog genomen -in gansch algemeenen zin. De aard der zaak brengt dit met zich. Een -mensch wordt voor ons alleen daaruit kenbaar, dat hij zich aan ons -openbaart, d. w. z. dat hij zichzelf te zien geeft, spreekt of handelt. -Verschijning, woord en daad zijn de drie openbaringsvormen van den -eenen mensch aan den ander. Alzoo is het ook bij den Heere onzen God; -ook zijne kennis vloeit ons alleen uit zijne openbaring toe; en ook -die openbaring kan alleen zijn verschijning, woord en daad. Principium -cognoscendi der theologie is dus de zelfopenbaring of zelfmededeeling -Gods aan zijne schepselen. Of die zelfopenbaring Gods nu individueel -tot elk mensch komt of voor de gansche menschheid neergelegd is in -de Schrift of in de kerk, kan eerst later worden onderzocht. Thans -volsta, dat de zelfopenbaring Gods, krachtens den aard der zaak, het -eenige principium cognoscendi van onze Godskennis kan zijn. Alleen zij -er de opmerking aan toegevoegd, dat, indien die zelfopenbaring Gods is -neergelegd in de Schrift of in de kerk, die Schrift en die kerk alleen -kunnen hebben eene instrumenteele, en dus in zekeren zin toevallige, -voorbijgaande beteekenis. De H. Schrift is dus hoogstens causa efficiens -_instrumentalis_ der theologie. - -Immers, doel der theologie kan geen ander zijn, dan dat het redelijk -schepsel God kenne en kennend Hem verheerlijke Spr. 16:4, Rom. 11:36, 1 -Cor. 8:6, Col. 3:17. Het is zijne εὐδοκια, om door menschen gekend te -worden Matth. 11:25, 26. De zelfopenbaring Gods bedoelt dus, om in het -menschelijk bewustzijn zijne kennis in te brengen en daardoor heen weer -aan God zelf heerlijkheid en eere te bereiden. Maar die zelfopenbaring -Gods kan dan ook niet eindigen buiten, voor, bij den mensch, maar -moet zich voortzetten tot in den mensch zelf, d. i. de openbaring -kan niet alleen uitwendig maar moet ook inwendig zijn. Daarom werd -vroeger onderscheid gemaakt tusschen principium cognoscendi externum -en internum, verbum externum en internum, revelatio en illuminatio, de -werking van Gods Woord en van zijn Geest. Het verbum internum is het -verbum principale, want dit brengt de kennisse Gods in den mensch, -en dat is het doel van alle theologie, van heel de zelfopenbaring -Gods. Het verbum externum, de openbaring neergelegd in de H. Schrift, -doet daarbij den dienst van een middel; het is verbum instrumentale, -noodzakelijk misschien om allerlei bijkomstige redenen in deze -bedeeling, maar toch naar zijn wezen tijdelijk en toevallig. - -4. Zoo leerden we dus drie principia kennen. Ten eerste God als het -principium essendi der theologie. Vervolgens het principium cognoscendi -externum, n.l. de zelfopenbaring Gods, die, in zoover ze neergelegd -is in de H. Schrift, een instrumenteel en tijdelijk karakter draagt. En -eindelijk het principium cognoscendi internum, de illuminatie van den -mensch door Gods Geest. Deze drie zijn daarin één, dat ze God hebben -tot auteur, en dat ze ééne zelfde kennis Gods tot inhoud hebben. De -theologia archetypa in het Goddelijk bewustzijn; de theologia ectypa, -in de openbaring geschonken en in de H. Schrift neergelegd; en de -theologia in subjecto, de kennis Gods, voorzoover ze uit de openbaring -in het bewustzijn van den mensch ingaat en opgenomen wordt, zijn alle -drie uit God. Het is God zelf, die zijne zelfkennis ontsluit, door -openbaring meedeelt, en in den mensch inbrengt. En ook zakelijk zijn -ze één, want het is ééne zelfde zuivere en waarachtige kennis van -God, die Hij heeft van zichzelf, die Hij meedeelt in de openbaring en -die Hij inbrengt in het menschelijk bewustzijn. Ze mogen en kunnen dus -nimmer van elkander gescheiden en losgemaakt worden. Maar andererzijds -dienen ze toch wèl te worden onderscheiden. Want de kennis, die God -van zichzelven heeft, is absoluut, eenvoudig, oneindig, en in haar -absoluutheid onmededeelbaar aan het eindig bewustzijn. Daarom werd -vroeger de theologia archetypa ook wel beperkt tot dat gedeelte der -zelfkennis God, dat Hij besloten had aan schepselen mede te deelen. Maar -deze distinctie maakt de verhouding tusschen theologia archetypa en -theologia ectypa tot eene mechanische, en vergeet, dat absoluut niet -alleen ligt in de quantiteit, maar ook in de qualiteit. Desniettemin -ligt er de ware gedachte in, dat de theologia ectypa, welke door -de openbaring aan schepselen geschonken wordt, niet is de absolute -zelfkennis Gods, maar die kennis Gods, gelijk ze geaccommodeerd -is, naar en geschikt gemaakt is voor het eindig bewustzijn, dus -geanthropomorphiseerd. Deze theologia ectypa, welke objectief in de -openbaring voor ons ligt, is externa maar is bestemd om overgeleid -te worden in het bewustzijn van de redelijke schepselen, om te worden -theologia ectypa interna, theologia in subjecto, maar ondergaat ook -daarin weer veranderingen naar den aard van het subject. Zij is niet -re et ratione, maar toch gradu et modo in Christus (theol. unionis), -in de engelen en de gezaligden (theol. visionis), in de menschen op -aarde (theol. viatorum, viae, revelationis) en dan weer onder dezen in -profeten en apostelen, in theologen en leeken verschillend. Zij is in -ieders bewustzijn naar zijne vatbaarheid gemodificeerd. Maar zakelijk is -en blijft het toch ééne zelfde kennis, die van God uitgaat en langs den -weg der openbaring in het bewustzijn zijner redelijke schepselen wordt -overgeplant. Deze drieërlei principia, onderscheiden en toch wezenlijk -één, berusten in het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die door -den Zoon, als Logos, in den Geest aan zijne schepselen zich meedeelt. -Cf. over deze principia der theologie: Thomas S. Theol. qu. 1; Fr. -Junius, de vera theologia, Op. Omnia, Gen. 1607 I fol. 1375-1424, ed. -Kuyper p. 45 sq.; Gomarus, Disput. Theol. thesis 1; Voetius, Diatribe -de Theologia Ultraj. 1668; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, ortu -... verae theol. libri 6, Oxon. 1661; Alsted, Methodus Sacros. Theol. -octo libris tradita, Hanov. 1623 I Praecognita Theol. p. 1-138, en -voorts de eerste hoofdst. over theol. in verschillende dogmatieken van -Turretinus, Coccejus, Marck, Moor, Vitringa, enz. Dr. A. Kuyper, Enc. -der H. Godg. II 177 v. - - -§ 7. PRINCIPIA IN DE WETENSCHAP. - - -A. Het Rationalisme. - -1. Wetenschap bestaat altijd in eene logische relatie tusschen subject -en object. De verhouding, waarin we deze beide tot elkander stellen, -bepaalt onze opvatting van de wetenschap. Ten allen tijde zijn er twee -richtingen geweest, die te dezen opzichte lijnrecht tegenover elkander -staan, het Rationalisme en het Empirisme. Ze zijn al opgekomen in -de Grieksche philosophie. Reeds daar werd de tegenstelling gemaakt -van αἰσθησις en λογος, van zinlijke waarneming en denken, en dus ook -van δοξα en ἐπιστημη. De school van Elea, Plato, de Neoplatonici -stonden aan de zijde van het rationalisme; de zinlijke waarneming geeft -geen kennis, zij heeft tot object wisselende verschijnselen, en leert -ons alleen kennen dat iets is en zoo is, maar niet waarom het zoo -is; bovendien bedriegt zij ons menigmaal en verschaft ons valsche -voorstellingen, b.v. den krommen stok in het water, de opgaande -zon enz., welke alleen door het denken van hare onwaarheid kunnen -gereinigd worden. Daarom staat het denken ver boven de zinlijke -waarneming. Dit alleen levert ons ἐπιστημη; wetenschap komt niet van -buiten, zij is een product van den menschelijken geest. In de nieuwere -philosophie is deze rationalistische richting weer opgekomen met -Cartesius, die, alles wegwerpende, ten slotte zijn vast uitgangspunt -vond in het denken en daaruit concludeerde tot het zijn, cogito ergo -sum. Daarmede werd de denknoodwendigheid, het logisch verband, de -mathematische orde van grond en gevolg bij Spinoza de maatstaf der -waarheid. De zinnelijke wereld is hoogstens aanleiding maar geen bron -onzer kennis, de menschelijke geest kan alle kennis uit zichzelf, met -eigen middelen, denkende, voortbrengen. Nos idées, même celles des -choses sensibles, viennent de notre propre fond, Leibniz, Nouveaux -essais sur l’entendement humain I ch. 1. Kant heeft nu dit rationalisme -wel in zoover getemperd, als hij niet de stof maar alleen de vormen -der waarneming afleidde uit den menschelijken geest (transcendentaal, -kritisch idealisme). Maar Fichte zag terecht in, dat zulk eene -onderscheiding onmogelijk was, en sprak daarom uit dat alle elementen -onzer kennis, tot zelfs de waarneming toe, apriorisch waren en door het -Ik werden geponeerd (absoluut idealisme). Nu werd dit rationalisme bij -deze wijsgeeren nog altijd beperkt tot het gebied van het kenvermogen, -en dus alleen bedoeld in erkenntniss-theoretischen zin. Maar dit -subjectief rationalisme werd door Fichte, Schelling en Hegel tot een -objectief rationalisme uitgebreid; niet slechts de kennis, maar ook -het zijn, niet alleen de voorstellingen maar ook de dingen zelve zijn -alleen uit het denken voortgekomen, denken en zijn zijn één (metaphysisch -idealisme). Er is gang in deze historie van het rationalisme; het -denken, niet de zinlijke waarneming, geeft waarheid; het brengt daartoe -in zichzelf de principia, de semina van alle kennis, mede; het schept -den vorm onzer gedachtenwereld (Kant), en ook haar stof en inhoud -(Fichte), ja het schept en construeert de gansche wereld, niet alleen -van het denken, maar ook van het zijn. - -2. In welke verschillende vormen dit rationalisme ook is opgetreden, -het heeft toch altijd ééne grondgedachte, n.l. dat de oorsprong der -kennis te zoeken is in het subject. Het is goed te begrijpen dat men -tot deze gedachte kwam. Afgedacht toch van de onbetrouwbaarheid der -zinlijke waarneming, er is tusschen de voorstellingen in ons en de -dingen buiten ons zulk een wezenlijk verschil, dat de eerste niet uit de -laatste zijn te verklaren. Stof kan niet werken op den geest; geestelijke -verschijnselen, zooals de voorstellingen zijn, zijn alleen uit den geest -te verklaren; gelijk kan alleen door gelijk worden gekend. Daaruit volgt, -dat het bestaan en de samenwerking van stof en geest, van dingen buiten -ons en voorstellingen in ons òf alleen nog kan gehandhaafd worden door -hypothesen als het occasionalisme (Geulinx), de harmonia praestabilita -(Leibniz), de aanschouwing der ideeën in God (Malebranche) enz., òf -dat eenvoudig de tweeheid van stof en geest moet worden ontkend, en -dat ding en voorstelling, zijn en denken beschouwd worden als wezenlijk -één. Immers, zoo zegt het idealisme, indien ding en voorstelling twee -zijn, dan moeten we aan de kennis van het ding wanhopen; wij kunnen toch -nooit onze voorstelling van het ding aan het ding zelf toetsen; wij -kunnen nooit uit onszelf, uit onze voorstellingswereld, uitkomen; nous -ne pouvous nous mettre à la fenêtre, pour nous voir passer dans la rue -(Scherer). Wij blijven altijd binnen den kring onzer voorstellingen en -komen nooit met het ding zelf, maar altijd weer met onze voorstelling -van het ding, in aanraking; alleen het bewuste bestaat voor ons; ik -kan alleen het gedachte, niet het ding, denken; wat niet mijn gedachte -is, is voor mij ondenkbaar, onkenbaar, bestaat voor mij niet. En dit -idealisme is dan nog versterkt door wat de physiologie der zintuigen -thans leert. Reeds Democritus maakte onderscheid tusschen zulke -eigenschappen als zwaarte, dichtheid, hardheid, die objectief zijn en -in de dingen zelve liggen, en andere, zooals warmte, koude, smaak, -kleur, die alleen subjectief in onze gewaarwordingen aanwezig zijn, -Zeller, Philos. der Gr. I{4} 783. Deze onderscheiding van objectieve -en subjectieve, quantitatieve en qualitatieve eigenschappen is -door Cartesius, Hobbes, Locke, die ze het eerst noemde primaire en -secundaire eigenschappen, An essay concerning human understanding, II -ch. 8 § 19 etc. overgenomen, en dan in deze eeuw vooral uitgewerkt door -Helmholtz in zijn Handbuch der physiol. Optik, Leipzig 1865-66 en Lehre -von den Tonempfindungen, Braunschw. 1862, 4e Aufl. 1877, cf. ook Lange, -Gesch. des Mater. 4e Aufl. 1882 S. 712 f. Pierson, Gids Juni 1871. -Volgens dit zoogenaamd semi-idealisme zijn er buiten ons in de wereld -alleen mechanische bewegingen der atomen, de materie is qualiteitloos. -Onze zintuigen ontvangen slechts indrukken door de beweging en golving -der atomen; die indrukken zijn qualitatief gelijk; maar in onze hersenen -brengen we uit die eenvormige bewegingen de oneindige verscheidenheid -der waarnemingswereld voort. Licht, geluid, kleur, smaak, warmte, -koude, alle qualitatieve eigenschappen, die wij in de dingen meenen -waar te nemen, bestaan niet buiten maar ontstaan en bestaan alleen in -den menschelijken geest. Een zelfde beweging der materie, onzen tastzin -rakend, maakt den indruk van warmte; en vallend in het oog, verschaft -zij ons de gewaarwording van licht. De wereld is in haar substantie -niet, maar toch in haar vorm een product van den mensch. Zoo heeft het -idealisme hoe langer hoe meer in de philosophie veld gewonnen en zelfs -van de natuurwetenschap krachtigen steun ontvangen. - -3. Toch zijn er tegen het idealisme zeer ernstige bezwaren. In de -eerste plaats is het met alle ervaring in strijd. Wij zijn van nature -allen realisten, en de idealisten zelven zijn het ook in de practijk. -Feitelijk is het idealisme eene zaak, eene opinie der school, die met -het leven en de ervaring in lijnrechten strijd is. Het verklaart niet, -hoe en waarom ieder mensch er vanzelf en onwillekeurig toe komt, -om aan de waargenomen verschijnselen objectieviteit en zelfstandige -realiteit toe te schrijven, en ze niet louter op te vatten als innerlijke -bewustzijnstoestanden, terwijl we toch duidelijk onderscheid maken -tusschen inwendige toestanden en uitwendige dingen, tusschen wat in en -buiten ons is, tusschen droom (hallucinatie) en werkelijkheid. Daarbij -komt, dat de mensch nooit en op geen enkel gebied autonoom is, maar -overal en altijd afhankelijk is van de natuur rondom hem heen. Door -zijn lichaam is hij aan de aarde gebonden. Deksel, voedsel, kleeding -ontvangt hij van haar; het zou vreemd zijn, als het intellectueel -anders met hem gesteld ware. Zooals wij voedsel en kleeding wel met -onze hand bereiden, maar toch de stof ervoor aan de natuur buiten ons -ontleenen, zoo ook ontvangen we met het intellect de stof van buiten. -Het intellect is ook hier instrument, geen bron. Het idealisme -vereenzelvigt het orgaan met de bron der kennis, maakt als het ware het -oog tot de bron van het licht, leidt het gedachte af uit het denken. -Dat kan echter niet, omdat een ding en zijne voorstelling, zijn en -denken, esse en percipi twee zijn en niet kunnen vereenzelvigd worden. -Ze zijn immers beide toto genere verschillend. Een ding stijgt niet -in ons op als een droom, en volgt ook niet logisch uit voorafgaande -voorstellingen, maar komt dikwerf plotseling van buiten af tot mij en -breekt de reeks mijner voorstellingen af, het is onafhankelijk van mij, -en heeft een bestaan buiten mij; het heeft eigenschappen, die niet -aan de voorstelling ervan kunnen worden toegeschreven. Het ding, dat -men een kachel noemt, is b.v. warm, maar de voorstelling, die van -dat ding in mijn bewustzijn is, heeft zulk een eigenschap niet. Indien -desniettemin ding en voorstelling met elkaar vereenzelvigd worden, -moet het idealisme leiden tot absoluut illusionisme; niet alleen de -wereld buiten mij wordt schijn, maar ook ik zelf ben niets dan een -voorstelling, een verschijnsel voor mij zelf. Alles wordt een droom, er -is geen werkelijkheid maar ook geen waarheid meer. Het idealisme moge -nu op handel en gedrag zijner aanhangers geen invloed oefenen, Land, -Inleiding tot de wijsbegeerte, ’s Grav. 1889 bl. 92 v. Fr. Paulsen, -Einleitung in die Philosophie, Berlin 1892, S. 363, wijl het leven -menigmaal beter en sterker is dan de leer, toch is niet in te zien, -hoe b.v. godsdienst en zedelijkheid nog theoretisch te rechtvaardigen -zijn, als beide geen reëele verhoudingen zijn tot buiten mij bestaande -wezens maar slechts tot voorstellingen in mij. Het dualisme van denken -en zijn, waarvan het idealisme bij Plato, Cartesius, Kant uitgaat, slaat -dan ook altijd weer in de identiteit van beide bij Spinoza, Fichte, -Schelling en Hegel om; het subjectief rationalisme leidt tot absoluut -en objectief rationalisme. Maar het abstracte, inhoudlooze denken, het -alleralgemeenste principe van substantie, ’t absolute, ’t zijnde, het -denken, waarvan de idealistische philosophie dan haar uitgangspunt -neemt, is niet bij machte het rijke volle zijn te produceeren. Uit dat -dorre abstractum is niet de levende wereld, uit dat levenloos ééne -niet de veelheid der verschijnselen te verklaren. De klip, waarop alle -pantheïsme strandt, is de veelheid; er is geen overgang te vinden van -het abstracte tot het concreete, van het algemeene tot het bijzondere. -Schelling sprak het dan ook open uit, dass es schwer sei an die -Wirklichkeit heran zu kommen, bij Liberatore, Die Erkenntnisstheorie -des h. Thomas v. Aquin, deutsch von Eugen Franz, Mainz 1861 S. VII. -Eindelijk, eene onderscheiding als van Kant tusschen den vorm, dien -we zelf bij de waarneming meebrengen, en de stof, die van buiten tot -ons komt, of als die van het semi-idealisme tusschen objectieve, -primaire en subjectieve, secundaire verschijnselen is daarom onhoudbaar, -wijl eene grens tusschen beiden niet is aan te wijzen. De stof eener -voorstelling behoort, zooals Fichte dan ook uitsprak, evengoed tot de -voorstelling als haar vorm. En de primaire quantitatieve eigenschappen, -ja ook de lichamen zelf, zijn evengoed waargenomen verschijnselen als -de qualitatieve eigenschappen van toon en kleur enz. Er bestaat geen -reden om de getuigenis van één zintuig, den tastzin, aan te nemen en -die van de andere vier te verwerpen, en dus voor de eigenschappen der -uitgebreidheid, hardheid enz. alleen eene uitzondering te maken. Er is -geen bezwaar, om aan de vormen der waarneming, tijd en ruimte, en aan de -kategorieën van het denken ook objectieve realiteit in de dingen zelve -toe te kennen. En de physiologie der zintuigen verhindert ons niet, om -juist in de verschillende quantitatieve verhoudingen en bewegingen den -objectieven grond der qualitatieve verschijnselen te zien, F. Pillon, -L’évolution historique de l’idéalisme, de Démocrite à Locke, in L’année -philosophique, sous la direction de F. Pillon 3e année, Paris, Alcan, -1893, p. 77-212. Georges Lyon, L’idéalisme en Angleterre au 18e siècle, -Paris, Alcan, 1888. Dr. Glossner, Der moderne Idealismus, Münster 1880. -Ernst Laas, Idealismus und Positivismus, 3 Theile Berlin 1879 f. E. -von Hartmann, Kritische Grundlegung des transcendentalen Realismus, -Berlin 1885. Id. Das Grundproblem der Erkenntniss-theorie, Leipzig, -Bd. I Abth. 2 van de Ausgewählte Werke, S. 40 f. Id. Neukantianismus, -Schopenhaueranismus und Hegelianismus, Berlin 1877. Stöckl, Lehrbuch -der Philos. 6e Aufl. I 363 f. E. L. Fischer, die Grundfragen der -Erkentniss-theorie 1887 S. 49 f. Id. Theorie der Gesichtswahrnemung, -Mainz, Kirchheim 1891. Al Schmid, Erkenntnisslehre 2 Bde. Freiburg -1890 II 134-141. L. Strümpell, Die Einleitung in die Philosophie, -Leipzig, 1886, S. 165 f. Paulsen, Einleitung in die Philos. Berlin -1892 S. 354 f. C. A. Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der modernen -specul. Theol. 1851 S. 1-48. Flügel, Die specul. Theol. der Gegenwart -1888. J. T. Beck, Vorlesungen über Chr. Glaubenslehre, I 1887, S. 44 -f. F. J. Stahl, Philos. des Rechts, 5e Aufl. 1878 I 90 f. Nathusius, -Das Wesen der Wissenschaft, Leipzig 1885, S. 265 f. Gretillat, Exposé -de théol. systém. 1885 I p. 63 s. Pierson, Bespiegeling, gezag en -ervaring, 1855, cap. 1 § 1. Opzoomer, Wetenschap en Wijsbegeerte, 1857, -hoofdst. 1. Land, Inleiding tot de wijsbeg. 1889, bl. 82 v. Bilderdijk, -Verhandelingen, ziel-, zede- en rechtsleer betreffende, 1821 bl. 121 v: -over de oorzakelijkheid, bl. 141 v. van het menschelijk verstand, enz. - - -B. Het Empirisme. - -4. Lijnrecht tegenover het Rationalisme staat het Empirisme, dat -reeds bij de Grieken in de Atomisten zijne voorloopers had, dan in de -Middeleeuwen als Nominalisme optrad, vervolgens als philosophische -richting in den nieuwen tijd met Fr. Bacon zijn intrede deed, en over -Locke, Hume en de Fransche Encyclopaedisten heen in deze eeuw is -uitgeloopen op het Positivisme van A. Comte, de ervaringswijsbegeerte -van Stuart Mill, het Agnosticisme van H. Spencer en het Materialisme -van Büchner, Czolbe, Moleschott enz. Ook het empirisme treedt in -verschillende vormen en stelsels op, maar heeft toch altijd dit beginsel -tot uitgangspunt, dat alleen de zinlijke waarneming de bron onzer -kennis is. Terwijl het rationalisme de objectieve wereld zich geheel -of ten deele richten laat naar den menschelijken geest, onderwerpt het -empirisme het bewustzijn geheel en al aan de wereld buiten ons. De -mensch brengt bij het streven naar kennis niets mede dan alleen het -vermogen van waarnemen; daaruit neemt alle intellectuele werkzaamheid -haar aanvang en oorsprong. Aangeboren begrippen zijn er dus niet; alle -vooropgevatte meeningen moet de wetenschappelijke onderzoeker ter -zijde stellen. Uit den tempel der waarheid, dien hij in zijn bewustzijn -opbouwen wil, moet hij alle idola verwijderen; geen anticipatio -mentis, maar interpretatio naturae, mera experientia moet hem leiden -(Bacon). De menschelijke geest is en moet zijn eene tabula rasa, in -qua nihil scriptum est, volkomen voraussetzungslos. Dan slechts is -de kennis betrouwbaar, als ze enkel en alleen uit de waarneming is -opgebouwd. Begriffe ohne Anschauungen sind leer. Hoe verder de mensch -van de ervaring zich verwijdert en boven haar uitgaat, hoe minder hij -in zijn wetenschappelijk streven te vertrouwen is. Daarom is er ook -geen wetenschap mogelijk van het bovenzinlijke (noumena) en van het -bovennatuurlijke. Metaphysica, theologie, de geestelijke wetenschappen in -het algemeen, zelfs volgens Comte de psychologie, zijn geen wetenschap -in eigenlijken zin. Wetenschap is tot de sciences exactes beperkt. -En zelfs binnen den kring van de waarneembare verschijnselen bepaalt -zich onze kennis tot het dat en hoe; het wat en het waarom blijft -verborgen. Oorzaak en doel, oorsprong en bestemming der dingen liggen -buiten ons bereik; alleen de onderlinge betrekking der dingen, de -relations invariables de succession et de similitude, A. Comte, Cours -de philos. positive I p. 8 s. zijn het voorwerp van het wetenschappelijk -onderzoek. Of er achter en boven de waarneembare verschijnselen nog -iets anders is, of de ziel, God, het jenseits bestaat, moge misschien -langs anderen weg, door de practische rede, het geloof, de phantasie -enz. aannemelijk kunnen gemaakt worden, maar wetenschappelijk is en -blijft dat alles eene terra incognita. Het doel der wetenschap kan dus -niet meer daarin gelegen zijn dat men eene Welterklärung geve, maar -strekt zich slechts uit naar eene zoodanige kennis der werkelijkheid, -dat we daarnaar ons leven kunnen inrichten en er practisch nut van -trekken. Savoir, c’est prévoir; science, d’où prévoyance; prévoyance, -d’où action. Maar deze absolute gebondenheid van den geest aan de -waarnemingswereld, heeft anderen tot de poging geleid, om niet alleen -den denkinhoud des geestes, maar ook het bewustzijn en den geest zelf -uit de wereld te verklaren, het empirisme is in materialisme geëindigd. -Ook hier is dus gang, geschiedenis, ontwikkeling op te merken. Eerst -wordt de gedachteninhoud, dan de faculteit, eindelijk ook de substantie -des geestes uit de stoffelijke wereld afgeleid. E. Laas, Idealismus und -Positivismus, 3 Bde 1879-84. Kuno Fischer, Francis Bacon und seine -Nachfolger, 2e Aufl. Leipzig 1875. A. Comte, Cours de philosophie -positive, 2e ed. 1861-64. Die positive Philosophie von A. Comte, im -Auszuge von Jules Rig, übersetzt von J. H. von Kirchmann, Heidelberg, -Weiss, 2 Bde. Littré, Aug. Comte et la philosophie positive, Paris -1863. Id. Analyse raisonnée du Cours de philos. positive de M. A. -Comte, Utrecht, Kemink 1845. J. Stuart Mill, Aug. Comte et le -Positivisme, fransche vert. door Clémenceau, Paris 1868. Henri Taine, -De l’intelligence, 2 vol. 3e ed. Paris, Hachette, 1878. l’Ange Huet, -De methode der posit. filosofie, Leiden 1866. Id. Nieuwe oplossing van -een oud vraagstuk, Leiden 1872. Algemeene grondslagen der stellige -wijsbegeerte door A. Comte, ’s Hage, 1846 (bevat de twee eerste lessen -uit Comte’s werk). Pünjer in Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S. 79-121. -1882 S. 385-404. (Bibl. voor mod. Theol. 1883 bl. 243 v). H. Gruber, A. -Comte, der Begründer des Positivismus, Freiburg. Id. Der Positivismus -von A. Comte bis auf unsere Tage 1857-91, Freiburg 1891. Herzog² -art. Positivismus, van Zöckler. J. Stuart Mill, System of Logic, -ratiocinative and inductive, 2 Bde 9th ed. Lond. 1875, duitsche vert. -van Gomperz, 2e Aufl. Leipzig 1884. Opzoomer, De weg der wetenschap, -een handboek der logica 1851, 3e omgewerkte druk onder den titel Het -wezen der kennis, een leerboek der logica 1863. Id. Wetenschap en -wijsbegeerte 1857. Id. De waarheid en hare kenbronnen 1859. Pierson, -Bespiegeling, gezag en ervaring 1855. Id. Eene levensbeschouwing 1875 -bl. 65 v. H. Spencer, A. system of synthetic philosophy, Vol. I First -principles, 5th ed. Williams and Norgate, London 1887. F. A. Lange, -Geschichte des Materialismus, 4e Aufl. Iserlohn 1882. L. Büchner, Kraft -und Stoff, 16e Aufl. Leipzig 1888 enz. - -5. Dit empirisme heeft nu wel een machtigen steun in de afhankelijkheid -des menschen van de hem omringende natuur, maar wordt toch ook door -wichtige bezwaren gedrukt. Vooreerst staat het vast, dat de geest des -menschen bij zijne intellectueele werkzaamheid nooit in volstrekten -zin passief of zelfs receptief is, maar altijd ook in meerdere of -mindere mate actief optreedt. Het is toch niet het oog dat ziet en -het oor dat hoort, maar de mensch zelf, die door het oog ziet en -hoort door het oor. De eenvoudigste gewaarwording en voorstelling -onderstelt reeds de bewustheid, en dus eene werkzaamheid der ziel. -Tabula rasa, waarop de buitenwereld schrijven kan wat ze wil, is de -menschelijke geest nooit; hij is het zelf, die waarneemt, de waarnemingen -verbindt, vergelijkt, beoordeelt. Maar er is meer; Kant, Kritik der -reinen Vernunft, Einleitung § 2 zegt terecht: Erfahrung lehrt uns -zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass es -nicht anders sein könne. Nu hebben we echter niet alleen bijzondere -en toevallige, maar ook algemeene en noodwendige waarheden, in de -logika, de mathesis, enz., die de empiristen tevergeefs uit de -ervaring hebben trachten af te leiden. Het principe der causaliteit -bijv. is naar waarheid het bolwerk der intuitieve school genoemd; en -alle moeite, die er aangewend is om dit principe en fundament aller -wetenschap uit de wilsbepaling, uit de gewoonte, enz. te verklaren, -is vruchteloos geweest, Dr. G. Heijmans, Schets eener kritische gesch. -van het causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte, Leiden, Brill -1890. Dr. E. Koenig, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius -bis Kant, Leipzig, Wigand 1888. Spruyt, Proeve van eene geschiedenis -van de leer der aangeboren begrippen, Leiden, Brill 1879. Ja, alle -wetenschappen gaan van eene reeks onbewezene en onbewijsbare stellingen -uit, die apriori aangenomen worden en tot uitgangspunt dienen voor -alle redeneering en bewijs. Aristoteles heeft dit reeds ingezien; -er is geen regressus in infinitum; juist om bewijskracht te hebben, -moeten de bewijzen ten slotte rusten in eene stelling, die geen bewijs -behoeft, die in zichzelve rust, en die daarom als ἀρχη ἀποδειξεως, -principium argumentationis dienst kan doen, Zeller, Philos. der Gr. -III 190 f. 235 f. Schopenhauer, Die Welt als Wille u. Vorstellung, 6e -Aufl. Leipzig 1887 I 78. Een gebouw kan niet in de lucht staan, en -eene redeneering kan alleen rusten op een fundament dat vast ligt door -evidentie, en niet door bewijs. Het uitgangspunt van het empirisme is -hiermede geoordeeld, maar ook zijne opvatting van de wetenschap is aan -ernstige bedenking onderhevig. Immers, het is der wetenschap naar haar -aard om de kennis van het algemeene, het noodzakelijke en eeuwige, het -logische, de idee te doen. Kennis van verschijnselen, personen, feiten -enz. is goed, maar is toch slechts een voorbereidende arbeid; analyse -ga voorop, maar de synthesis moet volgen. Wetenschap is er dan eerst, -als wij de dingen in hun oorzaak en wezen, in hun doel en bestemming -doorzien, als we niet slechts het ὁτι maar ook het διοτι kennen en -alzoo rerum dignoscimus causas. Het empirisme is echter genoodzaakt, om -aan alle wetenschappen den naam van wetenschap te ontzeggen en dezen -alleen over te laten voor de sciences exactes. Maar deze beperking -is om eene dubbele reden onmogelijk. Eerst omdat er behalve, en dan -nog maar in zekeren zin, de zuiver formeele wetenschappen (logika, -mathesis, mechanica, astronomie, chemie) geene wetenschap mogelijk is -zonder een wijsgeerig element, en in elke wetenschap dus de vinding, de -intuitie, de phantasie, i. e. w. het genie en in verband daarmede de -wetenschappelijke hypothese eene zeer gewichtige plaats inneemt. En ten -andere, wijl de naam van wetenschap dan ten slotte alleen behouden kan -blijven voor enkele subsidiaire vakken, en juist die kennis, welke voor -den mensch het belangrijkste is en waarom het hem bij het onderzoek in de -eerste plaats te doen is, van de erve der wetenschap verbannen wordt. -Het blijft toch waar, wat op het voorbeeld van Aristoteles, Ethic. -10,7; de part. an. 1,5; de coelo et mundo 2,5. Thomas Aquinas zeide S. -Theol. I qu. 1 art. 5, ad. 1, Minimum quod potest haberi de cognitione -rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima cognitio, quae -habetur de minimis rebus. En Schopenhauer sprak in gelijken geest: Sie -hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und Gewissheit der Mathematik -zu rühmen. Aber was hilft es mir, noch so gewiss und zuverlässig zu -wissen, daran mir gar nichts gelegen ist, bij Van Oosterzee, voor Kerk -en Theol. I 101. Trouwens, de wereld der geestelijke dingen, de Welt -der Werthe, van goed en kwaad, recht en zede, religie en moraal, van -al wat ons liefde en haat inboezemt, ons opbeurt en troost of ook -neerslaat en smart, die gansche rijke onzienlijke wereld is even goed -voor ons eene realiteit, als de Welt der Wirklichkeit, die we waarnemen -met onze zintuigen. Haar macht op ons leven en in de geschiedenis -der menschheid is nog veel grooter dan die van de zienlijke dingen -rondom ons heen. Vrij moge men dan den mensch den eisch stellen, dat -hij zich in zijn onderzoek beperke wijl op dit terrein geen kennis -mogelijk is; die eisch stuit af op wat Schopenhauer genoemd heeft das -metaphysische Bedürfniss van den menschelijken geest. De mensch is -niet alleen een verstandelijk maar ook een willend en gevoelend wezen; -hij is geen denkmachine maar heeft bij zijn hoofd ook een hart, een -wereld van aandoeningen en hartstochten. Deze brengt hij mede bij zijn -wetenschappelijk onderzoek, hij kan bij zijne werkzaamheid in studeerkamer -en laboratorium zichzelf niet buitensluiten. Het kan geen eisch zijn, -dat de mensch bij den wetenschappelijken arbeid, dat is, bij eene van de -edelste en hoogste werkzaamheden zijns geestes, aan zijn gemoed, aan zijn -hart, aan het beste dat in hem is het zwijgen oplegge, en zichzelf -alzoo verminke. Dit alleen mag altijd en zoo ook bij den beoefenaar der -wetenschap worden geeischt, dat hij een goed, een waar mensch zij, een -mensch Gods, tot alle goed werk, ook tot dit werk der wetenschap, -bekwamelijk toegerust (verg. boven bl. 29). Indien men echter de -wetenschap zoowel in subjectieven als in objectieven zin beperkt, zal -men niet anders verkrijgen dan dat toch langs andere wegen voorziening -in het metaphysische Bedürfniss wordt gezocht. Kant sloeg den weg der -practische Vernunft in, Comte voerde een dienst der menschheid in en -wijdde zichzelf tot hoogepriester, Spencer buigt zich in ootmoed neer -voor The Unknowable. Allen zoeken op de eene of andere wijze, tot in -het spiritisme, de magie, de theosophie toe, vergoeding voor wat de -wetenschap hun niet schenkt. En de religie met alle geestelijke kennis, -eerst smadelijk ter voordeur uitgejaagd, wordt, maar dan menigmaal -in superstitieusen vorm, wederom ter achterdeur ingelaten. Naturam -expellas furcâ, tamen usque recurret. Het onvermijdelijk gevolg is dan -alleen dit, dat de wetenschap onverdedigd en ongewapend overgelaten -wordt aan het materialisme. Daartoe heeft feitelijk het empirisme ook -geleid. Indien de inhoud en straks ook de intellectueele faculteit -der ziel geheel en al uit de buitenwereld voortkomt, waarom zou dan -ook de substantie der ziel ten slotte niet uit haar kunnen worden -verklaard? Daartegenover staan echter nog altijd de „sieben Welträthsel” -tot eene kwelling en eene ergernis voor het materialistisch denken. -Het geestelijke is nog niet uit het stoffelijke verklaard, evenmin als -het aan het rationalisme gelukt is, om het zijn af te leiden uit het -denken. De overgang tusschen beide is niet gevonden. Hier is eene -klove, die noch idealisme noch materialisme overbruggen kan. Het is -zelfs niet gewaagd, hier niet alleen van een Ignoramus maar ook van een -Ignorabimus te spreken. Maar als we zien hoe empirisme en rationalisme, -trots de groote beloften en de nog grooter verwachtingen, in deze eeuw, -op niets anders dan materialisme en illusionisme zijn uitgeloopen, en -in weerwil van hun tegenstelling toch elkander bevorderd en in de hand -gewerkt hebben --het idealisme van Hegel liep bij Feuerbach en Strauss op -materialisme uit, en het materialisme gaat bij vele natuuronderzoekers -weer in half of heel idealisme over,-- dan is er in elk geval wel reden -om te vragen, of er niet herziening noodig is van heel de nieuwere -philosophie, zoowel in haar Cartesiaansche als in haar Baconische -richting; of er niet andere en betere principia der wetenschap zijn, die -ons voor materialisme en idealisme beide behoeden? Schopenhauer, Die -Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. 1887, I 505 f. II 192 f. E. -v. Hartmann, Naturwissenschaft u. Philosophie, Gesammelte Studien und -Aufsätze, Berlin 1876, S. 421 f. E. L. Fischer, Die Grundfragen der -Erkenntnisstheorie, Mainz 1887, S. 314 f. Schmid, Erkenntnisslehre, -Freiburg 1890 I 111 f. 243 f. II 13 f. Stöckl, Lehrb. der Philos. I 345 -f. Paulsen, Einl. in die Philos. 394 f. Strümpell, Einl. in die Philos. -75 f. W. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften, Leipzig, -Duncker u. Humblot 1883. Emil du Roys-Reymond, Uber die Grenzen des -Naturerkennens. Die sieben Welträthsel. Leipzig, Veit u. C. 1882. -Pressensé, Les Origines, Paris Fischbacher 1883 p. 1-128. P. Vallet, -Le Kantisme et le Positivisme, Paris 1887. Gretillat, Exposé de théol. -systém. I p. 42 s. D. Chantepie de la Saussaye, Leven en Rigting 1865. -Id. Empirisch of ethisch (Ernst en Vrede. 1858 bl. 193 v.) enz. - - -C. Het Realisme. - -6. Uitgangspunt der Erkenntnisstheorie behoort te zijn de gewone, -dagelijksche ervaring, de algemeene en natuurlijke zekerheid des -menschen aangaande de objectieviteit en waarheid zijner kennis. De -philosophie schept toch het kenvermogen en het kennen niet, maar -vindt het en beproeft het nu te verklaren; en elke solutie, die het -kenvermogen niet verklaart maar vernietigt en het kennen niet begrijpt -maar tot eene illusie maakt, is daardoor geoordeeld. Alleen zulk eene -Erkenntnisstheorie heeft kans van slagen, die eenerzijds den bodem der -ervaring niet verlaat maar andererzijds ook in heel de diepte van het -probleem indringt, Prior homo, quam philosophus vel poeta, Tertull. de -test. an 5. Primum vivere, deinde philosophari. De natuurlijke zekerheid -is de onmisbare grondslag der wetenschap. Het wetenschappelijk weten -is geen vernietiging maar eene zuivering, uitbreiding, voltooiing van -het gewone weten, Kaftan, Die Wahrheit der Chr. Rel. Basel, 1889 S. -317 f. Ieder mensch toch neemt de betrouwbaarheid der zintuigen en -het bestaan der buitenwereld aan, niet door een logisch besluit uit -de werking, in casu de voorstelling in zijn bewustzijn, tot de oorzaak -buiten zich, noch ook door eene redeneering uit den tegenstand, dien -zijn wil ondervindt, tot eene objectieve realiteit welke dien tegenstand -biedt; maar vóór alle reflectie en redeneering is elk van het reëel -bestaan der wereld ten volle verzekerd. Deze zekerheid is niet uit -een syllogisme geboren en steunt op geen bewijs, maar is onmiddellijk, -spontaan met de waarneming zelve in mij ontstaande, niet product maar -grondslag en uitgangspunt van alle andere zekerheid. Denn die ganze -Welt der Reflexion ruht und wurzelt auf der anschaulichen Welt, -Schopenhauer, Welt als W. u. V. 6e Aufl. I 78. Alleen moet hierbij -wel worden onderscheiden tusschen de zekerheid, die terstond met de -actueele waarneming van een voorwerp gegeven is, en die, welke later, -nadat de waarneming reeds lang voorbij is, uit de achtergebleven -voorstelling volgt. Over de eerste wordt hier alleen gehandeld, en -deze is geen besluit uit eene redeneering, maar onmiddellijk met de -waarneming zelve in mij aanwezig. Cf. Ed. Zeller, Ueber die Gründe -unseres Glaubens an die Realität der Aussenwelt 1884. E. L. Fischer, -Die Grundfragen der Erkenntnisstheorie 1887 S. 392 f. Paulsen, -Einl. in die Philos. 385 f. Flügel, Die Probleme der Philosophie -und ihre Lösungen, Cöthen, Schulze, 2e Aufl. 1888 S. 104 f. Schmid, -Erkenntnisslehre 1890 II 307 f. Land, Inl. tot de wijsbeg. bl. 97 v. enz. - -7. Reeds dit ééne feit, de natuurlijke zekerheid aangaande de -betrouwbaarheid der zintuigen en de realiteit der buitenwereld, bewijst -dat er nog eene andere dan wetenschappelijke, demonstratieve zekerheid -bestaat. De empiristen hebben dit ten onrechte ontkend. De ervaring -leert alleen dat iets is, maar niet dat het zijn moet, leert ons alleen -het toevallige, veranderlijke, de werkelijkheid kennen. Wij hebben -echter ook algemeene, noodzakelijke waarheden, waarvan we niet door -waarneming en redeneering, maar apriori zeker zijn. De meeste wijsgeeren -hebben daarom naast de wetenschappelijke of middellijke ook nog eene -metaphysische, intuitieve, onmiddellijke zekerheid aangenomen, ook wel -eene zekerheid des geloofs, der evidentie genoemd. Aristoteles heeft -het eerst duidelijk ingezien, dat de ἐπιστημη ter laatster instantie -op onbewijsbare, evidente waarheden is gebouwd. Sommigen zooals Plato, -Cartesius, Leibniz, Rosmini hebben dit onveranderlijk, eeuwig karakter -der waarheid zoeken te verklaren door de leer der aangeboren ideeën, -cf. Spruyt, Proeve van eene gesch. van de leer der aangeb. begrippen, -Leiden 1879. Maar deze leer rust op een onhoudbaar dualisme van subject -en object, maakt den menschelijken geest onafhankelijk van den kosmos, -is in beginsel rationalistisch en leidt logisch en ook historisch tot -het absolute idealisme. Dit was de reden, waarom de leer der ideae -innatae eenparig door de scholastieke en ook door de Geref. theologen -verworpen werd, Spruyt ib. 57-60. Frohschammer, Die Philosophie des -Thomas von Aquino, Leipzig, Brockhaus 1889 S. 44 f. Liberatore, Die -Erkenntnisstheorie des H. Thomas v. Aquin, deutsch von Eugen Franz, -Mainz 1861 S. 130 f. Polanus, Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera -III 636 sq. Voetius bestrijdt de leer van Cartesius opzettelijk in zijne -Disput. Sel. V 477-525. Zij namen zelfs de empiristische stelling over: -nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, en spraken -van den mensch vóórdat hij waarneemt als van eene tabula rasa, in qua -nihil scriptum est, Thomas S. Theol. I qu. 79 art. 2. Voetius, Disp. -V 459, 525. En dit handhaafden ze, omdat de mensch in onderscheiding -van de engelen lichamelijk is, zijn lichaam geen kerker is maar tot zijne -natuur behoort en hij door dat lichaam aan den kosmos gebonden is, -Thomas ib. I qu. 84 art. 3. qu. 85 art. 1. Voetius ib. V 483. Zij hebben -dus eenerzijds het rationalisme zoo beslist mogelijk verworpen, niet -alleen in den vorm van de aangeboren begrippen, waarin het door Plato, -Cartesius, Leibniz werd geleerd, maar ook in dien van de aangeboren -vormen, waarin het bij Kant, en in dien van de aangeboren idee des zijns, -waarin het bij Rosmini en de ontologisten optrad. Maar aan den anderen -kant mogen de bovengenoemde uitdrukkingen toch niet in den zin van -Locke’s empirisme worden verstaan. Als Thomas den menschelijken geest -eene tabula rasa noemt, dan wil hij daarmede geenszins ontkennen, dat -toch ipse intellectus hem aangeboren is. Leibniz voegde aan de spreuk -nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, de beperking -toe nisi ipse intellectus. Thomas drukt zich nog juister uit: species -aliorum intelligibilium non sunt ei innatae, sed essentia sua sibi -innata est, ut non eam necesse habeat a phantasmatibus acquirere, qu. -de mente art. 8 ad 1 cf. Liberatore, ib. 144. En Voetius verklaart de -bovengenoemde spreuk alzoo, dat daarmede niet uitgesloten wordt, dat -het intellect in de zinnelijk waargenomen wereld ook het eeuwige en -onveranderlijke, bijv. in de werken der natuur ook haar auteur, n.l. God -opmerken en kennen kan. En dit is dan ook de eigenlijke gedachte van -hunne Erkenntnisstheorie: de menschelijke geest is niet bij machte en in -elk geval niet in de gelegenheid, om buiten de zinnelijke wereld om, -uit eigen fonds, met eigen middelen, de kennis der dingen, ook niet -de kennis der principia aeterna, κοιναι ἐννοιαι voort te brengen. Hij -is van huis uit aan het lichaam en hierdoor aan den kosmos gebonden, -en daarom kan ook de intellectus tot geene werkzaamheid komen dan -door en op grond van den sensus. De intellectus is bij den aanvang -zuivere potentia, tabula rasa, zonder eenigen inhoud, en wordt eerst -van buiten door de zinlijke wereld tot werkzaamheid, tot actualiteit -opgewekt. De stoot gaat dus van de zinlijke wereld uit; deze werkt -in op den menschelijken geest, roept hem wakker, en dringt hem tot -actie. Maar zoodra de intellectus werken gaat, werkt hij terstond -en vanzelf ook op zijne eigene wijze en naar zijn eigen aard. En de -natuur van den intellectus bestaat daarin, dat hij de vis, facultas, -inclinatio, aptitudo bezit, om in en met de waarneming terstond, -vanzelf, onwillekeurig, sine ullo labore, sine praevio studio, sine -ratiocinatione die grondbegrippen en grondbeginselen te vormen, welke -apriori, vóór elke redeneering en vóór alle bewijs vaststaan, en daarom -veritates aeternae verdienen te heeten. Zoo voelt het denken zelf, -zoodra het werken gaat, vanzelf zich aan de wetten van het denken -gebonden; in het denken zelf liggen de wetten van het denken opgesloten -en komen ze voor den dag. Zoo leert ons de ervaring, wat een deel en -wat een geheel is, maar het intellect begrijpt terstond, dat een geheel -grooter is dan zijn deel. Zoo leert ons de ervaring, wat goed en wat -kwaad is, maar de intellectus practicus weet onmiddellijk, dat het eene -gedaan en het andere moet nagelaten worden. Dit wil niet zeggen, dat -ieder mensch nu ook van deze grondbegrippen en grondbeginselen zichzelf -of anderen duidelijk rekenschap kan geven; maar ieder mensch, ook de -eenvoudigste, past deze grondbegrippen en grondbeginselen toch, zonder -eenige wetenschappelijke reflectie, onbewust en met de meeste zekerheid -in het leven toe. Het verschil tusschen deze leer van het kenvermogen -en die van het rationalisme en empirisme is in deze twee gelegen: ten -eerste in eene eigenaardige opvatting van den intellectus, die eene -eigene natuur meebrengt en dienovereenkomstig ook op eene eigene wijze -werken gaat, en ten tweede daarin, dat deze intellectus, alzoo werkende -naar zijn eigene natuur, toch niet anders doet, dan dat logische uit de -waargenomen dingen abstraheeren, dat er van nature ook in die dingen -verborgen ligt. Het rationalisme dwingt als het ware de dingen, om -zich te richten naar het intellect, past ze in vormen waarvan het niet -weet of zij er aan passen, construeert de wereld naar een spel van -begrippen. Het empirisme dwingt den geest, om zich te richten naar de -zinnelijke wereld, kortwiekt hem in zijne ideale vlucht, en verklaart hem -ten slotte zelf uit de stof. Maar de Erkenntnisstheorie, die allengs -in de christelijke theologie is opgekomen en in grondtrekken het eerst -door Augustinus is uitgedacht, handhaaft beide, de vrijheid en de -gebondenheid van den menschelijken geest; de vrijheid om optestijgen tot -de wereld van het ideale, de gebondenheid waardoor hij ook in deze zijne -vlucht de wereld der realiteit niet onder de voeten verliest. - -8. Het uitgangspunt van alle kennis bij den mensch is dus de zinnelijke -waarneming. Οὐδε νοει ὁ νους τα ἐκτος μη μετ’ αἰσθησεως ὀντα, -Arist. de sensu c. 6, Zeller Philos. d. Gr. III 198. Omnis cognitio -intellectualis incipit a sensu, Thomas S. Theol. I. qu. 84 art. 1 en -7. Intellectus noster nihil intelligit sine phantasmate, id. C. Gent. -III 41. En alle christelijke theologen waren van dezelfde gedachte. De -fout der scholastiek, zoo bij Protestanten als Roomschen, lag alleen -hierin, dat zij met de waarneming veel te vroeg klaar was en ze schier -volledig, op ieder terrein van wetenschap, in de boeken van Euclides, -Aristoteles, de kerkvaders, de confessie opgenomen en neergelegd -dacht. In die meening liet men de waarneming na en begon in eens met -de reeds verkregen begrippen, Spruyt, Proeve 36. Daarom kon het haast -eene ontdekking heeten, toen Bacon tot de zinnelijke waarneming als tot -de eenige bron der kennis terugkeerde. Toch was het geen ontdekking, -maar wel eene noodzakelijke verfrissching voor de wetenschap, want -deze moet altijd weer tot de bronnen terug. Niet uit boeken, maar uit -de werkelijke wereld moet de waarheid geput. Aanschouwing is de bron -van alle echte wetenschap. Die Anschauungen sind die Kontanten, die -Begriffe die Zettel, Schopenhauer, Die Welt u. s. w. 6e Aufl. II 76 -cf. 76-98. Bij deze zinnelijke waarneming nu heeft ieder zintuig zijn -eigen aard en zijne eigene taak; elk zoekt in de verschijnselen het -verwante op, de tastzin doet ons de mechanische, smaak en reuk doen ons -de chemische eigenschappen kennen, het gehoor ontsluit ons de wereld -der tonen en het gezicht die der kleuren, Arist. bij Zeller, Philos. -d. Gr. III 533 f. Thomas, S. Theol. I qu. 78 art. 3. Schopenhauer, -Die Welt u. s. w. II 30-36. Land, Inleiding 63 v. Bilderdijk, Taal-en -Dichtk. Verscheidenheden, 1821 II 39 v. Verhandelingen, ziel-, zede- -en rechtsleer betreffende 1821 bl. 12 v. Brieven V 48. De zintuigen -nemen dus ieder voor zichzelf niet het geheele voorwerp waar, maar -slechts bepaalde eigenschappen aan dat voorwerp. Het waarnemingsbeeld, -dat in ons bewustzijn ontstaat, is saamgesteld uit vele verschillende -indrukken, die door de verschillende zintuigen ontvangen, langs de -zenuwdraden in onze hersens overgeplant, daar op eene onverklaarbare -wijze in gewaarwordingen omgezet, en tot een geheel verbonden worden. -Er zijn geen eenvoudige gewaarwordingen, ze zijn alle reeds uit -verschillende andere samengesteld; elk voorwerp dat we zien, elke toon -dien we hooren is reeds een complex van waarnemingen. De menschelijke -geest is daarom bij de eenvoudigste waarnemingen reeds actief; hij is -geen tabula rasa, waarop de buitenwereld slechts schrijft wat ze wil, -geen spiegel, waarin het voorwerp zich eenvoudig weerkaatst. Maar elk -waarnemingsbeeld is in ’t bewustzijn zelf gevormd uit de factoren, die -door de verschillende zintuigen uit het voorwerp worden aangebracht. -Daarom is de vraag van zoo groot belang, wat de verhouding is -tusschen het waarnemingsbeeld, de voorstelling (φαντασια, φαντασμα, -species sensibilis, perception, Vorstellung) in ons bewustzijn en de -werkelijkheid, het voorwerp, buiten ons. De Grieksche philosophie ging -over het algemeen uit van de gedachte, dat gelijk slechts door gelijk -kon worden gekend; φασι γαρ γιγνωσκεσθαι το ὁμοιον τῳ ὁμοιῳ, Arist. -de an. I 2. Sommigen leidden daaruit af, dat de ziel des menschen uit -dezelfde elementen en atomen moest bestaan als de werkelijke wereld, en -dat er bij de waarneming stoffelijke atomen uit de voorwerpen indrongen -in de ziel. Aristoteles echter vatte dit zoo op, dat de ziel niet -actueel maar potentieel al het gedachte is --ἡ ψυχη τα ὀντα πως ἐστι -παντα, de an. III, 8-- en dat de voorwerpen door waarneming en denken -eene ideale existentie in de ziel verkregen. De scholastiek nam dit -over en zei: cognitum est in cognoscente per modum cognitionis, non -per modum cogniti, d. i. de dingen gaan niet zelve in de ziel over, -maar alleen hun beeld, hun vorm, εἰδος, forma, species, similitudo, -Thomas S. Theol. I qu. 75. I 2 qu. 5 art. 5. II 2 qu. 23 art. 6 ad 1. -S. c. Gent. I 77 II 77, 98. Er is dus eenerzijds een wezenlijk verschil -tusschen het ding en zijne voorstelling, want het eerste is buiten ons, -heeft daar een reëel bestaan, maar de tweede bestaat in ons en heeft -slechts eene ideale existentie. Maar er was andererzijds toch ook eene -volkomene overeenstemming; de voorstelling is een beeld, eene getrouwe -ideale reproductie van het voorwerp buiten ons. De nieuwere philosophie -echter, lettende op de activiteit van ’s menschen bewustzijn bij het -vormen der waarnemingsbeelden, heeft tusschen ding en voorstelling -eene hoe langer hoe breedere klove gegraven. De waarnemingsbeelden zijn -geen species, formae, maar hoogstens nog teekens, symbolen, diagrammen -van de buitenwereld, vrij in onzen geest gevormd naar aanleiding van -de wijzigingen die van buiten door de zintuigen en zenuwen heen in -onze hersencellen worden aangebracht. Indien dit zoo is, verdwijnt de -objectieve wereld steeds verder uit ons gezicht, ze lost zich op in -schijn; want eene controle van het waarnemingsbeeld aan de werkelijkheid -is daarom onmogelijk, wijl we haar nimmer benaderen kunnen, en het -waarnemingsbeeld altijd tusschen haar en ons zich inschuift, Land, -Inleiding 71, en de vroeger aangeh. litt. De dwaling, die aan deze -theorie ten grondslag ligt, schijnt deze te zijn, dat het eigenlijk -voorwerp van onze waarneming niet het ding buiten ons, maar een of -andere indruk of trilling van onze zenuwen in ons zou zijn. Nu is het -zeker waar, dat er geen voorstelling in ons bewustzijn gevormd kan -worden, zonder dat er trillingen in de zenuwen naar onze hersencellen -worden overgeplant. Maar ook het beeld, dat op het netvlies van het -oog geworpen wordt, noch de wijzigingen in de hersencellen ten gevolge -van de zenuwtrillingen zijn de oorzaak, waaruit de gewaarwording -en voorstelling in ons bewustzijn ontstaat. Alle psychometrische -onderzoekingen, hoe belangrijk ook, hebben ons ter verklaring van -dit wonderbaar verschijnsel geen stap nader gebracht. Wij staan hier -voor een, naar het schijnt, onoplosbaar raadsel. De zenuwtrillingen -kunnen tot in het centrum der hersens worden nagegaan, haar sterkte -en snelheid kan worden berekend; maar de voorstelling, die daarna -in ons bewustzijn ontstaat, is toto genere daarvan verschillend. Zij -is een psychische, geestelijke acte, uit physische verschijnselen, -gelijk de zenuwtrillingen zijn, nooit te verklaren. Zoo kunnen dan de -voorstellingen geen producten zijn, die door de zenuwtrillingen ons -zelf onbewust in ons bewustzijn worden voortgebracht. En zij kunnen ook -geen bewuste scheppingen zijn van onzen geest, naar aanleiding van de -wijzigingen in onze hersencellen, om de eenvoudige reden, dat niemand -van heel dit proces der zenuwtrillingen ook maar iets bij de waarneming -weet, en eerst door opzettelijk physiologisch onderzoek daarvan kennis -krijgt. Daar komt nog bij, dat de zenuwtrillingen en wijzigingen in de -hersencellen soms wel, bij het zien zonder opmerken, bij het hooren -zonder verstaan enz. geheel en zuiver mechanisch toegaan, maar dat ze -toch bij het eigenlijk waarnemen altijd reeds van een psychische akte -vergezeld zijn. Het gaat niet zoo, dat de zenuwtrillingen eerst in onze -hersens worden overgebracht, en dat eerst daarna het bewustzijn ontwaakt -en uit die wijzigingen in de hersencellen de voorstelling vormt; maar de -waarneming zelve door de zintuigen is een akte van het bewustzijn. Het -is de geest des menschen, die ziet door het oog en hoort door het oor. -Voorwerp van de waarneming is dus niet eenig verschijnsel in mij, maar -het ding buiten mij. Dezelfde geest, die het voorwerp ziet, is het ook, -die de voorstelling vormt. Beide zijn psychische akten. Daarom is er -ook geen reden tot twijfel, dat wij in de voorstellingen eene getrouwe, -ideale reproductie hebben van de voorwerpen buiten ons. Daarbij is -het tot op zekere hoogte onverschillig, of wij de voorstellingen -εἶδη, species, formae, teekens, symbolen enz. van de dingen noemen; -want ook deze woorden zijn beelden, en voor het meerendeel aan -de gezichtswaarneming ontleend. Indien maar vaststaat, dat de -voorstellingen in haar geheel en in haar deelen getrouwe vertolkingen -zijn van de wereld der werkelijkheid buiten ons. - -9. Maar bij deze voorstellingen blijft de menschelijke geest niet staan. -Wetenschappelijke kennis komt niet voort uit de zintuigen maar uit -het verstand. Niet de loutere waarneming, maar het ernstig nadenken -over de waargenomen verschijnselen hebben Kopernikus tot den vader der -astronomie en Newton tot den ontdekker der zwaartekracht gemaakt. -Het waarnemen van verschijnselen is noodig en goed, maar het is niet -het eenige en het hoogste. Object van de wetenschap is niet het -bijzondere maar het algemeene, het logische, de idee. De Grieksche -philosophie heeft dit reeds ingezien. Socrates was de eerste, die de -idee van het weten met bewustheid indacht en tot beginsel maakte van -zijne philosophie; wetenschap is kennis, niet van den schijn, maar van -het wezen der dingen, Xenophon, Memor. IV, 6.1. Plato onderscheidde -tusschen δοξα, welke tot inhoud had het gewone, empirische weten, en -ἐπιστημη, die het waarlijk zijnde der dingen tot inhoud had, Rep. V 476 -D-478 D. Sympos. 202 A enz. En Aristoteles omschreef wetenschap in -denzelfden zin als kennis του ὀντος, του καθολου, των πρωτων αἰτιων και -ἀρχων (plaatsen bij Zeller, Philos. d. Gr. III 161 f). Vooral Augustinus -heeft deze intellectueele kennis op den voorgrond gesteld. Hij verwerpt -de kennis door de zintuigen niet, hij verdedigt hare waarheid tegen de -Academici in een afzonderlijk geschrift, en erkent dat wij de invisibilia -Dei verstaan per ea quae facta sunt, de Gen. ad. litt. 4,32. Maar hij -onderschat toch hare waarde, evenals Plato; het zinrijke geeft slechts -δοξα, c. Acad. 3,26, het is de waarheid zelve niet, het is er maar -een beeld van, Solil. 2,32. De kennis der natuur is zonder waarde, -nihil prodest, Conf. 5,7. 10,55. Enchir. 3,5. Er zijn eigenlijk maar -twee dingen, die het belangrijk is te kennen, God en onszelven: deum et -animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil omnino, Solil. 1,7. En deze -kennis verkrijgt hij niet door naar buiten, maar door naar binnen te -zien; noli foras ire, in te ipsum redi, in interiore homine habitat -veritas, de vera relig. c. 39 n. 72; niet door de zinnelijke waarneming -maar door het denken; aliud est sentire, aliud nosse, de ord. 2,5. cf. -Solil. 2,33. De scholastiek, zich nauwer aansluitend aan Aristoteles, -heeft de waarde der zinnelijke waarneming beter ingezien, maar toch -ook de beteekenis van den intellectus voor de wetenschap ten volle -erkend. Thomas drukte dit kort en duidelijk aldus uit, scientia non est -singularium, S. Theol. I qu. 1 art. 2, intellectus est universalium, -S. c. Gent. I c. 44. Wetenschap heeft tot object het algemeene en -noodzakelijke, S. Theol. I qu. 14 art. 13 ad 3. I qu. 84 art. 1 ad 2. I -qu. 86 art. 1 en 3, en kan daarom alleen door den intellectus worden -verschaft. Want terwijl de zinnelijke waarneming de dingen beschouwt -quantum ad exteriora ejus accidentia, is het juist het eigenaardige -van den intellectus, dat hij doordringt ad interiora rei, S. c. Gent. -I 58. III 56. IV 11, penetrat ad essentiam rei, S. Theol. II. 2 qu. 8 -art. 1. Zijn eigenlijk object is de quidditas rei materialis, S. Theol. -I qu. 85 art. 5 ad 3. Het verstand n.l. maakt als intellectus agens, -dat is als abstractievermogen, gelijk wij het noemen zouden, uit de -zinnelijke voorstellingen het algemeene los; het laat het bijzondere -eruit wegvallen, het schijnt er als een licht over henen, maakt ze -intelligibel, laat het algemeene eruit kenbaar worden, en neemt dan -als intellectus possibilis, d. i. als intellectueel kenvermogen, dat -algemeene in zich op en maakt het tot eigendom van den geest, S. Theol. -I qu. 79 art. 3 en 4. I qu. 84 art. 6. S. c. Gent. II 76.77. III 45. - -Nu is er eigenlijk hierover nog geen verschil, dat niet de zinlijke -waarneming maar het verstand het orgaan der wetenschap is. Ook het -empirisme heeft dit niet ontkend. Bacon, Hume, St. Mill erkennen ten -volle, dat de zinnelijke waarneming wel het eerste maar niet het eenige -is en dat het verstand door inductie het algemeene uit het bijzondere -tracht af te leiden. Het was Bacon juist te doen om eene betrouwbare -methode, waarnaar uit bijzondere waarnemingen algemeen-geldige oordeelen -konden gevormd worden. Maar bij de begrippen, die het verstand uit de -voorstellingen vormt, komt met dubbelen ernst de vraag terug, die -boven reeds bij de waarnemingsbeelden werd gedaan: wat is de verhouding -tusschen deze begrippen des verstands en de wereld der werkelijkheid? -En hier gaan Nominalisme en Realisme uiteen. Beide richtingen komen -in het wezen der zaak reeds voor in de Grieksche philosophie. Plato -en Aristoteles waren realisten, zij het ook met onderscheid; en de -eigenlijke gedachte van het nominalisme vinden we reeds o. a. bij den -cynischen wijsgeer Antisthenes, die de realiteit der algemeene begrippen -ontkende en tegen Plato zei: ἱππον μεν ὁρῶ, ἱπποτητα δε οὐχ ὁρω, -Zeller, Philos. der Gr. II{4} 295, en bij de Stoische wijsgeeren, die de -ἐννοηματα, de gedachten, slechts hielden voor φαντασματα διανοιας, ib. -IV³ 79. 125. In de Middeleeuwen werd deze opvatting van de algemeene -begrippen vernieuwd en kreeg ze den naam van nominalisme. Roscellinus -was van oordeel, dat de algemeene begrippen slechts flatus vocis waren, -Gedankendinge, waaraan geen realiteit beantwoordt; in de werkelijkheid -zijn er geen algemeene maar slechts bijzondere, individueele dingen, is -er geen menschheid maar zijn er alleen menschen enz. De strijd tusschen -realisme en nominalisme duurde tot de 15e eeuw voort. Cf. A. Stöckl, -Gesch. der Philos. des Mittelalters. 3 Bde Mainz 1864-66 I 135 f. II -986 f. Hauréau, De la philosophie scolastique, 2 vol. Paris 1850. -Schwane, Dogmengeschichte der mittl. Zeit. Freiburg 1882 S. 4 f. -Voorts geschiedenis der dogmen van Bach, Thomasius, Münscher, Baur, -Harnack enz., gesch. der philos. van Ueberweg, Erdmann, Windelband -enz. A. Pierson, De realismo et nominalismo 1855. Id. Gesch. van -het R.-Katholic. III 1871 bl. 53 v. 87 v. 183 v. Spruyt, Proeve 66 -v. Maar ook daarna is de kwestie niet uit de philosophie geweken. -Het geschil tusschen realisme en nominalisme is geen twistpunt van -scholastieke spitsvondigheid, maar van diepingrijpende beteekenis. -Het nominalisme is in nieuwen vorm als empirisme weer in de nieuwere -philosophie te voorschijn getreden, Spruyt, Proeve passim. Hugo Spitzer, -Nominalismus und Realismus in der neuesten deutschen Philosophie mit -Berücksichtigung ihres Verhältnisses zur modernen Naturwissenschaft. -Leipzig 1876. Janet, Traité élémentaire de philos. Paris, Delagrave -1887 p. 162 s. Land, Inleiding 107 v. Pierson, Wijsgeerig Onderzoek. -Deventer, ter Gunne 1882 bl. 200 v. Indien nu het nominalisme het -recht aan zijne zijde heeft, is het met alle wetenschap gedaan. Want één -van beide: indien wij de overeenstemmende kenmerken van eene groep van -dingen in een begrip en woord kunnen samenvatten, dan geschiedt dit -òf zonder grond en vertegenwoordigen die woorden en begrippen geen -waarde in de werkelijkheid; òf de dingen gelijken in de werkelijkheid -aan elkaar en hebben gemeenschappelijke kenmerken. In dit geval zijn de -begrippen echter geen ledige Gedankendinge, maar de som van wezenlijke -eigenschappen der dingen, en dus geen nomina maar res. Daarom had -dan ook het realisme zonder twijfel gelijk, als het de realiteit der -algemeene begrippen aannam, niet in platonischen of ontologischen zin -ante rem, maar in aristotelischen zin in re, en daarom ook in mente -hominis post rem. Het algemeene, dat wij in het begrip uitdrukken, -bestaat niet juist zóó, als universale, buiten ons (cf. boven bl. -23); maar in ieder exemplaar der soort bijzonderlijk geïndividualiseerd -en gespecialiseerd, heeft het toch zijn grond in de dingen en wordt -daaruit door de werkzaamheid van het verstand geabstraheerd en -uitgedrukt in een begrip, Thomas, S. Theol. I qu. 85 art. 2 ad 2. S. -c. Gent. I 65. Met de begrippen verwijderen we ons dus niet van de -werkelijkheid, maar naderen haar hoe langer hoe meer. Het schijnt wel, -dat we, begrippen en oordeelen en besluiten vormende, hoe langer hoe -meer den vasten grond onder het gebouw onzer kennis verliezen en hoog -gaan zweven in de lucht. Het lijkt vreemd en wonderlijk, dat we, de -voorstellingen omzettende in begrippen en deze weer verwerkende naar -de wetten van het denken, uitkomsten verkrijgen, die in overeenstemming -zijn met de werkelijkheid. En toch wie deze overtuiging prijsgeeft, is -verloren, Land, Inleiding bl. 250. Maar die overtuiging kan dan ook -alleen rusten in het geloof, dat het eenzelfde Logos is, die èn de -werkelijkheid buiten ons èn de wetten van het denken in ons schiep, en -die beide in organisch verband zette met en correspondeeren liet op -elkaar. Zoo alleen is er wetenschap mogelijk, d. i. kennis niet slechts -van den wisselenden schijn maar van het algemeene, van het logische -in de dingen. Zeker, het zijn zelf der dingen, hun existentie, blijft -buiten ons; nooit gaan de dingen zelve realiter in ons in; het zijn is -dus nimmer door ons te benaderen, het is een factum dat aanvaard moet -worden en dat den grondslag van het denken uitmaakt. Maar in zoover -de dingen ook logisch bestaan, uit gedachte zijn voortgekomen en in -gedachte rusten Joh. 1:3, Col. 1:15, zijn ze ook begrijpbaar en denkbaar -voor den menschelijken geest. - -10. Plato helderde dit proces der wetenschap op door een schoon en -treffend beeld. Gelijk de zon objectief het voorwerp en subjectief ons -oog verlicht, zoo is God of de idee van het goede het licht, waardoor -de waarheid, het wezen der dingen, zichtbaar wordt en tevens onze geest -die waarheid aanschouwen en erkennen kan, cf. Siebeck, Geschichte -der Psychologie, I Theil, 2 Abth. Gotha, Perthes 1880, ’84 I 226. -Aristoteles, ib. II 70. Augustinus nam dit beeld over: God is de zon -der geesten. In het onveranderlijk licht der waarheid ziet en oordeelt -onze geest over alles, in ipsa incommutabili veritate mens rationalis -et intellectualis intuetur, eaque luce de his omnibus judicat, de Gen. -ad litt. L. 8 cap. 25. Zooals wij met het lichamelijk oog niets kunnen -zien, als de zon haar licht er niet over verspreidt, zoo kunnen wij ook -geen waarheid zien dan in het licht Gods, die de zon onzer kennis is, -Solil. I c. 8, 13, de Trin. 12 c. 15. Deus intelligibilis lux, in quo -et a quo et per quem intelligibiliter lucent, quae intelligibiliter -lucent omnia. Thomas spreekt meermalen op dezelfde wijze, en bezigt -dezelfde gelijkenis, S. Theol. I qu. 12 art. 11 ad 3, qu. 79 art. 4, -qu. 88 art. 3 ad 1. II 1 qu. 109 art. 1 ad 2. S. c. Gent. 3 c. 47. -Alleen wees Thomas erop, dat dit niet pantheïstisch mocht worden -verstaan, gelijk Averroes onder neoplatonischen invloed leerde en -daarin later door Malebranche en de ontologistische school gevolgd -werd. Gelijk we, zegt Thomas, in het natuurlijke zien, niet door zelf -in de zon te zijn, maar door het licht der zon dat ons bestraalt, zoo -zien wij ook de dingen niet in het goddelijk wezen, maar door het licht -dat van God in onzen eigen intellectus schijnt. De rede in ons is dat -goddelijk licht, zij is niet de goddelijke logos zelf, maar heeft daaraan -deel. Gode komt toe het esse, vivere, intelligere per essentiam, ons -per participationem S. Theol. I qu. 79 art. 4. Dit beeld van de zon -bracht er toe, om in gezonden zin te spreken van het natuurlijk licht -der rede, cf. Polanus Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III 636 -sq., waaronder dan niets anders verstaan werd dan die permanente -eigenschap of kracht van den menschelijken geest, waardoor hij in staat -gesteld wordt, terstond bij de eerste waarnemingen die grondbegrippen -en grondbeginselen te vormen, welke hem verder bij alle waarneming en -denken leiden. Het licht der rede is alzoo in de eerste plaats gelijk -aan den intellectus agens, aan het abstractievermogen, dat over de -voorwerpen schijnt en het intelligibile daaruit te voorschijn doet treden -en voorts aan dat fonds van κοιναι ἐννοιαι, dat onze geest juist door -het vermogen der abstractie zich eigen maakt. Maar in beiderlei zin -is dat licht aan God, of meer bepaald aan den Logos te danken, Ps. -36 vs. 10, Joh. 1:9. Hij is het, die dit licht in ons doet opgaan en -voortdurend onderhoudt. En zoo is het dan niet aan den mensch, die -maar instrument is, maar aan God te danken, als door de stralen van -dat licht de waarheid zich voor onzen geest onthult, Liberatore, Die -Erkenntnisslehre des h. Thomas v. A. 185 f. Kleutgen, Die Philosophie -der Vorzeit, 2e Aufl. Innsbrück 1878 I 89 f. - -Deze schoone beeldspraak maakt ons duidelijk, welke de principia zijn, -waaruit alle wetenschap voortkomt. Niet alleen in de theologie, -gelijk de vorige § ons deed zien, maar in elke wetenschap zijn er drie -principia te onderscheiden. Ook hier is God het principium essendi; -in zijn zelfbewustzijn liggen de ideeën aller dingen; alle dingen -berusten op gedachten en zijn geschapen door het woord. Maar het is zijn -welbehagen, om van deze cognitio archetypa in zijn goddelijk bewustzijn -eene ectypische kennis over te brengen in den mensch, die naar zijn -beeld is gemaakt. Maar dat doet Hij, niet door ons de ideeën in zijne -essentia te laten aanschouwen (Malebranche), noch ook door ze ons alle -reeds bij de geboorte mede te geven (Plato, leer der ideae innatae), -maar door ze in de werken zijner handen uittespreiden voor des menschen -geest. De wereld is eene belichaming van gedachten Gods; zij is een -schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als -letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven; -zij is geen schrijfboek, waarin wij naar de voorstelling der idealisten -de woorden zouden hebben in te vullen, maar een leesboek, waaruit -God ons kennen doet wat Hij er voor ons in neergeschreven heeft. De -geschapene wereld is dus het principium cognoscendi externum van alle -wetenschap. Maar dat is niet genoeg. Om te zien is een oog noodig. Wär’ -nicht das Auge sonnenhaft, wie könnten wir das Licht erblicken? Er moet -correspondentie, verwantschap zijn tusschen object en subject. Dezelfde -Logos, die schijnt in de wereld, moet zijn licht ook laten stralen in -ons bewustzijn. Dat is de intellectus, de ratio, die, zelf uit den -Logos afkomstig, den Logos in de dingen ontdekt en erkent. Zij is het -principium cognoscendi internum. Sicut scientia in nobis est sigillatio -rerum in animabus nostris, ita e converso formae non sunt nisi quaedam -sigillatio divinae scientiae in rebus, Thomas, bij Liberatore, Die -Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aq. S. 148. Zoo is het dan God -alleen, die uit zijn goddelijk bewustzijn de kennis der waarheid door de -schepselen heen inbrengt in onzen geest; de Vader, die door den Zoon -in den Geest zich aan ons openbaart. Multi dicunt: quis ostendet nobis -bona? Signatum est super nos lumen vultus tui, Domine! - - -§ 8. PRINCIPIA IN DE RELIGIE. - - -A. Wezen der religie. - -1. Evenals de wetenschap heeft ook de religie hare principia. Om deze -te leeren kennen, is het allereerst noodig, het wezen der religie te -bepalen, vooral ook in onderscheiding van wetenschap en kunst. De -naam religie geeft weinig licht. Cicero, de nat. deor. 2, 28, leidt -het woord af van relegere, herlezen, nog eens overdoen, nauwkeurig -waarnemen, en duidt daarmede de religie aan als een voortdurend en -ijverig in acht nemen van al wat op de vereering der goden betrekking -heeft, cf. de invent. 2, 22 en 53. Lactantius, Instit. divin. 4, -28, verklaart het uit religare en verstaat dus onder religie den -band, die den mensch aan God verbindt. Eene derde afleiding, van -relinquere, komt bij Gellius, Noct. Att. 4, 9, voor en wijst aan, dat al -wat tot de religie behoort, wegens zijne heiligheid van het ongewijde -is afgezonderd. Augustinus, de civ. Dei 10, 4, brengt het eenmaal in -verband met re-eligere: in de religie kiezen we God, dien we door de -zonde hadden verloren, weder terug als de bron onzer zaligheid. J. -C. Leidenroth, Neue Jahrb. für Philologie und Pädagogik von Seebode, -Jahn und Klotz 1834 S. 455, neemt op grond daarvan dat de drie verba -diligere, negligere en intelligere een ander perfectum hebben dan lego -en zijne composita, een verloren stam ligere aan, sanscr. lok, gr. -λευσσειν, duitsch lugen, eng. look, cf. lucere, met de beteekenis van -zien; diligere zou dan beteekenen met liefde aanzien, negligere niet -zien, intelligere inzien; en daarvan zou dan ook religere, terugzien -en religio, het met vreeze omzien, cf. respectus, gekomen zijn. De -afleiding van religare, relinquere, re-eligere stuit op grammatisch -bezwaar en verklaart ook niet de eigenaardige beteekenissen, die -religio in ’t latijn bezit. Tusschen de afleiding van Cicero en -van Leidenroth is het pleit nog niet beslist; maar zakelijk komen -beide hierin overeen, dat religio den godsdienst aanduidt als eene -gezindheid van schuwe vrees tegenover de Godheid en als eene daaruit -voortvloeiende angstig-nauwgezette waarneming van wat de cultus -der goden eischt. Cf. den versregel bij Figulus (Gellius, Noct. -Att. 4, 9): religentem esse oportet, religiosum nefas, H. Voigt, -Fundamentaldogmatik. Gotha, Perthes 1874 S. 9 f. F. A. B. Nitzsch, -Lehrb. der ev. Dogm. Freiburg, Mohr, 1889 S. 83. Hoekstra, Wijsg. -Godsdienstleer I 52 v. Het woord is dus volstrekt niet geschikt, om -den vollen inhoud van den christelijken godsdienst weer te geven. Maar -het gebruik en de afleiding van Lactantius, die algemeen ingang vond, -hebben het woord gekerstend. De Vulgata nam het op Hand. 26:5, Jak. -1:27. Het woord is in alle europeesche talen overgegaan, en heeft ook -in onze taal naast godsdienst, vroomheid (van het goth. fruma, lat. -primus, op den voorgrond tredend, deugdzaam, dapper, bijv. Stat. Vert. -Gen. 42:11, enz.), godsvrucht, godzaligheid burgerrecht verkregen en -behouden. - -2. De H. Schrift geeft geene definitie en bezit ook geen algemeen -begrip ter aanduiding van het verschijnsel der religie. Zij heeft -afzonderlijke woorden voor hare objectieve en hare subjectieve zijde. -De religio objectiva is identisch met de openbaring Gods, en bestaat -in het verbond, בְרִית, hetwelk God aan Israël gaf, en dat dus in -vollen zin eene goddelijke stichting, διαθηκη, heeten mag, Exod. 20:1 -v., 34:10 v., 27 v.; Jes. 54:10, enz. De ordeningen in dat verbond, -welke Israël onderhouden moet, vormen saam den inhoud der תּוֹרָה, -onderwijzing, leer, wet, wetboek des Heeren, en worden met zeer -verschillende namen aangeduid. Ze heeten דְּבָרִים woorden Num. 12:6; -Ps. 33:4, enz., מִצוֹת geboden, Gen. 26:5; Ex. 15:26, enz., פִקּוּדִים -bevelen, Ps. 119:4, 5, 15, enz.; חֻקִּים inzettingen, besluiten, Ex. -15:26; Lev. 25:18; Ps. 89:32; Job 28:26, enz.; מִשְׁפָּטִים rechtszaak, -rechtsuitspraak, Num. 36:13; Ps. 19:10, enz.; דְּרָכִים, אֳרָחוֹת -wegen, paden, Deut. 5:33; Job 21:14; Ps. 25:4; enz.; מִשְׁמָרוֹת wetten -die te bewaren zijn, Gen. 26:5; Lev. 18:30, enz. De vele uitdrukkingen -wijzen aan, hoe in Israëls religie het objectieve, de inzetting Gods -op den voorgrond staat. Aan die religio objectiva beantwoordt nu -subjectief de יִרְאַת יהוה, de vreeze des Heeren. Deze drukt de -innerlijke gezindheid van den vromen Israëliet uit tegenover de heilige -wetten, die hem van Godswege ter onderhouding zijn voorgeschreven. Maar -deze vreeze is toch wezenlijk onderscheiden van de angstige schuwheid, -die oorspronkelijk in het lat. woord religio ligt opgesloten. Dat -blijkt daaruit, dat deze vreeze des Heeren overgaat in en verbonden -is met allerlei andere godsdienstige stemmingen, zooals gelooven -הֶאֱמִין Gen. 15:6; Jes. 7:9; Hab. 2:4; vertrouwen בָּטַח Ps. 26:1, -37:3, 5; toevlucht nemen חָסָה Ps. 5:12, 37:40; steunen סָמוּךְ, zich -vastklemmen דָּבַק 2 Kon. 18:6; hopen קִוָּה, verwachten חִכָּה, ja -zelfs liefhebben van God חָשַׁק Ex. 20:6; Deut. 6:5; Ps. 91:14. De -rechten des Heeren blijven niet als een voorwerp van schrik en vreeze -staan buiten en boven den Israëliet, maar worden een object van zijne -liefde. Hij overpeinst ze met zijn verstand en betracht ze met zijn wil. -Zij zijn zijne vermaking den ganschen dag. In het Nieuwe Testament treffen -we in het wezen der zaak dezelfde opvatting aan. Maar nu geeft God -zijne openbaring niet in eene reeks van wetten, maar in den persoon van -Christus. Deze is de weg en de waarheid, Joh. 14:6. De ὁδος του κυριου -Hand. 18:25, 19:9, 23, 22:4; de διδαχη of διδασκαλια Mt. 7:28, 22:33; -Joh. 7:16, 17; Hd. 2:42; Rom. 6:17; 1 Tim. 1:10, 4:6, 16, 6:1, 3; 2 -Tim. 4:2, 3; Tit. 1:9, 2:1, 7, 10; het εὐαγγελιον Mk. 1:1, 14, 15, -enz.; de λογος του θεου Mt. 13:19; Mk. 2:2, 4:14 v.; 2 Cor. 9:19, enz. -concentreeren zich alle om Christus en zijn niets dan explicatie van zijn -persoon en werk. Dienovereenkomstig verandert dan ook de subjectieve -gezindheid. De gewone Grieksche woorden waren niet geschikt, om deze in -haar eigenlijk karakter weer te geven. Δεισιδαιμονια wordt door Festus -van den Joodschen Hd. 25:19, en het adjectief door Paulus van den -Heidenschen godsdienst Hd. 17:22 gebezigd. Θεοσεβεια komt maar eenmaal -voor 1 Tim. 2:10. Εὐσεβεια geeft te kennen heiligen eerbied voor God; -het is in beteekenis verwant aan het lat. pietas, en drukt dus eene -stemming uit, gelijk die ook in kinderen tegenover hunne ouders enz. -aanwezig is; meermalen komt dit woord in het N. T. voor, vooral in de -Pastoraalbrieven; wat de εὐσεβεια eigenlijk is en behoort te wezen, is -eerst in het Evangelie geopenbaard 1 Tim. 3:16. Ook de vreeze is in -het N. T. niet geheel uit de religio subjectiva geweken Luk. 18:2; Hd. -9:31; 2 Cor. 5:11, 7:1; Rom. 3:18; Ef. 5:21; Phil. 2:12; 1 Petr. 1:17, -3:2, 3:15, maar ze komt toch veel zeldzamer voor als beschrijving van -de religieuse gezindheid; zij heeft in de meeste plaatsen betrekking -op bijzondere gebeurtenissen, bijv. Gods gericht, en is door de liefde -vervangen Rom. 8:15, 1 Joh. 4:18. Het gewone woord voor de religio -subjectiva in het N. T. is πιστις. Aan de blijde boodschap der vergeving -en der zaligheid in Christus beantwoordt van ’s menschen zijde het -geloof, hetwelk een kinderlijk vertrouwen op Gods genade is en daarom -ook terstond de liefde in ons hart werkt. Πιστις en ἀγαπη zijn de -grondstemmingen van de christelijke vroomheid. De woorden λατρεια Rom. -9:4, 12:1; Hebr. 9:1, 6 en θρησκεια Hd. 26:5; Col. 2:18; Jak. 1:27 -duiden den cultus aan, die Gode uit het beginsel des geloofs wordt -toegebracht. J. Köstlin, Die Religion in N. T. Stud. u. Kr. 1888 S. -7-102. Nitzsch t. a. p. 85. - -3. De H. Schrift geeft dus geen beschrijving van het wezen der religie, -gelijk het naar de moderne voorstelling aan alle godsdiensten ten -grondslag ligt. Maar zij teekent en beschrijft als religie alleen die -verhouding tusschen God en den mensch, welke door God zelf is geregeld -en bepaald. Evenzoo ging de vroegere theologie bij het bepalen van -het wezen der religie altijd van de religio vera uit. En deze methode -beveelt zich nog door hare juistheid aan. Zij kan alleen bestreden -worden door hen, die meenen, dat de kategorieën van waar en valsch op -de godsdiensten niet passen, wijl er geen kennis van het bovennatuurlijke -mogelijk is, en dat dus de voorstellingen hoegenaamd niets te maken -hebben met de religieuse gezindheid. Dit indifferentisme is echter, -gelijk later blijken zal, onhoudbaar; ook het kennen is een wezenlijk -element der religie. Aangenomen voor het oogenblik, dat er eene kennis -is van het bovennatuurlijke en dat er eene religio vera bestaat; dan is -er geen enkel bezwaar denkbaar, om aan haar de definitie te ontleenen -voor het wezen der religie en deze te bezigen als maatstaf bij de -beoordeeling van de andere godsdiensten. Geen enkele godsdienst kan -er op tegen hebben, om getoetst te worden aan het zuivere begrip der -religie. Het valsche wordt alleen door het echte gekend, en de leugen -wordt ontdekt door de waarheid. Er is op geen enkel gebied eene juiste -beoordeeling en waardeering der dingen mogelijk zonder een vasten, -positieven maatstaf. Zoo is het in het recht, de moraal, de aesthetica -en zoo is het ook in de religie. De studie der godsdiensten onderstelt -dat we althans eenigszins weten, wat godsdienst is. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. III² 184. - -Naar het voorbeeld der H. Schrift hebben we bij het onderzoek naar -het wezen der religie onderscheid te maken tusschen hare objectieve -en hare subjectieve zijde. Deze onderscheiding ligt voor de hand en -is in elken godsdienst aanwezig. De religio objectiva gaat vooraf. -Alle menschen vinden haar bij hunne geboorte; zij groeien er in -evenals in huisgezin, maatschappij, kerk, staat enz. Dit zijn altemaal -objectieve instellingen en machten, die niet willekeurig uit en door -den mensch ontstaan, maar die hem opnemen bij zijne geboorte, hem -vormen en opvoeden en zelfs tegen zijn wil hem blijven beheerschen zijn -gansche leven lang. Het is met de historie en met de psychologie in -strijd, om bij de bepaling van het wezen der religie uit te gaan van -de religio subjectiva en dan in de verschillende godsdiensten niets -dan wisselende vormen en indifferente uitingen van haar leven te -zien. Op die wijze wordt de dagelijksche ervaring miskend, de macht der -religio objectiva geloochend, en alle verhouding van object en subject -op revolutionaire wijze omgekeerd. Zeer zeker heeft ook de religio -objectiva haar oorsprong, welke opgezocht en verklaard worden moet. -Maar alle godsdiensten, wier oorsprong eenigermate bekend is, toonen -ons, dat zij in aansluiting aan het bestaande zijn opgekomen, en met -heel het historisch milieu ten nauwste in verband staan. Er is geen -enkele godsdienst, die zuivere uiting is van de religieuse gezindheid -en daaruit alleen zich verklaren laat. De religio subjectiva wijzigt -en vervormt de bestaande religieuse voorstellingen en gebruiken en -bezielt ze dikwerf met een nieuw leven. Maar zij schept niet, zij -ontstaat zelve altijd en overal onder den invloed en de werking der -bestaande godsdiensten. Stichters van godsdiensten zijn er daarom niet -in eigenlijken zin. De religio objectiva is de haard van de religio -subjectiva, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I. 123. Daar komt bij, dat alle -godsdiensten willen beschouwd zijn, niet als uiting en vorm van eene -religieuse gezindheid maar als vrucht van openbaring. Zij leiden hun -oorsprong niet uit den mensch af maar uit God. Men moge dit beroep -op openbaring laten gelden of niet; het feit spreekt te sterk en is -te algemeen, dan dat het niet zou moeten worden verklaard. Het wijst -aan, dat het begrip der religie aan dat der openbaring onafscheidelijk -verbonden is. Er is geen religie zonder openbaring. Openbaring is de -grondslag en de oorsprong van alle religie. Het staat daarom den man -van wetenschap niet vrij, om reeds apriori dit begrip der openbaring -te elimineeren en in de godsdiensten niets dan vormen van een zelfde -wezen, uitingen van eene zelfde religieuse gezindheid te zien. Ook de -H. Schrift leidt de religio objectiva uit openbaring af. God voortijds -veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de -profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon, -Hebr. 1:1. Trouwens ligt het ook in den aard der zaak, dat openbaring -en religie ten nauwste verbonden zijn. God alleen kan de wijze bepalen, -waarop Hij door menschen gediend wil worden. Hominum non est, instituere -et formare Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire, Conf. -Helv. II art. 19. Naar de leer der H. Schrift heeft God dat gedaan -deels door de natuur, deels door zijn Woord. De religio objectiva valt -dus saam met de thora, genomen in den ruimsten zin, d. i. met heel die -onderwijzing des Heeren, welke uit wet en evangelie, woord en feit, -historie en profetie tot ons komt. Zij is de hoofdinhoud der H. Schrift -en de stof der dogmatiek. De religio objectiva is niets anders dan de -wijze, waarop God zelf heeft bepaald, dat Hij gediend en vereerd wil -worden. Formeel komen alle godsdiensten overeen. Maar de overeenkomst -strekt zich nog verder uit. Alle godsdiensten zijn samengesteld uit -eenige bestanddeelen, die constant terugkeeren. Ten eerste is er in -elken godsdienst eene traditie aangaande haar goddelijken oorsprong; -elke godsdienst beroept zich op openbaring; dat is het historische, -het positieve element, het element van traditie. Vervolgens is er in -elke religie eene zekere leer, waarin God aan den mensch die kennis -openbaart, welke tot zijn dienst onmisbaar is; deze wordt met het woord -dogma aangeduid. Verder bevat iedere religie ook zekere wetten, welke -den mensch voorschrijven, wat hij te doen en te laten heeft om met God -in gemeenschap te kunnen leven; dat is de zedeleer, die iedere religie -medebrengt. En eindelijk zijn er in elke religie ook een grooter of -kleiner aantal van ceremoniën, d. i. van plechtige vormen en gebruiken, -die de gemeenschap van den mensch met God ook in het uitwendige -uitdrukken, begeleiden en versterken: dat is het cultisch of liturgisch -bestanddeel in den godsdienst. In de verschillende godsdiensten is de -onderlinge verhouding dezer bestanddeelen zeer verschillend; in sommige -is er veel dogma en weinig cultus en omgekeerd; in andere is er eene -rijke traditie en een gering aantal van zedelijke voorschriften, enz. -Maar in alle religies zijn alle vier elementen aanwezig. Ook de religio -vera, in de H. Schrift neergelegd, heeft haar historie en dogma, haar -moraal en haar cultus, F. A. B. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S. -101-108. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilosophie, Freiburg, Mohr -1893 S. 263 f. - -4. Aan die religio objectiva beantwoordt in den mensch de religio -subjectiva. Zeer gewoon was vroeger de omschrijving van den godsdienst -als recta verum Deum cognoscendi et colendi ratio. Zij komt reeds bij -Lactantius, Instit. div. 4,4 voor, en is behouden tot in deze eeuw -toe. Toch is zij niet boven kritiek verheven. Zij zegt niets aangaande -de subjectieve gezindheid, welke tot het dienen van God noodig is; zij -wijst het verband niet aan, dat tusschen het kennen en dienen van God -bestaat en stelt deze eenvoudig naast elkaar; en zij maakt van de andere -elementen, die in de religie liggen, geen melding. De scholastiek -drong dieper in de zaak door en deed onderzoek naar de subjectieve -gezindheid, waaruit de religie bij den mensch opkomt. Thomas brengt ze -tot de deugden. Deze worden door hem in drie soorten verdeeld: virtutes -intellectuales (sapientia, scientia, intellectus, etc), virtutes -morales (de vier cardinale deugden prudentia, justitia, fortitudo en -temperantia), deze twee groepen werden aan Aristoteles ontleend. En -daaraan werden als derde klasse toegevoegd de drie supranatureele -of theologische deugden geloof, hoop en liefde, Thomas, S. Theol. -II 1 qu. 57, 58, 62. De religio wordt nu door Thomas gebracht niet -onder de virtutes theologicae maar onder de virtutes morales. Want de -theol. deugden hebben dit eigenaardige, dat zij God tot rechtstreeksch -object hebben; zij ordinant nos ad Deum immediate et directe ut ad -objectum, ib. II 1 qu. 62 art. 2; maar in de religie is God niet -objectum maar finis, het eigenlijk object in de religie is de cultus, -die Gode wordt toegebracht. Zij is dus geen virtus theologica, die -God tot object heeft, maar eene virtus moralis, die verkeert circa -ea, quae sunt ad finem; zij ordinat hominem in Deum, non sicut in -objectum, sed sicut in finem. Onder de virtutes morales is ze echter -wel de voornaamste, omdat zij het nauwst in betrekking staat tot Hem, -die het doel aller deugden is, n.l. God, ib. II 2 qu. 81 art. 5, 6. -Nader wordt de religio door Thomas tot die virtus moralis gerekend, -welke justitia heet. Hij vat de religio n.l. op als die virtus, per -quam homines Deo debitum cultum et reverentiam exhibent. Al wordt -Jak. 1 vs. 27 ook het bezoeken van weezen en weduwen enz. tot den -godsdienst gerekend, toch is de religie in eigenlijken en engeren zin -alleen eene verhouding tot God en nooit tot menschen. En ofschoon -alles gedaan moet worden ter eere Gods, is de eere, die Gode in de -religie wordt toegebracht, toch in specialen zin bedoeld en omvat -strikt genomen alleen dat, wat betrekking heeft ad reverentiam Dei. -Zij is dus één met de latreia, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 1-4. Deze -definitie van Thomas, die door zeer velen is overgenomen, cf. C. R. -Billuart, Summa S. Thomae -- -- sive Cursus Theologiae, Tom IV 1746 -p. 5 sq. Petrus Dens, Theologia ad usum seminariorum IV p. 9 sq. P. -Collet, Instit. Theol. moralis III p. 401 sq. enz., is echter in de -eerste plaats te eng, wijl ze alleen den cultus omschrijft en dus met -latreia samenvalt. De religio subjectiva is niet alleen een dienst, -eene vereering, maar allereerst eene gezindheid, welke in dien dienst -zich uitspreekt. Voorts is de onderscheiding van virtutes morales en -virtutes theologicae te supranaturalistisch en dualistisch. Er ligt -natuurlijk eenige waarheid in, n.l. deze, dat ook in den gevallen mensch -nog overblijfselen van het beeld Gods en zedelijke deugden zijn, zelfs de -religie is niet geheel uitgeroeid. Maar de virtutes morales en ook de -religieuse gezindheid moeten vernieuwd en herboren worden, om waarlijk -goed te zijn. Thomas erkent dan ook, dat de theol. deugden, geloof, -hoop, liefde causant actum religionis, quae operatur quaedam in ordine -ad Deum, S. Th. II, 2 qu. 81 art. 5 ad 1, maar zij worden toch zelve -van de religie uitgesloten; en terwijl de virtutes intellectuales en -morales zijn secundum naturam hominis, zijn de virtutes theologicae super -naturam I, 2 qu. 62 art. 2. De Hervorming heeft deze opvatting van -de religie vooral in tweeërlei opzicht gewijzigd. Ten eerste maken de -theologen der reformatie beter en duidelijker onderscheid tusschen de -pietas als beginsel en den cultus als actio der religie. En ten tweede -worden geloof, hoop en liefde niet als afzonderlijke theol. deugden -naast de religie geplaatst, maar juist als de voornaamste akten van -den cultus internus in de religie zelve opgenomen. De religio, zegt -Zwingli, Opera ed. Schuler et Schulthess, III 155 omvat pietatem totam -Christianorum, fidem, vitam, leges, ritus, sacramenta; zij bestaat -in ea adhaesio, qua (homo) Deo utpote summo bono inconcusse fidit -eoque parentis loco utitur, ib. 175, zij is animae deique connubium, -ib. 180. Bij Calvijn treffen we drie begrippen aan: 1° de notitia, de -kennis Gods, het besef zijner deugden; 2° deze notitia is idoneus -pietatis magister; zij kweekt pietas, welke bestaat in conjuncta cum -amore Dei reverentia, quam beneficiorum ejus notitia conciliat; en -3° is het deze pietas weer, ex qua religio, in den zin van cultus, -nascitur, Inst. I. 2, 1. Evenzoo onderscheidt Zanchius, Op. IV 263 sq. -tusschen cultus, die de actio externa vel interna, qua Deum veneramur -aanduidt en de religio of pietas, welke de virtus is, waaruit de cultus -geboren wordt. Polanus zegt, Synt. Theol. 580 A, religio verschilt van -cultus Dei, ut causa ab effectu. Religio of pietas is causa interna -cultus Dei. De cultus, vrucht der pietas, wordt dan evenals bij de -scholastici onderscheiden in internus en externus; de eerste heeft tot -voornaamste daden fides, fiducia, spes, adoratio, dilectio, invocatio, -gratiarum actio, sacrificium, obedientia; en de cultus externus is -weer of moralis (belijdenis, gebed enz.) of ceremonialis (sacramenta, -sacrificia, sacra). Zanchius IV 410 sq. Ursinus, Catech. qu. 94-103 en -de explicatie daarvan, ook Tract. Theol. 1584 I p. 283 sq. Polanus, -Synt. Theol. p. 32 F. Hoornbeek, Theol. pract. Lib. 9 cap. 6-8. Id. -Summa Controv. p. 7 sq. Alsted, Theol. Catech. p. 5 sq. Moor, Comm. in -Marckii Comp. I. 44 sq. Voor de Luth. vergelijke men Calovius, Isag. ad -S. Theol. 1652 p. 301 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche 6e Aufl. -S. 5 f. Hase, Hutterus Rediv. Loc. 1 § 2. Herzog² 12:645. - -5. De religio subjectiva is allereerst eene ἑξις, habitus, een zekere -aanleg in den mensch, welke door inwerking van de religio objectiva -in actus (cultus in- en externus) overgaat. Zulk een habitus is er in -iederen mensch; semen religionis omnibus inditum est, Calv. Inst. I. -4, 1. Maar deze habitus is in den gevallen mensch bedorven en brengt, -door eene onware en onzuivere religio objectiva bevrucht, ook een -cultus voort, die idololatreia, ἐθελοθρησκεια is. Daarom is voor eene -zuivere religie noodig, dat ten eerste de van buiten tot ons komende -religio objectiva ons God weer kennen doe gelijk Hij werkelijk is, en -dat ten tweede de bedorven habitus religionis in den mensch wordt -herboren en vernieuwd. In dezen zin is de religio subjectiva dus eene -virtus infusa a Spiritu Sancto, Hoornbeek, Theol. pract. II p. 207, -213. Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd. De mensch heeft vele -deugden, zoowel in zijn verstand als in zijn wil. De eigenaardigheid dier -virtus, welke in de religie werkt, moet dus nader worden aangewezen. -Vroeger omschreef men deze virtus als pietas, reverentia, timor, -fides enz., en zoo ook tegenwoordig als eerbied, ontzag, vreeze, -afhankelijkheidsgevoel. Toch zijn alle deze omschrijvingen niet bepaald -genoeg; al deze aandoeningen hebben we in meerder of minder mate ook -ten opzichte van schepselen. Er moet een wezenlijk onderscheid zijn -tusschen den cultus religiosus en den cultus civilis, tusschen λατρεια -en δουλεια, tusschen de aandoeningen van vrees, eerbied, ontzag -enz. gelijk wij die koesteren tegenover God en tegenover schepselen. -Dat onderscheid kan alleen daarin gelegen zijn, dat in de religie in -aanmerking komt de _absoluta_ dignitas et potestas Dei en de _absoluta_ -subjectio onzerzijds, Hoornbeek, Theol. pract. II 205 sq. Van schepselen -zijn we slechts ten deele afhankelijk; wij staan als schepselen met -hen op gelijke lijn; maar God is een wezen, van hetwelk wij volstrekt -afhankelijk zijn en dat in elk opzicht de beslissing heeft over ons -wel en ons wee. Bij de Heidenen wordt deze absoluutheid Gods wel als -het ware onder vele goden verdeeld, maar toch is iedere god op zijn -terrein met zoodanige macht bekleed, dat de mensch voor zijn geluk of -ongeluk volstrekt van hem afhankelijk is. Het is vooral Schleiermacher -geweest, die in zijn Christ. Gl. § 4 de religie omschreven heeft -als schlechthiniges Abhängigkeitsgefühl. Tegen deze definitie zijn -vele bedenkingen ingebracht, die o. a. kort worden weergegeven door -Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 70 v. Inderdaad heeft deze omschrijving -bij Schleiermacher een zin, welke niet kan toegelaten worden. De -afhankelijkheid wordt bij hem zoo pantheïstisch opgevat, dat ze objectief -alleen betrekking heeft op het wereldgeheel en subjectief beperkt wordt -tot het gevoel. Toch ligt er in Schleiermachers definitie een gewichtig -bestanddeel van waarheid. Wat den mensch tot een religieus wezen maakt -en tot religie drijft, is het besef, dat hij tot God in eene relatie -staat, die specifiek verschilt van alle andere verhoudingen, waarin hij -geplaatst is. Deze relatie is zoo diep en teeder, zoo rijk en veelzijdig, -dat zij moeilijk door één begrip kan worden uitgedrukt. Maar zeker -komt dat van afhankelijkheid wel het eerst en het meest hiervoor in -aanmerking. Want in de religie voelt de mensch zich in betrekking tot -een persoonlijk wezen, dat zijn lot op ieder gebied van het leven en voor -tijd en eeuwigheid in de hand heeft. Daarom wordt God in de religie nog -niet uitsluitend als macht opgevat; want ook als Genadige, Barmhartige, -Rechtvaardige, Heilige enz. staat God tegen den mensch toch altijd als -Souverein, als Absolute, als God over. En de mensch staat tegenover Hem -altijd als schepsel; hij is dat tegenover niemand en niets anders, hij is -dat alleen tegenover God. En daarom is deze creatuurlijke afhankelijkheid -niet het wezen maar toch de grondslag van de religie. De mensch is -echter niet alleen schepsel, maar ook een redelijk en zedelijk schepsel; -zijne verhouding tot God is daarom eene gansch andere dan van engelen en -dieren. De volstrekte afhankelijkheid, waarin de mensch tot God staat, -sluit daarom de vrijheid niet uit. Hij is afhankelijk, maar op eene andere -wijze dan de andere schepselen; hij is zoo en in dien zin afhankelijk, dat -hij tegelijk een redelijk en zedelijk wezen blijft, dat hij Gode verwant, -zijn geslacht en zijn beeld is. Volstrekt afhankelijk is hij zoodat de -loochening dezer afhankelijkheid hem nimmer vrij maakt, en toch hare -erkenning hem nooit tot slaaf vernedert. Integendeel, in de bewuste, -vrijwillige aanvaarding van deze zijne afhankelijkheid komt de mensch tot -de hoogste vrijheid. Hij wordt in dezelfde mate mensch, als hij kind Gods -is. De H. Schrift stelt geen onderzoek in naar het wezen der religio -subjectiva, gelijk die nog in alle menschen en onder alle godsdiensten -wordt gevonden. Het zou ook een onbegonnen werk zijn. Want de religieuse -gezindheid is in de velerlei godsdiensten zoo verschillend, dat er -hoogstens een zeer algemeen en vaag begrip voor aangegeven kan worden. -De Schrift bestempelt echter die religieuse gezindheid, welke de -Christen tegenover God en zijne openbaring gevoelt, met den naam van -geloof. Dat is het centrale begrip in de religio subjectiva van den -Christen. Over de natuur van dat geloof is in de christelijke kerk ten -allen tijde groot verschil geweest. Het religieuse leven is zoo rijk -en diep, dat het telkens van eene andere zijde kan worden beschouwd. -Maar in het geloof liggen toch altijd deze twee elementen opgesloten, -ten eerste, dat de mensch tegenover God en zijne openbaring geheel -receptief en volstrekt van God afhankelijk is, en ten andere, dat hij -juist door erkenning dezer afhankelijkheid de vergeving, het kindschap, -de zaligheid uit genade deelachtig wordt. Analogie van deze religio -subjectiva in het Christendom is er zeker ook bij andere godsdiensten, -maar alleen in de christelijke religie is de subjectieve relatie van den -mensch tot God volkomen normaal. Afhankelijkheid en vrijheid zijn hier -met elkander verzoend. De souvereiniteit Gods blijft hier ten volle -gehandhaafd en de verwantschap des menschen met God wordt toch volledig -erkend. De mensch is te religieuser en wordt te meer den beelde Gods -gelijkvormig, naarmate hij zijne afhankelijkheid dieper beseft en erkent. -Daarom kunnen alle deugden ten opzichte van schepselen overdreven -worden; maar met betrekking tot God is er geene overdrijving mogelijk. -Men kan Hem nooit te veel gelooven, vertrouwen, liefhebben enz., nooit -kan ’t geloof te veel verwachten, Voigt, Fundamentaldogmatik 65 f. Aug. -Dorner, Stud. u. Kr. 1883 S. 217 f. Kahnis, Die luth. Dogm. 2e Ausg. -1874 I 81 f. Abr. des Amorie van der Hoeven Jr. De godsdienst het wezen -van den mensch, Leeuwarden, 1848 bl. 38 v. - -6. De religio subjectiva gaat door de inwerking der religio objectiva -uit haar habitueelen toestand in daden over. Deze daden zijn in- of -uitwendig, en maken alzoo onderscheid tusschen den cultus internus en -externus. Religio en cultus verhouden zich als oorzaak en gevolg. Toch -is hiermede niet bedoeld dat de cultus eene vrije vinding en uiting is -van de subjectieve religie. Alle ἐθελοθρησκεια is verboden, Mt. 15:9. -Mk. 7:7. Col. 2:23. Zoowel het antinomistisch Anabaptisme als het -nomistisch Romanisme is hier te vermijden. God bepaalt alleen, hoe Hij -wil gediend worden. En de wedergeboorte van de door de zonde bedorven -religio subjectiva, van den habitus religionis, bestaat juist daarin, -dat de geloovigen een oprechten lust ontvangen, om niet alleen naar -sommige maar naar alle geboden Gods in volmaaktheid te leven. Het is -hunne spijze, om den wil des Vaders te doen. Jezus sprak en deed nooit -iets, dan waartoe Hij een gebod van den Vader had ontvangen. Daarom -legt de Schrift op het wandelen in Gods geboden, op het onderhouden -van zijne inzettingen enz. zoo sterken nadruk. En daartoe wederbaart -God den mensch, om hem, die afkeerig is van zijn dienst, wederom in het -innerlijkste van zijn wezen in overeenstemming te brengen met zijn wil -en wet, in de religio objectiva neergelegd. De cultus internus omvat -de daden van geloof, vertrouwen, vreeze, liefde, gebed, dankzegging -enz., en de cultus externus openbaart zich in belijdenis, gebed, gezang, -dienst des woords en der sacramenten, gelofte, vasten, waken enz. Deze -is dus deels moreel, deels ceremonieel; en kan wederom solitarius -en socius zijn. In het laatste geval is hij privaat of publiek; de -gemeenschappelijke, openbare cultus wordt in de kerkenordeningen -geregeld. In al deze religieuse handelingen is het besef der absolute -afhankelijkheid de religieuse grondgedachte, het bezielend element. -Daarvan losgemaakt worden ze letterdienst, lippenwerk, koud en dood -formalisme. Maar daardoor bezield, krijgen zij alle haar specifiek -religieus karakter. Ook schepselen zijn voorwerp van ons geloof, van -onze hope, van onze liefde enz. Wat al deze handelingen tot religieuse -stempelt, is, dat zij ons in betrekking stellen tot een Persoon, van -wien wij met alle dingen in volstrekten zin en toch weer op eene eigene -wijze, d. i. als redelijke schepselen afhankelijk zijn. Het wezen der -religie kan toch in niets anders gelegen zijn, dan daarin dat God juist -als _God_ wordt verheerlijkt en gedankt. Elke religie, die hierin te -kort schiet, komt de eere Gods te na en houdt in diezelfde mate ook -op, echt religieus te zijn. Daarentegen bestaat de echte religie in -eene zoodanige gezindheid van den mensch, welke eenerzijds wortelt in -het diep besef zijner volstrekte afhankelijkheid van God als Schepper, -Verlosser, Heiligmaker enz., en andererzijds zich uitstrekt, om naar -alle Gods inzettingen in oprechtheid te wandelen. - - -B. Zetel der religie. - -7. Nadat het wezen der religie is onderzocht, moet de plaats worden -bepaald, welke zij in den mensch, te midden van zijne faculteiten en -functiën inneemt. Meteen wordt dan de verhouding duidelijk, waarin -de godsdienst staat tot wetenschap, kunst en zedelijkheid. Reeds de -scholastiek stelde de vraag, of de religio eene virtus intellectualis -of moralis was, en Thomas zeide het laatste, S. Theol. II 2 qu. 81 art. -5. Maar eerst in de nieuwere philosophie, vooral nadat de godsdiensten -der volken meer bekend zijn geworden, is het wezen der religie tot een -voorwerp van psychologisch en historisch onderzoek gemaakt. Lessing’s -Erziehung des Menschengeschlechts 1780 en Herder’s Ideen zur Philos. -der Gesch. der Menschheit 1784 maakten er een aanvang mede. En sedert -is de historie en de philosophie der godsdiensten een geliefkoosde -studie geworden. Ter bepaling van het wezen der religie gaat het -tegenwoordig onderzoek bijna altijd uit van de religio subjectiva, -en het recht, de macht, de waarde der religio objectiva wordt bijna -algemeen miskend. Dit is gevolg van eene wijsgeerige praemisse, dat -alle godsdiensten in wezen gelijk zijn en slechts in vorm verschillen. -Maar dit religieuse indifferentisme is daarom onhoudbaar, wijl alle -religie noodwendig een kennen insluit en de realiteit poneert van zijn -object; zoodra echter dit het geval is, valt een godsdienst onder de -kategorie van waar en onwaar. Indien de religie niets ware dan gevoel -en phantasie, zou ze aan haar scheppingen ook slechts eene aesthetische -waarde hechten. Maar elke religie is overtuigd van de realiteit en de -waarheid harer objecten (goden, profeten, heilige plaatsen enz.), en -is zonder dat geloof onbestaanbaar, cf. Dr. Bruining, Theol. Tijdschr. -Nov. 1894 bl. 563 v. 598 v. Feitelijk past ieder dan ook de kategorie -van waar en onwaar op de religies toe; de religionsphilosoof gelooft -niet aan de waarheid van de goden der volken, al waardeert hij ook de -religieuse gezindheid, die in hun vereering zich menigmaal uitspreekt. -Voorts staan de verschillende godsdiensten zelve lang niet indifferent -tegenover elkaar; zij beschouwen zichzelve en elkander niet als staande -in verhouding van lager en hooger, maar van waar en valsch. De wijsgeer -staat met zijn indifferentisme vrij wel alleen. Frederik de Groote moge -zeggen: in meinem Reiche soll Jeder nach seiner Façon selig werden, -de godsdiensten zelve denken er gansch anders over. En ze kunnen niet -anders; wat de een poneert, negeert de andere. Zij sluiten elkaar uit, -en kunnen niet beide waar zijn. Indien Christus de Gezondene is des -Vaders, dan is Mohammed het niet. En eindelijk berust het religieuse -indifferentisme nog op de zondige gedachte, dat het Gode onverschillig -is, hoe Hij gediend wordt. Het ontneemt Hem het recht, om de wijze van -zijn dienst te bepalen. In elk geval gaat het uit van de gedachte, -dat God zijn dienst niet heeft voorgeschreven, dus van de apriorische -loochening der openbaring. De stelling, dat de godsdiensten in wezen -overeenkomen en in vorm verschillen, is omgekeerd veel juister; zij -verschillen in wezen maar komen in vorm overeen. Daarbij moet ten slotte -nog de opmerking worden gemaakt, dat het indifferentisme in zake de -religie zich meer of minder ver uitstrekken kan. Het syncretisme houdt -het kerkelijke, het deïsme houdt het christelijke, het modernisme houdt -de religio objectiva, de morale indépendante houdt al het religieuse -voor indifferent. Feitelijk en objectief is er echter niets indifferent, -noch in de natuur, noch in den staat, noch in wetenschap of kunst. -Alles, ook het geringste, heeft zijne bepaalde plaats en beteekenis in -het geheel. Indifferent is de mensch alleen voor wat hij niet kent; wat -hij weet, wordt ook vanzelf door hem getaxeerd en gewaardeerd. God is -onverschillig voor niets, omdat hij alles kent. Cf. Lamennais, Essai sur -l’indifférence en matière de religion, 9e éd. Paris 1835, vooral tome -premier, waarvan de introduction begint: le siècle le plus malade n’est -pas celui qui se passionne pour l’erreur, mais le siècle qui néglige, -qui dédaigne la vérité. - -8. Het algemeen geloof, dat de godsdiensten verschillende vormen zijn -van één wezen, gaat uit van de gedachte, dat het wezen der religie -niet in de religio objectiva, maar in de religio subjectiva ligt. De -eerste is onverschillig, op de laatste, op de religieuse gezindheid -of stemming komt het aan. Naar die gezindheid moet dus onderzocht, -om het wezen der religie te bepalen. Maar waar en hoe moet dat -onderzoek geschieden? Twee methoden dienen zich aan, de historische -en de psychologische. De historische, voorgestaan bv. door Dr. A. -Bruining, Wijsbeg. v. d. godsd. Theol. Tijdschr. 1881 bl. 365 v. wil uit -historisch onderzoek en vergelijkende waarneming van de godsdienstige -verschijnselen het wezen van de religie bepalen. Maar deze methode is -feitelijk onmogelijk, omdat elk onderzoek van de godsdiensten reeds eene -notie van den godsdienst onderstelt; een vergelijkend onderzoek van alle -godsdiensten een onuitvoerbare arbeid is; en in de godsdiensten juist -de religieuse gezindheid het diepst is verborgen en schier aan alle -waarneming ontsnapt. Wat weten wij nog van de stemming en gezindheid, -die in de verschillende richtingen en kerken binnen het Christendom aan -de godsdienstige verschijnselen ten grondslag ligt! De psychologische -methode, o. a. door. Hugenholtz, Studiën op godsd. en zedek. gebied -II 83 v. en Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsdienst 41 v. verdedigd, -wil het wezen van den godsdienst zielkundig verklaren en verlangt -daarom, dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een godsdienstig -mensch zij en als zoodanig de godsdienstige verschijnselen waarneme en -beoordeele. Hier is op zichzelf niets tegen te zeggen. Bij de studie der -godsdiensten het eigen godsdienstig bewustzijn buiten rekening te laten, -gelijk Dr. Bruining wil, ware hetzelfde naar de goede opmerking van -Dr. Hugenholtz, als zichzelven de oogen uit te steken uit vrees voor -gezichtsbedrog. Maar dan mag toch geeischt, dat zulk een onderzoeker -der godsdiensten geen valsche maar een ware en zuivere opvatting van -den godsdienst meebrenge; anders toetst hij alle godsdiensten slechts -aan zijn eigene misschien zeer verkeerde voorstelling en aan die zijner -geestverwanten, bv. aan de moderne opvatting der religie. Indien de -vraag echter zoo staat, dan is er tusschen orthodoxen en modernen geen -kwestie meer van methode, maar alleen van de waarheid of onwaarheid -der godsdienstige voorstelling, waarvan beiden uitgaan. En dan is -de waarborg voor de waarheid der godsdienstige voorstelling, welke -de orthodoxe meebrengt minstens even groot als die voor de moderne -opvatting der religie; want gene ontleent haar aan de H. Schrift en is -in overeenstemming met de kerk van alle eeuwen, en deze is van korten -tijd en slechts in een kleinen kring van geestverwanten geldig. - -9. De wijsbegeerte van den godsdienst heeft nu vooral drie opvattingen -van het wezen der religio (subjectiva) voorgedragen. Ten eerste de -intellectualistische, die ’t wezen der religie stelt in de kennis, en -haar zetel plaatst in het verstand. Het gnosticisme zei al, dat de -gnosis zalig maakte, dat de agnitio was redemptio interioris hominis, -Irenaeus adv. haer. I cap. 21. Dit gnosticisme heeft ten allen tijde -in de christelijke kerk verdedigers gevonden, maar is vooral weer -opgekomen in de nieuwere philosophie. Spinoza houdt verstand en wil -voor unum et idem, Eth. II prop. 49, laat den amor Dei geboren worden -uit de heldere en duidelijke kennis des menschen van zichzelf en zijne -affecten, ib. V prop. 15, en noemt dezen amor intellectualis, ib. -prop. 32. Summa mentis virtus est Deum cognoscere V prop. 27, en onze -mens is pars infiniti Dei intellectus II prop. 11. Deze kennis Gods, -d. i. der dingen sub specie aeternitatis II prop. 44 is summa mentis -acquiescentia V prop. 27. Volgens Schelling in zijn eerste periode is er -van het Absolute, als identiteit van het eindige en oneindige, alleen -een absoluut weten mogelijk; de religie verliest hier dus geheel hare -zelfstandigheid, het geloof is eene onjuiste, onzuivere opvatting van -de idee, Philosophie u. Religion (Sämmtl. Werke, Erste Abth. VI S. 11 -f.). Vooral Hegel heeft deze intellectualistische bepaling van het -wezen der religie uitgewerkt. Bij hem is het Absolute het denken zelf, -dat in de tegenstellingen ingaat en uit deze weer tot de identiteit met -zichzelf terugkeert. Heel de wereld is dus eene ontwikkeling van den -geest, eene logische ontvouwing van den inhoud der rede, een proces, -waarin de idee eerst in de natuur zich objectiveert en dan daaruit in -den geest weer tot zichzelve terugkeert. Een van de momenten, welke -dit proces doorloopt, is de religie. De menschelijke geest is het, in -wien het Absolute tot zichzelf komt en zich van zichzelf bewust wordt. -En dit zelfbewustzijn van den absoluten geest in den eindigen geest is -religie. Religie is dus wezenlijk weten, geen gevoelen en geen handelen, -maar weten en wel van God door den eindigen geest of objectief weten -Gods van zichzelven door en in den eindigen geest. Der Mensch weiss -nur von Gott, insofern Gott im Menschen von sich selbst weiss, diess -Wissen ist Selbstbewustseyn Gottes, aber ebenso ein Wissen desselben -vom Menschen, und diess Wissen Gottes vom Menschen ist Wissen des -Menschen von Gott. Der Geist des Menschen von Gott zu wissen, ist -nur der Geist Gottes selbst, Vorles. über die Philos. der Religion, -herausg. v. Marheinecke 1832 Werke XII S. 428. Religie is echter niet -’t hoogste weten; het is maar een weten van het absolute in den vorm -van zinnelijke, historische voorstellingen. Het hoogste, ware weten -wordt eerst bereikt in de philosophie. De religie is daarom tijdelijk, -een lagere vorm, voor de onontwikkelden geschikt. Maar de philosophie -maakt uit de zinnelijke voorstellingen der religie de idee los en komt -alzoo tot een absoluut, adaequaat, begrifflich weten van God, ib. S. 15 -f. cf. Strauss, Christl. Gl. I 12. Feuerbach, Wesen des Christenthums -1841 en Strauss, Christliche Glaubenslehre 1840, Der alte und der neue -Glaube, 2e Aufl. 1872 trokken de consequentie en voltooiden de breuke -met de christelijke religie. Het idealisme sloeg in materialisme om. -Evenals reeds in de vorige eeuw door La Mettrie, cf. Stöckl, Gesch. der -neueren Philos. I 378, zoo werd ook nu weer door velen het geloof aan -God voor de grootste en schadelijkste dwaling gehouden. Bruno Bauer, -Arnold Ruge, Edgar Bauer, Max Stirner predikten het naaktste egoïsme. -Het materialisme, dat ongeveer 1850 in Duitschland opkwam, oordeelde -niet anders, Büchner, Kraft und Stoff 1855, 16e Aufl. 1885 S. 392 -f. Specht, Theol. u. Naturwiss. 3e Aufl. 1878 S. 71 f. Moleschott, -Kreislauf des Lebens 1852. Carl Vogt, Köhlerglaube und Wissenschaft -1854. Czolbe, Neue Darstellung des Sensualismus 1855. - -10. Nu heeft Hegel zeer goed ingezien, dat religie ook kennis bevat -en dat godsdienst en metaphysica ten nauwste verwant zijn. De aard der -zaak maakt dit ook duidelijk. Religie is altijd eene verhouding des -menschen tot eene boven hem staande, goddelijke Macht. Religie is er -dus niet en kan er niet zijn zonder eene bepaalde voorstelling van God; -en deze sluit weer andere voorstellingen in omtrent wereld en mensch, -oorsprong en einddoel der dingen. Deze godsdienstige voorstellingen -hebben voor den geloovige transcendentale beteekenis; hij is ten -diepste overtuigd van haar objectieve realiteit en waarheid. Zoodra -hij deze voorstellingen gaat houden voor producten zijner phantasie, -voor idealen zonder realiteit, of ook aan de kenbaarheid van het -metaphysische wanhoopt, is het met zijne religie gedaan. Het skepticisme -vernietigt het voorwerp der religie en daarmede deze zelve. Ook met het -verstand moet God worden gediend; maar als het verstand inziet, dat -de religieuse voorstellingen niet beantwoorden aan eene werkelijkheid, -houdt het op godsdienstig te zijn. Religieuse en theoretische -wereldbeschouwing, theologie en wetenschap zijn niet hetzelfde maar -kunnen toch onmogelijk met elkander strijden. Zulk een dualisme is met de -eenheid van den menschelijken geest in onverbiddelijken strijd, Hartmann, -Religionsphilosophie. II. Die Religion des Geistes, 2te Aufl. Leipzig, -Friedrich S. 3-27. - -Maar Hegel dwaalde toch hierin dat hij godsdienst en wijsbegeerte tot -elkander in verhouding stelde als lager en hooger, als voorstelling en -begrip, en ze dus opvatte als successieve momenten van één proces. De -Hegelianen zooals Strauss, Glaub. I 12 f. en Biedermann, Christl. Dogm. -2e Aufl. I 184 f. zagen het onjuiste hiervan zelven in. Inhoud en vorm -zijn nooit zoo mechanisch en uitwendig verbonden, dat geheele wijziging -van dezen genen onveranderd laat. De omzetting der godsdienstige -voorstellingen in philosophische begrippen tast ook den godsdienstigen -inhoud zelven aan. De historie van de Hegelsche philosophie bracht dit -spoedig aan het licht. Er bleef bij haar van de christelijke dogmata zoo -goed als niets over; triniteit, menschwording, voldoening behielden -de orthodoxe namen maar werden geheel anders geïnterpreteerd. De -feiten van het Christendom werden tot den vorm gerekend en waardeloos -geacht. In de plaats daarvan kreeg men begrippen, die geen inhoud meer -hadden. Een tweede fout van Hegel bestond daarin, dat hij aan religie en -philosophie een gelijken inhoud gaf en toch de eerste voor een lageren -vorm hield van de tweede. De religie werd daardoor verlaagd tot een -relatief goed, dat alleen nog maar waarde had voor de eenvoudigen en de -onontwikkelden. De wijsgeeren waren er verre boven verheven en hadden -aan de philosophie genoeg. Dit nu berust op eene totale miskenning -van het wezen der religie. Want religie en wetenschap zijn wel verwant -maar toch ook hemelsbreed verschillend. Al hebben ze ook menigmaal -een zelfden inhoud en voorwerp, dezen komen toch in beide onder een -geheel ander gezichtspunt voor. In de wetenschap is het om kennis, -in de religie is het om troost, vrede, zaligheid te doen. De religie -en philosophie zijn evenmin als de état théologique, métaphysique en -positive van A. Comte elkaar historisch opvolgende toestanden van den -menschelijken geest, maar zijn verschillende gezichtspunten, waaronder -dikwerf eene zelfde zaak beschouwd kan worden. Ook de diepzinnigste -wijsgeer komt daarom met al zijne kennis boven de religie niet uit; -door de wetenschap kan hij nimmer zijne religieuse behoefte bevredigen. -De wetenschap moge hem al zeggen, dat en wat God is; alleen door de -religie weet hij, dat die God ook zijn God en zijn Vader is. De wetenschap -moge hem leeren dat er zonde is en genade; alleen door de religie wordt -hij de zaligheid der vergeving en van het kindschap Gods deelachtig. -Al kon de wetenschap alles weten, en al kon ze alle metaphysische -problemen oplossen; dan nog gaf ze slechts theoretische kennis, en -geen persoonlijk deelgenootschap aan de goederen des heils. Niet aan -het weten, maar alleen aan het gelooven is de zaligheid verbonden. -Maar het is er verre van af, dat de wetenschap en de wijsbegeerte -het zoover brengen kan. Juist op de belangrijkste vragen blijft zij het -antwoord schuldig. De verwachting, die Renan in 1848 van de wetenschap -koesteren kon, bleek hemzelven in 1890 niets dan eene illusie te -zijn, Renan, L’avenir de la science. Pensées de 1848. 2e éd. Paris -1890. De wetenschap zegt ons noch wat God noch wat de mensch is; zij -laat ons onbekend met den oorsprong en de bestemming der dingen. De -verschijnselen neemt ze waar, maar het noumenon blijft haar verborgen. -Zij kan de religie nimmer vervangen en nooit haar verlies vergoeden, -Voigt, Fundam. dogm. 120 f. Hartmann, Religionsphilosophie II S. 3-27. -H. Siebeck, Lehrbuch der Religionsphilosophie, Freiburg 1893 S. 1-11. -Nitzsch, Ev. Dogm. 92-96. Pfleiderer, Grundriss der christl. Gl. u. -Sittenlehre § 11. - -11. Anderen hebben daarom de religie omschreven door zedelijk -handelen en haar zetel in den wil gezocht. Het Pelagianisme in zijne -verschillende vormen, Semipelag. Socin. Remonstr. Deisme, Ration. enz. -heeft deze opvatting voorbereid, inzoover de fides bij deze richting -aangevuld wordt door of zelfs alleen bestaat in eene nova obedientia. -De leer is dan slechts middel en ondergeschikt, hoofdzaak is de liefde, -op een deugdzaam, zedelijk leven komt het aan. Ook Spinoza heeft naast -de intellectualistische deze moralistische opvatting. De H. Schrift -is Gods woord, omdat ze de vera religio, de lex divina bevat, Tract. -theol. pol. cap. 12 § 18 sq. Zij bedoelt niets praeter obedientiam, -cap. 13 en deze obedientia erga Deum bestaat in solo amore proximi, -ib. § 8. Philosophie en geloof zijn zoo onderscheiden, dat gene tot -doel heeft de veritas, dit de obedientia en pietas, cap. 14 § 38. -De intellectualis sive accurata Dei cognitio is geen gave aan alle -geloovigen, maar wel de obedientia, deze wordt van allen geeischt, cap. -13 § 9. Maar vooral Kant heeft aan dit moralisme ingang verschaft. -De theoretische rede kan n.l. het bovenzinnelijke niet bereiken. God, -vrijheid, onsterfelijkheid zijn wetenschappelijk niet te bewijzen. Zij zijn -alleen postulaten van de practische rede tot vervulling van de zedewet -en tot verkrijging van het hoogste goed, d. i. de met deugd verbondene -zaligheid. Gelooven is dus voor waar houden niet op theoretische -maar op practische gronden. De moraal wordt grondslag der religie. -En religie ist subjektiv betrachtet das Erkenntniss aller unserer -Pflichten als göttlicher Gebote. De religie is hier niet rechtstreeks -en onmiddellijk gegrond in de menschelijke natuur, maar alleen door het -zedelijke heen. Ze heeft ook geen eigen inhoud en stof, maar is niets -dan eene nadere bepaling van het zedelijke; niet in het object maar -alleen in den vorm ligt het onderscheid tusschen beide. Kant moest dan -ook erkennen, dat geen godsdienst zich met zijne religie heeft tevreden -gesteld. Alle godsdiensten bevatten behalve het zuivere redegeloof -nog vele andere dogmata, een doktrinalen historischen Glauben. Maar -hij verklaart dit uit de zwakheid der menschelijke natuur, die niet -licht te overtuigen is, dat een zedelijke wandel alles is, wat God -van ons eischt. Roeping is het, om den Kirchenglauben meer en meer -te reinigen en in den zuiveren Vernunftglauben te doen overgaan, -Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, herausg. van -K. Rosenkranz 1838. Kant’s religie bestond daarom feitelijk in niets -anders dan de rationalistische trilogie God, deugd, onsterfelijkheid. -Maar J. G. Fichte ging verder en leidde uit het zedelijk bewustzijn geen -ander postulaat af, dan dat het ik het gansche niet-ik, de wereld, -aanzie als het „versinnlichte Material” van zijn plicht, ze erkenne -als zoo geordend dat zijn zedelijk willen en handelen op de lijn ligt -van het zedelijke doel van het geheel, m. a. w. dat er eene zedelijke -wereldorde is. Hier is de religie geheel in ’t zedelijke opgegaan. Cf. -Ueber den Grund unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung 1798. -Dit moralisme is in het ethicisme verdiept, doordat het moreele niet -alleen psychologisch maar ook metaphysisch opgevat wordt. De wil, het -goede, de liefde is dan het eigenlijke zijn, het Ursein, het Absolute; -daaruit is alles, de triniteit, de wereld, de verlossing te verklaren; -die macht van het goede realiseert zich in de menschenwereld door -middel van het zedelijke. Dat is de grondgedachte, waarvan Schelling -in zijne tweede periode uitging: es gibt in der letzten und höchsten -Instanz gar kein anderes Sein als Wollen, Wollen ist Ursein, Ueber das -Wesen der menschl. Freiheit, Sammtl. Werke VII 331 f. Vooral Rothe -heeft dit ethicisme in de theologie overgebracht; de Frömmigkeit heeft -geen eigen inhoud maar valt in concreto met de ware zedelijkheid saam, -Theol. Ethik § 114-126; de kerk gaat daarom ook over in den staat § -440. Sedert heeft deze ethische richting grooten invloed verkregen. -Het ethische wordt beurtelings als grondslag (Neokantianen), inhoud -(Ethischen onder de Vermittelungstheologen en onder de Modernen), of -zelfs als geheele vergoeding (Morale indépendante. De ethische beweging -in de religie) van de religie beschouwd. De ethische richting onder -de Vermittelungstheologen trad in het voetspoor van Schleiermacher en -Rothe, cf. mijne Theol. van D. Ch. de la Saussaye, Leiden 1884, bl. 20 -v. Hier te lande zocht Hoekstra den grondslag van het godsdienstig -geloof in de practische rede, in den wil, Bronnen en grondslagen -van ’t godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 49 v. 63 v. De bij hem zich -aansluitende ethische Modernen omschrijven den godsdienst als toewijding -aan het zedelijk ideaal, als reine zedelijkheid, Dr. Hooijkaas, God in -de geschiedenis 1870. Godsdienst volgens de beginselen der ethische -richting onder de Modernen, vier voorlezingen van Hooijkaas, Hooijkaas -Herderschee, Oort en van Hamel, ’s Bosch 1876. cf. Rauwenhoff, Wijsb. -v. d. godsd. 1887 bl. 116 v. Rauwenhoff zelf stelt het wezen van -de religie in het geloof aan eene zedelijke wereldorde, Wijsb. v. d. -godsd. 373 v. Verwant daarmede is de leer der Morale Indépendante, -cf. C. Coignet, La morale indépendante dans son principe et dans son -objet, Paris 1863. Vacherot, La religion, Paris 1869 cf. Bibl. v. mod. -Theol. 1870 I 333 v. Caro, La morale indép. Paris 1876. E. Bersier, -sur la question de la mor. indép. in de Handelingen der Ev. Alliantie -1867. Cramer, Christendom en Humaniteit 1871 bl. 159 v. en evenzoo -die ethische beweging, welke uit Amerika in Engeland en Duitschland -is doorgedrongen, en onverschillig voor allen godsdienst geen dogma -erkent dan de liefde tot het goede. Zie W. M. Salter, De godsdienst der -moraal, holl. door Dr. Hugenholtz 1889, cf. Lamers, De godsd. evenmin -moraal als metaphysica 1885. Bibl. v. mod. Theol. 1887, 4e st. bl. -579. Kuenen in de Hervorming 1888, antwoord van Salter ib. 15 Dec. -1888. Dr. Felix Adler, Die ethischen Gezellschaften, Berlin, Dümmler -1892. Die ethische Bewegung in Deutschland, vorbereitende Mittheilungen -eines Kreises gleichgesinnter Männer u. Frauen zu Berlin, ib. 1892. -St. Coit, Die ethische Bewegung in der Religion, vom Verf. durchges. -Uebersetzung v. Gizycki. Leipzig, Reisland 1890. Daartegen: Dr. M. -Keibel, Die Religion u. ihr Recht gegenüber dem modernen Moralismus. -Halle, Pfeffer, 1892. Ook Otto Dreyer, Undogmatisches Christenthum, -Braunschweig 1888; Egidy, Ernste Gedanken, Leipzig 1890 (cf. Gids Mei -1893); H. Drummond, Summum Bonum, Pax Vobiscum, The spiritual law in -the natural world; Tolstoi, Vernunft u. Dogma, Wie ist mein Leben? -beide bij Otto Janke, Berlin. Worin besteht mein Glaube, Leipzig 1885 -enz. ijveren voor een ondogmatisch, practisch, zedelijk Christendom, een -Christendom der Bergrede. - -12. Nu lijdt het geen twijfel dat godsdienst en zedelijkheid met elkaar in -’t nauwste verband staan. Die verwantschap blijkt ten eerste hieruit dat -de religie zelve eene zedelijke verhouding is. De religie berust wel op -eene mystieke unie van God en mensch, maar is zelve geen substantieele -gemeenschap van beiden, maar een ethische relatie van den mensch tot -God. God heeft geen religie; maar Gods inwoning in den mensch kweekt -van zijne zijde die relatie tot God, welke wij religie noemen, Hoekstra, -Wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Deze relatie is daarom van ethischen -aard; zij is geregeld in die zelfde lex moralis, welke ook de andere -verhoudingen des menschen tot zijne medeschepselen bepaalt; alle -religieuse handelingen des menschen zijn zedelijke plichten, en heel -de religie is een zedelijk gebod. Omgekeerd is het zedelijk leven ook -weer een dienst Gods. Weduwen en weezen te bezoeken Jak. 1:27, is geen -in eigenlijken zin godsdienstige handeling, maar kan toch godsdienst -heeten, omdat de godsdienst zich daarin betoonen en bevestigen moet. -De scholastiek maakte daarom onderscheid tusschen actus eliciti en -actus imperati van de religie, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 1. -Geloof zonder werken, zonder liefde, is een dood geloof. De liefde -tot God bewijst zich voor ons in de liefde tot den naaste Jer. 22:16. -Jes. 1:11 v. 1 Joh. 2:3 v. Jak. 2:17 enz. Heel ons leven behoort een -dienst Gods te wezen. Het opschrift: Ik ben de Heere uw God, staat ook -boven de geboden der tweede tafel. Liefde is het ééne groote beginsel, -dat de gansche wet vervult, Rom. 13:13. De zedewet is één organisch -geheel, zoodat wie één gebod overtreedt, de geheele wet schendt Jak. -2:10. De naaste moet om Gods wil bemind worden, en de zonde tegen den -naaste is ook eene zonde tegen God. Deze verhouding van godsdienst en -zedelijkheid maakt het reeds duidelijk, dat de zedelijkheid nooit den -inhoud noch ook den grondslag der religie uitmaken kan. In weerwil -toch van hunne innige verwantschap, zijn beide wezenlijk onderscheiden. -Godsdienst is altijd eene verhouding tot God, zedelijkheid tot de -menschen; godsdienst heeft tot principe de πιστις, zedelijkheid de -ἀγαπη; godsdienst openbaart zich in die religieuse handelingen, welke -samen een cultus in- en externus vormen, zedelijkheid betoont zich in -de daden van gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid enz. tegenover -den naaste; de religie is geregeld in de eerste, de zedelijkheid in -de tweede tafel der wet. Dit onderscheid tusschen religie en ethos -kan door het pantheïsme niet gehandhaafd worden, omdat God hier niet -een eigen, van de wereld onafhankelijk bestaan heeft; eene persoonlijke -relatie tusschen God en mensch is er hier niet mogelijk; de liefde tot -God kan zich dan niet anders uiten dan in de liefde tot den naaste. -Ook het deïsme kan, wegens de loochening der gemeenschap van God en -mensch, geen eigenlijke religie kweeken. Er is nog wel geloof aan God, -maar geen dienen van God anders dan in de vervulling der zedelijke -geboden. Maar op theïstisch standpunt staat de mensch in relatie tot -de wereld maar ook in eene eigene, onderscheidene relatie tot God -als een persoonlijk wezen. Religie is daarom iets wezenlijk anders -dan zedelijkheid en openbaart zich in eene eigen reeks van daden. -Indien dit echter zoo is, dan kan ook de moraal niet de grondslag der -religie zijn, maar moet omgekeerd deze de basis vormen voor gene. De -relatie tot God is dan de primaire en de centrale, welke alle andere -verhoudingen des menschen bepaalt. Zoowel historisch als logisch is -de moraal altijd in de religie gegrond. De religie dringt de zedelijke -plichten aan, en de moraal zoekt de sanctie der religie. Eene autonome -moraal komt in de werkelijkheid nergens voor. Overal en bij alle volken -vindt de zedelijkheid haar laatsten grond en haar laatste doel in den -godsdienst. De zedelijkheid verliest den bodem onder haar voet, als -ze van de goddelijke autoriteit in de conscientie wordt beroofd. Alle -Moral hat sich geschichtlich aus der Religion entwickelt, und wenn auch -die so entwickelten geistigen Anlagen der Menschheit zur Sittlichkeit -Dank ihrer Herkunft eine Zeit lang selbstständig fortbestehen können, -wenn sie von ihrem Mutterboden abgelöst werden, so ist doch diese -selbstständige Existenzfähigkeit zeitlich sehr begrenzt und schon in -der zweiten Generation machen zich deutlich die Symptome des Verfalls -der Sittlichkeit bemerkbar, E. v. Hartmann, Relig. philos. II 59. -Materieel zijn natuurlijk lang niet alle verplichtingen en handelingen, -die de menschen voor zedelijk houden, in overeenstemming met den wil -van God. Maar het formeele, dat wat allen plicht tot onvoorwaardelijken -plicht maakt, wat den mensch in de conscientie bindt, dat is van God. -Er is geen moraal zonder metaphysica. Menschen, gewoonten, zeden enz. -kunnen niet absoluut verplichten in de conscientie. Dat kan God alleen. -Daarom is het geweten sacrosanct en gewetensvrijheid een onverbiddelijke -eisch en een onvervreemdbaar recht. De geboden en verboden, die niet -vastliggen in de conscientie, worden niet als zedelijk gevoeld. Eene -wet, die geen fundament heeft in het volksgeweten, is machteloos. -Krachtens dit verband is er ook eene wederkeerige inwerking van -godsdienst en zedelijkheid op elkander. Tijdelijk kunnen ze zoowel in een -individu als in een volk uiteenvallen en zelfs met elkaar strijden. -Maar ze kunnen niet rusten, voordat ze in harmonie en evenwicht zijn. -Wat in de religie wordt goedgekeurd, kan in de moraal niet worden -veroordeeld, en omgekeerd. De verhouding tot God en tot de menschen -moet beide éénzelfde zedelijk karakter dragen, in éénzelfde zedewet -geregeld zijn. Religie en moraal, cultus en cultuur moeten wortelen -in éénzelfde beginsel. Dat is in het Christendom het geval. De -liefde is de vervulling der wet, en de band der volmaaktheid. H. -Schultz, Religion und Sittlichkeit in ihrem Verhältniss zu einander, -religionsgeschichtlich untersucht (Stud. u. Kr. 1883 Heft 1 S. 60-130). -J. Köstlin, Rel. u. Sittl. (Stud. u. Kr. 1870). Pfleiderer, Moral u. -Religion, Haarlem 1872. Rothe, Theol. Ethik § 114 f. Martensen, Die -christl. Ethik 3e Aufl. 1878 I 19-33. Janet, La morale, Paris 1874 p. -596 s. Hoekstra, Godsdienst en zedelijkheid Theol. Tijdschr. II bl. 117 -v. Id. Wijsg. Godsdienstleer I 251 v. Lamers, Godsd. en zedel. Amst. -1882. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Religionsgesch. I 166 f. C. Stage, -Relig. u. Sittl. Vortrag. Berlin, Bibliogr. Bureau 1894. Lamers, De -Wetenschap v. d. godsd. II 167 v. Hugenholtz, Studiën op godsdienst- en -zedekundig gebied, Amst. 1884 I passim. Hartmann, Religionsphilosophie -2e Aufl. II 55-64. Siebeck, Handbuch der Rel. Phil. S. 243 f. Kaftan, -Das Wesen der christl. Religion, Basel 1881 S. 124 f. Nitzsch, Lehrb. -der ev. Dogm. S. 96 f. - -13. Eindelijk zijn er ook nog, die aan de religie eene plaats geven in -het gevoel en daarvoor soms zelfs een afzonderlijk vermogen in den -mensch aannemen. Mysticisme en pietisme hadden in vroeger tijd daarvoor -reeds den weg gebaand. Maar eerst door de Romantiek der vorige eeuw is -deze opvatting een tijd lang tot heerschappij gekomen. De Romantiek was -in het algemeen eene reactie van het vrije, ongebondene gemoedsleven -tegen het objectieve, alles bindende en regelende klassicisme. Het -subject verhief zich boven de wetten, die op ieder terrein van het -leven aan zijn spontane uiting waren gesteld; de phantasie hernam hare -rechten tegenover het verstand; de organische beschouwing kwam in de -plaats van de mechanische; de idee van het worden verdrong die van het -maken. Op elk gebied ging het oog open voor het vrije, het natuurlijke, -het geniale; wording, groei, ontwikkeling was de wijze, waarop de -dingen ontstonden; niet het nuttige maar het schoone, niet proza maar -poëzie, niet arbeid maar spel, niet Machwerk maar kunst had de hoogste -waarde. De gemaniereerdheid van vroeger sloeg om in eene oppervlakkige -sentimentaliteit. Zoodanig was de beweging, die in Engeland haar tolk -vond in Young, Southey, Wordsworth, S. T. Coleridge. In Frankrijk werd -ze ingeleid door Rousseau, die in zijne profession de foi du vicaire -Savoyard (Emile, livre 4) heel zijne deistische dogmatiek en moraal -opbouwt uit het gevoel: le sentiment est plus que la raison, notre -sensibilité est antérieure à notre intelligence. In Duitschland opende -Winckelmann de oogen voor de schoonheid der grieksche kunst; Lessing -stelde tegen de poëzie van het Fransche klassicisme het genie van -Shakespeare over; Herder wees in de historie de openbaring en werking -aan der eeuwige, goddelijke natuur; Hamann, Claudius, Lavater, Stilling -gingen uit van de rijke subjectiviteit en stelden deze tegenover de -platte, mechanische opvatting van de Aufklärung; Kant en Fichte -plaatsten het ik van den mensch op den voorgrond. Overal was er eene -breuke met de objectiviteit; het subject werd absoluut principe. Onder -dezen invloed beriep Jacobi zich op het gevoel, als het unmittelbare -Vernehmen des Göttlichen. Religie is gevoel voor ’t ware, schoone en -goede; bewondering, liefde, achting voor het goddelijke; en zulk een -gevoel is ons aangeboren als Grundtrieb der menschlichen Natur, Werke -II 59 f. 194 f. enz. Het aesthetisch rationalisme van Jacobi werd door -Fries en de Wette zoo uitgewerkt, dat ze eene strenge scheiding maakten -tusschen de empirisch-mathematische wereldbeschouwing des verstands -en de ideale, aesthetisch-religieuse wereldbeschouwing des gevoels. -Schleiermacher’s opvatting van de religie is uit diezelfde romantische -richting te verklaren. In de tweede rede uit zijne Reden über die -Religion 1799 omschrijft hij de religie als het onmiddellijk bewustzijn -van het zijn van al het eindige in en door het oneindige. Zij is geen -weten en geen doen, geen metaphysica en geen moraal, maar gevoel van -het oneindige. Object van dat gevoel is geen persoonlijk God, met wien -de mensch in gemeenschap leeft, maar het universum, de wereld als -geheel, als eenheid gedacht. En orgaan voor het gewaarworden van dat -oneindige is niet verstand, rede of wil, maar het gevoel, de richting -van het gemoed op en de zin voor het oneindige. Nader wordt dit gevoel -niet omschreven. En nog vager is het antwoord op de vraag, wanneer -dat gevoel bepaald religieus gevoel wordt. Schleiermacher antwoordt -daarop in de 3e rede slechts in overdrachtelijke taal: men moet zijn -gevoel zoo wijd mogelijk voor de wereld als geheel ontsluiten, alles in -het eene en het eene in alles beschouwen, al het bijzondere opvatten -als eene openbaring van het oneindige enz. Dit alles zegt niet veel; -het schijnt, dat ten slotte ieder gevoel religieus is, hetwelk door -het wereldgeheel wordt opgewekt en ons de hoogste eenheid openbaart. -In elk geval is het religieus gevoel niet duidelijk tegenover het -aesthetische begrensd. In de Glaubenslehre treffen we in den grond -der zaak dezelfde opvatting aan. Ook hier is de vroomheid gevoel § -3, en wel volstrekt afhankelijkheidsgevoel § 4. Maar er is toch een -dubbel verschil. In de Reden was God het geheel, in de Glaub. is Hij -de absolute causaliteit der wereld; dienovereenkomstig was het gevoel -daar zin voor het oneindige, en hier onmiddellijk zelfbewustzijn en -volstrekte afhankelijkheid. God krijgt hier meer een eigen, van de -wereld onderscheiden bestaan, en de religie daarom ook een eigen, van -het gevoel voor de wereld, onderscheiden inhoud. Er is dus eenige -toenadering tot het theisme te bespeuren. Maar de grondgedachte is toch -in zoover dezelfde, als God niet transcendent gedacht wordt boven maar -alleen immanent in de wereld, en het orgaan voor het goddelijke niet is -de rede, het geweten enz. maar het gevoel. Deze opvatting der religie -is niet alleen door sommige Vermittelungstheologen, zij het ook met -wijziging overgenomen, maar wordt in beginsel gevonden bij allen, die -naast de mechanische nog eene aesthetische wereldbeschouwing trachten -op te bouwen en daarin de religie opnemen of zelfs geheel laten opgaan. -Lange Gesch. des Mater. S. 830 zegt, dat de kern der religie bestaat, -niet in eene leer over God enz., maar in de verheffing des gemoeds -boven de werkelijkheid en in de Erschaffung einer Heimath der Geister. -Boven de wereld der feiten, die Welt des Seienden, bouwt de mensch door -zijne phantasie eene Welt der Werthe, eene Welt der Dichtung. Pierson, -Eene levensbeschouwing, huldigt eene dergelijke ideaalvorming; het -gevoel des menschen, van buiten opgewekt, schept uit de voorstellingen, -die het verstand uit de zinlijk waarneembare wereld verkrijgt, -religieuse, ethische, aesthetische idealen, die wel geen onafhankelijk -van ons bestaande realiteiten maar toch van groote waarde zijn voor -ons leven, bl. 113-179. Opzoomer nam zelfs een afzonderlijk religieus -gevoel aan en zag daarin de bron der religieuse voorstellingen, De weg -der wetenschap, een handboek der logika 1851 § 15. De Godsdienst bl. -126-140. Het wezen der kennis, leerboek der logica § 14. Rauwenhoff -acht het wezen der religie wel gelegen in het geloof aan eene zedelijke -wereldorde maar schrijft toch den vorm der religie, vereering van een -persoonlijk God, toe aan de phantasie. Cf. ook Guyau, L’irreligion de -l’avenir, Paris, Alcan, 1887. Dr. R. Koch, Natur und Menschengeist, -Berlin 1891 enz. - -14. Ook bij deze opvatting is het zonder tegenspraak, dat het gevoel in -de religie eene belangrijke plaats inneemt. Religieuse voorstellingen -op zich zelve en zonder meer zijn nog geen religie; eerst dan ontstaat -deze, wanneer de mensch tot het object dier voorstellingen in eene -werkelijke, persoonlijke relatie treedt. En zulk eene persoonlijke -verhouding tot God kan niet anders dan inwerken op het gevoel; zij -laat den mensch niet koud en onverschillig, maar roert hem tot in het -diepste van zijn gemoed; zij wekt in hem een sterk gevoel van lust en -onlust en kweekt eene gansche reeks van aandoeningen, schuldbewustzijn, -smart, berouw, leedwezen, droefheid, vreugde, blijdschap, vertrouwen, -vrede, rust enz. De religie maakt de diepste en teederste aandoeningen -wakker in het menschelijk hart. Geen macht is er, die dieper, -algemeener, sterker aangrijpt en roert. Alle deze door de religieuse -voorstellingen opgewekte aandoeningen, geven aan de religie warmte, -innigheid, leven, kracht, in tegenstelling met de doodigheid van het -intellectualisme en de koudheid van het moralisme. Het hart is het -centrum der religie. - -Maar daarom is het gevoel nog niet de eenige religieuse functie, -niet de eenige zetel en bron der religie. Het gevoel, hier genomen -niet als een afzonderlijk vermogen, wat het niet is, maar als het -geheel der hartstochten en aandoeningen, is uitteraard passief; -het reageert alleen op datgene, wat door het bewustzijn er mede in -aanraking wordt gebracht, en wordt dan tot een gevoel van lust of -onlust. Het heeft niets in zichzelf en brengt niets uit zichzelf voort, -maar beoordeelt de dingen, de voorstellingen, die van buiten komen, -alleen daarnaar of ze aangenaam of onaangenaam zijn. Op zichzelf is -het gevoel, is elke aandoening noch goed noch kwaad, noch waar noch -onwaar. Dit zijn kategorieën niet eigenlijk van de aandoeningen, maar -van de voorstellingen. Van de aandoeningen kunnen ze alleen gebruikt -worden, inzoover deze door ware of onware voorstellingen worden -opgewekt, en door goede of kwade wilsrichtingen worden begeleid. In de -religie is daarom ook niet het gevoel, maar het geloof, de religieuse -voorstelling, het eerste; maar dat geloof werkt dan ook in op het -gevoel. Wanneer echter, gelijk bij Schleiermacher, het gevoel van het -geloof, van de religieuse voorstelling wordt losgemaakt en tot eigen -en eenige bron en zetel van de religie wordt gemaakt, dan verliest het -gevoel zijne qualiteit, wordt het geheel onafhankelijk van de kategorie -van waar en onwaar, van goed en kwaad, en is eigenlijk elk gevoel -als zoodanig reeds religieus, waar, goed en schoon. En dat was de -schromelijke fout van heel de romantiek. - -Natuurlijk ligt dan ook de dwaling voor de hand, om het religieus -gevoel te verwarren en te vereenzelvigen met het zinnelijk en met het -aesthetisch gevoel. Uit de historie is aan ieder de verwantschap en -de overgang bekend van religieuse en zinnelijke liefde. Maar even -gevaarlijk is de vermenging van religieus en aesthetisch gevoel, van -godsdienst en kunst. Beide zijn wezenlijk onderscheiden. Religie is -leven, werkelijkheid; de kunst is ideaal, schijn. De kunst kan de klove -niet dempen tusschen ideaal en werkelijkheid. Zij heft ons wel een -oogenblik boven de werkelijkheid, en doet ons leven in het rijk der -idealen. Maar dit heeft alleen plaats in de phantasie. De werkelijkheid -blijft er dezelfde om. De kunst toont ons wel in de verte het rijk der -heerlijkheid, maar zij brengt er ons niet in en maakt er ons geen burgers -van. Zij verzoent niet onze schuld, zij droogt niet onze tranen, zij -troost ons niet in leven en sterven. Zij maakt het Dort niemals Hier. -Dat doet de religie alleen. Zij is en geeft realiteit. Zij schenkt leven -en vrede. Zij poneert het ideaal als waarachtige werkelijkheid en maakt -er ons deelgenoot van. Daarom kan het aesthetisch gevoel nooit het -religieus gevoel, de kunst nooit de religie vervangen. Wel staan beide -in verband. Religie en kunst zijn van den aanvang af nauw verbonden -geweest; het verval der eene bracht dat der andere mede; de laatste -drijfkracht der kunst lag in de religie. Cf. G. Portig, Religion und -Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss, Iserlohn 1879-’80. I 5. 85. -90. 225 enz. Paulsen, System der Ethik, Berlin, Hertz 1889 S. 434 f. -In de religie, bepaald ook in den cultus, heeft de phantasie haar -recht en haar waarde. Beim religiösen Process ist allerdings auch die -Phantasie betheiligt, aber nicht als Erzeugingsprincip, sondern nur als -Belebungsprincip. Die Einbildungskraft kan immer nur bereits gegebene -Stoffe und Triebe gestalten, aber nie kan sie die Religion selbst erst -schaffen, Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 91. Maar de Schaubühne is -allerminst voor moralische Anstalt (Schiller) geschikt. Het theater kan -de kerk en Lessings Nathan den Bijbel niet vervangen (Strauss). Idealen -en scheppingen der phantasie zijn geen vergoeding voor de realiteit, -die de religie biedt. Het religieus gevoel, hoe innig en diep het -overigens ook zijn moge, is dan alleen zuiver, wanneer het door ware -voorstellingen opgewekt wordt, Hartmann, Religionsphilosophie II 27-55. -S. Hoekstra, Godsdienst en Kunst 1859. Lamers, Wetenschap v. d. godsd. -II 164 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 97 f. - -15. Resultaat is derhalve, dat de religie niet tot één van ’s menschen -vermogens beperkt is, maar den ganschen mensch omvat. De verhouding tot -God is een totale en centrale. Wij moeten God liefhebben met geheel ons -verstand en met geheel onze ziel en met al onze krachten, enz. Juist -wijl God God is, eischt hij ons geheel op, naar ziel en lichaam, met alle -vermogens en in al onze relatiën. Wel is er orde ook in deze verhouding -van den mensch tot God. Ook hier bestaat en werkt iedere faculteit in -den mensch naar haar eigen aard. De kennis is het eerste; geen rechte -dienst van God zonder rechte kennis. Ignoti nulla cupido. Onbekend is -onbemind. Die tot God gaat, moet gelooven, dat Hij is en een belooner -dergenen die Hem zoeken, Hebr. 11:6. Het geloof is uit het gehoor, Rom. -10:13, 14. De Heidenen kwamen tot afgoderij en ongerechtigheid, omdat -ze God niet in erkentenis hielden, Rom. 1:18 v. Maar die kennisse Gods -dringt door in ’t hart en wekt daar allerlei aandoeningen van vreeze -en hope, droefheid en vreugde, schuldgevoel en vergeving, ellende en -verlossing, gelijk ze heel de Schrift door, bovenal in de psalmen, ons -worden geteekend. En door het hart heen werkt ze weder op den wil; -het geloof openbaart zich in de liefde, in de werken, Jak. 1:27. 1 -Joh. 1:5-7. Rom. 2:10, 13. Gal. 5:6. 1 Cor. 13, enz. Hoofd, hart en -hand worden gelijkelijk, schoon ieder op zijne wijze, door de religie in -beslag genomen; zij neemt den ganschen mensch, ziel en lichaam, in haar -dienst. Daarom komt de religie ook met alle andere machten der cultuur -in aanraking, inzonderheid met wetenschap, zedelijkheid en kunst. -Proudhon zei eenmaal: il est étonnant, qu’au fond de toutes les choses -nous retrouvons la théologie. Maar Donoso Cortes heeft daarop terecht -geantwoord: dans ce fait il n’y a rien d’étonnant que l’étonnement de -Mr. Proudhon. De religie als Verhouding tot God wijst de plaats aan, -waarin de mensch tegenover alle andere schepselen staat. Zij bevat -dogma, wet en cultus en staat daarom met wetenschap, zedelijkheid en -kunst in nauw verband. Ze omvat den ganschen mensch, in zijn denken, -gevoelen en handelen, in zijn gansche leven, overal en ten allen tijde. -Er valt niets buiten de religie. Zij breidt haar macht uit over heel -den mensch en de menschheid, over gezin en maatschappij en staat. Zij is -de grondslag van het ware, het goede en schoone. Zij brengt eenheid, -samenhang, leven in wereld en geschiedenis. Uit haar namen wetenschap, -zede en kunst haar oorsprong; tot haar keeren ze weer en vinden ze -rust. Zij is het begin en het einde, de ziel van alles, het hoogste en -diepste. Wat God voor de wereld is, dat is de religie voor den mensch, -Staudenmaier, Encyklopädie der theol. Wiss. 1834 S. 114 f. 146. - -En toch is ze van alle machten der cultuur onderscheiden en bewaart -ze tegenover die alle hare zelfstandigheid. De religie is centraal, -wetenschap, zede en kruist zijn partieel. De religie omvat den ganschen -mensch, maar wetenschap, zede, kunst wortelen in de verschillende -vermogens van verstand, wil en gemoed. De religie bedoelt niets minder -dan eeuwige zaligheid in de gemeenschap met God; wetenschap, zede en -kunst zijn tot de schepselen beperkt en willen dit leven verrijken door -het ware en goede en schoone. Zoo is dan de religie met niets gelijk te -stellen; zij neemt in ’t leven en de geschiedenis der menschheid eene -eigene en zelfstandige, eene eenige en allesbeheerschende plaats in. -Haar onmisbaarheid kan zelfs daaruit worden bewezen, dat de mensch op -hetzelfde oogenblik dat hij de religie als een waan verwerpt, toch een -of ander creatuur weer maakt tot zijn God, en op andere wijze vergoeding -zoekt voor zijne religieuse behoefte, in den dienst der menschheid -(Comte), in zedelijk idealisme (Salter), in ideaalvorming (Lange, -Pierson), in spiritisme, theosophie (Mad. Blavatzky, Mrs. Besant), of -in andere religies zooals het Buddhisme, Mohammedanisme enz. Cf. H. -Druskowitz, Moderne Versuche eines Religionsersatzes. Heidelberg 1886. -Id. Zur neuen Lehre. 1888. - - -C. Oorsprong der religie. - -16. Van den oorsprong der religie is er nog evenmin als van dien -der taal eene bevredigende verklaring. De afleiding der religie uit -vrees, uit priesterbedrog, uit onkunde, is nog wel altijd in sommige -atheistische kringen gangbaar, maar vindt toch geene wetenschappelijke -verdediging. Darwin, de Afstamming des menschen, vert. door Dr. -Hartogh Heys van Zouteveen 3e dr. 1884 I p. 127 v. zoekt de religie -in kiem, embryonisch, reeds bij de dieren, in de liefde bijv. welke een -hond gevoelt voor zijn meester, en die gepaard gaat met een gevoel van -ondergeschiktheid en vrees. Maar deze analogie gaat om verschillende -redenen niet op. Vooreerst weten wij van het inwendig, psychisch -leven der dieren weinig af; verder is godsdienst altijd verbonden met -vereering, cultus, en eene godsdienstige handeling, zooals gebed, -offer enz. komt bij de dieren niet voor; en voorts zijn er in de dieren -ongetwijfeld zekere eigenschappen van trouw, aanhankelijkheid enz., maar -deze maken toch nog evenmin de religie uit, als diezelfde eigenschappen -onder menschen tegenover elkander reeds religie zijn; het eigenlijk -object der religie, eene bovenzinlijke macht, is aan de dieren geheel -onbekend. Het blijft daarom vooralsnog bij het woord van Lactantius, -Instit. div. 7, 9 religio est paene sola, quae hominem discernit a -brutis, cf. Hegel, Vorlesungen über die Religion I 207. Abr. d. A. -v. d. Hoeven, De godsdienst het wezen van den mensch. 1848. bl. 29 -v. Hartmann, Religionsphil. I S. 3-11. Saussaye, Lehrb. d. Relig. -gesch. I 10 f. Lamers, Wet. v. d. godsd. II 150 v. Hoekstra, Wijsg. -godsdienstleer I 1 v. De verklaring der religie uit het animisme, E. -B. Tylor, Primitive Culture 1872, uit het feticisme, Fr. Schultze, Der -Fetischismus, ein Beitrag zur Anthropologie und Religionsgeschichte -1871, en uit de vereering der voorouders, H. Spencer, Ecclesiastical -Institutions, being part VI of the principles of sociology, Londen -1886, § 583 etc. gaat uit van de geheel willekeurige onderstelling, dat -de laagste vormen van religie de primitieve zijn, en houdt begeleidende -verschijnselen van de religie voor haar wezen. Ook de poging van Max -Müller, bv. in zijn De oorsprong en de ontwikkeling van den godsdienst -nagegaan in den godsdienst van Indië, Utrecht 1879, om den godsdienst -af te leiden uit het gevoel van het oneindige, heeft terecht weinig -ingang gevonden; de waarneming van het eindelooze in de natuur leidt -immers op zichzelf en zonder meer nog volstrekt niet tot het begrip van -het oneindige en nog veel minder tot de vereering van den Oneindige, -van God. Even onaannemelijk is de hypothese, welke den oorsprong der -religie zoekt in den causaliteitsdrang, in de behoefte des menschen -aan eene verklaring van wereld en leven, cf. Peschel, Völkerkunde 1881 -S. 244 f. Voigt, Fundamentaldogm. 1874 S. 94 f., want religie is in -weerwil van alle verwantschap essentieel van metaphysica en philosophie -verschillend en beantwoordt aan geheel andere behoeften van den -mensch. En eindelijk zijn er ook weinigen meer, die met Cicero de nat. -deor. 1,15. 2,5. Sextus Emp. 9,18 en de optimistische rationalisten -der vorige eeuw de religie laten ontstaan uit de kinderlijke poezie, -het dankbaar gevoel, de naieve vreugde, welke bij den onschuldigen -natuurmensch werden opgewekt door de heerlijke en zegenrijke natuur, en -die hem opleidden tot de erkenning en vereering van een bovennatuurlijk -wezen, hetwelk dat alles schonk, cf. nog Pfleiderer, Relig. phil. II 24 -f.; de wetenschap ziet tegenwoordig in die schildering van de onschuld -der natuurmenschen en van de schoonheid en weldadigheid der natuur -niets anders dan eene poetische idylle. De werkelijkheid toont ons -overal een moeielijken struggle for life. - -Daarom heerscht er thans dan ook eene gansch andere voorstelling over -den oorsprong der religie. De natuur staat menigmaal vijandig tegen -den mensch over. Zij heeft het met haar stormen en onweders, met haar -verzengende hitte en snerpende koude, met haar woedende krachten en -onbeteugelde elementen op het bestaan en het leven van den mensch -toegelegd. Hij ziet zich voortdurend verplicht, om tegenover haar -zijn leven te beschermen, zijn bestaan te handhaven. Maar hij is zwak -en machteloos. En zoo roept hij dan in het bange conflict tusschen -zichzelf en de natuur, tusschen zelf- en noodgevoel, eene onzienlijke -macht te hulp, die boven de natuur staat en hem helpen kan in den -strijd. De mensch wil gelukkig zijn, maar hij is het niet en kan het ook -door eigen kracht niet worden; daarom tracht hij in den godsdienst al -die persoonlijke machten gunstig voor zich te stemmen, welke naar zijne -voorstelling in de natuurverschijnselen aanwezig zijn. Deze verklaring -van den godsdienst heeft het eigenaardige, dat zij de religie laat -ontstaan niet uit theoretische maar bepaald uit practische motieven; -niet uit voorstellingen, maar uit aandoeningen van vrees, angst, -noodgevoel enz. Zij is in zoover een terugkeer tot het primus in orbe -deos fecit timor van Petronius. Voorts wordt zij reeds aangetroffen bij -Hume, cf. Stud. u. Krit. 1890, 2tes Heft S. 245, en in het Système de -la nature, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. 1883 I 386, maar -is vooral in den nieuweren tijd in zeer wijden kring aangenomen als de -beste oplossing van de vraag naar den oorsprong der religie. Toch -komt zij niet bij allen in denzelfden vorm voor. Sommigen zeggen, dat -de godsdienst ontstond uit den Selbsterhaltungstrieb in het algemeen; -de mensch wil in den godsdienst eenig goed deelachtig worden, welk -goed dit ook zij, een zinnelijk, physisch, egoistisch goed of ook een -zedelijk, geestelijk goed; hij wil in één woord een gelukkig leven, -bevrijding van physisch of ook van ethisch kwaad. Zoo W. Bender, Das -Wesen der Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung Bonn 1886. -Ed. Zeller, Ursprung u. Wesen der Religion (Vorträge und Abhandlungen, -II 1877 S. 1-83). J. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion, Basel, -Bahnmaier 1881. S. 38 f. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos. -1893 S. 58 f. Anderen zoeken den oorsprong der religie bepaald in de -ethische Selbstbehauptung, in het handhaven des menschen van zijne -zedelijke vrijheid en waarde tegenover de noodwendigheid en den dwang -der physische wereld. Kant postuleerde op deze wijze reeds op grond van -’s menschen zedelijke natuur het bestaan van een God, die de wereld -der noodwendigheid dienstbaar maken kon aan die der vrijheid, de -natuurwet aan de zedewet, de physis aan den ethos. En op dezelfde wijze -redeneeren Ritschl, Die christl. Lehre von der Rechtf. u. Versöhnung, -2e Aufl. III 1883 S. 186. W. Herrmann, Die Religion im Verhältniss zum -Welterkennen und zur Sittlichkeit, Halle, Niemeyer 1879. S. 267 f. cf. -ook Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 94 v. Eindelijk zijn er ook nog, die -in de religie niet alleen een ethisch maar ook een mystisch element -erkennen, en die haar daarom niet min of meer in eene vrije wilsdaad -maar in de natuur van den mensch gegrond achten; de mensch zoekt -volgens dezen in den godsdienst wel zeker ethische Selbstbehauptung, -maar toch ook nog iets anders en meer, n.l. gemeenschap met, leven in -God, en daardoor juist ook vrijheid tegenover de wereld; de religie -is allereerst eene verhouding tot God, en daarna tot de wereld. Zoo -Pfleiderer, Religionsphilosophie, 2e Aufl. Berlin 1883. II 28 f. Id. -Grundriss der christl. Glaubens- und Sittenlehre. 3e Aufl. Berlin, -Reimer 1886 § 10. Lipsius, Lehrb. der ev. prot. Dogm. 2e Aufl. 1879 § -18. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 99 f. - -17. Toch kan deze verklaring van den godsdienst, hoe algemeen ook -aangenomen, niet bevredigen. Ten eerste blijft hier de Godsidee -onverklaard. Gewoonlijk zegt men, dat de onontwikkelde, kinderlijke -natuurmensch tusschen het persoonlijke en onpersoonlijke geen onderscheid -maakt, de krachten in de natuur zich denkt naar analogie van zichzelf -en alle dingen door zielen, geesten bewoond acht. Grondslag en -onderstelling voor de religie is dan de zoogenaamde animistische -wereldbeschouwing. Maar vooreerst is het zeer onwaarschijnlijk, -dat het voor de hand liggend onderscheid tusschen persoonlijke -wezens en onpersoonlijke dingen aan de eerste menschen onbekend is -geweest. Vervolgens is het geloof aan zielen en geesten, die in de -natuurverschijnselen wonen en werken, op zichzelf nog geen religie; -religieus object worden deze zielen of geesten eerst dan, wanneer -het begrip van het goddelijke erop overgebracht wordt. Er moet in -den mensch een zeker besef van de godheid worden aangenomen, om de -zielen en geesten, die hij aanwezig dacht in de krachten der natuur, te -kunnen maken tot voorwerp van zijne religieuse vereering. Wel tracht -de psychologische methode de orde om te keeren; de natuurmensch -heeft volgens haar zich eerst tot eene of andere persoonlijk gedachte -natuurkracht in eene religieuse verhouding geplaatst, en later daaruit -het begrip van het goddelijke geabstraheerd, Hartmann, Religionsphil. -I 15. Maar in elk geval gaat het zoo niet toe bij de historische -menschen; allen ontvangen eerst door onderwijs en opvoeding het begrip -der Godheid en ontwikkelen op grond daarvan eene religieuse verhouding. -En er is geen enkel bewijs, dat het bij de eerste menschen anders -toegegaan is of ook anders toegaan kon. Eene religieuse verhouding -tot eene of andere macht onderstelt altijd reeds de Godsidee; en deze -blijft bij de bovengenoemde methode onverklaard. Daarbij komt, dat ook -het ontstaan der religie in subjectieven zin bij deze psychologische -analyse onbegrijpelijk blijft. Laat het geloof aan persoonlijke wezens -in de natuur gegeven zijn; maar waarom is en vooral wanneer wordt het -zoeken van eenig zinnelijk of zedelijk goed bij die wezens tot religie? -Religie ontstaat er toch eerst dan, wanneer niet in het algemeen hulp -wordt gevraagd, gelijk menschen die ook bij elkander en in de kunst en de -wetenschap zoeken, maar wanneer op eene gansch bijzondere wijze geloof, -vertrouwen, besef van afhankelijkheid ten opzichte van eene onzienlijke -goddelijke macht in het hart wordt gewekt. Religie onderstelt altijd eene -zekere onderscheiding tusschen God en wereld, tusschen de macht van een -wezen boven en de ondergeschikte krachten in de natuur. Wel kan dan die -goddelijke macht als inwonende in de natuurverschijnselen worden gedacht, -maar object van de religieuse vereering is toch nooit de natuurkracht -in zichzelve maar het goddelijk wezen, dat in haar zich openbaart en -werkt. Het grootste bezwaar tegen de boven genoemde verklaring ligt -echter hierin, dat God bij haar niets anders wordt dan een helper in -den nood, een wezen, wiens bestaan is uitgedacht om den mensch een -of ander goed te verschaffen. De godsdienst wordt een middel, om de -zinnelijke of zedelijke, maar altijd toch egoïstische behoeften van den -mensch te bevredigen. Egoïsme is de bron en de oorsprong der religie -geweest, Hartmann, Religionsphil. I 27. De eerste vorm, waarin deze -verklaring van den oorsprong van den godsdienst boven werd weergegeven, -spreekt dit duidelijk en onverholen uit. Bij den tweeden vorm wordt de -godsdienst niet uit zinnelijke maar zedelijke behoeften afgeleid; de -Godheid is geen product van eudaemonistische wenschen maar postulaat -der practische rede. Echter geeft dit in het wezen der zaak weinig -verschil. Het subjectieve en egoïstische uitgangspunt wordt niet -overwonnen; God blijft een dienaar van den mensch. De derde vorm tracht -dit egoïsme te vermijden, door in de religie een mystiek element te -erkennen en alzoo God te maken tot het rechtstreeksche object van de -religieuse vereering; maar ook hier is deze mystiek er later bijgekomen, -zij is niet het beginsel en de oorsprong der religie geweest. Bij de -bovengenoemde verklaring, in welken vorm zij ook wordt voorgedragen, -staat de mensch altijd eerst in verhouding tot de wereld; en uit het -conflict met die wereld wordt de religie en de Godsidee geboren. God -komt dus op de derde plaats te staan; Hij wordt een Wunschwesen, een -product van ’s menschen egoïsme, een hulpmiddel in den strijd tegen de -natuur. De verwantschap van al deze verklaringen met die van Feuerbach -springt duidelijk in het oog. Maar waarom, zoo kan er gevraagd worden, -stelt de mensch met de in de natuur aanwezige krachten zich niet -tevreden? Waarom zoekt hij niet in wetenschap, kunst, nijverheid enz., -in al de factoren der cultuur, de hulp, die hij in den strijd tegen de -natuur behoeft? Hoe is het te verklaren, dat de mensch aan de goden, -scheppingen van zijn wenschen, gelooven blijft, ook waar zij zoo menigmaal -hem teleurstellen en overlaten aan eigen lot? Vanwaar dat hij alles, -ook het dierbaarste dat hij heeft, aan zijne goden ten offer brengt en -niets te kostbaar acht voor hunne vereering? Hoe komt het eindelijk, -dat hij de goden dienen blijft, ook als door andere middelen en wegen -zijne heerschappij over de natuur zich gaandeweg uitbreidt? Indien de -bovengenoemde verklaring van den oorsprong der religie de juiste is, -dan boet zij tegenover kunst en wetenschap hare zelfstandigheid in en is -haar einde bereikt, zoodra de mensch op andere wijze zich redden kan. - -18. Maar, afgedacht van deze speciale bezwaren, er is tegen de -methode zelve, waarnaar de oorsprong der religie onderzocht wordt, -ernstige bedenking. Wat wil het zeggen, dat het ontstaan der religie -wetenschappelijk moet worden verklaard? Het kan niet beduiden, dat de -godsdienst van den eersten mensch of van de eerste menschen historisch -wordt nagevorscht. Want de historie der godsdiensten laat ons hier -volkomen in den steek; de historische methode is onbruikbaar. De -godsdienstvormen der laagste, wilde volken voor de oorspronkelijke te -houden; daartoe ontbreekt, gelijk ook meer en meer wordt ingezien, -alle recht. De methode kan dus geen andere dan de psychologische -zijn, en deze kan uitteraard het nooit verder brengen dan tot eene -hypothese, die aannemelijk schijnt en bij gebrek aan beter een tijd -lang in eene algemeene instemming zich verheugen mag. Maar welke is -de vraag, die deze psychologische methode bij het zoeken naar den -oorsprong der religie zich stelt? Toch geen andere dan deze: uit welke -oorzaken en krachten in den mensch of in de menschheid is de religie -voortgekomen? Er moet dus naar dat punt worden gezocht, wo noch nicht -religiöse Lebenskräfte des Menschen zu dem Lebenskeim der Religion -sich verbinden? Holsten, bij Rauwenhoff 50. Hypothetisch moet dus een -mensch worden aangenomen, zoo onontwikkeld en barbaarsch, dat er van -religie bij hem nog geen sprake is. Een oorspronkelijk, ingeschapen -semen religionis mag op dit standpunt niet worden erkend. Want dan -is dit oorspronkelijk gevoel, of hoe men het anders noemen wil, een -wetenschappelijk onverklaard iets, eene soort mystieke openbaring, -eene onderstelling reeds van datgene wat men zoekt te verklaren, Dr. -Bruining, Gids Juni 1884. De psychologische methode eischt dus, dat -de religie verklaard wordt uit factoren in den mensch, die op zich -zelve niet religieus zijn, maar die door zekere verbinding, onder -inwerking der natuur van buiten, de religie doen ontstaan. Maar -zulk een godsdienstlooze mensch is een puur Gedankending, eene even -ijle en ledige abstractie als de natuurmensch van Rousseau en van de -aanhangers van het contrat social; in de werkelijkheid heeft hij nimmer -bestaan. De godsdienst zelve wordt zoo geheel een product van het -toeval, evenals de moraal bij Darwin. Een „bloot toeval”, zegt Prof. -Rauwenhoff 97, cf. 193, 250, 263 kon er den mensch toe brengen, om -een of ander ding uit de natuur tot een god voor zich te maken. Eene -andere verbinding van de factoren, en er ware nimmer religie geweest. -Daarmee verliest de religie haar zelfstandige plaats, haar algemeenheid -en noodzakelijkheid; zelfs haar waarde en haar recht zijn dan niet meer -te handhaven. Want het is niet waar, wat Zeller, Vorträge und Abhandl. -II 57 f. beweert, dat de waarde der religie onafhankelijk is van de -wijze van haar ontstaan; indien de oorsprong der religie toevallig is, -verliest zij den vasten grondslag, waarop zij rusten moet. En ook haar -recht van bestaan wordt dan op ernstige wijze bedreigd. Want indien -de religie zoo wordt verklaard, dat het bestaan Gods daarbij in het -geheel niet behoeft te worden aangenomen, dan is zij, ook al ware haar -ontstaan psychologisch eene noodzakelijkheid, metaphysisch toch niets -anders dan eene absurditeit. De psychologische methode tracht inderdaad -de religie te begrijpen zonder het bestaan Gods. De mensch is louter -natuurwezen, natuurproduct. Hij is het, die door allerlei omstandigheden -geleid wordt tot de religie en de Godsidee voortbrengt. God schept den -mensch niet, de mensch schept God. De religie subjectiva is de bron der -religio objectiva. De mensch bepaalt, of hij en hoe hij God dienen wil. -De psychologische methode is hierdoor geoordeeld; zij is in beginsel met -het wezen der religie in strijd en vernietigt daarom het verschijnsel, -dat zij te verklaren heeft, Kant, Lotze, Albrecht Ritschl, eine -kritische Studie von L. Stählin, Leipzig 1888 S. 245 f. Vergelijk verder -over den oorsprong van den godsdienst Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1885 -bl. 257 v. Id. Wijsb. v. d. godsd. bl. 37-109. Saussaye, Lehrb. der Rel. -Gesch. I 21 f. en de daar aangeh. litteratuur. Siebeck, Lehrb. der Rel. -Philos. 43 f. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 136 v. - - -D. Resultaat. - -19. Het voorafgaand onderzoek dwingt ons tot het kiezen van een ander -uitgangspunt en tot het volgen van eene andere methode. Het wezen -en de oorsprong der religie zijn bij de historische en psychologische -methode niet te verklaren; haar recht en waarde kan daarbij niet worden -gehandhaafd. Het gaat niet aan, om de religie te begrijpen zonder God. -God is de groote onderstelling van den godsdienst. Zijn bestaan en -openbaring is de grondslag, waarop alle religie rust. Nu heet het -wel onwetenschappelijk, om bij de verklaring van eenig verschijnsel tot -God terug te gaan; en inderdaad mag Hij ook niet dienstdoen als asylum -ignorantiae. Maar het is toch eene arme wetenschap, die met God geen -rekening houden mag en alle dingen zoekt te verklaren buiten en zonder -Hem. Bij de wetenschappelijke verklaring van den godsdienst geldt dit -in dubbelen zin. Want God is hier het eigenlijke en direkte object. -Zonder Hem is alle religie eene ongerijmdheid. De keuze staat hier -slechts tusschen deze twee, dat of de religie eene dwaasheid is, wijl -God niet bestaat of volstrekt onkenbaar is, of dat zij waarheid is maar -dan het bestaan en de openbaring onverbiddelijk en in streng logischen -en wetenschappelijken zin eischt en onderstelt. Wie het eerste niet -aanvaarden kan, wordt gedwongen het tweede aan te nemen en God te -erkennen als het principium essendi van alle religie. Er is godsdienst, -alleen omdat God is en van schepselen gediend wil worden. Dan alleen, -als het bestaan Gods vaststaat, is wezen en oorsprong, recht en waarde -der religie te begrijpen. - -Maar de religie eischt nog meer. Zij onderstelt niet alleen, dat God -bestaat, maar ook dat Hij zich op de eene of andere wijze openbaart en -kennen doet. Alle godsdiensten hebben dit begrip van openbaring. Het -wordt niet van buiten af aan de religie opgedrongen, maar vloeit uit -haar oorsprong en wezen vanzelve voort. Er is geen religie zonder -openbaring; openbaring is het noodwendig correlaat der religie. Het -wezen der religie bestaat niet alleen subjectief in eene religieuse -gezindheid, die zich naar welgevallen uit, maar ook in eene religio -objectiva, in een dogma, moraal en cultus, die daarom alleen gezag -hebben voor den geloovige, wijl zij naar zijne overtuiging den wil en den -dienst Gods bevatten. De oorsprong der religie is historisch niet aan -te wijzen en psychologisch niet te verklaren, maar wijst noodzakelijk naar -de openbaring als haar objectieven grondslag heen. Het onderscheid -tusschen religie aan de eene en wetenschap en kunst aan de andere zijde -doet ons datzelfde begrip van openbaring aan de hand. De natuur, de -wereld rondom ons heen is de bron onzer kennis en artis magistra. Maar -in de religie komt diezelfde wereld nog onder een ander gezichtspunt in -aanmerking, n.l. als openbaring Gods, als bekendmaking zijner eeuwige -kracht en goddelijkheid. Het is den mensch in de religie om iets gansch -anders te doen dan in wetenschap en kunst. In de religie zoekt hij -niet eene vermeerdering van zijne kennis noch eene bevrediging van zijne -phantasie, maar een eeuwig leven in de gemeenschap met God, eene reëele -verandering van zijn, eene bevrijding van zonde en ellende. Het is hem -in de religie om God zelven te doen, omdat hij beseft, dat hij in God -alleen rust en vrede vinden kan. Daarom eischt de religie een andere -bron dan wetenschap en kunst; zij onderstelt eene openbaring, die God -zelven tot hem komen doet en in gemeenschap met Hem brengt. De religie -is in haar wezen en oorsprong een product van openbaring. Langzamerhand -begint dit ook erkend te worden. De wijsbegeerte van den godsdienst, -die het begrip der openbaring een tijd lang geen ernstige bespreking -waardig keurde en het alleen aan eene negatieve kritiek onderwierp, -wordt gedwongen er mede te rekenen. De opvatting van die openbaring is -nog zeer verschillend en soms zeer onjuist; maar het feit spreekt toch -sterk, dat velen dit begrip weder opnemen en er een positieven zin aan -trachten toe te kennen, cf. Pfleiderer, Grundriss § 13 f. Rauwenhoff, -Wijsb. 46. Hartmann, II 69 f. Biedermann, Dogm. I 264. Lipsius, Dogm. -§ 53. Nitzsch, Dogm. 127. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 136 v. enz. De H. -Schrift gaat van het bestaan en van de openbaring Gods uit. God laat -zich niet onbetuigd, en daarom is er van ’s menschen zijde een zoeken, -of hij Hem vinden en tasten mocht. Openbaring was er volgens de Schrift -zoowel voor als na den val. Openbaring is het principium cognoscendi -externum van de religie. - -Als wezen en oorsprong van de religie alzoo uit openbaring worden -verklaard, mag dit niet in den sociniaanschen zin worden verstaan, -alsof de religie niet in ’s menschen natuur ware gegrond maar uit -eene uitwendige meedeeling van leer ware ontstaan, Fock, Der Socin. -291 f. In dat geval zou Schelling, Philos. der Mythol. I 141 terecht -de opmerking hebben gemaakt: wäre der ursprüngliche Mensch nicht an -sich schon Bewusstseyn von Gott, müsste ihm ein Bewusstseyn von Gott -erst durch einen besonderen Actus zu Theil werden, so müssten die, -welche diess annehmen, selbst einen ursprünglichen Atheïsmus des -menschlichen Bewusstseyns behaupten. De religie ware dan een donum -superadditum, niet wezenlijk eigen aan de menschelijke natuur. Maar de -mensch is mensch wijl hij het beeld Gods is; hij is terstond als mensch -een religieus wezen. De godsdienst is niet het wezen van den mensch, -gelijk des Amorie van der Hoeven Jr. zich minder juist uitdrukte, -want de religie is geen substantia maar een habitus of virtus; maar -zij is toch eene wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, zoo -vanzelve met haar gegeven en zoo onafscheidelijk aan haar verbonden, -dat zij door de zonde wel is verwoest, maar niet uitgeroeid is kunnen -worden. Daarom is de religie ook algemeen en heeft ze ook zoo groote -macht in het leven en de geschiedenis. Of men wil of niet, altijd -stuit men ten slotte in den mensch op een zekeren godsdienstigen -aanleg. Men kan dien verschillend noemen, semen religionis, sensus -divinitatis (Calvijn), godsdienstig gevoel (Schleiermacher, Opzoomer), -geloof (Hartmann, Relig. Philos. II 67) enz., maar altijd is het toch -eene zekere vatbaarheid van de menschelijke natuur, om het goddelijke -gewaar te worden, waar het wijsgeerig onderzoek naar de religie toe -terugkeeren en in eindigen moet. Daarachter kan het niet doordringen. -Want één van beide: de godsdienst is wezenlijk eigen aan de menschelijke -natuur en dus met deze van huis uit gegeven, of de mensch was -oorspronkelijk geen religieus wezen, dus ook geen mensch maar een dier -en heeft zich langzamerhand tot een godsdienstig wezen ontwikkeld; -en dan is de godsdienst toevallig en een voorbijgaand moment in het -proces der evolutie. De vraag, waartoe het wijsgeerig onderzoek ten -slotte afdaalt, is deze: is de mensch van den aanvang af mensch, -beeld Gods, Gode verwant, een godsdienstig wezen geweest, of heeft -hij langzamerhand daartoe zich ontwikkeld? Is cultuur of ruwe, woeste -natuur de eerste toestand van het menschelijk geslacht geweest? Is de -aanvang der menschheid absoluut of relatief? Cf. Schelling, Vorles. -über die Meth. des akad. Studiums, Werke I 5 S. 286 f. Wie de religie -in haar wezen handhaven wil, en ze beschouwt en erkent als eene -wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, neemt den aanvang -van den mensch absoluut en laat hem van huis uit Gode verwant en -godsdienstig aangelegd zijn. Zulk een kan ook geen bezwaar meer hebben -tegen den status integritatis, waarin de Schrift den eersten mensch -laat optreden. Volgens de Schrift is de mensch van het eerste oogenblik -van zijn bestaan af mensch geweest, naar Gods beeld geschapen, en dus -van datzelfde oogenblik af ook een religieus wezen. De religie is er -niet later bijgekomen door afzonderlijke schepping of in den langen weg -der evolutie, maar ligt in het naar Gods beeld geschapen zijn van den -mensch vanzelf opgesloten. Wel is die oorspronkelijke toestand door de -zonde bedorven en verwoest, maar de mensch blijft toch Gode verwant, hij -is θεου γενος en blijft Hem zoeken, of hij Hem tasten en vinden mocht. -Aan de objectieve openbaring Gods correspondeert dus in den mensch -eene zekere facultas, aptitudo zijner natuur, om het goddelijke op te -merken. God doet geen half werk. Hij schept het licht niet alleen, -maar ook het oog, om dat licht te aanschouwen. Aan het uitwendige -beantwoordt het inwendige. Het oor is aangelegd op de wereld der tonen. -De logos in de schepselen correspondeert met den logos in den mensch -en maakt wetenschap mogelijk. Het schoone in de natuur vindt weerklank -in zijn schoonheidsgevoel. En zoo is er niet alleen eene uitwendige, -objectieve, maar ook eene inwendige subjectieve openbaring. Gene is het -principium cognoscendi externum van de religie, en deze het principium -cognoscendi internum. Beide principia staan ten nauwste met elkaar in -verband, zooals het licht met het oog, de gedachte in de wereld met -de rede in den mensch. De vraag, welk van beide het eerst is geweest, -de uitwendige of de inwendige openbaring, is geheel overbodig. In -hetzelfde moment, dat God zich openbaarde aan den mensch doordat Hij hem -schiep naar zijn beeld, kende deze God en diende Hem en omgekeerd. En -de ware, echte religie kan alleen bestaan in eene volkomene harmonie -van de inwendige met de uitwendige openbaring; waarlijk religieus, -beeld Gods, dienstknecht Gods, kind Gods, mensch in vollen zin is hij, -die God, gelijk Hij is en zich door openbaring kennen doet, liefheeft -met geheel zijn hart en met geheel zijne ziel en met al zijne krachten. -Evenals in de wetenschap, zijn er dus ook in de religie drieërlei -principia te onderscheiden. Er is religie, omdat God God is en als God -door zijne redelijke schepselen gediend wil worden. Daartoe openbaart -Hij zich aan den mensch in woord en daad -- principium cognoscendi -externum, en maakt hem subjectief bekwaam om door die openbaring -God te kennen en lief te hebben -- principium cognoscendi internum. -De vormen, waarin de openbaring uit- en inwendig geschiedt, kunnen -gewijzigd worden overeenkomstig den verschillenden toestand, waarin de -mensch als creatura mutabilis verkeeren kan. Zij zijn andere in den -status integritatis en corruptionis, in den status gratiae en gloriae. -Maar de drie principia blijven dezelfde. Er is geen religie, dan -doordat God zich objectief en subjectief kennen doet aan den mensch. -En wederom vinden deze principia ook bij de religie hun grondslag in -het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die in den Zoon en door -den Geest zich openbaart. Niemand kent den Vader, dan wien het de -Zoon door den Geest wil openbaren, Mt. 11:27, Joh. 16:13, 14, 1 Cor. -2:10. Cf. Schleiermacher, Der Christ. Gl. § 4. Schelling, Philosophie -u. Religion, Sämmtl. Werke Abth I. Bd. VI 26 f. Einleitung in die -Philosophie der Mythologie, Sämmtl. Werke, Abth. II. Bd. 1-4. I 74 f. -119 f. Ulrici, Gott und die Natur, 2e Aufl. Leipzig 1866 S. 767 f. J. -A. Dorner, Christ. Glaubenslehre, Berlin, Hertz. 1879 I S. 552 f. Aug. -Dorner, Ueber das Wesen der Religion, Stud. u. Krit. 1883 S. 217 f. J. -T. Beck, Vorles. über Christl. Glaubenslehre, Gütersloh 1887 I 149 f. -186 f. M. Kähler, Wissenschaft der Christl. Lehre, Erl. 1883 I 122. J. -Köstlin, Der Glaube, sein Grund, Wesen und Gegenstand. Gotha 1859 S. 13 -f. Id. Der Ursprung der Religion. Stud. u. Krit. 1890 S. 213-294. Id. -Die Begründung unserer sittlich-religiösen Ueberzeugung. Berlin 1893 S. -54 f. Gloatz, Spekulative Theologie, Gotha 1883 I 1 S. 130 f. Heman, -Der Ursprung der Religion, Basel 1886. C. Pesch, Der Gottesbegriff, -Freiburg 1885. Dr. T. Cannegieter, De taak en methode der Wijsb. v. d. -godsd. 1886. Dr. Francken in Geloof en Vrijheid 1887 aflev. 1, 2. Drijber -ib. 1890 afl. 5. bl. 426-455. Pressensé, Les Origines 449 S. - - - - -HOOFDSTUK II. - -Principium externum. - - -§ 9. ALGEMEENE OPENBARING. - - -A. Begrip der openbaring. - -1. De religie, in haar wezen en oorsprong onderzocht, leidt zelve tot -het begrip der openbaring heen. De geschiedenis der godsdiensten doet -ons dit begrip kennen als het noodzakelijk correlaat van alle religie. -De wijsbegeerte van den godsdienst kan dit begrip niet langer met -stilzwijgen voorbij gaan. Maar de wijze, waarop de openbaring in theologie -en philosophie wordt opgevat, is niet altijd met dat begrip zelf in -overeenstemming. Het begrip openbaring brengt een zekeren inhoud mede, -welke in zijne waarheid erkend moet worden, om van openbaring nog te -kunnen blijven spreken. Het mag niet gebezigd worden als eene vlag, die -eene valsche lading dekt. In de eerste plaats is openbaring een door en -door religieus begrip; niet de wijsbegeerte, maar de godsdienst, niet de -rede maar de historie doet het ons aan de hand. Aan de wetenschap en de -wijsbegeerte moet dus het recht worden ontzegd, om apriori dit begrip -te bepalen en daarnaar de historische en religieuse verschijnselen, die -onder den naam van openbaring worden samengevat, pasklaar te maken. -Het spreekt van zelf, dat wijsgeerige systemen zooals het pantheisme -en het materialisme dit begrip niet in zijn recht kunnen erkennen. In -deze stelsels is er voor openbaring geene plaats. Beide zijn krachtens -hun beginsel onbekwaam, om de openbaring en alzoo ook de religie, met -wie ze onverbrekelijk verbonden is, naar waarde te beoordeelen. Als God -niet bestaat en naar Feuerbach’s gezegde, Wesen des Christenthums, -2e Aufl. 401, het geheim der theologie de anthropologie is, dan is -religie en openbaring daarmede vanzelf geoordeeld en niets dan eene -hallucinatie van den menschelijken geest. En evenzoo kan het pantheisme -uit den aard der zaak aan de openbaring geene realiteit toekennen. Als -God en mensch in substantie één zijn, is er eene relatie van den mensch -tot God, gelijk die in de religie tot stand komt, niet mogelijk meer. De -religie is dan hoogstens het tot zelfbewustzijn komen van God in den -mensch, de terugkeer van het Absolute tot zichzelf in het menschelijke -bewustzijn. Openbaring kan hier niets anders zijn dan een naam voor de -religie in den mensch, van haar objectieve zijde beschouwd. Zoo zegt -b.v. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie II 71, 75 u. s. w., dat -openbaring objectief en geloof subjectief één en dezelfde akte zijn, -van de goddelijke en van de menschelijke zijde opgevat. Eene uitwendige, -objectieve openbaring is er dan niet. Openbaring is niets dan het wonen -en werken Gods in iederen mensch. Daargelaten nu de vraag, of ook -hierin niet eene waarheid ligt opgesloten en de objectieve openbaring -niet subjectief in de illuminatie zich voltooien moet, is het toch -duidelijk, dat de openbaring naar de idee, welke de religie en de -historie der godsdiensten ons kennen doen, hierbij geheel te loor gaat. -De religie immers is altijd eene relatie van den mensch tot een Goddelijk -persoon, wiens objectief en reëel bestaan voor het religieus bewustzijn -boven allen twijfel verheven is. Zoodra de mensch twijfelen gaat aan het -onderscheiden en zelfstandig bestaan van het voorwerp zijner vereering, -is het met zijne religie gedaan. Deze verhouding van den mensch tot God -in de religie is van ethischen aard (boven bl. 193). Religie is geen -physische of metaphysische gemeenschap van God en mensch, gelijk zoo -dikwerf gezegd wordt. Zij bestaat niet in eene wezenseenheid, eene unio -of communio physica van den mensch met God. Zij is geene substantie van -den mensch, en maakt zijn wezen, zijne essentia niet uit. De religie -onderstelt juist altijd, dat God en mensch, ofschoon verwant, toch -onderscheiden zijn. En zij zelve bestaat dan, niet in eene verhouding -van God tot den mensch, want God heeft geen religie, maar in eene -verhouding van den mensch tot God. Deze verhouding is uitteraard -niet physisch, metaphysisch, realis, maar ethisch, moreel van aard. -Zij bestaat daarin dat de mensch God kent en liefheeft en voor Hem -leeft, Denzinger, Vier Bücher von der religiösen Erkenntniss, Würzburg -1856 I S. 1-10. Hoekstra, wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Godsdienst -onderstelt wel, dat God en mensch in verwantschap en in goeden zin -ook in gemeenschap met elkander staan, maar is zelf toch niet twee- -maar eenzijdig. Hoe innig godsdienst en openbaring dan ook met elkander -samenhangen, zij zijn toch twee; zij zijn niet twee zijden van eene en -dezelfde zaak, maar wezenlijk en zakelijk van elkander verschillend. -Gelijk het oog en het licht, het oor en de toon, de logos in ons en de -logos buiten ons verwant en toch onderscheiden zijn; zoo is het ook met -de religie en de openbaring. Het is op religieus gebied evenals op -elk ander terrein. Wij komen naakt in de wereld en brengen niets mede. -Wij ontvangen al ons voedsel zoowel in geestelijken als in natuurlijken -zin van buiten. En ook in de religie komt de inhoud van buiten door -openbaring tot ons. - -2. Openbaring, gelijk dit begrip door de religie ons aan de hand wordt -gedaan en hier nog in den ruimsten zin genomen wordt, is alle aktie, -welke van God uitgaat, om den mensch te brengen en te houden in die -eigenaardige relatie tot Hem, welke met den naam van religie aangeduid -wordt. Het komt er hierbij allereerst op aan, om deze openbaring altijd -en overal op te vatten als eene aktie, als eene daad van Gods zijde. -God doet nooit iets onbewust; Hij doet alles met gedachte en heeft bij -alles een doel. Openbaring is nooit eene onbewuste emanatie, eene -onwillekeurige doorschijning Gods in zijne werken; maar altijd een bewust, -vrij, actief zich kenbaar maken aan den mensch. Religie en openbaring -rusten beide naar heur aard op den grondslag van het theisme, d. i. op -het geloof, dat God en mensch niet afgescheiden maar wel onderscheiden -bestaan. Sterk gesproken, heeft openbaring steeds tot onderstelling, -dat er twee werelden zijn, eene bovennatuurlijke en eene natuurlijke, eene -hemelsche en eene aardsche. En nu is openbaring elke werking, die van -die andere onzienlijke wereld in deze zienlijke wereld uitgaat, om den -mensch te doen bedenken de dingen, die boven zijn. De wijzen en vormen, -waaronder God zich openbaart, kunnen verschillend zijn, evenals de eene -mensch aan den ander zich in verschillende manieren kan kenbaar maken. -God kan rechtstreeks en onmiddellijk zich openbaren; en Hij kan daarbij -van gewone of buitengewone middelen zich bedienen. Deze vormen zijn in -zekeren zin van ondergeschikte, wijl van instrumenteele beteekenis. -Maar altijd is de openbaring, hetzij ze op gewone of ongewone wijze tot -ons komt, eene daad van Gods zijde. Wie ze zoo verstaat, is in beginsel -supranaturalist, hij moge de mogelijkheid van het wonder aannemen of -niet. De kwestie van het naturalisme en het supranaturalisme wordt -niet eerst bij de zoogenaamde bovennatuurlijke openbaring, maar wordt -eigenlijk reeds hier bij den ingang, bij het begrip der openbaring in -algemeenen zin, beslist. Het deisme is onhoudbaar. Er is maar keuze -tusschen het theisme en het pantheisme (materialisme). Het pantheisme -heeft geene openbaring en daarom ook geen religie meer. Het theisme is -vanzelf supranaturalistisch, niet in de historische beteekenis van dat -woord, maar in dezen zin, dat het eene ordo supra hanc naturam erkent -en eene werking van gene wereld in deze aanneemt. Religie, openbaring, -supranaturalisme, theisme staan en vallen met elkaar. Het doel der -openbaring is geen ander, dan om religie te wekken en te kweeken in den -mensch. Alles, wat dit bedoelt en daaraan dienstbaar is, is openbaring -in eigenlijken zin. De openbaring valt saam met alle werken Gods in -natuur en genade. Zij omvat de gansche schepping en herschepping. Al -wat er is en geschiedt, is voor den vrome een middel, om hem op te -leiden tot God. De gewone definities, dat de openbaring bestaan zou in -mededeeling van leer of van leven enz. blijken reeds hier veel te eng -te zijn. Het is er God bij zijne openbaring om te doen, om den mensch te -stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. De religie omvat echter -den ganschen mensch met al zijne vermogens en krachten. In de openbaring -nadert God tot den geheelen mensch, om hem geheel te winnen voor zijn -dienst der liefde. Ja, de openbaring kan niet ten doel hebben, om den -enkelen mensch in eene religieuse verhouding tot God te plaatsen. -De menschheid is één geheel. Zij is het voorwerp van Gods liefde. De -openbaring heeft dus tot einddoel, om de menschheid zelve als één -geheel te maken tot een koninkrijk, tot een volk Gods. De openbaring is -geen geisoleerd feit, dat in de geschiedenis op zichzelf staat. Zij is -een systeem van daden Gods, beginnend met de schepping, eindigend in -den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Zij is onderwijzing, opvoeding, -leiding, regeering, vernieuwing, vergeving enz., zij is dat alles te -zamen. Openbaring is al wat God doet, om de menschheid te herscheppen -tot zijn beeld en gelijkenis. - - -B. Algemeene en bijzondere openbaring. - -3. De christelijke theologie kwam er spoedig toe, om in deze openbaring -eene gewichtige onderscheiding te maken. Eenerzijds kon de samenhang en -de overeenstemming van de religie der Christenen en den godsdienst der -Heidenen, van theologie en philosophie, niet geheel worden ontkend; -en andererzijds was het Christendom toch een eigen, zelfstandige -godsdienst, in elk opzicht van dien der Heidenen verschillend. Zoo -werd men geleid tot de onderscheiding van de revelatio (religio, -theologia) naturalis en supernaturalis. Zakelijk wordt zij reeds bij -de oudste kerkvaders aangetroffen. Justinus Martyr spreekt van eene -ἀνθρωπειος διδασκαλια, die verkregen wordt door το ἐμφυτον παντι γενει -ἀνθρωπων σπερμα του λογου en van eene γνωσις και θεωρια, die alleen -door Christus ons deel wordt, Apol. II 8, 10, 13. Tertullianus heeft -eene afzonderlijke verhandeling de testimonio animae, en spreekt van -eene kennis Gods uit de werken der schepping, en van eene andere -meer volledige door mannen, met Gods Geest vervuld, Apolog. II c. -18. Irenaeus spreekt meermalen in denzelfden zin, adv. haer. II c. -6, 9, 28. III 25. IV 6. Augustinus erkent eene openbaring Gods in de -natuur, de Gen. ad. litt. 4, 32, de civ. Dei 8, 11 sq. 19, 1 enz. -maar stelt naast de ratio de auctoritas, de fides, c. Acad. 3,20 de -util. cred. 11, die alleen tot de ware kennisse Gods leidt, Conf. -5,5, 7,26, de civ. 10,29. Bij Damascenus, de fide orthod. I. c. 1 sq. -draagt deze onderscheiding al het karakter van een dogma. Ook de latere -indeeling van de theologia naturalis in insita en acquisita is reeds -bij de oudste kerkelijke schrijvers te vinden. Tertullianus beroept zich -op het inwendig getuigenis der ziel en op de beschouwing van Gods -werken. Augustinus zegt uitdrukkelijk, dat God uit de zienlijke dingen -kan worden gekend, de Gen. ad. litt. 4,32 maar wijst vooral op het -zelfbewustzijn en de zelfkennis als den weg tot de eeuwige waarheid, de -vera relig. 72, de mag. 38, de trin. 4,1. Damascenus, de fide orth. I -c. 1 en 3, stelt de ingeschapene en de verkregene kennisse Gods reeds -duidelijk naast elkaar. Niet zoo spoedig waren de grenzen tusschen beide -soorten van openbaring afgebakend. Langen tijd beproefde men nog, om de -christelijke dogmata uit natuur en rede te bewijzen. Augustinus trachtte -de triniteit, de trin. lib. 9-15, Anselmus in zijn Cur deus homo de -menschwording en voldoening, Albertus Magnus, cf. Stöckl, Philos. -des M. A. II. 384 f., en Thomas, S. c. Gent. II. 15 sq. de schepping -aposteriori te bewijzen. Het verst ging hierin Raymund de Sabunde, die -in zijn Liber naturae sive creaturarum, later ten onrechte Theologia -naturalis genoemd (ed. van J. Sighart, Solisbaci, 1852 zonder den -proloog, die 1595 werd veroordeeld) heel de christelijke geloofsleer uit -de natuur des menschen trachtte op te bouwen, zonder hulp van Schrift -en traditie en met vermijding der scholastische methode. Maar deze -rationeele argumentatie was toch maar eene hulp, die achteraan kwam; -de dogmata stonden apriori vast op grond der openbaring; adjuvantur in -fide invisibilium per ea, quae facta sunt, Lombardus, Sent. I dist. 3, -6. cf. 2, 1. Overigens werd de kennis, welke uit de natuur verkregen -kon worden, tot eenige articuli mixti beperkt, die zich concentreerden -om de drie begrippen God, deugd en onsterfelijkheid, Thomas, S. c. -Gent. Lib. 1-3. De onderscheiding tusschen de theol. naturalis en -supernaturalis werd echter in de scholastiek hoe langer hoe strakker -gespannen en ging in eene volstrekte tegenstelling over. Door de -natuurlijke openbaring was er van God en goddelijke zaken eenige streng -wetenschappelijke kennis te verkrijgen, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 -art. 5, cf. Bellarminus, Controv. IV p. 277 sq. Thomas is hiervan zoo -vast overtuigd, dat hij de vraag opwerpt, of in dat geval het aannemen -van deze uit de natuur bekende waarheden dan niet al zijn verdienste -verliest. Gelooven is toch alleen verdienstelijk, als het geen weten is -maar een voor waar aannemen op gezag, eene daad des verstands ex motu -voluntatis motae per gratiam, ib. II 2 qu. 2 art. 9. Het antwoord op -die vraag luidt, dat het weten inderdaad de ratio fidei vermindert; -maar dat toch altijd in den geloovige de ratio caritatis blijft, d. -i. de gezindheid, om het gewetene ook steeds weer op Gods gezag als -waar aan te nemen, ib. II 2 qu. 2 art. 10; en deze gezindheid, om de -articuli mixti op gezag te gelooven, blijft om bijzondere omstandigheden -(zie straks onder N° 7), ook altijd noodig. Aan deze kennis uit de -natuur en rede is nu door de bovennatuurlijke openbaring de kennis der -mysteria toegevoegd, maar deze rust uitsluitend op gezag en is en -blijft van het begin tot het einde eene zaak des geloofs. De mysteriën -des Christendoms behooren tot eene orde, die niet om eene toevallige -reden, door de zonde, maar die uitteraard voor ieder mensch, ook voor -den zondeloozen mensch, ja zelfs voor de engelen in eigenlijken zin -bovennatuurlijk is en daarom nooit anders dan door openbaring gekend -worden kan. Bij de bijzondere openbaring komt deze eigenaardige Roomsche -leer nader ter sprake. Maar hier zij reeds opgemerkt, dat weten en -gelooven, ratio en auctoritas, natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring -bij Rome dualistisch naast elkander staan. Rome erkent dus eenerzijds het -recht van het rationalisme op het terrein van de natuurlijke openbaring -en veroordeelt het excessieve supranaturalisme, dat ook in de articuli -mixti geen kennis mogelijk acht dan door openbaring. En andererzijds -huldigt het het supranaturalisme op het terrein van de mysteriën zoo -streng mogelijk en veroordeelt het alle rationalisme, dat apriori of -aposteriori in de dogmata aan het gezag en aan het geloof zoekt te -ontkomen en ze in weten tracht te doen overgaan. Het verwerpt beide -Tertullianus en Origenes en veroordeelt zoowel het traditionalisme van -de Bonald als het rationalisme van Hermes (boven bl. 94 v). De Roomsche -kerk belijdt, volgens het Vaticanum, sess. III Const. Dogm. de fide -cath. cap. 2, Deum.... naturali humanae rationis lumine e rebus creatis -certo cognosci posse, maar dat het Gode behaagd heeft, alia, eaque -supernaturali via, se ipsum ac aeterna voluntatis decreta humano generi -revelare. - -4. De Reformatie heeft deze onderscheiding van revelatio naturalis en -supernaturalis overgenomen en er toch in beginsel eene geheel andere -beteekenis aan gegeven. Wel namen de Hervormers eene openbaring Gods -in de natuur aan. Maar de mensch was door de zonde zoo verduisterd -in zijn verstand, dat hij ook deze openbaring niet recht kon kennen en -verstaan. Er was dus tweeërlei noodig, n.l. dat God die waarheden, -welke op zich zelve uit de natuur kenbaar zijn, ook weer in de bijzondere -openbaring opnam; en dat de mensch, om God wederom op te merken in de -natuur, eerst door Gods Geest moest worden verlicht. Om de algemeene -openbaring Gods in de natuur te verstaan, was objectief de bijzondere -openbaring in de H. Schrift van noode, welke daarom door Calvijn met -eene bril werd vergeleken, en subjectief had de mensch behoefte aan -het oog des geloofs, om God te aanschouwen ook in de werken zijner -handen. Even belangrijk was de wijziging, door de Reformatie in de -opvatting der bovennatuurlijke openbaring aangebracht. Deze was niet in -de eerste plaats daarom bovennatuurlijk, wijl zij an sich tot eene andere -orde behoorde en het verstand ook van den zondeloozen mensch en van -de engelen te boven ging; maar bovennatuurlijk was ze vooral daarom, -wijl zij de gedachten en wenschen van den zondigen, gevallen mensch -verre overtrof, gelijk later zal worden aangetoond. Bij de Hervormers -verloor de theologia naturalis dus hare rationeele zelfstandigheid. -Ze werd niet afzonderlijk behandeld maar opgenomen in de christelijke -geloofsleer, Zwingli, Comm. de vera et falsa relig. Op. ed. Schuler -et Schulthess III 156 sq. Calvijn, Inst. I c. 1-5. Polanus, Synt. -Theol. I cap. 10. Martyr, Loci Comm. loc. 2 etc. Maar verschillende -oorzaken waren er, die dit reformatorisch beginsel tegenhielden in zijne -ontwikkeling en volledige toepassing. Er was excessus, overspanning, -aan de ééne zijde. Het Anabaptisme verwierp geheel de ordo naturalis -en trachtte op revolutionaire wijze een koninkrijk der hemelen op aarde -te stichten. De Socinianen verwierpen de theologia naturalis geheel -en al, en leidden alle Godskennis uit openbaring af, Catech. Racov. -qu. 46-49. Fock, Der Socin. 307 f. Luther kwam door zijne bestrijding -van de scholastieke leer, naturalia mansisse integra, zoover, dat -hij aan Aristoteles, aan de rede, aan de philosophie in theologicis -alle recht van spreken verbood en de Vernunft in religieuse dingen -stock-, starr-und gar blind noemde, Köstlin, Luthers Theologie II 287 -f. Luthardt, Ethik Luthers, 14 f. Strauss, Glaubenslehre I 311 f. De -strenge Lutheranen volgden den Meester; en de Formula Concordiae, -ofschoon erkennend dat humana ratio seu intellectus naturalis hominis -obscuram aliquam notitiae illius scintillulam reliquam habet, quod sit -Deus, et particulam aliquam legis tenet, II Pars. Sol. Decl. II. de -lib. arb., J. T. Müller, Die symb. Bücher der ev. luth. K. 5e Aufl. -1882 S. 589, legt toch zoo eenzijdig op de duisternis en de onmacht -van den natuurlijken mensch in zaken van religie den nadruk, dat de -samenhang en het verband van de bijzondere met de algemeene openbaring -geheel wordt verbroken; de mensch is in rebus spiritualibus et ad -conversionem aut regenerationem niets meer dan een lapis, truncus aut -limus, ib. bij Müller S. 594. - -De reactie daartegen kon niet uitblijven. Bij het Anabaptisme en het -Socinianisme sloeg het excessieve supranaturalisme in rationalisme -om. Luther was gedwongen, wijl hij aan de rede toch niet alle inzicht -en oordeel ontzeggen kon, om eene scherpe scheiding te maken tusschen -het geestelijke en het wereldlijke, het hemelsche en het aardsche, het -eeuwige en het tijdelijke, Köstlin, Luthers Theol. II 244 f. En op -zijn voetspoor maakten de Luth. theologen onderscheid tusschen duo -hemisphaeria, quorum unum inferius, alterum superius; in aardsche -dingen is de rede nog vrij en tot veel goeds in staat, hier is zij tot op -zekere hoogte zelfstandig en van het geloof onafhankelijk, Schmid, Dogm. -der ev. luth. K. 192 f. Ook Calvijn, ofschoon door zijne leer van de -gratia communis in veel gunstiger conditie dan Luther, kwam toch niet -altijd de oude dualistische tegenstelling van de revelatio naturalis en -supernaturalis te boven, Inst. II, 2, 12, 13. De rede kreeg daardoor -weer eenige zeggenschap naast het geloof. Het scheen, dat zij niet -altijd door het geloof moest worden geleid, maar op een, zij het ook nog -zoo klein en onverschillig gebied, vrij en onafhankelijk was. Met dit -haar toegestaan, althans niet ernstig betwiste recht heeft ze winste -gedaan; gaandeweg heeft zij haar macht uitgebreid. Eerst in burgerlijke -zaken, dan in de wetenschap, straks in de philosophie, en eindelijk -ook in de theologie verheft zij zich naast en tegenover het geloof. -Alsted gaf eene Theol. naturalis 1615 afzonderlijk uit, en telde als -haar inhoud een zevental dogmata op: deus est, super omnia diligendus, -honeste vivendum est, quod tibi non vis fieri alteri ne feceris, suum -cuique tribuendum est, nemo laedendus est, plus est in bono communi -positum quam in particulari, cf. Praecognita 1623 p. 37-114. Vele -Geref. theologen volgden dit voorbeeld, vooral toen de philosophie van -Cartesius aan invloed won, Doedes, Inl. tot de leer van God, 2e dr. -1880 bl. 200 v. Door het Engelsche deisme en het Duitsche rationalisme -nam de theologia naturalis of rationalis zoo in macht en aanzien toe, -dat zij de theologia revelata als geheel onnoodig verwierp. Herbert -van Cherbury 1581-1648, gaf aan de religio naturalis vijf artikelen -tot inhoud: esse deum summum, coli debere, virtutem pietatemque esse -praecipuas partes cultus divini, dolendum esse ob peccata ab iisque -resipiscendum, dari ex bonitate justitiaque divina praemium vel poenam -tum in hac vita tum post hanc vitam, Lechler, Gesch. des engl. Deismus -42. Maar nadat zij de theologia revelata gebannen had, is zij op haar -beurt ook zelve geoordeeld. Kant betoogde in zijne kritiek der zuivere -rede, dat deze tot de zinnelijk-waarneembare verschijnselen beperkt is en -noch tot het bovenzinnelijke noch tot het bovennatuurlijke doordringen -kan. De geschiedenis der godsdiensten toonde aan, dat geen enkele -godsdienst aan de revelatio naturalis genoeg had, dat er nergens eene -religio naturalis bestond en dat alle godsdiensten positief waren. -En de kritiek der Schrift ondermijnde de revelatio supernaturalis en -wischte de grenzen tusschen haar en de revelatio naturalis uit. De -overtuiging werd daardoor algemeen, dat er, om eenige kennis van God -te bekomen, een andere weg dan die der rede en der wetenschappelijke -bewijsvoering moest worden ingeslagen, n.l. die des geloofs of der -zedelijke ervaring of der phantasie. De theologia en religio naturalis, -en daarmede ook de revelatio naturalis verloor hare waarde. De bewijzen -voor Gods bestaan, de ziel, de onsterfelijkheid werden prijsgegeven en -gebannen uit de dogmatiek. Pierson, Eene levensbeschouwing 83, zeide -zelfs, dat onderwijs in de theol. naturalis aan de rijkshoogescholen eene -wanbesteding was van ’s lands penningen. Desniettemin is ze in de wet -op het hooger onderwijs toch weer onder den naam van geschiedenis der -leer aangaande God en van wijsbegeerte van den godsdienst opgenomen. -Prof. Doedes verwierp ze in zijne Encyclopaedie bl. 190 v., maar -behandelde ze toch feitelijk weer in zijne Inleiding tot de leer van -God, 2e dr. 1880 en De Leer van God 1871. Alles wijst er op, gelijk -in den locus de Deo zal worden aangetoond, dat de bewijzen voor Gods -bestaan weer in waarde rijzen. De goede gedachte, die er ligt in de oude -theologia naturalis, wordt langzamerhand weer beter erkend. - -5. De Schrift kent wel het begrip van eene vaste natuurorde, maar -maakt toch bij de openbaring tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke -geen onderscheid. Zij bezigt voor beide dezelfde woorden, b.v. גלה, -φανερουν en ἀποκαλυπτειν ook voor de revelatio naturalis Job 12:22, -33:16, 36:10; Rom. 1:18, 19. Nösgen, Beweis des Glaubens, Nov. 1890 -S. 416-417 maakt daarom ten onrechte bezwaar, om aan de openbaring -Gods in de natuur reeds den naam van openbaring te geven. Eigenlijk is -op het standpunt der Schrift alle openbaring, ook die in de natuur, -bovennatuurlijk. Het woord zelf sluit ook niets in aangaande de wijze, -waarop iets openbaar wordt, maar zegt alleen, dat iets, hetwelk -verborgen was, aan het licht treedt. Op religieus terrein duidt het -aan, dat God een eigen, zelfstandig, van de natuur onderscheiden leven -bezit en nu uit zijne verborgenheid op eene of andere wijze voor het -oog van redelijke schepselen te voorschijn treden kan. Van openbaring -kan dus in eigenlijken zin alleen spreken, wie het supranatureele, een -ordo supra hanc naturam erkent; en elk, die het woord in dezen zin -bezigt, is in beginsel supranaturalist, ook al neemt hij slechts eene -openbaring aan op natuurlijke wijze. De onderscheiding van revelatio -naturalis en supernaturalis is niet ontleend aan de aktie Gods, die -in de eene en in de andere openbaring zich uit, maar aan de wijze, -waarop die openbaring geschiedt, n.l. per of praeter hanc naturam. In -oorsprong is alle openbaring supranatureel. God werkt altijd Joh. 5:17. -Dat werken Gods is naar buiten begonnen met de schepping. De creatie -is de eerste revelatie Gods, aanvang en grondslag van alle volgende -openbaring. Het bijbelsch begrip der openbaring wortelt in dat der -schepping, Oehler, Theol. des A. T. 1882 S. 21. Door de schepping is -God het eerst voor schepselen naar buiten getreden en heeft Hij zich -aan schepselen geopenbaard. Als God de wereld schept door zijn Woord -en levend maakt door zijn Geest, dan liggen daarin reeds de grondlijnen -van alle volgende openbaringen geteekend. Maar aan de schepping sluit -terstond de voorzienigheid zich aan. Ook deze is eene almachtige en -alomtegenwoordige kracht en daad Gods. Al wat is en geschiedt, is een -werk Gods in eigenlijken zin, en voor den vrome eene openbaring van zijne -deugden en volmaaktheden. Zoo beziet de Schrift natuur en geschiedenis. -Schepping, onderhouding en regeering zijne ééne machtige, voortgaande -openbaring Gods. Geen natuurpoëzie heeft die van Israel overtroffen of -geëvenaard, Pierson, Geestel. Voorouders I Israel bl. 389 v. Alles in -de natuur spreekt den vrome van God. De hemelen vertellen Gods eer, -het uitspansel zijner handen werk. Gods stem is op de groote wateren. -Die stem verbreekt de cederen, dreunt in den donder, loeit in den -stormwind. Het licht is zijn kleed, de hemel zijn gordijn, de wolken zijn -wagen. Zijn adem schept en vernieuwt het aardrijk. Hij regent en geeft -zonneschijn over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Loof en gras, -regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren en alle dingen -komen den geloovige niet bij geval toe maar van Gods vaderlijke hand. De -natuur- en geschiedbeschouwing der Schrift is religieus en daarom ook -supranatureel. - -Voor de Schrift hangen zelfs religie en bovennatuurlijke openbaring ten -nauwste saam. Zij verhaalt van zulk eene openbaring niet eerst na, maar -ook reeds vóór den val. De verhouding van God en mensch in den status -integritatis wordt als een persoonlijke omgang geteekend. God spreekt -tot den mensch Gen. 1:28-30, geeft hem een gebod dat hij van nature -niet weten kon Gen 2:16 en voegt als met eigen hand de vrouw ter hulpe -hem toe, Gen. 2 vs. 22. Ook het foedus operum is niet in dien zin een -foedus naturae, dat het vanzelf uit ’s menschen natuurlijken aanleg -opkomt, maar is eene vrucht van bovennatuurlijke openbaring. En wijl het -foedus operum nu niets anders is dan de vorm der religie bij den naar -Gods beeld geschapen mensch die het hoogste nog niet had verkregen, -zoo kan gezegd worden, dat de Schrift de zuivere religie zich niet -denken kan zonder revelatio supernaturalis. Het bovennatuurlijke strijdt -niet met ’s menschen natuur, noch met de natuur der schepselen; het -behoort, om zoo te spreken, tot het wezen van den mensch. De mensch -is beeld Gods en Gode verwant, en door de religie staat hij tot God in -eene rechtstreeksche verhouding. De aard dezer verhouding sluit in, -dat God zich aan den naar zijn beeld geschapen mensch beide objectief -en subjectief openbare. Er is geen religie zonder traditie, dogma, -cultus; en deze alle zijn met het begrip van openbaring saamgeweven. -Alle religies zijn dan ook positief en berusten niet alleen op -natuurlijke maar altijd ook op werkelijke of vermeende bovennatuurlijke -openbaring. En alle menschen erkennen van nature het supranatureele. -Het naturalisme is evenals het atheïsme eene vondst der wijsbegeerte, -maar het heeft geen steun in de menschelijke natuur. Zoolang de religie -zal behooren tot het wezen van den mensch, zal de mensch ook zijn en -blijven supranaturalist. Elk geloovige, van welke richting ook, hij moge -naturalist zijn met zijn hoofd, hij is toch supranaturalist met zijn hart. -Wie uit de religie, dus uit het gebed, uit de gemeenschapsoefening -met God het supranatureele bannen wil, doodt de religie zelve. Want -religie onderstelt werkelijke verwantschap en gemeenschap met God en -is met hart en ziel supranaturalistisch. Zij is onafscheidelijk van -het geloof, dat God supra naturam staat en dat Hij met haar doen kan -naar zijn welbehagen, dat Hij de natuurorde dienstbaar maakt aan de -zedelijke orde, de rijken der wereld aan het koninkrijk der hemelen, -de physis aan den ethos. Er is daarom terecht gezegd, dat de bede -om een rein hart even supranaturalistisch is als die om een gezond -lichaam (Pierson). De theïst, die waarlijk theïst wil zijn en toch de -bovennatuurlijke openbaring bestrijdt, is met deze ontkenning er nog -volstrekt niet af. Hij moet of terug naar het deïsme of pantheïsme, of -hij moet vooruit en ook de mogelijkheid der bovennatuurlijke openbaring -aannemen. Er is geen religio naturalis. De rationalistische trilogie -is onhoudbaar. De eenig ware tegenstelling van de erkenning van het -supranatureele is dan ook niet het rationalistisch deïsme, maar het -naturalisme, d. i. het geloof, dat er geen andere hoogere kracht -bestaat dan die in de tegenwoordige natuurorde aanwezig is en zich -openbaart. Maar dan valt ook alle recht, om aan den triumf van het -goede, aan de eindelijke zegepraal van het rijk Gods, aan de macht van de -zedelijke wereldorde te gelooven. Want het goede, het ware, de zedelijke -wereldorde, het rijk Gods zijn zaken, die in zichzelf geen macht hebben, -om zich te realiseeren. De hoop, dat de menschen ze tot heerschappij -zullen brengen en voor de macht der waarheid zwichten zullen, wordt -iederen dag door de ervaring teleurgesteld. Dan alleen is hun triumf -verzekerd, als God een persoonlijk, almachtig wezen is en heel de -schepping, trots allen tegenstand, heenleiden kan tot het door Hem -beoogde doel. De religie, de moraal, de erkenning van eene bestemming -voor menschheid en wereld, het geloof aan de zegepraal van het goede, -de theïstische wereldbeschouwing, het geloof aan een persoonlijk God -zijn alle onlosmakelijk met het supranaturalisme verbonden. De idee van -God en van de religie involveert die van de openbaring. Pierson, Gods -wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. 36 v. James Orr, The -christian view of God and the world, Edinb. 1893 p. 60 etc. 91 etc. Cf. -Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 530 v. - -6. Bovennatuurlijke openbaring mag echter niet met onmiddellijke -openbaring vereenzelvigd worden. De onderscheiding van middellijke -en onmiddellijke openbaring is telkens in verschillenden zin -genomen. Onmiddellijk werd vroeger elke openbaring genoemd, die -zonder tusschenpersoon tot den ontvanger zelven kwam; en middellijk -die, welke door engelen of menschen aan anderen werd overgebracht, -Witsius, Misc. Sacra I. 16. Inzoover nu de openbaring tot profeten -en apostelen meest persoonlijk kwam, daarentegen tot ons slechts komt -door hunne geschriften heen, kon de eerste als revelatio immediata -tegen de laatste, als revelatio mediata, worden overgesteld. Bij de -rationalistische en moderne theologen hebben deze benamingen dikwerf -een geheel anderen zin ontvangen, en daardoor de verwarring in de -opvatting der openbaring doen toenemen, Rothe, zur Dogm. 55 f. 64 -f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 163 f. In strikten zin is er geen -onmiddellijke openbaring, noch in de natuur noch in de genade. Altijd -bedient God zich van een middel, hetzij uit de schepselen genomen hetzij -vrij gekozen, waardoor Hij zich aan menschen openbaart. Door teekens -en symbolen doet Hij hen zijne tegenwoordigheid gevoelen; door daden -verkondigt Hij hun zijne deugden; door spraak en taal maakt Hij hun zijn -wil en gedachte bekend. Zelfs waar Hij door zijn Geest inwendig zich -openbaart in het bewustzijn, geschiedt deze openbaring toch altijd -organisch en dus langs middellijken weg. De afstand tusschen Schepper -en schepsel is veel te groot, dan dat de mensch God rechtstreeks -gewaarworden kan. Finitum non est capax infiniti. Of er in den -status gloriae eene visio Dei per essentiam zal zijn, kan eerst -later worden onderzocht. Maar in deze bedeeling is alle openbaring -middellijk. Gelijk God is en spreekt in zichzelven, kan Hij door geen -schepsel worden aanschouwd of verstaan. Openbaring is daarom altijd -eene daad van genade; in haar daalt God tot zijn schepsel af, dat -naar zijn beeld is gemaakt. Alle openbaring is anthropomorphisme, is -eene zekere menschwording Gods. Zij geschiedt altijd in zekere vormen, -in bepaalde modi. In de revelatio naturalis zijn zijne goddelijke en -eeuwige gedachten op creatuurlijke wijze in de schepselen neergelegd, -zoodat ze door den mensch denkende kunnen verstaan worden. En bij de -revelatio supernaturalis bindt Hij zich aan ruimte en tijd, neemt Hij -aan menschelijke taal en spraak, en bedient zich van creatuurlijke -middelen, Gen. 1:28, 2:16 v., 21 v., 3:8 v. En door deze media heen -vernam en verstond de mensch God even goed en even duidelijk, als nu de -vrome de sprake Gods verneemt in heel de natuur. Zoo weinig onmogelijk -en bedriegelijk de openbaring Gods in natuur en geschiedenis is voor -den geloovige, is het ook de bovennatuurlijke openbaring, waarbij God -van ongewone middelen zich bedient, maar waarvoor Hij ook op bijzondere -wijze de oogen opent. Natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring gaan dus -naar de leer der Schrift in den status integritatis saam. Zij zijn geen -tegenstelling maar vullen elkander aan. Zij zijn beide middellijk en aan -bepaalde vormen en middelen gebonden. Zij berusten beide op de gedachte, -dat God in genade zich nederbuigt tot den mensch en hem gelijkvormig -wordt. En zij hebben beide deze modi, dat God zijne tegenwoordigheid -gevoelen, zijne stemme hooren, zijne werken aanschouwen doet. Door -verschijning, woord en daad maakte God van den aanvang af aan menschen -zich openbaar. - -Opmerkelijk is het nu, dat de zonde, die door den eersten mensch -intreedt in de wereld, in het feit zelf der openbaring geen verandering -brengt. God blijft zich openbaren; Hij trekt zich niet terug. Allereerst -wordt ons door heel de Schrift heen eene revelatio naturalis geleerd. -Gods openbaring is begonnen in de schepping en zet in de onderhouding -en regeering aller dingen zich voort. Hij openbaart zich in de natuur -rondom ons henen; spreidt daarin zijne eeuwige kracht en goddelijkheid -ten toon, en bewijst in zegeningen en oordeel en beurtelings zijne -goedheid en zijn toorn, Job 36, 37. Ps. 29, 33:5, 65, 67:7, 90, 104, -107, 145, 147. Jes. 59:17-19. Mt. 5:45. Rom: 1:18. Hd. 14:16. Hij -openbaart zich in de geschiedenis van volken en personen Deut. 32:8. -Ps. 33:10, 67:5, 115:16. Spr. 8:15, 16. Hd. 17:26. Rom. 13:1. Hij -openbaart zich ook in het hart en geweten van een iegelijk mensch Job -32:8, 33:4. Spr. 20:27. Joh. 1:3-5, 9, 10. Rom. 2:14, 15, 8:16. Deze -openbaring Gods is algemeen, op zichzelve waarneembaar en verstaanbaar -voor iederen mensch. Natuur en geschiedenis zijn het boek van Gods -almacht en wijsheid, van zijne goedheid en rechtvaardigheid. Alle -volken hebben deze openbaring tot op zekere hoogte erkend. Zelfs de -afgoderij onderstelt, dat in de schepselen Gods δυναμις en θειοτης zich -openbaart. Wijsgeeren, natuuronderzoekers en geschiedvorschers hebben -menigmaal op treffende wijze van deze openbaring Gods gesproken, b.v. -Xenophon, Memor. I 4, 5. Cicero, de nat. deor. II 2, de divinat. II -72. Zöckler, Gottes Zeugen im Reich der Natur, 2 Th. Gütersloh 1881. -Door de christelijke theologie is deze algemeene openbaring ten allen -tijde eenparig aangenomen en verdedigd, Iren. adv. haer. II 6. Tertull. -de testim. animae, adv. Marc. I 10. August, de civ. Dei 8:9 sq. 19:1, -de trin. 4:20 enz. Joh. Damasc. de fide orthod. I c. 1 en 3. Thomas, -S. c. Gent. lib. 1-3. S. Theol. I qu. 2 enz., cf. verder H. Denzinger, -Vier Bücher von der relig. Erk. II S. 27-45. Inzonderheid door de -Geref. theologen werd deze algemeene openbaring gehandhaafd en hoog -gewaardeerd, Calv. Inst. I c. 4 en cf. voorts Schweizer, Gl. der ev. K. -I 241 f. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 1 f. Scholten, Leer der Herv. -Kerk I{4} 304-326. Doedes, Inleiding tot de leer van God 2e dr. bl. -107-252. - -Maar volgens de Schrift is deze algemeene openbaring niet in -strikten zin natuurlijk alleen, maar bevat zij ook bovennatuurlijke -elementen. De openbaring, die terstond na den val geschiedt, draagt -een supranatureel karakter Gen. 3:8 v. en wordt door traditie het -eigendom der menschheid. De oorspronkelijke kennis en dienst Gods blijft -nog langen tijd in min of meer zuiveren toestand bewaard. Aan Kain -wordt genade geschonken voor recht: zelfs wordt hij de vader van een -geslacht, dat met de cultuur een aanvang maakt, Gen. 4. Het verbond, -dat na den zondvloed met Noach en in hem met heel de nieuwe menschheid -opgericht wordt, is een verbond der natuur en toch niet natuurlijk meer, -maar vrucht van ongehoudene bovennatuurlijke genade, Gen. 8:21, 22. -9:1-17. Meermalen gewaagt de Schrift van wonderen, die God gewrocht -heeft voor de oogen der Heidenen, in Egypte, Kanaan, Babel enz., en -van bovennatuurlijke openbaringen, die aan niet-Israelieten ten beurt -gevallen zijn, Gen. 20, 30, 40, 41. Richt. 7. Dan. 2:4 enz. Eene -werking van bovennatuurlijke krachten in de heidenwereld is apriori -noch onmogelijk noch zelfs onwaarschijnlijk. Er kan waarheid liggen in -het beroep op openbaringen, dat aan alle godsdiensten gemeenschappelijk -is. En omgekeerd is niet alles wat tot het terrein der bijzondere -genade behoort, in strikten zin bovennatuurlijk. Er verloopen gansche -perioden in de geschiedenis van Israel, vele dagen en jaren in het -leven van Jezus, en evenzoo in het leven der apostelen, waarin geene -bovennatuurlijke openbaring plaats heeft en die toch een gewichtig deel -vormen in de historia revelationis. Als Jezus den armen het evangelie -verkondigt, is dit van geen minder gewicht, dan wanneer Hij kranken -geneest en dooden opwekt. Zijn sterven, dat natuurlijk schijnt, is van -geen mindere beteekenis dan zijne bovennatuurlijke geboorte. Daarom is -de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring niet -identisch met die van algemeene en bijzondere. Ter aanduiding van de -tweeërlei openbaring, die aan de heidensche religies en aan de religie -der Schrift ten grondslag ligt, is de laatste onderscheiding te -verkiezen boven de eerste. - - -C. Ongenoegzaamheid der algemeene openbaring. - -7. Deze revelatio generalis is echter om verschillende redenen -onvoldoende. Ook hierin zijn alle christelijke theologen eenstemmig. -Irenaeus adv. haeres. 2, 28 betoogt tegenover de gnostieken de -beperktheid der menschelijke kennis. Justinus Martyr, Dial. c. Tryph., -inleiding, Tertullianus, de an. c. 1. Lactantius, Instit. div. 3, 1. -4, 1. Arnobius, adv. nat. I, 38. II, 6. schilderen de zwakheid der -rede in zeer sterke kleuren. Augustinus ontkent niet, dat er ook bij de -Heidenen eenige waarheid is, waarmede de Christenen hun winst kunnen -doen, de doctr. chr. 2, 60. Maar de philosophie is niet de ware weg -tot de zaligheid. Ze kan slechts weinigen en slechts weinig leeren, -de trin. 13, 12. de civ. 12, 20. de util. cred. 10, 24. Ze kent wel -het doel, maar niet den weg, die tot het doel leidt, Conf. 5, 5. 7, -26. de civ. 10, 29. Dikwerf leidt ze op een dwaalweg en houdt de -waarheid in ongerechtigheid onder, de trin. 13, 24, zoekt ze niet op -vrome wijze, Conf. 5, 4, mist de liefde die tot kennis der waarheid -noodig is, de civ. 9, 20, wordt door haar eigen superbia verhinderd -in de kennis der waarheid, want alleen humilitas is de weg ten leven, -de civ. 2, 7. Daarom is er nog een andere weg tot de waarheid noodig, -nl. de auctoritas, de vera relig. c. 24. de mor. eccl. 1, 2. Thomas S. -Theol. I qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I, 4. betoogt de noodzakelijkheid -der openbaring zelfs voor de door de rede gekende articuli mixti. -De Roomsche kerk heeft de insufficientia der theol. nat. duidelijk -uitgesproken in de voorrede van den Catech. Romanus, en in ’t -Vaticanum sess. 3 cap. 2 de revelatione, en can. 2, 2-4. En de Protest. -theologen oordeelden over deze insufficientia der algemeene openbaring -niet anders, Calv. Inst. I. 5 § 11 sq. en cap. 6. Heidegger, Corpus -Theol. I § 9-13. Trigland, Antapologia cap. 17. Owen, Θεολογουμενα I -cap. 6. Turret. Theol. Elenct. I qu. 4. Moor, Comm. in Marckii Comp. -I 61 39. De genoegzaamheid der algemeene openbaring en der daarop -gebouwde religio naturalis werd in vroeger tijd alleen geleerd door de -Pelagianen, die drieërlei weg tot de zaligheid aannamen, n.l. de lex -naturae, lex Mosis en lex Christi. Ook waren er in de christelijke kerk -altijd enkele theologen, die gunstiger over de Heidenen oordeelden en -ook aan de mogelijkheid hunner zaligheid geloofden, zooals Justinus, -Clemens Alex. Erasmus, Zwingli enz. cf. Vossius, Historia Pelag. -1655 p. 383 sq. Maar bij dezen rustte dit geloof meestentijds niet op -de leer van de genoegzaamheid der algemeene openbaring, maar op de -onderstelling, dat God ook met zijne bijzondere genade onder de Heidenen -hetzij dan in of na dit leven werkte. Daarentegen werd de volkomen -genoegzaamheid der algemeene openbaring en van de natuurlijke religie in -de 18e eeuw geleerd door de deïsten en rationalisten, zooals Cherbury, -Tindal, Collins, Rousseau, Kant enz. Litt. bij Lechler, Gesch. des engl. -Deïsmus 1841 en art. Deïsmus in Herzog². Bretschneider, System. Entw. -aller in der Dogm. vork. Begriffe 1841 S. 35 f. Clarisse, Encycl. 1835 -p. 405 sq. Doedes, Inleiding tot de Leer van God 1880 bl. 197 v. - -Over de insufficientia der algemeene openbaring kan er haast geen -twijfel bestaan. Ten eerste blijkt ze daaruit, dat deze openbaring ons -hoogstens eenige kennis verschaft van Gods bestaan en van sommige -zijner eigenschappen, zooals goedheid en gerechtigheid; maar ze laat -ons volstrekt onbekend met den persoon van Christus, die alleen -is de weg tot den Vader, Mt. 11:27. Joh. 14:6, 17:3. Hd. 4:12. De -algemeene openbaring is daarom onvoldoende voor den mensch als zondaar; -zij weet van geen genade en vergeving; menigmaal is zij zelfs eene -openbaring van toorn, Rom. 1:20. Genade en vergeving, die het wezen -der religie moeten zijn, is een daad van welbehagen, niet van natuur -en noodzakelijkheid. De algemeene openbaring kan hoogstens eenige -waarheden doen kennen, maar brengt geen feiten, geen geschiedenis, en -verandert dus niets in het zijn. Zij verlicht het bewustzijn eenigszins -en beteugelt de zonde, maar zij herschept de natuur van mensch en -wereld niet. Zij kan vrees inboezemen, maar geen vertrouwen en liefde, -Shedd, Dogm. Theol. I 66, 218. In de tweede plaats is de kennis, -welke de algemeene openbaring verschaffen kan, niet alleen gering en -onvoldoende, maar ze is ook onzeker, steeds met dwaling vermengd, en -voor verreweg de meeste menschen onbereikbaar. De geschiedenis der -philosophie is eene geschiedenis van elkander afbrekende systemen -geweest; en is bij de Grieken in het skepticisme, in de Middeleeuwen -in het nominalisme, en thans in het agnosticisme geëindigd. De voor -de religie noodzakelijkste waarheden, bestaan en wezen Gods, oorsprong -en bestemming van mensch en wereld, zonde en vergeving, loon en straf -zijn beurtelings geleerd en bestreden. Er is in de philosophie over al -deze vragen geen genoegzame zekerheid te verkrijgen. Cicero, Tusc. 1,5 -vraagt daarom terecht: ex philosophis nonne optimus et gravissimus -quisque confitetur multa se ignorare, multa sibi etiam atque etiam -esse discenda? Maar ook al kwamen sommige denkers tot eenige ware -en zuivere kennis, zij was nog altijd met allerlei dwaling vermengd. -Elk wijsgeerig systeem heeft zijne leemten en gebreken. Plato, wiens -systeem volgens Augustinus, de civ. 8,5 het naast aan het Christendom -verwant is, verdedigt het te vondeling leggen van zwakke kinderen, de -paederastie, gemeenschap van vrouwen enz. Zelfs in de moraal is er -groot verschil en onzekerheid; vérité en deça des Pyrenées, erreur -au delà (Pascal). Nescio quomodo nihil tam absurde dici potest, -quod non dicatur ab aliquo philosophorum, Cic. de divin. 2,58. En -al waren de wijsgeeren ook in het bezit geweest van de schoonste en -zuiverste leer, de autoriteit zou hun toch hebben ontbroken, om haar -onder het volk ingang te verschaffen. Dikwerf sluiten zij daarom -zelf in de practijk van het leven toch weer bij het volksgeloof en de -volkszeden zich aan; of zij trekken met een Odi profanum vulgus et -arceo van het volk in hoogheid zich terug. Hun onderlinge strijd en de -tegenstelling tusschen hun leer en leven verzwakte hun invloed. En al -ware ook dit alles nog niet het geval geweest, dan zou toch de leer -der wijsgeeren nooit de religie van het volk hebben kunnen worden of -blijven, omdat in zaken van religie een intellectueel clericalisme en -eene wetenschappelijke hierarchie onverdragelijk is. Daarom had Thomas -volkomen gelijk, als hij zeide, dat ook zelfs in die waarheden, welke -de algemeene openbaring ons kennen doet, nog openbaring en autoriteit -van noode is, omdat die kennis slechts voor weinigen geschikt is, te -langen tijd van onderzoek vereischen zou en ook dan nog onvolkomen en -onzeker bleef, S. Theol. I qu. 1 art. 1, II 2 qu. 2 art. 4. S. contra -Gent. I, 4. In de derde plaats wordt het onvoldoende der natuurlijke -openbaring duidelijk aangetoond door het feit, dat geen enkel volk met -de zoogenaamde religio naturalis is tevreden geweest. De algemeene -religie der deïsten, de moralische Vernunftreligion van Kant, de pietas -en obedientia van Spinoza, zijn alle niets dan pure abstracties, die in -de werkelijkheid nooit hebben bestaan. Zelfs al waren de vijf artikelen -van Herbert of de rationalistische trilogie van Kant volkomen zeker en -streng wetenschappelijk bewijsbaar geweest, dan nog zouden ze tot het -stichten van eene religie, van een kerk onbekwaam zijn geweest. Want -religie is iets wezenlijk anders dan wetenschap, zij heeft een andere -bron en grondslag. De achttiende eeuw kon in zulke redewaarheden -en ijdele abstracties behagen vinden. De negentiende eeuw met haar -historischen zin heeft spoedig ingezien, dat zulk een religio naturalis -nergens bestond en ook nergens bestaan kan. Thans wordt algemeen -toegestemd, dat alle godsdiensten positief zijn en rusten op openbaring, -Schleiermacher, Glaub. § 10 Zusatz. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 4, -500. Id. Unterricht in der christl. Religion³ S. 20. Frank, System der -chr. Wahrheit. I² 512 f. Doedes, Encyclopaedie 190, 191. W. Bender, Zur -Geschichte der Emancipation der natürl. Theol., Jahrb. f. prot. Theol. -1883 S. 529{4}-592. R. Rütschi, Die Lehre von der natürlichen Religion -u. vom Naturrecht, Jahrb. f. prot. Theol. 1884 S. 1-48. Hoekstra, Wijsg. -Godsd. I 19 v. - - -D. Waarde der algemeene openbaring. - -8. Daarmede heeft echter de algemeene openbaring niet hare waarde en -beteekenis verloren. Ten eerste is ze van groote beteekenis voor de -heidenwereld. Zij is de vaste en blijvende grondslag der heidensche -godsdiensten. De H. Schrift velt over het Ethnicisme een gestreng -oordeel en verklaart zijn oorsprong uit afval van de zuivere kennisse -Gods. Wel bleef deze kennis, die ’s menschen oorspronkelijk eigendom -was, nog een tijd lang nawerken Gen. 4:3. 8:20, en openbaarde de -schepping Gods eeuwige kracht en goddelijkheid, Rom. 1:20. Maar de -menschen, verdwaasd in hunne gedachten en verduisterd in hun hart, -hebben God kennende Hem als God niet verheerlijkt of gedankt. Daarbij -is de verwarring der spraak en de verstrooiïng der volken Gen. 11 -zeker ook voor de ontwikkeling van het polytheïsme van grooten invloed -geweest, Orig. c. Cels V. Aug. de civ. Dei 16:6. Schelling, Einleitung -in die philos. der Mythologie I 94 f. Delitzsch, Comm. op Gen. 11. -Auberlen, De goddelijke openbaring I 187 v. Fabri, Die Entstehung des -Heidenthums und die Aufgabe der Heidenmission 1859. Herzog² 12:108. -Het Hebr. גּוֹי, de door afkomst en taal verbondene menigte, natie, -naast גַּם het door eenheid van bestuur verbondene volk wijst hier -ook op. Want גּוֹיִים, ἐθνη wordt doorgaans van de heidensche volken -gebruikt, en beteekent niet alleen volken maar ook heidenen; het -woord heeft eene nationale maar tegelijk ook eene ethisch-religieuse -beteekenis, evenals het lat. pagani en ons heidenen. De eenheid Gods -en dus ook de reinheid der religie ging bij de splitsing der menschheid -in volken te loor. Ieder volk kreeg zijn eigen, nationalen god. En -toen eenmaal het begrip van de eenheid en de absoluutheid Gods was te -loor gegaan, konden naast dien éénen nationalen god andere machten -langzamerhand als goden erkend en vereerd worden; de idee van het -goddelijke wordt onzuiver en daalt, de verschillende natuurmachten -treden op den voorgrond en stijgen in beteekenis; de grens tusschen het -goddelijke en het creatuurlijke wordt uitgewischt; en de religie kan -zelfs ontaarden in animisme en feticisme, in tooverij en magie. Het -karakter der heidensche godsdiensten bestaat dan ook volgens de Schrift -in afgoderij. De heidensche goden zijn afgoden, zij bestaan niet, zij zijn -leugen en ijdelheid Jes. 41:29, 42:17, 46:1 v. Jer. 2:28. Ps. 106:28. -Hd. 14:15, 19:26. Gal. 4:8. 1 Cor. 8:5. In die religies werkt zelfs -eene daemonische macht Deut. 32:17. Ps. 106:28. 1 Cor. 10:20 v. Apoc. -9:20. De toestand, waarin de heidenwereld buiten de openbaring aan -Israel, buiten Christus verkeert, wordt beschreven als duisternis Jes. -9:1, 60:2. Luk. 1:79. Joh. 1:5. Ef. 4:18, als onwetendheid Hd. 17:30. -1 Petr 1:14. Rom 1:18 v.; als ingebeelde ijdele wijsheid 1 Cor. 1:18 v., -2:6, 3:19 v.; als zonde en ongerechtigheid Rom 1:24 v., 3:9 v. - -De heidenwereld is in haar oorsprong, karakter en bestemming een -ontzachlijk probleem. Op zichzelve is de oplossing, welke de Schrift -ervan geeft, niet alleen niet ongerijmd, maar zij beveelt zich -zelfs door haar eenvoud en hare natuurlijkheid aan. Toch heeft de -philosophie, zoowel die van de historie als van de godsdiensten, zich -met die oplossing niet tevreden gesteld en eene andere beschouwing -voorgedragen, welke lijnrecht tegen die der Schrift overstaat. Wel -vindt de verheerlijking van den kinderlijken toestand der volken, gelijk -die in de vorige eeuw gebruikelijk was, thans geene instemming meer. -Maar de theorie der evolutie, die thans ter verklaring dienst doet, -is evenzeer met de Schrift in strijd. Gelijk de natuurwetenschap het -levende uit het levenlooze, het organische uit het anorganische, den -mensch uit het dier, het bewuste uit het onbewuste, het hoogere uit -het lagere tracht af te leiden, zoo zoekt de godsdienstwetenschap van -den nieuweren tijd den godsdienst uit een vroegeren godsdienstloozen -toestand en de zuivere religie uit de primitieve vormen van feticisme, -animisme enz. te verklaren. D. Hume is daarmede reeds begonnen -in zijne Natural history of religion. Bij Hegel paste zij geheel -in het kader zijner pantheïstische philosophie, Vorlesungen über -die Philosophie der Religion 1832. En sedert heeft ze hoe langer -hoe meer verbreiding en verdediging gevonden, Buckle, History of -civilization in England 1858. W. E. H. Lecky, History of the rise and -influence of the spirit of rationalism in Europe 1865. E. B. Tylor, -Researches into the early history of mankind and the development -of civilization 2d ed. 1870. Id. Primitive Culture 1872. Sir John -Lubbock, Prehistoric times as illustrated by ancient remains and -the manners and customs of modern savages 1865. Id. The origin of -civilization and the primitive condition of man 1870. H. Spencer, The -principles of sociology 1876-’82. F. von Hellwald, Kulturgeschichte -in ihrer natürlichen Entwicklung bis zur Gegenwart, 3e Aufl. 1883. -O. Caspari, Die Urgeschichte der Menschheit mit Rücksicht auf die -natürliche Entwicklung des frühesten Geisteslebens 1873. G. Roskoff, -Das Religionswesen der rohesten Natürvolker 1880. Ed. von Hartmann, -Religionsphilosophie, Leipzig. O. Pfleiderer, Religionsphilos. auf -geschichtl. Grundlage, 2e Aufl. 1883-84. H. Siebeck, Lehrb. der -Religionsphilosophie 1893. A. Reville, Prolégomènes de l’histoire -des religions, Paris 1881. C. P. Tiele, De plaats v. d. godsd. der -natuurvolken in de godsdienstgeschiedenis 1873. Id. Over de wetten -der ontwikkeling van den godsdienst, Theol. Tijdschr. 1874. Id. Gesch. -v. d. godsd. 1876 enz. Hoe algemeen deze leer der evolutie echter -ook aangenomen zij, in elk geval heeft zij nog geen hoogeren rang dan -dien van eene hypothese. Maar zij verklaart de verschijnselen niet. In -de natuurwetenschap stuit zij nog altijd af op de feiten van leven, -bewustzijn, spraak, taal, wil enz. En in de godsdienstwetenschap blijft -het ontstaan en het wezen, de waarheid en de waarde der religie protest -tegen haar indienen. Dat voorts de natuurvolken den oorspronkelijken -toestand der menschheid vertegenwoordigen, dat feticisme en animisme -de oudste godsdienstvormen zijn, en dat de eerste menschen gelijk waren -aan kinderen of wilden, zijn meeningen, die voldoenden grond missen -en daarom ook hoe langer hoe meer tegenspraak ontmoeten. Schelling -nam in zijne Philosophie der Mythologie und Offenbarung een relatief -monotheïsme als oorspronkelijk aan. Max Müller erkent een zoogenaamd -henotheïsme als primitieven godsdienst, Vorlesungen über Ursprung und -Entwicklung der Religion S. 292 f. Deutsche Rundschau Sept. 1878. Cf. -Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 95 v. 191 v. en Hoekstra, Wijsg. Godsd. -146 v. Ook de meening, dat de verschillende godsdiensten opeenvolgende -momenten zijn in één ontwikkelingsproces, is veel minder waarschijnlijk -dan die, welke ze houdt voor ontaardingen van eene soort, Kähler, -Wiss. der chr. Lehre I 185. De leer der Schrift over den oorsprong en -het wezen van het Ethnicisme wordt daarom meer of minder beslist nog -verdedigd door Lüken, Die Einheit des Menschengeschlechts und dessen -Ausbreitung über die ganze Erde 1845. Doedes, De toepassing van de -ontwikkelingstheorie niet aan te bevelen voor de gesch. der godsd. -1874. E. L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung 1878. Zöckler, Die -Lehre vom Urstand des Menschen, Gütersloh 1879. Id. Art. Polytheismus -in Herzog². Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible et -les traditions des peuples orientaux, 3 vol. 1880-84. Diestel, der -Monoth. des Heidenthums, Jahrb. f. deutsche Theol. 1860 S. 669-759. A. -Tholuck, Der sittliche Charakter des Heidenthums 3e Aufl., Werke VIII -1865 S. 1-91. J. N. Sepp, Das Heidenthum und dessen Bedeutung für das -Christenthum, 3 Theile Regensburg 1853. C. Pesch, Gott und Götter. -Eine Studie zur vergleichenden Religionswissenschaft. Freiburg 1890. -Formby-Krieg, Der Monotheïsmus der Offenbarung und das Heidenthum. -Mainz 1880. Ebrard, Apologetik, 2e Aufl. Gütersloh 1878-80. II 521 -f. Vigouroux, La Bible et les découvertes modernes en Palestine, en -Egypte et en Assyrie, 4 vol. James Orr, The Christian view of God and -the world, Edinburgh, Elliot 1893 p. 141, 193, 431, 466, 501. S. H. -Kellogg, The genesis and growth of religion, New-York and London 1892. -Cf. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. S. 7 f. 23 f. - -9. Maar, hoe streng de Schrift ook oordeele over het karakter van -het heidendom, juist de algemeene openbaring die zij leert stelt ons -in staat en geeft ons recht, om al de elementen van waarheid te -erkennen, die ook in de heidensche religies aanwezig zijn. De studie -der godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst der dogmatiek -en apologetiek. De godsdienststichters, zooals Mohammed, werden -eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers des duivels -gehouden. Cf. Dr. Snouck Hurgronje, De Islam. Gids 1886 II 239 v. -Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger bekend zijn geworden, is -deze verklaring onhoudbaar gebleken; zij was beide met de historie en -met de psychologie in strijd. Naar de H. Schrift is er ook onder de -heidenen eene openbaring Gods, eene verlichting van den Logos, eene -werking van Gods Geest, Gen. 6:17, 7:15. Ps. 33:6, 104:30, 139 vs. 2. -Job 32:8. Pred. 3:19. Spr. 8:22 v. Mal. 1:11, 14. Joh. 1:9. Rom.2:14. -Gal. 4:1-3. Hd. 14:16, 17; 17 vs. 22-30. Vele kerkvaders, Just. Martyr, -Apol. 1,47, Clemens Alex. Strom. I 7 e. a. namen eene werkzaamheid van -den Logos in de heidenwereld aan. Augustinus spreekt meermalen zeer -ongunstig over de heidenen, maar erkent toch ook, dat zij de waarheid -in schaduw zagen, de civ. 19,1 de trin. 4.20, dat de waarheid hun -niet ten eenenmale verborgen was, de civ. 8:11 v. en dat wij dus met -het ware in de heidensche philosophie onze winste moeten doen en het -ons moeten toeëigenen, de doctr. chr. 2,60. Non usque adeo in anima -humana imago Dei terrenorum affectuum labe detrita est, ut nulla in -ea velut lineamenta extrema remanserint, unde merito dici possit, -etiam in ipsa impietate vitae suae facere aliqua legis vel sapere, de -spir. et. litt. c. 27, 28. Ook vele niet-reinen erkennen veel waars, -Retract. I c. 4. Thomas zegt niet alleen, dat de mensch als redelijk -wezen, zonder bovennatuurlijke genade, de veritates naturales kennen -kan, S. Theol. I 2 qu. 109 art. 1. maar getuigt ook II 2 qu. 172 art. -6, dat het onmogelijk is esse aliquam cognitionem quae totaliter sit -falsa, absque admixtione alicujus veritatis, en beroept zich daarbij -op de woorden van Beda en Augustinus: nulla falsa est doctrina, quae -non aliquando aliqua vera falsis intermisceat. De Gereformeerden waren -er nog beter aan toe door hunne leer van de gratia communis. Hierdoor -werden ze eenerzijds voor de dwaling van het Pelagianisme behoed, dat de -sufficientia der theol. naturalis leerde en de zaligheid verbond aan de -onderhouding der lex naturae; maar konden zij toch andererzijds al het -ware en schoone en goede erkennen dat ook in de heidenwereld aanwezig -was. Wetenschap, kunst, zedelijk, huiselijk, maatschappelijk leven enz. -werden uit die gratia communis afgeleid en met dankbaarheid erkend -en geprezen, Calv. Inst. II, 2. § 12 v. II 3. § 3 v. Zanchius, Opera -VIII 646 sq. Wttewrongel, Christ. Huishoudinge I 288-299. Witsius, -Oec. foed. III 12. § 52. Id. Twist des Heeren met zijn wijngaart cap. -19. Turret, Theol. El. 10:5. Vossius, Hist. Pelag. 3:3. Pfanner, -Systema Theol. Gentilis cap. 22 § 33. Trigland, Antapologia cap. -17. Moor, Comm. in Marckii Comp. IV 826-829. Cf. mijne rede over De -algemeene Genade, Kampen 1894. Gewoonlijk werd deze werking der gratia -communis nu wel gezien in ’t zedelijk en verstandelijk, maatschappelijk -en staatkundig leven, maar minder dikwijls in de religies. Dan werd -alleen van eenige religio naturalis, insita en acquisita gesproken, -maar het verband tusschen deze en de religies niet aangetoond. De -godsdiensten werden uit bedrog of daemonische invloeden afgeleid. Maar -niet alleen in wetenschap en kunst, in moraal en recht, maar ook in -de religies is er eene werking van Gods Geest en van zijne algemeene -genade op te merken. Calvijn sprak terecht van een semen religionis, -een sensus divinitatis, Inst. I, 3, 1-3. I, 4, 1. II, 2, 18. Immers, -de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen werktuigen van -Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor hun tijd en voor hun -volk een roeping hadden te vervullen, en op het leven der volken een -gunstigen invloed hebben uitgeoefend. De verschillende godsdiensten, -met hoeveel dwaling ook vermengd, hebben tot op zekere hoogte de -religieuse behoeften bevredigd en troost in de smart van het leven -geschonken. Niet alleen kreten van wanhoop, maar ook tonen van -vertrouwen, hoop, berusting, vrede, onderwerping, lijdzaamheid enz. -komen ons uit de heidenwereld tegen. Al de elementen en vormen, die -essentieel zijn aan de religie, Godsbegrip, schuldbewustzijn, behoefte -aan verlossing, offerande, priesterschap, tempel, cultus, gebed enz. -komen verbasterd maar komen toch zoo ook in de heidensche godsdiensten -voor. Zelfs ontbreekt het hier en daar niet aan onbewuste voorzeggingen -en treffende verwachtingen van een betere en zuiverder religie. Daarom -staat het Christendom niet uitsluitend antithetisch tegen het heidendom -over; het is er ook de vervulling van. Het Christendom is de ware maar -daarom ook de hoogste en zuiverste religie, het is de waarheid van alle -godsdiensten. Wat in het Ethnicisme caricatuur is, is hier het levende -origineel. Wat daar schijn is, is hier wezen. Wat daar gezocht wordt, is -hier te vinden. Het Christendom is de verklaring van het Ethnicisme. -Christus is de Beloofde aan Israel en de Wensch aller heidenen. -Israel en de gemeente zijn uitverkoren ten bate der menschheid. In -Abrahams zaad worden alle geslachten der aarde gezegend. Zie behalve -de bovengenoemde werken van Fabri, Sepp, Tholuck e. a. ook nog Clemens -Alex. Strom. 1, 1. 4, 5. 6, 8. Coh. ad gentes § 6. Orig. c. Cels. 4, 4. -Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 184. Philippi, Kirchl. Gl. I 2. Beck, -Einleitung in das Syst. der christl. Lehre 2e Aufl. 1870 S. 45 f. -Saussaye in mijne Theol. van Prof. Dr. Ch. d. l. S. bl. 31 v. 46 v. 83 -v. V. von Strauss und Torney, Das unbewusst Weissagende im vorchristl. -Heidenthum (Zeitfr. des christl. Volkslebens VIII). Staudenmaier, -Encycl. der theol. Wiss. 1835 § 428 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. -134 f. Kuyper, Encycl. III 445 v. 563 v. - -10. Maar de revelatio generalis heeft niet alleen voor de heidenwereld, -maar ook nog in en voor de christelijke religie beteekenis. Haar waarde -is echter niet daarin gelegen, dat zij ons eene theologia of religio -naturalis, een moralischen Vernunftglauben verschaft, die op zich -zelve voldoende zou wezen en al het positieve in den godsdienst zou -kunnen missen. Zulk een religio naturalis wordt er nergens gevonden en -is ook niet bestaanbaar. Evenmin is het de bedoeling der revelatio -generalis dat de Christen uit haar zijn eerste kennis over God, wereld -en mensch zou putten, om deze dan later aan te vullen met de kennis -van Christus. Ritschl en zijne volgelingen stellen het zoo voor, alsof -de dogmaticus in de loci de Deo en de homine de stof alleen nam uit de -revelatio generalis, en dan de stof voor de volgende loci eerst putte -ging uit de H. Schrift. De dogmaticus zou dan eerst staan buiten en -voor het christelijk geloof, en dan bij de latere dogmata in dat geloof -zijne positie nemen, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 4. Maar dit is -de methode van de reformatorische dogmatiek althans in den beginne -niet geweest. Als de Christen zijn geloof belijdt in God den Vader, den -Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, dan is dat in den vollen -zin christelijk geloof. En de dogmaticus ontdoet zich niet eerst van -dit zijn geloof, om uit de algemeene openbaring eene redelijke leer over -God en den mensch saam te stellen en deze later met de openbaring in -Christus aan te vullen. Maar hij put zijne kennis enkel en alleen uit de -revelatio specialis, d. i. uit de H. Schrift. Deze is zijn principium -unicum. Maar hij beperkt deze bijzondere openbaring niet tot den persoon -van Christus, gelijk die in enkele gedeelten der Schrift, bijv. in -de Synopt. Evangeliën of alleen in de Bergrede geteekend wordt. De -gansche openbaring, die in de Schrift is samengevat, is eene revelatio -specialis, welke in Christus tot ons komt. Christus is middelpunt en -inhoud van heel die bijzondere openbaring, welke bij het Paradijs begint -en in de Apocalypse zich voltooit. De bijzondere revelatie heeft nu -de algemeene erkend en gewaardeerd, en heeft ze zelfs overgenomen -en als het ware geassimileerd. En zoo doet ook de Christen, zoo ook -de dogmaticus. Hij staat in het christelijk geloof, in de revelatio -specialis en ziet van daar uit ook in de natuur en geschiedenis. En -nu ontdekt hij daar sporen van dienzelfden God, dien hij in Christus -leerde kennen als zijn Vader. Juist als Christen, door het geloof, ziet -hij de openbaring Gods in de natuur veel beter en duidelijker, dan hij -ze vroeger opmerken kon. De psychische mensch verstaat de sprake Gods -in de natuur en de geschiedenis niet. Hij doorzoekt het gansch heelal, -zonder God te vinden. Maar de Christen, gewapend met de bril der H. -Schrift, R. de Sabunde, Theol. Natur. in den Prologus, Calvijn, Inst. -I 6, 1., ziet God in alles en alles in God. Daarom treffen we in de -Schrift eene natuurpoëzie en eene geschiedbeschouwing aan, zooals die -nergens wordt gevonden. De geloovige vindt dus met zijne christelijke -belijdenis ook in de wereld zich terecht; hij is er geen vreemdeling in, -en ziet daar geen andere macht heerschen, dan die hij ook in Christus -als zijn Vader aanroept. Door die algemeene openbaring voelt hij zich -in de wereld thuis; het is Gods vaderlijke hand, uit welke ook in het -natuurlijke alle dingen hem toekomen. - -In die algemeene openbaring heeft hij verder een vasten bodem, waarop hij -alle niet-christenen ontmoeten kan. Hij heeft eenzelfden grondslag met -hen gemeen. Door zijn christelijk geloof moge hij eene geïsoleerde positie -innemen, hij moge zijne geloofsovertuigingen niet aan anderen kunnen -bewijzen; in de algemeene openbaring heeft hij toch een aanknoopingspunt -met al wie den naam van mensch draagt. Gelijk de klassieke propaedeuse -eene gemeenschappelijke basis legt bij alle mannen van wetenschap, zoo -houdt de algemeene openbaring alle menschen saam trots alle verschil -van religie. Subjectief is bij den geloovige de kennisse Gods uit de -natuur posterieur aan die uit de H. Schrift. Wij worden allen in een -bepaalden positieven godsdienst geboren. Alleen het oog des geloofs -ziet God in de schepping; ook hier geldt, dat slechts de reine van -hart God ziet. Maar objectief gaat toch de natuur aan de genade, -de revelatio generalis aan de revelatio specialis vooraf. Gratia -praesupponit naturam. De ontkenning, dat de religio en theologia -naturalis voldoende is en een eigen, zelfstandig bestaan heeft, doet -niets te kort aan het feit, dat er uit de schepping, uit natuur en -geschiedenis, uit hart en geweten eene sprake Gods komt tot iederen -mensch. Aan de macht der revelatio generalis ontkomt niemand. De -religie behoort tot het wezen van den mensch. De idee en de existentie -Gods, de geestelijke zelfstandigheid en de eeuwige bestemming van den -mensch, oorsprong en doel der wereld, de zedelijke wereldorde en haar -eindelijke triumf zijn problemen, die den menschelijken geest geen rust -laten. Het metaphysische Bedürfniss laat zich niet onderdrukken. De -wijsbegeerte zoekt altijd weer er aan te voldoen. Het is de revelatio -generalis, die deze behoefte levendig houdt. Zij belet, dat de mensch -zich verlage tot een dier. Zij bindt hem aan de bovenzinlijke wereld. -Zij handhaaft in hem het besef, dat hij naar Gods beeld is geschapen -en geen ruste vindt dan in God. De revelatio generalis bewaart de -menschheid, opdat en totdat zij door Christus gevonden en hersteld -wordt. Inzoover werd de theologia naturalis vroeger terecht eene -praeambula fidei, eene goddelijke voorbereiding en opvoeding tot het -Christendom genoemd. De algemeene openbaring is de grondslag, waarop de -bijzondere zich verheft. - -En eindelijk komt de rijke beteekenis der algemeene openbaring nog daarin -uit, dat zij natuur en genade, schepping en herschepping, de Welt der -Wirklichkeit en de Welt der Werthe met elkander in onverbrekelijk -verband houdt. Zonder de algemeene openbaring verliest de bijzondere -den samenhang met heel het kosmische zijn en leven. Dan ontbreekt de -schakel, die het rijk der natuur en het koninkrijk der hemelen aan -elkander verbindt. Wie met de kritische philosophie de revelatio -generalis ontkent, doet vergeefsche moeite, om langs den weg der -practische Vernunft of der phantasie te herwinnen, wat hij verloor. Hij -heeft het steunpunt voor zijn geloof verloren. Het religieuse leven -staat los naast het gewone, menschelijke zijn; het beeld Gods wordt -een donum superadditum; de religie wordt evenals bij de Socinianen -vreemd aan de menschelijke natuur; het Christendom wordt een sectarisch -verschijnsel en van zijne katholiciteit beroofd; de genade staat vijandig -tegenover de natuur. Consequent is het dan, om met de ethische modernen -eene radikale scheiding aan te nemen tusschen de macht van het goede -en de natuurmacht. Ethos en physis liggen totaal gescheiden. De wereld -der Wirklichkeit en die der Werthe hebben niets met elkander te maken. -In beginsel wordt het Parsisme, het Manichaeisme vernieuwd. Daarentegen -handhaaft de revelatio generalis de eenheid van natuur en genade, -van wereld en Godsrijk, van de natuurlijke en de zedelijke orde, van -schepping en herschepping, van physis en ethos, van deugd en geluk, van -heiligheid en zaligheid, en in dit alles de eenheid van het goddelijk -Wezen. Het is eenzelfde God, die in de algemeene openbaring zich aan -niemand onbetuigd laat en die in de bijzondere openbaring zich kennen -doet als een God van genade. Algemeene en bijzondere openbaring werken -dus op elkander in. Praemisit Deus naturam magistram, submissurus -et prophetiam, quo facilius credas prophetiae discipulus naturae -(Tertullianus). Natura praecedit gratiam, gratia perficit naturam. -Ratio perficitur a fide, fides supponit naturam. Cf. Hofstede de Groot, -Institutio theol. nat. ed. 4. 1861. Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e -dr. I bl. 270 v. Kuyper, Nat. Godskennis, Uit het Woord III. Voigt, -Fund. dogm. 172 f. - - -§ 10. BIJZONDERE OPENBARING. - - -A. Middelen der bijzondere openbaring. - -1. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemeene -openbaring genoeg heeft. Ook de christelijke religie beroept zich -op eene bijzondere openbaring. De Schrift is het boek der revelatio -specialis. De woorden, waarmede zij het begrip der openbaring uitdrukt, -zijn voornamelijk deze: גלה ontdekken, ni. ontdekt worden, zich -vertoonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen. 35:7; 1 Sam. 2:27, -3:21; Jes. 53:1, 56:1; Hos. 7:1, enz. ראה zien, ni. gezien worden, -zich vertoonen, schijnen, Gen. 12:7, 17:1, 18:1, enz.; ידע kennen, -ni. pi. hi. hithp. bekend maken, onderwijzen, Num. 12:6; ἐπιφαινειν -verschijnen Luk. 1:79; Tit. 1:11; subst. ἐπιφανεια, verschijning, vooral -van Christus in zijne wederkomst 2 Thess. 2:8; 1 Tim. 6:14; 2 Tim. -4:1; Tit. 2:13; 2 Tim. 1:10 van Christus’ eerste komst; ἐμφανιζειν -openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertoonen, verschijnen Mt. 27:53; -Joh. 14:21, 22; γνωριζειν bekend maken Luk. 2:15; Rom. 9:22; Ef. 3:3, -5, 10; δηλουν bekend maken 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:14; δεικνυναι -toonen Joh. 5:20; λαλειν spreken Hebr. 1:1, 2:2, 5:5; vooral ook -ἀποκαλυπτειν en φανερουν. Beide woorden zijn niet te onderscheiden als -subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige vertooning -of openbaarmaking, gelijk Scholten, L. H. K. 4e dr. I 165 v. 299. Dogm. -Christ. Initia I 26 sq. meende: want ἀποκαλυπτειν wordt meermalen van -objectieve openbaring gebezigd Luk. 17:30; Rom. 1:17, 18, 8:18; Ef. -3:5; 2 Thess. 2:3, 6, 8; 1 Petr. 1:5, 5:1. Ook ligt het onderscheid -niet daarin, dat φανερουν de algemeene openbaring Gods in de natuur, -en ἀποκαλυπτειν de bijzondere openbaring der genade aanduidt, Neander, -Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche durch die -Apostel, 5te Aufl. Gotha, Perthes 1862 S. 131 f. want φανερουν wordt -menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd Joh. 17:6; Rom. 16:26; -Col. 1:26; 1 Tim. 3:16; 2 Tim. 1:10, enz.; en ἀποκαλυπτειν komt Rom. -1:18 ook van de algemeene openbaring voor. Een constant verschil in -het gebruik van beide woorden laat zich in het N. T. moeilijk aanwijzen. -Maar etymologisch geeft ἀποκαλυπτειν te kennen het wegnemen van het -bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen was, en φανερουν het openbaar -maken van eene zaak, die verborgen of onbekend was. Bij het eerste valt -daarom de nadruk op het uit den weg ruimen van de verhindering, die -het kennen van het verborgene belette; op het mysterieus karakter van -datgene, hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke -daad, die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede -woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en onbekend -was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden. Ἀποκαλυψις -neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen was; φανερωσις maakt -de zaak zelve openbaar. Daarmede hangt saam, dat φανερωσις altijd van -objectieve, ἀποκαλυψις beide van objectieve en subjectieve openbaring -wordt gebezigd; dat φανερωσις meermalen èn de algemeene èn de bijzondere -openbaring aanduidt, maar ἀποκαλυψις meest altijd de bijzondere en -slechts eene enkele maal de algemeene. En beide woorden zijn dan van -γνωριζειν en δηλουν wederom zoo onderscheiden, dat de beide eerste -de dingen in ’t licht doen treden, onder de waarneming brengen, en -de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu ook maken tot inhoud van -ons denkend bewustzijn. Cf. Dr. F. G. B. van Bell, Disput. theol. de -patefactionis christianae indole ex vocabulis φαν. et ἀποκ. in libris -N. T. efficienda 1849. Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenhoff, -De zelfstandigheid van den Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet. -Theol. 1870 bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s. v. Herzog² 12, 654. Voigt, -Fundamentaldogm. 201 f. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v. - -De christelijke religie komt dus daarin met alle historische -godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar de -overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en wijzen -toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen kunnen -tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats verlangt het -religieus geloof een God van nabij en niet van verre Hd. 17:27; het was -daarom ten allen tijde overtuigd van verschijning der goden in eene of -andere gedaante, onder een of ander teeken, op eene of andere plaats. -Heilige plaatsen, heilige tijden, heilige beelden zijn er bijna in iederen -godsdienst. De goden zijn niet aan de menschen gelijk en leven niet met -hen op gelijken voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd; -maar de goden wonen toch bij en onder de menschen op bepaalde plaatsen, -in bijzondere voorwerpen, en deelen hun zegen op bepaalde tijden mede. De -idololatrie, opgevat in den ruimsten zin, is geboren uit de behoefte -aan een God van nabij, Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. I 54 -f. 114 f. In de tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen, -dat de goden op een of andere wijze hunne gedachte en hun wil openbaren, -hetzij door menschen als hun organen, zooals waarzeggers, orakels, -droomers, doodenvragers, geestenzieners, enz. hetzij kunstmatig en -uitwendig door de sterren, de vlucht der vogels, de ingewanden der -offerdieren, het spelen der vlam, de lijnen der hand, het toevallig -opslaan en openvallen van een boek, enz., μαντικη, divinatio. Nemo -vir magnus sine afflatu divino unquam fuit, Cic. de nat. deor. 2, -66, cf. Cicero de divinatione, Plutarchus, de defectu oraculorum, A. -Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l’antiquité, 4 vol. -1879-82. Saussaye t. a. p. 93 f. En eindelijk is in alle godsdiensten -het geloof aanwezig aan bijzondere tusschenkomst en hulp der goden -in tijden van nood; algemeen verbreid is de magie, d. i. die kunst, -waardoor menschen met mysterieuse middelen, heilige woorden, formulen, -amuletten, dranken, enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar maken -en wonderbare werkingen te voorschijn brengen, Ennemoser, Gesch. der -Magie, 2e Aufl. Leipzig 1844. Alfr. Maury, La magie et l’astrologie -dans l’antiquité et au moyen-âge 1860. Lenormant, Les sciences occultes -en Asie, 2 vol. 1874-’75. Saussaye ib. Theophanie, mantiek en magie zijn -de wegen, waarlangs alle openbaring tot den mensch komt. Dit algemeen -religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is zeker niet, -in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of daemonische werking, -noch ook uit onbekendheid met de natuurorde te verklaren, maar is een -noodzakelijk element in alle religie. De religieuse behoefte zoekt -bevrediging; en waar ze deze niet vindt in eene haar tegenkomende, -reëele openbaring Gods, zoekt ze haar in den weg der ἐθελοθρησκεια. -Zij neemt die geheimzinnige krachten in den mensch zelf of buiten hem -in de natuur in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met eene -bovennatuurlijke wereld. De superstitie is de bastaardvorm der echte -religie. Het bijgeloof is de caricatuur van de πιστις. De hedendaagsche -verschijnselen van spiritisme, theosophie, telepathie, magnetisme, -hypnotisme, enz. strekken hiervan ten bewijze, en toonen misschien ook -aan, dat er in de zoogenaamde nachtzijde van de menschelijke natuur -krachten verscholen liggen, welke een meer onmiddellijk rapport bewerken -kunnen met eene bovenzinlijke wereld en in elk geval het geloof aan -zoodanig rapport, zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz. -genoegzaam kunnen verklaren. There are more things in heaven and -earth, than are dreamt of in your philosophy (Shakespeare). Cf. art. -Modern Bijgeloof in Tijdspiegel Jan. 1895. De H. Schrift schijnt aan -dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen, Gen. 41:8; -Ex. 7:8; Deut. 13:1, 2; Mt. 7:22, 24:24; 2 Thess. 2:9; 2 Tim. 3:8; -Apoc. 13:13-15. Maar de religie in O. en N. T. wil beslist met alle -deze godsdienstige verschijnselen niets gemeen hebben. Zij staat er -principieel tegenover. Zij erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten -stelligste Lev. 19:26, 31, 20:27; Num. 23:23; Deut. 18:10, 11; Hd. -8:9, 13:6, 16:16, 19:13 v.; Gal. 5:20; Apoc. 21:8, 22:15. Profeten en -apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn geplaatst te -worden met de heidensche waarzeggers en toovenaars. Er moge soms, b.v. -in de verschijningen aan de aartsvaders, overeenstemming van vorm zijn, -maar er is verschil in wezen. Theophanie, mantiek, magie zijn evenals -offerande, tempel, priesterschap, cultus, enz. essentieele elementen -in de religie. Ze komen daarom in alle godsdiensten, ook in dien van -Israel, en in het Christendom voor. Ook de christelijke religie heeft -haar offerande Ef. 5:2, haar priester Hebr. 7, haar tempel 1 Cor. 3:16, -enz. Het onderscheid tusschen het Christendom en de andere godsdiensten -ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke elementen der religie daar -ontbreken, maar is hierin gelegen, dat alwat in ’t Heidendom voorkomt -in caricatuur, in Israel tot schaduw en beeld, en hier tot waarachtige, -geestelijke realiteit is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat -Israels godsdienst eenerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel, -priesterschap, enz. zooveel overeenkomst vertoont met de heidensche -godsdiensten en andererzijds principieel ervan onderscheiden is, -zoodat alleen uit Israel de Messias is voortgekomen. Dit principieel -onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie -niet genomen wordt door den mensch, maar door God. In de heidensche -godsdiensten is het de mensch, die God zoekt, Hd. 17:27; hij tracht op -allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen, en trekt Hem neer in -het stof Rom. 1:23; hij poogt door allerlei middelen macht over God te -verkrijgen. Maar in de Schrift is het altijd God, die den mensch zoekt. -Hij schept hem naar zijn beeld. Hij roept hem na den val. Hij behoudt -Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israel zijne wetten. Hij roept -en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij zondert de apostelen -af. Hij oordeelt eens levenden en dooden. Het Ethnicisme leert ons den -mensch kennen, in zijne rusteloosheid, in zijn ellende, in zijn onvrede, -en ook in zijne edele aspiratiën, in zijne eeuwige behoeften; den mensch -beide in zijne armoede en zijn rijkdom, in zijne zwakheid en in zijne -kracht; het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme. Maar -de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en zoeken van den -mensch, in zijne ontferming en genade, in zijn recht en zijne liefde. Maar -theophanie, profetie en wonder zijn ook hier de middelen, waardoor God -zich openbaart en geeft aan den mensch, Oehler, Ueber das Verhältniss -der altt. Prophetie zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882 -S. 29 f. 753 f. Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 § 1. -Staudenmaier, Encycl. § 231 f. § 271 f. Schultz, Altt. Theologie, 4e -Aufl. Göttingen 1889 S. 226 f. - -2. Theophanie (Angelophanie, Christophanie). Meermalen is er in de H. -Schrift sprake van eene verschijning Gods; soms zonder eenige nadere -omschrijving, Gen. 12:7, 17:1, 22, 26:2, 24, 35:9; Ex. 6:2, cf. ook -Gen. 11:5; Ex. 4:24, 12:12, 23, 17:6; Num. 23:4, 16; 1 Sam. 3:21; 2 -Sam. 5:24; maar elders in den droom, Gen. 20:3, 28:12 v. 31 vs. 24; -1 Kon. 3:5, 9:2; of ook in het profetisch visioen, 1 Kon. 22:19 v. -Jes. 6. Ezech. 1:4 v., 3:12 v., 8:4 v., 10:1 v., 43:2 v., 44:4; Am. -7:7, 9:1; Dan. 7:9 v. Luk. 2:9; 2 Petr. 1:17; en menigvuldiger nog in -wolken van rook en vuur als teekenen van zijne tegenwoordigheid; zoo -aan Abraham, Gen. 15:17 v., aan Mozes, Ex. 3:2, 33:18 v., op Sinaï, -Ex. 19:9, 16 v., 24:16, cf. vs. 9-11, Deut. 5:23, 9:15; Hebr. 12:28, -over het volk, Ex. 13:21 v., 14:19-24, 40 vs. 38; Num. 9:21, 14:14; -Deut. 1:33; Neh. 9:12, 19; Ps. 78:14, boven den tabernakel, Ex. 33:9, -40:34 v. Lev. 9:23; Num. 9:15-23, 11:17, 25, 12:5, 17:7, 20:6; Deut. -31:15; Ps. 99:7; Jes. 4:5, en in het heilige der heiligen Ex. 25:8, -22, 29:45, 46; Lev. 16:2, 26:11, 12; Num. 7:89, cf. ook nog aan Elia -1 Kon. 19:11 v. Deze verschijningen onderstellen geene lichaamlijkheid -Gods, Ex. 20:4, 33:20; Deut. 4:12, 15, maar zijn zinnelijk waarneembare -teekenen, waardoor zijne tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de -H. Geest op den Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er -is daarbij ook niet te denken aan eene emanatie van deze wolk uit het -goddelijk Wezen, maar aan eene in creatuurlijke vormen zich openbarende -tegenwoordigheid Gods. In die teekenen wordt de goddelijke heerlijkheid, -כָּבוֹד, δοξα openbaar, Ex. 16:20, 24:17; Lev. 9:6, 23, 24; Num. 14:10, -16:19, 20:6; en daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een -verterend vuur Ex. 24:7; Lev. 9:23, 24 en als eene wolk 1 Kon. 8 vs. -10, 11; Jes. 6:4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke -teekenen; ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn volk. Omgeven en -gediend door vele duizenden Engelen Jes. 6 vs. 2, 6, zendt Hij dezen in -menschelijke gedaante naar deze aarde heen, om zijn woord en wil bekend -te maken. Zij komen reeds voor in Gen. 18, 19, 28:12, 32:1, 2; Deut, -33:2; Job 33:23; 1 Kon. 13:18 en hebben volgens Hd. 7:53; Gal. 3 vs. -19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der openbaring -vooral na de Ballingschap, Dan. 8:13, 9:11, 10:5; Zach. 1:7-6:5. Nog -vaker treden ze op in het N. Test.; ze zijn tegenwoordig bij de geboorte -van Jezus, Mt. 1:20, 2:13, 19; Luk. 1:11, 2:9, telkens in zijn leven, -Joh. 1:52; Mt. 4:6, bij zijn lijden, Mt. 26:53; Luk. 22:43, bij zijne -opstanding en hemelvaart, Mt. 28:2, 5; Luk. 24:23; Joh. 20:12; Hd. -1:10. In de geschiedenis der apostelen komen ze meermalen voor Hd. -5:19, 8:26, 10:3, 11:13, 12:7, 23:9, 27:23; Apoc. 22 vs. 6, 16. En bij -zijne wederkomst wordt Christus door de Engelen vergezeld Mt. 16:27, -25:31; Mk. 8:38; Luk. 9:26; 1 Thess. 3:13 enz. Onder al deze gezanten -Gods neemt de מלאך יהוה eene bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan -Hagar, Gen. 16:6-13, 21:17-20; aan Abraham, Gen. 18, 19, 22, 24:7, 40; -aan Jakob, Gen. 28:13-17, 31:11-13, 32:24-30 cf. Hos. 12:4; Gen. 48:15, -16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3:2 v. 13:21, 14:19, 23:20-23, -32:34, 33:2 v. cf. Num. 20:16; Jes. 63:8, 9, en voorts nog Jos. 5:13, -14; Richt. 6:11-24, 13:2-23. Deze Malak Jhvh is geen onzelfstandig -symbool, noch ook een geschapen engel, maar eene persoonlijke, adaequate -openbaring en verschijning Gods, van Hem onderscheiden, Ex. 23:20-23, -33:14 v.; Jes. 63:8, 9, en toch met Hem één in naam Gen. 16:13, 31:13, -32:28, 30, 48:15, 16; Ex. 3:2 v., 23:21; Richt. 13:1, 2; in macht Gen. -16:10, 11, 21:18, 18:14, 18; Ex. 14:21; Richt. 6:21; in verlossing en -zegening, Gen. 48:16; Ex. 3:8, 23:20; Jes. 63:8, 9; in aanbidding en -eere, Gen. 18:3, 22:12; Ex. 23:21. Na de verlossing uit Egypte treedt -de Malak Jhvh terug. God woont onder zijn volk in den tempel 1 Kon. -8:10 v.; 2 Chron. 7:1 v.; Ps. 68:17, 74:2, 132:13 v., 135:21. Daarheen -gaat het zielsverlangen van Israels vromen uit, Ps. 27:4, 42, 43, -48, 50, 63:3, 65, 84, 122, 137. Maar deze theophanie is onvolkomen. -God woont niet in een huis met handen gemaakt 1 Kon. 8:27; Jer. 7:4; -Mich. 3:11; Hd. 7:48, 17:24. In het heilige der heiligen mocht slechts -de hoogepriester eenmaal ’s jaars ingaan. De theophanie bereikt in -het O. T. nog niet haar einde en haar doel. Daarom wordt er nog eene -andere en heerlijker komst van God tot zijn volk verwacht, zoowel tot -verlossing als tot gericht, Ps. 50:3, 96:13; Jes. 2:21, 30:27, 40 v. -passim. Mich. 1:3, 4:7; Zeph. 3:8; Joel 3:17; Zach. 2:10 v.; 14:9. De -Engel des verbonds treedt wederom op in de profetie Zach. 1:8-12, 3; -en zal komen tot zijnen tempel Mal. 3:1. De theophanie bereikt haar -hoogtepunt in Christus, die de ἀγγελος, δοξα, εἰκων, λογος, υἱος του -θεου is, in wien God ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken, -Mt. 11:27; Joh. 1:14; 14:9; Col. 1:15, 2:19, enz. Door Hem en den -Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen Gods onder en in zijn volk -reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit Joh. 14:23; Rom. 8:9, 11; -2 Cor. 6:16. De gemeente is het huis Gods, de tempel des H. Geestes, -Mt. 18:20; 1 Cor. 3:16, 6:19; Ef. 2:21. Maar ook deze inwoning Gods -in de gemeente van Christus is nog niet het laatste en hoogste. Zij -bereikt haar volle verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan -is de tabernakel Gods bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij -zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. Zij zullen -zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hunne voorhoofden wezen, Mt. -5:8; 1 Cor. 15:28; 1 Joh. 3:2; Openb. 21:3; 22:4. Cf. art. Theophanie -en Schechina in Herzog². Art. Wolken- u. Feuersäule in Winer, Bibl. -Realwört. Trip, Die Theophanieen in den Geschichtsbüchern des A. T. -Leiden 1858 en de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4e Aufl. -1889 S. 507 f. Oehler, Altt. Theol. 2te Aufl. 1882 S. 195 f. Smend, -Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 S. 42 f. Weber, System der -altsynag. palästin. Theologie, Leipzig 1880 S. 179 f. Cremer, Wörterb. -s. v. δοξα. Delitzsch, Bibl. Psychol., 2e Aufl. 1861 S. 49 f. Keerl, -Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863. Van -Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v. - -3. Profetie. Onder profetie verstaan wij hier de mededeeling Gods van -zijne gedachten aan den mensch. Dikwerf wordt hiervoor de naam van -inspiratie gebezigd; en in zooverre ook juister, als het begrip van -profetie ruimer is dan dat van inspiratie en ook de verkondiging -van die gedachten aan anderen omvat. Maar inspiratie is op grond -van 2 Tim. 3:16 vooral van de beschreven openbaring gebruikelijk. En -het woord profetie werd vroeger meermalen in onzen zin gebezigd, -Thomas, S. Theol. II 2 qu. 171 art. 1. Het sluit ook in het ontvangen -der gedachten van God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord -verkondigt. En het doet beter dan inspiratie de bedoeling Gods -uitkomen, waarmede Hij zijne gedachten meedeelt, n.l. dat de mensch zelf -een profeet zij, een verkondiger van zijne deugden. De gedachten Gods -nu, welke in de profetie worden medegedeeld, kunnen betrekking hebben -op het verleden, gelijk in de historische boeken der Schrift of op het -heden of op de toekomst. Maar altijd stelt de profetie de gedachten Gods -tegenover die der menschen, zijne waarheid tegenover hun leugen, zijne -wijsheid tegenover hun dwaasheid. Deze mededeeling van Gods gedachten -aan den mensch kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende -wijze. Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menschelijke stem en -taal, Gen. 2:16, 3:8-19, 4:6-16, 6:13, 9:1, 8 v., 32:26 v.; Ex. 19:9 -v.; Num. 7:89; Deut. 5:4; 1 Sam. 3:3 v.; Mt., 3:17, 17:5; Joh. 12:28, -29. Op vele plaatsen wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere -omschrijving van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of -inwendig, in droom of visioen, enz. Het vertrouwelijkst karakter draagt -dit spreken Gods bij Mozes, die niet verschrikt noch nedervalt als God -tot hem spreekt, maar met wien God sprak van mond tot mond, en omging -als een vriend met zijn vriend, Num. 12:6-8; Ex. 33:11, 34:29; Deut. -5:5, 18:15, 18; 2 Cor. 3:7; Gal. 3:19; Hebr. 3:5. Cf. Thomas S. Theol. -II 2 qu. 174 art. 4. Witsius, de proph. I 7. Episcopius, Instit. Theol. -III 2. De Joden spraken later van eene Bath-Kōl, eene hemelsche stem, -waardoor God zich openbaarde; maar deze stond lager dan de vroegere -profetie, en was gekomen nadat de geest der profetie had opgehouden, -Weber, System der altsyn. pal. Theol. 187, Herzog² 2, 130. Maar -dikwerf sluit God in de mededeeling zijner gedachten zich bij die lagere -vormen aan, onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden -hun wil bekend te maken. Er is dan in den vorm eene bijna volkomene -overeenstemming. Daartoe behooren vooral het lot, de Urim en Thummim, -de droom en het visioen. Het lot werd bij vele gelegenheden gebruikt, -op den grooten verzoendag Lev. 16:9, bij verdeeling van het land, Jos. -13:6, 14:2 enz., Neh. 11:1; van de Levietensteden, Jos. 21:4; van buit -Joel 3:3; Nah. 3:10; Ob. 11; van kleederen, Mt. 27:35; Joh. 19:23; bij -beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7; 1 Sam. 14:42; Spr. 16:33, -18:18; Jon. 1:7; bij verkiezing tot een ambt, 1 Sam. 10:19; Hd. 1:26; -1 Chron. 24:5; Luk. 1:9, enz.; ook het Godsoordeel, Num. 5:11-31 kan -hierbij gerekend worden, Herzog² 8 762. De Urim en Thummim, LXX δηλωσις -και ἀληθεια, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen 7 maal -voor Ex. 28:30; Lev. 8:8; Num. 27:21; Deut. 33:8; 1 Sam. 28:6; Ezra -2:63; Neh. 7:65. De U. en Th. zijn niet met de 12 edele steenen op den -borstlap des hoogepriesters identisch, gelijk Josephus Ant. III, 8, -9 en velen na hem meenen, maar waren volgens Ex. 28:30 en Lev. 8:8 -voorwerpen, die in den borstlap verborgen werden, Philo, Vita Mosis 3. -Maar hoe ze Gods wil deden kennen, door glinstering van de steenen, -door eene stem, door inspiratie, enz., en ook waarin ze bestonden, in -twee steenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in eene van -edele gesteenten gemaakte halsketen, of in steenen om te loten, is -geheel onbekend. De laatste meening heeft in den nieuweren tijd steun -gekregen in den door Thenius 1842 naar de LXX veranderden tekst van 1 -Sam. 14:41. De U. en Th. zouden dan loten geweest zijn met ja en neen -en ook gebruikt zijn Richt. 1:1, 20:18; 1 Sam. 22:10, 15, 23:6, 9-11, -30:7 v.; 2 Sam. 2:1, 5:19, 23. Maar daarbij zijn antwoorden, niet van -ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding Richt. 20:27; 1 -Sam. 30:7 v.; 2 Sam. 5:23, 21:1; Richt. 1:1, 20:18; 2 Sam. 2:1, vooral -1 Sam. 10:22{b}; 2 Sam. 5:23; 1 Chron. 14:14, niet goed te verklaren. -De U. en Th. behoorden echter zeker wel tot eene zelfde categorie van -openbaring als het lot; zij komen vooral voor in den tijd van Salomo en -schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie. Cf. art. U. -en Th. in Herzog². Winer Realwört. Riehm, Wörterb. Keil, Archaeol. § -35. De Wette-Räbiger, Archaeol. S. 281 f. Oehler, Altt. Th. S. 334 f. -Schultz, Altt. Th. 257 f. Dosker, Presbyt. and Ref. Rev. Oct. 1892 p. -717 etc. - -Vervolgens komen droomen in de H. Schrift als openbaringsmiddel voor. -Daarvoor werden zij in de gansche oudheid gehouden, Homerus, Od. 19:560 -v. Il. 1:63, 2:22, 56. Aristoteles, περι της καθ’ ὑπνον μαντικης. -Cicero, de divinatione 1:29. Philo, de somniis, enz. Herzog² 15:733. En -nog wordt door velen groote waarde aan droomen gehecht, Splittgerber, -Schlaf und Tod, 2e Aufl. 1881 I 66-205. Nu wist men ten allen tijde, dat -droomen ook zeer bedriegelijk waren. Homerus Od. 19:560 v. Arist. t. a. -p., en ook de H. S. wijst telkens op het ijdele der droomen Ps. 73:20; -Job 20:28; Jes. 29:7; Pred. 5:2, 6; Sirach 31:1 v., 34:1 v.; en schrijft -ze dikwerf aan de valsche profeten toe Jer. 23:25, 29:8; Mich. 3:6; -Zach. 10:2. Maar toch bedient God zich telkens van droomen om zijn wil -bekend te maken, Num. 12:6; Deut. 13:1-6; 1 Sam. 28:6, 15; Joel 2:28 -v.; zij komen bij Israelieten, maar ook meermalen bij niet-Israelieten -voor Gen. 20, 31, 40, 41; Richt. 7; Dan. 2, 4 en behelzen of een woord, -eene mededeeling Gods, Gen. 20:3, 31:9, 24; Matth. 1:20, 2:12, 19, 22, -27:19; of een voorstelling der phantasie, die dan meermalen verklaring -behoeft Gen. 28. 37:5, 40:5, 41:15; Richt. 7:13; Dan. 2, 4. Litter, -bij Herzog² 15:734. G. E. W. de Wijs, De droomen in en buiten den Bijbel -1858. Witsius, de proph. I cap. 5. - -Met den droom is het visioen verwant Gen. 15:1, 11; 20:7; Num. -12:6. Reeds de namen רֹאֶה, חֹזֶה, נָבִיא en misschien ook צֹפֶה -waarmede de profeet genoemd wordt, Kuenen, De Profeten I 49, 51 v. -97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond. II² 5 v. König, Der -Offenbarungsbegriff I 71 f. Delitzsch, Genesis³ 634. Schultz, Altt. -Th. 239. Smend, Lehrb. 79 f., en de namen מַרְאֶה en חָזוֹן voor het -profetisch gezicht duiden waarschijnlijk aan, dat het visioen een niet -ongewoon middel der openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwerf -hunne oorspronkelijke beteekenis verloren en worden ook gebruikt, als -er geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3:15; Jes. 1:1; Ob. -1; Nah. 1:1, enz. Visioenen worden in de Schrift telkens vermeld en -beschreven, van Genesis af tot in de Apoc. toe. Gen. 15:1, 46:2; Num. -12:6, 22:3, 24:3; 1 Kon. 22:17-23; Jes. 6, 21:6; Jer. 1:24; Ezech. 1-3, -8-11, 40; Dan. 1:17, 2:19, 7, 8, 10; Amos 7-9; Zach. 1-6; Matth. 2:13, -19; Luk. 1:22, 24:23; Hd. 7:55, 9:3, 10:3, 10, 16:9, 22:17, 26:19; 1 -Cor. 12-14; 2 Cor. 12:1; Apoc. 1:10, enz. Het visioen was menigmaal -van eene zekere geestvervoering vergezeld. Muziek, dans en extase -gaan saam; profetie en poezie zijn verwant, 1 Sam. 10:5 v., 19:20-24; -2 Kon. 3:15; 1 Chr. 25:1, 25; 2 Chr. 29:30. Als de hand des Heeren op -de profeten valt, Jes. 8:11; Ezech. 3:14, 11:5 of de Geest over hen -komt, geraken zij menigmaal in een toestand van verrukking Num. 24:3; -2 Kon. 9:11; Jer. 29:26; Hos. 9:5, en vallen ter aarde Num. 24:3, 15, -16; 1 Sam. 19:24; Ezech. 1:28, 3:23, 43:3; Dan. 10:8-10; Hd. 9:4; Apoc. -1:17, 11:16, 22:8. In dien toestand worden hun de gedachten Gods in -symbolischen vorm te zien of te hooren gegeven. In beelden en gezichten -wordt hun zijn raad geopenbaard Jer. 1:13 v., 24:1 v.; Am. 7-9; Zach. -1-6; Apoc., enz.; vooral aangaande de toekomst, Num. 23 v.; 1 Kon. -22:17; 2 Kon. 5:26, 8:11 v.; Jer. 4:23 v., 14:18; Ezech. 8; Am. 7, enz. -Ook hooren zij in dien toestand allerlei stemmen en geluiden, 1 Kon. -18:41; 2 Kon. 6:32; Jes. 6:3, 8; Jer. 21:10, 49:14; Ezech. 1:24, 28, -2:2, 3:12; Apoc. 7:4, 9:16, 14:2, 19:1, 21:3, 22:8, enz. Zelfs worden -zij in den geest opgenomen en verplaatst, Ezech. 3:12 v., 8:3, 43:1; -Dan. 8:2; Matth. 4:5, 8; Hd. 9:10, 10, 11, 22:17, 23:11, 27:23; 2 Cor. -12:2; Apoc. 1:9, 12, 4:1, 12:18. Daniel was na het ontvangen van een -visioen eenige dagen krank, 7:28, 8:27. Toch was de extase waarin de -ontvangers der openbaring menigmaal verkeerden, geen toestand, waarbij -het bewustzijn geheel of gedeeltelijk was onderdrukt. Zoodanig was wel de -toestand, waarin de grieksche μαντεις hunne godspraken gaven, Tholuck, -Die Propheten u. s. w. 64 f. En Philo, Quis rer. div. heres, Just. -Martyr, Dial. c. Tryph, c. 135. Coh. ad Graecos c. 37. Athenagoras, -Leg. pro Christ. c. 8. Tertul. adv. Marc. 4, 22 en in den nieuweren -tijd Hengstenberg in de eerste uitgave zijner Christol. des A. T. III. -2. 158 f. hebben de extase der profeten alzoo opgevat. Maar dezen -ontvangen visioenen niet in slapenden maar in wakenden toestand, niet -alleen in de eenzaamheid, maar ook in anderer bijzijn, Ezech. 8:1. Onder -het visioen blijven zij zichzelf bewust, zien, hooren, denken, spreken, -vragen en antwoorden Ex. 4-6, 32:7 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 4-6 enz. -en later herinneren zij zich alles en deelen het nauwkeurig mede, König, -Der Offenbarungsbegriff, I 160 f. II 83 f. Kuenen, De profeten I 96 v. -Oehler, Altt. Theol. § 207 f. Orelli in Herzog² 16:724. Daarom werd de -psychische gesteldheid der profeten onder het visioen door de meeste -theologen gehouden voor eene zelfbewuste, geestelijke aanschouwing, -voor eene alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor eene -alienatio a mente; zoo o. a. door Orig. de princ. III, 3, 4, August. ad -Simplic. II qu. 1. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 175. Witsius, de proph. -I c. 4. Buddeus, Inst. theol. dogm. I, 2, 5 en in den nieuweren tijd -door Hävernick en Keil in hunne inleiding op het O. T. Oehler, Altt. -Theol. § 210. Tholuck, Die Propheten S. 64 f. Kueper, Das Profetenthum -des Alten Bundes S. 51 f. Orelli bij Herzog² 16, 724. König, Offenb. II -132 f. Alleen heeft König, ten einde de objectiviteit te handhaven, -daaraan de eigenaardige meening toegevoegd, dat alle visioenen -uitwendig, lichamelijk en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn -vele verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19, enz. naar de bedoeling -der schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid tusschen -theophanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde visioenen, 1 -Kon. 22:17 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Dan.; Amos 7-9; Zach. 1-6, -enz. zeker inwendig en geestelijk. Vele zijn van dien aard, dat ze niet -zinnelijk voorstelbaar en waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij -van het uitwendige der openbaring hare objectiviteit en waarheid laat -afhangen, en geen inwerking van Gods Geest in den geest des menschen -denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet dat er -ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het uitwendige -als zoodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus de zekerheid der -openbaring door haar uitwendig karakter alleen niet voldoende bewezen -wordt, Orelli bij Herzog² 16:724 f. Kuenen H. C. O. II² 13. Van Leeuwen, -Bijb. Godg. 62 v. Borchert, Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit. -1895, 2tes Heft. - -Als laatste vorm der openbaring moet nog genoemd worden de inwendige -verlichting. Hengstenberg, Christol. des A. T. III² 2 S. 158 cf. ook -Kueper, Das Proph. 53 f. meende, dat de extase de gewone toestand was, -waarin de profeet bij het ontvangen der openbaring verkeerde. Maar dit -gevoelen is door velen, o. a. door Riehm, Mess. Weissagung² S. 15 -f. König, Der Off. begriff II 48 f. 83 f. 132 f. bestreden en thans -algemeen verworpen. De extase is niet de regel, maar de uitzondering, -Kuenen, Prof. I 98. H. C. O² II 11. De meeste openbaringen aan de -profeten ook in ’t O. T. hadden plaats zonder eenig visioen, bijv. bij -Jesaja, Hagg., Mal., Ob., Nah., Hab., Jerem., Ezech. Wel wordt dan -voor de Godspraak nog dikwerf het woord „gezicht” gebezigd, maar dit -geschiedt ook daar waar er niets wordt gezien Jes. 1:1, 2:1; Amos -1:1; Hab. 1:1, 2:1; 1 Sam. 3:15; Ob. 1; Nah. 1:1 enz. De openbaring -geschiedt dan inwendig door den Geest, als Geest der openbaring. Wel -heeft König, Der Off. I 104 f. 141 f. 155 f. beweerd, dat de Geest -niet is principe der openbaring maar alleen principe der illuminatie, -d. i. dat Jahveh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring -subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, wijl hij ook daardoor -de objectiviteit en uitwendigheid der openbaring handhaven wilde en den -subjectieven Geest wilde binden aan ’t objectieve woord van Jahveh. -Maar Num. 11:25-29; Deut. 34:9, 1 Sam. 10:6, 19:20 v.; 2 Sam. 23:2; 1 -Kon. 22:24; 1 Chron. 12:18, 28:12; 2 Chron. 15:1, 20:14 v., 24:20; Neh. -9:30; Jes. 11:1, 30:1, 42:1, 48:16, 59:21, 61:1, 63:10 v., Ezech. 2:2, -3:24, 8:3, 11:5, 24; Micha 3:8; Hos. 9:7; Joël 2:28; Zach. 7:12, laten -zich niet uitsluitend van eene formeele, subjectieve bekwaammaking -des Geestes verstaan; zij leeren duidelijk, dat de profeten niet alleen -door maar uit den Geest spraken, dat de profetie voortkwam uit den -Geest in hen. Er was ook wel eene den profeet subjectief bekwaam -makende werkzaamheid des Geestes, maar deze is niet de eenige; zij is -niet van de andere openbarende werkzaamheid zoo streng te scheiden -als König doet, zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel -uitwendig is, ook onnoodig, Kuenen H. C. O² 14. En de leugengeest 1 -Kon. 22:22 leert duidelijk, dat de Geest bron van ’t woord is, Herz.² -16:721. De Joodsche theologie zag in den Geest niet alleen de bron der -verlichting, maar ook van de openbaring en profetie. Weber, System der -altsyn. pal. Theol. 184-187. Het N. Test. verklaart even duidelijk, -dat de O. T. profeten spraken uit en door den Geest Gods, Hd. 28:25; -1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:21. Wel echter is er onderscheid in de wijze, -waarop de H. Geest in O. en N. T. de openbaring innerlijk meedeelt. -Onder het O. T. daalt de H. Geest van boven en momentaan op iemand -neer. Hij komt over de profeten, Num. 24:2; 1 Sam. 19:20, 23; 2 Chr. -15:1, 20:14; wordt vaardig over hen, Richt. 14:19, 15:14; 1 Sam. 10:6; -valt op hen, Ez. 11:5; trekt hen aan als een kleed, Richt. 6:34; 1 Chr. -12:18; de hand, d. i. de kracht des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8:11; -Ez. 1:3, 3:22, 8:1, 37:1, 40:1. Tegenover deze werking des Geestes -zijn de profeten dan ook meest passief; zij zwijgen, vallen ter aarde, -ontzetten zich, en verkeeren voor een tijd in een abnormen, extatischen -toestand. De Geest der profetie is nog niet het blijvend bezit van -de profeten; er is nog scheiding en afstand tusschen beiden; en de -stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover het volk. Heel de -profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom ook vooruit en verwacht -een profeet, op wien de Geest des Heeren rusten zal Deut. 18:18; Jes. -11:2, 61:1; ja zij voorspelt de vervulling van Mozes’ wensch, dat al -het volk des Heeren profeten mochten zijn Num. 11:29; en getuigt van -eene toekomstige woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren, -Jes. 32:15, 44:3, 59:21; Joël 2:28; Ez. 11:19, 36:27, 39:29. In het N. -T. verschijnt de hoogste, de eenige, de waarachtige profeet. Hij is als -Logos de volle en voltooide openbaring Gods, Joh. 1:1 v. 18, 14:9, -17:6; Col. 2:9. Hij ontvangt geen openbaring van boven of buiten, maar -is zelf de bron der profetie. De H. Geest komt niet over Hem en valt -niet op Hem neer. Hij woont in Hem zonder mate Joh. 3:34. Uit dien Geest -is Hij ontvangen, door dien Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij, -Mt. 3:16, 12:28; Luk. 1:17, 2:27, 4:1, 14, 18; Rom. 1:4; Hebr. 9:14. -En dien Geest schenkt Hij, aan zijne discipelen, niet alleen als Geest -der wedergeboorte en heiliging maar ook als Geest der openbaring en -verlichting, Mk. 13:11; Luk. 12:12; Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 20:22; -Hd. 2:4, 6:10, 8:29, 10:19, 11 vs. 12, 13:2, 18:5, 21:4; 1 Cor. 2:12 -v.; 12:7-11. Door dien Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd -tot het ambt van profeet, Rom. 12:7; 1 Cor. 14:3; Ef. 2:20, 3:5 enz. -Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in ’t N. T. niet, Mt. 24; Hd. -20:23, 21:8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2. Apoc. Maar alle geloovigen zijn -toch de zalving des Geestes deelachtig, 1 Joh. 2:20; en zijn van den -Heere geleerd, Mt. 11:25-27; Joh. 6:45. Allen zijn profeten, die de -deugden des Heeren verkondigen, Hd. 2:17 v.; 1 Petr. 2:9. De profetie -als eene bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13:8. In het -nieuwe Jeruzalem zal de naam Gods op aller voorhoofden zijn. De leugen -is er volkomen buitengesloten, Apoc. 21:27, 22:4, 15. Litteratuur over -de profeten en de profetie bij Schultz Altt. Theol. 4e Aufl. 213 f; -en verder König, Der Offenbarungsbegriff des A. T. Leipzig, Hinrichs -1882. Kuenen, Hist. crit. Onderzoek, 2e uitg. 1889 II bl. 1 v. Smend, -Lehrbuch der altt. Religionsgesch. 1893. S. 79 f. Kuyper, Encycl. II -362 v. 429 v. C. H. Cornill, Der israel. Prophetismus, Strassburg 1894. - -4. Wonderen. Gelijk de mensch, behalve door zijne verschijning en zijn -woord, ook door zijne daden zich kennen doet, zoo openbaart zich God -ook niet alleen door zijn woorden maar ook door zijne werken. Woord en -daad staan in nauw verband. Gods woord is een daad, Ps. 33:9; en zijn -doen is een spreken, Ps. 19:2, 29:3; Jes. 28:26. Beide, woord en daad, -verzellen elkaar in schepping zoowel als in herschepping. Gemeenlijk -gaat het woord vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat -de daad als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar -doet wat Hem behaagt, Jes. 55:10, 11. Het woord eischt de daad; het -wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook het zijn -moet vernieuwd worden. De woorden, waarmede in de Schrift de daden, de -werken Gods worden aangeduid, zijn verschillend. Naar hunne uitwendige -verschijning zijn ze נִפְלָאוֹת Ex. 3:20, 34:10; Ps. 71:17; פֶּלֶא Ex. -15:11; Jes. 25:1, insignia, ingentia, of מוֹפְתִים Ex. 4:21, 7:19; Ps. -105:5, splendidum quid, beide gr. τερατα, iets bijzonders, ongewoons, -dat van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heeten -גְּבוּרוֹת Deut. 3:24; Ps. 21:14, 54:3, 66:7, δυναμεις, מַעֲשִׂים -Ps. 8:7, 19:2, 103:22; Jes. 5:19 of עֲלִילוֹת Ps. 9:12, 77:13 ἐργα -μεγαλεια, om de groote, goddelijke kracht, die er zich in openbaart. -Vooral worden ze ook genoemd אוֹת Ex. 3:12, 12:13, enz. omdat ze een -bewijs en teeken zijn van de tegenwoordigheid Gods. Die werken Gods zijn -allereerst op te merken in zijne schepping en onderhouding. Al Gods -werken zijn wonderen. Ook de werken der natuur worden menigmaal in de -Schrift met den naam van wonderen aangeduid, Ps. 77:13, 97:3, 98:1, -107:24, 139:14. Daaruit mag echter niet met Scholten, Supranaturalisme -in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme Leiden 1867 bl. 9 -v. worden afgeleid, dat de H. Schrift geen onderscheid kent tusschen -natuur en wonder. Zeker, de gedachte, dat een wonder in strijd zou zijn -met de wetten der natuur en dus onmogelijk zou wezen, komt niet op. -Veeleer gaat heel de Schrift uit van het geloof, dat voor God niets -te wonderlijk is, Gen. 18:14; Deut. 8:3 v.; Mt. 19:26. Maar daarom -ontbreekt het niet aan eene onderscheiding tusschen de gewone orde -der natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het O. T. kent eene -vaste orde der natuur, ordinantiën die voor hemel en aarde gelden, die -vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1:26, 28, 8:22; Ps. 104:5, -9, 119:90, 91, 148:6; Pred. 1:10; Job 38:10 v.; Jer. 5:24, 31:25 v., -33:20, 25. En het N. T. maakt een even duidelijk onderscheid, Mt. 8:27, -9:5, 24, 33, 13:54; Luk. 5:9, 7:16, 8:53; Joh. 3:2, 9:32, enz. Wonderen -zijn een בְּרִיאָה eene schepping, iets nieuws, dat anders nooit -gezien wordt, Ex. 34:10; Num. 16:30. De feiten, die in de H. S. als -wonderen zijn vermeld, worden ook door ons nog als wonderen beschouwd; -over de qualificatie dier feiten is er geen verschil, cf. Herzog² -17:360. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 -v. Gloatz in Stud. u. Krit. 1886, 3tes Heft S. 403 f. W. Bender, Der -Wunderbegriff des N. T. Frankf. 1871 S. 100 f. Schultz, Altt. Theol. -577 f. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring -ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen kunnen geschieden, -Ex. 7:11, 22, 8:7, 18, 9:11; Mt. 24:24; Apoc. 13:13 v.; een teeken of -wonder is op zichzelf dus niet genoeg tot verzegeling van een profeet, -Deut. 13:1-3. Maar toch is het alleen Israels God, die wonderen doet, -Ps. 72:18, 77:15, 86:10, 136:4. Soms brengt Hij die wonderen zelf -rechtstreeks tot stand; soms bedient Hij zich van menschen of engelen. -Maar altijd is het God, die ze doet. Zijne δυναμις wordt daarin openbaar, -Luk. 5:17, 14:19; Mk. 7:34; Luk. 11:20; Joh. 3:2, 5:19 v., 10:25, 32; -Hd. 2:22, 4:10. Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Mt. 12:28; -Hd. 10:38. - -De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de schepping en -onderhouding aller dingen, welke een voortdurend werk en wonder Gods -is, Ps. 33:6, 9; Joh. 5:17. Al wat geschiedt, heeft zijn laatsten grond -in den wil en de macht van God. Niets kan Hem wederstaan. Hij doet -met ’t heir des hemels naar zijn welbehagen, Jes. 55:8 v. Ps. 115:3. -Deze macht en vrijheid Gods wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5:22, -10:12, 14:22, 27:5; Jes. 40:12, 50:2, 3; Ps. 33:13-17, 104; Job 5:9 -v., 9:4 v., enz. maar komt vooral uit in de geschiedenis van zijn -volk, Deut. 10:21, 11:3, 26:8, 29:2, 32:12 v.; Ps. 66:5 v., 74:13 v., -77:15 v., 78:4 v., 135:8 v.; Jes. 51:2, 9; Jer. 32:20 v.; Hd. 7:2 v. -In deze geschiedenis treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met -verschillend doel. Nu eens, om de goddeloozen te straffen, Gen. 6:6 -v., 11, 19; Ex. 5 v.; Lev. 10:1; Num. 11:30 v., 14:21, 16:1 v., 21:6, -enz. Mt. 8:32, 21:19; Hd. 13:11, enz. Dan, om Gods volk te redden en -te verlossen, om heil en genezing aan te brengen, zooals de plagen in -Egypte, de doortocht door de Roode Zee, de wonderen in de woestijn, de -genezingen van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreeksche of -zijdelingsche bedoeling, om de zending der profeten, de waarheid van -hun woord, en alzoo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen, Ex. -4:1-9; Deut. 13:1 v.; Richt. 6:37 v.; 1 Sam. 12:16 v.; 1 Kon. 17:24; 2 -Kon. 1:10, 20:8; Jes. 7:11, enz.; Mt. 14:33; Luk. 5:24; Joh. 2:11, 3:2, -5:36, 6:14, 7:31, 9:16, 10:38, 12:37; Hd. 2:22, 10:38, enz. Profetie -en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen hebben het -bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot ook in zijne wonderen -geweest, Ex. 5-15; Deut. 34:10-12. Zijne zonde bestond eenmaal in twijfel -aan Gods wondermacht, Num. 20:10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een -cyclus van wonderen, 1 Kon. 17-2 Kon. 13. Bij de latere profeten nemen -de wonderen niet zoo groote plaats meer in. Dikwerf bedienen zij zich -van zoogenaamde symbolische handelingen, om daarmede hunne profetie te -bevestigen en als het ware aanvankelijk te realiseeren, 1 Kon. 11:29-39, -20:35 v., 22:11; Jes. 7:3, 8:1, 20:2 v., 21:6, 30:8; Jer. 13, 16, 18, -19, 25:15, 27, 28:10 v., 32:6, 43:8; Ezech. 4, 5, 6:11, 7:23, 12:3, -17:1; Hos. 1-3; Hd. 21:10 v., Schultz, Altt. Theol. 250 f. Smend, -Lehrb. der altt. Rel. Gesch. 88. König, Der Offenbarungsbegriff II 111 -f. Maar toch worden ook van hen nog wonderen verhaald en hebben ze de -overtuiging, wonderen te kunnen doen, Jes. 7:11, 16:14, 21:16, 38:7 -cf. 2 Kon. 20; Jer. 22:12, 30, 28:16, 29:22, 36:30, 37:7 v.; Dan. 1-6. -Maar al die wonderen in het O. T. hebben niet bewerkt eene verheffing, -eene vernieuwing der natuur. Zij hebben hunne werking gehad. Zij hebben -de menschheid beurtelings gestraft en gezegend, en in ieder geval voor -den ondergang bewaard. Ze hebben in Israel een eigen volk gecreëerd, -uit de dienstbaarheid van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de -Heidenen bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende -macht der natuur. Maar zij waren momentaan, gingen voorbij, verminderden -in werking en werden vergeten. Het leven nam zijn gewoon verloop. De -natuur scheen te zegepralen. Toen verhief de profetie hare stem en zij -sprak, dat Israel niet onder kon gaan en vervloeien in ’t natuurleven -der Heidenen. God zal op nieuw en in grootere heerlijkheid tot zijn volk -komen. God zal zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond, -Ps. 89:1-5; Jes. 54:10. Met dat komen Gods gaat de oude tijd over in -den nieuwen. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis. Het is de -יוֹם יהוה, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid openbaren en -zijne wondermacht ten toon spreiden zal. God geeft dan wonderteekenen -aan den hemel, Am. 8:8 v.; Joel 2:30. Heel de natuur, hemel en aarde, -zullen bewogen worden, Am. 9:5; Jes. 13:10, 13, 24:18-20, 34:1-5; Joel -2:2, 10, 3:15; Mich. 1:3 v.; Hab. 3:3 v.; Nah. 1:4 v.; Ezech. 31:15 v., -32:7 v., 38:19 v. Het gericht zal gaan over de goddeloozen, Jes. 24:16 -v. enz. maar het zal ook louteren en bevrijden. God zal zijn volk redden -door zijne wonderen, Jes. 9:3, 10:24 v., 11:15 v., 43:16-21, 52:10, -62:8. Hij doet wat nieuws op de aarde, Jes. 43:19, brengt Israel weer -uit den dood, Ezech. 37:12-14, en doet het deelen in eene volheid van -geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving der zonden, heiligheid, -een nieuw verbond, Jes. 44:21-23, 43:25; Ezech. 36:25-28; Jer. 31:31 -v.; Zach. 14:20, 21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel -zijn. Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2:17 v.; Joel -3:18; Jer. 31:6, 12-14; Jes. 11:6-8, 65:25; Ezech. 34:29, 36:29 v.; -Zach. 8:12. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de vorige -dingen zullen niet meer gedacht worden, Jes. 65:17, 66:22. Deze Jom -Jhvh, deze עֹלָם הַבָּא, αἰων μελλων, in tegenstelling met den עֹלָם -הַזֶּה, αἰων οὑτος, is naar de voorstelling der Schrift met het N. -Test. aangebroken. De komst van Christus is het keerpunt der tijden. -Een nieuwe wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf -het absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige, -volkomene mensch. In Hem is in beginsel de schepping weer hersteld, uit -haar val wederom opgeheven tot haar vroegere heerlijkheid. Zijne wonderen -zijn σημεια van de tegenwoordigheid Gods, bewijs van den Messiaanschen -tijd, Mt. 11:3-5, 12:28; Luk. 13:16, een deel van zijn Messiaanschen -arbeid. In Christus treedt eene goddelijke δυναμις op, die sterker -is dan alle verdervende en verwoestende macht der zonde. Deze macht -valt Hij aan, niet alleen in de peripherie, door ziekten en kwalen -te genezen en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar -centrum door, breekt en overwint ze. Zijne menschwording en voldoening, -zijne opstanding en hemelvaart zijn de groote verlossingsdaden Gods. -Zij zijn de principieele herstelling van het rijk der heerlijkheid. Deze -heilsfeiten zijn geen middelen alleen, om iets te openbaren, maar zij -zijn de openbaring Gods zelve. Het wonder wordt hier tot historie, en -de historie zelve is een wonder. De persoon en het werk van Christus -is de centrale openbaring Gods; alle andere openbaring groepeert zich -daar omheen. Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijne wondermacht in de -discipelen zich voort, Mt. 10; Mk. 16:18; Luk. 8. En niet alleen in de -Handelingen worden vele wonderen verhaald, 2:43, 3:5, 5:12-16, 6:8, -8:6, 7, 13, 9:34, 40, 13:11, 14:3, 16:18, 19:11, 20:10, 28:5, 8; maar -ook Paulus legt getuigenis af van deze wondermacht der apostelen, Rom. -15:18, 19; 1 Cor. 12:9, 10; 2 Cor. 12:12; Gal. 3:5, cf. Hebr. 2:4. -Een tijd lang zet deze wondermacht zich nog voort in de gemeente. Maar -ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de kerk het -voorwerp is, waarin God de wonderen zijner genade verheerlijkt, Aug. de -civ. 22:8, de util. cred. 16, de vera relig. 25. De geestelijke wonderen -zijn het, in welke God thans zijne macht en zijne heerlijkheid openbaart, -Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 249 v. 341 v. Scholten, L. H. K. -I 143. Toch wijst de Schrift heen naar eene toekomst, waarin het wonder -op nieuw zijne werking zal doen. De αἰων μελλων voleindt zich eerst -in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. -Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis zijn verzoend. -Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld is een, Op. 21-22. Cf. -Oehler Theol. des A. T. 1882 S. 210 f. Schultz, Altt. Theol. 270 f. -534 f. 577 f. Smend, Lehrb. der Altt. Rel. Gesch. 88 f. W. Bender, Der -Wunderbegriff des N. T. Frankf. a/M. 1871. Ph. Schaff, Jezus Christus, -het wonder der geschiedenis 1867. Neander, Gesch. der Pflanzung u. -Leitung der Chr. K. 5e Aufl. 1862 S. 49 f. 154 f. 336 f. Tholuck, -Vermischte Schriften, Hamb. 1839 I 28 f. - - -B. Begrip der bijzondere openbaring. - -5. Het openbaringssysteem, dat de Schrift ons kennen doet, is in de -christelijke theologie al te veel miskend en verwaarloosd. Eerst in -den nieuweren tijd is het begrip en het wezen der openbaring voorwerp -van dieper onderzoek geworden. Vroeger werd daaraan geen behoefte -gevoeld. Tusschen de Christenen en de Heidenen was de mogelijkheid der -openbaring niet in geschil. Strijd was er alleen over de waarheid van -die openbaring, welke in O. en N. Test. werd geleerd. En deze werd op -allerlei gronden door de apologeten tegenover de aanvallen vooral van -Celsus en Porphyrius betoogd. Overigens kwamen de gedachten over de -openbaring neer op dit schema: God kan alleen door God worden gekend. -Alle kennis en dienst Gods berust dus op openbaring zijnerzijds. Maar de -openbaring Gods in natuur en geschiedenis is onvoldoende. Daarom is -er eene bijzondere openbaring noodig, die in Christus haar hoogtepunt -bereikt, Harnack, Lehrb. der Dogmengesch. I² 420 f. 436 f. 453 f. De -volgende theologen, vooral ook de scholastici, besteedden alle zorg -aan het bepalen en omschrijven van de verhouding tusschen natuur en -openbaring, weten en gelooven, philosophie en theologie, maar dachten -het begrip der openbaring niet in en brachten het ook slechts in -het voorbijgaan ter sprake, cf. Thomas S. Theol. I qu. 57 art. 5 ad -3. II 2 qu. 2 art. 6. III qu. 55 art. 3. Ook de Protest. theologen -hebben aan dit begrip te weinig aandacht gewijd. Zij vereenzelvigden de -openbaring terstond met de H. Schrift en ontkwamen niet geheel aan -de abstract-supranaturalistische en eenzijdig-intellectualistische -opvatting, welke allengs in de theologie van haar gevormd was. Cf. -Gerhard, Loci Theol. I § 12. Calovius, Isagoge ad theol. p. 101 -sq. 142 sq. Polanus, Synt. Theol. VI 9. Maresius, Syst. Theol. I § -15 sq. Heidegger, Corpus Theol. XII 46. Het Socinianisme dreef dit -bovennatuurlijk en verstandelijk begrip van de openbaring op de spits, -Fock, Der Socin. 296 f. 314 f. Het Remonstrantisme had wezenlijk -dezelfde voorstelling, Limborch, Theol. Christ. II 9, 18. Tusschen het -rationalisme en supranaturalisme was over het begrip der openbaring -geen verschil; voor beide bestond zij in eene uitwendige mededeeling -van leer. Het was niet te verwonderen, en ook ten volle verdiend, dat -zulk een openbaringsbegrip de kritiek van het deïsme en rationalisme -niet kon doorstaan. Wat was de religieuse waarde van eene openbaring, -welke niets gaf dan eenige verstandelijke waarheid, die misschien later -door de rede zelve nog gevonden zou zijn? Toch bleek het, dat men al -te spoedig met het begrip der openbaring had afgerekend. Religie en -revelatie toonden bij dieper historisch en wijsgeerig onderzoek eene veel -nauwere verwantschap, dan men vroeger gemeend had. Zoo kwam het begrip -der openbaring in de nieuwere theologie en philosophie weer meer tot -eere en werden verschillende pogingen tot reconstructie beproefd. - -Hamann, Claudius, Lavater, Herder, Jacobi e. a. wezen op de -verwantschap van religie en kunst en brachten de openbaring met de -geniale inspiratie in verband. Het begrip der openbaring werd zoo -uitgebreid, dat alles openbaring werd. Religie, poëzie, philosophie, -geschiedenis, taal zijn verschillende uitingen van eenzelfde -oorspronkelijk leven. Omnia divina et humana omnia. En in het midden -van al deze openbaringen staat Christus; naar Hem wijst alles heen, -om Hem groepeert zich alles, Ehrenfeuchter, Christenthum und moderne -Weltanschauung, Göttingen 1876 S. 243 f. Ook Schleiermacher, Glaub. § -10, 13 verwierp beslist de rationalistische leer van de openbaring. -Hij zocht haar eigenaardigheid niet in het al of niet bovennatuurlijk -karakter, dat ze draagt, maar in het nieuwe en oorspronkelijke, waarmede -een persoon of eene gebeurtenis in de historie optreedt. Openbaring -is daarom verwant met poëtische en heroïsche bezieling, en bestaat -feitelijk in het wekken van nieuwe, oorspronkelijke aandoeningen van -het religieus gevoel. Door Schleiermacher werd die opvatting van de -openbaring voorbereid, welke haar bestaan laat niet in meedeeling -van leer maar van leven. Rothe, Zur Dogmatik 1862 S. 55-120 heeft -aangaande de openbaring als inspiratie dezelfde gedachte, maar hij neemt -daarbij als constitutief element van de openbaring nog eene uitwendige, -historische manifestatie aan, opdat de inwendige openbaring, de -inspiratie, niet magisch en mechanisch zij. De eigenaardigheden van -het begrip der openbaring bij de theologen, die min of meer aan -Schleiermacher zich aansluiten, bestaan dan vooral hierin: openbaring -is van de theopneustie, van de H. Schrift te onderscheiden, de Schrift -is niet de openbaring maar haar oorkonde; openbaring is een religieus, -nader nog een soteriologisch begrip, met geniale, poëtische, heroïsche -bezieling wel verwant maar niet identisch; zij is correlaat der religie -alleen; uitgaande van God als Verlosser, heeft ze geen leer over -allerlei physische, historische en metaphysische dingen tot inhoud, -maar alleen religieus-ethische waarheid, zij is meedeeling van leven, -zelfmededeeling Gods; zij is niet in strikten zin bovennatuurlijk, maar -echt natuurlijk en menschelijk; zij is eindelijk niet alleen uitwendig -(manifestatie), maar ook inwendig en geestelijk (inspiratie). Daarbij is -er nog wel verschil over begin, omvang, einde der openbaring, maar in -hoofdzaak is dit toch de opvatting, gelijk ze gevonden wordt bij Nitzsch, -System der chr. Lehre § 22. Twesten I 341 f. Martensen § 11, 12. Lange -I § 56 f. Dorner I 569 f. Frank, System der chr. Wahrheit 2e Aufl. II -8 f. Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 192 f. Saussaye, mijne theologie -35 v. Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 21 v. enz. Maar niet -alleen Schleiermacher en zijne school hebben het openbaringsbegrip tot -nieuw leven gebracht, maar ook Schelling en Hegel hebben hetzelfde op -hunne wijze beproefd. Door hen kreeg het rationalisme een speculatief -karakter. Zij trachtten de christelijke openbaring niet door eene -verstandskritiek te vernietigen, maar zochten speculatief de diepe -idee op te sporen, welke aan haar en aan alle christelijke dogmata ten -grondslag lag, en stelden zich alzoo als speculatief rationalisme -tegenover het vulgaire rationalisme van vroeger tijd. Volgens Schelling -in zijne eerste periode was heel de wereld de zelfopenbaring Gods. De -natuur is de zichtbare geest, de geest de onzichtbare natuur. Gods -wezen wordt den mensch kenbaar uit heel de natuur, vooral echter -uit de ontwikkeling van den menschelijken geest in kunst, religie en -wetenschap. En zoo leerde ook Hegel, dat God zich niet aan den mensch -openbaart door eene voorbijgaande gebeurtenis in den tijd, maar Hij -openbaart zich in den mensch zelf, en wordt zichzelf in den mensch -bewust. En dit zichzelf bewust worden van God in den mensch, is het -weten des menschen van God, is religie, Religionsphilosophie 1832 I -29. II 158. Encyclop. S. 576. Openbaring is bij Hegel dus gelijk met de -noodwendige zelfopenbaring, met het zich zelf bewust worden van het -Absolute in den menschelijken geest; de geschiedenis der godsdiensten -is de geschiedenis van het tot zichzelf komen van het Absolute in het -menschelijk bewustzijn, en bereikt haar hoogtepunt in het Christendom, -dat de eenheid uitspreekt van God en mensch. Aan deze gedachte over de -openbaring, als zelfmededeeling Gods aan een iegelijk mensch sluit in -hoofdzaak die opvatting van de openbaring zich aan, welke wij vinden bij -Marheineke, Grundlehren der chr. Dogm. § 206. Rosenkranz, Encycl. der -theol. Wiss. 2e Aufl. 1845 S. 1 f. Erdmann, Glauben und Wissen 1837. -Strauss, Glaubenslehre § 19. Feuerbach, Wesen des Christ. 2e Ausg. -S. 174. Biedermann, Chr. Dogm. I 264 f. Pfleiderer, Grundriss § 16. -Lipsius, Dogm. § 52, Philos. und Religion 1885 S. 266 f. Scholten, -Initia, ed. 2. p. 26-39. L. H. K. I 165 v. 233, 299. Gemeenschappelijk -is aan dezen de ontkenning van het bovennatuurlijk karakter der -openbaring, maar overigens is er groot onderscheid over inhoud, -uitgestrektheid en wijze. Van beide groepen onderscheidt zich nog weer -het begrip van openbaring in de school van Ritschl. Het eigenaardige -van deze opvatting ligt hierin, dat er zeer weinig waarde gehecht wordt -aan de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, dat -nadruk gelegd wordt op het positief karakter van elke religie en op het -historische, uitwendige in de openbaring, en dat voor het Christendom -die historische openbaring vooral of zelfs uitsluitend gevonden wordt -in den persoon van Christus, Ritschl Rechtf. u. Vers. III³ 190 f. 599 -f. Kaftan, Wesen der chr. Religion 171 f. 295 f. Herrmann, Der Begriff -der Offenbarung Giessen 1887. G. v. Schulthess-Rettberg, Der Gedanke -einer göttlichen Offenbarung, Zurich 1893. Nitzsch, Lehrbuch der ev. -Dogm. S. 131 f. Cf. de Groninger school hier te lande, Hofstede de -Groot, De Groninger Godgeleerden in hunne eigenaardigheid 42 v. - -Aan een duidelijk en helder begrip van de openbaring ontbreekt het nog -in de dogmatiek. Er is onder de theologen verschil over alles, wat bij -dat begrip in aanmerking komt. Misschien is er eene grens te trekken -tusschen hen, die eene bovennatuurlijke of alleen eene natuurlijke -openbaring aannemen. Maar ook dan rijst de vraag, of het bovennatuurlijk -karakter der openbaring ligt in de wijze, waarop zij tot ons kwam, of in -het nieuwe, oorspronkelijke van den inhoud (Schleiermacher). Waarin is -verder de bovennatuurlijke openbaring onderscheiden van de natuurlijke -openbaring in natuur en geschiedenis, vooral van de religieuse, -poëtische, heroïsche inspiratie, die ook buiten het Christendom -wordt aangetroffen en zoo dikwerf met de christelijke openbaring in -verband is gebracht (Hamann, Herder, Jacobi, Schleiermacher)? Waar -is vervolgens die bovennatuurlijke openbaring te vinden, ook in de -religies der Heidenen, of alleen in Israel, of zelfs uitsluitend in -den persoon van Christus (Schleiermacher, Ritschl). Hoever strekt zij -zich uit na Christus, is zij tot Hem beperkt, of is ook de werking -des H. Geestes in wedergeboorte, bekeering enz. nog onder het begrip -van openbaring te rekenen (Frank)? Is haar inhoud in de eerste -plaats kennis, zoodat zij het verstand verlicht (Hegel, Biedermann, -Scholten), of is ze voornamelijk mystisch van aard, eene werking op het -gemoed, eene aandoening, opwekking van het gevoel (Schleiermacher, -Lipsius, Opzoomer, Ethischen)? Is bij de openbaring het uitwendige, het -historische, de manifestatie, hetzij dan in natuur (Hegel, Scholten), -hetzij in de historie (Schelling, Ritschl), of bepaald ook als wonder -(Rothe) de hoofdzaak, of ligt het zwaartepunt in het subject in de -zelfopenbaring van den absoluten Geest, van God, aan den mensch -(Biedermann, Lipsius)? - -6. De openbaring, welke de Schrift ons kennen doet, bestaat niet in -enkele onsamenhangende woorden en feiten, maar is één historisch en -organisch geheel, een machtig wereldbeheerschend en wereldvernieuwend -systeem van daden Gods. Zij treedt, gelijk wij zagen, in drie vormen op, -theophanie, profetie en wonder, שְׁכִינָה, נְבוּיָה en בְּרִיאָה. -Maar deze drie staan niet los naast elkaar; zij vormen één geheel en -beoogen samen één doel. Reeds door de revelatio generalis laat God -zich aan den mensch niet onbetuigd; Hij openbaart zich in natuur en -geschiedenis, Hij spreekt in hart en geweten; Hij werkt wonderen van -mogendheid. Ook de revelatio generalis mag openbaring heeten. Want in -ruimen zin is openbaring alle actie, die van God uitgaat, om den mensch -te stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. Maar door de zonde -wordt eene andere openbaring van noode, die wel in velerlei verband -staat met de revelatio generalis maar die er toch wezenlijk, in vorm -en inhoud, van onderscheiden is. Zij richt zich toch tot den gevallen -mensch, en moet dus zijn eene openbaring van genade. De revelatio -specialis is het zoeken Gods van en het komen Gods tot den mensch. Hij -moet zich nu zoo openbaren en zoo spreken en zoo werken, dat de mensch -weer vernieuwd wordt naar zijn beeld. Daarom komt God tot den mensch op -menschelijke wijze. De menschwording is het centrale feit in de revelatio -specialis, hetwelk licht verspreidt over heel haar gebied. Reeds in de -schepping maakt God zich den menschen gelijk. Maar in de herschepping -wordt Hij mensch en gaat in onzen toestand in. En deze menschwording, -die de eigenlijke inhoud is van de revelatio specialis, neemt reeds in -zekeren zin terstond na den val haar aanvang. De bijzondere openbaring -Gods gaat in in de historie, en vormt eene geschiedenis, die de -eeuwen doorloopt. Zij neemt zulk een historisch karakter aan, wijl de -menschheid zelve, tot wie zij zich richt, alleen in den historischen -vorm bestaat. Zij leidt haar leven mede, volgt haar op hare gangen, -doorwandelt met haar de tijden tot den einde toe. Zij grijpt diep in -het leven der schepping terug, sluit aan de voorzienigheid zich aan -en doet haar licht stralen door het prisma van menschelijke personen, -toestanden en gebeurtenissen heen. Zij bedient zich van alle karakter -en individualiteit, van alle aanleg en gave, die in de schepping -gegeven zijn. Zij hult zich in de vormen van type en schaduw, van beeld -en symbool, van kunst en poëzie, van briefvorm en kroniek. Zij neemt -in de religie de gebruiken over, die in andere godsdiensten gevonden -worden, zooals besnijdenis en offerande, tempel en priesterschap. Zij -acht zelfs lot en droom en visioen niet te gering om ze te bezigen als -instrument. Zoo diep daalt het goddelijke in het menschelijke neer, dat -de grenzen tusschen de openbaring en de pseudoreligie schijnen te worden -uitgewischt. Godspraak en orakel, profetie en mantiek, wonder en magie -schijnen elkander te naderen. - -En toch is het een ander hart, dat in Israels religie klopt. De -peripherische en atomistische beschouwing beroept zich op zulke feiten -van overeenkomst tusschen de religie der Schrift en de godsdiensten -der volken, maar zij verklaart de openbaring niet in haar karakter -en beteekenis, en weet ten slotte met de Schrift geen raad. Daarom -moet deze beschouwing wijken voor de centrale en organische, welke -van uit het middelpunt het licht laat stralen tot aan den buitensten -omtrek. En dat centrum is de menschwording Gods. Hij is het, die in -de revelatio specialis nederdaalt en zich den menschen gelijk maakt. -Subject van de bijzondere openbaring is in eigenlijken zin de Logos, de -Malak Jhvh, de Christus. Hij is de middelaar der schepping, Joh. 1:3; -Col. 1:15, maar ook der herschepping. Του γαρ δια της ἰδιας προνοιας -και διακοσμησεως των ὁλων διδασκοντος περι του Πατρος, αὐτου ἠν και -την αὐτην διδασκαλιαν ἀνανεωσαι, Athan. de incarn. c. 14. Cf. Iren. -adv. haer. IV 6. Hij is het subject der openbaring ook reeds in het O. -Test., de engel des verbonds, die Israel leidde, Ex. 14:19, 23:20, -32:34, 33:2; Jes. 63:8, 9, de inhoud der profetie Joh. 5:39; 1 Petr. -1:11; Apoc. 19:10. Door theophanie, profetie en wonder bereidt Hij zijne -komst in het vleesch voor. De O. Test. openbaring is de geschiedenis -van den komenden Christus. Theophanie, profetie en wonder loopen op Hem -uit. In Christus vallen ze saam. Hij is de openbaring, het woord, de -kracht Gods. Hij toont ons den Vader, verklaart ons zijn naam, volbrengt -zijn werk. De menschwording is de afsluiting, het doel en het einde -beide van Israels geschiedenis, en tevens het middelpunt van alle -geschiedenis. Bis hierher und von daher geht die Geschichte (Joh. von -Müller). De incarnatie is het Centralwunder; es ist das Wunder aller -Wunder, da das Göttliche unmittelbar mit dem Menschlichen sich berührt, -Ranke, Weltgeschichte VIII 72. - -Als de openbaring Gods in Christus, in zijn persoon en werk, verschenen -en in de Schrift beschreven is, treedt er eene andere bedeeling in. -De H. Geest ging wonen in de gemeente; daarmede was het karakter der -tijden veranderd. De αἰων οὑτος ging over in den αἰων μελλων. Gelijk -in de eerste periode alles op Christus voorbereid werd, zoo wordt nu -alles van Hem afgeleid. Toen werd Christus gevormd tot het hoofd der -gemeente, nu de gemeente tot het lichaam van Christus. Toen werd het -Woord, de H. Schrift, af-, nu wordt het uitgewerkt. Maar toch neemt -ook deze bedeeling eene plaats in in het systeem der openbaring. -De openbaring is voortgezet, ofschoon gewijzigd naar den aard der -bedeeling. De openbaring, als bedoelende en voortbrengende den -Christus, heeft haar einde bereikt. Want Christus is er, zijn werk is -volbracht, en zijn woord is voltooid. Nieuwe, constitutieve elementen -van de revelatio specialis kunnen er niet meer bijkomen. De vraag is -daarom ook van ondergeschikt belang, of in de christelijke kerk nog de -gave der voorspelling en der wonderen voortduurt. De getuigenissen -der kerkvaders zijn zoo talrijk en krachtig, dat voor de oudste tijden -deze vraag moeilijk ontkennend kan beantwoord worden, Thomas II 2 qu. -178. Voetius, Disp. II 1002 sq. Gerhard, Loci, loc. 22 sectio 11. Dr. -C. Middleton, A free inquiry into the miraculous powers, which are -supposed to have subsisted in the Christian Church, 3 ed. Lond. 1749. -Tholuck, Ueber die wunder der Kath. Kirche, Verm. Schriften I 28-148. -J. H. Newman, Two essays on scripture miracles and on ecclesiastical, 2 -ed. Lond. 1870. H. Müller, Natur und Wunder, Strassb. 1892 S. 182. Maar -al zijn die gaven gebleven, de inhoud dier revelatio specialis, welke -in Christus zich concentreert en in de Schrift is neergelegd, wordt er -niet rijker door; en indien zij naar de gedachte van Augustinus, de civ. -22, 8, de util. cred. 16, de vera relig. 25 verminderd en opgehouden -zijn, die openbaring wordt er niet armer door. Hoe dit echter ook zij, -de revelatio specialis in Christus zet toch in zekeren zin in deze -bedeeling zich nog voort. Al is alle voorspelling in de christelijke -kerk opgehouden en alle wonder in eigenlijken zin voorbij, de kerk zelve -is van oogenblik tot oogenblik product der openbaring. De geestelijke -wonderen duren voort. De genade Gods in Christus verheerlijkt zich in -verlichting en wederbaring, in geloof en bekeering, in heiligmaking en -bewaring. Christus is middelaar; het is Hem om de gemeente te doen; Hij -kwam om de wereld te vernieuwen en de menschheid te herscheppen naar -het beeld Gods. De revelatio specialis vindt haar doel in het tot stand -brengen eener nieuwe orde van zaken. En daarom zet zij, in gewijzigden -vorm. d. i. in geestelijken zin ook thans nog zich voort. Haar rustpunt -vindt zij eerst in de epiphanie van Christus, in den nieuwen hemel en de -nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. - -De openbaring naar de Schrift is dus een historisch proces, een -organisch systeem, eene voortdurende goddelijke actie tot breking van -de macht der zonde, tot stichting van zijn rijk, tot herstel van den -kosmos, tot ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν Χριστῳ, Ef. 1:10. In de -theophanie stelt God zichzelf wederom als den eenigen en waarachtigen -God tegenover de afgoden van ’s menschen eigen versiering; in de -profetie plaatst Hij zijne gedachte als de waarheid tegenover de leugen -van Satan, en in het wonder betoont Hij zijne goddelijke kracht tegenover -alle werken der ongerechtigheid. In de openbaring poneert en handhaaft -God zijn Ik tegenover alle niet-ik, en brengt het trots allen tegenstand -tot algemeene erkenning en tot volkomen triumf. Soteriologisch is dus -heel de openbaring. Zij gaat uit van Christus, zoowel in O. als in N. -T. Maar soteriologisch dan opgevat in den zin der Schrift, niet in -religieus-ethischen zin, alsof de openbaring slechts religieuse en -ethische waarheid bevatten zou; nog veel minder in intellectueelen -zin, alsof de openbaring slechts in leer bestond. Maar soteriologisch -in schriftuurlijken zin, zoo n.l. dat de inhoud der openbaring niet -is leer of leven of aandoening des gemoeds maar dat ze is dat alles -te zaam, een goddelijk werk, eene wereld van gedachten en daden, -een ordo gratiae, die de ordo peccati op alle terrein bestrijdt en -verwint. Doel der openbaring is niet alleen, om den mensch te leeren -en zijn verstand te verlichten (rationalisme), om hem de deugd te doen -beoefenen (moralisme), om religieuse aandoeningen in hem te kweeken -(mysticisme). Maar het doel Gods met zijne openbaring strekt zich -veel verder en breeder uit. Het is geen ander dan om den mensch, de -menschheid, de wereld aan de macht der zonde te onttrekken, en den Naam -Gods weer te doen uitstralen in alle creatuur. De zonde heeft alles -bedorven en verwoest, verstand en wil, ethische en physische wereld. En -daarom is het ook de gansche mensch en heel de kosmos, om wiens redding -en herstel het God met zijne openbaring te doen is. Soteriologisch is -dus zeer zeker Gods openbaring, maar object van die σωτηρια is de -kosmos, en niet alleen het ethische of de wil met uitsluiting van -het verstand en niet het psychische alleen met uitsluiting van het -somatische en physische, maar alles te zamen. Want God heeft allen -onder de zonde besloten opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 5:15 -v., 11:32; Gal. 3:22. - - -C. De bijzondere openbaring en het Supranaturalisme. - -7. Deze organische opvatting van de openbaring is in de christelijke -kerk op tweeërlei wijze miskend geworden, zoowel door het -supranaturalisme als door het naturalisme (rationalisme). Tegenover -beide dient zij daarom nader in het licht gesteld en gehandhaafd te -worden. Eerst tegenover het supranaturalisme, dat vooral in Rome is -opgekomen en dan in verschillende richtingen binnen het Protestantisme -nawerkt. De Schrift kent wel onderscheid tusschen den gewonen gang -der dingen en buitengewone werken Gods, maar maakt toch nog niet de -tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk. Deze komt eerst bij de -kerkvaders voor. De bijzondere openbaring wordt met de bovennatuurlijke -vereenzelvigd en tegenover de natuurlijke gesteld. Clemens Alex., -Strom. 2, 2 spreekt reeds van ὑπερφυης θεωρια, die men verkrijgt -door het geloof. Chrysostomus, Hom. 36 in Gen, noemt de wonderen -ὑπερ φυσιν en φυσει μειζονα. Ambrosius, de mysteriis c. 9. stelt -gratia, miraculum, mysterium tegenover de ordo naturae. Johannes -Damascenus spreekt meermalen van de wonderen, zooals de ontvangenis -van Christus, de eucharistie enz. als ὑπερ φυσιν, ὑπερ λογον και -ἐννοιαν, de fide orthod. IV 12-15. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der -relig. Erk. I 82 f. Sedert heeft de onderscheiding van natuurlijk en -bovennatuurlijk ingang gevonden en burgerrecht verkregen in heel de -christelijke theologie. Zonder twijfel heeft deze onderscheiding ook -recht van bestaan. De Schrift moge ze niet met zooveel woorden maken; -zij erkent toch eene gewone orde der natuur en daarbij daden en werken, -welke hun oorzaak alleen hebben in de macht Gods. De openbaring in -de H. Schrift onderstelt, dat er nog eene andere, hoogere en betere -wereld is dan deze natuur en dat er dus eene ordo rerum is supra hanc -naturam. De begrippen van natuurlijk en bovennatuurlijk dienen daarom -duidelijk te worden bepaald. Natuur, van nasci, worden, duidt in het -algemeen datgene aan, wat zonder vreemde macht of invloed van buiten, -alleen naar zijne inwendige krachten en wetten zich ontwikkelt. Natuur -staat dan zelfs tegenover kunst, opvoeding, cultuur, geschiedenis, -welke niet vanzelf, spontaan ontstaan, maar door menschelijk toedoen -tot stand komen. Maar verder wordt het begrip natuur uitgebreid tot -heel den kosmos, voor zoover deze niet van buiten maar van binnen -uit, door immanente krachten en naar eigene ingeschapen wetten zich -beweegt en ontwikkelt. Bovennatuurlijk is dan alwat de krachten der -natura creata te boven gaat en zijne oorzaak niet heeft in de schepselen -maar in de almacht Gods. In dezen zin werd de bijzondere openbaring -in de christelijke theologie opgevat. In haar geheel genomen, had ze -haar oorsprong in eene bijzondere daad Gods, welke niet in den gewonen -gang der natuur maar in eene eigene, daarvan onderscheiden, orde van -zaken zich had geopenbaard. Daarbij werd dan verder nog onderscheid -gemaakt tusschen het bovennatuurlijke in absoluten zin, als iets de -kracht van alle creatuur te bovengaat, en het bovennatuurlijke in -relatieven zin, als het de kracht van eene bepaalde oorzaak in de -gegeven omstandigheden overtreft; en voorts ook nog tusschen het -supernaturale quoad substantiam, als het feit zelf bovennatuurlijk -is, b.v. de opwekking van een doode, en het supernaturale quoad -modum, als alleen de wijze van doen bovennatuurlijk is, b.v. de -genezing van een kranke zonder middelen, Thomas, S. c. Gent. III -101. Ook in deze onderscheidingen lag op zichzelve nog geen gevaar. -Zelfs moeten zij tegenover eene wijsbegeerte, die het bovennatuurlijke -ontkent of verzwakt, verdedigd worden. De uitdrukking bovennatuurlijk -is n.l. in de latere theologie en philosophie menigmaal in zeer -gewijzigden zin verstaan, en beurtelings met het bovenzinlijke (Kant), -het vrije (Fichte), het onbekende (Spinoza, Wegscheider), het nieuwe -en oorspronkelijke (Schleiermacher), het religieus-ethische, het -geestelijke (Saussaye), enz. vereenzelvigd. Maar zulk eene wijziging -van de vaststaande en duidelijke beteekenis van een woord leidt tot -misverstand. Indien men met bovennatuurlijk niets anders bedoelt dan -het bovenzinlijke, het ethische. enz., doet men beter den term te -vermijden. En de verwarring wordt nog grooter, als men het natuurlijke -en het bovennatuurlijke dooreen mengt en aan deze fusie dan den naam -van het Geistleibliche, Godmenschelijke, enz. geeft. Het begrip natuur -omvat al het geschapene, niet alleen de stof, de materie, maar ook -ziel en geest; niet alleen het physische maar ook het psychische, -het religieuse en het ethische leven, voor zoover het uit den -menschelijken aanleg vanzelf opkomt; niet alleen zienlijke, maar ook -onzienlijke, bovenzinnelijke dingen. Het bovennatuurlijke is niet met het -oorspronkelijke, het geniale, het vrije, het religieuse, het ethische, -enz. identisch, maar is de duidelijke en vaststaande naam alleen voor -datgene, wat uit de krachten en naar de wetten der geschapene dingen -niet is te verklaren. Tot zoover is de onderscheiding, tusschen -natuurlijk en bovennatuurlijk, die in de christelijke theologie opkwam, -volkomen juist, beslist, duidelijk, alle verwarring afsnijdend. Behoudens -het gezegde boven bl. 230 v., is bijzondere openbaring, in haar drie -vormen van theophanie, profetie en wonder, bovennatuurlijk in strikten -zin. - -Maar in de christelijke theologie werd het begrip van het -bovennatuurlijke langzamerhand nog enger begrensd. Het werd eenerzijds -van de schepping en andererzijds van de geestelijke wonderen der -wedergeboorte enz. onderscheiden. De eerste onderscheiding werd -gemaakt, omdat het bovennatuurlijke niet voor God, maar alleen voor ons -bestaat en de gewone orde, door de schepping in het aanzijn geroepen, -onderstelt. Van het bovennatuurlijke kan alleen gesproken worden, als -de natuur vooraf reeds bestaat. En andererzijds werden wedergeboorte, -vergeving, heiligmaking, unio mystica enz., wel voor rechtstreeksche -daden Gods gehouden, maar toch niet tot de bovennatuurlijke openbaring -gerekend, wijl zij niet ongewoon en zeldzaam zijn maar in de kerk tot -de gewone ordo rerum behooren. De kerk zelve is wel supranatureel -maar toch geen wonder. Ook het bovennatuurlijke en het wonder zijn -weer onderscheiden. Al het bovennatuurlijke is geen wonder, maar wel -omgekeerd. Wonderen zijn niet alleen bovennatuurlijke, maar bovendien -ook nog ongewone en zeldzame gebeurtenissen in natuur of genade. Zij -geschieden niet alleen praeter ordinem naturae alicujus particularis, -maar praeter ordinem _totius_ naturae creatae. Engelen en duivelen -kunnen in eigenlijken zin geen wonderen doen, maar alleen zulke dingen, -die ons wonderlijk toeschijnen en geschieden praeter ordinem naturae -creatae _nobis notae_, Thomas, S. Theol. I qu. 110 art. 4. S. c. Gent. -I 6. III 112. Voetius, Disp. II. 973 sq. Thomas spreekt niet alleen van -wonderen praeter en supra, maar ook contra naturam, qu. de miraculis, -art. 2 ad 3, Müller, Natur u. Wunder, Strassburg 1892 S. 145. En -Voetius zeide, dat wonderen wel niet zijn contra naturam universalem -sed supra et praeter eam, maar toch ook soms konden zijn contra naturam -aliquam particularem, Disp. II 973, cf. Gerhard, Loci Comm. Loc. 22 § -271 sq. En wonderen hadden dus de volgende kenteekenen: opus immediatum -Dei, supra omnem naturam, in sensus incurrens, rarum, ad confirmationem -veritatis, Voetius, ib. II 965. Gerhard, ib. loc. 22 § 271. Hoeveel -goeds er nu ook wezen moge in deze door de scholastiek gemaakte -bepalingen en onderscheidingen, ze brachten toch geen gering gevaar -met zich. De bijzondere openbaring werd eenerzijds losgemaakt van de -schepping en de natuur; al werd erkend, dat bovennatuurlijke openbaring -niet eerst nu maar ook reeds voor den val had plaats gehad, Calovius, -Isag. ad theol. p. 49, en dus op zichzelf niet in strijd kon zijn met de -natuur, toch werd dit niet ingedacht. Andererzijds werd de bijzondere -openbaring tegengesteld aan de geestelijke wonderen, de werken der -genade, die voortdurend plaats hebben in de kerk van Christus en dus -geïsoleerd van de herschepping en de genade. De bijzondere openbaring -kwam dus geheel op zich zelve te staan, zonder verband met natuur en -geschiedenis. Haar historisch en organisch karakter werd miskend. Zij -ging niet in wereld en menschheid in, maar bleef buiten en boven haar -zweven. Zij werd eindelijk opgevat als eene leer, als eene verkondiging -van onbegrepen en onbegrijpelijke mysteriën, wier waarheid bevestigd was -door de wonderen. Zij was en bleef in één woord een donum superadditum -van den kosmos. - -8. In Rome is dit supranaturalistisch en dualistisch stelsel consequent -uitgewerkt. In God zijn er twee conceptiën van den mensch, van zijne -natuur en bestemming. De mensch in puris naturalibus, zonder het beeld -Gods, gelijk hij feitelijk na den val nog is, kan eene zuivere kennis -van God hebben uit zijne werken, kan Hem dienen en vreezen en in eene -normale, op zich zelf goede knechtsverhouding tot Hem staan, kan alle -natuurlijke deugden beoefenen, ook zelfs de natuurlijke liefde tot God, -en kan het alzoo brengen tot een zekeren staat van geluk in dit en -in het toekomende leven. Brengt hij het zoover niet, dan is dat zijne -eigene schuld en is dit te wijten aan het niet of slecht gebruiken van -de hem geschonken natuurlijke krachten. Maar God wil aan den mensch nog -eene hoogere, bovennatuurlijke, hemelsche bestemming geven. Dan moet hij -daartoe aan den mensch verleenen dona superaddita zoowel voor als nu -na den val. Hij moet hem schenken eene bovennatuurlijke genade, waardoor -hij God op eene andere, betere, hoogere wijze kan kennen en liefhebben, -betere en hoogere deugden kan beoefenen, en eene hoogere bestemming kan -bereiken. Die hoogere kennis bestaat in de fides; die hoogere liefde -in de caritas; die hoogere deugden zijn de theologische, geloof, hoop, -liefde, welke essentieel van de virtutes cardinales (intellectuales et -morales) zijn onderscheiden; en die hoogere bestemming bestaat in het -kindschap Gods, de geboorte uit God, de unio mystica, de gemeenschap -aan de Goddelijke natuur, de θεωσις, deificatio, de visio Dei enz. Deze -leer is in sommige uitspraken der kerkvaders reeds voorbereid, maar is -toch eerst ontwikkeld door de scholastiek, vooral door Halesius, Summa -universae Theol. II qu. 91 m. 1. a. 3. Bonaventura, Breviloquium V cap. -1. Thomas disp. de verit. qu. 27. S. Theol. I 2. qu. 62 art. 1. In den -strijd tegen Bajus en Jansenius werd ze kerkelijk vastgesteld, Denzinger, -Enchir. symbol. et definit. num. 882 sq. en door het Vaticanum -nadrukkelijk uitgesproken, Sess. III cap. 2: revelatio absolute -necessaria dicenda est, -- -- quia Deus infinita bonitate sua ordinavit -hominem ad finem supernaturalem, ad participanda sc. bona divina. quae -humanae mentis intelligentiam superant, met beroep op 1 Cor. 2:9. Cf. -Canones II 3. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. 1872 II S. 3-151. -Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. I 105 f. II 75 f. Scheeben, -Handb. der kath. Dogm. II 1878 S. 240 f. Id. Natur u. Gnade Mainz -1861. Schäzler, Natur u. Gnade. Oswald, Religiöse Urgeschichte der -Menschheit 2e Aufl. 1887 § 1 f. - -Nu dient erkend te worden dat het onderscheid in den toestand -vóór en na den val niet ligt in openbaring op zich zelve. Er was -bovennatuurlijke openbaring ook in het paradijs, Gen. 1:28 v.; 2:16 v.; -ze is dus niet door de zonde eerst noodzakelijk geworden. Zelfs was er -ook in den status integritatis eene openbaring der genade, want ook -toen was de relatie der liefde, waarin God zich stelde tot den mensch, -een betoon van ongehoudene goedheid. Wat door de zonde dus noodzakelijk -is gemaakt, is niet de openbaring op zichzelf, maar de bepaalde inhoud -der openbaring, dat is de gratia specialis, de openbaring Gods in -Christus, de ἐνσαρκωσις του θεου. Openbaring Gods is er noodig geweest -ook voor de religie in den status integritatis. Maar de religio -christiana is op eene bijzondere, bepaalde openbaring gegrond. Hierop -heeft Paulus het oog als hij in 1 Cor. 2 vs. 4-16 spreekt van de wijsheid -Gods, die altijd verborgen is geweest en in het hart des menschen niet -is opgeklommen. Rome kan dit eigenlijk zelf niet ontkennen, tenzij het -de leer aanvaarde, dat, in de onderstelling dat God aan den mensch -een finis supernaturalis wilde schenken, heel de supranatureele orde, -die er nu is in de incarnatie, de kerk, de sacramenten, ook zonder en -buiten de zonde noodzakelijk zou geweest zijn. Daarmede zou echter het -soteriologisch karakter der openbaring geheel te loor gaan, de val zijn -beteekenis verliezen en de zonde hoegenaamd geene verandering hebben -gebracht. De leer van den finis supernaturalis heeft dan ook in de -Roomsche kerk altijd veel tegenspraak ontmoet, bij Bajus, Jansenius, -Hirscher, Hermes, Günther; maar ze hangt ten nauwste saam met heel het -Roomsche systeem, dat gebouwd is niet op de religieuse tegenstelling -van zonde en genade, maar op het graadonderscheid in het goede, op -de rangordening der schepselen en der deugden, op de hierarchie in -physischen en in ethischen zin. De Reformatie had echter maar ééne -idee, ééne conceptie van den mensch, nl. die van beelddrager Gods, en -deze gold voor alle menschen. Als dat beeld in engeren zin verloren -is, dan is daarmee heel de menschelijke natuur geschonden, en kan de -mensch geen religie en geen ethos meer hebben, welke aan den eisch -Gods en aan zijne eigene idee beantwoorden. Dan is zijne religie en zijne -deugd, hoe schoon ze schijnen, toch in den wortel bedorven. Er is geen -religio naturalis. Alle religies zijn superstities geworden. Maar daarom -is de religio christiana ook essentieel één met de religio vera in -den status integritatis. De Gereformeerden dreven dit zoover, dat ze -zeiden dat ook Adam de kennis der triniteit en het geloof had gehad, -dat ook toen de Logos mediator was geweest, niet reconciliationis maar -unionis, dat ook toen de H. Geest de auteur van alle deugd en kracht -was enz. De ware gedachte lag erin, dat de wil van God geen willekeur -is, die beurtelings deze en dan die idee van den mensch zich vormt; -dat de conceptie van den mensch, de natuur van het beeld Gods, en dus -ook de religio ééne moet zijn. En daaruit volgde dan eindelijk, dat de -openbaring niet absoluut maar relatief, niet quoad substantiam maar -quoad modum noodzakelijk was. De religio is ééne voor en na den val; dat -ze echter christiana is, dat is noodzakelijk geworden door de zonde. De -religio christiana is middel, geen doel; Christus is middelaar, maar -het einde is ὁ θεος τα παντα ἐν πασιν, 1 Cor. 15:28. - -Daarmede is nu verder gegeven, dat de openbaring niet absoluut kan -staan tegenover de natuur. Bij Rome is er quantitatieve tegenstelling; -de religio naturalis is essentieel verschillend van de religio -supernaturalis; beide staan naast elkaar; het zijn twee geheel -verschillende concepties, twee gansch onderscheiden systemen en -ordeningen; de ordo gratiae heft zich hoog op boven de orde naturae. -Maar de Reformatie heeft die quantitatieve tegenstelling in eene -qualitatieve omgezet. De openbaring staat niet tegenover de natuur, -maar tegenover de zonde. Dat is de macht, die de openbaring zoekt te -breken, maar de natuur herstelt zij en voltooit zij. De schepping zelve -is reeds openbaring. Openbaring was er voor den val. Openbaring is er -ook nu nog in alle werken van Gods handen in natuur en geschiedenis. -Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit de schepselen verstaan -en doorzien. Analogieën van profetie en wonder zijn er ook buiten de -revelatio specialis. De inspiratie der helden en kunstenaars, de -wondere krachten, die soms aan ’t licht treden, kunnen tot opheldering -en bevestiging dienen van de openbaringsfeiten, in de Schrift -vermeld. Zelfs de mantiek en magie in de heidensche godsdiensten -zijn verschijnselen, die als caricatuur nog gelijkenis toonen met het -oorspronkelijk beeld in de openbaring. Ja, deze grijpt zelve als het -ware in de natuur terug, sluit zich daarbij aan en bereidt zich daarin -voor. De gratia communis wijst naar de gratia specialis heen, en -deze neemt gene in dienst. Natura commendat gratiam, gratia emendat -naturam. Even creation itself is built up on redemption lines, Orr, The -christian view of God and the world, p. 323. Zie verder mijne rede over -De algemeene Genade, Kampen 1894. - - -D. De bijzondere openbaring en het Naturalisme - -9. De principieele bestrijding van de openbaring nam eerst een aanvang -in de nieuwere philosophie. Spinoza behoudt het woord openbaring nog -wel en acht ze zelfs noodzakelijk, Tract. theol.-polit. cap. 15, 27, -maar hij verstaat daaronder niets anders, dan dat de eenvoudigen de -ware religie, het woord Gods, niet door het licht der rede kunnen -vinden, maar op gezag moeten aannemen, ib. cap. 15, 44. cap. 4, 22-37. -Overigens erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijken zin; alle -decreta Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identisch, -ib. cap. 4, 37; 3, 8; 6, 9, etc.; profetie en wonder werden aan eene -scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard, ib. cap. -1-6. Deze kritiek werd door het deïsme en rationalisme voortgezet. -Maar het rationalisme kan in verschillende vormen optreden en -wisselt telkens van beteekenis, cf. Kant, Religion innerhalb usw. -ed. Rosenkranz S. 185. Wegscheider, Instit. Theol. § 7 d. § 11-12. -Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, § 34. -Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 141 f. In de eerste plaats wordt met -rationalisme die richting aangeduid, welke wel eene bovennatuurlijke -openbaring aanneemt, maar de beslissing over de echtheid en den -zin dier openbaring opdraagt aan de rede; daartoe behoorden vele -Cartesiaansche theologen, zooals Roell, Wolzogen, G. W. Duker, en -ook Leibniz, Wolff e. a. Vervolgens is rationalisme de naam voor die -meening, welke nog wel een bovennatuurlijke openbaring mogelijk acht, -maar alleen van zulke waarheden, welke de rede vroeger of later toch -ook zou hebben kunnen vinden. De openbaring is dan slechts tijdelijk en -toevallig van noode; ze dient slechts als voorbereiding en opvoeding -voor de algemeene heerschappij der Vernunftreligion; ze geeft slechts -spoediger en gemakkelijker, wat de rede anders bij langer en moeilijker -weg zou hebben bereikt. Zoodanig is het begrip der openbaring bij -Lessing, Erziehung des Menschengeschlechts 1780, Fichte, Versuch -einer Kritik aller Offenbarung 1792, en Kant, Religion usw. 1793. In -de derde plaats staat als rationalisme die theologie bekend, welke -alle bovennatuurlijke openbaring ontkent, maar toch wel aanneemt dat -God door bijzondere schikkingen zijner Voorzienigheid personen heeft -toegerust en wegen heeft gebaand, die de menschheid brengen kunnen tot -eene betere en zuiverder kennis der religieuse waarheid. Van dezen is -Wegscheider de voornaamste representant, Instit. theol. I § 12 p. 58, -en voorts Röhr, Henke, Gabler, Paulus, Gesenius, enz. En eindelijk wordt -de naam van rationalisme nog gegeven aan die richting, welke sedert -het midden der 17e eeuw naturalisme, in Engeland deisme heette en ook -atheisme, materialisme werd genoemd, en die alle openbaring ontkennend, -de religio naturalis voor volkomen voldoende hield. Daartoe behooren -Spinoza, Lud. Meyer, Voltaire, Rousseau, Reimarus, Nicolai, enz. - -De argumenten, door dit rationalisme tegen de openbaring ingebracht, -komen hierop neer: Openbaring is allereerst onmogelijk van de zijde Gods, -want zij zou meebrengen, dat God veranderlijk was, dat zijne schepping -onvolmaakt en gebrekkig was en daarom verbetering behoefde; en dat Hij -zelf, anders een Deus otiosus, dan alleen werkte, wanneer Hij werkt -op buitengewone wijze. Voorts is openbaring ook onmogelijk van de zijde -der wereld, wijl de wetenschap hoe langer hoe meer tot de ontdekking -is gekomen, dat deze altijd en overal door een onverbrekelijk systeem -van wetten wordt beheerscht, hetwelk voor een bovennatuurlijk ingrijpen -Gods geen ruimte laat; de wetenschap gaat van dit causaal verband -der dingen uit en kan ook niet anders; het supranaturalisme maakt de -wetenschap onmogelijk, stelt willekeur in plaats van regel; naarmate -de wetenschap dan ook is voortgeschreden, hebben alle verschijnselen -hun supranatureel karakter verloren; er bestaat zelfs geen recht, om -tegen alle ervaring in een verschijnsel voor supranatureel te houden; le -surnaturel serait le surdivin. Vervolgens is openbaring, ook al ware -zij geschied, toch voor den ontvanger zelven en nog meer voor degenen, -die na hem leven, onherkenbaar en onbewijsbaar: hoe is het ooit uit te -maken dat eene profetie of een wonder van God, en niet b.v. van den -duivel, herkomstig is? Waaraan is eene openbaring kenbaar voor hem, die -ze ontvangt en voor hen, die later leven? Zulke criteria zijn er niet -aan te geven. Zij, die eene openbaring aannemen, gelooven dus alleen op -menschelijk gezag, en hangen in de hoogste en gewichtigste zaken van -menschen af. Que d’hommes entre Dieu et moi! En eindelijk, openbaring -strijdt met de menschelijke rede; want wat men ook zeggen moge, alle -openbaring, die supra rationem is, is daardoor ook contra rationem, zij -onderdrukt dus de rede en leidt tot dweeperij; maar bovendien, indien de -openbaring iets meedeelt dat supra rationem is, dan kan ze ook nooit -worden opgenomen en geassimileerd en blijft ze steeds als een onbegrepen -mysterie buiten ons bewustzijn staan; en indien ze iets meedeelt, wat -de rede zelve had kunnen vinden, dan is ze onnoodig, geeft hoogstens -slechts eerder en lichter wat anders toch verkregen zou zijn, en berooft -de rede onnoodig van haar kracht en energie. Cf. Wegscheider, Instit. -theol. § 10-12. Bretschneider, Handbuch der Dogm. 4e Aufl. I 188-329. -Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 141 f. 165. - -10. De openbaring, welke in de H. Schrift is neergelegd, is een lastig -feit voor elk die haar ontkent. Want ook wie hare mogelijkheid en -werkelijkheid bestrijdt, moet toch streven naar eene verklaring van haar -historisch ontstaan. Uit bedrog is zij niet voortgekomen, evenmin als -de religie. Het geloof aan openbaring is niet iets willekeurigs of -toevalligs, dat slechts onder bijzondere omstandigheden hier of daar -voorkomt, maar is wezenlijk eigen aan alle religie. Zoo eenvoudig, -als het rationalisme het zich soms voorstelde, is de kwestie van de -openbaring niet. Dit blijkt al dadelijk daaruit, dat alle pogingen, van -naturalistische zijde aangewend, om de bijbelsche wonderverhalen op -natuurlijke wijze te verklaren, tot dusver schipbreuk hebben geleden. -Als de openbaring, in al hare vormen, van theophanie, profetie en -wonder, niet werkelijk bovennatuurlijk is maar slechts in dien zin van -God herkomstig is, als alle werkzaamheid des menschen in Hem haar -laatste oorzaak heeft; dan is men genoodzaakt, om of tot de zoogenaamde -materieele of tot de formeele interpretatie der wonderverhalen de -toevlucht te nemen. Dat is, men kan eenerzijds de feiten tot op -zekere hoogte onaangetast laten en voor waarheid aannemen; men zoekt -deze feiten dan te verklaren uit de onkunde des volks aangaande de -natuurlijke oorzaken en uit de religieuse behoefte om alles direct -aan God toe te schrijven, Spinoza, Tract. theol. pol. cap. 1 en 6. -Hase, Dogm. § 19. Leben Jesu § 15. Strauss, Glaub. I 280. Scholten, -Supranat. in verband met Bijbel, Christ. en Prot. 1867, bl. 8 v.; of -men verklaart ze physisch uit onbekende natuurkrachten, Kant, Religion -ed. Rosenkranz 101. Morus, Epitome Theol. Christ. p. 23. Schweizer, -Glaub. der ev. ref. K. I 324 f.; of psychologisch uit eene bijzondere -virtuositeit, om het toekomstige vooruit te gevoelen, Bretschneider, -Dogm. I S. 300. Hase, Dogm. § 137, en om kranken zonder middelen te -genezen, Weisse, Philos. Dogm. I S. 115. Ammon, Gesch. des Lebens Jesu -248; of teleologisch uit zoodanige schikking en ordening der in de -natuur liggende, physische en psychische, krachten, dat zij een ongewoon -resultaat teweegbrengen en tot erkenning van Gods voorzienigheid en -tot geloof aan den prediker aansporen, Wegscheider, Inst. Theol. § 48. -Bretschneider, Dogm. I 314. Of men kan andererzijds oplossing zoeken in -de formeele of genetische verklaring, d. i. in eene bijzondere opvatting -van de berichten aangaande de openbaring; men roept dan te hulp de -Oostersche voorstelling en inkleeding, en de accommodatie van Jezus -en de apostelen naar de volksvoorstellingen, cf. Bretschneider, Syst. -Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4e Aufl. S. 135 f. Herzog² -art. Accomodation; of men zoekt raad bij de allegorische, Woolston, -Discourses on the miracles of our Saviour 1727; of bij de natuurlijke, -Paulus van Heidelberg, Philol.-krit. u. histor. Commentar über das N. -T. 1800-1804. Leben Jesu 1828. Exeg. Handbuch über die 3 ersten Evang. -1830-33; of bij de mythische, Eichhorn, Gabler, G. L. Bauer, Strauss, -Leben Jesu 1835; of bij de symbolische verklaring, A. D. Loman, Gids -Febr. 1884. Cf. Wegscheider, Instit. Theol. S. 214. Bretschneider, -System. Entw. S. 248 f. Denzinger, Vier Bücher von der relig. -Erkenntniss II 156 f. 335 f. 405 f. - -Maar al deze verklaringen hebben weinig succes gehad. De Schrift -is nu eenmaal niet naturalistisch of rationalistisch te duiden. De -openbaringsfeiten zelve, welke de Schrift ons meedeelt, staan aan al -dergelijke pogingen in den weg. Want wel is waar, dat de openbaring -in de Schrift, in vorm velerlei overeenkomst heeft, met die, waarop -andere godsdiensten zich beroepen; toch staat zij er in beginsel -tegenover, zij maakt tusschen deze en zichzelve een beslist onderscheid; -zij schrijft welbewust en volkomen verzekerd haar oorsprong alleen -toe aan eene buitengewone werking Gods. De Schrift verbiedt alle -waarzeggerij en tooverij, Num. 19:16, 31, 20:6, 27; Deut. 18:10 v.; -Jes. 8:9; Jer. 27:9; Hd. 8:9 v., 13:8 v., 19:13; Apoc. 21:8, 22:15. -Profeten en apostelen willen daarmede niets te maken hebben. Zij staan -er lijnrecht tegenover en volgen geen kunstig verdichte fabelen, 2 Petr. -1:16. De profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens -menschen, maar de H. Geest heeft de profeten gedreven, 2 Petr. 1:21; 1 -Cor. 2:11, 12. Het wonder is een σημειον van de tegenwoordigheid Gods. -De klare zelfbewustheid, die wij allerwege bij de profeten aantreffen, -en de volkomen heldere zelfgetuigenis, die de openbaring overal in -de Schrift vergezelt, bieden een onoverkomelijk struikelblok voor de -naturalistische verklaring. Ook de psychologische methode Strauss, -Glaub. I 77. Kuenen, De profeten I 106 v., kan aan deze zelfbewustheid -en zelfgetuigenis van profeten en apostelen, ja van Christus zelven, -geen recht laten wedervaren. Dankbaar mag erkend worden, dat de moderne -opvatting van de openbaring er geen oogenblik meer aan denkt, om de -profeten en apostelen voor opzettelijke bedriegers te houden. Maar -zij kan toch niet ontkomen aan de conclusie, dat al deze mannen arme -bedrogenen en ter goeder trouw dwalenden waren, wijl zij zich beriepen -op eene vermeende openbaring en optraden met eene ingebeelde goddelijke -autoriteit. De kwestie staat immers niet zoo, alsof de openbaring -alleen zekere feiten bevat, wier interpretatie zij aan ons inzicht -overlaat. Maar zij werpt zelve op die feiten een eigenaardig licht; zij -heeft, om zoo te zeggen, over die feiten eene eigene beschouwing en -eene eigene theorie. In de openbaring der Schrift gaan woord en feit, -profetie en wonder altijd hand aan hand. Beide zijn noodig, opdat zoowel -het bewustzijn als het zijn worde herschapen en heel de kosmos van de -zonde worde verlost. The light needs the reality and the reality needs -the light, to produce -- -- -- the beautiful creation of His grace. To -apply the kantian phraseology to a higher subject, without God’s acts -the words would be empty, without His words the acts would be blind, -Dr. Vos, The idea of biblical theology as a science and as a theol. -discipline, New-York, Randolph and Co. 1894 p. 15. Zie ook Kuyper, Uit -het Woord I 1873 bl. 69-160. Beide, woord en feit, zijn in de openbaring -zoo innig saamgeweven, dat het eene niet aangenomen of verworpen -kan worden zonder het ander. Elke poging, om de openbaringsfeiten -naturalistisch te verklaren, is tot dusver dan ook altijd geëindigd met -de erkenning, dat er tusschen de supranatureele wereldbeschouwing der -Schrift en die der naturalisten eene diepe klove gaapt en verzoening -onmogelijk is. De Hoogleeraar Scholten leverde hiervan een treffend -voorbeeld. Eerst nam hij de uitspraken van den johanneïschen Jezus -nog als waarheid aan. Toen trachtte hij die uitspraken te verklaren -naar zijne gewijzigde inzichten, en de exegese dienstbaar te maken -aan zijne heterodoxe dogmatiek. En eindelijk in 1864 erkende hij open, -dat de wereldbeschouwing van den vierden evangelist eene andere -dan de zijne was. Het Evangelie naar Johannes 1864 bl. III-VI. Elke -negatieve richting erkent ten slotte, dat de openbaring der Schrift -in de orthodoxie nog het zuiverst opgevat en weergegeven wordt. Het -radikalisme laat de Schrift voor wat ze is en heeft met de openbaring -afgedaan. Daarmede is de vraag tot haar diepste beginsel herleid. De -al of niet erkenning van de openbaring wordt beslist door onze geheele -levens- en wereldbeschouwing. Niet de historische kritiek maar de -zelfkritiek, niet de wetenschap maar het geloof, niet het hoofd maar -het hart geeft hierbij den doorslag. Uit het hart komt ook voort het -onverstand, Mk. 2:22. Ons denken wortelt in ons zijn. Operari sequitur -esse (Schopenhauer). Was für eine Philosophie man wähle, hängt davon -ab, was für ein Mensch man ist. Unser Denksystem ist oft nur die -Geschichte unseres Herzens (Fichte). Dat de al of niet erkenning van -de openbaring ter laatster instantie eene vraag is des geloofs, wordt -voldoende daardoor bewezen, dat geen van beide, noch de supranatureele -noch de naturalistische opvatting in staat is, om alle moeilijkheden uit -den weg te ruimen of alle bezwaren op te lossen. De naturalistische -beschouwing schijnt sterk te zijn, als ze enkele wonderverhalen op -zich zelf neemt en isoleert van het geheel; maar dat geheel zelf, -het systeem der openbaring en daarin weder de persoon van Christus -blijven voor haar een onoplosbaar raadsel en een steen des aanstoots. -Omgekeerd is het der supranatureele beschouwing nog niet gelukt, om -alle bijzondere feiten en woorden der openbaring in te voegen in de -orde van het geheel. Maar hier is toch de overeenstemming met de -openbaring in haar geheel, het inzicht in haar systeem, de conceptie -van hare machtige harmonie. Ware nu de erkenning van de openbaring eene -wijsgeerige stelling, zij zou betrekkelijk van weinig gewicht zijn. Maar er -is een diep religieus belang mede gemoeid. De religie zelve hangt met -de openbaring saam. Wie deze prijsgeeft, verliest ook de religie, die op -haar is gebouwd. De openbaring der Schrift en de religie der Schrift -staan en vallen met elkaar. - -11. De wereldbeschouwing, welke tegenover die der Schrift staat -en principieel alle openbaring bestrijden moet, kan het best met -den naam van monisme worden aangeduid. Het monisme, zoowel in zijn -pantheistischen als in zijn materialistischen vorm, streeft er naar, om -alle krachten, stoffen en wetten, die er in de natuur zijn op te merken, -tot ééne enkele kracht, stof en wet te herleiden. Het materialisme -neemt alleen qualitatief gelijke atomen aan, die overal en altijd naar -dezelfde mechanische wetten werken en door verbinding en scheiding -alle dingen en verschijnselen doen worden en vergaan. Het pantheisme -erkent evenzoo niets dan ééne enkele substantie, die in alle schepselen -dezelfde is en overal naar dezelfde logische wetten zich wijzigt en -vervormt. Beide worden bezield door eenzelfden drang, door den drang -en de zucht naar eenheid, die eigen is aan den menschelijken geest. -Maar terwijl het materialisme de eenheid van stof en wet, welke in -de physische wereld heerscht, zoekt terug te vinden in alle andere, -historische, psychische, religieuse, ethische, enz. verschijnselen -en alzoo alle wetenschappen tracht te maken tot natuurwetenschap; -beproeft het pantheisme, om alle verschijnselen, ook de physische, -uit den geest te verklaren en alle wetenschappen om te zetten in -geesteswetenschap. Beide zijn naturalisme, inzoover zij misschien nog -voor het bovenzinlijke maar in elk geval niet voor het bovennatuurlijke -eene plaats inruimen, en voor wetenschap en kunst, voor religie en -moraal aan dezen kosmos, aan het diesseits genoeg hebben, Strauss, Der -alte u. der neue Glaube, 2e Aufl. I 211 f. E. Haeckel, Der Monismus als -Band zwischen Religion und Wissenschaft, 6e Aufl. Bonn 1893. Konrad -Dieterich, Philosophie u. Naturwissenschaft, ihr neuestes Bündniss -und die monistische Weltanschauung, 2tes Ausg. Freiburg 1885. Dr. -M. L. Stern, Philosophischer und naturwissenschaftlicher Monismus. -T. Pesch, Die grossen Welträthsel, 2e Aufl. Herder, Freiburg II 8 f. -Stöckl, Lehrbuch der Philos. II 1887 S. 117 f. Schanz, Apologie des -Christ. I 1887 S. 249 f. De wereldbeschouwing der Schrift en van heel -de christelijke theologie is eene gansch andere. Zij is niet monisme -maar theisme, niet naturalistisch maar supranatureel. Volgens deze -theistische wereldbeschouwing is er eene veelheid van substanties, -van krachten en stoffen en wetten. Zij tracht er niet naar, om de -onderscheidingen van God en wereld, geest en stof, psychische en -physische, ethische en religieuse enz. verschijnselen uittewisschen, -maar om de harmonie te ontdekken, die alle dingen saam houdt en -verbindt, en die uitvloeisel is van de scheppende gedachte Gods. Niet -eenerleiheid of eenvormigheid, maar eenheid in de verscheidenheid is -het doel van haar streven. In weerwil van alle pretensies van het -monisme heeft deze theistische wereldbeschouwing recht en reden van -bestaan. Immers, het is aan het monisme niet gelukt, om alle krachten -en stoffen en wetten tot ééne enkele te herleiden. Het materialisme -stuit op de psychische verschijnselen (Du Bois Reymond, Die sieben -Welträthsel), en het pantheisme kan den overgang niet vinden van het -denken tot het zijn en weet met de veelheid geen raad. Het zijn zelf is -een mysterie, een wonder. Dat er iets is, en vanwaar het is, dwingt den -denkenden geest verwondering af, en deze is daarom terecht de aanvang -der philosophie genoemd. En hoe meer dat zijn wordt ingedacht, des te -meer neemt de verwondering toe, want binnen den kring van het zijn, van -den kosmos zien wij verschillende krachten optreden, in de mechanische, -vegetatieve, animale, psychische wereld, en voorts in de religieuse -en ethische, aesthetische en logische verschijnselen. De schepping -toont ons eene opklimmende orde. De wetten van de onderhouding der -kracht, van de causaliteit en van de continuiteit (natura non facit -saltus) worden wel ten dienste van het monisme geïnterpreteerd en -misbruikt. Maar desniettemin treden er telkens in de natuur krachten -op, die uit de lagere niet zijn te verklaren. Reeds in de mechanische -natuur heerscht de causaliteit slechts in hypothetischen zin. -Gelijke oorzaken hebben gelijke werkingen, maar alleen onder gelijke -omstandigheden. In het organische treedt eene kracht op, die niet uit -het anorganische herkomstig is. Schon das Thier ist ein Wunder gegen -die vegetabilische Natur und noch mehr der Geist gegen das Leben, gegen -die bloss empfindende Natur, Hegel, Philos. der Rel., Werke XII 256. -In het verstand, in den wil, in religie, moraal, kunst, wetenschap, -recht, geschiedenis zijn er krachten werkzaam, die van de mechanische -wezenlijk verschillen. De poging, om al deze verschijnselen mechanisch -te verklaren, is tot dusver ijdel gebleken. De geestelijke wetenschappen -hebben tot nog toe hare zelfstandige plaats behouden. Dilthey, -Einleitung in die Geisteswissenschaften I 1883 S. 5 f. Drummond, Das -Naturgesetz in der Geisteswelt, Aus dem Engl. Leipzig 1886 S. 18 f. -Schoon ongaarne, moet Prof. Land, Inleiding tot de Wijsb. 328 toch -erkennen, dat de wetenschap vooralsnog genoodzaakt is, dualistisch en -zelfs pluralistisch te blijven. - -Elk van die krachten werkt naar haar eigen aard, naar haar eigen wet -en op haar eigen wijze. De krachten verschillen en daarom ook hare -werkingen en de wijze, waarop zij werken. De idee van natuurwet is eerst -langzamerhand opgekomen. Vroeger verstond men onder lex naturae een -ethischen regel, die van nature bekend was. Later is deze term in -zeer oneigenlijken zin op de natuur overgedragen, want niemand heeft -die wetten aan de natuur voorgeschreven en niemand is bij machte om -ze te gehoorzamen of te overtreden. Vandaar, dat er over begrip en -beteekenis der natuurwetten nog altijd groot verschil heerscht. Im 17ten -Jahrhundert giebt Gott die Naturgesetze, in 18ten thut es die Natur -selbst, und im 19ten besorgen es die einzelnen Naturforscher (Wundt). -Maar zooveel staat vast, dat de zoogenaamde natuurwetten zelve geene -kracht zijn, die heerschappij voert over de verschijnselen, maar niets -dan eene, dikwerf zeer gebrekkige en altijd feilbare beschrijving van de -wijze, waarop de in de natuur liggende krachten werken. Eene natuurwet -zegt alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op -dezelfde wijze werken, Ed. Zeller, Vorträge, IIIe Sammlung S. 194 f. -Wundt, Philos. Studien III 195 f. IV 12 f. Hellwald, Culturgeschichte, -3e Aufl. I 32. Hartmann, Philos. des Unbewussten, 9e Aufl. II -96. Lotze, Mikrokosmos, 4e Aufl. I 31 f. II 50 f. III 13 f. Art. -Naturgesetz in Herzog². De regelmatigheid der verschijnselen berust -dus ten slotte op de onveranderlijkheid van de verschillende krachten, -die in de natuur werken en van de laatste elementen of substanties, -waaruit zij samengesteld is. De wetten verschillen, naarmate die -elementen en krachten onderscheiden zijn. De mechanische wetten zijn -andere dan de physische; de logische wederom andere dan de ethische en -aesthetische. In physischen zin maakt geven armer, in ethischen zin -maakt het rijker. De wetten der natuur, d. i. van den ganschen kosmos, -van alle creatuur zijn daarom ook geen cordon om de dingen, zoodat er -niets indringen of uitkomen kan, maar slechts eene formule voor de -wijze, waarop naar onze waarneming iedere kracht werkt naar haar aard. -Al deze elementen en krachten met de hun inwonende wetten worden -naar de theistische wereldbeschouwing van oogenblik tot oogenblik -in stand gehouden door God, die de laatste en hoogste, intelligente -en vrije causaliteit van alle dingen is. Zij hebben als creatuur geen -bestand in zichzelve. Het is Gods alomtegenwoordige en eeuwige kracht, -die alles onderhoudt en regeert. In Hem, in zijne gedachte en in zijn -bestuur, ligt de eenheid, de harmonie, die alle dingen in de rijkste -verscheidenheid saamhoudt en verbindt en ze henenleidt tot één doel. -Daardoor is er unitas, mensura, ordo, numerus, modus, gradus, species -in de schepselen, gelijk Augustinus telkens zegt. Aliis dedit esse -amplius, aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus ordinavit, -August. de civ. 12, 2. God is in alles present. In Hem leven en bewegen -zich en zijn alle dingen. Natuur en geschiedenis zijn zijn werk. Hij werkt -altijd, Joh. 5:17. Alles openbaart ons God. Zijn vinger moge in de eene -gebeurtenis voor ons duidelijker zijn op te merken dan in de andere; de -reine van hart ziet God in al zijne werken. Wonderen zijn dus volstrekt -niet noodig, om ons God te doen kennen als onderhouder en regeerder van -het heelal. Alles is zijn daad. Niets geschiedt er zonder zijn wil. Hij is -met zijn wezen in alle dingen tegenwoordig. En daarom is alles ook eene -openbaring, een woord, een werk Gods. - -12. Met zulk eene wereldbeschouwing is eene bovennatuurlijke openbaring -volstrekt niet in strijd. De natuur bestaat hier toch geen enkel -oogenblik onafhankelijk van God, maar leeft en beweegt zich in hem. Alle -kracht, die erin optreedt, is van Hem afkomstig en werkt naar de wet, -die Hij erin gelegd heeft. God staat niet buiten de natuur en is niet -door eene omheining van wetten van haar afgesloten, maar is in haar -tegenwoordig en draagt haar door het woord zijner kracht. Hij werkt van -binnen uit, en kan nieuwe krachten doen optreden, die van de bestaande -in aard en werking onderscheiden zijn. En deze hoogere krachten doen -de lagere niet te niet, maar nemen toch naast en tegenover haar eene -eigene plaats in. De menschelijke geest tracht ieder oogenblik de -lagere natuurkrachten in haar werking tegen te gaan en over haar te -heerschen. Heel de cultuur is eene macht, waardoor de mensch heerscht -over de natuur. Kunst en wetenschap zijn een triumf van den geest over -de stof. Evenzoo treedt er in de openbaring, in profetie en wonder, -eene nieuwe goddelijke kracht op, die wel in den kosmos eene eigene -plaats inneemt maar met de lagere krachten in hare wetten volstrekt -niet strijdt. Van eene zoogenaamde opheffing der natuurwetten door de -wonderen is geen sprake. Eene Durchlöcherung der natuur is er niet. -Thomas zei reeds: quando Deus agit aliquid contra cursum naturae, non -tollitur totus ordo universi, sed cursus qui est unius rei ad aliam, -de pot. qu. 6 art. 1, bij Müller, Natur und Wunder 133. Ja zelfs de -ordo causae ad suum effectum wordt niet te niet gedaan; ofschoon het -vuur in den oven de drie jongelingen niet verbrandt, in dat vuur bleef -toch de ordo ad comburendum. Er wordt door het wonder geen verandering -aangebracht in de krachten, die in de natuur liggen, noch in de wetten, -waarnaar zij werken. Het eenige, wat er in het wonder geschiedt, is, -dat de werking der in de natuur aanwezige krachten op een bepaald -punt wordt geschorst, doordat er eene andere kracht intreedt, die -werkt naar eene eigene wet en eene eigene werking voortbrengt. De -wetenschap heeft daarom van het supranatureele niets te vreezen. -Maar iedere wetenschap blijve op haar terrein en matige zich niet het -recht aan, om aan de andere de wet te stellen. Het is het recht en -de plicht der natuurwetenschap, om binnen haar gebied te zoeken naar -de natuurlijke oorzaken der verschijnselen. Maar zij heersche niet over -de philosophie, als deze onderzoek doet naar den oorsprong en de -bestemming der dingen. Zij erkenne ook het recht en de zelfstandigheid -van religie en theologie, en ondermijne den grondslag niet, waarop deze -rusten. Want hier komen religieuse motieven voor het geloof aan eene -openbaring aan het woord, waarover de natuurwetenschap als zoodanig -niet oordeelen kan. Ook bij de verschillende wetenschappen ligt het doel -niet in de eenerleiheid maar in de harmonie. De theologie eere de -natuurwetenschap, maar make zelve op gelijke behandeling aanspraak. Elke -wetenschap blijve op haar eigen terrein. De uitwissching der grenzen -heeft reeds al te veel verwarring gesticht. Daaruit is ook de bewering -van Hume, Voltaire, Renan voortgekomen, dat er nog nooit een wonder -voldoende is geconstateerd, en dat de constante ervaring niet door -enkele getuigenissen omvergestooten kan worden. Renan, Vie de Jésus, p. -LI zegt: nous ne disons pas, le miracle est impossible, nous disons, il -n’ y a pas eu jusqu’ici de miracle constaté, en weigert aan een wonder -te gelooven, zoolang niet eene commissie van allerlei wetenschappelijke -mannen, physiologen, chemici enz. een zoodanig feit hebbe onderzocht en -na herhaalde proefneming als een wonder hebbe geconstateerd. Bij zulk -eene voorwaarde is het wonder apriori geoordeeld: want bij de wonderen -der Schrift wordt de gelegenheid tot zulk een experiment noch aan Renan -noch aan iemand onzer geschonken. De wonderen behooren nu eenmaal tot -de historie; en in de historie geldt eene andere methode dan in de -natuurkunde. Hier is het experiment op zijne plaats. Maar in de historie -moeten wij het met getuigenissen doen. Indien echter op historisch -gebied de methode van het experiment moet ingevoerd en toegepast -worden, is er geen enkel feit, dat de proef kan doorstaan. Dan is het -met alle historie gedaan. Daarom blijve iedere wetenschap op haar eigen -terrein en onderzoeke daar naar haar eigen aard. Met het oor kan men -niet zien, met de el niet wegen, en met het experiment kan men de -openbaring niet beproeven, Vigouroux, Les livres saints et la critique -rationaliste, 3e ed. 1890 I 73. II 294. - -Voorts wordt de natuur, de kosmos, nog veel te veel opgevat als -eene machine, die kant en klaar is en nu door ééne kracht wordt -gedreven en altijd naar ééne wet zich beweegt. Het deïsme had deze -onbeholpen voorstelling, maar nog altijd wordt ze onbewust door velen -gedeeld en doet ze bij de bestrijding der openbaring dienst. Maar de -natuur, de kosmos, is geen stuk werk, dat klaar is en nu zekere -zelfstandigheid bezit; maar zij is φυσις, natura in eigenlijken zin, -zij wordt altijd, zij bevindt zich in eene voortdurende teleologische -ontwikkeling, zij wordt in opeenvolgende perioden eene goddelijke -bestemming te gemoet gevoerd. In zulk eene conceptie van de natuur -zijn wederom de wonderen volkomen op haar plaats. Hellwald zegt op de -laatste bladzijde zijner Kulturgeschichte, dat alle leven op aarde -eens ondergaan zal in de eeuwige rust van den dood en eindigt dan -met de troostlooze woorden: Dann wird die Erde, ihrer Atmosphäre und -Lebewelt beraubt, in mondgleicher Verödung um die Sonne kreisen, wie -zuvor, das _Menschengeschlecht_ aber, seine Kultur, sein Ringen und -Streben, seine Schöpfungen und Ideale sind _gewesen_. Wozu? Natuurlijk -zou in een stelsel, dat met zulk eene onbeantwoorde vraag eindigt, -openbaring en wonder niets zijn dan eene absurditeit. Maar de Schrift -leert ons, dat de openbaring daartoe dient, om de schepping, die -verdorven wierd door de zonde, te herscheppen tot een koninkrijk Gods. -Hier neemt de openbaring eene volkomen geëvenredigde en teleologische -plaats in in het wereldplan, dat God zich gevormd heeft en dat Hij in -den loop der tijden realiseert. In dien zin zeide reeds Augustinus, -portentum fit non contra naturam sed contra quam est nota natura, -de civ. 21,8. c. Faustum 29,2. 26,3. De uitdrukking is menigmaal in -verkeerden zin geïnterpreteerd ten behoeve van eene theologie, die -de wonderen trachtte te begrijpen als werking van eene kracht, die -van nature in den mensch of in de natuur aanwezig is of ook door de -wedergeboorte of het geloof in hem hersteld wordt. Deze eigenaardige -opvatting komt reeds bij Philo en het Neoplatonisme voor, heeft dan -telkens bij verschillende christelijke theologen weerklank gevonden, bij -Scotus Erigena, Paracelsus, Cornelius Agrippa, Böhme, Oetinger, cf. -Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II. 182 f. 361 f. en wordt -nu en dan ook in de Vermittelungstheologie aangetroffen, Twesten, -Vorles. I. 370 f. II. 171 f. Martensen, Dogm. § 16 f. Schleiermacher, -Glaub. § 13,1 § 129. Sack, Apologetik S. 137 f. Lange, Philos. Dogm. -§ 64. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 36 v. Gunning, Blikken -in de openbaring II 37 v. Openbaring, inspiratie en wonder behoort -dan tot den oorspronkelijken aanleg van de menschelijke natuur. Wel is -die aanleg door de zonde verzwakt, maar hij komt toch nog voor den dag -in de poëtische en heroische inspiratie, in het magnetisme en andere -verwante verschijnselen. Langs ethischen weg, door vereeniging met -God, door ascetische reiniging, door wedergeboorte enz. kan echter -deze aanleg vernieuwd en versterkt worden. Alle geloovigen zijn dus -eigenlijk geïnspireerd en kunnen wonderen doen. Si humana natura -non peccaret eique, qui eam condiderat, immutabiliter adhaereret, -profecto omnipotens esset, Erigena, de div. nat. 4,9. Wonderen zijn -volgens Zimmer, Ueber den allgem. Verfall des menschl. Geschlechts -III n. 90 f., Zeichen des über die Herrschaft der Natur erhobenen -Menschen, in welchem die Herrlichkeit des ersten Menschenpaares vor -seiner Sünde dargestellt wird. Als de ziel in liefde op God is gericht, -zegt Böhme, so mag sie Wunder machen, was sie will. In verwanten -zin liet C. Bonnet, Recherches philosophiques sur les preuves du -christianisme, Geneve 1771, profetie en wonder van te voren in de -natuur gepraeformeerd zijn en door werking der gewone natuurkrachten -tot stand komen. Sommige theologen in de vorige eeuw spraken daarom -van rationes seminales, primordiales en radicales der wonderen. Maar -deze poging tot verklaring der wonderen kan niet worden geaccepteerd. -Zij verwart het natuurlijke met het bovennatuurlijke, het supranatureele -met het religieus-ethische en wischt de grenzen uit tusschen profetie -en mantiek, wonder en magie, inspiratie en illuminatie. Zoo mag ook de -bovengenoemde uitdrukking van Augustinus niet worden verklaard. Onder -de natura nota verstaat hij de natuur in onzen zin. En met het oog -hierop zegt hij zelfs, dat het wonder is contra naturam, evenals Thomas -en Voetius dat later deden (boven bl. 275). Maar datzelfde wonder is -nu van den beginne af door God opgenomen in de natuur in ruimer zin, -d. i. in de door God bepaalde bestemming der dingen, in het goddelijk -wereldplan, F. Nitzsch, Augustinus’ Lehre vom Wunder, Berlin 1865. -Dezelfde gedachte werd later ook door Leibniz uitgesproken, Theodicée -§ 54. 207. God heeft van den beginne aan de wonderen in zijn wereldplan -opgenomen en brengt ze te zijner tijd tot stand; de wonderen zijn niet -te verklaren par les natures des choses créées, maar des raisons d’un -ordre supérieur à celui de la nature le portent à les faire. Volgens -Leibniz liggen de wonderen dus niet keimartig, potentieel in de -natuurkrachten opgesloten, gelijk Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 146 -Leibniz verklaart, maar zijn constitueerende elementen in het wereldplan -Gods. In zoover behooren de wonderen zeer zeker tot de natuur. Zij -komen niet van buiten af in den bestaanden kosmos in, om dezen te -verstoren, maar zij zijn in de wereldidee zelve opgenomen en dienen tot -herstel en volmaking van de gevallen natuur. Ja, ook zonder de zonde -zou er voor profetie en wonder in de wereld plaats zijn geweest. Het -bovennatuurlijke is niet eerst door den val noodzakelijk geworden. Niet -de openbaring en het wonder op zichzelf, alleen het soteriologisch -karakter, dat beide thans dragen, is door de zonde veroorzaakt. In -zoover is zelfs het wonder geen vreemd element, dat aan de gevallen -schepping toegevoegd wordt. Openbaring en religie, profetie en wonder -zijn op zichzelf geen dona superaddita. Zij zijn volkomen natuurlijk, in -zoover als zij behooren tot de wereldidee Gods en tot het wereldplan, -dat Hij in weerwil van allen tegenstand in den tijd tot uitvoering brengt. - -Desniettemin vormt de openbaring eene orde van zaken, die van de gewone -ordo naturae onderscheiden is; een systeem van woorden en daden Gods, -dat zelf door één beginsel wordt beheerscht en als een organisch geheel -ons voor oogen treedt. De openbaring is geen einzelner Akt Gottes in -der Zeit, geïsoleerd van heel de natuur, Strauss, Glaub. I 274, maar -is eene wereld op zich zelve, van de natuur onderscheiden en toch op -haar aangelegd, met haar verwant, voor haar bestemd. In dit systeem der -openbaring, dat bij het paradijs begint en eerst in de parusie eindigt, -is nog veel duister en onverklaard. Er kunnen hoofdlijnen getrokken -worden. Beide in de historie der profetieën en der wonderen is er orde -en gang te ontdekken. Ook de openbaring heeft hare eigene wetten en -regelen. Het is de schoone taak der historia revelationis, om deze -op te sporen, en het systeem te ontdekken, dat in haar geschiedenis -verborgen ligt. Maar er zijn nog vele feiten, die in hunne eigenlijke -beteekenis voor en samenhang met het geheel nog niet worden doorzien; -nog vele woorden en daden, die onder geen regel te brengen zijn. Dit -verwondere niet en mag allerminst als een grond voor het ongeloof -worden geëxploiteerd. De philosophie der natuur en der geschiedenis is -ook nog lang niet met haar arbeid gereed. Ook zij staat ieder oogenblik -voor cruces, die zij niet te verklaren weet. Toch twijfelt daarom niemand -aan de eenheid der natuur en aan het plan der geschiedenis. Met deze -vergeleken, verkeert de openbaring zelfs in een gunstig geval. Haar -hoofdlijnen staan vast. Zooals zij in het paradijs begint en in de parusie -eindigt, vormt zij eene grootsche historie, die licht verspreidt over -heel de natuur en geschiedenis en daarin naar Augustinus’ woord het -buitengewone door het gewone voor mateloosheid behoedt en het gewone -door het buitengewone adelt, bij Müller, Natur und Wunder 180. Zonder -haar wandelen wij in het duister, gaan wij de eeuwige rust van den dood -te gemoet en hebben wij geen antwoord op de vraag, waartoe alles geweest -is. Maar met haar bevinden wij ons in eene wereld, die trots alle -zondige macht der herstelling en der volmaking te gemoet wordt gevoerd. -Israel de voorbereiding, Christus het centrum, de kerk de uitwerking, -de parusie de kroon -- dat is het snoer, dat de openbaringsfeiten met -elkander verbindt. - -Daarom is het geloof aan de bijzondere openbaring ten slotte eigenlijk -één met het geloof aan eene andere en betere wereld dan deze. Indien -deze wereld met de van nature haar inwonende krachten en wetten de -eenige en de beste is, dan moeten wij het vanzelf ook met deze doen. -Dan zijn de leges naturae gelijk aan de decreta Dei, dan is deze wereld -de Zoon, de Logos, het eigenlijke beeld Gods, dan is in de ordo -naturae, waarin wij leven, reeds de volle, adaequate openbaring van -Gods wijsheid en macht, van zijne goedheid en heiligheid. Wat recht is -er dan om te verwachten, dat het Dort toch eenmaal Hier worden zal, -dat het ideaal in realiteit zal overgaan, dat het goede triumfeeren -zal over het kwaad, en de Welt der Werthe eens heerschen zal over -de Welt der Wirklichkeit? Evolutie brengt er ons niet. Nihil fit ex -nihilo. Uit deze wereld wordt geen paradijs. Wat er niet in ligt, kan -er niet uit voortkomen. Als er geen Jenseits is, geen God, die boven -de natuur staat, geen ordo supernaturalis, dan is aan de zonde, aan de -duisternis, aan den dood het laatste woord. De openbaring der Schrift -doet ons eene andere wereld kennen van heiligheid en heerlijkheid, welke -in deze gevallen wereld indaalt, niet als leer alleen maar ook als -goddelijke δυναμις, als geschiedenis, als realiteit, als een harmonisch -systeem van woorden en daden te zamen en die deze wereld opheft uit -haar val en uit den status peccati door den status gratiae heen in -den status gloriae henenleidt. De openbaring is het komen Gods tot de -menschheid om eeuwiglijk bij haar te wonen. Litteratuur over de wonderen -behalve de reeds genoemde: Köstlin, Jahrb. f. deutsche Wiss. 1864, -2tes Heft, S. 205-270 en art. Wunder in Herzog². Nitzsch, Syst. der -chr. Lehre § 34. Twesten, Vorles I. 366 f. Martensen, Dogm. § 16 f. -Lange, Dogm. I 471 f. Rothe, Zur Dogm. 80 f. Gloatz, Ueber das Wunder, -Stud. u. Kr. 1886, 3tes Heft. Dorner, Glaub. I 569 f. 583 f. Philippi, -Kirchl. Glaub. I 25 f. Saussaye, mijne Theol. 36 v. Oosterzee, Dogm. I -205 v. Kuyper, Uit het Woord II 69 v. III 114 v. Encycl. II 369 v. 446 -v. Müller, Natur und Wunder, Strassburg, Herder 1892 en de daar S. XV -f. aangeh. litt., Gondal, Le miracle, Paris, Roger et Chernoviz 1894. - - -§ 11. DE HEILIGE SCHRIFT. - - -A. Openbaring en Schrift. - -1. De historie der godsdiensten wijst niet alleen een innig verband aan -tusschen religie en openbaring, maar verder ook tusschen openbaring -en schrift. Magische formulen, liturgische teksten, ritueele -tractaten, ceremonieele wetten, priesterlijke documenten, historische -en mythologische litteratuur, enz. komen op religieus terrein bij alle -cultuurvolken voor. Maar in nog enger zin is er van heilige schriften -in de godsdiensten sprake. Vele volken hebben ook een boek of een -verzameling van boeken, die goddelijk gezag bezitten en als regel gelden -van leer en leven. Daartoe behooren de Shu-king der Chineezen, de Veda -der Indiërs, de Tripitaka der Buddhisten, de Avesta der Perzen, de -Koran der Mohammedanen, het Oude Testament der Joden en de Bijbel der -Christenen. Samen zijn deze zeven door Max Müller, Vorlesungen über den -Ursprung der Religion 1880 S. 149 met den naam van de boekgodsdiensten -aangeduid. Reeds dit verschijnsel wijst aan, dat openbaring en schrift -niet in een toevallig, willekeurig verband kunnen staan. Zelfs biedt -de geschiedenis van de leer van den Koran merkwaardige parallelen met -die van het dogma der Schrift in de christelijke kerk, M. Th. Houtsma, -De strijd over het dogma in den Islâm tot op El-Ash’ari, Leiden 1875 -bl. 96 v. Zie verder over de heilige boeken Ch. de la Saussaye, Lehrb. -der Rel. Gesch. I 137 f. Lamers, Wetenschap v. d. godsd. II 249 v. Max -Müller, Theosophy or psychological religion 1893. Lecture 2: The value -of the sacred books. - -Nu zijn allereerst gedachte en woord, denken en spreken ten innigste -aan elkander verwant. Zij zijn wel niet, gelijk Max Müller, Vorlesungen -über die Wissenschaft der Sprache I 3e Aufl. 1875 S. 459, Das Denken im -Lichte der Sprache, Leipzig 1888 S. 70-115 meent, identisch; want er -is ook een denken, een bewustzijn, een besef, hoe onhelder ook, zonder -woord. Homo enim nihil potest dicere, quod non etiam sentire possit; -potest etiam aliquid sentire, quod dicere non possit, Augustinus, -Serm. 117, c. 5. Maar het woord is toch eerst de voldragen, de tot -zelfstandigheid en tot vollen wasdom gekomen en daarom ook de heldere, -klare gedachte; een onontbeerlijk hulpmiddel voor het bewuste denken. De -taal is de ziel der natie, de bewaardster van de goederen en schatten -der menschheid, de band van menschen en volken en geslachten, de ééne -groote traditie, die de menschenwereld, één in physis, ook één maakt in -bewustzijn. Maar gelijk de gedachte zich belichaamt in het woord, zoo het -woord wederom in het schrift. Ook de taal is niets dan een organisme -van teekens, maar van hoorbare teekens. En het hoorbaar teeken zoekt -uitteraard stabiliteit in het zichtbaar teeken, in het schrift. Het -schrift is eigenlijk teekenkunst, en komt in dezen ruimen zin bij alle -volken voor, maar heeft zich allengs van teeken- en beeldschrift, door -woord- of begrippenschrift heen tot letterschrift ontwikkeld. Hoe ook -verfijnd en in nauwkeurigheid toegenomen, het is onvolkomen. Ons denken, -zegt Augustinus, de trin. 7, 4, de doctr. christ. 1, 6 blijft achter de -zaak, ons denken achter ons spreken terug; en zoo ook is er een groote -afstand tusschen woord en schrift. De klanken worden altijd slechts bij -benadering in zichtbare teekens weergegeven. Het denken is rijker dan -het spreken, en het spreken rijker dan het schrijven. Maar toch is het -schrift van groote waarde en beteekenis. Schrift is het verduurzaamde, -gegeneraliseerde en geaeterniseerde woord. Het maakt de gedachte tot -eigendom van hen, die verre van ons en die na ons zijn, tot het gemeen -goed der menschheid. Het schildert het woord af en spreekt tot de -oogen. Het geeft lichaam en kleur aan de gedachte. Het schrift is de -ἐνσαρκωσις van het woord. - -Dat geldt in het algemeen. De Traditionalisten, de Bonald, Lamennais, -Bautain gingen zeker te ver, als ze zeiden, dat de taal rechtstreeks -van God afkomstig was, dat in de taal alle schatten der waarheid werden -bewaard, en dat de mensch nu alle waarheid uit en door de taal, de -traditie, deelachtig werd, Stöckl, Lehrb. der neueren Philos. I 406 f. -Maar er ligt toch eene goede gedachte in. En vooral op godsdienstig -gebied krijgt woord en schrift eene hoogere beteekenis. De openbaring is -in het Christendom eene historie. Zij bestaat in daden, gebeurtenissen, -die voorbijgaan en weldra tot het verledene behooren. Zij is een actus -transiens, temporair, momentaan zelfs, en heeft dezen tijdvorm, dit -vergankelijke, met alle aardsche dingen gemeen. En toch bevat zij eeuwige -gedachten, die niet alleen voor het oogenblik, waarin zij plaats had, -en voor de personen, tot wie zij geschiedde, beteekenis hadden, maar -die van waarde zijn voor alle tijden en voor alle menschen. Hoe is dit -schijnbaar tegenstrijdige te vereenigen? Want het vreemde daarvan is -schier altijd gevoeld. Het deisme in Engeland maakte er opmerkzaam op. -Herbert van Cherbury sprak uit, dat alleen aan zulk eene openbaring -geloof kon worden geschonken, die ons zelf onmiddellijk te beurt viel; -openbaringen die anderen ontvangen hebben, zijn voor ons slechts -geschiedenis, overlevering, en in geschiedenis kunnen wij het nooit -verder brengen dan tot waarschijnlijkheid, de veritate 1656 p. 288, -Lechler, Gesch. des engl. Deismus 49. Hobbes zei evenzoo, dat eene -openbaring, die anderen hadden ontvangen, voor ons niet te bewijzen was, -Leviathan ch. 32. Locke maakte hetzelfde onderscheid tusschen original -and traditional revelation, Essay concerning human understanding -IV ch. 18. Het deisme leidde daaruit af, dat de religio naturalis -genoegzaam was. Het maakte scheiding tusschen feit en idee, het -tijdelijke en het eeuwige, zufällige Geschichtswahrheiten en nothwendige -Vernunftwahrheiten. En het speculatieve rationalisme van Hegel trad in -het zelfde spoor; de idee stort zich niet uit in een enkel individu. - -Nu is deze scheiding practisch onmogelijk gebleken. De losmaking der -idee uit de historie komt in het Christendom, evenals in elke andere -religie, op niets minder dan het verlies der idee zelve te staan. De -stelling van Lessing in zijn geschrift Ueber den Beweis des Geistes -und der Kraft: Zufällige Geschichtswahrheiten können der Beweis von -nothwendigen Vernunftwahrheiten nie werden, heeft indertijd veel opgang -gemaakt. Maar dat is alleen te verklaren uit den onhistorischen zin -en de redevergoding der achttiende eeuw. De tegenwoordige eeuw heeft -het dweepen met de noodwendige redewaarheden en het verachten van -de historie verleerd. Zij heeft de geschiedenis in haar dieperen zin -en in hare eeuwige beteekenis leeren verstaan. Indien de feiten der -geschiedenis toevallig waren, werd zij zelve een aggregaat van op -zich zelf staande voorvallen, zonder orde, zonder samenhang, zonder -plan. Dan was er geen geschiedenis meer en hare beoefening een ijdele, -nuttelooze bezigheid. En dan volgt van zelve, dat ook de historie der -openbaring al haar waardij verliest. Maar de geschiedenis is juist -verwezenlijking van gedachten Gods, uitwerking van een raad Gods over -zijne schepselen; er is eenheid, gang, orde, logos in. En zulk eene -opvatting van de geschiedenis is eerst door het Christendom mogelijk -geworden. Bij Grieken en Romeinen wordt die niet gevonden; er waren -slechts volken, er was geen menschheid. De Schrift echter leert ons de -eenheid kennen van het menschelijk geslacht; zij geeft ons de grootsche -conceptie van eene wereldgeschiedenis. En in deze neemt zij zelve de -eerste en de allesbeheerschende plaats in. De Geschichtswahrheiten zijn -dus niet toevallig, en allerminst onder deze wederom de geschiedenis -der openbaring. Zij is zoo noodzakelijk, dat zonder haar heel de -geschiedenis en heel de menschheid uiteen valt. Zij is de draagster der -Godsgedachten; de apocalypse van Gods voornemen, welke den apostel -Paulus telkens weer met bewondering en aanbidding vervulde; de -revelatio mysterii, zonder welke de mensch in het duistere rondtast. En -aan de andere zijde zijn de Vernunftwahrheiten, waarvan Lessing sprak, -ook alles behalve noodwendig. De kritiek van Kant heeft dat anders -aangetoond. Juist ten aanzien van die nothwendige Vernunftwahrheiten -heerscht er tegenwoordig algemeen een bedenkelijk scepticisme. De -verhouding is dus juist omgekeerd. Het historische is in zijne eeuwige -beteekenis doorzien en het rationeele in zijne veranderlijkheid aan het -licht getreden. - -Feit is dan ook, dat wij alles erven van de voorgeslachten. Wij brengen -niets in de wereld, 1 Tim. 6:7. Physisch en psychisch, intellectueel -en ethisch zijn we afhankelijk van de wereld om ons heen. En religieus -is het niet anders. De openbaring, die in historie bestaat, kan niet -anders dan in den weg der traditie, in den ruimsten zin, tot ons komen. -Eene vraag, waarom niet aan elk mensch die openbaring geschonken -wordt, Rousseau in zijn profession de foi, en Strauss, Glaub. I. 268 -f. komt eigenlijk niet te pas. Ze onderstelt, dat de openbaring niets -anders bevat dan leer en vergeet, dat ze historie is en wezen moet. -Het centrum der openbaring is de persoon van Christus. En Christus is -een historisch persoon; zijne menschwording, zijn lijden en sterven, zijne -opstanding en hemelvaart zijn voor geene herhaling vatbaar. Ja, het -behoort juist tot de ἐνσαρκωσις, dat hij in de historie inga en leve -in den vorm van den tijd. Hij zou ons niet in alles gelijk zijn geweest, -indien hij niet aan tijd en ruimte, aan de wet van het worden zich -onderworpen had. De openbaring, niet als leer maar als incarnatie kan -uitteraard niet anders dan historie zijn, d. i. vallen in een bepaalden -tijd en gebonden zijn aan eene bepaalde plaats. De incarnatie is de -eenheid van het zijn, ἐγω εἰμι, Joh. 8:58, en het worden, σαρξ ἐγενετο, -Joh. 1:14. Bovendien, ook in de openbaring volgt God de grondlijnen, die -Hij voor het samenleven der menschen getrokken heeft. De menschheid is -niet een aggregaat van individuen, maar een organisch geheel, waarin -allen leven van elkaar. De openbaring volgt deze wet, de herschepping -sluit bij de schepping zich aan. Gelijk we op elk terrein door middel van -de traditie deel krijgen aan de goederen der menschheid, zoo ook in de -religie. Ook dat behoort tot de idee der incarnatie. Zij is zelve een -actus transiens, maar wordt door de traditie heen het eigendom en de -zegen van alle menschen. Dat die openbaring echter nog tot zulk een -klein geheel van menschen beperkt is, levert een moeilijk probleem op, -dat later nog nader dient onderzocht te worden; maar dit op zichzelf -ontroerend feit kan nooit voor degenen, die haar kennen, eene reden -zijn om ze te verwerpen. Vele volken leven in een staat van ruwe -barbaarschheid. Ook dat geschiedt naar den wil en het welbehagen Gods. -Toch komt het in niemand op om daarom de zegeningen der beschaving te -verachten. Rousseau dweepte met den natuurmensch, maar hij bleef stil in -Frankrijk. - -2. De drager van de ideale goederen der menschheid is de taal, en de -σαρξ van de taal is het schrift. Ook hierbij sluit God in de openbaring -zich aan. Om volkomen in te gaan in de menschheid en ten volle haar -eigendom te kunnen worden, neemt de openbaring de μορφη, het σχημα -aan van de Schrift. De Schrift is de dienstknechtsgestalte van de -openbaring. Ja, het centrale feit der openbaring, n.l. de incarnatie, -leidt naar de Schrift heen. In profetie en wonder daalt de openbaring -zoo laag neder en zoo diep af, dat ze zelfs de laagste vormen van -het menschelijke, bepaaldelijk van het religieuse leven niet als middel -versmaadt. De Logos zelf wordt niet ἀνθρωπος slechts, maar δουλος, -σαρξ. En evenzoo neemt het woord der openbaring den onvolkomen, -gebrekkigen vorm aan van het schrift. Maar zoo alleen wordt de -openbaring het goed der menschheid. Het doel der openbaring is niet -Christus; Christus is centrum en middel; het doel is, dat God wederom -in zijn schepselen wone en in den kosmos zijne heerlijkheid openbare. -Θεος τα παντα ἐν πασιν. Ook dit is in zekeren zin eene ἐνανθρωπησις -του θεου, eene menschwording Gods. En om dat doel te bereiken, gaat -het woord der openbaring over in schrift. Ook de Schrift is dus middel -en instrument, geen doel. Zij vloeit voort uit de menschwording Gods in -Christus, zij is in zekeren zin de voortzetting ervan, de weg, waarlangs -Christus woning maakt in zijne gemeente; de praeparatio viae ad plenam -inhabitationem Dei. Maar in deze inwoning Gods heeft ze dan ook haar -τελος, haar einde en doel, 1 Cor. 15:28. Evenals heel de openbaring, is -ook zij een actus transiens. - -Daardoor wordt de verhouding duidelijk, waarin de Schrift staat tot -de openbaring. De vroegere theologie liet de openbaring bijna geheel -opgaan in de theopneustie, in de gave der Schrift. Zij bracht de -openbaring slechts terloops ter sprake, en vatte haar veel te eng op. -Het scheen, alsof er achter die Schrift niets lag. En de Schrift kwam -geheel los en geisoleerd te staan. Zij wortelde niet in de historie. Het -had er veel van, alsof ze plotseling uit den hemel was komen vallen. -De machtige conceptie van de openbaring als eene geschiedenis, die -bij den val begint en eerst in de parousie eindigt, was haar schier -geheel vreemd. Deze beschouwing is onhoudbaar. Immers, de openbaring -gaat in verre de meeste gevallen aan de theopneustie vooraf en is -daarvan dikwerf door een langen tijd gescheiden. De openbaring Gods -aan de aartsvaders, in de geschiedenis van Israel, in den persoon van -Christus werd soms eerst eeuwen en jaren daarna beschreven; en ook -de profeten en apostelen stellen hunne openbaringen dikwerf eerst -geruimen tijd na de ontvangst te boek, bv. Jer. 25:13, 30:1, 36:2 v. -Voorts waren vele personen, zooals Elia, Elisa, Thomas, Nathanael, -enz. openbaringsorganen, die toch nimmer een boek schreven, dat in den -kanon werd opgenomen; anderen daarentegen ontvingen geene openbaringen -en deden geen wonderen, en brachten ze toch wel in geschrifte, zooals -bijv. de schrijvers van vele historische boeken. Verder had de openbaring -plaats in verschillende vormen, droom, visioen, enz., en bedoelde de -bekendmaking van iets dat verborgen was; de theopneustie was altijd -eene inwerking van Gods Geest in het bewustzijn en had tot doel de -garantie van den inhoud der Schrift. De nieuwere theologie maakte -daarom terecht tusschen de openbaring en de Schrift onderscheid. -Maar zij viel dikwerf in een ander uiterste. Zij maakte de Schrift zoo -geheel en al van de openbaring los, dat deze niets meer werd dan een -toevallig aanhangsel, een willekeurig toevoegsel, eene menschelijke -oorkonde van de openbaring, die misschien nog wel nuttig maar in -elk geval niet noodzakelijk was. In allerlei variatiën is dit thema -bezongen. Niet de letter maar de Geest, niet de Schrift maar de persoon -van Christus, niet het woord maar het feit is het principium der -theologie. En Lessing kwam tot de bekende bede: o Luther! gij groote -en heilige man, gij hebt ons verlost van het juk van den Paus, maar -wie zal ons verlossen van het juk der letter, van den papieren Paus. -Deze beschouwing is niet minder verkeerd en nog gevaarlijker dan de -andere. Want openbaring en theopneustie vallen in vele gevallen geheel -samen. Lang niet alles, wat in de Schrift is beschreven, werd te -voren geopenbaard, maar kwam onder het schrijven zelf in het bewustzijn -op, bijv. in de psalmen, de brieven, enz. Wie de theopneustie ontkent -en de Schrift minacht, verliest ook voor een zeer groot gedeelte de -openbaring; hij houdt niets dan menschelijke geschriften over. Voorts -is ons de openbaring, ook waar ze in feit of woord voorafging aan de -beschrijving, enkel en alleen door de H. Schrift bekend. Wij weten van -de openbaringen Gods onder Israel en in Christus letterlijk niets, -dan alleen uit de H. Schrift. Er is geen ander principium. Met de -H. Schrift valt dus de gansche openbaring, valt ook de persoon van -Christus. Juist omdat de openbaring historie is, is er geen andere -weg om er iets van te weten, dan de gewone weg bij alle historie, dat -is de getuigenis. Het getuigenis beslist voor ons bewustzijn over de -realiteit van een feit. Geen gemeenschap met Christus dan alleen door -de gemeenschap aan het woord der apostelen, Joh. 17:20, 21; 1 Joh. 1:3. -De openbaring bestaat voor ons, voor de kerk aller eeuwen, slechts in -den vorm der H. Schrift. En eindelijk is de theopneustie, gelijk later -blijken zal, eene eigenschap van de Schriften, een eigen en afzonderlijke -daad Gods bij de vervaardiging der Schrift, en dus in zooverre ook zelve -als openbaringsdaad te erkennen en te eeren. Verachting of verwerping -van de Schrift is dus niet eene onschuldige handeling ten opzichte van -menschelijke getuigenissen aangaande de openbaring, maar ontkenning van -eene bijzondere openbaringsdaad Gods, en dus in beginsel loochening van -alle openbaring. - -Beide richtingen zijn dus eenzijdig, zoowel die, welke de openbaring ten -bate der Schrift, als die de Schrift ten bate der openbaring miskennen. -Daar komt de φανερωσις, hier de θεοπνευστια niet tot haar recht. -Ginds heeft men Schrift zonder schriften; hier heeft men geschriften -zonder Schrift. Daar is eene verwaarloozing van de historie, hier -eene minachting van het woord. De eerste richting vervalt in -orthodox intellectualisme, de tweede loopt gevaar van anabaptistisch -spiritualisme. De juiste beschouwing is deze, dat de Schrift noch met -de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar -geplaatst wordt. De theopneustie is een element _in_ de openbaring; -eene laatste akte, waarin de openbaring Gods in Christus voor deze -bedeeling afgesloten wordt; in zooverre dus het einde, de kroon, de -verduurzaming en de publicatie der openbaring, medium, quo revelatio -immediata mediata facta inque libros relata est, Baumgarten bij Twesten, -Vorles. über die Dogm. I 402. - -3. De openbaring toch, in haar geheel genomen, heeft haar einde en doel -eerst bereikt in de parousie van Christus. Maar zij valt in twee groote -perioden, in twee onderscheidene bedeelingen uiteen (boven bladz. 270). -De eerste bedeeling strekte, om de volle openbaring Gods in te lijven -in en tot een deel te maken van de geschiedenis der menschheid. Heel -die oeconomie kan beschouwd worden als een komen Gods tot zijn volk, -als een zoeken van een tabernakel voor Christus. Zij is dus overwegend -eene openbaring Gods in Christus. Ze draagt een objectief karakter. Zij -kenmerkt zich door buitengewone daden; theophanie profetie en wonder -zijn de wegen, waarlangs God tot zijn volk komt. Christus is er het -subject van. Hij is de Logos, die schijnt in de duisternis, komt tot -het zijne, en vleesch wordt in Jezus. De H. Geest was toen nog niet, -overmits Christus nog niet was verheerlijkt. In deze bedeeling houdt -de teboekstelling gelijken tred met de openbaring. Beide groeien van -eeuw tot eeuw. Naarmate de openbaring voortschrijdt, neemt de Schrift -in omvang toe. Als in Christus de volle openbaring Gods is gegeven, -theophanie, profetie en wonder in Hem haar hoogtepunt hebben bereikt -en de genade Gods in Christus aan alle menschen is verschenen, dan -is tegelijk ook de voltooiing der Schrift daar. Christus heeft ons in -zijn persoon en werk den Vader ten volle geopenbaard, daarom wordt in -de Schrift die openbaring ons ten volle beschreven. De openbaring -heeft in zekeren zin haar einde bereikt. De bedeeling des Zoons -maakt plaats voor de bedeeling des Geestes. De objectieve openbaring -gaat over in de subjectieve toeeigening. In Christus is midden in de -historie door God een organisch centrum geschapen; vandaar uit worden -thans in steeds wijder kring de cirkels getrokken, binnen welke het -licht der openbaring schijnt. De zon, opgaande bestrijkt slechts een -klein oppervlak der aarde met haar stralen; staande in het zenith, -straalt zij over heel de aarde heen. Israel was slechts instrument -der openbaring; het heeft zijn dienst verricht en valt weg, als het -den Christus heeft voortgebracht, zooveel het vleesch aangaat; thans -verschijnt de genade Gods aan alle menschen. De openbaring zet zich dus -wel voort, maar op andere wijze en in andere vormen. De H. Geest neemt -alles uit Christus; Hij voegt niets nieuws aan de openbaring toe. Deze -is voltooid en daarom voor geen vermeerdering vatbaar. Christus is de -Logos, vol van genade en waarheid; zijn werk is volbracht; de Vader -zelf rust in zijn arbeid. Zijn werk kan niet aangevuld of vermeerderd -worden door de goede werken der heiligen; zijn woord niet door de -traditie; zijn persoon niet door den paus. In Christus heeft God zich -ten volle geopenbaard en ten volle geschonken. Daarom is de Schrift ook -voltooid, zij is het volkomene woord Gods. En toch, schoon op andere -wijze, gaat de openbaring voort, want zij heeft haar einddoel niet in -Christus, die middelaar is, maar in de nieuwe menschheid, in het wonen -Gods bij zijn volk. Zij gaat voort in al hare drie vormen van theophanie, -profetie en wonder. God komt tot en woont in de gemeente van Christus; -waar twee of drie in zijn naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. -Hij doet wonderen altijd door; Hij vernieuwt haar door wedergeboorte, -heiligmaking en verheerlijking; de geestelijke wonderen houden niet -op. God werkt altijd. Maar dat is niet genoeg. De wereld van het zijn -niet alleen, ook die van het bewustzijn moet vernieuwd. In den Logos -was het leven maar ook het licht der menschen; Christus is vol van -genade maar ook van waarheid; de openbaring bestond in wonder maar -ook in profetie. Woord en daad gingen saam in de eerste bedeeling, zij -vergezellen elkaar ook in de oeconomie des H. Geestes. De H. Geest -wederbaart maar verlicht ook. Maar gelijk de geestelijke wonderen geen -nieuw element aan de objectieve openbaringsfeiten toevoegen maar -slechts uitwerking zijn van het wonder van Gods genade, in Christus -gewrocht; zoo ook is de profetie in de gemeente, de illuminatie des -H. Geestes, geen openbaring van verborgenheden maar toepassing van de -schatten der wijsheid en kennis, die in Christus begrepen zijn en in zijn -woord zijn uitgestald. En beide deze werkzaamheden des H. Geestes gaan -in deze bedeeling hand aan hand. Profetie en wonder, woord en feit, -illuminatie en regeneratie, Schrift en kerk vergezellen elkander. Ook -thans is de openbaring geen leer alleen, die het verstand verlicht, -maar ook een leven, dat het hart vernieuwt. Zij is beide te zamen in -onverbreekbare eenheid. De eenzijdigheden van het intellectualisme en -mysticisme zijn beide te vermijden, want zij zijn beide eene miskenning van -den rijkdom der openbaring. Wijl hoofd en hart, de gansche mensch in zijn -zijn en bewustzijn moet vernieuwd worden, zet de openbaring zich in deze -bedeeling voort in de Schrift en in de kerk te zamen. En beide staan -daarbij in het allernauwste verband tot elkander. De Schrift is het -licht der kerk, de kerk is het leven der Schrift. Buiten de kerk is de -Schrift een raadsel, eene ergernis. Zonder wedergeboorte kan niemand -haar kennen. Wie haar leven niet deelachtig is, kan haar zin en meening -niet verstaan. En omgekeerd is het leven der kerk eene verborgenheid, -als de Schrift er haar licht niet over schijnen laat. De Schrift -verklaart de kerk, de kerk verstaat de Schrift. In de kerk bevestigt -en verzegelt de Schrift hare openbaring, en in de Schrift leert de -Christen, leert de kerk zichzelve verstaan, in hare verhouding tot God -en de wereld, in haar verleden en heden en toekomst. - -Daarom staat de Schrift ook niet op zichzelve. Zij mag niet deïstisch -worden opgevat. Zij wortelt in eene historie van eeuwen en is vrucht -van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar zij is toch geen -boek uit lang vervlogene tijden, dat ons alleen met personen en -gebeurtenissen van het verleden in verband brengt. De H. Schrift is -geen dor verhaal en geen oude kroniek, maar zij is het altijd levende, -eeuwig jeugdige woord, dat God nu in dezen tijd en altijd door tot zijn -volk laat uitgaan. Zij is de altijd voortgaande sprake Gods tot ons. -Zij dient niet alleen, om ons historisch te doen weten, wat er in het -verledene is geschied. Zij heeft zelfs de bedoeling niet, om ons een -historisch verhaal te leveren naar den maatstaf der getrouwheid, die in -andere wetenschappen geeischt wordt. De H. Schrift is een tendenz-boek; -al wat te voren geschreven is, is tot onze leering geschreven, opdat -wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden. -De Schrift is door den H. Geest geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij -zijne leiding der kerk, bij de volmaking der heiligen, bij den opbouw van -het lichaam van Christus. In haar komt God dagelijks tot zijn volk. In -haar spreekt Hij tot zijne kinderen, niet uit de verte, maar van nabij. -In haar openbaart Hij zich van dag tot dag aan de geloovigen in de -volheid van zijn genade en waarheid. Door haar werkt Hij zijne wonderen -van ontferming en trouw. De Schrift is het blijvend rapport tusschen -hemel en aarde, tusschen Christus en zijne gemeente, tusschen God en -zijne kinderen. Zij legt ons niet alleen vast aan het verleden, zij -bindt ons aan den levenden Heer in de hemelen. Zij is de viva vox Dei, -epistola Dei omnipotentis ad suam creaturam. Door het woord heeft God -eenmaal de wereld geschapen, door het woord houdt Hij ze in stand; maar -door het woord herschept Hij haar ook en bereidt ze tot zijne woning. De -theopneustie is daarom ook eene blijvende eigenschap van de H. Schrift. -Zij werd niet alleen getheopneusteerd in het moment, dat zij te boek werd -gesteld; zij is theopneust. Divinitus inspirata est scriptura, non solum -dum scripta est Deo spirante per scriptores; sed etiam dum legitur Deo -spirante per scripturam et scriptura ipsum spirante, Bengel op 2 Tim. -3:16. Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie -levendig gehouden en efficax gemaakt. Het is de H. Geest, die profetie -en wonder, Schrift en kerk beide in stand houdt en in verband zet met -elkaar, en die alzoo de parusie voorbereidt. Want als zijn en bewustzijn -beide eens geheel zullen vernieuwd zijn, dan heeft de openbaring haar -einde. De Schrift is dan niet noodig meer. De theopneustie is dan het -deel van alle kinderen Gods. Zij zullen allen door den Heere geleerd -zijn en Hem dienen in zijnen tempel. Profetie en wonder zijn geworden tot -natuur, want God woont onder zijn volk. - - -B. De leer der inspiratie. - -4. De autoriteit der H. S. is door alle christelijke kerken erkend. Er -is geen dogma, waarover meer eenheid bestaat, dan dat der H. Schrift. -De genesis van dit geloof aan de H. Schrift is niet meer na te gaan. -Het bestaat, zoover we teruggaan. In het O. T. staat het gezag van -Jahveh’s geboden en inzettingen, d. i. van de thora en evenzoo van -de profeten reeds vast. Mozes en de profeten zijn onder Israel altijd -mannen van goddelijke autoriteit geweest; hunne geschriften werden -terstond als gezaghebbend erkend. De Joden hebben daarop eene leer der -inspiratie gebouwd, zoo streng en exclusief mogelijk. De thora staat -in de Schrift des O. T. bovenaan, zij is in haar inhoud identisch met -de goddelijke Wijsheid, het beeld Gods, de dochter Gods, de op zich -zelve voldoende, voor alle volken bestemde openbaring des heils, het -hoogste goed, de weg ten leven. Als Israel niet gezondigd had, ware -zij genoegzaam geweest. Maar nu zijn de schriften der profeten er later -ter verklaring aan toegevoegd. Al die schriften zijn goddelijk, heilig, -regel van leer en leven, en met een oneindigen inhoud. Niets is er -overbodig in; alles heeft beteekenis, iedere letter, elk teeken, tot de -gedaante en vorm van eene letter toe, want alles is van God afkomstig. -Volgens Philo, de migr. Abrahae, en Josephus, Ant. 4, 6, 5. c. Ap. 1,7 -verkeerden de profeten bij de inspiratie in een toestand van verrukking -en bewusteloosheid, dien zij met de heidensche mantiek vergeleken en ook -wel tot anderen dan de profeten uitbreidden, maar het goddelijk gezag -der H. Schrift staat ook bij hen onwrikbaar vast. Alleen werd aan dat -gezag feitelijk weer afbreuk gedaan door de traditie. De Schrift was -n.l. op zich zelve onvoldoende. Naar de voorstelling der Joden was er -ook nog eene mondelinge traditie, welke van God afkomstig, door Mozes, -Aäron, de oudsten, de profeten, de mannen der groote synagoge aan de -Schriftgeleerden was overgeleverd. Zij werd eindelijk neergelegd in de -Mishna en Gemara, welke nu als norma normata aan de norma normans is -toegevoegd en met behulp vooral van dertien hermeneutische regelen -met de Schrift in overeenstemming werd gebracht, Zunz, Die gottesd. -Vorträge der Juden 1832 S. 37 f. Weber, System der altsyn. pal. Theol. -1880. S. 14 f. 78 f. Schürer, Neutest. Zeitgeschichte, Leipzig, 1874. -S. 437 f. - -De christelijke gemeente verwierp nu met Jezus en de apostelen wel de -geheele Joodsche traditie, maar erkende toch van den beginne af aan het -goddelijk gezag der O. T. Schrift, Harnack, Dogm. gesch. I 39 f. 145 -f. 244 f. De gemeente is nooit zonder Bijbel geweest. Zij ontving het -O. Test. uit de hand der apostelen terstond met goddelijke autoriteit. -Het christelijk geloof sloot van den aanvang af het geloof aan het -goddelijk gezag des O. T. in zich. Clemens Romanus leert de inspiratie -des O. T. zoo duidelijk mogelijk. Hij noemt de O. T. geschriften τα λογια -του θεου, 1 Cor. 53, τας γραφας, τας ἀληθεις τας δια πνευματος του -ἁγιου, ib. 45, voert plaatsen uit het O. T. aan met de formule: de H. -Geest zegt, ib. 13 en zegt van de profeten: οἱ λειτουργοι της χαριτος -του θεου δια πνευματος ἁγιου ἐλαλησαν ib. 8. Hij breidt de inspiratie -ook tot de apostelen uit, en zegt, dat zij μετα πληροφοριας πνευματος -ἁγιου uitgegaan zijn om te prediken, ib. 42, en dat Paulus aan de -Corinthiërs πνευματικως geschreven heeft ib. 47. Overigens leveren de -apost. vaders weinig stof voor het dogma der Schrift: de inspiratie -zelve staat vast, maar over den omvang en de grenzen der inspiratie is -er nog verschil; van de N. T. geschriften wordt weinig gesproken, en -apocriefe worden soms als kanonische geciteerd. De Apologeten der 2e -eeuw, Justinus, Coh. ad Graecos c. 8. en Athenagoras, Leg. pro Christo -cap. 7. vergelijken de schrijvers bij een cither, lier of fluit, waarvan -het goddelijk πληκτρον zich als van een orgaan bediende. De leer der -apostelen staat met die van de profeten op één lijn; evenals Abraham, -zoo gelooven wij τῃ φωνῃ του θεου, τῃ δια τε των ἀποστολων του χριστου -λαληθεισῃ παλιν και τῃ δια των προφητων κηρυχθεισῃ ἡμιν, Just. Dial. -119. De Evangeliën deelen in dezelfde inspiratie als de profeten, δια -το τους παντας πνευματοφορους ἑνι πνευματι θεου λελαληκεναι, Theoph. -ad Autol. 3 n. 12. Bij Irenaeus is reeds de volle erkenning aanwezig -van de inspiratie van beide Testamenten; Scripturae perfectae sunt, -quippe a Deo et Spiritu ejus dictae, adv. haer. 2, 28., ze hebben één -auteur en één doel, 4, 9. En voorts worden de H. Schriften door de -kerkvaders aangehaald als θεια γραφη, κυριακαι γραφαι, θεοπνευστοι -γραφαι, coelestes literae, divinae voces, bibliotheca sancta, -chirographum Dei, enz. De schrijvers heeten λειτουργοι της χαριτος του -θεου, ὀργανα θειας φωνης, στομα θεου, πνευματοφοροι, χριστοφοροι, -ἐμπνευσθεντες, θεοφορουμενοι, Spiritu divino inundati, pleni enz. De -acte der inspiratie wordt als een drijven, leiden enz., maar vooral -dikwerf als een dicteeren des H. Geestes voorgesteld, Iren. 1. c. -Aug. de cons. Evang. 1, 54; de schrijvers waren de handen des H. G., -Aug. ib., zij waren de auctores niet, maar alleen scriptores, scribae; -auctor der H. Schrift is God alleen, Isidorus Hisp. lib. 1. de offic. -c. 12, bij Dausch, Die Schriftinspiration 1891 S. 87. De Schrift is eene -epistola omnipotentis Dei ad suam creaturam, Aug. in Ps. 20. Serm. -2, 1. Greg. Magnus, Epist. 1. 4. ep. 31. Er is niets onverschilligs -en niets overtolligs in, maar alles is vol van goddelijke wijsheid; -nihil enim vacuum, neque sine signo apud Deum, Iren. adv. haer. 4, -21, 3. Vooral Origenes dreef dit sterk en zei, dat er geen tittel -of jota vergeefsch was, dat er niets was in de Schrift, quod non a -plenitudine divinae majestatis descendat, Homil. 2. 21. 39 in Jerem., -en evenzoo Hieronymus, die zei: singuli sermones, syllabae, apices, -puncta in divinis scripturis plena sunt sensibus et spirant caelestia -sacramenta. De H. Schrift was daarom zonder eenig gebrek, zonder eenige -dwaling, ook in chronologische, historische zaken, Theoph. ad Autol. -23, Iren. adv. haer. 3, 5. Wat de apostelen geschreven hebben, moet -evenzoo worden aangenomen, alsof Christus zelf het geschreven had, -want zij waren als het ware zijne handen, Aug. de cons. Evang. 1, 54. -In zijn brief aan Hieronymus zegt hij vast te gelooven, dat geen der -kanonische schrijvers scribendo aliquid errasse. Als er dus eene fout -is, non licet dicere: auctor hujus libri non tenuit veritatem sed: aut -codex mendosus est, aut interpres erravit, aut tu non intelligis, c. -Faust. 11, 5. Maar tegelijk werd de zelfbewustheid der schrijvers bij de -inspiratie tegenover het Montanisme zoo sterk mogelijk geaccentueerd; -voorafgaand onderzoek, onderscheid in ontwikkeling, gebruik van bronnen -en van de herinnering, verschil in taal en stijl werd door Iren. Orig. -Euseb. August. Hieron. enz. volledig erkend; zelfs werd door sommigen -een verschil in de wijze van inspiratie onder O. en N. T., of ook een -verschil in graad van inspiratie naar den zedelijken toestand der -schrijvers aangenomen, Novatianus, de trin. 4. Orig. c. Cels. 7. 4. -Maar dat alles deed aan het geloof aan den goddelijken oorsprong en de -goddelijke autoriteit der H. S. geen afbreuk. Deze stonden algemeen -vast. Het practische gebruik der Schrift in de prediking, in de -bewijsvoering, in de exegetische behandeling enz. bewijst dat nog meer -en nog sterker dan de op zich zelf staande uitspraken. De kerk had in -deze eerste periode meer te doen met de vaststelling van den kanon, -dan met het begrip der inspiratie, maar verstond onder de kanonische -juist divinae scripturae, Conc. Carth. 397 can. 47, en schreef aan -deze alleen autoriteit toe, Conc. Tolet. 447, cf. Denzinger, Enchir. -symb. et defin. nr. 49. 125. Joh. Delitzsch, de inspir. scripturae s., -quid statuerint patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872. -Hagenbach, Dogm. Gesch. § 31 f. Rudelbach, Zeits. f. d. ges. luth. -Theol. u. Kirche 1840. W. Rohnert, Die Inspiration der H. S. u. ihre -Bestreiter, Leipz. 1889 S. 85 f. P. Dausch, Die Schriftinspiration, -eine bibl. geschichtl. Studie, Freiburg 1891. S. 45 f. Koelling, -Die Lehre von der Theopneustie, Breslau 1891. 84 f. Cramer, Godgel. -Bijdragen IV 49-121. Dr. W. Sanday, Inspiration, eight lectures on the -early history and origin of the doctrine of biblical inspiration, -Bampton lectures 1893. - -5. De theologie der Middeleeuwen bleef bij de kerkvaders staan en -heeft de leer der inspiratie niet verder ontwikkeld. Joh. Damasc., -de fide orthod. 4, 17 brengt de Schrift slechts even ter sprake en -zegt, dat wet en profeten, evangelisten en apostelen, herders en -leeraars door den H. Geest gesproken hebben; en daarom is de Schrift -theopneust. Erigena, de div. nat. I 66 sq. zegt, dat men in alle -stukken de autoriteit der H. S. moet volgen want vera auctoritas rectae -rationi non obsistit, maar ook omnis auctoritas, quae vera ratione -non approbatur, infirma videtur esse. Thomas behandelt de leer der -H. Schrift evenmin als Lombardus, maar geeft zijne gedachte over de -inspiratie toch in zijne leer over de profetie, S. Theol. II 2 qu. 171 -sq. De profetie is bepaald eene gave des verstands en bestaat ten -eerste in inspiratio, d. i. in eene elevatio mentis ad percipienda -divina, welke geschiedt Spiritu Sancto movente, en ten tweede in -revelatio, waardoor de goddelijke dingen worden gekend, de duisternis -en onkunde worden weggenomen en de profetie zelve wordt voltooid, -qu. 171 art. 1. Nader bestaat de profetie in de gave van het lumen -propheticum, waardoor de goddelijke dingen zichtbaar worden, evenals -de natuurlijke dingen door ’t natuurlijk licht der rede, ib. art. 2. -Maar die openbaring verschilt; soms geschiedt ze onder bemiddeling -van de zintuigen, soms door middel van de verbeeldingskracht, soms -ook op zuiver geestelijke wijze, zooals bij Salomo en de apostelen, ib. -qu. 173 art. 2. De profetie per intellectualem visionem staat in het -algemeen hooger dan die per imaginariam visionem; als echter het lumen -intellectuale geen bovennatuurlijke dingen openbaart, maar alleen de -natuurlijk kenbare dingen op goddelijke wijze kennen en beoordeelen -doet, dan staat zulk eene prophetia intellectualis beneden die visio -imaginaria, welke bovennatuurlijke waarheid openbaart. De schrijvers der -hagiographa schreven meermalen over zaken, die van nature kenbaar zijn, -en ze spraken dan non quasi ex persona Dei, sed ex persona propria, -cum adjutorio tamen divini luminis. Thomas erkent dus verschillende -wijzen en graden van inspiratie. Hij zegt ook, qu. 176 art. 1, dat de -apostelen de gave der talen kregen om het evangelie aan alle volken -te kunnen prediken, sed quantum ad quaedam quae superadduntur humana -arte ad ornatum et elegantiam locutionis, apostolus instructus erat -in propria lingua, non autem in aliena, en zoo ook waren de apostelen -genoegzaam met kennis toegerust voor hun ambt, maar kenden niet alles, -wat er te kennen valt, b.v. arithematica enz. Maar eene dwaling of -onwaarheid kan in de Schrift niet voorkomen, S. Theol. I qu. 32 art. -4. II 2 qu. 110 art. 4 ad 3. Het breedvoerigst wordt over de Schrift -gehandeld door Bonaventura in het prooemium voor zijn Breviloquium, ed. -Freiburg 1881 p. 1-32: de H. Schrift heeft haar oorsprong niet uit -menschelijk onderzoek, maar uit openbaring van den Vader door den Zoon -in den H. Geest. Niemand kan haar kennen dan door het geloof, want -Christus is haar inhoud. Zij is cor Dei, os Dei (des Vaders), lingua Dei -(des Zoons), calamus Dei (des H. G.). Vier dingen komen van de Schrift -vooral in aanmerking; hare latitudo: zij bevat vele deelen, O. en N. T., -verschillende soorten van boeken, wettelijke, historische, profetische -enz.; hare longitudo: zij beschrijft alle tijden van de schepping af tot -den oordeelsdag toe in de drie tijdperken van lex naturae, lex scripta -en lex gratiae of in zeven aetates; hare sublimitas: zij beschrijft de -verschillende hierarchieën, ecclesiastica, angelica, divina; hare -profunditas: zij heeft eene multiplicitas mysticarum intelligentiarum. -Hoe zeer de H. Schrift ook verschillende wijzen van spreken gebruikt, -zij is altijd echt, er is niets onwaars in. Want de H. Geest, ejus -auctor perfectissimus nihil potuit dicere falsum, nihil superfluum, -nihil diminutum. Daarom is het lezen en onderzoeken der H. S. zoo -dringend noodig; en voor dit doel schreef Bonaventura zijn kostelijk -Breviloquium. Duns Scotus voert in den Prologus voor zijne Sententiae -wel verschillende gronden aan, waarop het geloof aan de H. S. rust, -zooals de profetie, de innerlijke overeenstemming, de echtheid, de -wonderen enz., maar behandelt de leer der H. S. niet. En ook overigens -vinden we weinig stof voor het dogma der Schrift in de scholastiek. -Er werd geen behoefte gevoeld aan eene bijzondere behandeling van -den locus de S. Scr., wijl haar autoriteit vast stond en niemand ze -bestreed. Zij had in de Middeleeuwen, althans formeel, eene onbetwiste -heerschappij. Ze werd symbolisch voorgesteld als het water des levens, -in lofspraken verheerlijkt, evenals het beeld van Christus vereerd en -aangebeden, op de kostbaarste wijze overgeschreven, geïllustreerd, -ingebonden en uitgestald. Ze had eene eereplaats op de conciliën, -werd als eene reliquie bewaard, als amulet om den hals gedragen, met -den gestorvene mede begraven, en als grondslag voor de eedsaflegging -gebezigd. En ook werd ze veel meer, dan de Protestanten later meenden, -gelezen, bestudeerd, verklaard en vertaald, Vigouroux, Les livres -saints et la critique rationaliste, 3e ed. I 226 s. Janssen, Gesch. des -deutschen Volkes, I 48 f. Herzog² 3, 545 f. Bestrijding van de Schrift -was er niet. Ook Abaelard, Sic et Non, ed. Henke et Lindenkohl, Marb. -1851 p. 10.11 zegt niet, dat profeten en apostelen in het schrijven, -maar alleen, dat zij soms als personen hebben gedwaald, met beroep op -Gregorius, die dat ook van Petrus had erkend; de gratia prophetiae werd -hun soms ontnomen, opdat ze nederig zouden blijven en erkennen zouden, -dat ze dien Geest van God, qui mentiri vel falli nescit, slechts -als gave ontvingen en bezaten. En evenmin is Agobard van Lyon een -bestrijder der inspiratie; alleen staat hij tegenover Fredegis van Tours -eene meer organische opvatting voor, die verschil van taal en stijl, -grammatische afwijkingen enz. erkent, Münscher-v. Coelln, Dogm. Gesch. -II 1 S. 105. Kerkelijk werd de inspiratie en autoriteit der H. Schrift -meermalen uitgesproken en erkend, Denzinger, Enchir. n. 296. 386. 367. -600. - -6. Het Trentsche concilie verklaarde in sess. 4, dat de waarheid -vervat is in de geschreven boeken en ongeschreven overleveringen, -welke uit den mond van Christus door de apostelen zijn ontvangen of -door dezelfde apostelen, Spirito Sancto dictante, als van hand tot -hand zijn overgeleverd en tot ons gekomen zijn; en dat het daarom, naar -het voorbeeld der vaderen alle boeken van O. en N. T., cum utriusque -unus Deus sit auctor, en evenzoo de overleveringen ... tanquam vel -oretenus a Christo, vel a Spiritu Sancto dictatas ... aanneemt en -vereert. De inspiratie werd hier wel tot de traditie uitgebreid, maar -toch ook duidelijk van de H. S. uitgesproken. Maar onder de Roomsche -theologen kwam er spoedig groot verschil over den aard en den omvang -der inspiratie. Zoowel het auctor utriusque testamenti als het dictare -werd verschillend geinterpreteerd. De theologen der 16e eeuw waren over -het algemeen nog de strengere richting van kerkvaders en scholastici -toegedaan. Het waren meest aanhangers van Augustinus in de leer der -genade, Jansenisten, Augustinianen en Dominikanen. De voornaamste onder -deze richting zijn Melchior Canus, Loci theol. 1563, Bannez, Comment. in -primam partem D. Thomae Lugd. 1788. Bajus en Jansenius, Billuart, Summa -S. Thomae tom. 2. Wirceb. 1758, Rabaudy, Exerc. de Scriptura sacra; -in deze eeuw nog Fernandez, diss. crit. theol. de verbali S. Bibl. -inspiratione, maar voorts ook wel Jezuiten, zooals Tostatus, Costerus, -Turrianus, Salmeron, Gregor de Valencia, De rebus fidei h. t. controv. -Lugd. 1591 enz. Dezen leeren allen eene positieve inwerking van Gods -Geest op de schrijvers, die zich ook tot de singula verba uitstrekte. -Maar spoedig kwam er eene laxere richting op, en wel onder de Jezuiten. -In het jaar 1586 openden Lessius en Hamelius hunne voorlezingen aan het -Jezuitencollege te Leuven, en verdedigden daar o. a. de stellingen: 1° -ut aliquis sit S. Scriptura, non est necessarium, singula ejus verba -inspirata esse a Sp. S°. 2° non est necessarium, ut singulae veritates -et sententiae sint immediate a Sp. S°. ipsi scriptori inspiratae. -3° liber aliquis (qualis forte est secundus Machabaeorum) humana -industria sine assistentia Sp. S{i}. scriptus, si Sp. S{us} postea -testetur, ibi nihil esse falsum, efficitur Scriptura sacra. Hier wordt -de woordinspiratie verworpen, de onmiddellijke inspiratie ook van vele -zaken, bv. van geschiedenis, die de schrijvers wisten, onnoodig geacht, -en zelfs bij sommige boeken eene later door Bonfrerius zoo genoemde -inspiratio subsequens of aposteriorische approbatie des H. G. voor -voldoende gehouden. De faculteiten van Leuven en Douai veroordeelden de -stellingen, maar andere keurden deze censuur weer af, en de paus nam -geene beslissing. De twee eerste stellingen vonden veel ingang, maar -de derde ging al te ver en werd slechts door weinigen overgenomen, o. -a. door Bonfrerius, Frassenius, Richard Simon, Histoire critique du -N. T. 1689 ch. 23, en in deze eeuw nog door den bisschop van Spiers, -Haneberg, Gesch. der bibl. Offenbarung, 3e Aufl. 1863. Eene andere -richting wordt vertegenwoordigd door Mariana, Tract. varii VIII, Ed. -du Pin, Dissert. préliminaire tom. I Paris 1701. J. Jahn, Introductio -in libros Vet. Test. 1814 en vat de inspiratie op als eene louter -negatieve assistentie des H. G., waardoor de schrijvers voor dwaling -werden behoed. Beide deze richtingen hielden vast aan de feilloosheid -der H. Schrift, maar vereenzelvigden deze feitelijke uitkomst met den -goddelijken oorsprong der Schrift. Daarentegen werd de onfeilbaarheid -in zaken, die niet in engeren zin religieus-ethisch waren, prijsgegeven -en de inspiratie tot het eigenlijk dogmatisch-ethische beperkt door -Erasmus, op Mt. 2, Hd. 10, en Apologia adv. monachos quosdam Hispanos, -Abbé Le Noir, Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible -Paris 1880, de Broglie, Langen in Bonn, Rohling, Natur und Offenbarung -1872. Verwant is daarmede de voorstelling van Holden, doctor der -Sorbonne, in zijne Divinae fidei analysis 1770 en Chrismann, Regula -fidei catholicae, die bij de geloofs- en zedewaarheden eene eigenlijke -inspiratie aannamen maar bij den overigen inhoud der Schrift slechts -zulk eene assistentie leerden, als welke alle geloovigen genieten. Van -gelijke strekking is ook de opvatting in de Roomsche Tübinger school, -wier vertegenwoordigers Drey, Apologetik 1838 S. 204 f. Kuhn, Einl. -in die Dogmatik 1859 S. 9 f. Schanz, Apol. des Christ. II 318 f. enz. -onder invloed van Schleiermacher, de inspiratie in verband brachten -met heel het organisme der openbaring, en in verschillende mate tot -de verschillende deelen der Schrift zich lieten uitstrekken. De -meeste Roomsche theologen na de Reformatie bewandelen een middenweg. -Zij verwerpen eenerzijds de laxe inspiratie die alleen in negatieve -assistentie of posterieure approbatie zou bestaan hebben, want dan -waren alle besluiten der concilien, dan was al het ware geinspireerd -te noemen. Anderzijds ontkennen zij ook de strenge inspiratio verbalis, -volgens welke alle zaken niet alleen maar ook zelfs alle singula -verba gedicteerd en ingegeven zijn, want vele zaken en woorden waren -den schrijvers bekend en behoefden dus niet geinspireerd te worden; -het verschil in taal en stijl, het gebruik van bronnen enz. bewijst -ook de onjuistheid der verbale inspiratie. Eene inspiratio realis -is dus genoeg, die soms bepaald openbaring, soms echter assistentie -is. Deze theorie vinden wij bij Bellarminus, de Verbo Dei. I c. 14. -cf. de Conc. II c. 12. XII c. 14. C. a Lapide op 2 Tim. 3:16. de -Theologia Wirceburgensis, disp. 1 cap. 1. Marchini, de divinitate et -canonicitate sacr. Bibl. Pars 1 art. 7. Liebermann, Instit. theol. -ed. 8. 1857 I p. 385 sq. Perrone, Praelect. Theol. IX 1843 p. 66 -sq. Heinrich, Dogm. I 382 f. Franzelin, Tractatus de div. Script. -Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 50. H. Denzinger, Vier Bücher von der -relig. Erk. II 108 f. F. Schmid, de inspirationis Bibl. vi et ratione. -Jansen, Praelect. theol. I 767 sq. Zie verder over deze verschillende -theorieën van de inspiratie Perrone ib. IX 58 sq. Jansen, ib. 762 sq. -P. Dansch, Die Schriftinspiration 1891. S. 145 f. Het Vaticanum droeg -wel geen bepaalde theorie voor, maar veroordeelde toch beslist die -van de inspiratio subsequens en de mera assistentia, en verklaarde, -na het Trentsche besluit te hebben herhaald, dat de kerk die boeken -voor heilig en kanoniek erkent, niet omdat zij sola industria humana -concinnati, sua (d. i. der kerk) deinde autoritate sint approbati; noch -ook, omdat zij revelationem sine errore contineant; maar daarom dat zij -Spiritu Sancto inspirante conscripti Deum habent auctorem, atque ut -tales ipsi ecclesiae traditi sunt. In can. 2, 4 noemt het concilie de -boeken nog eens divinitus inspiratos. In cap. 3 de fide zegt het, dat -fide divina et catholica ea omnia credenda sunt, quae in verbo Dei -scripto vel tradito continentur. Dit besluit laat aan duidelijkheid -niets te wenschen over. De Roomsche kerk vat de inspiratie op als -eene positieve inwerking van Gods Geest en houdt de onfeilbaarheid der -Schrift vast. En de encycliek van Leo XIII de studiis Scripturae sacrae -18 Nov. 1893 is geschreven in ditzelfde geloof. - -7. De Hervormers namen de Schrift en hare theopneustie aan, gelijk -hun die door de kerk was overgeleverd. Luther heeft nu en dan van -uit zijn soteriologisch standpunt over sommige boeken, Esther, Ezra, -Neh., Jakobus, Judas, Openb. een ongunstig oordeel geveld en kleinere -onjuistheden toegegeven, maar toch aan de andere zijde de inspiratie -in den strengsten zin vastgehouden en tot de letters toe uitgebreid. -Bretschneider, Luther an unsere Zeit 1817. Schenkel, Das Wesen der -Protest. II 56 f. Köstlin, Luthers Theologie II 246 f. W. Rohnert, -Was lehrt L. von der Insp. der H. Schrift. Leipzig 1890. Fr. Pieper, -Luthers doctrine of inspiration, Presbyt. and Ref. Rev. April 1893 p. -249-266. De Luthersche symbolen hebben geen afzonderlijk artikel over -de Schrift, maar onderstellen haar goddelijken oorsprong en autoriteit -allerwege, Conf. Aug. praef. 8. art. 7. Art. Smalc. II art. 2. 15. -Form. Conc. Pars I Epit. de comp. regula atque norma 1. De Luthersche -dogmatici, Melanchton in de praefatio voor zijne loci, Chemniz, Examen -Conc. Trid. Loc. 1. Gerhard, Loci Theol. loc. 1. enz. hebben allen -dezelfde opvatting. Niet eerst Quenstedt en Calovius, maar reeds -Gerhard noemt de schrijvers Dei amanuenses, Christi manus et Spiritus -Sancti tabelliones sive notarios, ib. loc. 1. cap. 2 § 18. Lateren -hebben het beginsel slechts verder ontwikkeld en toegepast, Heppe, -Dogmatik des deutschen Prot. I. 207-257. Hase Hutt. Rediv. § 38 f. -Schmid, Dogm. der ev. luth. K. cap. 4. Rohnert, Die Inspiration der -H. Schrift 169 f. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie 1891. S. -212 f. Bij de Gereformeerden treffen we dezelfde leer over de Schrift -aan. Zwingli stelt het uitwendig woord dikwerf achter bij het inwendig, -geeft historische en chronologische onnauwkeurigheden toe, en breidt -de inspiratie soms tot heidensche schrijvers uit, Zeller, Das theol. -System Zwingli’s 137 f. Chr. Sigwart, Ulr. Zwingli 45 f. Maar Calvijn -houdt de Schrift in vollen en letterlijken zin voor Gods woord, Instit. -I. c. 7-8, Comm. op 2 Tim. 3:16 en 2 Petr. 1:20; hij erkent den brief -aan de Hebreën wel niet voor paulinisch maar toch voor kanoniek, -en neemt Mt. 22:9, 23:25 eene fout aan, maar niet in de autographa, -Cramer, De Schriftbeschouwing van Calvijn. Heraut. n°. 26 v. Moore, -Calvins doctrine of holy Scripture, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893 -p. 49 etc. De Geref. confessies hebben meest een artikel over de H. -Schrift en spreken haar goddelijk gezag duidelijk uit, I Helv. 1-3. II -Helv. 1. 2. 13. 18. Gall. 5. Belg. 3. Angl. 6. Scot. 18 enz.; en de -Geref. theologen nemen allen zonder onderscheid ditzelfde standpunt in, -Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 319-451. -Junius, Theses Theol. cap. 2. Polanus, Synt. Theol. I 15. Synopsis, -disp. 2. Voetius, Disp. Sel. I. 30 sq. etc. Cramer, De roomsch-kath. -en oudprot. Schriftbeschouwing. Heraut n°. 26 v. Heppe, Dogm. der ev. -ref. K. S. 9 f. Eene enkele maal is er eene zwakke poging tot meer -organische beschouwing te bespeuren. De inspiratie bestond niet altijd -in openbaring, maar, als het bekende zaken gold, in assistentia en -directio; de schrijvers waren niet altijd passief, maar ook wel actief, -zoodat ze hun eigen verstand, geheugen, oordeel, stijl gebruikten, maar -zoo, dat ze toch door den H. G. werden geleid en voor dwaling behoed, -Synopsis 3:7. Rivetus, Isag. seu introd. generalis ad Script. V. et -N. T. cap. 2. Heidegger, Corpus Theol. loc. 2. § 33. 34, maar ook -daarmede werd aan de goddelijkheid en onfeilbaarheid van de Schrift -niet de minste afbreuk gedaan. De schrijvers waren geen auctores, maar -scriptores, amanuenses, notarii, manus, calami Dei. De inspiratie was -niet negatief maar altijd positief, een impulsus ad scribendum en eene -suggestio rerum et verborum. Zij deelde niet alleen onbekende maar ook -reeds bekende zaken en woorden mede, want de schrijvers moesten deze -dan toch juist nu en juist zóó, niet alleen materialiter maar ook -formaliter, niet alleen humane maar ook divine weten, Schmid, Dogm. -der ev. luth. K. 23, 24. Voetius, Disp. I 30. De inspiratie strekte -zich uit tot alle chronol. histor. geogr. zaken, tot de woorden, zelfs -tot vokalen en teekens. J. Buxtorf, Tract. de punctorum origine, -autiquitate et auctoritate 1648. Anticritica 1653. Alsted, Praecognita -Theol. p. 276. Polanus, Synt. Theol. I p. 75. Voetius, Disp. I 34. -Cons. Helv. art. 2. Barbarismen en soloecismen werden in de H. S. -niet aangenomen. Verschil van stijl werd verklaard uit den wil des -H. G., die nu zoo en dan anders wilde schrijven, Quenstedt en Hollaz -bij Rohnert, Die Inspir. der H. Schrift 205. 208. Winer, Grammatik -des N. T. Sprachidioms, 6e Aufl. 11 f. Voetius ib. Gomarus, Op. 601. -Materialiter, wat letters, syllaben en woorden aangaat, is de Schrift -e sensu creaturarum, maar formaliter, wat den sensus θεοπνευστον -betreft, male creaturis accensetur, cum sit mens, consilium, sapientia -Dei. Hollaz, Exam. ed. Teller p. 992, bij Dausch 112. In 1714 schreef -Nitzsche in Gotha, volgens Tholuck, Vermischte Schriften II 86, eene -dissertatie over de vraag, of de H. Schrift zelve God ware. - -8. Maar toen de inspiratietheorie, evenals bij de Joden en de -Mohammedanen, zoo haar uiterste consequentie getrokken had, kwam van -alle kant de bestrijding op. Ook in vroegeren tijd ontbrak het niet aan -kritiek op de Schrift. Jojakim verbrandde de rol van Baruch, Jer. 36. -Apion vatte alle beschuldigingen saam, die door de Heidenen tegen -de Joden werden ingebracht aangaande de besnijdenis, het verbod van -zwijnenvleesch, den uittocht uit Egypte, het verblijf in de woestijn, enz. -Josephus, contra Apionem, J. G. Muller, Des Flavius Josephus’ Schrift -gegen den Apion 1877. De Gnostieken, Manicheën en de hun verwante -secten in de Middeleeuwen rukten het N. Test. los van het Oude, en -schreven dit aan een lageren god, den demiurg, toe. Vooral Marcion in -zijne Antitheses, en zijne leerlingen Apelles en Tatianus, uitgaande -van de paulinische tegenstelling van gerechtigheid en genade, wet en -evangelie, werken en geloof, vleesch en geest, richtten hun aanval -tegen de anthropomorfismen, de tegenstrijdigheden, de onzedelijkheid -van het O. T., en zeiden, dat een God, die toornt, berouw heeft, -zich wreekt, jaloersch is, diefstal en leugen beveelt, nederdaalt, -eene strenge wet geeft enz. niet de ware God kan zijn. Ook wezen ze -met voorliefde op het groote verschil tusschen Christus, den waren -Messias, en den Messias, gelijk de profeten hem verwachtten. Van het -N. T. verwierp Marcion alle geschriften behalve die van Lukas en -Paulus, en bedierf ook deze nog door verkorting en interpolatie, -Tertullianus, adv. Marcionem. Epiphanius, Haer. 42. Irenaeus, adv. -haer. passim. Harnack, Dogmengesch. I 226 f. Celsus zette dezen strijd -op scherpzinnige wijze voort en leverde eene scherpe kritiek op de -eerste hoofdstukken van Genesis, de scheppingsdagen, de schepping -des menschen, de verzoeking, den val, den zondvloed, de ark, Babels -torenbouw, de verwoesting van Sodom en Gomorra, en voorts op Jona, -Daniël, de bovennatuurlijke geboorte van Jezus, den doop, de opstanding, -de wonderen en beschuldigde Jezus en de apostelen, bij gebrek aan -betere verklaring, van bedrog. Porphyrius maakte een aanvang met de -historische kritiek der Bijbelboeken; hij bestreed de allegorische -exegese des O. T., schreef den Pentateuch aan Ezra toe, hield Daniël -voor een product uit den tijd van Antiochus, en onderwierp ook vele -verhalen in de Evangeliën aan een scherpe kritiek. Julianus heeft later -al deze aanvallen tegen de Schrift in zijne Λογοι κατα χριστιανων nog -eens vernieuwd. Maar daarmede was het einde der toenmalige kritiek -bereikt. De Schrift kwam tot algemeene en onbetwiste heerschappij; de -kritiek werd vergeten. Zij herleefde in de Renaissance, maar werd toen -nog een tijd lang door de Reformatie en de Roomsche contra-reformatie -bedwongen. Straks verhief ze zich op nieuw, in het rationalisme, het -deïsme en de Fransche philosophie. Eerst richtte zij zich meer tegen -den inhoud der Schrift in de rationeele achttiende eeuw; daarna meer -tegen de echtheid der geschriften in de historisch gezinde negentiende -eeuw. Porphyrius vervangt Celsus, Renan volgt na Voltaire, Paulus van -Heidelberg maakt plaats voor Strauss en Baur. Maar het resultaat blijft -altijd hetzelfde, de Schrift is een boek vol dwaling en leugen. - -Ten gevolge van deze kritiek hebben velen de leer der inspiratie -gewijzigd. Eerst wordt de inspiratie nog wel vastgehouden als eene -bovennatuurlijke werking des H. G. bij het schrijven, maar tot het -religieus-ethische beperkt; bij het chronologische, historische enz. -wordt zij verzwakt of ontkend, zoodat hier grootere of kleinere fouten -kunnen voorkomen. Het Woord Gods is te onderscheiden van de H. Schrift. -Zoo leerden reeds de Socinianen. De schrijvers van O. en N. T. hebben -wel geschreven divino spiritu impulsi eoque dictante, maar het O. -T. heeft slechts historische waarde, alleen de leer is onmiddellijk -geinspireerd, in het overige is een leviter errare mogelijk, Fock, -Der Socin. 326 f. De Remonstranten namen hetzelfde standpunt in. Zij -erkennen de inspiratie, Conf. art. 1, maar geven toe, dat de schrijvers -zich soms minder exacte et praecise hebben uitgedrukt, Limborch, -Theol. Christ. I c. 4 § 10, of soms ook in de circumstantiae fidei -hebben gedwaald, Episcopius, Instit. Theol. IV 1 cap. 4, of sterker -nog bij de historische boeken geen inspiratie behoefden noch ontvingen, -H. Grotius, Votum pro pace ecclesiae, Clericus, bij Dr. Cramer, De -geschied. van het leerstuk der inspiratie in de laatste twee eeuwen -1887, bl. 24. Dezelfde leer over de inspiratie vinden wij dan bij S. -J. Baumgarten, J. G. Töllner, Semler, Michaelis, Reinhard, Dogm. § -19. Vinke, Theol. Christ. Dogm. Comp. 1853 p. 53-57. Egeling, Weg der -Zaligheid, 3e dr. II 612, enz. Maar deze theorie stuitte toch op vele -bezwaren. De scheiding tusschen hetgeen ter zaligheid noodig is en het -bijkomstig historische is onmogelijk, wijl leer en geschiedenis in de -Schrift geheel zijn dooreengeweven. Zij doet te kort aan de bewustheid -der schrijvers, die hun gezag volstrekt niet tot het religieus-ethische -beperken maar uitbreiden tot den ganschen inhoud hunner geschriften. -Zij is in strijd met het gebruik der Schrift door Jezus, de apostelen -en heel de christ. kerk. Deze dualistische opvatting maakte daarom -plaats voor eene andere, de dynamische van Schleiermacher, Christ. Gl. -§ 128-132. Zij bestaat hierin, dat de theopneustie van intellectueel op -ethisch gebied wordt overgebracht. De inspiratie is niet in de eerste -plaats eene eigenschap van de Schrift maar van de schrijvers. Dezen -waren wedergeboren, heilige mannen; ze leefden in de nabijheid van -Jezus, ondergingen zijn invloed, verkeerden in den heiligen kring der -openbaring en werden alzoo vernieuwd, ook in hun denken en spreken. -De inspiratie is de habitueele eigenschap der schrijvers. Hier deelen -ook hunne geschriften in; ook zij dragen een nieuw, heilig karakter. -Maar deze inspiratie der schrijvers is daarom niet essentieel, maar -slechts gradueel van die van alle geloovigen onderscheiden, want alle -geloovigen worden geleid door den H. Geest. Zij mag ook niet mechanisch -worden opgevat, alsof zij slechts nu en dan en bij sommige onderwerpen -het deel der schrijvers was. Gods Woord is niet mechanisch in de Schrift -vervat gelijk de schilderij in de lijst, maar het doordringt en bezielt -alle deelen der Schrift, gelijk de ziel alle leden des lichaams. Echter -zijn niet alle deelen der Schrift deze inspiratie, dit woord Gods, -in gelijke mate deelachtig; hoe dichter iets ligt bij het centrum der -openbaring, hoe meer het ook den Geest Gods ademt. De Schrift is daarom -tegelijk een goddelijk en een menschelijk boek, eenerzijds de hoogste -waarheid bevattend en toch tevens zwak, feilbaar, onvolmaakt; niet de -openbaring zelve maar oorkonde der openbaring; niet het woord Gods -zelf maar beschrijving van dat woord; gebrekkig in velerlei opzicht maar -toch een voldoend instrument voor ons, om tot eene feillooze kennis van -de openbaring te geraken. Ten slotte is ook niet de Schrift, maar de -persoon van Christus of in het algemeen de openbaring het principium -der theologie. Natuurlijk laat deze theorie der inspiratie zeer vele -wijzigingen toe; de theopneustie kan in meer of minder innig verband -tot de openbaring worden gesteld, de werking des H. Geestes kan meer -of minder positief worden opgevat, de mogelijkheid van dwaling kan meer -of minder ver worden toegegeven. Maar de grondgedachten blijven toch -dezelfde; de inspiratie is in de eerste plaats eene eigenschap van de -schrijvers en daarna van hunne geschriften, zij is niet een momentane -akte of eene bijzondere gave des H. Geestes maar eene habitueele -eigenschap, zij werkt zoo dynamisch, dat mogelijkheid van dwaling niet -in alle deelen wordt uitgesloten. Deze theorie heeft de oude leer der -inspiratie bijna geheel vervangen. Er zijn slechts weinige theologen -meer, die niet in hoofdzaak haar hebben overgenomen. Zie Rothe, Zur -Dogm. 121 f. Twesten, Vorles. I 401 f. Dorner, Glaub. I 620 f. Lange, -Dogm. I § 76 f. Tholuck, art. Inspir. in Herzog¹. Cremer, id. in -Herzog². Hofmann, Weiss. u. Erf. I 25 f. Id. Schriftbeweis, 2e Aufl. -I 670 f. III 98 f. Beck, Vorles. über christl. Glaub. I 424-530, -Einleitung in das System der christl. Lehre, 2e Aufl. § 82 f. Kahnis, -Luth. Dogm. I 254-301. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Id. -Syst. der chr. Wahrheit, 2e Aufl. II. 409 f. Gess, Die Inspiration der -Helden der Bibel und der Schriften der Bibel, Basel 1892. W. Volck, -Zur Lehre von der H. Schrift, Dorpat 1885. Grau, Bew. d. Glaubens Juni -1890, S. 225 f. Zöckler, Bew. d. Gl. April 1892 S. 150 f. Kähler, Wiss. -der chr. Lehre, 1884, S. 388 f. Kübel, Ueber den Unterscheid zw. der -posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol. 2e Aufl. S. 216 f. -Pareau et H. de Groot, Comp. dogm. et apol. Christ. 1848 p. 200 sq. H. -de Groot, De Gron. Godgel. 1855 bl. 59 v. Saussaye, mijne Theol. van -Ch. d. l. S. 49-61. Roozemeyer, Stemmen v. W. en Vr. Juli 1891. Dr. -Is. van Dijk, Verkeerd Bijbelgebruik 1891. Daubanton, De theopneustie -der H. Schrift 1882. Oosterzee, Dogmatiek § 35 v. Id. Theopneustie -1882. Doedes, Leer der zaligheid § 1-9. Id. De Ned. Geloofsbel. bl. -11-36. R. F. Horton, Inspiration and the Bible 4 ed. London 1889. -C. Gore, Lux mundi, 13 ed. London 1892, p. 247. Farrar and others, -Inspiration, a clerical symposium, 2 ed. Londen 1888. W. Gladden, Who -wrote the Bible, Boston, Houghton 1891. C. A. Briggs, Inspiration and -inerrancy, with papers upon biblical scholarship and inspiration by L. -J. Evans and H. P. Smiths, and an introduction by A. B. Bruce, London -1891. J. de Witt, Inspiration 1893 enz. Ook Ritschl en zijne school mag -hier bijgenoemd worden, in zoover deze tegenover de bewustzijnstheologie -op de objectieve openbaring in Christus nadruk legt en in verband -daarmede ook de Schrift tracht te waardeeren, A. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. II² 9 f. W. Herrmann, Die Bedeutung der Inspirationslehre für -die ev. Kirche, Halle 1882. Kaftan, Wesen der christl. Rel. 1881 S. -307 f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 212-252. E. Haupt, Die Bedeutung -der H. Schrift für den evang. Christen, Gütersloh 1891 enz. Maar deze -theorie bevredigt noch de gemeente noch ook de zoogenaamde wetenschap. -De kritische bezwaren tegen de Schrift gelden niet de peripherie -maar het centrum zelf der openbaring. Daarom zijn anderen nog verder -gegaan en hebben heel de inspiratie als eene bovennatuurlijke werking -van Gods Geest ontkend. De Bijbel is eene toevallige verzameling van -menschelijke geschriften, zij het ook geschreven door mannen met een diep -religieus gemoed en ontstaan onder een volk, dat bij uitnemendheid het -volk van den godsdienst mag heeten. Van openbaring en ingeving is er -dan nog slechts in overdrachtelijken zin sprake. Hoogstens is er eene -bijzondere leiding van Gods algemeene voorzienigheid in het ontstaan en -de verzameling dier geschriften op te merken. De inspiratie is alleen -gradueel verschillend van de religieuse bezieling, waarin alle vromen -deelen, Spinoza, Tract. theol. polit. cap. 12. Wegscheider, Instit. -theol. § 13. Strauss, Glaub. I 136 f. Schweizer, Glaub. I 43 f. 179 f. -Biedermann, Dogm. § 179-208. Pfleiderer, Grundriss § 39 f. Lipsius, -Dogm. § 179 f. Scholten, L. H. K. I 78 v. Toch is het opmerkelijk, -dat al deze mannen nog tot op zekere hoogte de religieuse waarde der -Schrift blijven erkennen. Zij zien in haar niet alleen eene bron voor -de kennis van Israël en van het eerste Christendom, maar trachten -haar ook nog te handhaven als een genademiddel tot kweeking van het -religieus-ethische leven, cf. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 bl. -587 v. In zoover onderscheiden zij zich gunstig van alle radikalen, die -met de Schrift geheel hebben afgerekend, alle piëteit voor haar hebben -uitgeschud en niets dan spot en verachting voor haar over hebben. -Hiervan waren in de eerste eeuwen Celsus en Lucianus de tolken; tegen -het einde der Middeleeuwen vond de lastering van de tres impostores -ingang; in de 18e eeuw werd aan dezen haat tegen het Christendom -uiting gegeven door Voltaire, die van 1760 af voor het Christendom -geen anderen naam had dan l’infâme en sedert 1764 zijne brieven meest -onderteekende met écrasez l’infâme; en in deze eeuw is deze vijandschap -tegen Christus en zijn woord nog toegenomen en uitgebreid. - -Tegenover al deze meer of min negatieve richtingen wordt de inspiratie -der Schrift in positieven en vollen zin nog in deze eeuw erkend en -verdedigd, behalve door Roomsche theologen, door I. da Costa, Over de -godd. ingeving der H. S., uitgeg. door Ds. Eggestein, Rott. Bredée -1884. Dr. A. Kuyper, De Schrift het woord Gods, Tiel 1870. Id. De -hedend. Schriftcritiek, Amst. 1881. Toorenenbergen, Bijdragen tot de -verklaring, toetsing en ontwikkeling van de leer der Herv. Kerk, -1865, bl. 9 v. L. Gaussen, Theopneustie ou inspiration plénaire -des S. Ecritures 1840. Id. Le Canon des S. Ecr. 1860. J. H. Merle -d’Aubigné, L’autorité des Ecritures 1850. A. de Gasparin, Les écoles -du doute et l’école de la foi 1853. Philippi, Kirchl. Glaub. 3e -Aufl. 1883 I 125 f. Vilmar, Dogm. herausgeg. von Piderit, Gütersloh -1874 I 91 f. W. Rohnert, Die Inspiration der H. Schrift u. ihre -Bestreiter, Leipzig 1889. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie, -Breslau 1891. Henderson, Divine Inspiration 1836. Rob. Haldane, The -verbal inspiration of the old and new test. Edinb. 1830. Th. H. -Horne, An introduction to the critical study and knowledge of the -holy scriptures, 2e ed. London 1821 4 vol. vol. I. Eleazar Lord, -The plenary inspiration of the holy Scripture, New-York 1858, ’9. W. -Lee, The inspiration of holy Scripture, its nature and proof. 3e ed. -Dublin 1864. Hodge, System. Theol. I 151. Shedd, Dogm. Theol. I 61 -B. Warfield, The real problem of inspiration, Presb. and Ref. Rev. -Apr. 1893 p. 177-221. W. E. Gladstone, The impregnable rock of holy -Scripture, 2 ed. London 1892. - - -C. De inspiratie naar de Schrift. - -9. Het Oude Testament levert voor de leer der inspiratie de volgende -belangrijke momenten: a) de profeten weten zich in een bepaald oogenblik -van hun leven door den Heere geroepen, Exod. 3; 1 Sam. 3; Jes. 6; Jer. -1; Ezech. 1-3; Am. 3:7, 8, 7:15. De roeping ging menigmaal in tegen -hun eigen wensch en begeerte, Ex. 3; Jer. 20:7; Am. 3:8, maar Jahveh -is hun te sterk geweest. De overtuiging onder Israel was algemeen, dat -de profeten gezanten Gods waren, Jer. 26:5, 7:15, door Hem verwekt -en gezonden, Jer. 29:15; Deut. 18:15; Num. 11:29; 2 Chron. 36:15, -zijne knechten, 2 Kon. 17:23, 21:10, 24:2; Ezra 9:11; Ps. 105:15 enz., -staande voor zijn aangezicht, 1 Kon. 17:1; 2 Kon. 3:14, 5:16. b) Zij -zijn zich bewust, dat Jahveh tot hen gesproken heeft, en zij van Hem -de openbaring hebben ontvangen. Hij leert hen, wat zij spreken zullen, -Ex. 2:12; Deut. 18:18, legt de woorden in hun mond, Num. 22:38, 23:5; -Deut. 18:18, spreekt tot hen, Hos. 1:2; Hab. 2:1; Zach. 1:9, 13, 2:2, -7, 4:1, 4, 11, 5:5, 10, 6:4; Num. 12:2, 8; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:28. -Vooral wordt de formule gebruikt: alzoo zegt de Heere, of: het woord -des Heeren geschiedde tot mij, of: woord, godspraak, נאם part. pass, -het gesprokene van Jahveh. Heel de Oudtest. Schrift is vol van deze -uitdrukking. Keer op keer wordt de profetische rede daardoor ingeleid. -Zelfs wordt Jahveh telkens sprekende in den eersten persoon ingevoerd, -Jos. 24:2; Jes. 1:1, 2, 8:1, 11; Jer. 1 vs. 2, 4, 11, 2:1, 7:1; Ezech. -1:3, 2:1; Hos. 1:1; Joël 1:1; Am. 2:1 enz. Eigenlijk is het Jahveh, -die door hen spreekt, 2 Sam. 23:1, 2, die door hun mond spreekt, Ex. -4:12, 15; Num. 23:5, door hun dienst, Hagg. 1:1; 2 Kon. 17:13. Heel -hun woord is gedekt door ’t gezag van Jahveh. c) Deze bewustheid is -bij de profeten zoo klaar en vast, dat zij zelfs de plaats en den tijd -aangeven, waar Jahveh tot hen sprak en onderscheid maken tusschen -tijden, waarin Hij wel en waarin Hij niet tot hen sprak, Jes. 16:13, -14; Jer. 3:6, 13:3, 26:1, 27:1; 28:1, 33:1, 34:1, 35:1, 36:1, 49:34; -Ezech. 3:16, 8:1, 12:8; Hagg. 1:1; Zach. 1:1 enz. En daarbij is die -bewustheid zoo objectief, dat zij zichzelf duidelijk onderscheiden van -Jahveh; Hij spreekt tot hen, Jes. 8:1, 51:16, 59:21; Jer. 1:9, 3:6, -5:14; Ez. 3:26 enz., en zij luisteren met hun ooren en zien met hun -oogen, Jes. 5:9, 6:8, 21:3, 10, 22:14, 28:22; Jer. 23:18, 49:14; Ezech. -2:8, 3:10, 17, 33:7, 40:4, 44:5; Hab. 3:2, 16; 2 Sam. 7:27; Job 33:16, -36:10, en nemen de woorden van Jahveh in zich op, Jer. 15:16; Ezech. -3:1-3. d) Vandaar dat zij eene scherpe tegenstelling maken tusschen wat -God hun geopenbaard heeft en hetgeen er opkomt uit hun eigen hart, -Num. 16:28, 24:13; 1 Kon. 12:33; Neh. 6:8; Ps. 41:6, 7. Zij leggen den -valschen profeten juist ten laste, dat dezen spreken uit eigen hart, -Ezech. 13:2, 3, 17; Jer. 14:14, 23:16, 26; Jes. 59:13, zonder gezonden -te zijn, Jer. 14:14, 29:9; Ezech. 13:6, zoodat zij leugenprofeten, Jer. -23:32; Jes. 9:14; Jer. 14:14, 20:6, 23:21, 22, 26, 31, 36, 27:14; -Ezech. 13:6 v.; Mich. 2:11; Zeph. 3:4; Zach. 10:2 en waarzeggers zijn, -Jes. 3:2; Mich. 3:5 v. Zach. 10:2; Jer. 27:9, 29:8; Ezech. 13:9, 12, -21:26, 28, 34; Jes. 44:25. König II 163-167. Herzog² 16, 726. e) De -profeten zijn zich eindelijk bewust, sprekende of schrijvende, niet hun -eigen woord maar het woord des Heeren te verkondigen. Trouwens, het -woord werd hun niet geopenbaard voor henzelf, maar voor anderen. Zij -hadden geene vrijheid om het te verbergen. Zij moèten spreken, Jer. 20:7, -9; Exod. 3, 4; Ezech. 3; Amos 3:8; Jona, en spreken dus niet naar -menschelijke gunst of berekening, Jes. 56:10; Mich. 3:5, 11. Daarom -zijn zij juist profeten, sprekers in Jahvehs naam en van zijn woord. En -daarbij weten zij dan, te moeten geven alwat zij ontvangen hebben, Deut. -4:2, 12:32; Jer. 1:7, 17, 26:2, 42:4; Ezech. 3:10. En uit een zelfden -drang mag en moet ook het schrijven der profeten worden afgeleid. De -letterlijke teksten, waar een bevel tot schrijven wordt gegeven, zijn -weinige, Ex. 17:14, 24:3, 4, 34:27; Num. 33:2; Deut. 4:2, 12:32, -31:19; Jes. 8:1, 30:8; Jer. 25:13, 30:1, 36:2, 24, 27-32; Ezech. -24:1; Dan. 12:4; Hab. 2:2 en slaan maar op een zeer klein gedeelte -der O. T. Schrift. Maar de schriftelijke opteekening is wel een later, -maar toch noodzakelijk stadium in de geschiedenis van het profetisme. -Vele profetieën zijn zeker nooit uitgesproken maar waren wel bestemd -om gelezen en overdacht te worden. De meeste zijn met zorg, zelfs met -kunst bewerkt en toonen reeds door hun vorm voor het schrift bestemd -te zijn. De opteekening der Godspraken werd geleid door de gedachte, -dat Israël niet meer door daden te redden was, dat nu en in verre -geslachten de dienst van Jahveh door woord en redelijke overtuiging -ingang moest vinden, Kuenen, Prof. I 74, II 345 v. Zij gingen schrijven -omdat zij zich richten wilden tot anderen, dan alleen degenen, die -hen hooren konden. f) Tusschen het ontvangen en het gesproken of -geschreven woord bestaat verschil. Er zou niets vernederends voor -de profeten in liggen, indien zij het ontvangen woord zoo letterlijk -mogelijk hadden opgeteekend. Maar de openbaring ging voort ook in ’t -moment der theopneustie en wijzigde en voltooide de vroegere openbaring, -en deze werd dus vrij gereproduceerd. Maar daarom juist eischen de -profeten voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor ’t -gesproken woord. Zelfs maken de tusschenredenen der profeten tusschen -de eigenlijke woorden van Jahveh in, bv. Jes. 6, 10:24-12:6, 31:1-3, 32, -of de uitwerking van een woord van Jahveh door den profeet, 52:7-12, -63:15-64:12 daarop geene uitzondering. De overgang van het woord van -Jahveh in het woord van den profeet en omgekeerd is menigmaal zoo -plotseling, en beide zijn zoo ineengestrengeld bijv. Jer. 13:18 v., dat -scheiding niet mogelijk is. Zij hebben dezelfde autoriteit, Jer. 36:10, -11, 25:3. Jesaia noemt 34:16 zijne eigene opgeteekende profetieën het -Boek van Jahveh. g) De profeten leiden hunne openbaring niet af uit de -wet. Ofschoon uit hun geschriften de omvang der thora niet kan bepaald -worden, toch onderstelt de profetie eene thora. Alle profeten staan -op den grondslag eener wet, zij plaatsen zich met hun tegenstanders op -eene gemeenschappelijke basis. Zij onderstellen allen een door God met -Israel gesloten verbond, eene genadige verkiezing van Israel, Hos. -1:1-3, 6:7, 8:3; Jerem. 11:6 v., 14:21, 22:9, 31:31 v.; Ezech. 16:8 v.; -Jes. 54:10, 56:4, 6, 59:21. De profeten zijn niet de scheppers van een -nieuwen godsdienst, van een ethisch monotheïsme geweest, Kuenen, Prof. -II 335 v. De verhouding van Jahveh tot Israel was nimmer gelijk aan -die van Kamos tot Moab, Kuenen, Godsd. van Israel I 222. De profeten -gewagen nooit van zulk eene tegenstelling tusschen hun religie en -die des volks. Zij erkennen, dat het volk schier alle eeuwen door aan -afgoderij zich schuldig heeft gemaakt; maar zij beschouwen dat altijd en -eenparig als ontrouw en afval, zij gaan er van uit, dat het volk beter -wist. Zij knoopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde -historie zich vast. Zij spreken uit de overtuiging, dat zij met het -volk denzelfden dienst Gods gemeen hebben, dat Jahveh hen verkoren en -geroepen heeft tot zijn dienst. Daarin vinden zij hun kracht, en daarom -toetsen zij het volk aan de van rechtswege tusschen hen en Jahveh -bestaande verhouding, Hos. 12:14; Mich. 6:4, 8; Jes. 63:11; Jer. 7:25 -enz., König, Die Hauptprobleme der altisr. Religionsgeschichte 1884 S. -15 f. 38 f. De thora duidt niet alleen onderwijzing Gods in het algemeen -aan, maar is meermalen ook de naam voor de reeds bestaande, objectieve -openbaring van Jahveh, Jes. 2:3; Mich. 4:2; Am. 2:4; Hos. 8:1, 4:6; -Jer. 18:18; Ezech. 7:26; Zeph. 3:4. Het verbond Gods met Israel, op -welks grondslag de profeten met heel het volk staan, sluit vanzelf -ook allerlei inzettingen en rechten in, en de profeten spreken daarom -telkens van geboden, Jes. 48:18; Jer. 8:13, inzettingen Jes. 24:5; Jer. -44:10, 23; Ezech. 5:6, 7, 11:12, 20, 18:9, 17, 20:11 v., 36:27, 37:24; -Am. 2:4; Zach. 1:6; Mal. 3:7, 4:4; rechten, Ezech. 5:7, 11:12 enz. Deze -thora moet hebben bevat de leer van de eenheid van Jahveh, van zijne -schepping en regeering aller dingen, het verbod der afgoderij, en andere -godsdienstige en zedelijke geboden, en voorts ook allerlei ceremonieele -(sabbat, offer, reinheid enz.) en historische (schepping, uittocht uit -Egypte, bondssluiting enz.) bestanddeelen. Over den omvang der thora -vóór het profetisme moge verschil kunnen bestaan, de verhouding van wet -en profeten kan niet worden omgekeerd, zonder met heel de geschiedenis -van Israel en het wezen van het profetisme in botsing te geraken. De -profeet onder Israel was als het ware die lebendige Stimme des Gesetzes -und der Vermittler seiner Erfüllung (Staudenmaier). De meest negatieve -kritiek ziet zich gedwongen, om de persoonlijkheid van Mozes en zijn -monotheisme, het verblijf in Egypte, den uittocht, de verovering van -Kanaän enz. nog als historisch aan te nemen, ofschoon hun bij hunne -kritiek van den Pentateuch alle grond daartoe ontbreekt, cf. bijv. -Smend, Lehrb. der altt. Rel. S. 13 f. h) Het is apriori waarschijnlijk, -dat bij een volk, zoo lang reeds met de schrijfkunst bekend, Herzog² 13, -689 f. de wet ook reeds lang in geschreven vorm zal hebben bestaan. -In Hos. 8:12 schijnt dit ook uitgesproken te zijn, Bredenkamp, Gesetz -und Proph. 21 f. König, Der Offenbarungsbegriff II 333 f. Deze thora -had van den aanvang af gezag onder Israel. Van twijfel of bestrijding is -niets bekend. Mozes nam onder alle profeten eene geheel eenige plaats -in, Ex. 33:11; Num. 12:6-8; Deut. 18:18; Ps. 103:7, 106:23; Jes. 63:11; -Jer. 15:1 enz. Hij stond tot Jahveh in eene bijzondere relatie; de Heere -sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Hij was de Middelaar des O. -Testaments. Overal schrijft de wet zich zelve een goddelijken oorsprong -toe. Het is Jahveh, die door Mozes aan Israel de thora gegeven heeft. -Niet alleen de tien woorden Ex. 20 en het Bondsboek Ex. 21-23; maar -ook alle andere wetten worden uit een spreken Gods tot Mozes afgeleid. -Elk oogenblik komt in de wetten van den Pentateuch de formule voor: -de Heere zeide of sprak tot Mozes. Ieder hoofdstuk haast begint er -mede, Ex. 25:1, 30:11, 17, 22, 31:1, 32:9 enz.; Lev. 1:1, 4:1, 6:1 -enz.; Num. 1:1, 2:1, 3:44, 4:1 enz. En Deuteronomium wil niets geven -dan wat Mozes tot de kinderen Israels gesproken heeft, Deut. 1:6, 2:1, -2, 17, 3:2, 5:2, 6:1 enz. i) De historische boeken des O. T. zijn alle -door profeten en in profetischen geest geschreven, 1 Kron. 29:29; 2 -Kron. 9:29, 20:34 enz. De profeten verwijzen in hunne toespraken en -geschriften niet alleen herhaaldelijk naar Israels geschiedenis, maar zij -zijn het ook, die deze bewaard, bewerkt en ons overgeleverd hebben. Maar -zij bedoelen daarmede geenszins, om ons een getrouw en aaneengeschakeld -verhaal te verschaffen van de lotgevallen van het Israelietische volk, -gelijk andere geschiedschrijvers dat beoogen. De profeten stellen zich -ook in de historische boeken des O. T. op den grondslag der thora -en beschouwen en beschrijven van uit haar standpunt de geschiedenis -van Israel, Richt. 2:6-3:6; 2 Kon. 17:7-23, 34-41. De historische -boeken zijn de commentaar in feiten van het verbond Gods met Israel. -Zij zijn geen geschiedenis in onzen zin maar profetie, en willen naar -een anderen maatstaf beoordeeld zijn dan de geschiedboeken der andere -volken. Het is hun niet daarom te doen, dat wij nauwkeurige kennis -zouden verkrijgen van Israels geschiedenis, maar dat wij in de historie -van Israel de openbaring Gods, zijne gedachte en zijn raad zouden -verstaan. De profeten zijn altijd verkondigers van het woord van Jahveh, -zoowel waar zij achterwaarts zien in de historie als wanneer zij vooruit -blikken in de toekomst. j) Wat eindelijk de in engeren zin poëtische -boeken betreft, die in den kanon zijn opgenomen, deze dragen alle -evenals de andere O. T. geschriften een religieus-ethisch karakter. -Zij onderstellen de openbaring Gods als haar objectieven grondslag -en laten de uitwerking en toepassing zien van die openbaring in de -verschillende toestanden en verhoudingen van het menschelijk leven. De -Prediker schetst de ijdelheid der wereld zonder en tegenover de vreeze -des Heeren. Job houdt zich bezig met het probleem van de gerechtigheid -Gods en het lijden der vromen. De Spreuken schilderen ons de ware -wijsheid in hare toepassing op het rijke menschenleven. Het Hooglied -bezingt de innigheid en de kracht der liefde. En de Psalmen doen in den -spiegel van de ervaringen der vromen Gods menigvuldige genade ons zien. -De lyrische en didactische poëzie treedt onder Israel in den dienst van -de openbaring Gods. Volgens 2 Sam. 23:1-3 sprak David, de liefelijke in -zangen Israels, door den Geest van Jahveh en was diens woord op zijne -tong. k) Naarmate de verschillende geschriften des O. T. ontstonden en -bekend werden, werden zij ook als gezaghebbend erkend. De wetten van -Jahveh werden in het heiligdom gelegd, Ex. 25:22, 38:21, 40:20; Deut. -31:9, 26; Jos. 24:25 v.; 1 Sam. 10:25. De dichterlijke voortbrengselen -werden bewaard, Deut. 31:19; Jos. 10:13; 2 Sam. 1:18; de Psalmen werden -reeds vroeg ten behoeve van den cultus verzameld, Ps. 72:20; van de -Spreuken legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan, -Spr. 25:1. De profetieën werden veel gelezen, Ezechiel kent Jesaia en -Jeremia, latere profeten beroepen zich op de voorafgaande. Daniel, -cap. 9:2 kent reeds eene verzameling van profetische geschriften, -waartoe ook Jeremia behoorde. In de na-exilische gemeente staat het -gezag van wet en profetieën vast, gelijk uit Ezra, Haggai en Zacharia -duidelijk blijkt. Jezus ben Sirach stelt wet en profeten zeer hoog, cap. -15:1-8, 24:23, 39:1 v.; cap. 44-49. In de voorrede maakt zijn kleinzoon -gewag van drie deelen, waarin de Schrift is gesplitst. De LXX bevat -verschillende apocriefe geschriften, maar deze getuigen zelve voor het -gezag der kanonische boeken, 1 Makk. 2:50; 2 Makk. 6:23; Wijsh. 11:1, -18:4; Baruch 2:28; Tob. 1:6, 14:7; Jezus Sir. 1:5, 17:12, 24:23, 39:1, -46:15, 48:25 enz. Philo citeert alleen kanonische boeken. Het vierde -boek van Ezra cap. 14:18-47 kent de indeeling in 24 boeken. Josephus, -c. Ap. 1, 8, telt 22 boeken in drie deelen. Omnium consensu was de -Oudtestamentische kanon van Philo en Josephus aan den onzen gelijk, G. -Wildeboer, Het ontstaan van den Kanon des O. V. 1889 bl. 126 v. 134. -Strack in Herzog² 7, 429. - -10. Deze kanon des Ouden Testaments bezat voor Jezus en de apostelen, -evenals voor hunne tijdgenooten, goddelijke autoriteit. Dit blijkt -duidelijk uit de volgende gegevens: a) de formule, waarmede het O. T. -in het N. wordt aangehaald, is verschillend maar bewijst altijd, dat het -O. T. voor de schrijvers van het N. T. van goddelijken oorsprong is en -een goddelijk gezag draagt. Jezus haalt soms eene plaats uit het O. T. -aan met den naam van den schrijver, bijv. van Mozes, Mt. 8:4, 19:8; Mk. -7:10; Joh. 5:45, 7:22; Jesaia, Mt. 15:7; Mk. 13:14; David, Mt. 22:43; -Daniël, Mt. 24:15, maar citeert menigmaal ook met de formule: er staat -geschreven, Mt. 4:4 v., 11:10; Luk. 10 vs. 26; Joh. 6:45, 8:47, of: -de Schrift zegt, Mt. 21:42; Luk. 4:21; Joh. 7:38, 10:35, of ook naar -den auctor primarius, d. i. God of den H. Geest, Mt. 15:4, 22:43, 45, -24:15; Mk. 12:26. De Evangelisten bezigen dikwerf de uitdrukking: -hetgeen gesproken is door den profeet, Mt. 1:22, 2:15, 17, 23, 3:3 -enz. of door den Heere of door den H. Geest, Mt. 1 vs. 22, 2:15; Luk. -1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. Johannes citeert gewoonlijk bij den -auctor secundarius, cap. 1:23, 46, 12:38. Paulus spreekt altijd van de -Schrift, Rom. 4:3, 9:17, 10:11, 11:2; Gal. 4:30; 1 Tim. 5:18 enz., die -soms zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3:8, 22, 4:30; -Rom. 9:17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of den H. Geest -als auctor primarius, 1:5 v., 3:7, 4:3, 5, 5:6, 7:21, 8:5, 8, 10:16, -30, 12:26, 13:5. Deze wijze van citeeren leert klaar en duidelijk, dat -de Schrift des O. V. voor Jezus en de apostelen wel uit verschillende -deelen samengesteld en van verschillende schrijvers afkomstig was, maar -toch één organisch geheel vormde, dat God zelven tot auteur had. b) -Meermalen wordt dit goddelijk gezag der O. T. Schrift door Jezus en de -apostelen ook beslist uitgesproken en geleerd, Mt. 5:17; Luk. 16:17, -29; Joh. 10:35; Rom. 15:4; 1 Petr. 1:10-12; 2 Petr. 1:19, 21; 2 Tim. -3:16. De Schrift is eene eenheid, die noch in haar geheel noch in haar -deelen gebroken en vernietigd kan worden. In den laatst aangehaalden -tekst wordt de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig, -gedrukt door het bezwaar, dat dan achter ὠφελιμος het praedikaat -ἐστιν niet had kunnen ontbreken, Hofmann, Weiss. u. Erf. I 43. De -overzetting: iedere schrift, gansch in het algemeen, is theopneust -en nuttig, wordt door den aard der zaak uitgesloten. Er blijft dus -slechts keuze tusschen de beide vertalingen: de gansche Schrift, of: -iedere Schrift, n.l. die in τα ἱερα γραμματα, vs. 15 begrepen is, is -theopneust. Zakelijk geeft dit geen verschil, en met het oog op plaatsen -als Mt. 2:3; Hd. 2:36; 2 Cor. 12 vs. 12; Ef. 1:8, 2:21, 3:15; Col. -4:12; 1 Petr. 1:15; Jak. 1:2 schijnt πας zonder artikel toch ook wel -geheel te kunnen beteekenen. c) Nooit staan Jezus of de apostelen -kritisch tegenover den inhoud van het O. T., maar zij aanvaarden -dien geheel en zonder voorbehoud. In alle deelen, niet alleen in de -religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf -spreekt, maar ook in haar historische bestanddeelen wordt de Schrift -des O. T. onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk erkend. Jezus -houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van Jesaia, Mt. 13:14, Ps. 110 van -David, Mt. 22:43, de Mt. 24:15 aangehaalde profetie van Daniël, en -schrijft de wet aan Mozes toe, Joh. 5:46. De historische verhalen des -O. T. worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de -schepping des menschen, Mt. 19:4, 5; Abels moord, Mt. 22 vs. 35; de -zondvloed, Mt. 24:37-39; de geschiedenis der aartsvaders, Mt. 22:32, -Joh. 8:56; de verwoesting van Sodom, Mt. 11:23, Luk. 17:28-33; de -brandende braambosch, Luk. 20:37; de slang in de woestijn, Joh. 3:14; -het manna, Joh. 6:32; de geschiedenis van Elia, Luk. 4:25, 26; Naäman, -ib., Jona, Mt. 12:39-41 enz. d) Dogmatisch is het O. T. voor Jezus -en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, πασης ἀντιλογιας -περας. Het O. T. is vervuld in het Nieuwe. Het wordt meermalen zoo -voorgesteld, alsof alles is geschied met het doel om de H. Schrift te -vervullen, ἱνα πληρωθῃ το ρηθεν, Mt. 1:22 en passim, Mk. 14:49, 15:28; -Luk. 4:2, 24:44; Joh. 13:18, 17:12, 19:24, 36; Hd. 1:16; Jak. 2:23 -enz. Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt, -Mt. 21:16; Luk. 4:21, 22:37; Joh. 15:25, 17:12, 19:28 enz.; alwat aan -Jezus is geschied, is tevoren in het O. T. beschreven, Luk. 18:31-33. -Jezus en de apostelen rechtvaardigen hun gedrag en bewijzen hunne leer -telkens met een beroep op het O. Test., Mt. 12:3, 22:32; Joh. 10:34; -Rom. 4; Gal. 3; 1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit der Schrift -strekt zich zoo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een -tittel en jota daardoor gedekt wordt, Math. 5:17, 22:45; Luk. 16:17; -Joh. 10:35; Gal. 3:16. e) Desniettemin wordt het O. T. in het N. T. -doorgaans naar de grieksche vertaling der LXX geciteerd. De schrijvers -van het N. T., schrijvende in het grieksch en voor grieksche lezers, -gebruikten gemeenlijk de vertaling, die aan dezen bekend en voor hen -toegankelijk was. De citaten kunnen naar hunne verhouding tot den Hebr. -tekst en tot de grieksche vertaling in drie groepen worden verdeeld. -In sommige teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met -den Hebr. tekst, b.v. Mt. 2:15, 18, 8:17, 12:18-21, 27:46; Joh. 19:37; -Rom. 10:15, 16, 11:9; 1 Cor. 3:19, 15:54. In andere is er omgekeerd -overeenstemming met de LXX en afwijking van het Hebr., bijv. Mt. 15:8, 9; -Hd. 7:14, 15:16, 17; Ef. 4:8; Hebr. 10:5, 11:21, 12:6. In eene derde -groep van citaten is er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX -en Hebr. tekst, bijv. Mt. 2:6, 3:3, 26:31; Joh. 12:15, 13:18; Rom. -10:6-9; 1 Cor. 2:9. Ook verdient het opmerking, dat sommige boeken des -O. T. nl. Ezra, Neh., Ob., Nah., Zef., Esth., Pred. en Hoogl. nooit in -het N. T. worden aangehaald; dat er wel geen apocriefe boeken worden -geciteerd maar toch in 2 Tim. 3:8; Hebr. 11:34 v.; Judas 9 v. 14 v., -namen en feiten worden vermeld, die in het O. T. niet voorkomen; en dat -enkele malen ook grieksche klassieken worden aangehaald, Hd. 17:18; -1 Cor. 15:33; Tit. 1:12. f). Wat eindelijk het materieel gebruik van -het O. T. in het N. T. aangaat, ook hierin is er groot verschil. Soms -dienen de citaten tot bewijs en bevestiging van eenige waarheid, bijv. -Mt. 4:4, 7, 10, 9:13, 19:5, 22:32; Joh. 10:34; Hd. 15:16, 23:5; Rom. -1:17, 3:10 v., 4:3, 7, 9:7, 12, 13, 15, 17, 10:5; Gal. 3:10, 4:30; 1 -Cor. 9:9, 10:26; 2 Cor. 6:17. Zeer dikwijls wordt het O. T. aangehaald -ten bewijze, dat het in het N. T. vervuld _moest_ worden en vervuld is; -hetzij in letterlijken zin, Mt. 1:23, 3:3, 4:15, 16, 8:17, 12:18, 13:14, -15, 21:42, 27:46; Mk. 15:28; Luk. 4:17 v.; Joh. 12:38; Hd. 2:17, 3:22, -7:37, 8:32, enz., hetzij in typischen zin, Mt. 11:14, 12:39 v., 17:11; -Luk. 1:17; Joh. 3:14, 19:36; 1 Cor. 5:7, 10:4; 2 Cor. 6:16; Gal. 3:13, -4:21; Hebr. 2:6-8, 7:1-10, enz. Meermalen dienen de citaten uit het O. -T. eenvoudig tot opheldering, toelichting, vermaning, vertroosting, -enz., bijv. Luk. 2:23; Joh. 7:38; Hd. 7:3, 42; Rom. 8:36; 1 Cor. 2:16, -10:7; 2 Cor. 4:13, 8:15, 13:1; Hebr. 12:5, 13:15; 1 Petr. 1:16, 24, 25, -2:9. Bij dat gebruik worden wij door den zin, dien de N. T. schrijvers in -den tekst des O. T. vinden, menigmaal verrast; zoo vooral in Mt. 2:15, -18, 23, 21:5, 22:32, 26:31, 27:9, 10, 35; Joh. 19:37; Hd. 1:20, 2:31; -1 Cor. 9:9; Gal. 3:16, 4:22 v.; Ef. 4:8 v.; Hebr. 2:6-8, 10:5. Deze -exegese van het O. in het N. T. onderstelt bij Jezus en de apostelen de -gedachte, dat een woord of zin veel dieper beteekenis en veel verdere -strekking kan hebben, dan de schrijver er bij vermoed of er in neergelegd -heeft. Dit is ook meermalen bij klassieke schrijvers het geval. Niemand -zal meenen, dat Goethe bij het neerschrijven van zijne klassieke poëzie -dat alles voor den geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt. -Hamerling heeft in zijn Epilog an die Kritiker, Poet. Werke, Tiel -Campagne I 142 f. dit duidelijk uitgesproken. Bij de Schrift is dit nog -in veel sterker mate het geval, wijl zij naar de overtuiging van Jezus -en zijne apostelen den H. Geest tot auctor primarius heeft en een -teleologisch karakter draagt, cf. ook Valeton, Theol. Stud. 1887 aflev. -6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend S. 236. Niet in die enkele -bovengenoemde plaatsen slechts, maar in heel de opvatting en uitlegging -van het O. Test., wordt het N. Test. gedragen door de gedachte, dat het -Israelietische zijne vervulling heeft in het Christelijke. De gansche -oeconomie des O. V. met al hare instellingen en rechten en in heel haar -geschiedenis wijst henen naar de bedeeling des N. Verbonds. Niet het -Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam van de -schatten des heils, aan Abraham en zijn zaad beloofd. Litt. over het O. -T. in het N. T., Glassius, Philologia Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius, -Βιβλος καταλλαγης, in quo sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et -modos interpretandi conciliantur loca V. T. in N. T. allegata, Amst. -1713. J. Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum -in oraculis ex V. T. in N. allegatis, Tub. 1773-81. Th. Randolph, The -prophecies and other texts cited in the New Test. compared with the -Hebr. Original and with the Sept. version, Oxf. 1782. Dr. H. Owen, -The modes of quotation used by the evangelical writers explained and -vindicated, Lond. 1789. F. H. Horne, An introduction to the critical -study and knowledge of the holy Script. 4 vol. Lond. 1821 II 356-463. -C. Sepp, De leer des N. T. over de H. Schrift des O. V. 1849. Tholuck, -Das A. T. im N. 6e Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 f. Hofmann, -Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841. E. Haupt, Die altt. -Citate in den vier Evang. 1871. Kautzsch, De V. T. locis a Paulo -allegatis, 1869. E. Böhl, Forschungen nach einer Volksbibel zur Zeit -Jesu 1873. Id. Die altt. Citate im N. T. 1878. K. Walz, Die Lehre der -Kirche von der Schrift nach der Schrift selbst geprüft, Leiden 1884. -Kuenen, De Profeten II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old -Test. Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des A. T. -im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer, Die altt. Citate -bei Paulus usw. Freiburg 1895. - -11. Voor de inspiratie des N. T. vinden wij in de schriften der -apostelen de volgende gegevens: a) Jezus’ getuigenis geldt in heel -het N. T. als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is de Logos, die -den Vader verklaart, Joh. 1:18, 17:6; ὁ μαρτυς ὁ πιστος και ἀληθινος, -Op. 1:5, 3:14; cf. Jes. 55:4, de Amen, in wien alle beloften Gods ja -en amen zijn, Op. 3:14; 2 Cor. 1:20. Er is geen bedrog, δολος, in zijn -mond geweest, 1 Petr. 2:22. Hij is de Apostel en Hoogepriester onzer -belijdenis, Hebr. 3:1; 1 Tim. 6:13. Hij spreekt niet ἐκ των ἰδιων, gelijk -Satan die een leugenaar is, Joh. 8:44. Maar God spreekt door Hem, Hebr. -5:1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8:42 en spreekt niets dan wat -Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3:32. Hij spreekt de woorden Gods, -Joh. 3:34, 17:8 en geeft alleen aan de waarheid getuigenis, 5:33, -18:37. Daarom is zijne getuigenis waarachtig, Joh. 8:14, 14:6, door de -getuigenis van God zelven bevestigd, 5:32, 37, 8:18. Niet alleen is -Jezus in ethischen zin heilig en zonder zonde, Joh. 8:46, maar Hij is -ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog. Het is volkomen -waar, dat Jezus zich in engeren zin niet bewogen heeft op het gebied -der wetenschap. Hij kwam op aarde om ons den Vader te verklaren en zijn -werk te volbrengen. Maar de inspiratie der Schrift, waarover Jezus -zich uitspreekt, is geen wetenschappelijk probleem maar een religieuse -waarheid. Indien Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op -een punt, dat ten nauwste samenhangt met het religieuse leven, en -kan Hij ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze -hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag der H. Schrift vormt -een gewichtig bestanddeel in de woorden Gods, die Jezus verkondigd -heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geene buitengewone, -bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen actus transiens; -maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven had, zou Hij daarbij -geene bijzondere assistentie des H. G. hebben noodig gehad. Hij had de -inspiratie als eene buitengewone gave niet noodig, wijl Hij den Geest -ontving niet met mate, Joh. 3:34, de Logos was, Joh. 1:1 en de volheid -Gods lichamelijk in Hem woonde, Col. 1:19, 2:9. b) Jezus heeft ons -echter niets in geschrifte nagelaten, en Hij zelf is heengegaan. Zoo -moest Hij dan zorg dragen, dat zijne waarachtige getuigenis onvervalscht -en zuiver aan de menschheid werd overgegeven. Daartoe kiest Hij de -apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon ambt en een gansch -bijzondere dienst in Jezus’ gemeente. De apostelen zijn Hem bepaald door -den Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelven uitverkoren, Joh. 6:70, -13:18, 15:16, 19 en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige -taak voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks -na Jezus’ heengaan, als _getuigen_ moesten optreden, Luk. 24:48; Joh. -15:27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden en werken -geweest; zij hadden het woord des levens met de oogen aanschouwd en met -de handen getast, 1 Joh. 1:1, en hadden nu deze getuigenis aangaande -Jezus te brengen aan Israel en aan de geheele wereld, Mt. 28:19; Joh. -15:27, 17:20; Hd. 1:8. Maar alle mensch is leugenachtig, God alleen is -waarachtig, Rom. 3:4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen -onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van hen bedient -Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke getuige, die -trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de H. Geest. Hij is de Geest -der waarheid, en zal van Jezus getuigen, Joh. 15:26, en de apostelen -kunnen eerst als getuigen optreden na en door Hem, Joh. 15:27. Die -Geest wordt dan ook in bijzonderen zin aan de apostelen beloofd en -geschonken, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 20:22. Vooral Joh. -14:26 leert dat duidelijk. De H. Geest ὑπομνησει ὑμας παντα ἁ εἰπον -ὑμιν. Hij zal de jongeren met hun personen en gaven, met hun herinnering -en oordeel enz. in zijn dienst nemen. Hij zal aan de openbaring materieel -niets nieuws toevoegen, wat niet reeds in Christus’ persoon, woord -en werk besloten ligt, want Hij neemt alles uit Christus en maakt de -apostelen in zooverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al -de waarheid, Joh. 14:26, 16:13, 14. En deze getuigenis des H. Geestes -door den mond der apostelen is de verheerlijking van Jezus, Joh. 16:14, -gelijk Jezus’ getuigenis eene verheerlijking was van den Vader, 17:4. c) -Met dien Geest in bijzonderen zin toegerust, Joh. 20:22; Hd. 1:8; Ef. -3:5, treden de apostelen na den Pinksterdag ook openlijk als getuigen -op, Hd. 1:8, 21, 22, 2:14, 32, 3:15, 4:8, 20, 33, 5:32, 10:39, 51, -13:31. In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben, -ligt de beteekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen en -bekwaamd. Daaraan ontleenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen zij -zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht weder aan hun -getuigenis zijn zegel door teekenen en wonderen, en geestelijken zegen, -Mt. 10:1, 9; Mk. 16:15 v.; Hd. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8, 8:6 v., -10:44, 11:21, 14:3, 15:8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure -suo, de leiders der Jeruzalemsche gemeente, zij hebben opzicht over -de geloovigen in Samaria, Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32, -11:22, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, en genieten -eene algemeen erkende autoriteit. Zij spreken en handelen krachtens -de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus nergens een expres bevel -gaf om ook zijne woorden en daden op te teekenen --alleen in de Openb. -is meermalen van een bevel tot schrijven sprake, 1:11, 19, enz.-- de -apostelen spreken in hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven -is een bijzondere vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen -van Christus, Luk. 1:2; Joh. 1:14, 19:35, 20:31, 21:24; 1 Joh. 1:1-4; -1 Petr. 1:12, 5:1; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3; Op. 1:3, 22:18, 19. Hun -getuigenis is getrouw en waarachtig, Joh. 19:35; 3 Joh. 12. d) Onder -de apostelen staat Paulus weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen om -tegen de Judaïsten zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1-2; 1 Cor. -1:10-4:21; 2 Cor. 10-13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat -hij van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1:14; door Jezus zelf tot -apostel is geroepen, Gal. 1:1; Jezus zelf persoonlijk heeft gezien, -1 Cor. 9:1, 15:8; met openbaringen en gezichten verwaardigd werd, 2 -Cor. 12; Hd. 26:16; van Jezus zelf zijn Evangelie ontvangen heeft, Gal. -1:12; 1 Tim. 1:12; Ef. 3:2-8, en dus evengoed als de andere apostelen -een zelfstandig en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen, -Hd. 26:16; ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en teekenen, -1 Cor. 12:10, 28; Rom. 12:4-8, 15:18, 19; 2 Cor. 11:23 v.; Gal. 3:5; -Hebr. 2:4; en met geestelijken zegen, 1 Cor. 15:10; 2 Cor. 11:5, enz. -Hij is zich daarom bewust, dat er geen ander evangelie is dan ’t zijne, -Gal. 1:7; dat hij getrouw is, 1 Cor. 7:25; den Geest Gods heeft, 1 Cor. -7:40; dat Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13:3; 1 Cor. 2:10, 16; 2 -Cor. 2:17, 5:23; dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor. 2:17; 1 Thess. -2:13; tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden toe, 1 Cor. 2:4, 10-13; -en niet alleen als hij spreekt maar ook als hij schrijft, 1 Thess. 5:27; -Col. 4:16; 2 Thess. 2:15, 3:14. Evenals de andere apostelen treedt -Paulus meermalen met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2:9, -en geeft bindende bevelen, 1 Cor. 7:40; 1 Thess. 4:2, 11; 2 Thess. -3:6-14. En wel beroept hij zich eene enkele maal op het oordeel der -gemeente, 1 Cor. 10:15, maar niet om zijne uitspraak aan haar goed- of -afkeuring te onderwerpen, maar integendeel om door het geweten en het -oordeel der gemeente, die immers ook den Geest Gods en de zalving van -den Heilige heeft, 1 Joh. 2:20, gerechtvaardigd te worden. Zoo weinig -maakt Paulus zich daarmede van het oordeel der gemeente afhankelijk, -dat hij 1 Cor. 14:37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn -en den Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijne erkentenis, -dat hetgeen Paulus schrijft des Heeren geboden zijn. e) Deze geschriften -van de apostelen hadden van stonde aan autoriteit in de gemeenten, -waar ze bekend waren. Ze werden spoedig verbreid en kregen daardoor -steeds uitgebreider gezag, Hd. 15:22 v.; Col. 4:16. De Synoptische -Evangeliën toonen eene zoo groote verwantschap, dat het eene geheel -of gedeeltelijk aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan -Petrus bekend, en 2 Petr. 3:16 kent reeds vele brieven van Paulus en -stelt ze met de andere Schriften op ééne lijn. Langzamerhand kwamen er -vertalingen van N. T. geschriften ter voorlezing in de gemeente, Just. -M. Apol. 1:67. In de eerste helft der tweede eeuw moeten deze reeds -hebben bestaan, Papias bij Euseb. H. E. 3:39. Just. M. Apol. 1:66, 67. -Een dogmatisch gebruik wordt er al van gemaakt door Athenagoras, de -resurr. c. 16, die daar zijne redeneering bewijst met 1 Cor. 15:33; 2 -Cor. 5:10. En Theophilus, ad Autol. 3:4 haalt teksten uit Paulus aan -met de formule, διδασκει, κελευει ὁ θειος λογος. Irenaeus adv. haer. -3, 11, Tert. ad Prax. 15 en anderen, de Peschitto en het fragment van -Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e helft der 2e -eeuw de meeste geschriften van het N. T. kanonisch gezag hadden en met -de boeken des O. V. eene gelijke digniteit genoten. Over sommige boeken, -Jak., Jud., 2 Petr., 2 en 3 Joh. bleef er verschil bestaan, Euseb. H. -E. 3:25. Maar de bedenkingen tegen deze antilegomena werden in de 3e -eeuw steeds minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo Regius -in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegomena opnemen en -den kanon sluiten. Deze besluiten der kerk waren geen eigenmachtige -en autoritaire handeling, maar slechts codificatie en registratie -van het recht, dat ten aanzien van deze geschriften reeds lang in de -gemeenten had bestaan. De kanon is niet gevormd door een besluit van -concilien. Canon non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a -Deo animorum temporumque rectore, productus est, Loescher bij Herzog² 7, -424. In den belangrijken strijd van Harnack en Zahn over de geschiedenis -van den N. T. kanon legt Harnack ongetwijfeld te eenzijdig nadruk op -de begrippen, Goddelijkheid, onfeilbaarheid, inspiratie, kanon, op de -formeele vaststelling van het dogma der N. T. Schrift. Lang voordat -dit in de 2e helft der 2e eeuw geschiedde, waren de N. T. geschriften -door het gezag der apostelen, de voorlezing in de gemeente, enz. tot -algemeen erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigt -Zahn zeer terecht de aandacht. Verg. over dezen strijd Köppel, Stud. -u. Krit. 1891, 1es Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol. 1893, -1es Heft. f.) Welke beginselen de gemeente, zoo onder het Oude als -Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de kanoniciteit der O. en N. -T. geschriften hebben geleid, is met zekerheid niet uit te maken. De -apostolische oorsprong kan den doorslag niet hebben gegeven want ook -Markus, Lukas en Hebr. zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning der -kanoniciteit haar grond in het feit, dat er geen andere geschriften -aangaande Christus bestonden, want Luk. 1:1 maakt van vele andere -gewag, en volgens Irenaeus adv. haer. 1:20 was er ἀμυθητον πληθος -ἀποκρυφων και νοθων γραφων. Het beginsel der kanonvorming kan ook -niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en 3 Joh. zijn zeer -klein: evenmin in de bekendheid der schrijvers, Markus, Lukas, met de -apostelen, want brieven van Clemens en Barnabas werden niet opgenomen; -en ook niet in de originaliteit, want Mattheus, Markus en Lukas; Efeze -en Colosse; Judas en 2 Petr. zijn de een van den ander afhankelijk. Er -kan niets anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze -geschriften zonder eenige afspraak, vanzelve in alle gemeenten plaats -had. Op enkele uitzonderingen na, werden de O. en de N. T. geschriften -terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel, zonder een woord van -twijfel of protest als heilige, goddelijke schriften aangenomen. De -plaats en de tijd, waar hun het eerst gezag werd toegekend, is niet aan -te wijzen. De kanoniciteit der Bijbelboeken wortelt in hun existentie. -Zij hebben gezag van zichzelve, jure suo, omdat ze er zijn. Het is de -Geest des Heeren, die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente -tot erkenning bracht. Harnack, D. G. I 304 f. 318 f. Wildeboer, Het -ontstaan v. d. Kanon des O. V. 107 v. Reuss, Gesch. des N. T. § 298 f. -Herzog² art. Kanon. W. Lee, The Inspiration of holy Scripture, 3e ed. -Dublin 1864 p. 43. - -12. Het resultaat van dit onderzoek naar de leer der Schrift over -zichzelve kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelve houdt en -uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord Gods of woord -des Heeren heeft in de Schrift verschillende beteekenissen. Dikwerf -wordt er door aangeduid de kracht Gods, waardoor Hij alle dingen schept -en onderhoudt, Gen. 1:3; Ps. 33:6, 147:17, 18, 148:18; Rom. 4:17; -Hebr. 1:3, 11:3. Vervolgens wordt zoo de bijzondere openbaring genoemd, -waardoor God iets bekend maakt aan de profeten. In het O. T. komt de -uitdrukking in dezen zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens heet -het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het N. T. vinden we het -in dezen zin alleen, Joh. 10:35; het woord geschiedt nu niet meer en -komt niet eene enkele maal van boven en van buiten tot de profeten, -het is geschied in Christus en blijft. Verder beteekent woord Gods den -inhoud der openbaring; dan is er sprake van woord of woorden Gods, -naast rechten, wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israel gegeven -zijn, Ex. 9:20, 21; Richt. 3:20; Ps. 33:4, 119:9, 16, 17 enz. Jes. 40:8; -Rom. 3:2 enz. In het N. Test. heet zoo het Evangelie, dat door God in -Christus is geopenbaard en door de apostelen verkondigd werd, Luk. 5:1; -Joh. 3:34, 5:24, 6:63, 17:8, 14, 17; Hd. 8:25, 13:7; 1 Thess. 2:13 enz. -Niet onwaarschijnlijk is het, dat de naam woord Gods dan voorts in de -Schrift eene enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus -een gedeelte der Schrift, mede aan te duiden, Ps. 119:11, 105. Schultz, -Grundriss der ev. Dogm. 4 f. In het N. T. laat zich zulk eene plaats -niet aanwijzen. Ook Hebr. 4:12 is woord Gods niet gelijk de Schrift. -Maar toch ziet het N. T. feitelijk in de boeken des O. V. niets anders -dan het woord Gods. God, of de H. Geest is de auctor primarius, die -door, δια c. gen., de profeten sprak in de Schrift, Hd. 1:16, 28:25. -De Schrift heet dan zoo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De -formeele en materieele beteekenis der uitdrukking is in de Schrift -ten nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord Gods gebezigd -voor Christus zelven. Hij is de Logos in geheel eenigen zin, revelator -en revelatio tegelijk. Alle openbaringen Gods, alle woorden Gods, in -natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping, onder O. en N. -T. hebben in Hem hun grond, hun eenheid en middelpunt. Hij is de zon, -de andere woorden Gods zijn zijne stralen. Het woord Gods in de natuur, -onder Israel, in het N. Test., in de Schrift mag geen oogenblik van Hem -worden losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, wijl Hij de -Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemeenen zin van alle -wetenschap, in bijzonderen zin, als Λογος ἐνσαρκος, van alle kennisse -Gods, van religie en theologie, Mt. 11:27. - - -D. Begrip der inspiratie. - -13. De H. Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd dogma over -de inspiratie, maar zij geeft de zaak, het feit der theopneustie en al -de momenten, die er voor de constructie van het dogma noodig zijn. Zij -leert de theopneustie der Schrift in denzelfden zin en op dezelfde -wijze, even helder en even duidelijk, maar ook even weinig in abstracte -begrippen geformuleerd als het dogma der triniteit, der vleeschwording, -der voldoening enz. Meermalen is dit ontkend. Elke sectarische en -haeretische richting begint haast met een beroep op de Schrift tegen -de confessie, en tracht hare afwijking te doen voorkomen als door de -Schrift geboden. Maar in de meeste gevallen leidt dieper onderzoek -tot de erkentenis, dat de orthodoxie de getuigenis der Schrift aan -hare zijde heeft. De modernen geven thans over het algemeen gulweg -toe, dat Jezus en de apostelen de O. T. Schrift als Gods woord hebben -aangenomen, Lipsius, Dogm. § 185 S. 141, Strauss I 79, Pfleiderer, -Der Paulinismus, 2e Aufl. Leipz. 1890 S. 87 f. Rothe, Zur Dogm. 178 -f. erkent dit ook ten opzichte van de apostelen, maar meent dat de -kerkelijke dogmatiek voor hare leer van de inspiratie zich niet op -Jezus beroepen kan. Deze meening staat echter vrij wel op zichzelve en -wordt door weinigen gedeeld. Jezus’ positieve uitspraken over de O. T. -Schrift, Mt. 5:8; Luk. 16:17; Joh. 10:35, zijne aanhaling en gebruik, -Mt. 19:4, 5, 22:43 enz. spreken daartoe te sterk, en zijn niets vrijer -dan die van de apostelen. Maar deze tegenstelling, die Rothe maakt -tusschen de leer van Jezus en die van de apostelen, verheft niet maar -ondermijnt feitelijk het gezag van Jezus zelf. Want van Jezus weten we -niets dan door de apostelen; wie dus de apostelen discrediteert en als -onbetrouwbare getuigen der waarheid voorstelt, weerspreekt terstond -Jezus zelf, die zijn apostelen tot volkomen betrouwbare getuigen -aangesteld heeft en door zijn Geest hen leiden zou in al de waarheid. -En daartoe behoort voorzeker ook de waarheid aangaande de H. Schrift. -De leuze: naar Christus terug is bedriegelijk en valsch, als ze in -tegenstelling staat met de getuigenis der apostelen. - -Zeer gewoon is ook eene andere tegenstelling, die gemaakt wordt om van -de zelfgetuigenis der Schrift bevrijd te worden. De Schrift, zoo zegt -men dan, moge hier en daar de inspiratie leeren; maar om de leer der -Schrift aangaande de Schrift op te bouwen, moeten ook de feiten in -rekening worden gebracht, welke de Schrift in haar ontstaan, wording, -geschiedenis, bestand en inhoud ons kennen doet. Alleen zulk eene -theorie van inspiratie is dus waar en goed, die met de phenomena der -Schrift bestaanbaar is, en uit deze zelve is afgeleid. Zeer dikwerf -doet men het hierbij dan voorkomen, dat de tegenpartij eene eigene, -apriorische opinie aan de Schrift opdringt, en haar perst in het -keurslijf der scholastiek. En men beroept er zich op, dat men tegenover -al die theorieën en systemen juist de Schrift zelve wil laten spreken -en alleen van zichzelve wil laten getuigen. Het schort der orthodoxie -juist aan eerbied voor de Schrift. Zij doet den tekst, de feiten der -H. S. geweld aan, Dr. G. Wildeboer, Letterk. des O. V. bl. V. Deze -voorstelling klinkt op het eerste hooren schoon en aannemelijk, maar -blijkt toch bij nadere overweging onhoudbaar. De tegenstelling is in de -eerste plaats niet die tusschen eene of andere inspiratietheorie en -de zelfgetuigenis der Schrift. De inspiratie is een feit, door de H. -Schrift zelve geleerd. Jezus en de apostelen hebben eene getuigenis -gegeven aangaande de Schrift. De Schrift bevat eene leer ook over -zichzelve. Afgedacht van alle dogmatische of scholastieke ontwikkeling -dezer leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in deze hare -zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Er kan verschil bestaan -over de vraag, of de Schrift zulk eene theopneustie van zichzelve -leert; maar indien ja, dan behoort ze ook daarin geloofd te worden, -evengoed als in hare uitspraken over God, Christus, de zaligheid enz. -De zoogenaamde phenomena der Schrift kunnen die zelfgetuigenis der -Schrift niet omverstooten en mogen tegen haar zelfs niet als partij -worden opgeroepen. Want wie zijne leer van de Schrift afhankelijk maakt -van het historisch onderzoek naar hare wording en struktuur, begint -reeds met de zelfgetuigenis der H. Schrift te verwerpen en staat dus -niet meer in het geloof aan die Schrift. Hij meent de leer van de -Schrift beter te kunnen opbouwen uit eigen onderzoek, dan ze in den -geloove te ontleenen aan de Schrift; hij stelt zijne eigene gedachten -in plaats van en boven die der Schrift. Voorts, de zelfgetuigenis der -Schrift is klaar, duidelijk en zelfs door de tegenstanders als zoodanig -erkend, maar de beschouwing over de phenomena der Schrift is resultaat -van langdurig historisch-critisch onderzoek en wijzigt zich in allerlei -vormen naar het verschillend standpunt der critici; de theoloog, die -uit zulke onderzoekingen tot eene leer over de Schrift wil komen, -stelt feitelijk zijn wetenschappelijk inzicht tegenover de leer der -Schrift aangaande zichzelve. Maar langs dien weg komt men ook nooit -tot eene leer over de Schrift; historisch-critisch onderzoek kan een -helder inzicht geven in het ontstaan, de geschiedenis, de structuur -van de Schrift maar leidt nooit tot eene leer, tot een dogma de S. -Scriptura. Dit kan uitteraard slechts gebouwd worden op eene getuigenis -der Schrift aangaande zichzelve. Niemand denkt er aan, om eene -geschiedenis over den oorsprong en de bestanddeelen van de Ilias eene -leer te noemen. Bij deze methode valt dus niet alleen eene of andere -theorie over de inspiratie, maar deze zelve als feit en getuigenis -der Schrift. Inspiratie, indien men dat woord nog behoudt, wordt dan -niets dan de korte samenvatting van wat de Bijbel _is_, of liever van -wat men _meent_ dat de Bijbel is, en kan dan lijnrecht in strijd zijn met -wat de Bijbel zelf beweert te zijn, en waarvoor hij zichzelf uitgeeft -en aandient. De methode, die men volgt, is in het wezen der zaak -geen andere, dan die, waarbij de leer der schepping, van den mensch, -van de zonde enz. niet opgebouwd wordt uit de getuigenis der Schrift -dienaangaande, maar uit de zelfstandige studie van die facta. In beide -gevallen is het een corrigeeren van de leer des Bijbels door eigen -wetenschappelijk onderzoek, een afhankelijk maken van het getuigenis -der Schrift van menschelijk oordeel. De feiten en verschijnselen der -Schrift, de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek mogen dienen -ter verklaring, toelichting, enz. van de leer der Schrift aangaande -zichzelve, maar kunnen nooit het feit der inspiratie, waarvan zij -getuigt, te niet doen. Terwijl generzijds dus beweerd wordt, dat alleen -zulk eene inspiratie aannemelijk is, die overeenstemt met de phenomena -der Schrift, is het dezerzijds het beginsel, dat de phenomena der -Schrift, niet gelijk de kritiek ze ziet, maar gelijk ze in zichzelve zijn, -bestaanbaar zijn met hare zelfgetuigenis. - -14. Gewoonlijk wordt in het woord theopneustie of inspiratie saamgevat, -wat de Schrift aangaande zichzelve leert. Het woord θεοπνευστος 2 Tim. -3:16 komt vroeger niet voor en is dus misschien het eerst door Paulus -gebruikt. Het kan etymologisch zoowel actieve als passieve beteekenis -hebben, en dus vertaald worden zoowel door: God ademend, als: door God -geademd. Maar de passieve beteekenis heeft de voorkeur, wijl ze door de -plaatsen, waar het woord buiten het N. T. voorkomt, het meest wordt -gesteund en door de Schriftleer des N. T. wordt aanbevolen, 2 Petr. -1:21. In de Vulgata is het weergegeven door divinitus inspirata. -Het woord inspiratie heeft oorspronkelijk veel ruimer zin. De Grieken -en Romeinen schreven aan allen, die iets groots en goeds tot stand -brachten, een afflatus of instinctus divinus toe. Nemo vir magnus sine -aliquo afflatu divino unquam fuit, Cic. de Nat. D. 2, 66. Est deus in -nobis, agitante calescimus illo, Ovid. Fasti 6, 5. De inspiratie van -dichters, kunstenaars, vates, enz. kan ook inderdaad tot opheldering -dienen van de inspiratie, waar de H. S. van spreekt. Bijna alle -groote mannen hebben het uitgesproken, dat hunne schoonste gedachten -plotseling en onbewust in hunne ziel opstegen en voor henzelven eene -verrassing waren. Eén getuigenis moge volstaan. Goethe schreef eens -aan Ekkermann, aangehaald door Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864, bl. 27, -28. Jede Produktivität höchster Art, jedes bedeutendes Aperçue, jede -Erfindung, jeder grosse Gedanke der Früchte bringt und Folgen hat, -steht in Niemandes Gewalt und ist über alle irdische Macht erhaben. -Dergleichen hat der Mensch als unverhoffte Geschenke von oben, als -reine Kinder Gottes zu betrachten, die er mit freudigem Danke zu -empfangen und zu verehren hat. In solchen Fällen ist der Mensch als -das Werkzeug einer höhern Weltregierung zu betrachten, als ein würdig -befundenes Gefäss zur Aufnahme eines göttlichen Einflusses. Carlyle, -On heroes, hero-worship and the heroic in history, 4th ed. London -1854, heeft daarom op de heroën of genieën gewezen als de kern van -de geschiedenis der menschheid. Op hun beurt hebben deze genieën, -op elk terrein, weer de massa geinspireerd. Luther, Baco, Napoleon, -Hegel hebben de gedachten van millioenen omgezet en het bewustzijn -veranderd. Dit feit reeds leert ons, dat er eene inwerking van den -eenen geest op den ander mogelijk is. De wijze daarvan is verschillend, -als de eene mensch spreekt tot den ander, als de redenaar de schare -bezielt door zijn woord, als de hypnotiseur zijne gedachte overplant in -den gemagnetiseerde, enz., maar altijd is er suggestie van gedachten, -inspiratie in ruimer zin. Nu leert ons de Schrift, dat de wereld niet -zelfstandig is en uit zichzelve bestaat en leeft, maar dat de Geest van -God immanent is in al het geschapene. De immanentie Gods is de basis -voor alle inspiratie en theopneustie, Ps. 104:30, 139:7; Job 33:4. Het -zijn en het leven wordt aan ieder schepsel van oogenblik tot oogenblik -door den Geest geinspireerd. Nog nader is die Geest des Heeren principe -van alle verstand en wijsheid, Job 32:8; Jes. 11:2, zoodat alle kennis -en kunst, alle talent en genie uit Hem voortkomt. In de gemeente is Hij -de Geest der wedergeboorte en vernieuwing, Ps. 51:13; Ezech. 36:26, 27; -Joh. 3:3; de uitdeeler der gaven, 1 Cor. 12:4-6. In de profeten is Hij -de Geest der voorzegging, Num. 11:25, 24:2, 3; Jes. 11:2. 42:1; Micha -3:8, enz. En zoo ook is Hij bij de samenstelling der Schrift de Geest -der inspiratie. Deze laatste werkzaamheid des H. G. staat dus niet op -zichzelve; zij staat in verband met zijn gansche immanente werkzaamheid -in de wereld en in de gemeente. Zij is de kroon en de spitse van alles. -De inspiratie der schrijvers bij de vervaardiging der Bijbelboeken is op -al die andere werkzaamheden des H. Geestes opgebouwd. Zij onderstelt een -werk des Vaders, waardoor de openbaringsorganen lang te voren van de -geboorte af aan, ja zelfs voor de geboorte in hun geslacht, omgeving, -opvoeding, ontwikkeling, enz. voor die taak werden voorbereid, tot -welke zij later speciaal zouden geroepen worden, Ex. 3-4; Jer. 1:5; Hd. -7:22; Gal. 1:15, enz. De inspiratie mag dus niet, gelijk de modernen -doen, met de heroische, poëtische, religieuse bezieling worden -vereenzelvigd; zij is niet een werk van de providentia Dei generalis, -niet eene inwerking van Gods Geest in gelijke mate en op dezelfde wijze -als in de helden en kunstenaars, al is het ook dat deze inwerking -van Gods Geest bij de profeten en bijbelschrijvers meermalen ondersteld -wordt. De Geest in de schepping werkt den Geest in de herschepping -voor. Voorts wordt bij de eigenlijke inspiratie ook nog een voorafgaand -werk des Zoons ondersteld. De gave der theopneustie wordt alleen -geschonken binnen den kring der openbaring. Theophanie, profetie en -wonder gaan aan de eigenlijke inspiratie vooraf. Revelatie en inspiratie -zijn onderscheiden; gene is een werk des Zoons, van den Logos, deze van -den H. Geest. Er ligt dus waarheid in de gedachte van Schleiermacher, -dat de heilige schrijvers onder invloed stonden van den heiligen kring, -waarin zij leefden. Openbaring en ingeving moeten onderscheiden worden. -Maar de ingeving is niet met de openbaring identisch (cf. boven bl. -300). Zij wortelt in deze, maar zij verheft er zich boven. Eindelijk, de -inspiratie onderstelt meestal, ofschoon niet altijd, ook nog een werk -des H. G. zelven in wedergeboorte, geloof en bekeering. De profeten en -apostelen waren meest heilige mannen, kinderen Gods. Ook deze gedachte -der ethische theologie bevat dus elementen van waarheid. Maar toch -is inspiratie niet met wedergeboorte identisch. Wedergeboorte omvat -den ganschen mensch, inspiratie is eene werking in het bewustzijn. -Gene heiligt en vernieuwt, deze verlicht en onderwijst. Gene brengt -niet van zelf de inspiratie mede, en inspiratie is mogelijk zonder -wedergeboorte, Num. 23:5; Joh. 11:51; cf. Num. 22:28; 1 Sam. 19:24; -Hebr. 6:4. Wedergeboorte is een habitus permanens, inspiratie is een -actus transiens. Met al deze genoemde werkzaamheden Gods staat dus de -inspiratie in ’t nauwste verband. Zij mag er niet van geisoleerd worden. -Zij is opgenomen in al die inwerkingen Gods in al het geschapene. Maar -ook hier moet de evolutie-theorie bestreden worden, alsof het hoogere -alleen door immanente ontwikkeling uit het lagere voortkomen zou. De -werking van Gods Geest in de natuur, in de menschheid, in de gemeente, -in de profeten, in de bijbelschrijvers is verwant en analoog, maar niet -identisch. Er is harmonie, geen eenzelvigheid. - -15. Waarin bestaat zij zelve dan? De Schrift verspreidt daarover licht, -als zij meermalen zegt, dat de Heere spreekt door de profeten of door -den mond zijner profeten. Van God wordt de praepositie ὑπο gebruikt; -Hij is de sprekende, Hij is het eigenlijke subject; maar de profeten -zijn sprekende of schrijvende zijne organen, van hen wordt altijd de -praepositie δια c. gen. en nooit ὑπο gebezigd, Mt. 1:22, 2:15, 17, -23, 3:3, 4:14, enz.; Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. God, of -de H. Geest is de eigenlijke spreker, de zegsman, de auctor primarius, -en de schrijvers zijn de organen, door wie God spreekt, de auctores -secundarii, de scriptores of scribae. Nadere opheldering geeft nog 2 -Petr. 1:19-21, waar de oorsprong der profetie niet gezocht wordt in -den wil des menschen, maar in de drijving van Gods Geest. Het φερεσθαι, -cf. Hd. 27:15, 17 waar het schip gedreven wordt door den wind, is -van het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14 wezenlijk onderscheiden; -de profeten zijn gedragen, aangedreven door den H. Geest en spraken -dientengevolge. En evenzoo wordt de verkondiging der apostelen een -spreken (ἐν) πνευματι ἁγιῳ genoemd, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, -16:7; 1 Cor. 2:10-13, 16, 7:40; 2 Cor. 2:17, 5:20, 13:3. Profeten -en apostelen zijn dus θεοφορουμενοι; het is God, die in en door hen -spreekt. Maar de Schrift zelve gaat ons voor, om dit spreken Gods -door den mond der profeten zoo organisch mogelijk op te vatten. Er is -hier onderscheid tusschen de profeten en de apostelen, en tusschen -beiden weer onderling. Mozes staat onder de profeten bovenaan; God -sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Bij Jesaia draagt de -drijving des Geestes een ander karakter dan bij Ezechiel; Jeremia’s -profetieën onderscheiden zich door haar eenvoud en natuurlijkheid -van die bij Zacharia en Daniel. Bij al de profeten des O. T. is de -drijving des Geestes min of meer transcendent; zij komt van boven en -van buiten tot hen, valt op hen en werkt momentaan. Bij de apostelen -daarentegen woont de H. Geest immanent in de harten, leidt en drijft, -verlicht en onderwijst hen. Er is dus zeer groot onderscheid ook in -het organische karakter der inspiratie. Maar desniettemin gebiedt -ons heel de Schrift, de inspiratie niet mechanisch maar organisch te -denken. Niet echter, omdat eene mechanische inspiratie op zichzelve -onmogelijk en ongeoorloofd zou zijn en in strijd met de waardigheid van -den mensch. Als het niet onwaardig is voor een kind, om zijne ouders en -onderwijzers op gezag te gelooven en eenvoudig van hen te leeren, wat -het niet weet; als het niet onwaardig is voor een knecht, om bevelen -van zijn heer te ontvangen, die hij niet begrijpt en alleen heeft uit te -voeren, wat onwaardigs zou er dan in liggen voor den mensch, om in -zulk eene relatie te staan tot den Heere zijn God? Maar God heeft dezen -weg niet ingeslagen, Hij is in de openbaring en de inspiratie tot den -mensch nedergedaald en heeft zich aangesloten bij de eigenaardigheden en -zelfs bij de zwakheden zijner menschelijke natuur. Ook dat is eene genade -der ἐνσαρκωσις geweest. Evenals de Logos niet een mensch overviel en -met zich verbond maar in de menschelijke natuur inging en deze zelve -toebereidde en vormde door den Geest, van wien ze ontvangen werd, zoo -heeft de Geest des Heeren ook gehandeld bij de inspiratie. Hij is in de -profeten en apostelen zelven ingegaan en heeft hen alzoo in dienst -genomen en bewerkt, dat zij zelven onderzochten en dachten, spraken -en schreven. Hij is het, die door hen spreekt; maar zij zelven zijn het -tevens, die spreken en schrijven. Gedreven werden ze door den Geest, -maar zij spraken toch zelven, ἐλαλησαν, 2 Petr. 1:20. Dikwerf wordt de -O. T. Schrift in het N. T. bij den auctor primarius aangehaald, Luk. -1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25 en altijd in Hebr. 1:5 v., 4:3, -5 enz., maar even dikwerf bij de auctores secundarii, Mozes, David, -Jesaja enz., Mt. 13:14, 22:43; Joh. 1:23, 46, 5:46, 12:38. De momenten -der inspiratie zijn niet elk los op zichzelf te beschouwen, maar staan -in verband met al het voorafgaande: de profeten en apostelen zijn -van der jeugd af toebereid en bekwaamd voor hun taak; hun karakter, -aard, neiging, verstand, ontwikkeling enz. wordt niet onderdrukt, -maar, als zelve reeds door den Geest des Heeren gevormd, nu ook door -dienzelfden Geest in dienst genomen en gebruikt; hun gansche persoon -met alle gaven en krachten wordt dienstbaar aan de roeping, waartoe zij -geroepen worden. Onderzoek, Luk. 1:1, nadenken en herinnering, Joh. -14:26, gebruik van bronnen enz., wordt daarom door de inspiratie niet -uitgesloten, maar is daarin opgenomen. Schier alle boeken van O. en -N. T. zijn daarom in zekeren zin ook gelegenheidsschriften. Van een -rechtstreeksch bevel tot schrijven is slechts in enkele teksten sprake; -zij dekken lang niet den ganschen inhoud der Schrift. Maar ook die -gelegenheden, die tot schrijven drongen, behooren tot de leiding des -Geestes; juist door deze heen dreef Hij tot schrijven aan. De roeping -tot profeet en apostel sloot wel van zelf en natuurlijk die tot spreken -en getuigen in, Ex. 3; Ez. 3; Am. 3:8; Hd. 1:8 enz., maar niet die -van schrijven. Immers, vele profeten en apostelen schreven niet. Uit -Mt. 28:19 is een speciaal gebod tot schrijven niet af te leiden. Onder -de charismata, 1 Cor. 12 wordt het schrijven niet genoemd, Bellarm., -de verbo Dei IV cap. 3-4. Maar de H. Geest heeft de historie der -kerk onder Israel en in het N. T. alzoo geleid, dat de daad moest -overgaan in het woord en het woord in het schrift. Uit deze leiding -is bij profeten en apostelen de roeping tot schrijven, de impulsus ad -scribendum geboren. En dat schrijven is de hoogste, de machtigste, de -algemeenste getuigenis, die niet vervliegt op den adem des winds maar -manet in aeternum. En juist, omdat de geschriften der profeten en -apostelen niet ontstaan zijn buiten maar uit en in de historie, daarom -is er eene wetenschap in de theologie, die alle die gelegenheden -en omstandigheden, waaronder de bijbelboeken ontstonden, onderzoekt -en kennen doet. Als dan de profeten en apostelen alzoo schrijvende -getuigen, behouden ze ook hun eigen karakter, hun eigen taal en stijl. -Ten allen tijde is dit verschil in de boeken des Bijbels erkend, maar -niet altijd bevredigend verklaard. Niet daaruit is het te verklaren, -dat de H. Geest naar louter willekeur nu eens zoo en dan aldus wilde -schrijven; maar ingaande in de schrijvers, is Hij ook in hun stijl en -taal, in hun karakter en eigenaardigheid ingegaan, die Hij zelf reeds -toebereid en gevormd had. Daartoe behoort ook, dat Hij in het O. T. het -Hebreeuwsch, in het N. T. het hellenistisch Grieksch tot voertuig der -goddelijke gedachten kiest. Ook hierin was geen willekeur. Het purisme -verdedigde op onbeholpen manier eene kostelijke waarheid. Naar het -Grieksch van Plato en Demosthenes gemeten, is het N. T. vol barbarismen -en soloecismen; maar het huwelijk, dat in het hellenistisch Grieksch -gesloten werd tusschen het zuiver Hebreeuwsch en het zuiver Attisch, -tusschen den Oosterschen en Westerschen geest, was op taalgebied de -realiseering van de goddelijke gedachte, dat de zaligheid uit de Joden -is, maar voor heel de menschheid is bestemd. De taal des N. T. is niet -de schoonste, grammatisch en linguistisch beschouwd, maar zij is wel de -geschiktste tot meedeeling van de gedachten Gods. Het woord is ook in -dit opzicht waarachtig en algemeen menschelijk geworden. En eindelijk, -als de profeten en apostelen schreven, dan leverde hun eigen ervaring -en geschiedenis meermalen de stof voor hun schrijven. In de psalmen is -het de vrome zanger, die beurtelings klaagt en juicht, in droefheid -terneerzit of jubelt van vreugde. In Rom. 7 teekent ons Paulus zijne -eigene levenservaring, en door heel de Schrift heen zijn het telkens -de personen der schrijvers zelf, wier leven en ervaring, wier hope en -vreeze, wier geloof en vertrouwen, wier klacht en ellende beschreven -en geschilderd wordt. Dat rijke leven, die diepe ervaring, van een -David bv. is door den Geest des Heeren alzoo gevormd en geleid, dat -het in de Schrift opgenomen, voor de volgende geslachten tot leering -zou zijn, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope -hebben zouden, Rom. 15:4. De organische inspiratie doet alleen aan de -Schrift recht wedervaren. Zij is in de leer der Schrift de uitwerking en -toepassing van het centrale feit der openbaring, de vleeschwording des -woords. De Λογος is σαρξ geworden, en het woord is Schrift geworden; -het zijn twee feiten, die parallel loopen niet alleen, maar ook ten -innigste verbonden zijn. Christus is vleesch geworden, een dienstknecht, -zonder gedaante of heerlijkheid, de verachtste onder de menschen; Hij is -nedergedaald in de nederste deelen der aarde, is gehoorzaam geworden -tot den dood des kruises. En zoo ook is het woord, de openbaring Gods -ingegaan in het creatuurlijke, in het leven en de historie van menschen -en volken, in alle menschelijke vormen van droom en visioen, van -onderzoek en nadenken, tot zelfs in het menschelijk zwakke en verachte -en onedele toe; het woord is schrift geworden, en heeft als schrift -aan het lot van alle schrift zich onderworpen. Dit alles is geschied, -opdat de uitnemendheid der kracht, ook van de kracht der Schrift, zij -Godes en niet uit ons. Gelijk elke menschelijke gedachte en handeling -vrucht is geheel van de actie Gods in wien wij leven en zijn, en tegelijk -geheel vrucht is van de werkzaamheid des menschen, zoo ook is de -Schrift product geheel en al van den Geest Gods, die door de profeten -en apostelen spreekt, en tegelijk geheel product van de werkzaamheid der -schrijvers. Θεια παντα και ἀνθρωπινα παντα. - -16. Deze organische beschouwing is echter meermalen gebruikt, om juist -aan het eerste, aan het auteurschap des H. Geestes, afbreuk te doen. -De vleeschwording van Christus eischt, dat men haar naspeure tot in -de diepte van haar vernedering toe, in al haar zwakheid en smaad. De -beschrijving van het woord, van de openbaring, noodigt ons uit, om -ook in de Schrift dat zwakke en nederige, die dienstknechtsgestalte -te erkennen. Maar gelijk het menschelijke in Christus, hoe zwak en -nederig ook, toch van het zondige vrij bleef, zoo ook is de Schrift -sine labe concepta. Menschelijk geheel en in al haar deelen, maar ook -evenzoo θεια παντα. Toch is op velerlei wijze aan dit goddelijk karakter -der Schrift te kort gedaan. De geschiedenis der inspiratie leert -ons dat deze eerst tot in de 17e eeuw toe hoe langer hoe verder is -uitgebreid, tot de vokalen en punten toe (inspiratio punctualis), en -vervolgens dat zij allengs hoe meer is ingekrompen en beperkt, van de -punten tot de woorden (insp. verbalis), van de singula verba tot het -woord, de gedachte (Wort in plaats van Wörterinspiration bij Philippi, -Kirchl. Glaub. I³, 252), van het woord als gedachte tot de zaken -(insp. realis), van de zaken tot den religieus-ethischen inhoud, tot -hetgeen in eigenlijken zin geopenbaard is, tot het woord Gods sensu -stricto, tot het speciale object van het zaligmakend geloof (insp. -fundamentalis, religiosa), van deze zaken weder tot de personen -(insp. personalis), en van deze eindelijk tot loochening van alle -inspiratie als bovennatuurlijke gave. Nu is het verblijdend, dat zelfs -de meest negatieve richting aan de Schrift nog eene plaats verzekeren -en eenige waarde toeschrijven wil in het religieuse leven en denken -der Christenheid. De leer der H. S. is niet eene opinie van deze of -geene school, geen dogma van eene particuliere kerk of secte, maar -een articulus fundamentalis, een geloofsartikel van de ééne heilige -algemeene christelijke kerk. Haar beteekenis voor heel het Christendom -wordt hoe langer hoe beter ingezien; haar onverbrekelijke samenhang -met het christelijk geloof en leven steeds beter erkend. Een tijd lang -in de dogmatiek naar de media gratiae verwezen, heeft ze zich de -plaats in den ingang tot de dogmatiek weer met eere heroverd, Nitzsch, -Lehrb. der ev. Dogm. 212. Heel de Roomsche en Grieksche kerk staat nog -onverzwakt in de belijdenis van de goddelijke ingeving der H. Schrift. -Vele Protestantsche kerken en richtingen hebben tot nog toe alle geweld -weerstaan, om haar van dezen grondslag af te dringen. De gemeente blijft -door prediking en onderwijs, door lezing en onderzoek middellijk of -rechtstreeks uit de Schrift leven en met de Schrift zich voeden. Zelfs -wie in theorie de inspiratie ontkent, spreekt en handelt in de praktijk -van het leven menigmaal, alsof hij ze ten volle aanvaardt. Het dualisme -van gelooven en weten, waarin naar veler voorstelling de orthodoxie bij -de leer der Schrift verkeert, komt niet in vergelijk bij de tweeslachtige -positie der Vermittelungstheologie, die op den katheder de inspiratie -loochent en op den kansel ze feitelijk belijdt. Het radikalisme komt hoe -langer hoe meer tot de erkentenis, dat de inspiratie der Schrift door -de Schrift zelve wordt geleerd en met deze aangenomen of verworpen -moet worden. Dit alles toont, dat het leven sterker is dan de leer en -dat de Schrift zelve altijd weer reageert tegen iedere naturalistische -verklaring. Zij pretendeert zelve uit den Geest Gods te zijn voortgekomen -en houdt deze pretensie staande tegenover alle kritiek. Elke poging om -haar van het mysterieus karakter van haar oorsprong, inhoud en kracht -te ontdoen, is tot dusver geëindigd met het op te geven en de Schrift -de Schrift te laten. Eene inspiratie is daarom geene verklaring van de -Schrift, en dus eigenlijk ook geen theorie; maar zij is en behoort te -zijn eene geloovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelve -getuigt, in weerwil van den schijn die tegen haar is. De inspiratie -is een dogma evenals de triniteit, de menschwording, enz., dat de -Christen aanneemt, niet wijl hij de waarheid ervan inziet, maar omdat -God het alzoo getuigt. Zij is geen wetenschappelijke uitspraak maar -eene belijdenis des geloofs. Bij de inspiratie even als bij elk ander -dogma is het niet in de eerste plaats de vraag: hoe veel kan en mag -ik belijden, zonder in conflict te komen met de wetenschap, maar wat -is de getuigenis Gods en wat is dienovereenkomstig de uitspraak van -het christelijk geloof? En dan is er maar één antwoord mogelijk, dat de -Schrift zichzelve aandient als het woord Gods en de kerke Gods in alle -eeuwen haar als zoodanig heeft erkend. De inspiratie steunt op het -gezag der Schrift en heeft getuigenis bekomen van de kerk aller eeuwen. - -Met dit dogmatisch en religieus karakter van de leer der inspiratie is -de inspiratio personalis en fundamentalis in strijd. Wel ligt er ook in -deze opvattingen eene goede gedachte. Want het zijn zeker de personen -geweest, die met al hun gaven en krachten bij de inspiratie door den H. -Geest in dienst werden genomen; en die personen waren heilige mannen, -menschen Gods, tot dit werk bekwamelijk toegerust. Ook is er in de -Schrift zonder twijfel onderscheid tusschen meer en minder belangrijke -deelen; niet alle boeken des Bijbels hebben gelijke waarde. Maar beide -voorstellingen van de inspiratie verzwakken de getuigenis, welke de -Schrift van zichzelve geeft, en zijn niet geboren uit de plerophorie -des geloofs maar uit transactie met de wetenschap. Bovendien stuit de -inspiratio personalis nog af op deze bezwaren, dat zij het onderscheid -uitwischt tusschen inspiratie en illuminatie (wedergeboorte), tusschen -het intellectueele en het ethische leven, tusschen het φερεσθαι der -profeten, 2 Petr. 1:21 en het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14, -tusschen de H. Schrift en de stichtelijke lectuur. Voorts keert zij met -Rome de verhouding van Schrift en kerk in haar tegendeel om, berooft de -gemeente van de vastigheid die zij behoeft en maakt haar afhankelijk van -de wetenschap, die uitmaken moet, wat in de Schrift al dan niet Gods -woord is. Wel trachten vele voorstanders van deze inspiratietheorie -aan deze bezwaren te ontkomen, door zich te beroepen op den persoon -van Christus als bron en autoriteit der dogmatiek, maar dit baat -daarom niet, wijl er juist verschil is over de vraag, wie Christus is -en wat Hij geleerd en gedaan heeft. Indien de apostolische getuigenis -aangaande Christus niet betrouwbaar is, is er geen kennis van Christus -mogelijk. Daar komt bij, dat, indien Christus autoriteit is, Hij dat ook -is in de leer aangaande de Schrift; de inspiratie moet dan juist op -zijn gezag worden aangenomen. De bovengenoemde theorie komt met het -gezag van Christus zelven in botsing. De inspiratio fundamentalis -onderscheidt zich van de inspiratio personalis daardoor, dat zij nog -eene bijzondere werkzaamheid des Geestes bij het schrijven aanneemt, -maar alleen bij sommige gedeelten der Schrift. Deze voorstelling is -echter zoo deistisch en dualistisch, dat zij reeds daarom onaannemelijk -is. Daarbij zijn woord en feit, het religieuse en het historische, het -door God en door menschen gesprokene in de Schrift zoo saamgeweven en -ineengevlochten, dat scheiding onmogelijk is. Ook de historie in de -Schrift is een openbaring Gods. En eindelijk komen deze beide theorieën -toch niet te gemoet aan de bezwaren, die van de zijde der wetenschap -tegen de Schrift en hare inspiratie worden ingebracht. Want deze -gelden volstrekt niet enkele ondergeschikte punten in de peripherie -der openbaring, maar raken haar hart en centrum zelf. De inspiratio -personalis en fundamentalis is volstrekt niet wetenschappelijker en -rationeeler, dan de strengste inspiratio verbalis. - -De andere inspiratietheorieën, inspiratio punctualis, verbalis, realis -en ook de Wortinspiration van Philippi wijken onderling weinig af. De -werkzaamheid des H. Geestes bij het schrijven heeft toch daarin bestaan, -dat Hij, na het menschelijk bewustzijn der scriptores op allerlei wijze, -door geboorte, opvoeding, natuurlijke gaven, onderzoek, herinnering, -nadenken, levenservaring, openbaring, enz. gepraepareerd te hebben, nu -in en onder en bij het schrijven zelf in dat bewustzijn die gedachten en -woorden, die taal en stijl, deed opkomen, welke de goddelijke gedachte -op de beste wijze voor menschen van allerlei rang en stand en volk en -eeuw vertolken konden. In de gedachten zijn de woorden en in de woorden -de vocalen begrepen. Maar daaruit volgt niet, dat de vocaalteekens -in onze Hebr. handschriften van de schrijvers zelven afkomstig zouden -zijn. Daaruit volgt ook niet, dat alles vol is van goddelijke wijsheid, -dat elke jota en elke tittel een oneindigen inhoud heeft. Alles heeft -zijn zin en zijne beteekenis zeer zeker, maar daar ter plaatse en in -het verband, waarin het voorkomt. Niet atomistisch mag de Schrift -beschouwd worden, alsof elk woord en elke letter los op zich zelve en -geisoleerd, als zoodanig, door God zou zijn ingegeven, met een eigen -bedoeling, met een eigen en dus goddelijken, oneindigen inhoud. Dat -leidt tot de dwaze hermeneutische regelen der Joodsche Schriftgeleerden -en eert niet maar onteert de H. Schrift. Maar organisch moet de -inspiratie worden opgevat, zoodat ook het geringste zijne plaats en -beteekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van -het centrum dan andere deelen. In het menschelijk organisme is niets -toevallig, noch de lengte, noch de breedte, noch de kleur, noch de -tint; maar daarom staat niet alles met het levenscentrum in hetzelfde -nauw verband. Hoofd en hart nemen een veel belangrijker plaats in het -lichaam in dan hand en voet, en deze staan weer in waarde verre boven -nagels en haren. Ook in de Schrift ligt niet alles even dicht om het -centrum geschaard; er is eene peripherie, die wijd om het middelpunt -zich heen beweegt, maar ook zij behoort tot den cirkel der gedachten -Gods. Soorten en graden in de inspiratie zelve zijn er dus niet. Het -haar des hoofds is hetzelfde leven deelachtig als hart en hand. Het is -ééne anima, die tota est in toto corpore et in omnibus partibus. Het -is één Geest, waaruit heel de Schrift door het bewustzijn der schrijvers -is voortgekomen. Maar wel is er verschil in de wijze, waarop hetzelfde -leven in de verschillende deelen des lichaams immanent en werkzaam -is. Er is verscheidenheid van gaven, ook in de Schrift, maar het is -dezelfde Geest. - - -E. Bezwaren tegen de inspiratie. - -17. Tegen deze inspiratie der Schrift worden vele en zeer ernstige -bezwaren ingebracht. Zij zijn ontleend aan de historische kritiek, die -de echtheid en geloofwaardigheid van vele Bijbelboeken bestrijdt; aan de -innerlijke tegenstrijdigheden, die telkens in de Schrift voorkomen; aan -de wijze, waarop het Oude Test. in het Nieuwe aangehaald en uitgelegd -wordt; aan de ongewijde geschiedenis, met welke de verhalen der Schrift -menigmaal niet overeen te brengen zijn; aan de natuur, welke zoowel in -haar ontstaan als in haar bestaan de Schrift met hare schepping en -hare wonderen weerspreekt; aan de religie en moraal, die menigmaal -over het geloof en leven van de personen des Bijbels een afkeurend -oordeel velt; aan den tegenwoordigen vorm der Schrift, die blijkens de -tekstkritiek in hare autographa verloren, in hare apographa corrupt en -in hare vertalingen gebrekkig is, enz. Het is eene ijdele poging, om -deze bezwaren weg te cijferen en te doen, als zij niet bestaan. Maar toch -dient in de eerste plaats gewezen te worden op de ethische beteekenis -van den strijd, die alle eeuwen door tegen de Schrift is gevoerd. -Indien de Schrift het woord Gods is, is die strijd niet toevallig maar -noodzakelijk en ook volkomen verklaarbaar. Omdat zij de beschrijving is -van de openbaring Gods in Christus, moet zij denzelfden tegenstand -wakker roepen als Christus zelf. Deze is tot eene κρισις in de wereld -gekomen en is gezet tot een val en eene opstanding voor velen. Hij -brengt scheiding tusschen licht en duisternis en maakt de gedachten uit -veler hart openbaar. En evenzoo is de Schrift een levend en krachtig -woord, een oordeelaar van de gedachten en de overleggingen des harten. -Zij werd niet alleen geïnspireerd, zij is nog theopneust. Gelijk er aan -de akte der inspiratie veel voorafgaat, heel de werkzaamheid des -H. Geestes in natuur, geschiedenis, openbaring, wedergeboorte, zoo -volgt er ook veel op. De inspiratie staat niet op zichzelve. De H. -Geest trekt zich, na de akte der inspiratie, niet van de H. Schrift -terug en laat haar niet over aan haar lot, maar Hij draagt en bezielt -haar, en brengt haar inhoud in allerlei vorm tot de menschheid, tot -haar hart en geweten. Door de Schrift als het woord Gods bindt de H. -Geest een voortdurenden kamp aan tegen de gedachten, en overleggingen -van den ψυχικος ἀνθρωπος. Op zichzelf behoeft het dus niet de minste -verwondering te baren, dat de Schrift ten allen tijde weerspraak en -bestrijding heeft ontmoet. Christus heeft een kruis gedragen, en een -dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd -van Christus. Zij deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap wakker van -den zondigen mensch. - -Daaruit is nu wel niet alle bestrijding van de Schrift te verklaren. -Maar toch zijn de aanvallen, waaraan de Schrift in deze eeuw blootstaat, -niet op zichzelf te beschouwen. Zij hangen ongetwijfeld samen met heel -de geestesrichting dezer eeuw. Over personen en bedoelingen komt ons -het oordeel niet toe; maar het zou oppervlakkig zijn te beweren, dat -de strijd tegen de Schrift in deze eeuw geheel op zichzelf stond, door -gansch andere en veel zuiverder motieven werd beheerscht dan in -vroegere eeuwen, dat thans alleen het hoofd meespreken zou en het hart -er geheel buiten zou blijven. Ieder geloovige doet de ervaring op, dat -hij in de beste oogenblikken van zijn leven ook het sterkst staat in het -geloof aan de Schrift; zijn vertrouwen op de Schrift neemt toe met zijn -geloof in Christus, en omgekeerd is ignoratio Scripturarum vanzelve -en in diezelfde mate ook eene ignoratio Christi (Hieronymus). Het -verband van zonde en dwaling ligt dikwerf diep onder de oppervlakte -van het bewuste leven. Bij een ander is het schier nimmer aan te wijzen, -maar soms wordt het aan het eigen zielsoog ontdekt. De strijd tegen -de Schrift is in de eerste plaats eene openbaring van de vijandschap -van het menschelijk hart. Maar die vijandschap kan zich uiten op -verschillende wijze. Zij komt volstrekt niet alleen en misschien zelfs -niet het sterkst uit in de kritiek, waaraan de Schrift in onzen tijd -onderworpen wordt. De Schrift als het woord Gods ontmoet tegenstand -en ongeloof bij iederen psychischen mensch. In de dagen der doode -orthodoxie was principiëel het ongeloof aan de Schrift even machtig -als in onze historische en kritische eeuw. De vormen wisselen, maar -het wezen blijft één. Hetzij de vijandschap tegen de Schrift zich uit in -eene kritiek als die van Celsus en Porphyrius, hetzij zij zich openbaart -in een dood geloof, de vijandschap is in beginsel dezelfde. Want niet -de hoorders, maar de daders des woords worden zalig gesproken. De -dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns heeren en zich niet -bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen -geslagen worden. - -Daarom blijft het voor iederen mensch plicht, om allereerst deze -vijandschap tegen het woord Gods af te leggen en alle gedachten gevangen -te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. De Schrift treedt zelve -allerwege op met dezen eisch. Alleen de reine van hart zal God zien. -Wedergeboorte doet het koninkrijk Gods aanschouwen. Zelfverloochening -is de voorwaarde, om Jezus’ discipel te zijn. De wijsheid der wereld is -dwaasheid bij God. De Schrift neemt tegenover ieder mensch zoo hooge -plaats in, dat zij, in plaats van aan zijne kritiek zich te onderwerpen, -veeleer hem oordeelt in al zijne gedachten en begeerten. En dit is -het standpunt der christelijke kerk tegenover de Schrift ten allen -tijde geweest. Nederigheid was volgens Chrysostomus de grondslag der -philosophie. Augustinus zeide: quemadmodum rhetor ille rogatus, quid -primum esset in eloquentiae praeceptis, respondit: pronuntiationem; -quid secundum, pronuntiationem; quid tertium, pronuntiationem; ita -si me interroges de religionis Christianae, primo, secundo et tertio -semper respondere liberet: humilitatem. Calvijn, Inst. II 2, 11, haalt -dit met instemming aan. En Pascal, Pensées, Art. 8, roept het den -mensch toe: humiliez-vous, raison impuissante, taisez-vous, nature -imbécile..... écoutez Dieu! Zoo heeft de kerk in alle eeuw tegenover -de Schrift gestaan. En de christelijke dogmaticus mag geen andere -positie innemen. Want een dogma steunt niet op de uitkomsten van eenig -historisch-kritisch onderzoek, maar rust alleen op de getuigenis Gods, -op de zelfgetuigenis der H. Schrift. Een Christen gelooft niet, omdat -alles Gods liefde ontdekt, maar ondanks alles, dat twijfel wekt. Ook -in de Schrift blijft er veel, dat twijfel wekt. Alle geloovigen weten -daaruit bij ervaring mede te spreken. De mannen van de Schriftkritiek -stellen het dikwerf zoo voor, alsof de eenvoudige gemeente niets wist -van de bezwaren, die tegen de Schrift worden ingebracht en niets -gevoelde van de moeilijkheid, om aan de Schrift te blijven gelooven. Maar -dat is eene onzuivere voorstelling. Zeker, de eenvoudige Christenen -kennen de hinderpalen niet, welke de wetenschap voor het geloof -aan de Schrift in den weg legt. Maar zij kennen toch in meerdere of -mindere mate den strijd, die in hoofd en hart beide tegen de Schrift -wordt gestreden. Er is geen enkel geloovige, die niet op zijne wijze -de tegenstelling heeft leeren kennen tusschen de σοφια του κοσμου en -de μωρια του θεου. Het is éénzelfde en het is een altijd voortdurende -strijd, die door alle Christenen, geleerd of ongeleerd, gestreden moet -worden, om de gedachten gevangen te houden onder de gehoorzaamheid van -Christus. Niemand komt hier op aarde dien strijd te boven. Er blijven -over heel de erve des geloofs cruces, die overwonnen moeten worden. Er -is geen geloof zonder strijd. Gelooven is strijden, strijden tegen den -schijn der dingen. Zoolang iemand nog iets gelooft, wordt hem zijn geloof -van alle kanten betwist. Ook de moderne geloovige wordt daarvan niet -verlost. Concessies verzwakken maar bevrijden niet. Zoo blijven er dan -nog bezwaren genoeg over, ook voor wie kinderlijk aan de Schrift zich -onderwerpt. Deze behoeven niet verbloemd te worden. Er zijn cruces in de -Schrift, die niet weg te cijferen zijn, en die waarschijnlijk ook nooit -zullen worden opgelost. Maar deze moeilijkheden, welke de H. Schrift -zelve tegenover hare inspiratie ons biedt, zijn voor een groot gedeelte -niet nieuw ontdekt in deze eeuw; zij zijn ten allen tijde opgemerkt, -en desniettemin hebben Jezus en de apostelen, hebben Athanasius en -Augustinus, Thomas en Bonaventura, Luther en Calvijn, hebben alle -Christenen van alle kerken en door alle eeuwen de Schrift beleden -en erkend als het woord van God. Wie met het geloof aan de Schrift -wil wachten, totdat alle bezwaren uit den weg zijn geruimd en alle -tegenstrijdigheden zijn verzoend, komt nimmer tot het geloof. Hetgeen -iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Jezus spreekt zalig degenen, -die niet gezien en nogtans zullen geloofd hebben. Maar bovendien, -bezwaren en moeielijkheden zijn er in iedere wetenschap. Wie niet met -gelooven wil aanvangen, komt nimmer tot weten. De Erkenntnisstheorie is -het beginsel der philosophie; maar zij is mysterie van het begin tot het -eind. Wie niet eer aan het wetenschappelijk onderzoek wil gaan, voordat -hij den weg ziet gebaand, waarlangs wij tot kennis komen, begint er nooit -mede. Wie niet eten wil, voor hij heel het proces begrijpt, waardoor de -spijze tot hem komt, sterft den hongerdood; en wie het woord Gods niet -gelooven wil, voor hij alle moeilijkheden opgelost ziet, komt om van -geestelijk gebrek. Met begrijpen zal ’t niet gaan, grijp het onbegrepen -aan (Beets). De natuur, de geschiedenis en elke wetenschap biedt -evenveel cruces als de H. Schrift. De natuur bevat zoovele raadselen, -dat zij ons menigmaal kan doen twijfelen aan het bestaan van een wijs en -rechtvaardig God. Er zijn ἐναντιοφανη in menigte op iedere bladzijde -van het boek der natuur. Er is een onverklaarbare rest (Schelling), -die met alle verklaring spot. Wie geeft daarom prijs het geloof aan de -Voorzienigheid Gods, welke over alle dingen gaat? Het Mohammedanisme, -het leven en de levensbestemming der onbeschaafde volken is een crux -in de geschiedenis der menschheid, even groot en even moeilijk als de -samenstelling van den Pentateuch en de Synoptici. Wie twijfelt er daarom -aan, dat God ook dat boek der natuur en der geschiedenis schrijft met -zijne almachtige hand? Natuurlijk kan men hier en zoo ook bij de Schrift -zich in de armen werpen van het agnosticisme en van het pessimisme. -Maar wanhoop is een salto mortale ook op wetenschappelijk gebied. Met -het ongeloof nemen de mysteriën des zijns niet af maar toe. En de -onvrede des harten wordt grooter. - -18. Maar voorts doet de organische opvatting van de inspiratie vele -middelen aan de hand, om aan de bezwaren, tegen haar ingebracht, -te gemoet te komen. Zij houdt toch in, dat de H. Geest bij het -beschrijven van het woord Gods niets menschelijks heeft versmaad, om -tot orgaan te dienen van het goddelijke. De openbaring Gods is niet -abstract-supranatureel, maar is ingegaan in het menschelijke, in -personen en toestanden, in vormen en gebruiken, in geschiedenis en -leven. Zij blijft niet hoog boven ons zweven, maar is nedergedaald in -onzen toestand; zij is vleesch en bloed en ons in alles gelijk geworden -uitgenomen de zonde. Zij maakt thans een onuitroeibaar bestanddeel uit -van dezen kosmos waarin wij leven, en zet vernieuwend en herstellend -daarin hare werking voort. Het menschelijke is orgaan geworden van -het goddelijke, het natuurlijke de openbaring van het bovennatuurlijke, -het zienlijke teeken en zegel van het onzienlijke. Bij de inspiratie -is gebruik gemaakt van alle gaven en krachten, die er liggen in de -menschelijke natuur. Daardoor is ten eerste volkomen verklaarbaar het -verschil in taal en stijl, in karakter en individualiteit, dat in de -Bijbelboeken valt op te merken. Vroeger werd dit verschil verklaard -uit den wil des H. Geestes, en eene diepere beschouwing ontbrak. Maar -bij de organische inspiratie is dit verschil volkomen natuurlijk. Ook -het gebruik van bronnen, de bekendheid der schrijvers met vroegere -geschriften, eigen onderzoek, herinnering, nadenken en levenservaring -is door de organische opvatting niet uitgesloten maar opgenomen. De -H. Geest heeft zelf op die wijze zijne scriptores gepraepareerd; Hij is -niet in eens van boven op hen neergedaald, maar heeft zich van heel -hunne persoonlijkheid als van zijn instrument bediend. Ook hier geldt het -woord, dat gratia non tollit sed perficit naturam. De persoonlijkheid -der schrijvers is niet uitgewischt maar gehandhaafd en geheiligd. -De inspiratie eischt dus in geenen deele, dat wij litterarisch of -aesthetisch den stijl van Amos gelijk stellen met dien van Jesaia, of -dat we alle barbarismen en soloecismen in de taal des N. T. zouden -loochenen. In de tweede plaats brengt de organische opvatting van -openbaring en inspiratie mede, dat het gewoon menschelijke en natuurlijke -leven niet uitgesloten is maar mede dienstbaar is gemaakt aan de -gedachten Gods. De Schrift is het woord Gods; zij bevat het niet -alleen maar zij is het. Maar het formeele en materieele element mag -in deze uitdrukking niet vaneen gescheiden worden. Inspiratie alleen -en op zichzelve zou een geschrift nog niet tot woord Gods maken in -schriftuurlijken zin. Al ware een boek over aardrijkskunde bijv. geheel -en al ingegeven en in den meest letterlijken zin van woord tot woord -gedicteerd, daardoor werd het nog niet theopneust in den zin van 2 -Tim. 3:16. De Schrift is het woord Gods, omdat de H. Geest in haar van -Christus getuigt, omdat zij den Λογος ἐνσαρκος tot stof en inhoud heeft. -Vorm en inhoud doordringen elkaar, en zijn niet te scheiden. Maar om dit -beeld van Christus ons ten voeten uit als voor de oogen te schilderen, -daartoe is noodig, dat ook de menschelijke zonde en de satanische leugen -in al haar gruwel geteekend wordt. Op de schilderij is de schaduw -noodig, om het licht te helderder te doen uitkomen. Zonde moet ook in -Bijbelheiligen zonde worden genoemd, en dwaling mag ook in hen niet -worden vergoelijkt. En terwijl de openbaring Gods in Christus alzoo de -ongerechtigheid als antithese in zich opneemt, versmaadt zij ook het -menschelijk-zwakke en natuurlijke niet. Christus heeft niets menschelijks -zich vreemd gerekend, en de Schrift vergeet ook de kleinste zorgen -van het dagelijksch leven niet, 2 Tim. 4:13. Het christelijke staat -niet antithetisch tegenover het menschelijke; het is er de herstelling -en vernieuwing van. In de derde plaats hangt met den inhoud ook ten -nauwste de bedoeling en de bestemming der Schrift samen. Alwat te voren -geschreven is, is tot onze leering geschreven. Het strekt tot leering, -wederlegging, verbetering, onderwijzing, die in de rechtvaardigheid -is, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt -toegerust. Het dient om ons wijs te maken tot zaligheid. De H. Schrift -heeft eene door en door religieus-ethische bestemming. Zij wil geen -handboek zijn voor de verschillende wetenschappen. Zij is principium -alleen van de theologie en verlangt dat wij haar _theologisch_ lezen en -onderzoeken zullen. Bij al de vakken, die om de Schrift zich groepeeren, -moet het ons te doen zijn om de zaligmakende kennisse Gods. Daarvoor -biedt de Schrift ons alle gegevens. In dien zin is zij volkomen -genoegzaam en volmaakt. Wie echter uit de Schrift eene geschiedenis -van Israel, eene biographie van Jezus, eene geschiedenis van Israels -of de oud-christelijke letterkunde enz. wil afleiden, vindt telkens -zich teleurgesteld. Dan zijn er leemten, die niet dan door gissingen -kunnen worden aangevuld. De historische kritiek heeft deze bestemming -der Schrift ten eenenmale vergeten. Zij tracht eene geschiedenis van -Israels volk en godsdienst en letterkunde te leveren, en komt apriori -met eischen tot de Schrift, waaraan zij niet kan voldoen. Zij stuit -op tegenstrijdigheden, die niet op te lossen zijn, schift bronnen en -boeken eindeloos, rangschikt en ordent ze gansch anders, alleen met -het gevolg, dat er een hopelooze verwarring ontstaat. Uit de vier -Evangelien is geen leven van Jezus te construeeren en uit het Oude -Testament geen geschiedenis van Israel. De H. Geest heeft dat niet -bedoeld. Notarieele opteekening is de inspiratie niet geweest. De -harmonistiek der evangelische verhalen is mislukt, cf. Dieckhoff, Die -Inspiration und Irrthumslosigkeit der H. Schrift, Leipzig 1891. Id. -Noch einmal über die Insp. u. Irrth. der H. S. Rostock 1893. Herzog² -art. Evangelienharmonien en Synopse. Aan exacte kennis, gelijk wij die in -de mathesis, de astronomie, de chemie enz. eischen, voldoet de Schrift -niet. Zulk een maatstaf mag aan haar niet worden aangelegd. Daarom zijn -de autographa ook verloren. Daarom is de tekst, in welke geringe mate -dan ook, corrupt; daarom bezit de gemeente en waarlijk de leeken niet -alleen de Schrift slechts in eene gebrekkige en feilbare vertaling. Dat -zijn feiten, die niet te loochenen zijn. En zij leeren ons, dat de Schrift -een eigen maatstaf heeft, van eene eigen uitlegging is en eene eigene -bestemming heeft. Die bestemming is geen andere, dan dat zij ons wijs -zoude maken tot zaligheid. Het Oude Testament is geen bron voor eene -geschiedenis van Israels volk en godsdienst maar wel voor eene historia -revelationis. De Evangelien zijn geen bron voor een leven van Jezus maar -wel voor eene dogmatische kennis van zijn persoon en werk. De Schrift is -het boek voor de christelijke religie en voor de christelijke theologie. -Daartoe is zij gegeven. Daarvoor is zij geschikt. En daarom is zij het -woord Gods, ons geschonken door den H. Geest. - -19. Daaruit wordt eindelijk de verhouding duidelijk, waarin de Schrift -tot de andere wetenschappen staat. Er is veel misbruik gemaakt van -het woord van Baronius: de Schrift zegt niet, hoe de hemel gaat maar -hoe wij naar den hemel gaan. Juist als boek der kennisse Gods heeft de -Schrift veel te zeggen, ook tot de andere wetenschappen. Zij is een -licht op het pad en eene lamp voor den voet, ook van de wetenschap -en de kunst. Zij maakt aanspraak op gezag op alle terrein van het -leven. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde. Objectief is -de beperking van de inspiratie tot het religieus-ethische gedeelte -der Schrift onhoudbaar, en subjectief is de scheiding tusschen het -godsdienstige en het overige leven van den mensch niet te handhaven. -De inspiratie strekt zich uit tot alle deelen der Schrift, en de -religie is eene zaak van den ganschen mensch. Zeer veel van wat in -de Schrift vermeld wordt, is ook voor de andere wetenschappen van -principiëele beteekenis. De schepping en val des menschen, de eenheid -van het menschelijk geslacht, de zondvloed, het ontstaan der volken -en talen, enz. zijn feiten ook voor de andere wetenschappen van het -hoogste belang. Ieder oogenblik komen wetenschap en kunst met de -Schrift in aanraking, de principia voor heel het leven zijn gegeven in -de Schrift. Hieraan mag niets te kort worden gedaan. Maar toch ligt -er anderzijds ook eene groote waarheid in het woord van den kardinaal -Baronius. Ook alle die feiten worden in de Schrift niet op en voor -zichzelf medegedeeld, maar met een theologisch doel, opdat wij God -zouden kennen tot zaligheid. De Schrift bemoeit zich nooit opzettelijk -met de wetenschap als zoodanig. Christus zelf, ofschoon vrij van alle -dwaling en zonde, heeft zich toch nooit in engeren zin bewogen op -het gebied van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid, van -rechtspraak en politiek. Zijns was eene andere grootheid; de heerlijkheid -des Eengeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Maar juist -daardoor is Hij ten zegen geweest ook voor wetenschap en kunst, voor -maatschappij en staat. Jezus is Zaligmaker, dat alleen, maar dat ook -geheel. Hij kwam niet alleen, om het religieus-ethische leven van den -mensch te herstellen en al het andere ongemoeid te laten, alsof dit -niet door de zonde bedorven ware en geen herstelling van noode had. -Neen zoover als de zonde, strekt ook de genade van Christus zich uit. -En evenzoo is het met de Schrift. Ook zij is door en door religieus, -het woord Gods tot zaligheid, maar daarom ook juist een woord voor -gezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. De Schrift is een boek -voor de gansche menschheid, in al haar rangen en standen, in al haar -geslachten en volken. Maar daarom ook is zij geen wetenschappelijk boek -in engeren zin. Wijsheid, niet geleerdheid is in haar aan het woord. Zij -spreekt niet de exacte taal der wetenschap en der school, maar die der -aanschouwing en des dagelijkschen levens. Zij beoordeelt en beschrijft -de dingen niet naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, -maar naar de intuitie, naar den eersten, levendigen indruk, dien de -verschijnselen maken op den mensch. Daarom spreekt zij van het naderen -van het land, van het opgaan en stilstaan der zon, van het bloed als de -ziel van het dier, van de nieren als zetel der aandoeningen, van het -hart als bron der gedachten, enz. en bekommert zich daarbij ganschelijk -niet om de wetenschappelijk-nauwkeurige taal van de astronomie, de -physiologie, de psychologie, enz. Zij spreekt over de aarde als het -centrum van Gods schepping en kiest geen partij tusschen de Ptolemeische -en de Kopernikaansche wereldbeschouwing. Zij beslist niet tusschen het -Neptunisme en het Plutonisme, noch ook tusschen de allopathie en de -homoeopathie. De scriptores der H. Schrift wisten waarschijnlijk in al -deze wetenschappen, geologie, zoölogie, physiologie, medicijnen, enz. -niets meer dan al hunne tijdgenooten. Het behoefde ook niet. Want de H. -Schrift bezigt de taal der dagelijksche ervaring, die altijd waar is en -altijd blijft. Indien de Schrift in plaats daarvan de taal der school -had gebruikt en wetenschappelijk-exact hadde gesproken, zij zou aan haar -eigen gezag in den weg hebben gestaan. Indien zij beslist had voor de -Ptolemeische wereldbeschouwing, zou zij ongeloofwaardig zijn in eene -eeuw, die het Kopernikaansche stelsel huldigde. Zij zou ook geen boek -voor het leven, voor de menschheid hebben kunnen zijn. Maar nu spreekt -zij in algemeen-menschelijke taal, verstaanbaar voor den eenvoudigste, -duidelijk voor geleerde en ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de -aanschouwing, die altijd naast die der wetenschap en van de school zal -blijven bestaan. Daarom kan zij ook duren tot aan het einde der eeuwen. -Daarom is zij oud, zonder ooit te verouderen. Zij is altijd jong en -frisch; zij is de sprake des levens. Verbum Dei manet in aeternum. - - -§ 12. EIGENSCHAPPEN DER SCHRIFT. - - -A. De eigenschappen der Schrift in het algemeen. - -1. De leer van de affectiones S. Scr. heeft zich geheel ontwikkeld -uit den strijd tegen Rome en het Anabaptisme. In de belijdenis van de -inspiratie en autoriteit der Schrift was er overeenstemming, maar -overigens was er in den locus de S. Scr. groot verschil tusschen Rome -en de Hervorming. De verhouding, waarin Rome Schrift en kerk tot -elkaar had gesteld, werd in de Reformatie principieel veranderd. Bij de -kerkvaders en scholastici stond de Schrift, althans in theorie, nog -verre boven kerk en traditie; zij rustte in zichzelve, was αὐτοπιστος -en voor kerk en theologie de norma normans. Augustinus zei, scriptura -canonica certis suis terminis continetur, bij Harnack, D. G. II 85, en -redeneert Conf. 6,5, 11,3 zoo, alsof de waarheid der H. Schrift alleen -afhangt van zichzelve. Bonaventura, de sept. don. n. 37-43, geciteerd -in het Breviloquium ed. Freiburg 1881 p. 370, verklaart: ecclesia enim -fundata est super eloquia Sacrae Scripturae, quae si deficiant, deficit -intellectus........ Cum enim ecclesia fundata sit in Sacra Scriptura, -qui nescit eam, nescit ecclesiam regere. Meer dergelijke getuigenissen -worden door Gerhard, Loci theol. I cap. 3 § 45, 46 aangehaald uit -Salvianus, Biel, Cajetanus, Hosius, Valentia enz. Canisius zegt in zijn -Summa doctrinae christ., in cap. de praeceptis ecclesiae § 16: Proinde -sicut scripturae propter testimonium Divini Spiritus in illa loquentis -credimus, adhaeremus ac tribuimus maximam auctoritatem, sic ecclesiae -fidem, reverentiam obedientiamque debemus. En ook Bellarminus, de Verbo -Dei, lib. 1 cap. 2 verklaart nog: Sacris Scripturis, quae propheticis -et apostolicis litteris continentur, nihil est notius, nihil certius, -ut stultissimum esse necesse sit qui illis fidem habendam esse negat. -Allen waren van oordeel, dat de Schrift genoegzaam uit en door -zichzelve als waarheid bewezen kon worden; zij hangt niet van de kerk -af, maar omgekeerd de kerk van haar; de kerk met hare traditie moge -regula fidei zijn, fundamentum fidei is zij nog niet. Dat is de Schrift -alleen. - -Maar de kerk met haar ambt en traditie begon bij Rome hoe langer hoe -meer eene onafhankelijke plaats in te nemen en autoriteit te verkrijgen -naast de H. Schrift. De verhouding van beide werd eerst niet nader -omschreven, maar eischte toch spoedig eene betere regeling. En toen de -kerk steeds toenam in macht en zelfgenoegzaamheid, werd de autoriteit -hoe langer hoe meer van de Schrift naar de kerk verlegd. Verschillende -momenten in de geschiedenis wijzen het proces aan, waarlangs de kerk -van de plaats onder, tot die naast, en eindelijk ook tot die boven de -Schrift zich verhief. De vraag, welke van beide, de Schrift of de -kerk, den voorrang had, werd duidelijk en bewust eerst gesteld in den -tijd der reformatorische conciliën. Ondanks de tegenspraak van Gerson, -d’Ailly, en vooral van Nicolaas van Clémange, Herz.² 3:247 werd ze ten -voordeele der kerk beslist. Trente heeft dit tegenover de Hervorming -gesanctioneerd. In den strijd tegen het Gallikanisme werd de kwestie nog -nader gepraeciseerd, en in het Vaticanum 1870 is ze zoo opgelost, dat -de kerk onfeilbaar werd verklaard. Subject van deze onfeilbaarheid is -echter niet de ecclesia audiens, noch de ecclesia docens, noch ook de -gezamenlijke bisschoppen, in concilie vergaderd, maar bepaald de paus. -En deze weer niet als privaat persoon, noch ook als bisschop van Rome -of patriarch van het Westen maar als Opperherder der gansche kerk. -Hij bezit deze onfeilbaarheid wel als hoofd der kerk en niet los van -haar, maar hij bezit ze toch niet door en met haar, maar boven en in -onderscheiding van haar. Zelfs bisschoppen en conciliën hebben deel -aan de onfeilbaarheid, niet gescheiden van, maar alleen in eenheid met -en onderwerping aan den paus. Hij staat boven allen, en maakt alleen -de kerk, de traditie, de conciliën, de canones onfeilbaar. Concilies -zonder paus kunnen dwalen en hebben gedwaald, Bellarminus, de Conc. -et Eccl. II c. 10-11. Heel de kerk, zoowel docens als audiens, is -alleen onfeilbaar una cum et sub Romano pontifice, Jansen, Theol. I -506. Daarmede is heel de verhouding van kerk en Schrift omgekeerd. De -kerk, of meer concreet de paus, gaat voor en staat boven de Schrift. -Ubi papa, ibi ecclesia, Jansen, I 511. De onfeilbaarheid van den paus -maakt die van de kerk, de bisschoppen en conciliën en evenzoo die van -de Schrift onnoodig. - -2. Uit deze Roomsche opvatting van de verhouding van Schrift en -kerk vloeien alle verschillen voort, welke in de leer der Schrift -tusschen Rome en de Hervorming bestaan. Zij betreffen voornamelijk de -noodzakelijkheid der H. Schrift, de apocriefen van het O. Test., de -editio Vulgata, het bijbelverbod, de uitlegging der Schrift en de -traditie. Formeel komt de omkeer in de verhouding van Schrift en kerk -het duidelijkst daarin uit, dat de nieuwere Roomsche theologen de leer -der kerk behandelen in de pars formalis der dogmatiek. De kerk behoort -tot de principia fidei. Gelijk de Schrift bij de Reformatie, zoo is de -kerk, het magisterium, of eigenlijk de paus het formeele principe, het -fundamentum fidei in het Romanisme, Jansen, I 829. - -Daartegenover plaatsten de Hervormers de leer van de eigenschappen -der Schrift. Zij droeg geheel en al een polemisch karakter, maar stond -daardoor ook in hoofdzaak van den aanvang af vast, Heppe, Dogm. d. -deutschen Prot. I 207-257. Allengs werd ze ook min of meer systematisch -en methodisch in de dogmatiek opgenomen, nog niet bij Zwingli, Calvijn, -Melanchton, enz., maar toch reeds bij Musculus, Loci Comm. 1567 p. 374 -sq. Zanchius, de S. Script. Op. VIII 319 sq. Polanus, Synt. Theol. 17 -sq. Junius, Theses Theol. Op. I 1594 sq. enz., en in de Luthersche kerk -bij Gerhard, Quenstedt, Calovius, Hollaz, enz. Maar in de behandeling -was er verschil. Soms werd er allerlei historische en kritische -stof in besproken; de dogmatiek nam schier heel de „Inleiding”, -de canonica generalis en specialis, in zich op. Ook het aantal en -de verdeeling der eigenschappen werd ongelijk opgegeven. Gezag, -nuttigheid, noodzakelijkheid, waarheid, duidelijkheid, genoegzaamheid, -oorsprong, verdeeling, inhoud, apocriefen, concilie, kerk, traditie, -editio authentica, vertalingen, uitlegging, bewijzen, testimonium Sp. -S{i}., dit alles en nog veel meer werd in de leer der Schrift en van -hare eigenschappen ter sprake gebracht. Langzamerhand kwam er meer -begrenzing der stof. Calovius en Quenstedt onderscheidden tusschen -affectiones primariae en secundariae; tot de eerste behoorden de -auctoritas, veritas, perfectio, perspicuitas, semet ipsam interpretandi -facultas, judicialis potestas en efficacia, en onder de laatste werden -gerekend de necessitas, integritas, puritas, authentia en legendi -omnibus concessa licentia. Nog eenvoudiger was de menigmaal gevolgde -orde: auctoritas, necessitas, perfectio seu sufficientia, perspicuitas, -semet ipsam interpretandi facultas en efficacia, Hase, Hutterus Rediv. -§ 43 f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 27 f. Herzog² 2, 365 f. -Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 9 f. Voigt, Fundamentaldogm. S. 644 f. -Maar ook zoo is er nog vereenvoudiging aan te brengen. De historische, -kritische, archaeologische stof enz. hoort niet thuis in de dogmatiek, -maar in de bibliologische vakken der theologie. De authentia, -integritas, puritas enz. kunnen daarom in de dogmatiek niet volledig -behandeld worden, zij komen daar slechts in zooverre ter sprake, als de -leer der Schrift ook voor hare gesteldheid eenige gegevens biedt. De -veritas behoeft na de inspiratie en autoriteit geen afzonderlijk betoog -meer, en zou daardoor eer verzwakt dan versterkt worden. De efficacia -vindt haar plaats in de leer van de media gratiae. Zoo blijven alleen -de auctoritas, necessitas, perfectio en perspicuitas over. Onder deze -is er nog dit onderscheid, dat de auctoritas geene eigenschap is, die -gecoordineerd is met de andere, want zij is met de inspiratie vanzelf -gegeven; de necessitas, perspicuitas en sufficientia daarentegen -vloeien niet in denzelfden zin uit de inspiratie voort. Het laat zich -denken, dat eene onfeilbare Schrift aangevuld en uitgelegd moest worden -door eene onfeilbare traditie. Rome erkent wel de autoriteit der -Schrift, maar loochent hare andere eigenschappen. - - -B. Het gezag der Schrift. - -3. Het gezag der Schrift is ten allen tijde in de christelijke kerk -erkend. Jezus en de apostelen geloofden aan het O. Test. als het woord -Gods en schreven daaraan toe een goddelijk gezag. De christelijke kerk -is onder het gezag der Schrift geboren en opgegroeid. Wat de apostelen -geschreven hebben, moet zoo worden aangenomen alsof Christus zelf het -geschreven had, Aug. de cons. evang. I 35. En Calvijn verklaart in zijne -uitlegging van 2 Tim. 3:16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam -verschuldigd zijn als aan God. Dat gezag der Schrift stond tot de vorige -eeuw toe in alle kerken en onder alle Christenen vast. Daarentegen kwam -er tusschen Rome en de Hervorming een ernstig verschil over den grond, -waarop dat gezag rust. Kerkvaders en scholastici leerden nog dikwerf de -autopistie der Schrift, maar de drijfkracht van het Roomsche beginsel -heeft hoe langer hoe meer de kerk geschoven vóór de Schrift. De kerk, -zoo is thans de algemeene Roomsche leer, gaat temporeel en logisch aan -de Schrift vooraf. Zij was er eerder dan de Schrift, en heeft haar -oorsprong, bestaan en autoriteit niet aan de Schrift te danken, maar -bestaat in en door zichzelve, d. i. door Christus, of den H. Geest -die in haar woont. De Schrift daarentegen is juist voortgekomen uit -de kerk en wordt nu door haar erkend, bevestigd, bewaard, uitgelegd, -verdedigd enz. De Schrift heeft dus wel de kerk, maar de kerk heeft -niet de Schrift van noode. Zonder kerk is er geen Schrift, maar zonder -Schrift is er wel eene kerk. De kerk met de onfeilbare traditie is het -oorspronkelijk en genoegzaam middel, om de openbaring te bewaren en -mee te deelen; de H. Schrift is er later bijgekomen, is op zichzelve -onvoldoende, maar is als steun en bevestiging van de traditie wel -nuttig en goed. Feitelijk wordt bij Rome de Schrift geheel afhankelijk -van de kerk. De authentie, integriteit, inspiratie, canoniciteit, -autoriteit van de Schrift wordt door de kerk vastgesteld. Daarbij wordt -dan echter deze onderscheiding gemaakt, dat de Schrift niet quoad se, -maar quoad nos geheel van de kerk afhangt. De kerk maakt door hare -erkenning de Schrift niet geinspireerd, kanonisch, echt enz., maar zij -is toch de eenige, die deze eigenschappen van de Schrift op onfeilbare -wijze kennen kan. De zelfgetuigenis der Schrift toch maakt niet uit, -dat juist deze boeken van O. en N. T., en geen andere en geen mindere, -geinspireerd zijn; nergens geeft de H. Schrift een catalogus van de -boeken, die tot haar behooren; de teksten, die de inspiratie leeren, -dekken nooit de gansche Schrift, 2 Tim. 3:16 slaat alleen op het O. -Test.; bovendien een beroep voor de inspiratie der Schrift op de -Schrift zelve is altijd nog maar een cirkelbewijs. De Protestanten zijn -dan ook onderling verdeeld over de boeken, die tot de Schrift behooren; -Luthers oordeel over Jakobus wijkt af van dat van Calvijn enz. De bewijzen -voor de Schrift aan de kerkvaders enz. ontleend, zijn niet vast en -stevig genoeg, ze hebben als motiva credibilitatis groote waarde, maar -ze geven toch slechts waarschijnlijkheid, menschelijke en dus feilbare -zekerheid. Alleen de kerk geeft goddelijke, onfeilbare gewisheid, gelijk -Augustinus dan ook zeide: ego vero Evangelio non crederem, nisi me -catholicae ecclesiae commoveret auctoritas, c. epist. Manich. cap. 5. -c. Faustum l. 28. cap. 2,4,6. De Protestanten hebben daarom de Schrift -ook kunnen aannemen en erkennen als Gods woord, wijl zij haar uit de -hand der kerk ontvingen, Bellarminus, de Verbo Dei IV cap. 4. Perrone, -Praelect. Theol. IX 71 sq. Heinrich, Dogm. I 775 f. Jansen, Theol. -I 766 sq. Het Vaticanum, sess. 3. cap. 2 erkende de boeken des O. en -N. T. als kanonisch, propterea quod Sp. S°. inspirante conscripti -Deum habent autorem _atque ut tales ipsi ecclesiae traditi sunt_. -Door deze gedachten geleid, stelde Rome te Trente sess. 4 en in het -Vatikaan sess. 3 cap. 2 den kanon vast, nam daarin naar het voorbeeld -der Grieksche vertaling en de practijk der kerkvaders ook de apocriefen -des O. T. op, en verklaarde bovendien de editio Vulgata voor den -authentieken tekst, zoodat deze in kerk en theologie beslissend gezag -heeft. - -4. Tegenover deze Roomsche leer stelde de Reformatie de autopistie -der Schrift, Calvijn, Inst. I c. 7. Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 8 -sq. Polanus, Synt. I c. 23-30. Zanchius, de S. Scriptura, Op. VIII -332-353. Junius, Theses Theol. c. 3-5. Synopsis pur. theol. disp. 2 -§ 29 sq. Gerhard, Loci theol. I c. 3. enz. Bij dit verschil liep de -vraag niet hierover, of de kerk niet eene roeping had te vervullen -tegenover de Schrift. Algemeen werd toegestemd, dat de kerk van groote -beteekenis is voor de Schrift. Haar getuigenis is van groot gewicht en -een motivum credibilitatis. De kerk der eerste eeuwen bezit in hare -getuigenissen een sterken steun voor de Schrift. Voor elk mensch is de -kerk de leidsvrouw tot de Schrift. In dezen zin is en blijft het woord -van Augustinus waar, dat hij door de kerk bewogen was om de Schrift te -gelooven. Protestantsche theologen, Calv. Inst. I 7, 3. Polanus, Synt. -p. 30. Turretinus, de S. Scr. auctoritate, disp. 3 § 13 s. Gerhard, -Loci theol. I c. 3 § 51 hebben dit woord van Augustinus verzwakt, door -het alleen op het verleden, op het ontstaan des geloofs te laten slaan. -Maar de redeneering van Augustinus t. a. p. is duidelijk. Hij plaatst -zijn manicheeschen tegenstander voor dit dilemma: gij moet òf tot mij -zeggen: geloof den katholieken, maar dezen waarschuwen mij juist om u te -gelooven, òf geloof den katholieken niet, maar dan kunt gij u ook niet -tegenover mij op het evangelie beroepen, quia ipsi Evangelio, catholicis -praedicantibus, credidi. De kerk is inderdaad voor Augustinus een -motief des geloofs, waarvan hij hier tegenover den manicheer gebruik -maakt. Maar er is verschil tusschen motief en laatsten grond des -geloofs. Hoe hij in de kerk een motief des geloofs ziet, heldert hij -elders, C. Faustum lib. 32 c. 19 zelf op als hij zegt: cur non potius -evangelicae autoritati, tam fundatae, tam stabilitae, tanta gloria -diffamatae atque ab apostolorum temporibus usque ad nostra tempora -per successiones certissimas commendatae, non te subdis? Cf. de util. -cred. c. 14. De kerk met haar waardigheid, haar macht, haar hierarchie -enz. heeft altijd op Augustinus een diepen indruk gemaakt. Zij bewoog -hem voortdurend tot het geloof, zij steunde en sterkte hem in twijfel en -strijd, zij was de vaste hand, die hem altijd weer leidde tot de Schrift. -Maar daarmede wil Augustinus niet zeggen, dat de autoriteit der Schrift -van de kerk afhangt, dat zij de laatste en diepste grond is van zijn -geloof. Elders zegt hij duidelijk, dat de H. Schr. door zichzelve gezag -heeft en om zichzelve moet geloofd worden, Clausen, Augustinus S. -Scr. interpres 1827 p. 125. Dorner, Augustinus, Berlin 1873 S. 237 f. -Reuter, Augustinische Studien, Gotha 1887 S. 348 f. Schmidt, Jahrb. f. -deutsche Theol. VI 235 f. Hase, Protest. Polemik 5te Aufl. Leipzig 1891 -S. 81. Harnack D. G. III 70 f. - -De kerk heeft en houdt voor ieder geloovige tot aan zijn dood toe eene -rijke en diepe paedagogische beteekenis. De wolke van getuigen, die -om ons heen ligt, kan ons sterken en bemoedigen in den strijd. Maar -dit is heel iets anders, dan dat de autoriteit der Schrift van de -kerk afhangen zou. Rome durft dit zelfs nog niet openlijk uitspreken. -Het Vaticanum erkende de boeken des O. en N. T. toch ook daarom voor -kanonisch, propterea quod _Spiritu S. inspirante conscripti Deum autorem -habent_ en als zoodanig der kerk zijn overgeleverd. En de Roomsche -theologen maken onderscheid tusschen de autoriteit der Schrift quoad -se en quoad nos. Maar die onderscheiding kan hier niet gelden. Want -indien de kerk de laatste en diepste grond is, waarom ik aan de Schrift -geloof, dan is die kerk, en niet de Schrift αὐτοπιστος. En nu een van -beide: de Schrift bevat eene getuigenis, eene leer over zichzelve, -over haar inspiratie en autoriteit, en dan doet de kerk niets dan die -getuigenis aannemen en bevestigen; of de Schrift leert zelve zulk eene -inspiratie en autoriteit niet, en dan is het dogma der kerk over de -Schrift voor den Protestant geoordeeld. De Roomsche theologen verkeeren -dan ook in eene niet geringe tegenstrijdigheid. Eenerzijds trachten zij -in de leer der Schrift haar inspiratie en gezag uit haar zelve te -betoogen; en andererzijds, toegekomen aan de leer der kerk, pogen zij -die bewijzen te verzwakken en aan te toonen, dat alleen de getuigenis -der kerk eene onomstootelijke zekerheid geeft. Hangt daarentegen de -autoriteit quoad se van de Schrift zelve af, dan is zij ook quoad nos, -de laatste grond van ons geloof. De kerk kan slechts erkennen wat er -is; zij kan niet maken wat er niet is. De beschuldiging, dat op die wijze -eene cirkelredeneering wordt gemaakt en de Schrift met de Schrift zelve -wordt bewezen, kan op Rome zelf worden teruggeworpen, wijl zij de kerk -met de Schrift en de Schrift met de kerk bewijst. Indien Rome daartegen -opmerkt, dat zij in het eerste geval de Schrift niet als Gods woord maar -als menschelijke, geloofwaardige en betrouwbare getuigenis gebruikt, -dan kan ook de Protestantsche theoloog deze opmerking overnemen: eerst -wordt uit de Schrift als betrouwbaar getuigenis de inspiratie afgeleid -en daarna met deze de Schrift als Gods woord bewezen. Maar veel meer -is dit van beteekenis, dat in elk vak van wetenschap, en zoo ook in -de theologie, de principia door zichzelve vast staan. De waarheid van -een principium kan niet betoogd, maar alleen erkend worden. Principium -creditur propter se, non propter aliud. Principii principium haberi non -potest nec quaeri debet, Gerhard, Loc. theol. I cap. 3. Zanchius, Op. -VIII 339 sq. Polanus, Synt. I cap. 23 sq. Turret. Theol. El. loc. 2 qu. -6. Trelcatius, Schol. et method. loc. comm. S. Theol. Institutio 1651 -p. 26. - -De Schrift zelve leert dan ook duidelijk, dat niet de kerk maar het -woord Gods, beschreven of onbeschreven, αὐτοπιστος is. De kerk is ten -allen tijde aan dat woord Gods, voor zoover het er was en in dien vorm -waarin het bestond, gebonden geweest. Israel ontvangt op Horeb de wet, -Jezus en de apostelen onderwerpen zich aan de O. T. Schrift, de christ. -kerk is van den aanvang af gebonden aan het gesproken en geschreven -woord der apostelen. Het woord Gods is het fundament der kerk, Deut. -4:1; Jes. 8:20; Ezech. 20:19; Luk. 16:29; Joh. 5:39; Ef. 2:20; 2 Tim. -3:14; 2 Petr. 1:19 enz. De kerk kan wel getuigen van het woord, maar -het woord staat boven haar. Zij kan niemand het geloof aan het woord -Gods in het hart schenken. Dat kan het woord Gods alleen, door zichzelf -en de kracht des H. Geestes, Jer. 23:29; Mk. 4:28; Luk. 8:11; Rom. -1:16; Hebr. 4:12; 1 Petr. 1:23. En reeds daardoor alleen blijkt de kerk -beneden de Schrift te staan. Daarom kan de kerk en kunnen de geloovigen -de inspiratie, autoriteit, kanoniciteit van de Schrift uit haar zelve -leeren kennen, maar zij kunnen deze nooit eigenmachtig afkondigen en -vaststellen. De Hervorming heeft liever eenige onzekerheid gewild, dan -eene gewisheid, die alleen door eene willekeurige beslissing der kerk -werd verkregen. Want de Schrift geeft inderdaad nergens een catalogus -van de boeken die zij bevat. Over sommige boeken is er in de oudste -christelijke kerk en ook later verschil van meening geweest. De tekst -bezit niet die integritas, welke ook Luth. en Geref. theologen zoo -gaarne wenschten. Maar desniettemin heeft de Reformatie de autopistie -der Schrift tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de kerk -ondergeschikt gemaakt aan het woord Gods, en daardoor de vrijheid van -den Christen gered. - -5. Bij dit verschil tusschen Rome en de Hervorming over den grond van -het gezag der Schrift kwam er in de 17e eeuw in de Protestantsche -kerken zelve nog een belangrijke strijd over den aard van dat gezag. -Hierover was men het eens, dat aan de Schrift, wijl zij God tot auteur -had, eene auctoritas divina toekwam. Nader werd deze autoriteit -daardoor omschreven, dat de Schrift door allen geloofd en gehoorzaamd -moest worden, en de eenige regel was van geloof en leven. Deze -omschrijving leidde echter vanzelf tot de onderscheiding van eene -auctoritas historica en eene auctoritas normativa. De openbaring -Gods toch is gegeven in den vorm van eene geschiedenis; zij heeft -verschillende tijden doorloopen. Lang niet alles, wat in de Schrift -staat opgeteekend, heeft normatief gezag voor ons geloof en leven. Veel -van wat door God geboden en ingesteld is geweest, of door profeten en -apostelen is voorgeschreven en verordend, gaat ons niet rechtstreeks -meer aan en had op vroeger levende personen betrekking. Het gebod -aan Abraham, om zijn zoon te offeren; het bevel aan Israel, om alle -Kanaänieten te dooden; de ceremonieele en burgerlijke wetten, die golden -in de dagen des O. T.; de bepalingen van de synode te Jeruzalem en zoo -veel meer zijn zeker als historie nog nuttig ter leering en vermaning, -maar kunnen en mogen door ons niet meer opgevolgd worden. En dat niet -alleen, maar de openbaring heeft in hare beschrijving niet alleen de -goede werken der heiligen maar ook de booze daden der goddeloozen -opgeteekend. Meermalen komen er dus woorden en handelingen in de -Schrift voor, welke wel als historisch waar maar niet als normatief -worden voorgesteld; zoover is het er van daan, dat deze regel mogen -zijn voor ons geloof en leven, dat zij veeleer verworpen en afgekeurd -moeten worden. Ook de zonden der heiligen, van een Abraham, Mozes, -Job, Jeremia, Petrus enz. worden ter waarschuwing, niet ter navolging -medegedeeld. En eindelijk kan bij vele personen, bij de aartsvaders, -Debora, de richters, de koningen, de vrienden van Job, Hanna, Agur, -de moeder van Lemuel, de dichters van sommige psalmen, zooals de -vloekpsalmen ps. 73:13, 14, 77:7-9, 116:11, en voorts bij Zacharia, -Simeon, Maria, Stephanus enz. de vraag gesteld worden, of hunne woorden -alleen formeel, wat hunne opteekening betreft, of ook zakelijk, wat hun -inhoud aangaat, zijn geinspireerd. Voetius oordeelde, dat velen van deze -personen, zooals Job en zijne vrienden, niet tot de profeten kunnen -gerekend worden en handhaafde dit gevoelen tegenover Maresius, Voetius, -Disp. I 31, 40-44. V 634-640. Maresius, Theologus paradoxus p. 83-87, -en verder Maccovius, Loci Comm. p. 31-32, Cloppenburg, de canone theol. -disp. 3 Op. II 18-23. Witsius, Misc. Sacra I 316-318. Moor, Comm. in -Marckii Comp. I 131-134. Carpzovius, Critica S. Vet. Test. I c. 2 § -3. Deze kwestie had wel geen verdere gevolgen, maar was toch in veel -opzichten belangrijk. Zij bracht het eerst duidelijk tot bewustzijn, dat -er onderscheid is tusschen woord Gods in formeelen en woord Gods in -materieelen zin, en dwong tot nadenken over de verhouding, waarin beide -tot elkander staan. Nu werd die verhouding zeer zeker door de meesten -der bovengenoemde theologen al te dualistisch opgevat. De auctoritas -historiae en de historia normae laten zich in de Schrift niet op zoo -abstracte wijze scheiden. De formeele en de materieele beteekenis -van de uitdrukking woord Gods zijn veel te nauw verbonden. Ook in de -leugenachtige woorden van Satan en de booze daden der goddeloozen -heeft God iets tot ons te zeggen. De Schrift is niet alleen nuttig -tot leering maar ook tot waarschuwing en vermaning. Zij onderwijst en -verbetert ons, zoowel door af te schrikken als door aan te sporen, -zoowel door beschaming als door vertroosting. Maar wel werd het door -die onderscheiding duidelijk gemaakt, dat de Schrift niet kan en mag -opgevat worden als een wetboek vol artikelen. Beroep op een tekst -buiten het verband is voor een dogma niet genoeg. De openbaring, in -de Schrift neergelegd, is een historisch en organisch geheel. Zoo wil -ze gelezen en verklaard worden. En daarom moet het dogma, dat met -autoriteit tot ons komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op -heel het organisme der Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. Het -gezag der Schrift is een ander dan dat van eene staatswet. - -6. Aard en grond van het gezag der Schrift zijn echter vooral in de -nieuwere theologie in discussie gebracht. In vroeger tijd rustte de -autoriteit der H. Schrift op hare inspiratie en was met deze vanzelf -gegeven. Maar toen de inspiratie werd prijsgegeven, was het gezag der -Schrift niet meer te handhaven. Wel werd dit op allerlei wijze beproefd, -maar men zag zich genoodzaakt, om zoowel de gronden als het karakter -van de autoriteit der H. Schrift gansch anders op te vatten. Het gezag -der Schrift, voorzoover het nog werd erkend, werd daarop gebaseerd, -dat zij de authentieke oorkonde is van de openbaring; de christelijke -idee het zuiverst uitdrukt, evenals het water ook het reinst is bij de -bron; de vervulling is van de Oudtestamentische heilsgedachte, en de -christelijke leer volkomen, zij het ook in kiem, in zich bevat; en de -aanvang en voortdurende vernieuwing is van den christelijken geest in -de gemeente. Deze en dergelijke overwegingen voor het gezag der Schrift -kan men vinden bij theologen van de verschillendste richtingen, zooals -bij Scholten, L. H. K. I 78 v. Saussaye, mijne theol. van Ch. d. l. S. -53 v. Schleiermacher, Gl. § 129 f. Rothe, Zur Dogm. S. 166 f. Lipsius, -Dogm. § 193 f. Biedermann, Dogm. § 193 f. Schweizer, Christl. Gl. I -S. 178 f. Hofmann, Weiss. u. Erf. III 98 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. -II 5 f. 9 f. enz. Toch zijn al deze gronden niet hecht genoeg, om een -gezag te dragen, gelijk dat de religie behoeft. Ze mogen als motiva -credibilitatis in aanmerking komen, maar als gronden zijn ze onhoudbaar. -Want vooreerst maken zij door de onderscheiding tusschen openbaring -en hare oorkonde, tusschen woord Gods en Schrift, het gezag der -Schrift feitelijk geheel illusoir. Want indien niet de Schrift in haar -geheel, maar alleen het woord Gods in haar, het religieus-ethische, -de openbaring of hoe men het noemen wil, gezag heeft, dan heeft ieder -voor zichzelf uit te maken, wat dat woord Gods in de Schrift is, -en elk bepaalt dit naar goedvinden. Het zwaartepunt wordt uit het -object naar het subject overgebracht; de Schrift kritiseert niet den -mensch, maar deze oordeelt de Schrift; het gezag der Schrift hangt af -van het menschelijk welgevallen; het bestaat slechts, voorzoover men -het erkennen wil, en wordt dus geheel vernietigd. Maar ook al zouden -al deze gronden eenig gezag voor de Schrift kunnen vindiceeren, het -zou toch geen ander zijn dan een louter historisch gezag. En dit is -in de religie onvoldoende. Hier hebben we aan een historisch, d. -i. menschelijk en feilbaar gezag niet genoeg. Omdat de religie onze -zaligheid raakt en in verband staat met onze eeuwige belangen, kunnen -wij in haar met niets minder toe dan met een goddelijk gezag. Wij moeten -niet alleen weten, dat de Schrift de historische oorkonde voor onze -kennis van het Christendom is en dat zij de oorspronkelijke christelijke -ideeën het zuiverst bevat en weergeeft; maar in de religie dienen wij -te weten, dat de Schrift het woord en de waarheid Gods is. Zonder deze -zekerheid is er geen troost in het leven en in het sterven. En niet -alleen heeft ieder Christen aan deze zekerheid behoefte, maar ook -de kerk zelve kan als instituut deze gewisheid niet ontberen. Want -indien een prediker de overtuiging mist van de goddelijke waarheid van -het woord dat hij verkondigt, verliest zijne prediking alle gezag en -invloed en kracht. Indien hij geen goddelijke boodschap heeft te brengen, -wie geeft hem dan het recht om op te treden voor menschen van gelijke -bewegingen als hij? Wie geeft hem vrijheid om zich op den kansel boven -hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen der ziel -en des levens en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig wel of een eeuwig -wee? Wie durft en wie kan dat doen, anders dan die een woord Gods te -verkondigen heeft? Het christelijk geloof en de christelijke prediking -eischen beide eene goddelijke autoriteit, waarop zij steunen. Titubabit -fides, si divinarum scripturarum vacillat auctoritas, Aug. de doctr. -christ. I 37. - -Daarom kan het ook geen goedkeuring wegdragen, wanneer de aard van het -gezag der Schrift als zedelijk omschreven wordt. Lessing is daarmede -al begonnen als hij zeide, dat iets niet daarom waar is wijl het in den -Bijbel staat, maar dat het in den Bijbel staat omdat het waar is. Sedert -zijne verzuchting om verlossing van het gezag der letter en van den -papieren paus, is het gelooven op gezag op allerlei wijze bespottelijk -gemaakt. Christelijke theologen hebben zich daardoor laten influenceeren -en het autoriteitsgeloof gewijzigd of bestreden. Doedes bijv., Inl. tot -de leer van God, 1880 bl. 29-40 wil niets weten van gelooven op gezag -en spreekt alleen nog van zedelijke autoriteit in de religie. Saussaye, -mijne Theol. van Ch. d. l. S. 53 v. verklaart, dat er geen ander is dan -zedelijk gezag en dat het zedelijke geheel gezag is. Intellectueel gezag -is er niet, maar moreel gezag is de zedelijkheid, de godsdienst zelve. -Men gelooft de waarheid niet op gezag, maar de waarheid heeft gezag, -d. i. heeft het recht, dat men haar gehoorzame. Deze voorstelling -lijdt echter aan verwarring van begrippen. De waarheid heeft gezag, -zeer zeker; niemand, die het ontkent. Maar de vraag is juist, wat op -godsdienstig gebied waarheid is en waar zij te vinden is. Hierop is -maar tweeërlei antwoord mogelijk. Of aan de eene zijde: wat waarheid is, -of indien men wil, wie Christus is, dat zeggen ons de apostelen, dat -zegt ons de Schrift; of aan de andere zijde: dit wordt uitgemaakt door -het eigen oordeel, door de rede of het geweten van ieder mensch voor -zichzelf. In het laatste geval is er geen gezag en geen autoriteit -der Schrift meer; zij is geheel en al aan de kritiek van het subject -onderworpen. Dan baat het ook niets, om met Rothe, Zur Dogm. 287 te -zeggen, dat de Bijbel het volkomen toereikend instrument is, om tot -eene zuivere kennis van Gods openbaring te komen. Want elke objectieve -maatstaf ontbreekt, waarnaar in de Schrift die openbaring beoordeeld -en gevonden kan worden. Er is inderdaad maar één grond, waarop het -gezag der Schrift rusten kan, en dat is hare inspiratie. Valt deze, -dan is het ook met de autoriteit der Schrift gedaan. Zij bevat dan -slechts menschelijke geschriften, die als zoodanig geen enkelen titel -kunnen laten gelden, om norma te zijn voor ons geloof en leven. En met -de Schrift valt voor den Protestant alle gezag in de religie. Alle -pogingen, om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, bijv. -in den persoon van Christus, in de kerk, in de religieuse ervaring, -in rede of geweten, loopen op teleurstelling uit, Stanton, The place -of authority in matters of religious belief, London Longmans 1891. -James Martineau, The seat of authority in religion, London Longmans -1891. C. A. Briggs, The authority of H. Scriptures. Inaugural address, -4 ed. New-York Scribner, 1892. L. Monod, Le problème de l’autorité, -Paris Fischbacher 1892. E. Doumergue, L’autorité en matière de foi, -Lausanne Payot 1892. E. Ménégoz, L’autorité de Dieu, réflexions sur -l’autorité en matière de foi. Paris Fischbacher 1892. G. Godet, Vinet -et l’autorité en matière de foi, Revue de théol. et de philos. Mars -1893 p. 173-191. Zij bewijzen alleen, dat eene religie zonder gezag niet -kan bestaan. Religie is wezenlijk van wetenschap onderscheiden. Zij -heeft eene eigene zekerheid; niet zulk eene, die op inzicht steunt, -maar die in geloof, in vertrouwen bestaat. En dit religieuse geloof en -vertrouwen kan alleen rusten in God en in zijn woord. In de religie is -een testimonium humanum en eene fides humana onvoldoende; hier hebben -we behoefte aan een getuigenis Gods, waarop wij ons verlaten kunnen -in leven en sterven. Inquietum est cor nostrum, donec requiescat in -Te! Terecht zegt dan ook Harnack, D. G. III 73, es hat in der Welt -keinen starken religiösen Glauben gegeben, der nicht an irgend einem -_entscheidenden_ Punkt sich auf eine _äussere Autorität_ berufen hätte. -Nur in den blassen Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den -polemischen Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube -construirt, der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten -entnimmt. Cf. ook P. D. Chantepie de la Saussaye, Zekerheid en twijfel -1893 bl. 138 v. Het recht en de waarde van het gezag in de religie -wordt langzamerhand weer erkend. - -7. Maar, al kan de religie alleen met eene auctoritas divina volstaan, -de aard van dat gezag dient toch nog nader te worden onderzocht. Gezag -is in het algemeen de macht van iemand, die iets te zeggen heeft; het -recht, om in eene of andere zaak mee te spreken, vandaar in het Mnl. -geweld, macht, Woordenboek der Ned. Taal s. v. Van gezag kan er alleen -sprake zijn tusschen ongelijken; het drukt altijd eene verhouding uit van -een meerdere tot zijn mindere, van een hoogere tot zijn lagere. Omdat er -onder menschen geen gelijkheid is maar allerlei onderscheid bestaat, kan -er onder hen van gezag sprake zijn. En wijl die ongelijkheid zoo groot en -zoo velerlei is, neemt het gezag onder menschen eene zeer breede plaats -in. Het is zelfs het fundament der gansche menschelijke samenleving. -Wie het ondermijnt, arbeidt aan de verwoesting der maatschappij. Dwaas -en gevaarlijk is het dus, om het gelooven op gezag in een bespottelijk -daglicht te plaatsen. Augustinus vraagde reeds: Si quod nescitur -credendum non est, quomodo serviant parentibus liberi eosque mutua -pietate diligant, quos parentes suos esse non credant....... Multa -possunt afferri quibus ostendatur, nihil omnino humanae societatis -incolume remanere, si nihil credere statuerimus, quod non possumus -tenere perceptum, de util. cred. 12. Op ieder gebied leven wij van -gezag. Onder het gezag worden wij in huisgezin, maatschappij en staat -geboren en opgevoed. Ouders hebben gezag over hun kinderen, de meester -over zijne leerlingen, de overheid over hare onderdanen. In al deze -gevallen is het gezag duidelijk. Het drukt eene macht uit, die van -rechtswege aan iemand over een ander toekomt. Het treedt daarom op met -bevelen en wetten, eischt gehoorzaamheid en onderwerping, en heeft in -geval van opstand zelfs recht van dwang en straf. Maar wij breiden dit -begrip van gezag verder uit en passen het ook toe in wetenschap en -kunst. Ook hier is er onderscheid van gave, en ontstaat de verhouding -van meerderen en minderen, van magistri en discipuli. Er zijn mannen, -die door hun genialen aanleg en noesten arbeid op een of ander gebied -het meesterschap hebben verworven, en die daarom op dit terrein met -gezag kunnen spreken. Van de ontdekkingen dezer magistri leven en -leeren de minderen, de leeken. Ja, vanwege de ontzachlijke uitbreiding -der wetenschap, kan ook de uitnemendste slechts magister zijn op een -zeer klein gebied; in al het andere is hij discipulus en moet hij -vertrouwen op het onderzoek van anderen. Dit gezag in wetenschap en -kunst draagt echter een ander karakter dan van ouders, onderwijzers en -overheid; het is niet juridisch, maar ethisch van aard; het kan en mag -niet dwingen, het heeft geen recht van straf. De personen, die hier -met autoriteit optreden, mogen nog zoo aanzienlijk en gewichtig zijn; -hun getuigenis geldt slechts zooveel als ze er gronden voor kunnen -aanvoeren. Het gezag rust hier dus niet ten slotte in de personen, -zoodat een ipse dixit afdoende ware, maar rust in de bewijzen, waarop -hun beweren steunt. En wijl alle menschen eenig verstand en oordeel -ontvingen, is blind geloof hier ongeoorloofd en het streven naar een -zelfstandig inzicht, voor zooveel noodig en mogelijk, plicht. Ook -in de geschiedenis is dit het geval. De kennis der historie steunt -eigenlijk geheel op autoriteit, op getuigenissen van anderen; maar deze -getuigenissen behoeven niet blindelings geloofd te worden, maar mogen -en moeten ernstig worden onderzocht, opdat zooveel mogelijk het eigen -inzicht tot zijn recht kome. In één woord, in scientiis tantum valet -auctoritas humana, quantum rationes. - -Dit begrip van gezag vinden we eindelijk ook terug in de religie en -theologie. Hier is gezag niet in een minderen graad maar in eene veel -hoogere mate van noode dan in gezin en maatschappij, in wetenschap en -kunst. Hier is het eene levensbehoefte. Zonder gezag en geloof kan -religie en theologie geen oogenblik bestaan. Maar het gezag draagt hier -een geheel eigen karakter. Het moet uitteraard eene auctoritas divina -zijn. En reeds hierdoor is het van het gezag in maatschappij en staat, in -wetenschap en kunst onderscheiden. Van het laatste verschilt het vooral -in dit opzicht, dat in wetenschap en kunst eigen inzicht oordeelen en -beslissen mag. Maar bij eene divina auctoritas komt dit niet te pas. Als -God gesproken heeft, is alle twijfel uit. De divina auctoritas is daarom -niet zedelijk te noemen, althans niet in den zin, waarin we spreken van -het zedelijk overwicht van een persoon, want de religie is niet eene -verhouding van een mindere tot zijn meerdere, maar van een schepsel tot -zijn Schepper, van een onderdaan tot zijn Souverein, van een kind tot zijn -Vader. God heeft recht, om den mensch te bevelen en onvoorwaardelijke -gehoorzaamheid van hem te verlangen. Zijn gezag rust in zijn wezen, niet -in de rationes. In zoover komt het gezag van God en van zijn woord met -dat van de overheid in den staat en van den vader in het gezin overeen. -En er is niets vernederends in en niets, dat ook maar eenigszins aan -’s menschen vrijheid te kort doet, als hij kinderlijk naar het woord Gods -luistert en daaraan gehoorzaamt. God op zijn woord, d. i. op gezag te -gelooven, is even weinig met ’s menschen waardigheid in strijd, als het -een kind onteert, zich met onbepaald vertrouwen te verlaten op het -woord van zijn vader. En zooveel scheelt het, dat de Christen allengs -boven dit gezag zou uitgroeien, Schweizer, Christl. Glaub. I 186 f., -dat hij juist hoe langer hoe meer, met verloochening van alle eigene -wijsheid, God gelooven gaat op zijn woord. De geloovige komt hier op -aarde nooit het standpunt des geloofs en des gezags te boven. Naarmate -hij toeneemt in het geloof, klemt hij zich te vaster aan de autoriteit -Gods in zijn woord. Maar aan de andere zijde is er toch ook een groot -verschil tusschen het gezag Gods in de religie en dat van een vader in -zijn gezin en van eene overheid in den staat. Een vader dwingt desnoods -zijn kind en brengt het door straf tot onderwerping; en de overheid -draagt het zwaard niet te vergeefs. Dwang is onafscheidelijk van het -gezag der aardsche overheid. Maar God dwingt niet. Zijne openbaring is -eene openbaring van genade. En daarin komt Hij tot den mensch niet met -geboden en eischen, met dwang en met straf, maar met de noodiging, met -de vermaning, met de bede, om zich met Hem te laten verzoenen. God -kon als Souverein tegenover den mensch optreden. Hij zal eenmaal als -Rechter oordeelen allen, die het evangelie zijns Zoons ongehoorzaam zijn -geweest. Maar in Christus daalt Hij tot ons neer, wordt ons in alles -gelijk, handelt met ons als redelijke en zedelijke wezens; om dan toch -weer, stuitende op vijandschap en ongeloof, zijne souvereiniteit te -hernemen, zijn raad uit te voeren en glorie zich te bereiden uit alle -creatuur. Het gezag, waarmede God in de religie optreedt, is dus geheel -eigensoortig. Het is niet menschelijk maar goddelijk. Het is souverein -en werkt toch op zedelijke wijze. Het dwingt niet, en weet zich toch te -handhaven. Het is absoluut en wordt toch weerstaan. Het noodigt en -bidt, en is toch onoverwinnelijk. - -En zoodanig is ook de autoriteit van de Schrift. Als woord Gods staat -ze hoog boven alle gezag van menschen in staat en maatschappij, in -wetenschap en kunst. Voor haar moet al het andere wijken. Want men moet -Gode meer gehoorzamen dan den menschen. Alle andere autoriteit is -beperkt binnen haar kring en geldt alleen op haar eigen terrein. Maar -het gezag der Schrift breidt over heel den mensch en over de gansche -menschheid zich uit. Zij staat boven verstand en wil, boven hart en -geweten; zij is met geen andere autoriteit te vergelijken. Haar gezag is -absoluut, wijl het goddelijk is. Zij heeft het recht, om door een ieder -ten allen tijde geloofd en gehoorzaamd te worden. Zij gaat in majesteit -alle andere macht zeer verre te boven. Maar zij roept, om zichzelve -tot erkenning en heerschappij te brengen, niemand te hulp. Zij heeft -den sterken arm der overheid niet noodig. Zij behoeft den steun der -kerk niet. Zij roept het zwaard en de inquisitie niet op. Zij wil niet -heerschen door dwang of geweld. Zij wil vrije en gewillige erkenning. -En daarom brengt zij die zelve tot stand, op zedelijke wijze, door de -werking des H. Geestes. De Schrift waakt voor haar eigen gezag. Daarom -sprak men vroeger ook wel van eene auctoritas causativa der Schrift, -qua Scriptura assensum credendorum in intellectu hominis generat et -confirmat, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 8. - - -C. De noodzakelijkheid der Schrift. - -8. In de autoriteit der Schrift is er groote overeenstemming -tusschen de christelijke kerken, maar in de drie andere, nu volgende -eigenschappen is er belangrijk verschil. Rome kan van wege de -verhouding, die het aanneemt tusschen Schrift en kerk, de necessitas -S. Scripturae inzien noch erkennen. Bij Rome is de kerk αὐτοπιστος, -zelfgenoegzaam, levende uit en door den H. Geest; zij heeft de waarheid -en bewaart ze trouw en zuiver door het onfeilbaar leerambt van den -paus. De Schrift daarentegen, voortgekomen uit de kerk, moge nuttig en -goed zijn als norma, maar principium der waarheid is zij niet. Zij is niet -noodzakelijk ad esse ecclesiae. De kerk heeft eigenlijk niet de Schrift, -maar wel heeft de Schrift voor haar gezag, aanvulling, uitlegging enz. -de kerk van noode. De gronden voor deze leer worden daaraan ontleend, -dat de kerk vóór Mozes en de eerste christelijke gemeente geen Schrift -had, en dat vele geloovigen onder het O. en ook nog onder het N. Test. -de Schrift nooit bezeten en gelezen hebben maar enkel en alleen leefden -van de traditie, Bellarminus, de verbo Dei IV c. 4. Heinrich, Dogm. I -735 f. Liebermann, Instit. theol. 1857 I p. 449 sq. Dieringer, Lehrb. -der kath. Dogm. 4e Aufl. 633. Gutberlet, Lehrb. der Apol. III 1894 S. -221 f. Jansen. Prael. theol. I 786 sq. enz. - -Maar niet alleen Rome bestrijdt op die wijze de noodzakelijkheid der H. -Schrift; ook allerlei mystieke richtingen hebben de beteekenis der -Schrift voor kerk en theologie verzwakt en miskend. Het Gnosticisme -verwierp niet alleen het O. T. maar paste op het N. T. de allegorische -methode toe en trachtte daardoor zijn systeem met de Schrift in -overeenstemming te brengen. De zinnelijke vormen en historische feiten -hebben slechts symbolische beteekenis; zij zijn eene inkleeding, die -voor menschen van lager standpunt noodig is, maar voor de hooger -ontwikkelden, de πνευματικοι, wegvalt. De Schrift is geen bron der -waarheid, maar slechts middel om tot het hooger standpunt der gnosis -zich op te heffen, Herzog² 5, 209 f. Harnack, D. G. I 214 f. In het -Montanisme trad eene nieuwe openbaring op, welke die in het N. T. -aanvulde en verbeterde. Het Montanisme, vooral in zijn gematigden vorm -bij Tertullianus, wilde eenerzijds niets nieuws zijn en de autoriteit -der Schrift ten volle handhaven; en toch begroette het in Montanus -een profeet, in wien de door Jezus beloofde Paracleet, de laatste -en hoogste openbaring verschenen was. De Schrift moest op die wijze -wel wijken voor de nieuwe profetie, welke door Montanus verkondigd -werd, Harnack, D. G. I 353 f. Herzog² 10, 258 f. De kerk veroordeelde -deze richtingen wel, en de kerkvaders bestreden dit spiritualisme. -Augustinus schreef er tegen in den proloog voor zijn boek de doctrina -christiana; maar toch nam ook Augustinus aan, dat de vromen, vooral de -monniken, met eene zoo groote mate van geloof, hoop en liefde konden -worden toegerust, dat ze voor zichzelf de Schrift konden missen en -zonder haar in de eenzaamheid konden leven, de doctr. christ. I c. 39. -Het spiritualisme kwam telkens weer op, en reageerde tegen de knellende -macht van kerk en traditie. Verschillende secten, de Katharen, Amalrik -van Bena, Joachim v. Floris, de broeders en zusters des vrijen geestes -en later de Libertijnen in Genève, achtten na het tijdperk des Vaders en -des Zoons dat des H. Geestes aangebroken, waarin allen leefden door -den Geest en de uitwendige middelen van Schrift en kerk niet meer -behoefden, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. § 108, 116. Reuter, Gesch. -der relig. Aufklärung im M. A. II 198 f. Herzog² 2, 677. 6, 786. 8, -652 f. Hahn, Gesch. der Ketzer im M. A. II 420 f. III 72 f. Gieseler, -Kirchengeschichte, II, 2, 1826 S. 437 f. Hagenbach, Kirchengesch. -in Vorlesungen II 1886 S. 480 f. De mystiek, die in de Middeleeuwen -in Frankrijk en Duitschland bloeide, zocht door middel van askese, -meditatie en contemplatie eene gemeenschap met God te bereiken, welke -de Schrift missen kon. De Schrift was wel bij wijze van ladder noodig -om tot deze hoogte op te klimmen, maar werd overbodig, als de eenheid -met God, de visio Dei, bereikt was, Herzog¹ 12, 427 f. Harnack, D. G. -III 374 f. Vooral de Wederdoopers verhieven het inwendig woord ten -koste van het uitwendige. Reeds in 1521 werd de tegenstelling gemaakt -tusschen Schrift en Geest, en deze tegenstelling is een blijvend kenmerk -van het Anabaptisme geworden, Sepp, Kerkhist. Stud. 12. De H. Schrift -is niet het waarachtig woord Gods, maar slechts eene getuigenis en -beschrijving; het echte, ware woord is dat, hetwelk door den H. Geest -in onze harten wordt gesproken. De Bijbel is maar een boek met letters; -Bijbel is Babel, vol verwarring; hij kan het geloof in de harten niet -werken, alleen de Geest leert ons het ware woord. En als die Geest ons -onderwijst, dan kunnen wij ook de Schrift wel missen, zij is een tijdelijk -hulpmiddel maar voor den geestelijken mensch niet noodig, A. Hegler, -Geist u. Schrift bei Sebastian Franck, Freiburg 1892. J. H. Maronier, -Het inwendig woord, Amst. 1890. Vigouroux, Les livres saints et la -critique rationaliste, 3e ed. I 435-453. Hans Denck vereenzelvigde -dat inwendig woord reeds met de natuurlijke rede, en wees op vele -tegenstrijdigheden in de Schrift. Ludwig Hetzer achtte de Schrift in -het geheel niet noodzakelijk. Knipperdolling eischte te Munster, dat de -H. Schrift moest worden afgeschaft en men alleen naar natuur en geest -moest leven, Herz.² 10, 362. Het mysticisme sloeg in rationalisme -om. Hetzelfde verschijnsel zien we later bij de anabaptistische en -independentische sekten in Engeland, ten tijde van Cromwell, bij de -kwakers en bij het piëtisme. De verheffing van het inwendig boven het -uitwendig woord leidde altijd tot vereenzelviging van de onderwijzing -des Geestes met het natuurlijk licht van rede en geweten, en zoo tot -algeheele verwerping van openbaring en Schrift. Niemand heeft dan ook -scherper de noodzakelijkheid der Schrift bestreden, dan Lessing in -zijne Axiomata tegen Goeze. Ook hij maakt onderscheid tusschen letter -en geest, Bijbel en godsdienst, theologie en religie, den christelijken -godsdienst en den godsdienst van Jezus, en zegt nu, dat de laatste -onafhankelijk van den eersten bestond en bestaan kan. De religie was er -immers, eer er de Bijbel was. Het Christendom was er, eer evangelisten -en apostelen schreven. De godsdienst, door hen geleerd, kan -voortbestaan, ook al gingen al hun geschriften verloren. De godsdienst -is niet waar, omdat evangelisten en apostelen hem leerden, maar zij -leerden hem, omdat hij waar is. Hunne geschriften mogen en moeten dus -naar de inwendige waarheid der religie worden verklaard. Een aanval op -den Bijbel is nog geen aanval op de religie. Luther heeft ons verlost -van het juk der traditie, wie verlost ons van het nog veel ondragelijker -juk der letter? - -9. Deze gedachten over de niet-noodzakelijkheid der Schrift zijn in de -nieuwere theologie vooral binnengeleid door Schleiermacher. In zijne -Glaubenslehre § 128, 129 zegt hij dat het geloof aan Christus niet rust -op het gezag der Schrift, maar aan het geloof der Schrift voorafgaat -en juist aan die Schrift ons een bijzonder aanzien doet schenken. Bij -de eerste Christenen ontstond het geloof aan Christus niet uit de -H. Schrift, en zoo kan het ook bij ons daaruit niet ontstaan; want -bij hen en ons moet het geloof eenzelfden grond hebben. De Schrift -is dus geen bron der religie, maar wel norma; zij is het eerste lid -in de rij der christelijke geschriften, zij staat het dichtst bij de -bron, d. i. de openbaring in Christus, en had dus weinig gevaar om -onzuivere bestanddeelen in zich op te nemen. Maar al de Schriften -der evangelisten en apostelen zijn evenals alle volgende christelijke -geschriften voortgekomen uit eenzelfden Geest, den Gemeingeist der -christelijke kerk. De kerk is niet gebouwd op de Schrift, maar de -Schrift is voortgekomen uit de kerk. Door Schleiermacher zijn deze -gedachten tot het gemeen goed der nieuwere theologie geworden. Zij -schijnen zoo waar te zijn en zoo vanzelf te spreken, dat er aan geen -twijfel of kritiek wordt gedacht. Bij schier alle theologen kan men de -voorstelling vinden, dat de kerk bestond voor de Schrift en dus ook -onafhankelijk van haar kan bestaan. De kerk rust in zichzelve, zij leeft -uit zichzelve, d. i. uit den Geest die in haar woont. De H. Schrift, -in den aanvang, in de frischheid harer jeugd uit haar voortgekomen, is -wel norma maar geen bron. Bron is de persoonlijke, levende Christus, -die in de gemeente woont; de dogmatiek is beschrijving van het leven, -explicatie van het religieus bewustzijn der gemeente, en heeft daarbij -tot richtsnoer de Schrift, die dat leven der gemeente het eerst en het -duidelijkst heeft vertolkt. De kerk is dus eigenlijk de Verfasserin der -Bibel, en de Bijbel is de Reflex der Gemeinde, Lange, Philos. Dogm. § -77. Rothe, Zur Dogm. 333 f. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. -Philippi, Kirchl. Glaub. I³ 190 f. Hofstede de Groot, De Gron. Godg. -71 v. 97 v. Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. 49 v. Gunning en de la -Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der theol. 34, enz. - -Al deze gedachten, van Rome, het anabaptisme, het mysticisme, het -rationalisme, van Lessing, Schleiermacher enz. zijn onderling ten -nauwste verwant. Vooral Schleiermacher heeft door zijne omkeering van -de verhouding tusschen Schrift en kerk aan Rome een krachtigen steun -geboden. Allen komen daarin overeen, dat de Schrift niet noodzakelijk -maar hoogstens nuttig is en dat de kerk ook uit en door zichzelve kan -bestaan. Het verschil ligt alleen hierin, dat Rome den grond en de -mogelijkheid voor dit voortbestaan van de christelijke religie zoekt in -de geïnstitueerde kerk, d. i. in den onfeilbaren paus, Schleiermacher -c. s. in de gemeente als organisme, d. i. in de religieuse gemeenschap, -en het mysticisme en rationalisme in de religieuse individuen. Allen -zoeken het voortbestaan der kerk in de leiding des H. Geestes, in -de inwoning van Christus, maar deze heeft bij Rome haar orgaan in -den paus, bij Schleiermacher in het organisme der gemeente, bij het -anabaptisme in elken geloovige hoofd voor hoofd. Het is gemakkelijk in -te zien, dat Rome hierbij de sterkste positie inneemt. Want zeker, er -is eene leiding des H. Geestes in de gemeente, Christus is opgestaan -uit de dooden, leeft in den hemel en woont en werkt in zijne kerk op -aarde. Er is eene mystieke unie tusschen Christus en zijn lichaam. -Het woord alleen is onvoldoende, het principium externum eischt ook -een principium internum. Het Protestantisme wist dit alles zeer goed -en beleed het van harte. Maar de vraag was deze, of de kerk voor het -_bewuste_ leven der religie aan het woord, aan de Schrift gebonden was -al dan niet. De religie is toch niet alleen een zaak van het hart, -het gemoed, den wil, maar ook van het hoofd. Ook met het verstand -moet God gediend en bemind worden. Voor het bewuste leven moet dus -de kerk een bron hebben waaruit zij de waarheid put. Nu kan Rome met -zijn onfeilbaren paus beweren, dat de Schrift niet noodzakelijk is. De -onfeilbaarheid der kerk maakt inderdaad de Schrift overbodig. Maar het -Protestantisme heeft geen onfeilbaar orgaan, noch in het instituut noch -in het organisme noch in de individueele leden der gemeente. Wanneer -het de noodzakelijkheid der Schrift ontkent, verzwakt het zichzelf, -sterkt Rome en verliest de waarheid, die een onmisbaar element der -religie is. Daarom stond de Hervorming zoo sterk op de noodzakelijkheid -der H. Schrift. De Schrift was het δος μοι που στω van de Reformatie. -Zij slaagde, omdat zij tegenover het gezag van kerk, concilies en paus -de autoriteit kon stellen van Gods heilig woord. Wie dit standpunt der -Hervorming verlaat, werkt onbewust aan den opbouw van Rome. Want indien -niet de Schrift maar de kerk noodzakelijk is tot kennis der religieuse -waarheid, dan wordt deze het onontbeerlijk medium gratiae. Het woord -verliest zijne centrale plaats en behoudt slechts eene praeparatoire, -paedagogische beteekenis. De Schrift moge nuttig en goed zijn, noodig is -zij niet, noch voor de kerk in haar geheel noch voor de geloovigen in -het bijzonder. - -10. Ofschoon de Hervorming alzoo tegen Rome haar kracht zocht in de -Schrift en hare noodzakelijkheid handhaafde, toch ontkende zij daarmede -niet, dat de kerk voor Mozes eeuwen lang zonder Schrift had bestaan. -Ook is het waar, dat de kerk des N. T. door de prediking der apostelen -werd gesticht en langen tijd bestond zonder een Nieuwtestamentischen -kanon. Voorts wordt de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld -geplant door de verkondiging van het evangelie. De boeken des O. en N. -T. zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de boekdrukkunst -in gering aantal verspreid; vele geloovigen zijn in vroeger en later -tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben gelezen en onderzocht, -en nog zoekt het religieuse leven bevrediging voor zijne behoeften niet -alleen in de Schrift maar minstens evenzeer in allerlei stichtelijke -lectuur. Dit alles kan volmondig worden erkend, zonder dat daarmee -aan de noodzakelijkheid der Schrift ook maar eenigszins wordt te kort -gedaan. Zelfs had God, indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker -nog op eene andere wijze bij de waarheid kunnen bewaren, dan door middel -van een geschreven woord. De noodzakelijkheid der Schrift is niet -absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei. - -Maar zoo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven allen twijfel -verheven. De mensch heeft ten allen tijde slechts geleefd hij het woord, -dat door den mond Gods uitgaat, Mt. 4:4. Het woord Gods is van den -beginne af aan het zaad der kerk geweest. Zeer zeker bestond de kerk -voor Mozes zonder Schrift. Maar er was toch een verbum ἀγραφον, voordat -het ἐγγραφον werd. De kerk heeft nooit uit zichzelve geleefd en in -zichzelve gerust, maar altijd door het woord Gods. Rome leert dit ook -niet, maar neemt eene traditie aan, die het woord Gods onfeilbaar -bewaart. Maar wel dient dit te worden uitgesproken tegenover hen, -die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in instorting van -goddelijke krachten, in opwekking van religieuse aandoeningen. De kerk -moge dus ouder zijn dan het geschreven, zij is toch jonger dan het -gesproken woord, Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. theol. I c. -15. Synopsis pur. theol., disp. 2. Gerhard, Loci theol. I cap. 1 § 5 -sq. De gewone bewering, dat de kerk des N. T. langen tijd zonder Schrift -bestond, moet ook goed worden opgevat. Het is waar, dat de kanon der -N. T. geschriften eerst in de tweede helft der tweede eeuw algemeen -werd erkend. Maar de christelijke gemeenten hadden van den aanvang af -het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door het gesproken woord -der apostelen. Zeer spoedig kwamen vele gemeenten in het bezit van -apostolische geschriften, die ook aan andere werden ter lezing gegeven, -weldra dienden tot voorlezing in de kerken en zeer spoedig werden -verbreid. Het spreekt vanzelf, dat er, zoolang de apostelen leefden en -de gemeenten bezochten, nog geen onderscheiding werd gemaakt tusschen -hun gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het -ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de afstand -van de apostelen grooter werd, rezen de geschriften der apostelen in -beteekenis, en hunne noodzakelijkheid nam gaandeweg toe. Inderdaad is de -necessitas S. Scripturae ook geen stabiele maar eene steeds groeiende -eigenschap. De Schrift was niet altijd in haar geheel voor de gansche -kerk noodzakelijk. De Schrift is langzamerhand ontstaan en voltooid. -Naarmate de openbaring voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen. -Elke periode der kerk had genoeg aan dat gedeelte der Schrift, dat toen -bestond, evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zoover was -geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch geheel, -dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem was de vrucht -begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden gelijken tred met den -staat der kerk en omgekeerd. Daarom kan er uit de vroegere toestanden -der kerk ook geen conclusie worden getrokken voor het heden. Laat -de kerk voor Mozes zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk voor de -voltooiing der openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de gansche -Schrift; daaruit volgt niets voor die bedeeling der kerk, in welke wij -leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid. -Voor deze bedeeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts, maar ook -beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae. - -11. Schrift toch is het eenig afdoende middel, om het gesproken woord -onvervalscht te bewaren en tot eigendom van alle menschen te maken. -Vox audita perit, littera scripta manet. De kortheid van het leven, de -ontrouw van het geheugen, de arglistigheid van het hart en allerlei -andere gevaren, die de zuiverheid der overlevering bedreigen, maken -opteekening van het gesproken woord tot bewaring en verbreiding -volstrekt noodzakelijk. Bij het woord der openbaring geldt dit nog in -verhoogde mate. Want het evangelie is niet naar den mensch, het staat -lijnrecht tegenover zijne gedachten en wenschen, het staat als goddelijke -waarheid tegenover zijne leugen. Bovendien is de openbaring niet voor -één geslacht en voor één tijd, maar voor alle volken en eeuwen bestemd. -Het moet zijn loop volbrengen door de gansche menschheid heen en tot -aan het einde der tijden. De waarheid is één, het Christendom is -Universalreligion. Hoe zal deze bestemming van het woord der openbaring -anders kunnen bereikt worden, dan doordat het opgeteekend en beschreven -wordt? De kerk kan dezen dienst des woords niet verrichten. Nergens -wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift -verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en de getuigenis. -Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d. i. de vergadering -der geloovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook de vergadering der -bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring van den paus -is een bewijs voor de reformatorische stelling van de onbetrouwbaarheid -der traditie, van de feilbaarheid der kerk, en zelfs van de -noodzakelijkheid der Schrift. Want deze onfeilbaarverklaring houdt in, -dat de waarheid van het woord der openbaring niet bewaard wordt of kan -worden door de kerk als vergadering der geloovigen, wijl ook deze nog -aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is uit eene -bijzondere assistentie des H. Geestes, waarin dan naar Roomsch beweren -de paus deelt. Rome en de Hervorming komen dus daarin overeen, dat -het woord der openbaring in en voor de kerk alleen zuiver bewaard kan -blijven door de instelling van het apostolaat, d. i. door de inspiratie. -En het geschil loopt alleen hierover, of dat apostolaat heeft -opgehouden dan wel in den paus wordt voortgezet. Daarentegen is de -bewering der Vermittelungstheologie geheel onhoudbaar, dat de Schrift -uit de kerk is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der -Bibel is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt der -profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte -vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt. -Naar de leer der Schrift is de inspiratie echter een bijzondere -akte des H. Geestes, eene speciale gave aan profeten en apostelen, -waardoor zij het woord Gods zuiver en onvervalscht aan de kerk aller -eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift is dus niet uit de kerk -voortgekomen, maar door een bijzondere werkzaamheid des H. Geestes -in de profeten en apostelen aan de kerk gegeven. De Schrift behoort -mede tot de openbaring, welke door God aan zijn volk is geschonken. -Hierin zijn Rome en de Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt -tegenover Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid des H. Geestes -thans heeft opgehouden, m. a. w. dat het apostolaat niet meer bestaat -en in den paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben hunne -getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in de H. Schriften -neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring Gods tot eigendom der -menschheid gemaakt. De Schrift is het volkomen in de wereld ingegane -woord Gods. Zij maakt dat woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de -dwaling en leugen, aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate -de menschheid grooter, het leven korter, het geheugen zwakker, de -wetenschap uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester -wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint het -schrift en de pers in beteekenis. De boekdrukkunst was een reuzenstap -ten hemel en ter hel. Ook in dezen ontwikkelingsgang deelt de H. -Schrift. Hare noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe duidelijker aan het -licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen eigendom gemaakt gelijk nimmer -te voren. In honderden talen wordt zij overgezet. Zij komt onder aller -oog en in ieders hand. Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te -zijn, om de waarheid ter kennis aller menschen te brengen. Dat daarnaast -de religieuse litteratuur voor velen het voornaamste voedsel blijft -voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid der -H. Schrift. Want alle christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks of -zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt het water -uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren, dat ons nu nog iets van -christelijke waarheid zou toekomen buiten en zonder de H. Schrift. In -de eerste eeuw was zoo iets mogelijk, maar thans zijn de stroomen van -traditie en Schrift reeds lang samengevloeid en de eerste reeds lang -in de tweede opgenomen. Rome kan dit alleen staande houden door zijne -leer van de voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van -den paus. Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het christelijk -karakter der waarheid kan enkel en alleen daardoor worden betoogd, dat -zij met al hare vezelen wortelt in de H. Schrift. Er is geen kennis -van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap met Hem dan door -gemeenschap aan het woord der apostelen. Cf. Ursinus, Tract. theol. -p. 1 sq. Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 15. -Synopsis pur. theol., disp. 2. Turretinus, Theol. El. loc. 2, qu. 1-3. -Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 25, 26 enz. - -12. Ook al wordt de noodzakelijkheid der Schrift erkend, er kan toch -nog verschil bestaan over den duur dier noodzakelijkheid. Zelfs wie -van meening is, dat de Schrift haar tijd heeft gehad, stemt dikwerf -gaarne toe, dat zij in haar tijd van groote beteekenis is geweest voor -de opvoeding van menschen en volken. Maar op allerlei wijze is de duur -dier noodzakelijkheid beperkt geworden. Het gnosticisme erkende hare -noodzakelijkheid voor de ψυχικοι maar bestreed ze voor de πνευματικοι. -De mystiek achtte de Schrift wel noodig op het standpunt der cogitatie -en meditatie, maar niet meer op dat der contemplatie en visio Dei. -Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring, de -Schrift, de statutarische Religion eene paedagogische plaats in, opdat -daardoor de heerschappij der Vernunftreligion werd voorbereid. Evenzoo -oordeelde Hegel, dat de vorm der aanschouwing in den godsdienst voor -het volk noodzakelijk was, maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan -geen behoefte meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de -godsdienst goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar dat de -ontwikkelden en beschaafden verre daarboven verheven zijn. - -Er ligt in deze voorstelling eene onmiskenbare en heerlijke waarheid. -De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de christelijke religie draagt -inderdaad een tijdelijk, praeparatoir en paedagogisch karakter. Gelijk de -Oudtestamentische oeconomie van het foedus gratiae voorbij is gegaan, -zoo zal ook deze bedeeling van het genadeverbond, waarin wij leven, eens -tot het verleden behooren. Als Christus zijne gemeente vergaderd en als -eene reine bruid aan den Vader voorgesteld heeft, geeft Hij Gode het -koninkrijk over. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur, van -openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie en philosophie -niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de religie bestaat toch -daarin, dat wij God dienen zonder dwang en zonder vreeze, uit liefde -alleen, naar de uitspraak onzer eigen natuur. Het is God zelf in zijne -openbaring er om te doen, om menschen te vormen in wien zijn beeld weer -ten volle is hersteld. Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook -den H. Geest, opdat die ons wederbaren zou, zijne wet in ons hart zou -schrijven en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte, -het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de bewijzen, dat -God zijne kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een liefdedienst, die -nimmer verdriet. In zoover kunnen de bovengenoemde voorstellingen eene -anticipatie van het toekomstig ideaal worden genoemd. Maar zij zijn toch -desniettemin van eene zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van -eene verwarring tusschen de bedeeling van het heden en die van het -hiernamaals. Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer -behoeven zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat wij -eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof in deze -bedeeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en de triumfeerende kerk -één is, blijft er toch onderscheid in beider toestand en leven. De -grenslijn mag en kan niet worden uitgewischt. Tot het hemelsche leven -brengen wij het hier op aarde nooit. Wij wandelen door geloof en niet -door aanschouwen. Wij zien nu door een spiegel in eene duistere rede; -eerst hiernamaals zullen we zien van aangezicht tot aangezicht en -kennen, gelijk we gekend zijn. De visio Dei is voor den hemel weggelegd. -Zelfstandig, onafhankelijk worden we op deze aarde nooit. Wij blijven -gebonden aan den kosmos, die ons omringt. Het standpunt des gezags kan -hier op aarde nooit overwonnen worden. - -Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid der -Schrift eene diepe klove tusschen de psychische en de pneumatische -menschen, tusschen de beschaafden en de massa, tusschen de wijsgeeren -en het volk. En zulk eene klove heeft in geen enkel opzicht recht van -bestaan. Als godsdienst in kennis bestond, dan zouden de geleerden een -voorrecht genieten boven de onontwikkelden. Maar religieus zijn alle -menschen gelijk; zij hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen -onderscheid van Griek en barbaar. De religie is voor alle menschen -één, hoe verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling, -enz. want voor de religie, d. i. voor het aangezicht Gods zijn al die -rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men onder -menschen boven anderen uitmunt. De scheiding tusschen die tweeërlei -soort van menschen getuigt dan ook van een geestelijken hoogmoed, -welke zelf met het wezen der christelijke religie, met den ootmoed, de -nederigheid, enz., die zij eischt, in lijnrechten strijd is. De tollenaren -gaan voor de Phariseën, en de minste is in het koninkrijk der hemelen de -meeste. - -Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn, als het -rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan Vernunftwahrheiten -bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon voorloopig uit de openbaring -gekend, later door het denken uit de rede zelve kunnen worden afgeleid. -Maar de openbaring heeft een gansch anderen inhoud dan eene rationeele -leer. Zij is historie, heeft genade tot inhoud, den persoon van Christus -tot middelpunt, de herschepping der menschheid tot doel. Dit alles kan -nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden afgeleid. -Om zulk eene openbaring te kennen, blijft de Schrift ten allen tijde -noodzakelijk. Zelfs eene openbaring Gods aan ieder mensch hoofd voor -hoofd zou niet kunnen schenken, wat nu de openbaring in Christus -door de Schrift aan alle menschen biedt. Het historisch karakter der -openbaring, het feit en de idee der vleeschwording en de organische -beschouwing van het menschelijk geslacht eischen eene Schrift, waarin -de openbaring Gods voor de gansche menschheid neergelegd is (cf. blz. -299). Daarom kan nu ook worden beslist, wat op bl. 143 nog in het -midden werd gelaten, of n.l. de openbaring individueel tot elk mensch -komt dan wel door de Schrift aan allen wordt gegeven. Gelijk ééne zon -met hare stralen de gansche aarde verlicht, zoo is Christus de opgang -uit de hoogte, die verschijnt aan degenen die gezeten zijn in duisternis -en schaduw des doods, en zoo is de eene en zelfde Schrift het licht -op aller pad en de lamp voor aller voet. Zij is het woord Gods tot de -gansche menschheid. De historie zelve legt voor deze noodzakelijkheid -der Schrift een krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme -is telkens omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het -enthusiastisch spiritualisme is dikwerf in het grofste materialisme -geeindigd. De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk -bewezen uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de -kerken, die haar belijden. - - -D. De duidelijkheid der Schrift. - -13. Eene andere belangrijke eigenschap, die de Hervorming tegenover -Rome aan de Schrift toekende, was de perspicuitas. Volgens Rome is de -Schrift duister, Ps. 119:34, 68; Luk. 24:27; Hd. 8:30; 2 Petr. 3:16. -Ook in die zaken, welke op geloof en leven betrekking hebben, is ze -niet zoo helder, dat zij uitlegging missen kan. Ze handelt immers over -de diepste verborgenheden, over God, de drieëenheid, de vleeschwording, -de voorbeschikking enz., en is zelfs in de zedelijke voorschriften -bv. Mt. 5:34, 40, 10:27; Luk. 12:33, 14:33 menigmaal zoo onduidelijk, -dat misverstand en misvatting ieder oogenblik in de christ. kerk is -voorgekomen. Tot recht verstand der Schrift is ook allerlei kennis -noodig van historie, geographie, chronologie, archaeologie, talen enz., -welke voor de leeken onbereikbaar is. De Protestanten schrijven dan ook -zelven tallooze commentaren en wijken bij de belangrijkste teksten in -exegese van elkander af. Daarom is er eene uitlegging der H. Schrift -noodig. Deze kan niet door de Schrift zelve worden gegeven, de Schrift -kan niet haar eigen uitlegster zijn. Reeds Plato, Phaedrus p. 274 zei, -dat de letter mishandeld wordt en zichzelve niet helpen kan, en dat zij -de hulp van haar vader behoeft. Zij is stom en kan in een geschil geen -beslissing geven. Zij is gelijk aan de wet, waarnaar de rechter uitspraak -doet, maar zij is niet wet en rechter tegelijk. De geleerde Jezuit -Jakob Gretser maakte op het religiegesprek te Regensburg 1601 diepen -indruk, toen hij aldus sprak: Sumus in conspectu sacrae Scripturae et -Spiritus Sancti. Pronuntiet sententiam. Et si dicat: tu Gretsere male -sentis, cecidisti causa tua, tu Jacobe Heilbrunnere vicisti; tunc ego -statim transibo ad vestrum scamnum. Adsit, adsit, adsit et condemnet -me! Er moet dus een uitlegger en een rechter zijn, die naar de Schrift -beslissing geeft. Indien er zulk een rechter niet is, dan wordt de -uitlegging geheel subjectief, ieder oordeelt naar zijn goedvinden en -houdt zijne eigene individueele opvatting voor onfeilbaar. Ieder ketter -heeft zijn letter. Ieder zoekt naar het bekende distichon van Werenfels, -in de Schrift juist zijne dogmata. De Schrift wordt overgeleverd -aan allerlei willekeur. Individualisme, enthusiasme, rationalisme, -eindelooze verdeeldheid is het slot. En wat het ergste is, indien -er geen onfeilbare uitlegging is, dan is er ook geen volstrekte -geloofszekerheid; de grondslag, waar de hope des Christens op rust, -is dan vrome meening, wetenschappelijk inzicht, maar geen goddelijke, -onfeilbare getuigenis. En zoo ver is het er van af, dat iemand uit de -H. Schrift zich een eigen overtuiging of leer kan vormen, dat ook de -Protestanten feitelijk even goed als de Roomschen, van traditie leven en -afgaan op het gezag van kerk, synodes, vaders, schrijvers enz. - -Zulk eene onfeilbare, goddelijke uitlegging van de Schrift is echter -door God in zijne kerk geschonken. Niet de doode, onbegrepene, duistere -en aan zichzelve overgelatene Schrift, maar de kerk, de levende, -steeds tegenwoordige, altijd door den Geest zich vernieuwende kerk -is de middelares der waarheid en de onfeilbare uitlegster der H. -Schrift. Immers, elk is de beste uitlegger van zijn eigen woord. De ware -interpreet van de Schrift is dus de H. Geest, die haar auteur is. En -deze heeft zijn onfeilbaar orgaan in de kerk, of beter nog, in den paus. -De kerk is door de traditie in het bezit der waarheid; zij wordt geleid -door dienzelfden Geest welke de Schrift deed ontstaan; zij is aan haar -verwant; zij alleen kan haar zin verstaan; zij is de pilaar en vastigheid -der waarheid. Zoo is ook altijd de praktijk geweest. Mozes, de priesters, -Christus, de apostelen verklaarden en beslisten voor de gemeente, Ex. -18; Deut. 17:9 v.; 2 Chr. 19:9 v.; Pred. 12:12; Hagg. 2:2; Mal. 2:7; -Mt. 16:19, 18:17, 23:2; Luk. 22:32; Joh. 21:15 v.; Hd. 15:28; Gal. 2:2; -1 Cor. 12:8 v.; 2 Petr. 1:19; 1 Joh. 4:1, en pausen en conciliën hebben -dat voorbeeld gevolgd. Daarom stelde het Trentsch concilie in sess. -4 vast, dat niemand de H. Schrift mag uitleggen contra eum sensum, -quem tenuit et tenet sancta mater ecclesiae, cujus est judicare de -vero sensu et interpretatione Scripturarum Sanctarum, aut etiam contra -unanimem consensum Patrum, en bond daarmede de exegese niet alleen -negatief, gelijk sommige Roomschen het pogen op te vatten, maar zeer -beslist ook positief. Niemand mag eene andere exegese geven, dan die -welke de kerk door hare patres, concilies of pausen gegeven heeft. De -professio fidei van Pius IV, bij Denzinger, Enchir. symb. et defin. n. -864 en het Vaticanum sess. 3 cap. 2 alin. 4 laten dienaangaande geen -twijfel over. Maar niet alleen is door deze leer van de duisterheid der -Schrift de wetenschappelijke exegese aan den paus onderworpen. Nog meer -afhankelijk en gebonden is daardoor de leek. De Schrift is van wege haar -duisterheid geen geschikte lectuur voor de leeken. Zonder uitlegging -is ze voor het volk onverstaanbaar. Daarom werd het overzetten der -Schrift in de volkstaal en het lezen van den Bijbel door het volk sedert -het misbruik, dat er in de Middeleeuwen en later van gemaakt werd, -door Rome hoe langer hoe meer beperkt. Lezing der Schrift is aan de -leeken niet geoorloofd dan met toestemming der kerkelijke overheid. De -Protestantsche Bijbelgenootschappen zijn herhaaldelijk door de Pausen -veroordeeld, en in de Encycliek van 8 Dec. 1864 met de socialistische -en communistische vereenigingen op ééne lijn gesteld, Denzinger, Enchir. -n. 1566. En wel beveelt de tegenwoordige paus in zijne Encycliek de -studiis Sacrae Scripturae de Schriftstudie aan, maar niet aan de -leeken, Vincentius Lerinensis, Commonitorium cap. 3. Bellarminus, de -verbo Dei, lib. III. M. Canus, Loci Theol. II cap. 6 sq. Perrone, -Praelect. theol. IX 98 sq. Heinrich, Dogm. I 794 f. Möhler, Symbolik § -38 f. Jansen, Prael. theol. I 771 s. Herzog² art. Bibellesen. - -14. De leer van de perspicuitas S. Scr. is meermalen, zoowel door -Protestanten als Roomschen misverstaan en onjuist voorgesteld. Ze houdt -niet in, dat de zaken en onderwerpen, waarover de Schrift handelt, geen -verborgenheden zijn, die het menschelijk verstand verre te boven gaan. -Ook beweert ze niet, dat de H. Schrift duidelijk is in al haar deelen, -zoodat er geene wetenschappelijke exegese noodig zou wezen. En evenmin -bedoelt ze, dat de H. Schrift, ook in de leer der zaligheid, klaar en -duidelijk is voor ieder mensch zonder onderscheid. Maar ze sluit alleen -in, dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid noodig is, -niet op elke bladzijde der H. Schrift even klaar, maar toch door heel de -Schrift heen in zoo eenvoudigen en bevattelijken vorm wordt voorgesteld, -dat iemand, wien het om de zaligheid zijner ziel te doen is, gemakkelijk -door eigen lezen en onderzoek uit de Schrift die waarheid kan leeren -kennen, zonder hulp en leiding van kerk en priester. De weg der -zaligheid is er, niet wat de zaak maar wat den modus tradendi betreft, -klaar in neergelegd voor den heilbegeerigen lezer. Het πως moge hij -niet verstaan, het ὁτι is toch duidelijk, Zwingli, De claritate et -certitudine verbi Dei, Op. ed. Schuler et Schulthess I 65 sq. Luther bij -Köstlin, Luthers Theol. 2e Ausg. 1883 II 58 f. Zanchius, de Scr. Sacra, -Op. Omnia VIII 407 sq. Chamier, Panstratia catholica 1626 Loc. 1 Lib. I -cap. 13-32. Amesius, Bellarminus Enervatus. Amst. 1630, lib. 1 cap. 4 -en 5. Turretinus, Theol. El. loc. 2 qu. 17. Trigland, Antapologia cap. -3. Synopsis pur. Theol. disp. 5. Gerhard, Loci Theol. Loc. 1 cap. 20 -sq. Glassius, Philologia Sacra 1691 p. 186 sq. - -Zoo verstaan, is de perspicuitas eene eigenschap, welke de H. Schrift -herhaaldelijk van zichzelve praediceert. De thora is door God aan -gansch Israel gegeven, en Mozes brengt al de woorden des Heeren over -aan heel het volk. De wet en het woord des Heeren is niet ver van een -iegelijk hunner, maar is een licht op het pad en een lamp voor den -voet, Deut. 30:11; Ps. 19:8, 9, 119:105, 130; Spr. 6:23. De profeten -richten zich sprekende en schrijvende tot heel het volk, Jes. 1:10 v., -5:3 v., 9:1, 40:1 v.; Jer. 2:4, 4:1, 10:1; Ezech. 3:1. Jezus spreekt -vrijuit tot al de scharen, Mt. 5:1, 13:1, 2, 26:55, enz. en de apostelen -schrijven aan al de geroepen heiligen, Rom. 1:7; 1 Cor. 1:2; 2 Cor. -1:1 enz., en zorgen zelf voor de verbreiding hunner brieven, Col. -4:16. Het geschreven woord wordt allen ten onderzoek aanbevolen, Joh. -5:39; Hd. 17:11 en is juist geschreven om geloof, lijdzaamheid, hope, -vertroosting, leering enz. te schenken, Joh. 20:31; Rom. 15:4; 2 Tim. -3:16; 1 Joh. 1:1 v. Van eene onthouding der Schrift aan de leeken is -nergens sprake. De geloovigen zijn zelven mondig en in staat om te -oordeelen, 1 Cor. 2:15, 10:15; 1 Joh. 2:20; 1 Petr. 2:9. Hun worden -de woorden Gods toebetrouwd, Rom. 3:2. De kerkvaders weten dan ook -niets van de duisterheid der Schrift in den lateren Roomschen zin. Wel -spreken ze dikwerf over de diepten en verborgenheden der H. Schrift, -cf. plaatsen bij Bellarm. de verbo Dei III c. 1.; maar ze roemen even -dikwerf haar klaarheid en eenvoud. Zoo zegt Chrysostomus, hom. 3 de -Lazaro, als hij de geschriften der profeten en apostelen met die der -wijsgeeren vergelijkt: Οἱ δε ἀποστολοι και οἱ προφηται τοὐναντιον ἁπαν -ἐποιησαν· σαφη γαρ και δηλα τα παρ’ αὐτων κατεστησαν ἁπασιν, ἁτε -κοινοι της οἰκουμενης ὀντες διδασκαλοι, ἱνα ἑκαστος και δι’ ἑαυτου -μανθανειν δυνηται ἐκ της ἀναγνωσεως μονης τα λεγομενα. En elders, -hom. 3 in 2 Thess. zegt hij: παντα σαφη και εὐθεα τα παρα ταις θειαις -γραφαις, παντα τα ἀναγκαια δηλα. Evenzoo lezen we bij Augustinus, -de doctr. chr. 2, 6: nihil de illis obscuritatibus eruitur, quod -non plenissime dictum alibi reperiatur, en ibid. 9: in iis quae -clare in scripturis tradita sunt, inveniuntur omnia, quae continent -fidem moresque vivendi. Bekend is ook het woord van Gregorius I, -waarin hij de Schrift vergelijkt bij een fluvius planus et altus, in -quo et agnus ambulet et elephas natet. Zelfs nu nog moeten Roomsche -theologen erkennen, dat veel in de H. Schrift zoo duidelijk is, dat -de geloovige niet alleen het verstaan kan, maar ook de ongeloovige, -den duidelijken zin verwerpend, onontschuldigbaar is, Heinrich, Dogm. -I 819. De kerkvaders dachten er dan ook niet aan, om de lezing der -Schrift aan de leeken te verbieden. Integendeel, zij dringen telkens -op onderzoek der H. Schriften aan, en verhalen van den zegen, dien zij -zelven uit de lezing ontvingen, Vigouroux, Les livres saints et la -critique rationaliste, 3 ed. I 280 s. Gregorius I beval het lezen der -Schrift nog aan alle leeken aan, Herzog² 2, 376. De beperking van het -Bijbellezen kwam eerst op, toen sedert de twaalfde eeuw verschillende -secten tegen de kerk op de Schrift zich gingen beroepen. De meening -vond toen ingang, dat het bijbellezen der leeken de voornaamste bron der -ketterij was. Ter zelfverdediging heeft Rome toen hoe langer hoe meer -de duisterheid der Schrift geleerd en haar lectuur aan toestemming der -kerkelijke overheid gebonden. - -15. Inderdaad hebben de kerken der Hervorming tegenover Rome geen -machtiger wapen dan de Schrift. Zij brengt aan de kerkelijke traditie -en hierarchie de doodelijkste slagen toe. De leer van de perspicuitas -S. Scr. is een van de hechtste bolwerken van de Reformatie. Ze -brengt zeer zeker haar ernstige gevaren mede. Het Protestantisme is -er hopeloos door verdeeld. Het individualisme heeft zich ten koste -van het gemeenschapsgevoel ontwikkeld. Het vrije lezen en onderzoeken -der Schrift is en wordt door allerlei partijen en richtingen op de -schromelijkste wijze misbruikt. Maar toch wegen de nadeelen tegen de -voordeelen niet op. Want de loochening van de duidelijkheid der Schrift -brengt mede de onderwerping van den leek aan den priester, van het -geweten aan de kerk. Met de perspicuitas S. Scr. valt de vrijheid van -godsdienst en geweten, van kerk en theologie. Zij alleen is in staat, -om te handhaven de vrijheid van den Christenmensch; zij is oorsprong en -waarborg van de religieuse en ook van de politieke vrijheden, Stahl, Der -Protest. als polit. Princip. 2e Aufl. 1853. Saussaye, Het Protest. als -politiek beginsel, Rott. 1871. Kuyper, Het Calvinisme, oorsprong en -waarborg onzer constitutioneele vrijheden, Amst. 1874. En eene vrijheid -die niet anders verkregen en bezeten kan worden dan met het gevaar -der losbandigheid en willekeur, is altijd nog te verkiezen boven eene -tirannie, die alle vrijheid onderdrukt. God zelf heeft bij de schepping -van den mensch dezen weg der vrijheid, die het gevaar en werkelijk -ook het feit der zonde meebracht, verkoren boven dien van gedwongen -onderwerping. En nog altijd volgt Hij in het bestuur van wereld en kerk -dezen koninklijken weg der vrijheid. Dat is juist zijne eere, dat Hij toch -door de vrijheid heen zijn doel bereikt, uit de wanorde de orde, uit de -duisternis het licht, uit den chaos den kosmos schept. Beide, Rome -en de Hervorming, stemmen hierin overeen, dat de H. Geest alleen de -ware uitlegger is van het woord, Mt. 7:15, 16:17; Joh. 6:44, 10:3; 1 -Cor. 2:12, 15, 10:15; Phil. 1:10, 3:13; Hebr. 5:14; 1 Joh. 4:1. Maar -Rome meent, dat de H. Geest alleen onfeilbaar leert door den paus; -de Hervorming gelooft, dat de H. Geest woont in het hart van ieder -geloovige; ieder kind van God heeft de zalving van den Heilige. Zij -geeft daarom de Schrift in aller hand, vertaalt en verspreidt ze en -gebruikt in de kerk geen andere dan de volkstaal. Rome roemt op hare -eenheid, maar deze eenheid schijnt grooter dan ze is. De splitsing der -Reformatie in eene Luthersche en Gereformeerde heeft haar analogie in -de scheuring der Grieksche en Latijnsche kerk. Onder den schijn eener -uitwendige eenheid verbergt zich bij Rome eene schier even groote -innerlijke verdeeldheid. Het aantal ongeloovigen en onverschilligen is -in Roomsche landen niet geringer dan in Protestantsche. Rome heeft -den stroom van het ongeloof evenmin kunnen keeren als de kerken der -Hervorming. Reeds voor de Reformatie had het ongeloof zich in wijde -kringen, b.v. in Italië, verbreid. De Hervorming heeft dit niet te -voorschijn geroepen, maar juist gestuit en Rome zelf tot waakzaamheid -en bestrijding opgewekt. Cartesius, de vader van het rationalisme, -was Roomsch. De Duitsche rationalisten worden opgewogen door de -Fransche materialisten; Rousseau door Voltaire, Strauss door Renan. -De Revolutie heeft in Roomsche landen haar diepste wortelen geschoten -en haar wrangste vruchten gedragen. Voorts staat het te bezien, of -het aantal partijen, richtingen en sekten, die er telkens optreden, -in Rome niet even groot zou zijn als in het Protestantisme, als Rome -niet de macht en den moed had, om iedere richting door censuur, ban, -interdict, desnoods door het zwaard te onderdrukken. Het is waarlijk -niet aan Rome te danken, dat er zoovele bloeiende christelijke kerken -naast haar zijn opgetreden. Welke schaduwzijden de verdeeldheid van het -Protestantisme ook heeft, zij bewijst toch ook, dat het religieuse leven -hier eene macht is, die telkens nieuwe vormen zich schept en bij alle -verscheidenheid toch ook weer eene diepere eenheid openbaart. En in -elk geval, het Protestantisme met zijn verdeeldheid is te verkiezen -boven het schrikkelijk bijgeloof, waarin het volk in de Grieksche en in -de Roomsche kerk hoe langer hoe meer wordt verstrikt. Mariadienst, -reliquienvereering, beeldendienst, heiligenaanbidding verdringen steeds -meer den dienst van den eenigen, waarachtigen God. Cf. Trede, Das -Heidenthum in der römischen Kirche, Gotha, Perthes, 4 Theile 1889-92. - -16. Vanwege deze perspicuitas heeft de Schrift ook de facultas se -ipsam interpretandi en is se supremus judex controversiarum, Synopsis -pur. theol. disp. 5 § 20 sq. Polanus, Synt. Theol. Lib. I c. 45. -Turret. Theol. El. Loc. II qu. 20. Amesius, Bellarm. enervatus Lib. -I c. 5. Cloppenburg, De Canone Theol. disp. 11-15. Op. II 64 sq. -Moor, Comm. in Markii Comp. I 429 sq. Gerhard, Loci Theol. Loc. I c. -21, 22. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6e Aufl. S. 42 f. De Schrift -legt zichzelve uit, de duistere plaatsen worden verklaard door de -duidelijke, en de grondgedachten van de Schrift als geheel dienen -ter opheldering van de deelen. Dat was de interpretatio secundum -analogiam fidei, welke ook door de Hervormden werd voorgestaan. Ook -de Hervormers zijn niet voraussetzungslos tot de Schrift gekomen. Ze -hebben de leer der Schrift, de apostolische geloofsbelijdenis, de -besluiten der eerste conciliën schier zonder kritiek overgenomen. Ze -waren niet revolutionair en wilden niet van voren afaan beginnen, maar -protesteerden alleen tegen de ingeslopene dwalingen. De Hervorming was -niet de vrijmaking van den natuurlijken, maar van den Christenmensch. -Er was dus van den aanvang af bij de Hervormers eene analogia fidei, -waarin zij zelven stonden, en waarnaar zij de Schrift uitlegden. Onder -die analogia fidei verstonden zij oorspronkelijk den uit de duidelijke -plaatsen der H. Schrift zelve afgeleiden zin, die dan later in de -confessies neergelegd werd, Voetius Disp. V 9 sq. 419 sq. Moor, Comm. -in Marckii Comp. I 436. VI praefatio. Turret., Theol. El. I qu. -19. Philippi, Kirchl. Gl. I 217 f. Zöckler, Handbuch I 663 f. Luz, -Hermeneutik 154-176. In verband daarmede had ook de kerk eene roeping -in betrekking tot de uitlegging der H. Schrift. Krachtens de potestas -doctrinae, haar door Christus verleend, en de gave der uitlegging, door -den H. Geest haar geschonken, 1 Cor. 14:3, 29; Rom. 12:6; Ef. 4:11 v. -heeft de kerk den plicht, om de Schrift te bewaren niet alleen, maar -ook om ze uit te leggen en te verdedigen, en om de waarheid in haar -confessie te formuleeren en de dwalingen te ontdekken en tegen te -staan. Ook de kerk is dus binnen haar kring en op haar terrein judex -controversiarum, en heeft alle meening te toetsen aan en te beoordeelen -naar de H. Schrift. Onfeilbaar behoeft ze daartoe niet te zijn, want ook -de rechter in den staat is wel gebonden aan de wet, maar is feilbaar -in zijne uitspraken. En zoo is het ook in de kerk. De Schrift is norma, -de kerk is richteres. Maar ook hier is er een hooger beroep. Rome -ontkent dit en zegt dat de uitspraak der kerk de laatste en hoogste -is. Van haar is zelfs een beroep op het goddelijk oordeel niet mogelijk -meer. Zij bindt in de conscientie. Maar de Hervorming beweerde dat eene -kerk, hoe eerbiedwaardig ook, toch dwalen kon. Haar uitlegging is niet -magisterialis, maar ministerialis. Ze kan alleen in de conscientie -binden, voorzoover iemand haar als goddelijk en onfeilbaar erkent. Of -ze inderdaad met Gods woord overeenstemt, kan geen aardsche macht, -maar kan elk alleen voor zichzelf uitmaken, Synopsis pur. theol. 5, 25 -sq. De kerk kan dan iemand als ketter uitwerpen, maar hij staat en valt -ten slotte zijn eigen heer. De eenvoudigste geloovige kan en mag met de -Schrift in de hand desnoods tegen heel eene kerk zich verzetten, gelijk -Luther deed tegen Rome. Zoo alleen is de vrijheid van den Christen, en -tegelijk de souvereiniteit Gods gehandhaafd. Van de Schrift is er geen -hooger appel. Zij is de hoogste rechtbank. Geen macht of uitspraak staat -boven haar. Zij is het, die ten laatste, voor ieder in zijn conscientie, -beslist. En daarom is zij judex supremus controversiarum. - - -E. De genoegzaamheid der Schrift. - -17. Ten laatste werd door de Hervorming ook nog beleden de perfectio -of sufficientia S. Scripturae. De Roomsche kerk meent, dat de Schrift -onvolkomen is in partibus en door de traditie moet worden aangevuld. Zij -verklaarde te Trente, sess. 4, dat zij traditiones ipsas, tum ad fidem -tum ad mores pertinentes, tanquam vel ore tenus a Christo vel a Sp. S°. -dictatas et continua successione in Ecclesia Catholica conservatas, -pari pietatis affectu et reverentia suscipit et veneratur, en sprak -in het Vatic. sess. 3 cap. 2 uit, dat de bovennatuurlijke openbaring -vervat is in libris scriptis et sine scripto traditionibus, quae ipsius -Christi ore ab Apostolis acceptae, aut ab ipsis Apostolis Spiritu -Sancto dictante quasi per manus traditae ad nos usque pervenerant. -De gronden, welke Rome voor deze leer der traditie aanvoert, zijn -verschillende. Eerst wordt er op gewezen, dat de kerk voor Mozes -geheel en al zonder Schrift was en dat ook na dien tijd tot heden toe -vele geloovigen leven en sterven, zonder ooit de Schrift te lezen -of te onderzoeken. Verreweg de meeste kinderen Gods leven uit de -traditie en weten van de Schrift weinig of niets. Het zou ook vreemd -zijn, dat dit op religieus en kerkelijk terrein anders ware dan op elk -ander gebied. Immers, in recht en zede, in kunst en wetenschap, in -gezin en maatschappij is de traditie de draagster en de voedster van -ons leven. Door haar zijn we aan de voorgeslachten verbonden, nemen -hun schatten over en laten ze ook weer aan onze kinderen achter. De -analogie eischt reeds, dat er ook in de kerk eene traditie zij; maar -deze moet hier zooveel heerlijker en zekerder wezen dan elders, wijl -Christus aan zijne kerk den H. Geest heeft gegeven en door dezen zijne -gemeente onfeilbaar in alle waarheid leidt, Mt. 16:18, 28:20; Joh. -14:16. Daarbij komen nog vele uitspraken der Schrift, die het recht en -de waarde der traditie erkennen, Joh. 16:12, 20:30, 21:25; Hd. 1:3; -1 Cor. 11:2, 23; 2 Thess. 2:14; 1 Tim. 6:20; 2 Joh. 12; 3 Joh. 13, -14. Jezus heeft mondeling en door zijn Geest aan zijne discipelen nog -vele dingen geleerd, die niet door hen zijn beschreven maar van mond -tot mond zijn voortgeplant. Kerkvaders, conciliën, pausen hebben zulk -eene apostolische traditie ook van den aanvang af erkend. Feitelijk -leeft de kerk nog altijd van en uit deze mondelinge, levende traditie. -De Schrift alleen is onvoldoende. Want behalve dat lang niet alles is -opgeteekend, verschillende geschriften van profeten en apostelen zijn -ook verloren gegaan. De apostelen kregen wel een bevel om te getuigen, -maar niet om dat schrijvende te doen. Ze kwamen tot schrijven alleen -door de omstandigheden, necessitate quadam coacti; hun geschriften zijn -daarom ook meest gelegenheidsschriften, en bevatten lang niet alles, -wat tot de leer en het leven der kerk van noode is. Zoo vinden we in de -Schrift weinig of niets van den doop der vrouwen, de Zondagsviering, -het episcopaat, het zevental sacramenten, het vagevuur, de onbevlekte -ontvangenis van Maria, de zaligheid van vele Heidenen in de dagen des -O. T., de inspiratie en kanoniciteit der verschillende Bijbelboeken -enz.; ja zelfs dogmata als van de triniteit, de eeuwige generatie, -den uitgang des H. G., den kinderdoop enz. zijn niet letterlijk en met -zooveel woorden in de Schrift te vinden. In één woord: de Schrift -is nuttig, maar de traditie is noodzakelijk, Bellarminus, de Verbo -Dei, lib. IV. Melchior Canus, Loci theol. lib. 3. Perrone, Praelect. -Theol. IX 228 sq. Klee, Dogm. I 277 f. Heinrich, Dogm. Theol. II S. -1 f. Jansen, Praelect. theol. dogm. I 788 sq. Möhler, Symbolik § 38 -f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit 2e Aufl. I 72 f. Dieringer, Dogm. § -126. Liebermann, Instit. theol. I p. 448 sq. Voor de Grieksche kerk, -Kattenbusch, Confessionskunde I 292. - -18. Tegenover deze Roomsche leer van de traditie plaatste de Hervorming -die van de volmaaktheid en genoegzaamheid der H. Schriftuur. Het -goed recht van deze bestrijding van Rome is door de ontwikkeling van -het begrip der traditie zelve in een helder licht gesteld. De eerste -christelijke gemeenten werden, evenals nu nog de gemeenten onder de -Heidenen, gesticht door het gepredikte woord. De leer en gebruiken, die -zij van de apostelen of hunne medgezellen ontvangen hadden, plantte zich -geruimen tijd van mond tot mond en van geslacht tot geslacht voort. Dit -begrip der traditie was duidelijk; ze duidde aan de leer en gebruiken, -welke van de apostelen ontvangen waren en in de kerken werden bewaard -en voortgeplant. Maar naar mate de afstand grooter werd, die de -kerken scheidde van den apostolischen tijd, werd het hoe langer hoe -moeilijker om uit te maken of iets werkelijk van apostolische herkomst -was. De Afrikaansche kerk protesteerde daarom tegen de overdreven -waarde, welke vooral in de tweede helft tegen het Gnosticisme aan deze -traditie werd gehecht. Tertullianus, de virg. vel. c. 1 zei: Dominus -noster veritatem se, non consuetudinem cognominavit. Evenzoo stelde -Cyprianus, Epist. 74 tegenover de traditie, waarop de bisschop van Rome -zich beriep, de teksten Jes. 29:13; Mt. 15:9; 1 Tim. 6:3-5 en zei: -consuetudo sine veritate vetustas erroris est. Christus heeft zich niet -de gewoonte maar de waarheid genoemd. Gene moet voor deze wijken. Daarom -werd het noodig, om de traditie nader te bepalen en hare kenmerken -op te geven. Vincentius Lerinensis vond in zijn Commonitorium cap. 2 -de criteria van eene apostolische traditie daarin, dat iets ubique, -semper et ab omnibus creditum est. Hoc est etenim vere proprieque -catholicum. Eerst bestond ’t kenmerk der traditie dus hierin, dat ze -was van apostolische herkomst. Nu wordt er aan toegevoegd, dat iets -in dat geval van apostolische herkomst mag geacht worden te zijn, als -het waarlijk algemeen, katholiek is. De apostolicitas wordt kenbaar -aan de universitas, antiquitas en consensio. Het Tridentinum, het -Vaticanum en ook de theologen sluiten zich bij de bepaling der traditie -aan deze criteria van Vincentius aan. Maar zakelijk is er afwijking; -de consequentie leidde verder. Het was niet vol te houden, dat iets -dan alleen apostolisch was, wanneer het werkelijk altijd, overal en -door allen was geloofd. Van welke leer of van welk gebruik kon zulk -eene volstrekte katholiciteit worden aangetoond? De drie criteria -zijn dus allengs verzwakt. De kerk mag wel niet iets nieuws tot dogma -verklaren en moet zich houden aan de overlevering, maar de bewaring -van die traditie is niet mechanisch te denken als van een schat in den -akker, maar organisch zooals Maria de woorden der herders bewaarde en -overlegde in haar hart, Heinrich, II 12. Eene waarheid kan dus zeer -goed vroeger niet of niet algemeen geloofd zijn; zij is toch onfeilbare -apostolische traditie, wanneer ze nu maar algemeen wordt geloofd. De -beide criteria antiquitas en universitas zijn dus geen copulatieve -maar distributieve kenmerken der traditie; zij zijn niet beide saam -en tegelijk noodig, één van beide is genoeg. Feitelijk is daarmede de -antiquitas opgeofferd aan de universitas. Maar ook deze laatste is -weer beperkt. De vraag kwam op, wie het orgaan ter bewaring en ter -erkenning der traditie was. De kerk in het algemeen kon dit niet zijn. -Möhler, Symbolik, 6e Aufl. 357, identificeerde de traditie nog wel met -das fortwährend in den Herzen der Gläubigen lebende Wort, maar dit -antwoord was veel meer protestantsch dan roomsch gedacht. De taak, om -de leer te bewaren en vasttestellen, kon en mocht niet aan de kerk in -het algemeen, d. i. aan de leeken worden opgedragen. In de kerk is te -onderscheiden tusschen de ecclesia audiens en docens. Beide behooren -wel bij elkaar, en zijn onvergankelijk, maar de eerste bezit slechts eene -infallibilitas passiva, d. i. zij is alleen in haar gelooven onfeilbaar, -doordat zij en zoolang zij in verbinding blijft met de ecclesia docens. -Maar ook deze laatste is nog weer niet het eigenlijk orgaan der leer. -Het Gallikanisme, de Oudbisschoppelijke klerezie en de Oudkatholieken -zijn hier blijven staan, en schrijven de onfeilbaarheid toe aan de -gezamenlijke bisschoppen. Maar dit standpunt is onhoudbaar. Wanneer zijn -die bisschoppen onfeilbaar? Buiten of alleen in het concilie? Indien -het laatste, zijn ze alleen onfeilbaar als ze eenstemmig zijn, of is -alleen de meerderheid onfeilbaar? Hoe groot moet deze zijn? Is ééne stem -meerderheid voldoende? Is het concilie zonder, en zelfs tegenover, of -alleen in overeenstemming met den paus onfeilbaar? Altemaal vragen, -waarmede het Gallikanisme in ernstige verlegenheid verkeerde. Het -papale systeem ging daarom een stap verder en schreef de onfeilbaarheid -toe aan den paus. Dit primaat van den paus is het product van eene -eeuwenlange ontwikkeling, de consequentie van eene geestesrichting, -die reeds zeer vroeg in de kerk aanwezig was. Langzamerhand is de paus -beschouwd geworden als het onfeilbaar orgaan van de goddelijke waarheid -en dus ook van de traditie. Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 4 c. 9 -nam onder de kenmerken der traditie ook dezen regel op: id sine dubio -credendum esse, ex apostolica traditione descendere, quod pro tali -habetur in illis ecclesiis, ubi est integra et continuata successio -ab Apostolis. Nu waren er, zegt hij verder, in de oudheid vele zulke -kerken behalve Rome. Thans echter is ze alleen in Rome over. En daarom -ex testimonio hujus solius ecclesiae sumi potest certum argumentum ad -probandas Apostolicas traditiones. De kerk van Rome bepaalt en maakt -uit, wat apostolische traditie is. Latere theologen, vooral onder de -Jesuiten, hebben dit verder ontwikkeld. En den 18den Juli 1870 werd -in de vierde zitting van het Vaticaansch concilie de onfeilbaarheid -openlijk als dogma afgekondigd. Nu is het wel zeker, dat de paus in deze -zijne onfeilbaarheid niet losgedacht is van de kerk, vooral niet van de -ecclesia docens. Voorts zijn de symbolen, decreten, liturgieën, patres, -doctores en heel de historie der kerk zoovele monumenten der traditie, -waaraan de paus bij de vaststelling van een dogma zich aansluit en waar -hij rekening mede te houden heeft. Maar toch is de traditie formeel -niet met den inhoud van al die monumenten identisch. De traditie is -onfeilbaar; maar wat traditie is, wordt ter laatste instantie alleen -uitgemaakt door den paus, met, zonder of desnoods tegen de kerk en de -concilies in. De beoordeeling of en in hoeverre iets semper, ubique -et ab omnibus is geloofd, kan niet staan aan de kerk, noch aan de -ecclesia audiens noch aan de ecclesia docens, maar staat vanzelf alleen -aan den onfeilbaren paus. Als de paus een dogma afkondigt, dan is het -eo ipso apostolische traditie. Het criterium van de traditie is dus -achtereenvolgens gezocht, in de apostoliciteit, in de katholiciteit, -in de episcopale successie, in de papale beslissing. Daarmede is het -einde bereikt. De onfeilbare paus is het principium formale van het -Romanisme. Roma locuta, res finita. Paus en kerk, paus en Christendom -zijn één. Ubi Papa, ibi ecclesia, ibi religio Christiana, ibi Spiritus. -Van den paus is er geen hooger beroep, zelfs niet op God. Door den paus -spreekt God zelf tot de menschheid, Perrone I 229, IX 279. Jansen I -804, 822 s. 829. Heinrich I 726 noot, II 148 f. 537. Maistre, du Pape, -Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre III, Paris z. j. 71. - -Deze uitkomst van den ontwikkelingsgang der traditie toont de -valschheid van het principe aan, dat er van den beginne af in werkzaam -was. De onfeilbaarheid van den paus kan eerst later, in de leer der -kerk, breedvoerig behandeld worden. Maar het is duidelijk, dat het goede -en ware element, waarom het in de eerste eeuwen bij de handhaving der -traditie te doen was, geheel te loor is gegaan. Toen was het te doen -om bewaring van datgene, wat krachtens apostolische instelling in de -gemeenten geloofd werd en gebruikelijk was. Het lag voor de hand, dat -men toen aan de traditie groot gewicht hechtte en de onmisbaarheid -en noodzakelijkheid der apostolische geschriften nog niet inzag. Maar -het kenmerk der apostoliciteit, dat toen vanzelf aan de traditie -eigen was, moest verdwijnen, toen men verder van den apostolischen -tijd verwijderd werd. De relatieve zelfstandigheid der traditie naast -de Schrift verdween hoe langer zoo meer. De stroomen van Schrift en -traditie vloeiden ineen. En spoedig na den dood van de apostelen en -hunne tijdgenooten werd het onmogelijk, om iets als van apostolische -herkomst aan te toonen anders dan door een beroep op de apostolische -geschriften. Van geen enkel dogma, dat de Roomsche kerk buiten en -zonder de Schrift belijdt, is de apostolische herkomst te bewijzen. -De traditieleer bij Rome doet slechts dienst, om de afwijkingen van -de Schrift en van de apostelen te rechtvaardigen. Mariavereering, -het zevental sacramenten, de pauselijke onfeilbaarheid enz., dat zijn -de dogmata, welke de traditie niet kunnen missen. Ter kwader ure is -de apostolische overlevering met de kerkelijke gewoonten en met de -pauselijke beslissingen vereenzelvigd. De traditie is bij Rome die -gemeine Superstition, das Heidenthum, Harnack D. G. III 559 noot. - -19. Feitelijk wordt door deze leer van de traditie de Schrift van -heel haar gezag en kracht beroofd. De Roomschen praediceeren van -beide, Schrift en traditie (paus), de onfeilbaarheid, maar erkennen, -dat er tusschen beide toch een groot onderscheid bestaat. Bij beide -wordt wel de oorzaak der onfeilbaarheid gezocht in eene bijzondere, -bovennatuurlijke werking des H. Geestes; want Rome begrijpt zeer goed, -dat de onfeilbaarheid der traditie niet afgeleid kan worden uit de -geloovigen als zoodanig, uit de kracht en den geest des Christendoms, -die in de geloovigen woont en werkt. Er komen immers in de kerk -en onder de geloovigen vele dwalingen voor, die dikwerf langen -tijd heerschen en velen vervoeren. De onfeilbaarheid van den paus -wordt daarom even goed als die van de Schrift, verklaard uit eene -buitengewone werking des H. Geestes op grond van Mt. 16:18, 28:20; -Joh. 14:16 v., 15:26, 16:12 v. Concil. Vatic. sess. 3. Maar er is toch -onderscheid. De werkzaamheid des H. Geestes in de apostelen bestond -in revelatie en inspiratie: die in den paus bestaat in assistentie. -Het Vaticanum cap. 4 zegt: neque enim Petri successoribus Spiritus -Sanctus promissus est, ut eo _revelante_ novam doctrinam patefacerent, -sed ut eo _assistente_, traditam per Apostolos revelationem seu fidei -depositum sancte custodirent et fideliter exponerent. De Schrift is -daarom woord Gods in eigenlijken zin, geïnspireerd, althans volgens -vele theologen, tot de singula verba toe; de besluiten van concilies -en pausen zijn woorden der kerk, die de waarheid Gods zuiver weergeven. -De Schrift _is_ het woord Gods, de traditie _bevat_ het woord Gods. De -Schrift bewaart de woorden der apostelen in hun oorspronkelijken vorm, -de traditie geeft de leer der apostelen alleen weer wat de substantie -betreft. De boeken der profeten en apostelen zijn dikwerf geschreven -zonder onderzoek, alleen uit openbaring; maar bij de assistentia -divina, aan de kerk beloofd, zijn de personen altijd zelf werkzaam, -onderzoeken, overwegen, oordeelen, beslissen. Bij de inspiratie was -de werkzaamheid des Geestes in strikten zin supranatureel, maar bij -de assistentie bestaat ze menigmaal in een complex van zorgen der -Voorzienigheid, waardoor de kerk voor dwaling wordt behoed. En eindelijk -strekt de inspiratie in de Schrift zich tot alle zaken uit, ook van -historie, chronologie enz., maar door de assistentie des H. G. is de -paus alleen onfeilbaar als hij ex cathedra spreekt, d. i. als Pastor en -Doctor der Christenheid, en als hij doctrinam de fide vel moribus ab -universa ecclesia tenendam definit. De Schrift heeft dus bij Rome nog -enkele praerogatieven boven de traditie, Bellarminus, de Conciliis et -Ecclesia, lib. 2 c. 12. Heinrich, I 726 f. II 220-245. Jansen, I 616. - -Maar feitelijk doet de traditie aan de Schrift groote afbreuk. Vooreerst -bepaalt Trente, dat Schrift en traditie _pari_ pietatis affectu et -reverentia moeten worden vereerd. Vervolgens wordt de inspiratie der H. -Schrift door de meeste Roomsche theologen als eene inspiratio realis -opgevat, zoodat niet de singula verba maar de zaken zijn ingegeven. -Verder is de onfeilbaarheid quoad formam en quoad substantiam zoo nauw -de eene met de andere verbonden, dat de grenslijn tusschen beide niet -te trekken is. Voorts is de paus in strikten zin alleen onfeilbaar in -zaken van geloof en leven, maar om dit te kunnen wezen, moet hij het ook -zijn in het oordeel over de bronnen des geloofs en in de uitlegging, d. -i. in de bepaling van wat Schrift en traditie is, in de bepaling van -het gezag der kerkvaders, der conciliën enz.; in het oordeel over de -dwalingen en ketterijen en zelfs van de facta dogmatica, in het verbod -van boeken, in zaken van tucht, in approbatie van orden, in canonisatie -van heiligen enz. Heinrich, II 557 f. En al is de paus niet in al het -andere in strikten zin onfeilbaar, zijne macht en autoriteit strekt zich -toch ook uit over alle dingen, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae -pertinent, en deze potestas is plena en suprema en breidt zich uit over -alle pastores en fideles, Conc. Vatic. cap. 3. Zelfs wordt door vele -Roomschen geëischt, dat de paus, om deze geestelijke souvereiniteit te -kunnen uitoefenen, wereldlijk vorst moet zijn; en beweerd dat hij, indien -niet direct, dan toch indirect bezit de summa potestas disponendi de -rebus temporalibus omnium christianorum, Bellarm. de Romano Pontifice -lib. 5. de Maistre, du Pape, livre 2. Jansen. I 651 sq. De macht en -autoriteit van den paus gaat die van de Schrift verre te boven. Hij -staat boven haar, oordeelt over haar inhoud en haar beteekenis en stelt -auctoritate sua de dogmata van leer en leven vast. De Schrift moge het -voornaamste middel zijn, om de overeenstemming van de hedendaagsche -leer en traditie met de leer der apostelen aan te wijzen; zij moge veel -bevatten, wat anders niet zoo goed geweten zou worden; ze moge eene -goddelijke onderwijzing der leer zijn, welke alle andere overtreft, -Heinrich, I 732 f.; zij is toch altijd voor Rome slechts een hulpmiddel, -dat nuttig maar niet noodig is. De kerk bestond voor de Schrift, en -de kerk bevat niet een deel maar de volle waarheid, de Schrift bevat -echter slechts een gedeelte der leer. De Schrift heeft wel de traditie, -de bevestiging van den paus, van noode, maar de traditie niet de H. -Schrift. De traditie is geen aanvulling van de Schrift, maar de Schrift -is eene aanvulling van de traditie. De Schrift alleen is onvoldoende, -maar de traditie alleen is wel voldoende. De Schrift rust op de kerk, -maar de kerk rust in zichzelve, Heinrich, I 730 f. - -20. De ontwikkeling der traditie tot de pauselijke onfeilbaarheid en -de daaruit noodzakelijk voortvloeiende degradatie der Schrift bewijzen -op zichzelf reeds het goed recht der Reformatie, om tegen de traditie -op te komen. Zij liet het echter niet alleen bij aanval, maar stelde -tegenover de leer van Rome die van de perfectio of sufficientia -Scripturae, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 2e Ausg. 1883 II 56 -f. 246 f. Gerhard, Loci theol. loc. I c. 18. 19. Schmid, Dogm. der -ev. luth. K. § 9. Calv. Inst. IV c. 10. Polanus, Synt. Theol. I -c. 46. 47. Zanchius, Op. VIII col. 369 sq. Ursinus, Tract. Theol. -1584 p. 8 sq. 22 sq. Chamier, Panstratia Cathol. Loc. 1 lib. 8 en 9. -Amesius, Bellarminus enervatus, Lib. I c. 6. Turret., Theol. El. loc. -2 qu. 16. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. p. 11 f. Holtzmann, Kanon und -Tradition, Ludwigsb. 1859. A. W. Dieckhoff, Schrift und Tradition, -Rostock 1870. J. L. Jacobi, Die kirchl. Lehre von der Tradition u. -h. Schrift, 1 Abth. Berlin 1847. P. Tschackert, Evang. Polemik gegen -die röm. Kirche, Gotha 1885 § 23 f. Id. art. Tradition in Herzog². -Hase, Protest. Polemik, 5te Aufl. Leipzig 1891 S. 77 f. Harnack, -Dogm. Gesch. III 593 f. 623 f. Hodge, Syst. Theol. I 104 etc. Ook -deze eigenschap der H. Schrift moet goed worden verstaan. Er wordt -daarmede niet beweerd, dat al wat door de profeten, door Christus en -de apostelen, gesproken of geschreven is, in de Schrift is opgenomen; -er zijn immers vele profetische en apostolische geschriften verloren -gegaan, Num. 21:14; Jos. 10:13; 1 Kon. 4:33; 1 Chron. 29:29; 2 Chron. -9:29, 12:15; 1 Cor. 5:9; Col. 4:16; Phil. 3:1, en Jezus en de apostelen -hebben zeker veel meer woorden gesproken en teekenen gedaan, dan -beschreven zijn, Joh. 20:30; 1 Cor. 11:2, 14; 2 Thess. 2:5, 15, 3:6, -10; 2 Joh. 12; 3 Joh. 14 enz. Ook houdt deze eigenschap niet in, dat -de H. Schrift alle gebruiken, ceremoniën, bepalingen en reglementen -bevat, welke de kerk voor hare organisatie behoeft; maar alleen, dat -zij de fidei articuli volledig bevat, de res necessariae ad salutem. -En dan sluit deze eigenschap der Schrift ook nog niet in, dat deze -articuli fidei letterlijk en met zooveel woorden, αὐτολεξει en totidem -verbis in haar begrepen zijn, maar alleen dat zij hetzij explicite hetzij -implicite zoo in de Schrift zijn vervat, dat ze, zonder behulp van -een andere bron, alleen door vergelijkend onderzoek en door nadenken -eruit afgeleid kunnen worden. En ten slotte is deze perfectio S. -Scr. niet zoo te verstaan, alsof de H. Schrift altijd dezelfde quoad -gradum is geweest. In de verschillende tijden der kerk was de Schrift -tot op hare voltooiing toe ongelijk van omvang. Maar in elken tijd was -dat woord Gods, hetwelk onbeschreven of beschreven bestond, ook voor -dien tijd voldoende. Ook de Reformatie maakte onderscheid tusschen een -verbum ἀγραφον en ἐγγραφον, Ned. geloofsbel. art. 3. Maar Rome neemt -beide naast elkaar aan, en houdt ze voor species van één genus; de -Reformatie ziet in deze onderscheiding slechts één zelfde woord Gods, -dat eerst een tijd lang onbeschreven bestond en daarna opgeteekend -werd. Het geschil tusschen Rome en de Reformatie loopt dus alleen -hierover, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, nog een ander woord -Gods in onbeschreven vorm daarnaast bestaat, m. a. w. of het beschreven -woord Gods explicite of implicite al datgene bevat, wat wij tot onze -zaligheid te kennen noodig hebben, en dus regula totalis et adaequata -fidei et morum is, dan wel of er daarnaast in religie en theologie -nog een ander principium cognoscendi moet worden aangenomen. Maar zoo -gesteld, schijnt deze vraag haast voor geen tweeërlei antwoord meer -vatbaar te zijn. Ook de Roomsche kerk erkent, dat de Schrift voltooid -is, dat ze een organisch geheel vormt, dat de kanon gesloten is. Hoe -hoog zij de traditie ook schatte, zij heeft het toch in theorie nog -niet gewaagd, om de besluiten der kerk op ééne lijn te stellen met -de Schrift. Zij maakt nog onderscheid tusschen verbum Dei en verbum -ecclesiae. Maar hoe kan ooit, zoolang men met het verbum Dei ernst -maakt, de ongenoegzaamheid der Schrift worden geleerd? Kerkvaders -dachten er niet aan en spreken duidelijk de volkomen genoegzaamheid -der H. Schrift uit. Irenaeus, adv. haer. III praef. en cap. 1 zegt, -dat wij de waarheid kennen door de apostelen, per quos Evangelium -pervenit ad nos, quod quidem tunc praeconaverunt, postea vero per Dei -voluntatem in Scripturis nobis tradiderunt fundamentum et columnam -fidei nostrae futuram. Tertullianus, adv. Hermog. c. 22, de carne Chr. -c. 8 bewondert de plenitudo Scripturae, en verwerpt alles quod extra -Scripturam is. Augustinus, Sermo de Past. c. 11 getuigt: quidquid inde -audieritis, hoc vobis bene sapiat; quidquid extra est respuite. En -evenzoo spreken vele anderen, cf. de plaatsen verzameld door Chamier, -Panstratia Cathol. Loc. I lib. 8 cap. 10. Daarnaast erkennen ze zeer -zeker ook de traditie, maar ze nemen daarin juist een element op, -dat hunne overtuiging van de genoegzaamheid der Schrift ondermijnt en -in de latere Roomsche leer van de insufficientia S. Scr. en van de -sufficientia traditionis geeindigd is. Beide, Schrift en traditie, -zijn naast elkaar niet te handhaven; wat aan de eene onthouden wordt, -wordt geschonken aan de andere. De traditie kan alleen stijgen, als -en naarmate de Schrift daalt. Het is dan ook zeer vreemd, dat Rome -eenerzijds de Schrift voor voltooid en den kanon voor gesloten houdt, -ja zelfs de Schrift voor het woord Gods erkent; en toch die Schrift als -onvoldoende beschouwt en aanvult met de traditie. Terecht zeggen vele -Roomsche theologen tegenwoordig, dat de Schrift de niet noodzakelijke -maar hoogstens nuttige aanvulling van de traditie is. - -21. Maar deze leer is met de Schrift zelve in lijnrechten strijd. Nooit -wordt de gemeente in O. en N. T. naar iets anders verwezen dan naar -het telkens voorhanden, hetzij dan geschreven of ongeschreven, woord -Gods. Daarbij alleen kan de mensch geestelijk leven. In de telkens -aanwezige Schrift vindt de gemeente al wat ze behoeft. De volgende -Schriften onderstellen de voorafgaande, sluiten er zich bij aan en -zijn er op gebouwd. De profeten en psalmisten onderstellen de thora. -Jesaia roept cap. 8:20 allen tot de wet en de getuigenis. Het N. T. -beschouwt zich als vervulling van het Oude, en wijst naar niets anders -dan naar de bestaande Schrift terug. Sterker spreekt nog het feit, dat -al wat buiten de Schrift ligt, zoo beslist mogelijk uitgesloten wordt. -Tradities worden als inzettingen van menschen verworpen, Jes. 29:13; -Mt. 15:4, 9; 1 Cor. 4:6. De overlevering, die in de dagen des O. Test. -opkwam, heeft de Joden tot verwerping van den Christus geleid. Jezus -stelt tegen haar zijn Ik zeg u over, Mt. 5 en sluit zich juist wederom -tegen de Phariseën en Schriftgeleerden bij de wet en de profeten aan. -De apostelen beroepen zich alleen op de O. T. Schrift en verwijzen de -gemeenten nooit naar iets anders dan het woord Gods, dat door hen -verkondigd is. In zoover de traditie in den eersten tijd niets anders -wilde wezen, dan bewaring van hetgeen persoonlijk door de apostelen -was geleerd en ingesteld, droeg ze ook nog geen gevaarlijk karakter. -Maar daarvan is de Roomsche traditie ten eenenmale ontaard. Het is -onbewijsbaar, dat er nog eenige leer of eenig gebruik van de apostelen -afkomstig is, dan voor zoover dit uit hunne schriften kan worden -aangetoond. De traditie bij Rome, waaruit de mis, de Mariolatrie, de -pauselijke onfeilbaarheid enz. is voortgekomen, is niets dan de sanctie -van den feitelijken toestand der Roomsche kerk, de rechtvaardiging van -de superstitie, die er binnen gedrongen is. - -De sufficientia der H. Schrift vloeit verder ook voort uit den aard -der N. T. bedeeling. Christus is vleesch geworden en heeft al het -werk volbracht. Hij is de laatste en hoogste openbaring Gods. Hij heeft -ons den Vader verklaard, Joh. 1:18, 17:4, 6. Door Hem heeft God in de -laatste dagen tot ons gesproken, Hebr. 1:1. Hij is de hoogste, de eenige -profeet. Zelfs het Vatic. Concilie cap. 4 erkent, dat de assistentia -divina, aan den paus geschonken, niet bestond in revelatie en in -openbaring van eene nieuwe leer. En Rome tracht zijne dogmata, hoe nieuw -ook, toch altijd nog zooveel mogelijk uit de H. Schrift te betoogen, en -voor te stellen als ontwikkeling en explicatie van wat in kiem in de -Schrift voorhanden is, Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas S. Theol. -II 2 qu. 1 art. 7. qu. 174 art. 6. Schwane, Dogmengeschichte I 2e Aufl. -1892 S. 7 f. Heinrich II 23 f. Maar het wikkelt zich daardoor in geen -geringe moeilijkheid. Want of de dogmata zijn alle in denzelfden zin als -bv. de triniteit, de twee naturen van Christus enz. explicatie van -momenten, die in de Schrift zijn vervat, en in dat geval is de traditie -onnoodig en de Schrift genoegzaam; of ze zijn inderdaad nieuwe dogmata, -die geen steun hebben in de Schrift, en dan is de assistentia divina -van den paus wel wezenlijk eene revelatie en openbaring van nieuwe leer. -Dit laatste moge theoretisch dan nog ontkend worden, practisch wordt -het toch aanvaard. Daarom zijn de Roomsche theologen na de Hervorming -over het algemeen vrijgeviger dan voor dien tijd in de erkentenis, dat -sommige dogmata alleen in de traditie gegrond zijn. En daarom worden er -thans argumenten voor de traditie aangevoerd, welke vroeger niet of -althans niet in dien zin en in die mate werden gebezigd. Nu wordt de -onvoldoendheid der Schrift en het recht der traditie daaruit bewezen, -dat er profetische en apostolische geschriften zijn verloren gegaan, dat -Christus niet alles aan zijne apostelen heeft geleerd, dat de apostelen -ook mondeling veel aan de gemeenten hebben bevolen enz. Maar dat er -geschriften zijn verloren gegaan, en of ze geinspireerd (Bellarm. -de verbo Dei IV c. 4) waren of niet (August. de civ. 18, 38), doet -niets ter zake. Want de vraag is alleen, of de voorhanden Schrift al -datgene bevat, wat tot onze zaligheid te weten noodig is; en niet, of -ze bevat al wat profeten en apostelen geschreven hebben, en Christus -zelf gesproken en gedaan heeft. Ook al werden er nog geschriften -van profeten en apostelen gevonden, ze zouden als Heilige Schrift -geen dienst meer kunnen doen. En zoo staat het ook met het onderwijs -van Jezus en de apostelen. Ze hebben meer gesproken en gedaan, dan -ons beschreven is. Kennis daarvan ware historisch belangrijk; maar -is religieus onnoodig. Wij hebben voor onze zaligheid aan de Schrift -genoeg, en hebben geen enkel ander geschrift, al was het van Jezus zelf -afkomstig, meer noodig. Dat was de leer der Hervorming. Quantitatief is -de openbaring veel rijker en grooter geweest, dan de Schrift ons bewaard -heeft, maar qualitatief, substantieel is de H. Schrift voor onze -zaligheid volkomen genoegzaam. Rome kan dan ook geen andere dogmata -noemen dan die van de Mariolatrie, de onfeilbaarheid van den paus en -dergelijke, welke buiten de Schrift om uit de traditie zijn opgekomen; -maar al die, welke betrekking hebben op God, den mensch, Christus, de -zaligheid enz. zijn ook volgens Rome in de Schrift zelve te vinden. Wat -hebben we dan nog getuigen van noode. De Roomsche traditie dient alleen -om de specifiek Roomsche dogmata te bewijzen, maar de christelijke, de -katholieke dogmata zijn, volgens Rome zelf, alle in de Schrift gegrond. -Ook dit feit toont aan, dat de Schrift voldoende is, en dat de aard -der N. T. bedeeling deze sufficientia S. Scr. meebrengt en eischt. -Christus heeft alles ten volle of persoonlijk en mondeling of ook door -zijnen Geest aan de apostelen geopenbaard. Door hun woord gelooven we -in Christus en hebben we gemeenschap met God, Joh. 17:20; 1 Joh. 1:3. -De H. Geest openbaart geen nieuwe leer meer, Hij neemt het alles uit -Christus, Joh. 16:14. In Christus is de openbaring Gods voltooid. En -evenzoo is het woord der zaligheid in de Schrift volkomen begrepen. -Zij vormt één geheel, zij maakt zelve den indruk van een organisme, dat -zijn vollen wasdom heeft bereikt. Ze eindigt, waar ze begint. Ze is -een cirkel, die in zichzelven wederkeert. Ze begint met de schepping, -ze eindigt met de herschepping van hemel en aarde. De kanon van O. en -N. T. werd eerst gesloten, toen alle nieuwe Ansätze der heilshistorie -aanwezig waren, Hofmann, Weissagung u. Erfüllung I 47. De H. Geest -heeft geen andere taak in deze bedeeling, dan om het werk van Christus -toe te passen en evenzoo het woord van Christus uit te leggen. Hij -voegt aan beide niets nieuws toe. Het werk van Christus behoeft niet -aangevuld te worden door de goede werken der geloovigen; het woord -van Christus behoeft niet aangevuld te worden door de traditie der -kerk; Christus zelf behoeft niet opgevolgd en vervangen te worden -door den paus. De Roomsche leer van de traditie is de loochening van -de volkomene vleeschwording Gods in Christus, van de algenoegzaamheid -zijner offerande, van de volmaaktheid van zijn woord. De geschiedenis -der Roomsche kerk toont ons het langzaam voortgaand proces, hoe een -valsch beginsel zich indringt en eerst nog onder Christus en zijn woord -zich stelt, dan daarnaast zich plaatst, straks daarboven zich verheft, -om te eindigen in eene volledige remplaceering van de Schrift door -de traditie, van Christus door den paus, van de gemeente door het -instituut. De ontwikkeling is zeker nog niet ten einde. Het schijnt -eene anomalie, dat de paus, die langzamerhand boven Schrift, kerk, -concilie, traditie zich verhief, door feilbare menschen, al zijn zij ook -kardinalen, wordt benoemd. Wie kan beter, dan hij, die zelf onfeilbaar -is, zijn opvolger aanwijzen? Zoo is het best mogelijk, dat de pauselijke -souvereiniteit in de toekomst zal blijken onvereenigbaar te zijn met de -macht der kardinalen. In elk geval is de weg van de deificatie van den -mensch door Rome nog niet ten einde toe afgeloopen. - -22. Toch wordt met dit al het goede en ware niet miskend, dat in de -leer der traditie ligt opgesloten. Het woord traditie heeft nog een -ruimer zin, dan die er door Rome aan gegeven wordt. Rome verstaat -er onder eene leer, die door de apostelen is overgeleverd, door de -bisschoppen, bepaaldelijk door den paus wordt bewaard en door dezen -wordt vastgesteld en afgekondigd; maar deze opvatting bleek onhoudbaar. -Traditie kan echter ook verstaan worden van heel dat religieuse leven, -denken, gevoelen, handelen, hetwelk in iedere godsdienstige gemeenschap -wordt aangetroffen en in allerlei vormen, zeden, gewoonten, gebruiken, -religieuse taal en litteratuur, confessie en liturgie enz. zijne uiting -vindt. In dezen zin is er traditie in elken godsdienst. Zelfs kan het -begrip nog verder worden uitgebreid tot al die rijke en veelsoortige -banden, die de volgende geslachten verbinden aan de voorafgaande. In -dezen zin is er geen gezin, geen geslacht, geen maatschappij, geen -volk, geen kunst, geen wetenschap enz. zonder traditie bestaanbaar. -De traditie is het middel, waardoor alle schatten en goederen van de -voorgeslachten naar het heden en de toekomst worden overgebracht. -Tegenover het individualisme en atomisme der vroegere eeuw hebben de -Bonald, Lamennais e. a. en Bilderdijk ten onzent de beteekenis van de -gemeenschap, de autoriteit, de taal, de traditie enz. wederom in het -helderste licht geplaatst. Zulk eene traditie is er zeer zeker ook -in de religie en in de kerk. Reeds de algemeenheid wijst er op, dat -wij hier niet met een toevallig verschijnsel te doen hebben. Traditie -vinden we niet alleen in de Roomsche kerk maar ook bij de Joden, de -Mohammedanen, de Buddhisten enz. In de hoogere godsdiensten komt -er nog eene reden bij voor de noodzakelijkheid der traditie. Zij zijn -alle gebonden aan eene heilige schrift, die in een bepaalden tijd is -ontstaan en in dien zin hoe langer hoe verder komt af te staan van het -thans levend geslacht. Ook de Bijbel is een boek, in lang vervlogen -eeuwen en onder allerlei historische omstandigheden geschreven. De -verschillende boeken des Bijbels dragen het karakter van den tijd, waarin -zij ontstonden. Hoe duidelijk de Schrift dan ook moge zijn in de leer der -zaligheid en hoezeer zij is en blijft de viva vox Dei, cf. boven bl. 305, -zij vereischt tot recht verstand toch menigmaal allerlei historische, -archaeologische, geographische kennis. De tijden zijn veranderd, en -met de tijden de menschen, hun leven en denken en gevoelen. Daarom -is er eene traditie noodig, om den samenhang te bewaren tusschen de -Schrift en het religieuse leven van dezen tijd. Traditie in goeden zin -is de vertolking en toepassing van de eeuwige waarheid in de sprake -en het leven van het tegenwoordig geslacht. Eene Schrift zonder zulk -eene traditie is onmogelijk. Vele secten in vroeger en later tijd -hebben dit wel beproefd. Zij wilden van niets weten dan de woorden en -letters der Schrift; verwierpen alle dogmatische terminologie, die -niet in de Schrift werd gebruikt; keurden alle theologische opleiding -en wetenschap af, en kwamen er soms toe om letterlijke toepassing te -eischen van de burgerlijke wetten onder Israel en van de voorschriften -der bergrede. Maar al deze richtingen veroordeelden daarmede zichzelve -tot een wissen ondergang of althans tot een kwijnend leven. Ze plaatsen -zich buiten de maatschappij en derven allen invloed op haar volk en haar -eeuw. De Schrift is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat -te worden maar om in het volle rijke menschenleven integaan en het te -vormen, te leiden en tot zelfstandige werkzaamheid te brengen op ieder -terrein. De Hervorming plaatste zich dan ook op een ander standpunt. -Zij verwierp niet alle traditie als zoodanig, zij was reformatie, geen -revolutie. Zij trachtte niet alles nieuw te scheppen, maar wel alles -van dwaling en misbruik te reinigen naar den regel van Gods woord. -Daarom bleef ze staan op den breeden christelijken grondslag van het -apostolisch symbool en de eerste conciliën. Daarom was ze voor eene -theologische wetenschap, die de waarheid der Schrift denkend vertolkte -in de taal van het heden. Het verschil in de opvatting der traditie -tusschen Rome en de Hervorming bestaat hierin: Rome wil eene traditie, -die zelfstandig loopt naast de Schrift, eene traditio juxta Scripturam -of liever nog eene Scriptura juxta traditionem. De Hervorming erkent -alleen zulk eene traditie, die gegrond is op en voortvloeit uit de -Schrift, traditio e Scriptura fluens, Moor, Comm. in Marckii Comp. -I 351. De Schrift was naar de gedachte der Reformatie een organisch -beginsel, waar heel de traditie, voortlevende in prediking, belijdenis, -liturgie, cultus, theologie, religieuse litteratuur enz. uit opwast en -gevoed wordt; eene zuivere bron van levend water, waar alle beekjes -en kanalen van het religieuse leven uit gevoed en onderhouden worden. -Zulk eene traditie is in de Schrift zelve gegrond. Als Jezus zijn werk -heeft volbracht, zendt Hij den H. Geest, die wel niets nieuws aan de -openbaring toevoegt, maar toch de gemeente inleidt in de waarheid, Joh. -16 vs. 12-15, totdat zij door alle verscheidenheid heen komt tot de -eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, Ef. 3 vs. 18, -19, 4:13. In dezen zin is er eene goede, ware, heerlijke traditie. Zij -is de weg, waarlangs de H. Geest de waarheid der Schrift doet overgaan -in het bewustzijn en leven der gemeente. De Schrift is immers maar -middel, geen doel. Doel is, dat de kerk, onderwezen uit de Schrift, -vrij en zelfstandig de deugden verkondige Desgenen, die haar geroepen -heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum -is instrument, het verbum internum is doel. De Schrift heeft hare -bestemming bereikt, als allen door den Heere geleerd en met den H. -Geest vervuld zullen zijn. - - - - -HOOFDSTUK III. - -Principium internum. - - -§ 13. BETEEKENIS VAN HET PRINCIPIUM INTERNUM. - -1. Aan het principium externum, dat in het vorige hoofdstuk besproken -werd, moet in den mensch zelf een principium internum beantwoorden. -Door Herbert Spencer, Principles of psychology § 120 wordt het leven -omschreven als the continuous adjustment of internal relations to -external relations; en inderdaad berust alle leven bij den mensch op -eene wederkeerige correspondentie van subject en object. De mensch -is in elk opzicht afhankelijk van de wereld buiten hem; hij is op geen -enkel gebied autonoom, hij leeft van gegeven d. i. van genade. Maar -wederkeerig is hij op heel die wereld buiten hem aangelegd, hij staat -door allerlei relatiën met haar in verband. Zijn lichaam is uit het -stof der aarde genomen, uit dezelfde elementen samengesteld als andere -lichamen, en daarom aan de physische wereld verwant. Zijn vegetatief -leven wordt uit de aarde gevoed; voedsel, deksel en kleeding wordt hem -door de natuur geschonken; licht en lucht, wisseling van dag en nacht -heeft hij noodig voor zijn lichamelijk leven; hij is een mikrokosmos, -aardsch uit de aarde. Als anima sensitiva ontving hij in de zintuigen -organen, waardoor hij de wereld buiten zich in hare verschillende -verhoudingen gewaarworden en zich voorstellen kan. Door den logos, -die in hem is, verheft hij zich tot de wereld der intelligibile dingen -en spoort hij den logos op, die in het zienlijke zich belichaamd heeft. -En evenzoo staat de mensch religieus en ethisch met eene waarachtige -wereld van ideale en geestelijke goederen in verband en heeft hij eene -facultas ontvangen, om deze wereld gewaar te worden en te kennen. -Het onderzoek naar het wezen der religie leidde ons vroeger reeds bl. -177, 212, tot een zekeren godsdienstigen aanleg in den mensch, tot -eene vatbaarheid van zijne natuur, om het goddelijke gewaar te worden. -De Schrift drukt dit alzoo uit, dat de mensch naar Gods beeld is -geschapen, dat hij zijn geslacht is en dat hij in den νους een orgaan -bezit, om Gods openbaring in zijne schepping op te merken. Religie -onderstelt, dat de mensch Gode verwant is. - -Maar deze religieuse vatbaarheid moge eigen zijn aan de menschelijke -natuur, zij is toch eene abstractie en komt in de werkelijkheid nooit -zuiver en zonder inhoud voor. Welke rijke aanleg er voor wetenschap -of kunst ook in een kind verscholen moge zijn, het wordt toch in -een toestand van hulpeloosheid geboren. Het hangt af van de genade -zijner omgeving. Spijze en drank, deksel en kleeding, voorstellingen -en begrippen, gewaarwordingen en begeerten ontvangen wij van den -kring, waarin wij geboren en opgevoed worden. Ook de religie wordt ons -ingeprent door onze ouders en verzorgers. Het is met den godsdienst -als met de taal. Het spraakvermogen brengen we bij de geboorte mede; -maar de taal, waarin wij later onze gedachten zullen uitdrukken, wordt -ons geschonken door de omgeving. Schopenhauer, Die Welt als Wille und -Vorstellung, 6e Aufl. II 181, maakt daarom de juiste opmerking, dat de -godsdiensten boven de wijsgeerige stelsels een groot voorrecht genieten, -wijl zij den kinderen van der jeugd aan ingeprent worden. De religie -groeit van kindsbeen af samen met het innigste en teederste leven en -is mede daarom schier onuitroeibaar. De regel is, dat iemand sterft in -den godsdienst, in welken hij geboren werd. De Mohammedaan, de Christen, -de Roomsche, de Protestant blijven gemeenlijk tot hun dood toe aan den -godsdienst hunner jeugd en hunner ouders getrouw. Behalve in tijden van -godsdienstige krisis, zooals bij de opkomst van het Christendom, het -Mohammedanisme, de Reformatie, zijn bekeeringen zeldzaam; verandering -van godsdienst is uitzondering, geen regel. Zelfs leven en sterven de -meeste menschen, zonder ooit door ernstigen twijfel in hun godsdienstig -geloof te worden geschokt. De vraag, waarom ze gelooven aan de waarheid -der godsdienstige voorstellingen, in welke zij opgevoed zijn, komt in de -gedachte niet op. Zij gelooven, vinden meer of minder bevrediging in -hun geloof en denken over de gronden, waarop hun overtuiging rust, -niet na. Als het geloof krachtig is, is er voor zulk een onderzoek -naar de gronden des geloofs geen plaats. Wie honger heeft, onderzoekt -niet eerst naar de wijze, waarop het brood bereid is, dat hem voorgezet -wordt. Primum vivere, deinde philosophari. Er is groot verschil -tusschen het leven en de reflectie. Het is geen bewijs van rijkdom maar -van armoede des godsdienstigen levens, als aan de formeele kwestiën -de meeste aandacht wordt gewijd. Als de philosophische denkkracht -uitgeput is, werpt men zich op de geschiedenis der philosophie. Als -men niet meer leeft in de belijdenis der kerk, wordt haar oorsprong en -geschiedenis onderzocht. En als het geloof zijn kracht en vertrouwen -verliest, wordt een onderzoek ingesteld naar de gronden, waarop het -rust. - -2. Toch heeft zoodanig onderzoek zijne goede en nuttige zijde. Kant heeft -heel de philosophie omgekeerd in eene kritiek van het kenvermogen. En -niemand zal de onderzoekingen minachten, die sedert aan den aard en de -zekerheid onzer kennis zijn gewijd. Maar toch wordt te hoog gespannen -verwachting hier altijd door teleurstelling gevolgd. De problemen zijn -hier zoo ingewikkeld, dat oplossing onbereikbaar schijnt. Alle pogingen, -om in deze vraag tot een bevredigend antwoord te komen, worden door -ernstige bezwaren gedrukt. Soms gaan er stemmen op, die van verder -onderzoek afmanen, wijl het volkomen nutteloos is. Op de wetenschap -zelve hebben deze formeele kwestiën toch geen invloed. Of men idealist -of empirist, realist of nominalist zij, er is toch geen wetenschap -te verkrijgen dan langs den weg van waarneming en denken. Ook in de -theologie en de religie is er reden, om voor overdreven verwachtingen -te waarschuwen. De Erkenntnisstheorie vergoedt het geloof niet; de pars -formalis van de dogmatiek kan de pars materialis niet vervangen. Zelfs -is het onderzoek naar de gronden des geloofs nog veel moeilijker dan dat -naar de gronden van het weten. Vooreerst is het voor de geloovigen in -het algemeen ondoenlijk, om in wetenschappelijken zin zich rekenschap te -geven van de redenen, waarom zij gelooven. Hun leven uit het geloof is -voor hen zelf bewijs genoeg van de waarheid en waarde van dat geloof. -Wie honger heeft en eet, ondervindt daardoor vanzelf de voedende kracht -van het brood en heeft aan onderzoek naar zijn chemische bestanddeelen -geen behoefte. Voorts is het ook zelfs voor wetenschappelijke theologen -een overdreven eisch, dat zij vooraf het wetenschappelijk recht moeten -bewijzen van de Erkenntnisstheorie, waarvan zij uitgaan, voordat zij een -aanvang mogen maken met den theologischen arbeid, A. Ritschl, Theologie -und Metaphysik 1881 S. 38. Een theoloog is toch geen philosoof. Al is -wijsgeerige vorming voor den godgeleerde onmisbaar, hij behoeft toch niet -eerst alle wijsgeerige Erkenntnisstheorieën onderzocht te hebben, eer -hij als theoloog optreden kan. De theologie brengt haar eigen kenleer -mede en is wel van de philosophie maar niet van eenig philosophisch -stelsel afhankelijk. En eindelijk ligt het voorwerp van het onderzoek -hier zoo diep in het zieleleven verborgen en is zoo innig saamgeweven -met de fijnste en teederste roerselen van het menschelijk hart, dat het -schier geheel aan onze eigene en veel meer nog aan anderer waarneming -ontsnapt. De religie wortelt dieper in de menschelijke natuur dan -eenige andere kracht. Voor haar heeft de mensch alles over, zijn geld -en zijn goed, zijn vrouw en zijn kind, zijn naam, zijn eer, zijn leven. -Alleen de religie heeft bloedgetuigen, martelaars. Haar behoudende, -kan de mensch alles verliezen, met haar behoudt hij toch zichzelven. -Maar haar verloochenend, gaat hij zelf verloren. Wie zal dan van dit -leven, dat met het leven des menschen zelf één is, den wortel kunnen -naspeuren? Wie zal den grond kunnen blootleggen, waarop het gelooven -rust? Het geloof zelf is reeds zulk eene wondere en geheimzinnige -kracht. Wij omschrijven het door kennen, toestemmen, vertrouwen enz. -maar gevoelen terstond de zwakheid dezer bepaling, en hebben na lange -redeneering ten slotte nog niets of zeer weinig gezegd. De vraag: hoe -en waarom weet ik, is zoo moeilijk, dat alle wijsgeerige denkkracht het -antwoord nog niet heeft gevonden. Maar nog moeilijker is de vraag: hoe -en waarom geloof ik? Zij is voor onszelven een raadsel, want wij kunnen -niet afdalen in de diepten van ons eigen gemoed en niet doordringen -met onzen blik in het duister, dat achter ons bewustzijn ligt. En voor -anderen is zij nog grooter verborgenheid. Want voor onszelven gelden -als gronden des geloofs nog allerlei stemmingen en aandoeningen, -overleggingen en gezindheden, die met het geloof gepaard gaan en ons -onlosmakelijk vasthechten aan het voorwerp onzes geloofs. Maar aan -anderen kunnen wij deze niet meedeelen; ze zijn voor geen openbaring -bestemd en voor geen meedeeling vatbaar. Als wij het soms beproeven, -verliezen zij onder de meedeeling heur kracht en waardij; wij gevoelen -er onszelf het minst door bevredigd. En dikwerf is het einde, dat wat -als grond werd aangegeven, den toets niet kan doorstaan en blijkt geen -grond te zijn. Desniettemin houdt het geloof trots alle redeneering zich -staande en spreekt: ik kan niet anders, God helpe mij, amen. - -3. Daarom baart het geen verwondering, dat de gronden voor het -godsdienstig en zoo ook voor het christelijk geloof zeer verschillend -worden opgegeven. Op de vraag: hoe iemand tot het geloof komt en waarom -hij gelooft, loopen de antwoorden zeer verre uiteen. Sommigen zijn van -oordeel, dat de mensch in zichzelf, in zijn eigen natuur, de genoegzame -gegevens bezit, om eene religieuse voorstelling, de openbaring, de -Schrift te onderkennen, te beoordeelen en aan te nemen. Het orgaan voor -de beoordeeling en aanneming der openbaring wordt beurtelings gezocht -in het verstand; het geloof rust dan op historisch-apologetische -gronden. Of de rede wordt als zulk een orgaan aangegeven; het geloof -wordt dan gebouwd op speculatieve redeneering. Of ook wordt het -geweten, het gemoed, het hart als orgaan voor het goddelijke beschouwd; -het geloof is dan gebaseerd op ethisch-practische motieven. Maar altijd -wordt bij deze richtingen een mensch ondersteld, die misschien wel op de -eene of andere wijze voor de openbaring is voorbereid, maar die toch nog -feitelijk buiten het geloof staat en voor wien nu de openbaring langs -verstandelijken of zedelijken weg moet worden gerechtvaardigd. - -Het volgend onderzoek zal leeren, dat deze gronden onvoldoende zijn -en dat het standpunt, door deze richtingen ingenomen, niet aanvaard -kan worden. Maar reeds apriori laat zich het ongenoegzame van deze -verschillende methoden inzien. De religie toch is een zelfstandige -grootheid; zij is van wetenschap, kunst, zedelijkheid wezenlijk -onderscheiden. Zij heeft een eigen principium cognoscendi externum, -n.l. de openbaring, en eischt daarom ook een eigen principium -cognoscendi internum. Gelijk het oog beantwoordt aan het licht, het -oor aan de klank, de logos in ons aan den logos buiten ons, zoo moet -aan de objectieve openbaring een subjectief orgaan in den mensch -correspondeeren. De religieuse vatbaarheid in het algemeen, het semen -religionis, de νους kan daarvoor niet in aanmerking komen. Want -vooreerst komt deze nooit en nergens in zuiveren toestand en zonder -inhoud voor. Altijd is ze van het eerste ontwaken af in een historischen -godsdienst ingegroeid en daarnaar geaccommodeerd. Maar vervolgens gaat -de openbaring in de Schrift uit van de onderstelling, dat de mensch -ook in deze zijne religieuse gezindheid verdorven is en herschepping -behoeft. Zij zou daarom zichzelve vernietigen, als zij in den psychischen -mensch haar competenten rechter erkende. Zij plaatst zich tegenover -dezen in eene gansch andere verhouding. Zij stelt zich niet beneden hem -en onderwerpt zich niet aan zijn oordeel, maar staat hoog boven hem en -vraagt niets dan geloof en gehoorzaamheid. Zelfs verklaart de Schrift -uitdrukkelijk, dat de psychische mensch de dingen des Geestes Gods -niet verstaat, dat ze dwaasheid voor hem zijn, dat hij ze in vijandschap -verwerpt en miskent. De openbaring Gods in Christus vraagt geen steun, -geen rechtvaardiging bij menschen. Zij poneert en handhaaft zichzelve -in hooge majesteit. Haar auctoritas is normativa maar ook causativa. -Zij strijdt voor haar eigen triumf. Zij verovert zichzelve de harten. Zij -maakt zichzelve onwederstandelijk. Daarom valt de openbaring in twee -groote bedeelingen uiteen. Als de oeconomie des Zoons, der objectieve -openbaring, is geëindigd, treedt die des Geestes in. Ook van deze -subjectieve openbaring is God de auteur. Van Hem gaat de actie uit. -Hij is de eerste en de laatste. De mensch komt niet tot de openbaring -en zoekt God niet. God zoekt den mensch. Hij zoekt hem in den Zoon, -Hij zoekt hem ook in den Geest. Als God in de laatste dagen tot ons -gesproken heeft door den Zoon, dan komt de H. Geest, die het bij de -wereld voor Christus opneemt, zijn zaak bepleit, zijn woord verdedigt -en de harten der menschen tot gehoorzaamheid neigt. De H. Geest is -de groote, machtige Getuige van Christus, objectief in de Schrift, -subjectief in ’s menschen eigen geest. In dien Geest ontvangt de mensch -een adaequaat orgaan voor de uitwendige openbaring. God kan alleen door -God worden gekend; in zijn licht kan alleen het licht worden gezien. -Niemand kent den Vader, dan wien het de Zoon wil openbaren, en niemand -kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door den H. Geest. God is dus het -principium essendi van religie en theologie; de objectieve openbaring -in Christus, neergelegd in de Schrift, is haar principium cognoscendi -externum; en de H. Geest, die in de gemeente is uitgestort, haar -wederbaart en leidt in de waarheid, is haar principium cognoscendi -internum. In deze getuigenis des H. Geestes sluit de openbaring zich -af en bereikt zij haar doel. Want het is het welbehagen Gods, om de -menschheid te herscheppen naar zijn beeld en gelijkenis. Objectieve -openbaring is dus niet genoeg; deze moet zich voortzetten en voltooien -in de subjectieve openbaring. Ja, gene is slechts middel, deze is doel. -Het principium externum is instrumentale; het principium internum is -het principium formale en principale, bl. 143. - -Daarom deed de christelijke kerk ten allen tijde belijdenis van het -testimonium Spiritus Sancti. God is de auteur der uitwendige -openbaring; maar Hij is het ook, die de gemeente verkiest, de kerk -sticht en in haar van Christus getuigt. De Schrift is zijn woord, de -gemeente is zijn tempel. In zoover is er eenstemmigheid in de belijdenis -van alle kerken aangaande het testimonium Spiritus Sancti. Niet de -natuurlijke maar alleen de geestelijke mensch weet de dingen, die hem -van God geschonken zijn, 1 Cor. 2:12 v. Maar overigens is er toch -groot verschil over deze getuigenis des H. Geestes, vooral tusschen -de Roomsche kerk en de kerken der Hervorming. Volgens Rome toch is -de Schrift gegeven aan de kerk, en wel aan de kerk als instituut, en -eerst door deze heen aan de geloovigen. De kerk ontvangt, bewaart, -authoriseert, verklaart de H. Schrift. Alle openbaring Gods aan de -geloovigen is door het instituut der kerk bemiddeld. Altijd staat de -kerk tusschen God en de geloovigen in. De kerk is middelares, medium -gratiae, principium externum. Zij is de tempel des H. Geestes. Het -testimonium Spiritus Sancti uit zich bij Rome alleen door de kerk als -instituut, door de ecclesia docens, door het magisterium, door den -paus. Maar volgens de Hervorming is de openbaring, de Schrift, gegeven, -ja ook aan de kerk, maar aan de kerk als organisme, aan de gemeente, -aan de geloovigen. Zij zijn de tempel des H. Geestes. Het testimonium -Spiritus Sancti is het eigendom van alle geloovigen. Waar twee of -drie in Jezus’ naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. Bij Rome is -het instituut het wezen der kerk; volgens de Hervorming is dit een -tijdelijk hulpmiddel, maar het wezen der kerk ligt in de vergadering der -geloovigen. Deze is de woning Gods, het lichaam van Christus, de tempel -des H. Geestes. - - -§ 14. DE HISTORISCH-APOLOGETISCHE METHODE. - -1. Nauwelijks was het Christendom in de Grieksch-romeinsche wereld -ingedrongen, of het zag zich geroepen tot een ernstigen strijd. Joden -en Heidenen vielen het aan en brachten er allerlei bezwaren tegen in. -Toen stonden in de 2e eeuw de Apologeten op, die deze aanvallen zochten -af te slaan en het Christendom trachtten te verdedigen. Justinus -Martyr, Dialogus c. Tryphone, Tertullianus, adv. Judaeos, en Eusebius, -Demonstratio evangelica schreven tegen de Joden. Veel grooter was het -aantal apologetische geschriften tegen de Heidenen. De voornaamste zijn -Justinus Martyr, Apologia maior en minor; Tatianus, Orat. adv. Graecos; -Athenagoras, Legatio sive supplicatio pro Christianis; Theophilus, ad -Autolycum; Clemens Alex., Coh. ad gentes; Origenes, contra Celsum; -Tertullianus, Apologeticus en Ad nationes; Arnobius, Disput. adv. -gentes; Minucius Felix, Octavius; Eusebius, Praeparatio evangelica; -Athanasius, Orat. adv. gentes; Cyrillus, adv. impium Julianum; -Augustinus, de civ. Dei. In deze werken worden voor de waarheid van het -Christendom de volgende argumenten aangevoerd: a) het is veiliger, van -twee onzekere dingen datgene te gelooven, quod aliquas spes ferat quam -omnino quod nullas, Arnobius, adv. gentes II 4; b) de overeenstemming -van het Christendom met het beste en schoonste, met de σπερματα -ἀληθειας, welke ook onder de Heidenen nog door de inwerking van den -Logos gevonden worden, Athenag. Leg. 6. Justinus, Apol. maior 20 sq. -Minucius, Octav. 19, 20; c) de voortreffelijkheid van het Christendom -boven de heidensche godsdiensten, zoodat iedere menschelijke ziel -daaraan onwilkeurig getuigenis moet geven, Justinus, Apol. min. 10. -Tertull. de testim. an. 1. Arnobius, adv. gentes II 2; d) de zedelijke -invloed van het Christendom op leer en leven, zoodat de gruwelijke -zonden van afgoderij, tooverij, haat, gierigheid, wreedheid enz. er door -verdwenen zijn, Epist. ad Diognetum 5. Justinus, Apol. maior 14. Athen., -Leg. 11. Orig., c. Cels. I 26. Arnob., adv. gentes I 63. Lactant., -Instit. div. III 16. Euseb., Praep. evang. I 4; e) de standvastigheid -der martelaars, Just. M., Apol. II 12, en de heiligheid der asceten, -Just., Apol. I 15. Athen., Leg. 33, 34. Euseb., Dem. Evang. III 6; f) -de voorspellingen en hare vervulling, Just., Dial. c. Tryph. 7, 8. -Just., Apol. I 31. Orig., c. Cels. I 2; g) de wonderen, niet alleen -in den vroegeren maar ook in den tegenwoordigen tijd, Just., Dial. c. -Tryph. 39, 82, 88. Iren., adv. haer. II 31, 32. Tertull., Apol. 23. -Orig., c. Cels. III 24; h) het heilig karakter en leven van Jezus en -de apostelen, Arnob., adv. gentes I 63. Euseb., Dem. evang. III 3, -5; i) het getuigenis der Schrift, de overeenstemming der Schriften -onderling, de eenvoudige taal, de goddelijke inhoud, die door geen -menschelijke rede kon worden voortgebracht, Just. M., Coh. ad Graec. 8. -Orig., de princ. IV 1, benevens de wonderbare oorsprong, bewaring en -verbreiding der Schrift, Tertull., Apol. 19; en eindelijk nog j) het -getuigenis der traditie en der kerk, Iren., adv. haer. I 10, III 3. -Tertull., de praescr. 20. Cypr., de unitate eccles. August., de civ. -dei enz. Cf. Münscher-v. Coelln, Lehrb. der christl. Dogm. Gesch. I -1832 S. 103 f. Hagenbach, Dogm. Gesch. § 29 f. Harnack, Dogm. Gesch. -I² 413 f. Deze argumenten hebben sedert in de christelijke theologie -algemeen burgerrecht verkregen. De inhoud der bovennatuurlijke waarheden -was voor de rede onbegrijpelijk, Thomas S. Theol. I qu. 32 art. 1, S. c. -Gent. I c. 9. Des te meer kwam het er dan op aan om te bewijzen, dat -God zich geopenbaard had. Al de bewijzen, die daarvoor konden worden -bijgebracht, werden onder den naam van rationes inductivae of motiva -credibilitatis samengevat, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 9 ad -3, art. 10. Duns Scotus, Prol. Sentent. qu. 2. Ludovicus Vives, de -veritate fidei christ. 1543. Cf. Frohschammer, Die Philosophie des -Thomas v. Aquino, Leipzig 1889 S. 130 f. Na de Hervorming werd vooral -het argument, ontleend aan de kerk, nader ontwikkeld. De kerk werd toen -bij Rome hoe langer hoe meer fundamentum et regula fidei. Augustinus -had al gezegd, dat hij door de kerk bewogen werd om aan de Schrift -te gelooven. De Roomschen na de Hervorming maakten de kerk tot den -sterksten grond voor het geloof aan de Schrift, aan de openbaring. De -motiva credibilitatis werden dikwerf in drie soorten verdeeld, Becanus, -Theol. Schol. Tom. II pars. II tract. 1 cap. 6. Mogunt. 1623 p. 93, in -zulke, die gelden tegenover Joden en Heidenen; in andere, die vooral -voor de Roomschen zelven beteekenis hebben; en in eene derde groep, -die tegenover de ketters van kracht zijn. Tot deze laatste behoort -nu vooral de kerk met hare 15 notae, gelijk ze door Bellarminus, de -Conciliis et Ecclesia, Lib. IV worden opgeteld. Wat de Hervormers -van de Schrift zeiden, wordt op de kerk toegepast. Zij is als de zon, -die hare stralen verspreidt en gemakkelijk bij haar eigen licht kan -worden gekend. Onder de bewijzen voor de openbaring neemt de kerk de -eerste en de hoogste plaats in; zij is van alle het krachtigste motief -tot geloof. Het Conc. Vatic. Sess. III cap. 3 de fide verklaarde: ad -solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem -fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt -disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem -propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis -foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabililatem, magnum -quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae -legationis testimonium irrefragabile. De waarde van al deze bewijzen, -ook van dat der kerk, bestaat daarin, dat zij de geloofwaardigheid der -openbaring kunnen aantoonen. Zij zijn in staat, om eene fides humana -voorttebrengen en de redelijkheid van het gelooven te bewijzen. Zij maken -de waarheid der openbaring in zulk eene mate en tot zulk eene hoogte -duidelijk, dat alle redelijke twijfel is uitgesloten. Als er van de zijde -des menschen geen zondige zelfzucht en geen vijandschap des harten in -het spel kwam, dan zouden die motieven krachtig genoeg zijn, om tot het -geloof aan de openbaring te bewegen. Zij maken de openbaring wel niet -evidenter veram, want als dat het geval ware, dan zou er geen geloof -meer noodig zijn en zou het geloof ook alle verdienste missen; maar toch -wel evidenter credibilem, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 4 ad 2, 4, -art. 5 ad 2, qu. 2 art. 1 ad 1. Bellarm., de Conc. et Eccl. IV cap. 3. -Billuart, Summa S. Thomae hodiernis acad. moribus accommodata, VIII p. -25 sq. P. Dens, Theologia ad usum seminariorum II 275 sq. De Roomsche -theologen nemen dan ook gewoonlijk al die argumenten der apologetiek -in de dogmatiek op en behandelen ze breedvoerig, Perrone, Prael. -Theol. I. Jansen, Prael. Theol. I 117 sq. Hake, Handbuch der allgem. -Religionswissenschaft, Freiburg 1887 II 1 f. Heinrich, Dogm. I 279 f. -Liebermann, Dogm. I p. 33 sq. enz. Zelfs gingen sommigen zoover, dat zij -deze bewijzen ook voor den ongeloovige voldoende achtten, Billuart, I -p. 28, 29. Dens, II 292. Maar de meesten erkenden, dat al deze bewijzen -toch maar motieven waren en dat zij niet den laatsten en diepsten -grond des geloofs uitmaakten. Dat kon alleen de autoriteit Gods zijn, -Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad 3 en art. 10. S. c. Gent. I c. -9. Billuart VIII p. 1 sq. Becanus ib. p. 3-17. Dens, II 280 sq. Jansen, -Prael. Theol. I 701-706. En dat geloof aan de openbaring op grond van -Gods gezag komt niet tot stand door die bewijzen maar door een auxilium -dei, een instinctus interior, die den wil tot het geloof beweegt, -Thomas II 1 qu. 109 art, 6, qu. 112 art. 2 en 3, qu. 113 art. 4. Het -Conc. Vatic. sess. III cap. 3 de fide, erkende evenzoo eenerzijds, -dat het geloof was een virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et -adjuvante gratia ab eo revelata vera esse credimus, non propter -intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam, -sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis. Maar andererzijds -hechtte het toch groote waarde aan de apologetische argumenten en -voegde er daarom aanstonds bij: ut nihilominus fidei nostrae obsequium -rationi consentaneum esset, voluit Deus cum internis Spiritus Sancti -auxiliis externa jungi revelationis suae argumenta..... quae.... -divinae revelationis signa sunt certissima et omnium intelligentiae -accommodata. Het veroordeelde zelfs in canon 3, 3 dengene, die zeide, -revelationem divinam externis signis credibilem fieri non posse, -ideoque sola interna cujusque experientia aut inspiratione privata -homines ad fidem moveri debere. Deze waardeering der apologetiek hangt -bij Rome weer met geheel het stelsel saam. De bovennatuurlijke openbaring -is opgetrokken op den grondslag der natuurlijke. Gene wordt alleen -successief en bij trappen bereikt. De mensch in puris naturalibus komt -eerst door bewijzen tot de theologia naturalis. Deze is praeambula -fidei. Hier is zelfs wetenschap mogelijk. De bewijzen zijn overtuigend. -Op zichzelf is hier nog van geen geloof sprake. Wie zoover gekomen is -en op den grondslag der theol. naturalis staat, kan nu verder door de -motiva credibilitatis, vooral door de signa en notae ecclesiae, de -geloofwaardigheid der openbaring inzien, en de redelijkheid van het -gelooven erkennen. En als zoo de fides humana verkregen is, en de -mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft, wordt hij door -de gratia infusa zelve in de bovennatuurlijke orde opgenomen en bereidt -hij zich door goede werken weer voor voor den hemel, voor de visio Dei. -De mensch gaat uit den natuurstaat bij trappen naar boven. Telkens komt -hij een graad hooger te staan. De pura naturalia, theol. naturalis, -motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa, bona opera, -visio Dei vormen de verschillende treden van de ladder, die staat op de -aarde en reikt in den hemel. - -2. De Reformatie heeft nu wel in beginsel deze hierarchie van Rome -bestreden en een ander standpunt ingenomen. Zij nam haar positie niet -in de natuurlijke rede, om deze successief tot het geloof op te leiden, -maar in het christelijk geloof. En zij sprak zoo beslist mogelijk uit, -gelijk later zal worden aangetoond, dat dat geloof alleen steunde -op Gods gezag en alleen gewerkt werd door den H. Geest. Maar de -Protestantsche theologen hebben dit beginsel toch niet altijd streng -vastgehouden en zijn meermalen tot de leer der theologia naturalis -en van de historische bewijzen voor de waarheid der openbaring -teruggekeerd. Calvijn zegt, Inst. I, 7, 3, dat het hem gemakkelijk vallen -zou, de goddelijkheid der H. Schrift te bewijzen en voert in cap. 8 -verschillende gronden daarvoor aan. En zoo spreken en doen ook Ursinus, -Tract. Theol. p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 335 sq. Polanus, Synt. -Theol. I c. 17 sq. c. 27, 28. Synopsis pur. theol. disp. 2, 10 sq. -Du Plessis-Mornay, Traité de la vérité de la religion chrétienne -contre les Athées etc. Anvers 1581. Abbadie, Traité de la vérité de la -religion chrét. 1684 enz. Cf. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 20-22. -Hase, Hutt. Rediv. § 37. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 32, 33. De -overtuiging, dat deze bewijzen genoegzaam waren om althans eene fides -humana te bewerken, heeft er onwillekeurig toe bijgedragen, om de rede -te emancipeeren van het geloof en de dogmata der theol. naturalis en -van de H. Schrift buiten de fides salvifica te plaatsen. Daarmede -begon dan ook het rationalisme in de Protest. kerken. Het Socinianisme -verwierp het testimonium Spiritus Sancti en grondde de waarheid van -het Christendom op historische bewijzen, Catech. Racov. qu. 5-30. -Fock, der Socin. 338 f. Het Remonstrantisme ging denzelfden weg op, -Episcopius, Instit. Theol. Lib. IV cap. 2. Limborch, Theol. Christ. I -c. 4. Id. De veritate relig. Christ. collatio cum erudito Iudaeo 1687. -Hugo Grotius, de veritate relig. christ. 1627. Cf. Wijnmalen, Hugo de -Groot als verdediger van het Christ. Utrecht 1869. Door Cartesius drong -het rationalisme ook in de Geref. kerken door. De theologia naturalis -kwam zelfstandig naast de theologia revelata te staan. En binnen deze -laatste werd aan de rede het recht tot onderzoek en verklaring van -de geloofsbrieven der openbaring toegekend, H. A. Roëll, Dissert. -de theol. naturali 1700 enz. Leibniz sprak de algemeen heerschende -opinie uit, als hij de openbaring tegenover de rede stelde, gelijk een -buitengewoon gezant tegenover eene bevoegde vergadering staat. Deze -onderzoekt zijne geloofsbrieven en gaat, als zij deze echt bevonden -heeft, eerbiedig naar hem luisteren. Discours sur la conformité de la -foi avec la raison § 29. Het deisme in Engeland en het rationalisme -in Duitschland leidde daaruit weldra af, dat de theologia naturalis -volkomen voldoende was. En het supranaturalisme, dat de emancipatie der -rede in de theol. naturalis en in het onderzoek naar de waarheid der -openbaring toegaf, kon voor die rede met geen andere dan historische -en rationeele bewijzen verschijnen. Op die wijze werd het Christendom -verdedigd en de dogmatiek bearbeid door een aantal mannen in Engeland, -Duitschland, Nederland, van wie we hier slechts de namen herinneren -van Butler, The analogy of religion natural and revealed 1736. Paley, -View of the evidences of christianity 1794. Id. Natural Theology -1802. Chalmers, The evidence and authority of the christ. revelation -1817. Id. Natural theology 1823; cf. Tholuck, Vermischte Schriften I -S. 163-224. Reinhard, Morus, Doederlein, Knapp, Storr e. a.; hier te -lande door Van Nuijs Klinkenberg, Muntinghe, Heringa, Vinke enz. en de -werken van het Haagsch Genootschap. En voorts vinden we ook later dit -standpunt nog terug bij Pareau en Hofstede de Groot, Compendium Dogm. -et Apolog. Christ. 3 ed. 1848 p. 179 sq.; Van Oosterzee, die eerst het -standpunt van Schleiermacher overnam Jaarb. v. wet. Theol. 1845 bl. -1-74, maar later heil zocht in eene apologetiek die aan de dogmatiek -voorafging, Jaarb. v. wet. Theol. V bl. 406. De Leer der Herv. Kerk -van J. H. Scholten beschouwd 1851 bl. 51, 53. Dogmatiek § 30-34, § 38 -enz.; Doedes, die door onbevooroordeeld, zuiver historisch onderzoek -het Christendom wil leeren kennen, Het regt des Christ. tegenover de -wijsbeg. gehandhaafd 1847, Modern of Apost. Christ. 1860, De zoogen. -moderne Theol. eenigszins toegelicht 1862; in het buitenland bij Voigt, -Fundamentaldogmatik 1874 S. 184 f. 232 f. Gretillat, Exposé de theol. -systématique II 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinburgh, Clark 1892 -p. 42. W. M. Mc. Pheeters, Apostolical sanction the test of canonicity, -Presb. and Ref. Rev. Jan. 1895. Ed. König, Der Glaubensact des -Christen, Erl. 1891, S. 143 f. en vele andere apologetische werken, cf. -Christlieb, Art. Apologetik in Herzog². - -3. Maar dit standpunt is door de geschiedenis van het supranaturalisme -zelf en door de scherpe kritiek van Rousseau en Lessing, van Kant -en Schleiermacher onhoudbaar gebleken. De apologetiek heeft zonder -twijfel recht van bestaan; eene belangrijke taak is haar toebetrouwd. -Zij heeft de waarheid Gods te handhaven en te verdedigen tegenover -alle bestrijding zoowel van binnen als van buiten. Door verschillende -omstandigheden is zij ten onrechte in minachting gekomen. Vooreerst -verloor zij veler liefde door de zwakheid en subtiliteit der argumenten, -die zij tegen de ernstige en wetenschappelijke bestrijding van het -christelijk geloof te berde bracht. Vervolgens begon ze hoe langer hoe -meer afkeer in te boezemen door de onderstelling, waarvan zij dikwerf -uitging, dat het Christendom eene leer was, die verstandelijk kon -gedemonstreerd worden. Voorts heeft vrees voor de wetenschap, die -menigmaal op zoo hoogen toon sprak en zoo onfeilbaar hare dogmata -afkondigde, de geloovigen dikwerf van verdediging afgeschrikt. Men -bleef wel gelooven, maar trok zich angstig terug, en meed alle -aanraking met de wetenschap; soms nam men gretig tot het mysticisme of -het agnosticisme de toevlucht. Toch is er geen reden, om de apologetiek -te verachten. De apologeten der tweede eeuw, de kerkvaders, de -scholastieke theologen, de hervormers enz., zij stonden allen in het -vaste geloof, dat de waarheid Gods tegenover de bestrijding, waaraan zij -van alle zijden blootstond, verdedigd moest en kon worden. Zij lieten -de aanvallen niet onbeantwoord. Zij zochten den vijand op en rustten -niet, voordat zij hem overwonnen hadden. Dat geloof is reeds eene -kracht en bijna de halve overwinning. Twijfel en wantrouwen in de zaak -die wij voorstaan, maakt ons machteloos in den strijd. Maar daarmede is -vanzelf ook reeds het standpunt aangegeven, van waaruit alleen eene -goede verdediging der waarheid ondernomen kan worden. De apologetiek -kan niet aan het geloof voorafgaan en tracht niet de waarheid van de -openbaring apriori te betoogen. Zij onderstelt de waarheid en het geloof -aan de waarheid; zij staat op den grondslag der dogmatiek en beproeft nu -het dogma te handhaven en te verdedigen tegen de bestrijding, waaraan -het onderworpen wordt. Indien echter de christelijke openbaring, die -de duisternis en de dwaling van den psychischen mensch onderstelt, -zich vooraf aan zijne rede ter beoordeeling overgaf, zou zij daarmede -zichzelve weerspreken. Zij zou zich daarmede plaatsen voor eene -rechtbank, wier bevoegdheid zij eerst had ontkend. En eenmaal in de -principia het recht der rede erkennende, zou ze straks in de articuli -fidei dat recht niet meer kunnen bestrijden. Het supranaturalisme -moet altijd leiden tot rationalisme, wijl het in beginsel reeds -rationalistisch is. Maar afgedacht van dit principieele bezwaar, -de historisch-apologetische bewijsvoering voert ook niet tot het -gewenschte resultaat. Zij kon het nog een eind ver brengen in een tijd, -toen de echtheid der bijbelboeken en de historische waarheid van hun -inhoud nog vrij algemeen vaststond. Maar de wonderen en voorspellingen -der Schrift hebben thans zelf zooveel verdediging van noode, dat zij -onmogelijk meer als argumenten dienst kunnen doen. De apologetiek zou, -om iets te bewijzen, eerst heel de zoogenaamde inleidingswetenschap -moeten behandelen en tal van andere vakken in zich moeten opnemen, -eer zij met de uiteenzetting der waarheid een aanvang kon maken; aan -het geloof, aan de dogmatiek kwam het op deze wijze nooit toe; de pars -formalis zou zoo uitdijen, dat er voor de pars materialis geen tijd en -geen plaats meer overbleef. Deze lange weg zou dan nog ingeslagen -kunnen worden door iemand, die tijd en kracht en gave genoeg bezat om -zulk een onderzoek naar de waarheid van het christelijk geloof in te -stellen; maar hij zou geheel ontoegankelijk zijn voor den eenvoudige, -die toch ook even goed als de geleerde, en niet eerst morgen maar nu -reeds, op dit oogenblik, behoefte heeft aan den vrede en den troost -des geloofs, en die daarom voor de zaligheid zijner ziel afhankelijk zou -worden van een intellectueel en dies te ondragelijker clericalisme. En -stel al, dat dit nog geen overwegend bezwaar ware en dat historisch -onderzoek voor alle menschen de eenige weg tot de kennis der waarheid -ware; dan zou toch het resultaat, dat in de gunstigste omstandigheden -verkregen werd, geen ander zijn dan eene fides humana, welke morgen -aan den dag weer door andere en betere onderzoekingen geschokt en -omvergeworpen kon worden. De eeuwigheid kan inderdaad niet hangen aan -een spinrag. In de religie mag geen mensch en geen schepsel instaan -tusschen God en mijne ziel. Getroost en zalig te leven en te sterven is -niet mogelijk, zoolang ik rust in een menschelijk, feilbaar getuigenis. -In de religie is er geen mindere maar eene veel sterkere en vastere -zekerheid dan in de wetenschap van noode. Er is hier alleen ruste in -de getuigenis Gods. Ook de getuigenis der kerk is onvoldoende. Zij is -van groote waarde niet alleen bij het ontstaan maar ook bij den voortduur -van het christelijk geloof. Zij blijft een steun tot het einde des levens -toe. Zij is inderdaad een motivum perpetuum tot het geloof. Wij zijn in -heel ons leven aan eene gemeenschap gebonden. Een mensch is een ζωον -πολιτικον. De gemeenschap houdt ons staande, telkens als we dreigen te -struikelen. De wolke van getuigen, rondom ons heen liggende, moedigt -ons aan in den strijd. Er behoort een ongewone moed en geestkracht toe, -om pal te blijven, als allen ons verlaten en tegenover ons staan. Maar -gemeenschap sterkt de eigen overtuiging. Toch kan daarom de getuigenis -der kerk niet de laatste en diepste grond zijn van het geloof. Ook -Roomsche theologen erkennen dat zelf, gelijk later blijken zal. Zij zijn -bij het onderzoek naar de gronden des geloofs met hun onfeilbare kerk -in hoegenaamd geen betere conditie dan de Protestanten. Want ook zij -moeten de vraag stellen: waarop rust het geloof aan de kerk? Indien op -apologetische bewijzen, dan rijzen daartegen dezelfde bezwaren, die boven -zijn ingebracht. En indien op het testimonium Spiritus Sancti, dan is -deze leer de hoeksteen van het christelijk geloof. - - -§ 15. DE SPECULATIEVE METHODE. - -1. Het supranaturalisme viel onder de slagen van Rousseau en Kant, -van Lessing en Schleiermacher. Er volgde een machtige omkeer. Het -klassicisme week op elk gebied voor de romantiek, de heerschappij en -autonomie van het subject. In den eersten tijd, bij het gevoel der -vrijheid, ging deze reactie zoo ver, dat ze al het objectieve wegcijferde -en het subject zichzelf voor genoegzaam hield. Het subject produceert -zoo niet de stof (Fichte), dan toch den vorm (Kant) der wereld. Het -niet-ik is een product van het Ik, de zedelijke wereldorde komt door -den mensch zelf tot stand, en de zedewet wordt vrij en koninklijk door -het genie op zij gezet. Ook Schleiermacher nam eerst dit standpunt -in. Maar dit absolute idealisme leidde tot allerlei schrikkelijke -gevolgen. De Fransche Revolutie toonde het gevaarlijke van deze -autonomie van den mensch. Er moest toch iets objectiefs zijn, dat -vaststond en gezag had. Zoo kwam de restauratie, d. i. de poging, om -met behoud van hetzelfde uitgangspunt, toch uit het subject weer tot -het objectieve te komen. Van die restauratie was Hegel de wijsgeerige -tolk. Hij verhief het subjectief, ethisch idealisme van Fichte tot een -objectief, logisch idealisme, en verving de idee van het zijn door die -van het worden. Heel de wereld werd een proces, eene ontwikkeling van -de logische idee. In deze evolutie heeft ook de religie haar plaats. -Maar die religie hult zich in vormen en symbolen, die alleen door de -speculatieve rede in hun diepe beteekenis kunnen begrepen worden. Het -rationalisme heeft daar niets van verstaan, en heeft de dogmata der -kerk eenvoudig terzijde gesteld, niet wetende wat er mede te doen. Maar -die dogmata zijn vol diepen, wijsgeerigen zin. Hegels geest wierp zich -op die dogmata, ontdeed ze van hun historische symbolische vormen, en -spoorde er de idee van op. De historie is maar de schaal, het omhulsel; -de kern zelve is diepe, ware philosophie. Niet de rationalistische -leerstukken God, deugd, onsterfelijkheid, maar de hoogste en diepste -dogmata van het Christendom, zooals de triniteit, de menschwording, -de voldoening, worden het voorwerp der stoute, wijsgeerige speculatie. -Buiten de Schrift en buiten eenige autoriteit om worden die dogmata als -noodwendig uit de rede afgeleid en als ten hoogste redelijk bewezen. -Theologie en philosophie werden schijnbaar verzoend, het geloof werd -door de speculatieve rede in absoluut weten omgezet. Deze speculatieve -methode werd overgenomen en op de dogmatiek toegepast, wel is waar -met zeer verschillende uitkomst, door Daub, Markeineke, Strauss, -Feuerbach, Vatke, Weisse, het laatst door Biedermann. Biedermann wijkt -op gewichtige punten van Hegel af en aanvaardt niet zijne apriorische -methode; maar uitgaande van de christelijke dogmata, tracht hij deze toch -op dezelfde manier als Hegel te ontleden in het religieus principe -dat er aan ten grondslag ligt en de historische uitdrukking die zij -hebben aangenomen, en dan voorts speculatief en practisch verder -te ontwikkelen, Christl. Dogm. 2e Aufl. I 15, 16. En evenzoo heeft -hier te lande Scholten beproefd, om in de Gereformeerde dogmata te -onderscheiden tusschen inkleeding en idee, en ze te interpreteeren in -monistischen en deterministischen zin. - -2. Maar deze speculatieve methode heeft ook in de school van -Schleiermacher ingang gevonden. Schleiermacher had met Hegel het -subjectieve uitgangspunt gemeen, doch hij nam positie niet in de -rede maar in het gevoel. Religie is eene eigenaardige bepaaldheid -des gevoels of van het onmiddellijk zelfbewustzijn. Voorts vatte hij -dat gevoel niet individueel op, maar historisch, zooals het in -eene religieuse gemeenschap bestond en in de christelijke gemeente -bepaaldelijk door Jezus als den Erlöser gevormd was. En eindelijk zag hij -in de dogmatiek geene speculatieve ontwikkeling maar alleen beschrijving -van de vrome gemoedstoestanden of van het geloof der gemeente; -Schleiermacher bestreed in theorie alle vermenging van theologie en -philosophie. Maar ter andere zijde toonde Schleiermacher’s Glaubenslehre -toch, dat zijne eigene religieuse ervaring zeer sterk afweek van die -der christelijke gemeente en zeer zeker mede onder invloed van Spinoza -gevormd was; en in zijne Kurze Darstellung gaf hij de eerste plaats aan -de philosophische theologie, die tot taak kreeg, om het wezen van het -Christendom te bepalen. Feitelijk werd de theologie bij Schleiermacher -geheel van de philosophie afhankelijk, Kurze Darst. § 24, 32 f. cf. -Christl. Glaub. § 2 f. De Vermittelungstheologie nam met Schleiermacher -haar standpunt in het bewustzijn, in het geloof, de belijdenis der -gemeente, maar verbond daarmede de speculatieve methode van Hegel, -om daardoor het geloof tot weten te verheffen en de autoriteit te -doen wijken voor zelfstandig redelijk inzicht. Twesten streeft er -naar, om door middel van redeneering uit het vroom gevoel eene -orthodox-luthersche dogmatiek af te leiden, Vorles. I² 21 f. Müller -wil langs regressieven weg, door reflectie over zijn eigen ervaring, -uit de religieuse zekerheid des geloofs komen tot een objectief weten -van God, Dogm. Abhandlungen 1870 S. 1-42, en art. Dogmatik in Herzog¹. -Martensen draagt aan het wedergeboren bewustzijn de taak op, om uit -zijn eigen diepten de leer der Schrift en der kerk wetenschappelijk te -reproduceeren, Dogm. § 31 f. Bij Dorner is de Glaubenslehre niet enkel -beschrijvend, maar ook constructief en progressief; zij brengt het -religieuse weten tot systematische Begründung und Entfaltung en tracht -de christelijke Godsidee als noodwendig aantetoonen, door aan te wijzen -dat zij de aanvulling en voltooiïng van het Godsbegrip überhaupt is, -Glaub. I 155 f. Vooral in Rothe komt deze speculatieve methode der -Vermittelungstheologie duidelijk uit; het Godsbewustzijn is de idee, -waaruit hij met behulp der Hegelsche dialectiek heel de schepping, -natuur, geschiedenis, zonde, verlossing afleidt, Theol. Ethik § 7. -Onder de Vermittelungstheologen is overigens groote verscheidenheid, -maar zij hebben allen uitgangspunt en methode met elkander gemeen; zij -gaan uit niet van eene of andere autoriteit, maar van het christelijk -bewustzijn der gemeente, en zoeken het bewijs voor de waarheid des -geloofs niet in een beroep op een of ander gezag maar in de innerlijke -evidentie, in de denknoodwendigheid. - -3. Zelfs buiten den kring dier theologen, die in engeren zin aan -Hegel en Schleiermacher zich aansluiten, heeft deze methode ingang -gevonden. Hofmann vat de dogmatiek wel niet op als beschrijving van -gemoedstoestanden, evenmin als reproductie van Schrift- of kerkleer -en ook niet als ontwikkeling der christelijke kennis uit een algemeen -principe, maar hij gaat toch evenals Schleiermacher van de christelijke -vroomheid uit. Dogmatiek is ontvouwing van dat, wat den Christen -tot Christen maakt, van de door Christus bemiddelde persoonlijke -gemeenschap Gods met den mensch. Die Erkenntniss und Aussage des -Christenthums ist vor allem Selbsterkenntniss und Selbstaussage -des Christen, Schriftbeweis, 2e Aufl. I S. 5-16. Philippi, Kirchl. -Glaub. I 52 f. 108 f. Kahnis, Luther. Dogm. I 7, 8 hebben ditzelfde -subjectieve uitgangspunt. Ebrard tracht in de dogmatiek de waarheid -en noodwendigheid der Erlösungsthatsachen aan te toonen, door ze -op alle punten te vergelijken met het wetenschappelijk ontwikkeld -Erlösungsbedürfniss, Dogm. § 52. enz. Vooral Frank heeft in zijn System -der Christl. Gewissheit, 2e Aufl. 1884 deze gedachte overgenomen -en uitgewerkt. Hofmann nam zijn standpunt in den Thatbestand der -gemeenschap Gods met den mensch. Deze rust en draagt de zekerheid -in zichzelve, en de Schrift geeft er getuigenis aan. Hier was dus -voor een systeem der christelijke zekerheid geen plaats. De Christen -is zichzelf bewust, en daarmede is alles gezegd. Maar Frank blijft -hierbij niet staan; hij tracht rekenschap te geven waarom de Christen -dat alles gelooft, wat zijn geloof inhoudt. Hij construeert dus een -System der christlichen Gewissheit. De theologie, zoo zegt hij, moet -in onderscheiding van de philosophie I 26 f., zich niet buiten maar -midden in het christelijk bewustzijn plaatsen, en vandaar uit alles, -ook het natuurlijke, overzien en beoordeelen, S. 31, 32, 119, 137. De -christelijke zekerheid heeft immers haar grondslag en wezen niet in -allerlei uitwendige bewijzen, noch ook in eene externe autoriteit, maar -in den Christen zelf, in zijne zedelijke ervaring en zelfbepaling. Deze -bijzondere zedelijke ervaring is de wedergeboorte en bekeering, S. 113. -De Christen weet, dat er eene verandering met hem heeft plaats gehad -en nog voortdurend plaats heeft, zoo dat er nu tweeërlei richting, -tweeërlei ik in hem woont, S. 120 f.; en hij is daarvan even zeker -als een kranke, die genas, zich bewust is van zijne vroegere ziekte -en zijne tegenwoordige gezondheid, S. 129. Vanuit deze ervaring der -wedergeboorte poneert hij nu vanzelf en terstond heel den inhoud -der christelijke waarheid; hij doet zoo krachtens den aard van het -hem geschonken nieuwe leven en kan zich van deze geloofswaarheid -even weinig als van zichzelven ontdoen, S. 193. In drie kringen -groepeert die christelijke geloofswaarheid zich rondom de ervaring der -wedergeboorte heen. Eerst poneert de Christen krachtens zijn nieuw leven -die geloofswaarheden, welke met het feit der wedergeboorte rechtstreeks -en onmiddellijk gegeven zijn, n.l. de werkelijkheid der zonde, der -gerechtigheid en der toekomstige volmaking. Dit is het gebied der -centrale, immanente waarheden, die nog geheel tot het _zelf_bewustzijn -des Christens behooren. Daaromheen vormt zich een tweede kring van -waarheden; de geloovige kan n.l. dezen nieuwen toestand slechts -verklaren door de realiteit van den persoonlijken God, het bestaan van -God als Drieëenige, en de verzoening, verworven door den Godmensch. -Deze drie vormen samen de groep der transcendente waarheden, en wijzen -de factoren aan, welke die zedelijke verandering der wedergeboorte in -den Christen hebben teweeggebracht. En eindelijk vormt zich daarom -heen nog een derde kring van waarheden, n.l. de transeunte, welke de -middelen aanwijzen, waardoor de bovengenoemde transcendente factoren de -heilservaring bij den Christen bewerken; en dat zijn kerk, woord Gods, -Schrift, sacrament, wonderen, openbaring en inspiratie. Ten slotte -houdt de christelijke zekerheid ook nog in eene bepaalde verhouding van -den wedergeborene tot het natuurlijke leven, tot wereld en menschheid, -S. 191 f. - -4. Deze speculatieve methode had belangrijke voordeelen boven de -apologetische van den rationalistischen tijd. De klaarheid, die -in de vorige eeuw voor den maatstaf der waarheid gehouden werd, -had de openbaring veranderd in eene leer, de kerk in eene school, -wedergeboorte in zedelijke verbetering, den gekruisten Christus in -den wijze van Nazareth. Het rationalisme had heel de christelijke -religie vervalscht. Met verachting keerden de beschaafden zich af -van openbaring en religie, van gemeente en geloof. Er behoorde moed -toe om, gelijk Schleiermacher en Hegel deden, tot de gemeente en hare -dogmata terug te gaan en daarin, zij het ook slechts in zekeren zin, -diepe religieuse waarheid te ontdekken. Het was een betoon van zedelijke -kracht, om te breken met den rationalistischen eisch der klaarheid, om -het op te nemen voor de verachte religie der gemeente en wederom het -recht en de waarde uit te spreken van het christelijk geloof. Meer nog, -er lag in het uitgangspunt van Hegel en Schleiermacher eene heerlijke -waarheid. Denken en zijn zijn ten innigste verwant en beantwoorden -aan elkaar. Het rationalisme trachtte de religie te rechtvaardigen -voor de onbevoegde rechtbank van het gezond verstand. Maar Hegel en -Schleiermacher zagen beiden in, dat de religie eene eigene plaats -inneemt in het menschelijk leven, dat zij eene zelfstandige grootheid -vormt en daarom ook een eigen correspondeerend orgaan eischt in de -menschelijke natuur. Hegel en Schleiermacher verschilden onderling in -de aanwijzing van dat orgaan, de een zocht het in de rede, de andere in -het gevoel. Maar beiden kwamen toch het vulgaire rationalisme te boven -en beiden wezen op de samenstemming van subject en object. Indien zij -met hun subjectief uitgangspunt niets anders hadden bedoeld, zou hunne -overwinning van het rationalisme slechts instemming hebben verdiend. -Het objectieve toch bestaat voor ons niet dan voorzoover het tot ons -bewustzijn komt. Het is op geen andere wijze te benaderen dan door het -bewustzijn heen. En de religie is daarom ook geene realiteit voor mij, -dan inzoover ik haar in gevoel of rede, of welk haar orgaan ook moge -zijn in den mensch, heb opgenomen. Maar Hegel en Schleiermacher hebben -zich niet vergenoegd met de stelling, dat denken en zijn aan elkander -beantwoorden; zij hebben beide geidentificeerd. Deze vereenzelviging van -denken en zijn is het πρωτον ψευδος der speculatieve philosophie. Plato -ging daarvan reeds uit, als hij de ideeën voor de waarachtige wereld -hield. Cartesius nam haar over in zijn cogito ergo sum. Spinoza sprak in -denzelfden zin van eene causa sui, cujus essentia involvit existentiam. -Fichte bracht ze tot heerschappij in de nieuwere philosophie. De groote -vraag daarbij is deze: denken wij iets, omdat het bestaat of bestaat -iets, wijl wij het noodzakelijk, logisch denken moeten? De speculatieve -wijsbegeerte zei het laatste. Maar tusschen denken en zijn moge nog -zoo groote overeenstemming bestaan; er is een niet minder wezenlijk -onderscheid. Uit het denken is geen conclusie tot het zijn, wijl het -zijn van alle schepselen geen emanatie is van het denken maar berust -op eene daad van macht. De essentie der dingen is aan het denken, de -existentie alleen aan het willen Gods te danken. Het menschelijk denken -onderstelt dus het zijn; het verheft zich eerst op den grondslag van -het geschapene; wij kunnen slechts nadenken, wat ons voorgedacht is en -door de wereld heen tot ons bewustzijn komt. Indien men echter met de -nieuwere philosophie alle stof verwerpt, die van buiten tot ons gekomen -is, en de zuivere rede of het abstracte gevoel tot zijn uitgangspunt -neemt, houdt men niets over of hoogstens een zoo algemeen, inhoudloos -en vaag principe, dat er niets, laat staan de gansche wereld, of heel -de christelijke openbaring en religie, uit af te leiden is, cf. boven -bl. 148 v. - -De philosophie van Hegel was daarom niet zoo onschuldig, als zij -oorspronkelijk schijnen kon. Zij was de uitwerking en toepassing van -Fichte’s stelling, dat het ik het niet-ik poneert, dat het subject het -object schept. Schleiermacher ging in de theologie tot dit principe -terug, wijl alle autoriteit in de religie voor hem was weggevallen, -de rationeele en historische bewijzen voor het Christendom hem niet -voldeden, en God ook naar zijne meening voor de rede onkenbaar was. -Gelijk Kant door de practische rede herstellen wilde wat hij door de -kritiek der zuivere rede had verloren, zoo zag ook Schleiermacher geen -kans om de religie te redden dan door uit te gaan van het religieuse -subject, van het gevoel, van het bewustzijn. Daaruit volgde, dat de -dogmatiek niets anders kon zijn dan beschrijving van gemoedstoestanden en -dus eigenlijk thuis hoorde in de historische theologie. De theologie -werd anthropologie, pisteologie, ecclesiologie, en hield op wat zij -altijd beweerd had te zijn, kennisse Gods. Maar daarbij kon Schleiermacher -toch niet blijven staan; het is ons ook in de religie niet om -werkelijkheid maar om waarheid te doen. De rechtvaardiging van het -Christendom werd daarom in het eerste deel der encyclopaedie opgedragen -aan de philosophie. Wijl er geen andere grond meer is, waarop het -christelijk geloof rust, krijgt de wijsbegeerte de taak om den godsdienst -in zijn recht en waarde te handhaven. De Vermittelungstheologie nam het -subjectieve uitgangspunt van Schleiermacher over, volgde het spoor -door hem voor de verdediging der religieuse waarheid geteekend en kwam -zoo vanzelve tot een verbond met de dialectische, speculatieve methode -van Hegel. Zij kon zich met de empirische kennis van den inhoud van -het christelijk bewustzijn niet tevreden stellen. Zulk een kennis was -toch geen wetenschap. Niet het feit des geloofs alleen moest worden -geconstateerd, ook het recht en de waarheid des geloofs moest betoogd -worden. En wijl men geen ander bewijs had, werd de toevlucht genomen -tot de speculatie. De speculatieve theologie, die na Schleiermacher -opkwam, streefde naar eene hoogere kennis van het Christendom, dan -die steunde op autoriteit en verkregen werd door het geloof. Zij was -eene vernieuwing van de oude gnostiek. De christelijke dogmata, zooals -de triniteit, de menschwording, de voldoening moesten niet maar als -artikelen des geloofs beleden maar ook in hunne noodzakelijkheid -doorzien en verstaan worden. Het dat is niet voldoende; ook het hoe en -waarom moet begrepen worden. De speculatieve Vermittelungstheologie -zocht daarom aan het lagere standpunt van het gezag te ontkomen en -streefde ernaar om het Christendom als absolute waarheid in zichzelf te -doen rusten. Zij ging wel uit van het geloof maar stelde zich het weten -ten doel. Denknoodwendigheid was haar het bewijs der waarheid. - -Dat deze methode noch in de philosophie noch in de theologie tot een -gewenscht resultaat zou leiden, was te voorzien en is door de historie -treffend bewezen. Weerlegging is schier overbodig. De speculatie heeft -reeds lang haar tijd gehad. De philosophie van Hegel leidde bij Feuerbach -en Strauss tot verwerping van heel het christelijk geloof. De wijsgeerige -bewerking der orthodoxe dogmatiek door Schweizer, Scholten, Biedermann -heeft de dogmatische armoede der moderne theologie slechts voor een -korten tijd bedekt. De meer rechtzinnige Vermittelungstheologie kan met -recht zich beroemen op de werken van Rothe, Dorner, Lange, Martensen, -Müller enz., die vol zijn van diepe en schoone gedachten; maar zij heeft -toch volstrekt niet beantwoord aan de verwachting, welke zij opgewekt -had. Het is haar niet gelukt, om de dwaasheid des kruises te veranderen -in eene wijsheid der wereld; zij slaagde er niet in, om door hare -diepzinnige beschouwingen de kinderen dezer eeuw wederom voor Christus -te winnen. Integendeel, de bemiddeling liep uit op eene nog radikalere -scheiding van gelooven en weten, van theologie en philosophie, -van gemeente en wereld. De speculatie, die door een deel der -Vermittelungstheologie werd nagestreefd, ging ook uit van de onjuiste -onderstelling, dat het Christendom een logisch gedachtensysteem was, -waarvan uit het eerste lid alle volgende door denken en redeneeren -konden worden afgeleid. Maar als het zijn der dingen in het algemeen -reeds niet op het denken maar op het willen berust; als de historie, -hoezeer uitvoering van een raad Gods, toch nog iets wezenlijk anders -is dan een rekenexempel; dan is nog veelmeer de christelijke religie -onderscheiden van een logisch gedachtenstelsel. Want het Christendom -is historie, het is eene historie van genade, en genade is iets anders -en iets meer dan eene logische conclusie. In de christelijke religie -komt daarom ook de diepste denker nooit het kinderlijk standpunt van het -gezag en het geloof te boven. Zie behalve de litteratuur, boven bl. 151 -genoemd, de art. Specul. Theol. en Theosophie in Herzog¹. Pelt, Theol. -Encyklopädie 1843 S. 532 f. Rothe, Theol. Ethik, 2e Aufl. § 1 f. J. -Müller, Die christl. Lehre v. d. Sünde, 5te Aufl. I S. 1-31. - -5. Afzonderlijke bespreking verdient de theologie van Dr. Fr. H. R. -Frank, hoogl. te Erlangen, † Febr. 1894. Frank bestrijdt zoo sterk -mogelijk de zoogenaamde prolegomena der dogmatiek, System der christl. -Gewissheit 2e Aufl. 1884 I 36 f. en geeft in plaats daarvan een System -der christlichen Gewissheit. Deze titel is echter niet bijzonder -duidelijk. Gewisheid, zekerheid is een toestand der ziel en sluit als -zoodanig systeem uit. Indien gewisheid hier echter genomen wordt voor -de objecten des geloofs, waarvan de Christen zeker is, dan is System -der christl. Gewissheit zooveel als System der christl. Wahrheit. -Dat kan de bedoeling niet zijn, want Frank heeft aan zijn tweede -belangrijk werk juist dezen titel gegeven. In zijn System der christl. -Gewissheit I 48 verklaart hij zich nader en zegt, dat dit zijn systeem -tot object heeft de Gewissheit, voor zoover zij zich uitstrekt tot den -zu verbürgenden Wahrheitsgehalt, d. i. de zekerheid als psychologischen -toestand met al datgene, wat zij verzekert in zooverre als zij het -verzekert. Het systeem der christelijke gewisheid komt dientengevolge -neer op een formeel schema van de verschillende soorten en graden van -zekerheid, die uit het christelijk zelfbewustzijn ten opzichte van de -geloofsobjecten voortvloeien. Nu is het echter Franks bedoeling niet, -dat de objecten van het christelijk geloof niet vooraf zouden bestaan -en bekend zouden zijn. Hij verklaart uitdrukkelijk het tegendeel, Gew. -I 313. Hij ontkent evenmin, dat de christelijke zekerheid ontstaan -zou door het woord, Dogmatische Studien, Erl. u. Leipz. 1892 S. 56. -Hij wil die objectieve waarheden niet afleiden uit het wedergeboren -subject, ib. S. 68, 69. Meer nog; als hij al datgene, wat uit het -christelijk zelfbewustzijn volgt, daaruit afgeleid en heel het systeem -der christelijke zekerheid ontwikkeld en voltooid heeft, dan zegt hij met -duidelijke woorden, dat er nu een omkeer volgt, en dat het laatste het -eerste wordt. De Christen heeft uit en door zijne eigene zekerheid den -objectieven grond gevonden, waarop hij met zijn geloofsleven rust, n.l. -de genade Gods in Christus, en vandaar uit bouwt hij nu het systeem der -christelijke waarheid op, Syst. der chr. Gew. II 281 f. De bedoeling van -Frank is alleen, om antwoord te geven op de vraag: hoe komt een mensch -daartoe, om op die objectieve factoren des heils, God, Christus, de H. -Schrift, enz. zich te verlaten, om de Schrift onbepaald als Gods woord -aan te nemen, S. der chr. Gew. II 285 f. Dogm. Stud. 56. In het systeem -der christelijke zekerheid ontwikkelt Frank dus niet zoozeer de gronden -des geloofs, als wel de wegen, waarlangs een mensch tot zekerheid komt -aangaande de christelijke geloofswaarheden. En in het algemeen zegt -Frank nu, dat een mensch deze zekerheid verkrijgt niet door historische -of rationeele bewijzen en evenmin door gezag, kerk, traditie, enz. maar -alleen door de ervaring der wedergeboorte, S. d. chr. Gew. I 314. - -De vraag, welke Frank zich ter beantwoording heeft voorgesteld, is -dus allerbelangrijkst; zij is ook noodig en goed, want de christelijke -zekerheid spreekt niet vanzelve en is dikwerf aan twijfel onderhevig. -Ook het antwoord, dat Frank op die vraag geeft, is tot op zekere hoogte -juist. Gelijk het oog noodig is, om het licht te aanschouwen, zoo is -de wedergeboorte van noode, om het koninkrijk der hemelen te zien. -Maar er kan twijfel rijzen of het System der christlichen Gewissheit -van Frank aan deze zijne goede bedoeling beantwoordt. En voor dien -twijfel bestaat grond. Immers is heel het systeem als zoodanig met die -uitgesproken bedoeling in strijd. Als Frank niets had willen doen dan -beschrijven, hoe de geloovige tot zekerheid komt, dan had hij alleen den -oorsprong en den aard dier zekerheid in het licht gesteld en was hij -daarmede geëindigd. Evenals de Erkenntnisstheorie alleen de gronden -ontwikkelt waarop het geloof aan de buitenwereld rust, maar niet elk -voorwerp in die wereld uit deze zekerheid afleidt, zoo had het systeem -der christelijke zekerheid moeten volstaan met het aangeven van de -gronden der zekerheid maar niet haar inhoud moeten bespreken. Dan ware -er echter ook geen systeem in eigenlijken zin van de verschillende -objecten, waarop de zekerheid betrekking heeft, mogelijk geweest. -Frank doet echter veel meer; hij geeft een systeem. Hij leidt alle -geloofswaarheden successief, wel niet in temporeelen maar toch in -logischen, causalen zin, Gew. I 47, II 290 uit de wedergeboorte af. Hij -laat den Christen uit de ervaring der wedergeboorte allengs komen tot -alle christelijke dogmata, „alsof” hij er vroeger en langs anderen weg -niets van wist. Zoo doet Frank met alle dogmata, van zonde, schuld, -God, drieëenheid, menschwording, opstanding, enz. Wij krijgen den indruk, -alsof al deze waarheden buiten Schrift en kerk om door den Christen uit -zijne wedergeboorte kunnen worden afgeleid. Frank verwart onophoudelijk -met elkander de causa essendi en de causa cognoscendi, den objectieven -grond der geloofswaarheid en den subjectieven weg, waarlangs iemand -tot zekerheid daarvan komt. Hij verwisselt en vereenzelvigt objectieve -waarheid en subjectieve zekerheid. Meermalen drukt hij zich zoo uit, -alsof de wedergeborene de objectieve geloofswaarheden eenvoudig -krachtens zijne geestelijke ervaring als realiteiten poneert, Gew. I -94, 193. Hij spreekt van eene Autonomie des christlichen Subjektes als -Garanten der Wahrheit, I 151. - -6. Dit alles wortelt bij Frank in eene eigenaardige Erkenntnisstheorie. -Hij gaat een goed eind mede met het idealisme der nieuwere philosophie, -I 58 f. Het object is als object, d. i. voor het subject slechts -aanwezig door die Setzung durch das Subject, ib. 61. Wel erkent Frank -de realiteit der objectieve wereld, zij het ook niet in empiristischen -en sensualistischen zin, ib. 59, 60. Maar onze kennis heeft het nooit -te doen met het Ding an und für sich, maar altijd met het Ding für -uns. Dat wij aan het object een bestaan op zichzelf toekennen, komt -daar vandaan, dat wij ons genoodzaakt zien, om het object zoo en niet -anders te poneeren. Beide richtingen, zoowel het empirisme als het -idealisme, doen dat; zij verschillen alleen in de wijze, waarop zij -het doen, ib. 61. Zekerheid is daarom altijd zekerheid aangaande een -object. Zij bestaat juist hierin, des Objectes inne zu sein als der -Wahrheit, ib. 63. Wij komen door deze redeneering niet verder, dan -dat onze geest zoo ingericht is, dat hij de objectieve realiteit der -voorwerpen, waarvan hij zeker is, moet aannemen; of de menschelijke geest -dit echter terecht doet en niet aan hallucinatie lijdt, is voor Frank -geen vraag. De noodwendigheid der Setzung is voor hem de laatste grond -der objectieve realiteit. De zekerheid is hem niet essentieel maar -erkenntnisstheoretisch de waarborg der waarheid. De realiteit is wel -zijnsgrond der zekerheid, maar deze is kengrond der realiteit. - -Deze Erkenntnisstheorie past Frank ook toe op het christelijk geloof. De -objectieve waarheden en feiten van het Christendom gaan wel essentieel -en causaal aan het geloof vooraf, maar in erkenntnisstheoretischen zin -volgen zij er op. Evenals hij nu in de philosophie het zelfbewustzijn -van den mensch tot uitgangspunt neemt, zoo gaat hij in de theologie -uit van het zelfbewustzijn van den Christen, van de ervaring der -wedergeboorte. Maar tegen dit uitgangspunt en tegen deze methode zijn -vele bezwaren. a) Deze wedergeboorte van den Christen en evenzoo al -zijne andere geestelijke ervaringen, ingesloten zelfs zijne zekerheid, -zijn niet spontaan in den Christen ontstaan, maar staan van den beginne -af en bij den voortduur in verband met de objectieve factoren van -Schrift, kerk, enz. Frank erkent dat zelf meermalen, I 123, 124, 191, -enz.; maar ten onrechte maakt hij de geestelijke ervaring dan apriori -van die objectieve factoren los, om ze op zichzelve te stellen en -in zichzelve te doen rusten. Het uitgangspunt van Frank, n.l. de -zekerheid des Christens, is eene loutere abstractie; die zekerheid -rust van den aanvang af en altijd door op de objectieve, van buiten -tot den geloovige komende factoren des heils. b) Door, gelijk boven -werd opgemerkt, in het System der chr. Gew. II 281 f. te erkennen, -dat de orde nu omkeert, geeft Frank zelf toe, dat de wedergeboorte -geen genoegzame zekerheid biedt voor de objectieve waarheid van het -christelijk geloof. Want indien de objectieve, causale orde inderdaad -zoo is, als Frank die in zijn System der christlichen Wahrheit -aangeeft, n.l. zoo, dat het objectieve voorafgaat, dan moet deze ook -de orde zijn van heel het systeem. Het systeem moet afdruk zijn van de -zijnsorde, niet van de wijze, waarop iemand tot kennis en zekerheid -komt van de objectieve waarheid. Want deze wijze is zoo verschillend, -dat ze voor geen systematische beschrijving vatbaar is, cf. boven -bl. 50. c) De methode, waarnaar Frank de objectieve dogmata uit de -zekerheid des Christens construeert, is eene, die in de christelijke -religie en theologie niet past. Zij is ontleend aan de speculatieve -philosophie. Evenals deze haar uitgangspunt nam in een algemeen, van -alles geabstraheerd, vaag principe; zoo is het van alle objectieve -factoren losgemaakte zelfbewustzijn van den Christen, zijne zekerheid -an sich, het cogito ergo sum, het δος μοι που στω voor Frank. Daaruit -concludeert hij allereerst tot de immanente geloofswaarheden. Vervolgens -roept hij de methode der natuurwetenschap te hulp en besluit regressief -uit het gevolg tot de oorzaak en wil het nieuwe leven des Christens -geheel naar empirische methode verklaren, I 39. Zooals de natuurkundige -door de spectraalanalyse de chemische bestanddeelen van de zon tracht -te leeren kennen, zoo beproeft Frank het leven der wedergeboorte -door ontleding tot zijne objectieve factoren te herleiden, I 315. De -Christen, nadenkende over zijn geestelijk leven, kan het niet anders -verklaren dan door aan te nemen, dat God drieëenig is, dat Christus -mensch geworden is en voldaan heeft, enz. d) Deze methode is ook met -alle christelijke ervaring in strijd. Zoo kwam nooit eenig Christen tot -zekerheid aangaande de objectieve waarheid. Zij gaat geheel buiten -de werkelijkheid om. Bovendien is zij onpractisch, want in twijfel en -ongeloof mist de Christen juist die zekerheid, welke alleen volgens -Frank hem de objectieve waarheid van zijn geloof waarborgen kan. In -zulke tijden heeft hij juist een objectief woord, eene objectieve daad -van noode, welke hem staande houdt en waaraan hij zich vastklemmen -en uit de diepte des twijfels en der aanvechting wederom opheffen -kan. e) Eindelijk zijn er nog verschillende andere bedenkingen in te -brengen tegen het systeem van Frank. Zoo lijdt de overgang van het -natuurlijk tot het geestelijk weten en evenzoo het verband tusschen -beide bij Frank aan onduidelijkheid. De onderscheiding van een tweeërlei -ik in den wedergeborene is voor allerlei misverstand vatbaar; in de -wedergeboorte wordt geen nieuw ik in den mensch geschapen maar het ik -van den psychischen mensch vernieuwd. De splitsing van de dogmatiek -in een systeem der zekerheid en een systeem der waarheid is niet vol -te houden, wijl de zekerheid des Christens niet beschreven kan worden -zonder de waarheid, welke zij geldt. Maar het bovenstaande is genoeg, -om te doen zien, dat de beschuldiging van subjectivisme, al is ze ook -vaag, niet geheel ten onrechte tegen de theologie van Frank, evenals -tegen die van Ritschl ingebracht is. Cf. over Frank: Henri Bois, -De la certitude chrétienne. Essai sur la théologie de Frank, Paris -Fischbacher 1887. O. Flügel, Die spekulative Theol. der Gegenwart -2e Aufl. 1888 S. 188 f. Dr. A. Carlblom, Zur Lehre von der christl. -Gewissheit, Leipzig 1874. Dorner, Christl. Glaubenslehre I 1879 S. -37 f. Pfleiderer, Die Entwicklung der protest. Theol. usw. 1891 S. -183 f. Polstorff, Der Subjektivismus in der modernen Theologie und -sein Unrecht, Gütersloh 1893. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g. -kirchl. Theol. 1890 S. 110 f. Ernst Haack, Ueber Wesen und Bedeutung -der christl. Erfahrung, Schwerin 1894. - - -§ 16. DE ETHISCH-PSYCHOLOGISCHE METHODE. - -1. Naast de historische bewijzen en de speculatieve redeneering bestaat -er nog eene derde manier, waarop men het christelijk geloof heeft -zoeken te rechtvaardigen; en dat is de ethisch-psychologische methode. -Deze vat het Christendom niet op als eene leer, die gedemonstreerd, -of als een historisch feit, dat bewezen kan worden; maar als eene -religieus-ethische macht, die zich richt tot hart en geweten. Zij -meent daarom ook niet, dat het Christendom aan ieder mensch zonder -onderscheid en in alle omstandigheden aannemelijk kan worden gemaakt, -maar zij eischt in den mensch eene voorafgaande zedelijke gesteldheid, -een zin voor het goede, eene behoefte aan verlossing, een gevoel van -onvoldaanheid enz. En als het Christendom dan met zulk een mensch in -aanraking komt, beveelt het zichzelf zonder redeneering en bewijs aan -zijne conscientie als goddelijke waarheid aan. Want het bevredigt zijne -religieus-ethische behoeften, het beantwoordt aan zijne hoogere, edele -inspiratiën, het verzoent hem met zichzelf, het bevrijdt hem van de -schuld en den last der zonde, het schenkt hem vrede, troost, zaligheid, -en in dit alles bewijst het zich als de kracht en de wijsheid Gods. - -Ook deze bewijsvoering voor de waarheid van het Christendom is reeds -zeer oud. Tertullianus beriep zich al op het getuigenis, dat de -ziel onwillekeurig voor Christus aflegt, de test. an. 1. cf. Apol. -c. 17. Arnobius, adv. gentes II, 2. Bij vele Apologeten vinden we de -gedachte, dat de heidensche philosophie en mythologie onbekwaam zijn, -om een bevredigend antwoord te geven op de vragen naar God, mensch -en wereld; om aan de religieuse behoeften te voldoen en een waarlijk -zedelijk leven te kweeken. Het Christendom daarentegen omvat al het -ware en goede, dat er verstrooid ook nog in de heidenwereld aanwezig -was; het geeft stof aan het denken, het vernieuwt het hart, het kweekt -allerlei deugden; het Christendom is de ware philosophie. Ὁσα οὐν παρα -πασι καλως εἰρηται, ἡμων των χριστιανων ἐστιν, Just. Mart. Apol. II -13. cf. Harnack, D. G. I 421 f. 436 f. Evenzoo wijst Duns Scotus in -den proloog voor zijne Sententiae op de redelijkheid van den inhoud der -openbaring, op hare zedelijke werking en op hare genoegzaamheid voor den -mensch, om zijne bestemming te bereiken. De argumenten, door Roomsche en -Protestantsche theologen voor de waarheid der openbaring aangevoerd, -waren niet alleen ontleend aan de wonderen en voorspellingen enz.; -maar ook aan de schoonheid en majesteit van den stijl der Schrift, aan -de onderlinge overeenstemming van al hare deelen, aan de verhevenheid -en goddelijkheid van haar inhoud, aan de werking en invloed, die er van -de christelijke religie uitgegaan was op het verstandelijk, zedelijk, -aesthetisch, sociaal en politiek leven van den enkele en van gezinnen -en volken, Bellarminus, de Conc. et Eccl. lib. 4. cap 11 sq. Perrone, -Praelect. Theol. I 129 sq. Jansen I 158 sq. 269 sq. Hake, Handbuch der -allgem. Religionswiss. 1887 II 228 f. Calv. Inst. I c. 8. Maresius, -Syst. theol. loc. I § 31. Synops. pur. theol. Disp. 2. § 17 sq. 25. -Vitringa, Doctr. christ. relig. cap. 2 § 26-29. Hoornbeek, Theol. -pract. I p. 48. Quenstedt, Theol. didact-pol. I cap. 3 sect. 2 qu. 16. -Glassius, Philol. Sacra I tract. 3. etc. Zelfs Rousseau kon in zijn -Emile aan het leven en de leer van Jezus zijn lof niet onthouden: oui, -si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de -Jesus sont d’un Dieu. Het supranaturalisme verdeelde de bewijzen voor -het Christendom in uit- en inwendige, en verstond onder de laatste -juist die, welke de overeenstemming van het Christendom met de redelijke -en zedelijke natuur des menschen aantoonden en vooral voor zijn hart en -geweten van kracht waren. Ook de theologen van deze richting zagen -in, dat de bewijzen toch niet voor ieder mensch zonder onderscheid -voldoende waren, dat zij geen mathematische maar moreele zekerheid -verschaften, en daarom ook eene zekere zedelijke gesteldheid van ’s -menschen zijde onderstelden, Knapp, Glaub. I S. 71 f. Bretschneider, -Dogm. I S. 281 f. Id., Entwicklung aller in der Dogm. vork. Begriffe, -4e Aufl. S. 219-230. Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. § 38. Vinke, -Theol. Christ. Dogm. Comp. p. 17 sq. Voigt, Fundamentaldogm. S. 269 f. -Oosterzee, Dogm. I bl. 199. 234 v. 252 v. Gretillat, Exposé de theol. -systém. II 163 s. 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinb. 1892 p. 42. - -Vooral echter is de ethisch-psychologische methode in eere gekomen door -Pascal en Vinet. Bij beiden stond ze echter nog niet met de historische -bewijsvoering in tegenstelling. De historische bewijzen vormen zelfs in -de apologie van Pascal een noodzakelijk element en werden door hem zelf -zeer hoog gewaardeerd, Wijnmalen, Pascal als bestrijder der Jezuiten -en verdediger des Christendoms 1865 bl. 164-188. Maar hij gaf toch -aan die historische bewijzen eene andere plaats en beteekenis. Zijne -apologie is anthropologisch, ze gaat uit van de ellende des menschen, -en wil bij hem eene behoefte naar verlossing wekken. En dan toont ze -aan, dat die behoefte niet in de heidensche godsdiensten en in de -wijsgeerige stelsels bevrediging vindt maar alleen in de door Israëls -godsdienst voorbereide christelijke religie. En ook Vinet versmaadde -de historische bewijzen niet, Discours sur quelques sujets religieux, -6e ed. Paris 1862 p. 29. Essais de philos. morale et relig. 1837 p. 36 -s., maar hij acht ze toch onvoldoende en hecht grooter waarde aan het -inwendig bewijs. Hij wil, dat de apologeet den ethischen weg bewandele -en het Christendom van zijne ethische zijde, als de ware humaniteit, -aan het geweten des menschen aanbevele, cf. zijn l’Evangile compris -par le coeur in de Discours t. a. p. p. 29-41, en Le regard, in zijne -Etudes Evangéliques 1847, cf. Dr. J. Cramer, Alex. Vinet, Leiden, -Brill 1883 bl. 99 v. 117 v. Sedert is deze methode, met verwaarloozing -en soms zelfs met minachting van de historische bewijzen, overgenomen -en gehuldigd door Astié, De theol. des verstands en de theol. des -gewetens, uit het Fransch door D. Ch. de la Saussaye 1866. Pressensé, -Les Origines, Paris 1883 p. 114-128. Sécrétan, La civilisation et la -croyance, Paris, Alcan 1887, Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. bl. -55 v. 64 v.; en voorts vinden we deze zelfde bewijsvoering voor het -Christendom bij Delitzsch, System der christl. Apol. Leipzig 1869 S. -30, 34 f. Baumstark, Christl. Apol. auf anthropol. Grundlage I 1872 S. -34-36. Köstlin, Die Begründung unserer sittlich-relig. Ueberzeugung, -Berlin 1893 S. 58 f. enz. - -2. Verwant aan deze methode is het moreel bewijs, gelijk het door -Kant is voorgedragen. Kant nam twee bronnen voor onze kennis aan, -de Sinnlichkeit voor de stof, en het verstand voor den vorm onzer -kennis. Maar daarboven staat nu nog de rede, de reine Vernunft, wier -apriorische synthetische Grundsatz deze is, dat zij uit het Bedingte -tot het Unbedingte opklimt, Kr. d. r. Vern. ed. Kirchmann 5te Aufl. -S. 300, cf. 310, 312, 319, 347. Krachtens deze eigenaardigheid vormt -de theoretische rede verschillende Grundsätze of ideeën, ib. 308, die -absoluut, unbedingt, transcendent zijn en door de rede niet willekeurig, -maar overeenkomstig hare natuur worden voortgebracht, ib. 312 f. Die -ideeën zijn vooral een drietal, God, vrijheid en onsterfelijkheid, ib. -317 f. Deze ideeën kunnen echter niet in hare objectieve waarheid -aangetoond, maar slechts subjectief uit de natuur der rede afgeleid -worden. De objecten dier ideeën zijn niet waarneembaar, en dus niet -kenbaar. Wij komen tot die ideeën alleen door een nothwendigen -Vernunftschluss, ib. 321. Ze zijn alle drie theoretisch onbewijsbaar. Zij -vermeerderen onze kennis niet, maar regelen en ordenen ze slechts, en -doen ons alles zoo aanzien en beschouwen, „alsob” die ideeën realiteit -hadden, ib. 337, 425, 512, 530, 535, 537, 539, 540 f. Dat ze realiteit -hebben en wat ze zijn, kan ons de theoretische rede niet leeren. Maar -nu is de rede niet alleen theoretisch maar ook practisch. Dat is: ze -draagt eene zedelijke wet, een kategorischen imperatief in zich en houdt -ons den plicht voor. En zij eischt, dat we dien plicht onvoorwaardelijk, -zonder bijbedoeling, alleen uit achting voor dien plicht als zoodanig -volbrengen zullen. Zij openbaart dus, dat de mensch nog tot eene andere -orde dan die der natuur behoort, n.l. tot eene zedelijke wereldorde; -dat hij naar een hoogste goed heeft te streven, hetwelk de zinnelijke -goederen des levens ver te boven gaat en in niets anders bestaat dan in -de eenheid van deugd en geluk. Indien dit gebod van den plicht nu geen -illusie maar uitvoerbaar is, en het hoogste goed, de eenheid van deugd -en geluk, werkelijk eens bereikt zal worden; indien m. a. w. de zedelijke -wereldorde in ons en buiten ons eenmaal zal triumfeeren over de orde -der natuur; dan moet God, de vrijheid, de onsterfelijkheid bestaan. Deze -drie zijn dus postulaten der practische rede, haar realiteit wordt door -de zedewet geëischt, de practische rede heeft haar bestaan noodig, Kr. -der prakt. Vernunft, ed. Kirchmann, 3e Aufl. 1882. S. 159 f. - -Dat is in hoofdzaak de beroemde postulaatstheorie van Kant. Maar zij is -niet boven kritiek verheven. Ten eerste is het niet helder, wie deze -postulaten uit de practische rede afleidt. Kant schijnt te meenen, dat -de practische rede zelve dit doet. Maar dan komen er twee practische -reden, eene voorafgaande en eene volgende, eene die den plicht -voorhoudt en eene die daaruit door redeneering tot het bestaan der -ideeën besluit. De practische rede wordt dan zelve weer theoretisch, -Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 325, 328. Van meer gewicht is eene -andere bedenking, welke toch de grond zij, waarop de theoretische -of practische rede tot het bestaan dier ideeën besluit; wat is het -dringend motief voor die postulaten? Indien die grond, dat motief ligt -in de practische rede op zichzelve, in den kategorischen imperatief, in -het gebod van den plicht als zoodanig; dan kan ook de meest zedelooze -uit het verschijnsel van die practische rede tot de realiteit dezer -drie ideeën besluiten. Nu schijnt het soms, alsof Kant dit werkelijk -meent. Hij geeft meermalen den indruk, alsof de practische rede op -zichzelve, zonder meer, om zich te kunnen realiseeren, deze postulaten -stellen moet. Hij zegt niet alleen, dat ieder zedelijk ontwikkeld mensch -bevoegd is, om zoo te postuleeren, maar dat het voor elk redelijk wezen -onvermijdelijk is, om zoo te besluiten; dat de onderstellingen van het -bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid even noodwendig zijn als -de zedewet zelve, Kr. d. pr. V. 173 noot; en hij betoogt juist S. 146 -f. 149 f. dat de zedewet, om uitvoerbaar te zijn, die drie ideeën als -bestaande moet aannemen. Maar, indien dit Kants meening is, dan hebben -we hier niet met psychologisch bemiddelde maar met objectief logische -postulaten te doen; en de vraag rijst, waarom is zulk een logisch -postulaat dan toch geen weten, geen element der theoretische rede? -Waarom noemt Kant dit weten alleen practisch? Er pleit daarom meer voor -om te denken, dat de grond en het motief voor deze postulaten niet ligt -in de practische rede op zichzelf, maar in de zedelijke gezindheid, in -den zedelijken wil van den mensch, die ernstig, zij het ook met zwakheid, -aan den plicht, welken de practische rede hem voorschrijft, tracht te -gehoorzamen. Daarom verklaart hij in de Kr. d. r. Vernunft S. 638 f., -dat de moralische Glaube een voor waar houden is op psychologische, -moreele gronden; daarom zegt dit zedelijk geloof niet, het is zeker, -maar ik ben moreel zeker; daarom rust het op de Voraussetzung -moralischer Gesinnungen, ib. 639. En evenzoo zegt hij, Kr. d. pr. V. S. -172: der _Rechtschaffene_ darf sagen; ik wil dat er een God is, ik laat -mij dit geloof niet ontnemen, mijn zedelijk belang vordert het bestaan -van God; en S. 173: het moreele geloof is geen gebod, een geloof, -dat geboden wordt, is een onding; en S. 173-175: het plichtbesef is -objectief en evenzoo de mogelijkheid om zedelijk te handelen en gelukkig -te zijn; maar of dat verband tusschen deugd en geluk nu gelegd wordt -door een persoonlijk God of door den samenhang der natuur, weten wij -niet. Het zedelijke belang geeft hier den doorslag; het staat in unserer -Wahl, maar de practische Vernunft beslist voor het geloof aan een -wijzen Schepper der wereld. Inderdaad is er bij Kant een dubbel streven -merkbaar, eenerzijds om de redelijkheid en andererzijds om de vrijheid van -het geloof te handhaven. Het geloof aan God, vrijheid en onsterfelijkheid -is in zooverre objectief als het gepostuleerd wordt door de aan allen -eigene practische rede, maar hangt toch ook weer af van de zedelijke -gezindheid van den individueelen mensch. Cf. over de practische -Vernunft en de postulaatstheorie van Kant o. a. Schopenhauer, Die -Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. I 610-625. J. Gottschick, -Kants Beweis für das Dasein Grottes 1878. E. Katzer, Der moralische -Gottesbeweis nach Kant und Herbart, Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S. -482-532, 635-689. B. Pünjer, Gesch. der christl. Religionsphil. II S. -19-30. Fr. Paulsen, Was uns Kant sein kann, Separat-Abdruck aus der -Vierteljahrsschrift für wiss. Philos. V S. 57 f. Rauwenhoff, Wijsbeg. v. -d. godsd. 321 v. Leendertz, Het ethisch-evangelisch standpunt en het -christ.-godsd. geloof 1891 I 215 v. - -3. De beteekenis van Kant voor de theologie bestond voornamelijk daarin, -dat hij scheiding maakte tusschen phaenomenon en noumenon, erklärbare -en erlebbare Wirklichkeit, wereld van ’t zijnde en van de Werthe, weten -en gelooven, wetenschap en religie, theoretische en practische rede. -De religie kwam naast en buiten de wetenschap te staan, en rustte op -een eigen grondslag, op dien van ’s menschen zedelijke natuur. Reeds -terstond was de invloed van Kants philosophie op de theologie merkbaar. -Het supranaturalisme betoogde op grond van de onkenbaarheid van het -bovenzinlijke de noodzakelijkheid der openbaring. Het rationalisme -sloot zich aan bij de rationeele moraal en de moralistische religie -van Kant. Schleiermacher nam Kant’s leer van de onkenbaarheid van het -bovennatuurlijke en zijne scheiding van religie en wetenschap over, -maar zocht voor de religie eene veilige schuilplaats in het gevoel. -Maar vooral nadat de ijdelheid der historisch-apologetische en der -speculatieve bewijsvoering gebleken was, gingen velen naar Kant terug. -Hier te lande geschiedde dit reeds door Hoekstra. Onbevredigd door het -intellectualisme en determinisme van Scholten, zocht hij den grondslag -van het godsdienstig geloof met Kant in de practische rede en hare -postulaten. Het geloof is volgens Hoekstra een zedelijke daad van den -wil, een postulaat van onzen inwendigen geestelijken mensch tegenover de -levenservaringen; het rust op het geloof aan de waarheid van ons eigen -innerlijk wezen. Die wereldbeschouwing is alleen de ware, welke aan -ons innerlijk wezen, aan onze zedelijke behoeften beantwoordt, Bronnen -en grondsl. van het godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 45 v. Later heeft -Hoekstra in een artikel in het Theol. Tijdschr. 1872 bl. 1 v. zijne -gedachte nader gepreciseerd, en het godsdienstig geloof gegrond niet op -onze behoeften, idealen, aspiratiën in het algemeen, maar bepaald op -het onvoorwaardelijk plichtbesef, ib. 32, cf. Wijsgeerige Godsdienstleer -I 220. In aansluiting aan Hoekstra laten Ph. R. Hugenholtz, Studien -op godsdienst- en zedekundig gebied, Amst. 1884-89, bv. II 142 v. -Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 335 v. Leendertz, Het ethisch-evang. -standpunt en het christ. godsd. geloof. Rott. 1891 I 7, 10, 57 v. en -anderen het godsdienstig geloof wortelen in het zedelijk zelfbewustzijn. -De ethische modernen zijn nog een stap verder gegaan; afziende van de -poging om tot een wijsgeerig stelsel te komen, hebben ze geloof en -wetenschap zoo scherp mogelijk gescheiden en de religie tot het gebied -van het zedelijke beperkt. Religie is zedelijk idealisme, toewijding aan -het zedelijk ideaal, geloof aan de macht van het goede, welke macht dan -volgens de meesten nog wel een objectief bestaan heeft, maar bij enkelen -niets is dan eene conceptie van den menschelijken geest. Cf. Rauwenhoff, -Wijsb. v. d. godsd. bl. 116 v., 366 v., die bl. 116 ook litt. aangeeft. -Voorts nog J. W. v. d. Linden, in de Gids, Dec. 1883 en Bijblad van de -Herv. 9 Sept. 1887. Dr. A. Bruining, Verschillende schakeeringen van -modernen, Bijblad v. d. Herv. 10 Febr. 1885. De Bussy, Ethisch idealisme -1875. Id. Over de waarde en den inhoud van godsd. voorstellingen 188O. -Id. De maatstaf van het zedelijk oordeel, enz. 1889. Id. Theol. Tijdsch. -Jan. 1895 bl. 1-14. Een soortgelijk dualisme wordt ook aangetroffen bij -Dr. J. H. Gunning, Overlevering en wetenschap 1879, Dr. J. W. Gunning, -in de inleiding voor Christendom en Natuurwetenschap, acht voordrachten -van Fred. Temple, Haarlem 1887, en eveneens bij Doedes, als hij scheiding -maakt tusschen het geloof, dat op gronden steunt en de wetenschap, die -op bewijzen rust, Inl. tot de Leer van God 1880 bl. 7 v. - -4. In Duitschland dagteekent de terugkeer tot Kant van Liebmann’s -boek over Kant und die Epigonen 1865 en F. A. Lange’s Geschichte des -Materialismus 1866. Cf. Hans Vaihinger, Hartmann, Dühring und Lange, -Iserlohn 1876 S. 18 f. 54 f. usw. Ed. von Hartmann, Neukantianismus, -Schopenhauerianismus und Hegelianismus, 2e Aufl. 1877 S. 1-118. In de -theologie werd het Kantianisme vernieuwd door Ritschl en Lipsius. De -principia der theologie van Ritschl en zijne school zijn deze: allereerst -moet er eene scheiding gemaakt worden tusschen metaphysica en religie -(theologie). Het metaphysisch begrip van het Absolute heeft niets te -maken met de religieuse Godsidee, Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881 S. -13. Rechtf. u. Vers. III² 201 f. 211 f. 221 f. Herrmann, Die Religion -im Verhältniss zum Welterkennen und zur Sittlichkeit, Halle 1879 trok -de scheiding nog verder door, en maakte onderscheid tusschen het object -der metaphysica en der religie, ib. S. 100, tusschen de erklärbare -en de erlebbare Wirklichkeit, S. 100, 107, tusschen de natuurlijke -en de zedelijke wereld, S. 269, 355. Cf. ook Kaftan, Das Wesen der -christl. Religion, Basel 1881 S. 200. Vervolgens heeft de theologie -haar standpunt niet te nemen vóór het geloof, in eene theologia -naturalis, die niet bestaat, maar in het geloof der gemeente. Van daar -moet ze uitgaan en alles beschouwen en waardeeren, Ritschl, Theol. u. -Metaph. S. 11 f. 61. Rechtf. u. Vers. I² 364 III 2-8, 13, 32, 162, -165, 198, 304, 356 f. De orthodoxie liet aan de fides salvifica, d. -i. de fiducia, nog wel de fides historica, den assensus voorafgaan, -maar dat was in strijd met de oorspronkelijke leer der Hervorming bij -Luther, Melanchton en Calvijn. Op die wijze zou het geloof altijd weer -afhangen van uitwendige bewijzen, bestaan in het aannemen van eenige -waarheden, en van alle vrijheid, zelfstandigheid en zekerheid worden -beroofd, Ritschl, Fides implicita, Bonn, 1890 S. 69. Gottschick, Die -Kirchlichkeit der sogenannten kirchl. Theol. Freiburg, 1890 S. 11-53, -69 f. Traub, Glaube u. Theol., Stud. u. Krit. 1893, 3tes Heft S. -568-588. Herrmann, Die Gewissheit des Glaubens und die Freiheit der -Theol., Freiburg 1887, 2e Aufl. 1889. Id. Der Verkehr des Christen -mit Gott, Stuttgart 1886 S. 18 f. 83 f. 92 f. 2e Aufl. 1892. Id. Der -evang. Glaube und die Theol. Albr. Ritschls 1890. Id. in Beweis des -Glaubens 1890. Kaftan, Brauchen wir ein neues Dogma, 1890, S. 37. Id. -Glaube u. Dogma. Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick 1891 S. 478 -f. cf. 1893 S. 427 f. Kattenbusch, Ueber religiösen Glauben im Sinne -des Christ. Giessen 1887. In de derde plaats tracht de theologie van -Ritschl het zaligmakend geloof te binden aan de historische openbaring -in den persoon van Christus. Het geloof is juist als fiducia niet -aannemen van eene leer maar vertrouwen op een persoon. Maar dan komt -het geloof natuurlijk niet vanzelf uit den mensch op, maar onderstelt -het een object en eenige voorafgaande kennis van dat object. Herrmann -erkent zelfs dat de notitia eene Vorbedingung des Glaubens is, -Verkehr des Christen mit Gott, 2e Aufl. S. 182. Zeits. f. Theol. u. -K. von Gottschick IV, 4tes Heft S. 273. Op welken grond staat nu dat -object, die historische openbaring in Christus, vast? Van waar komt de -zekerheid aangaande hare realiteit? Het antwoord, dat op die belangrijke -vraag door de Ritschlianen gegeven wordt, is zeer verschillend. Ritschl -zelf geeft eigenlijk geen antwoord. Hij verwijst den enkelen mensch naar -de gemeente, die de ervaring heeft van de vergeving der zonden en van -het kindschap Gods, maar zegt niet, wat den individueelen mensch nopen -moet om bij die gemeente zich aan te sluiten. Alleen grondt hij het -bestaan Gods en de redelijkheid der christelijke wereldbeschouwing op de -zelfwaardeering des geestes, Rechtf. u. Vers. III² 200 f. 209 f. 573 -f. Zijne volgelingen slaan echter gewoonlijk andere wegen in en laten de -waarheid der openbaring in Christus rusten op de innerlijke ervaring. De -aanschouwing van Christus treft ons door zijne zedelijke grootheid; Hij -maakt op het onbevangen gemoed een diepen indruk, verootmoedigt maar -heft ook op tot het vertrouwen dat God onze Vader is, Herrmann, Der -Verkehr des Christen mit Gott 1886 S. 18 f. 26 f. Beweis des Glaubens -1890 S. 81 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit der sogen. kirchl. Theol. -1890 S. 222, 226. Traub, Stud. u. Krit. 1893, S. 577. cf. Köstlin, Die -Begründung unserer sittl. relig. Ueberzeugung 1893, S. 98 f. Frank, -Dogmatische Studien 1892, S. 46 f. Herrmann bestrijdt zoo sterk mogelijk, -dat historische bewijzen ons overtuigen kunnen van de waarheid van den -persoon van Christus; hij laat de historische kritiek ook volkomen vrij -en onttrekt haar niets, maar hij zegt toch dat de Christus extra nos de -grond is van zijn geloof, Zeits. f. Theol. u. K. 1894, IV 4tes Heft S. -281; hij spreekt van eene zweifellose Thatsache, S. 280; vindt dat de -grondtrekken van het beeld van Jezus geen twijfel aan de historische -werkelijkheid van Jezus toelaten, S. 285, en erkent deze objectieve -waarheid niet op grond van bewijzen, maar omdat hij de macht van het -leven van Jezus over zich gevoeld en doorleefd heeft, S. 288; omdat -Jezus’ leven de kracht heeft, sich unserm Gewissen als eine wirkliche -Thatsache zu bezeugen, S. 293. En alleen dat is inhoud des geloofs, -wat de kracht heeft sich dem Gewissen als wirkliche Thatsache zu -bezeugen, S. 293. Eene diepere ontleding van de waarheid en zekerheid -des geloofs wordt ons in de school van Ritschl niet gegeven; de indruk, -dien de persoon van Christus op ons maakt, de kracht die er van het -evangelie uitgaat in ons gemoed, de zedelijke ervaring van deemoed -en vreugde, de overeenstemming van de idee van het Godsrijk met onze -behoeften en eischen, Kaftan, Die Wahrheit der chr. Relig. Basel 1889 -S. 537 f., schijnt voor de waarheid der openbaring in den persoon en het -leven van Christus in te staan. Eindelijk wordt de inhoud des geloofs in -de theologie van Ritschl tot een minimum gereduceerd. Ritschl zeide, -Rechtf. u. Vers. III² 369 cf. 191 f. alle Erkenntnisse religiöser Art -sind directe Werthurtheile. Ook de philosophie waardeert wel. Maar -daar zijn de Werthurtheile bijkomstig en begeleidend. In de religie zijn -ze zelfstandig; berusten ze op ’s menschen lust of onlust, op zijn wel -of wee; hebben ze betrekking op zijne verhouding tot de wereld, en zijn -onafhankelijk van de wetenschap. Als de wetenschap zich dus houdt op -haar terrein en geene wereldbeschouwing tracht op te bouwen, dan is er -geen strijd mogelijk, Ritschl, Theol. u. Metaph. 7, 9. Rechtf. u. Vers. -III² 189-197. Fides implicita S. 68, 70. Herrmann ging nog verder en -sprak zelfs uit, dat de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap -eene inbeelding was, Die Religion usw. S. 108, 112. Maar toch hebben -Ritschl en Herrmann de historische openbaring Gods in Christus als -grondslag en bron van het godsdienstig geloof vastgehouden en in -zoover de religie niet alleen in Werth- maar ook in Seinsurtheile -laten bestaan. Het was ook al te duidelijk, dat het religieuse kennen -evengoed de overtuiging insluit van de realiteit van zijn object als het -wetenschappelijk kennen. Werthurtheile zijn van Seinsurtheile afhankelijk -of anders niets dan inbeelding. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion -S. 35 f. 41 f. 55 f. erkent dan ook, dat de Werthurtheile de objectieve -waarheid onderstellen, al laat hij in erkenntnisstheoretischen zin -deze ook van gene afhangen. En Häring, Die Theol. und der Vorwurf der -doppelten Wahrheit 1886 zegt wel, dat practische, zedelijke gronden -ons bewegen tot het geloof, maar voegt er toch aan toe, dat het -christelijk geloof den waarborg voor de waarheid van het geloofde niet -in zichzelf draagt, want wenschen is geen bewijs voor de vervulling van -den wensch; maar dat het dien waarborg vindt in het historisch feit -van de openbaring Gods in Christus, cf. Häring ook Zur Lehre von der -h. Schrift, Stud. u. Krit. 1893, 1es Heft S. 177-212, vooral S. 199 f. -Vandaar, dat anderen er op wijzen, dat, al moge er nog zooveel in de -Schrift voor de kritiek bezwijken, er toch nog genoeg vast blijft staan. -Die ganze Erscheinung Christi kan toch niet onhistorisch zijn. Het -geloof is van de bovennatuurlijke geboorte van Christus, Harnack, Das -apost. Glaubensbekenntniss, Berlin, 1892, van de opstanding, Harnack, -Dogmengesch. I² 73 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 90, van de -wonderen onafhankelijk. Eerst als het historisch-kritisch onderzoek ons -zou willen ontnemen, dat Christus onze Heer is, dan zou het christelijk -geloof daartegen in verzet komen, cf. Otto Ritschl, Der histor. -Christus, der christl. Glaube u. die theol. Wissenschaft, Zeits. f. -Theol. u. Kirche v. Gottschick III 4, 5tes Heft S. 371 f., Traub, Stud. -u. Krit. 1893, S. 577 f. Erich Haupt, Die Bedeutung der h. Schrift für -den evang. Christen, 1891. Max Reischle, Der Glaube an Jesus Christus -und die geschichtliche Erforschung seines Lebens, Leipzig 1893. Van -de rijke litt. over de theologie van Ritschl en zijne school zij alleen -genoemd Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl 1888. Pfleiderer, Die -Ritschl’sche Theol., Jahrb. f. prot. Theol. April 1889 S. 162 f., ook -afzonderlijk uitgeg. te Braunschweig bij Schwetske. Id. over Herrmann, -Kaftan en Bender, Jahrb. f. prot. Theol. 1891 S. 321-383. Id. Entw. der -prot. Theol. 1891 S. 228 f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart -1888 S. 230 f. Frank, Die Theol. A. Ritschl’s 3e Aufl. Erl. 1891. -Flügel, Ritschl’s philos. und theol. Ansichten, 2e Aufl. 1892. G. -Mielke, Das System A. Ritschl’s dargestellt, nicht kritisirt, Bonn -Marcus 1894. Saussaye over Ritschl, Theol. Stud. van Dr. Daubanton 1884 -bl. 259 v. en mijn art. aldaar 1888 bl. 369 v. - -5. Een zelfde standpunt wordt eindelijk ook ingenomen door R. A. -Lipsius, Lehrbuch der ev. prot. Dogm. 1876, 2e Aufl. 1879, 3e -Aufl. 1893. Dogmatische Beiträge, Jahrb. f. prot. Theol. 1878, ook -afzonderlijk uitgegeven Leipzig, Barth, 1878. Neue Beiträge, Jahrb. -f. prot. Theol. 1885, en afzonderlijk uitgegeven onder den titel -Philosophie und Religion, Leipzig 1885. Die Hauptpunkte der christ. -Glaubenslehre, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S. 1-41, en afzonderlijk -uitgegeven Braunschw. 1889, 2e Aufl. 1891. Ook Lipsius beperkt de -wetenschap tot het gebied der in- en uitwendige ervaring, Lehrb. der -ev. prot. Dogm. § 1. Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 181 f. 1889 S. 1 f. -Maar nu erkent Lipsius toch, in onderscheiding van Ritschl en Herrmann, -nog eenig recht der metaphysica. Onze rede gevoelt behoefte en drang -om uit de ervaringswereld op te klimmen tot een unbedingten Grund, en -vormt zoo de begrippen van het Absolute, de ziel enz., Jahrb. 1885 S. -200, 278 f. 372, 395, ib. 1889 S. 3. Onze geest streeft naar eenheid, -Jahrb. 1885 S. 283. Maar dit metaphysisch of philosophisch denken is -geen eigenlijke wetenschap meer, het produceert geen positieven inhoud, -het vermeerdert ons waarheidsbezit niet, gelijk Biedermann meent; het -levert slechts Formbestimmingen, Grundbegriffe, regulative Prinzipien, -Jahrb. 1885 S. 275-283. Wanneer wij er toch eenigen inhoud in willen -leggen en er transcendente kennis door willen verkrijgen, dan dragen -wij er zinnelijke vormen op over, en wikkelen we ons in eene antinomie. -De logische en de symbolische opvatting van het metaphysische strijden -met elkaar, Jahrb. 1885 S. 281-283, ib. 1889 S. 4. Langs dezen weg is -er dus geen kennis van het bovenzinlijke te bekomen. Maar er is nog -een andere weg, die der praktische, sittliche Nöthigungen. De mensch -is n.l. een denkend maar ook een willend en handelend wezen, en hij -gevoelt zich gedrongen, om zich als zoodanig tegenover de wereld te -handhaven. Uit den Widerspruch tusschen ’s menschen geest en de natuur -wordt bij hem de religie geboren. Deze is eene practische aangelegenheid -des geestes, en ontstaat niet allereerst uit theoretische maar uit -practische behoeften. De practische, ethische drang, om zich in zijn -bestaan te handhaven, dringt den mensch tot het geloof aan God, tot -het postuleeren van eene bovenzinnelijke wereld. Het geloof begint -dus, waar de wetenschap ophoudt, Jahrb. 1885 S. 377 f. 557 f. Dit -geloof brengt eene eigen zekerheid mede, geen wetenschappelijke maar -moreele zekerheid, een zekerheid van ervaring, berustend op de erlebte -Gewissheit van mijn eigen persoon, Jahrb. 1885 S. 385 f. 438 f. Voor -een ander is deze zekerheid misschien niets dan inbeelding, maar voor -het subject zelf is ze gewis, ib. 387 f. Zoodanige ervaring is ook -het eenig criterium voor de waarheid der christelijke religie, der -openbaring in Christus. De toeëigening der historische openbaring tot -persoonlijk bezit is het eenige directe bewijs voor de waarheid der -christelijke religie. De persoonlijke ervaring der geloovigen bevestigt -de historische openbaring, gelijk deze gene wekt en versterkt, Jahrb. -1885 S. 600 f. En de Christen, alzoo geloovende, doet dan belijdenis -van bovenzinlijke realiteiten; in de dogmata geeft hij niet maar eene -beschrijving van gemoedstoestanden en Werthurtheile, maar Seinsurtheile -over de verhouding van den mensch tot God en van God tot mensch en -wereld. Deze religiöse Aussagen zijn objectief waar, indien ze in -onverbrekelijk, denknoodwendig verband staan met de verwezenlijking van -onze hoogste levensbestemming. Niet toevallige, maar wel noodwendige -Werthurtheile bewijzen de objectieve waarheid der religieuse uitspraken, -Jahrb. 1885 S. 440, 445. Voor den geloovige zelven zijn deze bewijzen -voldoende; en tegenover niet-geloovigen heeft hij nog altijd een indirect -apologetisch bewijs daarin, dat practische Nöthigungen den mensch tot -religie dwingen; de religie is geen dwang, geen natuurmacht, maar is -practisch, psychisch noodzakelijk, en is in zoover in ’s menschen wezen -gegrond, Jahrb. 1885 S. 627 f. 639 f. Dogmatisch heeft de geloovige -bovendien nog de taak, om den geloofsinhoud met al zijne kennis van de -wereld saam te voegen tot één geheel. Herrmann heeft gelooven en weten -zoo streng mogelijk en ten einde toe gescheiden gehouden. Maar Lipsius -laat beider inhoud wel opkomen uit eene eigen bron, maar wil dien -dan toch ten slotte saamvatten in eene einheitliche Weltanschauung. -De dogmatiek kan den geloofsinhoud wel niet bewijzen en het gelooven -niet tot weten verheffen, maar ze kan en moet de christelijke, de -teleologische wereldbeschouwing in verband brengen met de causale -wereldbeschouwing, met de van elders verkregen kennis der wereld, en ze -heeft dan aan te toonen dat er geen strijd is, dat het conflict slechts -schijnbaar is, dat er inderdaad eenheid is. Al behelzen de dogmata -geen wetenschappelijke waarheid, geen theoretische Erkenntnisse; al -zijn ze alle bildlich en anthropomorphistisch; ze mogen toch niet in -strijd zijn met de vaste resultaten der wetenschap. De eenheid van onzen -geest verbiedt het aannemen van eene dubbele waarheid. De religieuse -Godsidee en het begrip van het Absolute, vrijheid en noodwendigheid, -teleologische en causale wereldbeschouwing enz. moeten vereenigbaar -zijn, Jahrb. 1885 S. 648 f. 658 f. 662 f. ib. 1889 S. 6. Dogm. § 3. Cf. -over Lipsius o. a. Ed. von Hartmann, Die Krisis des Christ. in der mod. -Theol. Berlin 1880 S. 69 f. Biedermann, Christl. Dogm. 1884 I 58 f. 160 -f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart 1888 S. 95 f. Pfleiderer, -Entw. der prot. Theol. 1891, S. 241 f. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. -1894 enz. - -6. Deze ethische, practische methode tot rechtvaardiging van religie -en Christendom verdient zeker verre de voorkeur boven de historische -en speculatieve bewijsvoering. Zij vat de religie niet enkel op als -leer, die voor het verstand moet gerechtvaardigd worden, noch als een -toestand van het subject, die denkend ontleed moet worden. Maar ze ziet -in de religie eene historische, objectieve macht, die aan de zedelijke -gesteldheid van den mensch beantwoordt en daarin haar bewijs en hare -rechtvaardiging vindt. Maar toch is ook deze methode aan ernstige -bedenkingen onderhevig. In de eerste plaats is de overeenstemming -van eene religie met de zedelijke behoeften des menschen zeer zeker -van groote beteekenis. De bevrediging van hart en geweten is het -zegel en de kroon der religie. Een godsdienst, die niet troosten kan -in rouw en smart, in leven en sterven, kan de ware godsdienst niet -zijn. Van andere wetenschappen, logika, mathesis, natuurkunde, enz. -verwachten we niet, dat zij troost zullen bieden aan de schuldige -conscientie en het bedroefde gemoed. Maar eene religie, die aan -krank- en sterfbed verlegen staat, die het twijfelende niet bevestigen -en het nedergebogene niet oprichten kan, is dien naam niet waard, -Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 4 f. De zoo dikwerf gemaakte -tegenstelling tusschen waarheid en troost hoort in de religie niet -thuis. Eene waarheid, die geen troost bevat, die niet samenhangt met -het religieus-ethische leven van den mensch, houdt daardoor ook op -eene religieuse waarheid te zijn. Gelijk de medische wetenschap in al -hare onderdeelen beheerscht wordt door de genezing van het kranke, zoo -is het in de religie den mensch om vrede en zaligheid te doen. Maar -hoe hoog deze troost in de religie ook moge geschat worden en hoezeer -hij met andere bewijzen als een krachtig motivum credibilitatis in -aanmerking mag komen; toch is hij, alleen en op zichzelf gesteld, als -bewijs onvoldoende. Immers, eenige troost en bevrediging is er te vinden -in alle religies; de ervaringen van ellende en schuld, van twijfel en -vertrouwen, van lijdzaamheid en hope zijn niet alleen bij de Christenen, -maar ook in meerdere of mindere mate bij Mohammedanen, Buddhisten, enz. -aanwezig. Eene religie, die geen troost biedt en geen bevrediging -schenkt aan de zedelijke behoeften van den mensch, is zeker valsch; maar -omgekeerd is nog niet elke religie de ware, waarin de mensch zijn troost -en zijne bevrediging zoekt. Voorts zijn de behoeften van hart en geweten, -waaraan eene of andere religie voldoet, of zelve onder den invloed -dier religie gewekt, en dan is hare bevrediging vrij natuurlijk en een -weinig krachtig bewijs; of ze zijn buiten die religie om, onder andere -invloeden en onder de werking van een anderen godsdienst, ontstaan, en -dan is juist die eigenaardige behoefte, welke deze religie onderstelt, -niet aanwezig en de bevrediging ontbreekt geheel. Van eene onbewuste -aspiratie der ziel naar het Christendom wordt in de werkelijkheid -schier niets gevonden. Van eene rijpheid der volken voor het Evangelie -leert de geschiedenis der zending bitter weinig. Het Evangelie is niet -naar den mensch, niet naar de behoeften, gelijk de mensch die zelf -zich voorstelt. Buiten de openbaring kent ook de mensch zichzelven -niet. De menigmaal herhaalde bewering, dat het Christendom aan ’s -menschen behoeften beantwoordt, brengt het ernstig gevaar met zich, -dat de waarheid pasklaar gemaakt wordt voor de menschelijke natuur. -De stelling, dat de waarheid echt menschelijk is omdat ze goddelijk -is, slaat zoo licht in het tegendeel om, dat ze slechts goddelijk is -omdat ze menschelijk is. De prediking naar den mond in plaats van naar -het hart van Jeruzalem is ook op christelijke kansels niet ongewoon. -Vervolgens is de ervaring, in welke het bewijs voor de waarheid der -religie gezocht wordt, een zeer zwevend begrip. Wat is er dan toch in -eene historische religie, dat werkelijk inhoud van ervaring kan zijn? -Ervaren worden eenige religieus-ethische aandoeningen van schuld, -berouw, vergiffenis, dankbaarheid, vreugde, enz. Maar al het andere, -dat in eene historische religie voorkomt, valt buiten de ervaring. Voor -geen enkel der twaalf geloofsartikelen kan het: ik geloof door het: ik -ervaar vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en aarde, dat -Christus is Gods eengeboren Zoon, ontvangen van den H. Geest, geboren -uit Maria, enz., enz., is uitteraard voor geen ervaring vatbaar. Op den -grondslag der religieus-ethische ervaring kan nimmer de waarheid van -het historische Christendom worden gebouwd. Gevolg van deze verheffing -van de ervaring tot principium cognoscendi is dan ook alleen, dat -de inhoud van geloof en dogmatiek hoe langer hoe meer van al het -historische wordt losgemaakt en tot het zoogenaamd religieus-ethische -beperkt wordt. Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de -reeds meermalen te vergeefs beproefde scheiding tusschen idee en feit -in het Christendom. De vrucht kan echter niet langer geplukt worden, -als de boom wordt omgehouwen; en het frissche, heldere water stroomt -niet meer, wanneer de bron wordt gestopt. - -7. In plaats van in de bevrediging van hart en geweten, hebben anderen -in zoogenaamde Werthurtheile den inhoud en het bewijs der christelijke -religie gezocht. Toch is dit slechts een andere naam voor dezelfde -zaak. Indien daarmede nu niets anders bedoeld werd, dan dat een dogma -altijd eene religieus-ethische waarde bevatten moest, zou niemand tegen -deze Werthurtheile eenig bezwaar kunnen inbrengen. In elk dogma moet -men gelijk vroeger reeds gezegd werd, het hart der religie hooren slaan. -Maar in de theologie van Ritschl kregen deze Werthurtheile eene geheele -andere beteekenis. Van al het metaphysische losgemaakt, werden ze de -grondslag en de inhoud der dogmatiek. En dat is onmogelijk. Religie -sluit de overtuiging in van de realiteit van haar object. Religieuse -en ethische waardeering onderstelt de waarheid van den persoon of -de zaak, op welke zij betrekking heeft. Werthurtheile zijn daarom van -Seinsurtheile afhankelijk; zij staan en vallen met deze. Indien de -waardeering van een voorwerp niet in zijne realiteit is gegrond, wordt -zij niets dan eene inbeelding, eene schepping der phantasie of eene -ideaalvorming in den zin van Lange en Pierson. Het gaat daarom niet -aan, om te zeggen: laten de feiten zoo of anders zijn, de waardeering -beslist; want met de feiten verandert ook deze. Indien Israels volk -en godsdienst zich zoo ontwikkeld heeft, als de nieuwere kritiek het -voorstelt, moet de waardeering van het Oude Testament principieel -worden gewijzigd. Eene moderne historiebeschouwing en eene orthodoxe -waardeering passen slecht bij elkaar. Indien Christus niet waarachtig -God is, dan kan hij ook voor den Christen niet de waarde van God hebben. -En zoo is het met alle dogmata. Religieuse waardeering staat met -de objectieve waarheid in het nauwste verband. Er zouden heel wat -nevelen verdwijnen, als naar Biedermann’s wensch het Modestichwort: -Werthurtheile gebannen werd. Cf. ook Scheibe, Die Bedeutung der -Werthurtheile für das relig. Erkennen, Halle 1893. O. Ritschl, Ueber -Werthurtheile, Freiburg Mohr 1895. Langzamerhand wint de overtuiging -veld, dat religieus-ethische ervaring en waardeering, van hoe groot -gewicht ook, toch niet de waarheid van haar object kunnen waarborgen -noch ook de maatstaf kunnen zijn voor den inhoud der dogmatiek. Ook -psychologisch is deze voorstelling niet te rechtvaardigen. Want de -beslissing over de realiteit der dingen komt niet toe aan wil of -gevoel, aan hart of geweten, maar aan het bewustzijn. Eerst als de -realiteit van een ding voor het bewustzijn vaststaat, kunnen de andere -vermogens der ziel daarmede werkzaam worden. Het wenschen, gevoelen, -ervaren, verbeelden sluit in geenen deele in de realiteit van hunne -objecten. De weg tot het hart ligt gebaand door het hoofd. - -Toch hebben velen, ofschoon de zwakheid inziende van het ervarings- -en waardeeringsbewijs, er nog iets van trachten te redden door middel -van de postulaatstheorie van Kant. Men geeft dan wel toe, dat de -zedelijke natuur des menschen niet mag doen besluiten tot de realiteit -van allerlei godsdienstige voorstellingen of ook tot de waarheid der -christelijke religie; maar toch wordt aan haar het recht ontleend, -om het werkelijk bestaan te postuleeren van al datgene, wat met die -zedelijke natuur noodwendig samenhangt, en zonder hetwelk zij ondermijnd -en vernietigd wordt. Maar waarin dit bestaat, kan niemand aangeven; -de gevoelens loopen verre uiteen. Wie kan ook in het afgetrokkene -bepalen, wat met de zedelijke natuur des menschen onmiddellijk en -rechtstreeks gegeven is? Bij ieder is die zedelijke natuur verschillend -naar gelang van de omgeving, waarin zij gevormd is. Elk postuleert -juist zooveel, als waaraan hij voor zijne religie genoeg heeft. Kant -leidde uit de practische rede datgene af, wat den inhoud uitmaakte -van zijne moralische Vernunftreligion, het bestaan van God, vrijheid -en onsterfelijkheid. Fichte had genoeg aan de zedelijke wereldorde. En -Rauwenhoff beweert, dat het geloof in onszelf noodwendig postuleert het -geloof aan eene zoodanige gesteldheid van de wereld, dat de wet van het -plichtbesef daarin heerschen kan, Wijsb. v. d. godsd. bl. 343. Waarin -deze gesteldheid bestaat, wordt ons niet nader gezegd. De zedelijke -wereldorde, door Rauwenhoff gepostuleerd, is niets anders dan het -goede in ons, bl. 536 v. Maar daarmede komen we geen stap verder. Want -deze macht van het goede is ook thans reeds in den mensch aanwezig en -valt geheel saam met die zedelijke natuur, op welke juist het postulaat -was gebouwd. Of het postulaat nog iets meer insluit, bijv. dat het goede -triumfeeren zal, dat eens alle menschen het zullen kunnen en willen -volbrengen, daarover wordt het zwijgen bewaard. Rauwenhoff verwacht -dezen triumf van het goede, maar op welken grond, zegt hij niet. Indien -echter de tegenwoordige gesteldheid der wereld bestaanbaar is met de -heerschappij der zedewet in ons, waarom zou zij het dan ook niet kunnen -zijn in de toekomst? Wat recht geeft de zedelijke natuur van den mensch, -om aan het eind de volkomen zegepraal van het goede, de harmonie -van deugd en geluk, de overeenstemming van natuurlijke en zedelijke -wereldorde te eischen? Bij Rauwenhoff is de postulaatstheorie daarmee -geeindigd, dat zij tot het punt van uitgang is teruggekeerd; zij gaf aan -het eind niet meer dan zij reeds bevatte in het begin. Maar afgezien van -hare povere resultaten, rijst de vraag, of de grondslag betrouwbaar is, -waarop het postulaat wordt gebouwd? Voor den modernen godsdienstwijsgeer -is dit niet boven alle bedenking verheven. In de religie wil hij van -eene oorspronkelijke religieuse natuur des menschen niet weten. Dat -ware met eene wetenschappelijke verklaring in strijd. De religie moet -afgeleid worden uit factoren, die elk op zichzelf nog niet religieus -zijn. Maar toegekomen aan de zedelijke natuur van den mensch, schijnt hij -den eisch zijner wetenschappelijke verklaring geheel te vergeten. Zonder -zich te bekommeren om de bezwaren, van de zijde der materialistische -wetenschap ingebracht, gaat hij van de zedelijke natuur des menschen als -van eene vaststaande, onveranderlijke, oorspronkelijke eigenschap uit -en bouwt daarop de realiteit eener zedelijke wereldorde of zelfs van -eene geheele metaphysische wereld. Het recht daartoe had ten minste -moeten aangetoond zijn. Indien dit onderzoek vooraf ware ingesteld, zou -misschien gebleken zijn, dat de zedelijke natuur van den mensch zelve -reeds de religie onderstelt. In erkenntnisstheoretischen zin moge men -evenals bij het moreel bewijs voor het bestaan van God uit het zedelijke -opklimmen tot het religieuse; logisch en reëel gaat toch de religie -aan het ethische vooraf. Er is geen moraal zonder metaphysica. De idee -van plicht involveert die van eene absolute macht, die bindt in de -conscientie. Over Rauwenhoff’s Wijsb. v. d. godsd. wordt litt. opgegeven -door Kuenen in zijn Levensbericht van R., Maatsch. v. Ned. Lett. 1889 -bl. 126, en daarbij de Bussy, Gids Oct. 1889. Cannegieter, De godsdienst -uit plichtsbesef enz. Leiden 1890. - -8. Een laatste bezwaar tegen de bovengenoemde richting bestaat daarin, -dat zij altijd komen moet tot een zeker dualisme van gelooven en weten. -Sommigen hebben dit zeer kras uitgesproken. De scholastiek eindigde -in de Middeleeuwen bij enkele theologen met de stelling, dat iets in -de theologie waar en in de philosophie valsch kon zijn. Jacobi beleed -een heiden met het verstand maar een christen met het hart te zijn. -Herrmann noemde de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap eene -inbeelding. De ethische modernen eischten eene volledige scheiding -tusschen wijsbegeerte en godsdienstig leven. De meesten durven echter -zoover niet gaan en zien de onmogelijkheid in, om als wijsgeeren neen en -als godsdienstige menschen ja te zeggen. Zij erkennen, dat er aan het -eind toch samenstemming moet bestaan tusschen de uitspraken des geloofs -en de resultaten der wetenschap. De wijsbegeerte moge de godsdienstige -voorstellingen niet kunnen rechtvaardigen; zij moet er toch ook niet -de onwaarheid van kunnen aantoonen. Beide, de uitkomsten van het -wetenschappelijk onderzoek en de uitspraken van het godsdienstig geloof -moeten tot één geheel verbonden kunnen worden of althans zonder strijd -en vijandschap naast elkander kunnen bestaan. Deze overeenstemming aan -’t eind, in de resultaten, tracht men dan daardoor te verkrijgen, dat -men eenerzijds de wetenschap in betrekking tot het bovenzinlijke en -bovennatuurlijke agnostisch maakt, en aan de andere zijde de uitspraken -van het godsdienstig geloof strikt tot het religieus-ethische beperkt. -Maar al tracht men op die wijze het dualisme in het resultaat te -vermijden, feitelijk blijft men het toch huldigen in het orgaan, waardoor -en den weg of de methode, waarlangs men tot kennis der waarheid komt. -Het hart is op zijn terrein evengoed een orgaan voor de waarheid als -het hoofd. Godsdienstig-zedelijke ervaring waarborgt de realiteit der -onzienlijke dingen even sterk als de zinnelijke waarneming die der -zichtbare wereld. Het geloof met zijn gronden heeft evenveel recht als -de wetenschap met hare bewijzen. Maar het is moeilijk in te zien, hoe -men aan het dualisme, dat men bij den aanvang, in principe aanvaardt, in -het eind bij het resultaat ontkomen kan. Indien hoofd en hart een eigen -leven hebben, in dien zin, dat zij elk een zelfstandig orgaan vormen -tot kennis der waarheid, dan is ook de eenheid van de waarheid, van de -wereld, ja van God zelven, niet meer te handhaven. Gelijk subjectief de -mensch in tweeën uiteenvalt, en eenerzijds een godsdienstloos wezen is, -ingesloten in het natuurverband, en andererzijds een religieus-ethisch -wezen, burger van eene zedelijke wereldorde; zoo staan objectief -wetenschap en religie, erklärbare en erlebbare Wirklichkeit, de wereld -van het zijn en van de waardeering, de zienlijke en de onzienlijke dingen, -de absolute natuurmacht en de religieuse Godsidee gescheiden naast en -straks vijandig tegenover elkaar. - -Nu ligt er ongetwijfeld in dit dualisme eene zekere waarheid, die -niet miskend worden mag. Er is n.l. behalve eene logische, ook nog -eene zekerheid des geloofs. Maar deze onderscheiding is, gelijk later -blijken zal, eene gansch andere dan de scheiding, welke door het boven -omschreven dualisme wordt voorgesteld. Deze tweeërlei zekerheid toch -deelt noch den mensch noch de wereld in twee helften, maar maakt in -den kring der wetenschap zelven onderscheid tusschen datgene wat -onmiddellijk en wat door middel van bewijzen tot onze kennis komt. -Maar het dualisme, dat in de nieuwere philosophie tot heerschappij is -gekomen, laat al het geschapene in twee geheel gescheiden kringen -uiteenvallen, en is daardoor in strijd met de eenheid van ’s menschen -geest, met de eenheid der wetenschap en der waarheid, met de eenheid -der wereld, met de eenheid van het goddelijk Wezen zelf. Daarom -is het ook niet in staat, om gelooven en weten met elkander te -verzoenen; veeleer doet het den strijd tusschen beide nog toenemen. -Het geloof immers kan met die scheiding niet tevreden zijn, wijl het -al het historische en metaphysische, waar het altijd in meerdere of -mindere mate mede samenhangt, zich ontnomen ziet, en daarom of van -de wetenschap geheel afhankelijk wordt of in het vage, mysterieuse -gevoel zich terugtrekken moet. En de wetenschap kan er geen vrede bij -hebben, omdat de beslissing over de realiteit der dingen opgedragen -wordt aan eene faculteit, die daartoe ten eenenmale het recht en de -bevoegdheid mist. Beide, geloof en wetenschap, laten zich niet op die -wijze beperken. Zij grijpen ieder oogenblik op elkander in. Het kan ook -geen goede eisch zijn, dat de religieuse mensch ophoude God te dienen, -als hij aan de wetenschap zich wijdt, of de man van wetenschap zijn denken -het zwijgen oplegge, als hij het terrein der religie betreedt, cf. boven -bl. 29, 155 v. - - -§ 17. HET GELOOF. - -1. Uit het voorafgaand onderzoek is ons duidelijk geworden, dat het -principium internum der christelijke religie en theologie niet gelegen -kan zijn in het verstand, de rede of het hart van den psychischen -mensch. Noch bewijzen noch redeneeringen noch ook overeenstemming -met ’s menschen behoeften zijn in staat, om ons te overtuigen van de -diviniteit der religieuse waarheid. Op ieder terrein, en zoo ook in de -religie behoort het principium internum aan het principium externum te -beantwoorden; het moet daarmede van gelijke natuur zijn. Gelijk het licht -alleen waar te nemen is door het oog, zoo kan de goddelijke waarheid -alleen erkend worden door hem, die Gode verwant en zijn beeld is. -Alle bovengenoemde richtingen hebben dit in meerdere of mindere mate -beseft. Zelfs zij, die de waarheid der christelijke religie verstandelijk -wilden bewijzen, oordeelden toch, dat er van ’s menschen zijde eene -zekere zedelijke gesteldheid noodig was, om de kracht dier bewijzen -te gevoelen. Pascal beproefde in het eerste deel zijner apologie den -mensch tot kennis zijner ellende te brengen en de behoefte bij hem op -te wekken naar verlossing en vrede. Door en na Schleiermacher zijn de -meeste theologen tot het inzicht gekomen, dat de religie van eene -eigene natuur is en daarom ook door een eigen orgaan in den mensch -moet worden gekend. De poging, om dat orgaan te vinden in de rede, het -geweten, het hart, het gevoel was reeds eene schrede op den goeden weg, -en verdiende verre de voorkeur boven het rationalistisch streven, om de -godsdienstige waarheid te betoogen voor het nuchter verstand. Maar toch -was daarmede nog niet genoeg gedaan. Indien er geen zonde ware, zou de -mensch in zichzelf het vermogen bezitten, om de waarheid van de leugen -te onderkennen even helder als het oog het licht onderscheidt van de -duisternis. Maar niemand kan beweren, dat dit het geval is. De zonde -heeft den mensch verduisterd in het verstand en bedorven in den wil. -De onreine van hart kan God niet zien. Daarom is noodig, dat objectief -de waarheid ons zuiver te gemoet trede en dat subjectief ons oog voor -die waarheid worde geopend. De Schrift gaat hiervan uit. Zij onderwerpt -zich niet aan het oordeel van den natuurlijken mensch; want alleen de -geestelijke mensch, de wedergeborene, kan de dingen des Geestes Gods en -van het koninkrijk der hemelen onderscheiden. Daarom behoudt de Schrift -zelve het recht en de macht zich voor, om den mensch tot erkenning -harer waarheid te brengen. Ze doet dat op geestelijke wijze, niet door -bewijzen en redeneeringen maar in den weg eener geestelijke ervaring, -door de onderwijzing des H. Geestes. Er is daarom niet alleen eene -openbaring Gods in Christus buiten ons, maar ook eene verlichting des -H. Geestes in ons; nadat God door den Zoon tot ons heeft gesproken, -is de H. Geest gekomen om ons te leiden in de waarheid. God gaf niet -alleen eene Schrift, die de objectieve openbaring volkomen bevat, maar -stichtte ook eene kerk, welke het woord Gods verstaat en als waarheid -belijdt. Het is om die reden ook met het wezen der christelijke religie -in strijd, om haar waarheid te laten afhangen van het onderzoek en de -uitspraak van den zondigen mensch. De dogmaticus heeft zijn standpunt te -nemen niet vóór of buiten, maar midden in het geloof. De methodische -twijfel van Bacon en Cartesius is noch in de philosophie noch in de -theologie op zijne plaats. Twijfel moge hoogstens aanleiding zijn om de -waarheid te gaan zoeken, het geloof alleen doet ze vinden; geloof -is altijd de diepste grond van den arbeid der wetenschap, Snellen, -Bijblad v. d. Herv. 26 Febr. 1895 bl. 5. Voetius trok daarom terecht -te velde tegen de theologia dubitans van Cartesius, Disp. Sel. III -825-870. A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek 1861 bl. 192 v. -Het is eene verkeerde methode, als de wijsgeer van zijne natuurlijke -zekerheid en de dogmaticus van zijn geloof zich ontdoet, eer hij met -den wetenschappelijken arbeid een aanvang maakt. Zulk eene methode is -niet alleen onpractisch maar laadt op den man van wetenschap ook den -schijn, alsof zijne overtuiging en zijn geloof werkelijk op die gronden -rust, die zijn denken hem achterna vinden doet. Cartesius vond een vast -uitgangspunt in het cogito ergo sum. Maar niemand zal meenen, dat hij -daarmede den laatsten en diepsten grond van het geloof aan zijn eigen -bestaan heeft genoemd. Ook al werd de onjuistheid van deze thesis hem -aangetoond, hij zou toch even vast aan zijn eigen bestaan blijven gelooven -als vóór dien tijd. Evenmin als de wijsbegeerte de natuurlijke zekerheid -ter zijde mag stellen, kan de dogmaticus zijne positie nemen buiten -het geloof, waarin hij menigmaal al van der jeugd aan is opgevoed. De -wetenschap heeft haar object niet te scheppen, maar te verklaren. De -christelijke theologie heeft daarom een subjectief uitgangspunt. Zij -neemt haar standpunt in de gemeente, die de waarheid Gods gelooft en -belijdt. Een ander standpunt is er niet. Rome zoekt er wel naar maar kan -het niet vinden. De Reformatie heeft ook het zoeken ernaar nagelaten; -zij ging uit van het geloovig subject. En toen de theologie van het -rationalisme en het supranaturalisme dit standpunt had prijsgegeven, -is de nieuwere theologie door en na Schleiermacher schier in al hare -richtingen tot dit reformatorisch beginsel teruggekeerd. Heel de -theologie is ethisch geworden, in dien zin dat ze ernst heeft gemaakt -met de stelling, dat alleen de wedergeborene het koninkrijk Gods ziet -en dat alleen, wie Gods wil wil doen, erkennen kan of Jezus’ leer uit -God is. Schier alle theologen nemen thans hun standpunt in het geloovig -bewustzijn, in de wedergeboorte, in de religieuse ervaring. Er is in -dit alles eene merkwaardige overeenstemming. De beschuldiging van -subjectivisme tegen dit standpunt is geheel misplaatst. Er is nergens, -in geen enkele wetenschap, een ander uitgangspunt. Het licht onderstelt -het oog, de klank is alleen waarneembaar voor het oor. Al het -objectieve bestaat voor ons slechts door bemiddeling van het subjectief -bewustzijn. Zonder bewustzijn is de gansche wereld dood voor mij. Eene -objectiviteit te begeeren, die niet subjectief bemiddeld ware, is een -onmogelijke eisch. Tusschen het zijn der dingen en ons eigen zijn blijft -altijd de waarneming instaan. Het subjectieve uitgangspunt heeft dus de -theologie met alle wetenschap, ja met alle verhoudingen, die er bestaan -tusschen mensch en wereld, gemeen. De beschuldiging van subjectivisme -krijgt dan eerst recht van bestaan, wanneer het subjectief orgaan, dat -onmisbaar is tot waarneming van het objectief bestaande, tot principium -der kennis verheven wordt. Het oog moge onontbeerlijk orgaan wezen voor -de waarneming van het licht, het is er toch niet de bron van. Het is -juist de fout van het idealistisch rationalisme, dat het het orgaan -met de bron der kennis vereenzelvigt, boven bl. 149. Het denken is -niet de bron van het gedachte, de voorstelling niet de oorzaak van -het ding, het ik niet de schepper van het niet-ik; en zoo kan ook het -geloof, de wedergeboorte, de ervaring niet de bron onzer religieuse -kennis en niet het beginsel onzer theologie zijn. Hoezeer de nieuwere -theologie dus terecht haar standpunt neemt in het subject, ze dwaalt, -als zij daarom onder invloed der idealistische wijsbegeerte de theologie -in anthropologie, ecclesiologie, godsdienstwetenschap verandert. In -zooverre heeft Ritschl te recht de bewustzijnstheologie, die algemeen -na Schleiermacher was opgekomen, teruggeroepen naar de objectieve, -historische openbaring in Christus. - -2. Meestentijds wordt in de Schrift, althans in het N. Testament, -dit principium internum aangeduid met den naam van geloof. Ook -wedergeboorte, reinheid des harten, liefde tot Gods wil, de Geest Gods -worden in de Schrift als principium internum voorgesteld, Mt. 5:8; -Joh. 3:3, 5, 7:17; 1 Cor. 2:12 enz. Toch verdient de naam van geloof -ter aanduiding van dit principium de voorkeur. Niet alleen, omdat het -geloof in de Schrift het meest als zoodanig op den voorgrond treedt. -Maar vooral ook, omdat het begrip geloof ons plaatst op het terrein van -het bewustzijn en daarbij den samenhang bewaart met de wijze, waarop we -op ander gebied tot kennis komen. Vroeger zagen we, dat de menschelijke -rede nooit en nergens bron is der kennis. Aangeboren begrippen zijn er -niet. De mensch is physisch en evenzoo intellectueel geheel afhankelijk -van de wereld buiten hem. Alle kennis komt van buiten. Maar al die -kennis is van ’s menschen zijde bemiddeld door zijn bewustzijn. Niet het -gevoel of het hart, maar het hoofd, het bewustzijn in zijn ganschen -omvang (gewaarwording, besef, waarneming, verstand, rede, geweten) is -het subjectieve orgaan der waarheid. Als de Schrift het geloof nu het -principium internum noemt, dan huldigt ze daarmede dezelfde opvatting, -en erkent dat ook de openbaring Gods alleen tot onze kennis komen kan -door het bewustzijn heen. Niet alsof wedergeboorte, liefde, reinheid -des harten, daarbij niet van de grootste beteekenis zouden zijn; het -tegendeel zal later blijken. Maar het eigenlijk orgaan, waardoor de -openbaring Gods gekend wordt, is een akte van het bewustzijn, n.l. het -geloof. De openbaring Gods is een systeem van woorden en daden Gods, -welke buiten en onafhankelijk van ons bestaan. Hoe zouden deze ooit tot -onze kennis kunnen komen dan door het bewustzijn heen? De openbaring -Gods is evangelie, is belofte, belofte van vergeving en zaligheid; maar -aan eene belofte kan onzerzijds niets dan geloof beantwoorden. Alleen -door geloof wordt eene belofte ons eigendom. Het geloof is daarom het -principium internum cognoscendi van de openbaring, en alzoo ook van de -religie en de theologie, Hartmann, Religionsphilos. II 65 f. - -Maar ook om nog eene andere reden verdient het de voorkeur, om het -principium internum aan te duiden met den naam van geloof. Want -daardoor wordt de samenhang bewaard van het religieuse kennen met -alle andere kennen van den mensch. Er is zeker onderscheid, maar -allereerst dient toch op de overeenstemming te worden gelet. Wij komen -in religie en theologie op geen andere wijze tot kennis dan in de andere -wetenschappen. Het geloof is geen nieuw orgaan, dat in den mensch wordt -ingeplant, geen zesde zintuig, geen donum superadditum. Hoezeer het -strijde met den „natuurlijken” mensch, het is toch volkomen natuurlijk, -normaal, menschelijk. De openbaring sluit objectief en subjectief bij -de natuur, de herschepping bij de schepping zich aan. Gelooven in het -algemeen is een zeer gewone weg, om tot kennis en zekerheid te komen. -Wij beginnen op ieder gebied met gelooven. Onze natuurlijke geneigdheid -is te gelooven. Alleen verworven kennis en ervaring leeren ons -ongeloovigheid, Hoekstra, Bronnen en grondslagen van het godsd. geloof -1864 bl. 383. Geloof is de grondslag der maatschappij en het fundament -der wetenschap. Alle zekerheid rust ten slotte in geloof. Wel wordt -het woord gelooven ook in eene zwakkere beteekenis gebruikt, als wij -iets niet zeker weten maar toch op voor onszelven voldoende gronden -voor waarschijnlijk houden. Gelooven vormt dan eene tegenstelling met -weten en is aan meenen verwant. Zoo komt het voor in de uitdrukking: -ik weet het niet, maar geloof het wel. Maar in deze beteekenis gaat -het gebruik van het woord lang niet op. Reeds de etymologie wijst aan, -dat er in het geloof nog eene andere diepere beteekenis schuilt. Het -woord geloof is met loven, verloven, beloven, veroorloven, oorlof, -lof, gelofte afkomstig van denzelfden stam; het is met lieven verwant, -en drukt uit een met heel zijn persoon vertrouwen op, eene liefdevolle -overgave en toewijding aan iemand, Kahnis, Luth. Dogm. 2e Ausg. I -106. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 82 v. cf. Woordenboek der Ned. Taal s. -v. Ook in andere talen heeft het woord geloof deze oorspronkelijke -beteekenis van toewijding, vertrouwen, zekerheid, zooals האמין, אמונה; -πειθω, πιστις; fido, fides; foi; faith naast belief enz. Gelooven -wordt dan ook dikwerf gebezigd voor al zulke zekere kennis, welke -niet op bewijzen maar op onmiddellijk, rechtstreeksch inzicht steunt. -Plato onderscheidde ἐπιστημη, διανοια, πιστις en εἰκασια en verstond -onder πιστις de zekerheid aangaande de zinnelijke wereld op grond van -de waarneming, de Rep. VI p. 511, VII p. 534, cf. Zeller, Philos. der -Griechen, 4e Aufl. II 591, 593. Siebeck, Gesch. der Psych. S. 209. -Daarom zegt hij Tim. p. 29 c.: ὁ τι γαρ προς γενεσιν οὐσια, τουτο προς -πιστιν ἀληθεια. Aristoteles maakte onderscheid tusschen kennis, welke -langs demonstratieven weg werd verkregen, en kennis der principia, -die uit den νους zelven werd afgeleid. Nu noemt hij deze laatste wel -niet met den naam van geloof, maar toch zegt hij, Eth. Nicom. VI 3: -ὁταν γαρ πως πιστευῃ και γνωριμοι αὐτῳ ὠσιν αἱ ἀρχαι, ἐπισταται. Toen -daarna in het Christendom het woord geloof zulk eene diepe religieuse -beteekenis kreeg, wezen vele kerkvaders met voorliefde op de belangrijke -plaats, welke het gelooven in leven en wetenschap inneemt. Clemens -Alexandrinus verstaat onder πιστις menigmaal alle onmiddellijke kennis -en zekerheid, en zegt dan, dat er geen wetenschap is zonder geloof, dat -de eerste principia, waaronder bijv. ook het bestaan Gods, niet bewezen -maar geloofd worden, Strom. II n. 4, 6, cf. Denzinger, Vier Bücher von -der relig. Erk. II 470. Strauss, Glaub. I 301 f. Vooral Augustinus -heeft deze beteekenis van het geloof voor maatschappij en wetenschap -in het licht gesteld. Wie niet gelooft, komt nimmer tot weten; nisi -credideritis, non intelligetis, de trin. 15, 2 en passim. Het geloof is -grondslag en band van heel de menschelijke samenleving. Als de stelling -doorging, quod non video, credere non debeo, zouden alle banden des -bloeds, der vriendschap en der liefde verbroken worden. Si ergo non -credentibus nobis quae videre non possumus, ipsa humana societas, -concordia pereunte, non stabit; quanto magis fides, quamvis quae non -videntur, rebus est adhibenda divinis? de fide rerum invisibilium cap. -3, cf. de util. cred. c. 10 sq. Conf. 6, 5, cf. Ritter, Gesch. der -christl. Philos. II 252 f. Gangauf Metaph. Psych. des Aug. 1852 S. -52 f. Sedert keeren deze zelfde gedachten bij de christelijke theologen -telkens terug, bijv. in den nieuweren tijd bij Dorner, Glaub. I 3. -Lange, Dogm. I 342 f. Oosterzee, voor Kerk en Theol. I 94. Kuyper, -Encycl. II 71 v. enz. De naam van geloof is dan gegeven geworden aan -de onmiddellijke kennis der principia; aan het vertrouwen op onszelf, -op onze waarneming en ons denken; aan de erkenning van het objectief -bestaan der buitenwereld; aan het onderling vertrouwen, waarop heel de -menschelijke samenleving is gebouwd; aan al datgene, wat door intuitie -geweten en gedaan wordt. In zulk een geloof zag Schiller den waarborg -van het bestaan dier nieuwe wereld, welke Columbus zocht: Wär’ sie noch -nicht, sie stieg’ jetzt aus den Fluthen empor. - -Niemand, die doordenkt, zal deze diepe beteekenis der πιστις voor -leven, kunst en wetenschap loochenen. Tegenover hen, die meenen, dat -niets voor waar gehouden mag worden, wat niet zinnelijk waar te nemen -of mathematisch te bewijzen is, staat het boven allen twijfel vast, dat -verreweg het meeste en het belangrijkste, dat wij weten, niet op bewijzen -steunt, maar op onmiddellijke zekerheid. Het gebied dezer laatste is -veel grooter dan dat der demonstratieve zekerheid. En deze laatste is -altijd weer op de eerste gebouwd, en staat en valt met deze. De weg, -om op eene andere wijze dan door mathematische en logische bewijzen tot -kennis en zekerheid te komen, is dus niets vreemds aan de menschelijke -natuur. Geloof in algemeenen, ruimen zin is een onmisbaar element in -de samenleving, en een normale weg tot wetenschap. Het is niet eerst -door de zonde noodzakelijk geworden; buiten de zonde zou de intuitieve -kennis en de onmiddellijke zekerheid nog breeder plaats hebben -ingenomen in het menschelijk leven. Nog is in die mate ’s menschen -oorspronkelijkheid grooter, als hij niet uit de reflectie maar uit de -intuitie leeft. Als analogieën van het religieuse geloof kunnen alle -bovengenoemde voorbeelden dus uitnemenden dienst bewijzen. Zij hebben met -het godsdienstig geloof dit gemeen, dat de kennis onmiddellijk, niet -door nadenken wordt verkregen, en dat ze in zekerheid niets onderdoet -voor die, welke op bewijzen rust. Zij houden bovendien het verband -vast, dat er bestaat tusschen den gewonen weg, waarop wij menschen tot -kennis komen, en den weg des geloofs, die op religieus terrein tot -zekerheid leidt. Zij toonen, dat gelooven op zichzelf zoo weinig met -de menschelijke natuur en met den eisch der wetenschap in strijd is, dat -er zonder dat van een normaal mensch en eene normale wetenschap geen -sprake kan zijn. - -3. Maar om deze overeenstemming mag toch het verschil niet over -het hoofd worden gezien, dat er bestaat tusschen het geloof als -onmiddellijke zekerheid en het geloof in godsdienstigen zin. In de -religie, bepaaldelijk in de christelijke, krijgt πιστις eene eigene -waarde. Ook de Grieken bezigden het woord in religieusen zin, van -het geloof aan de goden, Cremer, Wörterbuch der neut. Gräcität s. -v.; maar ook dan heeft het toch zelf geen religieuse beteekenis, -evenmin als wanneer wij spreken van geloof aan God, aan de ziel en hare -onsterfelijkheid enz. Gelooven is hier nog het gewone geloof, dat we -dagelijks oefenen, maar toegepast op godsdienstige voorstellingen. In -het N. Test. wordt πιστις echter geheel en al religieus bepaald, in -voorwerp, grond en oorsprong; het duidt zelf eene religieuse verhouding -aan van den mensch tot God. In Hebr. 11:1 worden ἐλπιζομενα, πραγματα -οὐ βλεπομενα het algemeene voorwerp van het christelijk geloof genoemd. -Reeds hierdoor is het geloof in religieusen zin onderscheiden van de -kennis, die we door onmiddellijke zekerheid bezitten. Het geloof aan -de buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, enz. berust -op eigen inwendige waarneming. Wij hebben van al deze zaken een -onmiddellijk besef. Maar het voorwerp van het christelijk geloof is -onzienlijk en voor geen waarneming vatbaar. Als iets onmiddellijk door -onszelf wordt waargenomen, is geloof overbodig; het geloof staat tegen -aanschouwen over, Rom. 8:24; 2 Cor. 5:7. Daarmede is niet in strijd, -dat de openbaring toch plaats had in ruimte en tijd, dat de persoon van -Christus aanschouwd en getast kon worden. Want als voorwerp des geloofs -is heel deze openbaring toch niet waarneembaar. Velen zagen Jezus en -geloofden toch niet in Hem; alleen zijne discipelen aanschouwden in Hem -eene δοξα ὡς μονογενους παρα πατρος, Joh. 1:14. Object van het geloof -zijn woorden en daden alleen sub ratione Dei. Maar in de Schrift krijgt -πιστις als fides salvifica eene nog praegnanter beteekenis; het heeft -tot voorwerp niet allerlei woorden en daden Gods op zichzelf, maar de -genade Gods in Christus, de beloften des evangelies, Mk. 1:15; Joh. -3:16, 17:3; Rom. 3:22; Gal. 2:20, 3:26 enz. Dit speciale object komt -voor het geloof nog onder eene andere kategorie in aanmerking dan -onder die van waar tegenover valsch. En de algemeene natuur van het -geloof wordt er zoo door gewijzigd, dat het in een vast en zeker weten, -in een objectief voor waar houden niet opgaat, maar ook insluit een -hartelijk vertrouwen op, eene algeheele overgave aan, eene persoonlijke -toeëigening van de beloften Gods, in het evangelie geschonken. - -Vervolgens is het geloof in religieusen zin van de onmiddellijke -zekerheid daarin onderscheiden, dat de laatste op eigen, maar het -eerste op anderer inzicht steunt. Reeds dit is opmerkelijk, dat het -woord geloof voor al die gevallen, waarin kennis op onmiddellijke -waarneming rust, niet algemeen in gebruik is. Het geloof aan de -buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, aan de prima -principia wordt gewoonlijk als onmiddellijk weten aangeduid. En inderdaad -berust deze onmiddellijke kennis evenals de demonstratieve op eigen -waarneming en inzicht. In zoover kan zij dan ook een weten worden -genoemd in onderscheiding van gelooven. Doch bij de fides salvifica is -het een ander geval. Deze heeft zeer zeker de genade Gods in Christus -tot object. Maar van die genade Gods zouden we niet de minste kennis -dragen, indien zij niet door het getuigenis van anderen tot ons gekomen -ware, indien zij ons niet verzekerd wierd in de H. Schrift. Tusschen -den persoon van Christus en ons geloof komt dus het getuigenis van -de apostelen in te staan. Het woord Gods is medium gratiae. Wel komt -nu die Schrift voor het geloof alleen als Gods woord in aanmerking, -1 Thess. 2:13. Want het religieus geloof kan niet rusten dan in eene -getuigenis Gods, Joh. 3:33; Rom. 10:14 v.; 1 Joh. 5:9-11. Maar toch -is het geloof aan die Schrift verbonden. Het heeft de genade Gods tot -object maar gelijk ze betuigd wordt in de H. Schrift; of, gelijk Calvijn -Inst. III, 2, 6 het uitdrukt, het heeft tot voorwerp Christum evangelio -suo vestitum. Daarom strekt het geloof als in één akte èn naar den -persoon van Christus èn naar de Schrift zich uit. Het omhelst Christus -als Zaligmaker en de Schrift als Gods woord. En daarom is ook beide -waar: door Christus tot de Schrift en door de Schrift tot Christus. -De Schrift leidt tot Christus henen en richt ’s menschen gedachten en -genegenheden op Hem, die thans leeft in den hemel. Zelfs zij, die alle -notitia en assensus uit de fides salvifica wegnemen en ze geheel en al -in fiducia willen laten opgaan, kunnen er niet buiten, om deze fiducia -te laten ontstaan uit een indruk, door het beeld van Christus op de -ziel gemaakt. Ook het piëtisme is aan uitwendige middelen gebonden. Het -moge die middelen beperken en niets willen weten van een catechismus of -dogmatiek; het tracht toch de kinderen tot bekeering te leiden door tot -hen te spreken van den lieven Jezus, Pierson, Eene levensbeschouwing -bl. 13. Er is ook geen andere weg tot het hart des menschen dan door -zijn hoofd en zijn bewustzijn heen. Gods Geest alleen kan onmiddellijk -werken in het hart; wij zijn aan de middelen gebonden. De Schrift is en -blijft medium gratiae. Maar omgekeerd werkt het geloof in Christus ook -weer terug op het geloof aan de Schrift; het bindt en legt ons vast aan -die Schrift en doet er ons op vertrouwen in nood en dood. Onze ziel -moge dus aan Christus, den levenden Heer in de hemelen, onverbreekbaar -gebonden zijn door de unio mystica des H. Geestes; voor ons bewustzijn -is Christus, is heel de wereld der ἐλπιζομενα er slechts door het -getuigenis Gods in zijn woord. En daarom sluit de fides salvifica ook -altijd een kennen in. Wel is deze kennis van het zaligmakend geloof -wezenlijk onderscheiden van de kennis der fides historica. Zelfs als -deze laatste voorafgaat, wordt zij toch later op de fides salvifica -nieuw ingeënt en verandert van karakter. Zij is geen bloot voor waar -houden maar eene vaste en zekere kennis in den zin der H. Schrift. -De bijbelsche idee van kennen is eene gansch andere en veel diepere -dan die van het gewone spraakgebruik. Maar desniettemin is de kennis, -welke de geloovige bezit, niet onmiddellijk en niet door eigen inzicht -verkregen; zij is gebonden aan de H. Schrift; zij rust op het getuigenis -van apostelen en profeten als op het woord Gods. - -Eindelijk is het christelijk geloof van de onmiddellijke zekerheid nog -daardoor onderscheiden, dat het niet vanzelf opkomt uit de menschelijke -natuur. Aan de buitenwereld, aan de principia, aan de waarneming, aan -de denkwetten enz. gelooft ieder mensch vanzelf, zonder bevel, op grond -van eigen inzicht. Maar alzoo is het niet met het christelijk geloof. -Het geloof is niet aller, 2 Thess. 3:2. Hoezeer het volkomen menschelijk -is, geen donum superadditum, maar de herstelling van den mensch; toch -staat de psychische mensch vijandig tegen het gelooven over. Want -geloof in christelijken zin onderstelt zelfverloochening, kruisiging -van eigen gedachten en wil, wantrouwen in onszelf, en daartegenover -vertrouwen op Gods genade in Christus. Daarom, gelijk de fides salvifica -God zelven tot voorwerp heeft en op zijne getuigenis steunt; zoo heeft -het Hem ook tot auteur. Hij zelf is het, die door den H. Geest den -mensch tot het geloof beweegt en al zijne gedachten gevangen leidt tot -de gehoorzaamheid van Christus, Mt. 16:17; Joh. 6:44; 1 Cor. 12:3; 2 -Cor. 10:5; 1 Thess. 2:13; 2 Thess. 3:2; Ef. 1:15, 16; Col. 1:13; Phil. -1:29. Daardoor is het christelijk geloof geheel en al religieus bepaald. -Voorwerp, grond en oorsprong liggen geheel en alleen in God. Door dit -religieus karakter is de fides salvifica wezenlijk onderscheiden van -de onmiddellijke zekerheid, die soms met den naam van geloof wordt -bestempeld en ook van de πιστις, waarvan de Grieken soms spraken in -godsdienstigen zin. Het christelijk geloof is louter religie, religio -subjectiva. Die mensch is waarlijk religieus, die alzoo gelooft; hij is -beeld, kind, erfgenaam Gods. - -4. In de christelijke kerk is echter spoedig die opvatting de -heerschende geworden, welke in het geloof zag eene toestemming des -verstands aan de geopenbaarde waarheid. Zeer gewoon is de omschrijving -van het geloof als ἑκουσιος της ψυχης συγκαταθεσις, als ὑπερ τας -λογικας μεθοδους την ψυχην εἰς συγκαταθεσιν ἑλκουσα, cf. Suicerus, -Thes. Eccl. s. v. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II 467 -f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. IV 246 f. Augustinus geeft -dezelfde definitie: credere est cum assensione cogitare, de praed. -sanct. c. 2. Quid est credere, nisi consentire, verum esse quod -dicitur, de spir. et litt. c. 31. Fides est virtus, qua creduntur, -quae non videntur, Enchir. c. 8. Tract. 40 in Joh. n. 9. de trin. 13, -1. De scholastieke theologie begon het onderzoek naar de natuur des -geloofs gewoonlijk met de omschrijving in Hebr. 11:1 en de laatstgenoemde -definitie van Augustinus, Lombardus, Sent. 3, 23 e. a. Thomas handelt -over het geloof in zijne Summa Theol. II 2 qu. 1 sq. en zegt, dat het -object des geloofs God is en andere dingen nisi secundum quod habent -aliquem ordinem ad Deum, qu. 1 art. 1. De grond des geloofs ligt alleen -daarin, dat aliquid est a Deo revelatum, ib. en de auteur ervan is God -alleen, ib. qu. 6 art. 1 en 2. Het Vaticanum omschreef het geloof als -eene virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et adjuvante gratia, ab -eo revelata vera esse credimus, non propter intrinsecam rerum veritatem -naturali rationis lumine perspectam sed propter auctoritatem ipsius Dei -revelantis, qui nec falli nec fallere potest, sess. 3, Const. dogm. de -fide cap. 3. Het geloof is bij Rome een assensus firmus ac certus aan -de waarheden der openbaring op grond van het gezag Gods in Schrift en -kerk, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1. qu. 4 art. 2. Bellarminus, -de justific. I c. 5, 6. Becanus, Theol. schol. tom. II pars 2 tract. 1 -cap. 1 sq. Perrone, Praelect theol. V 1840 p. 251 sq. Jansen, Praelect. -theol. I 684. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, IV 205 f. Denzinger, Vier -Bücher von der rel. Erk. II 426 f. - -In de practijk had deze opvatting van het geloof zeer schadelijke -gevolgen. Vooreerst werd het geloof feitelijk niets anders dan eene -verstandelijke toestemming aan eene de rede ver te boven gaande, -mysterieuse leer, hetzij explicite aan al hare verschillende of -implicite aan sommige noodzakelijke dogmata. De onderscheiding tusschen -dit geloof en de door de Protestanten aangenomene fides historica is bij -deze opvatting niet mogelijk en werd dan ook door de Roomsche theologie -beslist verworpen. Rome heeft niet anders dan eene fides historica. -Daaruit vloeide verder voort, dat dit geloof, indien het niets anders -was dan eene verstandelijke toestemming, onmogelijk voldoende ter -zaligheid kon zijn. Het moest aangevuld worden door eene andere deugd -in den wil, n.l. de liefde, en wordt dan fides formata. Het geloof -verliest daardoor zijne centrale plaats in het christelijk leven, het -wordt verlaagd tot ééne der zeven praeparationes voor de gratia infusa -der justificatio; en het zwaartepunt komt geheel te liggen in de -liefde, d. i. in de goede werken. En eindelijk was het moeilijk vol te -houden, dat het geloof in bovengenoemden zin eene vrucht was van de -gratia interna, gelijk Augustinus die verstond. De belijdenis, dat het -geloof eene gave Gods was, werd verzwakt. De assistentie en inspiratie, -waar het Vaticanum van spreekt, wordt dikwerf in de Roomsche theologie -beperkt tot de gave eener algemeene genade of ook zelfs tot de gave der -natuurlijke krachten. Het gelooven was te verdienstelijker naarmate het -meer ’s menschen eigen vrije daad was en meer bestond in het aannemen -van onbegrijpelijke mysteria fidei, in een sacrificium intellectus. - -De Reformatie heeft deze Roomsche opvatting van het geloof in alle -opzichten gewijzigd. Zij heeft de religieuse natuur van de πιστις -hersteld. Ten eerste maakte zij een principieel onderscheid tusschen -de fides historica en de fides salvifica. Historisch geloof mocht in -sommige gevallen voorafgaan en op zichzelf van groote waarde zijn; -het was en bleef essentieel verschillend van het zaligmakend geloof. -Alle Hervormers waren eenstemmig van oordeel, dat het zaligmakend -geloof, indien niet alleen dan toch zeker ook, in kennis bestond. -Ze hebben geen van allen het geloof in eene onbewuste aandoening of -stemming des gemoeds laten opgaan. Maar de kennis, die element was van -het zaligmakend geloof, was toch eene gansch andere dan die van het -historisch geloof. Deze laatste mocht later aan de fides salvifica -ten goede komen; zij veranderde daarmede toch zelve van karakter en -ging leven uit een nieuw beginsel. De fides kreeg bij de Hervormers -daarom weer eene eigene, geestelijke, religieuse natuur, niet gradueel -maar essentieel onderscheiden van alle ander geloof in het leven en -de wetenschap, ja zelfs van het historisch geloof. Natuurlijk kon -zulk een geloof dan ook niet voortvloeien uit hetzelfde beginsel, -als waaruit alle andere geloof bij den mensch opkomt. De Reformatie -was eenparig in de belijdenis, dat de fides salvifica eene gave Gods -was. Zij was geen vrucht van de natuurlijke krachten van den mensch -noch ook van de algemeene genade. Zij was eene vrucht van de bijzondere -genade des H. Geestes, eene werkzaamheid van den nieuwen, wedergeboren -mensch, en daarom ook volkomen genoegzaam tot zaligheid. Bij Rome neemt -het geloof slechts eene praeparatoire plaats in; en terecht, want -het is in den grond niets anders dan historisch geloof. Maar bij de -Hervorming kreeg het wederom de centrale plaats, welke het bekleedt -in het N. Test.; het behoeft niet aangevuld te worden door de liefde, -het is genoegzaam om deel te krijgen aan alle goederen des heils. Wie -alzoo gelooft, staat niet in het voorportaal maar in het heiligdom -der christelijke waarheid; hij is Christus ingelijfd, al zijne weldaden -deelachtig, een erfgenaam der eeuwige zaligheid. Moeilijk was het echter -bij deze diepe opvatting van de fides salvifica, om hare natuur juist -te omschrijven en in duidelijke woorden weer te geven. De theologie van -de Hervorming heeft er ten allen tijde mede geworsteld. Ten aanzien -van de vraag, waarin de eigenlijke akte van het geloof gelegen is, -loopen de antwoorden zeer verre uiteen. Het is door kennen, toestemmen, -vertrouwen, toevluchtnemen, enz., of door één van deze of door alle te -zamen omschreven geworden. Eerst later kan bij de leer des geloofs dit -alles nader worden onderzocht. Maar zooveel staat vast, dat het geloof -in de theologie der Hervorming geen weten was van eenige leerstellige -waarheden, maar dat het een band der ziel was aan den persoon van -Christus naar de Schriften en aan de Schrift als het woord van -Christus. De fides salvifica was wederom door en door religieus. Gods -genade in Christus was haar voorwerp, de getuigenis Gods in zijn woord -was haar grond, de H. Geest was haar auteur. Zij was in ieder opzicht -religieus bepaald. - -5. Dit geloof brengt naar de Schrift een eigen zekerheid mede. Het is -een ὑποστασις en ἐλεγχος van de gehoopte en ongeziene dingen, Hebr. -11:1; niet omdat het in zichzelf zoo hecht en vast is, maar wijl het -op Gods getuigenis en belofte steunt, gelijk het vervolg van Hebr. 11 -duidelijk leert. Het maakt de onzienlijke goederen des heils zoo zeker -voor ons, ja veel zekerder, dan eigen inzicht of een wetenschappelijk -bewijs dat ooit zouden vermogen te doen. Daarom is er in de Schrift -sprake van de παρρησια, Hebr. 4:16; πεποιθησις, Ef. 3:12; πληροφορια, -Hebr. 6:11, 12, 10:22 des geloofs; en wordt er θαρσος, Mt. 9:2; -καυχησις, Rom. 5:12; χαρα, 1 Petr. 1:8, enz. aan toegeschreven. Het -staat tegenover twijfel, zorg, vrees, wantrouwen, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, -14:31, 21:21; Mk. 4:40; Luk. 8:25; Joh. 14:1; Rom. 4:20; Jak. 1:16. -Zekerheid is door heel de Schrift heen een kenmerk des geloofs. Zelfs -te midden van de zwaarste aanvechtingen, als alles tegen is, op hope -tegen hope, houdt de geloovige zich staande als ziende den Onzienlijke, -Job 19:25; Ps. 23, 32, 51; Rom. 4:20, 21, 5:1, 8:38; Hebr. 11, enz. Eer -geeft de geloovige alles prijs, dan dat hij zijn geloof verloochent. Niets -is hem te kostbaar voor zijn geloof, noch zijn geld noch zijn goed, noch -zijn eer noch zijn leven. Het geloof is ἡ νικη ἡ νικησασα τον κοσμον, -1 Joh. 5:4. - -Deze zekerheid des geloofs was aan de wetenschap onbekend. Zij deed met -het Christendom haar intrede in de wereld, Janet et Séailles, Histoire -de la philosophie, Paris 1887 p. 668. De Grieksche philosophie erkende -twee soorten van zekerheid, ééne, die uit de zinlijke waarneming, en -eene andere, welke door het denken werd verkregen. Gemeenlijk werd -de eerste verre beneden de tweede gesteld; de zinlijke waarneming -gaf slechts δοξα, maar het denken leidde tot ἐπιστημη. Aristoteles -onderscheidde in de laatste wederom tusschen die, welke op bewijzen, -en die, welke op evidentie rustte. Er waren in de wetenschap dus drie -wegen, om tot zekerheid te komen: de waarneming, de argumentatie -en de evidentie. Deze drieërlei zekerheid kreeg burgerrecht in de -wijsbegeerte, met dien verstande, dat de empiristen de zekerheid -voornamelijk zochten in de waarneming en de rationalisten in het denken. -Naast deze wetenschappelijke zekerheid plaatste het Christendom de -zekerheid des geloofs. Concreet en practisch werd deze zekerheid aan -de skeptische wereld vertoond in de geloovige gemeente, vooral in -hare martelaars en bloedgetuigen. En theoretisch werd zij uitgesproken -en ontwikkeld in de christelijke theologie. Er is in de leer van de -zekerheid des geloofs een belangrijk verschil tusschen Rome en de -Hervorming ten aanzien van de vraag, of de certitudo fidei ook insluit -de certitudo salutis, de volstrekte verzekerdheid van eigen zaligheid. -Van Augustinus af aan is deze certitudo salutis door de Roomsche -kerk en theologie ontkend en bestreden. Rome beweert, dat volstrekte -verzekerdheid der zaligheid slechts het deel is van enkele geloovigen, -die haar door eene bijzondere openbaring ontvangen hebben, maar -volstrekt niet voortvloeit uit de natuur des geloofs. Gewone geloovigen -hebben ten aanzien van hunne zaligheid slechts eene certitudo moralis, -conjecturalis, maar geen certitudo fidei. Voor deze zekerheid is er in -het Roomsche stelsel geen plaats, wijl zij alleen bestaanbaar is bij de -belijdenis van Gods verkiezende liefde, en de leeken onafhankelijk maken -zou van kerk en priester. Cf. Augustinus, de bono persev. c. 8, 13, 22, -de civ. Dei c. 12. Epist, 107, etc. G. J. Vossius, Historia pelagiana -1655 p. 578 sq. Comment. op Sent. I dist. 17. Thomas, S. Theol. II 1 -qu. 112 art. 5. Bellarminus, de Justif. I c. 10. III c. 2 sq. Conc. -Trid. sess. 6 cap. 9 can. 13, 14, en later bij de leer des geloofs. -Wel erkennen echter de Roomsche godgeleerden de certitudo fidei ten -opzichte van de objectieve waarheden der openbaring. Facilius, zeide -Augustinus, Conf. 7, 10, dubitarem vivere me, quam non esse veritatem, -quae per ea, quae facta sunt, intellecta conspicitur. Albertus -Magnus maakte onderscheid tusschen geloof in de philosophie en in de -theologie. Daar is geloof niets anders dan credulitas en geen weg -tot kennis; maar in theologicis fides lumen est, certissimam faciens -adhaesionem et assensum.... et ideo est via et medium ad scientiam -veritatis divinorum, bij Stöckl, Philos. der M. A. II 365, cf. verder -Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 8. Bellarminus, de Justif. III c. -2. Billuart, Summa S. Thomae VIII p. 86 sq. Dens, Theol. II 241 sq. -Daelman, Theol. I p. 12 sq. En daarmede stemmen over het algemeen de -Protestantsche theologen overeen. Niemand heeft krasser en sterker deze -zekerheid des geloofs uitgesproken dan Calvijn. Het geloof is bij hem -certa, firma, plena et fixa certitudo, meer certitudo dan apprehensio, -cordis fiducia et securitas, enz. Inst. I, 7, 5; II, 2, 8; III, 2, 14 -v., 14, 8; 24, 4, enz. Zoowel bij Luthersche als Gereformeerde theologen -is het geloof een firmus assensus, eene certa cognitio, die allen -twijfel en alle onzekerheid buitensluit, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. -S. 299 f. Hase, Hutt. Rediv. § 108. Heid. Catech. vr. 21. Heppe, Dogm. -der ev. ref. K. S. 384 f. - -6. Door de wetenschap, bepaaldelijk door de wijsbegeerte, is aan deze -geloofszekerheid over het algemeen weinig aandacht gewijd. Eerst -Kant heeft ze in gewijzigden zin opgenomen en erkend. Kant nam in -hoofdzaak drie soorten van zekerheid aan. De eerste is de empirische, -problematische zekerheid, welke berust op eigen of anderer waarneming -en bestaat in een meenen, in een theoretisch of practisch gelooven. -Vervolgens is er eene logische, wetenschappelijke, apodictische -zekerheid, die weer tweeledig is en of een intuitief, zooals in de -mathesis, of, gelijk in de philosophie, een discursief karakter draagt. -Dit zijn dezelfde soorten van zekerheid, die ook reeds in de grieksche -philosophie werden aangenomen. Maar bij deze ruimt Kant nu ook nog eene -plaats in voor de moreele, assertorische zekerheid. Het bovenzinlijke en -het bovennatuurlijke is n.l. volgens Kant onkenbaar. God heeft de kennis -daarvan met opzet ons onthouden, opdat wij de bestemming van den mensch -niet in het weten zouden stellen maar in het handelen, in de vervulling -zijner zedelijke roeping. Met het oog op deze ethische bestemming neemt -de mensch de waarheid van sommige stellingen aan, zonder welke hij -deze ethische taak niet vervullen kan. Zoo gelooft hij op practische, -psychologische gronden aan het bestaan van God, de ziel en de -onsterfelijkheid. Dit is moreel geloof. De zekerheid, welke de mensch -door dit geloof verkrijgt, is niet theoretisch van aard, maar practisch, -moreel. Zij doet hem zeggen, niet: ik ben zeker; noch ook: het is moreel -zeker; maar: ik ben moreel zeker. Er is dus drieërlei zekerheid, -eene empirische, logische en moreele, uitgedrukt en weergegeven door -de woorden meenen, weten en gelooven, Kritik der reinen Vernunft, -Methodenlehre II 3, ed. Kirchmann S. 632 f. De wijsbegeerte na Kant -heeft deze leer der zekerheid van Kant wel ten deele overgenomen, maar -er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd. Cf. Dr. Franz Grung, Das -Problem der Gewissheit, Heidelb. 1886. - -Daarentegen heeft Kants leer van de moreele zekerheid op de theologie -grooten invloed geoefend. Toen de autoriteit van Schrift en kerk was -ondermijnd, heeft men in haar het fundament van religie en theologie -gezocht. De bekende tekst Joh. 7:17, door Kant zelven reeds aangewend, -Rel. innerhalb der Gr. usw. ed. Rosenkranz S. 135, is het uitgangspunt -van deze richting geworden. Inderdaad ligt er in deze moreele zekerheid -eene diepe waarheid, en dankbaar mag erkend, dat Kant haar eene plaats -heeft ingeruimd in zijne philosophie. Van de onzienlijke dingen hebben we -eene gansch andere zekerheid dan van die, welke wij met onze zintuigen -kunnen waarnemen of met ons denken kunnen bewijzen. Het geloof aan -de dingen, die men hoopt en niet ziet, gaat ook niet om buiten den -wil, buiten de zedelijke gesteldheid en de geestelijke ervaring. Maar -toch verdient het geen aanbeveling, om de geloofszekerheid van de H. -Schrift, van de gemeente en van de christelijke theologie in te wisselen -voor de moreele zekerheid van Kant. Vooreerst is de opmerking niet -overbodig, dat zekerheid altijd een toestand is van het bewustzijn. De -menschelijke geest kan ten aanzien van eene vraag of eene stelling in -een verschillenden toestand verkeeren; hij kan er tegenover staan in een -toestand van onzekerheid, twijfel, vermoeden, meening, enz. maar ook in -een toestand van volstrekte zekerheid. Zekerheid is de rust van het -menschelijk bewustzijn in de gevonden en erkende waarheid. Het verstand -streeft n.l. naar kennis, naar waarheid. Dat is de aard en de natuur -van het verstand; het ware is zijn goed, zijn rijkdom, de vervulling van -zijne behoefte. Wanneer het die waarheid vindt is het daarom bevredigd; -het rust daarin, het voelt zich veilig en zeker. Zekerheid is rust, -vrede, vreugde, zaligheid; in veritate requies. Zekerheid is de normale -toestand van den menschelijken geest, evenals de gezondheid die van het -lichaam. Twijfel, onzekerheid daarentegen is onrust, onvrede, ellende. -Strikt genomen is dus niet de zekerheid zelve moreel; zij heet alleen -zoo, wijl de gronden, waarop de waarheid bij haar rust, van moreelen -aard zijn. Maar vervolgens zijn de gronden, waarop de wetenschappelijke -en de moreele waarheid rust, niet alzoo als theoretisch en practisch -van elkander te scheiden en tegenover elkander te stellen. Er bestaat -in de werkelijkheid zulk een dualisme niet, als Kant in zijne tweeërlei -zekerheid aanneemt. Subjectief zijn hoofd en hart, en objectief zijn -de zienlijke en onzienlijke dingen niet alzoo in tweeën te deelen. Het -hart oefent ook invloed bij het wetenschappelijk onderzoek. De πιστις in -ruimen zin neemt ook daar eene groote plaats in. Veel van wat in de -wetenschap voor vast en zeker doorgaat, rust op moreele of immoreele -gronden. En omgekeerd is het toch het bewustzijn, dat ook bij de moreele -zekerheid de zedelijke gronden weegt en beoordeelt, waarop eene of -andere stelling als waar wordt erkend en aangenomen. De wil moge het -verstand tot het aannemen van eene of andere waarheid bewegen; dat -aannemen zelf is toch eene daad des verstands; en het verstand kan -dit alleen doen, wijl het zelf in meerdere of mindere mate de waarheid -erkent en inziet. De geloofszekerheid komt niet tot stand door -theoretische bewijzen maar evenmin door een wilsbesluit. Eindelijk zijn -er vroeger reeds tegen de postulaatstheorie van Kant verschillende -bezwaren ingebracht. Ze kunnen nog vermeerderd worden met deze vragen: -komt het overeen met de natuur der ware zedelijkheid, die toch ook -in ootmoed, nederigheid enz. bestaat, om op grond van onze zedelijke -natuur en bestemming het bestaan van God en van de onsterfelijkheid -te postuleeren? blijft de moreele zekerheid ook dan nog haar kracht -behouden, als de zedelijke mensch in zonden valt, in aanvechting en -bestrijding verkeert, en door den twijfel heen en weer wordt geslingerd? -zijn zedelijke gronden voldoende, om tegenover de bestrijding der -wetenschap daarop het geloof aan Gods bestaan, het bewustzijn der -vergeving, de hope der zaligheid te bouwen? Maar al ware de moreele -zekerheid ook genoegzaam voor den wijsgeer, zij is onbruikbaar voor -den Christen. Want al kon de Vernunftreligion van Kant op haar als op -een vasten grondslag rusten; zij is niet in staat, om de waarheid der -christelijke religie te dragen. - -Om al deze redenen kan de moreele zekerheid van Kant de christelijke -geloofszekerheid niet vervangen. Ten overvloede wordt dit nog bewezen -door het onderscheid, dat Kant maakt tusschen meenen, gelooven en -weten. Meenen was volgens hem een voor waar houden op onvoldoende, -gelooven op subjectief voldoende en weten op objectief voldoende -gronden, Kritik der reinen Vern. ed. Kirchmann S. 632 f. Nu is dit -onderscheid juist ten aanzien van het gelooven in het dagelijksch leven -en met betrekking van zulke dingen, die geweten kunnen worden. Dan -is inderdaad gelooven een mindere en zwakkere graad van het weten. -Maar in de religie is geloof de zekerheid zelve. Juister werd het -onderscheid reeds door Augustinus bepaald. Hij zegt: tria sunt item -velut finitima sibimet in animis hominum distinctione dignissima: -intelligere, credere, opinari. Quae si per se ipsa considerentur, -primum semper sine vitio est, secundum aliquando cum vitio, tertium -nunquam sive vitio, de util. cred. c. 11. Inter credere autem atque -opinari hoc distat, quod aliquando ille, qui credit, sentit se ignorare -quod credit, quamvis de re, quam se ignorare novit, omnino non -dubitet, sic enim firme credit; qui autem opinatur, putat se scire, -quod nescit, de mendac. c. 3. Thomas omschrijft het onderscheid aldus: -de ratione opinionis est quod accipiatur unum cum formidine alterius -oppositi; unde non habet firmam inhaesionem. De ratione vero scientiae -est quod habeat firmam inhaesionem cum visione intellectiva; habet -enim certitudinem procedentem ex intellectu principiorum. Fides autem -medio modo se habet; excedit enim opinionem in hoc quod habet firmam -inhaesionem; deficit vero a scientia in eo quod non habet visionem, S. -Theol. II 1 qu. 67 art. 3. In gelijken zin gaf Zanchius deze definitie: -opinio is eene cognitio neque certa neque evidens, fides is eene -cognitio certa sed non evidens, scientia is eene cognitio aeque certa -ac evidens, Op. II 196. Gelooven en weten zijn dus niet in zekerheid -onderscheiden. Het geloof brengt eene even sterke zekerheid mede als -het weten. Ja de geloofszekerheid is van beide de intensief sterkste; -zij is schier onwankelbaar en onuitroeibaar. Voor het geloof heeft -iemand zijn leven en alles veil. Galilei zwoer tot driemalen toe zijn -geloof af aan het Kopernikaansche stelsel. Kepler hield zich tegen zijne -overtuiging te Graz bezig met de astrologie om in zijn onderhoud te -voorzien; de behoeftige moeder (astronomie) moest leven van de dwaze -dochter (astrologie). Wie geeft voor eene wetenschappelijke thesis, -bijv. dat de aarde om de zon draait, zijn leven prijs? Maar de religie -kweekt martelaars. De geloofszekerheid gaat in intensieve kracht de -wetenschappelijke zekerheid ver te boven. Bonaventura maakt echter in -de zekerheid terecht onderscheid tusschen de certitudo adhaesionis -en de certitudo speculationis, Sent. III dist. 23 art. 1 qu. 4, cf. -Stöckl. Philos. des M. A. II 883. De eerste is bij de geloofszekerheid -grooter dan bij de wetenschappelijke zekerheid, want dikwerf zijn geen -argumenten, geen vleierijen, geen pijnigingen in staat, om iemand in zijn -geloof aan het wankelen te brengen. Hij klemt met heel zijn ziel aan -het voorwerp des geloofs zich vast. Maar de certitudo speculationis -behoeft wel niet altijd, maar kan soms toch sterker zijn in de wetenschap -dan in het geloof. Het is dezelfde gedachte, die Augustinus uitsprak: -weten is altijd sine vitio, maar gelooven geschiedt aliquando cum vitio. -Het gelooven zelf is geen bewijs voor de waarheid van het geloofde. Er -is groot verschil tusschen subjectieve verzekerdheid en objectieve -waarheid. Alles hangt bij het geloof van de gronden af, waarop het rust. - - -§ 18. DE GROND DES GELOOFS. - -1. Zoodra de christelijke theologie ernstig ging nadenken over den -laatsten en diepsten grond des geloofs, kwam zij tot de erkentenis, -dat geen enkel verstandelijk of historisch bewijs, voor de waarheid der -openbaring aangevoerd, ten slotte daarvoor gelden kon. De apologeten -der 2e eeuw hechtten aan die bewijzen groote waarde, boven bl. 423, -en legden er tegenover het heidensch naturalisme nadruk op, dat het -geloof eene redelijke, vrije daad was van den mensch, Just. M. Dial. c. -88. 102. 131. Theophilus, ad Autol. II 27. Irenaeus, adv. haer. IV 37, -5, enz. Maar toch vinden wij ook bij hen reeds het besef, dat al die -bewijzen onmachtig zijn, om iemand metterdaad te bewegen tot het geloof. -Daartoe is nog iets anders en meer van noode, n.l. de goddelijke genade, -Just. M. Dial. c. 119. Apol. 1, 10. 2, 10. Iren. adv. haer. IV 39, -2. Orig. de princ. I 10, 14, 19. Irenaeus vergelijkt haar bij den dauw -en den regen, die den akker vruchtbaar maakt, ib. III 17, 2, 3. Maar -Augustinus was de eerste, die de noodzakelijkheid der gratia interna -duidelijk inzag en beleed. Hij schrijft elders groote waarde toe aan de -kerk als motief des geloofs; maar zijne leer van de gratia interna -bewijst, dat deze voor hem niet was de laatste en diepste oorzaak van -zijn geloof. Dat was God alleen. Operatur Deus fidem nostram miro -modo agens in cordibus nostris, ut credamus, de praed. sanct. 2, 6. -Immers, gelooven is altijd vrijwillig, nemo credit nisi volens. En God -buigt daarom door zijne genade den wil en doet ons gelooven met het -verstand, Conf. 13, 1. de div. quaest. 1 qu. 2 n. 21, de praed. sanct. -19, de dono persev. 16, enz. Ook de latere theologen hebben groote -kracht aan de praeambula fidei en de motiva credibilitatis toegekend; -en onder deze nam de kerk hoe langer hoe voornamer plaats in. Maar -allen geven toe, dat die motiva de openbaring non evidenter veram maar -slechts evidenter credibilem maken. Zij sluiten redelijken twijfel uit, -en toonen dat het niet onredelijk is, om te gelooven en wel onredelijk, -om het tegendeel aan te nemen, Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art. 5 ad. -2. S. c. Gent. I c. 9. Maar afdoende zijn ze niet. Ja, Thomas zegt -uitdrukkelijk bij gelegenheid dat hij handelt over de philosophische -bewijzen voor de triniteit: qui autem probare nititur trinitatem -personarum naturali ratione, fidei derogat, S. Theol. I qu. 32 art. -1. Tegenover tegenstanders baten bewijzen weinig, quia ipsa rationum -insufficientia eos magis in suo errore confirmaret, dum aestimarent nos -propter tam debiles rationes veritati fidei consentire, S. c. Gent. I -c. 9. De openbaring moge door de bewijzen nog zoo geloofwaardig gemaakt -worden, ze is en blijft toch eene geloofswaarheid, Bellarm. de Conc. -et Eccl. IV 3. Ze moet dat bij Rome ook nog om deze reden blijven, wijl -anders de vrijwilligheid en daardoor de verdienstelijkheid des geloofs te -loor zou gaan, Thomas S. Theol. II 2. qu. 2 art. 9 en 10. Het geloof -neemt dus de waarheid aan niet op grond van eigen inzicht, maar van -goddelijke autoriteit. Non enim fides assentit alicui, nisi quia est a -Deo revelatum, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I c. 9. -Becanus, II 2. p. 3-17. Billuart, II 2. Tom. 1 de fide p. 1 sq. Dens, -II 280 sq. Jansen I 701-711. En om die autoriteit Gods te erkennen, -moet er in den mensch eene verandering van den wil voorafgaan. Gelooven -is wel eene daad des verstands, Thomas S. Theol. II 2. qu. 4 art. -2, maar het onderstelt eene buiging van den wil door de genade. Het -verstand moet tot het geloof door den wil gedetermineerd worden, S. -Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad. 3. De assensus fidei is dus alleen a Deo, -interius movente per gratiam, ib. I qu. 62 art. 2 ad 3. II 1 qu. 109 -art. 6. qu. 112 art. 2. II 2 qu. 6 art. 1. Gregorius XVI veroordeelde -in de breve van 26 September 1835 het gevoelen van Hermes, dat de -motiva credibilitatis de eigenlijke grond des geloofs aan de openbaring -waren. En het Vaticaansch Concilie stelde vast in sess. 3, Const. dogm. -de fide cap. 3, dat de motieven de goddelijke openbaring wel credibilis -konden maken, nemo tamen evangelicae praedicationi consentire potest, -sicut oportet ad salutem consequendam absque illuminatione et -inspiratione Spiritus Sancti. - -2. Feitelijk neemt Rome daarmede hetzelfde subjectieve standpunt in -als de kerken der Hervorming. De motieven, hoe sterk ook, kunnen niet -metterdaad bewegen tot het geloof. Het is Gods Geest alleen, die iemand -inwendig vast en zeker overtuigen kan van de waarheid der goddelijke -openbaring. De diepste grond voor het geloof is ook bij Rome niet de -Schrift of de kerk, maar het lumen interius. Verschillende theologen -hebben dit ook erkend. Duidelijkshalve moge de akte des geloofs voor -een oogenblik in een syllogisme worden ontleed. De maior luidt dan: -God is waarachtig; indien Hij zich openbaart, moet zijne openbaring in -geloof worden aangenomen; de minor heet: deze feiten, b. v. de kerk, -de Schrift zijn openbaringen Gods; en dan volgt de conclusie: dus -moeten deze ook geloofd worden. Over den major is er geen verschil. -Deze staat vast krachtens de idee Gods en wordt door allen erkend. -Niemand ontkent, dat, =indien= God zich openbaart, Hij ook als de -waarachtige geloof verdient. Des te meer komt alles aan op den minor. -Het verschil loopt juist hierover, of en waar God zich geopenbaard -heeft. De geloovige Christen zegt: in de Schrift of ook in de kerk. -Maar hoe en waarom worden deze als openbaring Gods erkend? Indien op -grond van bewijzen, van de motiva credibilitatis; dan is die grond -menschelijk, feilbaar, en het geloof niet zuiver religieus en zeker. -De openbaring Gods kan in religieusen zin alleen worden geloofd op -grond van Gods autoriteit. Maar die autoriteit Gods laat zich alleen -hooren, òf buiten mij, in de Schrift of de kerk, naar wier laatsten -geloofsgrond ik juist onderzoek doe; òf binnen in mij, in de genade die -mij tot het geloof beweegt, in het lumen interius, het testimonium Sp. -S. Wie de autoriteit Gods als laatsten grond des geloofs en dus het -geloof in zijn religieuse natuur handhaven wil, moet een van deze beide -standpunten innemen. Nu zei Canus zonder aarzelen, dat de laatste grond -lag in de genade, die hem inwendig tot het geloof bewoog. Ik geloof, -sprak hij, dat God drieëenig is, wijl God het heeft geopenbaard; huic -autem: Deus revelavit, immediate credo, a Deo motus per instinctum -specialem, Loc. Theol. l. 2 c. 8 ad 4. Bij Canus lag dus de laatste -grond voor zijn geloof objectief in de getuigenis Gods; maar dat hij deze -getuigenis als goddelijk erkende, was te danken aan de genade, die zijn -wil en verstand tot het gelooven bewoog. Dit gevoelen van Canus werd -wel door enkele andere Roomsche godgeleerden, zooals Arragon, Gonet, -enz. overgenomen; Prof. Hayd, Philos. Jahrbuch von Gutberlet III 1890 -S. 27 sprak zelfs van een onmiddellijk getuigenis Gods in ons, dat ons -de goddelijkheid van Jezus’ persoon en leer verzekert. Maar er werd -toch door velen deze bedenking tegen ingebracht, dat Canus eigenlijk -geen antwoord geeft op de vraag, op welken grond hij de getuigenis -Gods in de Schrift en de kerk als goddelijk aanneemt. Hij zegt alleen, -dat God het hem alzoo inwendig door zijne genade te gelooven geeft, -maar legt er geen verdere rekenschap van af. Bovendien beval zich dit -gevoelen van Canus ook daarom niet aan, wijl het, gelijk Suarez reeds -opmerkte, zooveel overeenkomst had met en zoo licht verleiden kon tot -de leer van Calvijn over het testimonium Spiritus Sancti. Daarom waren -de Roomsche theologen erop bedacht, om den laatsten grond des geloofs -elders te zoeken dan in het lumen interius. Suarez was van oordeel, -dat niet alleen het voorwerp, maar ook de grond des geloofs zelf weer -eene zaak des geloofs is. Wij gelooven niet alleen dat de Schrift waar -is, wijl God zich daarin heeft geopenbaard; maar ook het feit, dat God -zich daarin heeft geopenbaard, gelooven wij, omdat God zelf het in de -Schrift getuigt. De openbaring is tegelijk het quo en het quod creditur. -Unus enim et idem actus credit Deum et Deo. Gelijk het oog de kleuren -en tevens het licht, waardoor die kleuren zichtbaar worden, waarneemt; -gelijk de rede de afgeleide waarheden kent en tevens de principia, -waardoor ze kenbaar zijn; zoo ook kent het geloof zoowel de geopenbaarde -waarheden, als de getuigenis, waarop ze rusten, als goddelijk. Zeer -vele theologen, ook in den nieuweren tijd, hebben met dit gevoelen van -Suarez hun instemming betuigd, maar het bevredigde niet allen. De -cirkelredeneering was toch duidelijk: de Schrift wordt geloofd, wijl ze -geopenbaard is, en dat ze geopenbaard is, wordt wederom geloofd, wijl -de Schrift het getuigt. Het leidt ook tot een progressus in infinitum: -ik geloof eene openbaring, omdat eene andere openbaring het getuigt -enz. Wel antwoordt Suarez op deze bedenking, dat de openbaring om -zichzelve moet geloofd worden; dat God, zich openbarend, ook daarin -tegelijk openbaart, dat _Hij_ het is, die zich openbaart. Maar altijd -blijft toch de vraag nog open, waarom gelooven wij het getuigenis, waarbij -God verklaart, dat Hij het is, die zich heeft geopenbaard. Lugo leerde -daarom, dat het aannemen van het feit, dat God zich in de Schrift -geopenbaard heeft, wel bovennatuurlijk was, maar dat het toch niet in -eigenlijken zin geloof kon worden genoemd. Gelooven toch is altijd iets -voor waar aannemen op grond van een getuigenis. Indien nu het aannemen -van het feit, dat God zich geopenbaard heeft, een gelooven ware in -eigenlijken zin, dan onderstelde dit wederom een goddelijk getuigenis, en -zoo in infinitum. Lugo nam daarom aan, dat het erkennen van het feit -der openbaring niet rustte op het getuigenis Gods, maar daarop, dat -de geloovige de openbaring zelve met haar wonderen, profetieën enz. -onmiddellijk en rechtstreeks als openbaring inzag, evenals de rede de -waarheid der principia onmiddellijk erkent. De openbaring kondigt zich -zelve door haar inhoud als goddelijk aan, evenals naar het beeld van -Thomas, S. Theol. III qu. 43 art. 1 een gezant zich door den inhoud -zijner boodschap, bv. door geheimen, die alleen zijn lastgever weten kan, -verifieert. Maar deze voorstelling stuit weder op het bezwaar, dat deze -erkenning der openbaring òf werkelijk onmiddellijk is, in welk geval zij -eene nieuwe openbaring wordt in het subject, eene aanschouwing van -het goddelijke, die we hier op aarde, als wandelende in het geloof, -niet deelachtig worden; òf dat ze feitelijk middellijk is, maar dan -ook voortvloeit uit de indicia en criteria der openbaring, en alzoo -wederom komt te rusten op de bewijzen voor de openbaring, op de motiva -credibilitatis. Ook deze oplossing is dus onbevredigend. Daarom hebben -wederom anderen gezegd: het getuigenis Gods is de laatste grond des -geloofs. Op de vraag: waarom gelooft gij? antwoordt de Christen: omdat -God gesproken heeft. Deus dixit. Een anderen, dieperen grond kan hij -in dezen niet aangeven. Als hem verder wordt gevraagd: maar waarom -gelooft gij, dat God gesproken heeft, bijv. in de Schrift? dan kan hij -alleen nog ten antwoord geven, dat God hem inwendig alzoo bewerkt, -dat hij die Schrift als Gods woord erkent. Maar daarmede heeft hij ook -alles gezegd. Het getuigenis Gods is de grond, maar de genade, de wil -is de oorzaak des geloofs. De bewijzen mogen motiva credibilitatis -zijn, de wil is ten slotte het motivum credendi. Boven kritiek is ook -dit standpunt niet verheven. Want er kan gevraagd worden en er is ook -werkelijk gevraagd, welken grond het _verstand_ heeft, om de Schrift -als woord Gods aan te nemen. Het antwoord, dat de wil of de genade het -verstand daartoe beweegt, is onvoldoende. De wil kan het verstand toch -niet bewegen, om iets voor waar aan te nemen zonder grond, waarvan -het zelf het geloofwaardige niet inziet. Het verstand moet immers -zelf erkennen, dat iets goddelijk is en daarom geloof verdient. Anders -is het geloof onredelijk en maakt de geloovige met een sic volo, sic -jubeo, stat pro ratione voluntas van de moeilijkheid zich af. Ook de -Roomsche godgeleerden hebben daarom op de vraag naar den diepsten -grond des geloofs geen allen bevredigend antwoord weten te geven. Zeer -velen onthouden zich eenvoudig van eene beslissing en laten de keuze -tusschen de verschillende bovengenoemde gevoelens vrij. Genoeg, om te -doen zien, dat ook Rome met zijne onfeilbare kerk en zijn onfeilbaren -paus niets vóór heeft boven de kerken der Hervorming. De diepste grond -van het geloof ligt ook bij Rome, evengoed als bij het Protestantisme, in -het subject. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk. II 486-500. -Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. IV 473-532. Von Schäzler, -Neue Untersuchungen über das Dogma von der Gnade und das Wesen des -Glaubens, Mainz 1867 S. 513-537. Al. Schmid, Untersuchungen über den -letzten Gewissheitsgrund des Offenbarungsglaubens, München, 1879. -Jansen, Praelect. Theol. I 711-724. - -3. De Reformatie nam welbewust en vrij haar standpunt in het religieuse -subject, in het geloof van den Christen, in het getuigenis des H. -Geestes. Wel is waar komen er bij Luther, Zwingli en Melanchton slechts -enkele uitspraken voor over het testimonium Spiritus Sancti, Köstlin, -Luthers Theol. I 279, II 254 f. Scholten, L. H. K. I 186 v. Maar -Calvijn heeft deze leer breedvoerig ontwikkeld en haar in verband -gebracht niet alleen met den inhoud maar ook met den vorm en het gezag -der Schrift. Dat de Schrift Gods woord is, zegt Calvijn, staat niet -vast door de kerk, maar stond vast vóór haar besluit, want de kerk -is gegrond op het fundament van apostelen en profeten. De Schrift -brengt haar eigen gezag mede, zij rust in zichzelve, zij is αὐτοπιστος. -Evenals het licht van de duisternis, de witte van de zwarte kleur, -het zoet van het bitter onderscheiden is, zoo wordt de Schrift door -haar eigen waarheid onderkend. Maar zekerheid bij ons krijgt die Schrift -als Gods woord alleen door het getuigenis des H. Geestes. Bewijzen en -redeneeringen zijn wel veel waard, maar dit getuigenis gaat ze alle in -waarde verre te boven, het is omni ratione praestantius. Gelijk God -alleen van zichzelf getuigen kan in zijn woord, zoo vindt zijn woord -niet eerder geloof in het hart der menschen, dan nadat het door het -inwendig getuigenis des Geestes bezegeld wordt. Dezelfde Geest, die -door den mond der profeten sprak, moet in onze harten werken en ons -overtuigen, dat zij getrouw hebben overgeleverd hetgeen hun van God -bevolen was. De H. Geest is daarom zegel en bevestiging van het geloof -der vromen. Indien we dat getuigenis in ons hebben, rusten we niet in -eenig menschelijk oordeel, maar stellen ontwijfelbaar vast, alsof we -God zelf in haar aanschouwden, dat de Schrift uit Gods mond door den -dienst van menschen is voortgekomen. Wij onderwerpen ons aan haar ut rei -extra aestimandi aleam positae. Maar dat moet niet zoo worden verstaan, -alsof we ons blindelings onderwierpen aan eene zaak, die ons onbekend -is. Neen, wij zijn ons bewust, dat wij in die Schrift de onoverwinbare -waarheid bezitten en voelen non dubiam vim numinis illic, vigere ac -spirare, waardoor wij, willens en wetens en toch levendig en krachtig -tot gehoorzaamheid gedrongen worden, Inst. I c. 7. Comm. in 2 Tim. -3:16. Calvijn wist in deze leer van het testimonium Sp. S. geen private -openbaring, maar de ervaring aller geloovigen te beschrijven, Inst. I, -7, 5. Dit getuigenis des H. G. was bij hem ook niet geïsoleerd van, maar -stond in het nauwste verband met heel de werkzaamheid des H. G. in het -hart der geloovigen; door haar alleen ontstaat en bestaat de gansche -kerk; heel de toepassing des heils is een werk van den H. Geest; en het -getuigen aangaande de Schrift is maar eene van de vele werkzaamheden -des H. G. in de gemeente der geloovigen. Het testimonium Sp. S. geeft -ook geen nieuwe openbaringen, maar maakt den geloovige vast ten aanzien -van de waarheid Gods, die volledig in de Schrift is vervat; het maakt -dat het geloof eene cognitio certa is en allen twijfel buitensluit. En -het vindt ten slotte zijne analogie in het getuigenis, dat ons geweten -geeft aan de wet Gods, en in de zekerheid, die we hebben aangaande Gods -bestaan. Cf. Klaiber, Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp. -S., Jahrb. f. deutsche Theol. 1857 S. 1-54. Aug. Benezeh, Théorie de -Calvin sur l’Ecriture Sainte, Paris 1890. Jacq. Pannier, Le témoignage -du Saint-Esprit, Paris 1893. Deze leer van het testim. Sp. S. werd -opgenomen in de Fransche, Nederl. en Westminstersche geloofsbelijdenis -en in Calvijns geest ontwikkeld door Ursinus, Tract. Theol. p. 12, -13. Zanchius, Op. VIII col. 332 sq. Polanus, Synt. Theol. I cap. 16. -Trigland, Antapologia p. 42 sq. Maccovius, Loci Comm. p. 28. Alsted, -Theol. schol. didact. 1618 p. 10 sq. 29 sq. Maresius, Syst. Theol. -I § 33 e. a. Ook buiten de Geref. theologie vond ze ingang bij de -Lutherschen, nog niet bij Chemniz, Heerbrand enz. maar wel bij Hutter, -Hunnius, Gerhard, Loc. Theol. loc. 1 cap. 3 § 39. Quenstedt, Hollaz, -cf. Hase, Hutterus Rediv. § 37, 45. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6e -Aufl. S. 31. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 1-54. Dorner, Gesch. -der Prot. Theol. S. 539-549. - -Maar deze leer vond bestrijding van den kant van het Socinianisme, Fock, -der Socinianismus 336 f.; van het Remonstrantisme, Episcopius, Instit. -Theol. Lib. 4 Sect. 1 cap. 5 § 2. Limborch, Theol. Christ. I c. 4 § 17, -en van het Romanisme, Bellarminus, de verbo Dei IV 4; cf. Pannier, Le -témoignage du S. Esprit p. 140 s. Langzamerhand begon het testimonium -internum ook in de Geref. theologie zijne eereplaats te verliezen. Bij -Turretinus, Theol. El. II qu. 6 § 11 sq. en Decas disput. miscell. p. -30-70, Amyraldus, Syntagma thesium theol. in acad. Salmur. 1665 p. -117-143, Molinaeus, Juge des controverses, chap. 16, 17 e. a. wordt -het reeds verzwakt, en vereenzelvigd met zoodanige verlichting des H. -Geestes, waardoor het verstand in staat wordt gesteld, om de notae en -criteria van de goddelijkheid der H. Schrift op te merken. Het geloof -sluit zich niet rechtstreeks en onmiddellijk meer aan de Schrift aan, -maar vloeit uit het inzicht in de veritatis et divinitatis notae voort. -Tusschen de Schrift en het geloof worden de kenmerken van de waarheid -der Schrift ingeschoven. Eerst nog in dien zin, dat het opmerken en -onderkennen van die criteria aan eene verlichting des verstands door -den H. Geest wordt toegeschreven. Maar het rationalisme achtte spoedig -ook deze onnoodig, droeg het onderzoek van de waarheid der openbaring -op aan de rede, en grondde het gezag der Schrift op historische -bewijzen. Zelfs rechtzinnige theologen durfden nauwelijks meer spreken -van het testimonium internum, Brakel, Red. godsd. 2:7. Marck, Merch der -Godg. 2:6. Als het getuigenis des H. G. nog ter bevestiging van het -gezag der Schrift ter sprake wordt gebracht, komt het geheel achteraan, -en wordt het in een ervaringsbewijs veranderd, Reinhard, Dogm. 5te Aufl. -S. 69. Bretschneider, Dogm. 1838 I 283 en de daar aangeh. litt. Hase, -Hutterus Rediv. § 37, noot 4. Vinke, Theol. Christ. dogm. Comp. p. -21, 22 enz. Michaelis, Dogm. 2e Aufl. Gött. 1784 S. 92, verklaarde, -dat hij nooit zulk een getuigenis des H. G. in zijn hart vernomen had -en ook in de Schrift niet vond. En Strauss, Gl. I 136, beweerde, dat -het testimonium Sp. S. tot fanatisme of tot rationalisme leidde en de -Achilleshiel was van het Protestantsche systeem. - -Verschillende oorzaken hebben er echter toe medegewerkt, om deze -leer van het testimonium internum toch weer eenigermate in hare eer -te herstellen. De kritiek van het rationalisme door Kant; het bewijs -des Geistes und der Kraft, waarop Lessing zich beriep; de romantiek -van Jacobi en Schleiermacher, en de onvruchtbaarheid der apologetiek -hebben de overtuiging doen geboren worden, dat de rechtvaardiging -van de christelijke religie uitgaan moet van het geloof der gemeente. -Religieuse waarheid moet op andere wijze bewezen worden dan eene -stelling uit de mathesis. Aan de openbaring die het principium -externum der religie is, moet een correspondeerend orgaan in den -mensch zelf beantwoorden. Wel verschilt dit alles nog zeer veel -van het testimonium Sp. S., gelijk het door Calvijn ontwikkeld werd. -Dikwerf wordt dit getuigenis door de nieuwere theologen van heel -zijn bovennatuurlijk karakter beroofd. Gewoonlijk wordt het in verband -gebracht niet met den vorm, maar alleen met den inhoud, en soms -alleen met den religieus-ethischen inhoud der Schrift. Maar evenals -de Roomsche, zoo moeten ook de Protestantsche theologen erkennen, -dat de laatste en diepste grond des geloofs niet buiten ons liggen -kan in bewijzen en redeneeringen, in kerk en traditie, maar alleen -gevonden kan worden in den mensch zelf, in het religieuse subject. -En die overtuiging komt aan de leer van het testimonium Sp. S. ten -goede. Een enkele moge het nog voor de historische bewijzen opnemen en -het testimonium Sp. S. bestrijden, zooals König, Der Glaubensakt des -Christen 1891 S. 92-99. Id. Die letzte Instanz des bibl. Glaubens 1892 -S. 23 f. De meeste theologen nemen het weer op in de dogmatiek, en -ruimen er eene grootere of kleinere plaats voor in, Oosterzee, Jaarb. -v. wet. Theol. 1845. Dogm. I 242. Scholten L. H. K. I 115-233. Twesten -I 433-7. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857. Lange I § 84. Kahnis, -Luth. Dogm. I 291. Philippi, Kirchl. Dogm. 3e Aufl. I 135 f. Cremer -in Herzog² 6, 746. Frank, Syst. der chr. Gewissheit I 139. Id. Dogm. -Studiën 38-57. Thomasius, Christi Person u. Werk 3e Aufl. II 268 f. -Dorner, Gesammelte Schriften, Berlin 1883 S. 131 f. Lipsius, Jahrb. -f. prot. Theol. 1885 S. 614. Hodge, Syst. Theol. III 69. Pannier, Le -témoignage du S. Esprit p. 193 s. Kuyper, Encycl. II 501-511. John de -Witt, The testimony of the Holy Spirit to the Bible, Presb. and Ref. -Rev. Jan. 1895 p. 69-85. - -4. Zoowel de Roomsche als de Protestantsche theologie is bij het -onderzoek naar den diepsten grond des geloofs uitgekomen bij het -religieuse subject en moet hare positie nemen in het geloof der -gemeente. Elke andere weg, tot bewijs der religieuse waarheid -ingeslagen, is gebleken eene impasse te zijn. Schijnbaar is dit eene -teleurstelling; en zoo wordt ze ook gevoeld door elk, die het eigenlijk -wezen van openbaring en godsdienst miskent en ze verandert in eene -verstandelijk bewijsbare leer. Maar feitelijk is deze uitkomst voor de -theologie eene winst. Want zij bewijst, dat de theologie tot het inzicht -gekomen is van de eigensoortigheid der religie en dat zij in dezelfde -conditie verkeert als alle andere wetenschappen. Het subjectieve -uitgangspunt is toch volstrekt niet alleen aan de theologie eigen. Al -het objectieve is slechts van uit het subject te benaderen; het Ding -an sich is onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld der klanken -heeft slechts realiteit voor den hoorenden, de wereld der gedachten -alleen voor den denkenden geest. Het is vergeefsche moeite, aan den -blinde het objectief bestaan der kleuren te willen bewijzen. Alle -leven en kennen berust op eene samenstemming van subject en object. -En de mensch is daarom zoo rijk, wijl hij door de verschillendste en -de veelvuldigste relatiën aan de objectieve wereld verbonden is. Hij -is aan de gansche wereld verwant; physisch, vegetatief, sensitief, -intellectueel, ethisch, religieus staat hij met die wereld in harmonie; -hij is een mikrokosmos. Nu gaat de Schrift ons voor, om al deze relatiën -van den mensch tot de wereld religieus op te vatten en theïstisch te -verklaren. De mensch heeft zich niet zelf in deze verhouding tot den -kosmos gesteld. Hij is van huis uit op die wereld aangelegd, en deze -wederkeerig op hem. Wijl hij beeld Gods is, is hij ook heer der aarde. -En niet alleen is het God, die deze banden eenmaal tusschen mensch en -wereld gelegd heeft; Hij is het ook, die ze voortdurend van oogenblik -tot oogenblik in stand houdt en werken doet. Het is eenzelfde Logos, -waardoor alle dingen in en buiten den mensch zijn gemaakt. Hij is vóór -alle dingen en deze bestaan nog altijd te zamen door Hem, Joh. 1:3; -Col. 1:15. Nog nader doet de Schrift ons den Geest van God kennen -als principe en auteur van alle leven in mensch en wereld, Gen. 1:2; -Ps. 33:6, 104:30, 139:7; Job 26:13, 33:4, bepaaldelijk ook van het -intellectueele, ethische en religieuse leven, Job 32:8; Jes. 11:2. -Natuurlijk is de werking van dien Geest verschillend, overeenkomstig de -verhoudingen, waarin de mensch tot de wereld staat. Physisch bestaat -ze nog slechts in de aandrift, die mensch en dier hunne spijze van God -doet zoeken, Ps. 104:20-30. Ze is dan nog gelijk aan het instinct, dat -onbewust de handeling leidt. Maar hooger vorm neemt deze werking van -Gods Geest aan in het intellectueele, ethische en religieuse leven van -den mensch. Ze wordt dan tot ratio, conscientia, sensus divinitatis, -welke geen rustende vermogens maar vatbaarheden zijn, die door inwerking -van verwante verschijnselen uit de buitenwereld tot actie overgaan. En -deze actie kan nu den naam van getuigenis dragen, door den menschelijken -geest gegeven aan de correspondeerende verschijnselen buiten hem. -Onze geest doet niets anders dan altijd door getuigenis geven aan de -waarheid, die van buiten tot ons komt. Hij brengt die waarheid niet -denkende en redeneerende uit zichzelven voort; hij produceert en -schept ze niet, hij reproduceert en denkt ze slechts na. De waarheid -bestaat vóór en onafhankelijk van den menschelijken geest; zij rust in -zichzelve, in den Logos, waarin alles bestand heeft. Van ’s menschen -zijde is alleen noodig, dat hij de waarheid inzie en in zich opneme; -dat hij er zijn getuigenis aan geve en ze denkend en kennend verzegele. -Zoo getuigde Jezus hetgeen hij gezien en gehoord had, Joh. 3:32; Hij -gaf der waarheid getuigenis, Joh. 18:37; en zoo waren de apostelen -getuigen van het woord des levens, dat zij in Christus aanschouwd en -getast hadden, Joh. 15:27; 1 Joh. 1:3. Zulk een getuigenis geven aan -de waarheid is voor den menschelijken geest rust, vreugde, zaligheid. -De afstand tusschen ons en de waarheid is dan weggevallen; zij heeft -ons, wij hebben haar gevonden. Er is onmiddellijke aanraking. Zij maakt -ons door zichzelve tot hare getuigen. Alle waarheid maakt van hem, -die haar kent, een getuige, een verkondiger, een profeet. Ingaande -in onzen geest, brengt zij hare eigene getuigenis mede; zij brengt die -zelve in ons voort. Religieus opgevat, is het de Logos zelf, die door -onzen geest heen aan den Logos in de wereld getuigenis geeft. Het is -eenzelfde Geest, die de waarheid objectief voor ons uitspreidt en ze -subjectief in onzen geest tot zekerheid verheft. Het is zijn getuigenis, -dat in ons bewustzijn gegeven wordt aan de gedachten, welke God in de -schepselen heeft belichaamd. Bovenal in de religie is dit getuigenis -des H. Geestes aan de waarheid duidelijk. God laat zich niet onbetuigd. -Hij openbaart zijne δυναμις en θειοτης in de schepselen, en geeft -zelf daaraan in onzen νους door zijnen Geest getuigenis. Alle kennen -der waarheid is wezenlijk een getuigenis, dat de geest des menschen -aangaande haar aflegt, en in den diepsten grond een getuigenis van den -Geest Gods aan het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt. - -5. Dit getuigenis van des menschen geest aan de waarheid is -onderstelling en grondslag, en tevens ook analogie van het testimonium -Spiritus Sancti. Calvijn en anderen wezen reeds op deze overeenkomst, -Instit. II 8, 1. Maresius, Syst. theol. I § 33. Alsted, Theol. schol. -did. p. 31. Maar analogie is geen identiteit. De christelijke religie -heeft tot principium externum niet de algemeene openbaring Gods in de -natuur, maar eene bijzondere openbaring Gods in Christus. Daarmede moet -het principium internum overeenstemmen. De νους van den psychischen -mensch is onvoldoende, om de dingen des Geestes Gods te onderscheiden. -God kan alleen door God worden gekend. Ὁ ὠν ἐκ του θεου τα ρηματα του -θεου ἀκουει, Joh. 8:47, 3:21, 7:17, 10:3 v., 18:37. Niemand kan over -God spreken, dan die uit en door Hem spreekt. Daarom kan ook alleen -diezelfde Geest, die door profeten en apostelen heeft gesproken, in -onze harten aan de waarheid getuigenis geven en deze daardoor boven -allen twijfel verheffen en tot volstrekte zekerheid brengen. Zulk een -getuigenis des H. Geestes in de harten der geloovigen wordt in de -Schrift zeer duidelijk geleerd. In de objectieve openbaring, d. i. in -den persoon van Christus en in de Schrift als zijn woord, ligt alles -besloten, wat de mensch tot de kennis en den dienst Gods van noode -heeft. De openbaring Gods is in Christus voltooid en in de Schrift -volkomen genoegzaam beschreven. Maar deze openbaring in Christus en -in zijn woord is middel, geen doel. Doel is de schepping eener nieuwe -menschheid, die het beeld Gods ten volle ontvouwt. Daarom moet heel -de openbaring overgeleid worden uit Christus in de gemeente, uit de -Schrift in het bewustzijn; God zoekt eene woning in den mensch. Dit -groote, goddelijke werk van de toepassing des heils, van de leiding in -alle waarheid is opgedragen aan den Heiligen Geest. Reeds in de dagen -des O. Verbonds was Hij de auteur van alle religieus-ethische kennis -en leven, Ps. 51:13, 143:10; Jes. 63:10. Maar Israel verkeerde in een -staat van onmondigheid en was onder de verzorging der wet gesteld, -Gal. 4:1 v. De H. Geest was nog niet, overmits Christus nog niet was -verheerlijkt, Joh. 7:39. Daarom zagen de profeten met verlangen uit -naar de dagen des N. Verbonds, waarin allen door den Heere geleerd en -allen door den H. Geest geleid zouden worden, Jer. 31:34; Ezech. 36:25 -v.; Joel 2:28 v. Naar de belofte wordt deze Geest uitgestort op den -Pinksterdag. Heel zijne werkzaamheid wordt door Jezus een getuigen, een -verheerlijken van Hemzelven genoemd, Joh. 15:26, 16:14. De H. Geest -is de waarachtige en de almachtige Getuige voor Christus. Heel de -wereld staat vijandig tegen Christus over, niemand neemt het voor Hem -op. Maar de H. Geest treedt bij die wereld als de paracleet, als de -verdediger van Christus op. Dat doet Hij allereerst in de Schrift; deze -is het getuigenis, de pleitrede des H. Geestes voor Christus, die Hij -uitspreekt en handhaaft al de eeuwen door. Dit testimonium Spiritus -Sancti in S. Scriptura gaat vooraf en ligt ten grondslag aan het -getuigenis, dat de H. Geest aflegt in de harten der geloovigen. Gelijk -de gedachten Gods objectief in de wereld belichaamd zijn en daaruit -door den menschelijken geest worden afgeleid, zoo is ook het woord der -openbaring eerst volkomen beschreven in de H. Schriftuur, om daarna -verzegeld te worden in onze harten door het getuigenis des H. Geestes. -Ook hier bestaat de werkzaamheid van den geest des menschen in niets -anders dan om getuigenis te geven aan de waarheid, en na te denken -wat God voorgedacht heeft. Het testimonium Sp. S. in de geloovigen -blijkt hier alreede geen nieuwe openbaring of meedeeling van onbekende -waarheden te zijn. Het is wezenlijk onderscheiden van profetie en -inspiratie; het doet alleen de waarheid, die buiten en onafhankelijk -van ons bestaat, als waarheid verstaan en verzekert en verzegelt ze -mitsdien in het menschelijk bewustzijn. De verhouding van het getuigenis -des H. Geestes in de harten der geloovigen tot de waarheid der -openbaring in de H. Schrift is m. m. geene andere dan die van den -menschelijken geest tot het voorwerp van zijne kennis. Het subject schept -de waarheid niet; het erkent en beaamt ze slechts. - -Maar de analogie strekt zich nog verder uit. De objecten van het -menschelijk weten zijn alle αὐτοπιστα, ze rusten in zichzelve, hun -bestaan kan erkend maar niet bewezen worden. Bewijzen in strikten -zin zijn er alleen mogelijk ten aanzien van afgeleide stellingen, en -bestaan dan daaruit, dat deze tot algemeene stellingen worden herleid. -Bewijzen is: het onbekende terugleiden tot het bekende, het bijzondere -tot het algemeene, het onzekere tot het vaststaande. Misschien is -het nog juister te zeggen, dat bewijzen bestaat in het herleiden van -onzekere en betwijfelde stellingen tot zulke, die nu eenmaal algemeen -als vaststaande worden aangenomen. Want de prima principia, waar alle -bewijzen ten slotte op rusten, zijn zelve voor geen bewijs vatbaar; zij -staan alleen vast door en voor het geloof. Bewijzen zijn daarom alleen -van kracht voor hem, die in deze principia met ons overeenstemt. -Contra principia negantem non est disputandum. Zoo kan in de moraal -het stelen als ongeoorloofd worden bewezen aan hem, die het gezag der -zedewet erkent, maar elk bewijs is krachteloos tegenover wie dit gezag -loochent. De zedewet zelve is αὐτοπιστος, zij rust in zichzelve, zij is -als de zon die alleen gezien wordt bij haar eigen stralen; zij hangt van -geen bewijs en redeneering af; zij is machtig doordat zij er is, zichzelve -poneert en handhaaft; haar macht bestaat in haar gezag, in de goddelijke -majesteit, waarmede zij haar: gij zult, in onze conscientie hooren doet. -De zedewet zou zichzelve verzwakken, als zij met ons ging redeneeren en -zich onderwierp aan ons oordeel. Zij treedt kategorisch op, en wil van -geen exceptiën, van geen verontschuldigingen weten. Op de vraag: waarom -onderwerpt gij u aan de zedewet? is er maar één antwoord mogelijk: omdat -zij mij Gods wil openbaart. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom -gelooft gij, dat die zedewet Gods wil is? is er geen afdoend antwoord -meer te geven. Wie dan toch antwoorden wil, slaat een zijweg in en -beroept zich op allerlei notae en criteria, waarin die goddelijkheid -der zedewet zich aan hem kenbaar maakt. Maar afdoende bewijzen zijn dit -niet. En zoo is het gesteld met alle principia. Zij rusten in zichzelve -en staan alleen vast voor het geloof. Op dezelfde wijze verhoudt het -zich in de theologie. Bewijzen zijn hier alleen mogelijk ten aanzien van -de afgeleide stellingen. De Godheid van Christus kan bewezen worden aan -hem, die het gezag der Schrift erkent. Maar de autoriteit der Schrift -rust in zichzelve en is voor geen bewijs vatbaar. De H. Schrift is -αὐτοπιστος en daarom de laatste grond des geloofs. Een diepere grond -is niet aan te voeren. Op de vraag: waarom gelooft gij de Schrift? is -het eenige antwoord, wijl zij Gods woord is. Maar als dan verder gevraagd -wordt: waarom gelooft gij, dat de H. Schrift Gods woord is? moet de -Christen het antwoord schuldig blijven. Wel zal hij dan een beroep -doen op de notae en criteria der Schrift, op de majesteit van haar -stijl, de verhevenheid van haar inhoud, de diepte harer gedachten, het -zegenrijke harer vruchten enz.; maar dat zijn toch niet de gronden van -zijn geloof, het zijn slechts eigenschappen en kenmerken, die later door -het geloovig denken in de Schrift worden ontdekt, evenals de bewijzen -voor Gods bestaan niet aan het geloof voorafgaan en dit schragen, maar -eruit voortvloeien en erdoor uitgedacht zijn. Alle bewijzen voor het -geloof aan de Schrift, ontleend aan hare notae en criteria, toonen -ten duidelijkste aan, dat er geen diepere grond kan aangegeven worden. -Het Deus dixit is het primum principium, waartoe alle dogmata, ook -dat aangaande de Schrift, kunnen herleid worden. De band der ziel aan -de Schrift als het woord Gods ligt achter het bewustzijn, en onder de -bewijzen; hij is mystiek van aard, evenals het geloof aan de principia in -de verschillende wetenschappen. - -6. Tegen deze voorstelling wordt echter van verschillende zijden de -bedenking ingebracht, dat alzoo het gelooven geheel willekeurig -wordt. In plaats van redenen op te geven, waarom de Schrift als woord -Gods wordt geloofd, antwoordt men, dat God het alzoo te gelooven -geeft. Daarmede kan de Mohammedaan zijn geloof aan den Koran, en ieder -bijgeloovige zijne superstitie bewijzen. Het sic volo, sic jubeo neemt -de plaats in van reden en bewijs. Cf. bijv. Scholten tegen Saussaye, -Leer der Herv. Kerk, 3e druk, voorrede. Hiertegen worde echter in de -eerste plaats opgemerkt, dat de geloovige wel is waar geen dieperen -grond voor de openbaring kan aangeven dan haar goddelijke autoriteit, -welke hij door het geloof erkent. Maar daarom heeft hij nog wel wat in -het midden te brengen tegenover den bestrijder dier openbaring. Het -is zoo, afdoende bewijzen heeft hij niet, hij kan den tegenstander niet -bewegen tot het geloof, maar hij heeft ter verdediging minstens evenveel -te zeggen als gene tot aanval. Ook het ongeloof rust ten slotte niet -op bewijzen en redeneeringen maar wortelt in het hart. Geloovigen en -ongeloovigen staan in dit opzicht volkomen gelijk; beider overtuiging -hangt met heel hun persoonlijkheid saam en wordt eerst aposteriori -door bewijs en redeneering gesteund. En als nu beiden tegen elkander -met deze aposteriorische bewijzen en redeneeringen strijd voeren, -verkeeren de geloovigen in geen ongunstiger conditie dan zij, die niet -gelooven. God is kenbaar genoeg voor degenen die Hem zoeken, en ook -weder verborgen genoeg voor hen, die Hem ontvluchten. Il y a assez de -lumière pour ceux, qui ne désirent que de voir, et assez d’obscurité -pour ceux, qui ont une disposition contraire. Il y a assez de clarté -pour éclairer les élus, et assez d’obscurité pour les humilier. Il y -a assez d’obscurité pour aveugler les réprouvés, et assez de clarté, -pour les condamner et les rendre inexcusables, Pascal, Oeuvres, Paris, -Hachette 1869 I 345. Het staat met religie, theïsme, openbaring en -Schrift nog niet zoo hopeloos, als de wetenschap ons jaren lang heeft -willen doen gelooven. Theodor von Lerber schreef onlangs van de -wetenschap niet geheel ten onrechte: ich habe als Dilettant zu oft -neben ihr gesessen und ihr in die Karten und auf die Finger geschaut, -um noch übermässigen Respekt vor der Dame zu haben. Sie wird mir auf -meinen Grabstein schreiben müssen: er dachte klein von mir und starb, -bij A. Zahn, Socialdemokratie und Theologie, Gütersloh 1895 S. 34. -Historische en rationeele bewijzen zullen niemand bekeeren, maar zijn -toch tot verdediging van het geloof even krachtig, als de argumenten -der tegenpartij voor de rechtvaardiging van haar ongeloof. Voorts is -het getuigenis, dat door de geloovigen aan de christelijke openbaring, -aan de Schrift, gegeven wordt, wel niet algemeen menschelijk, maar toch -algemeen christelijk. De gansche Christenheid is in deze belijdenis -eenparig. Het testimonium Spiritus Sancti is niet het getuigenis van -een spiritus privatus, maar van den éénen en zelfden Geest, die in -alle geloovigen woont. Calvijn verklaarde, dit getuigenis besprekende, -niets te beschrijven dan wat de ervaring was van alle geloovigen, Inst. -I 7, 6. Het is een machtig getuigenis, dat door de kerk aller eeuwen -gegeven wordt aan de Schrift als het woord Gods. Over geen dogma -heerscht er zoo groote eenstemmigheid. Het is een feit, dat niet met -hallucinatie of willekeur op ééne lijn mag gesteld worden, en dat in elk -geval verklaring behoeft. Vervolgens kan de geloovige zeer zeker geen -dieperen grond voor zijn geloof aanwijzen dan de goddelijke autoriteit der -H. Schrift. Maar hij kan wel nadere verklaring geven aangaande de wijze, -waarop hij tot dit geloof is gekomen. Het is zoo, in den regel wordt -iemand in dat geloof geboren en opgevoed; later ontdekt hij zelf, dat hij -met heel zijne ziel aan de Schrift gebonden ligt, en tracht dan erover -na te denken en van dezen mystieken band zich rekenschap te geven. Maar -meermalen gebeurt het, dat iemand op lateren leeftijd tot bekeering -komt en tot het geloof aan de Schrift. En ook zij, die van der jeugd -aan uit dat geloof hebben geleefd, worden dikwerf geschokt en door de -kritiek heen en weer geslingerd; eerst allengs komen zij tot de vaste -verzekerdheid des geloofs. Welke is nu de ervaring, waardoor het geloof -aan de openbaring voor het eerst gewekt of later hersteld en versterkt -wordt? Zij is natuurlijk verschillend in de verschillende geloovigen; -maar zij is toch altijd van religieus-ethischen, van geestelijken aard. -Wat ons werkelijk gelooven doet is niet het inzicht van ons verstand -noch een besluit van onzen wil; maar het is eene macht, die boven ons -staat, die onzen wil buigt, die ons verstand verlicht, die zonder -dwang en toch krachtdadig onze gedachten en overleggingen gevangen -leidt tot de gehoorzaamheid van Christus. Dat beleed Augustinus, als -hij het geloof toeschreef aan de gratia interna. Dat erkende Thomas, -als hij zei, dat de assensus fidei was a Deo, interius movente per -gratiam. Dat sprak het Vaticaansche concilie uit, als het getuigde dat -het geloof niet tot stand kwam absque illuminatione et inspiratione -Spiritus Sancti. En dat was de overtuiging van heel de Reformatie: -het geloof is eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Gelooven -is eene daad des verstands, is eene onmiddellijke, niet door bewijzen -bemiddelde, aansluiting van het bewustzijn aan de openbaring. Maar dat -geloof onderstelt eene verandering in de relatie van den ganschen -mensch tot God, het onderstelt de wedergeboorte, de omzetting van -den wil. Nemo credit nisi volens. Het weten dwingt; niemand kan eene -mathematische stelling ontkennen. Maar gelooven is vrij, het is de daad -der hoogste vrijheid, wijl de daad van de diepste zelfverloochening. Als -God de zaligheid niet aan het weten maar aan het gelooven verbindt, -dan is dat een bewijs, dat Hij niet dwingt en niet dwingen wil. De brief -aan Diognetus, cap. 7 zegt zoo schoon: βια γαρ οὐ προσεστι τῳ θεῳ. -Juist, wijl het geloof geen vrucht is van wetenschappelijke bewijzen, -komt het niet buiten het hart en den wil des menschen om tot stand. -Dat is de waarheid, die er ligt in de leer van Kant en de Neokantianen -aangaande den moralischen Glauben. Het geloof is geen conclusie van een -syllogisme. Toch is het aan de andere zijde ook geen wilsbesluit, geen -postulaat. Postuleeren doet de verloren zoon niet, als hij terugkeert -naar het vaderhuis. Het geloof is ook geen imperium voluntatis. Men kan -niet gelooven als men wil. De wil kan aan het bewustzijn niet bevelen, -om iets als waarheid aan te nemen, als het zelf hoegenaamd de waarheid -er niet van inziet. Gelooven is geen willekeur, maar het is ook niet -blind. Het onderstelt eene wilsverandering, operari sequitur esse; maar -het is eene vrije, spontane erkenning des verstands van het woord Gods. -Gelijk het oog, de zon ziende, van haar realiteit terstond overtuigd is, -zoo aanschouwt de wedergeborene de waarheid van Gods openbaring. Voor -den wedergeborene is het geloof aan de openbaring even natuurlijk als -voor den zedelijken mensch de erkenning der zedewet. Het is ingeschapen -in de natuur van het geestelijk leven; het wortelt in de geheimzinnige -diepten van het wedergeboren hart. De geloovige kan dit geloof even -weinig prijsgeven als zichzelven. Ja, zichzelf kan hij verloochenen, -zijn leven kan hij opofferen, maar zijn geloof kan hij niet laten varen. -Het geloof aan de openbaring is bij den Christen één met het geloof -aan zichzelven, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 222. Kuyper, Encycl. II 77. -De Christen zou het geloof aan zichzelf, aan zijn kindschap, aan de -vergeving zijner zonden, aan de waarachtigheid en de trouwe Gods moeten -prijsgeven, om in de openbaring niet het woord Gods te zien. Het geloof -aan de openbaring is één met het beste dat in hem is; in zijne beste -oogenblikken staat hij het sterkst in dat geloof. Wat er tegen opkome, -hij kan niet anders en mag niet anders. Eindelijk, er komt veel op tegen -dit zijn geloof. Niet alleen van buiten, maar veel meer nog van binnen. -Hoezeer de wil is gebogen en het verstand is verlicht, er blijft in den -geloovige nog veel, dat tegen deze gehoorzaamheid des geloofs zich -verheft. Het geloof is, wijl het een bewijs is van zaken die men niet -ziet, een voortdurende strijd. Zonden van het hart en dwalingen van het -hoofd verzetten zich tegen het geloof; en ze hebben dikwerf den schijn -voor zich. Er blijft een dualisme in den geloovige, zoolang hij op aarde -is; een dualisme niet van hoofd en hart, maar van σαρξ en πνευμα, van -den παλαιος en den καινος ἀνθρωπος. Het geloof behoudt min of meer een -supranatureel karakter, inzoover het de natuur van den psychischen -mensch te boven gaat. Het is nog niet ten volle natuurlijk; zoodra het -dat wordt, houdt het zelf op en gaat het over in aanschouwen. Het -geloof is juist geloof, wijl het iets ziet, wat de psychische mensch -niet waarneemt. Maar dit dualisme, hoe pijnlijk ook, dient toch ter -andere zijde tot bevestiging van het geloof. Want als het geloof niet -opkomt uit de natuurlijke hebbelijkheden van den mensch, en noch een -conclusie van een syllogisme is noch een besluit van den wil; dan is -zijne aanwezigheid tevens een bewijs voor zijn waarheid. Onze eigen geest -drijft ons niet van nature, om God onzen Vader te noemen en ons onder -zijne kinderen te rekenen. Er is een wezenlijk en ook gemakkelijk kenbaar -verschil tusschen het getuigenis des H. Geestes, als Hij tot onze ziele -zegt: ik ben uw heil, en de verleiding van Satan als hij spreekt: Vrede, -vrede en geen gevaar. Potestne quis a diabolo impelli, ut Deum in -fide Abba, Patrem vocet? Heidegger, Corpus Theol. loc. 24 § 78. Het -christelijk geloof wijst op het testimonium Spiritus Sancti terug. Of -Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott’, God zelf is laatste grond -van mijn geloof in God (Beets). - -7. Dit testimonium Spiritus Sancti is door Calvijn en de Geref. -theologen al te eenzijdig betrokken op de autoriteit der H. Schrift. Het -scheen, dat het geen anderen inhoud had dan de subjectieve verzekering -van de Schrift als het woord Gods. Daardoor kwam dit testimonium op -zichzelf te staan; het werd van het geloofsleven losgemaakt en scheen -eene buitengewone openbaring aan te duiden, waarvan Michaelis zoo -eerlijk was te erkennen, dat hij ze nimmer had ervaren. De Schrift leert -echter gansch anders. In het algemeen wordt de H. Geest door Jezus -beloofd als de Trooster, als de Geest der waarheid, die in de eerste -plaats de apostelen maar dan door hun woord ook alle geloovigen leidt -in de waarheid, bij hen van Christus getuigt en Hem verheerlijkt, Joh. -14:17, 15:26, 16:14. Daartoe overtuigt Hij van zonde, Joh. 16:8-11, -wederbaart, Joh. 3:3, en brengt tot de belijdenis van Christus als -Heer, 1 Cor. 12:3. En voorts verzekert Hij van het kindschap en van de -hemelsche erfenis, Rom. 8:14 v.; 2 Cor. 1:22, 5:5; Ef. 1:13, 4:30, doet -alle dingen kennen die den geloovigen van God geschonken zijn, 1 Cor. -2:12; 1 Joh. 2:20, 3:24, 4:6-13, en is in de gemeente de auteur van -alle christelijke deugden en van alle geestelijke gaven, Gal. 5:22; 1 -Cor. 12:8-11. Duidelijk blijkt uit al deze plaatsen, dat het getuigenis -des H. G. van religieus-ethischen aard is en ten nauwste samenhangt -met het eigen geloofsleven. Het gaat niet buiten het geloof om, het is -geen stem uit den hemel, geen droom of visioen; het is een getuigenis, -dat de H. Geest in, met, door onzen eigen geest heen in het geloof -aflegt. Het wordt niet aan ongeloovigen geschonken maar is het deel -alleen der kinderen Gods. Episcopius, Instit. Theol. IV sect. 1 c. 5 § -2, maakte daarom de bedenking, dat het testimonium Sp. S. geen grond -des geloofs kan zijn, wijl het er eerst op volgt, Joh. 7:38, 14:17; Hd. -5:32; Gal. 3:2, 4:6. Maar het geloof is zelf van den eersten aanvang -af een werk des H. Geestes, 1 Cor. 12:3 en ontvangt in den Geest der -υἱοθεσια zijn zegel en bevestiging. Het gelooven zelf is een getuigen -des H. Geestes in onze harten en door onzen geest heen. Er is alleen -in zoover onderscheid tusschen den Geest Gods en onzen geest bij dit -getuigenis, als onze geest zich telkens nog daartegen verzet en -voortdurend tot gehoorzaamheid geleid moet worden. Daarom geeft het -getuigenis des H. Geestes geen verzekering van de objectieve waarheden -des heils buiten verband met den staat van het religieuse subject. Het -verzekert die waarheden, omdat ze in onlosmakelijk verband staan met -wedergeboorte en bekeering, vergeving en kindschap van den geloovige. -Het testimonium Spiritus Sancti is allereerst eene verzekering, dat -wij kinderen Gods zijn. Dat is de centrale waarheid, de kern en het -middelpunt van dit getuigenis. Maar in verband daarmede verzegelt het -ook de objectieve waarheden des heils, de transcendente en transeunte -waarheden, gelijk Frank ze noemde. Echter met deze nadere bepaling, dat -het testimonium Sp. S. ons geen van deze waarheden openbaart, noch ook -ons in staat stelt om ze door nadenken uit de natuur van ons geestelijk -leven af te leiden. De verlichting des H. Geestes is geen kenbron der -christelijke waarheid; zij doet ons geene materieele waarheden kennen, -die aan den natuurlijken mensch verborgen zijn; zij doet ons dezelfde -zaken alleen anders, dieper, geestelijk verstaan en opvatten. Paulus -zegt uitdrukkelijk, dat de Geest ons doet weten de dingen die ons -objectief door God in Christus geschonken zijn, 1 Cor. 2, cf. Hoekstra, -Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. geloof 1861 bl. 165 v. -184. De Geest, dien de geloovigen ontvangen, is de Geest van Christus, -die alles uit Christus neemt en ontvangen wordt uit de prediking des -evangelies, Joh. 14:17; Gal. 3:2, 4:6; 1 Joh. 2:20, 24, 27. Maar de -waarheden zelve zijn van elders uit de Schrift ons bekend; zij worden -alleen subjectief verzegeld door het getuigenis des H. Geestes. - -Daaruit volgt, dat het eigenlijk object, waaraan de H. Geest in de -harten der geloovigen getuigenis geeft, niets anders is dan de -divinitas der waarheid, in Christus ons geschonken. Historische, -chronologische, geographische data zijn nooit als zoodanig, op -zichzelve, object van het getuigenis des H. Geestes. Zelfs de feiten -des heils zijn niet als nuda facta, inhoud van dat getuigenis. -Geen enkel geloovige wordt door het getuigenis des H. Geestes in -wetenschappelijken zin verzekerd van de bovennatuurlijke ontvangenis en -de opstanding van Christus. Het eenige, waar het getuigenis des H. -Geestes betrekking op heeft, is de divinitas. Maar dan ook de divinitas -van al die waarheden, welke in de Schrift zijn geopenbaard en door -God in Christus ons geschonken zijn. Het is onjuist, het testimonium -Sp. S. alleen te laten slaan op datgene, wat in engeren zin alleen -religieus-ethisch is. Wel is de divinitas het eenige directe object van -dat getuigenis, maar deze divinitas is niet alleen eene eigenschap van -enkele godsdienstige en zedelijke uitspraken, maar evenzeer van feiten -en daden. Christus zelf is een historisch persoon, de verlossing is -door historische daden tot stand gebracht, en het testimonium Sp. S. -drukt ook op deze historie het merkteeken der divinitas. Daarom is dit -testimonium Sp. S. door Calvijn ook terecht in verband gebracht met -de Schrift als het woord Gods. Want niet alleen heeft deze Schrift -omnium consensu eene rijke religieus-ethische beteekenis voor het -christelijk leven, maar zij bevat ook eene leer over zichzelve. De -H. Geest openbaart aan den geloovige geen enkele waarheid, evenmin -aangaande den persoon van Christus als aangaande de H. Schrift. De -geloovige kan alleen belijden wat God in Christus hem geschonken heeft. -Maar de Schrift bevat ook eene leer over zichzelve evengoed als over -Christus. En het testimonium Sp. S. ten aanzien van de H. Schrift -bestaat daarin, niet dat de geloovige eene onmiddellijke, hemelsche -aanschouwing ontvangt van de goddelijkheid der Schrift; noch ook, dat -hij middellijk uit de notae en criteria tot hare goddelijkheid besluit; -evenmin dat hij uit de ervaring van de kracht die van haar uitgaat, -tot hare goddelijkheid opklimt; maar hierin dat hij vrij en spontaan het -gezag erkent, waarmede de H. Schrift allerwege optreedt en dat zij zelve -telkens uitdrukkelijk voor zichzelve vindiceert. Niet de authentie, -noch de canoniciteit, noch zelfs de inspiratie, maar de divinitas der -Schrift, hare goddelijke autoriteit is hierbij het eigenlijk object van -het getuigenis des H. Geestes. Het doet den geloovige zich onderwerpen -aan de Schrift en bindt hem in dezelfde mate en kracht aan deze als aan -den persoon van Christus zelven. Het verzekert hem, dat hij in nood en -dood, in leven en sterven op dat woord Gods zich verlaten en daarmede -zelfs zonder vreeze voor den Rechter van hemel en aarde verschijnen -kan. Historische kritiek der Schrift vindt daarom alleen in zooverre -bij de gemeente tegenstand, als zij afbreuk doet aan deze divinitas der -H. Schrift en daardoor het getuigenis van het kindschap Gods, de hope -der heerlijkheid, de zekerheid der zaligheid ondermijnt. In zekeren -zin schuilt er in dit testimonium Sp. S. eene cirkelredeneering. De -divinitas der Schrift wordt uit dit getuigenis en de divinitas van dit -getuigenis wederom uit de Schrift bewezen. Alleen komt het testimonium -Spiritus Sancti hier in tweeërlei opzicht voor. De geloovige voelt -zich eerst in zijne ziel aan het woord Gods gebonden en leert dan later -uit de H. Schrift verstaan, dat dat geloof aan de Schrift in zijn hart -gewerkt is door den H. Geest. Nauwkeurig gesproken is het getuigenis -des H. Geestes ook niet de laatste grond van zijn geloof, want de -Schrift is αὐτοπιστος; maar wel het middel, waardoor hij de goddelijkheid -der Schrift erkent. Schrift en getuigenis des H. Geestes verhouden zich -als objectieve waarheid en subjectieve verzekerdheid, als de prima -principia en hunne evidentie, als het licht en het oog. Eens in hare -goddelijkheid erkend, staat de Schrift voor het geloof der gemeente als -woord Gods onomstootelijk vast, zoodat zij principium en norma is van -geloof en van leven. - -8. Dit getuigenis des H. Geestes wordt niet daardoor te niet gedaan, -dat het in de geloovigen schijnbaar zoo verschillend is. Bellarminus -bracht er reeds tegen in, dat Luther en Calvijn ondanks dit testimonium -Sp. S. een zeer afwijkend oordeel velden over den brief van Jakobus. -Maar de H. Geest getuigt in het hart der geloovigen niet alleen -aangaande de H. Schrift maar evenzeer in betrekking tot alle andere -waarheden des heils. Er is geen kerk, die in dezen zin niet een -getuigenis, eene verlichting des H. Geestes aanneemt. En toch wordt -daardoor verschil in de belijdenis der onderscheidene waarheden niet -uitgesloten. Wij gelooven ééne heilige algemeene christelijke kerk, -eene gemeenschap der heiligen; alle geloovigen belijden één Heer, -één geloof, één doop, en zijn gedrenkt tot éénen Geest; en toch is er -verdeeldheid en strijd tusschen de kerken onderling en in de voornaamste -artikelen des geloofs. De eenheid der christelijke kerk ten aanzien van -de Schrift is veel grooter dan in eenig ander dogma; zelfs dat van de -triniteit en de Godheid van Christus niet uitgenomen. Toch doet al dat -verschil ons niet twijfelen aan de eenheid des geloofs en der kennis, -aan de katholiciteit der kerk, aan de leiding des Geestes in alle -waarheid; want verschil zal er blijven, zoolang de kerk onvolmaakt, -het hart verdorven, het inzicht beperkt, het geloof klein en zwak -is. In den enkelen geloovige is het testimonium Spiritus Sancti niet -altijd even sterk en luide; wijl het ten nauwste met het geloof en -het geloofsleven samenhangt, gaat het op en neer en is aan twijfel -en bestrijding onderhevig. Als in den geloovige de zonde de overhand -neemt, wordt de bewustheid zijner vergeving verduisterd en verliest -het getuigenis des H. Geestes aan kracht. Ons geloof aan de Schrift -neemt af en toe met ons vertrouwen op Christus. De belijdenis van het -testimonium Spiritus Sancti is zoo hoog en ideaal, dat de werkelijkheid -van het christelijk leven er dikwerf verre beneden blijft. - -Daarbij komt, dat de Schrift zeer zeker een boek is ook voor den -enkelen geloovige, maar toch in verband met de kerk aller eeuwen. -De Schrift is aan de gansche kerk geschonken, aan de geloovigen van -alle tijden en plaatsen. De enkele geloovige voedt zich altijd met een -klein gedeelte der Schrift. Er zijn gansche gedeelten der Schrift, die -voor de individueele geloovigen, ja voor geheele kerken en tijden, een -gesloten boek blijven. Maar de belijdenis der Schrift als Gods woord is -eene belijdenis der gansche kerk, waarmede de enkele geloovige instemt, -en die hij ook voor zijn persoon en naar de mate zijns geloofs steunt en -handhaaft, Hofmann, Weiss. und Erf. I 45 f. Het testimonium Spiritus -Sancti is niet eene particuliere opinie, maar het getuigenis van de -kerk aller eeuwen, van de gansche Christenheid, van heel de herborene -menschheid. Die kerk stond ook eenmaal in al hare leden, evenals de -wereld, vijandig tegenover het woord Gods. Maar de H. Geest heeft het -in en bij haar opgenomen voor de waarheid van Christus. Hij heeft haar -vijandschap gebroken, haar verstand verlicht, haar wil gebogen; en -bewaart haar bij de waarheid van eeuw tot eeuw en van dag tot dag. Heel -de belijdenis der gemeente is een testimonium Spiritus Sancti. Het is -het ja en amen, dat de gemeente uitspreekt op de waarheid Gods. Het -is het: Abba Vader, uw woord is de waarheid, dat uit de harten aller -geloovigen opstijgt. Zoo weinig is het testimonium Spiritus Sancti -de Achilleshiel van het Protestantisme, dat het veeleer verdient te -heeten de hoeksteen der christelijke belijdenis, de kroon en het zegel -van alle christelijke waarheid, de triumf des H. Geestes in de wereld. -Neem het getuigenis des H. Geestes weg, niet alleen in betrekking tot -de Schrift maar tot alle waarheden des heils, en er is geen kerk meer. -Want het getuigenis, dat de H. Geest aan de Schrift als het woord -Gods geeft, is maar een enkele toon in het lied, dat Hij op de lippen -der gemeente legt; het is maar een klein gedeelte van dat groote, -goddelijke werk, dat aan den H. Geest is opgedragen, om n.l. de volheid -van Christus te doen wonen in zijne gemeente. Maar alzoo beschouwd, -is dit getuigenis des H. Geestes ook tegenover tegenstanders niet -van alle waarde ontbloot. Wanneer het losgemaakt wordt van heel zijne -omgeving en afgesneden wordt van het geloofsleven, waarin het wortelt, -van de gemeenschap der heiligen, waarin het bloeit, van het geheel der -christelijke waarheid waarmede het samenhangt; zeer zeker, dan verliest -het tegenover bestrijders al zijne kracht, en is het ja van den een -niet sterker dan het neen van den ander. Maar opgevat als getuigenis, -door den H. Geest afgelegd in de harten aller kinderen Gods aangaande -de waarheid, welke daar is in Christus den Heer, laat het niet na -indruk te maken op het gemoed, ook van den hardnekkigsten bestrijder. -Ook dan komt het nog niet op ééne lijn te staan met eene logische -redeneering of een mathematisch bewijs. Het behoudt eene eigene kracht. -Maar ongelukkig ware de wetenschap eraan toe, als ze alleen rekenen -mocht met wat demonstrabel is. Heeft de conscientie geen macht, omdat -de onzedelijke mensch ieder oogenblik tegen haar getuigenis ingaat? -Verdienen de principia der wetenschap geen geloof, wijl de skepticus ze -weigert te erkennen? Is de H. Schrift machteloos, omdat haar waarheid -niet kan betoogd worden aan den psychischen mensch? De kracht van al -deze zedelijke grootheden is juist daarin gelegen, dat zij zichzelve -niet demonstreeren, maar in hooge majesteit zich plaatsen voor ieders -bewustzijn. Ze zijn machtig door het gezag, waarmede zij optreden. Een -vader bewijst zijn gezag aan zijne kinderen niet maar houdt het staande -met droit divin. En zoo doet de H. Schrift. Zij heeft haar gezag in -de gemeente van Christus gehandhaafd tot op dezen dag; zij heeft alle -geloovigen, en onder hen de grootste geesten en de edelste zielen, doen -buigen voor hare autoriteit. Welke macht ter wereld is met die der -Schrift te vergelijken? Het testimonium Spiritus Sancti is de zegepraal -van de dwaasheid des kruises over de wijsheid der wereld, de triumf -van de gedachten Gods over de overleggingen des menschen. In dezen -zin bezit het getuigenis des H. Geestes eene uitnemende apologetische -waarde. Dit toch is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons -geloof. - - -§ 19. GELOOF EN THEOLOGIE. - -1. De christelijke kerk heeft zich met het geloof niet tevreden -gesteld, maar bijna van den beginne af aan naar kennis der religieuse -waarheid gestreefd en aan eene bijzondere wetenschap, de theologie, -het aanzijn geschonken. Toch kan niet gezegd worden, dat deze drang -naar wetenschap in het geloof als zoodanig ligt opgesloten. Want het -geloof is zekerheid en sluit allen twijfel uit; het rust in het woord -Gods en heeft daaraan genoeg. Nobis curiositate opus non est post -Christum Jesum, nec inquisitione post evangelium. Cum credimus, nihil -desideramus ultra credere, Tertullianus, de praescr. haer. 8. Die -Frömmigkeit ist ihrer selbst unmittelbar gewiss, Rothe, Theol. Ethik. -§ 7. Het recht en de waarde der theologische wetenschap is daarom in -de christelijke kerk meermalen bestreden. Tijdens de monophysitische en -monotheletische twisten was er reeds eene partij der Gnosimachi, die -alle wetenschap voor de Christenen onnoodig achtten. Zij leerden, dat -God van den Christen niets verlangt dan goede werken en dat het beter -was, simplici rudique animo institutum suum persequi, quam multam curam -in cognoscendis decretis atque sententiis ponere, Johannes Damascenus, -de haeresibus, Opera Omnia, Basileae 1575 p. 585. Tegen het einde der -Middeleeuwen was de afkeer van de theologie algemeen. De scholastiek -had alle vertrouwen verloren. In alle kringen en onder alle secten was -er een sterk verlangen naar een meer eenvoudig, practisch Christendom, -Harnack, D. G. III² 573. Het humanisme zag met minachting neer op -de scholastiek, Paulsen, Gesch. des gelehrten Unterrichts, Leipzig -1885 S. 1 f. En sedert heeft de oppositie tegen de scholastiek in de -Roomsche kerk schier nimmer gezwegen. Bajus, Jansenius, Launoy, vele -theologen in de vorige en in deze eeuw, o. a. Günther, hebben tegen de -scholastische theologie allerlei ernstige beschuldigingen ingebracht, -Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV² 133 f. Denzinger, Vier Bücher von der -rel. Erk. II 566 f. - -De Reformatie nam aanvankelijk hetzelfde standpunt in. Luthers oordeel -over Aristoteles, de scholastiek en de rede is bekend. Köstlin, Luthers -Theol. I 106 f. Melanchton schreef in de eerste uitgave zijner loci: -hoc est Christum cognoscere, beneficia ejus cognoscere, non quod isti -(scholastici) docent, ejus naturas, modos incarnationis intueri, ed. -Augusti 1821 p. 9. Zwingli zei, dat Christen te zijn niet bestond in -schwatzen von Christo, sunder wandeln wie er gewandlet hat, cf. mijne -Ethiek van Zwingli bl. 119 v. Calvijn legt evenzoo sterken nadruk op -deze practische zijde des geloofs, Inst. I, 2, 2. I, 5, 9. I, 12, 1. -Comm. op Rom. 1:19. Maar velen gingen verder dan de Hervormers en -verwierpen alle theologie. Carlstadt veroordeelde met beroep op Mt. -23:8 alle wetenschappelijke titels en ging leven als een boer onder -de boeren, Herzog² 7, 528. De Wederdoopers en de Mennonieten wilden -van eene wetenschappelijke opleiding tot de bediening des woords -niets weten, en gaven het recht tot „vermanen” aan alle geloovigen. -Menno Simons velde over de kerk en hare dienaren, over studie en -geleerdheid menigmaal een zeer streng oordeel, Alle de Godtgel. -Wercken, Amst. 1681 bl. 34 v. 59 v. 260. 270 enz. Eerst later kregen -de Mennonietische leeraars eene wetenschappelijke opleiding, Herzog² 9, -575. Sepp, Kerkhist. Studiën, Leiden 1885 bl. 84, 85. En toen later in -de protestantsche kerken de scholastische behandeling der theologie -veld won, kwam er van allen kant reactie. Calixtus en Coccejus, Spener -en Zinzendorf, Fox en Wesley enz., zij allen werden gedreven door het -verlangen naar meer eenvoud en waarheid in de leer des geloofs. Daartoe -moest men van de leer teruggaan tot het leven, van de belijdenis tot -de Schrift, van de theologie tot de religie. Zelfs het deisme en -het rationalisme waren aan dit streven verwant; het algemeene en -gemeenschappelijke zoekend, dat aan alle godsdiensten en belijdenissen -ten grondslag lag, beriepen zij zich van de christliche Religion op de -Religion Christi, van de statutarische Religion op de Vernunftreligion. -Door de agnostische richting der philosophie, de gevoelstheologie -van Schleiermacher, de historische kritiek der Schrift en andere -invloeden is dit streven nog toegenomen. De afkeer van de dogmatiek -is thans algemeen. Velen zien reikhalzend uit naar een nieuw woord, -een nieuw dogma, verlangen eene religie zonder theologie, een leven -zonder leer, en ijveren voor een practisch, ondogmatisch Christendom -(Dreyer, Egidy, Drummond, Tolstoï enz.). Tot op zekere hoogte heeft dit -streven zijne wetenschappelijke verdediging gevonden in de school van -Ritschl. Zij trad op met den eisch, dat de theologie geheel en al van -de metaphysica moest worden verlost, Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881, -cf. ook zijne studiën over de leer van God, Jahrb. für deutsche Theol. -1865, 1868. Harnack in zijne Dogmengeschichte, en E. Hatch in zijn werk, -The influence of Greek ideas and usages upon the christ. church, London -1890, duitsche vertaling van E. Preuschen, Griechenthum und Christ. -Freiburg 1882, cf. ook Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion -1889, pasten dit beginsel toe op de historie der dogmata, en trachtten -aan te toonen, dat de theologie eene vrucht is van het ter kwader uur -gesloten huwelijk tusschen het oorspronkelijk Christendom en de grieksche -philosophie. De beschuldigingen, door al deze richtingen tegen de -theologie, bepaaldelijk tegen de dogmatiek ingebracht, komen hierop -neer, dat zij de zuiverheid en den eenvoud der christelijke religie -vervalscht; de religie verandert in eene leer, die verstandelijk moet -bewezen en aangenomen worden; het religieuse leven doodt, eene koude -dorre orthodoxie bevordert en de fides implicita noodzakelijk maakt; -en eindelijk ook nog de religie als leer met de wetenschap in conflict -brengt, en de ontwikkelde standen van het christelijk geloof vervreemdt. -Cf. bijv. Kaftan, Glaube und Dogma, 3e Aufl. 1889. - -2. Niemand zal ontkennen, dat er ernst en waarheid ligt in deze -klachten over de theologie. Zij is menigmaal haar doel voorbijgestreefd -en in battologie ontaard. Zij heeft al te dikwerf vergeten, dat ons -kennen op aarde een kennen ten deele en een zien in eene duistere rede -is. Soms scheen zij van de gedachte uittegaan, dat ze alle mogelijke -vragen beantwoorden en alle kwesties oplossen kon. Bescheidenheid, -teederheid, eenvoud hebben haar dikwerf ontbroken. Dat was te erger, -omdat de theologie te doen heeft met de diepste problemen en in -aanraking komt met de fijnste roerselen van het menschelijk hart. Meer -dan eenige andere wetenschap past haar de vermaning, μη ὑπερφρονειν -παρ’ ὁ δει φρονειν. Beter een eerlijk non liquet dan eene gewaagde -gissing. Nescire velle, quae Magister optimus docere non vult, erudita -inscitia est. Maar daarmede is toch de theologie nog niet in beginsel -veroordeeld. Immers, indien de openbaring alleen bestond in meedeeling -van leven en de religie alleen in stemmingen des gemoeds, er zou -voor eene eigenlijke theologie geen plaats zijn. Maar de openbaring -is een systeem van woorden en daden Gods; zij bevat eene wereld van -gedachten; zij heeft haar centrum in de vleeschwording van den Logos. -En de religie is geen gevoel en aandoening alleen, maar zij is ook -geloof, een bewust leven, een dienen Gods met hart en hoofd te zamen. -En daarom kan die openbaring Gods worden ingedacht, opdat zij te -beter inga in het menschelijk bewustzijn. Zelfs kan het der theologie -daarbij niet euvel geduid worden, als zij op helderheid in het denken, -klaarheid in de onderscheiding, nauwkeurigheid in de uitdrukking zich -toelegt. In alle wetenschappen wordt zulk eene praecisitas nagestreefd -en op prijs gesteld; in de theologie is zij evenzeer op hare plaats. -Het gevaar, dat zij daardoor ontaarden zal in spitsvondigheden en -haarkloverijen, bestaat in de andere wetenschappen bijv. van het recht, -van de letteren evenzeer. Maar niemand zal daarom het recht dier -wetenschappen betwisten. Ook de theologie heeft hare perioden van -bloei en verval; maar het gaat niet aan, haarzelve te veroordeelen -om het misbruik, dat van haar is gemaakt. Abusus non tollit usum. -Vervolgens is ons reeds vroeger gebleken, dat de scheiding tusschen -de christelijke religie ter eener en de metaphysica enz. ter anderer -zijde evenmin zuiver gedacht als practisch uitvoerbaar is. De historie -heeft dit reeds herhaalde malen bewezen en toont het heden ten dage -opnieuw. Om toch zulk eene scheiding eenigszins mogelijk te maken, -zijn alle bovengenoemde richtingen gedwongen, zich van het evangelie -van Christus eene eenzijdige en onvolledige voorstelling te vormen. -Schier nimmer gaan zij terug tot de gansche Schrift, maar altijd tot -een gedeelte; tot het N. Testament alleen, of tot de evangeliën, of -tot de bergrede, of zelfs tot één enkelen tekst. Franciscus van Assisi -bijv. richtte heel zijn leven in naar Mt. 10:9, 10, Reuter, Gesch. der -rel. Aufklärung im M. A. II 184, 186. Paul Sabatier, Leben des h. Fr. -v. A. deutsch von M. L. Berlin 1895 S. 53. Tolstoi vindt de kern van -het evangelie in Mt. 5:38, 39, Worin besteht mein Glaube, Leipzig, -Duncker 1885 S. 12. Drummond zoekt in de liefde van 1 Cor. 13 het -summum bonum. Ritschl verandert de dogmata in religieus-ethische -waardeeringsoordeelen. Harnack D. G. I² 54 komt in de opvatting van het -oorspronkelijk evangelie met Ritschl overeen. En velen vragen thans, -waarom de christelijke kerken toch niet met de bergrede tevreden zijn -geweest. Wat het wezen des Christendoms is, waarin de openbaring of -het woord Gods bestaat, wie de persoon van Christus is, wordt niet -door de apostelen uitgemaakt; ieder stelt het voor zichzelf naar zijne -eigene inzichten vast. Gevolg daarvan is, dat al deze richtingen niet -alleen de kerk, de belijdenis, de theologie maar ook de apostelen tegen -Jezus en tegen het oorspronkelijk evangelie moeten overstellen. Harnack -bijv. D. G. I 53 f. erkent, dat ook de apostolisch-katholieke leer in -het N. Test. het evangelie van Jezus niet zuiver meer reproduceert. -De invloed is er al in merkbaar van het judaisme, het hellenisme en -de grieksch-romeinsche Religionsphilosophie. Reeds de apostelen, -inzonderheid Paulus en Johannes, hebben het evangelie vervalscht. Ernst -von Bunsen, Die Reconstruction der kirchl. Autorität, Leipzig Brockhaus -1893 betoogt, dat Paulus het evangelie van Jezus heeft veranderd in -eene speculatieve theologie. En als dan een feit zooals de opstanding -van Christus toch niet uit het oorspronkelijk evangelie kan weggenomen -worden, wordt het van zijne religieuse waarde beroofd, Harnack D. G. I -74. Al verder vloeit uit deze beschouwing voort, dat de historie van -het dogma niet tot haar recht kan komen. Zij wordt ééne groote aberratie -van den menschelijken, van den christelijken geest. De belofte van den -Geest, die in alle waarheid zou leiden, blijkt ijdel te zijn geweest. De -mogelijkheid zelfs om de waarheid te kennen, wordt aan de kerk ontnomen, -wijl reeds de apostelen haar op een dwaalspoor hebben geleid. De leer -van den logos, van de triniteit, van den eersten en den tweeden Adam, -enz., altemaal dogmata, die de inmenging van de grieksche philosophie -moeten bewijzen, wordt wel niet woordelijk maar toch zakelijk reeds in -de Schrift gevonden. In één woord, de geschiedenis der dogmata is -evenals bij Strauss de geschiedenis hunner kritiek. Niet de kerk heeft -de wereld, maar de wereld heeft de kerk overwonnen. Eindelijk dreigt -bij deze eenzijdige opvatting van het oorspronkelijk evangelie nog het -gevaar, dat men de gemeenschap verliest met de kerk aller eeuwen en -daardoor met den tijd, in welken men leeft. Dat is het oordeel van alle -secten geweest. Afgesneden van de kerken en de theologie verachtende, -hebben ze den invloed op hare eeuw en den band met de cultuur verloren. -Gemeente en wereld, kerk en school, religie en wetenschap vallen -dualistisch uit elkaar. Daarentegen heeft de theologie de heerlijke -roeping, om deze beide met elkander in verband te houden; om eenerzijds -het christelijk leven te bewaren voor allerlei geestelijke krankheden van -mysticisme en separatisme, en andererzijds het wetenschappelijk denken -van de dwaling en leugen te bevrijden door de waarheid van Christus. Het -recht der theologie is in het wezen der christelijke religie gegrond. De -openbaring richt zich tot den ganschen mensch, en heeft heel de wereld -tot haar object. Op alle terrein bindt zij den strijd tegen de leugen -aan. Zij biedt stof aan het diepste denken en plant op wetenschappelijk -terrein de kennisse Gods naast en in organisch verband met die van -mensch en wereld. Over de dogmenhistorische beschouwingen van Harnack -en Hatch kunnen geraadpleegd worden Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. -S. 369 f. Kuenen, Theol. Tijdschr. 1891 bl. 487 v. Van Rhijn, Theol. -Studiën 1891 bl. 365 v., 437 v. Dr. W. Schmidt, Der alte Glaube und die -Wahrheit des Christ. Berlin, Wigandt 1894. Henri Bois, Le dogme grec, -Paris, Fischbacher 1892. - -3. Al is echter het christelijk dogma niet uit de grieksche philosophie -te verklaren, toch is het niet zonder deze ontstaan. In de Schrift -is er nog geen dogma en geen theologie in eigenlijken zin. Zoolang de -openbaring zelve nog voortging, kon ze niet het voorwerp worden van -wetenschappelijk nadenken. De inspiratie moest afgeloopen zijn eer de -reflectie aan het woord kon komen. Het spraakgebruik van Mozaische, -Paulinische, Bijbelsche theologie en dogmatiek enz., verdient daarom -geen aanbeveling; het woord theologie komt trouwens in de Schrift ook -niet voor en heeft eerst langzamerhand zijne tegenwoordige beteekenis -gekregen, Kuyper, Encycl. II 117 v. Theologie is in de gemeente van -Christus eerst opgekomen, toen de kinderlijke naïeveteit voorbij en het -denkend bewustzijn ontwaakt was. Langzamerhand kwam de behoefte op om -de gedachten der openbaring in te denken, met het overige weten in -verband te brengen en tegen allerlei aanval te verdedigen. Daartoe -had men de philosophie van noode. De wetenschappelijke theologie is -met hare hulp ontstaan. Maar dat is niet toevallig geschied. De kerk -is niet het slachtoffer van misleiding geweest. De kerkvaders hebben -bij de vorming en ontwikkeling der dogmata een ruim gebruik van de -philosophie gemaakt. Maar zij deden dat met volle bewustheid, met een -helder inzicht in de gevaren die eraan verbonden waren, met klare -rekenschap van de gronden, waarop zij het deden, en met uitdrukkelijke -erkenning van het woord der apostelen als eenigen regel van geloof -en leven. Daarom bedienden zij zich ook niet van de gansche grieksche -philosophie; zij deden eene keuze; zij gebruikten alleen die philosophie, -welke het meest geschikt was om de waarheid Gods in te denken en -te verdedigen; zij gingen eclectisch te werk en hebben geen enkel -wijsgeerig stelsel, hetzij van Plato of van Aristoteles overgenomen, -maar met behulp van de grieksche philosophie eene eigene, christelijke -philosophie voortgebracht. Voorts gebruikten zij die philosophie alleen -als hulpmiddel. Gelijk Hagar dienstbaar was aan Sara, gelijk de schatten -van Egypte door de Israëlieten werden aangewend tot versiering van den -tabernakel, gelijk de wijzen uit het Oosten hun geschenken neerlegden -aan de voeten van het kindeke in Bethlehem; zoo was naar het oordeel -der kerkvaders de philosophie ondergeschikt aan de theologie. Er -spreekt uit dit alles duidelijk, dat het gebruik van de philosophie -in de theologie niet op eene vergissing, maar op eene vaste en klare -overtuiging rustte. De kerkvaders wisten wat ze deden. Daardoor is -nu wel niet uitgesloten, dat de invloed der philosophie op sommige -punten hun te sterk is geweest. Maar dan dient daarbij toch terstond -onderscheiden te worden tusschen de theologie der patres en de dogmata -der kerk. De kerk heeft ten allen tijde gewaakt tegen het misbruik der -philosophie; zij heeft niet alleen het Gnosticisme verworpen maar ook -het Origenisme veroordeeld. En het is tot dusver niet gelukt, om de -dogmata materieel uit de philosophie te verklaren; hoe dikwerf het -ook is beproefd, altijd is toch ten slotte de schriftmatigheid der -orthodoxie gerechtvaardigd. Cf. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 143 f. -Denzinger, Vier Bücher usw. II 572 f. - -De Hervorming nam in den beginne eene vijandige houding aan tegen -de scholastiek en de philosophie. Maar zij kwam daarvan spoedig -terug; omdat zij geen secte was of wilde zijn, kon zij niet buiten eene -theologie. Luther en Melanchton zijn daarom reeds tot het gebruik der -philosophie teruggekeerd en hebben het nut daarvan erkend, cf. Ritter, -Gesch. der neuern Philos. I 495 f. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der -Philos. III 5te Aufl. 1880 S. 17 f. en voor de latere luth. theologen, -Hase, Hutterus Rediv. § 30. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 5. Calvijn -nam van den aanvang af dit hooge standpunt in, Inst. II, 2, 12 sq. en -zag in de philosophie een praeclarum Dei donum, Opera, ed. Amst. IX -B. 50. En zoo oordeelden alle Gereformeerde theologen, Hyperius, de -theologo seu de ratione studii theol. 1556 lib. I. Zanchius, Opera III -223 sq. VIII 653 sq. Alsted, Praecognita theol. p. 174 sq. Voetius, -Disp. III 741 sq. 751 sq. Owen, Theologumena p. 509 sq. Moor, Comm. in -Marckii Comp. I 71 sq. Nu loopt de vraag niet hierover, of de theologie -zich van een bepaald wijsgeerig stelsel bedienen moet. De christelijke -theologie heeft nooit eenig wijsgeerig systeem zonder kritiek -overgenomen en als waarheid geijkt. Noch de philosophie van Plato noch -die van Aristoteles is door eenig theoloog voor de ware gehouden. Dat -nogtans aan deze beide wijsgeerige stelsels de voorkeur gegeven werd, -had zijn oorzaak hierin, dat deze het best zich leenden, om de waarheid -te ontwikkelen en te verdedigen. Er lag ook de gedachte in, dat de -Grieken en Romeinen eene eigenaardige roeping en gave hadden ontvangen -voor het leven der cultuur. Feitelijk is heel onze beschaving nog heden -ten dage op die van Griekenland en Rome gebouwd. En het Christendom -heeft deze niet vernietigd maar gekerstend en alzoo geheiligd. Maar -toch is niet eene bepaalde philosophie voor de theologie van noode. Wat -zij behoeft is philosophie in het algemeen. M. a. w. het komt tot geen -wetenschappelijke theologie dan door het denken. Het eigenlijk principium -cognoscendi internum der theologie is dus niet het geloof als zoodanig, -maar het geloovig denken, de ratio christiana. Het geloof is zichzelf -bewust en zeker. Het rust in de openbaring. Het sluit een kennen in, -maar dat kennen is geheel en al van practischen aard, een γιγνωσκειν in -den zin der H. Schrift. Theologie komt dus niet uit de geloovigen als -zoodanig op; zij is geen vrucht van de kerk als ecclesia instituta; zij -heeft haar oorsprong niet in het ambt, dat Christus aan zijne gemeente -geschonken heeft. Maar de geloovigen hebben nog een ander, rijker leven, -dan in de ecclesia instituta tot uiting komt. Zij leven als Christenen -ook in gezin, staat, maatschappij en beoefenen wetenschap en kunst. Nog -veel meer gaven dan die werken door het ambt worden hun geschonken, -gaven van kennis en wijsheid en profetie. Onder hen zijn er ook, die een -sterken drang tot onderzoek en kennis in zich voelen, die gaven hebben -ontvangen, om de waarheid Gods in te denken en in systeem te brengen. -En zoo komt de theologie op in de kerk van Christus; zij heeft tot -subject niet de geinstitueerde kerk maar de kerk als organisme, als het -lichaam van Christus; zij is eene vrucht van het denken der Christenheid. - -4. Geloof en theologie zijn dus inderdaad onderscheiden. Min of meer was -men zich daarvan ook ten allen tijde bewust. De scherpe tegenstelling, -die het Gnosticisme maakte tusschen πιστις en γνωσις, werd verworpen; -en ook de verhouding, door de Alexandrijnsche school tusschen beide -aangenomen, werd niet in alle opzichten goedgekeurd en gebillijkt, cf. -boven 60. Maar toch werd het onderscheid nadrukkelijk gehandhaafd en -tegelijk het innig verband van beide vastgehouden en erkend. Augustinus -verhief de spreuk: per fidem ad intellectum tot beginsel der theologie; -hij nam tusschenbeide eene verhouding aan als tusschen ontvangenis en -geboorte, werk en loon. Fidei fructus est intellectus, tract. 22 in Ev. -Joh. n. 2. Intellectus merces est fidei, tract. 29 in Ev. Joh. n. 6. Hij -wekt er toe op, ut ea, quae fidei firmitate jam tenes, etiam rationis -luce conspicias. God veracht de rede niet. Absit namque, ut hoc in -nobis Deus oderit, in quo nos reliquis animantibus excellentiores -creavit, Ep. 120 ad Consent, n. 2-4. En dit was het beginsel en -de grondgedachte van heel de scholastiek. Geloof en theologie -waren onderscheiden als habitus en actus, als theologia infusa en -acquisita. Het geloof is toestemming aan, de theologie is kennis van -de geopenbaarde waarheden. Het geloof sluit ook wel eenige kennis -in aangaande God en goddelijke zaken, maar deze kennis geldt meer de -existentia dan de rationes van die waarheden; de theoloog echter dringt -door tot de idee, spoort het verband der waarheden op en leidt denkend -er andere uit af, Liebermann, Instit. Theol. ed. 8. Moguntiae 1857 cap. -1 § 1. Dat men zich het onderscheid van religie en theologie bewust -was, blijkt ook nog uit de leer der fides implicita. Als het geloof -volgens Rome bestond in toestemming aan geopenbaarde waarheden, moest -vroeg of laat de vraag wel opkomen, welke en hoevele van die waarheden -men minstens kennen en aannemen moest, om de zaligheid deelachtig te -worden. Die vraag kon oprijzen met het oog op de Heidenen, met het -oog op de geloovigen des O. T. en ook met het oog op de onkundige en -onontwikkelde geloovigen in de dagen des N. Test. Augustinus had al -gezegd: turbam non intelligendi vivacitas, sed credendi simplicitas -tutissimam facit, c. Epist. fundamenti cap. 4. Maar Lombardus stelde -deze vraag in zijne Sententiae lib. III dist. 25 eerst duidelijk aan de -orde. Sedert werd ze in de theologie breedvoerig behandeld; in de 17e -eeuw gaf ze zelfs in Frankrijk aanleiding tot een ernstigen strijd, die -door Innocentius XI niet opgelost maar toch beëindigd werd. Gewoonlijk -wordt de leer van de fides implicita in de Roomsche theologie op deze -wijze voorgedragen. De fides carbonaria wordt uitdrukkelijk verworpen; -alle Roomsche godgeleerden houden staande, dat er tot het zaligmakend -geloof eenige, zij het ook geringe, kennis behoort; geheel impliciet -kan en mag het geloof dus nooit zijn. Maar die kennis verschilt in de -verschillende bedeelingen der genade. In de dagen des O. T. van Adam -af tot den val van Jeruzalem toe, toen de eigenlijke mysteriën van het -Christendom, zooals de triniteit en de vleeschwording nog niet waren -gepromulgeerd, waren necessitate medii alleen deze twee artikelen -noodig te gelooven, dat God is en dat Hij een belooner is, Hebr. 11:6. -Daarmede wordt niet gezegd, dat vele geloovigen onder het O. T. geen -meerdere en diepere kennis hadden van de waarheid; Adam bijv. kende ook -wel de triniteit en de vleeschwording, Gen. 1:26, 2:23, 24, 3:15. Maar -de eenvoudige geloovigen konden met die twee artikelen volstaan. Want -implicite geloofden ze dan toch ook aan de eigenlijke mysteriën van het -Christendom, de triniteit en de incarnatie. In de existentie en de -eenheid Gods ligt implicite de triniteit, en daarin dat Hij remunerator -is, ligt implicite de vleeschwording opgesloten. Nu zagen anderen, -zooals Wiggers, Daelman enz. dit laatste nog niet zoo duidelijk in, en -zeiden daarom, dat de O. T. geloovigen vier artikelen hadden aan te -nemen, n.l. behalve de bovengenoemde twee ook nog de onsterfelijkheid -der ziel en het zondebederf (infectio animarum), in welke dan de beide -hoofddogmata des Christendoms implicite waren begrepen. De meest gewone -voorstelling was echter, dat de twee genoemde artikelen voor de O. -T. geloovigen voldoende waren. Maar na den val van Jeruzalem zijn die -twee hoofdwaarheden des Christendoms duidelijk geopenbaard en bekend -gemaakt; en nu is het dus necessitate medii noodzakelijk voor ieder -die zalig wil worden, dat hij aanneme deze vier artikelen: Deus, isque -remunerator, sanctissima trinitas, mediator. Anderen voegen er nog -andere artikelen aan toe, zooals Deus Creator, Dei gratia ad salutem -necessaria, immortalitas; en sommigen noemen zelfs de aanneming der 12 -artikelen, quoad substantiam, noodzakelijk. Maar de voorstanders van de -vier artikelen drukken toch het meest gewone gevoelen uit. Heel deze -leer van de fides implicita wordt dan gesteund met een beroep op Job -1:14: de runderen, d. i. de ontwikkelde geloovigen, waren ploegende, -en de ezelinnen, d. i. de eenvoudige leeken, weidende aan hunne zijde. -Deze exegese komt al voor bij Gregorius M. Moral. lib. II cap. 25 en -wordt dan door Lombardus, Thomas, Bellarminus enz. overgenomen. Cf. -Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 5-8. -Bellarminus, de Justific. I cap. 7. Billuart, Summa S. Thomae sive -Cursus Theol. VII p. 46 sq. Daelman, Theol. seu Observ. theol. in -Summam D. Thomae IV p. 44 sq. Dens, Theologia in usum semin. II 278 -sq. M. Becanus, Theol. Scholastica, Tom. II Pars II tract. 1 p. 22 sq. -Jansen, Praelect. Theol. I 699 sq. Albr. Ritschl, Fides implicita, -Bonn 1890. De kwestie zelve, die aan deze leer der fides implicita -ten grondslag ligt, is ernstig en belangrijk genoeg; zij betreft toch -niets minder dan het wezen van het Christendom zelf, de beteekenis van -Israel, de mogelijkheid van progressie der openbaring bij het absoluut -karakter der waarheid. Maar de intellectualistische opvatting van -het geloof leidde er toe, om deze kwestie zuiver quantitatief op te -lossen; het aannemen van vier geloofsartikelen maakt den Christen; -in de praktijk bleek de legende van de fides carbonaria maar al te -veel waarheid te bevatten. In elk geval echter bewijst de leer van de -fides implicita duidelijk, dat de Roomsche theologen tusschen geloof en -theologie in inhoud en omvang onderscheid maken. - -5. Ook de Reformatie bleef zich van dit verschil bewust. Luthersche en -Gereformeerde theologen namen de onderscheiding over van habitus en -actus der theologie, van theologia infusa en acquisita. De eerste is -het deel van alle geloovigen; in beginsel kennen zij totam theologiam, -hebben zij de ware en zuivere kennisse Gods. Maar als acquisita is -ze alleen het deel van hen, die de kennisse Gods wetenschappelijk -beoefenen. Dan toch is ze eene notitia conclusionum ex principiis -theologicis per discursum theologicum collectarum, et certo ordine -dispositarum, atque animo impressarum diuturno labore ac exercitio, -Alsted, Methodus sacrosanctae theologiae 1623 p. 117, 126, 175. Owen, -Theologoumena p. 465 sq. Calovius, Isagoge ad S. Theol. p. 17, 18. -Wel werden religio en theologia telkens met elkaar verwisseld, cf. -bv. Cloppenburg, Op. I 699. Mastricht, Theor.-pract. Theol. I cap. -2 § 3, wat te lichter kon geschieden, omdat theologie en dogmatiek -ongeveer hetzelfde waren. Maar ook in den bloeitijd der orthodoxie ging -het onderscheid tusschen geloof en theologie niet geheel te loor, -gelijk door de leer van de articuli fundamentales et non fundamentales -bewezen wordt. De Hervorming verwierp beslist de Roomsche leer van de -fides implicita, Calv., Inst. III. 2 § 2-6. Chamier, Panstr. Cath. -T. III lib. 12 cap. 5. Polanus, Synt. Theol. p. 592. Maresius, Synt. -Theol. loc. 11 § 29, enz. Cf. Ritschl, Fides implicita S. 56 f. Zij -moest dit wel doen, omdat zij het zaligmakend geloof niet liet bestaan -in het voor waar houden van eenige onbegrepen artikelen, maar in een -persoonlijk vertrouwen op de genade Gods in Christus. Maar daarvoor -kwam nu spoedig in de plaats de onderscheiding tusschen fundamenteele -en niet-fundamenteele artikelen. Calvijn zeide al, dat men om minder -wezenlijke punten niet van de kerk scheiden moest, Instit. IV, 1 § 12, -13. IV, 2 § 1. Non enim unius sunt formae omnia verae doctrinae capita. -Sunt quaedam ita necessaria cognitu, ut fixa esse et indubitata omnibus -oporteat ceu propria religionis placita, qualia sunt: unum esse Deum, -Christum Deum esse ac Dei filium, in Dei misericordia salutem nobis -consistere et similia. Sunt alia, quae inter ecclesias controversa, -fidei tamen unitatem non dirimant, IV cap. 1 § 12. De in de beschrijving -des geloofs gebezigde juxtapositie van eene zekere kennis, waardoor ik -het al voor waarachtig houde wat God in zijn woord heeft geopenbaard en -van een vertrouwen, dat mij al mijne zonden om Christus’ wil vergeven -zijn, kon aanleiding geven, om het zwaartepunt of in de fides generalis -of in de fides specialis te zoeken. Het groote aantal van kerken, -die successief uit de Reformatie voortkwamen en in verschillende -artikelen van elkander afweken, bevorderde de onderscheiding tusschen -wezenlijke en bijkomstige elementen in de openbaring. Het allengs -opkomende syncretisme en indifferentisme, dat van het bijzondere tot het -gemeenschappelijke terugging, maakte aanwijzing noodzakelijk van wat tot -de fundamenten der christelijke religie behoorde. Zoo ontstond de leer -van de articuli fundamentales. Nic. Hunnius schijnt de uitdrukking het -eerst gebruikt te hebben in zijne Διασκεψις de fundamentali dissensu -doctrinae Lutheranae et Calvinianae 1626. Quenstedt sprak van articuli -primarii et secundarii. Anderen volgden, beide in de Luthersche en -in de Gereformeerde kerken, cf. Voetius, Disp. Sel. II 511-538. H. -Alting, Theol. probl. nova I 9. Spanheim fil., Opera III col. 1289 -sq. Heidegger, Theol. I § 51 sq. Turret. Theol. El. I qu. 14. Moor, -Comm. in Marckii Comp. I 481 sq. Witsius, Exercit. in Symb. II § 2. -Bretschneider, System. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4te -Aufl. 1841 S. 103 f. Tholuck, Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs -1852 S. 252 f. De orthodoxie was natuurlijk niet geneigd, om de articuli -fundamentales tot een klein getal te beperken; maar toch is het streven -merkbaar, om deze artikelen centraal op te vatten en ze te groepeeren -rondom den persoon van Christus. De Roomschen verwierpen echter deze -onderscheiding, al had ze schijnbaar nog zooveel overeenkomst met de -fides implicita. Ze brachten de Geref. en Luth. godgeleerden in geen -geringe verlegenheid. Ze vraagden, waar God in zijn woord tusschen -wezenlijke en bijkomstige waarheden onderscheid had gemaakt; waar men het -recht aan ontleende, om in de goddelijke openbaring het fundamenteele -van het niet-fundamenteele te scheiden; welke waarheden dan tot de -fundamenteele moesten gerekend worden; wie dat bepalen moest; en -hoe op zulk standpunt het rationalisme en het indifferentisme was te -vermijden? Het geloof heeft toch, naar ze beweerden, niet alleen tot -object de divina misericordia, Conc. Trid. sess. VI can. 12, maar -omnia quae Deus revelavit, Bellarminus, de Justif. I c. 8. Volgens -de Jezuiten op het religiegesprek te Regensburg 1601 was het ook een -articulus fidei, quod canis Tobiae caudam moverit. Cf. Denzinger, Vier -Bücher usw. II 277 f. Heinrich, Dogm. II 658 f. Jansen, Prael. Theol. I -449 sq. Lamennais, Essai sur l’indifférence I ch. 6, 7, enz. Tegenover -al deze bedenkingen beriepen de Protestantsche theologen zich wel op de -Schrift, Mt. 16:16; 1 Cor. 2:2, 3:11 v.; Ef. 2:20; Gal. 6:14; 1 Petr. -2:6, enz. en maakten ze wel allerlei onderscheidingen, Spanheim. t. -a. p. col. 1308 sq. Maar zij ontveinsden zich de moeilijkheden niet; ze -waren bevreesd om in excessu en in defectu te dwalen; en zij eindigden -met de verklaring, dat zij het minimum van kennis niet konden bepalen, -waarmede een oprecht geloof gepaard moest gaan, Voetius, Disp. II -537, 781. Spanheim t. a. p. col. 1291. Witsius, Exerc. in Symb. II § -2 en 15. Hoornbeek, Conf. Socin. I p. 209. De orthodoxie liep uit op -rationalisme ter eener en piëtisme ter anderer zijde. Leer en leven -vielen hoe langer hoe verder uit elkaar. Hoofd en hart streden om den -voorrang. Theologie en religie kwamen tegenover elkander te staan. Wij -zijn de tegenstelling nog niet te boven. Jaren lang is er geroepen: -godsdienst is geen leer maar leven; het komt er niet op aan, wat ge -gelooft, maar alleen hoe ge leeft. Langzamerhand echter gaan de oogen -ook voor de eenzijdigheid van deze richting open en wordt de waarde der -godsdienstige voorstellingen voor het religieuse leven beter erkend, -cf. bijv. Dr. Bruining in verschillende geschriften, Gids Juni 1884. -Moderne mystiek 1885. Het bestaan van God 1892. Theol. Tijdschr. Nov. -1894. - -6. Bij het onderzoek naar de verhouding van geloof en theologie dient de -vraag zuiver te worden gesteld. Zij luidt niet, welke waarheden iemand -minstens kennen en voor waar houden moet, om zalig te worden. Die -vraag zij aan Rome overgelaten; en de Roomsche theologie make uit, of -daartoe twee of vier of meer artikelen van noode zijn. De Protestantsche -theologie heeft in de leer van de articuli fundamentales wel den -schijn op zich geladen, alsof zij een dergelijken weg bewandelen wilde. -Maar zij is geëindigd met de erkentenis, dat zij de grootte van Gods -barmhartigheid niet wist en daarom de mate van kennis niet bepalen kon, -die noodzakelijk eigen is aan een oprecht geloof. En bovendien is er -tusschen de leer der fides implicita en die der articuli fundamentales, -bij alle schijnbare overeenstemming, een belangrijk verschil. Bij Rome werd -die leer ontwikkeld met het oog op de eenvoudige leeken, de asinae van -Job 1:14. Maar in de theologie der Reformatie had ze haar oorsprong -in het feit, dat er verschillende kerken naast elkaar optraden met -eene op vele punten onderling afwijkende belijdenis; ze was dus eigenlijk -een onderzoek naar het wezen des Christendoms. Bij Rome is het geloof -toestemming aan allerlei geopenbaarde waarheden, die artikelsgewijze -kunnen opgeteld worden en in den loop der tijden in aantal zijn -toegenomen. Maar de Reformatie vatte het geloof op als fides specialis, -met een bijzonder centraal object, de genade Gods in Christus; hier -was eene optelsom van artikelen, wier kennis en toestemming ter -zaligheid noodig was, niet mogelijk meer. Het geloof is eene persoonlijke -verhouding des menschen tot Christus; het is organisch en heeft de -additie, de quantiteit afgelegd. Rome moest daarom een minimum bepalen, -zonder hetwelk van geen zaligheid sprake kan zijn; bij de Reformatie is -het geloof een vertrouwen op de genade Gods en dus voor geen berekening -meer vatbaar. Ieder geloovige zoo in het O. als in het N. Test. bezit -in kiem diezelfde kennis, welke in de theologie dieper en breeder -ontwikkeld wordt. Van dit standpunt uit is ook de verhouding van geloof -en theologie nader in het licht te stellen. - -Allereerst is er tusschen beide eene sterke overeenkomst. Zij hebben het -principium: het woord Gods, het voorwerp: de kennisse Gods, het doel: -de eere Gods met elkander gemeen. Ook de theologie als wetenschap staat -op den grondslag des geloofs. De plaats, die in de andere wetenschappen -toekomt aan de waarneming, wordt hier ingenomen door het geloof. Het -geloof verschaft aan de theologie de stof voor het denken. In de -mundane wetenschap heet het: sensus praecedit intellectum, nihil est in -intellectu quod non prius fuerit in sensu; in de theologie is de leuze: -fides praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod non prius -fuerit in fide, Rothe, Theol. Ethik § 267 II S. 180 noot. Leibniz -vergeleek daarom la foi met l’expérience, Discours sur la conformité -de la foi avec la raison, ch. 1. Begriffe ohne Anschauungen sind leer, -zeide Kant; en zoo heeft ook de theologie geen inhoud dan uit en -door het geloof. Zoodra zij het geloof laat varen, houdt zij zelve als -theologie op te bestaan. En ook komt zij door het denken dit standpunt -des geloofs nimmer te boven. Op allerlei wijze is dit wel beproefd, -maar het is ijdel gebleken. Het geloof is het begin en ook het einde -der theologie; zij brengt het nooit tot een weten in eigenlijken zin, d. -i. tot een kennen op grond van eigen waarneming en inzicht. Daardoor -wordt de theologie niet van haar vrijheid beroofd. Het geloof legt -en handhaaft eenvoudig die relatie, welke er op dit gebied tusschen -subject en object behoort te bestaan. Het plaatst den theoloog niet -buiten en tegenover en boven, maar onder en in de waarheid, welke hij -te onderzoeken heeft. Het doet niets anders, dan de theologie binden -aan haar eigen object, op geen andere wijze als elke andere wetenschap -gebonden is en blijft aan de waarneming en door haar in relatie staat -met haar object. De theologie is even vrij en even afhankelijk als iedere -andere wetenschap. Zij is vrij van alle banden, die strijden met hare -natuur; maar zij is geheel en al bepaald door het voorwerp, dat zij zoekt -te kennen, en dit heeft zij met alle wetenschappen gemeen. Naarmate zij -zich strenger bindt aan haar object, loopt zij te minder gevaar om te -ontaarden in dorre scholastiek en ijdele rhetoriek. Door het geloof -blijft de theologie eene wetenschap der religie, eene Theologie der -Thatsachen, die niet over begrippen maar over zaken denkt en niet in -ijle abstracties zich verliest maar met beide voeten staat in die wereld -der realiteiten, welke de Schrift ons openbaart, Vilmar, Die Theologie -der Thatsachen wider die Theologie der Rhetorik, 4e Aufl. 1876. - -Maar aan de andere zijde is er tusschen geloof en theologie een -aanmerkelijk verschil. In vroeger tijd konden beide licht met elkander -verwisseld worden, omdat theologie en dogmatiek met ethiek vrij wel -identische begrippen waren. Maar theologie is thans de naam geworden -voor een ganschen cyclus van vakken. Het onderscheid springt daarom -thans een ieder terstond in het oog. Theologie omvat tegenwoordig eene -menigte van wetenschappen, welke de eenvoudige geloovige zelfs niet -bij name kent. Maar al wordt theologie in den ouden zin genomen, toch -blijft het onderscheid groot. Op elk gebied is er verschil tusschen het -gewone, alledaagsche, empirische weten, en het eigenlijke, hoogere, -wetenschappelijk weten. Ieder mensch heeft eenige empirische kennis van -zon, maan, sterren enz., maar deze kennis verschilt hemelsbreed van -de wetenschappelijke kennis van den astronoom. De eerste kent alleen -de facta, deze de rationes. De man van wetenschap veracht het gewone, -empirische weten niet; hij werpt de natuurlijke zekerheid niet omver; -maar hij heeft toch de roeping om dat gewone weten te verhelderen, -uit te breiden en des noodig ook te zuiveren en te verbeteren. Niet -anders is het in de theologie. Het geloof blijft bij de feiten staan, de -theologie zoekt door te dringen tot de idee. Het geloof heeft genoeg -aan het dat, de theologie vraagt naar het waarom en het hoe. Het geloof -is altijd persoonlijk, het stelt het voorwerp altijd in betrekking tot -den mensch zelf, het heeft rechtstreeksch belang bij het religieus -gehalte der dogmata; de theologie maakt in zekeren zin het object -gegenständlich, zij tracht de waarheid te bezien gelijk zij objectief in -zichzelve bestaat, zij speurt haar eenheid en haar innerlijk verband -na, en zoekt te komen tot een systeem. Het geloof richt zich op het -centrale object, de theologie breidt het onderzoek naar heel den omtrek -van den cirkel uit. Maar hoe ook verschillend, zij kunnen elkander -niet missen. Het geloof bewaart de theologie voor secularisatie, de -theologie bewaart het geloof voor separatisme. Daarom zijn ook kerk -en school (seminarie, theol. faculteit) wel twee, maar behooren zij -toch in nauw verband te staan. Ook hierdoor wordt aan de vrijheid en -onafhankelijkheid der theologie in niets te kort gedaan. Elke faculteit -beoefent de wetenschap niet alleen om haar zelfs wil, maar leidt ook -mannen op voor verschillende betrekkingen in de maatschappij. Iedere -wetenschap heeft feitelijk te rekenen met de eischen van het leven. -En zoo ook staat de theologie niet hoog boven, maar midden in het -werkelijke leven, in het leven der gemeente. De wanverhouding, die er -thans schier allerwege tusschen kerk en theologie bestaat, is eene ramp -voor beide. - -7. Indien de theologie alzoo niet in het geloof als zoodanig maar in -het geloovig denken haar principium internum heeft, dient de taak der -rede in de theologische wetenschap nog nader omschreven te worden. -Daarbij moet dan allereerst principieel die voorstelling worden -afgewezen, welke in geloof en rede twee zelfstandige machten ziet, -die met elkaar worstelen op leven en dood. Op die wijze maakt men eene -tegenstelling, die op christelijk terrein niet thuis behoort. Het geloof -is dan altijd supra of ook zelfs contra rationem. Aan den eenen kant -dreigt het rationalisme en aan de andere zijde het supranaturalisme. -Het geloof, de fides qua creditur, is geen orgaan of vermogen naast -en boven de rede, maar eene gezindheid, eene hebbelijkheid van de rede -zelve. De rede, of wil men liever, het denken is zeker geen bron -der theologie, geen principium quo seu per quod aut ex quo seu cur -credamus, Voetius, Disp. I p. 3; bron is de rede voor geen enkele -wetenschap of hoogstens alleen voor de formeele wetenschappen, logika -en mathesis. Maar de rede is toch subjectum fidei recipiens, fidei -capax; het geloof is een akte van het bewustzijn, van het menschelijk -bewustzijn; een dier is niet tot gelooven in staat. En voorts is het -geloof geen dwang, maar eene vrije daad van den mensch. De Christen -gelooft niet op bevel, uit vreeze, door geweld. Gelooven is de -natuurlijke habitus van zijn verstand geworden. Natuurlijk niet in dien -zin, alsof er niet telkens veel in zijne ziel tegen dat gelooven zich -verzet. Maar toch wel zoo, dat hij, ofschoon dikwerf doende wat hij -niet wil, toch een vermaak heeft in de wet Gods naar den inwendigen -mensch. Gelooven is de natuurlijke ademtocht van het kind Gods. Zijne -onderwerping aan het woord Gods is geen slavernij maar vrijheid. Het -geloof is in dezen zin geen sacrificium intellectus maar sanitas -mentis. Het geloof ontslaat den Christen daarom niet van onderzoek en -nadenken; eerder spoort het hem daartoe aan. De natuur wordt door de -wedergeboorte niet vernietigd maar hersteld. - -Vooraf heeft daarom de geloovige, die aan de theologie zich wijden wil, -zijn denken te praepareeren voor de taak die hem wacht. Er is geen -ingang in den tempel der theologie dan door de facultas artium heen. -Philosophische, historische en linguistische propraedeuse is voor -den beoefenaar der godgeleerde wetenschap onmisbaar. De philosophie, -zeide Clemens Alexandrinus, προκατασκευαζει την ὁδον τῃ βασιλικωτατῃ -διδασκαλιᾳ. Keizer Julianus wist wat hij deed, als hij de heidensche -wetenschap aan de Christenen ontnam; hij vreesde, met zijne eigene -wapenen verslagen te worden. Dit alzoo gepraepareerde en geoefende -denken heeft dan in de theologie in hoofdzaak eene drievoudige taak. -Allereerst verleent het zijn dienst bij de vinding der stof. De Schrift -is het beginsel der theologie. Maar die Schrift is geen wetboek; -zij is een organisch geheel. De stof voor de theologie, bepaaldelijk -voor de dogmatiek, ligt door heel de Schrift heen verspreid. Gelijk -het goud uit de mijn, zoo moet de waarheid des geloofs met inspanning -aller geestelijke kracht uit de Schrift worden opgedolven. Met eenige -loca probantia is niets gedaan. Niet op enkele losse teksten maar op -de Schrift in haar geheel moet het dogma worden gebouwd; het moet -organisch opkomen uit de principia, die er allerwege in de Schrift -voor aanwezig zijn. De leer van God, van den mensch, van de zonde, van -Christus enz. is immers niet slechts in enkele uitspraken te vinden, -maar is verspreid door heel de Schrift heen en is niet enkel in -sommige bewijsplaatsen maar ook in allerlei beelden en gelijkenissen, -ceremoniën en geschiedenissen vervat. Er mag geen deel der Schrift -verwaarloosd worden. De gansche Schrift bewijze het gansche systeem, -Hofmann, Der Schriftbeweis, 2e Aufl. I S. 1-32. Ook in de theologie -dient het separatisme vermeden te worden. Het is een kenmerk van vele -secten, dat zij uitgaan van een klein gedeelte der Schrift en haar -overigens geheel verwaarloozen. Het ergst en meest verspreid is de -verwerping of veronachtzaming van het Oude Testament. Het Marcionitisme -is telkens in de christelijke kerk teruggekeerd en speelt ook in de -nieuwere theologie eene groote rol, cf. Diestel, Gesch. des Alten Test. -in der christl. Kirche, Jena 1869. H. Schmidt, Der Marcionitismus in -der neueren Theologie, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1893, en later -bij de leer der verbonden. Al dit willekeurig gebruik der H. Schrift -leidt tot eenzijdigheid en dwaling in de theologie en tot krankheid -in het religieuse leven. Het volle rijke beeld der waarheid komt dan -niet aan het licht. De persoon en het werk des Vaders of des Zoons of -des H. Geestes worden miskend. Aan Christus wordt te kort gedaan in -zijn profetisch, of in zijn priesterlijk, of in zijn koninklijk ambt. De -christelijke religie boet haar katholiek karakter in. Hoofd, hart en -hand des Christens worden niet harmonisch door de waarheid gevormd -en geleid. Eerst de volle, gansche Schrift bewaart voor al deze -eenzijdigheden. Maar daarom heeft ook het denken bij deze opsporing van -de theologische stof eene belangrijke taak. Vervolgens heeft de theoloog -deze alzoo verkregen stof ook denkend te bearbeiden. De dogmata staan -niet totidem verbis, κατα ρητον maar κατα διανοιαν in de Schrift; zij -zijn conclusiones fidei. De leer van de triniteit, van de twee naturen -van Christus, van de voldoening, van de sacramenten enz. is niet op -ééne enkele uitspraak der Schrift gebaseerd, maar is opgebouwd uit -vele gegevens, die door heel de Schrift heen verspreid liggen. Dogmata -zijn de korte samenvatting in onze taal van alwat de Schrift over -de desbetreffende onderwerpen leert. De Roomsche en Protestantsche -godgeleerden hebben daarom tegenover allerlei richtingen, die bij de -letterlijke uitdrukkingen der Schrift wilden blijven staan, het recht -van de dogmatische terminologie verdedigd. Zij deden dat, niet omdat -zij minder, maar omdat zij meer en beter Schriftuurlijk wilden zijn dan -deze. Dan juist kwam naar hunne gedachte de Schrift tot haar volle -eere, als niet één enkele tekst letterlijk werd aangehaald maar als -de gansche waarheid, in vele teksten begrepen, saamgevat en in het -dogma weergegeven werd. De theologie is daarom niet slechts eene -noëtische, maar ook eene dianoëtische, geen apprehensieve maar eene -discursieve wetenschap. Zij denkt na, vergelijkt, beoordeelt, vat -samen, leidt andere waarheden uit de verkregene af, enz. Ook Jezus en -de apostelen deden alzoo, Mt. 22:32, 44 v.; Joh. 10:34 v.; Hd. 15:9 -v., 18:28; 1 Cor. 15, enz.; en kerkvaders, scholastici, Roomsche en -Protestantsche godgeleerden hebben dat voorbeeld gevolgd. God heeft -ons niet geroepen om letterlijk na te zeggen maar om na te denken, wat -Hij in zijne openbaring ons voorgedacht heeft. En eindelijk heeft het -denken in de theologie nog tot taak, om alle waarheid saam te vatten -in één systeem. Een systeem is het hoogste, wat in de wetenschap te -begeeren valt. Ook de theologie rust niet, voordat zij de eenheid heeft -ontdekt, die in de openbaring verscholen ligt. Zij mag dat systeem niet -van buiten opdringen, en de waarheid niet persen in een wijsgeerig -stelsel, dat aan haar wezen vreemd is. Maar zij zoekt toch zoolang, -totdat in het menschelijk bewustzijn het systeem zich afspiegele, dat in -het object zelf aanwezig is. In dit alles gaat de theologie evenals -andere wetenschappen te werk. Zij arbeidt op dezelfde manier. Zij is -evenals deze gebonden aan haar object. Zij is bij het denken onderworpen -aan de wetten, die voor dat denken gelden; straffeloos kan ook zij -niet zondigen tegen de logika, Alsted, Praecognita 186. Het hoogste is -ook voor haar de eenheid der waarheid, het systeem der kennisse Gods. -Hoezeer de theologie dan ook van de andere wetenschappen verschille, -in beginsel, voorwerp en doel; zij komt formeel met haar overeen en -mag terecht op den naam van wetenschap aanspraak maken. En wijl de -openbaring niet met de menschelijke rede strijdt per se, maar alleen -per accidens corruptionis et pravae dispositionis, daarom kan de -theologie zelfs in zekeren zin naturalis en rationalis heeten, Voetius, -Disp. I 3. De christelijke religie is eene λογικη λατρεια, Rom. 12:1. -De litteratuur over het gebruik der rede en der philosophie in de -theologie is verbazend rijk. Zie voor de kerkvaders Kleutgen, Theol. -der Vorzeit IV 143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II 574 f., en voorts -Voetius, Disp. Sel. I p. 1-11. Turretinus, Theol. El. loc. 1 qu. 8-13. -Witsius, Misc. Sacra II 584 sq. en verdere litt. bij M. Vitringa’s -uitgave van C. Vitringa, Doctrina christ. relig. I p. 32-34. - -8. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen brengt zij -het niet. Tusschen weten, kennen en begrijpen is een groot onderscheid. -Wel worden deze woorden dikwerf door elkander gebruikt; maar er is -toch een duidelijk aanwijsbaar verschil. Weten geldt de existentie, het -dat; kennen de qualiteit, het wat; begrijpen de innerlijke mogelijkheid, -het hoe van een ding. Begrijpen doen we zeer weinig, eigenlijk alleen -datgene, wat geheel in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen. -Eene machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze -werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit -verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen, wat, -zooals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is. Dikwerf -houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt. Wat vanzelf -sprak, blijkt gansch ongewoon en wonderlijk te zijn. Hoe verder eene -wetenschap doordringt in haar object, naar die mate nadert zij het -mysterie. Al ontmoette zij geen ander op haren weg, dan zou zij toch ten -slotte altijd stuiten op het mysterie des zijns. Waar echter het begrijpen -ophoudt, blijft er toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zoo is -het ook in de theologie. In de openbaring is het μυστηριον εὐσεβειας -ons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het treedt -ons als eene realiteit in de geschiedenis en in het eigen leven te -gemoet; maar wij doorgronden het niet. In dezen zin heeft de christelijke -theologie het altijd met mysteriën te doen, die zij wel kennen en -bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden kan. - -Dikwerf is echter het mysterie in de christelijke theologie in gansch -anderen zin verstaan. Het woord μυστηριον, van μυστης, μυω, zich -sluiten, dichtgaan, van oogen, lippen, wonden; is in het gewoon -grieksch de naam voor de religieus-politieke geheimleer die in -sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace enz. alleen aan de -ingewijden meegedeeld en voor alle anderen verborgen werd, Foucart, -des associations religieuses chez les Grecs, Paris 1873. Edwin Hatch, -Griechentum u. Christenthum, deutsch v. Preuschen 1892 S. 210 f. Gustav -Anrich, Das antike Mysteriënwesen in seinem Einfluss auf das Christ. -Göttingen 1894. In het N. Test. heeft het woord altijd religieuse -beteekenis en duidt eene zaak aan van het koninkrijk Gods, welke of van -wege den duisteren, raadselachtigen vorm, waarin ze wordt voorgedragen, -Mt. 13:11; Mk. 4:11; Luk. 8:10; Op. 1:20, 17:5, 7, of ook van wege haar -inhoud verborgen is. Vooral heet zoo het universeele, ook de Heidenen -omvattende raadbesluit Gods aangaande de verlossing in Christus, Rom. -16:25; Ef. 1:9, 3:3, 6:19; Col. 1:26, 27, 2:2, 4:3, benevens de wijze, -waarop dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25; 1 Cor. 15:51; 2 Thess. 2 vs. -7; Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zoo, niet omdat het nu nog -verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was. Thans is het juist -door het evangelie van Christus openbaar gemaakt; wordt het door de -apostelen als οἰκονομοι μυστηριων θεου verkondigd, Rom. 16:25, 26; Col. -1:26; 1 Cor. 2:14; Mt. 13:11; 1 Cor. 4:1; en treedt het ook voortaan -in de historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess. -2:7. Het N. T. μυστηριον duidt dus geen voor het denkend verstand -onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar eene zaak, die -eerst bij God verborgen was, daarna in het evangelie is bekend gemaakt -en nu door de geloovigen wordt verstaan, Cremer, Wörterbuch der -neutest. Gräcität s. v. Maar het kerkelijke spraakgebruik verstond er al -spoedig eene zaak onder, die onbegrijpelijk was en ook het verstand van -den geloovige verre te boven ging, zooals de vleeschwording, de unio -mystica, de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door -de rede niet konden bewezen worden, Suicerus, Thes. Eccles. s. v. Ook -zoo bleef er nog een groot onderscheid tusschen het heidensch en het -christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan eene geheimleer, die -voor oningewijden verborgen moest gehouden worden; maar in de christ. -kerk heeft er nooit eene eigenlijke disciplina arcana bestaan, al -werd er ook eene zekere orde betracht in de meedeeling der waarheid. -Zezschwitz, art. Arkandisciplin in Herzog². Hatch, Griechenthum u. -Christ. 217 f. Kattenbusch, Vergleichende Konfessionskunde I 393 -f. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. δογμα. Maar toch waren de dogmata -onbegrepen en onbegrijpelijke waarheden des geloofs, wel niet contra -maar toch hoog supra rationem, Thomas, S. Theol. I qu. 32. art. I S. -c. Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo I 3. II 6. Heinrich -II 772 f. Denzinger, Vier Bücher v. d. rel. Erk. II 80-150. Kleutgen, -Theol. der Vorzeit V 164 f. In de veroordeeling van Erigena, Raimundus -Lullus, Hermes, Günther, Frohschammer sprak Rome hare afkeuring -uit over iedere poging, om de mysteriën des geloofs uit de rede te -bewijzen. En het Conc. Vatic. sprak uit: divina mysteria suapte natura -intellectum creatum sic excedunt, ut etiam revelatione tradita et -fide suscepta, ipsius tamen fidei velamine contecta et quadam quasi -caligine obvoluta maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur -a Domino; per fidem enim ambulamus, et non per speciem, sess. 3 -cap. 4. De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter der -openbaring maar bracht toch feitelijk eene groote verandering aan. Bij -Rome zijn de mysteriën in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk, omdat -ze behooren tot eene andere, hoogere, bovennatuurlijke orde, die het -verstand van den mensch als zoodanig verre overtreft. Het moet daarom -allen nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid der mysteriën en deze in -bescherming nemen en handhaven. Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf -een bewijs voor de waarheid te zijn. Credibile est, quia ineptum est.... -Certum, quia impossibile, Tertull. de carne Chr. 5. Maar de Reformatie -verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke orde door -die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het mysterie niet -daarin, dat het voor den mensch op zichzelf, maar voor het verstand -van den psychischen mensch onbegrijpelijk was, Calv. Inst. II, 2, 20. -Voetius, Disp. I 3. Zonder twijfel is deze opvatting veel meer met het -N. Testamentisch spraakgebruik in overeenstemming. Nergens staat daar -het abstract-bovennatuurlijke en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke -van het mysterie op den voorgrond. Maar terwijl het eene dwaasheid is -in de oogen van den natuurlijken mensch, hoe wijs hij ook zij; het wordt -geopenbaard aan de geloovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in -zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17; Rom. 11:33; 1 Cor. 1:30. Natuurlijk wil -de Schrift nu daarmede ook niet te kennen geven, dat de geloovige die -mysteriën in wetenschappelijken zin begrijpt en verstaat. Wij wandelen -immers door geloof, kennen ten deele en zien door een spiegel in eene -duistere rede, Rom. 11:34; 1 Cor. 13:12; 2 Cor. 5:7. Maar de geloovige -kent die mysteriën toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis meer; -hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Het komt daarom niet in -hem op, dat ze zijne rede te boven gaan, dat zij supra rationem zijn; hij -voelt ze niet als een drukkenden last maar als eene bevrijding voor zijn -denken. Zijn geloof gaat in bewondering over, zijne kennis eindigt in -aanbidding, en zijne belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van -dien aard is ook de kennisse Gods, welke in de theologie wordt beoogd. -Zij is geen weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter -en heerlijker, zij is eene kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh. -17:3. Cf. over de μυστηρια, behalve de reeds genoemde litt., ook nog -Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe I 168. J. -Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843. Scholten, L. H. K. I 223. -Oosterzee, Dogm. I 168. Philippi Comm. op Rom. 11:25. Gretillat, Exposé -de théol. syst. I 182 s. II 183. - - - * * * * * - - - CORRECTIES. - - Een aantal duidelijke zet- of drukfouten in het origineel zijn - als volgt gecorrigeerd. - - Pag. 5: het woord „worden” ingevoegd (Er moet daarom - onderscheiden worden tusschen). - Pag. 7: „phychologisch” vervangen door „psychologisch” (als - historisch en psychologisch verschijnsel). - Pag. 31: „geplitst” vervangen door „gesplitst” (zich vertakt en - gesplitst heeft). - Pag. 32: „πιστεας” vervangen door „πιστεως” (Ἐκδοσις ἀκριβης της - ὀρθοδοξου πιστεως). - Pag. 35: „Chtistus” vervangen door „Christus” (de persoon en het - werk van Christus). - Pag. 54: „Jahrb.” vervangen door „Jahrh.” (Gesch. der 3 ersten - Jahrh.). - Pag. 59 voetnoot 1: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, - Nouvelle Bibliothèque). - Pag. 75: „den den” vervangen door „den” (die den mensch dit doel - doen bereiken). - Pag. 78: „Erankrijk” vervangen door „Frankrijk” (Fridolinus en - Columbanus † 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië). - Pag. 81: „nn” vervangen door „nu” (Daarbij kwam nu in de tweede - plaats). - Pag. 83: „thologie” vervangen door „theologie” (aan de theologie - eene eereplaats verzekerd). - Pag. 92: „6e” vervangen door „de” (Maar daarmede was de strijd - niet uit). - Pag. 96: „objects” vervangen door „objets” (les premiers objets - des connaissances morales). - Pag. 102: „objective” vervangen door „objectieve” (over alle - objectieve waarheid). - Pag. 103: „Vernumft” vervangen door „Vernunft” (innerhalb der - Grenzen der blossen Vernunft). - Pag. 122: „Sanmur” vervangen door „Saumur” (In Frankrijk werd de - akademie van Saumur). - Pag. 127: „anjourdhui” vervangen door „aujourd’hui” (qui règne - aujourd’hui parmi les Chrétiens). - Pag. 132: „eightteenth” vervangen door „eighteenth” (the - evangelical reaction of the eighteenth century). - Pag. 133: „Archbischop” vervangen door „Archbishop” (hij was de - Archbishop of the Slums). - Pag. 138: „Systematie” vervangen door „Systematic” (Systematic - Theology London). - Pag. 153: „Stof” vervangen door „Stoff” (L. Büchner, Kraft und - Stoff). - Pag. 158: „auschaulichen” vervangen door „anschaulichen” (wurzelt - auf der anschaulichen Welt). - Pag. 162: „Vorstelling” vervangen door „Vorstellung” (φαντασια, - φαντασμα, species sensibilis, perception, Vorstellung). - Pag. 167: „and” vervangen door „und” (Nominalismus und Realismus - in der neuesten deutschen Philosophie). - Pag. 208: „contract” vervangen door „contrat” (de aanhangers van - het contrat social). - Pag. 221: „veroordeelf” vervangen door „veroordeelt” (en - veroordeelt zoowel het traditionalisme). - Pag. 240: „unbewust” vervangen door „unbewusst” (Das unbewusst - Weissagende). - Pag. 259: „אֹותוֹת” vervangen door „אוֹת” (Vooral worden ze ook - genoemd אוֹת Ex. 3:12). - Pag. 278: „uniomis” vervangen door „unionis” (niet reconciliationis - maar unionis). - Pag. 278: „tegenver” vervangen door „tegenover” (De openbaring - staat niet tegenover de natuur). - Pag. 309: „sec.” vervangen door „saec.” (patres apostolici et - apologetae sec. saec. Lips. 1872). - Pag. 313: „3{9}” vervangen door „3°” (3° liber aliquis). - Pag. 313: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Dissert. - préliminaire). - Pag. 325: „zijn” vervangen door „zij” (zij gaan er van uit). - Pag. 328: „reede” vervangen door „reeds” (legden de mannen van - Hizkia reeds eene tweede verzameling aan). - Pag. 333: „bij” vervangen door „by” (The modes of quotation used - by the evangelical writers). - Pag. 339: „Δογος” vervangen door „Λογος” (Λογος ἐνσαρκος). - Pag. 343: „4te” vervangen door „4th” (4th ed. London 1854). - Pag. 343: „heroen” vervangen door „heroën” (heeft daarom op de - heroën of genieën gewezen). - Pag. 389: „comtemplatie” vervangen door „contemplatie” (dat der - contemplatie en visio Dei). - Pag. 400: „continna” vervangen door „continua” (a Sp. S°. dictatas - et continua successione). - Pag. 404: „Oevres” vervangen door „Oeuvres” (Oeuvres Choisies de - Joseph de Maistre). - Pag. 409: „andieritis” vervangen door „audieritis” (quidquid inde - audieritis, hoc vobis bene sapiat). - Pag. 426: „praepatorii” vervangen door „praeparatorii” (de mensch - door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft). - Pag. 432: „toepepast” vervangen door „toegepast” (op de dogmatiek - toegepast). - Pag. 444: „chritienne” vervangen door „chrétienne” (De la - certitude chrétienne). - Pag. 491: „van” vervangen door „von” (Die Lehre der altprot. Dogm. - von dem test. Sp. S.). - Pag. 510: „iucarnationis” vervangen door „incarnationis” (modos - incarnationis intueri). - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK *** - -***** This file should be named 51052-0.txt or 51052-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/0/5/51052/ - -Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and -the Online Distributed Proofreading Team at -http://www.pgdp.net. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/51052-0.zip b/old/51052-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index da91b7b..0000000 --- a/old/51052-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/51052-h.zip b/old/51052-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 905a0a2..0000000 --- a/old/51052-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/51052-h/51052-h.htm b/old/51052-h/51052-h.htm deleted file mode 100644 index 7cb65cf..0000000 --- a/old/51052-h/51052-h.htm +++ /dev/null @@ -1,22245 +0,0 @@ - -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" -"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> -<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" lang="nl" xml:lang="nl"> -<head> - <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> - <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> - <title>The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde Dogmatiek deel I, - by Dr. Herman Bavinck.</title> - <link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" /> - - <style type="text/css"> - -h1,h2,h3,h4 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;} -h1 {margin: 3em 0 1em 0; padding-left: 4em; text-decoration: underline; text-indent: -4em; - font-size: 250%; line-height: 1.5em;} -h2 {margin: 4em 0 1em 0; font-size: 1em; line-height: 1.8em;} -h3 {word-spacing: 0.2em;} -h4 {margin: 2em 0 1.5em 0; letter-spacing: 0.2em; word-spacing: 0.2em;} -p {margin: 0.5em 0 0 0.5em; text-align: justify; text-indent: 1.5em;} - -.pagenum {position: absolute; right: 94%; font-size: x-small; - font-style: normal; font-weight: normal; letter-spacing: normal; - color: #ccc; text-align: right;} /* page numbers shown */ - -/* titles */ -.cent {text-align: center; text-indent: 0; clear: both;} - -/* spacing */ -.sep1 {margin-top: 1.2em;} -.sep2 {margin-top: 1.5em;} -.sep4 {margin-top: 4em;} -.sep8 {margin-top: 8em;} - -/* styling */ -.cs6 {font-size: 0.6em;} -.cs8 {font-size: 0.8em;} -.cs12 {font-size: 1.2em;} -.esp {letter-spacing: 0.1em; word-spacing: 0.3em;} -ins {text-decoration: none; border-bottom: thin dotted silver;} -.nobreak {page-break-before: avoid;} -.noind {text-indent: 0;} -.right {text-align: right; text-decoration: overline;} -.sansrf {font-family: sans-serif;} -.smcap {font-variant: small-caps;} -sup {font-size: x-small;} - -/* images */ -.figcenter {margin: 2em auto 2em auto; text-align: center; text-indent: 0;} -.figright {margin: 2em 3em 2em auto; text-align: right; text-indent: 0;} - -/* lists */ -.lsoff {list-style-type: none; margin-left: 3em; text-indent: -1.5em; - font-size: 0.9em; margin-bottom: 0;} -li {margin-top: 0.1em; margin-bottom: 0; line-height: 1.2em;} - -/* tables */ -table {margin: 2em auto 2em auto;} -table.tabmat {width: 90%; font-size: 0.9em;} -td.tdc {text-align: center; vertical-align: middle; line-height: 1.5em; - padding: 1em 0 0.5em 0;} -td.tdl {text-align: left; vertical-align: baseline;} -td.tdr {text-align: right; vertical-align: bottom;} - -/* box */ -div.boxnt {margin: 6em auto 2em auto; max-width: 32em; - background-color: #eee; padding: 1em; border: solid 1px #ccc; - font-size: 0.9em; text-align: left;} - -/* lines */ -hr.full {margin: 2em auto 2em auto; height: 4px; - border-width: 4px 0 0 0; border-color: #999; - clear: both;} -hr.hr16 {margin: 2em 42% 2em 42%; height: 1px;} -hr.hr12 {margin: 1.5em 44% 2em 44%; height: 1px;} -hr.hr10 {margin: 0.5em 45% 1em 45%; height: 1px;} -hr.hr8 {margin: 0.5em 46% 1em 46%; height: 2px;} - -/* notes */ -div.footnotes {background-color: #f6f6f6; padding: 1em; - margin: 2.5em 5% 1.5em 5%; font-size: 0.9em; border: solid 1px #ccc;} -div.footnotes p {margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.3em;} -.fnanchor {vertical-align: super; font-size: x-small; - text-decoration: none; font-style: normal; letter-spacing: normal;} -.label {position: relative; right: 1.5em; - text-align: right; font-size: 0.9em;} - -@media screen { - body {width: 80%; max-width: 36em; margin: 0 auto 0 auto;} - .npage {margin-top: 6em;} - } - -@media handheld { - .pagenum {display: none;} - .npage {page-break-before: always;} - } - -/* links */ -a:link {color:#99c; text-decoration: none;} -a:visited {color:#99c; text-decoration: none;} -a:hover {color:#000; text-decoration: underline;} - - </style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Gereformeerde dogmatiek - Eerste deel. Inleiding. Principia. - -Author: H. Bavinck - -Release Date: January 27, 2016 [EBook #51052] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK *** - - - - -Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and -the Online Distributed Proofreading Team at -http://www.pgdp.net. - - - - - - -</pre> - - -<hr class="full" /> - -<p class="noind sansrf"><a href="#noot">Opmerkingen van de bewerker</a></p> - -<p class="noind sansrf"><a href="#toc">Inhoud</a></p> - -<p class="sep4 cent cs12">GEREFORMEERDE DOGMATIEK.</p> - -<div class="npage"> - -<h1>GEREFORMEERDE<br />DOGMATIEK.</h1> - -<div class="sep4 cent cs6">DOOR</div> - -<div class="sep2 cent esp cs12">D<sup>R</sup>. H. BAVINCK.</div> - -<hr class="hr16" /> - -<div class="sep2 cent">EERSTE DEEL.</div> - -<div class="sep1 cent cs8 esp">INLEIDING. — PRINCIPIA.</div> - -<div class="figcenter"> - <img src="images/streep-1.jpg" alt="" title="" width="154" height="14" /> -</div> - -<div class="sep4 cent" style="text-decoration: overline;">KAMPEN. — J. H. BOS. — 1895.</div> - -</div> - -<div class="sep8 cs6 right">Nijmegen. — Snelpersdruk der Weesinrichting.</div> - -<h2 id="Page_III">VOORBERICHT.</h2> - -<hr class="hr12" /> - -<p><i>Met een kort woord moge het standpunt dezer dogmatiek -in het licht worden gesteld. Niet alleen de geloovige, ook de -dogmaticus heeft belijdenis te doen van de gemeenschap der heiligen. -Alleen met alle de heiligen kan hij begrijpen, welke de -breedte en lengte en diepte en hoogte zij en bekennen de liefde -van Christus, die de kennis te boven gaat. Eerst in en door -hunne gemeenschap leert hij het dogma verstaan, waarin het -christelijk geloof zich uitspreekt. Bovendien ligt er in deze gemeenschap -der heiligen eene sterkende kracht en een uitnemende -troost. Dogmatiek is thans niet in eere; het christelijk dogma -deelt niet in de gunst van den tijd. Vandaar, naar het woord -van Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie 1868 bl. 17, -somwijlen een gevoel van verlatenheid, van isolement. Maar des -te meer stemt het dan tot dank, een beroep te kunnen doen op -het bondgenootschap der voorgeslachten. Om deze redenen is er -aan de patristische en scholastische theologie meer aandacht gewijd, -dan anders wel bij protestantsche dogmatici het geval is. -Mannen als Irenaeus, Augustinus, Thomas, behooren niet uitsluitend -aan Rome. Zij zijn patres en doctores, aan wie de -gansche christelijke kerk verplichtingen heeft. Voorts is ook de -Roomsche theologie na de Hervorming niet vergeten. Er is onder -de Protestanten menigmaal te weinig bekendheid zoowel met -hetgeen hun met Rome gemeen is als wat van Rome hen scheidt. -De herleving der Roomsche theologie onder de auspiciën van -<span class="pagenum" id="Page_IV">[IV]</span> -Thomas, maakt het voor den protestantschen Christen dubbel -noodzakelijk, zich van zijne verhouding tot Rome welbewuste en -heldere rekenschap te geven.</i></p> - -<p><i>Het nauwst sluit echter deze dogmatiek zich aan bij dat -type, hetwelk de christelijke religie en theologie in de zestiende -eeuw door de Reformatie, bepaaldelijk in Zwitserland, ontving. -Niet omdat dit de eenig-ware, maar wijl het naar de overtuiging -van den schrijver de relatief-zuiverste uitdrukking der waarheid -is. In geen confessie is het christelijke in zijn religieus, -ethisch en theologisch karakter zoo tot zijn recht gekomen; nergens -is het zoo diep en breed, zoo ruim en vrij, zoo waarlijk -katholiek opgevat als in die van de Gereformeerde kerken. Daarom -is het te meer te betreuren, dat deze reformatie van religie -en theologie, evenals die van kerk en wetenschap, zoo spoedig is -gestuit. Er is in weerwil van veel goeds, dat ook de latere ontwikkeling -niet alleen hier te lande, maar evenzeer in Engeland, -Schotland, Amerika te aanschouwen geeft, toch weldra stilstand -ingetreden en deformatie gevolgd. Bij voorkeur zich beroepende -op de oudere generatie, die in frischheid en oorspronkelijkheid -de latere verre overtreft, acht schrijver dezes het het recht -van den dogmaticus, om in de geschiedenis der Gereformeerde -theologie tusschen koren en kaf onderscheid te maken. Het oude -te loven alleen omdat het oud is, is noch gereformeerd noch -christelijk. En dogmatiek beschrijft niet wat gegolden heeft, maar -wat gelden moet. Zij wortelt in het verleden, maar arbeidt -voor de toekomst.</i></p> - -<p><i>Daarom eindelijk wenscht deze dogmatiek ook het stempel te -dragen van haar tijd. Het ware een onbegonnen werk, zich los -te maken van het heden; maar het zou ook niet goed zijn voor -God, die in deze eeuw niet minder luide en ernstig tot ons spreekt -dan in vorige geslachten. Er is acht geslagen op de velerlei -richtingen, die op theologisch gebied elkander kruisen. Er is te -midden van die alle eene plaats gezocht en positie gekozen. Waar -afwijking plicht was, is er rekenschap van gegeven. Maar ook -dan is er naar gestreefd, om het goede te waardeeren, waar -<span class="pagenum" id="Page_V">[V]</span> -het te vinden was. Dikwerf deed voortgezette studie verwantschap -ontdekken, die aanvankelijk heel niet scheen te bestaan.</i></p> - -<p><i>Op dezen grondslag opgetrokken, tracht deze dogmatiek een -handboek te zijn voor wie aan hare beoefening zich wijdt. Ook -waar zij geen instemming verwerven kan, moge zij tot studie -opwekken. Met het oog hierop zijn de vraagstukken en de verschillende -oplossingen, die beproefd zijn, zoo objectief mogelijk -voorgesteld. Litteratuur werd in die mate opgegeven, dat men -spoedig zelf zich oriënteeren en aan de oplossing mede arbeiden -kan.</i></p> - -<p><i>Dit eerste deel bespreekt de inleiding en de principia. Het -tweede deel zal het dogma behandelen. Waarschijnlijk zal dit -in twee gedeelten het licht zien, die in geen geval grooter van -omvang zullen zijn dan dit eerste deel, en zoo spoedig doenlijk -zullen volgen. Een uitvoerige index zal het werk besluiten.</i></p> - -<div class="figright"> - <img src="images/img-01.jpg" alt="H Bavinck." title="H Bavinck." width="300" height="44" /> -</div> - -<p><i><span class="esp">Kampen</span>, April 1895.</i></p> - -<hr class="hr16" /> - -<h2 id="toc">INHOUD.</h2> - -<div class="figcenter"> - <img src="images/streep-2.jpg" alt="" title="" width="114" height="16" /> -</div> - -<table class="tabmat" summary="Inhoud van Deel I"> -<tr> - <td class="tdc esp" colspan="3"><a href="#Page_1">INLEIDING</a>.</td> -</tr> -<tr> - <td class="tdl" colspan="2">Paragraaf.</td> - <td class="tdr">Bladz.</td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">1.</td> - <td class="tdl">Naam en begrip der Dogmatiek</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_1">1</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">2.</td> - <td class="tdl">Encyclopaedische plaats der Dogmatiek</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_9">9</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">3.</td> - <td class="tdl">Methode der Dogmatiek</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_14">14</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">4.</td> - <td class="tdl">Indeeling der Dogmatiek</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_31">31</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">5.</td> - <td class="tdl">Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_51">51</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdc" colspan="3"><hr class="hr10" /> - <b>DEEL I.</b><br /> - <b>Principia der Dogmatiek.</b><br /> - HOOFDSTUK I.<br /> - <span class="smcap esp">Principia in het Algemeen.</span></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">6.</td> - <td class="tdl">Beteekenis der Principia</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_140">140</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">7.</td> - <td class="tdl">Principia in de Wetenschap</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_145">145</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">8.</td> - <td class="tdl">Principia in de Religie</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_171">171</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdc" colspan="3">HOOFDSTUK II.<br /> - <span class="smcap esp">Principium Externum.</span></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">9.</td> - <td class="tdl">Algemeene Openbaring</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_215">215</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">10.</td> - <td class="tdl">Bijzondere Openbaring</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_244">244</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">11.</td> - <td class="tdl">De Heilige Schrift</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_295">295</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">12.</td> - <td class="tdl">Eigenschappen der Schrift</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_363">363</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdc" colspan="3"><span class="pagenum" id="Page_VII">[VII]</span> - HOOFDSTUK III.<br /> - <span class="smcap esp">Principium Internum.</span></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">13.</td> - <td class="tdl">Beteekenis van het principium internum</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_416">416</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">14.</td> - <td class="tdl">De historisch-apologetische methode</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_423">423</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">15.</td> - <td class="tdl">De speculatieve methode</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_431">431</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">16.</td> - <td class="tdl">De ethisch-psychologische methode</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_444">444</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">17.</td> - <td class="tdl">Het geloof</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_465">465</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">18.</td> - <td class="tdl">De grond des geloofs</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_484">484</a></td> -</tr> -<tr> - <td class="tdr">19.</td> - <td class="tdl">Geloof en theologie</td> - <td class="tdr"><a href="#Page_509">509</a></td> -</tr> -</table> - -<hr class="hr16" /> - -<h2 id="Page_1">INLEIDING.</h2> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 1. <span class="smcap">Naam en begrip der Dogmatiek.</span></h3> - -<p>1. De naam dogmatiek is nog van jonge dagteekening. Vroeger -waren gansch andere namen in gebruik. Origenes gaf aan zijn -dogmatisch hoofdwerk den titel περι ἀρχων. Augustinus omschreef -zijn Enchiridium ad Laurentium door de bijvoeging, sive de fide, -spe et caritate. Johannes Damascenus gaf eene Ἐκδοσις ἀκριβης -της ὀρθοδοξου πιστεως. Met Isidorus Hispalensis komt de naam -Sententiæ op, die in de 13<sup>de</sup> eeuw plaats maakt voor Summa -theologiæ. Melanchton sprak van Loci communes rerum theologicarum, -sive hypotyposes theologiæ. De uitdrukking loci is aan -Cicero ontleend, en eene vertaling van het grieksche τοπος. -Aristoteles verstond onder τοποι de algemeene regelen der dialectiek, -die van zichzelf bekend waren en vaststonden en daarom -als στοιχεια των ἀποδειξεων dienst konden doen, Rhet. lib. -II c. 22 § 13. Metaph. lib. IV c. 3 § 3. Cicero bracht deze -leer der τοποι van de dialectiek op de rhetorica over, en verstond -er die plaatsen door, waar de redenaar de argumenten vinden -kon, die hij in zijne rede noodig had. Hij verklaart de -uitdrukking door sedes, notæ argumentorum, en wijst als zulke -bronnen aan het begrip, de definitie, de divisie, de grondbeteekenis -van het woord, de synoniemen enz. Top. II c. 2. Dit gebruik -van het woord loci stemt met de beteekenis bij Aristoteles -niet geheel overeen, en werd in de latere logica nog meer gewijzigd. -Melanchton zelf verklaart in zijne Dialectica, lib. IV -de uitdrukking loci door signa quædam, quibus rerum, quæ dici -tractarique debent, capita indicantur. Loci communes zijn volgens -Cicero, de Orat. III 27. Brutus 12, zulke stellingen, die op geen -<span class="pagenum" id="Page_2">[2]</span> -bepaald object betrekking hebben, algemeen zijn en daarom altijd -en overal gelden; in onderscheiding van loci proprii, die concreet -zijn en daarom alleen bij een bepaald onderwerp of in eene speciale -wetenschap van kracht zijn. Melanchton wilde in zijne loci -communes alleen de voornaamste hoofdstukken van de christelijke -religie geven, gelijk die vooral door Paulus in zijn brief aan de -Romeinen waren behandeld. Hij zelf omschrijft ze daarom door -hypotyposes, ontwerp, schets, lineamenta der theologie. En de -Duitsche vertaling van Spalatin gaf den titel weer door: Hauptartikel -und fürnehmste Punkte der ganzen Heiligen Schrift. Naam -en inhoud van Melanchton’s dogmatiek staan dus in tegenstelling -met de scholastieke Sententiae en Summae. Ze bedoelde niet een -volledig dogmatisch systeem aan de ontwikkelden te geven, maar -veeleer de onontwikkelden in te leiden tot de kennis der Heilige -Schrift. Cf. Heppe, Dogm. des Deutschen Protest. 1857 I s. -4-14; Herzog u. Plitt, Real. Enc. 8, 708 f.; Sanseverino, -Philosophia Christiana, ed. nov. Neap. 1878 III 286-315. -Daaruit laat zich verklaren, dat de naam loci communes bij de -Roomsche theologen, op eene enkele uitzondering na, geen ingang -vond. Wel bezigen ze de uitdrukking loci, maar niet in den zin van -Melanchton, maar in dien van Cicero of Aristoteles. Zij verstaan -er niet onder de articuli fidei, maar de principia of bronnen der -Theologie, Dens, Theologia ad usum Seminariorum. Mechl. 1828 -I 5; Billuart, Summa S. Thomae sive Cursus Theologiae 1747 -I 47; Daelman, Theologia seu Observ. theol. in Summam D. -Thomae 1759 I 18. Het beroemde werk van Melchior Canus, -Loci Theologici 1563 vat de uitdrukking in denzelfden zin op en -behandelt niet de dogmatiek zelve, maar hare bronnen, welke -tien in aantal zijn: Schrift, traditie, Paus, concilien, kerk, kerkvaders, -scholastici, rede, philosophie, geschiedenis. Daarentegen -werd de naam loci communes van Melanchton door vele luthersche -en geref. theologen overgenomen, zooals Chemniz, Hutter, -Gerhard, Calovius; Martyr, Musculus, Hyperius, Ursinus enz. -Maar toch moest hij vrij spoedig voor een anderen titel wijken. -Zwingli had dogmatische geschriften in het licht gegeven onder -den titel van Commentarius de vera ac falsa religione, Christianae -fidei brevis et clara expositio. Calvijn verkoos den naam -van Institutio religionis Christianae. En latere theologen uit de -luth. en geref. kerk keerden tot den ouden naam van theologia -<span class="pagenum" id="Page_3">[3]</span> -terug. Ter onderscheiding van andere theologische vakken, die -allengs in aantal en in gewicht toenamen, moest deze naam van -Theologia nader omschreven worden. Daartoe diende de bijvoeging -didactica, systematica, theoretica, positiva, en sedert L. Reinhart, -Synopsis theologiae dogmaticae 1659, ook die van dogmatica. -Deze omschrijving lag voor de hand, wijl de geloofswaarheden -reeds lang met den naam van dogmata werden aangeduid, en de -met Danaeus en Calixtus begonnen scheiding van dogmatiek en -ethiek voor beide vakken een afzonderlijken naam eischte. Sedert -heeft deze bijvoeging zoo groote heerschappij verkregen, dat zij -het hoofdbegrip van theologie heeft gebannen en zelfstandig is -opgetreden, dat zij onder theologen van allerlei belijdenis instemming -heeft gevonden, en door de nieuwere namen van geloofsleer, -heilsleer, christelijke leer enz. niet is kunnen verdrongen -worden.</p> - -<p class="sep2">2. Het woord δογμα, van δοκειν, dunken, duidt datgene -aan, wat bepaald, besloten is en daarom vaststaat, το δεδογμενον, -statutum, decretum, placitum. In de Schrift wordt het gebezigd -van bevelen der overheid, LXX, Esth. 3:9; Dan. 2:13; 6:8; -Luk. 2:1; Hd. 17:7, van de inzettingen des O. Verbonds Ef. -2:15; Col. 2:14, en van de besluiten der vergadering te Jeruzalem, -Hd. 15:28; 16:14. Bij de klassieken heeft het de beteekenis -van besluit of bevel en in de philosophie die van door -zichzelf of door bewijzen vaststaande waarheden, Plato, de Rep. -VII c. 16. p. 538 C.; Arist. Phys. ausc. 4, 2; Cic. de fin. -2, 32; Acad. prior. 2, 9. § 27; Seneca Epist. 94, 95. In deze -beteekenissen wordt het woord ook in de theologie overgenomen. -Josephus, c. Ap. I, 8 zegt, dat de Joden de boeken des Ouden -Verbonds van kindsbeen af houden voor θεου δογματα. In dezelfde -beteekenis spreken de kerkvaders van de christelijke religie of -leer als το θειον δογμα, van de menschwording van Christus als -δογμα της θεολογιας, van de waarheden des geloofs, die in en -voor de kerk gelden als τα της ἐκκλησιας δογματα, en evenzoo -van de leeringen der ketters als δογματα των ἑτεροδοξων enz. -Cf. Suicerus, Thesaurus Eccles. s. v.; Herzog<sup>2</sup> s. v. Dogmatik; -H. Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Dezen zelfden -zin behoudt het woord bij de Latijnen, zooals Vincentius in zijn -Commonitorium c. 29, en bij de Protest. theologen zooals Sohnius, -<span class="pagenum" id="Page_4">[4]</span> -Opera 1609 I 32; Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 22; Hyperius, -Methodus Theol. 1574 p. 34; Polanus, Synt. Theol. 1625 p. 133.</p> - -<p class="sep2">3. Het gebruik van het woord leert ons in de eerste plaats, -dat met dogma allerlei bevelen, besluiten, philosophische waarheden, -theoretische stellingen, practische regels enz. kunnen worden -aangeduid, maar het gemeenschappelijke erin is, dat er altijd -eene zekere autoriteit aan ten grondslag ligt. Een dogma is eene -stelling, die gezag heeft, Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte, -2<sup>te</sup> Aufl. 1888 I. 15. In het woord dogma ligt echter op zichzelf -niet, op welk gezag het steunt. Bij de verschillende dogmata -is ook dat gezag verschillend. Bij politieke dogmata is dat -gezag de overheid, bij philosophische dogmata de innerlijke evidentie -of de kracht der bewijzen; bij de godsdienstige of theologische -dogmata ligt dat gezag alleen in Gods getuigenis, hetzij deze -volgens de Protestanten alleen in de Schrift, of volgens de Roomschen -ook in de kerk wordt vernomen. Eene stelling heeft in -kerk en theologie alleen daarom gezag, wijl ze rust op de getuigenis -Gods. Ten onrechte wordt daarom door en sedert Schleiermacher -het wezen en karakter van een dogma in de kerkelijke -vaststelling en afkondiging gezocht, Schleiermacher, Christl. Sitte -1884, S. 5; Rothe, Zur Dogm. 10; Schweizer, Christl. Glaub. -I. 23; Daubanton, Theol. Studien 1885, bl. 136-145; Kuyper, -Encycl. III 395 v. Op Roomsch standpunt ware hier nog iets -voor te zeggen, wijl de kerk onfeilbaar is. Maar de reformatie -erkent geen waarheid dan alleen op het gezag Gods in de H. -Schrift. Verbum Dei condit articulos fidei, et praeterea nemo, -ne angelus quidem, Art. Smalc. Pars II art. 2. Dogmata en -articuli fidei zijn alleen die waarheden, quae in scripturis proprie -ut credenda proponuntur, Hyperius, Methodus theol. p. 34, 35. -Het zijn alleen zulke sententiae, quibus credi aut obtemperari -necesse est propter mandatum Dei, Ursinus, Tract. Theol. 22. -En daarom keert telkens bij de Geref. theologen deze stelling -terug: principium, in quod omnia dogmata theologica resolvuntur, -est: Dominus dixit, cf. Ritschl, Lehre v. d. Rechtf. u. Vers. -3<sup>te</sup> Aufl. II 2. Maar uit het karakter van autoriteit, dat aan -een dogma eigen is, volgt toch in de tweede plaats vanzelf, dat -het als zoodanig ook in zekeren kring wordt erkend. Er ligt -ongetwijfeld in het begrip van dogma een sociaal element. Eene -<span class="pagenum" id="Page_5">[5]</span> -waarheid moge nog zoozeer vaststaan; indien ze niet erkend wordt, -is zij in het oog van anderen niets meer dan eene sententia doctoris, -eene particuliere opinie. Het begrip van dogma sluit in, -dat de autoriteit, die het bezit, zichzelve ook weet te doen erkennen -en te handhaven. Er moet daarom onderscheiden <ins id="cor_1" title="’worden’ ingevoegd">worden</ins> tusschen -dogma quoad se en dogma quoad nos. Eene stelling is dogma -in zichzelf, afgedacht van alle erkenning, indien ze rust op het -gezag Gods. Maar om niet eigen opinie te vereenzelvigen met -de waarheid Gods, is het voor iederen geloovige en vooral ook -voor den dogmaticus van het hoogste belang te weten, welke -waarheden uit de Schrift onder de leiding des H. Geestes in de -kerk van Christus tot algemeene erkenning zijn gebracht. De belijdenis -kan dus heeten het dogma quoad nos. Maar ook in dezen -subjectieven zin is dogma volstrekt niet beperkt tot wat uitdrukkelijk -in de symbolen is opgenomen en kerkelijk is vastgesteld. -De kerk heeft een leven en een geloof, dat veel rijker is dan in -de belijdenis tot uiting komt. De confessie formuleert lang niet -den ganschen inhoud van het christelijk geloof. Zij behoort ook -niet tot het wezen der kerk, is bijkomstig, en bijkans altijd uit -bijzondere omstandigheden geboren. Zij neemt gewoonlijk slechts -op, wat binnen of buiten haar bestrijding heeft gevonden. Evenals -dus het hout niet brandt, omdat het rookt, maar de rook toch -een teeken is van brand, zoo ook is eene stelling niet een dogma, -omdat de kerk het erkent, al is het ook dat de erkenning door -de kerk een belangrijk, ofschoon altijd feilbaar, bewijs is van de -waarheid ervan, Kleutgen, Theologie der Vorzeit, 2<sup>te</sup> Aufl. I, -97 f. In de derde plaats leert ons het gebruik van het woord -dogma nog, dat het nu eens in ruimer, dan in enger zin werd -gebezigd. Soms wordt er heel de christelijke religie mede aangeduid, -en kan Basilius M., de Spiritu Sancto c. 27 onder δογματα -(in tegenstelling met κηρυγματα, de uit de Schrift geputte articuli -fidei) de kerkelijke ceremonieën en riten verstaan, Suicerus, -Thes. Eccl. s. v. δογμα. Polanus t. a. p. zegt, dat dogma -in ruimer zin alles omvat, wat in de H. Schrift is begrepen, niet -alleen de doctrina evangelii et legis, maar ook alle conciones, -historiae sacrae enz. Gewoonlijk werd het woord echter in enger -zin gebezigd, voor de doctrina evangelii et legis, voor die sententiae, -quibus credi aut obtemperari necesse est propter mandatum -Dei, Ursinus t. a. p. 22. Het omvatte dus niet alleen de -<span class="pagenum" id="Page_6">[6]</span> -leerstellige, maar ook de ethische waarheid. Later echter is het -woord dogma nog enger begrensd geworden, doordat de doctrina -legis van de doctrina evangelii onderscheiden en gescheiden werd; -dogmata waren nu alleen die sententiae, quibus credi necesse est -propter mandatum Dei. Polanus ging nog verder en maakte ook -nog onderscheid tusschen de dogmata en de principia theologiae. -Zoo werd dogma de aanduiding van de articuli fidei, welke op -het gezag van Gods Woord rusten en daarom allen verplichten -tot geloof. En dogmatiek is dan het systeem der articuli fidei.</p> - -<p class="sep2">4. Toch is daarmee het begrip der dogmatiek nog slechts -in formeelen zin vastgesteld. Eene definitie der dogmatiek als -wetenschap der dogmen baat weinig, zoolang we de stof, den inhoud -der dogmen niet kennen. Om nu het materieele begrip der -dogmatiek te bepalen, moeten we ons herinneren, dat dogmatiek -oorspronkelijk een adjectief was ter omschrijving van het hoofdbegrip -theologie. Daarnaar werd in vroeger tijd de dogmatiek -gewoonlijk opgevat als doctrina de Deo principaliter et de creaturis, -secundum quod referuntur ad Deum ut ad principium vel -finem, Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 3 en 7; Alb. Magnus, -Sent. lib. I dist. 1 § 2; Petavius, Opus de theol. dogmatibus -cap. 1. —Gerhard, Loci Comm., prooemium de natura -theologiae; Hase Hutterus Redivivus § 11; H. Schmid, Dogm. -der ev. luth. Kirche § 2. —Fr. Junius, Opera Omnia I fol. -1375-1424; Polanus, S. Theol. lib. I cap. 1-4; Gomarus, -Disput. Theol., thesis 1; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, -ortu.... verae theologiae, libri sex. Oxon. 1661, lib. 1 cap. 1-4; -Voetius, Diatribe de theologia. Ultraj. 1668; Coccejus, Summa -theol. cap. 1. Anderen echter hadden bezwaar, om God tot het -hoofdbegrip der dogmatiek te maken, en noemden haar object -liever anders. Lombardus, Sent. I dist. 1, sloot zich bij Augustinus -aan, die de doctr. christ. lib. I cap. 2 zegt: omnis doctrina -vel rerum est, vel signorum, en droeg daarom aan de -theologie twee zaken ter behandeling op: res, d. i. God, wereld, -mensch, en signa, d. i. sacramenten. Maar deze onvolledige bepaling -werd spoedig prijs gegeven en door de commentatoren -verbeterd. Alexander Halesius en Bonaventura, Proleg. qu. I in -1 Sent. en Breviloquium Pars I cap. 1 noemden Christus en -zijn mystiek lichaam, de kerk; Hugo a St. Victor, De sacr. lib. -<span class="pagenum" id="Page_7">[7]</span> -I c. 2, noemde de opera reparationis stof en inhoud der theologie -of dogmatiek. En ook Luth. en Geref. theologen omschreven -den inhoud der dogmatiek op deze wijze. Calovius, Isagoge ad -theologiam 1662, bestrijdt ten sterkste, dat God het eigenlijk -object is der theologie; de etymologie beslist hier niets, de theologie -op aarde is heel iets anders dan in den hemel, wij streven -hier wel naar kennisse Gods, maar bereiken ze niet. God tot -object te maken der theologie is even verkeerd als den Vorst tot -object te maken van de politica, in plaats van de res publica, -p. 283 s. 291 s.; het eigenlijk object der theologie is homo in -quantum est perducendus ad salutem p. 252, 290 of de godsdienst -p. 299, 324. En zoo wordt ook door Amesius, Medulla -Theol. I c. 5; Maestricht, Theor. pract. Theol. I c. 1 § 47; -Marck, Merch der Christ. Godg. I § 34; Moor, Comment. in -Marckii Compendium I p. 112; Burmannus, Synopsis Theol. I -c. 2 § 30; Limborch, Theol. Christ. I c. 1, het Deo vivere per -Christum, de religio, de cultus Dei tot inhoud der dogmatiek -gemaakt. De subjectieve, practische opvatting van de theologie -begon alzoo langzamerhand meer ingang te krijgen. En toen nu -de philosophie van Kant het menschelijk kenvermogen tot de -zienlijke dingen beperkte, het Agnosticisme de onkenbaarheid Gods -uitsprak, de historische kritiek de bovennatuurlijke openbaring -ondermijnde, is deze subjectieve, practische opvatting de heerschende -geworden. Schleiermacher vatte de dogmatiek op als -Glaubenslehre, en omschreef de dogmata als Auffassungen der -frommen Gemüthszustände, Der Christl. Glaube § 15, 16. En -sedert hebben schier alle theologen dezen overgang mede gemaakt. -Niet God, maar de godsdienst is object der theologie. En wel, -de godsdienst in het algemeen als historisch en <ins id="cor_2" title="phychologisch">psychologisch</ins> -verschijnsel, Tiele, Gids Mei 1866; Idem, Theol. Tijdschr. 1<sup>ste</sup> -aflev. 1867; Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1869 bl. 1 v. 163 v. -Wet op het Hooger Onderwijs van 1876, of meer bepaald de -christelijke religie, gelijk zij in Schrift en gemeente tot openbaring -komt. Dienovereenkomstig wordt dan aan de dogmatiek -tot inhoud gegeven de religio of doctrina christiana, zooals die -of uit de H. Schrift geput, of door eene of andere kerk beleden, -of door persoonlijke ervaring gekend wordt.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_8">[8]</span> -5. Nu heeft reeds Thomas in zijn tijd tegen hen, die eene -andere omschrijving van de Theologie gaven, opgemerkt, dat zij -daartoe kwamen wijl attendentes ad ea, quae in ista scientia tractantur -et non ad rationem, secundum quam considerantur, Summa -Theol. I qu. 1 art. 7. In de theologie en zoo ook in de dogmatiek, -wordt over veel meer dan alleen over God gehandeld; -ook engel en mensch, hemel en aarde, ja alle schepselen komen -daarin ter sprake. Maar de vraag is, onder welk gezichtspunt -en met welk doel ze in de theologie behandeld worden. Immers, -behandeld worden al deze dingen ook in andere wetenschappen; -het eigenaardige hunner behandeling in de theologie bestaat daarin, -dat zij beschouwd worden in hunne relatie tot God, ut ad principium -et finem, Kaftan, Wahrheit der Chr. Rel. S. 3. Voorts -ware de definitie van de dogmatiek als wetenschap van de religio -christiana op zichzelve nog niet zoo verkeerd, wanneer, gelijk -in vroeger tijd, daaronder die religio werd verstaan, welke objectief -in de Schrift was neergelegd. Maar na Kant en Schleiermacher -heeft deze definitie een anderen zin gekregen en is de -dogmatiek de beschrijving geworden van dat historisch verschijnsel, -dat christelijke religie heet en zich ook in een eigenaardig geloof -en leer openbaart. Wordt nu de dogmatiek in dezen zin verstaan, -dan houdt ze op dogmatiek te zijn en wordt eenvoudig beschrijving -van wat in zekeren kring voor waarheid op godsdienstig gebied -gehouden wordt. Maar wetenschap is het om waarheid te -doen; indien de dogmatiek werkelijk wetenschap wil zijn, dan is -ze niet tevreden met de beschrijving van wat is, maar behoort -ze aan te wijzen, wat als waarheid gelden moet. Niet het ὁτι, -maar het διοτι, niet de werkelijkheid, maar de waarheid; niet -het reëele, maar het ideëele, het logische, het noodwendige behoort -ze aan te toonen. Zoodra ze dat echter beproeft, komt ze terstond -tot God terug, wordt ze in eigenlijken zin wederom theologie. -Immers, al wie het Christendom maakt tot object van eene -eigen wetenschap, gaat uit niet van het feit van het <i>bestaan</i> van -dat Christendom — want dan ware behandeling van dat historisch -verschijnsel in de litt. faculteit volkomen voldoende — maar van -eene bijzondere waardeering van dat feit, Gunning en Saussaye Jr., -Het ethische beginsel der Theologie 47. De theologie als eene -afzonderlijke faculteitswetenschap onderstelt, dat in die historische -feiten van het Christendom God op eene bijzondere wijze zich -<span class="pagenum" id="Page_9">[9]</span> -heeft geopenbaard, onderstelt en eischt dus het bestaan en de -openbaring Gods. Dat is, de theologie eischt, om theologie te -zijn en te blijven, dat alles in haar sub ratione Dei beschouwd -wordt. En indien hiertegen de onkenbaarheid Gods worde ingebracht, -dan geldt de regel: qui nimis probat, nihil probat. Indien -God niet kenbaar is, valt daarmede niet alleen de dogmatiek -en de theologie, maar ook de religie, want deze is op de kennis -Gods gebouwd. Alzoo is dogmatiek het wetenschappelijk systeem -der kennisse Gods, d. i. van die kennis, welke Hij aangaande -zichzelf en aangaande alle schepsel als in relatie tot Hem in zijn -Woord aan de kerk heeft geopenbaard.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 2. <span class="smcap">Encyclopaedische plaats der Dogmatiek.</span></h3> - -<p>1. Over de plaats der dogmatiek in de encyclopaedie der theologie -is bijna geen verschil. Allen brengen haar tot de Systematische -of Dogmatische Theologie, d. i. tot die groep van vakken, -welke zich met het dogma bezig houden, en waartoe behalve de -dogmatiek, ook de ethiek, symboliek, dogmengeschiedenis en elenctiek -behooren. Alleen Schleiermacher, Kurze Darstellung des -theol. Studiums, 2<sup>te</sup> Ausg. 1830 § 195, voegde ze bij de historische -theologie, omdat zij de wetenschap is von dem Zusammenhange -der in der Kirche zu einer gegebenen Zeit geltenden Lehre, -Der Christl. Glaube § 19, ook Rothe, Zur Dogm. 1863 S. 14, -en dus eene statistiek geeft van het heden. Schleiermacher kwam -tot dit eigenaardig gevoelen, wijl hij de dogmatiek zoo streng -mogelijk scheiden wilde van de apologetiek. Terwijl deze als -deel der philosophische theologie heeft aan te toonen wat christelijke -waarheid is, heeft gene alleen te beschrijven, wat als -waarheid in eene of andere christelijke kerk geldt. Toch bedoelde -Schleiermacher hiermede volstrekt niet, om aan de dogmatiek -alleen een refereerend karakter toe te kennen; hij schrijft haar -wel terdege eene kritische taak toe en verlangt, dat ze systematisch -zij, dat ze eigen overtuiging geve, en dat ze beschrijve niet -wat gegolden heeft, maar wat geldt, Dr. Is. van Dijk, Begrip -en methode der Dogmatiek 38 v.; Hagenbach, Encycl. § 80. Maar -<span class="pagenum" id="Page_10">[10]</span> -daarmede gaat ze dan ook de zuiver historische beschrijving reeds -te boven. De christelijke gemeente kan zich niet tevreden stellen -met een objectief referaat van haar geloofsinhoud, maar verlangt -dat haar geloof ook als waarheid ontvouwd en uiteengezet wordt. -De dogmaticus staat ook niet neutraal buiten en tegenover het -geloof der gemeente, gelijk tegenover de godsdienstige leer van -Mohammedanen en Buddhisten, maar behoort tot die gemeente, -en beschrijft dus ook, wat voor hem als waarheid geldt en gelden -moet. En eindelijk is er een wezenlijk onderscheid tusschen werken -als van Hase, Schmid, Schweizer en Heppe, die eene objectieve -beschrijving geven van de Luth. en Geref. leer, en de dogmatiek, -die de waarheid der religieuse overtuigingen aantoonen -en voorstellen wil. Als Schleiermacher, de dogmatiek een historisch -vak noemende, daarmede niet anders bedoelde dan dat -zij eene thetische, positieve wetenschap is, die haar object niet -zoekt maar vindt en nu beschrijft, dan is zijne bedoeling te waardeeren, -maar de benaming toch onjuist. Wanneer hij echter de -meening koesterde, dat de dogmatiek slechts een historisch gegeven -had te beschrijven en geen aanspraak maakte op normatieve -waarheid, dan is zijne opvatting zeer zeker onjuist geweest -en tegenwoordig dan ook algemeen verworpen. Hagenbach, Encycl. -§ 80; Herzog<sup>2</sup> 3, 643.</p> - -<p class="sep2">2. Behoort alzoo de dogmatiek tot de vakken der dogmatische -theologie, zij moet van hare zusteren wel onderscheiden worden. -Alle vakken in dit deel der theologie hebben het met het dogma -te doen, d. i. met de waarheid, gelijk God ze heeft geopenbaard, -maar ieder op eene eigene wijze. Het kan beluisterd worden, -zooals het door de gemeente klaar en krachtig in haar confessie -beleden wordt, en dan ontstaat de theologia symbolica. Het kan -in eenvoudigen, bevattelijken vorm, als melk 1 Petr. 2:2 aan -de jeugdige leden, de kinderen der gemeente, worden voorgedragen, -en dan is de theologia catechetica aan het woord, wel te -onderscheiden van de catechetiek, de kunst om dat te doen. Het -kan in zijn waarheid en recht tegenover bestrijders worden gehandhaafd, -en dan volbrengt de theologia elenctica hare taak. -Het kan ook thetisch en positief, maar in wetenschappelijken, -systematischen vorm, voor het ontwikkeld bewustzijn worden uiteengezet, -en dan wordt de dogmatiek beoefend. Al deze vakken -<span class="pagenum" id="Page_11">[11]</span> -hebben met elkander gemeen, dat ze de thesauri Sacrae Scripturae -uitstallen, maar ieder op eigene wijze. De dogmatiek doet -dat, gelijk men oudtijds zeide, op scholastieke, schoolsche wijze, -dat is, zóó als het in de scholen der wetenschap behoort te geschieden. -Natuurlijk hangt hier zoo niet alles, dan toch veel af -van het standpunt, dat de dogmaticus inneemt. Indien hij met -de piëtisten en theologi biblici eene scherpe tegenstelling aanneemt -tusschen Schrift-en kerkleer, dan zal hij zoo eng mogelijk -aan de Schrift zich aansluiten, ook in woorden en uitdrukkingen, -en zoo min mogelijk de gevonden stof denkend verwerken. Ziet -hij in de belijdenis der kerk, in de historia dogmatum, geen verbastering -maar ontwikkeling der Schriftuurlijke waarheid, dan zal -zijne dogmatiek kerkelijk en confessioneel gekleurd zijn. En als -hij tegen Schrift en kerk beide rationalistisch overstaat, zullen -de geloofsovertuigingen, die hij voordraagt, vooral een negatief -karakter dragen. Dat alles is een verschil van methode en komt -later ter sprake. Maar juist daarom is het niet goed, met Prof. -Doedes, Encyclopaedie, § 48, drieërlei dogmatiek te onderscheiden, -n.l. N. Test. of christelijke, kerkelijke en kritische. Want daardoor -wordt aan alle drie gelijke rang en bestaansrecht toegekend, -neemt de verwarring nog toe, komt de N. Test. dogmatiek als -de christelijke bij uitnemendheid tegenover de beide anderen te -staan, kunnen de beide eerste soorten van dogmatiek geheel buiten -de eigen overtuiging omgaan, en wordt de kritische dogmatiek -alleen die van de eigene zelfstandige beschouwing. De taak der -dogmatiek is veeleer altijd eene en dezelfde. Zij is en kan naar -haar aard niets anders zijn dan eene wetenschappelijke uiteenzetting -der godsdienstige waarheid, eene enarratio verbi Dei, eene -uitstalling van de thesauri Sacrae Scripturae, eene παραδοσις εἰς -τυπον διδαχης, Rom. 6:17, zoodat wij in haar hebben eene forma -en imago van de doctrina coelestis. De dogmatiek is dus zelve -niet het Woord Gods, zij is er altijd maar een flauw beeld en eene -zwakke gelijkenis van; zij is eene feilbare, menschelijke poging om -op eigene, vrije wijze na te denken en na te spreken, wat God voortijds -veelmalen en op velerlei wijze door de Profeten en in deze laatste -dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, Polanus, Syntagma -p. 539; Heidegger, Corpus Theol. Christ. Loc. I § 58. De vraag, -hoe de dogmatiek het best deze haar taak vervullen kan, is eene -vraag van methode en moet later afzonderlijk behandeld worden.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_12">[12]</span> -3. Het nauwst verwant is de dogmatiek aan de ethiek. Het -woord dogma omvatte oudtijds beide, de articuli fidei en de praecepta -decalogi, de dogmata fidei en de dogmata morum. De ethiek -werd of in de dogmatiek opgenomen, bij Lombardus, Thomas, -Melanchton, Calvijn, Martyr, Musculus, Sohnius enz., of in een -tweede deel na de dogmatiek bewerkt, bij Polanus, Amesius, -Heidegger, Wollebius, Wendelinus, Maestricht, Brakel enz. of ook -geheel zelfstandig, gescheiden van de dogmatiek, behandeld, bij -Danaeus, Ethices Christ. libri III 1577, Keckermann, Walaeus, -Polyander, Amyraldus, Pictet, Driessen, Hoornbeek, Heidegger, -Osterwald, J. A. Turretinus, Stapfer, Beck, Wyttenbach, Endeman, -cf. A. Schweizer, Die Entw. des Moralsystems in der ref. -Kirche, Stud. u. Krit. 1850, Heft 1; Gass, Gesch. der chr. Ethik -II Bd., 1<sup>te</sup> Abth. 1886 S. 131 f.; Luthardt, Gesch. der chr. -Eth., 2<sup>te</sup> Hälfte 1893. De invloed van Aristoteles, die met Melanchtons -philosophia moralis 1539 reeds begon, hield de ontwikkeling -van de christelijke ethiek tegen. De scheiding, die later intrad, -had tengevolge, dat de ethiek een eigen beginsel miste, dit ter -kwader ure zoeken ging bij de philosophie, als verbasterde theol. -ethiek vijandig kwam te staan tegenover de dogmatiek en deze -verdrong van haar plaats, en eindelijk de grenzen tusschen haar -en de dogmatiek geheel uitwischte. Ten bewijze strekken de -vruchtelooze pogingen, om beide te onderscheiden. Bij Kant heeft -de godsdienst geen eigen inhoud meer, maar is slechts de opvatting -van het goede als gebod Gods, Religion innerhalb der Grenzen -der blossen Vernunft, ed. Rosenkranz S. 184. Schleiermacher -gaf aan beide tot inhoud het christelijk leven, maar de dogmatiek -beschrijft dat leven in relatieve rust, de ethiek in relatieve -beweging, Die Christl. Sitte, ed. Jonas, 2<sup>te</sup> Aufl. 1884 S. 12-24. -Rothe zag het onvoldoende dezer onderscheiding in en maakte -daarom de dogmatiek tot een historisch vak, dat de dogmata -der kerk behandelde, de ethiek tot een speculatieve wetenschap, -die haar stof dialectisch uit het Godsbewustzijn ontwikkelt, Theol. -Ethik, § 15. Dorner, Glaubenslehre I 9 f., Sittenlehre 47, -Herzog<sup>2</sup> 4, 352, Wuttke, Christl. Sittenlehre I 9, Palmer, Moral -des Christ. 24 f. e. a., onderscheiden beide als kennen en doen, -verstand en wil. Doedes, Encycl. § 52 n<sup>o</sup>. 4 en Van Oosterzee, -Chr. Dogm. § 4 n<sup>o</sup>. 4 als heil-en als levensleer; Gunning, Het -ethische beginsel der Theologie 12 als leven van Christus in de -<span class="pagenum" id="Page_13">[13]</span> -kerk en in den individu; Daubanton, Theol. Stud. III 114 v. -als leer van God en leer van den mensch, enz. Al deze onderscheidingen -gaan daaraan mank, dat ze een principiëel verschil -zoeken tusschen dogmatiek en ethiek. En dat is er niet. De -theol. ethiek, wel te onderscheiden van de philos. ethiek, heeft -geen eigen beginsel, maar wortelt geheel en al in de dogmatiek. -De aangegeven scheidingslijnen scheppen een dualisme tusschen -God en mensch, individu en gemeenschap, heil en leven, rust en -beweging, verstand en wil, en banen er den weg toe, dat de ethiek -een eigen beginsel gaat zoeken langs speculatieven philosophischen -weg, zooals bij Rothe, haar theologisch karakter verliest en van -uit hare speculatieve hoogte op de historische, positieve dogmatiek -minachtend neerziet. Indien dogmatiek en ethiek afzonderlijk -behandeld moeten worden, wat om verschillende redenen wenschelijk -is, maar nog altijd door velen ontraden wordt, als Sartorius, -Nitzsch, Beck, A. Dorner, Ueber das Verhältniss der Dogm. u. -Ethik in der Theol. Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1889; Hofmann, -Schriftbeweis I 14; Wendt, Die Aufgabe der System. Theol. 1894 -S. 12 f., dan kan de onderscheiding tusschen beide alleen hierin -gelegen zijn, dat de mensch, hoezeer ten allen tijde van God volstrekt -afhankelijk, toch ook een vrij en zelfstandig handelend -wezen is. Door de genade des H. Geestes wedergeboren en vernieuwd, -ontvangt de zondige mensch ook wederom lust en kracht, -om naar Gods geboden te leven. De dogmatiek beschrijft de -daden Gods voor en aan en in den mensch, de ethiek beschrijft -de daden, die de vernieuwde mensch nu doet op grond en in de -kracht van die daden Gods. In de dogmatiek is de mensch -passief, ontvangt en gelooft; in de ethiek treedt hij zelf handelend -op. In de dogmatiek komen de articuli fidei, in de ethiek -de praecepta decalogi in behandeling. Daar wordt gehandeld de -fide, hier de caritate, obedientia, bonis operibus. De dogmatiek -ontwikkelt wat God is en doet voor den mensch en doet hem -God kennen als zijn Schepper, Verlosser, Heiligmaker; de ethiek -zet uiteen wat de mensch nu is en doet voor God, hoe de mensch -geheel en al, met verstand en wil en alle krachten, zich Gode -wijdt uit dankbaarheid en liefde. De dogmatiek is het systeem -der kennisse Gods, de ethiek dat van den dienst Gods. Ritschl, -Rechtf. u. Vers. III 14.; H. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. -2<sup>te</sup> Aufl. 1892 S. 3; Wendt, t. a. p. 17. Beide wetenschappen -<span class="pagenum" id="Page_14">[14]</span> -zijn niet zelfstandig tegenover elkaar, maar vormen saâm één -systeem, zijn bij elkander behoorende leden van één organisme, -Wendt, ib. 19.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 3. <span class="smcap">Methode der Dogmatiek.</span></h3> - -<p>1. Onder methode der dogmatiek is in ruimen zin te verstaan -de wijze, waarop de dogmatische stof verkregen en behandeld -wordt. Drie zaken komen daarbij in aanmerking: de Schrift, de -belijdenis der kerk en het persoonlijk geloof van den dogmaticus. -Al naar gelang deze drie verwaarloosd of gebruikt en dan in -verhouding tot elkander gesteld worden, verschilt het uitgangspunt -en daarom de weg en de uitkomst der dogmatiek. Feitelijk -gaat het nu altijd zoo toe, dat ieder Christen, ook de dogmaticus, -zijne geloofsovertuigingen ontvangt uit den kring, waarin -hij geboren en opgevoed is. Door prediking wordt de kerk gesticht -en overgeplant van geslacht tot geslacht. Het geloof is -uit het gehoor. De traditie, door Rome onfeilbaar verklaard, -is ook door de Reformatie niet ten eenenmale verworpen en spoedig -daarna tot eene macht geworden, die alle vrijheid aan banden -legde. Men ontving de dogmatische stof uit de handen der kerk -en der school. Materia theologiae proprie sunt loci communes, -materia remota est S. Scriptura, zeggen Alsted en Alting, Schweizer, -Glaub. der ev. ref. K. I 210. En na de reactie der zoogenaamde -Theologia Biblica is in deze eeuw het sociaal element -in de religie, het kerkelijk karakter der dogmatiek weer van verschillende -zijde in het helderst licht gesteld. Er is schier niemand, -die de confessioneele bepaaldheid van religie en dogmatiek -ontkent, Schleiermacher, Glaub. § 19; Rothe, Zur Dogm. -S. 27; Lange, Dogm. I 659 f.; Herzog<sup>2</sup> 12, 651 f. e. a. Hier -te lande legden de Groninger Godgeleerden weer op de kerk den -nadruk, H. de Groot, De Gron. Godg. 68, 71-74, 97 v. Instit. -theol. nat. § 37; Voorlez. over de gesch. der opvoeding des -menschdoms door God, II. 16<sup>de</sup> en 17<sup>de</sup> voorl. En zelfs moderne -theologen sluiten gewoonlijk in de behandeling der geloofsleer bij -het kerkelijk dogma zich aan. Biedermann, Chr. Dogm. 2<sup>te</sup> Aufl. -II. 170 f.; Lipsius, Dogm. § 7; Scholten, Leer der Herv. Kerk.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_15">[15]</span> -2. Maar de kerk met hare belijdenis kan toch het principium -der dogmatiek niet zijn. De Grieksche en Roomsche kerk hebben -de traditie wel voor onfeilbaar verklaard, maar ten allen tijde -hebben kerken, secten en richtingen, aan wie het christelijk -karakter niet kon worden ontzegd, van die overlevering een beroep -gedaan op de H. Schrift. Zelfs is in de Theologia biblica de -poging beproefd, om zonder de hulp van kerk en belijdenis uit -de Schrift alleen te komen tot eene leer des geloofs. Ze werd -reeds voorbereid door Erasmus, Joh. Jansen, Gesch. des deutschen -Volkes II. 15, de Socinianen, Herzog<sup>2</sup> 14, 389, en de Remonstranten, -in de praefatie voor de apologie hunner confessie. Ze -vond steun bij de vele secten, die daarna in en naast de kerken -der Hervorming optraden. Ze werd in de kerken zelve ingeleid -door Calixtus en Coccejus, en won in de 18<sup>de</sup> eeuw hoe langer -hoe meer veld. Hare bedoeling wordt kenbaar b.v. uit de werken -van A. F. Büsching, Epitome Theol. Christ. e solis S. S. -verbis concinnatae et ab omnibus rebus et verbis scholasticis -purgatae, Gott. 1755. Gedanken von der Beschaffenheid und dem -Vorzüge der bibl. dogm. Theologie vor der scholastischen 1758. -Nog in deze eeuw wordt zulk eene Bijbelsche richting in de dogmatiek -voorgestaan door Beck en zijne volgelingen, door Doedes, -Leer der zaligheid, 2<sup>de</sup> dr. 1876, en ook door Ritschl en zijne -school, die van de door de Grieksche philosophie verbasterde -dogmatiek terugkeert tot de openbaring Gods in den persoon van -Christus.</p> - -<p class="sep2">3. Maar ook daarmêe is de mogelijkheid van conflict tusschen -de leer der Schrift en de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus -nog niet weggenomen. Zoolang de waarheid objectief -voor den dogmaticus in de Schrift of in de kerkleer is neêrgelegd, -schijnt aan de persoonlijkheid van den dogmaticus geen -recht te kunnen wedervaren. Dogmatiek blijft dan eene uiteenzetting -der leer van Schrift of kerk, maar misschien zonder persoonlijke -instemming van den dogmaticus. Dat is echter geen -dogmatiek. Want deze bestaat niet in een historisch referaat, -maar zet uiteen, wat als waarheid gelden moet, en houdt dus -in de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus. Sedert de -autoriteit in zake religie voor velen geheel wegviel en de religio -subjectiva van de religio objectiva onafhankelijk werd gemaakt, -<span class="pagenum" id="Page_16">[16]</span> -is het religieus bewustzijn, het geweten, het gevoel, de rede of -hoe men het noemen wil, de bron en maatstaf van de godsdienstige -voorstellingen geworden. Heel de theologie is door en na -Schleiermacher, zoowel onder de orthodoxen als onder de modernen, -bewustzijnstheologie. Scholten, Schweizer, Biedermann, Lipsius -mogen nog bij de behandeling der dogmata van de kerkelijke -formuleering uitgaan, zij geven toch ten slotte niets anders dan -hun persoonlijk geloof. En ook theologen als Martensen, Dorner, -Hofmann, Philippi, Frank e. a., nemen hun uitgangspunt in het -bewustzijn van den geloovige. Hier te lande nam Van Oosterzee, -Dogm. § 10, het christelijk bewustzijn op onder de bronnen der -dogmatiek. Des Amorie van der Hoeven Jr. dichtte in Geloof -des harten: het onuitspreeklijk woord staat in ons hart te lezen, -en Christus gaf er klanken aan. Beets, Dichtwerken IV 130 zong: -Gansch objectief te zijn, is de eisch, is menschlijk. Maar zou -het mooglijk zijn? Och, paai u met geen schijn! De stelsels -zijn persoonlijk of onmenschlijk. En prof. Van Manen wees, in -zijne inaugureele oratie te Groningen, op het persoonlijk karakter -der leerstellige Godgeleerdheid, Gron. 1884. Uit dat persoonlijk -karakter der dogmatiek verklaart Doedes, Encycl. bl. 168 v. de -grenzelooze verwarring, die er op haar gebied heerscht.</p> - -<p class="sep2">4. Reeds dit overzicht van de drie dogmatische richtingen -maakt het duidelijk, dat geen der drie de andere ontberen kan. -Elk wordt op zichzelve genomen eenzijdig en vervalt tot dwaling. -De kritische richting, die belijdenis en Schrift als kenbron verwerpt -en alle religieuse waarheid uit het subject afleiden wil, -is allereerst al met de ervaring in strijd. Ook religieus zijn we -producten van onze omgeving. Wij ontvangen onze godsdienstige -voorstellingen en indrukken van degenen, die ons verzorgen en -opvoeden, en blijven ten allen tijde gebonden aan den kring, -waarin wij leven. Eene goede psychologie toont aan, dat verstand -en hart, rede en geweten, gevoel en verbeelding op geen -enkel terrein als kenbron der waarheid kunnen gelden. Evenals -wij physisch aan de natuur gebonden zijn en spijze en drank, -deksel en kleeding van haar ontvangen moeten, zoo zijn we ook -psychisch, in kunst, wetenschap, godsdienst, zedelijkheid afhankelijk -van de wereld buiten ons. Al onze kennis komt van buiten; -er zijn geen ideae innatae. Vooral het gevoel kan als kenbron -<span class="pagenum" id="Page_17">[17]</span> -niet in aanmerking komen, want het gevoel is nooit een prius, -maar altijd een posterius; het reageert alleen op hetgeen het -aandoet en geeft dan een gewaarwording van lust of onlust, van -aangenaam of onaangenaam, Tholuck, art. Gefühl in Herzog<sup>2</sup>; -Bender, Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 S. 659 f.; Philippi, -Kirchl. Glaub. I 60 f.; Hodge, System. Theol. I 65 f.; Hoekstra, -Godg. Bijdr. 1864 bl. 1-43. Id. Wijsgeerige Godsdienstleer, -Amst. 1894 bl. 59 v. 213 v. Het autonoom verklaren van -den godsdienstigen en zedelijken mensch hangt altijd met het -deïsme of het pantheïsme saâm. Het deïsme maakt den mensch -onafhankelijk van God en wereld, leert de algenoegzaamheid zijner -rede en leidt tot rationalisme; het pantheïsme laat God in den -mensch tot openbaring en zelfbewustzijn komen en kweekt het -mysticisme. Beide vernietigen de objectieve waarheid, laten rede -en gevoel, verstand en hart aan zichzelve over, en eindigen in -ongeloof of bijgeloof. De rede critiseert alle openbaring weg, -en het gevoel geeft aan den Roomsche evenveel recht, om zich -Maria voor te stellen als de zondelooze koningin des hemels als -aan den Protestant om dit geloof te bestrijden, Schweizer, Glaub. -der ev. ref. K. I 94. Opmerkelijk is het daarom, dat de H. -Schrift den mensch nooit naar zichzelf als kenbron en maatstaf -der godsdienstige waarheid verwijst. Hoe zou zij het ook kunnen, -waar zij den psychischen mensch geheel en al, in zijn verstand -Ps. 14:3; Rom. 1:21-23; Rom. 8:7; 1 Cor. 1:23, -2:14; 2 Cor. 3:5; Ef. 4:23; Gal. 1:6, 7; 1 Tim. 6:5; -2 Tim. 3:8; in zijn hart Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; Ezech. -36:26; Mark. 7:21; in zijn wil Joh. 8:34; Rom. 7:14; -8:7; Ef. 2:3; en ook in zijn geweten Jer. 17:9; 1 Cor. 8:7, -10, 12; 10:28; 1 Tim. 4:2; Tit. 1:15 als door de zonde -verduisterd en verdorven beschrijft. Voor de kennis der waarheid -verwijst ze hem altijd naar de objectieve openbaring, naar -het woord, de onderwijzing, die van God is uitgegaan, Deut. -4:1; Jes. 8:20; Joh. 5:39; 2 Tim. 3:15; 2 Petr. 1:19 -enz. En ook, waar de objectieve waarheid door het geloof ons -persoonlijk eigendom wordt, is dat geloof toch nooit gelijk aan -eene fontein, die het levende water uit zichzelve voortbrengt, maar -aan een kanaal, dat het water van elders ons toevoert.</p> - -<p class="sep2">5. Rome heeft deze onmogelijkheid eener religieuse en zedelijke -<span class="pagenum" id="Page_18">[18]</span> -autonomie uitnemend begrepen en daarom den mensch op -straffe van de zaligheid zijner ziel gebonden aan de onfeilbare -kerk. Deze, en dus ter laatste instantie de onfeilbare Paus, is -voor den roomschen Christen het principium van zijn geloof. Het -Papa dixit is het einde aller tegenspraak. Maar de historie leert, -dat deze theoretische of practische onfeilbaarheid der kerk niet -alleen in Rome, maar ook in de kerken der Hervorming ten allen -tijde tegenspraak en oppositie heeft ontmoet. Niet de ongeloovige, -maar de vrome kringen zijn het in de eerste plaats, die -deze macht der hierarchie als een knellenden band voor de conscientie -hebben gevoeld. Er is alle eeuwen door niet slechts een -wetenschappelijke, maatschappelijke, staatkundige, maar ook eene -innig godsdienstige en zedelijke oppositie tegen de hierarchische -macht der kerk geweest. Het gaat niet aan, deze oppositie uit -ongeloof en ongehoorzaamheid te verklaren, en als met opzet de -religieuse motieven te miskennen, die aan de oppositie der verschillende -secten en richtingen ten grondslag lagen. Niemand -durft al deze secten verdoemen, omdat ze tegen de kerk en hare -traditie in verzet kwamen. Zelfs Rome deinst voor deze gevolgtrekking -terug. Het extra ecclesiam nulla salus is eene belijdenis, -die ook aan het sterkste geloof nog te zwaar valt. De wet, die -we op alle terrein zien heerschen, gaat dan ook in godsdienst en -zedelijkheid door. Er is eenerzijds een revolutionaire geest, die -al het historisch gewordene tot den grond toe wil slechten, om -dan van nieuws aan het bouwen te gaan; maar er is ook een -valsch conservatisme, dat er behagen in schept om het bestaande -onaangetast te laten alleen omdat het bestaat en, naar het bekende -woord van Calvijn, malum bene positum non movere. -Overal en op alle terrein is er te zijner tijd een zeker radikalisme -van noode, om het evenwicht te herstellen, de ontwikkeling -te doen voortgaan, en den stroom van het leven niet te -laten verzanden. In kunst en wetenschap, in staat en maatschappij -en zoo ook in godsdienst en zedelijkheid, ontstaat er langzamerhand -eene sleur, die de rechten der persoonlijkheid, het genie, -de vinding, de inspiratie, de vrijheid, de conscientie onderdrukt -en verkracht. Maar dan staat ook altijd te zijner tijd de man -op, die het onder dien druk niet houden kan, die het juk der -dienstbaarheid van zich werpt, en die het weder opneemt voor -de vrijheid van den mensch, voor de vrijheid van den Christen. -<span class="pagenum" id="Page_19">[19]</span> -Dat zijn de keerpunten in de geschiedenis. Zoo trad Christus -zelf eenmaal op tegen de traditie der ouden en keerde tot de wet -en de profeten terug. En zoo heeft eenmaal de reformatie het -bestaan, om niet ter wille van eenig wetenschappelijk, sociaal of -staatkundig belang, maar in naam van den Christenmensch te -protesteeren tegen Rome’s hierarchie. Zelfs bij de secten en -richtingen, die later in de Protestantsche kerken opkwamen, is -menigmaal dat religieus, ethisch motief niet te miskennen. Ook -de theologia biblica verdedigt een belangrijk stuk der godsdienstige -waarheid. Als kerk en theologie de rust verkiezen boven -den strijd, roepen zij zelve de oppositie wakker, die haar herinneren -aan heur christelijke roeping en taak. Rome kan uitteraard -zulk eene oppositie nimmer goedkeuren en moet ze reeds van te -voren veroordeelen. De reformatie is er zelve uit voortgekomen -en kan aan anderen niet onthouden wat zij voor zich zelve nam. -En de H. Schrift, hoewel verre van alle revolutionair verzet, -heeft toch het recht van tegenspraak tegen alle menschelijk, met -Gods Woord strijdend bevel gewettigd in het koninklijk woord -van Petrus: πειθαρχειν δει θεῳ μαλλον ἠ ἀνθρωποις, Hd. 5:29.</p> - -<p class="sep2">6. Zoo schijnt alleen die methode de ware te zijn, welke door -de bijbelsche theologen toegepast wordt. Maar ook deze richting -lijdt aan groote eenzijdigheid. Zij meent geheel onvooringenomen -tegenover de Schrift te staan en zuiver en objectief haar inhoud -weer te geven. Maar zij vergeet, dat elk geloovige en ieder -dogmaticus zijne geloofsovertuigingen allereerst ontvangt uit de -hand zijner kerk. Hij komt dus nooit van buiten af, zonder -eenige kennis en vooropgevatte meening tot de Schrift, maar brengt -van huis uit reeds eene zekere opvatting van den inhoud der -openbaring mede en beziet dus ook de Schrift met den bril, dien -de kerk hem voorhoudt. Elk dogmaticus staat, als hij aan den -arbeid gaat, of hij ’t erkent of niet, in die historische verschijning -van het Christendom, waarin hij geboren en opgevoed is en -komt als gereformeerd of luthersch of roomsch Christen tot de -Schrift. Men kan zich ook hier eenvoudig van zijne omgeving -niet ontdoen, men is altijd kind van zijn tijd, product van zijne -omgeving, Toorenenbergen, De Chr. Geloofsleer, bl. 6.; Nitzsch, -Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S. 8 f. De uitkomst beantwoordt dan ook -aan deze verwachting; alle dogmatische handboeken, die door de -<span class="pagenum" id="Page_20">[20]</span> -bijbelsche richting in ’t licht zijn gegeven, weerspiegelen getrouw -het persoonlijke en kerkelijke standpunt van den auteur; ze kunnen -op geen meerdere objectiviteit aanspraak maken dan die van -de kerkelijke dogmatici. Het zuivere Evangelie, dat Ritschl bijv. -bij Luther en bij Jezus terugvindt, beantwoordt geheel aan de -opvatting, die hij er zich zelf van gevormd heeft. Al deze bijbelsche -richtingen worden dan ook voortdurend door de historie geoordeeld, -ze doen haar nut voor een tijd en roepen eene vergeten -waarheid wakker, maar ze veranderen den stroom van het kerkelijk -leven niet en hebben geen bestand in zich zelve. Gewoonlijk -komen zij voort uit eene godsdienstige overtuiging, die ook in -de Schrift zich niet meer vinden kan. Wel beginnen ze steeds -met van de belijdenis op de Schrift zich te beroepen, maar ze -gaan straks van de Schrift naar den persoon van Christus terug -en eindigen er mede om ook zijne autoriteit aan te tasten. En -altijd toont dan de historie weer, dat het Christendom het relatief -zuiverst in de confessies der kerken is bewaard. Maar zulk eene -bijbelsche opvatting is niet alleen practisch onmogelijk, zij is ook -theoretisch onjuist. De Schrift is geen wetboek, waarvan de -artikelen maar behoeven nageslagen te worden, om in een bepaald -geval haar opinie te kennen. Zij is samengesteld uit vele boeken -van onderscheidene personen, uit zeer verschillende tijden, met -uiteenloopenden inhoud. Zij is geen abstracte, maar eene organische, -levende eenheid. Zij bevat nergens eene schets der geloofsleer, -maar deze moet uit heel het organisme der Schrift -worden afgeleid. De Schrift is er niet op ingericht, dat wij haar -napraten, maar dat wij haar als vrije kinderen Gods nadenken -zullen. Maar dan is ook alle zoogenaamde Voraussetzungslosigkeit -en objectiviteit onmogelijk. Dan is er zooveel studie en -nadenken van het subject mee verbonden, dat één persoon daartoe -ten eenenmale onbekwaam is. Daar zijn eeuwen voor noodig. -Daar is de kerk voor aangesteld, die de belofte heeft van de -leiding des Geestes in alle waarheid. Wie van de kerk, d. i. -van de Christenheid, van de gansche dogmenhistorie zich isoleert, -verliest de christelijke waarheid. Hij wordt een tak gelijk, die -van den boom is gescheurd en wegsterft, een lid dat van het -lichaam is gescheiden en daarom voor den dood is bestemd. -Alleen in de gemeenschap der heiligen is de lengte en breedte, -de diepte en hoogte van de liefde van Christus te verstaan, Ef. -<span class="pagenum" id="Page_21">[21]</span> -3:18. Daar komt nog bij, dat de voorstanders dezer richting -vergeten, dat het Christendom universeel is en ingaan kan en -moet in alle vormen en toestanden. Ze stellen de genade vijandig -tegenover de natuur en rekenen niet genoeg met de vleeschwording -des Woords. Want even waarachtig als de Zone Gods -mensch is geworden, wordt ook de gedachte Gods neêrgelegd in -de Schrift, vleesch en bloed in het bewustzijn der menschen. -Dogmatiek is en behoort te zijn, de goddelijke gedachte volkomen -ingegaan en opgenomen in ons menschelijk bewustzijn, uitgesproken -vrij en zelfstandig in onze taal, in haar wezen vrucht der -tijden, in haar vorm van dezen tijd (Da Costa). Daarom is ook -de tegenstelling onjuist, die er dikwerf gemaakt wordt tusschen -Bijbelsche Theologie en Dogmatiek, alsof gene den inhoud der -Schrift, deze dien der kerkelijke dogmata zou weêrgeven. Want -de dogmatiek bedoelt niets anders dan de gedachten Gods te -exponeeren, die Hij in de H. Schrift neergelegd heeft, Maresius, -Syst. Theol. loc. 1. § 8. Maar ze doet dat, gelijk behoort, op -wetenschappelijke manier, in een vorm en naar eene methode, -gelijk die wetenschappelijk geëischt zijn. In dezen zin hebben de -Gereformeerden vroeger het recht der zoogenaamde theologia -scholastica verdedigd. Zij hadden er volstrekt niet op tegen, -dat de geopenbaarde waarheid ook in eenvoudiger vorm onder -den naam van theologia positiva, catechetica enz. werd voorgedragen. -Maar ze bestreden ten sterkste, dat deze beide verschilden -in inhoud; wat ze onderscheidde, was alleen een verschil -in vorm en methode. En door dit standpunt in te nemen, hebben -zij eenerzijds zoo sterk mogelijk de eenheid en den samenhang -van geloof en theologie, van kerk en school, gehandhaafd, -maar anderzijds ook het wetenschappelijk karakter der theologie -hoog gehouden. De gedachten Gods mochten nog zoo hoog en -wonderbaar zijn, ze waren toch geen aphorismen, maar vormden -een organische eenheid, een systematisch geheel, dat ook ingedacht -en in een wetenschappelijken vorm kon weergegeven worden. -De Schrift zelve spoort tot dezen theologischen arbeid aan, als -zij niet op het abstracte weten, maar op leer en waarheid, kennis -en wijsheid allerwege den sterksten nadruk legt.</p> - -<p class="sep2">7. Eene goede methode der dogmatiek dient dus met alle drie -gegevens, met Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging rekening -<span class="pagenum" id="Page_22">[22]</span> -te houden. Dan alleen is het mogelijk, om voor grove eenzijdigheden -te worden bewaard. Toch komt het er dan nog op aan, -de verhouding te bepalen, waarin deze drie gegevens tot elkaar -staan. In den regel gaat het zoo, dat we onze godsdienstige -overtuigingen ontvangen uit onze omgeving. Dat is het geval in -alle godsdiensten, en ook in het Christendom. Wij worden allen -als leden eener kerk geboren. Het verbond der genade neemt -ons op van onze geboorte aan. De beloften Gods in Christus -gelden niet alleen de geloovigen maar ook hun zaad. In kritische -tijden, gelijk den onzen, gebeurt het dikwerf, dat er dan later -eene smartelijke breuke komt tusschen het geloof der kindsheid -en de persoonlijke overtuiging. Is deze breuke van dien aard, -dat men wel zijn eigen kerk verlaten moet maar toch bij eene -andere historisch bestaande kerk zich aansluiten kan, dan is ze -betrekkelijk spoedig geheeld. Er is dan wel verandering, maar -geen verlies van de religie zelve, van den Christennaam, van -de gemeenschap, van de belijdenis. Er blijft dan nog een dogma, -dat vaststaat en ons steun en troost biedt in het leven. Op dit -standpunt blijft er dus ook nog eene dogmatiek mogelijk, die -de waarheid Gods beschrijft, gelijk ze in eene bepaalde kerk -erkenning vond. Maar dikwerf grijpt de twijfel veel dieper in het -religieuse leven in. Velen verliezen alle geloof en komen tot -skepticisme en agnosticisme; hier is er van dogmatiek, van geloof, -van belijdenis, van gemeenschap geen sprake meer; loutere -negatie is tot het stichten van gemeenschap onbekwaam. Anderen -echter, het geloof der kindsheid niet meer kunnende handhaven, -trachten onder ernstige inspanning en strijd zich een eigen godsdienstige -overtuiging te verwerven. Ook hierbij laat natuurlijk -de invloed der omgeving zich gelden; geheel zelfstandig komt -men tot eene godsdienstige overtuiging nooit. Alleen is er daarbij -dan dit verschil, dat hetgeen in eene kerk niet meer gevonden -werd, nu gezocht wordt in eene wijsgeerige school. Iedere wijsbegeerte -is in deze eeuw beurtelings aangegrepen, om zekere -godsdienstige overtuigingen te wekken en te handhaven. Ook op -dit standpunt is er van dogmatiek geen sprake meer. Er is alleen -nog een godsdienstig geloof, eene Glaubenslehre, een wijsbegeerte -van den godsdienst, eene wijsgeerige godsdienstleer.</p> - -<p>Dogmatiek is er dus alleen mogelijk voor hem, die in gemeenschap -des geloofs staat met eene of andere christelijke kerk. -<span class="pagenum" id="Page_23">[23]</span> -Dit ligt ook in den aard van het godsdienstig geloof. Religieuse -voorstellingen zijn van wetenschappelijke o. a. daarin onderscheiden, -dat ze niet steunen op eigen inzicht, op het gezag van -eenig mensch, maar alleen op het gezag Gods. Maar dit sluit -in, dat ze ook in een godsdienstigen kring, d. i. in eene kerk -geloof en erkenning hebben gevonden. Daarin wordt alleen het -religieus gezag van eene godsdienstige voorstelling kenbaar. Eene -kerk gelooft hare belijdenis niet, wijl ze de waarheid ervan -wetenschappelijk inziet, maar enkel en alleen op grond van het -Woord Gods, hetzij dit alleen in de Schrift of ook door kerkelijke -organen zich uit. Wie zijne godsdienstige overtuiging zoekt -bij eene wijsgeerige school, verwart godsdienst met wetenschap -en ontvangt niets dan eene altijd onzekere, door velen bestredene, -sententia of opinio doctoris. Het godsdienstig geloof echter is -krachtens zijn eigen natuur aan eene gemeenschap en aan hare -belijdenis verbonden. Ook hier is het als overal elders. Abstracties, -universalia zijn er in de werkelijkheid niet. <i>De</i> boom, <i>de</i> -mensch, <i>de</i> wetenschap, <i>de</i> taal, <i>de</i> godsdienst, <i>de</i> theologie zijn -nergens te vinden. Er zijn alleen bijzondere boomen, menschen, -wetenschappen, talen en godsdiensten; zooals eene taal samenhangt -met een volk, zooals wetenschap en wijsbegeerte altijd in -eene zekere richting en school beoefend worden, zoo is religie -en theologie alleen te vinden en te kweeken in eene haar verwante -gemeenschap. Eene kerk is de natuurlijke bodem voor -religie en theologie. Evenmin als er nu reeds <i>de</i> kerk is, is er ook -<i>de</i> religie en <i>de</i> theologie. Er zijn slechts verschillende kerken, -en zoo ook verschillende theologieën. En dit zal duren, tot de -gemeente in Christus haar vollen wasdom zal hebben bereikt en -allen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs en der kennis van -den Zone Gods. Deze eenheid is niet met geweld te grijpen, -maar kan het best worden bevorderd als elk het geloof zijner -eigene kerk indenkt, en ’t zuiverst voorstelt. Niet buiten de bestaande -kerken om, maar door deze heen bereidt Christus zich -zijne ééne heilige, algemeene gemeente. En niet buiten de verschillende -kerkelijke dogmata om, maar door deze heen wordt de -eenheid der kennisse Gods voorbereid en verkregen. Op deze wijze -zal de dogmaticus ook het best vruchtbaar kunnen werken voor -de reiniging en de ontwikkeling van het religieuse leven en de leer -zijner kerk. Aanknooping aan het bestaande is voorwaarde tot -<span class="pagenum" id="Page_24">[24]</span> -verbetering in de toekomst. In het nu ligt wat worden zal, Twesten, -Vorles. über die Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. I 46. Deze beteekenis der -kerk voor de theologie en dogmatiek is gegrond in het verband, -dat Christus zelf tusschen beide gelegd heeft. Hij heeft aan Zijne -kerk den H. Geest beloofd, die haar leiden zou in de waarheid. -De dogmenhistorie komt hierdoor in een heerlijk licht te staan. -Zij is de explicatie der Schrift, Lange, Christl. Dogm. I 3; -Schoeberlein, Princip. und System der Dogm. 26; de uitlegging, -welke de H. Geest in de kerk van de schatten des Woords gegeven -heeft. De dogmaticus heeft dus de stof voor zijne dogmatiek -niet te putten alleen uit de geschreven confessie zijner eigene -kerk, maar deze in samenhang te beschouwen met heel ’t eigenaardig -geloof en leven zijner kerk, en deze wederom met de -geschiedenis der gansche kerk van Christus. Hij staat dus op -de schouders der voorgeslachten. Hij voelt zich omringd door -eene wolke van getuigen, en laat zijne getuigenis saamvloeien -met die stemme veler wateren. Elke dogmatiek behoort mede in te -stemmen in den lofzang, die door de kerk aller eeuwen Gode -toegebracht wordt.</p> - -<p class="sep2">8. Maar daarmee is de dogmenhistorie en de belijdenis der -kerk nog niet verheven tot een onfeilbaar gezag. Er is onderscheid -tusschen den weg, waarlangs de dogmaticus gevormd -wordt, en het beginsel, waaruit de dogmatiek haar stof ontvangt. -In iedere wetenschap begint de beoefenaar te leven van de traditie. -De eerste kennis van zijn vak verkrijgt hij altijd door -autoriteit. Hij moet eerst de geschiedenis van zijn vak in zich -opnemen en opklimmen tot de hoogte en den tegenwoordigen -stand van zijne wetenschap, om daarna zelfstandig aan den arbeid -te gaan en zich een eigen inzicht in het voorwerp van zijn onderzoek -te verwerven. Maar niemand zal daarom de traditie, die -paedagogisch van zoo groot belang was, voor de bron zijner -wetenschap houden. Niet anders is het met den dogmaticus. -Paedagogisch gaat de kerk aan de Schrift vooraf. Maar naar -logische orde is de Schrift het principium unicum van kerk en -theologie. Bij verschil, waarvan de mogelijkheid op reformatorisch -standpunt nooit kan worden ontkend, moet kerk en belijdenis -wijken voor de Schrift.</p> - -<p>Niet de kerk maar de Schrift is αὐτοπιστος, judex controversiarum, -<span class="pagenum" id="Page_25">[25]</span> -sui ipsius interpres. Niets mag met haar op ééne lijn -worden gesteld. Kerk, belijdenis, traditie, alles moet naar haar -zich regelen, aan haar zich onderwerpen. De Remonstranten beschuldigden -de Gereformeerden wel, dat zij door de belijdenis -aan het gezag, de genoegzaamheid en de volmaaktheid der H. -Schrift te kort deden. Maar de Gereformeerden, schoon in deze -bedeeling der kerk belijdenis noodzakelijk achtende, om het -Woord Gods te verklaren, de ketterijen te weren en de eenigheid -des geloofs te onderhouden, bestreden zoo sterk mogelijk dat de -belijdenis ook maar eenig gezag zou hebben naast de Schrift. -De Schrift is alleen norma en regula fidei et vitae, de belijdenis -verdient alleen geloof omdat en in zoover zij met de Schrift -overeenkomt en blijft, als feilbaar menschenwerk, revisibel en -examinabel aan de Schrift. De confessie is dus hoogstens norma -secundaria, non veritatis sed doctrinae in aliqua ecclesia receptae, -en daarom bindend voor allen, die in gemeenschap met de kerk -willen leven. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als -accoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der -gemeente, maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op -grond van de Schrift, Voetius, Pol. Eccl. IV 1-74; Turret, -Theol. El. Loc. 18. cap. 30; Examen van het Ontwerp van Tolerantie, -8<sup>e</sup> Sam. bl. 59-136; Moor, Comm. in Marckii Comp. VI -353 s., enz. Alle christelijke kerken zijn één in de belijdenis, dat -de H. Schrift het principium is der theologie, en de reformatie -erkende haar eenparig als principium unicum. De Nederl. Confessie -spreekt dat uit in art. 5, en alle Luthersche en Geref. -theologen zijn hiermede eenstemmig, Schmid, Dogm. der ev. -luth. K. § 4; Heppe, Dogm. der ev. ref. K. loc. 2. Wel is waar -wordt in art. 2 der Ned. Conf. beleden, dat God door twee -middelen gekend wordt, nl. door de natuur en de Schrift, en -is door alle Geref. theologen de theologia naturalis in haar -waarheid en waarde gehandhaafd. Maar in den eersten tijd, voordat -het rationalisme de Geref. theologie had vervalscht, werd -duidelijk ingezien, dat natuur en Schrift niet onafhankelijk en -los naast elkander stonden, evenmin als de theologia naturalis -en revelata. Calvijn nam de theol. naturalis op in het corpus -der christelijke dogmatiek, en zei dat de Schrift de bril was, -waarmede de geloovige klaarder God aanschouwde ook in de -werken der natuur, Instit. I. 6, 1. De theologia naturalis had -<span class="pagenum" id="Page_26">[26]</span> -oorspronkelijk volstrekt niet ten doel, om langzamerhand en geleidelijk -den weg te banen tot de theologia revelata; men nam -bij haar niet het voorloopige standpunt der rede in, om dan -door redeneering en bewijs op te klimmen tot het standpunt des -geloofs. Maar van den aanvang af stond de dogmaticus op den -grondslag des geloofs, en bezag als Christen, als geloovige nu -ook de natuur; en dan ontdekte hij, met zijn christelijk oog, -gewapend met de H. Schrift, ook in de natuur sporen van dien -God, dien hij door de Schrift, in Christus, als zijn Vader had -leeren kennen. Subjectief kwam dus in de dogmatiek niet eerst -de natuurlijke rede en daarna het geloof aan het woord; het -was altijd de geloovige Christen, die in den catechismus, in de -confessie, in de dogmatiek zijn geloof uitsprak. En evenzoo stond -objectief de natuur niet als een zelfstandig en onafhankelijk principium -naast de H. Schrift, beide een eigen stel van waarheden -leverend. Maar de natuur werd bezien in het licht der Schrift, -en de Schrift bevatte niet alleen de in strikten zin geopenbaarde -waarheid, maar bevatte ook de waarheden, welke de geloovige -in de natuur ontdekken kan. Zoo erkent Alsted in zijne Praecognita -Theologiae 1623. p. 115, wel eene theologia naturalis -in den onwedergeborene maar deze is verward en duister; voor -den geloovige zijn de principia et conclusiones theologiae naturalis -in de Schrift klaar en duidelijk herhaald, Hodge, System. Theol. -I 11. 15; Shedd, Dogm. Theol. I 68.</p> - -<p>Ook al is er daarom een kennisse Gods uit de natuur, de -dogmatiek heeft toch maar een eenig principium externum, n.l. -de H. Schrift, evenals ook maar een eenig principium internum, -n.l. de geloovige rede. En nu niet slechts zóó, dat de H. Schrift -alleen norma zou zijn en geen bron, maar bepaaldelijk in den -zin van principium theologiae. Er is tusschen vroegere theologen -en die van den tegenwoordigen tijd een groot onderscheid. Sedert -Schleiermacher van het object tot het subject terugging, zijn -eene schare van theologen in de gemeente en hare belijdenis de -bron der dogmatische waarheid gaan zien. Niet alleen hebben -ze, en terecht, het confessioneel en kerkelijk karakter der dogmatiek -erkend en uitgesproken, maar ze hebben ook de belijdenis -der gemeente tot kenbron gemaakt en de H. Schrift tot norma -verlaagd, Schleiermacher, Glaub. § 19; Rothe, Zur Dogm. 27; -Schoeberlein 23; Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 12; -<span class="pagenum" id="Page_27">[27]</span> -Dr. Van Dijk, Begrip en methode der dogm. 14 v.; Dr. Daubanton, -Confessie en Dogmatiek 29 v., of ook de belijdenis naast -de H. Schrift als kenbron geplaatst, Lange, Dogm. II 3; Van Oost -§ 9; Von der Goltz, § 18; Reiff, I 256. En Dr. Gunning t. a. p. -31-34 beweerde zelfs, dat de leer van de Schrift als bron in -plaats van als norma niet gereformeerd, maar eigenlijk remonstrantsch -was. Maar deze voorstelling berust op eene onjuiste -opvatting van de verhouding tusschen kerk en Schrift. In den -eersten tijd van de christelijke gemeente kon er nog sprake zijn -van eene zuivere traditie, die parallel liep met de geschriften der -Apostelen. Maar die beide stroomen zijn reeds lang samengevloeid. -Er is nu geen kennis van de christelijke waarheid meer, -dan alleen uit de H. Schrift. Ook al voedt het religieuse leven -in de gemeente zich veel meer uit stichtelijke werken dan uit -de Schrift, Ritschl, Rechtf. u. Vers. II<sup>2</sup> 12, het zijn toch slechts -kanalen, waardoor de waarheid der H. Schrift in meer bevattelijken -vorm den geloovigen toegevoerd wordt. Bovendien, de dogmatiek -is iets gansch anders dan symboliek. Deze beschrijft en -verklaart de belijdenis der kerk. Maar de dogmatiek dogmatiseert, -d. i. zij zet uiteen, wat op godsdienstig gebied niet als waarheid -geldt, maar als waarheid gelden moet. Zij behoort wel met de -belijdenis in verband te staan, evenals met de school en de kerk. -Maar de dogmatiek staat toch zelfstandig naast de confessie, zij -exponeert de waarheid Gods op eene haar eigene wijze. De Schrift -is aan de kerk, maar ook aan de school, aan de wetenschap gegeven; -en beide lezen en onderzoeken, verklaren en beschrijven -haar inhoud. Confessie en dogmatiek werken daarbij op elkander -in; de confessie is op haar beurt evenzeer afhankelijk van de -dogmatiek, als deze van gene. Dogmata zijn niet door de kerk -voortgebracht, maar zijn vrucht der theologie. Eerst waren er -de Apologeten, toen kwam Nicea. Eerst traden de Hervormers -op en later volgden de Protest. confessies enz., Harnack, Dogmengesch. -I 10, en mijn artikel Theol. Stud. 1891, bl. 258-275. -En eindelijk is de leer van de H. Schrift als unicum principium -theologiae ook alleen zuiver reformatorisch en gereformeerd. De -Nederl. Conf. leert in art. 2 en 7 uitdrukkelijk, dat de kennis -van God en zijn dienst alleen uit de Schrift wordt geput en dat -ze dus wel ter dege bron is en niet alleen norma. Calvijn, Instit. -I. cap. 6, Melanchton in de praefatie voor zijne Loci en alle -<span class="pagenum" id="Page_28">[28]</span> -dogmatici verklaren, dat de kennisse Gods alleen klaar en volkomen -uit de Schrift kan worden verkregen. Iedere dogmatiek -haast begint met de leer der Schrift als unicum principium theologiae. -De eigenschappen van de auctoritas, sufficientia, perfectio, -die de Protestanten tegenover Rome aan de H. Schrift toekenden, -betoogen datzelfde, Daubanton, Theol. Stud. 1885, bl. 191-210. -Dat zij daarbij liefst niet van fons, maar van principium spraken, -verzwakt deze geheel eenige beteekenis van de Schrift voor de -dogmatiek niet. De naam principium is zelfs boven dien van -fons te verkiezen. De laatste uitdrukking duidt de relatie tusschen -Schrift en theologie als eene mechanische aan; en doet het -voorkomen alsof de dogmata uit de H. Schrift geput konden -worden als water uit de bron. Maar principium wijst op een -organisch verband. Dogmata zijn er niet in de Schrift, maar de -stof ervan ligt in haar vervat. De Schrift bevat de kiemen, -de zaden waaruit de dogmata onder de onderwijzing des Geestes -in de kerk opwassen. Dogmatiek is de waarheid der Schrift, -heengegaan door het denkend bewustzijn van den mensch, en -weergegeven in wetenschappelijken vorm.</p> - -<p class="sep2">9. Daarmede is echter het persoonlijk karakter der leerstellige -Godgeleerdheid niet te niet gedaan. Dat kan en mag niet, wijl -dogmatiek niet is een historisch referaat, maar eene aanwijzing -van wat op religieus gebied als waarheid gelden moet. Dat persoonlijk -karakter der dogmatiek vloeit echter niet daaruit voort, -dat alle band aan het object wordt doorgesneden en elk nu maar -voordraagt wat hij gelieft. Dan toch houdt de dogmatiek op -eene wetenschap te zijn en is ze niets dan eene private opinie. -Als de dogmatiek, volgens Prof. Van Manen bl. 23, den waan -moet laten varen, dat er eene van buiten gegeven, objectieve -waarheid is, dan is er geen dogmatiek meer. Dan zijn er maar -subjectieve meeningen, waarvan de eene even goed is als de andere. -Elke wetenschap, welke op dien naam aanspraak heeft, moet hebben -een eigen, in de werkelijke wereld bestaand object; onderstelt -verder, dat dat object kenbaar is; en is dan aan dat object zoo -streng mogelijk gebonden. Voor de dogmatiek geldt geen andere -eisch; ook zij moet een eigen voorwerp hebben, dat voorwerp -moet kenbaar zijn, en aan dat voorwerp is ze volstrekt gebonden. -Maar de loochening van zulk een eigen, kenbaar object mag nooit -<span class="pagenum" id="Page_29">[29]</span> -worden goedgemaakt met een beroep op het persoonlijk karakter -der leerstellige Godgeleerdheid. Dat is verwarring van twee geheel -verschillende kwestiën. Van een persoonlijk karakter der -dogmatiek kan er eerst dan sprake zijn, als vooraf vaststaat, dat -ze een eigen object heeft.</p> - -<p>Immers, elke wetenschap, van natuur, geschiedenis, recht, zede -enz. heeft een object, dat in de werkelijke wereld aanwezig is. -Maar daarom draagt iedere wetenschap toch nog wel een persoonlijk -karakter; de eene zeker minder dan de andere, de wiskunde -bijv. in veel geringere mate dan de geschiedenis. Maar -naarmate de wetenschappen minder formeel zijn, en meer nabij het -centrum liggen, naar die mate neemt de invloed van de persoonlijkheid -toe. Een mensch kan zich bij de beoefening der wetenschap, -evenmin als ergens elders, van zichzelven ontdoen; hij -brengt zijn opvoeding, levensbeschouwing, hart en geweten, sympathieën -en antipathieën mede, en deze oefenen vanzelf invloed -op zijn onderzoek en nadenken. Dit nu is op zichzelf niet verkeerd; -het dualisme, dat den mensch in twee helften deelt en -bij de beoefening der wetenschappen tot een puur verstand verlaagt, -is practisch onmogelijk en theoretisch valsch gedacht. -Eisch is alleen, dat de mensch altijd en overal, ook dan als -hij de wetenschap beoefent, een goed mensch zij, een mensch -Gods tot alle goed werk bekwamelijk toegerust. En niet anders -is het in de dogmatiek; ja hier is dit alles a fortiori het geval. -Want de dogmatiek heeft het juist te doen met de diepste geloofsovertuigingen -van den mensch en met het centrum aller -wetenschap. Hier bovenal is het de eisch, dat de mensch een -goed mensch zij, dat hij in de rechte verhouding sta tot God, -wien te kennen het eeuwige leven is.</p> - -<p>Daarom is het ook de leer der Schrift, dat de objectieve -revelatie zich voltooit in de subjectieve illuminatie. De Gereformeerde -leer van de Schrift staat in het nauwste verband met -die van het testimonium Spiritus Sancti. Het verbum externum -blijft niet buiten ons, maar wordt door ’t geloof een verbum -internum. De H. Geest, die de Schrift gaf, geeft ook getuigenis -aan die Schrift in het hart der geloovigen. De Schrift zorgt -zelve voor haar eigen zegepraal in het bewustzijn der gemeente -van Christus. Daarvoor voelt de geloovige zich met heel zijn -ziel gebonden aan de Schrift. In haar wordt Hij ingeleid door -<span class="pagenum" id="Page_30">[30]</span> -den H. Geest, den Doctor ecclesiae. En al zijn bedoelen is, om -die gedachten Gods, neergelegd in de Schrift, in zijn bewustzijn -op te nemen en ze denkend te verstaan. Maar daarbij blijft hij -mensch, met eigen aanleg, opvoeding, inzicht; het geloof zelf -ontstaat in ieder mensch niet op dezelfde wijze en is niet in -allen van dezelfde kracht; de rede verschilt in scherpte, diepte, -klaarheid van denken; de invloed der zonde blijft nawerken, ook -in zijn bewustzijn en verstand. En ten gevolge van alle deze -invloeden blijft de leerstellige Godgeleerdheid een persoonlijk -karakter dragen. Dat is hier, als in elke wetenschap, het geval. -Zelfs profeten en apostelen zagen dezelfde waarheid van verschillende -zijden. De eenigheid des geloofs is nog evenmin als de -eenheid der kennis bereikt. Maar juist door de verscheidenheid -heen voert God Zijne gemeente de eenheid te gemoet. Als die -eenheid des geloofs en der kennis is bereikt, heeft ook de dogmatiek -haar taak volbracht. Zoo lang echter blijft haar de roeping -toebetrouwd, om op de erve der wetenschap de gedachten -te vertolken, die God in de H. Schriftuur voor ons heeft neergelegd. -Tot deze taak zal de dogmaticus het uitnemendst toegerust -zijn, als hij in geloofsgemeenschap leeft met de kerk van -Christus en de Schrift als het eenig en genoegzaam principium -der kennisse Gods belijdt. De dogmaticus ontvangt dus den -inhoud van zijn geloof uit de handen der kerk. In paedagogischen -zin komt hij door de kerk tot de Schrift. Maar daarbij -mag hij, evenmin als eenig geloovige, blijven staan. Hij heeft -de roeping, om de dogmata, die hij door de kerk heeft leeren -kennen, te ontleden tot in hun vezelen toe, en na te gaan, hoe -ze wortelen in de H. Schrift. Zoo zou zijne taak hierin bestaan, -dat hij eerst de dogmata objectief overgaf, en daarna herleidde -tot de H. Schrift; zijne methode ware dan historisch-analytisch. -Maar al heeft deze methode voor een enkel dogma op zichzelf -misschien veel aanbevelenswaardig; en al is ze in de dogmatiek -ook ondergeschikt van waarde; toch heeft ze dit tegen, dat het -bij haar niet komt tot een wetenschappelijk systeem. De dogmaticus -doet daarom beter een anderen weg te bewandelen; niet -van de rivier tot de bron, maar van de bron tot de rivier. Zonder -te kort te doen aan de waarheid, dat de kerk in paedagogischen -zin aan de Schrift voorafgaat, kan hij toch in de Schrift zelve -als het principium theologiae zijne positie nemen, en dan van -<span class="pagenum" id="Page_31">[31]</span> -daaruit de dogmata ontwikkelen. Hij reproduceert dan als het -ware den denkarbeid der kerk; hij laat ons zien, hoe de dogmata -organisch uit de Schrift zijn uitgegroeid; hoe niet één -enkele tekst, maar de Schrift in haar geheel de vaste, breede -bodem is, waarop het dogmatisch gebouw verrezen is. Deze -synthetische, genetische methode verschaft hem dan in de tweede -plaats het voordeel, dat hij ook de eenheid en het onderling -verband der dogmata aanwijzen kan. De verschillende dogmata -zijn geen geisoleerde stellingen, maar zij vormen een eenheid. -Er is eigenlijk maar één dogma, dat uit de Schrift is geboren -en in allerlei bijzondere dogmata zich vertakt en <ins id="cor_3" title="geplitst">gesplitst</ins> heeft. -De methode van de dogmaticus kan en mag niet anders dan -systematisch zijn. En eindelijk heeft hij nog de roeping, om in -deze genetische en systematische ontwikkeling der dogmata ook -op mogelijke afwijkingen opmerkzaam te maken, mogelijke leemten -aan te vullen, en alzoo te arbeiden aan de ontwikkeling der -dogmata in de toekomst. Dat is de kritische taak, waartoe de -dogmaticus geroepen is, maar die in de systematische bearbeiding -der dogmatische stof vanzelf reeds opgesloten ligt. Op die wijze -tracht hij in de dogmatiek eene expositie te geven van de schatten -der wijsheid en der kennis, welke in Christus verborgen zijn -en in de Schrift zijn uitgestald.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 4. <span class="smcap">Indeeling der dogmatiek</span>.</h3> - -<p>1. Zoodra de dogmatiek opkwam, was er ook eene indeeling -noodig van de stof welke in haar behandeld werd. Die indeeling -was in den beginne hoogst eenvoudig. De drie hoofdwerken van -Clemens Alexandrinus, nl. Cohortatio ad gentes, Paedagogus en -Stromata zijn wel saam verbonden door de idee der opvoeding -van het menschelijk geslacht door den Logos, maar bevatten -toch geen eigenlijke indeeling; en het laatste werk ontwikkelt -wel de ware philosophie van het Christendom tegenover Heidendom -en Jodendom, maar Clemens zegt zelf in ’t begin van het -6<sup>e</sup> en aan ’t slot van het 7<sup>e</sup> boek van dat werk, dat hij daarin -slechts schreef wat hem voor den zin kwam, en dat men dus -<span class="pagenum" id="Page_32">[32]</span> -over het gebrek aan orde zich niet verwonderen moet. Origenes’ -werk περι ἀρχων, de principiis, tracht reeds eenige orde in de -stof te brengen, en heeft dan ook vier hoofdbegrippen: God, -wereld, vrijheid, openbaring; het eerste boek handelt over God, -de Triniteit en de engelen; het tweede over de wereld, den God -des O. Test., het goede en kwade, de incarnatie en de opstanding; -het derde over de wilsvrijheid, de verzoekingen en het -wereldeinde; en het vierde over de H. Schrift, hare ingeving en -uitlegging. De verschillende loci over God, engel, mensch, Christus, -enz. komen hier reeds voor den dag, maar nog niet in goede -orde en juiste begrenzing, en ook nog onvolledig; de leer der -sacramenten ontbreekt, die over de Schrift komt achteraan, en -een indeelingsbeginsel is nog niet te ontdekken. Deze indeeling -van Origenes wordt verbeterd overgenomen door Theodoretus in -het 5<sup>e</sup> boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη, haereticarum -fabularum compendium, dat eene schets bevat van het orthodoxe -geloof. Achtereenvolgens wordt hierin gehandeld over God, wereld, -engel en mensch, Christus, Schrift en sacrament, opstanding en -gericht, terwijl er ten slotte eenige ethische capita over virginiteit, -boete, vasten aan toegevoegd worden. Voorts ligt ditzelfde -schema ten grondslag aan de Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου -<ins id="cor_4" title="πιστεας">πιστεως</ins> van Joh. Damascenus. De indeeling in vier boeken is -eerst in de Middeleeuwen in het werk gebracht, nadat het op -bevel van Eugenius III door den rechtsgeleerde Johannes Burgundis -uit Pisa in het latijn was vertaald, en Petrus Lombardus -in zijne Sententiae met de indeeling in vier boeken was voorgegaan. -Damascenus begint met de leer van God, Triniteit, eigenschappen -(boek I), spreekt dan over de wereld, schepping, engelen, -menschen en de voorzienigheid (boek II), behandelt vervolgens -den persoon en het werk van Christus (boek III en IV, cap. -1-9), en eindigt met eenige soteriologische (geloof, doop, enz.), -ethische (wet, sabbat, enz.) en eschatologische capita (boek IV, -cap. 10-28).</p> - -<p>Daarnaast bood de apostolische geloofsbelijdenis, in aansluiting -aan de doopsformule, reeds vroeg eene andere indeeling voor de -dogmatische stof. De Expositio symboli van Rufinus en Augustinus’ -boek de fide et symbolo leverden commentaren daarop, en -behandelden de hoofdzaken van het christelijk geloof aan de hand -van het trinitarisch schema, dat aan ’t apostolisch symbool ten -<span class="pagenum" id="Page_33">[33]</span> -grondslag lag. Maar Augustinus was niet alleen in deze indeeling -voor vele lateren ten voorbeeld, maar in zijn Enchiridium ad -Laurentium behandelt hij heel de dogmatische en ethische stof -onder de drie christelijke deugden geloof, hoop en liefde; echter -op zeer ongelijkmatige wijze. Na eene inleiding, cap. 1-8, zet -Augustinus dat wat geloofd moet worden uiteen van cap. 9 -tot cap. 113, hoofdzakelijk aan de hand van het apostolisch -symbool, maar wijdt dan slechts drie capita (114-116) aan -de hoop, waarbij hij ’t gebed des Heeren tot leiddraad neemt, -en de overige capita 117-122 aan de liefde. Geloof, gebed en -gebod vormen hier dus het schema der dogmatiek, dat later -dikwerf, vooral in catechismussen, is overgenomen. Ook Isidorus -van Sevilla heeft in het eerste boek van zijn Sententiarum sive -de summo bono libri III, in hoofdzaak deze volgorde van het -apostolisch symbool en handelt in 30 capita over God, schepping, -wereld, engelen en menschen, Christus, den H. Geest, de kerk, -Schrift en sacramenten, opstanding en laatste dingen en behandelt -dan in het tweede en derde boek uitsluitend ethische stof.</p> - -<p class="sep2">2. De indeeling, welke Lombardus in de Middeleeuwen koos, -herinnert meer aan die van Origenes, Theodoretus en Damascenus. -Zijne Sententiae zijn in vier boeken verdeeld. Het eerste -handelt de mysterio trinitatis; het tweede de rerum corporalium -et spiritualium creatione et formatione: schepping, engelen, het -hexaemeron, den mensch, den val, de zonde; het derde de -incarnatione verbi: den persoon en het werk van Christus, het -geloof, de hoop, de liefde, de 4 hoofddeugden en andere ethische -onderwerpen; het vierde boek de sacramentis: over 7 sacramenten, -de opstanding, het gericht, hemel en hel. Er is hier -reeds merkbare vooruitgang te bespeuren: de onderwerpen zijn -niet alleen beter gegroepeerd en begrensd, maar het geheel is -ook in vier deelen gesplitst, elk met een eigen, onderscheiden -object; de ethische stof is niet als bij Theodoretus aan het slot -toegevoegd maar in de dogmatiek zelve opgenomen; de sacramenten, -vroeger slechts even besproken, worden breedvoerig behandeld; -daarentegen laat de rangschikking veelzins te wenschen -over en komen verschillende onderwerpen zooals Schrift, kerk, -en vooral ook de soteriologische bijna in ’t geheel niet ter sprake. -De meeste Scholastici sloten zich aan dit werk van Lombardus -<span class="pagenum" id="Page_34">[34]</span> -aan en schreven er commentaren op. Sommigen brachten in de -ordening der stof gelukkige verbeteringen aan. Thomas ontwikkelt -bijv. in den proloog voor zijn commentaar op de Sententiae op -schoone wijze, dat eerst God, en daarna zijne werken: schepping, -herstelling en volmaking de onderwerpen der 4 boeken zijn. -Maar eene eereplaats wordt ook uit formeel oogpunt ingenomen -door het Breviloquium van Bonaventura. Vooreerst laat Bonaventura -een prooemium aan zijn werk voorafgaan en geeft daarin -in 7 paragrafen een schoon overzicht van de leer der Schrift, -vooral van haar inhoud, dien hij in haar lengte en breedte, diepte -en hoogte kortelijk ontvouwt. En daarna geeft hij in 7 partes -ons een schets der geloofswaarheid; pars 1 handelt de trinitate, -pars 2 de creatura mundi, pars 3 de corruptela peccati, pars 4 -de incarnatione verbi, pars 5 de gratia Spiritus Sancti, pars 6 -de medicina sacramentali, en pars 7 de statu finalis judicii. Hier -is een vaste, methodische gang, eene volkomene beheersching -der stof, eene zuivere begrenzing der onderwerpen, en ook een -met bewustheid gekozen indeelingsbeginsel; want in pars 1 cap. 1 -zegt Bonaventura dat, al behandelt de theologie al die zeven -onderwerpen, zij toch scientia una is, want God is niet alleen -rerum primum principium et exemplar effectivum in creatione, -sed etiam refectivum in redemptione et perfectivum in retributione. -Geheel anders is de indeeling van Thomas in zijne Summa. -Dit werk heeft drie partes, de partes zijn verdeeld in quaestiones, -en deze weer in articuli. Pars I handelt in 119 quaestiones -over God en zijne schepping, voor en buiten de zonde: God als -principium en exemplar van alle dingen. Pars II spreekt over -den mensch als zijn imago, en valt weer in eene prima en secunda -uiteen; de prima omvat 114 quaestiones, begint met het -einddoel des menschen, nl. de zaligheid, en ontwikkelt met het -oog daarop den wil qu. 6-17, de goede en zondige qualiteit -der menschelijke daden, hartstochten en hebbelijkheden qu. 18-54, -de deugden in ’t algemeen qu. 55-70, de zonden in haar -verdeeling, zetel, oorzaak en gevolgen, qu. 71-89, vervolgens -de uit-en inwendige motieven die den mensch tot het goede -aansporen, de wet, het evangelie, de genade en de verdienste, -qu. 90-114. De secunda van dit tweede deel handelt dan in -189 quaestiones over de zonden en deugden in het bijzonder, -vooral naar de orde van de drie theologische en de vier cardinale -<span class="pagenum" id="Page_35">[35]</span> -deugden. Nadat alzoo het einddoel van den mensch is bepaald -en zijne deugden en zonden in het licht gesteld zijn, beschrijft -Pars III den weg, waarlangs wij tot de zaligheid van het onsterfelijk -leven kunnen komen, dat is, Christus en de sacramenten. -In 90 quaestiones worden de persoon en het werk van <ins id="cor_5" title="Chtistus">Christus</ins> -en dan het sacramentsbegrip, de doop, confirmatie, eucharistie -en poenitentia beschreven. Hier eindigt het werk van Thomas; -hij liet het bij zijn dood onvoltooid achter. Het supplementum, -dat er uit zijne andere geschriften aan toegevoegd is, bevat 99 -quaestiones, zet de sacramenten voort, en behandelt in qu. 69-99 -den toestand der zielen na den dood, de opstanding, het -oordeel, de zaligheid en verdoemenis. Een appendix spreekt in -3 quaestiones nog over het vagevuur. De indeeling van Thomas -wijkt van die van Bonaventura niet alleen af, maar staat daarbij -ook in veel opzichten ten achter. Wel wordt in Pars I qu. 1, -eene breedvoerige ontwikkeling gegeven van het wezen der theologie, -maar daartegenover blijft de leer der Schrift geheel onbesproken. -Voorts springt Thomas bij het begin van het tweede -deel in eens naar het einddoel van het menschelijk leven over, -en wordt daardoor gedrongen om dikwerf te anticipeeren op wat -eerst later behandeld kan worden. De christelijke deugden, het -evangelie, de wet, de genade, welke Thomas in dit tweede deel -opneemt, onderstellen den persoon en het werk van Christus. -De indeeling van Thomas hangt reeds samen met de Roomsche -leer van de ordo supernaturalis, waartoe de mensch verheven -moet worden. Nadat het eerste deel over God gehandeld heeft, -spreekt het tweede deel over den mensch, die als beeld Gods -voor de gratia supernaturalis is bestemd maar deze niet bereiken -kan, en het derde wijst dan in den persoon van Christus en de -sacramenten den weg aan, waarlangs de mensch tot deze zijne -bestemming geraken kan. God, mensch, Christus zijn dus de onderwerpen -der drie deelen, Werner, Der h. Thomas v. Aq., Regensburg -1858 I, 801 f.; Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. V, -60-70; Kling, Descriptio Summae theol. Th. Aq., Bonn 1846. -Eindelijk is ook de quaestionarische vorm van behandeling niet -zonder bedenking, Pierson, Studiën over Joh. Calvijn, I 228 v. -Thomas stelt elke geloofswaarheid in den vorm van eene kwestie, -en brengt te berde, al wat er door tegenstanders tegen ingebracht -is. Met een beroep op eene of andere autoriteit, Schrift, kerkvaders, -<span class="pagenum" id="Page_36">[36]</span> -Aristoteles, bewijst hij echter de waarheid van het gevraagde -en maakt de conclusio op. Deze wordt dan toegelicht en -eindelijk tegen de ingebrachte bezwaren verdedigd.</p> - -<p class="sep2">3. Deze indeelingen werden door de latere Roomsche theologen -meestal overgenomen, niet alleen in de commentaren, die bijv. -door vele middeleeuwsche theologen en ook later nog door Estius -e. a. op de Sententiae van Lombardus of door Suarez, Valentia, -Vasquez, Billuart, Daelman enz. op de Summa van Thomas -geleverd werden; maar ook in zelfstandige dogmatische werken. -Zoo werd de indeeling van Thomas overgenomen door Mart. -Becanus in zijne theologia scholastica, Mogunt. 1619, de locaalmethode -van Theodoretus, Damascenus, Lombardus door Petavius, -Opus de theol. Dogm. Paris 1644. Proleg cap. I § 4. Maar de -scholastiek had nog een anderen invloed op de indeeling der stof. -Bonaventura had reeds de leer der Schrift in het prooemium -opgenomen; Thomas behandelde vooraf het wezen der theologie: -de ontwikkeling der scholastiek leidde tot de onderscheiding van -articuli mixti en puri, tot de leer van de praeambula fidei en -motiva credibilitatis. Zoo werd de stof voor de prolegomena hoe -langer hoe uitgebreider. En toen de Hervorming straks met het -uitsluitend gezag der Schrift optrad, werd het voor de Roomsche -theologen noodzakelijk, om ook van de principia der theologie -zich rekenschap te geven. Melchior Canus vooral in zijne loci -theologici 1563 ontwikkelde de leer van de loci, d. i. van de -bronnen der Theologie. Dit werk is geen dogmatiek, maar eene -topica, in Cicero’s zin (zie boven, <a href="#Page_2">bl. 2</a>). Hij behandelt in 12 -boeken tien bronnen der theologie n.l. Schrift, traditie, Paus, -concilium, kerk, kerkvaders, scholastici, rede, philosophie en -historie, waarvan de zeven eersten tot twee, Schrift en traditie, -zijn te herleiden, en de laatste drie slechts ministerialiter theologisch -zijn. Op deze wijze is er allengs vóór de eigenlijke -dogmatiek eene breede inleiding noodzakelijk geworden, die mede -door de principiëele bestrijding der theologie van den kant der -philosophie enz. tot eene gansche fundamenteele dogmatiek is -aangegroeid. De meeste Roomsche dogmatieken behandelen dan -ook in een eerste deel het wezen of begrip der theologie, de -praeambula fidei (theol. naturalis), de motiva credibilitatis (religie, -openbaring, profetie, wonderen, wonderbare verbreiding van het -<span class="pagenum" id="Page_37">[37]</span> -christ., martelaren enz.), het geloof, de bronnen (Schrift en -kerk), theologie en philosophie (geloof en rede), begrip der -dogmatiek. Zoo bij Klee, Heinrich, Jansen, Scheeben, Liebermann, -Perrone e. a. Perrone’s werk bijv. handelt vol. I de vera -religione, en in de beide laatste deelen VIII en IX over de loci -theologici; deze beide zijn wel later na de eigenlijke dogmatiek -verschenen, maar behooren naar des schrijvers eigen verklaring, -vol. VIII, praef., zakelijk op het eerste deel te volgen. In deze -loci laat Perrone opzettelijk, in onderscheiding van Canus, de -kerk aan de Schrift voorafgaan. En zoo is de rangschikking bij -de meeste Roomsche dogmatici van den nieuweren tijd. De kerk -dringt hoe langer hoe meer op den voorgrond; zij is het principium -fidei. De gang der dogmatiek is dan gewoonlijk die der -locaalmethode. Men begint met God, beschouwd in zichzelven -als eenig en drieëenig; en gaat dan over tot God, beschouwd -in Zijne relatie tot de schepselen, en wel eerst als Deus Creator, -dan als Deus Redemptor, daarna als Deus Sanctificator en eindelijk -als Deus Consummator.</p> - -<p class="sep2">4. De dogmatiek bij de Hervormers was van huis uit anti-scholastisch -en werd eerst voorgedragen in zeer eenvoudigen -en practischen vorm. Melanchton’s Loci, verschenen in 1521, -ontstonden uit voorlezingen over Paulus’ brief aan de Romeinen. -Ze zijn door en door practisch, behandelen alleen anthropologische -en soteriologische capita, vooral die van zonde en genade, wet -en evangelie, en laten de objectieve dogmata van God, triniteit, -schepping, vleeschwording, voldoening geheel onbesproken. Maar -de uitgave van 1535 werd door Melanchton zeer uitgebreid en -leidde de secunda aetas der Loci in; ze werd in eene voorrede -opgedragen aan Hendrik VIII, begon met 5 nieuwe capita over -God, eenheid, triniteit, schepping en oorzaak der zonde, werd -in het midden nog met eenige hoofdstukken verrijkt en breidde -de drie laatste ethische capita uit tot tien hoofdstukken van -ethischen, ecclesiologischen en eschatologischen inhoud, samen -39 capita of artikelen. In 1543 gingen de Loci hunne tertia -aetas in: er kwam eene voorrede bij pio lectori; het aantal loci -daalt wegens vereenvoudiging van 39 tot 24; maar de inhoud -is nog belangrijk toegenomen. De laatste door Melanchton zelf -bezorgde editie is die van 1559. De opeenvolgende uitgaven -<span class="pagenum" id="Page_38">[38]</span> -toonen eene steeds grootere toenadering aan de synthetische -indeeling, die bij God begint en tot zijne werken in natuur en -genade afdaalt; maar daarbij is opmerkelijk, dat de prolegomena -geheel ontbreken, dat de christologie te kort komt wijl Christus’ -persoon en werk niet afzonderlijk behandeld worden, dat het -dogmatische en ethische ten nauwste verbonden blijft en het -geheel niet met de eschatologische dogmata maar met eenige -ethische capita wordt besloten, Phil. Melanchtonis Loci Theol. -ed. Augusti 1821 p. 167 f. Die Loci C. des Ph. M. in ihrer -Urgestalt nach G. L. Plitt. 2<sup>e</sup> Aufl. von Dr. Th. Kolde, Erlangen. -Deichert 1890. Herzog<sup>2</sup> 9, 503 f. Zöckler Handb. der -Theol. Wiss. II 622 f. en de uitgave der Loci in het Corpus -Reformatorum.</p> - -<p>Zwingli’s Commentarius de vera et falsa religione, Opera ed. -Schuler et Schulthess III 153 en zijne Fidei Christianae Expositio -ib. IV 45, behandelen ook wel eenige dogmatische loci, maar -werden spoedig in de schaduw gesteld door Calvijns Christianae -Religionis Institutio. De eerste editie verscheen in ’t latijn te -Bazel in Maart 1536 en bevatte eene praefatie van Aug. 1535 -aan Frans I, en daarna zes hoofdstukken over de wet, het geloof, -het gebed, de sacramenten, de roomsche sacramenten en de vrijheid. -Ze werd driemalen uitgebreid in 1539, 1543 en 1559. -De laatste editie was ongeveer vijfmaal grooter dan de eerste, -en bevatte wel vermeerdering en uitbreiding, maar geen verandering. -Melanchton was in de latere uitgaven synergistisch en -krypto-calvinistisch geworden; Calvijn bleef dezelfde. Melanchton’s -Loci werden meer synthetisch in den vorm, maar bleven het -karakter van eene reeks van loci behouden; Calvijns Institutie -kreeg meer en meer een systematischen vorm. De editie van -1559 bevat vier boeken, over de kennis van God als Schepper, -als Verlosser, als Heiligmaker en een laatste boek over de uitwendige -genademiddelen. De indeeling is dus niet zuiver trinitarisch -maar is ontleend aan de apostol. geloofsbelijdenis; vandaar -dat een vierde deel achteraan komt, handelend voornamelijk -over kerk en sacramenten. Het eerste boek geeft veel meer dan -de titel belooft, behandelt ook de bronnen der Godskennis en de -leer der triniteit. Kosmologie en anthropologie worden over het -eerste en tweede boek verdeeld. Het derde boek bevat behalve -soteriologische ook vele ethische hoofdstukken, benevens de leer -<span class="pagenum" id="Page_39">[39]</span> -der verkiezing en der opstanding. Het uitgangspunt van de Institutie -is theologisch, maar Calvijn gaat niet uit van een abstract -Godsbegrip, maar van God gelijk hij door den mensch uit natuur -en Schrift gekend wordt, Köstlin, Calvins Instit. nach Form -und Inhalt in ihrer geschichl. Entw. Stud. u. Kr. 1861 S. 7-62, -410-486. Godgel. Bijdr. 1868 bl. 861 v. 1869 bl. 483 v. -Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 99 v. Pierson, Studien over J. -Kalvijn I 127 v. en de uitgave in het Corpus Reform.</p> - -<p class="sep2">5. Luthersche en Gereformeerde theologen hebben deze synthetische -indeeling van Melanchton en Calvijn in het eerst schier -algemeen nagevolgd. Ze werd om verschillende redenen voor de -beste gehouden. Met alleen Gereformeerden zooals Hyperius, -Methodus Theol. 1574 p. 11-16, Alsted Theol. schol. didact, -in de praefatio, Ursinus, Opera, Heidelb. 1612 I 417, H. Alting, -Oratio inauguralis de methodo loc. comm. Heidelb. 1613, Leydecker, -de Verit. Rel. Christ. 1690 p. 77; maar ook Lutherschen, -zooals Flacius, Clavis Scripturae Sacrae, vol. II, tract. I p. 54, -Declaratio tabulae trium methodorum theologiae, bij Gass, Gesch. -der prot. Dogm. I 46 hebben aan de synthetische methode de -voorkeur gegeven, wijl daarin gelijk Hyperius zegt, a primis -principiis per formas ac differentias ad finem usque fit progressus. -Deze indeeling werd daarom geprefereerd, omdat zij dienzelfden -historischen gang volgde, welken God in Zijne openbaring had -voorgeteekend; omdat zij de minste aanleiding bood voor apriorische -speculatie en het positief karakter der theologie het best -bewaarde; en omdat zij analoog was aan de methode in de -andere wetenschappen, die ook met de eenvoudigste elementen -of principia beginnen en dan tot het samengestelde voortschrijden. -Deze indeeling bleef dan ook in de Luthersche kerk de heerschende -tot op Calixtus toe; men vindt ze in hoofdzaak bij -Strigel, Selneccer, Heerbrand, Chemniz, Hutter, Gerhard, enz. -In de Geref. theologie wordt ze gevolgd tot op Coccejus toe, -door Sohnius, Musculus, Hyperius, Ursinus, Martyr, Wollebius, -Polanus, Amesius, enz. Maar toch wordt ze in sommige punten -belangrijk gewijzigd. Reeds spoedig werd aan de eigenlijke dogmatiek -eene inleiding voorgevoegd, waarin het begrip der theologie, -de leer der Schrift, eene enkele maal ook, bijv. bij Amesius en -Maestricht, het wezen des geloofs werd behandeld. De dogmatiek -<span class="pagenum" id="Page_40">[40]</span> -werd dus in twee deelen ingedeeld, de principiis theologiae en -de articulis fidei, Polanus, Syntagma Theol. p. 133. In het -corpus zelf kwam betere onderscheiding en begrenzing, en ook -meer systematische ordening der loci: de verkiezing, door Calvijn -in het derde boek behandeld, kwam naar voren in de leer der -besluiten, de leer van wereld, mensch, Christus, enz. kregen -ieder eene eigene plaats; het slot der dogmatiek werd niet in -beslag genomen door eenige ethische capita, maar door de consummatio -seculi; de ethische stof werd of in de soteriologie ter -sprake gebracht of ook wel in een tweede deel, de operibus, in -onderscheiding van het eerste de fide, behandeld, of met Danaeus -en Calixtus geheel van de dogmatiek gescheiden. De behandeling -der afzonderlijke loci werd in de 17<sup>e</sup> eeuw hoe langer zoo scholastischer; -de samenhang met het leven des geloofs werd hoe -langer hoe minder gevoeld.</p> - -<p class="sep2">6. De reactie tegen deze scholastiek kon op den duur niet -uitblijven. Zij begon in de Luth. kerk met Calixtus, in de Geref. -met Coccejus. Calixtus vatte de theologie als eene practische -wetenschap op en volgde in zijn Epitome theologiae 1619 de -analytische indeeling. Nieuw was deze in zooverre niet, als ook -Thomas na de leer van God in het tweede deel tot de bestemming -van den mensch overgaat en in het derde deel den weg -beschrijft, die in Christus daarheen leidt. Maar Calixtus begint -in eens met het doel, de bestemming van den mensch. Deel I -handelt de fine, d. i. de immortalitate animae, resurrectione et -extremo judicio. Deel II spreekt de subjecto, d. i. over God, -engel, mensch, zonde. Deel III handelt de mediis, d. i. over -praedestinatie, incarnatie, Christus, rechtvaardiging, woord, sacrament, -enz. Deze drie deelen vormen de pars communis, welke -allen geloovigen aangaat; maar daarop volgt nog een pars propria, -dat vooral over de kerk handelt en inzonderheid voor de -ambtsdragers van belang is. Al was er nu veel goeds in, om -tegenover de scholastische behandeling der theologie op haar -practisch karakter den nadruk te leggen, toch wordt deze indeeling -door vele bezwaren gedrukt. Afgedacht daarvan, dat de in de -pars propria behandelde leer van de kerk eene waarheid geldt, -voor alle geloovigen van belang; het maakt een vreemden indruk, -dat de dogmatiek met het einde, de onsterfelijkheid, enz. begint; -<span class="pagenum" id="Page_41">[41]</span> -het tweede deel moet handelen van het subject der theologie, -den mensch, maar bevat ook heel de leer over God; het derde -deel beantwoordt nog het best aan zijn titel, maar doet de soterologie -bij de soteriologie te kort komen, Gass, Gesch. der prot. -Dogm. I, 304 f. Toch werd deze analytische methode door de -latere Luthersche theologen, Calovius, Quenstedt, König, Baier, -Scherzer nagevolgd. En ook onder de Gereformeerden vond ze -ingang. Barth. Keckermann te Dantzig had reeds vóór Calixtus -in 1603 een systema S. Theologiae het licht doen zien, waarin -hij met beroep op Ursinus in zijne Catechesis de theologie omschrijft -niet als eene scientia contemplatrix maar als eene disciplina -operatrix, of nog beter als eene prudentia religiosa ad -salutem perveniendi, cap. 1. Daarom kiest hij met beslistheid -de analytische methode, want de synthetische methode is eigen -aan de wetenschappen, maar de analytische past aan de disciplinae -operatrices. En zoo verdeelt hij dan zijne theologie in -drie deelen. In het eerste deel handelt hij over de principia der -theologie, nl. God, het principium essendi, en zijn Woord, het -principium cognoscendi. Uit deze beide worden alleen het doel -en de daartoe leidende middelen ons bekend. In het tweede deel -zegt hij dan met een enkel woord dat het doel der Theologie -is vita, salus aeterna, gelijk ook Ursinus in zijn catechismus -vraag 1 dit voorop stelt. De middelen, om dit doel te bereiken, -zijn tweeërlei: kennis van onze ellende, en verlossing uit die -ellende, lib. II, cap. 1. Boek II handelt dus over den mensch -en zijne zonde, en Boek III over de media salutis, verkiezing, -Christus, kerk, rechtvaardiging, sacramenten. Opmerkelijk is nog, -dat Keckermann met voorliefde de theologie met de medische -wetenschap vergelijkt en zelfs de namen aan haar ontleent voor de -verschillende deelen van zijne theologie. Bonaventura Brevil. Pars -I, cap. 1, had dit reeds vóór hem gedaan. Hem en anderen -navolgend, spreekt Keckermann van eene pars pathologica, therapeutica, -diaetetica der theologie, p. 214, 295, cf. Kuyper, -Encycl. I, 40.</p> - -<p>Evenzoo werd door Coccejus het theologische met het anthropologische -standpunt verwisseld. Het nieuwe in zijn Systema -doctrinae de foedere et testamento Dei 1648 bestond niet in het -verbondsbegrip als zoodanig, dat al bij Zwingli en Calvijn voorkomt -en door Bullinger, Olevianus, Cloppenburg ontwikkeld was. -<span class="pagenum" id="Page_42">[42]</span> -Maar het lag hierin, dat Coccejus voor het eerst heel de dogmatische -stof van uit dit begrip indeelde, en daarmee bedoelde -eene meer bijbelsch-theologische, anti-scholastische dogmatiek te -geven; voorts dat hij in de rangschikking der stof de historische -orde van de bedeelingen des verbonds volgde, deze bedeelingen -zóó scherp onderscheidde, dat haar eenheid te loor ging en -slechts door willekeurige typische exegese bewaard kon worden; -en eindelijk, dat hij heel de geschiedenis van het genadeverbond -van het begin tot het einde beschouwt als eene afschaffing van -het werkverbond; zonde, Christus, Nieuw Verbond, lichamelijke -dood en opstanding zijn de vijf keerpunten, waardoor successief -het werkverbond van al zijne kracht en werking wordt beroofd, -cap. III § 68. Deze indeeling wordt door vele bezwaren gedrukt; -ze neemt haar standpunt niet theologisch in God, maar -in het verbond van God en mensch en kan dus de leer over God -en mensch niet anders dan vooraf in eene inleiding, bij wijze van -onderstelling, behandelen; ze wischt door haar historischen gang -de grens uit tusschen de geschiedenis der openbaring en de dogmatiek -en ondermijnt daardoor de laatste; ze valt in veelvuldige -herhalingen en komt er vanzelf toe, om eenerzijds de analogieën -en anderzijds de onderscheidingen in de verschillende bedeelingen -van het verbond te overdrijven. Toch vond ze bij velen navolging, -o. a. bij Momma, Heydanus, Vitringa, Braun, Witsius, en ook -bij Lutheranen, zooals W. Jäger, 1702. En zelfs Leydecker, een -volgeling van Voetius en bestrijder van Coccejus, trachtte de -trinitarische indeeling met de foederalistische op die wijze te -verbinden, dat de opeenvolgende huishoudingen der genade in -verband werden gebracht met de drie personen en de drieërlei -werkzaamheid in de triniteit, Schweizer, Gl. der ev. ref. k. I 115 f.</p> - -<p class="sep2">7. Maar nog grooter verandering kwam er in den vorm der -dogmatiek door den invloed der wijsbegeerte. Vooral hierin komt -dit uit, dat de eigenlijke materieele dogmatiek hoe langer hoe -armer wordt, en de pars formalis aan omvang en uitgebreidheid -steeds wint. Tot dusver was het gansch anders; de prolegomena -ontbraken geheel, of waren klein van omvang en handelden -hoogstens over theologie en Schrift; alle kracht werd gewijd -aan de uitwerking en verdediging der bijzondere dogmata. Het -fundament lag zoo vast, dat het heel niet werd onderzocht; alle -<span class="pagenum" id="Page_43">[43]</span> -arbeid werd besteed aan het gebouw, dat op dien grondslag werd -opgetrokken. Dit veranderde door de philosophie, door de rechten -die de rede allengs tegenover de openbaring zich aanmatigde. -Zij was niet langer tevreden met de bescheiden rol van dienaresse, -en verlangde eene stem in het kapittel. In de pars materialis -had dit ten gevolge, dat alle scholastieke bewerking der dogmata -zooveel mogelijk werd vermeden; men gaat van de belijdenis -tot de Schrift terug en huldigt de historische, bijbelsche methode; -de dogmata worden vereenvoudigd en afgesleten en verliezen het -kenmerkende; alle dieper indenken van de dogmata wordt gebannen; -de eenvoud wordt oppervlakkigheid. Maar nog grooter -was de invloed op het formeele deel der dogmatiek. Men verliet -hier het reformatorische uitgangspunt des geloofs en keerde tot -dat van de Roomsche theologie terug. Vooreerst meende men, -dat de menschelijke rede, ook buiten het geloof, al de waarheden -der theol. naturalis uit zichzelve kon voortbrengen; de -theol. naturalis ging als praeambula fidei aan de theol. revelata -vooraf, de rede werd van het geloof, van de openbaring geëmancipeerd, -beide stonden zelfstandig naast elkaar. S. van Til behandelde -ze beide afzonderlijk in zijn Theologiae utriusque compendium, -cum naturalis tum revelatae 1706. Vervolgens kreeg -die rede niet alleen een eigen terrein naast de openbaring, maar -strekte ze haar macht ook over die openbaring zelve uit. Aan -haar werd het recht toegekend, om de waarheid der openbaring -te onderzoeken. In de theologia naturalis stond men op vasten -grondslag, op eene zuiver wetenschappelijke basis; van dit standpunt -uit werd ook de openbaring onderzocht, en als dan de rede -door allerlei rationeele en historische bewijzen, als zoovele motiva -credibilitatis, de waarheid der openbaring had aangetoond, was -het immers redelijk die openbaring te gelooven en zich aan haar -te onderwerpen. Zoo werden de prolegomena al meer uitgebreid. -Eerst wordt gehandeld over de religie als onderscheiden van de -theologie; daarna over de theol. naturalis en de natuurlijke of -redewaarheden; vervolgens over de openbaring, wier mogelijkheid, -noodzakelijkheid en werkelijkheid breedvoerig wordt aangetoond; -en eindelijk over de H. Schrift, wier waarheid door allerlei -historische, kritische, rationeele bewijzen wordt gestaafd. En -eerst na dien langen weg komt men toe aan de eigenlijke dogmatiek, -die er zoo sober en zoo eenvoudig mogelijk uitziet. Heel -<span class="pagenum" id="Page_44">[44]</span> -het standpunt is veranderd; het uitgangspunt is niet meer het -geloof maar de rede. Wat wonder dat deze in het deïsme en -rationalisme heel de openbaring ontkent, eene openbaring, die -immers toch niets nieuws geeft en geheel overbodig is. Deze -orde van behandeling is wezenlijk eigen aan de scholastieke en -Roomsche theologie. De Socinianen zijn dit rationalistisch standpunt -nooit te boven gekomen, Fock, Der Socin. 291 f. En de -Remonstranten zijn weer tot deze methode teruggekeerd. Limborch, -Theol. Christ. spreekt in cap. 1 de theologia ac religione, -in cap. 2 de existentia Dei en dan in cap. 3 v. over de H. Schrift. -Episcopius breidt in zijne Instit. Theol. deze inleidende stof nog -uit, spreekt eerst zelfs over de vereischten van den theoloog, en -dan over het practisch karakter der theologie, de theol. naturalis, -de religie, de openbaring en de H. Schrift. Langzamerhand drong -deze uitbreiding der prolegomena ook in de orthodoxe dogmatiek -door. De indeeling der dogmatiek in twee deelen: de fide en de -operibus brengt er Amesius en Maestricht toe, om in den aanvang -na theologie en Schrift ook de natuur van het geloof te -bespreken; Marck en Moor spreken in het derde hoofdstuk over -den godsdienst; Brakel begint met een hoofdstuk over de theol. -naturalis. Er is dus veel verschil en verwarring over wat in de -inleiding thuis hoort. Maar langzamerhand begint er in de 18<sup>e</sup> -eeuw een reeks van onderwerpen voor de inleiding vast te staan -als theologie, natuurlijke Godskennis, openbaring, Schrift; bijv. -bij J. A. Turretinus, Werenfels, Osterwald, Buurt en alle theologen -van rationalistische en supranaturalistische richting.</p> - -<p class="sep2">8. Wel werd nu door Kant die rationalistische grondslag der -dogmatiek ondermijnd, en wel trachtte Schleiermacher geloof en -geloofsleer te redden, door ze te beperken tot het gevoel en de -beschrijving daarvan. Maar feitelijk is er in deze orde der dogmatiek -geene verandering gekomen. De aanvallen op de christelijke -religie in deze eeuw richten zich in de eerste plaats tegen -de fundamenten zelve. In vroeger eeuwen was het geloof krachtiger -en kwam de vraag: waarom geloof ik, haast niet op. De -grondslagen schenen zoo vast, dat een onderzoek ervan geheel -onnoodig was; alle kracht werd aan het optrekken van het -gebouw besteed. Maar thans wordt de dogmatiek juist in hare -wijsgeerige onderstellingen bestreden; niet een of ander leerstuk -<span class="pagenum" id="Page_45">[45]</span> -in de dogmatiek, maar de mogelijkheid der dogmatiek wordt -ontkend, Pierson, Ter uitvaart 1870. Het menschelijk kenvermogen -wordt tot de zienlijke dingen beperkt; de openbaring -wordt onmogelijk geacht; de H. Schrift wordt door de historische -kritiek van haar goddelijk gezag beroofd en zelfs het recht -en de waarde van den godsdienst wordt ernstig betwist. Bij en -ten deele door dit alles is het religieuse leven sterk verminderd; -er is wel veel beweging op godsdienstig gebied, maar er is -weinig echt godsdienstig leven. Het geloof voelt zich niet zeker -meer; zelfs onder de geloovigen is er veel twijfel en onvastheid. -Het kinderlijke en tegelijk heroieke: ik geloof, wordt zelden -gehoord en heeft voor het kritisch twijfelen plaats gemaakt. Men -gelooft misschien nog zijne belijdenis, maar men belijdt niet -meer zijn geloof (Schweizer). In tijden van opgewekt godsdienstig -leven spreekt men als machthebbende, en niet als de schriftgeleerde; -dan klinkt het: ik weet in wien ik geloof, van -de lippen. Maar in een kritischen tijd als den onzen is er -onzekerheid juist over de principia, over kenbron, methode, -bewijs, enz. De pars formalis is daarom nog het voornaamste -deel der dogmatiek. Eene gansche apologetiek gaat aan de dogmatiek -vooraf, Hoekstra, Godgel. Bijdr. 1864 bl. 2 v. Schleiermacher -heeft de dogmatiek wel tot eene positieve, historische -wetenschap gemaakt en haar van alle apologetiek trachten te -verlossen. Maar hij liet aan de historische theologie, waartoe -de dogmatiek behoort, de philosophische voorafgaan, die haar -uitgangspunt moest nemen über dem Christenthum, in het religieuse -gemeenschapsleven in het algemeen, en van daaruit kritisch -het wezen des Christendoms had te bepalen, Kurze Darstellung -des theol. Stud. 2<sup>e</sup> Ausg. § 32 f. Feitelijk heeft hij dus de -theologie niet van de philosophie bevrijd, maar zoo sterk mogelijk -van haar afhankelijk gemaakt. Dit komt ook daarin uit, -dat hij in zijne Glaubenslehre eene breede inleiding laat voorafgaan -met allerlei Lehnsätze uit de ethiek, de religionsphilosophie -en de apologetiek. Nu heeft het voorbeeld van Schleiermacher, -om encyclopaedisch de philosophische theologie aan de historische -te laten voorafgaan, wel slechts bij enkelen navolging gevonden; -maar in aansluiting aan hem is het toch gewoonte -geworden, om de dogmatiek aan te vangen met een apologetisch -deel. Zoo schreef Voigt eene Fundamentaldogmatik, Lange eene -<span class="pagenum" id="Page_46">[46]</span> -philosophische dogmatiek, die aan de positieve voorafging, Van -Oosterzee legde een apologetischen grondslag, Dorner laat een -fundamentaler Theil of Apologetik voorafgaan, Biedermann een -prinzipieller Theil, Lipsius en Nitzsch een Principienlehre, enz. -De raad van Liebner, Jahrb. f. d. Th. 1856 I 196 f. om in -de inleiding alleen het begrip der dogmatiek te ontwikkelen, -daar er anders eene gansche dogmatiek komt vóór de dogmatiek, -en de begrippen van religie, openbaring reeds de leer van God -en mensch onderstellen, is weinig opgevolgd. De onderwerpen, -die in deze Principienlehre behandeld worden, zijn niet bij allen -gelijk, maar loopen toch meest over de begrippen: aard onzer -kennis in religieuse dingen, religie, openbaring, H. Schrift en -kerk. Het hoofdstuk theologie, vroeger meermalen opgenomen, -is verhuisd naar de Encyclopaedie. De indeeling van de materieele -dogmatiek is zeer verschillend. Sommigen volgen de trinitarische -indeeling, zooals Martensen, Lange, Kahnis, Ebrard, -Schweizer. Anderen gaan uit van Christus en behandelen de onderstellingen, -den persoon en het werk van Christus, zooals Liebner, -Thomasius, Lange. De tegenstelling van zonde en genade, met -de daaraan voorafgaande onderstelling van de verhouding van -God en wereld, ligt ten grondslag aan de indeeling van Schleiermacher -en Rothe, zur Dogm. 29. Hofmann, Philippi, Lutbardt, -hebben het foedusbegrip, d. i. de gemeenschap Gods tot uitgangspunt -genomen en behandelen den oorsprong, de verstoring, -de objectieve herstelling, de subjectieve verwezenlijking en de -voltooiïng dier gemeenschap. Het koninkrijk Gods wordt tot principium -dividendi gekozen door Van Oosterzee; het begrip van liefde -door Schoeberlein; dat van leven door Oetinger, Reiff, enz., terwijl -eindelijk velen de gewone orde volgen van theologie, anthropologie -enz., zooals Vilmar, Hodge, Shedd, Böhl e. a.</p> - -<p class="sep2">9. Wat allereerst aangaat de indeeling der dogmatiek in een -algemeen en een bijzonder deel, deze is niet alleen door de principieele -bestrijding der dogmatiek noodzakelijk geworden, maar -is ook op zichzelve nuttig en goed. Reeds vroeg werd er behoefte -gevoeld, om vóór de eigenlijke dogmata het wezen der theologie -en hare principia in het licht te stellen. Polanus maakte al -onderscheid tusschen de principia en de articuli fidei. En allengs -is het dringende behoefte geworden voor den geloovige, niet alleen -<span class="pagenum" id="Page_47">[47]</span> -te weten wat, maar ook waarom hij gelooft. Maar daartoe is -dan ook de taak van het eerste, algemeene deel der dogmatiek -bepaald. Dit eerste deel heeft zich niet in te laten met allerlei -encyclopaedische kwestiën, zooals het wezen, de geschiedenis, de -indeeling der theologie, gelijk Gretillat, Exposé de théol. system. -I 1885, p. 199 s., nog doet. Vroeger geschiedde dat, omdat -theologie met dogmatiek vereenzelvigd werd, en omdat de theol. -encyclopaedie nog niet als eigen vak werd beoefend. Thans echter -moet aan de encyclopaedie overgelaten worden de ontwikkeling -van het wezen der theologie; in de dogmatiek behoort alleen nog -de uiteenzetting van naam, begrip, methode, indeeling en geschiedenis -der dogmatiek zelve, zooals dat in de inleiding geschiedt. -Maar ook nog op eene andere wijze moet het principieele -deel der dogmatiek beperkt worden. De methode, die reeds met -de Scholastiek is opgekomen en dan later ook bij de Protestanten -ingang vond, om nl. eerst de natuurlijke Godskennis (praeambula -fidei) en daarna al de historische en redebewijzen (motiva credibilitatis) -voor de openbaring te behandelen, verdient daarom -afkeuring, wijl zij in het begin en in beginsel het standpunt des -geloofs prijsgeeft, het positief karakter der dogmatiek miskent, -op het terrein van den tegenstander overgaat, en dus feitelijk -rationalistisch is en de dogmatiek van de philosophie afhankelijk -maakt. Daartoe behoort ook de poging om de theologia of religio -naturalis met het foedus operum te vereenzelvigen en dan te -behandelen als eene voorbereiding voor de theologia revelata, die -zakelijk één is met het foedus gratiae, Schweizer, Gl. der. ev. ref. -K. I, 107-115, II 1 f. en Scholten L. H. K. I 304 v. Cf. Dr. -van Dijk, Studiën, VI 1880, 1<sup>e</sup> stuk blz. 11 v. Beiden maken -de natuurlijke religie (foedus operum, status integritatis), de -wetsreligie (foedus gratiae ante legem en sub lege) en de Erlösungsreligion -(foedus gratiae post legem) tot drie momenten in -het religieuse proces. Daardoor wordt de openbaring niet alleen -van haar bovennatuurlijk karakter beroofd, maar ook van de -Geref. indeeling een gebruik gemaakt tegen haar bedoeling in. -Het foedus operum, vóór den val, is geen voorbereiding van -maar vormt eene tegenstelling met het foedus gratiae, dat eerst -na verbreking van het foedus operum door de zonde in de historie -optreedt. De onderscheiding van theol. naturalis en relevata is -daarentegen eene gansch andere, niet eene historische maar eene, -<span class="pagenum" id="Page_48">[48]</span> -die nog altijd in de theologie bestaat en voortduurt. Tegenover -zulk eene rationaliseering van religie en theologie moet met -Schleiermacher, Rothe, Frank, Ritschl, enz. het positief karakter -gehandhaafd worden. Ook de principia fidei zijn articuli fidei, -die niet op menschelijke redeneeringen en bewijzen maar op goddelijk -gezag rusten. De erkenning van de openbaring, van de -Schrift als Gods Woord is een vrucht en daad des geloofs. In -de dogmatiek is van het begin tot het eind de geloovige aan het -woord, zoowel in de principia als in de articuli fidei; hij belijdt -en geeft rekenschap van zijn geloof, van grond en van inhoud. -In het eerste deel worden dus alleen de principia fidei ontwikkeld. -Deze zijn tweevoudig, principium externum en internum, objectivum -en formale, Voetius, Disp. I 2. Alting, Theol. Schol. didact. -p. 10, evenals de religio objectiva en subjectiva onderscheiden -moet worden. En in deze twee wordt heel het eerste deel der -dogmatiek afgehandeld.</p> - -<p>Bij de ordening van de stof in het tweede deel is de trinitarische -indeeling te verwerpen, omdat zij de behandeling der -triniteit zelve natuurlijk niet in eene der drie oeconomieën kan -opnemen en dus bij wijze van onderstelling in een hoofdstuk -vooraf moet laten gaan. Voorts bestaat er bij deze indeeling gevaar, -dat de opera ad extra veel te veel als opera personalia -worden opgevat en te weinig worden beschouwd als opera essentialia, -als gemeenschappelijke werken der drie personen, of ook -andererzijds dat bij handhaving der eenheid de triniteit slechts -oeconomisch genomen en in haar ontologisch karakter miskend -wordt. Eindelijk is aan deze indeeling nog de schaduwzijde verbonden, -dat de loci over schepping, engel, mensch, zonde, kerk, -enz. onder de personen der triniteit verdeeld, niet tot hun recht -kunnen komen. Maar nog veel meer bezwaren bestaan er tegen -de christologische indeeling. Hoeveel aanlokkelijks ze ook bij -den eersten oogopslag hebben moge, ze is toch onbruikbaar. Ze -rust ten eerste dikwerf op de onjuiste voorstelling, alsof niet de -Schrift maar bepaald de persoon van Christus het principium -en de kenbron ware der dogmatiek, en toch weten we van Christus -niets af dan uit en door de Schrift. Voorts is Christus zeer -zeker het centrum en de hoofdinhoud der H. Schrift, maar juist -omdat hij het middelpunt is, is hij het uitgangspunt niet; hij -onderstelt God en den mensch, gelijk hij ook niet terstond bij, -<span class="pagenum" id="Page_49">[49]</span> -maar eerst vele eeuwen na de belofte in de historie is opgetreden. -Vervolgens is het buiten twijfel, dat Christus ons den Vader -heeft geopenbaard, maar dit spreken Gods door den Zoon doet -het spreken Gods op velerlei wijze door de profeten niet te niet; -niet het Nieuwe Testament alleen, noch ook alleen de woorden -van Jezus, maar heel de Schrift is een Woord Gods, dat door -Christus tot ons komt. Eindelijk is het duidelijk, dat de christologische -indeeling de loci over God, schepping, wereld, mensch -slechts bij wijze van onderstellingen en postulaten behandelen en -dus niet in hunne rijke beteekenis ontwikkelen kan. De andere -indeelingen, ontleend aan de drie deugden geloof, hoop, liefde, -geloof, gebed en gebod, aan de bestemming en het einddoel des -menschen, aan het verbond of de gemeenschap van God en -mensch, aan het rijk Gods, aan de begrippen van leven, liefde, -geest, enz. mogen practisch veel voor hebben en in een catechismus -op haar plaats zijn; zij kunnen voor eene dogmatiek, die -het systeem der kennisse Gods is, niet in aanmerking komen. -Ze zijn daartoe niet centraal en algemeen genoeg. Zij zijn dan -ook òf van buiten aangebracht en beheerschen het systeem niet, -gelijk bij Van Oosterzee; òf zij zijn als indeelingsbeginsel streng -vastgehouden maar doen aan verschillende loci te kort.</p> - -<p class="sep2">10. Inhoud der dogmatiek is de kennisse Gods, gelijk Hij die -in Christus, door zijn Woord, heeft geopenbaard. Het eigenaardige -van de kennis des geloovigen bestaat daarin, dat hij alles -religieus, theologisch beziet, dat hij alles beschouwt in ’t licht -Gods, sub specie aeternitatis. Dat is het onderscheid tusschen -zijne en eene wijsgeerige of wetenschappelijke wereldbeschouwing. -In de dogmatiek is altijd de geloovige, de Christen aan het -woord. Hij speculeert niet over God, hij gaat niet van een -abstract, philosophisch Godsbegrip uit, en komt niet door de -theologia naturalis tot de theologia revelata. Hij redeneert niet -over God, gelijk Hij in zichzelven bestaat, want deze kennis is -volkomen onbereikbaar. Hij beschrijft alleen die kennisse Gods, -welke hem in Christus is geopenbaard. Ook als hij dus in het -eerste deel der dogmatiek over God, zijne eigenschappen, de -triniteit handelt, spreekt en denkt hij als geloovige, als Christen, -als theoloog en niet als philosoof. In elk dogma klopt dus het -hart der religie. Dogmatiek is geen wijsgeerig systeem, dogmatiek -<span class="pagenum" id="Page_50">[50]</span> -is theologie. Maar daarom juist beschrijft de dogmaticus in zijn -systeem der kennisse Gods niet, hoe hij tot het geloof kwam en -door het geloof subjectief en successief inzicht verkreeg in de -verschillende waarheden des geloofs. Dat ware eene analytische -methode, die in een catechismus uitnemend is maar in eene dogmatiek -niet past. Maar hij expliceert den inhoud van zijn geloof, -gelijk die objectief, in de openbaring, door God zelven voor zijn -geloofsoog uitgespreid is. Hij ontleent het beginsel van indeeling -en de rangschikking der stof niet aan zijn eigen geloofsleven, -maar aan het voorwerp zelf, dat hij in zijne dogmatiek te beschrijven -heeft; niet aan het geloovig subject, maar aan het -object des geloofs. Al stemmen we er dus van harte mede in, -dat in de dogmatiek altijd en overal, van het begin tot het -einde, de geloovige denkt en spreekt; toch is dit iets gansch -anders, dan dat hij ook de ordening der dogmatische stof aan -zijn eigen ervaring ontleenen zou. Daardoor zou de dogmatiek in -haar karakter miskend worden, in anthropologie overgaan, en -ophouden theologisch te zijn. Dit blijft ze alleen, als het systeem -der dogmatiek aan haar eigen stof en inhoud wordt ontleend.</p> - -<p>Indien dit uitgangspunt goed is gekozen, zijn er maar twee -indeelingen, die zichzelve daarvoor aanbevelen. De eerste is de -reeds besprokene trinitarische indeeling. Er ligt in haar veel bekoorlijks; -vandaar dat ze telkens weer ingang vond en ook in -de philosophie grooten invloed oefende. Zij beveelt zich aan door -haar zuiver theologisch karakter. God is begin en einde, alpha -en omega. Natuur en geschiedenis worden onder Hem gesubsumeerd. -Alles is uit God en tot God. Het trinitarische behoedt -voor eenvormigheid en waarborgt leven, ontwikkeling, proces. -Maar daarmede is tegelijk haar gevaar aangewezen. Zij is te -speculatief, ze offert de historie op aan het systeem, ze neemt -zoo licht de kosmogonie op in het trinitarische leven Gods en -wordt dan tot theogonie. De philosophie van Erigena, Böhme, -Baader, Schelling, Hegel strekt ten bewijze. Daarom verdient -die indeeling de voorkeur, welke theologisch is en tevens een -historisch-genetisch karakter draagt. Ook zij neemt haar uitgangspunt -in God en beschouwt alle schepselen slechts in relatie tot -Hem. Maar van God uitgaande, daalt ze tot zijne werken af, -om dan door deze heen weer tot Hem op te klimmen en in Hem -te eindigen. Ook bij deze indeeling is God dus het begin, het -<span class="pagenum" id="Page_51">[51]</span> -midden en het einde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle -dingen. Maar God wordt hier niet neergetrokken in het proces -der historie, en de geschiedenis komt hier beter tot haar recht. -Tusschen God en zijne werken wordt onderscheid gemaakt. In -die werken treedt Hij op als Schepper, Hersteller en Volmaker. -Hij is exemplar effectivum in creatione, refectivum in redemptione, -perfectivum in retributione. De dogmatiek is het systeem -der kennisse Gods gelijk Hij in Christus zich heeft geopenbaard; -zij is het systeem der christelijke religie. En het wezen -der christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des -Vaders, door de zonde verwoest, weer in den dood van den Zone -Gods wordt hersteld en door de genade des H. Geestes herschapen -wordt tot een koninkrijk Gods. De dogmatiek toont ons, hoe -God, de Algenoegzame in zichzelven, zich nochtans verheerlijkt -in zijne schepping, die, ook als ze door de zonde wordt uiteengeslagen, -toch weer in Christus wordt bijeenvergaderd Ef. 1:10. -Zij beschrijft ons God, altijd God, van het begin tot het einde, -God in zijn wezen, God in zijne schepping, God tegenover de -zonde, God in Christus, God door den H. Geest allen tegenstand -brekend, en heel de schepping heenleidend tot het door Hem -vastgestelde doel, de glorie van zijn naam. Dogmatiek is dus -geen dorre wetenschap. Zij is eene theodicee, een lofzang op alle -Gods deugden en volmaaktheden, een lied der aanbidding en der -dankzegging, een δοξα ἐν ὑψιστοις θεῳ.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 5. <span class="smcap">Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek.</span></h3> - -<h4>A. Opkomst der dogmatiek, 2<sup>e</sup>-4<sup>e</sup> eeuw.</h4> - -<p>1. De H. Schrift is geen dogmatiek. Zij bevat al de ons -noodige kennisse Gods, maar heeft deze niet dogmatisch geformuleerd. -De waarheid is daar neergelegd als vrucht van openbaring -en inspiratie, in eene taal, die de onmiddellijke uiting -is van het leven en daarom altijd frisch en oorspronkelijk blijft. -Maar zij is nog geen voorwerp van reflectie geworden en nog -niet heengegaan door het denkend bewustzijn. Hier en daar, b.v. -<span class="pagenum" id="Page_52">[52]</span> -in den brief aan de Romeinen, moge er een aanvang van dogmatische -ontwikkeling zijn; meer dan een aanvang is het ook niet. -De periode der openbaring moest gesloten zijn, eer die van de -dogmatische reproductie een aanvang kon nemen. De Schrift is -de goudmijn, maar de kerk is het, die het goud eruit opdelft, -het stempelt en in gangbare munt omzet, Ritschl, Rechtf. u. -Vers. II 20 f. Deze dogmatische verwerking van den inhoud -der H. Schrift is echter niet het werk van één enkel theoloog, -of van eene bijzondere kerk of school, maar van de gansche -kerk door alle eeuwen heen, van heel de nieuwe, door Christus -herborene menschheid. Gelijk er eenheid en continuiteit is in de -ontwikkeling van iedere wetenschap, zoo is dat ook het geval -in de theologie en in de dogmatiek. Ook deze hebben eene geschiedenis. -Niet alleen in dien zin, dat de stof en inhoud allengs, -in een verloop van eeuwen, door God werd geopenbaard; noch -slechts alzoo, dat de verschillende waarheden door de kerk allengs -duidelijker geformuleerd en in het leven toegepast zijn; maar -ook nog in deze beteekenis, dat het wetenschappelijk bewustzijn -hoe langer hoe meer een helder inzicht kreeg in het organisme -en het systeem dier geopenbaarde waarheid. Ook het wetenschappelijk -karakter van dogmatiek en theologie heeft eene geschiedenis -doorloopen.</p> - -<p>De Apostolische Vaders, o. a. uitgegeven door Hefele-Funk, -Tübingen 1878-1881. Gebhardt, Harnack, Zahn, Patrum apost. -opera. Lips. 1875-’77, ed minor repetita. Lips. 1894. Hilgenfeld, -Nov. Test. extra canonem receptum, ed sec. Lips. 1884, vertaald -door Duker en Van Manen, Oud-Christ. letterkunde. Amst. 1871, -staan nog geheel op het standpunt van een naïef, kinderlijk geloof. -Het Christendom was geen vrucht van menschelijk onderzoek, maar -van openbaring en vorderde daarom in de eerste plaats geloof. -Men spreekt de H. Schrift nog na. De bijbelsche begrippen, zooals -van Christus als Heer, zijn dood, geloof, bekeering, gemeente, -waken, gebed, aalmoes, opstanding, leven, onsterfelijkheid, enz. -worden wel overgenomen, maar zonder dat de reflectie ontwaakt -en de inhoud ervan ingedacht en ontleed wordt. Het Christendom -vond trouwens ook meest ingang onder de eenvoudigen en onontwikkelden. -Des te meer is al het streven erop gericht, om de -christelijke waarheid om te zetten in het leven en ze practisch -ook in cultus en organisatie tot heerschappij te brengen; niet op -<span class="pagenum" id="Page_53">53</span> -de gnosis maar op een heilig leven, op de beoefening der christelijke -deugden van liefde, zachtmoedigheid, vrede, eenheid enz. -wordt de nadruk gelegd. De kring van denkbeelden, waarin men -zich beweegt, is daarom ook nog eng; vele bijbelsche begrippen -ontbreken geheel, en andere worden verzwakt of gewijzigd; de -werkheilige opvatting van het Christendom wordt voorbereid. Over -het algemeen zijn de geschriften der Apost. Vaders ethisch krachtiger -en rijker dan dogmatisch. In weerwil van denzelfden briefvorm -en ten deele dezelfde gemeenten, aan wie zij zich richten, -springt het onderscheid en de afstand tusschen de Apostelen en -de Apostolische Vaders zeer sterk in het oog. Het heidensche -bewustzijn kon zoo spoedig de christelijke gedachten niet in zich -opnemen, Lübkert, Die Theol. der apost. Väter, in Niedner’s Zeits. -f. hist. Th. 1854 S. 589 f. Sprinzl, Die Theol. der apost. Väter, -Wien 1880. Lechler, Das apost. u. nachapost. Zeitalter, 3<sup>e</sup> Ausg. -586-610. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss. Supplementband -1889 S. 18 f. Dorner, Entw. Gesch. der Lehre v. d. Person -Christi, 2<sup>e</sup> Aufl. I 130 f. Harnack, Dogmengesch. I 125-186.</p> - -<p class="sep2">2. Bij deze eenvoudige herhaling en practische toepassing -der Schriftwaarheid kon echter de theologie niet blijven staan. -De tegenstand, dien het Christendom allengs van de heidensche -cultuur ondervond, dwong tot nadenken, en verdediging. In den -eersten tijd bepaalde zich de heidensche macht tot vervolging, -Uhlhorn, der Kampf des Christ. mit dem Heid. 3<sup>e</sup> Aufl. Stuttgart -1879, haat, verachting en spot, gelijk ze door Tacitus, -Ann. 15:44 en Lucianus in zijn Peregrinus Proteus worden -geuit, Th. Keim, Rom und das Christenthum, herausg. v. H. -Ziegler 1881. Stud. u. Kr. 1851, S. 826 f. Herzog<sup>2</sup> 8, 772. -Maar langzamerhand moet de heidensche wereld met het Christendom -rekenen en valt zij het wetenschappelijk aan. Heinrich -Kellner heeft in zijn Hellenismus und Christenthum, Kölln 1866 -deze geistige Reaktion des antiken Heidenthums gegen das Christenthum -opzettelijk beschreven, en ten slotte, S. 431 f. ook op -hare verwantschap met de bestrijding van het Christendom in -den tegenwoordigen tijd gewezen. De voornaamste wetenschappelijke -bestrijders zijn: Celsus, (W. Th. Keim, Celsus’ wahres -Wort. Zürich 1873. Origenes, contra Celsum. Bindemann, Zeits. -f. d. histor. Theol. 1842, 2<sup>tes</sup> Heft S. 58 f. Baur, Kirch. Gesch. -<span class="pagenum" id="Page_54">[54]</span> -der 3 ersten <ins id="cor_6" title="Jahrb">Jahrh</ins>. 383 f. Herzog<sup>2</sup> 11, 100 f. Vigouroux, Les -livres saints et la critique rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. I 133 s.) Porphyrius, -(Baur, ib. 420 f. Jahrb. f. d. Theol. 1878. 2<sup>tes</sup> Heft -S. 269 f. Herzog<sup>2</sup> 10, 524. Vigouroux, ib. I 156 s.), Fronto, -de vriend van Aurelius (blijkens Minucius Felix, Octavius 9, 31. -Boissier, Les polémiques religieuses au second siècle, Revue -des Deux Mondes 1 Jan. 1879, Herzog<sup>2</sup> 8, 772), en later nog -Julianus, die blijkens de weerlegging van Cyrillus, contra Julianum, -een boek tegen de christenen schreef, (C. J. Neumann, -Juliani imperatoris librorum contra Christianos quae supersunt -Lips. Teubner 1880, ook vertaald in ’t Duitsch. ib.). Al de argumenten, -die later alle eeuwen door tegen het Christendom zijn -ingebracht, zijn reeds bij hen te vinden, zoo b.v. tegen de echtheid -en waarheid van vele Bijbelboeken, den Pentateuch, Daniël, -de Evangeliën, tegen de openbaring en de wonderen; tegen verschillende -dogmata zooals de menschwording, de voldoening, de -vergeving, de opstanding, de eeuwigheid der straf; tegen de -moraal, zooals het ascetisme, de wereldverachting, de onbeschaafdheid; -om niet te spreken van de lasterlijke beschuldigingen -van het aanbidden van een ezelskop, kindermoord, echtbreuk enz. -Toch heeft ook deze wetenschappelijke bestrijding het Christendom -niet overwonnen. En de Heidenen zagen zich gedrongen, om of -den ouden godsdienst tot nieuw leven te brengen, gelijk het -Neopythagoreïsme en Neoplatonisme beproefden, Zeller, Philos. -der Griechen 3<sup>e</sup> Aufl. V 79 f. 419 f., of het Christendom met -het Heidendom te vermengen en te verbinden, gelijk dat geschiedde -in het Gnosticisme en Manichaeisme. Vooral het Gnosticisme -was eene machtige poging, om het Christendom in de -combinatie en fusie van allerlei heidensche elementen, neoplaton. -wijsbegeerte, syrische en phenicische mythologie, chaldeeuwsche -astrologie, perzisch dualisme, enz. optenemen en zoo van zijn -absoluut karakter te ontdoen. De hoofdvraag daarbij was deze, -hoe de menschelijke geest in de banden der materie gekomen -was en daaruit nu kon worden bevrijd. Gewoonlijk is God in -het Gnosticisme de abstracte, onderscheidlooze eenheid. Uit hem -is de materie, de oorzaak van het kwaad, niet te verklaren. -Deze wordt afgeleid uit een lageren god, den demiurg, die tusschen -den hoogsten God en de zinnelijke wereld in staat en vereenzelvigd -wordt met den God des O. Test. Ter verlossing van -<span class="pagenum" id="Page_55">[55]</span> -de in de materie geboeide geesten gaan er uit God verschillende -aeonen, die de verschillende godsdiensten vertegenwoordigen en -hun hoogtepunt bereiken in den aeon Christus. Het Christendom -is dus niet de eenige maar de hoogste godsdienst. Christus echter -wordt docetisch opgevat, want niet op het feit, de historie, maar -op de idee komt het aan. Daarom bestaat de hoogste zaligheid -ook in het kennen; kennis met askese maakt zalig. De pistis, -de theologie, moge goed zijn voor de onontwikkelden; de gnosis, -de philosophie is het hoogste, zij is het eigendom der πνευματικοι. -Deze ideeën werden door allegorische exegese met de Schrift in -overeenstemming gebracht, en voorgedragen in vormen en beelden, -aan de mythologie ontleend en door de phantasie versierd. Ze -veranderden het Christendom in een soort van Religionsphilosophie, -van speculatieve philosophie, welke alle eeuwen door, tot in de -stelsels van Hegel en Schelling toe, haar invloed geoefend heeft, -cf. Jacobi in Herzog<sup>2</sup> 5, 204 f. Harnack Dogm. I 186 f. Vigouroux -t. a. p. I 106 s. en de daar aangeh. litt.</p> - -<p>Tegenover deze verschillende aanvallen was verdediging noodig. -De Christenen werden gedwongen, om over den inhoud der -openbaring na te denken, en eene ware, christelijke gnosis te -stellen tegenover de valsche. De geopenbaarde waarheid wordt -object van methodisch, wetenschappelijk denken. Er ontstond theologie, -niet uit en voor de kerk en ter opleiding harer dienaren, -maar naar aanleiding en ter afwering van de aanvallen, die op -het Christendom gericht werden. Natuurlijk was tot zulk eene -denkende werkzaamheid, kennis van de heidensche philosophie -van noode; de theologie ontstond feitelijk met behulp van en -door verbinding met de philosophie. De Gnostieken hadden dit -ook reeds beproefd, maar er was een wezenlijk verschil in de -wijze, waarop de Gnostieken en waarop de Apologeten die verbinding -zochten. Dat verschil bestaat niet daarin, dat genen -eene acute, en dezen eene allmählige Hellenisirung van het -Christendom ondernamen, Harnack, Dogmengesch. I 168 f. -413 f. Maar bij de Gnostieken ging de positieve, absolute -inhoud der christelijke religie te loor, bij de Apologeten bleef -deze bewaard; bij genen was het gebruik der philosophie materieel, -bij dezen in hoofdzaak formeel; genen werden daarom door -de kerk verloochend, dezen erkend; genen stelden de verschillende -philosophieën voor als een religieus proces, waarin ook het -<span class="pagenum" id="Page_56">[56]</span> -Christendom werd opgenomen, dezen trachtten de christelijke -religie, die ze erkenden en aannamen, aan te toonen als de hoogste -waarheid, als de ware philosophie, die alle waarheidselementen -van elders in zich vereenigt. Dit laatste is zelfs de grondgedachte -der Apologeten, en ze werken deze aldus uit: God is -één, onuitsprekelijk, geestelijk enz., maar Hij is door den Logos -ook schepper der wereld, laatste oorzaak van al het zijnde en -principe van al het zedelijk goede. Het gnostisch dualisme is -hier overwonnen; de wereld draagt overal den stempel van den -goddelijken Logos, ook de materie is goed en door God geschapen. -De mensch is oorspronkelijk goed geschapen, ontving rede -en vrijheid en werd voor de ἀθανασια bestemd; deze moest en -kon hij bereiken in den weg der vrije gehoorzaamheid. Maar -hij heeft zich laten verleiden door de daemonen en is nu onder -de heerschappij der zinnelijkheid gekomen, aan de dwaling en -den dood vervallen. Ook hier is het dualisme vermeden en -wordt de oorzaak der zonde in den wil des menschen gezocht. -Maar daarom zijn er nu nieuwe middelen van noode, om den -mensch van den weg der leugen en des doods terug te brengen -en heen te leiden naar de onsterfelijkheid. God openbaarde zich -door den Logos van de oudste tijden af, en deelde kennis der -waarheid mede ook wel aan sommige Heidenen, maar vooral aan -de profeten onder Israel, en eindelijk in zijnen Zoon Jezus -Christus. In Hem is alle vroegere waarheid bevestigd en voltooid. -Door Hem als leeraar der waarheid wordt de mensch -wederom tot zijne bestemming gebracht. De Apologeten zijn dus -intellectualistisch en moralistisch; toch ontbreekt b.v. bij Justinus -het streven niet, om Christus ook als Verzoener en Verlosser -te begrijpen, door wiens bloed wij vergeving der zonde ontvangen. -Uitgave der Apologeten Justinus, Tatianus, Athenagoras, Theophilus -en Hermias, bij Migne ser. gr. t. 6. Van hen is Justinus -verreweg de belangrijkste, Semisch, Justin der Martyrer, Breslau -1840. Böhringer, Kirch. Gesch. in Biogr. I 1 S. 96-270. Aubé -St. Justin philosophe et martyr. Paris 1861. Weiszäcker, Die -Theol. des J. M. (Jahrb. f. d. Th. 1867, S. 60-119). Engelhardt, -Das Christ. J. d. M. Erlangen 1878 en Herz.<sup>2</sup> 7, 318. -Stählin, Justin der Martyrer Leipz. 1880. Harnack D. G. I -413-464. Dr. H. Veit, Justinus des Philos. und Martyrers -Rechtfertigung des Christ. Strassburg, Heitz. 1894.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_57">[57]</span> -3. De aanvangen der theologie bij de Apologeten waren echter -niet alleen zwak maar in velerlei opzicht ook van eenzijdigheid -en dwaling niet vrij. De problemen die zich voordeden waren -vele en machtige; de verhouding van theologie en philosophie, -de leer van den Logos in zijne verhouding tot God, de beteekenis -van Christus en zijn dood enz. waren veel te diep, dan dat -in eens het rechte inzicht verkregen kon worden. Verschil van -opvatting deed zich menigmaal voor. Zoodra er theologie kwam, -kwam er ook onderscheid van richting en school. Tweeërlei -dogmatische richting laat zich weldra onderscheiden. Eenerzijds -die, welke vertegenwoordigd wordt door Tertullianus (ed. van -Oehler, Leipzig 1853, van Gersdorf, Bibl. patr. eccles. lat. vol. -4-7. Migne, ser. lat. t. 1-2). Cyprianus (ed. Gersdorf. vol. -2-3. Hartel, Vienna 3 vol. 1868-71. Migne ser. lat. t. 4) en -Lactantius (ed. Gersdorf. vol. 10-11. Migne t. 6), en ook door -Irenaeus, van wien alleen het hoofdwerk Ἐλεγχος και ἀνατροπη -της ψευδωνυμου γνωσεως, gewoonlijk geciteerd Adversus haereses -libr. V is bewaard gebleven (ed. Stieren, Leipzig 1853. Migne -ser. gr. t. 7) en zijn leerling Hippolytus van Rome, waarschijnlijk -schrijver van de eerst aan Origenes toegeschreven φιλοσοφουμενα -ἠ κατα πασων αἱρεσεων ἐλεγχος (ed. Duncker u. Schneidewin -Gött. 1859. Migne, ser. gr. t. 10). Dezen allen staan antithetisch -tegenover de philosophie. Irenaeus waarschuwt er zeer -ernstig tegen, adv. haer. II 25-28 en Tertullianus bant ze -geheel en zoo scherp mogelijk, de praescr. 7, in de bekende -plaats: wat heeft Athene en Jeruzalem, de akademie en de kerk, -de Christenen en de ketters gemeen enz. Toch maken zij er -allen weer het naïefste gebruik van; Tertullianus is voor de -theologie daarom zoo belangrijk, wijl hij een aantal termini voor -het trinitarisch en christologisch dogma heeft ingevoerd, zooals -trias, trinitas, satisfacere, meritum, sacramentum, una substantia -en tres personae, duae substantiae in una persona enz. -Maar ze staan daarbij op den grondslag van het geloof der kerk; -ze zijn historisch, positief, realistisch en maken tusschen geloof -en theologie, πιστις en γνωσις, geen qualitatief maar hoogstens -een quantitatief onderscheid, Iren. adv. haer. I 10, 3. En wel -is nog van een dogmatisch systeem bij deze mannen geen sprake; -de dogmata staan los naast elkander, een bepaald principe is -niet te vinden, zelfs is in de christologie door Tertullianus en -<span class="pagenum" id="Page_58">[58]</span> -Hippolytus het gnosticisme niet geheel overwonnen; maar toch -is de theologie van deze mannen, inzonderheid van Irenaeus, -die der volgende eeuwen geweest. Al de latere dogmata zijn bij -hem te vinden. De eenheid Gods, de wezenseenheid van Vader -en Zoon, van den God der schepping en der herschepping, de -eenheid van den God des O. en dien des N. V., de schepping -der wereld uit niets, de eenheid van het menschelijk geslacht, -de oorsprong der zonde uit de wilsvrijheid, de beide naturen van -Christus, de absolute openbaring Gods in Christus, de opstanding -aller menschen enz. zijn door hem tegenover het Gnosticisme -duidelijk uitgesproken en gehandhaafd. Het Christendom heeft -bij Irenaeus het eerst eene eigene, zelfstandige theologische -wetenschap ontvouwd, Harnack, Dogm. Gesch. I 464-547, de -artikelen over de genoemde theologen bij Herzog<sup>2</sup>, de monographieën -over hen, bijv. over Irenaeus, Böhringer, Kirchengesch. in -Biogr. 2<sup>e</sup> Aufl. I Bd. 1<sup>e</sup> Abth. Ziegler, Irenaeus, Der Bischof von -Lyon, Berlin 1871. Reville, Revue des deux Mondes 1865. -Alzog, Grundriss der Patrologie, 4<sup>e</sup> Aufl. Freiburg 1888 S -104 f. enz. Zöckler Supplement S. 40 f.<a name="FNanchor_1" id="FNanchor_1" href="#Footnote_1" class="fnanchor">[1]</a></p> - -<div class="footnotes"> - -<p><a name="Footnote_1" id="Footnote_1" href="#FNanchor_1"><span class="label">[1]</span></a>Kortheidshalve worden hier eenige werken genoemd voor de Conciliën, -Kerkvaders, Kerkelijke schrijvers, enz. en litteratuur daarover. De acten -der conciliën zijn verzameld in: Joa. Harduinus, Conciliorum collectio regia -maxima. Par. 1714. 11 Tomi in 12 vol., loopt tot 1714. J. Domin. Mansi. -Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio. Flor. 1759-1788. 31 -vol.; eene nieuwe, verbeterde editie verschijnt sedert 1885 te Parijs. Acta -et decreta sacrorum conciliorum recentiorum. Collectio Lacensis (Maria -Laach), 7 vol. Frib. Brisg. 1870-1890, bevat de acta der concilia van -1682-1870. De voornaamste besluiten van conciliën en Pausen zijn verzameld -door H. Denzinger. Enchiridion symbolorum et definitionum, ed. -6 aucta ab Ign. Stahl. Wirceb. 1888. De geschiedenis der conciliën is het -volledigst behandeld door Karl Joseph von Hefele, Conciliëngeschichte, -nach den Quellen bearbeitet, 7 Bde. Freiburg 1885-1671, 2<sup>e</sup> Aufl. Bd. -1-4 door Hefele zelf, Bd. 5-6 door Knöpfler; ’t werk is voortgezet door -Hergenröther, die Bd. 8-9 eraan toevoegde 1867 en 1890.</p> - -<p>De Kerkvaders en andere kerkelijke schrijvers zijn uitgegeven o. a. door: -Andr. Gallandius, Bibliotheca veterum patrum antiquorumque scriptorum -ecclesiasticorum, Venet. 1763-1781, 14 tomi fol. J. P. Migne, Patrologiae -cursus completus, sive Bibliotheca universatis .... omnium S. S. Patrum, -doctorum scriptorumque ecclesiasticorum, sive latinorum, sive graecorum. -Paris 1844 sq. 473 tomi; series latina 221 tomi, series graeca 166 tomi, -patrologia graeca latine tantum edita 86 tomi. Voorts zijn verschillende -kerkvaders afzonderlijk uitgegeven door de Mauriner monniken (Cf. art. Herz<sup>2</sup>), -zooals Origenes door Delarue Paris 1733, Chrysostomus door Montfaucon -1718, Augustinus door Delfau e. a. 1679-1702 enz. En eindelijk verschijnt -er eene uitnemende editie van de Lat. kerkvaders te Weenen onder leiding -van de Keizerlijke Akademie der wetenschappen: Corpus scriptorum -ecclesiasticorum Latinorum. Vindob. 1866 sq. waarin reeds verschillende -kerkvaders Minucius Felix, Cyprianus, Arnob., Lact., enz. of gedeelten van -kerkvaders Tert., August. enz. verschenen zijn. Zie verder Bellarminus, De -Scriptoribus ecclesiasticis Romae 1613. <ins id="cor_7" title="El">Ed</ins>. du Pin, Nouvelle Bibliothèque -des auteurs ecclésiastiques, 47 vol. Par. 1686-1714. Cave, Historia literaria -script. eccles. 2 vol. Lond. 1689, Basil. 1741. Walch, Bibl. theol. sel. Jenae -4 vol. 1757 sq. Ritter, Geschichte der christl. Philosophie, 4 Theile, -Hamburg 1841-1845. Ueberweg, Grundriss der Gesch. d. Phil. der patr. -u. schol. Zeit. 6<sup>e</sup> Aufl. 1881. Nirschl. Lehrb. der Patrol. u. Patristik, 3 -Bde. Mainz 1881-1885. Alzog, Grundriss der Patrologie, 4<sup>e</sup> Aufl. Freiburg -1888. G. Krüger, Gesch. der altchristl. Litteratur in den ersten drei -Jahrh. Freiburg 1895.</p> - -<p>Als hulpmiddelen kunnen dienst doen: voor het kerkelijk Grieksch, het -woordenboek van J. C. Suicerus, Thesaurus ecclesiasticus, ed. 2a longe -auctior Amst. 1728, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Grieksch C. Dufresne, -dominus du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae graecitatis. -Lugd, 1688, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Latijn C. Dufresne, dominus -du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae latinitatis. Par. -1678, 3 vol.; nieuwe uitgave door de Benedictijnen in 6 deelen 1733-36; -door G. A. L. Henschel, Par. 1840-50 in 7 deelen; en door Leopold -Favre in 10 deelen 1883-87. Ook Forcellini, Totius latinitatis lexicon, in -4 deelen Padua 1771; nieuwe uitgave door Furlanetto in 4 deelen. Padua -1828-’31: engelsche uitgave te Londen 1826; duitsche door Voigtlander -en Hertel te Zwickau en Schneeberg 1829-33, nieuwe uitgave in Italië -door Corradini te Padua 1859 en door D. Vinc. De Vit in 6 deelen te -Prato 1858-79. Voor de plaatsnamen: J. V. Muller, Lexicon manuale, -geographiam antiquam et mediam cum Latine tum Germanice illustrans, -Lips. 1831. J. G. Th. Graesse, Orbis latinus over Verzeichniss der lateinischen -Benennungen der bekanntesten Städte usw. Dresden 1861.</p> - -</div> - -<p><span class="pagenum" id="Page_59">[59]</span> -Gansch anders was de houding, die door de Alexandrijnsche -theologen tegenover de philosophie en het gnosticisme werd aangenomen. -Op verschillende plaatsen, vooral in Alexandrië, ontwaakte -tegen het einde der 2<sup>e</sup> en in het begin der 3<sup>e</sup> eeuw het -streven, om de christelijke stof wetenschappelijk te bewerken en -zoo mit dem Zeitbewusstsein zu vermitteln, Harnack, D. G. -I 549. De oorsprong en het ontstaan der Katechetenschool in -Alexandrië is ons onbekend, Guericke, De schola quae Alexandriae -floruit catechetica 1824. Vacherot, Hist. crit. de l’école -d’Alex. 1846-51. Herzog<sup>2</sup> I 290-292, maar ze bestond -reeds ongeveer 190 en nam spoedig in aanzien en invloed toe. -<span class="pagenum" id="Page_60">[60]</span> -De eerste leeraar, die ons door zijne overgebleven geschriften -bekend is, is Clemens Alexandrinus. Maar hij wordt in de -schaduw gesteld door Origenes, den invloedrijksten theoloog uit -de eerste eeuwen. Hun streven was, om de kerkelijke geloofsleer -om te zetten in een speculatieve wetenschap. Wel handhaafden -zij het geloof, en namen zij in onderscheiding van de gnostieken -in de positieve leer der kerk hun uitgangspunt. Clemens noemde -het geloof zelfs een γνωσις συντομος, schatte het hooger dan de -heidensche wijsheid; het Christendom is een weg ter zaligheid -voor alle menschen en kan slechts door het geloof toegeeigend worden; -de inhoud van dat geloof is door de kerk in haar belijdenis -samengevat, en de kenbron der waarheid is enkel en alleen de -openbaring, de H. Schrift. Dit alles wordt door Clemens en -Origenes even sterk vastgehouden als door Irenaeus en Tertullianus. -Maar het onderscheid begint hier, dat de Alexandrijnen -een qualitatief verschil aannamen tusschen geloof en wetenschap. -Geloof moge goed zijn en noodig voor de eenvoudigen; de ontwikkelden -hebben daaraan niet genoeg. De theologie moet er -naar staan, om den inhoud des geloofs te ontwikkelen tot eene -wetenschap, die niet rust op autoriteit maar in zichzelve haar -waarborg en bevestiging vindt. De pistis moet tot gnosis verheven -worden. De gnosis is hier geen middel meer, om de -ketterij te weren en te bestrijden maar wordt doel. De pistis -voert slechts tot een χριστιανισμος σωματικος, maar de theologie -moet uit de H. Schrift den χριστιανισμος πνευματικος ontwikkelen. -Wat Philo beproefd had voor de Joden, ondernamen -Clemens en Origenes voor de Christenen; zij zetten het werk van -Justinus Martyr voort. Om dit doel te bereiken, moesten zij -natuurlijk kennis hebben en gebruik maken van de philosophie; -ze sluiten zich wel niet aan bij een bepaald systeem, maar ze -bedienen zich van de gansche grieksche philosophie sedert Socrates, -vooral van die van Plato en van de Stoa. En met behulp -daarvan levert Origenes een systeem dat zonder twijfel van -genialen blik en diepe denkkracht getuigt, maar dat ook telkens -gevaar loopt, om de theologie in philosophie te doen ondergaan. -Subordinatie van den Zoon, eeuwigheid der schepping, praeexistentie -der zielen, dualisme van geest en stof, aardsche loutering, -herstelling aller dingen zijn zoovele elementen in het stelsel van -Origenes, die het met het geloof der kerk in strijd brachten en -<span class="pagenum" id="Page_61">[61]</span> -later zijne veroordeeling bewerkten. Met de Schrift werd dit -alles overeengebracht door eene pneumatische, allegorische exegese. -Maar feitelijk wordt in deze theologie van Origenes de christelijke -religie in ideeën opgelost. Zij zoekt eene transactie tusschen -kerk en wereld, geloof en wetenschap, theologie en philosophie, -een compromis tusschen de dwaasheid des kruises en de wijsheid -der wereld en is zoo de schoonste en rijkste type van de telkens -in de kerk opkomende Vermittelungstheologie, Bigg, The -Christian Platonists of Alexandria. Oxford 1886. Harnack D. G. -I 547-604, art. in Herzog<sup>2</sup> en de daar en bij Harnack aangeh. -litt.; ook Zöckler, Supplement S. 51 f.</p> - -<p class="sep2">4. In den aanvang der derde eeuw zijn de grondslagen der -christelijke theologie gelegd. De kerk heeft tegenover het Heidendom -en Jodendom, tegenover het Gnosticisme en Ebionitisme -welbewust eene vaste positie ingenomen, en de zelfstandigheid -van het Christendom gered. Maar nu komen in de derde eeuw -allerlei inwendige twisten op. De groote strijd der 3<sup>e</sup> eeuw liep -over de verhouding van den Logos (en den Geest) tot den Vader, en -de ketterij die moest bestreden worden was het Monarchianisme -in zijne beide vormen van dynamistisch en modalistisch Monarchianisme. -De eersten zooals de Alogi, Theodotus en zijne partij, -Artemas c. s. en vooral ook in het Oosten Paulus van Samosata, -bisschop van Antiochië sedert 260, trachtten de eenheid Gods zoo -te handhaven, dat ze Zoon en Geest niet voor personen maar voor -eigenschappen hielden en aan Jezus de Godheid ontzegden; Jezus -was een mensch, in bijzondere mate door den Goddelijken Logos -toegerust en met Gods Geest gezalfd. De modalistische Monarchianen -echter leerden, dat de Godheid zelve in Christus vleesch -geworden was; zij erkenden dus de Godheid van Christus maar -identifieerden Vader en Zoon en kwamen zoo tot het patripassianisme. -Dit gevoelen was in de 3<sup>e</sup> eeuw zeer verbreid en vond -veel aanhang; het werd verdedigd en voorgestaan door Noetus, -Epigonus, Kleomenes, Aeschines, Praxeas, Victorinus, Zephyrinus, -Kallistus en vooral Sabellius. De monarchianen en -antitrinitariërs zijn bestreden door Hippolytus in Contra haeresin -Noeti, en Philosophumena, en ook in ’t zoogen. Parvus Labyrinthus -(bij Euseb. h. e. 5, 28), door Tertullianus adv. Praxeam, -Novatianus de trinitate, Dionysius Alex. adv. Sabellium, Eusebius -<span class="pagenum" id="Page_62">[62]</span> -contra Marcellum, de eccles. theologia, en de fide ad -Sabellium. Zie Harnack D. G. I 604-709, en art. Monarch. -in Herzog<sup>2</sup> 10, 178. Dorner, Gesch. d. Lehre v. d. P. Christi, -2<sup>e</sup> Aufl. I 497 f. Lange, Gesch. u. Entw. der Systeme der -Unitariër vor der nic. Synode, 1831. Hagemann, Die römische -Kirche in den 3 ersten Jahrh. 1864. Aan het eind der 3<sup>e</sup> eeuw -stond het dogma van Christus’ Godheid en van zijn onderscheid -van den Vader vast. Er waren drie hypostasen in ’t Goddelijk -wezen, Vader, Zoon en Geest. Dit was het geloof zoowel in het -Oosten als in het Westen, Harnack D. G. I 667, 709. De begrippen, -waarmede het denken in de volgende eeuw zich zal -bezighouden, zooals μονας, τριας, οὐσια, ὑποστασις, προσωπον -enz. bestaan reeds, maar zullen eerst later hun bepaald karakter -en vaste waarde verkrijgen. De grondslag is gelegd, en de grenzen -zijn afgebakend, binnen welke de christelijke speculatie haar -kracht beproeven zal.</p> - -<h4>B. De dogmatiek in de Oostersche Kerk.</h4> - -<p>5. De periode van de 4<sup>e</sup> tot de 8<sup>e</sup> eeuw wordt in het Oosten -geheel in beslag genomen door de christologische twisten. De -homoousie van den in Christus mensch geworden Zoon met den -Vader was het dogma bij uitnemendheid. Het religieus belang, -hierbij in ’t spel, was dat God zelf mensch moest worden, opdat -wij menschen van den dood bevrijd, tot de onsterfelijkheid en -de aanschouwing Gods geleid, en der goddelijke natuur deelachtig -gemaakt zouden worden. De Godheid van Christus is het -wezen des Christendoms. Niemand heeft dit beter begrepen dan -Athanasius. Zijne geschiedenis is die zijner eeuw. Voor hem -concentreert zich heel het Christendom in de verlossing ten -eeuwigen leven door den waarachtigen Zoon van God. Daarin -handhaaft hij het specifiek karakter der christ. religie, maakt -de leer der triniteit vrij van kosmologische speculaties, die er -nog bij Origenes en Tertullianus mede verbonden waren, en bewaart -’t Christendom voor verwereldlijking, Harnack II 21-27, -204 f. Athanasius is christoloog. Hij voelt diep het religieus -belang van de Godheid van Christus. Christus moest God zijn, -om onze Zaligmaker te kunnen wezen. Door deze geheel eenige -beteekenis van het christologisch dogma zien geen eigenlijke -<span class="pagenum" id="Page_63">[63]</span> -dogmatische systemen het licht. Wel echter zijn er een aantal -belangrijke dogmatische verhandelingen. Het Arianisme wordt -bestreden door Alexander, bisschop van Alexandrië, in zijn Epistolae -de Ariana haeresi deque Arii depositione, door Athanasius -in al zijne geschriften, vooral in zijne Orationes contra Arianos, -door Basilius in zijn Libri V adv. Eunomium en in zijn Liber -de Spiritu Sancto, door Gregorius Naz. in zijn Orationes V de -theologia, door Gregorius Nyss. Libri s. orationes XII c. Eunomium, -door Cyrillus, Hilarius, Ambrosius, Fulgentius e. a., en -op de Synode van Nicea en Constantinopel veroordeeld. De -Godheid en homoousie des H. Geestes werd tegen Macedonius -van Constantinopel verdedigd door Athanasius in zijn Epistolae -ad Serapionem, door Basilius in zijn werk tegen Eunomius, en -in zijn verhandeling de Spiritu Sancto, door Greg. Naz. in verschillende -van zijne Orationes theologicae, door Greg. Nyss. in -zijn adv. pneumatomachos Macedonianos, en vooral ook door -Didymus in zijn werken de Trinitate libri tres en de Spiritu -Sancto, en werd vastgesteld op de Syn. te Constantinopel 381. -Reeds tijdens de vraag over de homoousie des Zoons kwam eene -tweede vraag op over de menschelijke natuur en over hare vereeniging -met de goddelijke natuur. Apollinaris erkende dat de -Verlosser God moest zijn, maar hij kon geen volkomen mensch -zijn, want dan waren er twee wezens en twee personen en kwam -er geen eenheid. De Logos nam daarom aan bezielde σαρξ en -vormde daarin zelf het πνευμα, het ik, het principe van zelfbewustzijn -en zelfbepaling. Maar hij werd bestreden door Athanasius, -de incarnatione domini nostri J. C. contra Apollinarem, -en de salutari adventu J. C., door Greg. Naz. in zijne Epistolae -ad Cledonium en door Greg. Nyss. in zijn Antirrheticus adv. -Apollinarem, en op de Synode te Rome 377 en te Constantinopel -381 veroordeeld. Toen de twee naturen waren vastgesteld, rees -er verschil over den aard harer vereeniging. Niet substantieel -en wezenlijk, maar moreel en relatief, zei Nestorius; er zijn in -Christus twee personen, ὑποστασεις. Maar hij vond een sterk -bestrijder in Cyrillus van Alexandrië, die hem in verschillende -werken de incarnatione Unigeniti, adversus Nestorii blasphemias -contradictionum Libri V, enz. aanviel, en werd veroordeeld op -de Synode te Efeze 431. Het lijnrecht daartegenover staande -gevoelen van Eutyches werd bestreden door Theodoretus in zijn -<span class="pagenum" id="Page_64">[64]</span> -Ερανιστης ἠ πολυμορφος en Leo Magnus in zijn Epistola ad -Flavianum en werd veroordeeld op de Synode te Chalcedon 451.</p> - -<p class="sep2">6. Het chalcedonisme bracht echter geen vrede, de verwarring -nam toe, het monophysitisme was in het Oosten te sterk. Het vond -wel een krachtig verdediger in Leontius van Byzantium 485-543, -door Harnack II 383 de eerste scholasticus genoemd, en werd -ook erkend op de 5<sup>e</sup> synode te Constantinopel 551. Maar de -Monophysieten werden niet gewonnen, ook niet door de bemoeiingen -van Justinianus I. De in de 7<sup>e</sup> eeuw opkomende monergistische -en monotheletische strijd eindigde met de vaststelling van -twee willen in Christus op de 6<sup>e</sup> synode te Constantinopel 680. -En tot den huidigen dag zijn er monophysitische Christenen in -Syrie, art. Jacobiten in Herzog<sup>2</sup>, Dr. H. G. Kleijn, Jakob Baradeus. -Leiden 1881. Ze nemen ééne natuur in Christus aan, ex. -niet in duabus naturis, verwerpen Chalcedon en erkennen de -zoogenaamde rooversynode te Efeze, gebruiken gezuurd brood bij -het avondmaal, maken het kruis met één vinger, hebben beelden- en -heiligenvereering van de grieksche en roomsche kerk overgenomen -en staan onder den „Patriarch van Antiochië” die echter -gewoonlijk in Diarbekr woont. Dogmatisch van belang is de -geloofsbelijdenis van Baradeus bij Kleijn bl. 110 v. Monophysieten -zijn er voorts in Egypte, Kopten geheeten, onder een -patriarch wonend in Kaïro, Herzog<sup>2</sup> 1, 178 f., in Abessynië, onder -een Abbûna, door den patriarch in Kaïro benoemd en resideerende -in Gondar, Herzog<sup>2</sup> 1, 69 f., in Armenië onder een Katholikos -in Etschmiadsin, een klooster bij Erivan in Armenië. Zie Hofmann, -Symboliek § 62-68, met de daar en in Herzog aangegeven -litteratuur, Kattenbusch, Confessionskunde I 205-234.</p> - -<p>Maar dogmatisch zijn niet alleen de christologische geschriften -van belang, ook andere verhandelingen komen in aanmerking. -De leer van God, zijn namen, eigenschappen, voorzienigheid -werden behandeld in aansluiting aan de apologeten, die het christelijk -Godsbegrip tegenover het gnosticisme hadden gehandhaafd. -Men ging meest uit van de natuurlijke Godskennis, van God als -een eenvoudig, onveranderlijk zijn, wiens bestaan psychologisch, -kosmologisch en teleologisch bewezen kon worden, die wel onkenbaar -was in zijn wezen, maar in de Schrift als Drieëenige -was geopenbaard, Chrysostomus, Homiliae 12 contra Anomoeos -<span class="pagenum" id="Page_65">[65]</span> -seu de incomprehensibili Dei natura, Pseudodiomysius de divinis -nominibus, Chrysostomus de providentia L. III. Theodoretus de -providentia orationes X, Harnack II 116-122, Münscher-v. Coelln -I 124 f. Kosmologie en anthropologie werden vooral behandeld -in aansluiting aan Genesis 1-3, en zoo, dat het Origenisme -vermeden werd. God had de wereld geschapen door den Logos -naar het voorbeeld eener bovenaardsche geestelijke wereld; de -zonde ontstond door den vrijen wil en wordt opgewogen door de -straf en de verlossing, Basilius, Homiliae IX in hexaemeron. -Greg. Nyss. Explicatio apologetica in hexaemeron en de hominis -opificio, Ambrosius L. VI in hexaemeron. Augustinus, de Genesi -contra Manich. L. II, De Genesi ad litteram liber imperfectus. -Johannes Philoponus, de æternitate mundi c. Proclum, en de -mundi creatione l. VII, Anastasius Sinaita, Anagogicæ contemplationes -in hexaemeron, libri XII. Harnack D. G. II 122-129. -Münscher-v. Coelln I 141 f. Schwane D. G. II. Voorts werden -er ook zeer vele tractaten geschreven over de virginiteit, het -monnikschap, de volmaaktheid, de priesterschap, de opstanding -enz., zooals door Ephraem Syrus, Greg. Naz., Chrysost., Greg. -Nyss., Chrysost., benevens vele apologieën tegen Joden, Heidenen -en Ketters. Het merkwaardigst voor de geschiedenis der dogmatiek -zijn de Ὑποτυπωσεις, Institutiones theologicæ libr. VII, in -fragmenten bij Athanasius, en verzameld in Gallandii Bibl. III -662-663. Routh Reliq. Sacr. III en Migne ser. gr. 18, waarvan -de drie eerste boeken handelen over God, den Vader en den Schepper, -den Zoon en den Geest, het vierde over engelen en daemonen, -het vijfde en zesde over de incarnatie en het zevende over de -schepping. Voorts de Κατηχησεις van Cyrillus, 18 voordrachten -voor φωτιζομενοι over de waarheden des geloofs en vijf voor -νεοφωτιστοι over de mysteriën, doop, zalving, eucharistie, -liturgie, Plitt, de Cyrilli Hierosol. orationibus, quae exstant -catecheticis. Heidelb. 1855. Gregorius van Nyssa, Oratio catechetica -in 40 cap. bevat eene philosophische bewijsvoering voor de -hoofdwaarheden des Christendoms, Gods bestaan, wezen, triniteit, -schepping en val, verlossing, sacramenten, vooral boete en eucharistie, -en eschatologie. Chrysostomus’ Catecheses duo zijn vooral -zedelijke toespraken tot de catechumenen. Theodoretus gaf een -compendium van het christ. geloof in het 5<sup>e</sup> boek van zijn -Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη Haereticarum fabularum compendium. -<span class="pagenum" id="Page_66">[66]</span> -Maximus Confessor behandelde de geloofswaarheden der -kerk in korte kapittels Κεφαλαια, 200 over de leer van God, -300 over de menschwording en de zonde, 500 over de liefde. -Van groote beteekenis waren ook de vijf geschriften περι θειων -ὀνοματων, περι της οὐρανιας ἱεραρχιας, περι της ἐκκλησιαστικης -ἱεραρχιας, περι μυστικης θεολογιας benevens 10 brieven, -die in de vijfde eeuw het licht zagen en langen tijd doorgingen -voor geschriften van Dionysius Areopagita. Ze gebruikten neoplatonische -philosophie en pantheïstische mystiek tot toelichting en -bewerking der christelijke leer en werden spoedig hooggeschat, -gecommentariëerd door Maximus Confessor, Pachymeres e. a., -door theologen, mystici, asceten vooral in de Middeleeuwen gebruikt -en haast met de Schrift gelijk gesteld. Al de elementen -der dogmatische ontwikkeling werden eindelijk saamgevat en vereenigd -door Joh. Damascenus in zijn Πηγη γνωσεως. Dit werk -bestaat uit 3 deelen. In deel 1 Κεφαλαια φιλοσοφικα geeft hij -een schets der philosophie als dienares en werktuig der theologie, -bepaaldelijk der logica naar Aristoteles en Porphyrius. Deel 2 -is historisch, Περι αἱρεσεων en geeft een overzicht der ketterijen -tot Mohammed toe. Deel 3 Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως -is het eigenlijk dogmatische deel in 100 capita; hij erkent zelf -daarin niets te geven dan wat de vaderen geleerd hebben en -haalt dan ook de grieksche vaders, en Paus Leo telkens aan, -J. Langen, Johannes van Damaskus, Gotha 1879. Grundlehner, -Joh. Dam. Utrecht 1876.</p> - -<p>Eene geschiedenis van de theologie en de dogmatiek in de -Oostersche kerk na Damascenus bestaat nog niet. De patristische -tijd, waarin de groote dogmenvorming plaats had, eindigde -ongeveer met Justinianus I 527-565, of ook met Photius ± -860. Heel deze tijd van de 6<sup>e</sup> tot de 9<sup>e</sup> eeuw is een tijd van -overgang. De beeldenstrijd 726-842 is daarin de karakteristieke -gebeurtenis, Harnack, D. G. II 452 f. K. Schwarzlose, Der Bilderstreit, -ein Kampf der gr. K. um ihre Eigenart und um ihre -Freiheit, 1890. Reliquiën en beelden waren ook al voor de 5<sup>e</sup> -eeuw in gebruik, maar het christologisch dogma kwam ze ondersteunen. -Het eigenaardige van het Christendom scheen daarin -gelegen, dat het het Goddelijke zinlijk en lichamelijk tegenwoordig -maakte. Het beeld werd weldra van symbool tot drager en -orgaan van het heilige. Het heidendom keerde in de christelijke -<span class="pagenum" id="Page_67">[67]</span> -kerk terug. Maar de verdediging der beelden was juist verbonden -met die van de vrijheid der kerk en met de religieuse belangen, die -er toen aanwezig waren. Daartegenover stond de keizerlijke partij, -die de beelden bestreed maar daarmede ook de kerk aan den -staat wilde onderwerpen, die aan den keizer de vaststelling van -een kerkelijk dogma wilde laten, die door het bestrijden der -beelden Joden en Mohammedanen te gemoet wilde komen. In -de beeldenvereering trok heel de orthodoxie zich samen. In het -zinlijke wil men het Goddelijke bezitten en genieten. Johannes -Damascenus was een van de krachtigste verdedigers der beeldenvereering, -in zijne de imaginibus orationes III; hij brengt ze -met de vleeschwording Gods in Christus in ’t nauwste verband -en ziet in hare bestrijding judaïsme en manichaeisme. De dogmatische -rechtvaardiging der beeldenvereering is de laatste arbeid -der kerk in ’t Oosten geweest. De Byzantijnsche periode, van de -9<sup>e</sup> eeuw tot de inneming van Constantinopel door de Turken -1453, treedt in. Het is een tijd van rust, van machteloosheid -in het produceeren. De grieksche kerk is die der orthodoxie, zij -bewaart alleen; het christologisch dogma is het dogma bij uitnemendheid. -Toch is er tot 1453 toe een sterk wetenschappelijk -leven geweest. De geschriften der Byzantijnsche theologen, van -Damascenus af tot die welke de inneming van Constantinopel -beleefden, vormen in den Cursus patrologiae graecae van Migne -de banden 94-161. Na Damascenus, wiens dogmatiek nog tot -heden toe norma is, verdient uit de Byzantijnsche periode vooral -genoemd te worden Photius, patriarch van Constantinopel 891, -wiens hoofdwerk Μυριοβιβλος of Bibliotheca geleerde excerpten -uit allerlei schrijvers bevat en die als dogmaticus optrad in zijne -Μυσταγωγια του ἁγιου πνευματος, ed. Hergenröther, Ratisb. -1857; cf. Gass in Herzog<sup>2</sup>, Hergenröther, Photius, Patriarch v. -K., Regensburg 1867-69. Voorts Euthymius Zigabenus in de -12<sup>e</sup> eeuw, die op last van keizer Alexius I schreef eene Πανοπλια -δογματικη της ὀρθοδοξου πιστεως ἠτοι ὁπλοθηκη δογματων, en -Nicetas Choniates ± 1220 die het werk van Euthymius aanvulde -in zijn Θησαυρος ὀρθοδοξιας, ten deele uitgegeven, cf. Ullmann, -Nic. v. Meth., Euth. Zigab. und Nicetas Chon. oder die dogm. -Entw. der gr. K. im 12 Jahrh., Stud. u. Kr. 1883 4<sup>tes</sup> Heft. -Verder is het werk van Nicolaus Kabasilas, περι της ἐν Χριστῳ -ζωης λογοι ἑπτα door Gass uitgegeven 1849; en eene verhandeling -<span class="pagenum" id="Page_68">[68]</span> -van Demetrius Kydonius περι του καταφρονειν τον θανατον -door Kuinoel, Lips. 1786.</p> - -<p>Na de inneming van Constantinopel door de Turken zou de -grieksche kerk in het Oosten geheel vernietigd of tot eene secte -ineengekrompen zijn, indien ze niet steun had gevonden in het -Russische rijk, dat in de 10<sup>e</sup> eeuw gekerstend werd en het -grieksch-orthodoxe geloof in zijn geheel en zonder kritiek overnam. -Van de theol. litteratuur na dien tijd is ons nog veel -minder bekend, dan in het vroegere tijdvak. Migne’s uitgave -gaat niet verder en laat ons hier in den steek. Een overzicht -van namen en werken wordt gegeven in Νεοελλενικη φιλολογια, -συγγραμμα Κωνσταντινου Σαθα, Athene 1868. De pogingen -tot vereeniging met Rome op de concilies van Lyon 1274 en -Florence 1439 zijn ons uit de akten bekend. De correspondentie -van de Tubingsche theologen 1576 met den patriarch Jeremias II -is te Wittenberg 1584 uitgegeven, Gass Symb. der gr. K. 45 f.; -over die van Cyrillus Lucaris met vele protest. theologen en -staatslieden zie men Gass, art. Lucaris in Herzog<sup>2</sup> 9, 5 f., -Kattenbusch 141 f. Men kan de geschiedenis dezer litteratuur -niet in één woord: versteening, orthodoxisme, enz. samenvatten. -Het zwaartepunt der grieksche kerk is naar Rusland verlegd, -en Rusland is nog jong, heeft nog geen verleden en komt eerst -op. Zijn litterarisch en wetenschappelijk leven heeft nog pas een -aanvang genomen. Uit de vorige eeuw wordt genoemd Theophanes -Procopowitsch, die als de vader der russische systematische -theologie geldt, Philaret, Gesch. der Kirche Russlands II 209 v. -En uit deze eeuw Philaret, Ausführl. Catech. der rechtgläub. -kath. morgenl. Kirche in ’t werk van Philaret Gesch. d. K. Russl. -II 293 f. Macarius, Handbuch zum Studium der christl. orthodox. -dogm. Theol., deutsch von Blumenthal 1875. Zie Zöckler Supplement -112 f. Kurtz, Lehrb. d. K. G. § 68. Gass, Beiträge zur -kirchl. litt. u. dogm. gesch. des gr. M. A., 2 Bde. Breslau -1844-47. Ook: A. v. Reinholdt, Gesch. der russ. Lit. v. ihren -Anfängen bis auf die neueste Zeit 1886. K. Krumbacher, Gesch. -der byzant. Litt. 1891. Kattenbusch, Conf. 252-287. Het leerbegrip -der grieksche (russische) kerk is te vinden bij Walch I -431 sq. E. J. Kimmel, Monumenta fidei ecclesiae orientalis, -2 Bde. 1850. Schaff, Creeds of Christ. I. 1881. p. 24-82; -II 57-73; 275-554. Μεσολωρας, Συμβολικη της ὀρθοδοξου -<span class="pagenum" id="Page_69">[69]</span> -ἀνατολικης ἐκκλησιας I 1883. W. Gass, Symbolik der gr. Kirche -1872. H. Schmidt, Handbuch der Symbolik, 1890. S. 30 f. -Hoffmann, Symboliek bl. 130 v. Kattenbusch, Lehrb. der vergl. -Confessionskunde I: Die orthodoxe anatolische Kirche I 1892. -Voorts kan men nog raadplegen over de kerken in het Oosten, -vooral in Rusland, de werken genoemd door Walch Bibl. theol. -sel. II 559 sq. Le Quien, Oriens christianus, 3 Bde. 1740. J. -Mason Neall, History of the holy eastern church I 1850. Gass, -art. Gr. u. gr. russ. Kirche, Konstant. in Herzog<sup>2</sup>. J. Silbernagl, -Verfassung und gegenwartiger Bestand sämmtlicher Kirchen des -Orients, Landshut 1865. Victor Frank, Russische Selbstzeugnisse. -I Russ. Christ. Paderborn 1889. H. Dalton, Die russ. Kirche, -Leipzig 1892. Presb. and Ref. Rev. Jan. 1892 p. 103 v. Anatole -Leroy Beaulieu, Das Reich des Czaren und der Russen, autor. -deutsche mit Schluszbemerkungen versehene Ausgabe von L. -Pezold und J. Muller. Sondershausen 1884-90. III Bd.: Die -Macht der Religion, Kirche, Geistlichkeit und Sektenwezen in -Russland. H. Dalton, Evangel. Strömungen in der russ. Kirche -der Gegenwart, Heilbronn 1881. Nik. von Gerbel-Embach, -Russische Sectirer, Heilbronn 1883 (beide in de Zeitfragen des -Christ. Volkslebens Bd. VI en VIII). Over de Stundisten: The -Stundists, the story of a great religious revolt. James Clarke, -Fleetstreet, London. Dr. Ferd. Knie, Die russ.-schismatische Kirche, -Ihr Lehre und ihr Cult. Graz 1894. Kattenbusch 234 f. 542 f.</p> - -<h4>C. De Dogmatiek in de Latijnsche, Roomsche Kerk.</h4> - -<p>8. De kerk en theologie draagt in het Westen van den aanvang -af een eigen karakter. Bij Tertullianus, Cyprianus, Irenaeus -komt dit reeds duidelijk uit. In het Oosten is de heerschende -gedachte in de dogmatiek deze, dat de mensch door de zonde -aan de φθορα onderworpen is en nu door God zelven in Christus -van den dood bevrijd en het leven, de onsterfelijkheid, de goddelijke -natuur deelachtig wordt gemaakt. De ideeën van substantie, -wezen, natuur, staan hier op den voorgrond en kweeken -stilstand, rust, zoowel in de leer als in het leven. In het -Westen daarentegen valt de nadruk op de relatie, waarin de -mensch tot God staat. En deze relatie is die van een schuldige -tegenover een rechtvaardig God, wiens geboden hij overtreden -<span class="pagenum" id="Page_70">[70]</span> -heeft. Christus heeft echter door zijn werk de genade Gods, -de vergeving der zonden, de kracht tot onderhouding der wet -verworven. En dit drijft uit tot een werkdadig leven, tot -gehoorzaamheid en onderwerping. In het Oosten sluit men zich -vooral bij Johannes, in het Westen bij Paulus aan. Daar ligt -het zwaartepunt in de vleeschwording, hier in den dood van -Christus. Daar staat de persoon, hier het werk van Christus -op den voorgrond. In het Oosten komt het in de eerste plaats -aan op de godmenschelijke natuur, op de eenheid van beide -naturen in Christus; in het Westen daarentegen op het onderscheid -van beide naturen, op de Middelaarsplaats, welke Christus -tusschen God en mensch inneemt. Daar heerscht het mystische, -liturgische, hier het juridische, politieke element, Kattenbusch, -Confessionskunde I 103 f. Dit onderscheid is van den beginne -af aanwezig. De scheuring was eene kwestie van tijd. Met de -opkomst van Constantinopel begon de openlijke strijd. Constantinopel -kon niet wijzen op een apostolischen oorsprong en ontleende -al zijne beteekenis aan de politiek, aan het keizerlijk -hof. Het wilde een tweede Rome zijn. De bisschop van Constantinopel -kreeg volgens het concilie van 381 can. 3 τα πρεσβεια -της τιμης na den bisschop van Rome, δια το εἰναι αὐτην νεαν -Ρωμην. Daarmede was het tevreden, met eene plaats naast -Rome. Het Oosten wilde ééne kerk, ja, maar in twee helften, -met twee keizers, twee hoofdsteden, twee bisschoppen van gelijken -rang. De grieksche kerk noemt zich de orthodoxe, zij acht -zichzelve in het volle bezit der waarheid, zij rust en geniet. -Maar zij noemt zich ook de anatolische, zij bindt zich aan een -bepaald land en is hiermede voldaan. Gansch anders was het -met Rome. Rome handhaafde zich niet als politieke stad naast -Constantinopel, maar plaatste zich als sedes apostolica hoog -boven Constantinopel. Rome vertegenwoordigde en verdedigde -een religieus belang. Het baseerde zijne aanspraken en rechten -weldra op Mt. 16:18, en eischte eene universeele, eene katholieke -plaats. In de Westersche kerk zit daarom eene aggressieve, -eene wereldveroverende tendenz. Deze tweeërlei richting dreef -het Oosten en Westen uiteen. Toen daarbij nog verschillen -kwamen in gebruiken, riten en vooral in de belijdenis van het -filioque, werd het schisma hoe langer hoe meer voorbereid. In -1054 kwam het formeel tot stand.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_71">[71]</span> -Toch was het Westen in veel opzichten van het Oosten -afhankelijk. Hier was toch het eerst de kerk gesticht. Hier -traden de Apostolische vaders en de Apologeten op. Hier werd -de machtige strijd tegen het Gnosticisme en het Manichaeisme -gestreden. Hier werden de theologische en christologische dogmata -op de conciliën vastgesteld. Synoden zijn er, in de tweede -eeuw, het eerst in Klein-Azië opgekomen. De oecumenische -conciliën, van 325 af tot het midden der 9<sup>e</sup> eeuw toe, zijn alle in -het Oosten, in Klein-Azië of Constantinopel gehouden, en worden -tot dat van 879 toe alle ook door de Westersche kerk erkend. -De objectieve grondslagen van de kerkleer zijn in het Oosten en -Westen dezelfde. Sedert de tweede helft der tweede eeuw drong -de oostersche theologie ook in het Westen door. Victorinus Rhetor, -Hilarius, Ambrosius, Hieronymus, Rufinus hebben de theologische -gedachtenwereld van het Oosten naar het Westen overgebracht. -Oudtest. exegese, platonische theologie, monnikenwezen, het ideaal -der virginiteit deden in het westen hun intocht en huwden -daar met den westerschen geest. Ambrosius † 397, bestudeerde -de werken van Clemens, Origenes, Didymus, vooral van Basilius, -en bracht de Oudtest. exegese (Hexaemeron, de Paradiso, de -Cain et Abel etc. naar Basilius), het ideaal der virginiteit in -den zin van het mystieke huwelijk der ziel met Christus (de -virginitate, liber de Isaac et anima, naar Origenes, Methodius), -en ook de triniteitsleer en de christologie der Cappadociërs, -(Libri V de fide, Libri III de Spiritu S<sup>o</sup>, liber de incarnationis -dominicæ sacramento) in het Westen over. Hilarius van Pictavium -† 368 verkeerde gedurende zijne ballingschap 356-359 in Kl. -Azië, lichtte in zijn werk de Synodis seu de fide Orientalium -de bisschoppen van Gallie in over den christologischen strijd in -het Oosten, verdedigt deze leer in zijn werk de Trinitate in 12 -boeken, en maakt in zijne exegetische werken over Mattheus en -enkele psalmen ruim gebruik van de typische en allegorische -exegese. Victorinus rhetor, door Augustinus, Conf. 8,2 zeer geprezen, -voerde in zijne geschriften Liber ad Justinum Manichæum -contra duo principia Manichæorum et de vera carne Christi, in -zijn liber de generatione divina en in zijn strijdschrift Adversus -Arium Libri IV de neoplatonische philosophie in de theologie in -en werd daardoor van den grootsten invloed op Augustinus. -Rufinus † 410 verkeerde vele jaren in Egypte en Palestina, en -<span class="pagenum" id="Page_72">[72]</span> -ging om met de kluizenaars, met Hieronymus, Didymus in -Alexandrië, Johannes in Jeruzalem, en was vooral daardoor van -beteekenis, dat hij vele grieksche werken van Josephus, Eusebius, -Origenes, Basilius, Gregorius Naz., enz. in ’t latijn bewerkte. -Bovendien schreef hij eene Historia monachorum, biografieën -van 33 heiligen in de nitrische woestijn, en Peregrinationes -ad loca sancta; verschillende commentaren op boeken des O. T.; -en eindelijk eene Expositio symboli apostolici, wier waarde voor -de historie grooter is dan voor de dogmatiek. Eindelijk moet -hier Hieronymus † 420 genoemd worden. Schoon opgevoed in -Rome, vertoefde hij ’t grootste deel van zijn leven in Syrië en -Palestina. Zijne verdienste ligt vooral in zijne vele Schriftstudiën; -in de theologie is hij weinig zelfstandig, en zeer angstig -voor zijne orthodoxie; in zijne exegese huldigt hij dikwerf de -allegorische methode van Philo en de Alexandrijnsche theologen, -vooral is hij een lofredenaar van de askese; hij verdedigde de -jonkvrouwelijkheid van Maria tegen Helvidius, de verdienstelijkheid -van het vasten en van het coelibaat tegen Jovinianus, de -vereering der martelaars en van hunne reliquiën tegen Vigilantius -en spreekt naar Luthers woord in de tafelgesprekken altijd van -vasten, spijze, virginiteit en schier nooit van geloof en hoop -en liefde.</p> - -<p class="sep2">9. Heel deze dogmatische ontwikkeling van het Oosten en -Westen loopt uit op Augustinus. De triniteitsleer en de christologie -van de Oostersche theologen; de leer van mensch, zonde, genade, -geloof, voldoening, verdienste van Tertullianus en Ambrosius; -het neoplatonisme van Victorinus; de leer van Cyprianus over -kerk en sacrament; het monnikideaal van Hieronymus en Hilarius; -dat alles is door Augustinus overgenomen en door hem, in zijn -rijke levenservaring, tot zijn geestelijk eigendom gemaakt. Een -theologisch, dogmatisch systeem heeft Augustinus niet geleverd. -De stof die hem van alle kanten, uit Schrift, traditie, philosophie, -toestroomt en die hij door zijn rijke persoonlijkheid uitbreidt -en vermeerdert, liet zich niet in eens overzien en systematiseeren. -Het voornaamste, dat Augustinus in dit opzicht geleverd -heeft, is zijn Enchiridion de fide, spe et caritate, eene verklaring -van de voornaamste geloofswaarheden aan de hand van het apost. -symbool. Maar aan tegenstrijdigheden ontbreekt het in zijne leer -<span class="pagenum" id="Page_73">[73]</span> -niet, vooral niet aan die tusschen zijne kerk-en zijne genadeleer. -Reuter heeft aangetoond, dat die tegenstrijdigheden niet te vereffenen -zijn, en dat de gedachten van Augustinus zich niet in -een systeem laten samenvatten. En toch is er geen kerkvader -geweest, die zoo diep alle theol. problemen heeft ingedacht en -zoo geworsteld heeft om tot eenheid te komen, Harnack III 87. -Hij is de eerste geweest, die zich duidelijk trachtte rekenschap -te geven van al die theol. vragen, welke later in de prolegomena -der dogmatiek zouden behandeld worden, en die tot de laatste -psychologische en noëtische problemen doordringt. Het vaste punt, -waarvan hij uitgaat, is de mensch, zijn zelfbewustzijn, zijne -onuitroeibare zucht naar en behoefte aan waarheid, geluk, ’t goede, -welke alle één zijn. Dit uitgangspunt is zeker en betrouwbaar -(tegen de sceptici), wijl het twijfelen zelf nog geloof aan waarheid -onderstelt en het zelfbewustzijn de laatste grond der waarheid -is. Augustinus werd zelf door zulk eene brandende waarheidsliefde -verteerd. Nu neemt Augustinus wel twee kenorganen aan, -sensus en intellectus. Maar de kennis, door ’t laatste verkregen, -gaat die van het eerste ver te boven. Het zinlijke is de waarheid -zelve niet, het is er maar een beeld van. Eeuwige, onveranderlijke -waarheid is slechts door het denken te vinden. Wel ontkent -Augustinus niet, dat wij ook door het zienlijke heen tot het -onzienlijke kunnen opklimmen, maar gewoonlijk zoekt hij den -weg tot de waarheid niet buiten ons door de natuur heen, maar -door ’s menschen eigen geest. Daar vindt hij in zijne, in de aan -allen eigene rede eeuwige, onveranderlijke waarheden, welke -zelve weer terugwijzen op en zich samenvatten in God: de hoogste -waarheid, het hoogste zijn, het eenig goed, aeterna ratio, principium -universorum. Daarom, wijl God de volle waarheid, het -zijn, het goede, het schoone zelf is, daarom is er in Hem alleen -rust voor den mensch, voor zijn denken en willen. Zelfkennis -en Godskennis zijn de twee polen, waartusschen al zijn denken -zich beweegt. De wetenschap der natuur wordt wel niet veracht, -maar toch achtergesteld. Deum et animam scire cupio! Noverim -me noverim te! God is de zon der geesten. We zien en kennen -geen waarheid dan in en door zijn licht.</p> - -<p>Maar de philosophie is toch onvoldoende. Niet slechts door -het onvermogen der rede, om den weg tot de waarheid te vinden, -maar vooral ook doordat haar de superbia in den weg staat. -<span class="pagenum" id="Page_74">[74]</span> -En humilitas is alleen de weg ten leven. Er is daarom nog een -andere weg tot de waarheid, n.l. de auctoritas, de fides. Het -onderstelt eenerzijds eenig weten, maar zoekt andererzijds naar -weten en streeft naar kennis. Niet alleen het bestaan van God -en de onsterfelijkheid der ziel, maar ook de triniteit trachtte -Augustinus uit de natuur en vooral uit den mensch zelf te bewijzen. -Maar God is voor hem niet het abstracte, praedicaatlooze -zijn, maar de levende God, de hoogste waarheid en het hoogste -goed, de hoogste zaligheid, en daarom de eenige en volle bevrediging -van ’s menschen hart. Heel Augustinus’ denken is religieus, -theologisch; hij ziet alles in God. In dat licht beziet hij -ook de wereld; zij is eenerzijds een niet-zijn, een beeld, vergankelijk, -maar andererzijds als schepping Gods een kunstwerk, -naar de ideeën in Gods bewustzijn geschapen, en allengs, trapsgewijze, -bij graden die ideeën realiseerende, en eene eenheid -vormende, die de rijkste verscheidenheid in zich bevat; de dingen -verschillen onderling in mate van zijn en dus van waarheid en -goedheid. Ze is een kosmos, berustend op idee en getal, orde, -maat, samengehouden door één wil, één rede, een amplissima -inmensaque respublica; waarin de wonderen slechts zijn contra -quam est nota natura, waarin de zonde slechts eene privatio is, -door de straf wordt gecompenseerd, en mede bijdraagt tot de -schoonheid en harmonie van het geheel. In het pulcherrimum -carmen der schepping is ook deze antithese van noode; de zonde -is aan de tegenstellingen in eene redevoering, aan de barbarismen -in de taal, aan de schaduw op de schilderij gelijk. Augustinus -tracht het kwade in te voegen in de orde van het geheel. Maar -daarmee vergoelijkt hij de zonde niet. Hij stelt n.l. ’t doel der -dingen niet in ’t ethisch goede, maar daarin dat de schepping is -en meer en meer worde een harmonische openbaring van al Gods -deugden en volmaaktheden. En daaraan wordt de zonde ook door -Gods wil dienstbaar gemaakt. Voorts weet men, hoe diep en -ernstig Augustinus de zonde opvatte. Nondum considerasti, -quanti ponderis sit peccatum. Hij zag het om zich heen en voelde -het: de mensch zoekt God en heeft behoefte aan Hem, en hij -kan en wil niet tot Hem komen. Aan den mensch is nog alleen -goed, dat hij is. De menschheid is eene massa perditionis. Zonde -is vooral hoogmoed, superbia in de ziel en concupiscentia is -’t lichaam. Zonde is in Adam ons aller daad geweest en daarom -<span class="pagenum" id="Page_75">[75]</span> -ons aller lot geworden. Zij is carentia dei, privatio boni, eene -daad niet alleen maar een toestand, natura vitiata, een defectus, -inopia, corruptio, een non posse non peccare. Deugden der -heidenen zijn splendida vitia. Redding uit dien toestand is er -alleen door de gratia, die haar aanvang reeds neemt in de praedestinatio, -die zich objectief openbaart in den persoon en het -werk van Christus, certum propriumque fidei catholicae fundamentum, -maar die ook subjectief in ons komen moet als gratia -interna, en ’t geloof en de liefde ons moet instorten. Maar die -gratia werkt bij Augustinus alleen binnen de grenzen der zichtbare -kerk. Deze is bij hem eene inrichting des heils, uitdeelster -der genade, zetel der autoriteit, waarborg der Schrift, woonplaats -der liefde, stichting des Geestes, ja het regnum Dei zelf. Augustinus -heeft diep het belang der gemeenschap voor de religie gevoeld; -de kerk is de moeder der geloovigen. De leer van de -praedestinatio en van de gratia is met dit begrip van kerk en -sacrament niet overeen te brengen. Multi qui foris videntur intus -sunt et multi qui intus videntur foris sunt. Er zijn schapen -buiten en wolven binnen de kooi. Ook leerde Augustinus wel de -perseverantia sanctorum, maar hij durfde de subjectieve verzekerdheid -daarvan niet aan. En juist vanwege deze opvatting van kerk -en sacrament konden het geloof en de vergeving in de theologie -van Augustinus niet tot hun recht komen. Geloof en liefde, vergeving -en heiligmaking worden niet duidelijk onderscheiden. Het -is alsof geloof en vergeving maar voorloopig zijn; Augustinus -gaat van deze terstond tot de liefde, de heiligmaking, de goede -werken over. De gemeenschap met God, de religio, wordt daardoor -het resultaat van een proces, dat geloof, liefde, goede -werken, enz. langzamerhand tot stand doen komen. De zaligheid, -het eeuwige leven, de visio en fruitio Dei, worden toch weer -eene vrucht van verdienste, en askese is een van de middelen, -die <ins id="cor_8" title="den den">den</ins> mensch dit doel doen bereiken.</p> - -<p>Zoo is Augustinus van de grootste beteekenis geworden voor -de latere dogmatiek. Hij beheerscht de volgende eeuwen. Elke -reformatie keert tot hem en tot Paulus terug. In elk dogma -heeft hij een formule gevonden die door allen overgenomen en -herhaald wordt. Zijn invloed strekt tot alle kerken, richtingen -en secten zich uit. Rome beroept zich op hem voor hare leer van -kerk, sacrament en autoriteit; de reformatie voelde zich aan hem -<span class="pagenum" id="Page_76">[76]</span> -verwant in de leer van praedestinatio en gratia; de scholastiek -bouwde voort op de fijnheid zijner waarneming, de scherpte van -zijn verstand, de kracht zijner speculatie, Thomas heette optimus -interpres S. Augustini; de mystiek vond stof in zijn neoplatonisme -en religieus enthusiasme; roomsche en protestantsche -vroomheid sterkt zich door zijne geschriften; askese en piëtisme -vinden voedsel en steun hij hem. Augustinus behoort niet aan ééne -kerk, maar aan alle kerken te zamen. Hij is Doctor universalis. -Zelfs de philosophie kan niet dan tot eigen schade hem verwaarloozen. -En door zijn schoonen, betooverenden stijl, door zijne -fijne, nauwkeurige, hoogst individueele en toch weer algemeen-menschelijke -uitdrukking is hij meer dan eenig ander kerkvader -nog heden te genieten. Hij is de meest christelijke en de meest -moderne van alle kerkvaders, hij staat van allen het dichtst bij -ons. Hij heeft de aesthetische wereldbeschouwing vervangen door de -ethische, de klassieke door de christelijke. Onze beste, diepste -en rijkste gedachten in de dogmatiek danken wij aan hem. Augustinus -is <i>de</i> dogmaticus der christelijke kerk geweest. Cf. Harnack. -Dogm. III<sup>2</sup> 3-215.</p> - -<p class="sep2">10. Het Augustinisme was meer dan eene eeuw voorwerp van -heftigen strijd, het hield de gemoederen verdeeld. Het vond -niet alleen bestrijding bij Pelagius, Coelestius, Julianus, de -eigenlijke Pelagianen, maar ook bij vele monniken in Gallie, -onder wie vooral genoemd worden Joh. Cassianus, Vincentius -van Lerinum, die in zijn Commonitorium niet alleen de kenmerken -der traditie aangeeft maar aan het slot ook tegen het strenge -Augustinisme partij kiest, Eucherius van Lyon, Hilarius van -Arles, Salvianus van Massilia, Faustus van Rhegium, Gennadius -van Massilia, schrijver van de fide sua ceu de dogmatibus ecclesiasticis -in 88 capita. Aan Augustinus’ zijde stonden, behalve -Possidius van Calama in Numidië, Orosius van Bracara in Spanje, -Marius Mercator in Constantinopel e. a. vooral ook Prosper -Aquitanus, Vigilius van Tapsus in Numidië, Fulgentius van -Ruspe, schrijver van de fide ad Petrum seu de regula verae -fidei, een korte schets van de hoofdwaarheden des geloofs, Caesarius -van Arles, Avitus van Vienna e. a. De synode te Orange -in 529 gaf in den strijd wel eenige beslissing ten gunste van -Augustinus, maar voorkwam niet, dat semipelagiaansche denkbeelden -<span class="pagenum" id="Page_77">[77]</span> -hoe langer hoe meer ingang vonden. De gratia praeveniens -werd aangenomen, maar de gratia irresistibilis en de -particuliere praedestinatie toch niet beslist aanvaard, Wiggers. -Versuch einer pragm. Darstellung des August. u. Pelag. Hamburg, -Perthes, 2 Theile. 1833. Id. Zeits. f. d. hist. Theol. 1854-1859 -behandelt denzelfden strijd van Gregorius tot Gottschalk. Harnack, -D. G. III 219 f. In het vervolg bleef er van het Augustinisme -niet veel over. Paus Gregorius de Groote † 604, naast -Augustinus, Hieronymus en Ambrosius wel de vierde groote -kerkleeraar genoemd, heeft niets nieuws voortgebracht, maar -heeft de ideeën der vroegere kerkleeraars zich toegeeigend en voor -het leven op velerlei wijze verwerkt. Zijne richting is practisch -en tegelijk mystisch-allegorisch. Hij heeft geen systeem gevormd, -maar eenvoudig het verkregene bewaard, de dogmata voor -clerus en leek pasklaar gemaakt, en vooral de verschillende -middelaars en middelen (engelen, heiligen, Christus, aalmoes, -zielmis, vagevuur, boete) geschematiseerd, die het den verzwakten -wil des menschen mogelijk maken, om van de straffen der -zonde bevrijd te worden. Door dit alles heeft hij met trouwe -zorg gearbeid aan de opvoeding der nieuwe volken en aan -de vorming van den clerus. Hij heeft de uitwendige wettelijke -religie der roomsche kerk gesanctioneerd, en aan het middeleeuwsch -katholicisme zijn eigenlijke type gegeven. Hij is de sluitsteen -der oude, de grondsteen der nieuwe wereld. Door zijne liturgische -geschriften en door zijn kerkgezang heeft hij den roomschen -cultus onder de Germanen ingevoerd. Door populariseering -van de dogmata der kerkvaders heeft hij de leer der kerk practisch -bruikbaar gemaakt voor de onbeschaafde, heidensche Germanen -en bijgeloof, askese, werkheiligheid bevorderd. Met -Boethius en Cassiodorius heeft hij op de vorming en het ontstaan -der wetenschap bij de Germanen grooten invloed geoefend. -Cassiodorius † ± 565 schreef een Liber de artibus ac disciplinis -liberalium litterarum en besprak daarin de beteekenis van elk -der 7 vrije kunsten en gaf in zijn werk de institutione divinarum -litterarum eene methodologie der theol. studie. Boethius heeft -door zijne vertalingen en verklaringen van de logika van Aristoteles, -de Isagoge van Porphyrius de kennis en het gebruik der grieksche -philosophie bij de Germanen ingeleid. En Gregorius heeft -de theologie in de kerk naar de Germanen overgebracht, Harnack, -<span class="pagenum" id="Page_78">[78]</span> -D. G. III 233-244. Lau, Gregor. I nach seinem Leben und -seiner Lehre geschildert, Leipzig 1845, art. in Herzog<sup>2</sup>. Alzog, -Patrologie 500.</p> - -<p>Bij alle gemis van cultuur en bij de onrust der volksverhuizing -kon er in den eersten tijd onder de germaansche volken van een -wetenschappelijk leven geen sprake zijn. De eerste sporen zijn -te vinden in de bijbelvertaling en de ariaansche geloofsbelijdenis -van Ulfilas † 383. Tegen het einde der 5<sup>e</sup> eeuw waren de -Oost-en Westgothen, Vandalen, Sueven, Bourgondiers, Herculers, -Longobarden enz. reeds gekerstend in ariaanschen zin. Maar -Clovis 481-511 nam met zijn Frankenrijk het roomsche Christendom -aan. Patrik, schrijver van Confessiones, is apostel der -Ieren † 465. Schotland werd gekerstend door Columba † 597. -De Angelsaksen werden bekeerd door Augustinus met 40 monniken, -daarheen gezonden door Paus Gregorius I in 596. Fridolinus -en Columbanus † 615 e. a. werkten in <ins id="cor_9" title="Erankrijk">Frankrijk</ins> en Italië; -de laatste liet belangrijke brieven en ook een regula coenobialis -na. Allemannië, Beieren, Thuringen, Friesland enz. werden in de -6<sup>e</sup> en 7<sup>e</sup> E. gekerstend. Bonifacius is de apostel der Duitschers -in de 8<sup>e</sup> eeuw † 755, J. P. Muller, Bonif. eene kerkhist. studie, -Amst. 1869. De Saksers werden ’t laatst onder Karel den -Groote door oorlogen 772-804 toegebracht, en het Noorden -vooral door Ansgar † 865. Een der eerste dogmatici is Isidorus -Hispalensis † 636; zijne geschriften zijn van grammatischen, -historischen, archaeologischen, dogmatischen, moreelen en ascetischen -inhoud en omvatten al wat in dien tijd te weten viel. -Hij brengt de klassieke en patristische geleerdheid over tot -zijn volk. Hij is niet oorspronkelijk, maar geeft uittreksels -uit heidensche en christelijke werken. In zijn Originum sive -etymologiarum libri XX spreekt hij in boek 6 over de Schrift, -in boek 7 over God, de engelen, profeten, apostelen, clerici, -geloovigen, in boek 8 over de kerk, in boek 9 over de volken. -Zijne Libri III Sententiarum s. de summo bono is vooral -geexcerpeerd uit Augustinus en Gregorius en is een voorbeeld -voor de middeleeuwsche sententieverzamelaars geweest. Boek I -handelt over God, schepping, tijd, wereld, zonde, engel, mensch, -ziel, Christus, H. Geest, kerk, ketterij, wet, Schrift, Oud en -Nieuw Verbond, gebed, doop, martyrium, wonderen, antichrist, -wereldeinde; boek II en III zijn van ethischen inhoud. Het is -<span class="pagenum" id="Page_79">[79]</span> -een compendium, dat het theologisch kapitaal der vorige eeuwen -aan het Germaansche volk overlevert. Maar tot eene zelfstandige -bewerking kwam het niet. Karel de Groote trachtte wel -met geweld de oude cultuur in het Frankenrijk intevoeren. En -inderdaad ontbrak het in de karolingische periode niet aan -mannen van groote geleerdheid, maar vlijtig verzamelen en onzelfstandig -reproduceeren blijven toch de karaktertrekken van de -periode, die met de 7<sup>e</sup> E. begint en eerst met de kruistochten -eindigt. Augustinus en Gregorius waren de autoriteiten. De voornaamste -onder deze karolingische theologen was Alcuinus † 804, -die het adoptianisme van Elipandus van Toledo en Felix van -Urgel bestreed in Liber contra haeresin Felicis, Libri VII contra -Felicem en Libri IV adv. Elipandum en voorts nog schreef de -fide sanctae et individuae Trinitatis Libri III, de Trinitate ad -Fredegisum quaestiones en Libellus de processione Sp. S<sup>i</sup>. In al -deze werken toont Alcuinus zijne vertrouwdheid met de werken -der kerkvaders, hij weerlegt de adoptiaansche dwalingen met -dezelfde argumenten die vroeger tegen het Nestorianisme b.v. -door Cyrillus werden gebezigd. De studie van Augustinus leidde -Gottschalk in de 9<sup>e</sup> E. tot belijdenis der gemina praedestinatio; -hij vond steun bij Prudentius van Troyes, Remigius van Lyon, -Ratramnus, Lupus van Ferrières e. a., maar werd tevens heftig -bestreden door Rhabanus, Hinkmar, Erigena. Het filioque kwam -uit Spanje in het Frankenrijk en werd opgenomen in ’t symbool. -Reeds op de synode te Gentilly 767 had men de overtuiging, -dat het symbolisch was. Het werd met talent door Karels theologen -verdedigd, Alcuinus de processione Sp. S<sup>i</sup>., Theodulf van -Orleans de Spiritu S<sup>o</sup>. De synode te Aken 809 besliste, dat -’t filioque in het symbool behoorde. De beeldenvereering vond in -het Frankenrijk tegenkanting, de 7<sup>e</sup> oecumenische synode, die -servitium en adoratio der beelden verlangde, werd niet erkend, -maar na de 9<sup>e</sup> eeuw zweeg allengs de oppositie. En eindelijk -werd in de karolingische periode ook nog de mis verder ontwikkeld, -vooral door Pachasius Radbertus, liber de corpore et -sanguine domini 831, die bestreden werd door Rhabanus en -Ratramnus. Radbertus is ook bekend als schrijver van een compendium -de fide, spe et caritate, dat geloofswaarheden tot een -zeker geheel samenvat. Vooral verdient in deze periode nog genoemd -te worden Joh. Scotus Erigena † ± 891, ofschoon hij -<span class="pagenum" id="Page_80">[80]</span> -meer thuis hoort in de philosophie dan in de theologie. Hij is -niet de vader der scholastiek maar der speculatieve theologie. -Hij sluit zich aan bij de gnosis van Origenes en de mystiek van -Pseudo-dionysius. Zijne grondgedachte is de neoplaton. emanatieleer. -In zijn werk de divisione naturae zegt hij eerst, dat theologie -en philosophie eigenlijk één zijn. De recta ratio en de vera auctoritas -strijden niet. De fides heeft haar waarheid, als theologia -καταφατικη, affirmativa, in Schrift en traditie, maar de rede, als -theologia negativa, ἀποφατικη, ontdoet deze waarheid van hare -omhulselen en spoort er de idee van op. Zoo verandert hij de -dogmatische waarheid in een kosmisch en theogonisch proces. Al -’t zijnde vat hij samen onder één begrip, natura, welke in 4 -Stufen van ’t zijnde, door den Logos heen, in de verschijningswereld -zich openbaart en weer tot God terugkeert.</p> - -<p class="sep2">11. Na de tiende eeuw, het saeculum obscurum, ontwaakt er -overal een nieuw leven. Van het klooster te Clugny gaat er -eene religieuse reformatie uit, die in de bedelorden der 12<sup>e</sup> eeuw -zich voortzet. De vroomheid wordt opgevat als een navolgen en -nabootsen van het leven van Jezus, vooral in zijne laatste -lijdensweek. De kruistochten brengen nieuwe gedachten en verruimen -den gezichtskring. De macht der Pausen neemt toe en -stelt zich niets minder dan de wereldheerschappij tot haar ideaal. -De wetenschap krijgt in de Universiteiten eene eigen kweekplaats -en treedt in de theologie op als scholastiek. Theologia scholastica -duidt, in onderscheiding van de theologia positiva, die de -dogmata in eenvoudigen, thetischen vorm voordraagt, aan, dat -de dogmatische stof naar eene wetenschappelijke, in de scholen -gebruikelijke methode, verwerkt wordt. Scholastiek is op zichzelve -niets anders dan wetenschappelijke theologie. Zij begint, -waar de theologia positiva eindigt. Deze is tevreden, als zij de -dogmata heeft uitgesproken en bewezen. Maar de theologia -scholastica gaat van die dogmata als hare principia uit, Thomas, -S. Theol. I qu. 2 en 8, en tracht van daar uit door redeneering -den samenhang der dogmata op te sporen, dieper in de kennis -der geopenbaarde waarheid in te dringen, en ze tegen alle bestrijding -te verdedigen. In de Middeleeuwen kreeg de scholastiek -echter door verschillende omstandigheden een bepaald karakter, -dat haar in discrediet heeft gebracht. Ten eerste was het in de -<span class="pagenum" id="Page_81">[81]</span> -Middeleeuwen met bronnenstudie zeer droevig gesteld. De waarneming -werd in theorie niet als principium der kennis geloochend, -maar feitelijk legde men zich eenvoudig bij de overlevering neer -en meende men, dat de vroegere geslachten de waarneming al -voldoende hadden toegepast en volledig in de boeken hadden -neergelegd. Physica, medicijnen, psychologie enz., alles werd -uit boeken bestudeerd. In de theologie lag de stof volledig -voor oogen in de Schrift, maar vooral in de traditie, in de -kerkvaders, conciliën enz. De scholastiek stond daar niet kritisch -en skeptisch, maar kinderlijk geloovig tegenover. Het geloof was -uitgangspunt der scholastiek. Men zocht de dogmatische stof in -de Schrift en de traditie en nam ze aan zonder eenige kritiek. -Van de Schrift kwam daarbij dikwerf niet veel te recht. Hebreeuwsch -en grieksch kende men niet. Grammaticale en historische zin -ontbrak schier geheel. Men haalde de stof vooral uit de kerkvaders, -uit Augustinus, Hilarius, Ambrosius, Hieronymus, Gregorius, -Isidorus, Pseudodionysius, Damascenus en Boëthius. -Daarbij kwam <ins id="cor_10" title="nn">nu</ins> in de tweede plaats, dat het denken door de -logische geschriften van Aristoteles allengs geoefend werd, om -deze dogmatische stof dialectisch en systematisch te verwerken. -Eerst waren er van Aristoteles slechts de beide logische geschriften -de categoriis en de interpretatione in latijnsche vertaling, -benevens de inleiding van Porphyrius op de categoriën, en verschillende -commentaren vooral van Boëthius bekend; van Plato -had men slechts een gedeelte van den Timaeus in vertaling en -voorts aanhalingen bij Augustinus, pseudo-Dionysius e. a. De -wetenschap buiten de theologie was in het trivium en quadrivium -verdeeld en was vervat in het encyclopaedisch werk van Cassiodorius. -Eerst sedert ’t midden der 12<sup>e</sup> eeuw werd het Organon van -Aristoteles volledig bekend en in ’t begin der 13<sup>e</sup> eeuw ook zijne -andere werken over metaphysica, physica, psychologie en ethiek. -Aan deze philosophie ontleende men de dialectische methode, -maar voorts ook allerlei problemen en kwesties over de verhouding -van geloof en rede, theologie en philosophie, over de realiteit -der algemeene begrippen, over de eigenschappen Gods, de wonderen, -de schepping van eeuwigheid, de ziel enz. Aristoteles -werd praecursor Christi in naturalibus, evenals Johannes de Dooper -in gratuitis. Allerlei kosmologische, natuurkundige, psychologische, -philosophische stof werd daardoor in de dogmatiek opgenomen. -<span class="pagenum" id="Page_82">[82]</span> -De dogmatiek was geen geloofsleer meer maar werd een systeem -der philosophie, eene encyclopaedie der wetenschap, waarin allerlei -wijsgeerige stof werd opgenomen maar waarin de religie dikwerf -te kort kwam. En eindelijk werd heel dit scholastiek systeem -voorgedragen in een vorm, die hoe langer hoe meer tot ernstige -bedenkingen aanleiding gaf. Niet alleen werd de stof zoo dialectisch -bewerkt, zoo haarfijn uitgeplozen en zoo juristisch behandeld, -dat de samenhang met het religieuse leven der gemeente geheel -werd verbroken; bij voorkeur hield men zich bezig met allerlei -spitsvondige kwestiën over engelen en duivelen, hemel en hel enz. -Maar de questionaire vorm, waarin alles gegoten werd, bevorderde -den twijfel en liet auctoritas en ratio dikwerf geheel uiteengaan -en vijandig tegenover elkander staan. Menigmaal schijnt de -zaak van een dogma geheel verloren; maar een enkel beroep op -een tekst, op een kerkvader maakt alles weer goed. De indruk -blijft echter, dat het er met het dogma hopeloos bijstaat. De -taal was op den duur niet geschikt, om met den inhoud van -het systeem te bevredigen. Het barbaarsch latijn, dat men schreef -was naar de opmerking van Paulsen wel een bewijs, dat men -zelfstandig dacht en vrij de woorden vormde, die men voor zijne -denkbeelden van noode had, maar kon toch niet voldoen, zoodra -de zin voor het klassieke, het eenvoudige schoon weer eenigermate -ontwaakte.</p> - -<p class="sep2">12. De scholastiek verloopt in drie perioden, in eene aetas vetus, -media en nova. Ze begint met Anselmus. Deze leeft nog in het -naïef vertrouwen, dat het geloof tot weten kan verheven worden, -en beproeft dat voor het bestaan van God in zijn Monologium, -en voor de menschwording en voldoening in zijn Cur Deus homo. -Hij doet het nog niet in den aristotelisch-scholastischen vorm, -maar meer in den zin van Plato’s dialogen; toch neemt de scholastische -speculatie bij hem een aanvang. Lombardus gaf in zijne -Sententiarum libri IV niet enkele tractaten, zooals Anselmus, -maar een volledig dogmatisch en ethisch handboek. Hij leverde -den tekst voor de scholastieke theologie, en maakt zelf reeds -een ruim gebruik van de philosophie, tot verduidelijking en verdediging -der waarheid. Alexander Halesius schreef eene Summa -universae theologiae, welke eigenlijk reeds een commentaar is op -het werk van Lombardus; maar, terwijl deze over een onderwerp -<span class="pagenum" id="Page_83">[83]</span> -in eens ten einde toe voortredeneert, kleedt Halesius zijne gedachten -in een streng dialectischen, syllogistischen vorm. Daarmede -was de scholastische methode voorgoed gevestigd. Het ging -niet geheel zonder strijd. Velen hadden bezwaar tegen het gebruik -van Aristoteles in de theologie. Er bleven ten allen tijde Platonici, -die Plato veel meer in overeenstemming achtten met de kerkleer. -Johannes van Salisbury, Gerhoch, Walther van St. Victor, Petrus -Cantor, Alanus ab insulis, Willem van Auvergne e. a. wezen -op de gevaren der philosophie; en Abaelard scheen een afschrikwekkend -voorbeeld. Maar de scholastische methode, door beroemde -mannen gedekt, won veld. Weldra werd Aristoteles’ wijsbegeerte, -ofschoon hier en daar gewijzigd, de beste verdediging -der kerkleer geacht. Het volledigst werd naar deze methode de -dogmatiek bewerkt door Albertus Magnus † 1280, Thomas -Aquinas † 1274 en Bonaventura † 1274. Alle drie schreven een -commentaar op het werk van Lombardus, en werden daarin later -door velen gevolgd. Fleury telde er in zijn tijd reeds 244. Bovendien -schreef Albertus een Summa theologiae (onvoltooid) en een -Summa de creaturis; Thomas een Summa theologiae (onvoltooid), -en Summa de veritate cath. fidei contra gentiles; Bonaventura -een Breviloquium. Alle drie hebben de scholastiek algemeen in -eere gebracht, aan de <ins id="cor_11" title="thologie">theologie</ins> eene eereplaats verzekerd onder -de wetenschappen, en met buitengewone denkkracht de diepste -problemen behandeld. Maar de scholastiek heeft zich niet op die -hoogte kunnen houden. Bij Duns Scotus † 1308 is het vertrouwen -al geschokt. Hij verwerpt het nominalisme, maar bestrijdt -Thomas toch overal, waar hij maar durft en kan. <span id="ref_01">De Franciscaner -de Rada</span> † 1608 telde later in zijne Controversiae theol. -inter Thomam et Scotum, Colon. 1620 niet minder dan 86 -punten van geschil op. De voornaamste daarvan waren die over -de kenbaarheid Gods, het onderscheid in de goddelijke eigenschappen, -de erfzonde, de verdiensten van Christus, enz. en -vooral ook de onbevlekte ontvangenis van Maria. Scotus is nog -wel realist, maar hij is ook sceptisch en plaatst theologie en -philosophie naast elkaar, Werner, Joh. Duns Scotus, Wien 1881. -De philosophie bereikt God niet, de theologie rust alleen op -gezag, op openbaring. Maar vooral het nominalisme droeg tot -verval der scholastiek bij; het was al opgekomen bij Roscellinus, -Berengarius, maar won vooral terrein in de 14<sup>e</sup> en 15<sup>e</sup> eeuw. -<span class="pagenum" id="Page_84">[84]</span> -Petrus Aureolus † 1321, schrijver van een commentaar op Lombardus -en van Quodlibeta zei, dat de universalia niet objectief in de -dingen bestonden, maar slechts gedachten waren; het werkelijke -is altijd individueel. Willem Durand de St. Porciano † 1332 -ontkende de universalia en loochende ’t wetenschappelijk karakter -der theologie, ze is geen eenheid, ze kan de waarheid der dogmata -niet aantoonen en de gronden er tegen niet weerleggen. -Willem van Occam † 1349, die den paus alle macht ontzegde -over wereldlijke vorsten, dezen in hun verzet tegen den paus -steunde maar ook op zijn beurt bescherming van hem vroeg, viel -zoowel de school van Thomas als die van Scotus aan. Hij schiep -er behagen in, om de onzekerheid der theologie aan te toonen; -bestaan, eenheid, almacht Gods, eindigheid der wereld, onstoffelijkheid -der ziel, noodzakelijkheid der openbaring enz., alles is -onbewijsbaar. Alles is alleen, wijl God het zoo wil. Er zijn geen -redewaarheden. God kon mensch maar hij kon ook een steen -worden. Het Platonisme en Augustinisme verdwijnt uit de theologie. -Alles wordt willekeur. De theologie gaat onder in skepticisme. -Al bleef in de scholen ook meest het realisme heerschen: -het had toch geen scheppende kracht meer, de vorm werd stijver, -de taal barbaarscher, de methode spitsvondiger; subtiliteit verving -grondigheid, ostentatie kwam in de plaats van wetenschappelijken -ernst, dogmatiek ontaardde in een eindeloos dispuut. Daarbij -kreeg het nominalisme van Occam aanhangers, Adam Goddam, -Armand de Beauvoir, Robert Holkot, van wien het gezegde -herkomstig zou zijn, dat iets in de theologie waar en in de philosophie -valsch kan zijn, Joh. Buridan, Petrus van Alliaco en -Gabriël Biel † 1495, den laatsten scholasticus. Litteratuur over -de Scholastiek: Alsted, Theol. schol. didact. 1608 p. 4-8. -Voetius, Disp. I 12-29. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der -Philos. Band II. 6<sup>e</sup> Aufl. 1881. Windelband, Gesch. der Philos. -1892 S. 207-274. Ritter, Gesch. der Philos. Bd. VII-VIII. -Erdman, Grundriss der Gesch. der Philos. I 240 f. Bach, Dogm. -gesch. des M. A. 2 Bde., Wien, 1873, ’75. Schwane, Dogm. -gesch. der mittl. Zeit. 1882. Harnack, Dogm. gesch. III 312 f., -en andere dogmenhistor. werken van Hagenbach, Thomasius, -Seeberg, Nitzsch enz. Prantl., Gesch. der Logik. Bd. II-IV. -H. Siebeck, Gesch. der Psychol. 2<sup>e</sup> Abth. 1884. Reuter, Gesch. -der relig. Aufklärung im M. A. 2 Bde., Berlin, 1875-77. Werner, -<span class="pagenum" id="Page_85">[85]</span> -Die Schol. des späteren M. A. 3 Bde., Wien, 1881. Stöckl, Gesch. -der Philos. des M. A., 3 Bde., Mainz, 1864-66. Hauréau, -Histoire de la philos. schol. 2<sup>e</sup> ed., Paris, 1872, ’80. Rousselot, -Etudes sur la philos. du moyen-âge., Paris, 1840-42. Pierson, -Gesch. van het R. Kath. 3<sup>e</sup> deel. Id. De Nomin. et real. 1855. -Nitzsch, art. Schol. Theol. in Herzog<sup>2</sup>. H. v. Eicken, Gesch. -der mittelalt. Weltanschauung, Stuttgart, 1888. W. Kaulich, -Gesch. der Schol. Philos. Prag, 1863. J. H. Löwe, Der Kampf zwischen -Nom. u. Real. im M. A., sein Ursprung und sein Verlauf, -Prag, 1876. M. Maywald, Die Lehre von der doppelten Wahrheit, -Berlin, 1871, enz.</p> - -<p class="sep2">13. Een bijzondere vorm van de scholastiek was de mystiek, die -vroeger wel als der scholastiek vijandig werd beschouwd maar -thans beter in haar aard en karakter wordt verstaan. De mystici -hebben de scholastieke theologie nooit bestreden; mannen als -Hugo en Richard van St. Victor hebben in hun traktaten verschillende -deelen der theologie naar dezelfde methode behandeld -als Lombardus, en omgekeerd hebben scholastici zooals Halesius, -Albertus, Thomas, Bonaventura ook vele mystieke geschriften -nagelaten. De mystiek wordt zelfs in de schol. theol. opgenomen, -Thomas S. Th. II, 2 qu. 179 sq. Van een strijd en antagonisme -is er dus geen sprake. Daarbij komt, dat kerk en theologie ten -allen tijde tusschen ware en valsche mystiek hebben onderscheiden; -het Neoplatonisme, het Gnosticisme, Erigena, Almarich, Eckhart, -Molinos, Böhme, enz. zijn steeds veroordeeld, maar de geschriften -van pseudo-Dionysius, Albertus, Bonaventura, enz. zijn altijd -geprezen en goedgekeurd door de Roomsche kerk. Er moet dus -onderscheid zijn tusschen de orthodoxe en de pantheïstische mystiek. -De eerste nu stond niet vijandig tegenover de scholastiek. -Maar ze was er wel van onderscheiden. Ten eerste in methode: -de scholastiek volgde de analytische methode van Aristoteles en -trachtte door redeneering uit de eindige dingen tot God op te -klimmen; de mystiek volgde de synthetische methode van Plato -en trachtte uit de hoogere aanschouwing, die de ziel door de -genade bereikte, inzicht te krijgen in de waarheden des geloofs. -In oorsprong: de scholastiek ontstond vooral door het bekend -worden der geschriften van Aristoteles, en had tot object de -sententiae van Lombardus, de mystiek ontstond vooral door het -<span class="pagenum" id="Page_86">[86]</span> -bekend worden der werken van pseudo-Dionysius, die in ’t Westen -ingang vonden door de vertaling van Erigena. In wezen: de -scholastiek is de poging, om met behulp van de philosophie -wetenschappelijke kennis te verkrijgen van de geopenbaarde waarheid; -de mystische theologie had tot object de mystieke gemeenschap -met God, die aan enkele bevoorrechten door bijzondere -genade geschonken werd, en beschreef nu hoe en langs welken -weg de ziel daartoe geraken kon en welk licht van daaruit, van -uit die gemeenschap met God, verspreid kon worden over de -waarheden des geloofs. De mystiek in dezen zin had ten allen -tijde in de christelijke kerk hare vertegenwoordigers, en komt in -meerdere of mindere mate bij alle kerkvaders voor; ze hangt ten -nauwste samen met het monnikideaal; ze gaat uit van de onderstelling -dat er niet alleen eene kennis van God is door ’t verstand, -maar ook eene ervaring, bevinding, gemeenschap Gods is -door het gemoed. Ze sloot in de Middeleeuwen zich vooral aan -bij Augustinus, die het eerst de diepte van het zieleleven had -gepeild en in onnavolgbare taal had weergegeven, en bij pseudo-Dionysius, -die de trappen en mijlpalen had aangewezen langs welke -de ziel uit de eindigheid tot den oneindigen God opklimmen kon. -Door practische oefeningen, zooals askese, reiniging, zelfpijniging, -wereldvlucht, enz. of ook door theoretische bespiegeling, zooals -auditio, lectio, oratio, cogitatio, consideratio, meditatio, kan de -ziel hier op aarde reeds komen tot een toestand van aanschouwen -of genieten van God. Zoo wordt de mystiek opgevat en beschreven -in verschillende werken van Bernard van Clairvaux, Hugo en -Richard van St. Victor, Bonaventura, Thomas, Gerson en Thomas -à Kempis. Maar het lag voor de hand, dat de mystiek, alzoo -den nadruk leggende op de contemplatie, de kennis ging geringschatten; -in de genieting des harten ging de helderheid des bewustzijns, -de waarde der kennis te loor; ze kwam onder invloed menigmaal -van ’t neoplatonisme en kreeg bijv. bij Eckhart † 1327 e. a. -een pantheïstischen trek, W. Preger, Gesch. der deutschen Mystik -im M. A., 2 Bde. Leipzig 1875-81. Görres, Die christ. Mystik, -2<sup>e</sup> Aufl. 5 Bde. Regensburg 1880. Harnack, D. G. III 314 f. 374 f. -Art. Myst. in Herzog<sup>2</sup>. De dogmengesch. en philos. werken, boven -bij de schol. genoemd, benevens de monographieën over Tauler, -Eckhart, enz. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 49 f. Verdere litter. -bij Kihn, Encycl. u. Methodol. der Theol. 1892. S. 453 f.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_87">[87]</span> -14. Het ontbrak echter in de Middeleeuwen niet aan protesten -tegen de richting, waarin kerk en theologie zich ontwikkelden. -Verschillende secten traden er op, Katharen, Albigenzen, de -volgelingen van Amalrik van Bena, David van Dinant, Ortlieb, -de secte des vrijen geestes enz. en vernieuwden de oude manicheesche -en gnostische dwalingen, Reuter, Gesch. der relig. -Aufklärung im M. A. Berlin 1875-’77. L. Flathe, Gesch. der -Ketzer im M. A. 3 Bde. Stuttgart 1845. Kurtz, Lehrb. der -Kirch. gesch. § 108. Döllinger, Beiträge zur Sektengesch. des -M. A. 2 Th. München, Beck, 1890. De Waldenzen kwamen met -Rome in conflict door hun leer van de vrijheid der prediking, -Comba, art. in Herzog<sup>2</sup>, Haupt, Waldenzerthum und Inquisition -im südöstl. Deutschl. Freiburg, Mohr, 1890. In vele -kringen was er een terugkeer tot Augustinus en Paulus. Bradwardina -† 1349 trad in een geschrift de causa Dei contra -Pelagium op als een moedig verdediger van de genade Gods, -Lechler, De Th. Bradwardina commentatio, Lips. 1863 en art. -in Herzog<sup>2</sup>. Wiclif † 1384 was van hem afhankelijk gelijk -Hus † 1451 op zijn beurt weder van Wiclif. Wiclifs werken -worden sedert 1882 uitgegeven door de Wiclif Society te Londen. -Zijne leer wordt het best gekend uit zijne Summa in 12 -boeken, verkort en systematisch samengevat in zijn Trialogus, -uitgeg. door Lechler, uit zijne verhandeling de Christo et suo -adversario Antichristo uitgeg. door Buddensieg, en uit zijn tractaat -de ecclesia uitgeg. door Loserth. Dat Hus geheel van Wiclif -afhankelijk is, is aangetoond door Loserth, Hus und Wiclif, -Prag. u. Leipz. 1884. Zelfs binnen de kerk stonden velen op, die -een reformatie in capite et membris verlangden. Petrus d’ Ailly -† 1425, Gerson † 1429, Nic. van Clémanges † 1414, Nicolaus -Cusanus † 1464 e. a. verdedigden het episcopale stelsel; en de -reformatorische concilien van Pisa 1409, Constanz 1414 en -Bazel 1431 spraken zich uit in dien geest. Het concilie te -Constanz in de 4<sup>e</sup> en 5<sup>e</sup> zitting verklaarde, dat een oecumenisch -concilie zijn gezag onmiddellijk van Christus had en dat de paus -ook daaraan onderworpen was. Maar al deze reformatiën hadden -weinig succes. Ze waren kritiek van ’t bestaande van uit eenzelfde -beginsel, Harnack D. G. III 408 f. 570 f. En toen in de 16<sup>e</sup> -eeuw de Protest. reformatie opkwam, nam de Roomsche kerk ook -weldra tegen haar positie. Vóór het concilie te Trente waren de -<span class="pagenum" id="Page_88">[88]</span> -voornaamste theologen Cajetanus † 1534, Dr. Eck † 1543, -Cochlaeus † 1552, Sadoletus † 1547 e. a. Ze onderscheiden zich -nog daardoor, dat ze vrijmoedig de gebreken der kerk erkennen. -Hun geschriften zijn meest polemisch tegen de Hervormers. -’t Merkwaardigst is Dr. Eck’s Enchiridion locorum omnium adv. -Lutherum et alios hostes ecclesiae 1525, dat tot 1576 toe 46 -maal werd herdrukt, Hugo Lämmer, Die vortrident. kath. Theol. -des Reformationszeitalters, Berlin 1858. De theologie was, -vooral door den spot der Humanisten, in discrediet; op de -Middeleeuwen zag men terug als een tijd van gothische barbaarschheid; -en ook de vromen verlangden meer eenvoud en -waarheid, meer practisch Christendom. Er behoorde voor de -Roomsche theologen eenige moed toe en er was ook eenige tijd -voor noodig, om tot bezinning te komen en den draad der -scholastiek weer op te vatten. Het concilie te Trente nam wel -verschillende besluiten ter reformatie, maar koos zoo sterk mogelijk -tegen de Prot. reformatie partij. De dogmata, waarover met de -reformatie geschil was, zooals de leer van de traditie, de zonde, -den vrijen wil, de rechtvaardiging, de sacramenten, werden kras -en duidelijk, in roomschen zin, geformuleerd; maar de onderlinge -verschillen liet men rusten. De kwestie van paus en concilie, -van Thomisme en Scotisme enz. werd niet besproken of zoo -omzichtig mogelijk behandeld, Harnack, D. G. III 588 f. Herzog<sup>2</sup> -16, 4 f. en de daar aangeh. litt. Bij gelegenheid, dat men te -Trente beraadslaagde over het houden van voorlezingen over de -H. Schrift in alle kloosters, stelde een Benedictijnerabt voor, -om een verbod der scholastiek daaraan toe te voegen. Maar de -Dominikaan Soto nam het woord, weerlegde de bezwaren, prees -het nut der scholastiek en vond algemeen instemming, Kleutgen, -Theol. d. Vorzeit IV 80. Langzamerhand werd de scholastiek -in hare eere hersteld, maar met wijziging. Melchior Canus † 1560 -wijdt in zijn werk de locis theologicis een geheel boek aan de -verdediging der scholastiek, lib. VIII: de auctoritate scholasticorum -doctorum en geeft toe dat vele scholastici aan verschillende -fouten zich hebben schuldig gemaakt; hij keurt die gebreken -af maar verdedigt beslist de scholastische methode. Ze werd -vereenvoudigd en van overdrijving ontdaan, maar overigens behouden. -Eene tweede verandering bestond hierin, dat Lombardus -meer en meer voor Thomas plaats maakt. In de Middeleeuwen -<span class="pagenum" id="Page_89">[89]</span> -waren de Sententiae van Lombardus het dogmatisch handboek -geweest; en ook na de hervorming schreven Soto † 1560, Maldonatus -† 1583, Estius † 1608 en anderen nog commentaren op -dat werk. Maar de beroemde Cajetanus leverde een commentaar -op de Summa van Thomas. En Franziscus Vittoria † 1566, -Hiëronymus Perez † 1556, Barth. van Torres † 1558 e. a. volgden -zijn voorbeeld. Tegen het einde der 16<sup>e</sup> eeuw was Lombardus -in de meeste scholen door Thomas vervangen; deze was zuiverder, -uitgebreider, methodischer, en drong dieper in de dogmata -door dan Lombardus. Voorts was ook dit nog een onderscheid -tusschen de oude en de nieuwe scholastiek, dat de laatste veel -nauwer met de positieve theologie zich verbond. In de Middeleeuwen -werd de positieve dogmatiek, d. i. het bewijs voor de -waarheid uit Schrift en traditie, bijna geheel verwaarloosd; maar -nu werd deze in de dogmatiek opgenomen en met groote geleerdheid -bewerkt. Canus schreef een eigen werk over de bewijsbronnen, -die hij loci theologici noemt; door alle neo-scholastici -Greg. van Valentia, Suarez, Bannez, Diego Ruyz, enz. wordt -de studie van Schrift en traditie ijverig beoefend. Exegese, kerkhistorie, -patristiek, archaeologie, enz. worden eigene, zelfstandige -wetenschappen. Theologie is nog iets anders en meer dan dogmatiek. -En omdat eindelijk de nieuwe scholastici niet die rust -genoten als de theologen in de Middeleeuwen, maar van alle -zijden werden aangevallen en op alle punten de Roomsche leer -hadden te verdedigen, bleef er voor de subtiele kwesties en de -spitsvondige onderscheidingen geen plaats en geen tijd meer; -vorm, methode, taal, uitdrukking werd eenvoudiger; de werken -van Canisius, Canus, Petavius, Bellarminus, enz. zijn geschreven -in zuiver latijn, en in een aangenamen stijl, en zijn in dit opzicht -gunstig onderscheiden van de werken der Middeleeuwsche theologen. -Maar wat ook veranderd en verbeterd werd, de geest -bleef dezelfde. Rome heeft zichzelf niet verloochend en ook door -de reformatie niets geleerd. Zelfs is het eigenlijke karakter der -Roomsche leer na en door de reformatie nog duidelijker aan het -licht getreden. Het Pelagianisme en het Curialisme hebben na -het concilie van Trente zich verder ontwikkeld en hebben eene -volledige overwinning behaald. Vergelijk voor de geschiedenis -der Roomsche theologie na Trente: Walch, Bibl. theol. sel. I -148 sq. Pfaff, Introductio in Hist. theol. liter. 1724 p. 194 sq. -<span class="pagenum" id="Page_90">[90]</span> -206 sq. M. Brühl, Gesch. der kath. Liter. Deutschl. vom 17 -Jahrh. 2<sup>e</sup> Aufl. Wien 1861. H. Hurter, Nomenclator literarius -recentioris theol. cathol. 4 vol. Innsbr. 1871-’83. Karl Werner, -Gesch. der apol. u. polem. Lit. der christl. Theol. 5 Bde. Schaffh. -1861-67. Id. Gesch. der kath. Theol. Deutschl. seit dem -Trienter Concil bis zur Gegenwart, München, 1866, 2<sup>e</sup> Aufl. -1889. Id. Der heilige Thomas von Aquino, 3 Bde. Regensburg -1858-59. Bd. I Leben und Schriften. Bd. II Lehre. Bd. III -Geschichte des Thomismus. Id. Franz Suarez und die Schol. der -letzten Jahrh. 2 Bde. Regensburg 1861, 62. Schwane, Dogmengesch. -der neueren Zeit, Freiburg 1890 S. 16 f. A. Stöckl, -Gesch. der Philos. des M. A. III 1866 S. 628 f. Herzog<sup>2</sup> 15, -589 f. Harnack, D. G. III 617 f.</p> - -<p class="sep2">15. De neo-scholastische theologie kwam op in Spanje en werd -daar vooral beoefend aan de hoogescholen van Salamanca, Alcala -(Complutum) en Coimbra. Franz de Vittoria 1480-1566, geboortig -uit Vittoria in Cantabrië, behoorde tot de Dominikanen -en werd van wege zijne orde naar Parijs gezonden om zich toe -te leggen op de theologie. Daar bestudeerde hij vooral Thomas. -In Spanje teruggekeerd, werd hij hoogleeraar te Salamanca en -verbreidde daar de leer van Aquinas, op wiens Summa hij ook een -commentaar schreef. Onder zijne leerlingen behoorden de beroemdste -theologen van Spanje, Melchior Canus † 1560, Loci theolog. -1563; Dominicus Soto † 1560, Comm. in 4<sup>m</sup> librum Sent. 1557-60 -en de natura et gratia libri III 1547 tegen den Scotist -Catharinus; Barthol. Medina, Expositio in I 2 Thomae 1576. -De thomistische theologie werd vooral beoefend door de orde -der Dominikanen, tot wie behalve de bovengenoemden ook behoorden: -Petrus de Soto, prof. te Dillingen † 1563, Institutiones -christ. 1548, Methodus confessionis 1553, Compendium doctrinae -cathol. 1556, Defensio cathol. confessionis 1557 tegen Brenz; -Dom. Bannez, Comm. in I Thomae, 2 tomi 1584, ’88; Didacus -Alvarez, de auxiliis gratiae div. et humani arbitrii viribus et -libertate etc. Lugd. 1611, de incarn. verbi div. Lugd. 1614; -Vincentius Contenson, Theologia mentis et cordis, 2 tom. Colon. -1687; J. Baptista Gonetus † 1681, Clypeus theol. thomist. -1659-69, diss. theol. de probabilitate casuistarum; Natalis -Alexander, Theol. dogm. et mor. sec. ordinem catech. Conc. Trid. -<span class="pagenum" id="Page_91">[91]</span> -Paris 1703; Billuart † 1757, Summa S. Thomae hodiernis academiarum -moribus accommodata, 19 tom. Leodii 1747-59, -nieuwe uitgave bij Palmé te Parijs in 8 vol.; en verder nog -Fr. de Sylvestris, Joh. Viguerius, Joh. Gonsalez, Martin Ledesma, -Joh. Vincentius, Balt. Navarretus, Raphael Ripa, Franz en -Dominicus Perez, Gazzaniga † 1799, Praelect. theol. Bononiae -1790 e. a. Bij de Dominikanen sluiten zich de Karmelieten aan, -van wie vooral beroemd is Salmanticensis collegii Carmelitarum -discalceatorum cursus theol. in D. Thomam, 10 vol. Lugd. 1679 -sq. Maar ook de scotistische theologie vond in den nieuwen tijd -nog aanhang en verdediging, bij Ambrosius Catharinus † 1553, -Fr. Lychetus, Comm. in I II III librum Sent. Scoti, Venet. -1589; Frassenius † 1711, Scotus Academicus, 4 tom. Paris -1662-77; Dupasquier † 1718, Summa theol. scotisticae; Barth. -Durandus, Clypeus Scoticae doctrinae; Thomas van Charmes, -Theol. universa; en voorts bij Brancatus, Mastrius, Faber † 1630, -Bonaventura Bellutus † 1676, Lukas Wadding † 1657, -uitgever van Scotus’ werken te Lyon 1639 v. e. a. De Franciscaner -de Rada, bisschop van Trani, † 1608 gaf in zijn <a href="#ref_01">boven</a> -reeds aangehaald werk een overzicht van de controversen tusschen -de Thomisten en de Scotisten.</p> - -<p>De scholastische theologie werd echter vooral beoefend door -de Jezuïten, die meer dan eenige andere orde tot haar herleving -en bloei hebben bijgedragen. Methodisch en met buitengewoon -talent namen zij de contrareformatie ter hand. Als polemici tegen -de leer der Protestanten traden onder hen op Possevinus † 1611; -Bellarminus † 1621, Disput. de controv. christ. fidei adv. hujus -temporis haereticos, Ingolstadt 1581. Gretser, Opera omnia in 17 -tomi, Regensburg 1734 sq. Becanus, Manuale controversiarum. -De beroemdste theologen uit de orde der Jezuïten zijn Petrus -Canisius † 1597, Summa doctrinae et institutionis christ. 1554, -in 130 jaar 400 maal uitgegeven, en een kleiner catechismus: -Institutiones christ. pietatis 1566. Franc. Toletus † 1596, In -Summam S. Thomae tom. 4, opnieuw uitgeg. te Rome 1869, -Joh. Maldonatus, leerling van Toletus en Soto te Salamanca † 1583, -beroemd exegeet, en schrijver van vele dogm. tractaten, -de sacramentis, de libero arbitrio, de gratia etc. Leonh. Lessius -prof. te Leuven † 1623, Disput. de gratia, decretis divinis, -libertate arbitrii et praescientia Dei conditionata Antw. 1610. -<span class="pagenum" id="Page_92">[92]</span> -De perfectionibus divinis libri 14, Antw. 1620. Theologia 1651 -etc. Lud. Molina prof. te Evora, later te Madrid † 1600, Liberi -arbitrii cum gratiae donis, divina praescientia, provid. praedest. -et reprob. concordia 1588, de justitia et jure, en commentaar -op het eerste deel van Thomas. Greg. de Valentia prof. te Dillingen, -Ingolstadt, Rome † 1603, Analysis fidei cathol. 1585. -Theol. Comment. in Summam S. Thomae Tomi IV 1602. Mart. -Becanus, prof. te Mainz † 1624. Manuale controv. en Theol. -scholastica, 3 partes 1612-’22. Roderich Arriaga, prof. in -Valladolid, Salamanca, Praag † 1667, Disputationes theol. 8 -tomi 1643 sq. Franz. Suarez † 1617, Commentaria et disputationes -in Thomam, tomi V, en vele tractaten de gratia etc.; -een kort excerpt uit zijne theologie is Theologiae R. P. Fr. Suarez -S. J., Summa seu Compendium auctore T. Noel S. J. Tomi II -Paris, Migne 1858. Gabr. Vasquez † 1604, Comm. in Summam -S. Thomae, Ingolstadt 7 vol. 1609 sq.; Didacus Ruyz de Montoya -† 1632, Comment. op verschillende loci van Thomas, Theol. -scholastica 1630. Clavis Theol. 1634; Antoine, Theologia universa -speculativa et dogmatica, Paris 1713; Dion. Petavius † 1652, -De theol. dogmatibus, 5 tomi, onvoltooid Paris 1644; en verder -nog Melch. de Castro, Lusitanus, Zunniga, Tannez, Hurtado, -Ripalda † 1648, Mendoza, Lugo † 1660, Arriago, Gotti † 1742, -Zaccaria † 1795 e. a. Afzonderlijke vermelding verdient nog de -door de Würzburger professoren S. J. geschreven Theologia -Wirceburgensis, dogm. polem. schol. et mor. 14 vol. Wirceb. -1766-1771, nieuwe uitg. in 10 vol. Paris 1880.</p> - -<p>De Jezuiten volgden over het algemeen Thomas, maar weken -tengevolge van hun pelagianisme in de leer van de zonde, den -vrijen wil en de genade van hem af. Dit werd oorzaak van een -langdurigen strijd. Hij begon met Bajus, prof. te Leuven † 1589, -die de leer van Augustinus over de zonde en de onvrijheid van -wil voordroeg en ook de onbevlekte ontvangenis van Maria verwierp. -Reeds in 1560 werden verschillende theses van Bajus -door de Sorbonne verworpen, en Paus Pius V veroordeelde 79 -stellingen van Bajus in de bul Ex omnibus afflictionibus 1567. -Bajus herriep. Maar daarmede was <ins id="cor_12" title="6e">de</ins> strijd niet uit. Hij ontbrandde -opnieuw in 1588 door het werk van Molina, Liberi -arbitrii cum gratiae donis ... concordia. De Thomisten, meest -Dominikanen, vielen dit werk aan, vooral bij monde van een -<span class="pagenum" id="Page_93">[93]</span> -hunner beroemdste vertegenwoordigers Bannez † 1604, die eene -physische praedeterminatie leerde. Thomisten, (Bannez, Sylvester, -Alvarez, Lesmos, Reginaldi, enz.), resp. Augustinianen (Noris -† 1704, Laur. Berti † 1766, Bertieri) en Jezuiten, Molinisten -of Congruisten (Bellarminus) stonden jaren lang tegenover elkaar. -Eene menigte strijdschriften over zonde, vrijen wil, genade zagen -het licht, Walch, Bibl. theol. sel. I 179 sq. De commissie, in -Rome benoemd, werd 1607 ontbonden zonder eene beslissing te -nemen; en de paus zeide dat hij later uitspraak zou doen en -dat zoolang de eene partij de andere niet verketteren mocht. In -1640, toen het werk Augustinus van Cornelius Jansen, bisschop -van IJperen verscheen, werd opnieuw de vonk in ’t kruit geworpen. -De strijd duurde tot in de 18<sup>e</sup> eeuw voort. De mannen -van Port Royal stonden aan de zijde van Jansenius, Arnauld -† 1694, Pascal † 1662, Nicole † 1695, Sacy † 1684, Tillemont -† 1698, Quesnell † 1719. Maar geleerdheid en welsprekendheid -mochten niet baten. In verschillende bullen 1653, 1656, -1664, 1705 en 1713 werd het Jansenisme, en daarin Augustinus, -en zelfs Paulus veroordeeld, en later werd de bul Unigenitus -van 1713 nog meermalen bevestigd. En evenals in dogmaticis het -Pelagianisme zegevierde, zoo behaalde in ethicis het Probabilisme -en in ecclesiasticis het Curialisme of Papale stelsel de zegepraal.</p> - -<p class="sep2">16. Maar in het begin der 17<sup>e</sup> eeuw was de bloeitijd der neoscholastiek -voorbij. In heel Europa kwam de rationalistische geest -op. De philosophie van Bacon en Cartesius verdrong die van -Aristoteles. Zelfs theologen, die de scholastieke dogmata aannamen, -meenden, dat er een andere methode noodig was; zooals -Bossuet † 1704, de beroemde verdediger van het gallikaansche -stelsel en bestrijder der Protestanten, Exposition de la doctrine -de l’église cath. sur les matières de controverse 1671, Histoire -des variations des églises protest. 2 vol. Paris, 1688. Fénélon -† 1715, Thomassinus † 1695, Dogmata theol. De historische en -critische studiën, die vooral in Frankrijk beoefend werden, drongen -de eigenlijke theologie terug. Vele geleerde Maurinen en Oratorianen -vervielen zelfs tot ongeloof. In de scholen bleef nog wel -lang tot diep in de 18<sup>e</sup> eeuw de scholastiek heerschen. Ook -bleven de verschillende richtingen van Thomisten, b.v. Peri, -Quaest. theol. 5 vol. 1719-32, Scotisten, b.v. Krisper, Theol. -<span class="pagenum" id="Page_94">[94]</span> -scolae scotisticae, 4 Tom. 1728-48, Molinisten, b.v. Anton -Erber, Theol. specul. tractatus octo 1787, en Augustianen, b.v. -Amort, Theol. eclectica moralis et scholastica, 23 tomi, Augsburg, -1752 sq. naast elkaar voortduren. Maar de scholastiek -trok zich toch meer en meer in de scholen terug. Andere deïstische, -naturalistische partijen komen op, krijgen het hoogste -woord en oefenen invloed op de Roomsche theologie. De scholastieke -philosophie werd in Frankrijk door Cartesius, in Duitschland -door Leibniz-Wolff terzijde gesteld. In Oostenrijk werd -1752 de peripatetische leer verboden en 1759 de leiding der -theol. en philos. studiën aan de Jezuïten ontnomen. De orde -werd 1773 door Clemens XIV opgeheven. Het Gallikaansche -stelsel werd in 1763 door Nic. van Hontheim, wijbisschop van -Trier in een werk de statu ecclesiae et legitima potestate Romani -Pontificis verdedigd en door Jozef II in 1781 als kerkrecht ingevoerd. -De confessioneele verschillen werden vergeten; in plaats -van den strijd tegen de Protestanten komt die tegen vrijdenkers, -ongeloovigen enz. bij Klüpfel, Fahrman, Stattler, Storchenau, -Burkhauser. De theologie komt geheel onder invloed der wisselende -philosophie. De Aufklärung had haar vertegenwoordiger -in Ad. Weishaupt, prof. te Ingolstad, stichter van de orde der -Illuminaten. Kant’s invloed is merkbaar bij Ildefons Schwarz, -Peutinger, Zimmer. Jacobi’s philosophie vond aanhang bij J. -Salat en Cajetan Weiller. Thanner stond onder invloed van -Schelling. De voornaamste theoloog, die in de 18<sup>e</sup> eeuw tegen -alle dwalingen pal bleef staan, was Alphonsus van Liguori † 1787, -door Pius IX in 1871 opgenomen onder de doctores ecclesiae.</p> - -<p class="sep2">17. Ook in deze 19<sup>e</sup> eeuw bleef aanvankelijk het rationalisme -nog in vele Roomsche kringen heerschen. Er was in Duitschland -eene groote partij, die de inrichting en leer der Roomsche kerk in -overeenstemming wilde brengen met de eischen van den nieuweren -tijd, Dalberg † 1817, Wessenberg † 1860, Werkmeister e. a., -Hermes, prof. te Bonn † 1831, Einleitung in die Christkath. -Theologie 1819, ’29, Christkath. Dogm. 1834, ’36 trachtte de -openbaring, de autoriteit op redelijke gronden te doen rusten, -en gaf aan de rede bij de beoordeeling van wat openbaring is -dezelfde rechten, als de Wolffsche philosophie gedaan had. Eerst -<span class="pagenum" id="Page_95">[95]</span> -had Hermes vele aanhangers, Achterfeldt, die zijne dogmatiek -uitgaf, Braun, von Droste-Hülfshof, prof. in de rechten te Bonn, -Spiegel, aartsbisschop van Keulen; maar toen paus Gregorius -XVI 26 Sept. 1835 het Hermesianisme veroordeeld had, daalde -zijn invloed. Anton Günther † 1863 in Weenen, Vorschule zur -specul. Theol. 1828. Peregrius Gastmahl 1830 u. s. w. sloot zich -bij Hegel’s stelling aan, dat philosophie en speculatieve theologie -eigenlijk één zijn. Er is geen tweeërlei waarheid en zekerheid. -Maar gelooven is de aanvang en onderstelling van alle weten, en -alle geloof, ook aan de openbaring, kan in weten overgaan en tot -evidentie worden verheven. Ook Günther had vele aanhangers, -Pabst, Merten, Veith, Gaugauf, Baltzer, Knoodt; maar hij werd -1857 veroordeeld. Franz von Baader † 1841, Vorlesungen über -specul. Dogmatik, Sämmtliche schriften, Leipzig 1850-57 in 15 -deelen, onder invloed van Böhme en Schelling, zocht heil niet in -terugkeer, maar in nieuwe ontwikkeling van het oude, in vernieuwing -der dogmata, en wilde langs theosophischen weg het -gelooven tot weten verheffen. Zijne aanhangers waren Schaden, -Lutterbek, Hoffmann, Hamberger, Sengler, Schlüter, maar Baader -werd wegens zijn bestrijding van het primaat gecensureerd. J. -Frohschammer, Einleitung in die Philosophie und Grundriss der -Metaphysik 1858 enz. verwierp de scholastieke en de idealistische -philosophie, en trachtte de metaphysica, de theologie op te bouwen -niet op de abstracte rede maar op het concreete, algemeene, historische -feit van het Godsbewustzijn in de menschheid. Theologie -en philosophie vallen dus voor hem in inhoud samen; ze verschillen -alleen in methode; ’t natuurlijke en ’t bovennatuurlijke -zijn niet streng te scheiden. Pius IX veroordeelde deze philosophie -in een brief aan den aartsbisschop te München 11 Dec. 1862. -Zijne werken werden op den index geplaatst, hijzelf in 1863 -gesuspendeerd. Frohschammer onderwierp zich echter niet en bleef -in tal van geschriften voor de vrijheid der wetenschap en tegen -de aanspraken van den paus strijden. Zoo werd door Rome -eenerzijds de onafhankelijkheid der wetenschap bestreden, maar -andererzijds toch ook weer in haar betrekkelijke vrijheid erkend. -Na de revolutie kwam in Frankrijk het traditionalisme op, nl. de -leer, dat de hoogere metaphysische waarheden niet door de rede -te vinden zijn, maar alleen verkregen worden uit de openbaring, -die van den eersten mensch af in de menschheid door traditie is -<span class="pagenum" id="Page_96">[96]</span> -voortgeplant en in de taal wordt bewaard. Deze theorie werd met -talent verdedigd door de Bonald, Recherches philos. sur les -premiers <ins id="cor_13" title="objects">objets</ins> des connaissances morales, Paris 1817, Lamennais, -Essai sur l’indifférence en matière de religion, Paris 1817, en -Bautain, de l’enseignement de la philos. en France au 19<sup>e</sup> siècle, -1833, Philos. du Christianisme, 1835. Maar ze kon te Rome geen -genade vinden. Bautain onderteekende in 1840 zes theses, die hem -werden voorgelegd, en herriep zijne leer. En evenzoo werd het -ontologisme van Gerdil † 1802, Gioberti † 1852, Rosmini † 1855, -Gratry † 1872, Ubaghs e. a. verworpen, dat naar het -idealisme van Malebranche terugging en alle hoogere waarheid -afleidde uit de onmiddellijke aanschouwing Gods en der ideeën.</p> - -<p>Al deze veroordeelingen bewijzen, dat Rome na het rationalisme -der vorige eeuw hoe langer hoe meer zichzelf bewust werd en -tot ontwaking kwam. Er is na de revolutie ook eene herleving -van de Roomsche kerk en theologie geweest. Het romantisme -kwam aan Rome ten goede en maakte vele bekeerlingen, Winckelmann, -Stolberg, Schlegel, Ad. Müller, Z. Werner, Schlosser, -Haller enz. In Frankrijk kwam er reactie tegen de revolutie -en het ongeloof door Chateaubriand, Génie du christianisme, -Joseph de Maistre, † 1821, Bonald, Lamennais. Het Puseyisme -of Tractarianisme, dat onder Pusey en Newman in 1833 -te Oxford begon, leidde velen tot de Roomsche kerk en versterkte -de hoogkerkelijke, ritualiseerende en romaniseerende -richting in de episcop. kerk. De geloovige theologie, die in -Duitschland opkwam, sloot zich eerst in menig punt bij Schleiermacher -aan. Zijne leer van Schrift, wedergeboorte, rechtvaardiging, -kerk bevatte vele elementen, die de Roomschen ten hunnen -voordeele konden aanwenden. En dat geschiedde dan ook met -talent en ijver door Görres, Baader, Phillips, Döllinger in -München; Klee in Bonn; Möhler, Hirscher, Drey in München -en Tübingen; Staudenmaier en Kuhn in Giessen enz. De mannen -van deze richting waren nog wel niet geheel en al naar het hart -van Rome en het Jezuïtisme; ze streefden allen nog naar bemiddeling, -ze zochten eene verzoening van gelooven en weten, zij -trachtten door de speculatieve methode de dogmata te bewijzen -en waren al te liberaal tegenover de Protestanten en deden nu en -dan belangrijke concessies. Maar ze hadden uitnemende woordvoerders, -en droegen veel bij tot herleving van de Roomsche theologie.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_97">[97]</span> -Maar toch, op den duur voldeed deze verzoenende en bemiddelende -richting niet. Langzamerhand kwam de neo-scholastieke -richting op. In 1814 werd de Jezuitenorde hersteld, en haar -invloed op het Pausdom nam hoe langer hoe meer toe; haar -macht breidde zich in alle landen uit. De „vrijheid der wetenschap” -werd door haar met alle macht bestreden. Al de bovengenoemde -veroordeelingen liepen uit op de beroemde encycliek -van 8 Dec. 1864, en op het Vaticanum van 1870, waarin de -onfeilbaarheid van den Paus werd uitgesproken. Deze neo-scholastieke -richting werd in Italië vooral voorgestaan door den -philosoof Sanseverino, Philosophia christiana, 7 vol. ed. nov. -Neap. 1878 en door den theoloog J. Perrone, Praelectiones -theologiae, 9 vol. 1838-43; in Duitschland door J. Kleutgen, -Theol. der Vorzeit, 5 Th. 2<sup>e</sup> Aufl., Münster 1867 en Philos. -der Vorzeit, 2 Th., Innsbr. 1878 en A. Stöckl in verschillende -philosophische werken. De tegenwoordige Paus zette 4 Aug. 1879 -daarop het zegel, door in zijne encycliek Aeterni Patris de studie -van Thomas aan te bevelen. En sedert is er een machtig en -algemeen streven, om de autoriteit van Thomas op elk gebied -van wetenschap te herstellen. Staats-en rechtsleer, psychologie -en ethiek, theologie en philosophie worden in zijn geest bestudeerd. -In dienzelfden geest werd de dogmatiek behandeld door -Franzelin, Scheeben, Heinrich, Bautz, enz.; hier te lande door -G. M. Jansen, prof. te Rijsenburg, Praelect. theol. fundam. -Ultraj. 1875-76, Theol. dogm. spec. 1877-79. Zie verdere -litter. bij Kihn, Enc. u. Meth. der Theol., Freiburg 1892 S. 412 f.</p> - -<h4>D. De Dogmatiek in de Luthersche Kerk.</h4> - -<p>18. Voor de geschiedenis der Luthersche dogmatiek kunnen -als hulpbronnen dienst doen: Walch, Bibl. theol. selecta I 35 sq. -Pfaff, Introductio in historiam theol. litterariam 1724 p. 204 sq. -G. Frank, Gesch. der prot. Theol., 3 Theile 1862-75. Dorner, -Gesch. d. prot. Th. 1867. Gass, Gesch. der prot. Dogm., 4 -Theile 1854-67. Tholuck, Das kirchl. Leben im 17 Jahrh. -1861-2. Id. Das akad. Leben des 17 Jahrh. 1853-4, samen -vormend die Vorgesch. des Ration. Id. Gesch. des Ration., I<sup>er</sup> -Theil, 1865. Id. Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs im -17 Jahrh. 1852. Kahnis, Der innere Gang des deutschen Protest., -<span class="pagenum" id="Page_98">[98]</span> -2 Th., Leipzig 1874. Ritschl, Gesch. des Pietismus, 3 Th. -1880-6. Harnack, Dogmengesch. III 691 f. Zöckler, Handbuch -der theol. Wiss., Supplement 144 f. Luther was geen -systematische natuur; eene dogmatiek liet hij niet na. Des te -meer was hij een oorspronkelijke, een scheppende geest. Hij heeft -het Christendom van Paulus en Augustinus opnieuw ontdekt, -het Evangelie weer als eene heerlijke boodschap der genade en -der vergeving verstaan, en de religie in de religie hersteld. Daardoor -is hij vruchtbaar geworden voor heel de theologie, en voor -de gansche dogmatiek, zelfs de oude dogmata zijn wel door hem -opgenomen maar met een nieuw religieus leven bezield, Th. -Harnack, Luthers Theologie, 2 Th., Erlangen 1862-66. J. -Köstlin, Luthers Theologie, 2e Ausg., Stuttgart 1883. Lommatzsch, -Luthers Lehre vom eth. relig. Standp., Berlin 1879. -Voordat de Luthersche reformatie eene confessie had, had ze -reeds een dogmatiek in Melanchton’s Loci 1521, opnieuw uitgegeven -door Augusti 1821, Plitt 1864, Bindseil in Corpus -Reform. XXI p. 62. Dit werk, ontstaan uit eene verklaring van -den brief aan de Romeinen, was practisch, eenvoudig, soteriologisch, -zonder eenige scholastiek, eigenlijk veel meer eene confessie -dan eene dogmatiek. In dit werk vond de Duitsche reformatie -een tijd lang haar eenheid. Maar reeds in 1526 kwam Melanchton -eenigszins van de belijdenis der strenge praedestinatie terug, en -straks begon hij ook op andere punten, vooral in zake de avondmaalsleer, -van Luther af te wijken. Deze dissensus van Luther -komt het eerst duidelijk uit in de nieuwe uitgaven der Loci van -1535 en 1543, dan in de verandering der Augustana 1540 en -1542, en eindelijk in het Leipziger Interim en den daardoor -veroorzaakten adiaphoristischen strijd. Nu kwamen er twee partijen -tegenover elkander te staan. Aan de eene zijde de aanhangers -van Melanchton, de Philippisten, vooral aan de akademiën te -Wittenberg en Leipzig, zooals G. Major, Paul Eber, Joh. -Pfeffinger, Victor Strigel † 1569, wiens Loci Theologici ontstonden -uit voorlezingen over Melanchtons Loci en door Pezel -in 4 deelen 1582-5 werden uitgegeven, Christ. Pezel † 1604, -schrijver van Argumenta et objectiones de praecipuis articulis -doctrinae christ., Neost. 1580-89, Sohnius, Opera. Herb. 1609, -e. a. Cf. H. Heppe, Dogm. des deutschen Protest. im 16 Jahrh. -3 Bde. Gotha 1857. Aan de andere zijde stonden de Gnesio-lutheranen, -<span class="pagenum" id="Page_99">[99]</span> -vooral in Weimar en Jena, zooals Nic. von Amsdorf -† 1565, Matth. Flacius † 1575, schrijver van de Solida Confutatio -et condemnatio praecipuarum sectarum en vele andere -polemische geschriften, Joh. Wigand † 1587, Joh. Marbach -† 1581, Joachim Westphal † 1574, die vooral Calvijns avondmaalsleer -bestreed, Tileman Heshusius † 1588 e. a. De velerlei -dogmatische twisten, die in deze eerste periode onder de Luthersche -theologen opkwamen, over de wet met Agricola, over de rechtvaardiging -met Osiander, over de hellevaart van Christus met -Aepinus, over de obedientia activa met Parsimonius, over de -adiaphora, het synergisme en het kryptocalvinisme met Melanchton -c. s., over de goede werken met Major, over de erfzonde met -Flacius, leidden eindelijk tot en werden bijgelegd in de Formula -Concordiae van 1580, Frank, Die Theologie der Konkordienformel, -2 Th., Erl. Deichert 1858-61. Ze was het werk vooral -van Jakob Andreae † 1590 en van Mart. Chemnitz † 1586, den -voornaamsten Lutherschen theoloog in deze eeuw, schrijver van -het Examen Concilii Tridentini, 4 tomi 1565-73, opnieuw uitgegeven -door Preuss 1861, van een verhandeling de duabus -naturis in Christo, etc. 1571, vermeerderd 1578, en van Loci -Theol., na zijn dood door Leyser in 1592 uitgegeven.</p> - -<p class="sep2">19. Toen alzoo het Luthersche dogma gereed was, werd het in de -17<sup>e</sup> eeuw op scholastische wijze behandeld en ontwikkeld. Heerbrand -† 1600, Compendium theologiae 1573, belangrijk vermeerderd -1578, en Hafenreffer, Loci Theologici certa methodo ac -ratione in libros tres tributi 1603 maakten daarmee reeds den -aanvang. De scholastische behandeling wordt dan voortgezet door -Leonhard Hutter † 1616, Compendium locorum theol. ex Scriptura -sacra et libro Concordiae collectum 1610, Joh. Gerhard † 1637, -Loci Communes theologici, 9 tomi 1610-22, beste editie van -Cotta 1762-87, herdrukt Berlin-Leipzig 1864-75, en bereikt -haar hoogtepunt in Dannhauer † 1666, Hodosophia christiana, -Hülsemann † 1635 Breviarium theologiae 1640, Calovius † 1686 -Systema loc. theol. 1655-77, Quenstedt † 1688 Theologia -didact-polem. 1685, Hollaz † 1713 Examen theol. acroamaticum -1707, König † 1664 Theol. positiva acroamatica 1664. De kracht -dezer dogmatiek lag in hare objectieviteit. De dogmata liggen -gereed, het subject onderwerpt er zich aan zonder kritiek; ze -<span class="pagenum" id="Page_100">[100]</span> -worden alleen exegetisch, dogmenhistorisch, polemisch, scholastisch -en practisch uitgewerkt en toegepast. Maar reeds in de 17<sup>e</sup> eeuw -kwam er reactie tegen deze methode. Het Philippisme was door -de Formula Concordiae niet overwonnen; het bleef zijn aanhangers -houden, vooral in Altdorf en Helmstadt. Georg Calixtus, -hoogl. te Helmstadt † 1656, kwam door zijne studie van Aristoteles, -door zijne kennismaking met Roomsche en Geref. theologen -en door zijn afkeer van de scholastische orthodoxie tot eene -gematigde, irenische theologie. In zijne werken de praecipuis -religionis christianae capitibus 1613, epitome theologiae 1619, -de immortalitate animae et resurr. mort. 1627 kwam hij op voor -eene scherpere scheiding van philosophie en theologie, en ging hij -tot het oorspronkelijk Christendom der vier eerste eeuwen terug, -om in het gemeenschappelijke van alle christelijke confessies eene -unie te zoeken van Luth. Geref. en Roomschen.</p> - -<p class="sep2">20. Calixtus vond met zijn syncretisme natuurlijk veel bestrijding. -Maar de eeuw der objectieviteit ging voorbij. In de 18<sup>e</sup> eeuw -laat het subject zich gelden; het herneemt zijn rechten en komt -tegen de macht van het objectieve in verzet. In het Piëtisme -van 1700 tot 1730 wordt de subjectieve vroomheid het uitgangspunt, -en wordt het zwaartepunt uit het object in het subject -verlegd. Spener, de vader van het Piëtisme 1635-1705, oefende -door zijn persoon en door zijne werken, o. a. Pia desideria 1678, -Allgemeine Gottesgelahrtheit aller gläubigen Christen und rechtschaffenen -Theologen 1680, Tabulae Catecheticae 1683, Theolog. -Bedenken 1712 enz. ontzachlijken invloed. In Halle waren de -voornaamste piëtisten Francke † 1727, Breithaupt † 1732 Instit. -theol. 1695. Freylinghausen † 1739 Grundlegung der Theologie -1703. Joachim Lange † 1744 Antibarbarus orthodoxiae 1709. -Mosaisches Licht u. Recht, Rambach † 1735, Der wohlinformirte -Katechet 1722. In Wurtemberg verbond zich bij Hedinger † 1704, -Bengel † 1752, Oetinger † 1782 het Piëtisme met een -bijbelsch realisme en met apocalyptische verwachtingen. Natuurlijk -trad de orthodoxie bijv. bij monde van Löscher in Dresden -† 1749 zeer vijandig tegen dit Piëtisme op. Maar de tijd voor -de orthodoxie was voorbij. In de jaren 1730-60 sluit zij in -Buddeus † 1729 Instit. theol. dogm. et mor., Weismann † 1760, -Crusius † 1775, J. G. Walch Einleitung in die dogm. Gottesgelahrheit -<span class="pagenum" id="Page_101">[101]</span> -1749 en zijn zoon Ch. W. F. Walch Breviarium theol. -dogm. 1775 met het Piëtisme een verbond en gaat over in eene -gemoedelijk-vrome richting, die op de practijk des geloofs nadruk -legt, afkeerig is van scholastieke spitsvondigheid, gematigd is in -polemiek en vooral aan geleerde historische onderzoekingen haar -krachten wijdt. Met het Piëtisme is het Herrnhuttisme verwant, -dat eveneens eene reaktie was van het gevoel tegen de verstandelijke -orthodoxie. De vader van von Zinzendorf was een Speneriaan. -Maar terwijl het Piëtisme door een Busskampf tot bekeering wil -leiden, tracht het Herrnhuttisme dit te bereiken door de prediking -van den lieven Heiland. Het wil van geen wet, maar alleen van -Evangelie weten. De genade dringt hier de natuur zoo geheel op -zijde, dat Jezus zelfs den Vader vervangt, Jezus is de Schepper, de -Regeerder, de Vader, de Jehova des O. Test. En zijn persoon -en lijden werd door Zinzendorf, onder Roomschen invloed, zoo -pathologisch opgevat, dat de verwantschap van mystiek en zinnelijkheid, -vooral in den eersten romantischen tijd, 1743-1750, -zeer duidelijk aan het licht trad. Met het Piëtisme loopt evenwijdig -het Rationalisme. Beiden hebben, elk op eigene wijze, aan -het gezag der orthodoxie afbreuk gedaan, beide verleggen het -zwaartepunt in het subject. Het Rationalisme nu kwam op door -de philosophie van Cartesius, Spinoza, Leibniz † 1716 en Wolff -† 1754. Zij maakten klaarheid, mathematische klaarheid tot norm -der waarheid. Carpovius, prof. in de mathesis te Weimar, poogde -in zijne Oeconomia salutis N. T. seu theologia revelata, dogmatica -methodo scientifica adornata 1737-65, de kerkleer naar -mathematische methode te demonstreeren. Canz, Reusch, Schubert, -Reinbeck, vooral S. J. Baumgarten Halle † 1757, Evangel. -Glaubenslehre, uitgeg. door Semler 1759-60 en J. L. von -Mosheim te Göttingen † 1755 behooren tot deze Wolffiaansche -richting. In hoofdzaak waren deze mannen nog orthodox, maar -het religieus belang der waarheid wordt niet meer gevoeld, de -geloofsleer wordt een object van historische geleerdheid en verstandelijke -demonstratie. Geen wonder, dat bij andere Wolffianen, -zooals Töllner, Syst. der dogm. Theol., Heilmann, Compendium -theol. dogm. 1761, J. P. Miller, Instit. theol. dogm. 1767, -Seiler, Theol. dogm. polem. 1774 reeds eene vrijere houding -tegenover de kerkleer wordt aangenomen.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_102">[102]</span> -21. Als deze rationalistische richting dan van buiten af nog -gevoed en versterkt wordt door het Engelsche Deïsme en het -Fransche ongeloof, komt na 1760 in Duitschland de Aufklärung -op, die het gezond verstand van den individueelen mensch tot -heerschappij tracht te brengen over alle <ins id="cor_14" title="objective">objectieve</ins> waarheid. Overal -moet het positieve, het traditioneele, het historisch gewordene -wijken voor het rationeele, het klaar-verstandelijke. Wolff c. s. -had de openbaring nog redelijk gevonden. Maar de Aufklärung -was deïstisch en rationalistisch. Frederik de Groote was haar -koning, Berlijn haar middelpunt, de Allgemeine Deutsche Bibliotheek -1765-1805 haar orgaan. De dogmatiek werd in dezen -rationalistischen geest bewerkt door W. A. Teller, Lehrbuch des -christl. Glaubens 1764. Religion der Vollkommneren 1792. Henke, -Lineamenta instit. fidei christ. 1793. Eckermann, Compend. theol. -1791 en vooral door Wegscheider, Instit. theol. christ. dogm. -1815, 8<sup>e</sup> Aufl. 1844. Tegen dit Rationalisme nam de orthodoxie -den verzwakten vorm van het Supranaturalisme aan. Zij durfde -niet meer positief en thetisch haar standpunt nemen in het -geloof, maar had met hare tegenstanders den grondslag van de -rede gemeen; alleen trachtte ze van daaruit toch nog tot de -openbaring te komen, wier noodzakelijkheid, mogelijkheid en -werkelijkheid zij verdedigde. De inhoud der openbaring kromp -echter gaandeweg bij haar in; de dogmata worden zooveel mogelijk -van al het aanstootelijke bevrijd en door zoogenaamde bijbelsche -voorstelling voor de rede pasklaar gemaakt. Op dit standpunt -stelden zich Doederlein, Instit. theol. 1780. Morus, Epitome -Theol. christ. 1789. Knapp, Vorles. über die christ. Glaub. 1827, -vooral Reinhard, Vorles. über die Dogmatik 1801. Storr, Doctrinae -christ. pars theoret. 1793. e. a. Terwijl eene verzoening -van Rat. en Supran. beproefd werd door Tzschirner, von Ammon, -Schott, en vooral door Bretschneider, Dogm. der ev. luth. -Kirche 1814.</p> - -<p class="sep2">22. Voor de Luthersche dogmatiek in de 19<sup>e</sup> eeuw komen, -behalve de bovenaangehaalde werken, in aanmerking: Mücke, -Die Dogm. des 19 Jahrh. Gotha 1857. E. Lichtenberger, Histoire -des idées relig. en Allemagne. Paris, Fischbacher. Thilo, Die -Wissenschaftlickkeit der modernen spekul. Theol. in ihren Principien -beleuchtet, Leipz. 1851. O. Flügel, Die spekulative Theol. -<span class="pagenum" id="Page_103">[103]</span> -der Gegenwart, 2<sup>e</sup> Aufl. Cöthen 1888. Hagenbach, Ueber die -sogenannte Vermittelungstheologie 1858. Carl Schwarz, Gesch. -der neueren Theol., 1857, holl. van Krabbe. Hartmann, Die -Krisis des Christ. in der mod. Theol., Berlin 1880. O. Pfleiderer, -Die Entw. der prot. Theol. in Deutschland seit Kant und in Gross-Britt. -seit 1825. Freiburg 1891. Frank, Gesch. u. Krit. der -neueren Theol. u. s. w. herausgeg. von P. Schaarschmidt. Erl. -Deichert, 1894. Kattenbusch, von Schleiermacher zu Ritschl. -Giessen 1892. Voor Scandinavie: Presbyt. and Ref. Rev. Oct. 1893. -De eigenaardigheid der Luthersche dogmatiek in deze eeuw bestaat -daarin, dat ze schier geheel onder invloed staat van de -philosophie. In de vorige eeuw had ze door het Rationalisme haar -principe, methode, inhoud bijna geheel en al verloren. Ze was -een compendium geworden van rationeele gedachten over God, -deugd en onsterfelijkheid. Kant was de eerste, die door zijne -scherpe kritiek van de zuivere rede dezen rationeelen grondslag -der dogmatiek geheel ondermijnde. Zijne kritiek was ontmoedigend, -vernietigend zelfs voor het rationalisme en eudaemonisme -der Aufklärung. Maar door de practische Vernunft tracht hij te -herwinnen, wat hij door de reine Vernunft verloor. De kategorische -imperatief, het zedelijk bewustzijn geeft ons recht om het -bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid te postuleeren. De -dogmatiek wordt opgebouwd op de moraal, de religie wordt een -middel voor de deugd, God een noodhulp voor den mensch. De -inhoud der religie en dogmatiek, door Kant in zijne Religion -innerhalb der Grenzen der blossen <ins id="cor_15" title="Vernumft">Vernunft</ins> 1793 ontwikkeld, -is zuiver rationalistisch; Kant staat nog geheel in de 18<sup>e</sup> eeuw, -het historische, positieve heeft voor hem geen waarde, hij isoleert -den mensch van alle invloeden, alleen de autonome Vernunftreligion -is de ware religie. Maar door zijne kritiek van de rede, -door zijn beroep op het zedelijk bewustzijn, door zijne strenge -opvatting van de moraal, die hem zelfs van het radikal Böse -in den mensch en van de noodzakelijkheid eener Art Widergeburt -deed spreken, is hij van grooten invloed geweest op de -theologie. De zedelijke bestemming van den mensch niet alleen, -maar ook de onmacht der rede, om het bovenzinnelijke te bereiken, -werd een argument voor de noodzakelijkheid der openbaring, van -geloof en autoriteit. En in dezen Kantiaanschen geest werd de -dogmatiek bewerkt door Tieftrunk, Dilucidationes ad theoreticam -<span class="pagenum" id="Page_104">[104]</span> -religionis christ. partem 1793. Stäudlin, J. E. C. Schmidt, Ammon -e. a.</p> - -<p class="sep2">23. Eene andere reactie tegen de Aufklärung kwam van de -zijde des gevoels. Sentimentaliteit was een karaktertrek van de -tweede helft der 18<sup>e</sup> eeuw. Gelijk in Engeland Shaftesbury optrad -tegen Hume, in Frankrijk Rousseau tegen Voltaire, zoo deed -ook in Duitschland het gevoel bij mannen als Hamann, Claudius, -Lavater, Stilling, Herder, Jacobi zijne rechten gelden tegenover -het koude Rationalisme. Zij gaan allen uit van de onmiddellijke -ervaring, van de kracht en innigheid des gemoeds; dat is het -diepste wezen, het menschelijke in den mensch, daarop rust de -religie, daaruit ontspringt het geloof, hier verneemt de mensch -het goddelijke. En van hieruit ziet en ontdekt hij het goddelijke -rondom zich in de natuur, in de geschiedenis, bovenal in Christus, -den menschelijksten van alle menschen. De inhoud des geloofs -verschilde bij deze mannen, te meer omdat ze van een systeem -afkeerig waren; maar de grond des geloofs is bij allen dezelfde. -Gevoel, geloof, Vernunft, inspiratie, Begeisterung, ervaring, of -hoe men het noemen moge, is bij allen grondslag en norm der -waarheid. Jacobi wees tegenover het voortschrijdende kriticisme -op den onmiddellijken zin, waarin eene andere, hoogere objectieviteit -opging voor den mensch. Hij kwam zoo tot een consequent -dualisme van hoofd en hart, van philosophie en geloof, van -zinlijke en geestelijke wereld. In de dogmatiek werd dit dualisme -toegepast door de Wette, Bibl. Dogmatik, 3<sup>e</sup> Aufl. 1831, Dogm. -der prot. Kirche, 3<sup>e</sup> Aufl. 1840, Ueber Religion u. Theol. 2<sup>e</sup> Aufl. -1821. Das Wezen des christ. Glaubens vom Standpunkt des -Glaubens 1840, en na hem door Hase, Evang. Dogm. 1826, -6<sup>e</sup> Aufl. 1870. Aan allen is gemeen de scheiding van gelooven -en weten, van aesthetische (ethische, religieuse) en verstandelijke -(empirische) wereldbeschouwing, van ideale en zinnelijke wereld. -De waarheid, door het religieus gevoel of bewustzijn geëischt, -is onaantastbaar voor het verstand; zij behoort tot eene andere, -niet waarneembare wereld.</p> - -<p class="sep2">24. Nauw verwant aan deze richting is de theologie van Schleiermacher. -In zijne Reden über die Religion 1799 en de Monologen -1800 staat hij geheel onder den invloed der romantiek. Godsdienst -<span class="pagenum" id="Page_105">[105]</span> -is gevoel, gevoel voor het universum, zin voor het -oneindige, de richting des gemoeds op het eeuwige, evenals -Spinoza’s cognitio Dei intuitiva. Schleiermacher neemt dus zijn -standpunt ook in het subject, maar niet in verstand of wil, maar -in het gevoel. God is hem de eenheid der wereld, geen object -van het denken, want het denken beweegt zich altijd in tegenstellingen, -maar alleen te genieten in het gevoel. En dat genieten -van God in het gevoel is religie. Maar daarmede verbindt -Schleiermacher nu aanstonds de idee der gemeenschap. Uit het -wezen der religie ontspringt de zucht naar gemeenschap, tot -uitwisseling van het genotene. De godsdiensten verschillen, naarmate -het oneindige het gevoel anders bepaalt en de gemeenschap -anders vormt. In zijne Glaubenslehre zijn de wijsgeerige grondgedachten -dezelfde, maar hier wordt het gevoel nader omschreven -als volstrekte afhankelijkheid, God opgevat als absolute causaliteit, -en het Christendom omschreven als eene ethische religie, waarin -alles in betrekking staat tot de verlossing door Christus. Dogmata -zijn en blijven dus beschrijvingen van subjectieve gemoedstoestanden, -maar toch van zulke, die door de christelijke gemeenschap, -en alzoo door den persoon van Christus bepaald zijn. Door deze -drie ideeën, van het onmiddellijk zelfbewustzijn als bron der -religie, van de gemeenschap als noodzakelijke bestaansvorm der -religie en van den persoon van Christus als centrum van het -Christendom is Schleiermacher van onberekenbaren invloed -geworden. Heel de theologie na hem is van hem afhankelijk; -zijne dogmatiek is door niemand overgenomen, en toch heeft hij -op alle richtingen, liberale, bemiddelende, confessioneele en in -alle kerken, Roomsche, Luth. en Geref. zijn invloed doen gevoelen. -Het naast aan hem verwant zijn de dusgenaamde Vermittelungstheologen, -Nitzsch, Twesten, Neander, J. Müller, Rothe, Dorner, -Martensen, Schenkel enz. Het eigenaardige en gemeenschappelijke -van al deze mannen is het subjectieve uitgangspunt. Zij gaan -allen uit niet van eene uitwendige autoriteit maar van het gemoed, -van het religieus bewustzijn. Zij nemen de waarheid eerst aan -als inhoud der subjectieve christelijke ervaring. Maar daarbij -blijven zij niet staan; zij willen boven Schleiermacher uitgaan, -en daartoe verbinden zij het subjectieve religieuse uitgangspunt -van Schleiermacher met Hegelsche speculatie. De agnostische -elementen in Schleiermacher, die hij met Kant gemeen had, -<span class="pagenum" id="Page_106">[106]</span> -werden uitgewisseld voor de Hegelsche leer van de kenbaarheid -van het Absolute. De waarheid, eerst als inhoud der religieuse -ervaring aangenomen, moest vervolgens op den weg der speculatie -als denknoodwendig begrepen en voor de rechtbank der philosophie -gelegitimeerd worden. Zoo zou geloof en wetenschap, het -natuurlijke en het positieve, kerk en cultuur, Schriftgezag en -kritiek, antieke en moderne wereldbeschouwing met elkander -verzoend en bevredigd worden.</p> - -<p class="sep2">25. Dit was trouwens ook het streven van Hegel geweest. -Hegel is de consequenste idealist; het Cartesiaansche uitgangspunt -komt hier tot zijne laatste gevolgtrekkingen. Het denken -produceert het zijn, al het zijnde is dus logisch, redelijk. Maar -deze gedachte verbindt hij met die van het worden, van de -evolutie. De realiseering der gedachte in ’t zijnde geschiedt -allengs, van trap tot trap. In den mensch komt dat denken het -eerst tot bewustzijn. Maar op den laagsten trap, als natuurlijke, -eindige geest, voelt de mensch zich van God gescheiden. In de -religie, vooral in de christelijke, ziet hij echter die scheiding -opgeheven; God en mensch zijn één. Deze eenheid van God en -mensch is het wezen van alle religie, maar wordt in den godsdienst -niet adaequaat uitgedrukt; zij is daar gehuld in vormen -van voorstelling en gevoel. Eerst in de philosophie komt de idee -tot haar adaequaat begrip; zij is het absolute weten, het weten -der menschheid van God, het weten Gods van zichzelf. Naar -deze wijsgeerige gedachten trachtte Hegel alle christelijke dogmata, -triniteit, menschwording, verzoening, enz. te verklaren. -Velen geloofden aan de Hegelsche verzoening van theologie en -philosophie; de zoogenaamde rechterzijde Marheinecke, Daub, -Göschel, Rosenkranz bewerkte de dogmata in zijn geest en trachtte -Hegelsche speculatie en orthodoxe theologie te vereenigen. Maar -allengs werd openbaar, wat gevaar er in de Hegelsche philosophie -voor de christelijke dogmata verscholen lag. Feuerbach, -Strauss, Vatke, Bruno Bauer trokken de consequenties en gaven -de voorstelling, die het kleed is der religie, prijs om alleen -over te houden het abstracte begrip. Strauss zag in de Evangelieverhalen -onbewuste symbolische verdichtingen van de ideale -waarheid, dat het Oneindige zich uitstort in het eindige, echter -niet in een enkel mensch maar in de menschheid; deze is de -<span class="pagenum" id="Page_107">[107]</span> -ware zoon van God, de ideale Christus. In zijne Glaubenslehre -1840 beproeft hij aan te toonen, dat de geschiedenis van elk -dogma tegelijk zijne kritiek en ontbinding is. Religie en philosophie -verschillen in vorm, maar daarom ook in inhoud; de philosophie -vervangt de religie. De neo-Hegelianen, Biedermann, Pfleiderer, -zijn wel behoedzamer geworden, maar hebben toch van Hegel -overgenomen, dat het denken staat boven het religieus bewustzijn -en dus tot taak heeft, om de religieuse voorstelling van haar -tijdelijken, zinnelijken vorm te ontdoen, in haar ideale kern voor -te stellen en in overeenstemming te brengen met onze gansche -wereldbeschouwing.</p> - -<p class="sep2">26. Terwijl Hegels philosophie alzoo tot verwerping van het -Christendom leidde, werd vooral sedert 1830 bekend, dat Schelling -allengs het identiteitssysteem verlaten had en thans eene -positieve philosophie ontwikkelde, waarin niet de noodwendigheid -maar de vrijheid heerschte en waarin de wil en de daad in de -plaats trad van het logisch proces. Evenals Hamann, Lavater, -enz. in de vorige eeuw, zoo kwam Schelling allengs tot de overtuiging, -dat er nog een ander, dieper zijn en leven is dan dat -van het logisch verstand, nl. dat van den wil, van de daad, -van de vrijheid. Maar alle leven is worden, een wisselwerking -van tegenstellingen. Zoo is het in God, en zoo is het in de -wereld. In God is eerst de donkere natuurgrond, dan het verstand, -en uit beiden wordt de wil geboren. In de wereld is eerst -de chaos, dan de geest, daarna de kosmos. En zoo is in de -religie eerst de natuurlijke drift in het Heidendom, dan het -Woord of het Licht in Christus, en eindelijk het zijn van God -in allen. Onder invloed van Böhme en Oetinger verbond Schelling -daarmede allerlei theosophische bespiegelingen. De theosophie -houdt zich altijd op met twee problemen, met den -overgang tusschen God en wereld en tusschen ziel en lichaam. -Het eerste probleem wordt hierdoor opgelost, dat de grond der -wereld in de natuur van God wordt gezocht, en dat de theogonie, -het trinitarisch proces in God, min of meer geidentifieerd of -althans geparalleliseerd wordt met de kosmogonie. God zelf komt -eerst tot volle ontvouwing van zijn wezen in en door het wereldproces. -Het tweede probleem wordt op dezelfde wijze door de -idee der Geistleiblichkeit opgelost. Het geestelijke, God, de ziel, -<span class="pagenum" id="Page_108">[108]</span> -is niet in strikten zin onlichamelijk, wel niet stoffelijk, maar -übermateriell, en zoo heeft de geest op zijn beurt de taak, om -het lichaam, de wereld, wier grove stoffelijkheid een gevolg der -zonde is, te vergeistigen en te vergeistlichen. Deze theosophische -speculatie van Schelling vond ingang in de theologie: Baader, -Görres, Windischmann, J. F. von Meyer, Steffens, Wagner, Stahl, -Rothe, Hamberger, Fr. Hoffmann, Keerl, Osiander, Lange, -Delizsch, Bähr, Kurtz, Splittgerber, hebben allen in meerdere -of mindere mate zijn invloed ondergaan.</p> - -<p class="sep2">27. Het was natuurlijk, dat er tegen deze velerlei vermenging -van theologie en philosophie verzet kwam van de zijde der kerkelijke -orthodoxie. Op de theologie der bemiddeling moest wel -eene der scheiding volgen. De studie der confessie, de historische -dogmatieken van de Wette, Bretschneider, Hase, Schmid, -Schneckenburger kwamen aan het confessioneel bewustzijn ten -goede. Altlutheraner zooals Guericke en Rudelbach, Neolutheranen -zooals Harms, Hengstenberg, Keil, Philippi, Vilmar, -Kliefoth, Höfling, Thomasius, Hofmann, mannen der positieve -Union zooals Kahnis, Luthardt, Zöckler, H. Schmidt, Frank, -Grau, enz. arbeidden aan het herstel der oude Luthersche theologie. -Toch waren ook zij kinderen van hun tijd. Het Piëtisme -werkte na in mannen als Hengstenberg en Tholuck. Vilmar, -Löhe, Münchmeyer e. a. waren in hunne opvatting van kerk. -sacrament en ambt niet vrij van Roomsche overdrijving; de -Zuidduitsche theologen in Erlangen, Thomasius, Hofmann, en -ook de tegenwoordige positieve theologen staan vrijer tegenover -de confessie en wijken in belangrijke punten, Christologie, voldoening, -Schrift van de oud-luthersche dogmatiek af. Zelfs een -zoo orthodox Lutheraan als Philippi gaat evenals Hofmann en -Frank van het subjectief geloofsbewustzijn uit en heeft dus zijn -uitgangspunt aan Schleiermacher ontleend. Naast deze confessioneele -staan de Bijbelsche theologen, onder wie Beck de voornaamste -is, die het dogmatisch systeem niet uit het geloovig bewustzijn -noch ook uit de confessie maar alleen uit de Schrift willen -opbouwen. Maar Beck vatte die Schrift op in den zin dier -mystieke theosophie, welke sedert Oetinger en Michael Hahn in -Zwaben beoefend werd, als een systeem van hemelsche waarheden, -die afdruk waren van hemelsche krachten en deze door -<span class="pagenum" id="Page_109">[109]</span> -de werking des H. Geestes in de ziel des menschen inplantten, -en kwam daardoor dikwerf tot eene vrij willekeurige exegese, -en tot een systeem, dat wel diep en origineel was maar ook van -een eenzijdig ascetisme en individualisme niet vrij te pleiten was.</p> - -<p class="sep2">28. Nog van eene andere zijde kwam er oppositie tegen de -vermenging van philosophie en theologie. Liebmann, in zijn werk -Kant und die Epigonen, Stuttgart 1865 en F. A. Lange, in zijne -Geschichte des Materialismus 1866 gaven op wijsgeerig gebied -het parool: naar Kant terug. De speculatie van Hegel en Schelling -had tot niets geleid; het verstand moest wederom tot besef -komen van zijne eindigheid en beperktheid, en geen kennis van -het bovenzinlijke zich aanmatigen. Er moge daarnaast plaats over -blijven voor het geloof, de verbeelding, maar de rede is tot het -zinlijk-waarneembare beperkt. Dit standpunt van het Neo-Kantianisme -werd op dogmatisch gebied ingenomen door Lipsius en -Ritschl. Maar met niet onbelangrijk verschil. Lipsius erkent, Ritschl -ontkent het mystieke element in de religie. Lipsius acht de religie -eene eigene, zelfstandige macht, Ritschl laat ze bijna geheel in -het ethische opgaan. Lipsius acht de religie in de eerste plaats -eene zaak van het individu, Ritschl van de gemeenschap. Lipsius -tracht de religieuse voorstellingen in elk geval nog in overeenstemming -te brengen met de resultaten der wetenschap, Ritschl -scheidt theologie en wetenschap geheel en al. Voor Lipsius is de -genade Gods in Christus, voor Ritschl is het door Christus -gestichte Godsrijk de hoofdinhoud der openbaring enz. Maar beiden -sluiten zich toch aan bij Kant’s afkeer van metaphysica, bij -zijne leer van de beperktheid van het menschelijk kenvermogen. -Daarom wil Ritschl volledige scheiding van metaphysica (philosophie, -wetenschap) en religie (theologie). De religie en theologie -spreekt geen zijns- maar waardeeringsoordeelen uit. Zij zegt niets -over het onkenbare wezen der dingen maar spreekt alleen uit -de waarde en beteekenis, die ze hebben voor ons. Door zulk eene -scheiding tracht Ritschl aan de religie en theologie eene eigene, -voor de wetenschap onaantastbare plaats te verzekeren. De religie -steunt niet op de wetenschap, maar is gegrond op een eigen -beginsel, op de zedelijke natuur van den mensch. Zij heeft een -eigen inhoud, n.l. geen zijns- maar waardeeringsoordeelen, d. i. -zuiver relig.-ethische uitspraken. Zij heeft een eigen doel, n.l. -<span class="pagenum" id="Page_110">[110]</span> -om den mensch in ethischen zin onafhankelijk te maken van de -wereld. Ritschl’s theologie heeft thans grooten invloed, niet alleen -in maar ook verre buiten Duitschland. Verschillende oorzaken -verklaren haar opgang. De schijnbare verzoening van gelooven en -weten, de religieus-ethische opvatting der religie, de aansluiting -aan de openbaring Gods in Christus, aan de H. Schrift en aan -de theologie van Luther en Melanchton, de verwerping van alle -theol. naturalis en scholastieke dogmatiek enz. hebben aan deze -theologie een plotselinge verbreiding en een buitengewonen -opgang bezorgd. Eene schare van mannen, Herrmann, Kaftan, -Häring, Harnack, Schürer, Gottschick, Kattenbusch, Stade, Wendt, -Schultz, Lobstein enz. hebben zich bij haar aangesloten, en passen -hare beginselen op heel het veld der theol. wetenschap toe. Toch -is de Ritschl’sche leer van het kenvermogen, de volledige scheiding -van theologie en metaphysica, de moralistische opvatting -van de religie, de beperking van de religie tot waardeeringsoordeelen, -enz. onbevredigend. Ook deze richting zal op den duur -noch het hoofd noch het hart kunnen bevredigen, cf. mijn opstel -over de Theol. van Ritschl in de Theol. Stud. van Dr. Daubanton -e. a. 1888.</p> - -<h4>E. De Dogmatiek in de Gereformeerde Kerk.</h4> - -<p>29. Bij alle overeenstemming, tot zelfs in de belijdenis der -praedestinatie toe, was er van den aanvang af toch een belangrijk -verschil tusschen de Duitsche en de Zwitsersche reformatie. Het -onderscheid in land en volk, waar Luther en Zwingli optraden, -het verschil in afkomst, opvoeding, karakter en levenservaringen -werkten er toe mede om beide uiteen te doen gaan. Het duurde -slechts kort, eer het aan het licht trad, dat beide hervormers -van een anderen geest waren. In 1529 werd te Marburg nog -wel de vrede geteekend, maar alleen op papier. En toen Zwingli -wegviel en Calvijn, in weerwil van zijne hoogachting voor Luther -en in zijne toenadering in de leer van het avondmaal, toch principieel -de zijde van Zwingli koos, toen werd de scheuring tusschen -luthersch en gereformeerd Protestantisme hoe langer hoe -grooter en een feit, dat niet meer ongedaan kon gemaakt worden. -De historische onderzoekingen naar het kenmerkend onderscheid -van beide in deze eeuw hebben duidelijk aangetoond, dat er -<span class="pagenum" id="Page_111">[111]</span> -een verschil van beginsel aan ten grondslag ligt. In vroeger tijd -somde men eenvoudig de dogmatische verschillen op, zonder ze -tot een gemeenschappelijk principe te herleiden, Hoornbeek, Summa -Controv. 1653 p. 618. Maar Max Goebel, Die relig. Eigenthümlichkeit -der luth. u. ref. K. 1837, holl. vert. Gron. Smit 1841, -leverde de eerste proeve van eene historische en principieele verklaring -van beider onderscheid. Sedert hebben verschillende mannen -dat onderzoek voortgezet, zooals Ullmann, Semisch, Hagenbach, -Ebrard, Herzog, Schweizer, Baur, Schneckenburger, Guder, -Schenkel, Schoeberlein, Stahl, Hundeshagen, wier werken aangehaald -en beoordeeld worden door Voigt, Fundamentaldogmatik, -1874 S. 397-480, Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4<sup>e</sup> dr. II -309 v. enz. Het onderscheid schijnt nog het best daardoor weergegeven -te worden, dat de gereformeerde theologisch, de luthersche -anthropologisch is. De gereformeerde blijft niet in de historie -staan, maar klimt op tot de idee, tot het eeuwig besluit Gods; -de luthersche neemt zijn standpunt midden in de heilsgeschiedenis -en heeft geen behoefte om dieper in den raad Gods door -te dringen. Bij de gereformeerden is daarom de verkiezing het -cor ecclesiae, bij de lutherschen is de rechtvaardigmaking het -articulus stantis et cadentis ecclesiae. Daar is de eerste en voornaamste -vraag: hoe komt God tot zijne eer; hier daarentegen: -hoe komt de mensch tot de zaligheid. Daar is de strijd vooral -tegen het paganisme, de afgoderij; hier tegen het judaïsme, de -werkheiligheid gericht. De gereformeerde heeft geen rust, voor -hij rugwaarts alles tot het besluit Gods heeft herleid en het -διοτι der dingen heeft opgespoord en voorwaarts alles aan de -eere Gods heeft dienstbaar gemaakt; de luthersche is met het ὁτι -tevreden en geniet in de zaligheid, die hij door het geloof deelachtig -is. Uit dit verschil in beginsel laten zich de dogmatische -controversen in de leer van het beeld Gods, de erfzonde, den -persoon van Christus, de heilsorde, de sacramenten, de kerkregeering, -de ethiek enz. gemakkelijk verklaren.</p> - -<p>De geschiedenis der geref. dogmatiek is veel moeilijker te beschrijven -dan die van de luth. De geref. kerk is niet tot één land -en volk beperkt, maar heeft zich in verschillende landen en -onder verschillende volken uitgebreid. De geref. type is niet in -ééne belijdenis neergelegd maar heeft in tal van confessies uitdrukking -gevonden. De dogmatische ontwikkeling, bijv. in de -<span class="pagenum" id="Page_112">[112]</span> -leer der verkiezing, der rechtvaardiging, der wedergeboorte, der -sacramenten enz. is in de geref. kerk veel rijker en veelzijdiger -dan in de luth. geweest. En eindelijk is de geschiedenis van de -geref. dogmatiek veel minder beoefend dan die van de andere -kerken; er ligt hier nog een veld voor het onderzoek open. De -voornaamste werken, die over haar handelen zijn: C. M. Pfaff, -Introductio in historiam theol. literariam, Tüb. 1724 p. 258 sq. -Walch, Bibl. theol. sel. I 211 sq. B. Pictet, De Christel. Godg., -holl. vert. 1728 deel III. A. Ypey, Beknopte letterk. gesch. der -system. Godg. 3 deelen, 1793-98 I 200 v. II 55 v. Id. Gesch. -v. d. Krist. Kerk in de 18<sup>e</sup> eeuw, Utrecht, 1797 v. deel VII -en VIII. A. Schweizer, Die Glaub. der ev. ref. K. 1844 I 1-134. -Id. Die Centraldogmen der ref. K. 2 Bde. 1854, ’56. -J. H. A. Ebrard, Christl. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. 1862 I 44 f. J. H. -Scholten, Leer der Herv. K. I 67 v. C. Sepp, Het godg. onderwijs -in Nederl. gedurende de 16<sup>e</sup> en 17<sup>e</sup> eeuw, 2 deelen, Leiden, -1873, ’74. Voorts de boven aangeh. werken van Gasz, Dorner, -Frank, Ritschl enz. en de later te noemen litteratuur.</p> - -<p class="sep2">30. De Gereformeerde dogmatiek begint met Zwingli. Bij -hem zijn de grondgedachten reeds aanwezig, het theol. uitgangspunt, -de volstrekte afhankelijkheid des menschen, de praedestinatie, -de menschelijke natuur van Christus, de geestelijke opvatting -van kerk en sacrament, de ethische en politieke strekking -der reformatie. Maar Zwingli heeft nog vele leemten in zijne -theologie; door zijn humanisme vat hij de zonde en de verzoening -te ondiep op; door zijn spiritualisme zet hij God en mensch, -divina en humana justitia, teeken en beteekende zaak in het -sacrament enz. abstract dualistisch tegenover elkaar; zijn klaarheid -en helderheid van gedachte kan het gemis aan diepte niet vergoeden; -en tot een eenigszins afgerond en samenhangend systeem -komt het bij hem niet. Zwingli heeft slechts de algemeene omtrekken -ontworpen, binnen welke de verschillende richtingen in -de Geref. kerken zich later bewogen hebben. Eerst Calvijns organiseerende -en systematische geest gaf aan de Zwitsersche reformatie -haar belijnde leer en vaste organisatie. Zijne theologie -stond reeds bij de eerste uitgave zijner Institutie in 1536 vast. -Er is uitbreiding, ontwikkeling maar geen verandering. Calvijn -onderscheidt zich daarin van Zwingli, dat hij alle wijsgeerige en -<span class="pagenum" id="Page_113">[113]</span> -humanistische ideeën bant en zich zoo streng mogelijk aansluit aan -de Schrift. Voorts handhaaft hij beter de objectieviteit van de -christelijke religie, van het verbond Gods, van den persoon en -het werk van Christus, van Schrift, kerk en sacrament en staat -daarom sterker tegen de Wederdoopers. Verder overwint hij zoowel -de tegenstelling van Luther tusschen het geestelijke en -wereldlijke als die van Zwingli tusschen vleesch en geest, en -is daarom wel rigoristisch maar in geen enkel opzicht asceet. -Eindelijk brengt hij in zijne gedachten eenheid en systeem, -iets, wat noch Luther noch Zwingli vermocht, en vergeet -daarbij toch nooit het verband met het christelijk leven. Calvijn -wist allengs heel Zwitserland, ook in zake de avondmaalsleer -(Consensus Tigurinus 1549) en de praedestinatie (Consensus -Genev. 1552, Tweede Helv. Conf. 1564) voor zich te winnen, -Hundeshagen, Die Conflikte des Zwinglianismus, Lutherthums und -Calvinismus in der Bernischen Landeskirche von 1532-1558, -Bern 1842. De Institutie van Calvijn werd weldra overal bestudeerd. -Die van Bern beriepen zich later evenzeer op Calvijn als -die van Genève, Zurich, Bazel en Schaffhausen. Geheel in Calvijns -geest werd de dogmatiek in Zwitserland in deze 16<sup>e</sup> eeuw -behandeld door Beza, Tractationes theol. 1570, Petrus Martyr -Vermiglius, Loci Communes 1576, Musculus, Loci Comm. 1560, -1567 en Aretius, Theol. problemata 1579.</p> - -<p>Van Zwitserland breidde Calvijns theologie zich naar Frankrijk -uit. Hij droeg zijne Institutie in 1536 aan Frans I met eene -voorrede op. Hij werd de ziel der Fransche reformatie. Zijne leer -werd algemeen aangenomen; zijne werken werden in ’t Fransch -vertaald en verspreid; bij hem zocht men raad en troost, en -velen gingen naar Genève om opgeleid te worden tot den dienst -des woords. De voornaamste theologen in Frankrijk in deze eeuw -waren Chandieu † 1591, die onder den pseudoniem Sadeel, -Zamariel verschillende theol. tractaten schreef, de verbo Dei, de -Christi sacerdotio, de remissione peccatorum enz., Marlorat † 1562, -schrijver van Thesaurus S. Scripturae in locos comm. -rerum et dogmatum, uitgeg. in 1574 door Feugueraeus, en du -Plessis Mornay † 1623, die bekend is door zijn Traité de -l’Eglise 1578, Traité de la vérité de la religion chrétienne 1581 -en vooral ook door zijn in citaten zeer onnauwkeurig Le mystère -d’iniquité c’est à dire l’histoire de la papauté 1611.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_114">[114]</span> -Door de uitgewekenen naar Oostfriesland, de Paltz, Kleefsland, -en van uit het Zuiden drong het Calvinisme ook in Nederland -door. Calvijns Institutie werd reeds 1560 in ’t Ned. vertaald. -Dathenus, de Brès, Modet, Marnix, Caspar Heydanus e. a. waren -strenge Calvinisten. Velen zochten in Genève en Heidelberg hun -opleiding. Maar reeds 1575 werd de akademie te Leiden, en 1585 -die te Franeker gesticht. Feugueraeus, Danaeus, Saravia, Trelcatius -Sr., Bastingius, Junius waren te Leiden; Lubbertus, Lydius en -Nerdenus waren te Franeker de beroemdste hoogleeraren in deze -eeuw. De theol. arbeid bestond voornamelijk in polemiek tegen -Rome en tegen de Wederdoopers. Maar toch zagen reeds verschillende -dogmatische handboeken het licht, van Gellius Snecanus, -Methodica descriptio et fundamentum trium locorum communium -S. Scr. 1584, van Bastingius de eerste verklaring van den Catechismus -1590, van Feugueraeus Propheticae et apostolicae, i. e. -totius divinae et canonicae scripturae thesaurus 1574, van Trelcatius -Sr. Loci Communes 1587, van Junius Theses Theologicae -(Opera Omnia I 1592 sq.).</p> - -<p>Ook in Engeland en Schotland vond het Calvinisme ingang. -Het kwam daar in strijd niet alleen met Rome, maar ook met -de reformatie, die van boven af door Hendrik VIII en Elisabeth -ondernomen werd. De Hervormingsgezinden, die onder Maria naar -het vasteland vluchtten, kwamen hier in kennis met de leer van -Calvijn, Bullinger, Beza, Martyr enz. en ergerden zich straks bij -hun terugkeer aan de halfheid der Engelsche reformatie. Het -verschil liep eerst over de ceremoniën. In de leer waren Puriteinen -en Anglikanen het oorspronkelijk eens. De Engelsche -theologie droeg tot in het begin der 17<sup>e</sup> eeuw toe een beslist -Calvinistisch karakter. Op de Universiteiten werd Calvijns Institutie -onderwezen. Zelfs de episcopale regeeringsvorm werd door -Cranmer, Jewel, Hooker e. a. niet als de eenig ware, maar alleen -in het belang van het welzijn der kerk verdedigd, Schaff, Creeds -of Christendom, 3 vol. New-York 1881 I 602 etc. Maar toen -in en sedert 1567 de nonconformisten, onder wie Pilkington, -Whittingham, Thomas Sampson en Humphrey uit Oxford de -voornaamste waren, zich afscheidden, breidde de strijd over heel -de kerkregeering zich uit. De krachtigste voorstander van den -presbyterialen kerkvorm was Thomas Cartwight, prof. te Cambridge, -1570 afgezet, 1603 gestorven. En tegen het einde der -<span class="pagenum" id="Page_115">[115]</span> -eeuw kwam daar nog een verschil in de leer bij; William Perkins -† 1602, Alle de werken, 3 vol. Amst. 1659 v. en William -Whitaker † 1595, Opera, Genev. 1610 2 vol., hoogleeraren te -Cambridge, trachtten de praedestinatie nog te handhaven in de 9 -Lambeth-artikelen, Schaff, Creeds I 658 III 523, welke zij aan -Elisabeths raadsman Whitgift voorlegden, maar het hoogkerkelijke -en het pelagiaansche gevoelen nam hoe langer hoe meer de overhand. -In Schotland werd echter het Calvinisme door John Knox -† 1572, John Craig † 1600, e. a. met kracht ingevoerd en eindelijk -ook door den Koning erkend 1581.</p> - -<p>In Duitschland was de Geref. kerk en theologie minder afhankelijk -van Calvijn. De Heid. Catechismus, de theologie van -Pareus, Ursinus, Olevianus, Hyperius, Boquinus, ook van à Lasco -vertoont in veel opzichten een eigen karakter. Hofstede de Groot, -Ebrard en Heppe hebben deze eigenaardigheid uit Melanchton -verklaard; maar deze voorstelling is onhistorisch en voldoende -weerlegd. Veel beter wordt ze door Prof. Gooszen in twee studiewerken -over den Heid. Catech. 1890 en 1893 en door Dr. Van -’t Hooft, De Theol. van Heinrich Bullinger 1888 uit den opvolger -van Zwingli in Zurich afgeleid. Toch is er tusschen de theologie -van Calvijn en van Bullinger geen enkel zakelijk, maar alleen -een formeel en methodologisch verschil. Het is het onderscheid -tusschen het supra- en het infralapsarisme, tusschen het streng-theologisch -en het foederalistisch uitgangspunt, dat altijd in de -Geref. kerken heeft bestaan en over en weer als gereformeerd is -erkend, cf. mijn opstel Calvin. en Geref. in De Vrije Kerk, Febr. -1893, en de repliek van Prof. Gooszen, Geloof en Vrijheid, -Dec. 1894. Naast Ursinus en Olevianus werkte dan ook in Heidelberg -de streng-calvinistische Zanchius.</p> - -<p class="sep2">31. Reeds tegen het einde der 16<sup>e</sup> eeuw kwam in de Geref. -theologie de scholastische methode op. De eenvoudige behandeling -der dogmata, gelijk we die bij Calvijn, Hyperius, Sohnius aantreffen, -kon op den duur niet voldoen. Bij Martyr, Sadeel, Junius -treffen we al bekendheid aan met de vraagstukken, die in -de MiddelE. door de scholastici werden behandeld. Vooral -Zanchius † 1590 is in zijne werken De tribus Elohim, de natura -Dei, de operibus Dei, de incarnatione (Opera Omnia in 8 tomi, -Geneve 1619) en Polanus a Polansdorf † 1610 in zijn Syntagma -<span class="pagenum" id="Page_116">[116]</span> -Theologiae met de theologie der kerkvaders en der scholastici -uitnemend vertrouwd. Op schoolsche manier wordt dan de dogmatiek -in de Geref. kerken in deze eeuw behandeld, in Nederland -door Trelcatius Jr., Scholastica et methodica locorum omnium -S. Scr. institutio 1604, Nerdenus, Systema theol. 1611, Maccovius, -Collegia theologica 1623, ed. 3<sup>a</sup> 1641. Loci Comm. Theol. 1626, -Fr. Gomarus, Opera theol. omnia Amstel. 1664, Gisb. Voetius, -Disputationes sel. 5 partes, Ultraj. 1648-59, en elders vooral door -J. H. Alsted, prof. te Herborn en Weissenburg † 1638, Theol. -scholastica didactica, exhibens locos communes theol. methodo -scholastica 1618. De scholastieke methode vond echter lang niet -algemeene instemming. Maccovius kreeg op de Dordsche Synode -de vermaning, ut cum Spiritu Sancto loquatur, non cum Bellarmino -ant Suarezio, Heringa, De twistzaak van Maccovius, Archief -voor Kerk. Gesch. III 1831 bl. 505 v. De twist van Maccovius -en Amesius, ib. bl. 643 v. en Van der Tuuk, Joh. Bogerman -bl. 229 v. en van Maresius tegen Voetius had in dezelfde scholastieke -methode haar grond. Maresius noemde Voetius een theologus -paradoxus, telde niet minder dan 600 paradoxa in zijne theologie -op, en beschuldigde hem vooral dat hij lacum asphaltidem scholasticorum -derivare in fontem Siloe; zie zijn Theologus paradoxus -retectus et refutatus 1649 en daartegen Voetius, Disput. Sel. V. -572-716. Maar ook waar men voor wijsgeerige terminologie, -scholastieke distincties en ijdele schoolsche vragen zich wachtte -en de waarheid in meer eenvoudigen vorm voordroeg, was de -17<sup>e</sup> eeuw toch de eeuw der objectieviteit. De stof lag gereed, ze -behoefde alleen geordend te worden. De traditie werd eene macht. -Niet alleen de Schrift, maar ook de belijdenis, ja zelfs de dogmatische -behandeling kreeg eene onaantastbare autoriteit en deed -Camero de klacht slaken, dat men in de leer niet afwijken kon -ἀπο των δοκουντων εἰναι στυλοι, zonder vervolgd te worden, -Schweizer, Centraldogmen II 237. De voornaamste godgeleerden -in ons land waren Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus, -schrijvers der Synopsis Purioris theologiae, Trigland, Hoornbeek -te Leiden; Maccovius, Acronius, Amesius, Schotanus, Bogerman, -Cloppenburg, Arnoldus te Franeker; Ravensperger, Gomarus, -H. Alting, Maresius te Groningen; Voetius, Essenius, Mastricht, -Leydecker te Utrecht; verder Bucanus te Lausanne, Wollebius -te Bazel; Danaeus, Franc. Turretinus en B. Pictet te Genève; -<span class="pagenum" id="Page_117">[117]</span> -J. H. Heidegger en J. H. Hottinger te Zurich; Chamier, Bérault, -Garissoles te Montauban; Tilenus, Dumoulin, Beaulieu te Sedan; -voorts Benj. Basnage, David Blondel, Sam. Bochartus, Jean -Mestrezat, Charles Drelincourt, Jean Daillé en vooral de theologen -te Saumur Camero, Amyraldus, Cappellus, Placaeus, cf. Félice, -Histoire des Protestants de France 7<sup>e</sup> ed. 1880. In Engeland -won in de 17<sup>e</sup> eeuw de hoogkerkelijke en arminiaansche richting -veld; zij vond steun hij de Stuarts, bij de aartsbisschoppen, bij -den adel, en werd bevorderd door Bancroft, den opvolger van -Whitgift 1604-1610, die in een preek 1589 het episcopaat als -noodzakelijk verdedigde, Buckingham 1625-28, aartsbisschop -Laud 1628-45, Lord Clarendon † 1674. Daarentegen waren -er nog vele theologen in de Anglikaansche kerk, die wel het -Episcopalisme verdedigden maar toch trouw aan het Calvinisme -bleven. Zoo Whitgift, aartsbisschop van Canterbury, 1583-1604, -raadsman van Elizabeth, aartsbisschop Abbot 1604-1623, 1622 in -ongenade gevallen, de afgevaardigden ter Dordsche Synode Carlton, -Hall, Davenant, prof. in Cambridge, later bisschop van Salisbury, -Determinationes quaestionum quarundam theologicarum, Cambr. -1634, Ward, Goad, Balcanqual en voorts mannen als Burton, Warton, -Prynne, Rouse, Preston, Usher, Corpus theologiae, Dublin -1638, holl. vert. van Ruytingius, ’t Lichaam der Godd. leer -Amst. 1656, Morton, Joh. Prideaux, Lectiones theologicae, -Scholasticae theologiae syntagma 1651, Saunderson, Hammond, -Opera Omnia Lond. 1684, Westfield, Stillingfleet, Op. Omn. Lond. -1709, Tillotson aartsb. van Canterbury, Works Londen 1704, -John Pearson, Exposition of the Creed 1659, Lectiones de Deo -et ejus attributis, Burnet † 1715 prof. in Glasgow, later bisschop -van Salisbury, An exposition of the 39 articles. Roger Boyle, -Summa theologiae christ. Dubl. 1687. J. Forbesius a Corse, prof. -te Aberdeen, Instructiones histor. theol. de doctrina christ. 1699. -Thomas Pierce, Pacificatorium orthodoxae ecclesiae corpusculum -1685. Foggius, Theol. speculativae schema 1712. W. Beveridge, -Thesaurus theol. or a complete system of divinity Lond. 1710-11. -Th. Bennet, Instructions for studying 1 a general system or -body of divinity, 2 the 39 articles of religion, Lond. 1715. -Onder de Puriteinen zijn uit deze periode vooral bekend Bradshaw, -Raynolds, Baynes, Byfield, Rogers, Hooker, White, Archer, -Hildersham, Davenport, Lightfoot, Seldenus, Twissus, Calamy, -<span class="pagenum" id="Page_118">[118]</span> -Gataker, Baxter, Bates, Mead, Owen enz. Het Arminianisme had -in Engeland, zoowel onder de dissenters als onder de Anglikanen -grooten invloed. En daarnaast werd vanuit Frankrijk ook het -Amyraldisme in Engeland overgebracht. Beide vloeiden dikwerf -saam en vonden hun vereeniging in de neonomiaansche theorie, -die tot een belangrijken en langdurigen strijd aanleiding gaf. De -neonomianen legden den grond der rechtvaardiging in het geloof, -zooals b.v. de Arminiaan John Goodwin, de vriend van Milton, -in zijn The banner of justification displayed, Imputatio fidei 1642, -Richard Baxter, Justifying Righteousness, Dr. Dan. Williams, -Works, 1750. Benj. Woodbridge, The method of grace in the -justification of sinners 1656. Daartegenover stonden anderen, die -ten onrechte anti-nominianen werden genoemd maar eigenlijk -anti-neonomianen moesten heeten en den grond der rechtvaardiging -alleen stelden in de toegerekende gerechtigheid van Christus, -zooals Dr. Crisp, Dr. Tully, Justificatio paulina sine operibus -1677. Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id. Alexipharmacon, -a fresh antidote against neonomian bane 1700. John -Eaton, The honeycombe of free justification by Christ alone -1642, William Eyre, Vindiciae justificationis gratuitae 1654 enz., -verg. Witsius, Misc. Sacra II p. 753 Sq. James Buchanan, The -doctrine of justification, Edinburgh Clark, 1867 p. 176, 464. -Over het algemeen genomen, lag echter het zwaartepunt der -Engelsche theologie niet in de dogmatische maar in de bijbelsche, -kerkhistorische, patristische, archaeologische en praktikale studiën. -De staatkundige en kerkelijke verhoudingen gaven daar vanzelf -aanleiding toe, Gass, Gesch. der prot. Theol. III 297 f. Ypey, -Syst. Godg. II 268 v. en voorts Weingarten, Die Revolutionskirchen -Englands 1868. Neal, Historie der Puriteinen, Rott. 1752 -v. Marsden, History of the early and later Puritans from the -reformation to the ejection of the nonconf. clergy in 1662, 2 vol. -London 1852. Dr. Stoughton, History of religion in England from -the opening of the long Parliament to the end of the 18<sup>th</sup> century, -8 vol. 1881. Dr. Tulloch, Rational theology and Christ. theology -in England in the 17<sup>th</sup> century, 2 vol. 1872. Rijker en krachtiger -was naar verhouding het dogmatisch leven in Schotland. Hier -had het Calvinisme een geschikten bodem gevonden en werd het -in strengen, positieven geest verder ontwikkeld. De voornaamste -theologen in deze periode waren: Rollock, sedert 1583 principal -<span class="pagenum" id="Page_119">[119]</span> -van de universiteit te Edinburgh, schrijver van commentaren op -de brieven van Paulus, de Psalmen, Daniël en vooral ook van -eene verhandeling over de krachtdadige roeping; John Welsh, -van Ayr, die tegen het Romanisme schreef; John Sharp, die -eene harmonie van de profeten en de apostelen in het licht gaf; -de gebroeders Simpson, Patrick, die eene kerkgeschiedenis gaf, -William, die over de Hebr. accenten schreef, en Archibald, die -eene uitlegging gaf van de zeven boetpsalmen; Boyd of Trochrigg, -prof. te Saumur, in 1614 principal van de universiteit te Glasgow, -beroemd door zijn commentaar op den brief aan Efeze, die niet -alleen eene uitlegging geeft maar een ware thesaurus is en allerlei -dogmatische en theologische excursen bevat, over triniteit, praedestinatie, -vleeschwording, zonde, doop, enz.; David Calderwood, -die hier te lande vertoefde en zijn Altare damascenum -tegen het anglikaansche episcopaat schreef; Samuel Rutherford, -prof. te St. Andrews, bekend door zijne Brieven niet alleen maar -ook door vele andere werken, Exercitationes apol. pro divina -gratia 1637, de Providentia, Examen Arminianismi, The spiritual -Antichrist enz.; George Gillespie, schrijver van Nihil respondes, -Male audis, Aaron’s Rod blossoming, Miscellanies; en voorts -nog Baillie, Dickson, Durham, Dr. Strang, James Wood, Patrick -Gillespie, Hugh Binning e. a. cf. David Calderwood, The history -of the Kirk of Scotland, 7 vol. Edinb. 1842. Buckle, History -of civilization in England, 5 vol. Leipzig 1865, ch. 17-20. -James Walker, The theology and theologians of Scotland, Edinb. -Clark 1872. Deze positieve ontwikkeling der Geref. dogmatiek -bereikt in zekeren zin haar hoogte- en tegelijk haar eindpunt in -de canones van Dordrecht 1618/19, in de confessie en den catechismus -van Westminster 1646, in den Consensus Helveticus -1675, en de Walchersche artikelen 1693.</p> - -<p class="sep2">32. Maar reeds in de 17<sup>e</sup> eeuw waren de beginselen aanwezig, -die de Geref. theologie ondermijnden en tot verval brachten. -In de hervormingseeuw was er niet alleen eene Luthersche -en Calvinistische reformatie, maar daarnaast traden nog -twee andere partijen op, nl. de Wederdoopers en de Socinianen, -die juist in de Geref. kerk en theologie in Zwitserland, Nederland, -Engeland, Amerika ten allen tijde van grooten invloed zijn geweest. -Zij vertegenwoordigen het mystieke en het rationeele element -<span class="pagenum" id="Page_120">[120]</span> -in de religie en de theologie. Zie voor de Wederdoopers en Mennonieten: -oudere litteratuur van Luther, Melanchton, Zwingli, Bullinger, -a Lasco, de Bres, Modet, Marnix, Taffin, Caspar Heydanus, -Spanheim, Faukelius, Schotanus, Hoornbeek, Cloppenburg -enz. bij Walch Bibl. Theol. sel. II 13-29, en nieuwere -litteratuur van Arnold, Schenkel, Erbkam, Hase, Halbertsma, -Blaupot ten Cate, Hoekstra, Gorter, Cramer enz. bij Scholten, -L. H. K. II 271-308. Voorts L. Keller, Gesch. der Wiedertäufer -u. ihres Reiches in Münster 1880. Goebel, Gesch. des -christl. Lebens u. s. w. I 1849 S. 134 f. Ritschl, Gesch. des -Pietismus I 1880 S. 22 f. J. H. Maronier, Het inwendig woord, -Amst. 1890. L. Keller, Die Reformation u. die älteren Reformparteien, -Leipzig 1885, verschillende opstellen van Sepp in zijne -Geschiedk. Nasporingen, 2 deelen 1872/3 en Kerkhist. Studiën -1885. A. Brons, Ursprung, Entw. u. Schicksale der Taufgesinnten -oder Mennoniten, Norden 1884. Art. Anabapt. en Mennon. -in Herzog<sup>2</sup>. Voor de Socinianen en Unitariërs van vroeger en -later tijd vergelijke men Fock, Der Socinianismus 1847. Trechsel, -Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socin, 2 Bde -1839/44. Art. Socin in Herzog<sup>2</sup>. Harnack, Dogmengesch. III -653-691.</p> - -<p>Het Arminianisme had reeds in de 16<sup>e</sup> eeuw zijne voorloopers -in Coolhaes, Coornhert, Wiggerts e. a. maar werd in ’t begin -der 17<sup>e</sup> eeuw eene macht in de kerk. Het kwam in verzet tegen -de belijdenis van Gods volstrekte souvereiniteit op de bekende -vijf punten, de praedestinatie, de voldoening, ’s menschen bedorvenheid, -bekeering, en volharding. Zie hun Remonstrantie, -1610 aan de Staten aangeboden, de Confessio en de Apologia -pro confessione, door Episcopius opgesteld, Opera II 69 sq. 95 sq.; -van de confessie verscheen 1665 eene holl. uitgave door Uytenbogaert. -Arminius, Opera Theologica, Francof. 1631. Uytenbogaert, -Onderwijzing in de christ. religie 1640. Episcopius, Institut. -Theol. Opera I 11 sq. Limborch Theol. Christ. ed. 5<sup>a</sup> 1730. -Curcellaeus, Opera Theol. Amst. 1675.</p> - -<p>Het Cartesianisme was in principe eene volkomene emancipatie -van alle autoriteit en van alle objectieviteit, en een opbouwen -van heel den kosmos uit het subject, uit het denken. Cogito, -ergo sum. Het verwerpen van alle traditie en de schijnbaar zekere -mathematische methode, langs welke Cartesius tot het bestaan -<span class="pagenum" id="Page_121">[121]</span> -van de wereld, van God, van den geest besloot, behaagde aan -velen. Cartesius kreeg vele aanhangers, ook onder de theologen. -Renerius en Regius in Utrecht; Raey, Heerebord, Abr. Heydanus -in Leiden, en voorts Roell, Bekker, Joh. v. d. Waeyen, Hautecour, -Andala, namen het Cartesianisme over en droegen het rationalisme -in de kerk in. De verhouding van rede en openbaring werd nu -de voornaamste kwestie; de rede emancipeert zich van de openbaring -en tracht hare zelfstandigheid te herwinnen, A. C. Duker, -Schoolgezag en eigen onderzoek, Leiden 1861. Daarbij kwam nu -nog het Coccejanisme, dat inderdaad aan het Cartesianisme in -methode verwant was. Het Coccejanisme was ook eene reactie -tegen de traditioneele theologie en kwam dan ook spoedig tegen -het einde der eeuw met het Cartesianisme in verbond. Het nieuwe -in Coccejus † 1669 was niet zijne verbondsleer, gelijk thans algemeen -erkend wordt, want deze komt reeds bij Zwingli, Bullinger, -Olevianus enz. en hier te lande bij Snecanus, Gomarus, Trelcatius, -Cloppenburg enz. voor, maar zijne foederalistische methode. -Coccejus’ Summa doctrinae de foedere et testamento 1648 was -eene bijbelsch-historische dogmatiek, maakte de Schrift niet alleen -tot principe en norma maar ook tot voorwerp der dogmatiek, en -plaatste zoo de theologia scripturaria tegenover de theologia -traditiva, het foedus tegenover het decreet, de historie tegenover -de idee, de anthropologische methode tegenover de theologische; -het gevaar dezer methode bestond daarin, dat zij het eeuwige, -onveranderlijke (substantia foederis) neertrok in den stroom van -het tijdelijke, historische (oeconomia foederis) en zoo op God -zelf de idee van het worden overbracht. Maar velen volgden de -Coccejaansche methode, Heydanus, Wittichius, Momma, Burman, -Braun, Van der Waeyen, Witsius, Camp. Vitringa, S. van Til, -Joh. d’Outrein, F. A. Lampe e. a., Diestel, Studien zur Foederaltheol. -Jahrb. f. d. Theol. 1865, 2<sup>tes</sup> Heft. De strijd van Voetianen -en Coccejanen en daarna die van groene en dorre, vrije en stijve -Coccejanen duurde tot diep in de 18<sup>e</sup> eeuw voort. Ze eindigde -feitelijk met eene overwinning van het Coccejanisme en het Cartesianisme. -De scholastiek had haar tijd gehad, de bloei der -Aristotelische philosophie was voorbij. De meeste katheders werden -met Coccejanen bezet. De komst van Lampe te Utrecht 1720 -was eene overwinning der Coccejanen. De dogmatische handboeken, -die nu het licht zagen, zijn meest Coccejaansch, Melchior, Systema -<span class="pagenum" id="Page_122">[122]</span> -1685. C. Vitringa, Korte grondstellingen der Godg. 1688. S. van -Til 1704. T. H. v. d. Honert, Waeragtige wegen Gods 1706. -Ravestein 1716, J. v. d. Honert 1735 enz. In hoofdzaak zijn ze -nog orthodox, maar ze zijn meest klein van omvang, vermijden -alle scholastiek, en wijken op vele punten al van de oude voorstelling -af. Er rijst twijfel aangaande de bijzondere voldoening, -verkiezing, generatie des zoons (Roell), de triniteit (P. Maty), -het werkverbond (Alting, Vlak, Bekker, enz.), rede en openbaring -(Roell). De Voetianen werden meer en meer teruggedrongen, en -trokken zich in de stilte terug. Marck’s Merch 1686, holl. vert. -1705 en Brakels Redel. Godsd. 1700 waren de laatste dogmatieken -in hun geest, maar ook reeds gespeend aan de kracht der -vroegere. Piëtistische, labadistische, anti-nomiaansche denkbeelden -drongen in hun kringen door, Lodenstein, Labadie, Koelman, -Lampe, Verschoor, Schortinghuis, Eswijler, Antoinette de Bourignon -enz.</p> - -<p class="sep2">33. En zoo was het verloop der theologie in alle Geref. -kerken. In Frankrijk werd de akademie van <ins id="cor_16" title="Sanmur">Saumur</ins> middelpunt -van allerlei opzienbarende stellingen. Camero † 1625 sloot niet -alleen in de ontkenning der toerekening van Christus’ obedientia -activa bij Piscator in Herborn zich aan, maar leerde bovendien, -dat de wil altijd het verstand volgt en dat dus de buiging van -den wil in de wedergeboorte geene physische maar eene ethische -daad was. Amyraldus † 1664 Traité de la prédestination maakte -de gewone leer van de voluntas signi, van het ernstig en welmeenend -aanbod der genade tot een afzonderlijk besluit, dat aan -dat der verkiezing voorafging. Hij legde daarmee een remonstrantschen -grondslag onder het Calvinistische gebouw en liep -gevaar om de onmacht des menschen tot ’t geloof tot eene zedelijke -te verzwakken. Cappellus † 1658 beweerde in zijn werk -Arcanum punctationis revelatum, 1624 anoniem uitgegeven te -Leiden door Erpenius, dat de Hebr. punten quoad figuram door -de Joodsche geleerden later waren uitgevonden en in den tekst -gevoegd, en lokte tegenspraak uit van Buxtorf 1648. In zijne -Critica sacra 1650 leerde hij, dat de Hebr. tekst niet ongeschonden -was, en in zijn Diatribe de veris et antiquis Hebraeorum -literis 1645 dat ’t Samaritaansche schrift ouder was dan het -Hebr. kwadraatschrift. Placaeus, de statu hominis lapsi ante -<span class="pagenum" id="Page_123">[123]</span> -gratiam 1640 ontkende de onmiddellijke toerekening van Adams -zonde. Claude Pajon † 1685 loochende de noodzakelijkheid van -de gratia interna, en werd bestreden door Jurieu in zijn Traité -de la nature et de la grâce 1687. De theologische strijd liep -dus in Frankrijk vooral over den aard der subjectieve genade. -Camero beperkte haar tot verlichting des verstands, Amyraldus -maakte de objectieve genade universeel, Pajon leerde ’t overbodige -eener bijzondere subjectieve genade. Het deïsme en rationalisme -werd hierdoor voorbereid.</p> - -<p>In Engeland was er onder de nonconformisten groote verscheidenheid. -De Presbyterianen gingen na de Westminster Synode -zoowel in aantal als in invloed achteruit, en moesten de plaats -ruimen voor het Independentisme, dat reeds in de 16<sup>e</sup> eeuw werd -omhelsd door Robert Browne, Johnson, Ainsworth en John -Robinson † 1625, Works, 3 vol. London 1851, cf. Ned. Archief -v. K. Gesch. v. Kist en Royaards 1848 VIII bl. 369-407, -en tijdens den burgeroorlog in macht en aanzien toenam. Op de -Westminster Synode hadden de Presbyterianen nog de meerderheid -en beschikten de Independenten nog slechts over enkele -stemmen, Thomas Goodwin † 1680, Philip Nye † 1672, Jeremias -Burroughs † 1646, William Bridge † 1670, William -Carter † 1658, Sydrach Simpson † 1658, Joseph Caryll † 1673 -e. a. Maar reeds in Oct. 1658 waren op eene vergadering te -Londen afgevaardigden van meer dan honderd independente gemeenten -aanwezig. Daar werd de Savoy Declaration opgesteld, -door Hoornbeek 1659 in het latijn vertaald en achter zijne Epistola -ad Duraeum de Independentismo afgedrukt, Schaff, Creeds -I 820-840 III 707. Hun voornaamste theoloog was Dr. John -Owen 1616-1683, Works, 21 vol. London 1826; de Doctrina -Christiana van Milton werd 1827 te Brunswijk uitgegeven, Stud. -u. Kr. 1879, 4<sup>tes</sup> Heft. Zie voorts Jos. Fletcher, History of -independency in England since the reformation 4 vol. London -1847-49, en andere litt. bij Schaff, Creeds I 820. Ook het -Baptisme kwam reeds in de 16<sup>e</sup> eeuw sporadisch in Engeland -voor, maar begon toch eerst sedert 1633 eigen gemeenten te -vormen. In 1644 telde het 7 gemeenten in en 47 buiten Londen. -In 1677 gaven de Baptisten eene Confession of faith, die alleen -in de kerkregeering en den doop van de Westminster confessie -en de Savoy Declaration afweek. Op den grondslag van deze -<span class="pagenum" id="Page_124">[124]</span> -confessie werd in 1693 door William Collins een catechismus -opgesteld, die algemeen werd aangenomen. Van de Calvinistische -Baptisten zijn de General, Arminian of Free-will Baptists onderscheiden. -Het Baptisme vond later vooral in Amerika verbreiding -door Roger Williams † 1683. Voor de dogmatiek heeft het -weinig gedaan, maar het heeft in John Bunjan † 1688, Robert -Hall, John Foster, enz. machtige predikers voortgebracht, Schaff, -Creeds I 845-859, III 738-756. J. M. Cramp, Baptist History -from the foundation of the Christ. Church to the close of -the 18 century, Philad. 1868. De periode van den burgeroorlog -was in Engeland op religieus en theologisch gebied een tijd van -de grootste verwarring. Allerlei denkbeelden en richtingen woelden -dooreen. Vroeger werden deze voor even zoovele secten gehouden, -maar veel beter worden ze met Weingarten als nuanceeringen -in de ééne groote partij der Heiligen beschouwd. Arminiaansche, -baptistische, chiliastische, antinomistische, en zelfs libertijnsche -gevoelens vonden ingang. Er heerschte een religieus individualisme. -In het Quakerisme bereikte dit zijn toppunt. De emancipatie van -de traditie, de confessie, het kerkverband voltooit zich daarin, -dat ieder geloovige op zich zelf wordt gesteld, zelfs van de -Schrift wordt losgemaakt, en in zich zelf, in den Geest, in het -inwendig licht de bron bezit van zijn religieuse leven en kennen. -Al het objectieve, Schrift, Christus, kerk, ambt, sacrament -wordt ter zijde gesteld; de geloovigen leven uit een eigen beginsel -en onderscheiden zich ook in de maatschappij door eigen -zeden, gewoonten, kleeding, enz. George Fox 1624-1640, -Works, 3 vol. London 1694-1706 was stichter van deze secte, -Robert Barclay 1648-1690, Apologia theologiae vere christianae, -Amst. 1675 was haar theoloog, en William Penn 1644-1718 -haar staatsman, William Sewel, History of the rise, increase -and progress of the christian people called Quaker, London 1725. -Th. Evans, An exposition of the faith of the religious society -of friends, Philad. 1828. Schneckenburger, Vorles. über die -Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 69 f. Weingarten, -Rev. Kirchen Englands 364 f. Möhler, Symbolik 492 f. -Schaff, Creeds I 859-873. Herzog<sup>2</sup> art. Quäker.</p> - -<p>Al deze individualistische lichtingen baanden den weg voor -het Deïsme. Het realisme van het Engelsche volkskarakter, het -nominalisme van Duns Scotus, Roger Bacon en Willem van -<span class="pagenum" id="Page_125">[125]</span> -Occam, de empiristische philosophie van Francis Bacon † 1626 -hadden het reeds voorbereid. En toen daar nu in de 17<sup>e</sup> eeuw -de verwarring bijkwam in de religieuse overtuigingen, en heel -Engeland in partijen en secten was verdeeld, ontwaakte bij velen -de gedachte, dat alleen in datgene, wat aan allen gemeen was, -het wezen der religie gelegen kon zijn. Het latitudarisme vond -ingang en liep op het deïsme uit. De rij der deïsten werd geopend -door Herbert van Cherbury † 1648, die in zijn werk de -veritate 1624 en de religione gentilium 1645 het wezen der -religie tot vijf waarheden herleidde: bestaan Gods, vereering -Gods, deugd, berouw en vergelding; maar deze oorspronkelijke, -ware en zuivere godsdienst is op allerlei wijze door de priesters -vervalscht. Dit was het program van ’t deïsme. Van daaruit werd -nu vervolgens de strijd tegen de openbaring ondernomen. Locke -† 1704, The reasonableness of christianity 1695, droeg aan de -rede de beslissing over de openbaring op. John Toland † 1722, -Christianity not mysterious 1696 sprak uit dat het Christ. -niet alleen niets tegen maar ook niets boven de rede bevatte. -Anton Collins † 1729, Discourse on freethinking 1713 beval het -vrije, d. i. ongeloovige denken aan. Thomas Woolston † 1731 -schreef Discourses on the miracles of our saviour 1727-30 en -trachtte deze door allegorie te verklaren. M. Tindal † 1733, -Christianity as old as creation 1730 stelde heel de openbaring -ter zijde. Het deïsme eindigde in skepticisme bij Henry Dodwell, -Christianity not founded on argument 1742. En deze skepsis werd -op philosophisch gebied door D. Hume † 1776 voltooid.</p> - -<p class="sep2">34. Ongeveer 1750 is overal het verval der Geref. theologie -ingetreden. De ontbindende elementen, reeds in de vorige eeuw -aanwezig, werken door en ondermijnen de dogmatiek. Nadat het -Coccejanisme hier te lande de overwinning had behaald, kwam -van 1740 tot 1770 het tijdperk der Toleranten. De kracht der -waarheid werd verloochend; van de belijdenis trok men zich naar -de Schrift terug; eigenaardige geref. leerstukken, erfschuld, werkverbond, -bijzondere voldoening, enz. werden losgelaten; onder -schoonen vorm en bijbelschen naam kwamen allerlei remonstrantsche -en sociniaansche dwalingen op. De belijders der Geref. religie -leggen zich hoogstens nog bij het voorhandene neer, maar ze -leven er niet meer in en spreken er niet meer uit. De oude -<span class="pagenum" id="Page_126">[126]</span> -dogmatiek werd een voorwerp van historische studie. Prof. Bernh. -de Moor schreef een Commentarius perpetuus in Marckii Compendium, -6 vol. Lugd. B. 1761-71, en Ds. Martinus Vitringa -gaf een commentaar op de Doctrina Christ. religionis van zijn -vader Campegius Vitringa, onder den titel Doctrina Christ. -relig. per aphorismos summatim descripta, ed. sexta. Cui nunc -accedit ὑποτυπωσις theologiae elencticae in usum scholarum -domesticarum Campegii Vitringae, curante Martino Vitringa, qui -praefationem, prolegomena et adnotationes adjecit, nec non analysin -v. cl. Theodori Scheltingae, 9 partes, Amst. 1761. Onder -de weinigen, die met hart en ziel aan de oude geref. leer vasthielden -en ze met talent verdedigden en verder ontwikkelden -nemen Alex. Comrie † 1774, A. B. C. des geloofs 1739, Eigengesch. -des zaligm. geloofs 1744, Verklaring van den Catech. -1753, Brief over de rechtvaardigmaking 1761, cf. Dr. A. G. Honig, -Alex. Comrie, 1892, Nic. Holtius † 1773, Verhandeling over -de rechtv. door het geloof 1750, en J. J. Brahé, Aanmerkingen -wegens de vijf Walch. art. 1758 eene eerste plaats in. De beide -eersten bonden in hun Examen van het ontwerp van Tolerantie, -in 10 Samenspraken, Amst. 1753-59 den strijd tegen de Toleranten -aan, onder wie de Hoogleeraren J. van den Honert, J. J. -Schultens en Alberti het vooral moesten ontgelden. Naast hen -verdient ook nog J. C. Appelius genoemd te worden, die bekend -is door zijn strijd over het avondmaal, Zedig en vrijmoedig onderzoek, -enz. 1763. Over het avondmaal 1764. Aanmerkingen over -het rechte gebruik van het Evangelie. Vervolg van de Aanmerkingen, -enz. De Hervormde leer 1769.</p> - -<p>Maar sedert 1770 nam de zoogenaamde neologie hoe langer -hoe meer aan invloed toe. Het Engelsche deïsme, het Fransche -ongeloof en het Duitsche rationalisme vond hier een vruchtbaren -bodem. De revolutie was een totale keer in de begrippen. De -orthodoxie werd in den vorm van een niet rationalistisch maar -rationeel, gematigd, bijbelsch supranaturalisme overgeleid naar -de 19<sup>e</sup> eeuw, en had als zoodanig haar voornaamste vertegenwoordigers -in P. Chevallier, Schema Institutionum theol. 1773-75. -Br. Broes, Institut. Theol. theor. 1788. J. van Nuys Klinkenberg, -Onderwijs in den godsdienst 12 deelen 1780 v. Samuel van Emdre, -Katechismus der H. Godg. 1780. W. E. de Perponcher, Beschouw. -Godg. 1790 enz., inzonderheid H. Muntinghe, Pars theologiae -<span class="pagenum" id="Page_127">[127]</span> -christ. theoretica 1800. En evenzoo ging het in andere landen. -Frankrijk had in de 18<sup>e</sup> eeuw geen eigen geref. theologie meer. -De herroeping van het edict van Nantes bande de beste krachten -buiten ’s lands. In de 18<sup>e</sup> eeuw verwierven Paul Rabaut † 1794 -en Antoine Court † 1760, zich den eerenaam van herstellers -der geref. kerk in Frankrijk. De Fransche predikanten ontvingen -hunne opleiding meest in Lausanne, waar een eigen seminarie -was opgericht voor de Fransche studenten naar het plan van -Antoine Court. In Zwitserland kon de Consensus Helvetius 1675 -het rationalisme niet keeren. J. E. Wettstein en zijn zoon in -Bazel, J. C. Suicerus en zijn zoon Henricus in Zurich, Mestrezat -en Louis Tronchin in Genève brachten er al bezwaren tegen in, -Schweizer, Centraldogmen II 663 v.; reeds in 1685 werden er -pogingen in het werk gesteld om haar terzijde te stellen, en in -de 18<sup>e</sup> eeuw werden deze in Genève, Bazel, Appenzell, Zurich, -Bern enz. met goed gevolg bekroond. J. F. Osterwald, pred. te -Neufchatel † 1747 vormt den overgang van de 17<sup>e</sup> eeuwsche -orthodoxie tot het 18<sup>e</sup> eeuwsch rationalisme. In zijn Traité des -sources de la corruption, qui règne <ins id="cor_17" title="anjourdhui">aujourd’hui</ins> parmi les Chrétiens -1700, Catéchisme 1702, Compendium theol. Christ. 1739 -klaagt hij over de doode orthodoxie en de fijn uitgesponnen -dogmata, verzwijgt hij vele leerstukken, bijv. over de verkiezing, -en zoekt herleving der moraal. Met hem vormden J. A. -Turretinus † 1737, Opera 3 vol. en S. Werenfels † 1740, Opuscula, -ed. 2. 1739 het Zwitsersche triumviraat. De door hen -vertegenwoordigde gematigde orthodoxie leidde welhaast tot besliste -heterodoxie bij J. J. Zimmermann † 1757. Opuscula -1751-59. J. J. Lavater † 1759 art. Genève in de Dictionn. -Encycl. van Diderot en d’Alembert, J. Vernet, Instruction Chrétienne -1754. De mathematische methode van Wolf werd op de -theologie toegepast door D. Wyttenbach, Tentamen theol. dogm. -methodo scientifica pertractata, 3 tomi 1747, J. F. Stapfer, -Institut. theol....... ordine scientifico dispositae, 5 vol. 1743, -Grundlegung zur wahren Religion Zurich 1751-52, Bernsau, later -prof. te Franeker, Theol. dogmatica, methodo scientifica pertractata -1745-47, in Duitschland door Ferdinand Stosch † 1780, -Summa paedagogiae scholasticae ad praelectiones academicas in -theologiam revel. dogm. 1770, Sam. Endemann prof. te Marburg -Instit. theol. dogm. 1777 en Sam. Mursinna prof. te Halle, Compendium -<span class="pagenum" id="Page_128">[128]</span> -theol. dogm. 1777. In Engeland werd de dogmatiek -schier geheel in beslag genomen door de kwestiën over voorspelling, -wonder en openbaring, die door het deïsme aan de -orde waren gesteld. Ofschoon de apologetiek dikwerf rationalistisch -gekleurd was, had ze toch vele en onder hen ook sommige -uitnemende vertegenwoordigers, Samuel Clarke † 1729, Nathan -Lardner † 1768, Joseph Butler † 1752, Richard Bentley, William -Whiston, Arthur Ashley Sykes, Thomas Sherlock † 1761, -Daniël Waterland † 1742, John Coneybeare, John Leland, James -Foster, William Warburton † 1779, Richard Watson † 1816, -William Paley † 1805, Evidences of Christianity 1794. Natural -Theology 1802 enz. Onder de dogmatische werken, die in deze -periode het licht zagen, zijn de voornaamste die van Hutchinson, -waarvan een uittreksel gegeven wordt in A letter to a bishop -concerning some important discoveries in philosophy and theology -1735; van Stackhouse † 1752, A complete body of speculative -and practical divinity 1709, holl. vert. 1758, Isaac Watts † 1748 -bekend niet alleen door zijne geestelijke liederen en logika -maar ook door zijn catechismus 1728, Philipp Doddridge † 1751, -Rise and progress of religion in the soul 1745, e. a. Onder de -Schotsche Godgeleerden in de 18<sup>e</sup> eeuw treden op den voorgrond -Thomas Boston † 1732, A complete body of divinity, 3 vol. -1773, Fourfold State, holl. vert. 1742, A view of the covenant -of grace, holl. vert. van Comrie 1741; Adam Gib, en de eerste -vijf Seceders, Fisher, Wilson, Moncrieff en de gebroeders Ralph -en Ebenezer Erskine, wier werken ook in ’t holl. zijn vertaald, -nieuwe uitgave, Amst. 1856. Van belang was de zoogenaamde -Marrow controversy, die in 1717 begon naar aanleiding, dat het -werk van den Independent Edward Fisher, The marrow of modern -divinity, verschenen in 1647, opnieuw in Schotland werd uitgegeven. -De neonomiaansche strijd, die in de vorige eeuw in Engeland -was gestreden, werd daardoor naar Schotland overgeplant. -Het boek werd aangevallen door Principal Hadow van St. Andrews -in een werk, getiteld The antinomianism of the marrow detected -1721. Men beschuldigde de „Marrow divines”, onder wie Boston -de voornaamste was, van antinomianisme, maar hield zichzelf -van neonomianisme niet vrij. De General Assembly veroordeelde -sommige stellingen in het Marrowboek als dwalingen; wat mede -aanleiding gaf tot de scheiding van de Erskine’s, die zich aan -<span class="pagenum" id="Page_129">[129]</span> -de zijde van Boston hadden geschaard. Het neonomianisme was -de voorbereiding voor het rationalisme, dat langzamerhand ook -in de theologie en kerk van Schotland doordrong en in mannen -als Simpson, M<sup>c</sup>. Laurin e. a. reeds duidelijk merkbaar is, Walker, -The Theology and theol. of Scotland p. 25 v. 39 v. 53 v. -James Buchanan, The doctrine of justification 1867 p. 182-188. -Merle d’Aubigné, Duitschland, Engeland en Schotland, -Rotterdam, 1849.</p> - -<p class="sep2">35. In den aanvang der 19<sup>e</sup> eeuw verkeerde de Geref. theologie -bijna overal in een droevig verval. In den vorm van het -supranaturalisme werd de theologie hier beoefend door Van der -Palm, Van Voorst, Borger, Clarisse, Kist, van Hengel te Leiden, -door Abresch, Chevallier, Muntinghe, Ypey te Groningen, Heringa, -Royaards, Bouman, Vinke te Utrecht, door vele bekwame en -voorname predikanten Dermout, Broes, Donker Curtius, van -Senden, Egeling enz. en door vele verhandelaars in het Stolpiaansch -legaat 1756, Teylers Genootschap 1778 en het Haagsch Genootschap -1787. Deze supranat. richting wilde rationeel zijn, niet -rationalistisch in den zin van Wegscheider, Röhr, Paulus, ze -handhaafde de openbaring en betoogde hare noodzakelijkheid, -mogelijkheid en waarheid op allerlei rationeele en historische -gronden. Ze wilde bijbelsch zijn en was anticonfessioneel, antiphilosophisch, -anticalvinistisch; ze kreeg een dogmatiek, die -deïstisch was in de theologie, pelagiaansch in de anthropologie, -moralistisch in de Christologie, collegialistisch in de ecclesiologie, -en eudaemonistisch in de eschatologie. Ze werd in de -noordelijke provinciën des lands ongeveer 1835 vervangen door -de Groninger theologie, die op het voetspoor van de Socratische -wijsbegeerte van Van Heusde † 1839 de idee van openbaring en -leer verving door die van opvoeding, en dus een ethisch element -in de verhouding van God en mensch opnam. God was hier niet -in de eerste plaats Leeraar, maar de groote Opvoeder, die door -natuur en geschiedenis, door den persoon en de kerk van Christus -de menschen als zijne kinderen opleidde tot wijze en vrome -christenen, tot Godegelijkvormigheid. De bestrijding, die ze ondervond -van orthodoxe, straks ook van moderne zijde, en de innerlijke -ontwikkeling tot Evangelische richting maakten, dat ze ongeveer -1850 plaats moest maken voor de Moderne Theologie. Deze kwam -<span class="pagenum" id="Page_130">[130]</span> -op met Opzoomer die hoogleeraar te Utrecht werd in 1845 en -de empiristische philosophie van Mill en Comte toepaste op den -godsdienst. Hij kwam tot het antisupranaturalisme. Scholten gaf -in zijne Leer der Hervormde Kerk ten slotte eene moderne dogmatiek -onder gereformeerde vlag. En Kuenen trad op als voorstander -der evolutie op het gebied der Oudtest. Schrift. Er was -dus langzamerhand eene ontwikkeling op theologisch gebied naar -het ongeloof heen; de moderne theologie heeft geen dogmatiek -meer. Tegenover deze negatieve richtingen kwamen echter in deze -eeuw op in ons vaderland de positieve richtingen van den Reveil -en de afscheiding, van de Utrechtsche en de ethisch-irenische -school en eindelijk van het Calvinisme, dat er naar streeft om -ook theologisch een eigen positie te veroveren. Zie verder mijn -opstel over de Gesch. der theol. in Nederland, Presb. and Ref. -Review April 1892, en Tijdschr. voor Geref. Theol. Juni en -Juli 1894 bl. 161 v. en de daar opgegeven litteratuur. In Duitschland -is de Geref. theologie hoe langer hoe verder achteruitgegaan. -De Geref. kerk had in Duitschland een breed terrein -veroverd. Haar theologie werd beoefend in Heidelberg, Duisburg, -Marburg, Frankfurt a/O, Herborn, Bremen, Halle. Zoo bleef -het tot het midden der 18<sup>e</sup> eeuw. Maar toen kwam de Aufklärung, -in 1817 de Union, vervolgens de invloed der wijsbegeerte -van Kant, Schleiermacher enz, en al deze oorzaken hebben -de Geref. kerk en theol. in Duitschland geheel tot verval gebracht. -Wel kwam er in het begin dezer eeuw eenige ontwaking -ook van het Geref. bewustzijn, bij Krafft in Erlangen, G. D. -Krummacher in Elberfeld, Geibel in Lübeck, Mallet in Bremen -enz. Maar deze was toch niet sterk genoeg. Zelfs mannen als -Ebrard † 1888 in Erlangen, Heppe † 1879 in Marburg hebben door -hun Melanchtonianisme aan de Geref. zaak groote schade toegebracht. -Alleen Wichelhaus † 1858 in Halle, Karl Südhoff † 1865 -in Frankfurt a/M., Böhl in Weenen, Dr. A. Zahn in Stuttgart, -O. Thelemann in Detmold, Kohlbrugge † 1875 in Elberfeld -e. a. stelden zich beslist op den grondslag der Geref. confessie. -Thans is er in Duitschland geen enkele theol. Universiteit of school, -en geen enkel theol. professor van Geref. belijdenis meer, A. Zahn, -Die Ursachen des Niederganges der ref. Kirche in Deutschl. Barmen -1881. Id. Abriss einer Gesch. der ev. Kirche auf dem europ. -Festlande im 19 Jahrh. Stuttgart 3<sup>e</sup> Aufl. 1893, 12<sup>tes</sup> Kapitel.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_131">[131]</span> -36. In Zwitserland en Frankrijk kwam er herleving door den -Reveil, die van uit Schotland daar werd overgeplant. De Reveil, -(cf. Wagenaar, Het reveil en de afscheiding, die bl. 40 litt. -opgeeft. H. von der Goltz, Die reform. Kirche Genfs im 19. -Jahrh. Bazel u. Genf 1862. Léon Maury, Le réveil religieux -dans l’église réformée à Genève et en France, Paris, Fischbacher -2 vol. 1892. W. van Oosterwijk Bruijn, Het Reveil in Nederland, -Utrecht 1890. Pierson, Oudere Tijdgenooten 1888) was eene -machtige, geestelijke beweging, maar was van huis uit onkerkelijk -en anticonfessioneel. Hij stond op algemeen-christelijken -grondslag en kenmerkte zich verder door zijn individualistisch, -aristocratisch, methodistisch en philanthropisch karakter. In Zwitserland -legde hij vooral op twee dogmata, de verkiezing (Cesar -Malan † 1864. Biographie door Malan Jr. Amst. Höveker 1874) en -de inspiratie (Merle d’Aubigné † 1872. Gaussen † 1863) nadruk. -Maar Alexander Vinet 1797-1847, in 1822/’23 onder invloed -van den Reveil gekomen, ging theologisch van eene andere gedachte -uit. Het levensbeginsel van zijn geloof en zijne theologie -was de harmonie van Christendom en geweten. Daardoor kwam -hij er toe, om zoo sterk aan te dringen op het verband van -dogma en moraal, op de ethische zijde der waarheid; daardoor -kwam hij tot zijn synergisme en tot verwerping der verkiezing -enz. Vinet bleef echter tot den einde toe aan de hoofdwaarheden -van het Christendom vasthouden, Dr. J. Cramer, Alex. -Vinet als christ. moralist en apologeet geteekend en gewaardeerd, -Leiden, Brill 1883, en de daar bl. 6 aangeh. litt. Veel verder -ging echter zijn leerling E. Scherer, die eerst streng orthodox -was maar allengs met zijn verleden brak, en in volslagen ongeloof -zijn leven eindigde. Sedert kwam er in Frankrijk en Zwitserland -een liberaal Protestantisme, Pécaut Le Christ et la conscience, -Paris 1859, Martin-Paschoud, Réville; Cougnard, Buisson. -Zoo stonden er twee richtingen, eene liberale en eene evangelische, -tegenover elkaar. Maar onder de laatste werkten de beginselen -van Vinet door, later nog gesteund door den invloed van Ritschl. -Er zijn thans drie richtingen te onderscheiden: eene liberale of -linkerzijde, Bouvier in Genève; eene bemiddelende richting, Pressensé, -Astié, Sécrétan, Sabatier, Leopold Monod, Chapuis, Dandiran, -Lobstein; en eene evangelische, gematigd-orthodoxe, Godet -vader en zoon, Porret, Berthoud, Martin, Doumergue, Bertrand, -<span class="pagenum" id="Page_132">[132]</span> -H. Bois, Gretillat. De strijd tusschen deze twee richtingen loopt -thans vooral over twee vragen. De eene raakt de autoriteit in -zake de religie, of deze n.l. ligt in de Schrift, in Christus of -in rede en geweten. De tweede geldt den persoon van Christus, -of hij n.l. waarachtig God is of door kenose zich ontledigd heeft -of ook slechts een mensch is, gradueel van ons verschillend, cf. -Gretillat in The Presb. and Ref. Review, July 1892 en July 1893.</p> - -<p class="sep2">37. Een overzicht van de theologie in Engeland en Schotland -wordt gegeven door Pfleiderer, Die Entw. der prot. Theol. in -Deutschl. seit Kant u. in Grossbritt. seit 1825, Freiburg 1891, -S. 386 f. Ad. Zahn, Abriss einer Gesch. der ev. Kirche im britischen -Weltreich im 19 Jahrh. Stuttgart 1891. Dr. Carl Clemen, -Der gegenwärtige Stand des relig. Denkens in Grossbrittannie, -Stud. u. Krit. 1892, 3<sup>tes</sup> Heft S. 513-548. G. Elliott, Bilder -aus dem kirchl. Leben Englands, Leipzig Akad. Buchhandlung. -G. d’Alviella, L’évolution relig. chez les Anglais, les Americains -et les Hindous 1884. Walker, Present theological drifts in Scotland, -Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893. Het godsdienstig Engeland, -gelijk wij het heden kennen, is een werk van het Methodisme. -John Wesley 1703-1791 was geen wetenschappelijk theoloog, -maar een machtig prediker, die het evangelie individualiseerde, -en tot een levensvraag maakte voor ieder mensch cf. J. Wedgwood, -John Wesley and the evangelical reaction of the <ins id="cor_18" title="eightteenth">eighteenth</ins> -century 1870. Het door hem en George Whitefield 1714-1771 -opgekomen Methodisme was niet in de eerste plaats eene -afwijking van een of ander der 39 artikelen, maar het concentreerde -heel de waarheid der religie om twee middelpunten, n.l. -om de plotselinge, bewuste ervaring van schuld en genade, d. i. -om de persoonlijke bekeering, en ten tweede om de openbaring -van dat nieuwe leven in een geheel nieuwen vorm, daarin bestaande -dat men uitging op het bekeeren van anderen, van verschillende -adiaphora zich onthield en de christelijke volmaaktheid -reeds in dit leven voor bereikbaar hield. Deze eenzijdigheid leidde -er toe dat allengs verschillende dogmata werden bestreden, gewijzigd -of van ondergeschikte waarde werden beschouwd; cf. over -het Methodisme het art. van Schoell in Herzog<sup>2</sup>. Saussaye, Godsd. -Bewegingen 109 v. Möhler, Symbolik § 75-76. Schneckenburger, -Vorles. über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien -<span class="pagenum" id="Page_133">[133]</span> -1863 S. 103-151. Kolde, der Methodismus u. seine Bekämpfung, -Erlangen 1886. Id. Die Heilsarmee ib. 1885, holl. vert. van -Dr. A. W. Bronsveld. Het Methodisme heeft een onberekenbaren -invloed geoefend, op Independenten, Baptisten, Presbyterianen, -Anglikanen; Wesley is de herschepper van het Engelsche en -Amerikaansche Protestantisme geweest, de revivals zijn sedert -niet meer uit de Prot. kerken geweken, hij was de <ins id="cor_19" title="Archbischop">Archbishop</ins> -of the Slums, de vader van de inwendige zending, de stichter -van het christelijk socialisme. Het Methodisme was echter in -hoofdzaak beperkt tot het volk. In de hoogere kringen, in politiek, -philosophie, letteren bleef het koude liberalisme heerschen. Daartegen -kwam reactie door de romantiek, (W. Scott, Southey, S. T. -Coleridge † 1834), welke op kerkelijk en theologisch gebied werd -overgeplant in de Oxforder beweging. Deze beweging heeft de -hoogkerkelijke partij, die al van de 16<sup>e</sup> eeuw af bestond, aanzienlijk -versterkt, en de Roomsche leer en ritus in de Anglikaansche -kerk krachtig bevorderd. Cf. art. Traktarianismus in Herzog<sup>2</sup>. -Ook de schrijvers van Lux Mundi 1890, Canon Holland, Moore, -Illingworth, Talbot, C. Gore e. a. trachtten het Puseyisme te vernieuwen -en de christelijke dogmata plausibel te maken, door ze -te plaatsen in het licht van den nieuweren tijd. Naast de hoogkerkelijke -is de breedkerkelijke partij opgetreden, die reeds in de -17<sup>e</sup> en 18<sup>e</sup> eeuw werd voorbereid door het Latitudinarisme, en -in deze eeuw uitnemende vertegenwoordigers kreeg in Thomas -Arnold † 1842, Hampden † 1868, F. D. Maurice † 1872, Ch. -Kingsley † 1874, Whately † 1863, F. W. Robertson † 1853, -A. P. Stanley † 1881. Afkeerig van het Methodisme der laagkerkelijke -partij, hebben zij allen op ernstige en edele wijze -gestreefd naar eene verzoening van Christendom en cultuur. De -kerk moest naar hunne overtuiging eene opvoedingschool van het -volk worden; de religie moest zich verzoenen met al het ware, -goede en schoone, waar het ook te vinden was; en het Christendom -moest vooral in de zedelijke vernieuwing der maatschappij -zijne kracht openbaren. Dit breede, tolerante standpunt vond hoe -langer hoe meer instemming. De opkomst en voortgang van het -ritualisme, de velerlei secten en richtingen, de nood der lagere -maatschappij en vooral ook het Higher Criticism, dat reeds met -bisschop Colenso zijn intrede in de Engelsche wereld deed, en -dan door Rob. Smith, T. K. Cheyne, S. R. Driver gepropageerd -<span class="pagenum" id="Page_134">[134]</span> -werd, hebben aan de breedkerkelijke richting de overhand verschaft. -Een van de voornaamste woordvoerders in den tegenwoordigen -tijd is F. W. Farrar, deken der Westminster Abbey. Maar -lang niet alleen in, ook ver buiten de Staatskerk wordt dit breede -standpunt thans door velen ingenomen. Onder de voornaamste -woordvoerders behooren thans de Baptist J. Clifford; de Congregationalisten -E. W. Dale, The old Evangelicalism and the new -1889, Dr. Joseph Parker te Londen, Dr. Fairbairn van Mansfield -College, The place of Christ in modern theology, cf. Theol. Stud. -van Dr. Daubanton, Mei, Juni 1894; de Presbyterianen Prof. -Henry Drummond, The natural law in the spiritual world, Summum -bonum enz. Marcus Dods, A. B. Bruce, Apologetics, or -Christianity defensively stated, Edinburgh Clark 1892. James -Lindsay, The progressiveness of modern Christian thought, Edinb. -Blackwood 1892. Horton, Inspiration and the Bible Rev. -J. B. Heard, Alexandrinian and Carthaginian Theology Edinb. -Clark, Hulsean lectures, Prof. Edw. Caird, The evolution of -religion, 2 vol., James Orr, The Christian view of God and the -world, as centring in the incarnation, Edinb. Elliot. 1893, cf. -mijn opstel, Theol. Stud. van Dr. Daubanton 1894. En voorts -nog Flint, Milligan, Gloag in de Establ. Church van Schotland, -Brown, Rainy, Davidson, Salmond, Laidlaw, G. A. Smith, in de -Free Church, Cairns, Muir, Thomson, J. Smith in de United -Presbyt. enz. Behalve door haar christologisch uitgangspunt, dat -alles concentreert rondom de incarnatie, kenmerkt zich deze richting -nog door haar unieerende tendenz. De kerkelijke verschillen -worden uitgewischt of als van geringe beteekenis voorgesteld; practisch -werkt men met mannen van allerlei kerk en richting saam; -en theoretisch streven velen zelfs naar vereeniging van alle Protestantsche -kerken, zooals b.v. J. Clifford. W. T. Stead gaat -zeker wel het verst, als hij op eene „kerk der toekomst” hoopt, -die de gansche sociale hervorming leiden, heel de cultuur, tot -zelfs de theaters toe, in zich opnemen en alle menschen omvatten -zal. Dikwerf gaat dan hiermede nog gepaard de hope op eene -wederherstelling aller dingen aan gene zijde van het graf; zie -van de rijke litteratuur alleen The wider Hope, Essays and -Strictures on the doctrine and literature of future punishment -by numerous writers, lay and clerical, London, Fisher Unwin -1890. Het strenge Calvinisme verliest bij den dag aan terrein. -<span class="pagenum" id="Page_135">[135]</span> -Hier en daar wordt het nog gehandhaafd, in de Schotsche Hooglanden, -in Wales enz., maar van eene wetenschappelijke beoefening -en verdediging is geen sprake meer. Daarentegen breidt de -leer der evolutie zich in Engeland bij den dag uit. Nadat het -Deisme alreede de wonderen, de voorspellingen en de openbaring -aan eene geduchte kritiek had onderworpen, heeft onder invloed -van de afstammingsleer van Darwin, het agnosticisme van Spencer, -het empirisme van Stuart Mill en het materialisme van Tyndal, -Huxley, Evolution and ethics 1893 cf. Tijdspiegel, April 1894 -dit religieuse ontbindingsproces zich nog verder voortgezet. De -kritiek der christelijke dogmata kreeg een ongedachten, sterken -steun van Edwin Hatch, The organisation of the early christ. -churches 1881, The influence of Greek ideas and usages upon -the christ. church, Hibbert lectures 1888, die evenals reeds -Hampden voor hem in zijn The scholastic philosophy in relation -to christ. theology 1832 de dogmata verklaarde uit de verbinding -van de heidensche wijsbegeerte met het oorspronkelijk Christendom. -Het Unitarisme, dat in 1773 zijne eerste gemeente stichtte -en thans in James Martineau, A study of religion, its sources -and contents 1888, The seat of authority in religion 1890 een -uitnemend woordvoerder bezit, wint gaandeweg aan invloed. Velen -hebben zelfs met het Christendom geheel gebroken, G. Eliott, -Ch. Bradlaugh, A. Besant, W. St. Ross, Morley, J. C. Morison, -cf. Ch. Bradlaugh, A. Besant and Ch. Watts, The freethinkers -textbook 1876; en zoeken hunne religieuse bevrediging in Buddhistische -theosophie (Mevr. Blavatzky, A. Besant), in de moraal -(M. Arnold, Literature and dogma 1873, God and the Bible 1875, -die de religie omschreef als morality touched with emotion en -God als the eternal power, not ourselves, which makes for -righteousness), of in een gezelschap voor ethische cultuur, (opgericht -1876 in Amerika, 1886 in Engeland. W. M. Salter, Die -Religion der Moral, deutsch von G. von Gizycki, Leipzig 1885) -of zelfs in het Mohammedanisme, waarvoor in 1891 in Liverpool -eene moskee werd geopend.</p> - -<p class="sep2">38. Voor de geschiedenis der dogmatiek in Amerika kan men -o. a. raadplegen Encyclopedia of living divines and Christian -Workers of all denominations in Europe and America. Being a -supplement to Schaff-Herzog, Encyclopedia of religious knowledge. -<span class="pagenum" id="Page_136">[136]</span> -Edited by Rev. Ph. Schaff and Rev. S. M. Jackson, New-York 1887. -Adolf Zahn, Abriss einer Gesch. der Evang. Kirche in Amerika -im 19 Jahrh. Stuttgart 1889. Fr. Nippold, Amerik. Kirchengeschichte -seit der Unabhängigkeitserklärung der Ver. Staaten, -Berlin 1892. Alle kerken zijn uit Engeland en andere landen -van Europa successief in Amerika en Canada overgeplant. De -Episcopaalsche kerk is de oudste en rijkste en dagteekent al -van de immigratie in Virginia in 1607. De Dutch Reformed -Church is er gevestigd sedert de ontdekking van den Hudson -en van Manhattan Island 1609. De Independenten of Congregationalisten -landden het eerst te Plymouth 1620. De -Kwakers werden door William Penn in 1680 naar Pennsylvanie -geleid. De Baptisten kregen vasten voet in Amerika op Rhode -Island door Roger Williams 1639. De Methodisten vonden er -ingang door Wesley 1735 en Whitefield 1738. De Duitsche -kerken, zoowel de Luthersche als de Geref. werden er gevestigd -sedert het midden der vorige eeuw. De Presbyteriaansche kerken -zijn er in verschillende groepen verdeeld. Eene schets van de -Presbyt. theologie geeft Prof. Schaff in zijn Theological Propaedeutic, -2 parts, New-York 1892 ’93, II p. 374-405, en in The -Independent, New-York vol. 45 N<sup>o</sup>. 2321, 2324, 2329 en 2330. -Voor het Congregationalisme zie men Congregationalists in America, -ed. by Dr. Albert E. Dunning, New-York, Hill and Co. 1894. -Bijna al deze kerken en richtingen in kerken waren van Calvinistischen -oorsprong. Van alle godsdienstige bewegingen is het Calvinisme -in Amerika de krachtigste geweest. Het is niet tot eene -of andere kerk beperkt, maar is onder allerlei wijziging het -bezielend element in de Congregat. Bapt. Presbyt. Holl. en Duitsch -Geref. kerken enz. Van alle kanten werd het in Amerika gebracht, -uit Engeland, Schotland, Frankrijk, Holland, Duitschland. Het -vormde het karakter van New-England gedurende de koloniale -periode 1620-1776. Er moet echter onderscheiden worden tusschen -het Puriteinsche Calvinisme, dat vooral uit Engeland kwam -en in New-England ingang vond, en het Presbyteriaansche Calvinisme, -dat van uit Schotland in de Zuidelijke, Midden en Westelijke -Staten werd ingevoerd. Beide vormen van Calvinisme -hadden tot basis de Westminster confessie van 1647, maar in -beide kwam ook weldra een strijd tusschen eene oude en eene -nieuwe school. De eerste en voornaamste theoloog van New-England -<span class="pagenum" id="Page_137">[137]</span> -was Jonathan Edwards 1703-1758, art. in Herzog<sup>2</sup>, biographie -door Prof. A. V. G. Allen, bij Houghton, Miffin and -Comp. New-York, 1<sup>e</sup> deel van American religious leaders. Zijne -werken zijn in 4 deelen uitgegeven te New-York, Carter and -Brothers 1881. Hij verbond diepe metaphysische denkkracht met -eene ernstige vroomheid. In 1734, nog vóór de komst van Wesley -in Amerika, had er in zijne gemeente te Northampton eene -merkwaardige opwekking plaats; en later heeft hij met zijn vriend -Whitefield dergelijke revivals meermalen geleid en verdedigd. -Theologisch voerde hij den strijd vooral tegen het Arminianisme, -dat door de geschriften van Daniel Whitby and John Taylor in -New-England doordrong. Hij trachtte het Calvinisme door zijne -metaphysische en ethische speculaties te versterken, maar heeft -het toch feitelijk door zijne onderscheiding van natuurlijke en -zedelijke onmacht verzwakt. Hij werd de vader van de Edwardianen, -New-Theology Men, New-Lights, zooals ze genoemd worden, -die wel de Calvinistische leer van Gods souvereiniteit en uitverkiezing -handhaafden, maar daarmede vereenigden de verwerping -van de erfschuld en de algemeenheid der verzoening, evenals de -Saumursche theologen dat in Frankrijk deden. Zijn zoon Jonathan -Edwards 1745-1801 droeg in de leer der voldoening in ’t wezen -der zaak de theorie van Grotius voor. Samuel Hopkins, een -leerling van Edwards 1721-1803, wiens werken in 1852 te -Boston door Prof. Park van Andover werden uitgegeven, schreef -een systeem der Godgeleerdheid, waarin hij het stelsel van Edwards -teruggaf en vooral de belangelooze liefde tot God uitwerkte in -den zin van Fénélon en Madame Guyon. Nathaniel Emmons -1745-1840, Works, Boston 1842 was een van de voornaamste -verdedigers van het Hopkinsianisme. Bij Timothy Dwight 1752-1817, -Nathaniel W. Taylor 1786-1858 werd het systeem van -Edwards in pelagiaanschen zin gewijzigd. En het leidde in den -tegenwoordigen tijd te Andover, onder leiding van Dr. Egbert C. -Smyth, hoogl. in kerkhistorie, tot verdediging van eene progressieve -orthodoxie en tot de leer van the future probation. De -Old School in de theologie van New-England was vooral gerepresenteerd -door Dr. Bennet Tyler 1783-1858, en Dr. Leonard -Woods 1774-1854, die het oude Calvinisme verdedigden. Het -Puritanisme heeft echter meer en meer de standaards van -Dordrecht en Westminster verlaten. Op de synode van de Congregat. -<span class="pagenum" id="Page_138">[138]</span> -kerken in Amerika, te St. Louis 1880, werd eene nieuwe -confessie van 12 artikelen voorbereid, waarin de kenmerkend -Geref. leerstukken zijn weggelaten.</p> - -<p class="sep2">39. De theologie in de Presbyt. kerken in Amerika heeft -een parallel verloop gehad. Ook hier kwam scheuring niet alleen -onder de theologen, tusschen de Old Lights en de New Lights, -maar ook in de kerken tusschen de Synode van Philadelphia en -New-York 1741-1758. Een van de eerste theologen was John -Dickinson 1688-1747, wiens voornaamste werk eene verdediging -is van de vijf artikelen tegen de Remonstranten. De Old School -vond vooral steun in Princeton college, gesticht 1812, en werd -daar vertegenwoordigd door Dr. Archibald Alexander 1772-1851, -Dr. Charles Hodge 1797-1878, <ins id="cor_20" title="Systematie">Systematic</ins> Theology -London and Edinb. Nelson 1873 3 vol. en diens zoon en opvolger -Archibald Alexander Hodge 1823-1886, Outlines of Theology, -ed. by W. H. Goold. London, Nelson 1866. Evangelical Theology, -ib. 1890. De zoogenaamde Princeton Theology is in hoofdzaak -eene reproductie van het Calvinisme der 17<sup>e</sup> eeuw, gelijk het -neergelegd is in de Westminster confessie en den Consensus Helveticus -en vooral uitgewerkt is door F. Turretinus in zijne Theol. -Elenctica. Hetzelfde systeem wordt ook voorgestaan door de Zuidelijke -theologen James H. Thornwell 1812-1862, Robert J. -Breckinridge 1800-1871 en Robert L. Dabney. Een van -de jongste representanten der Old School, is W. G. T. Shedd, -sedert 1890 emeritus professor van Union Seminary te New-York, -Dogmatic Theology, 2 vol. New-York, Scribner 1888. Tusschen -Hodge en Shedd is er echter een merkwaardig onderscheid. De -eerste is foederalist en creatianist, de tweede is realist en traducianist. -Beide echter stemmen daarin weer overeen, dat ze de -verkiezing zeer ruim opvatten en daaronder ook alle jongstervende -kinderen opnemen. De New Lights weken van de Oude -School af, behalve in het gezag der algem. synode, de revivals, -de unie met de congregationalisten enz. vooral ook in zake de -erfschuld en de bijzondere voldoening, waarbij later nog gekomen -zijn de inspiratie der H. Schrift en de eschatologie. Vertegenwoordigers -dezer nieuwe richting waren Albert Barnes 1798-1870, -Lyman Beecher 1775-1863 en Thomas H. Skinner 1791-1871, -die echter geen van drie een theol. systeem hebben nagelaten. -<span class="pagenum" id="Page_139">[139]</span> -Barnes en Beecher werden van ketterij aangeklaagd maar vrijgesproken. -Toch kwam het opnieuw tot eene scheuring in de kerken -in 1837, toen de Oude School de meerderheid in de Algemeene -Synode kreeg en vier synoden van de gemeenschap afsneed. In -1869 werden ze echter wederom vereenigd vooral door den invloed -van het Union Theol. Seminary te New-York, gesticht in 1836. -Hier werd de dogmatiek gedoceerd door Dr. Henry B. Smith -1815-1877, System of Christian Theology, ed. by W. S. Karr, -4 ed. New-York Armstrong 1890, die tusschen Oude en Nieuwe -School eene bemiddeling zocht in het christocentrische standpunt. -Een zijner leerlingen, Lewis French Stearns † 1892 schreef -Present day Theology, en staat daarin al de nieuwere denkbeelden -voor over inspiratie, voorzienigheid, kenosis, praedestinatie, zaligheid. -Een ander Hoogleeraar in Union Seminary, Dr. Charles -Briggs werd in 1892 aangeklaagd van heterodoxie, wijl hij de -rede voor bron houdt, dwalingen in de Schrift aanneemt, het -Higher Criticism erkent, The Bible, the Church and the reason; -Messianic prophecy; Inspiration and inerrancy enz., en in 1893 -door de General Assembly veroordeeld. Maar daarmede is de -crisis niet uit. De Geref. kerken in Amerika doorleven een moeilijken -tijd. De dogmata van de onfeilbaarheid der H. Schrift, -van de triniteit, van den val en de onmacht des menschen, van -de bijzondere voldoening, van verkiezing en verwerping enz. -worden heimelijk ontkend of open bestreden. De revisiekwestie -is wel tijdelijk in de Presbyt. kerk van de baan, maar komt -toch waarschijnlijk wel weer aan de orde. Het heden schijnt -voor den bloei van de Geref. theologie niet gunstig te zijn, cf. -mijn opstel The future of Calvinism, Presb. and Ref. Review -Jan. 1894.</p> - -<hr class="hr16" /> - -<div class="npage cent" style="line-height: 1.8em;" id="Page_140"><b>DEEL I.</b><br /> -<span class="esp">PRINCIPIA DER DOGMATIEK.</span></div> - -<hr class="hr8" /> - -<h2 class="nobreak" style="margin-top: 1em;">HOOFDSTUK I.<br /> -<b>Principia in het algemeen.</b></h2> - -<hr class="hr10" /> - -<h3>§ 6. <span class="smcap">Beteekenis der principia.</span></h3> - -<p>1. Volgens Simplicius, den neoplatonischen commentator van -Aristoteles, Phys. 32 en evenzoo volgens Hippolytus in zijne -Refutatio omnium haeresium I 6, cf. H. Ritter et L. Preller, -Historia philos. graecae 1886 p. 16, 17, was Anaximander de -eerste, die den grond der dingen, waarvoor hij het ἀπειρον -hield, aanduidde met den naam van ἀρχη. Misschien gaf hij -echter daarmede alleen nog te kennen, dat het ἀπειρον de aanvang -en het eerste van alle dingen was, Ed. Zeller, Die Philosophie -der Griechen, 4<sup>e</sup> Aufl. I 203. Maar in de philosophie -van Plato en Aristoteles kreeg dit woord de beteekenis van -laatste oorzaak der dingen. Aristoteles verstaat onder ἀρχαι in -het algemeen de eerste dingen in eene reeks, en dan vooral de -eerste oorzaken, die uit geen andere zijn af te leiden; hij geeft -Metaph. V. 1. 1013, a, 17 deze definitie: πασων μεν οὐν -κοινον των ἀρχων το πρωτον εἰναι ὁθεν ἠ ἐστιν ἠ γινεται ἠ -γιγνωσκεται, id unde aliquid est aut fit aut cognoscitur. Zulke -oorzaken nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van -het zijn en van het bewustzijn, in de metaphysica en in de logika. -Het zijn der dingen werd door hem uit vier ἀρχαι afgeleid, nl. -ὑλη, εἰδος, ἀρχη της κινησεως en τελος, Phys. II, 3, 194_{b}, 16 -enz. Maar evenzoo nam hij zulke laatste oorzaken in de logika -aan. Aristoteles merkte nl. op, dat er lang niet van alles een -bewijs kan gegeven worden; van vele zaken toch hebben we niet -<span class="pagenum" id="Page_141">[141]</span> -een middellijk weten door bewijsvoering maar een onmiddellijk -weten door de rede. De bewijzen zelve moeten, om niet een -regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen, -die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het -ook niet behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles ἀρχαι -ἀποδειξεως, ἀρχαι συλλογιστικαι, ἀρχαι ἀμεσοι, of ook wel als -algemeene onderstelling van alle bewijsvoering ἀξιωματα, Anal. -post. I 2, 72<sup>a</sup>, 7, enz. en hij zegt er daar zelf van: λεγω δ’ -ἀρχας ἐν ἑκαστῳ γενει ταυτας, ἁς ὁτι ἐστι μη ἐνδεχεται δειξαι. -In denzelfden zin werd het latijnsche principium gebezigd. Cicero -spreekt b.v. van rerum principia Acad. IV 36, principia naturae -Off. III 12, principia naturalia Fin. II 11, principium philosophiae -Nat. D. I 1, principia juris Leg. I 6, enz. In overeenstemming -met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles -werd nu later in de logika drieërlei principium onderscheiden, -principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het -zijn, de wording of de kennis van eenig ding uit iets anders -moest worden afgeleid. Van principium was causa dan weder zoo -onderscheiden, dat causa het principium aanduidde als influxu -suo determinans aliquid sibi insufficiens ad existendum, en als -tempore of ten minste natura prius dan de zaak die zij veroorzaakte. -Causa is dus een bijzondere soort van principium; alle -causa is principium, maar niet alle principium is causa, J. F. -Buddeus, Elementa philosophiae instrumentalis, ed. 5<sup>a</sup> 1714, -I p. 140 sq. 288 sq. Liberatore, Instit. philos. ed. 8<sup>a</sup> Romae -1855 I 217.</p> - -<p class="sep2">2. Ook in de Theologie werd dit spraakgebruik overgenomen. -In de H. Schrift heeft ἀρχη niet alleen dikwerf temporeele Marc. -1:1, Joh. 1:1 enz., maar ook enkele malen causatieve beteekenis. -In de LXX heet de vreeze des Heeren de ἀρχη της σοφιας -Spr. 1:7, en in Apoc. 3:14 en Col. 1:18 wordt Christus de -ἀρχη der schepping en der opstanding genoemd. De kerkvaders -spreken dikwerf van den Vader als ἀρχη, πηγη, αἰτιον van Zoon -en Geest, Athan. C. Arianos II. Basilius, adv. Eunom. I. Damasc. -de fide orthod. I 9, enz., gelijk ook Augustinus den Vader principium -totius divinitatis noemt, de S. Trin. IV cap. 20. Zoo was -God dus het principium essendi of existendi van al het geschapene, -dus ook van de wetenschap, en bepaald nog weer van de -<span class="pagenum" id="Page_142">[142]</span> -theologie. Op dit laatste terrein werd het altijd uitdrukkelijk -herhaald, dat God het principium essendi was der theologie. Er -was hiervoor eene bijzondere reden. Er is geen kennis van God -mogelijk, dan alleen uit en door God Matth. 11:27; 1 Cor. -2:10 v. Het was een axioma der vroegere theologie: a deo -discendum quid de ipso intelligendum, quia non nisi ipso auctore -cognoscitur. Dat er in het schepsel eenige kennis van God -is, dat is alleen aan God te danken. Hij is kenbaar alleen omdat -en inzoover Hij dat zelf wil. Reeds de analogie van een mensch -bewijst de waarheid hiervan. Een mensch is tot op zekere hoogte -het principium essendi van onze kennis aangaande zijn persoon, -1 Cor. 2:11; hij moet zich openbaren, zich door verschijning, -woord en daad te zien geven, opdat we hem eenigszins kunnen -leeren kennen. Maar bij een mensch is dit altijd relatief; hij -openbaart zich dikwerf geheel onwillekeurig en zijns ondanks; -hij openbaart zich menigmaal in karaktertrekken en eigenaardigheden, -welke hem zelven onbekend zijn; hij openbaart zich somtijds -ook anders dan hij is, valsch en onwaar enz. Maar dat -alles valt in God niet. Hij is in absoluten zin principium essendi, -causa efficiens principialis van onze Godskennis, want Hij is -volstrekt vrij, zelfbewust en waarachtig. Zijne zelfkennis, zijn -zelfbewustzijn is het principium essendi onzer Godskennis. Zonder -zelfbewustzijn Gods geen kennis Gods in de schepselen. Het -pantheïsme is de dood der theologie. De verhouding nu van -deze zelfkennis Gods tot onze Godskennis werd vroeger zoo uitgedrukt, -dat gene de theologia archetypa was van deze, en deze -de theologie ectypa van gene. Onze kennisse Gods is een afdruk -van die kennis, welke God van zichzelven heeft, maar dan altijd -in creatuurlijken zin. De kennisse Gods in zijne schepselen is -maar eene zwakke gelijkenis, eene eindige, beperkte, naar het -menschelijk of creatuurlijk bewustzijn geaccommodeerde schets -van het absolute zelfbewustzijn Gods. Maar hoe groot de afstand -ook zij, principium essendi van onze Godskennis is alleen God -zelf, die zich vrij, zelfbewust en waarachtig openbaart.</p> - -<p class="sep2">3. Van dit principium essendi is nu het principium cognoscendi -te onderscheiden. Dat er theologie is, danken we alleen aan -God, aan zijn zelfbewustzijn, aan zijn welbehagen. Maar het -middel, de weg, waardoor die kennisse Gods tot ons komt, is -<span class="pagenum" id="Page_143">[143]</span> -Gods openbaring, hier nog genomen in gansch algemeenen zin. -De aard der zaak brengt dit met zich. Een mensch wordt voor -ons alleen daaruit kenbaar, dat hij zich aan ons openbaart, -d. w. z. dat hij zichzelf te zien geeft, spreekt of handelt. Verschijning, -woord en daad zijn de drie openbaringsvormen van den -eenen mensch aan den ander. Alzoo is het ook bij den Heere -onzen God; ook zijne kennis vloeit ons alleen uit zijne openbaring -toe; en ook die openbaring kan alleen zijn verschijning, woord -en daad. Principium cognoscendi der theologie is dus de zelfopenbaring -of zelfmededeeling Gods aan zijne schepselen. Of die -zelfopenbaring Gods nu individueel tot elk mensch komt of voor -de gansche menschheid neergelegd is in de Schrift of in de kerk, -kan eerst later worden onderzocht. Thans volsta, dat de zelfopenbaring -Gods, krachtens den aard der zaak, het eenige principium -cognoscendi van onze Godskennis kan zijn. Alleen zij er -de opmerking aan toegevoegd, dat, indien die zelfopenbaring -Gods is neergelegd in de Schrift of in de kerk, die Schrift en -die kerk alleen kunnen hebben eene instrumenteele, en dus in -zekeren zin toevallige, voorbijgaande beteekenis. De H. Schrift -is dus hoogstens causa efficiens <i>instrumentalis</i> der theologie.</p> - -<p>Immers, doel der theologie kan geen ander zijn, dan dat het -redelijk schepsel God kenne en kennend Hem verheerlijke Spr. -16:4, Rom. 11:36, 1 Cor. 8:6, Col. 3:17. Het is zijne -εὐδοκια, om door menschen gekend te worden Matth. 11:25, 26. -De zelfopenbaring Gods bedoelt dus, om in het menschelijk bewustzijn -zijne kennis in te brengen en daardoor heen weer aan -God zelf heerlijkheid en eere te bereiden. Maar die zelfopenbaring -Gods kan dan ook niet eindigen buiten, voor, bij den -mensch, maar moet zich voortzetten tot in den mensch zelf, d. i. -de openbaring kan niet alleen uitwendig maar moet ook inwendig -zijn. Daarom werd vroeger onderscheid gemaakt tusschen principium -cognoscendi externum en internum, verbum externum en -internum, revelatio en illuminatio, de werking van Gods Woord -en van zijn Geest. Het verbum internum is het verbum principale, -want dit brengt de kennisse Gods in den mensch, en dat -is het doel van alle theologie, van heel de zelfopenbaring Gods. -Het verbum externum, de openbaring neergelegd in de H. Schrift, -doet daarbij den dienst van een middel; het is verbum instrumentale, -noodzakelijk misschien om allerlei bijkomstige redenen -<span class="pagenum" id="Page_144">[144]</span> -in deze bedeeling, maar toch naar zijn wezen tijdelijk en toevallig.</p> - -<p class="sep2">4. Zoo leerden we dus drie principia kennen. Ten eerste God -als het principium essendi der theologie. Vervolgens het principium -cognoscendi externum, n.l. de zelfopenbaring Gods, die, -in zoover ze neergelegd is in de H. Schrift, een instrumenteel -en tijdelijk karakter draagt. En eindelijk het principium cognoscendi -internum, de illuminatie van den mensch door Gods Geest. -Deze drie zijn daarin één, dat ze God hebben tot auteur, en -dat ze ééne zelfde kennis Gods tot inhoud hebben. De theologia -archetypa in het Goddelijk bewustzijn; de theologia ectypa, in -de openbaring geschonken en in de H. Schrift neergelegd; en de -theologia in subjecto, de kennis Gods, voorzoover ze uit de -openbaring in het bewustzijn van den mensch ingaat en opgenomen -wordt, zijn alle drie uit God. Het is God zelf, die zijne -zelfkennis ontsluit, door openbaring meedeelt, en in den mensch -inbrengt. En ook zakelijk zijn ze één, want het is ééne zelfde -zuivere en waarachtige kennis van God, die Hij heeft van zichzelf, -die Hij meedeelt in de openbaring en die Hij inbrengt in -het menschelijk bewustzijn. Ze mogen en kunnen dus nimmer -van elkander gescheiden en losgemaakt worden. Maar andererzijds -dienen ze toch wèl te worden onderscheiden. Want de kennis, -die God van zichzelven heeft, is absoluut, eenvoudig, oneindig, -en in haar absoluutheid onmededeelbaar aan het eindig bewustzijn. -Daarom werd vroeger de theologia archetypa ook wel beperkt -tot dat gedeelte der zelfkennis God, dat Hij besloten had -aan schepselen mede te deelen. Maar deze distinctie maakt de -verhouding tusschen theologia archetypa en theologia ectypa tot -eene mechanische, en vergeet, dat absoluut niet alleen ligt in -de quantiteit, maar ook in de qualiteit. Desniettemin ligt er de -ware gedachte in, dat de theologia ectypa, welke door de openbaring -aan schepselen geschonken wordt, niet is de absolute -zelfkennis Gods, maar die kennis Gods, gelijk ze geaccommodeerd -is, naar en geschikt gemaakt is voor het eindig bewustzijn, dus -geanthropomorphiseerd. Deze theologia ectypa, welke objectief in de -openbaring voor ons ligt, is externa maar is bestemd om overgeleid -te worden in het bewustzijn van de redelijke schepselen, -om te worden theologia ectypa interna, theologia in subjecto, -<span class="pagenum" id="Page_145">[145]</span> -maar ondergaat ook daarin weer veranderingen naar den aard -van het subject. Zij is niet re et ratione, maar toch gradu et -modo in Christus (theol. unionis), in de engelen en de gezaligden -(theol. visionis), in de menschen op aarde (theol. viatorum, viae, -revelationis) en dan weer onder dezen in profeten en apostelen, -in theologen en leeken verschillend. Zij is in ieders bewustzijn -naar zijne vatbaarheid gemodificeerd. Maar zakelijk is en -blijft het toch ééne zelfde kennis, die van God uitgaat en langs -den weg der openbaring in het bewustzijn zijner redelijke schepselen -wordt overgeplant. Deze drieërlei principia, onderscheiden -en toch wezenlijk één, berusten in het trinitarisch wezen Gods. -Het is de Vader, die door den Zoon, als Logos, in den Geest -aan zijne schepselen zich meedeelt. Cf. over deze principia der -theologie: Thomas S. Theol. qu. 1; Fr. Junius, de vera theologia, -Op. Omnia, Gen. 1607 I fol. 1375-1424, ed. Kuyper -p. 45 sq.; Gomarus, Disput. Theol. thesis 1; Voetius, Diatribe -de Theologia Ultraj. 1668; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, -ortu ... verae theol. libri 6, Oxon. 1661; Alsted, Methodus -Sacros. Theol. octo libris tradita, Hanov. 1623 I Praecognita -Theol. p. 1-138, en voorts de eerste hoofdst. over theol. in -verschillende dogmatieken van Turretinus, Coccejus, Marck, Moor, -Vitringa, enz. Dr. A. Kuyper, Enc. der H. Godg. II 177 v.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 7. <span class="smcap">Principia in de wetenschap.</span></h3> - -<h4>A. Het Rationalisme.</h4> - -<p>1. Wetenschap bestaat altijd in eene logische relatie tusschen -subject en object. De verhouding, waarin we deze beide tot -elkander stellen, bepaalt onze opvatting van de wetenschap. Ten -allen tijde zijn er twee richtingen geweest, die te dezen opzichte -lijnrecht tegenover elkander staan, het Rationalisme en het Empirisme. -Ze zijn al opgekomen in de Grieksche philosophie. Reeds -daar werd de tegenstelling gemaakt van αἰσθησις en λογος, van -zinlijke waarneming en denken, en dus ook van δοξα en ἐπιστημη. -De school van Elea, Plato, de Neoplatonici stonden aan de zijde -van het rationalisme; de zinlijke waarneming geeft geen kennis, -zij heeft tot object wisselende verschijnselen, en leert ons alleen -<span class="pagenum" id="Page_146">[146]</span> -kennen dat iets is en zoo is, maar niet waarom het zoo is; -bovendien bedriegt zij ons menigmaal en verschaft ons valsche -voorstellingen, b.v. den krommen stok in het water, de opgaande -zon enz., welke alleen door het denken van hare -onwaarheid kunnen gereinigd worden. Daarom staat het denken -ver boven de zinlijke waarneming. Dit alleen levert ons -ἐπιστημη; wetenschap komt niet van buiten, zij is een product -van den menschelijken geest. In de nieuwere philosophie is -deze rationalistische richting weer opgekomen met Cartesius, -die, alles wegwerpende, ten slotte zijn vast uitgangspunt vond in -het denken en daaruit concludeerde tot het zijn, cogito ergo sum. -Daarmede werd de denknoodwendigheid, het logisch verband, de -mathematische orde van grond en gevolg bij Spinoza de maatstaf -der waarheid. De zinnelijke wereld is hoogstens aanleiding maar -geen bron onzer kennis, de menschelijke geest kan alle kennis uit -zichzelf, met eigen middelen, denkende, voortbrengen. Nos idées, -même celles des choses sensibles, viennent de notre propre fond, -Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain I ch. 1. -Kant heeft nu dit rationalisme wel in zoover getemperd, als hij -niet de stof maar alleen de vormen der waarneming afleidde uit -den menschelijken geest (transcendentaal, kritisch idealisme). Maar -Fichte zag terecht in, dat zulk eene onderscheiding onmogelijk -was, en sprak daarom uit dat alle elementen onzer kennis, tot -zelfs de waarneming toe, apriorisch waren en door het Ik werden -geponeerd (absoluut idealisme). Nu werd dit rationalisme bij deze -wijsgeeren nog altijd beperkt tot het gebied van het kenvermogen, -en dus alleen bedoeld in erkenntniss-theoretischen zin. Maar dit -subjectief rationalisme werd door Fichte, Schelling en Hegel tot -een objectief rationalisme uitgebreid; niet slechts de kennis, maar -ook het zijn, niet alleen de voorstellingen maar ook de dingen -zelve zijn alleen uit het denken voortgekomen, denken en zijn -zijn één (metaphysisch idealisme). Er is gang in deze historie van -het rationalisme; het denken, niet de zinlijke waarneming, geeft -waarheid; het brengt daartoe in zichzelf de principia, de semina -van alle kennis, mede; het schept den vorm onzer gedachtenwereld -(Kant), en ook haar stof en inhoud (Fichte), ja het schept -en construeert de gansche wereld, niet alleen van het denken, -maar ook van het zijn.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_147">[147]</span> -2. In welke verschillende vormen dit rationalisme ook is -opgetreden, het heeft toch altijd ééne grondgedachte, n.l. dat de -oorsprong der kennis te zoeken is in het subject. Het is goed te -begrijpen dat men tot deze gedachte kwam. Afgedacht toch van -de onbetrouwbaarheid der zinlijke waarneming, er is tusschen de -voorstellingen in ons en de dingen buiten ons zulk een wezenlijk -verschil, dat de eerste niet uit de laatste zijn te verklaren. Stof -kan niet werken op den geest; geestelijke verschijnselen, zooals -de voorstellingen zijn, zijn alleen uit den geest te verklaren; -gelijk kan alleen door gelijk worden gekend. Daaruit volgt, dat -het bestaan en de samenwerking van stof en geest, van dingen -buiten ons en voorstellingen in ons òf alleen nog kan gehandhaafd -worden door hypothesen als het occasionalisme (Geulinx), de -harmonia praestabilita (Leibniz), de aanschouwing der ideeën in -God (Malebranche) enz., òf dat eenvoudig de tweeheid van stof -en geest moet worden ontkend, en dat ding en voorstelling, zijn -en denken beschouwd worden als wezenlijk één. Immers, zoo zegt -het idealisme, indien ding en voorstelling twee zijn, dan moeten -we aan de kennis van het ding wanhopen; wij kunnen toch nooit -onze voorstelling van het ding aan het ding zelf toetsen; wij -kunnen nooit uit onszelf, uit onze voorstellingswereld, uitkomen; -nous ne pouvous nous mettre à la fenêtre, pour nous voir passer -dans la rue (Scherer). Wij blijven altijd binnen den kring onzer -voorstellingen en komen nooit met het ding zelf, maar altijd weer -met onze voorstelling van het ding, in aanraking; alleen het -bewuste bestaat voor ons; ik kan alleen het gedachte, niet het -ding, denken; wat niet mijn gedachte is, is voor mij ondenkbaar, -onkenbaar, bestaat voor mij niet. En dit idealisme is dan nog -versterkt door wat de physiologie der zintuigen thans leert. Reeds -Democritus maakte onderscheid tusschen zulke eigenschappen als -zwaarte, dichtheid, hardheid, die objectief zijn en in de dingen -zelve liggen, en andere, zooals warmte, koude, smaak, kleur, -die alleen subjectief in onze gewaarwordingen aanwezig zijn, Zeller, -Philos. der Gr. I<sup>4</sup> 783. Deze onderscheiding van objectieve en -subjectieve, quantitatieve en qualitatieve eigenschappen is door -Cartesius, Hobbes, Locke, die ze het eerst noemde primaire en -secundaire eigenschappen, An essay concerning human understanding, -II ch. 8 § 19 etc. overgenomen, en dan in deze eeuw vooral -uitgewerkt door Helmholtz in zijn Handbuch der physiol. Optik, -<span class="pagenum" id="Page_148">[148]</span> -Leipzig 1865-66 en Lehre von den Tonempfindungen, Braunschw. -1862, 4<sup>e</sup> Aufl. 1877, cf. ook Lange, Gesch. des Mater. 4<sup>e</sup> Aufl. -1882 S. 712 f. Pierson, Gids Juni 1871. Volgens dit zoogenaamd -semi-idealisme zijn er buiten ons in de wereld alleen mechanische -bewegingen der atomen, de materie is qualiteitloos. Onze zintuigen -ontvangen slechts indrukken door de beweging en golving der -atomen; die indrukken zijn qualitatief gelijk; maar in onze hersenen -brengen we uit die eenvormige bewegingen de oneindige -verscheidenheid der waarnemingswereld voort. Licht, geluid, kleur, -smaak, warmte, koude, alle qualitatieve eigenschappen, die wij -in de dingen meenen waar te nemen, bestaan niet buiten maar -ontstaan en bestaan alleen in den menschelijken geest. Een zelfde -beweging der materie, onzen tastzin rakend, maakt den indruk -van warmte; en vallend in het oog, verschaft zij ons de gewaarwording -van licht. De wereld is in haar substantie niet, maar -toch in haar vorm een product van den mensch. Zoo heeft het -idealisme hoe langer hoe meer in de philosophie veld gewonnen -en zelfs van de natuurwetenschap krachtigen steun ontvangen.</p> - -<p class="sep2">3. Toch zijn er tegen het idealisme zeer ernstige bezwaren. -In de eerste plaats is het met alle ervaring in strijd. Wij zijn -van nature allen realisten, en de idealisten zelven zijn het ook -in de practijk. Feitelijk is het idealisme eene zaak, eene opinie -der school, die met het leven en de ervaring in lijnrechten strijd is. -Het verklaart niet, hoe en waarom ieder mensch er vanzelf en -onwillekeurig toe komt, om aan de waargenomen verschijnselen -objectieviteit en zelfstandige realiteit toe te schrijven, en ze niet -louter op te vatten als innerlijke bewustzijnstoestanden, terwijl -we toch duidelijk onderscheid maken tusschen inwendige toestanden -en uitwendige dingen, tusschen wat in en buiten ons -is, tusschen droom (hallucinatie) en werkelijkheid. Daarbij komt, -dat de mensch nooit en op geen enkel gebied autonoom is, maar -overal en altijd afhankelijk is van de natuur rondom hem heen. -Door zijn lichaam is hij aan de aarde gebonden. Deksel, voedsel, -kleeding ontvangt hij van haar; het zou vreemd zijn, als het -intellectueel anders met hem gesteld ware. Zooals wij voedsel -en kleeding wel met onze hand bereiden, maar toch de stof -ervoor aan de natuur buiten ons ontleenen, zoo ook ontvangen -we met het intellect de stof van buiten. Het intellect is ook hier -<span class="pagenum" id="Page_149">[149]</span> -instrument, geen bron. Het idealisme vereenzelvigt het orgaan -met de bron der kennis, maakt als het ware het oog tot de -bron van het licht, leidt het gedachte af uit het denken. Dat -kan echter niet, omdat een ding en zijne voorstelling, zijn en -denken, esse en percipi twee zijn en niet kunnen vereenzelvigd -worden. Ze zijn immers beide toto genere verschillend. Een ding -stijgt niet in ons op als een droom, en volgt ook niet logisch -uit voorafgaande voorstellingen, maar komt dikwerf plotseling -van buiten af tot mij en breekt de reeks mijner voorstellingen -af, het is onafhankelijk van mij, en heeft een bestaan buiten -mij; het heeft eigenschappen, die niet aan de voorstelling ervan -kunnen worden toegeschreven. Het ding, dat men een kachel -noemt, is b.v. warm, maar de voorstelling, die van dat ding -in mijn bewustzijn is, heeft zulk een eigenschap niet. Indien -desniettemin ding en voorstelling met elkaar vereenzelvigd worden, -moet het idealisme leiden tot absoluut illusionisme; niet alleen -de wereld buiten mij wordt schijn, maar ook ik zelf ben niets -dan een voorstelling, een verschijnsel voor mij zelf. Alles wordt -een droom, er is geen werkelijkheid maar ook geen waarheid -meer. Het idealisme moge nu op handel en gedrag zijner aanhangers -geen invloed oefenen, Land, Inleiding tot de wijsbegeerte, -’s Grav. 1889 bl. 92 v. Fr. Paulsen, Einleitung in die Philosophie, -Berlin 1892, S. 363, wijl het leven menigmaal beter en -sterker is dan de leer, toch is niet in te zien, hoe b.v. -godsdienst en zedelijkheid nog theoretisch te rechtvaardigen zijn, -als beide geen reëele verhoudingen zijn tot buiten mij bestaande -wezens maar slechts tot voorstellingen in mij. Het dualisme van -denken en zijn, waarvan het idealisme bij Plato, Cartesius, Kant -uitgaat, slaat dan ook altijd weer in de identiteit van beide bij -Spinoza, Fichte, Schelling en Hegel om; het subjectief rationalisme -leidt tot absoluut en objectief rationalisme. Maar het -abstracte, inhoudlooze denken, het alleralgemeenste principe van -substantie, ’t absolute, ’t zijnde, het denken, waarvan de idealistische -philosophie dan haar uitgangspunt neemt, is niet bij -machte het rijke volle zijn te produceeren. Uit dat dorre -abstractum is niet de levende wereld, uit dat levenloos ééne -niet de veelheid der verschijnselen te verklaren. De klip, waarop -alle pantheïsme strandt, is de veelheid; er is geen overgang te -vinden van het abstracte tot het concreete, van het algemeene -<span class="pagenum" id="Page_150">[150]</span> -tot het bijzondere. Schelling sprak het dan ook open uit, dass -es schwer sei an die Wirklichkeit heran zu kommen, bij Liberatore, -Die Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aquin, deutsch -von Eugen Franz, Mainz 1861 S. VII. Eindelijk, eene onderscheiding -als van Kant tusschen den vorm, dien we zelf bij de -waarneming meebrengen, en de stof, die van buiten tot ons -komt, of als die van het semi-idealisme tusschen objectieve, -primaire en subjectieve, secundaire verschijnselen is daarom -onhoudbaar, wijl eene grens tusschen beiden niet is aan te wijzen. -De stof eener voorstelling behoort, zooals Fichte dan ook uitsprak, -evengoed tot de voorstelling als haar vorm. En de primaire -quantitatieve eigenschappen, ja ook de lichamen zelf, zijn evengoed -waargenomen verschijnselen als de qualitatieve eigenschappen -van toon en kleur enz. Er bestaat geen reden om de getuigenis -van één zintuig, den tastzin, aan te nemen en die van de andere -vier te verwerpen, en dus voor de eigenschappen der uitgebreidheid, -hardheid enz. alleen eene uitzondering te maken. Er is -geen bezwaar, om aan de vormen der waarneming, tijd en ruimte, -en aan de kategorieën van het denken ook objectieve realiteit in -de dingen zelve toe te kennen. En de physiologie der zintuigen -verhindert ons niet, om juist in de verschillende quantitatieve -verhoudingen en bewegingen den objectieven grond der qualitatieve -verschijnselen te zien, F. Pillon, L’évolution historique de -l’idéalisme, de Démocrite à Locke, in L’année philosophique, -sous la direction de F. Pillon 3<sup>e</sup> année, Paris, Alcan, 1893, -p. 77-212. Georges Lyon, L’idéalisme en Angleterre au 18<sup>e</sup> -siècle, Paris, Alcan, 1888. Dr. Glossner, Der moderne Idealismus, -Münster 1880. Ernst Laas, Idealismus und Positivismus, -3 Theile Berlin 1879 f. E. von Hartmann, Kritische -Grundlegung des transcendentalen Realismus, Berlin 1885. Id. -Das Grundproblem der Erkenntniss-theorie, Leipzig, Bd. I Abth. -2 van de Ausgewählte Werke, S. 40 f. Id. Neukantianismus, -Schopenhaueranismus und Hegelianismus, Berlin 1877. Stöckl, -Lehrbuch der Philos. 6<sup>e</sup> Aufl. I 363 f. E. L. Fischer, die Grundfragen -der Erkentniss-theorie 1887 S. 49 f. Id. Theorie der -Gesichtswahrnemung, Mainz, Kirchheim 1891. Al Schmid, Erkenntnisslehre -2 Bde. Freiburg 1890 II 134-141. L. Strümpell, -Die Einleitung in die Philosophie, Leipzig, 1886, S. 165 f. -Paulsen, Einleitung in die Philos. Berlin 1892 S. 354 f. C. A. -<span class="pagenum" id="Page_151">[151]</span> -Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der modernen specul. Theol. 1851 -S. 1-48. Flügel, Die specul. Theol. der Gegenwart 1888. -J. T. Beck, Vorlesungen über Chr. Glaubenslehre, I 1887, S. -44 f. F. J. Stahl, Philos. des Rechts, 5<sup>e</sup> Aufl. 1878 I 90 f. -Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft, Leipzig 1885, S. 265 f. -Gretillat, Exposé de théol. systém. 1885 I p. 63 s. Pierson, -Bespiegeling, gezag en ervaring, 1855, cap. 1 § 1. Opzoomer, -Wetenschap en Wijsbegeerte, 1857, hoofdst. 1. Land, Inleiding -tot de wijsbeg. 1889, bl. 82 v. Bilderdijk, Verhandelingen, ziel-, -zede- en rechtsleer betreffende, 1821 bl. 121 v: over de oorzakelijkheid, -bl. 141 v. van het menschelijk verstand, enz.</p> - -<h4>B. Het Empirisme.</h4> - -<p>4. Lijnrecht tegenover het Rationalisme staat het Empirisme, -dat reeds bij de Grieken in de Atomisten zijne voorloopers had, -dan in de Middeleeuwen als Nominalisme optrad, vervolgens als -philosophische richting in den nieuwen tijd met Fr. Bacon zijn -intrede deed, en over Locke, Hume en de Fransche Encyclopaedisten -heen in deze eeuw is uitgeloopen op het Positivisme van -A. Comte, de ervaringswijsbegeerte van Stuart Mill, het Agnosticisme -van H. Spencer en het Materialisme van Büchner, Czolbe, -Moleschott enz. Ook het empirisme treedt in verschillende vormen -en stelsels op, maar heeft toch altijd dit beginsel tot uitgangspunt, -dat alleen de zinlijke waarneming de bron onzer kennis is. Terwijl -het rationalisme de objectieve wereld zich geheel of ten -deele richten laat naar den menschelijken geest, onderwerpt het -empirisme het bewustzijn geheel en al aan de wereld buiten ons. -De mensch brengt bij het streven naar kennis niets mede dan -alleen het vermogen van waarnemen; daaruit neemt alle intellectuele -werkzaamheid haar aanvang en oorsprong. Aangeboren -begrippen zijn er dus niet; alle vooropgevatte meeningen moet -de wetenschappelijke onderzoeker ter zijde stellen. Uit den tempel -der waarheid, dien hij in zijn bewustzijn opbouwen wil, -moet hij alle idola verwijderen; geen anticipatio mentis, maar -interpretatio naturae, mera experientia moet hem leiden (Bacon). -De menschelijke geest is en moet zijn eene tabula rasa, in qua -nihil scriptum est, volkomen voraussetzungslos. Dan slechts is -de kennis betrouwbaar, als ze enkel en alleen uit de waarneming -<span class="pagenum" id="Page_152">[152]</span> -is opgebouwd. Begriffe ohne Anschauungen sind leer. Hoe verder -de mensch van de ervaring zich verwijdert en boven haar uitgaat, -hoe minder hij in zijn wetenschappelijk streven te vertrouwen is. -Daarom is er ook geen wetenschap mogelijk van het bovenzinlijke -(noumena) en van het bovennatuurlijke. Metaphysica, theologie, -de geestelijke wetenschappen in het algemeen, zelfs volgens -Comte de psychologie, zijn geen wetenschap in eigenlijken zin. -Wetenschap is tot de sciences exactes beperkt. En zelfs binnen -den kring van de waarneembare verschijnselen bepaalt zich onze -kennis tot het dat en hoe; het wat en het waarom blijft verborgen. -Oorzaak en doel, oorsprong en bestemming der dingen -liggen buiten ons bereik; alleen de onderlinge betrekking der dingen, -de relations invariables de succession et de similitude, A. Comte, -Cours de philos. positive I p. 8 s. zijn het voorwerp van het -wetenschappelijk onderzoek. Of er achter en boven de waarneembare -verschijnselen nog iets anders is, of de ziel, God, het -jenseits bestaat, moge misschien langs anderen weg, door de -practische rede, het geloof, de phantasie enz. aannemelijk kunnen -gemaakt worden, maar wetenschappelijk is en blijft dat alles -eene terra incognita. Het doel der wetenschap kan dus niet meer -daarin gelegen zijn dat men eene Welterklärung geve, maar -strekt zich slechts uit naar eene zoodanige kennis der werkelijkheid, -dat we daarnaar ons leven kunnen inrichten en er practisch nut -van trekken. Savoir, c’est prévoir; science, d’où prévoyance; prévoyance, -d’où action. Maar deze absolute gebondenheid van den -geest aan de waarnemingswereld, heeft anderen tot de poging -geleid, om niet alleen den denkinhoud des geestes, maar ook -het bewustzijn en den geest zelf uit de wereld te verklaren, het -empirisme is in materialisme geëindigd. Ook hier is dus gang, -geschiedenis, ontwikkeling op te merken. Eerst wordt de gedachteninhoud, -dan de faculteit, eindelijk ook de substantie des -geestes uit de stoffelijke wereld afgeleid. E. Laas, Idealismus -und Positivismus, 3 Bde 1879-84. Kuno Fischer, Francis Bacon -und seine Nachfolger, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1875. A. Comte, Cours -de philosophie positive, 2<sup>e</sup> ed. 1861-64. Die positive Philosophie -von A. Comte, im Auszuge von Jules Rig, übersetzt von J. H. -von Kirchmann, Heidelberg, Weiss, 2 Bde. Littré, Aug. Comte -et la philosophie positive, Paris 1863. Id. Analyse raisonnée du -Cours de philos. positive de M. A. Comte, Utrecht, Kemink -<span class="pagenum" id="Page_153">[153]</span> -1845. J. Stuart Mill, Aug. Comte et le Positivisme, fransche -vert. door Clémenceau, Paris 1868. Henri Taine, De l’intelligence, -2 vol. 3<sup>e</sup> ed. Paris, Hachette, 1878. l’Ange Huet, De -methode der posit. filosofie, Leiden 1866. Id. Nieuwe oplossing -van een oud vraagstuk, Leiden 1872. Algemeene grondslagen -der stellige wijsbegeerte door A. Comte, ’s Hage, 1846 (bevat -de twee eerste lessen uit Comte’s werk). Pünjer in Jahrb. f. -prot. Theol. 1878 S. 79-121. 1882 S. 385-404. (Bibl. voor -mod. Theol. 1883 bl. 243 v). H. Gruber, A. Comte, der Begründer -des Positivismus, Freiburg. Id. Der Positivismus von -A. Comte bis auf unsere Tage 1857-91, Freiburg 1891. Herzog<sup>2</sup> -art. Positivismus, van Zöckler. J. Stuart Mill, System of Logic, -ratiocinative and inductive, 2 Bde 9<sup>th</sup> ed. Lond. 1875, duitsche -vert. van Gomperz, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1884. Opzoomer, De weg -der wetenschap, een handboek der logica 1851, 3<sup>e</sup> omgewerkte -druk onder den titel Het wezen der kennis, een leerboek der -logica 1863. Id. Wetenschap en wijsbegeerte 1857. Id. De waarheid -en hare kenbronnen 1859. Pierson, Bespiegeling, gezag en -ervaring 1855. Id. Eene levensbeschouwing 1875 bl. 65 v. H. -Spencer, A. system of synthetic philosophy, Vol. I First principles, -5<sup>th</sup> ed. Williams and Norgate, London 1887. F. A. Lange, Geschichte -des Materialismus, 4<sup>e</sup> Aufl. Iserlohn 1882. L. Büchner, -Kraft und <ins id="cor_21" title="Stof">Stoff</ins>, 16<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1888 enz.</p> - -<p class="sep2">5. Dit empirisme heeft nu wel een machtigen steun in de afhankelijkheid -des menschen van de hem omringende natuur, -maar wordt toch ook door wichtige bezwaren gedrukt. Vooreerst -staat het vast, dat de geest des menschen bij zijne intellectueele -werkzaamheid nooit in volstrekten zin passief of zelfs receptief -is, maar altijd ook in meerdere of mindere mate actief optreedt. -Het is toch niet het oog dat ziet en het oor dat hoort, maar -de mensch zelf, die door het oog ziet en hoort door het oor. -De eenvoudigste gewaarwording en voorstelling onderstelt reeds -de bewustheid, en dus eene werkzaamheid der ziel. Tabula rasa, -waarop de buitenwereld schrijven kan wat ze wil, is de menschelijke -geest nooit; hij is het zelf, die waarneemt, de waarnemingen -verbindt, vergelijkt, beoordeelt. Maar er is meer; Kant, -Kritik der reinen Vernunft, Einleitung § 2 zegt terecht: Erfahrung -lehrt uns zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, -<span class="pagenum" id="Page_154">[154]</span> -dass es nicht anders sein könne. Nu hebben we echter niet alleen -bijzondere en toevallige, maar ook algemeene en noodwendige -waarheden, in de logika, de mathesis, enz., die de empiristen -tevergeefs uit de ervaring hebben trachten af te leiden. Het -principe der causaliteit bijv. is naar waarheid het bolwerk der -intuitieve school genoemd; en alle moeite, die er aangewend is -om dit principe en fundament aller wetenschap uit de wilsbepaling, -uit de gewoonte, enz. te verklaren, is vruchteloos geweest, -Dr. G. Heijmans, Schets eener kritische gesch. van het -causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte, Leiden, Brill 1890. -Dr. E. Koenig, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius -bis Kant, Leipzig, Wigand 1888. Spruyt, Proeve van -eene geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen, Leiden, -Brill 1879. Ja, alle wetenschappen gaan van eene reeks onbewezene -en onbewijsbare stellingen uit, die apriori aangenomen -worden en tot uitgangspunt dienen voor alle redeneering en bewijs. -Aristoteles heeft dit reeds ingezien; er is geen regressus in -infinitum; juist om bewijskracht te hebben, moeten de bewijzen -ten slotte rusten in eene stelling, die geen bewijs behoeft, die -in zichzelve rust, en die daarom als ἀρχη ἀποδειξεως, principium -argumentationis dienst kan doen, Zeller, Philos. der Gr. -III 190 f. 235 f. Schopenhauer, Die Welt als Wille u. Vorstellung, -6<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1887 I 78. Een gebouw kan niet in -de lucht staan, en eene redeneering kan alleen rusten op een -fundament dat vast ligt door evidentie, en niet door bewijs. Het -uitgangspunt van het empirisme is hiermede geoordeeld, maar -ook zijne opvatting van de wetenschap is aan ernstige bedenking -onderhevig. Immers, het is der wetenschap naar haar aard om -de kennis van het algemeene, het noodzakelijke en eeuwige, het -logische, de idee te doen. Kennis van verschijnselen, personen, -feiten enz. is goed, maar is toch slechts een voorbereidende arbeid; -analyse ga voorop, maar de synthesis moet volgen. Wetenschap -is er dan eerst, als wij de dingen in hun oorzaak en wezen, in hun -doel en bestemming doorzien, als we niet slechts het ὁτι maar -ook het διοτι kennen en alzoo rerum dignoscimus causas. Het -empirisme is echter genoodzaakt, om aan alle wetenschappen -den naam van wetenschap te ontzeggen en dezen alleen over -te laten voor de sciences exactes. Maar deze beperking is om eene -dubbele reden onmogelijk. Eerst omdat er behalve, en dan nog -<span class="pagenum" id="Page_155">[155]</span> -maar in zekeren zin, de zuiver formeele wetenschappen (logika, -mathesis, mechanica, astronomie, chemie) geene wetenschap mogelijk -is zonder een wijsgeerig element, en in elke wetenschap dus de -vinding, de intuitie, de phantasie, i. e. w. het genie en in verband -daarmede de wetenschappelijke hypothese eene zeer gewichtige -plaats inneemt. En ten andere, wijl de naam van wetenschap -dan ten slotte alleen behouden kan blijven voor enkele subsidiaire -vakken, en juist die kennis, welke voor den mensch het belangrijkste -is en waarom het hem bij het onderzoek in de eerste plaats -te doen is, van de erve der wetenschap verbannen wordt. Het -blijft toch waar, wat op het voorbeeld van Aristoteles, Ethic. 10,7; -de part. an. 1,5; de coelo et mundo 2,5. Thomas Aquinas zeide -S. Theol. I qu. 1 art. 5, ad. 1, Minimum quod potest haberi de -cognitione rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima -cognitio, quae habetur de minimis rebus. En Schopenhauer sprak -in gelijken geest: Sie hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und -Gewissheit der Mathematik zu rühmen. Aber was hilft es mir, -noch so gewiss und zuverlässig zu wissen, daran mir gar nichts -gelegen ist, bij Van Oosterzee, voor Kerk en Theol. I 101. -Trouwens, de wereld der geestelijke dingen, de Welt der Werthe, -van goed en kwaad, recht en zede, religie en moraal, van al wat -ons liefde en haat inboezemt, ons opbeurt en troost of ook neerslaat -en smart, die gansche rijke onzienlijke wereld is even goed -voor ons eene realiteit, als de Welt der Wirklichkeit, die we -waarnemen met onze zintuigen. Haar macht op ons leven en in -de geschiedenis der menschheid is nog veel grooter dan die van -de zienlijke dingen rondom ons heen. Vrij moge men dan den -mensch den eisch stellen, dat hij zich in zijn onderzoek beperke -wijl op dit terrein geen kennis mogelijk is; die eisch stuit af op -wat Schopenhauer genoemd heeft das metaphysische Bedürfniss -van den menschelijken geest. De mensch is niet alleen een verstandelijk -maar ook een willend en gevoelend wezen; hij is geen -denkmachine maar heeft bij zijn hoofd ook een hart, een wereld -van aandoeningen en hartstochten. Deze brengt hij mede bij zijn -wetenschappelijk onderzoek, hij kan bij zijne werkzaamheid in -studeerkamer en laboratorium zichzelf niet buitensluiten. Het kan -geen eisch zijn, dat de mensch bij den wetenschappelijken arbeid, -dat is, bij eene van de edelste en hoogste werkzaamheden zijns -geestes, aan zijn gemoed, aan zijn hart, aan het beste dat in hem -<span class="pagenum" id="Page_156">[156]</span> -is het zwijgen oplegge, en zichzelf alzoo verminke. Dit alleen -mag altijd en zoo ook bij den beoefenaar der wetenschap worden -geeischt, dat hij een goed, een waar mensch zij, een mensch Gods, -tot alle goed werk, ook tot dit werk der wetenschap, bekwamelijk -toegerust (verg. boven <a href="#Page_29">bl. 29</a>). Indien men echter de wetenschap -zoowel in subjectieven als in objectieven zin beperkt, zal -men niet anders verkrijgen dan dat toch langs andere wegen -voorziening in het metaphysische Bedürfniss wordt gezocht. Kant -sloeg den weg der practische Vernunft in, Comte voerde een dienst -der menschheid in en wijdde zichzelf tot hoogepriester, Spencer -buigt zich in ootmoed neer voor The Unknowable. Allen zoeken -op de eene of andere wijze, tot in het spiritisme, de magie, de -theosophie toe, vergoeding voor wat de wetenschap hun niet -schenkt. En de religie met alle geestelijke kennis, eerst smadelijk -ter voordeur uitgejaagd, wordt, maar dan menigmaal in superstitieusen -vorm, wederom ter achterdeur ingelaten. Naturam -expellas furcâ, tamen usque recurret. Het onvermijdelijk gevolg -is dan alleen dit, dat de wetenschap onverdedigd en ongewapend -overgelaten wordt aan het materialisme. Daartoe heeft feitelijk -het empirisme ook geleid. Indien de inhoud en straks ook de -intellectueele faculteit der ziel geheel en al uit de buitenwereld -voortkomt, waarom zou dan ook de substantie der ziel ten slotte -niet uit haar kunnen worden verklaard? Daartegenover staan -echter nog altijd de „sieben Welträthsel” tot eene kwelling en -eene ergernis voor het materialistisch denken. Het geestelijke is -nog niet uit het stoffelijke verklaard, evenmin als het aan het -rationalisme gelukt is, om het zijn af te leiden uit het denken. -De overgang tusschen beide is niet gevonden. Hier is eene klove, -die noch idealisme noch materialisme overbruggen kan. Het is -zelfs niet gewaagd, hier niet alleen van een Ignoramus maar ook -van een Ignorabimus te spreken. Maar als we zien hoe empirisme -en rationalisme, trots de groote beloften en de nog grooter verwachtingen, -in deze eeuw, op niets anders dan materialisme en -illusionisme zijn uitgeloopen, en in weerwil van hun tegenstelling -toch elkander bevorderd en in de hand gewerkt hebben —het -idealisme van Hegel liep bij Feuerbach en Strauss op materialisme -uit, en het materialisme gaat bij vele natuuronderzoekers -weer in half of heel idealisme over,— dan is er in elk geval wel -reden om te vragen, of er niet herziening noodig is van heel -<span class="pagenum" id="Page_157">[157]</span> -de nieuwere philosophie, zoowel in haar Cartesiaansche als in -haar Baconische richting; of er niet andere en betere principia -der wetenschap zijn, die ons voor materialisme en idealisme beide -behoeden? Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, 6<sup>e</sup> -Aufl. 1887, I 505 f. II 192 f. E. v. Hartmann, Naturwissenschaft -u. Philosophie, Gesammelte Studien und Aufsätze, Berlin 1876, -S. 421 f. E. L. Fischer, Die Grundfragen der Erkenntnisstheorie, -Mainz 1887, S. 314 f. Schmid, Erkenntnisslehre, Freiburg 1890 -I 111 f. 243 f. II 13 f. Stöckl, Lehrb. der Philos. I 345 f. -Paulsen, Einl. in die Philos. 394 f. Strümpell, Einl. in die Philos. -75 f. W. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften, Leipzig, -Duncker u. Humblot 1883. Emil du Roys-Reymond, Uber die -Grenzen des Naturerkennens. Die sieben Welträthsel. Leipzig, -Veit u. C. 1882. Pressensé, Les Origines, Paris Fischbacher 1883 -p. 1-128. P. Vallet, Le Kantisme et le Positivisme, Paris 1887. -Gretillat, Exposé de théol. systém. I p. 42 s. D. Chantepie de -la Saussaye, Leven en Rigting 1865. Id. Empirisch of ethisch -(Ernst en Vrede. 1858 bl. 193 v.) enz.</p> - -<h4>C. Het Realisme.</h4> - -<p>6. Uitgangspunt der Erkenntnisstheorie behoort te zijn de -gewone, dagelijksche ervaring, de algemeene en natuurlijke zekerheid -des menschen aangaande de objectieviteit en waarheid zijner -kennis. De philosophie schept toch het kenvermogen en het kennen -niet, maar vindt het en beproeft het nu te verklaren; en elke -solutie, die het kenvermogen niet verklaart maar vernietigt en -het kennen niet begrijpt maar tot eene illusie maakt, is daardoor -geoordeeld. Alleen zulk eene Erkenntnisstheorie heeft kans van -slagen, die eenerzijds den bodem der ervaring niet verlaat maar -andererzijds ook in heel de diepte van het probleem indringt, -Prior homo, quam philosophus vel poeta, Tertull. de test. an 5. -Primum vivere, deinde philosophari. De natuurlijke zekerheid is -de onmisbare grondslag der wetenschap. Het wetenschappelijk -weten is geen vernietiging maar eene zuivering, uitbreiding, voltooiing -van het gewone weten, Kaftan, Die Wahrheit der Chr. -Rel. Basel, 1889 S. 317 f. Ieder mensch toch neemt de betrouwbaarheid -der zintuigen en het bestaan der buitenwereld aan, -niet door een logisch besluit uit de werking, in casu de voorstelling -<span class="pagenum" id="Page_158">[158]</span> -in zijn bewustzijn, tot de oorzaak buiten zich, noch ook -door eene redeneering uit den tegenstand, dien zijn wil ondervindt, -tot eene objectieve realiteit welke dien tegenstand biedt; -maar vóór alle reflectie en redeneering is elk van het reëel bestaan -der wereld ten volle verzekerd. Deze zekerheid is niet uit een -syllogisme geboren en steunt op geen bewijs, maar is onmiddellijk, -spontaan met de waarneming zelve in mij ontstaande, niet product -maar grondslag en uitgangspunt van alle andere zekerheid. Denn -die ganze Welt der Reflexion ruht und wurzelt auf der <ins id="cor_22" title="auschaulichen">anschaulichen</ins> -Welt, Schopenhauer, Welt als W. u. V. 6<sup>e</sup> Aufl. I 78. -Alleen moet hierbij wel worden onderscheiden tusschen de zekerheid, -die terstond met de actueele waarneming van een voorwerp -gegeven is, en die, welke later, nadat de waarneming reeds lang -voorbij is, uit de achtergebleven voorstelling volgt. Over de eerste -wordt hier alleen gehandeld, en deze is geen besluit uit eene -redeneering, maar onmiddellijk met de waarneming zelve in mij -aanwezig. Cf. Ed. Zeller, Ueber die Gründe unseres Glaubens an -die Realität der Aussenwelt 1884. E. L. Fischer, Die Grundfragen -der Erkenntnisstheorie 1887 S. 392 f. Paulsen, Einl. in die Philos. -385 f. Flügel, Die Probleme der Philosophie und ihre Lösungen, -Cöthen, Schulze, 2<sup>e</sup> Aufl. 1888 S. 104 f. Schmid, Erkenntnisslehre -1890 II 307 f. Land, Inl. tot de wijsbeg. bl. 97 v. enz.</p> - -<p class="sep2">7. Reeds dit ééne feit, de natuurlijke zekerheid aangaande -de betrouwbaarheid der zintuigen en de realiteit der buitenwereld, -bewijst dat er nog eene andere dan wetenschappelijke, demonstratieve -zekerheid bestaat. De empiristen hebben dit ten onrechte -ontkend. De ervaring leert alleen dat iets is, maar niet dat het -zijn moet, leert ons alleen het toevallige, veranderlijke, de werkelijkheid -kennen. Wij hebben echter ook algemeene, noodzakelijke -waarheden, waarvan we niet door waarneming en redeneering, -maar apriori zeker zijn. De meeste wijsgeeren hebben daarom -naast de wetenschappelijke of middellijke ook nog eene metaphysische, -intuitieve, onmiddellijke zekerheid aangenomen, ook wel -eene zekerheid des geloofs, der evidentie genoemd. Aristoteles -heeft het eerst duidelijk ingezien, dat de ἐπιστημη ter laatster -instantie op onbewijsbare, evidente waarheden is gebouwd. Sommigen -zooals Plato, Cartesius, Leibniz, Rosmini hebben dit onveranderlijk, -eeuwig karakter der waarheid zoeken te verklaren door -<span class="pagenum" id="Page_159">[159]</span> -de leer der aangeboren ideeën, cf. Spruyt, Proeve van eene gesch. -van de leer der aangeb. begrippen, Leiden 1879. Maar deze leer -rust op een onhoudbaar dualisme van subject en object, maakt -den menschelijken geest onafhankelijk van den kosmos, is in -beginsel rationalistisch en leidt logisch en ook historisch tot het -absolute idealisme. Dit was de reden, waarom de leer der ideae -innatae eenparig door de scholastieke en ook door de Geref. theologen -verworpen werd, Spruyt ib. 57-60. Frohschammer, Die -Philosophie des Thomas von Aquino, Leipzig, Brockhaus 1889 -S. 44 f. Liberatore, Die Erkenntnisstheorie des H. Thomas v. -Aquin, deutsch von Eugen Franz, Mainz 1861 S. 130 f. Polanus, -Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III 636 sq. Voetius bestrijdt -de leer van Cartesius opzettelijk in zijne Disput. Sel. V -477-525. Zij namen zelfs de empiristische stelling over: nihil -est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, en spraken van -den mensch vóórdat hij waarneemt als van eene tabula rasa, in -qua nihil scriptum est, Thomas S. Theol. I qu. 79 art. 2. Voetius, -Disp. V 459, 525. En dit handhaafden ze, omdat de mensch -in onderscheiding van de engelen lichamelijk is, zijn lichaam -geen kerker is maar tot zijne natuur behoort en hij door dat -lichaam aan den kosmos gebonden is, Thomas ib. I qu. 84 art. -3. qu. 85 art. 1. Voetius ib. V 483. Zij hebben dus eenerzijds -het rationalisme zoo beslist mogelijk verworpen, niet alleen in den -vorm van de aangeboren begrippen, waarin het door Plato, Cartesius, -Leibniz werd geleerd, maar ook in dien van de aangeboren -vormen, waarin het bij Kant, en in dien van de aangeboren idee -des zijns, waarin het bij Rosmini en de ontologisten optrad. Maar -aan den anderen kant mogen de bovengenoemde uitdrukkingen -toch niet in den zin van Locke’s empirisme worden verstaan. -Als Thomas den menschelijken geest eene tabula rasa noemt, dan -wil hij daarmede geenszins ontkennen, dat toch ipse intellectus -hem aangeboren is. Leibniz voegde aan de spreuk nihil est in -intellectu quod non prius fuerit in sensu, de beperking toe nisi -ipse intellectus. Thomas drukt zich nog juister uit: species aliorum -intelligibilium non sunt ei innatae, sed essentia sua sibi innata -est, ut non eam necesse habeat a phantasmatibus acquirere, qu. -de mente art. 8 ad 1 cf. Liberatore, ib. 144. En Voetius verklaart -de bovengenoemde spreuk alzoo, dat daarmede niet uitgesloten -wordt, dat het intellect in de zinnelijk waargenomen wereld -<span class="pagenum" id="Page_160">[160]</span> -ook het eeuwige en onveranderlijke, bijv. in de werken der natuur -ook haar auteur, n.l. God opmerken en kennen kan. En dit is -dan ook de eigenlijke gedachte van hunne Erkenntnisstheorie: de -menschelijke geest is niet bij machte en in elk geval niet in de -gelegenheid, om buiten de zinnelijke wereld om, uit eigen fonds, -met eigen middelen, de kennis der dingen, ook niet de kennis der -principia aeterna, κοιναι ἐννοιαι voort te brengen. Hij is van -huis uit aan het lichaam en hierdoor aan den kosmos gebonden, -en daarom kan ook de intellectus tot geene werkzaamheid komen -dan door en op grond van den sensus. De intellectus is bij den -aanvang zuivere potentia, tabula rasa, zonder eenigen inhoud, en -wordt eerst van buiten door de zinlijke wereld tot werkzaamheid, -tot actualiteit opgewekt. De stoot gaat dus van de zinlijke wereld -uit; deze werkt in op den menschelijken geest, roept hem wakker, -en dringt hem tot actie. Maar zoodra de intellectus werken gaat, -werkt hij terstond en vanzelf ook op zijne eigene wijze en naar -zijn eigen aard. En de natuur van den intellectus bestaat daarin, -dat hij de vis, facultas, inclinatio, aptitudo bezit, om in en met -de waarneming terstond, vanzelf, onwillekeurig, sine ullo labore, -sine praevio studio, sine ratiocinatione die grondbegrippen en -grondbeginselen te vormen, welke apriori, vóór elke redeneering -en vóór alle bewijs vaststaan, en daarom veritates aeternae verdienen -te heeten. Zoo voelt het denken zelf, zoodra het werken -gaat, vanzelf zich aan de wetten van het denken gebonden; in -het denken zelf liggen de wetten van het denken opgesloten en -komen ze voor den dag. Zoo leert ons de ervaring, wat een deel -en wat een geheel is, maar het intellect begrijpt terstond, dat -een geheel grooter is dan zijn deel. Zoo leert ons de ervaring, -wat goed en wat kwaad is, maar de intellectus practicus weet -onmiddellijk, dat het eene gedaan en het andere moet nagelaten -worden. Dit wil niet zeggen, dat ieder mensch nu ook van deze -grondbegrippen en grondbeginselen zichzelf of anderen duidelijk -rekenschap kan geven; maar ieder mensch, ook de eenvoudigste, -past deze grondbegrippen en grondbeginselen toch, zonder eenige -wetenschappelijke reflectie, onbewust en met de meeste zekerheid -in het leven toe. Het verschil tusschen deze leer van het kenvermogen -en die van het rationalisme en empirisme is in deze -twee gelegen: ten eerste in eene eigenaardige opvatting van den -intellectus, die eene eigene natuur meebrengt en dienovereenkomstig -<span class="pagenum" id="Page_161">[161]</span> -ook op eene eigene wijze werken gaat, en ten tweede daarin, -dat deze intellectus, alzoo werkende naar zijn eigene natuur, toch -niet anders doet, dan dat logische uit de waargenomen dingen -abstraheeren, dat er van nature ook in die dingen verborgen ligt. -Het rationalisme dwingt als het ware de dingen, om zich te -richten naar het intellect, past ze in vormen waarvan het niet -weet of zij er aan passen, construeert de wereld naar een spel -van begrippen. Het empirisme dwingt den geest, om zich te -richten naar de zinnelijke wereld, kortwiekt hem in zijne ideale -vlucht, en verklaart hem ten slotte zelf uit de stof. Maar de -Erkenntnisstheorie, die allengs in de christelijke theologie is -opgekomen en in grondtrekken het eerst door Augustinus is uitgedacht, -handhaaft beide, de vrijheid en de gebondenheid van -den menschelijken geest; de vrijheid om optestijgen tot de wereld -van het ideale, de gebondenheid waardoor hij ook in deze zijne -vlucht de wereld der realiteit niet onder de voeten verliest.</p> - -<p class="sep2">8. Het uitgangspunt van alle kennis bij den mensch is dus -de zinnelijke waarneming. Οὐδε νοει ὁ νους τα ἐκτος μη μετ’ -αἰσθησεως ὀντα, Arist. de sensu c. 6, Zeller Philos. d. Gr. III -198. Omnis cognitio intellectualis incipit a sensu, Thomas S. Theol. -I. qu. 84 art. 1 en 7. Intellectus noster nihil intelligit sine phantasmate, -id. C. Gent. III 41. En alle christelijke theologen waren -van dezelfde gedachte. De fout der scholastiek, zoo bij Protestanten -als Roomschen, lag alleen hierin, dat zij met de waarneming -veel te vroeg klaar was en ze schier volledig, op ieder -terrein van wetenschap, in de boeken van Euclides, Aristoteles, -de kerkvaders, de confessie opgenomen en neergelegd dacht. In -die meening liet men de waarneming na en begon in eens met -de reeds verkregen begrippen, Spruyt, Proeve 36. Daarom kon -het haast eene ontdekking heeten, toen Bacon tot de zinnelijke -waarneming als tot de eenige bron der kennis terugkeerde. -Toch was het geen ontdekking, maar wel eene noodzakelijke -verfrissching voor de wetenschap, want deze moet altijd weer -tot de bronnen terug. Niet uit boeken, maar uit de werkelijke -wereld moet de waarheid geput. Aanschouwing is de bron van -alle echte wetenschap. Die Anschauungen sind die Kontanten, -die Begriffe die Zettel, Schopenhauer, Die Welt u. s. w. 6<sup>e</sup> Aufl. -II 76 cf. 76-98. Bij deze zinnelijke waarneming nu heeft ieder -<span class="pagenum" id="Page_162">[162]</span> -zintuig zijn eigen aard en zijne eigene taak; elk zoekt in de verschijnselen -het verwante op, de tastzin doet ons de mechanische, -smaak en reuk doen ons de chemische eigenschappen kennen, het -gehoor ontsluit ons de wereld der tonen en het gezicht die der -kleuren, Arist. bij Zeller, Philos. d. Gr. III 533 f. Thomas, S. -Theol. I qu. 78 art. 3. Schopenhauer, Die Welt u. s. w. II -30-36. Land, Inleiding 63 v. Bilderdijk, Taal-en Dichtk. Verscheidenheden, -1821 II 39 v. Verhandelingen, ziel-, zede- en -rechtsleer betreffende 1821 bl. 12 v. Brieven V 48. De zintuigen -nemen dus ieder voor zichzelf niet het geheele voorwerp waar, -maar slechts bepaalde eigenschappen aan dat voorwerp. Het waarnemingsbeeld, -dat in ons bewustzijn ontstaat, is saamgesteld -uit vele verschillende indrukken, die door de verschillende zintuigen -ontvangen, langs de zenuwdraden in onze hersens overgeplant, -daar op eene onverklaarbare wijze in gewaarwordingen -omgezet, en tot een geheel verbonden worden. Er zijn geen eenvoudige -gewaarwordingen, ze zijn alle reeds uit verschillende -andere samengesteld; elk voorwerp dat we zien, elke toon dien -we hooren is reeds een complex van waarnemingen. De menschelijke -geest is daarom bij de eenvoudigste waarnemingen reeds -actief; hij is geen tabula rasa, waarop de buitenwereld slechts -schrijft wat ze wil, geen spiegel, waarin het voorwerp zich eenvoudig -weerkaatst. Maar elk waarnemingsbeeld is in ’t bewustzijn -zelf gevormd uit de factoren, die door de verschillende zintuigen -uit het voorwerp worden aangebracht. Daarom is de vraag van -zoo groot belang, wat de verhouding is tusschen het waarnemingsbeeld, -de voorstelling (φαντασια, φαντασμα, species sensibilis, -perception, <ins id="cor_23" title="Vorstelling">Vorstellung</ins>) in ons bewustzijn en de werkelijkheid, -het voorwerp, buiten ons. De Grieksche philosophie ging over -het algemeen uit van de gedachte, dat gelijk slechts door gelijk -kon worden gekend; φασι γαρ γιγνωσκεσθαι το ὁμοιον τῳ ὁμοιῳ, -Arist. de an. I 2. Sommigen leidden daaruit af, dat de ziel des -menschen uit dezelfde elementen en atomen moest bestaan als -de werkelijke wereld, en dat er bij de waarneming stoffelijke -atomen uit de voorwerpen indrongen in de ziel. Aristoteles echter -vatte dit zoo op, dat de ziel niet actueel maar potentieel al het -gedachte is —ἡ ψυχη τα ὀντα πως ἐστι παντα, de an. III, 8— en -dat de voorwerpen door waarneming en denken eene ideale -existentie in de ziel verkregen. De scholastiek nam dit over en -<span class="pagenum" id="Page_163">[163]</span> -zei: cognitum est in cognoscente per modum cognitionis, non -per modum cogniti, d. i. de dingen gaan niet zelve in de ziel -over, maar alleen hun beeld, hun vorm, εἰδος, forma, species, -similitudo, Thomas S. Theol. I qu. 75. I 2 qu. 5 art. 5. II 2 -qu. 23 art. 6 ad 1. S. c. Gent. I 77 II 77, 98. Er is dus eenerzijds -een wezenlijk verschil tusschen het ding en zijne voorstelling, -want het eerste is buiten ons, heeft daar een reëel bestaan, maar -de tweede bestaat in ons en heeft slechts eene ideale existentie. -Maar er was andererzijds toch ook eene volkomene overeenstemming; -de voorstelling is een beeld, eene getrouwe ideale reproductie -van het voorwerp buiten ons. De nieuwere philosophie -echter, lettende op de activiteit van ’s menschen bewustzijn bij -het vormen der waarnemingsbeelden, heeft tusschen ding en -voorstelling eene hoe langer hoe breedere klove gegraven. De -waarnemingsbeelden zijn geen species, formae, maar hoogstens -nog teekens, symbolen, diagrammen van de buitenwereld, vrij -in onzen geest gevormd naar aanleiding van de wijzigingen die -van buiten door de zintuigen en zenuwen heen in onze hersencellen -worden aangebracht. Indien dit zoo is, verdwijnt de objectieve -wereld steeds verder uit ons gezicht, ze lost zich op in -schijn; want eene controle van het waarnemingsbeeld aan de -werkelijkheid is daarom onmogelijk, wijl we haar nimmer benaderen -kunnen, en het waarnemingsbeeld altijd tusschen haar -en ons zich inschuift, Land, Inleiding 71, en de vroeger aangeh. -litt. De dwaling, die aan deze theorie ten grondslag ligt, schijnt -deze te zijn, dat het eigenlijk voorwerp van onze waarneming -niet het ding buiten ons, maar een of andere indruk of trilling -van onze zenuwen in ons zou zijn. Nu is het zeker waar, dat er -geen voorstelling in ons bewustzijn gevormd kan worden, zonder -dat er trillingen in de zenuwen naar onze hersencellen worden -overgeplant. Maar ook het beeld, dat op het netvlies van het -oog geworpen wordt, noch de wijzigingen in de hersencellen ten -gevolge van de zenuwtrillingen zijn de oorzaak, waaruit de gewaarwording -en voorstelling in ons bewustzijn ontstaat. Alle psychometrische -onderzoekingen, hoe belangrijk ook, hebben ons ter -verklaring van dit wonderbaar verschijnsel geen stap nader gebracht. -Wij staan hier voor een, naar het schijnt, onoplosbaar -raadsel. De zenuwtrillingen kunnen tot in het centrum der hersens -worden nagegaan, haar sterkte en snelheid kan worden berekend; -<span class="pagenum" id="Page_164">[164]</span> -maar de voorstelling, die daarna in ons bewustzijn ontstaat, is -toto genere daarvan verschillend. Zij is een psychische, geestelijke -acte, uit physische verschijnselen, gelijk de zenuwtrillingen zijn, -nooit te verklaren. Zoo kunnen dan de voorstellingen geen producten -zijn, die door de zenuwtrillingen ons zelf onbewust in -ons bewustzijn worden voortgebracht. En zij kunnen ook geen -bewuste scheppingen zijn van onzen geest, naar aanleiding van -de wijzigingen in onze hersencellen, om de eenvoudige reden, -dat niemand van heel dit proces der zenuwtrillingen ook maar -iets bij de waarneming weet, en eerst door opzettelijk physiologisch -onderzoek daarvan kennis krijgt. Daar komt nog bij, dat -de zenuwtrillingen en wijzigingen in de hersencellen soms wel, -bij het zien zonder opmerken, bij het hooren zonder verstaan -enz. geheel en zuiver mechanisch toegaan, maar dat ze toch bij -het eigenlijk waarnemen altijd reeds van een psychische akte -vergezeld zijn. Het gaat niet zoo, dat de zenuwtrillingen eerst -in onze hersens worden overgebracht, en dat eerst daarna het -bewustzijn ontwaakt en uit die wijzigingen in de hersencellen de -voorstelling vormt; maar de waarneming zelve door de zintuigen -is een akte van het bewustzijn. Het is de geest des menschen, -die ziet door het oog en hoort door het oor. Voorwerp van de -waarneming is dus niet eenig verschijnsel in mij, maar het ding -buiten mij. Dezelfde geest, die het voorwerp ziet, is het ook, -die de voorstelling vormt. Beide zijn psychische akten. Daarom -is er ook geen reden tot twijfel, dat wij in de voorstellingen -eene getrouwe, ideale reproductie hebben van de voorwerpen -buiten ons. Daarbij is het tot op zekere hoogte onverschillig, of -wij de voorstellingen εἶδη, species, formae, teekens, symbolen -enz. van de dingen noemen; want ook deze woorden zijn beelden, -en voor het meerendeel aan de gezichtswaarneming ontleend. -Indien maar vaststaat, dat de voorstellingen in haar geheel en -in haar deelen getrouwe vertolkingen zijn van de wereld der -werkelijkheid buiten ons.</p> - -<p class="sep2">9. Maar bij deze voorstellingen blijft de menschelijke geest -niet staan. Wetenschappelijke kennis komt niet voort uit de zintuigen -maar uit het verstand. Niet de loutere waarneming, maar -het ernstig nadenken over de waargenomen verschijnselen hebben -Kopernikus tot den vader der astronomie en Newton tot den -<span class="pagenum" id="Page_165">[165]</span> -ontdekker der zwaartekracht gemaakt. Het waarnemen van verschijnselen -is noodig en goed, maar het is niet het eenige en -het hoogste. Object van de wetenschap is niet het bijzondere -maar het algemeene, het logische, de idee. De Grieksche philosophie -heeft dit reeds ingezien. Socrates was de eerste, die de -idee van het weten met bewustheid indacht en tot beginsel maakte -van zijne philosophie; wetenschap is kennis, niet van den schijn, -maar van het wezen der dingen, Xenophon, Memor. IV, 6.1. -Plato onderscheidde tusschen δοξα, welke tot inhoud had het -gewone, empirische weten, en ἐπιστημη, die het waarlijk zijnde -der dingen tot inhoud had, Rep. V 476 D-478 D. Sympos. -202 A enz. En Aristoteles omschreef wetenschap in denzelfden -zin als kennis του ὀντος, του καθολου, των πρωτων αἰτιων -και ἀρχων (plaatsen bij Zeller, Philos. d. Gr. III 161 f). Vooral -Augustinus heeft deze intellectueele kennis op den voorgrond -gesteld. Hij verwerpt de kennis door de zintuigen niet, hij verdedigt -hare waarheid tegen de Academici in een afzonderlijk -geschrift, en erkent dat wij de invisibilia Dei verstaan per ea -quae facta sunt, de Gen. ad. litt. 4,32. Maar hij onderschat -toch hare waarde, evenals Plato; het zinrijke geeft slechts δοξα, -c. Acad. 3,26, het is de waarheid zelve niet, het is er maar -een beeld van, Solil. 2,32. De kennis der natuur is zonder -waarde, nihil prodest, Conf. 5,7. 10,55. Enchir. 3,5. Er zijn -eigenlijk maar twee dingen, die het belangrijk is te kennen, -God en onszelven: deum et animam scire cupio. Nihilne plus? -Nihil omnino, Solil. 1,7. En deze kennis verkrijgt hij niet door -naar buiten, maar door naar binnen te zien; noli foras ire, in -te ipsum redi, in interiore homine habitat veritas, de vera relig. -c. 39 n. 72; niet door de zinnelijke waarneming maar door het -denken; aliud est sentire, aliud nosse, de ord. 2,5. cf. Solil. -2,33. De scholastiek, zich nauwer aansluitend aan Aristoteles, -heeft de waarde der zinnelijke waarneming beter ingezien, maar -toch ook de beteekenis van den intellectus voor de wetenschap -ten volle erkend. Thomas drukte dit kort en duidelijk aldus uit, -scientia non est singularium, S. Theol. I qu. 1 art. 2, intellectus -est universalium, S. c. Gent. I c. 44. Wetenschap heeft tot object -het algemeene en noodzakelijke, S. Theol. I qu. 14 art. 13 ad 3. -I qu. 84 art. 1 ad 2. I qu. 86 art. 1 en 3, en kan daarom alleen -door den intellectus worden verschaft. Want terwijl de zinnelijke -<span class="pagenum" id="Page_166">[166]</span> -waarneming de dingen beschouwt quantum ad exteriora ejus -accidentia, is het juist het eigenaardige van den intellectus, dat -hij doordringt ad interiora rei, S. c. Gent. I 58. III 56. IV 11, -penetrat ad essentiam rei, S. Theol. II. 2 qu. 8 art. 1. Zijn eigenlijk -object is de quidditas rei materialis, S. Theol. I qu. 85 art. 5 -ad 3. Het verstand n.l. maakt als intellectus agens, dat is als -abstractievermogen, gelijk wij het noemen zouden, uit de zinnelijke -voorstellingen het algemeene los; het laat het bijzondere -eruit wegvallen, het schijnt er als een licht over henen, maakt -ze intelligibel, laat het algemeene eruit kenbaar worden, en neemt -dan als intellectus possibilis, d. i. als intellectueel kenvermogen, -dat algemeene in zich op en maakt het tot eigendom van den -geest, S. Theol. I qu. 79 art. 3 en 4. I qu. 84 art. 6. S. c. -Gent. II 76.77. III 45.</p> - -<p>Nu is er eigenlijk hierover nog geen verschil, dat niet de -zinlijke waarneming maar het verstand het orgaan der wetenschap -is. Ook het empirisme heeft dit niet ontkend. Bacon, Hume, -St. Mill erkennen ten volle, dat de zinnelijke waarneming wel -het eerste maar niet het eenige is en dat het verstand door inductie -het algemeene uit het bijzondere tracht af te leiden. Het -was Bacon juist te doen om eene betrouwbare methode, waarnaar -uit bijzondere waarnemingen algemeen-geldige oordeelen -konden gevormd worden. Maar bij de begrippen, die het verstand -uit de voorstellingen vormt, komt met dubbelen ernst de vraag -terug, die boven reeds bij de waarnemingsbeelden werd gedaan: -wat is de verhouding tusschen deze begrippen des verstands en -de wereld der werkelijkheid? En hier gaan Nominalisme en Realisme -uiteen. Beide richtingen komen in het wezen der zaak reeds -voor in de Grieksche philosophie. Plato en Aristoteles waren -realisten, zij het ook met onderscheid; en de eigenlijke gedachte -van het nominalisme vinden we reeds o. a. bij den cynischen -wijsgeer Antisthenes, die de realiteit der algemeene begrippen -ontkende en tegen Plato zei: ἱππον μεν ὁρῶ, ἱπποτητα δε οὐχ -ὁρω, Zeller, Philos. der Gr. II<sup>4</sup> 295, en bij de Stoische wijsgeeren, -die de ἐννοηματα, de gedachten, slechts hielden voor -φαντασματα διανοιας, ib. IV<sup>3</sup> 79. 125. In de Middeleeuwen -werd deze opvatting van de algemeene begrippen vernieuwd en -kreeg ze den naam van nominalisme. Roscellinus was van oordeel, -dat de algemeene begrippen slechts flatus vocis waren, Gedankendinge, -<span class="pagenum" id="Page_167">[167]</span> -waaraan geen realiteit beantwoordt; in de werkelijkheid -zijn er geen algemeene maar slechts bijzondere, individueele -dingen, is er geen menschheid maar zijn er alleen menschen enz. -De strijd tusschen realisme en nominalisme duurde tot de 15<sup>e</sup> eeuw -voort. Cf. A. Stöckl, Gesch. der Philos. des Mittelalters. 3 Bde -Mainz 1864-66 I 135 f. II 986 f. Hauréau, De la philosophie -scolastique, 2 vol. Paris 1850. Schwane, Dogmengeschichte der -mittl. Zeit. Freiburg 1882 S. 4 f. Voorts geschiedenis der dogmen -van Bach, Thomasius, Münscher, Baur, Harnack enz., gesch. -der philos. van Ueberweg, Erdmann, Windelband enz. A. Pierson, -De realismo et nominalismo 1855. Id. Gesch. van het R.-Katholic. -III 1871 bl. 53 v. 87 v. 183 v. Spruyt, Proeve 66 v. Maar -ook daarna is de kwestie niet uit de philosophie geweken. Het -geschil tusschen realisme en nominalisme is geen twistpunt van -scholastieke spitsvondigheid, maar van diepingrijpende beteekenis. -Het nominalisme is in nieuwen vorm als empirisme weer in de -nieuwere philosophie te voorschijn getreden, Spruyt, Proeve passim. -Hugo Spitzer, Nominalismus <ins id="cor_24" title="and">und</ins> Realismus in der neuesten -deutschen Philosophie mit Berücksichtigung ihres Verhältnisses -zur modernen Naturwissenschaft. Leipzig 1876. Janet, Traité -élémentaire de philos. Paris, Delagrave 1887 p. 162 s. Land, -Inleiding 107 v. Pierson, Wijsgeerig Onderzoek. Deventer, ter -Gunne 1882 bl. 200 v. Indien nu het nominalisme het recht -aan zijne zijde heeft, is het met alle wetenschap gedaan. Want -één van beide: indien wij de overeenstemmende kenmerken van -eene groep van dingen in een begrip en woord kunnen samenvatten, -dan geschiedt dit òf zonder grond en vertegenwoordigen -die woorden en begrippen geen waarde in de werkelijkheid; òf -de dingen gelijken in de werkelijkheid aan elkaar en hebben -gemeenschappelijke kenmerken. In dit geval zijn de begrippen -echter geen ledige Gedankendinge, maar de som van wezenlijke -eigenschappen der dingen, en dus geen nomina maar res. Daarom -had dan ook het realisme zonder twijfel gelijk, als het de realiteit -der algemeene begrippen aannam, niet in platonischen of ontologischen -zin ante rem, maar in aristotelischen zin in re, en -daarom ook in mente hominis post rem. Het algemeene, dat wij -in het begrip uitdrukken, bestaat niet juist zóó, als universale, -buiten ons (cf. boven <a href="#Page_23">bl. 23</a>); maar in ieder exemplaar der soort -bijzonderlijk geïndividualiseerd en gespecialiseerd, heeft het toch -<span class="pagenum" id="Page_168">[168]</span> -zijn grond in de dingen en wordt daaruit door de werkzaamheid -van het verstand geabstraheerd en uitgedrukt in een begrip, -Thomas, S. Theol. I qu. 85 art. 2 ad 2. S. c. Gent. I 65. Met -de begrippen verwijderen we ons dus niet van de werkelijkheid, -maar naderen haar hoe langer hoe meer. Het schijnt wel, dat -we, begrippen en oordeelen en besluiten vormende, hoe langer -hoe meer den vasten grond onder het gebouw onzer kennis verliezen -en hoog gaan zweven in de lucht. Het lijkt vreemd en -wonderlijk, dat we, de voorstellingen omzettende in begrippen -en deze weer verwerkende naar de wetten van het denken, uitkomsten -verkrijgen, die in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. -En toch wie deze overtuiging prijsgeeft, is verloren, -Land, Inleiding bl. 250. Maar die overtuiging kan dan ook alleen -rusten in het geloof, dat het eenzelfde Logos is, die èn de werkelijkheid -buiten ons èn de wetten van het denken in ons schiep, -en die beide in organisch verband zette met en correspondeeren -liet op elkaar. Zoo alleen is er wetenschap mogelijk, d. i. kennis -niet slechts van den wisselenden schijn maar van het algemeene, -van het logische in de dingen. Zeker, het zijn zelf der dingen, -hun existentie, blijft buiten ons; nooit gaan de dingen zelve -realiter in ons in; het zijn is dus nimmer door ons te benaderen, -het is een factum dat aanvaard moet worden en dat den grondslag -van het denken uitmaakt. Maar in zoover de dingen ook -logisch bestaan, uit gedachte zijn voortgekomen en in gedachte -rusten Joh. 1:3, Col. 1:15, zijn ze ook begrijpbaar en denkbaar -voor den menschelijken geest.</p> - -<p class="sep2">10. Plato helderde dit proces der wetenschap op door een -schoon en treffend beeld. Gelijk de zon objectief het voorwerp -en subjectief ons oog verlicht, zoo is God of de idee van het -goede het licht, waardoor de waarheid, het wezen der dingen, -zichtbaar wordt en tevens onze geest die waarheid aanschouwen -en erkennen kan, cf. Siebeck, Geschichte der Psychologie, I Theil, -2 Abth. Gotha, Perthes 1880, ’84 I 226. Aristoteles, ib. II 70. -Augustinus nam dit beeld over: God is de zon der geesten. In -het onveranderlijk licht der waarheid ziet en oordeelt onze geest -over alles, in ipsa incommutabili veritate mens rationalis et -intellectualis intuetur, eaque luce de his omnibus judicat, de -Gen. ad litt. L. 8 cap. 25. Zooals wij met het lichamelijk oog -<span class="pagenum" id="Page_169">[169]</span> -niets kunnen zien, als de zon haar licht er niet over verspreidt, -zoo kunnen wij ook geen waarheid zien dan in het licht Gods, -die de zon onzer kennis is, Solil. I c. 8, 13, de Trin. 12 c. 15. -Deus intelligibilis lux, in quo et a quo et per quem intelligibiliter -lucent, quae intelligibiliter lucent omnia. Thomas spreekt -meermalen op dezelfde wijze, en bezigt dezelfde gelijkenis, S. -Theol. I qu. 12 art. 11 ad 3, qu. 79 art. 4, qu. 88 art. 3 ad 1. -II 1 qu. 109 art. 1 ad 2. S. c. Gent. 3 c. 47. Alleen wees -Thomas erop, dat dit niet pantheïstisch mocht worden verstaan, -gelijk Averroes onder neoplatonischen invloed leerde en daarin -later door Malebranche en de ontologistische school gevolgd -werd. Gelijk we, zegt Thomas, in het natuurlijke zien, niet -door zelf in de zon te zijn, maar door het licht der zon dat -ons bestraalt, zoo zien wij ook de dingen niet in het goddelijk -wezen, maar door het licht dat van God in onzen eigen intellectus -schijnt. De rede in ons is dat goddelijk licht, zij is niet -de goddelijke logos zelf, maar heeft daaraan deel. Gode komt -toe het esse, vivere, intelligere per essentiam, ons per participationem -S. Theol. I qu. 79 art. 4. Dit beeld van de zon bracht -er toe, om in gezonden zin te spreken van het natuurlijk licht -der rede, cf. Polanus Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III -636 sq., waaronder dan niets anders verstaan werd dan die permanente -eigenschap of kracht van den menschelijken geest, waardoor -hij in staat gesteld wordt, terstond bij de eerste waarnemingen -die grondbegrippen en grondbeginselen te vormen, welke hem -verder bij alle waarneming en denken leiden. Het licht der rede -is alzoo in de eerste plaats gelijk aan den intellectus agens, aan -het abstractievermogen, dat over de voorwerpen schijnt en het -intelligibile daaruit te voorschijn doet treden en voorts aan dat -fonds van κοιναι ἐννοιαι, dat onze geest juist door het vermogen -der abstractie zich eigen maakt. Maar in beiderlei zin is dat -licht aan God, of meer bepaald aan den Logos te danken, Ps. 36 -vs. 10, Joh. 1:9. Hij is het, die dit licht in ons doet opgaan -en voortdurend onderhoudt. En zoo is het dan niet aan den -mensch, die maar instrument is, maar aan God te danken, als -door de stralen van dat licht de waarheid zich voor onzen geest -onthult, Liberatore, Die Erkenntnisslehre des h. Thomas v. A. -185 f. Kleutgen, Die Philosophie der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. Innsbrück -1878 I 89 f.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_170">[170]</span> -Deze schoone beeldspraak maakt ons duidelijk, welke de principia -zijn, waaruit alle wetenschap voortkomt. Niet alleen in de -theologie, gelijk de vorige § ons deed zien, maar in elke wetenschap -zijn er drie principia te onderscheiden. Ook hier is God -het principium essendi; in zijn zelfbewustzijn liggen de ideeën -aller dingen; alle dingen berusten op gedachten en zijn geschapen -door het woord. Maar het is zijn welbehagen, om van deze -cognitio archetypa in zijn goddelijk bewustzijn eene ectypische -kennis over te brengen in den mensch, die naar zijn beeld is -gemaakt. Maar dat doet Hij, niet door ons de ideeën in zijne -essentia te laten aanschouwen (Malebranche), noch ook door ze -ons alle reeds bij de geboorte mede te geven (Plato, leer der -ideae innatae), maar door ze in de werken zijner handen uittespreiden -voor des menschen geest. De wereld is eene belichaming -van gedachten Gods; zij is een schoon boek, in hetwelk alle -schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de -onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven; zij is geen schrijfboek, -waarin wij naar de voorstelling der idealisten de woorden -zouden hebben in te vullen, maar een leesboek, waaruit God -ons kennen doet wat Hij er voor ons in neergeschreven heeft. -De geschapene wereld is dus het principium cognoscendi externum -van alle wetenschap. Maar dat is niet genoeg. Om te zien -is een oog noodig. Wär’ nicht das Auge sonnenhaft, wie könnten -wir das Licht erblicken? Er moet correspondentie, verwantschap -zijn tusschen object en subject. Dezelfde Logos, die schijnt in -de wereld, moet zijn licht ook laten stralen in ons bewustzijn. -Dat is de intellectus, de ratio, die, zelf uit den Logos afkomstig, -den Logos in de dingen ontdekt en erkent. Zij is het principium -cognoscendi internum. Sicut scientia in nobis est sigillatio rerum -in animabus nostris, ita e converso formae non sunt nisi quaedam -sigillatio divinae scientiae in rebus, Thomas, bij Liberatore, Die -Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aq. S. 148. Zoo is het dan -God alleen, die uit zijn goddelijk bewustzijn de kennis der -waarheid door de schepselen heen inbrengt in onzen geest; de -Vader, die door den Zoon in den Geest zich aan ons openbaart. -Multi dicunt: quis ostendet nobis bona? Signatum est super nos -lumen vultus tui, Domine!</p> - -<hr class="hr12" /> - -<div class="pagenum" id="Page_171">[171]</div> - -<h3>§ 8. <span class="smcap">Principia in de religie.</span></h3> - -<h4>A. Wezen der religie.</h4> - -<p>1. Evenals de wetenschap heeft ook de religie hare principia. -Om deze te leeren kennen, is het allereerst noodig, het wezen -der religie te bepalen, vooral ook in onderscheiding van wetenschap -en kunst. De naam religie geeft weinig licht. Cicero, de -nat. deor. 2, 28, leidt het woord af van relegere, herlezen, nog -eens overdoen, nauwkeurig waarnemen, en duidt daarmede de -religie aan als een voortdurend en ijverig in acht nemen van al -wat op de vereering der goden betrekking heeft, cf. de invent. -2, 22 en 53. Lactantius, Instit. divin. 4, 28, verklaart het uit -religare en verstaat dus onder religie den band, die den mensch -aan God verbindt. Eene derde afleiding, van relinquere, komt -bij Gellius, Noct. Att. 4, 9, voor en wijst aan, dat al wat tot -de religie behoort, wegens zijne heiligheid van het ongewijde is -afgezonderd. Augustinus, de civ. Dei 10, 4, brengt het eenmaal -in verband met re-eligere: in de religie kiezen we God, dien we -door de zonde hadden verloren, weder terug als de bron onzer -zaligheid. J. C. Leidenroth, Neue Jahrb. für Philologie und -Pädagogik von Seebode, Jahn und Klotz 1834 S. 455, neemt -op grond daarvan dat de drie verba diligere, negligere en intelligere -een ander perfectum hebben dan lego en zijne composita, -een verloren stam ligere aan, sanscr. lok, gr. λευσσειν, duitsch -lugen, eng. look, cf. lucere, met de beteekenis van zien; diligere -zou dan beteekenen met liefde aanzien, negligere niet zien, -intelligere inzien; en daarvan zou dan ook religere, terugzien en -religio, het met vreeze omzien, cf. respectus, gekomen zijn. De -afleiding van religare, relinquere, re-eligere stuit op grammatisch -bezwaar en verklaart ook niet de eigenaardige beteekenissen, die -religio in ’t latijn bezit. Tusschen de afleiding van Cicero en van -Leidenroth is het pleit nog niet beslist; maar zakelijk komen -beide hierin overeen, dat religio den godsdienst aanduidt als eene -gezindheid van schuwe vrees tegenover de Godheid en als eene -daaruit voortvloeiende angstig-nauwgezette waarneming van wat -de cultus der goden eischt. Cf. den versregel bij Figulus (Gellius, -Noct. Att. 4, 9): religentem esse oportet, religiosum nefas, H. -<span class="pagenum" id="Page_172">[172]</span> -Voigt, Fundamentaldogmatik. Gotha, Perthes 1874 S. 9 f. -F. A. B. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. Freiburg, Mohr, 1889 -S. 83. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 52 v. Het woord is -dus volstrekt niet geschikt, om den vollen inhoud van den christelijken -godsdienst weer te geven. Maar het gebruik en de afleiding -van Lactantius, die algemeen ingang vond, hebben het -woord gekerstend. De Vulgata nam het op Hand. 26:5, Jak. -1:27. Het woord is in alle europeesche talen overgegaan, en -heeft ook in onze taal naast godsdienst, vroomheid (van het -goth. fruma, lat. primus, op den voorgrond tredend, deugdzaam, -dapper, bijv. Stat. Vert. Gen. 42:11, enz.), godsvrucht, godzaligheid -burgerrecht verkregen en behouden.</p> - -<p class="sep2">2. De H. Schrift geeft geene definitie en bezit ook geen -algemeen begrip ter aanduiding van het verschijnsel der religie. -Zij heeft afzonderlijke woorden voor hare objectieve en hare subjectieve -zijde. De religio objectiva is identisch met de openbaring -Gods, en bestaat in het verbond, בְרִית, hetwelk God aan Israël -gaf, en dat dus in vollen zin eene goddelijke stichting, διαθηκη, -heeten mag, Exod. 20:1 v., 34:10 v., 27 v.; Jes. 54:10, -enz. De ordeningen in dat verbond, welke Israël onderhouden -moet, vormen saam den inhoud der תּוֹרָה, onderwijzing, leer, -wet, wetboek des Heeren, en worden met zeer verschillende -namen aangeduid. Ze heeten דְּבָרִים woorden Num. 12:6; Ps. -33:4, enz., מִצוֹת geboden, Gen. 26:5; Ex. 15:26, enz., פִקּוּדִים -bevelen, Ps. 119:4, 5, 15, enz.; חֻקִּים inzettingen, besluiten, -Ex. 15:26; Lev. 25:18; Ps. 89:32; Job 28:26, enz.; מִשְׁפָּטִים -rechtszaak, rechtsuitspraak, Num. 36:13; Ps. 19:10, enz.; -דְּרָכִים, אֳרָחוֹת wegen, paden, Deut. 5:33; Job 21:14; Ps. 25:4; -enz.; מִשְׁמָרוֹת wetten die te bewaren zijn, Gen. 26:5; Lev. -18:30, enz. De vele uitdrukkingen wijzen aan, hoe in Israëls -religie het objectieve, de inzetting Gods op den voorgrond staat. -Aan die religio objectiva beantwoordt nu subjectief de יִרְאַת יהוה, -de vreeze des Heeren. Deze drukt de innerlijke gezindheid -van den vromen Israëliet uit tegenover de heilige wetten, die -hem van Godswege ter onderhouding zijn voorgeschreven. Maar -deze vreeze is toch wezenlijk onderscheiden van de angstige -schuwheid, die oorspronkelijk in het lat. woord religio ligt opgesloten. -Dat blijkt daaruit, dat deze vreeze des Heeren overgaat -<span class="pagenum" id="Page_173">[173]</span> -in en verbonden is met allerlei andere godsdienstige stemmingen, -zooals gelooven הֶאֱמִין Gen. 15:6; Jes. 7:9; Hab. 2:4; vertrouwen -בָּטַח Ps. 26:1, 37:3, 5; toevlucht nemen חָסָה Ps. -5:12, 37:40; steunen סָמוּךְ, zich vastklemmen דָּבַק 2 Kon. -18:6; hopen קִוָּה, verwachten חִכָּה, ja zelfs liefhebben van -God חָשַׁק Ex. 20:6; Deut. 6:5; Ps. 91:14. De rechten des -Heeren blijven niet als een voorwerp van schrik en vreeze staan -buiten en boven den Israëliet, maar worden een object van zijne -liefde. Hij overpeinst ze met zijn verstand en betracht ze met -zijn wil. Zij zijn zijne vermaking den ganschen dag. In het Nieuwe -Testament treffen we in het wezen der zaak dezelfde opvatting -aan. Maar nu geeft God zijne openbaring niet in eene reeks van -wetten, maar in den persoon van Christus. Deze is de weg en -de waarheid, Joh. 14:6. De ὁδος του κυριου Hand. 18:25, -19:9, 23, 22:4; de διδαχη of διδασκαλια Mt. 7:28, 22:33; -Joh. 7:16, 17; Hd. 2:42; Rom. 6:17; 1 Tim. 1:10, 4:6, -16, 6:1, 3; 2 Tim. 4:2, 3; Tit. 1:9, 2:1, 7, 10; het -εὐαγγελιον Mk. 1:1, 14, 15, enz.; de λογος του θεου Mt. -13:19; Mk. 2:2, 4:14 v.; 2 Cor. 9:19, enz. concentreeren -zich alle om Christus en zijn niets dan explicatie van zijn persoon -en werk. Dienovereenkomstig verandert dan ook de subjectieve -gezindheid. De gewone Grieksche woorden waren niet -geschikt, om deze in haar eigenlijk karakter weer te geven. -Δεισιδαιμονια wordt door Festus van den Joodschen Hd. 25:19, -en het adjectief door Paulus van den Heidenschen godsdienst -Hd. 17:22 gebezigd. Θεοσεβεια komt maar eenmaal voor 1 Tim. -2:10. Εὐσεβεια geeft te kennen heiligen eerbied voor God; het -is in beteekenis verwant aan het lat. pietas, en drukt dus eene -stemming uit, gelijk die ook in kinderen tegenover hunne ouders -enz. aanwezig is; meermalen komt dit woord in het N. T. voor, -vooral in de Pastoraalbrieven; wat de εὐσεβεια eigenlijk is en -behoort te wezen, is eerst in het Evangelie geopenbaard 1 Tim. -3:16. Ook de vreeze is in het N. T. niet geheel uit de religio -subjectiva geweken Luk. 18:2; Hd. 9:31; 2 Cor. 5:11, 7:1; -Rom. 3:18; Ef. 5:21; Phil. 2:12; 1 Petr. 1:17, 3:2, -3:15, maar ze komt toch veel zeldzamer voor als beschrijving -van de religieuse gezindheid; zij heeft in de meeste plaatsen -betrekking op bijzondere gebeurtenissen, bijv. Gods gericht, en -is door de liefde vervangen Rom. 8:15, 1 Joh. 4:18. Het -<span class="pagenum" id="Page_174">[174]</span> -gewone woord voor de religio subjectiva in het N. T. is πιστις. -Aan de blijde boodschap der vergeving en der zaligheid in Christus -beantwoordt van ’s menschen zijde het geloof, hetwelk een -kinderlijk vertrouwen op Gods genade is en daarom ook terstond -de liefde in ons hart werkt. Πιστις en ἀγαπη zijn de grondstemmingen -van de christelijke vroomheid. De woorden λατρεια -Rom. 9:4, 12:1; Hebr. 9:1, 6 en θρησκεια Hd. 26:5; Col. -2:18; Jak. 1:27 duiden den cultus aan, die Gode uit het -beginsel des geloofs wordt toegebracht. J. Köstlin, Die Religion -in N. T. Stud. u. Kr. 1888 S. 7-102. Nitzsch t. a. p. 85.</p> - -<p class="sep2">3. De H. Schrift geeft dus geen beschrijving van het wezen -der religie, gelijk het naar de moderne voorstelling aan -alle godsdiensten ten grondslag ligt. Maar zij teekent en -beschrijft als religie alleen die verhouding tusschen God en -den mensch, welke door God zelf is geregeld en bepaald. -Evenzoo ging de vroegere theologie bij het bepalen van het wezen -der religie altijd van de religio vera uit. En deze methode beveelt -zich nog door hare juistheid aan. Zij kan alleen bestreden -worden door hen, die meenen, dat de kategorieën van waar en -valsch op de godsdiensten niet passen, wijl er geen kennis van -het bovennatuurlijke mogelijk is, en dat dus de voorstellingen -hoegenaamd niets te maken hebben met de religieuse gezindheid. -Dit indifferentisme is echter, gelijk later blijken zal, onhoudbaar; -ook het kennen is een wezenlijk element der religie. Aangenomen -voor het oogenblik, dat er eene kennis is van het -bovennatuurlijke en dat er eene religio vera bestaat; dan is er -geen enkel bezwaar denkbaar, om aan haar de definitie te ontleenen -voor het wezen der religie en deze te bezigen als maatstaf -bij de beoordeeling van de andere godsdiensten. Geen enkele -godsdienst kan er op tegen hebben, om getoetst te worden aan -het zuivere begrip der religie. Het valsche wordt alleen door het -echte gekend, en de leugen wordt ontdekt door de waarheid. Er is -op geen enkel gebied eene juiste beoordeeling en waardeering der -dingen mogelijk zonder een vasten, positieven maatstaf. Zoo is het -in het recht, de moraal, de aesthetica en zoo is het ook in de -religie. De studie der godsdiensten onderstelt dat we althans -eenigszins weten, wat godsdienst is. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 184.</p> - -<p>Naar het voorbeeld der H. Schrift hebben we bij het onderzoek -<span class="pagenum" id="Page_175">[175]</span> -naar het wezen der religie onderscheid te maken tusschen -hare objectieve en hare subjectieve zijde. Deze onderscheiding -ligt voor de hand en is in elken godsdienst aanwezig. De religio -objectiva gaat vooraf. Alle menschen vinden haar bij hunne -geboorte; zij groeien er in evenals in huisgezin, maatschappij, -kerk, staat enz. Dit zijn altemaal objectieve instellingen en -machten, die niet willekeurig uit en door den mensch ontstaan, -maar die hem opnemen bij zijne geboorte, hem vormen en opvoeden -en zelfs tegen zijn wil hem blijven beheerschen zijn gansche -leven lang. Het is met de historie en met de psychologie in -strijd, om bij de bepaling van het wezen der religie uit te gaan -van de religio subjectiva en dan in de verschillende godsdiensten -niets dan wisselende vormen en indifferente uitingen van haar -leven te zien. Op die wijze wordt de dagelijksche ervaring miskend, -de macht der religio objectiva geloochend, en alle verhouding -van object en subject op revolutionaire wijze omgekeerd. -Zeer zeker heeft ook de religio objectiva haar oorsprong, welke -opgezocht en verklaard worden moet. Maar alle godsdiensten, -wier oorsprong eenigermate bekend is, toonen ons, dat zij in -aansluiting aan het bestaande zijn opgekomen, en met heel het -historisch milieu ten nauwste in verband staan. Er is geen enkele -godsdienst, die zuivere uiting is van de religieuse gezindheid en -daaruit alleen zich verklaren laat. De religio subjectiva wijzigt -en vervormt de bestaande religieuse voorstellingen en gebruiken -en bezielt ze dikwerf met een nieuw leven. Maar zij schept niet, -zij ontstaat zelve altijd en overal onder den invloed en de werking -der bestaande godsdiensten. Stichters van godsdiensten zijn -er daarom niet in eigenlijken zin. De religio objectiva is de -haard van de religio subjectiva, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I. 123. -Daar komt bij, dat alle godsdiensten willen beschouwd zijn, niet -als uiting en vorm van eene religieuse gezindheid maar als vrucht -van openbaring. Zij leiden hun oorsprong niet uit den mensch af -maar uit God. Men moge dit beroep op openbaring laten gelden of -niet; het feit spreekt te sterk en is te algemeen, dan dat het niet -zou moeten worden verklaard. Het wijst aan, dat het begrip der -religie aan dat der openbaring onafscheidelijk verbonden is. Er is -geen religie zonder openbaring. Openbaring is de grondslag en de -oorsprong van alle religie. Het staat daarom den man van wetenschap -niet vrij, om reeds apriori dit begrip der openbaring te elimineeren -<span class="pagenum" id="Page_176">[176]</span> -en in de godsdiensten niets dan vormen van een zelfde wezen, uitingen -van eene zelfde religieuse gezindheid te zien. Ook de H. Schrift -leidt de religio objectiva uit openbaring af. God voortijds veelmaal -en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende -door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken -door den Zoon, Hebr. 1:1. Trouwens ligt het ook in den aard -der zaak, dat openbaring en religie ten nauwste verbonden zijn. -God alleen kan de wijze bepalen, waarop Hij door menschen -gediend wil worden. Hominum non est, instituere et formare -Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire, Conf. -Helv. II art. 19. Naar de leer der H. Schrift heeft God dat -gedaan deels door de natuur, deels door zijn Woord. De religio -objectiva valt dus saam met de thora, genomen in den ruimsten -zin, d. i. met heel die onderwijzing des Heeren, welke uit wet -en evangelie, woord en feit, historie en profetie tot ons komt. -Zij is de hoofdinhoud der H. Schrift en de stof der dogmatiek. -De religio objectiva is niets anders dan de wijze, waarop God -zelf heeft bepaald, dat Hij gediend en vereerd wil worden. -Formeel komen alle godsdiensten overeen. Maar de overeenkomst -strekt zich nog verder uit. Alle godsdiensten zijn samengesteld -uit eenige bestanddeelen, die constant terugkeeren. Ten eerste is -er in elken godsdienst eene traditie aangaande haar goddelijken -oorsprong; elke godsdienst beroept zich op openbaring; dat is -het historische, het positieve element, het element van traditie. -Vervolgens is er in elke religie eene zekere leer, waarin God -aan den mensch die kennis openbaart, welke tot zijn dienst -onmisbaar is; deze wordt met het woord dogma aangeduid. -Verder bevat iedere religie ook zekere wetten, welke den mensch -voorschrijven, wat hij te doen en te laten heeft om met God in -gemeenschap te kunnen leven; dat is de zedeleer, die iedere -religie medebrengt. En eindelijk zijn er in elke religie ook een -grooter of kleiner aantal van ceremoniën, d. i. van plechtige -vormen en gebruiken, die de gemeenschap van den mensch met -God ook in het uitwendige uitdrukken, begeleiden en versterken: -dat is het cultisch of liturgisch bestanddeel in den godsdienst. -In de verschillende godsdiensten is de onderlinge verhouding -dezer bestanddeelen zeer verschillend; in sommige is er veel -dogma en weinig cultus en omgekeerd; in andere is er eene rijke -traditie en een gering aantal van zedelijke voorschriften, enz. -<span class="pagenum" id="Page_177">[177]</span> -Maar in alle religies zijn alle vier elementen aanwezig. Ook de -religio vera, in de H. Schrift neergelegd, heeft haar historie en -dogma, haar moraal en haar cultus, F. A. B. Nitzsch, Lehrb. -der ev. Dogm. 1889 S. 101-108. H. Siebeck, Lehrb. der -Religionsphilosophie, Freiburg, Mohr 1893 S. 263 f.</p> - -<p class="sep2">4. Aan die religio objectiva beantwoordt in den mensch de -religio subjectiva. Zeer gewoon was vroeger de omschrijving van -den godsdienst als recta verum Deum cognoscendi et colendi -ratio. Zij komt reeds bij Lactantius, Instit. div. 4,4 voor, en is -behouden tot in deze eeuw toe. Toch is zij niet boven kritiek -verheven. Zij zegt niets aangaande de subjectieve gezindheid, -welke tot het dienen van God noodig is; zij wijst het verband -niet aan, dat tusschen het kennen en dienen van God bestaat -en stelt deze eenvoudig naast elkaar; en zij maakt van de andere -elementen, die in de religie liggen, geen melding. De scholastiek -drong dieper in de zaak door en deed onderzoek naar de subjectieve -gezindheid, waaruit de religie bij den mensch opkomt. -Thomas brengt ze tot de deugden. Deze worden door hem in drie -soorten verdeeld: virtutes intellectuales (sapientia, scientia, intellectus, -etc), virtutes morales (de vier cardinale deugden prudentia, -justitia, fortitudo en temperantia), deze twee groepen -werden aan Aristoteles ontleend. En daaraan werden als derde -klasse toegevoegd de drie supranatureele of theologische deugden -geloof, hoop en liefde, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 57, 58, 62. -De religio wordt nu door Thomas gebracht niet onder de virtutes -theologicae maar onder de virtutes morales. Want de theol. -deugden hebben dit eigenaardige, dat zij God tot rechtstreeksch -object hebben; zij ordinant nos ad Deum immediate et directe -ut ad objectum, ib. II 1 qu. 62 art. 2; maar in de religie is -God niet objectum maar finis, het eigenlijk object in de religie -is de cultus, die Gode wordt toegebracht. Zij is dus geen virtus -theologica, die God tot object heeft, maar eene virtus moralis, -die verkeert circa ea, quae sunt ad finem; zij ordinat hominem -in Deum, non sicut in objectum, sed sicut in finem. Onder de -virtutes morales is ze echter wel de voornaamste, omdat zij het -nauwst in betrekking staat tot Hem, die het doel aller deugden -is, n.l. God, ib. II 2 qu. 81 art. 5, 6. Nader wordt de religio -door Thomas tot die virtus moralis gerekend, welke justitia heet. -<span class="pagenum" id="Page_178">[178]</span> -Hij vat de religio n.l. op als die virtus, per quam homines -Deo debitum cultum et reverentiam exhibent. Al wordt Jak. 1 -vs. 27 ook het bezoeken van weezen en weduwen enz. tot den -godsdienst gerekend, toch is de religie in eigenlijken en engeren -zin alleen eene verhouding tot God en nooit tot menschen. En -ofschoon alles gedaan moet worden ter eere Gods, is de eere, -die Gode in de religie wordt toegebracht, toch in specialen zin -bedoeld en omvat strikt genomen alleen dat, wat betrekking -heeft ad reverentiam Dei. Zij is dus één met de latreia, S. Theol. -II 2 qu. 81 art. 1-4. Deze definitie van Thomas, die door zeer -velen is overgenomen, cf. C. R. Billuart, Summa S. Thomae — — sive -Cursus Theologiae, Tom IV 1746 p. 5 sq. Petrus Dens, -Theologia ad usum seminariorum IV p. 9 sq. P. Collet, Instit. -Theol. moralis III p. 401 sq. enz., is echter in de eerste plaats -te eng, wijl ze alleen den cultus omschrijft en dus met latreia -samenvalt. De religio subjectiva is niet alleen een dienst, eene -vereering, maar allereerst eene gezindheid, welke in dien dienst -zich uitspreekt. Voorts is de onderscheiding van virtutes morales -en virtutes theologicae te supranaturalistisch en dualistisch. Er -ligt natuurlijk eenige waarheid in, n.l. deze, dat ook in den -gevallen mensch nog overblijfselen van het beeld Gods en zedelijke -deugden zijn, zelfs de religie is niet geheel uitgeroeid. Maar de -virtutes morales en ook de religieuse gezindheid moeten vernieuwd -en herboren worden, om waarlijk goed te zijn. Thomas erkent -dan ook, dat de theol. deugden, geloof, hoop, liefde causant -actum religionis, quae operatur quaedam in ordine ad Deum, -S. Th. II, 2 qu. 81 art. 5 ad 1, maar zij worden toch zelve -van de religie uitgesloten; en terwijl de virtutes intellectuales -en morales zijn secundum naturam hominis, zijn de virtutes -theologicae super naturam I, 2 qu. 62 art. 2. De Hervorming -heeft deze opvatting van de religie vooral in tweeërlei opzicht -gewijzigd. Ten eerste maken de theologen der reformatie beter -en duidelijker onderscheid tusschen de pietas als beginsel en den -cultus als actio der religie. En ten tweede worden geloof, hoop -en liefde niet als afzonderlijke theol. deugden naast de religie -geplaatst, maar juist als de voornaamste akten van den cultus -internus in de religie zelve opgenomen. De religio, zegt Zwingli, -Opera ed. Schuler et Schulthess, III 155 omvat pietatem totam -Christianorum, fidem, vitam, leges, ritus, sacramenta; zij bestaat -<span class="pagenum" id="Page_179">[179]</span> -in ea adhaesio, qua (homo) Deo utpote summo bono inconcusse -fidit eoque parentis loco utitur, ib. 175, zij is animae deique -connubium, ib. 180. Bij Calvijn treffen we drie begrippen aan: -1<sup>o</sup> de notitia, de kennis Gods, het besef zijner deugden; 2<sup>o</sup> deze -notitia is idoneus pietatis magister; zij kweekt pietas, welke -bestaat in conjuncta cum amore Dei reverentia, quam beneficiorum -ejus notitia conciliat; en 3<sup>o</sup> is het deze pietas weer, ex qua religio, -in den zin van cultus, nascitur, Inst. I. 2, 1. Evenzoo onderscheidt -Zanchius, Op. IV 263 sq. tusschen cultus, die de actio -externa vel interna, qua Deum veneramur aanduidt en de religio -of pietas, welke de virtus is, waaruit de cultus geboren wordt. -Polanus zegt, Synt. Theol. 580 A, religio verschilt van cultus -Dei, ut causa ab effectu. Religio of pietas is causa interna cultus -Dei. De cultus, vrucht der pietas, wordt dan evenals bij de -scholastici onderscheiden in internus en externus; de eerste heeft -tot voornaamste daden fides, fiducia, spes, adoratio, dilectio, -invocatio, gratiarum actio, sacrificium, obedientia; en de cultus -externus is weer of moralis (belijdenis, gebed enz.) of ceremonialis -(sacramenta, sacrificia, sacra). Zanchius IV 410 sq. Ursinus, -Catech. qu. 94-103 en de explicatie daarvan, ook Tract. Theol. -1584 I p. 283 sq. Polanus, Synt. Theol. p. 32 F. Hoornbeek, -Theol. pract. Lib. 9 cap. 6-8. Id. Summa Controv. p. 7 sq. -Alsted, Theol. Catech. p. 5 sq. Moor, Comm. in Marckii Comp. -I. 44 sq. Voor de Luth. vergelijke men Calovius, Isag. ad S. -Theol. 1652 p. 301 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche -6<sup>e</sup> Aufl. S. 5 f. Hase, Hutterus Rediv. Loc. 1 § 2. Herzog<sup>2</sup> 12:645.</p> - -<p class="sep2">5. De religio subjectiva is allereerst eene ἑξις, habitus, een -zekere aanleg in den mensch, welke door inwerking van de religio -objectiva in actus (cultus in- en externus) overgaat. Zulk een -habitus is er in iederen mensch; semen religionis omnibus inditum -est, Calv. Inst. I. 4, 1. Maar deze habitus is in den gevallen -mensch bedorven en brengt, door eene onware en onzuivere religio -objectiva bevrucht, ook een cultus voort, die idololatreia, ἐθελοθρησκεια -is. Daarom is voor eene zuivere religie noodig, dat -ten eerste de van buiten tot ons komende religio objectiva ons -God weer kennen doe gelijk Hij werkelijk is, en dat ten tweede -de bedorven habitus religionis in den mensch wordt herboren en -vernieuwd. In dezen zin is de religio subjectiva dus eene virtus -<span class="pagenum" id="Page_180">[180]</span> -infusa a Spiritu Sancto, Hoornbeek, Theol. pract. II p. 207, 213. -Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd. De mensch heeft vele -deugden, zoowel in zijn verstand als in zijn wil. De eigenaardigheid -dier virtus, welke in de religie werkt, moet dus nader -worden aangewezen. Vroeger omschreef men deze virtus als pietas, -reverentia, timor, fides enz., en zoo ook tegenwoordig als eerbied, -ontzag, vreeze, afhankelijkheidsgevoel. Toch zijn alle deze omschrijvingen -niet bepaald genoeg; al deze aandoeningen hebben -we in meerder of minder mate ook ten opzichte van schepselen. -Er moet een wezenlijk onderscheid zijn tusschen den cultus religiosus -en den cultus civilis, tusschen λατρεια en δουλεια, tusschen -de aandoeningen van vrees, eerbied, ontzag enz. gelijk wij -die koesteren tegenover God en tegenover schepselen. Dat onderscheid -kan alleen daarin gelegen zijn, dat in de religie in aanmerking -komt de <i>absoluta</i> dignitas et potestas Dei en de <i>absoluta</i> -subjectio onzerzijds, Hoornbeek, Theol. pract. II 205 sq. Van -schepselen zijn we slechts ten deele afhankelijk; wij staan als -schepselen met hen op gelijke lijn; maar God is een wezen, van -hetwelk wij volstrekt afhankelijk zijn en dat in elk opzicht de -beslissing heeft over ons wel en ons wee. Bij de Heidenen wordt -deze absoluutheid Gods wel als het ware onder vele goden verdeeld, -maar toch is iedere god op zijn terrein met zoodanige -macht bekleed, dat de mensch voor zijn geluk of ongeluk volstrekt -van hem afhankelijk is. Het is vooral Schleiermacher geweest, -die in zijn Christ. Gl. § 4 de religie omschreven heeft -als schlechthiniges Abhängigkeitsgefühl. Tegen deze definitie zijn -vele bedenkingen ingebracht, die o. a. kort worden weergegeven -door Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 70 v. Inderdaad heeft -deze omschrijving bij Schleiermacher een zin, welke niet kan -toegelaten worden. De afhankelijkheid wordt bij hem zoo pantheïstisch -opgevat, dat ze objectief alleen betrekking heeft op -het wereldgeheel en subjectief beperkt wordt tot het gevoel. -Toch ligt er in Schleiermachers definitie een gewichtig bestanddeel -van waarheid. Wat den mensch tot een religieus wezen -maakt en tot religie drijft, is het besef, dat hij tot God in eene -relatie staat, die specifiek verschilt van alle andere verhoudingen, -waarin hij geplaatst is. Deze relatie is zoo diep en teeder, zoo -rijk en veelzijdig, dat zij moeilijk door één begrip kan worden -uitgedrukt. Maar zeker komt dat van afhankelijkheid wel het -<span class="pagenum" id="Page_181">[181]</span> -eerst en het meest hiervoor in aanmerking. Want in de religie -voelt de mensch zich in betrekking tot een persoonlijk wezen, -dat zijn lot op ieder gebied van het leven en voor tijd en eeuwigheid -in de hand heeft. Daarom wordt God in de religie nog niet -uitsluitend als macht opgevat; want ook als Genadige, Barmhartige, -Rechtvaardige, Heilige enz. staat God tegen den mensch -toch altijd als Souverein, als Absolute, als God over. En de -mensch staat tegenover Hem altijd als schepsel; hij is dat tegenover -niemand en niets anders, hij is dat alleen tegenover God. -En daarom is deze creatuurlijke afhankelijkheid niet het wezen -maar toch de grondslag van de religie. De mensch is echter niet -alleen schepsel, maar ook een redelijk en zedelijk schepsel; zijne -verhouding tot God is daarom eene gansch andere dan van engelen -en dieren. De volstrekte afhankelijkheid, waarin de mensch tot -God staat, sluit daarom de vrijheid niet uit. Hij is afhankelijk, -maar op eene andere wijze dan de andere schepselen; hij is zoo -en in dien zin afhankelijk, dat hij tegelijk een redelijk en zedelijk -wezen blijft, dat hij Gode verwant, zijn geslacht en zijn beeld is. -Volstrekt afhankelijk is hij zoodat de loochening dezer afhankelijkheid -hem nimmer vrij maakt, en toch hare erkenning hem -nooit tot slaaf vernedert. Integendeel, in de bewuste, vrijwillige -aanvaarding van deze zijne afhankelijkheid komt de mensch tot -de hoogste vrijheid. Hij wordt in dezelfde mate mensch, als hij -kind Gods is. De H. Schrift stelt geen onderzoek in naar het -wezen der religio subjectiva, gelijk die nog in alle menschen -en onder alle godsdiensten wordt gevonden. Het zou ook een -onbegonnen werk zijn. Want de religieuse gezindheid is in de -velerlei godsdiensten zoo verschillend, dat er hoogstens een zeer -algemeen en vaag begrip voor aangegeven kan worden. De Schrift -bestempelt echter die religieuse gezindheid, welke de Christen -tegenover God en zijne openbaring gevoelt, met den naam van -geloof. Dat is het centrale begrip in de religio subjectiva van -den Christen. Over de natuur van dat geloof is in de christelijke -kerk ten allen tijde groot verschil geweest. Het religieuse leven -is zoo rijk en diep, dat het telkens van eene andere zijde kan -worden beschouwd. Maar in het geloof liggen toch altijd deze -twee elementen opgesloten, ten eerste, dat de mensch tegenover -God en zijne openbaring geheel receptief en volstrekt van God -afhankelijk is, en ten andere, dat hij juist door erkenning dezer -<span class="pagenum" id="Page_182">[182]</span> -afhankelijkheid de vergeving, het kindschap, de zaligheid uit -genade deelachtig wordt. Analogie van deze religio subjectiva in -het Christendom is er zeker ook bij andere godsdiensten, maar -alleen in de christelijke religie is de subjectieve relatie van den -mensch tot God volkomen normaal. Afhankelijkheid en vrijheid -zijn hier met elkander verzoend. De souvereiniteit Gods blijft -hier ten volle gehandhaafd en de verwantschap des menschen -met God wordt toch volledig erkend. De mensch is te religieuser -en wordt te meer den beelde Gods gelijkvormig, naarmate hij -zijne afhankelijkheid dieper beseft en erkent. Daarom kunnen -alle deugden ten opzichte van schepselen overdreven worden; -maar met betrekking tot God is er geene overdrijving mogelijk. -Men kan Hem nooit te veel gelooven, vertrouwen, liefhebben -enz., nooit kan ’t geloof te veel verwachten, Voigt, Fundamentaldogmatik -65 f. Aug. Dorner, Stud. u. Kr. 1883 S. 217 f. Kahnis, -Die luth. Dogm. 2<sup>e</sup> Ausg. 1874 I 81 f. Abr. des Amorie van -der Hoeven Jr. De godsdienst het wezen van den mensch, -Leeuwarden, 1848 bl. 38 v.</p> - -<p class="sep2">6. De religio subjectiva gaat door de inwerking der religio -objectiva uit haar habitueelen toestand in daden over. Deze daden -zijn in- of uitwendig, en maken alzoo onderscheid tusschen den -cultus internus en externus. Religio en cultus verhouden zich -als oorzaak en gevolg. Toch is hiermede niet bedoeld dat de -cultus eene vrije vinding en uiting is van de subjectieve religie. -Alle ἐθελοθρησκεια is verboden, Mt. 15:9. Mk. 7:7. Col. -2:23. Zoowel het antinomistisch Anabaptisme als het nomistisch -Romanisme is hier te vermijden. God bepaalt alleen, hoe Hij -wil gediend worden. En de wedergeboorte van de door de zonde -bedorven religio subjectiva, van den habitus religionis, bestaat -juist daarin, dat de geloovigen een oprechten lust ontvangen, -om niet alleen naar sommige maar naar alle geboden Gods in -volmaaktheid te leven. Het is hunne spijze, om den wil des -Vaders te doen. Jezus sprak en deed nooit iets, dan waartoe -Hij een gebod van den Vader had ontvangen. Daarom legt de -Schrift op het wandelen in Gods geboden, op het onderhouden -van zijne inzettingen enz. zoo sterken nadruk. En daartoe wederbaart -God den mensch, om hem, die afkeerig is van zijn dienst, -wederom in het innerlijkste van zijn wezen in overeenstemming -<span class="pagenum" id="Page_183">[183]</span> -te brengen met zijn wil en wet, in de religio objectiva neergelegd. -De cultus internus omvat de daden van geloof, vertrouwen, -vreeze, liefde, gebed, dankzegging enz., en de cultus externus -openbaart zich in belijdenis, gebed, gezang, dienst des woords -en der sacramenten, gelofte, vasten, waken enz. Deze is dus -deels moreel, deels ceremonieel; en kan wederom solitarius en -socius zijn. In het laatste geval is hij privaat of publiek; de -gemeenschappelijke, openbare cultus wordt in de kerkenordeningen -geregeld. In al deze religieuse handelingen is het besef der absolute -afhankelijkheid de religieuse grondgedachte, het bezielend element. -Daarvan losgemaakt worden ze letterdienst, lippenwerk, koud -en dood formalisme. Maar daardoor bezield, krijgen zij alle haar -specifiek religieus karakter. Ook schepselen zijn voorwerp van ons -geloof, van onze hope, van onze liefde enz. Wat al deze handelingen -tot religieuse stempelt, is, dat zij ons in betrekking -stellen tot een Persoon, van wien wij met alle dingen in volstrekten -zin en toch weer op eene eigene wijze, d. i. als redelijke -schepselen afhankelijk zijn. Het wezen der religie kan toch in -niets anders gelegen zijn, dan daarin dat God juist als <i>God</i> -wordt verheerlijkt en gedankt. Elke religie, die hierin te kort -schiet, komt de eere Gods te na en houdt in diezelfde mate -ook op, echt religieus te zijn. Daarentegen bestaat de echte religie -in eene zoodanige gezindheid van den mensch, welke eenerzijds -wortelt in het diep besef zijner volstrekte afhankelijkheid van -God als Schepper, Verlosser, Heiligmaker enz., en andererzijds -zich uitstrekt, om naar alle Gods inzettingen in oprechtheid te -wandelen.</p> - -<h4>B. Zetel der religie.</h4> - -<p>7. Nadat het wezen der religie is onderzocht, moet de plaats -worden bepaald, welke zij in den mensch, te midden van zijne -faculteiten en functiën inneemt. Meteen wordt dan de verhouding -duidelijk, waarin de godsdienst staat tot wetenschap, kunst en -zedelijkheid. Reeds de scholastiek stelde de vraag, of de religio -eene virtus intellectualis of moralis was, en Thomas zeide het -laatste, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 5. Maar eerst in de nieuwere -philosophie, vooral nadat de godsdiensten der volken meer bekend -zijn geworden, is het wezen der religie tot een voorwerp van -<span class="pagenum" id="Page_184">[184]</span> -psychologisch en historisch onderzoek gemaakt. Lessing’s Erziehung -des Menschengeschlechts 1780 en Herder’s Ideen zur Philos. -der Gesch. der Menschheit 1784 maakten er een aanvang mede. -En sedert is de historie en de philosophie der godsdiensten een -geliefkoosde studie geworden. Ter bepaling van het wezen der -religie gaat het tegenwoordig onderzoek bijna altijd uit van de -religio subjectiva, en het recht, de macht, de waarde der religio -objectiva wordt bijna algemeen miskend. Dit is gevolg van eene -wijsgeerige praemisse, dat alle godsdiensten in wezen gelijk zijn -en slechts in vorm verschillen. Maar dit religieuse indifferentisme -is daarom onhoudbaar, wijl alle religie noodwendig een -kennen insluit en de realiteit poneert van zijn object; zoodra -echter dit het geval is, valt een godsdienst onder de kategorie -van waar en onwaar. Indien de religie niets ware dan gevoel en -phantasie, zou ze aan haar scheppingen ook slechts eene aesthetische -waarde hechten. Maar elke religie is overtuigd van de -realiteit en de waarheid harer objecten (goden, profeten, heilige -plaatsen enz.), en is zonder dat geloof onbestaanbaar, cf. Dr. -Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 bl. 563 v. 598 v. Feitelijk -past ieder dan ook de kategorie van waar en onwaar op de -religies toe; de religionsphilosoof gelooft niet aan de waarheid -van de goden der volken, al waardeert hij ook de religieuse -gezindheid, die in hun vereering zich menigmaal uitspreekt. -Voorts staan de verschillende godsdiensten zelve lang niet indifferent -tegenover elkaar; zij beschouwen zichzelve en elkander niet -als staande in verhouding van lager en hooger, maar van waar -en valsch. De wijsgeer staat met zijn indifferentisme vrij wel -alleen. Frederik de Groote moge zeggen: in meinem Reiche soll -Jeder nach seiner Façon selig werden, de godsdiensten zelve -denken er gansch anders over. En ze kunnen niet anders; wat -de een poneert, negeert de andere. Zij sluiten elkaar uit, en kunnen -niet beide waar zijn. Indien Christus de Gezondene is des Vaders, -dan is Mohammed het niet. En eindelijk berust het religieuse -indifferentisme nog op de zondige gedachte, dat het Gode onverschillig -is, hoe Hij gediend wordt. Het ontneemt Hem het recht, -om de wijze van zijn dienst te bepalen. In elk geval gaat het -uit van de gedachte, dat God zijn dienst niet heeft voorgeschreven, -dus van de apriorische loochening der openbaring. De stelling, -dat de godsdiensten in wezen overeenkomen en in vorm verschillen, -<span class="pagenum" id="Page_185">[185]</span> -is omgekeerd veel juister; zij verschillen in wezen maar komen in -vorm overeen. Daarbij moet ten slotte nog de opmerking worden -gemaakt, dat het indifferentisme in zake de religie zich meer of -minder ver uitstrekken kan. Het syncretisme houdt het kerkelijke, -het deïsme houdt het christelijke, het modernisme houdt de -religio objectiva, de morale indépendante houdt al het religieuse -voor indifferent. Feitelijk en objectief is er echter niets indifferent, -noch in de natuur, noch in den staat, noch in wetenschap of -kunst. Alles, ook het geringste, heeft zijne bepaalde plaats en -beteekenis in het geheel. Indifferent is de mensch alleen voor -wat hij niet kent; wat hij weet, wordt ook vanzelf door hem -getaxeerd en gewaardeerd. God is onverschillig voor niets, omdat -hij alles kent. Cf. Lamennais, Essai sur l’indifférence en matière -de religion, 9<sup>e</sup> éd. Paris 1835, vooral tome premier, waarvan -de introduction begint: le siècle le plus malade n’est pas celui -qui se passionne pour l’erreur, mais le siècle qui néglige, qui -dédaigne la vérité.</p> - -<p class="sep2">8. Het algemeen geloof, dat de godsdiensten verschillende -vormen zijn van één wezen, gaat uit van de gedachte, dat het -wezen der religie niet in de religio objectiva, maar in de religio -subjectiva ligt. De eerste is onverschillig, op de laatste, op de -religieuse gezindheid of stemming komt het aan. Naar die gezindheid -moet dus onderzocht, om het wezen der religie te bepalen. -Maar waar en hoe moet dat onderzoek geschieden? Twee methoden -dienen zich aan, de historische en de psychologische. De historische, -voorgestaan bv. door Dr. A. Bruining, Wijsbeg. v. d. -godsd. Theol. Tijdschr. 1881 bl. 365 v. wil uit historisch onderzoek -en vergelijkende waarneming van de godsdienstige verschijnselen -het wezen van de religie bepalen. Maar deze methode is feitelijk -onmogelijk, omdat elk onderzoek van de godsdiensten reeds eene -notie van den godsdienst onderstelt; een vergelijkend onderzoek -van alle godsdiensten een onuitvoerbare arbeid is; en in de godsdiensten -juist de religieuse gezindheid het diepst is verborgen -en schier aan alle waarneming ontsnapt. Wat weten wij nog van -de stemming en gezindheid, die in de verschillende richtingen en -kerken binnen het Christendom aan de godsdienstige verschijnselen -ten grondslag ligt! De psychologische methode, o. a. door. -Hugenholtz, Studiën op godsd. en zedek. gebied II 83 v. en -<span class="pagenum" id="Page_186">[186]</span> -Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsdienst 41 v. verdedigd, wil het -wezen van den godsdienst zielkundig verklaren en verlangt daarom, -dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een godsdienstig -mensch zij en als zoodanig de godsdienstige verschijnselen waarneme -en beoordeele. Hier is op zichzelf niets tegen te zeggen. -Bij de studie der godsdiensten het eigen godsdienstig bewustzijn -buiten rekening te laten, gelijk Dr. Bruining wil, ware hetzelfde -naar de goede opmerking van Dr. Hugenholtz, als zichzelven de -oogen uit te steken uit vrees voor gezichtsbedrog. Maar dan mag -toch geeischt, dat zulk een onderzoeker der godsdiensten geen -valsche maar een ware en zuivere opvatting van den godsdienst -meebrenge; anders toetst hij alle godsdiensten slechts aan zijn -eigene misschien zeer verkeerde voorstelling en aan die zijner -geestverwanten, bv. aan de moderne opvatting der religie. Indien -de vraag echter zoo staat, dan is er tusschen orthodoxen en -modernen geen kwestie meer van methode, maar alleen van de -waarheid of onwaarheid der godsdienstige voorstelling, waarvan -beiden uitgaan. En dan is de waarborg voor de waarheid der -godsdienstige voorstelling, welke de orthodoxe meebrengt minstens -even groot als die voor de moderne opvatting der religie; -want gene ontleent haar aan de H. Schrift en is in overeenstemming -met de kerk van alle eeuwen, en deze is van korten tijd -en slechts in een kleinen kring van geestverwanten geldig.</p> - -<p class="sep2">9. De wijsbegeerte van den godsdienst heeft nu vooral drie -opvattingen van het wezen der religio (subjectiva) voorgedragen. -Ten eerste de intellectualistische, die ’t wezen der religie stelt in -de kennis, en haar zetel plaatst in het verstand. Het gnosticisme -zei al, dat de gnosis zalig maakte, dat de agnitio was redemptio -interioris hominis, Irenaeus adv. haer. I cap. 21. Dit gnosticisme -heeft ten allen tijde in de christelijke kerk verdedigers gevonden, -maar is vooral weer opgekomen in de nieuwere philosophie. -Spinoza houdt verstand en wil voor unum et idem, Eth. II prop. -49, laat den amor Dei geboren worden uit de heldere en duidelijke -kennis des menschen van zichzelf en zijne affecten, ib. V -prop. 15, en noemt dezen amor intellectualis, ib. prop. 32. -Summa mentis virtus est Deum cognoscere V prop. 27, en onze -mens is pars infiniti Dei intellectus II prop. 11. Deze kennis Gods, -d. i. der dingen sub specie aeternitatis II prop. 44 is summa -<span class="pagenum" id="Page_187">[187]</span> -mentis acquiescentia V prop. 27. Volgens Schelling in zijn eerste -periode is er van het Absolute, als identiteit van het eindige en -oneindige, alleen een absoluut weten mogelijk; de religie verliest -hier dus geheel hare zelfstandigheid, het geloof is eene onjuiste, -onzuivere opvatting van de idee, Philosophie u. Religion (Sämmtl. -Werke, Erste Abth. VI S. 11 f.). Vooral Hegel heeft deze intellectualistische -bepaling van het wezen der religie uitgewerkt. Bij -hem is het Absolute het denken zelf, dat in de tegenstellingen -ingaat en uit deze weer tot de identiteit met zichzelf terugkeert. -Heel de wereld is dus eene ontwikkeling van den geest, eene -logische ontvouwing van den inhoud der rede, een proces, waarin -de idee eerst in de natuur zich objectiveert en dan daaruit in -den geest weer tot zichzelve terugkeert. Een van de momenten, -welke dit proces doorloopt, is de religie. De menschelijke geest -is het, in wien het Absolute tot zichzelf komt en zich van zichzelf -bewust wordt. En dit zelfbewustzijn van den absoluten geest -in den eindigen geest is religie. Religie is dus wezenlijk weten, -geen gevoelen en geen handelen, maar weten en wel van God -door den eindigen geest of objectief weten Gods van zichzelven -door en in den eindigen geest. Der Mensch weiss nur von Gott, -insofern Gott im Menschen von sich selbst weiss, diess Wissen ist -Selbstbewustseyn Gottes, aber ebenso ein Wissen desselben vom -Menschen, und diess Wissen Gottes vom Menschen ist Wissen des -Menschen von Gott. Der Geist des Menschen von Gott zu wissen, -ist nur der Geist Gottes selbst, Vorles. über die Philos. der -Religion, herausg. v. Marheinecke 1832 Werke XII S. 428. -Religie is echter niet ’t hoogste weten; het is maar een weten -van het absolute in den vorm van zinnelijke, historische voorstellingen. -Het hoogste, ware weten wordt eerst bereikt in de -philosophie. De religie is daarom tijdelijk, een lagere vorm, voor -de onontwikkelden geschikt. Maar de philosophie maakt uit de -zinnelijke voorstellingen der religie de idee los en komt alzoo tot -een absoluut, adaequaat, begrifflich weten van God, ib. S. 15 f. -cf. Strauss, Christl. Gl. I 12. Feuerbach, Wesen des Christenthums -1841 en Strauss, Christliche Glaubenslehre 1840, Der -alte und der neue Glaube, 2<sup>e</sup> Aufl. 1872 trokken de consequentie -en voltooiden de breuke met de christelijke religie. Het idealisme -sloeg in materialisme om. Evenals reeds in de vorige eeuw door -La Mettrie, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. I 378, zoo -<span class="pagenum" id="Page_188">[188]</span> -werd ook nu weer door velen het geloof aan God voor de grootste -en schadelijkste dwaling gehouden. Bruno Bauer, Arnold Ruge, -Edgar Bauer, Max Stirner predikten het naaktste egoïsme. Het -materialisme, dat ongeveer 1850 in Duitschland opkwam, oordeelde -niet anders, Büchner, Kraft und Stoff 1855, 16<sup>e</sup> Aufl. -1885 S. 392 f. Specht, Theol. u. Naturwiss. 3<sup>e</sup> Aufl. 1878 S. -71 f. Moleschott, Kreislauf des Lebens 1852. Carl Vogt, Köhlerglaube -und Wissenschaft 1854. Czolbe, Neue Darstellung des -Sensualismus 1855.</p> - -<p class="sep2">10. Nu heeft Hegel zeer goed ingezien, dat religie ook kennis -bevat en dat godsdienst en metaphysica ten nauwste verwant -zijn. De aard der zaak maakt dit ook duidelijk. Religie is altijd -eene verhouding des menschen tot eene boven hem staande, goddelijke -Macht. Religie is er dus niet en kan er niet zijn zonder -eene bepaalde voorstelling van God; en deze sluit weer andere -voorstellingen in omtrent wereld en mensch, oorsprong en einddoel -der dingen. Deze godsdienstige voorstellingen hebben voor den -geloovige transcendentale beteekenis; hij is ten diepste overtuigd -van haar objectieve realiteit en waarheid. Zoodra hij deze voorstellingen -gaat houden voor producten zijner phantasie, voor -idealen zonder realiteit, of ook aan de kenbaarheid van het -metaphysische wanhoopt, is het met zijne religie gedaan. Het -skepticisme vernietigt het voorwerp der religie en daarmede deze -zelve. Ook met het verstand moet God worden gediend; maar -als het verstand inziet, dat de religieuse voorstellingen niet -beantwoorden aan eene werkelijkheid, houdt het op godsdienstig -te zijn. Religieuse en theoretische wereldbeschouwing, theologie -en wetenschap zijn niet hetzelfde maar kunnen toch onmogelijk -met elkander strijden. Zulk een dualisme is met de eenheid van -den menschelijken geest in onverbiddelijken strijd, Hartmann, -Religionsphilosophie. II. Die Religion des Geistes, 2<sup>te</sup> Aufl. -Leipzig, Friedrich S. 3-27.</p> - -<p>Maar Hegel dwaalde toch hierin dat hij godsdienst en wijsbegeerte -tot elkander in verhouding stelde als lager en hooger, -als voorstelling en begrip, en ze dus opvatte als successieve -momenten van één proces. De Hegelianen zooals Strauss, Glaub. -I 12 f. en Biedermann, Christl. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. I 184 f. zagen -het onjuiste hiervan zelven in. Inhoud en vorm zijn nooit zoo -<span class="pagenum" id="Page_189">[189]</span> -mechanisch en uitwendig verbonden, dat geheele wijziging van -dezen genen onveranderd laat. De omzetting der godsdienstige -voorstellingen in philosophische begrippen tast ook den godsdienstigen -inhoud zelven aan. De historie van de Hegelsche -philosophie bracht dit spoedig aan het licht. Er bleef bij haar -van de christelijke dogmata zoo goed als niets over; triniteit, -menschwording, voldoening behielden de orthodoxe namen maar -werden geheel anders geïnterpreteerd. De feiten van het Christendom -werden tot den vorm gerekend en waardeloos geacht. In -de plaats daarvan kreeg men begrippen, die geen inhoud meer -hadden. Een tweede fout van Hegel bestond daarin, dat hij aan -religie en philosophie een gelijken inhoud gaf en toch de eerste -voor een lageren vorm hield van de tweede. De religie werd -daardoor verlaagd tot een relatief goed, dat alleen nog maar -waarde had voor de eenvoudigen en de onontwikkelden. De wijsgeeren -waren er verre boven verheven en hadden aan de philosophie -genoeg. Dit nu berust op eene totale miskenning van het -wezen der religie. Want religie en wetenschap zijn wel verwant -maar toch ook hemelsbreed verschillend. Al hebben ze ook menigmaal -een zelfden inhoud en voorwerp, dezen komen toch in beide -onder een geheel ander gezichtspunt voor. In de wetenschap is -het om kennis, in de religie is het om troost, vrede, zaligheid -te doen. De religie en philosophie zijn evenmin als de état théologique, -métaphysique en positive van A. Comte elkaar historisch -opvolgende toestanden van den menschelijken geest, maar zijn -verschillende gezichtspunten, waaronder dikwerf eene zelfde zaak -beschouwd kan worden. Ook de diepzinnigste wijsgeer komt daarom -met al zijne kennis boven de religie niet uit; door de wetenschap -kan hij nimmer zijne religieuse behoefte bevredigen. De -wetenschap moge hem al zeggen, dat en wat God is; alleen -door de religie weet hij, dat die God ook zijn God en zijn -Vader is. De wetenschap moge hem leeren dat er zonde is en -genade; alleen door de religie wordt hij de zaligheid der vergeving -en van het kindschap Gods deelachtig. Al kon de wetenschap -alles weten, en al kon ze alle metaphysische problemen -oplossen; dan nog gaf ze slechts theoretische kennis, en geen -persoonlijk deelgenootschap aan de goederen des heils. Niet aan -het weten, maar alleen aan het gelooven is de zaligheid verbonden. -Maar het is er verre van af, dat de wetenschap en de -<span class="pagenum" id="Page_190">[190]</span> -wijsbegeerte het zoover brengen kan. Juist op de belangrijkste -vragen blijft zij het antwoord schuldig. De verwachting, die Renan -in 1848 van de wetenschap koesteren kon, bleek hemzelven in -1890 niets dan eene illusie te zijn, Renan, L’avenir de la science. -Pensées de 1848. 2<sup>e</sup> éd. Paris 1890. De wetenschap zegt ons -noch wat God noch wat de mensch is; zij laat ons onbekend -met den oorsprong en de bestemming der dingen. De verschijnselen -neemt ze waar, maar het noumenon blijft haar verborgen. -Zij kan de religie nimmer vervangen en nooit haar verlies vergoeden, -Voigt, Fundam. dogm. 120 f. Hartmann, Religionsphilosophie -II S. 3-27. H. Siebeck, Lehrbuch der Religionsphilosophie, -Freiburg 1893 S. 1-11. Nitzsch, Ev. Dogm. 92-96. Pfleiderer, -Grundriss der christl. Gl. u. Sittenlehre § 11.</p> - -<p class="sep2">11. Anderen hebben daarom de religie omschreven door zedelijk -handelen en haar zetel in den wil gezocht. Het Pelagianisme in -zijne verschillende vormen, Semipelag. Socin. Remonstr. Deisme, -Ration. enz. heeft deze opvatting voorbereid, inzoover de fides bij -deze richting aangevuld wordt door of zelfs alleen bestaat in eene -nova obedientia. De leer is dan slechts middel en ondergeschikt, -hoofdzaak is de liefde, op een deugdzaam, zedelijk leven komt -het aan. Ook Spinoza heeft naast de intellectualistische deze -moralistische opvatting. De H. Schrift is Gods woord, omdat ze -de vera religio, de lex divina bevat, Tract. theol. pol. cap. 12 -§ 18 sq. Zij bedoelt niets praeter obedientiam, cap. 13 en deze -obedientia erga Deum bestaat in solo amore proximi, ib. § 8. -Philosophie en geloof zijn zoo onderscheiden, dat gene tot doel -heeft de veritas, dit de obedientia en pietas, cap. 14 § 38. De -intellectualis sive accurata Dei cognitio is geen gave aan alle -geloovigen, maar wel de obedientia, deze wordt van allen geeischt, -cap. 13 § 9. Maar vooral Kant heeft aan dit moralisme ingang -verschaft. De theoretische rede kan n.l. het bovenzinnelijke niet -bereiken. God, vrijheid, onsterfelijkheid zijn wetenschappelijk niet -te bewijzen. Zij zijn alleen postulaten van de practische rede tot -vervulling van de zedewet en tot verkrijging van het hoogste -goed, d. i. de met deugd verbondene zaligheid. Gelooven is dus -voor waar houden niet op theoretische maar op practische gronden. -De moraal wordt grondslag der religie. En religie ist subjektiv -betrachtet das Erkenntniss aller unserer Pflichten als göttlicher -<span class="pagenum" id="Page_191">[191]</span> -Gebote. De religie is hier niet rechtstreeks en onmiddellijk gegrond -in de menschelijke natuur, maar alleen door het zedelijke heen. -Ze heeft ook geen eigen inhoud en stof, maar is niets dan eene -nadere bepaling van het zedelijke; niet in het object maar alleen -in den vorm ligt het onderscheid tusschen beide. Kant moest dan -ook erkennen, dat geen godsdienst zich met zijne religie heeft -tevreden gesteld. Alle godsdiensten bevatten behalve het zuivere -redegeloof nog vele andere dogmata, een doktrinalen historischen -Glauben. Maar hij verklaart dit uit de zwakheid der menschelijke -natuur, die niet licht te overtuigen is, dat een zedelijke wandel -alles is, wat God van ons eischt. Roeping is het, om den Kirchenglauben -meer en meer te reinigen en in den zuiveren Vernunftglauben -te doen overgaan, Religion innerhalb der Grenzen der -blossen Vernunft, herausg. van K. Rosenkranz 1838. Kant’s -religie bestond daarom feitelijk in niets anders dan de rationalistische -trilogie God, deugd, onsterfelijkheid. Maar J. G. Fichte -ging verder en leidde uit het zedelijk bewustzijn geen ander -postulaat af, dan dat het ik het gansche niet-ik, de wereld, -aanzie als het „versinnlichte Material” van zijn plicht, ze erkenne -als zoo geordend dat zijn zedelijk willen en handelen op de lijn -ligt van het zedelijke doel van het geheel, m. a. w. dat er eene -zedelijke wereldorde is. Hier is de religie geheel in ’t zedelijke -opgegaan. Cf. Ueber den Grund unseres Glaubens an eine göttliche -Weltregierung 1798. Dit moralisme is in het ethicisme -verdiept, doordat het moreele niet alleen psychologisch maar ook -metaphysisch opgevat wordt. De wil, het goede, de liefde is dan -het eigenlijke zijn, het Ursein, het Absolute; daaruit is alles, de -triniteit, de wereld, de verlossing te verklaren; die macht van -het goede realiseert zich in de menschenwereld door middel van -het zedelijke. Dat is de grondgedachte, waarvan Schelling in zijne -tweede periode uitging: es gibt in der letzten und höchsten -Instanz gar kein anderes Sein als Wollen, Wollen ist Ursein, -Ueber das Wesen der menschl. Freiheit, Sammtl. Werke VII -331 f. Vooral Rothe heeft dit ethicisme in de theologie overgebracht; -de Frömmigkeit heeft geen eigen inhoud maar valt in -concreto met de ware zedelijkheid saam, Theol. Ethik § 114-126; -de kerk gaat daarom ook over in den staat § 440. Sedert -heeft deze ethische richting grooten invloed verkregen. Het ethische -wordt beurtelings als grondslag (Neokantianen), inhoud -<span class="pagenum" id="Page_192">[192]</span> -(Ethischen onder de Vermittelungstheologen en onder de Modernen), -of zelfs als geheele vergoeding (Morale indépendante. De ethische -beweging in de religie) van de religie beschouwd. De ethische -richting onder de Vermittelungstheologen trad in het voetspoor -van Schleiermacher en Rothe, cf. mijne Theol. van D. Ch. de -la Saussaye, Leiden 1884, bl. 20 v. Hier te lande zocht Hoekstra -den grondslag van het godsdienstig geloof in de practische rede, -in den wil, Bronnen en grondslagen van ’t godsd. geloof 1864 -bl. 23 v. 49 v. 63 v. De bij hem zich aansluitende ethische -Modernen omschrijven den godsdienst als toewijding aan het -zedelijk ideaal, als reine zedelijkheid, Dr. Hooijkaas, God in -de geschiedenis 1870. Godsdienst volgens de beginselen der ethische -richting onder de Modernen, vier voorlezingen van Hooijkaas, -Hooijkaas Herderschee, Oort en van Hamel, ’s Bosch 1876. cf. -Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 1887 bl. 116 v. Rauwenhoff -zelf stelt het wezen van de religie in het geloof aan eene zedelijke -wereldorde, Wijsb. v. d. godsd. 373 v. Verwant daarmede -is de leer der Morale Indépendante, cf. C. Coignet, La morale -indépendante dans son principe et dans son objet, Paris 1863. -Vacherot, La religion, Paris 1869 cf. Bibl. v. mod. Theol. 1870 -I 333 v. Caro, La morale indép. Paris 1876. E. Bersier, sur -la question de la mor. indép. in de Handelingen der Ev. Alliantie -1867. Cramer, Christendom en Humaniteit 1871 bl. 159 v. en -evenzoo die ethische beweging, welke uit Amerika in Engeland -en Duitschland is doorgedrongen, en onverschillig voor allen -godsdienst geen dogma erkent dan de liefde tot het goede. Zie -W. M. Salter, De godsdienst der moraal, holl. door Dr. Hugenholtz -1889, cf. Lamers, De godsd. evenmin moraal als metaphysica -1885. Bibl. v. mod. Theol. 1887, 4<sup>e</sup> st. bl. 579. Kuenen -in de Hervorming 1888, antwoord van Salter ib. 15 Dec. 1888. -Dr. Felix Adler, Die ethischen Gezellschaften, Berlin, Dümmler -1892. Die ethische Bewegung in Deutschland, vorbereitende -Mittheilungen eines Kreises gleichgesinnter Männer u. Frauen -zu Berlin, ib. 1892. St. Coit, Die ethische Bewegung in der -Religion, vom Verf. durchges. Uebersetzung v. Gizycki. Leipzig, -Reisland 1890. Daartegen: Dr. M. Keibel, Die Religion u. ihr -Recht gegenüber dem modernen Moralismus. Halle, Pfeffer, 1892. -Ook Otto Dreyer, Undogmatisches Christenthum, Braunschweig -1888; Egidy, Ernste Gedanken, Leipzig 1890 (cf. Gids Mei 1893); -<span class="pagenum" id="Page_193">[193]</span> -H. Drummond, Summum Bonum, Pax Vobiscum, The spiritual -law in the natural world; Tolstoi, Vernunft u. Dogma, Wie ist -mein Leben? beide bij Otto Janke, Berlin. Worin besteht mein -Glaube, Leipzig 1885 enz. ijveren voor een ondogmatisch, practisch, -zedelijk Christendom, een Christendom der Bergrede.</p> - -<p class="sep2">12. Nu lijdt het geen twijfel dat godsdienst en zedelijkheid -met elkaar in ’t nauwste verband staan. Die verwantschap blijkt -ten eerste hieruit dat de religie zelve eene zedelijke verhouding -is. De religie berust wel op eene mystieke unie van God en -mensch, maar is zelve geen substantieele gemeenschap van beiden, -maar een ethische relatie van den mensch tot God. God heeft -geen religie; maar Gods inwoning in den mensch kweekt van -zijne zijde die relatie tot God, welke wij religie noemen, -Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Deze relatie is -daarom van ethischen aard; zij is geregeld in die zelfde lex -moralis, welke ook de andere verhoudingen des menschen tot -zijne medeschepselen bepaalt; alle religieuse handelingen des -menschen zijn zedelijke plichten, en heel de religie is een zedelijk -gebod. Omgekeerd is het zedelijk leven ook weer een dienst Gods. -Weduwen en weezen te bezoeken Jak. 1:27, is geen in eigenlijken -zin godsdienstige handeling, maar kan toch godsdienst -heeten, omdat de godsdienst zich daarin betoonen en bevestigen -moet. De scholastiek maakte daarom onderscheid tusschen actus -eliciti en actus imperati van de religie, Thomas, S. Theol. II -2 qu. 81 art. 1. Geloof zonder werken, zonder liefde, is een dood -geloof. De liefde tot God bewijst zich voor ons in de liefde tot -den naaste Jer. 22:16. Jes. 1:11 v. 1 Joh. 2:3 v. Jak. 2:17 -enz. Heel ons leven behoort een dienst Gods te wezen. Het -opschrift: Ik ben de Heere uw God, staat ook boven de geboden -der tweede tafel. Liefde is het ééne groote beginsel, dat de gansche -wet vervult, Rom. 13:13. De zedewet is één organisch geheel, -zoodat wie één gebod overtreedt, de geheele wet schendt Jak. -2:10. De naaste moet om Gods wil bemind worden, en de zonde -tegen den naaste is ook eene zonde tegen God. Deze verhouding -van godsdienst en zedelijkheid maakt het reeds duidelijk, dat -de zedelijkheid nooit den inhoud noch ook den grondslag der -religie uitmaken kan. In weerwil toch van hunne innige verwantschap, -zijn beide wezenlijk onderscheiden. Godsdienst is -<span class="pagenum" id="Page_194">[194]</span> -altijd eene verhouding tot God, zedelijkheid tot de menschen; -godsdienst heeft tot principe de πιστις, zedelijkheid de ἀγαπη; -godsdienst openbaart zich in die religieuse handelingen, welke -samen een cultus in- en externus vormen, zedelijkheid betoont -zich in de daden van gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid -enz. tegenover den naaste; de religie is geregeld in de eerste, -de zedelijkheid in de tweede tafel der wet. Dit onderscheid tusschen -religie en ethos kan door het pantheïsme niet gehandhaafd -worden, omdat God hier niet een eigen, van de wereld onafhankelijk -bestaan heeft; eene persoonlijke relatie tusschen God en -mensch is er hier niet mogelijk; de liefde tot God kan zich dan -niet anders uiten dan in de liefde tot den naaste. Ook het deïsme -kan, wegens de loochening der gemeenschap van God en mensch, -geen eigenlijke religie kweeken. Er is nog wel geloof aan God, -maar geen dienen van God anders dan in de vervulling der zedelijke -geboden. Maar op theïstisch standpunt staat de mensch in relatie -tot de wereld maar ook in eene eigene, onderscheidene relatie -tot God als een persoonlijk wezen. Religie is daarom iets wezenlijk -anders dan zedelijkheid en openbaart zich in eene eigen reeks van -daden. Indien dit echter zoo is, dan kan ook de moraal niet de -grondslag der religie zijn, maar moet omgekeerd deze de basis -vormen voor gene. De relatie tot God is dan de primaire en de -centrale, welke alle andere verhoudingen des menschen bepaalt. -Zoowel historisch als logisch is de moraal altijd in de religie -gegrond. De religie dringt de zedelijke plichten aan, en de moraal -zoekt de sanctie der religie. Eene autonome moraal komt in de -werkelijkheid nergens voor. Overal en bij alle volken vindt de -zedelijkheid haar laatsten grond en haar laatste doel in den godsdienst. -De zedelijkheid verliest den bodem onder haar voet, als -ze van de goddelijke autoriteit in de conscientie wordt beroofd. -Alle Moral hat sich geschichtlich aus der Religion entwickelt, -und wenn auch die so entwickelten geistigen Anlagen der Menschheit -zur Sittlichkeit Dank ihrer Herkunft eine Zeit lang selbstständig -fortbestehen können, wenn sie von ihrem Mutterboden -abgelöst werden, so ist doch diese selbstständige Existenzfähigkeit -zeitlich sehr begrenzt und schon in der zweiten Generation machen -zich deutlich die Symptome des Verfalls der Sittlichkeit bemerkbar, -E. v. Hartmann, Relig. philos. II 59. Materieel zijn natuurlijk -lang niet alle verplichtingen en handelingen, die de menschen -<span class="pagenum" id="Page_195">[195]</span> -voor zedelijk houden, in overeenstemming met den wil van God. -Maar het formeele, dat wat allen plicht tot onvoorwaardelijken -plicht maakt, wat den mensch in de conscientie bindt, dat is -van God. Er is geen moraal zonder metaphysica. Menschen, -gewoonten, zeden enz. kunnen niet absoluut verplichten in de -conscientie. Dat kan God alleen. Daarom is het geweten sacrosanct -en gewetensvrijheid een onverbiddelijke eisch en een onvervreemdbaar -recht. De geboden en verboden, die niet vastliggen in de -conscientie, worden niet als zedelijk gevoeld. Eene wet, die geen -fundament heeft in het volksgeweten, is machteloos. Krachtens -dit verband is er ook eene wederkeerige inwerking van godsdienst -en zedelijkheid op elkander. Tijdelijk kunnen ze zoowel in een -individu als in een volk uiteenvallen en zelfs met elkaar strijden. -Maar ze kunnen niet rusten, voordat ze in harmonie en evenwicht -zijn. Wat in de religie wordt goedgekeurd, kan in de -moraal niet worden veroordeeld, en omgekeerd. De verhouding -tot God en tot de menschen moet beide éénzelfde zedelijk karakter -dragen, in éénzelfde zedewet geregeld zijn. Religie en moraal, -cultus en cultuur moeten wortelen in éénzelfde beginsel. Dat is -in het Christendom het geval. De liefde is de vervulling der -wet, en de band der volmaaktheid. H. Schultz, Religion und -Sittlichkeit in ihrem Verhältniss zu einander, religionsgeschichtlich -untersucht (Stud. u. Kr. 1883 Heft 1 S. 60-130). J. Köstlin, -Rel. u. Sittl. (Stud. u. Kr. 1870). Pfleiderer, Moral u. Religion, -Haarlem 1872. Rothe, Theol. Ethik § 114 f. Martensen, Die -christl. Ethik 3<sup>e</sup> Aufl. 1878 I 19-33. Janet, La morale, Paris -1874 p. 596 s. Hoekstra, Godsdienst en zedelijkheid Theol. -Tijdschr. II bl. 117 v. Id. Wijsg. Godsdienstleer I 251 v. Lamers, -Godsd. en zedel. Amst. 1882. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der -Religionsgesch. I 166 f. C. Stage, Relig. u. Sittl. Vortrag. -Berlin, Bibliogr. Bureau 1894. Lamers, De Wetenschap v. d. -godsd. II 167 v. Hugenholtz, Studiën op godsdienst- en zedekundig -gebied, Amst. 1884 I passim. Hartmann, Religionsphilosophie -2<sup>e</sup> Aufl. II 55-64. Siebeck, Handbuch der Rel. Phil. -S. 243 f. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion, Basel 1881 -S. 124 f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 96 f.</p> - -<p class="sep2">13. Eindelijk zijn er ook nog, die aan de religie eene plaats -geven in het gevoel en daarvoor soms zelfs een afzonderlijk vermogen -<span class="pagenum" id="Page_196">[196]</span> -in den mensch aannemen. Mysticisme en pietisme hadden -in vroeger tijd daarvoor reeds den weg gebaand. Maar eerst door -de Romantiek der vorige eeuw is deze opvatting een tijd lang -tot heerschappij gekomen. De Romantiek was in het algemeen -eene reactie van het vrije, ongebondene gemoedsleven tegen het -objectieve, alles bindende en regelende klassicisme. Het subject -verhief zich boven de wetten, die op ieder terrein van het leven -aan zijn spontane uiting waren gesteld; de phantasie hernam hare -rechten tegenover het verstand; de organische beschouwing kwam -in de plaats van de mechanische; de idee van het worden verdrong -die van het maken. Op elk gebied ging het oog open voor -het vrije, het natuurlijke, het geniale; wording, groei, ontwikkeling -was de wijze, waarop de dingen ontstonden; niet het nuttige -maar het schoone, niet proza maar poëzie, niet arbeid maar spel, -niet Machwerk maar kunst had de hoogste waarde. De gemaniereerdheid -van vroeger sloeg om in eene oppervlakkige sentimentaliteit. -Zoodanig was de beweging, die in Engeland haar -tolk vond in Young, Southey, Wordsworth, S. T. Coleridge. In -Frankrijk werd ze ingeleid door Rousseau, die in zijne profession -de foi du vicaire Savoyard (Emile, livre 4) heel zijne deistische -dogmatiek en moraal opbouwt uit het gevoel: le sentiment est -plus que la raison, notre sensibilité est antérieure à notre intelligence. -In Duitschland opende Winckelmann de oogen voor de -schoonheid der grieksche kunst; Lessing stelde tegen de poëzie -van het Fransche klassicisme het genie van Shakespeare over; -Herder wees in de historie de openbaring en werking aan der -eeuwige, goddelijke natuur; Hamann, Claudius, Lavater, Stilling -gingen uit van de rijke subjectiviteit en stelden deze tegenover -de platte, mechanische opvatting van de Aufklärung; Kant en -Fichte plaatsten het ik van den mensch op den voorgrond. -Overal was er eene breuke met de objectiviteit; het subject -werd absoluut principe. Onder dezen invloed beriep Jacobi zich -op het gevoel, als het unmittelbare Vernehmen des Göttlichen. -Religie is gevoel voor ’t ware, schoone en goede; bewondering, -liefde, achting voor het goddelijke; en zulk een gevoel is ons -aangeboren als Grundtrieb der menschlichen Natur, Werke II 59 -f. 194 f. enz. Het aesthetisch rationalisme van Jacobi werd door -Fries en de Wette zoo uitgewerkt, dat ze eene strenge scheiding -maakten tusschen de empirisch-mathematische wereldbeschouwing -<span class="pagenum" id="Page_197">[197]</span> -des verstands en de ideale, aesthetisch-religieuse wereldbeschouwing -des gevoels. Schleiermacher’s opvatting van de religie is uit -diezelfde romantische richting te verklaren. In de tweede rede uit -zijne Reden über die Religion 1799 omschrijft hij de religie als -het onmiddellijk bewustzijn van het zijn van al het eindige in en -door het oneindige. Zij is geen weten en geen doen, geen metaphysica -en geen moraal, maar gevoel van het oneindige. Object -van dat gevoel is geen persoonlijk God, met wien de mensch in -gemeenschap leeft, maar het universum, de wereld als geheel, -als eenheid gedacht. En orgaan voor het gewaarworden van dat -oneindige is niet verstand, rede of wil, maar het gevoel, de richting -van het gemoed op en de zin voor het oneindige. Nader -wordt dit gevoel niet omschreven. En nog vager is het antwoord -op de vraag, wanneer dat gevoel bepaald religieus gevoel -wordt. Schleiermacher antwoordt daarop in de 3<sup>e</sup> rede slechts in -overdrachtelijke taal: men moet zijn gevoel zoo wijd mogelijk -voor de wereld als geheel ontsluiten, alles in het eene en het -eene in alles beschouwen, al het bijzondere opvatten als eene -openbaring van het oneindige enz. Dit alles zegt niet veel; het -schijnt, dat ten slotte ieder gevoel religieus is, hetwelk door het -wereldgeheel wordt opgewekt en ons de hoogste eenheid openbaart. -In elk geval is het religieus gevoel niet duidelijk tegenover -het aesthetische begrensd. In de Glaubenslehre treffen we in den -grond der zaak dezelfde opvatting aan. Ook hier is de vroomheid -gevoel § 3, en wel volstrekt afhankelijkheidsgevoel § 4. Maar -er is toch een dubbel verschil. In de Reden was God het geheel, -in de Glaub. is Hij de absolute causaliteit der wereld; dienovereenkomstig -was het gevoel daar zin voor het oneindige, en -hier onmiddellijk zelfbewustzijn en volstrekte afhankelijkheid. -God krijgt hier meer een eigen, van de wereld onderscheiden -bestaan, en de religie daarom ook een eigen, van het gevoel voor -de wereld, onderscheiden inhoud. Er is dus eenige toenadering -tot het theisme te bespeuren. Maar de grondgedachte is toch in -zoover dezelfde, als God niet transcendent gedacht wordt boven -maar alleen immanent in de wereld, en het orgaan voor het -goddelijke niet is de rede, het geweten enz. maar het gevoel. -Deze opvatting der religie is niet alleen door sommige Vermittelungstheologen, -zij het ook met wijziging overgenomen, maar -wordt in beginsel gevonden bij allen, die naast de mechanische -<span class="pagenum" id="Page_198">[198]</span> -nog eene aesthetische wereldbeschouwing trachten op te bouwen -en daarin de religie opnemen of zelfs geheel laten opgaan. -Lange Gesch. des Mater. S. 830 zegt, dat de kern der religie -bestaat, niet in eene leer over God enz., maar in de verheffing -des gemoeds boven de werkelijkheid en in de Erschaffung einer -Heimath der Geister. Boven de wereld der feiten, die Welt des -Seienden, bouwt de mensch door zijne phantasie eene Welt der -Werthe, eene Welt der Dichtung. Pierson, Eene levensbeschouwing, -huldigt eene dergelijke ideaalvorming; het gevoel des menschen, -van buiten opgewekt, schept uit de voorstellingen, die het -verstand uit de zinlijk waarneembare wereld verkrijgt, religieuse, -ethische, aesthetische idealen, die wel geen onafhankelijk van -ons bestaande realiteiten maar toch van groote waarde zijn -voor ons leven, bl. 113-179. Opzoomer nam zelfs een afzonderlijk -religieus gevoel aan en zag daarin de bron der religieuse -voorstellingen, De weg der wetenschap, een handboek der logika -1851 § 15. De Godsdienst bl. 126-140. Het wezen der kennis, -leerboek der logica § 14. Rauwenhoff acht het wezen der religie -wel gelegen in het geloof aan eene zedelijke wereldorde maar -schrijft toch den vorm der religie, vereering van een persoonlijk -God, toe aan de phantasie. Cf. ook Guyau, L’irreligion de l’avenir, -Paris, Alcan, 1887. Dr. R. Koch, Natur und Menschengeist, -Berlin 1891 enz.</p> - -<p class="sep2">14. Ook bij deze opvatting is het zonder tegenspraak, dat het -gevoel in de religie eene belangrijke plaats inneemt. Religieuse -voorstellingen op zich zelve en zonder meer zijn nog geen religie; -eerst dan ontstaat deze, wanneer de mensch tot het object dier -voorstellingen in eene werkelijke, persoonlijke relatie treedt. En -zulk eene persoonlijke verhouding tot God kan niet anders dan -inwerken op het gevoel; zij laat den mensch niet koud en onverschillig, -maar roert hem tot in het diepste van zijn gemoed; zij -wekt in hem een sterk gevoel van lust en onlust en kweekt eene -gansche reeks van aandoeningen, schuldbewustzijn, smart, berouw, -leedwezen, droefheid, vreugde, blijdschap, vertrouwen, vrede, rust -enz. De religie maakt de diepste en teederste aandoeningen wakker -in het menschelijk hart. Geen macht is er, die dieper, algemeener, -sterker aangrijpt en roert. Alle deze door de religieuse -voorstellingen opgewekte aandoeningen, geven aan de religie warmte, -<span class="pagenum" id="Page_199">[199]</span> -innigheid, leven, kracht, in tegenstelling met de doodigheid van -het intellectualisme en de koudheid van het moralisme. Het hart -is het centrum der religie.</p> - -<p>Maar daarom is het gevoel nog niet de eenige religieuse functie, -niet de eenige zetel en bron der religie. Het gevoel, hier genomen -niet als een afzonderlijk vermogen, wat het niet is, maar -als het geheel der hartstochten en aandoeningen, is uitteraard -passief; het reageert alleen op datgene, wat door het bewustzijn -er mede in aanraking wordt gebracht, en wordt dan tot een gevoel -van lust of onlust. Het heeft niets in zichzelf en brengt niets -uit zichzelf voort, maar beoordeelt de dingen, de voorstellingen, -die van buiten komen, alleen daarnaar of ze aangenaam of onaangenaam -zijn. Op zichzelf is het gevoel, is elke aandoening noch -goed noch kwaad, noch waar noch onwaar. Dit zijn kategorieën -niet eigenlijk van de aandoeningen, maar van de voorstellingen. -Van de aandoeningen kunnen ze alleen gebruikt worden, inzoover -deze door ware of onware voorstellingen worden opgewekt, en -door goede of kwade wilsrichtingen worden begeleid. In de religie -is daarom ook niet het gevoel, maar het geloof, de religieuse -voorstelling, het eerste; maar dat geloof werkt dan ook in op -het gevoel. Wanneer echter, gelijk bij Schleiermacher, het gevoel -van het geloof, van de religieuse voorstelling wordt losgemaakt -en tot eigen en eenige bron en zetel van de religie wordt gemaakt, -dan verliest het gevoel zijne qualiteit, wordt het geheel -onafhankelijk van de kategorie van waar en onwaar, van goed -en kwaad, en is eigenlijk elk gevoel als zoodanig reeds religieus, -waar, goed en schoon. En dat was de schromelijke fout van -heel de romantiek.</p> - -<p>Natuurlijk ligt dan ook de dwaling voor de hand, om het -religieus gevoel te verwarren en te vereenzelvigen met het zinnelijk -en met het aesthetisch gevoel. Uit de historie is aan ieder de -verwantschap en de overgang bekend van religieuse en zinnelijke -liefde. Maar even gevaarlijk is de vermenging van religieus en -aesthetisch gevoel, van godsdienst en kunst. Beide zijn wezenlijk -onderscheiden. Religie is leven, werkelijkheid; de kunst is ideaal, -schijn. De kunst kan de klove niet dempen tusschen ideaal en -werkelijkheid. Zij heft ons wel een oogenblik boven de werkelijkheid, -en doet ons leven in het rijk der idealen. Maar dit -heeft alleen plaats in de phantasie. De werkelijkheid blijft er -<span class="pagenum" id="Page_200">[200]</span> -dezelfde om. De kunst toont ons wel in de verte het rijk der -heerlijkheid, maar zij brengt er ons niet in en maakt er ons -geen burgers van. Zij verzoent niet onze schuld, zij droogt niet -onze tranen, zij troost ons niet in leven en sterven. Zij maakt -het Dort niemals Hier. Dat doet de religie alleen. Zij is en -geeft realiteit. Zij schenkt leven en vrede. Zij poneert het ideaal -als waarachtige werkelijkheid en maakt er ons deelgenoot van. -Daarom kan het aesthetisch gevoel nooit het religieus gevoel, -de kunst nooit de religie vervangen. Wel staan beide in verband. -Religie en kunst zijn van den aanvang af nauw verbonden geweest; -het verval der eene bracht dat der andere mede; de laatste drijfkracht -der kunst lag in de religie. Cf. G. Portig, Religion und -Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss, Iserlohn 1879-’80. -I 5. 85. 90. 225 enz. Paulsen, System der Ethik, Berlin, Hertz -1889 S. 434 f. In de religie, bepaald ook in den cultus, heeft -de phantasie haar recht en haar waarde. Beim religiösen Process -ist allerdings auch die Phantasie betheiligt, aber nicht als Erzeugingsprincip, -sondern nur als Belebungsprincip. Die Einbildungskraft -kan immer nur bereits gegebene Stoffe und Triebe gestalten, -aber nie kan sie die Religion selbst erst schaffen, Nitzsch, Lehrb. -der ev. Dogm. 91. Maar de Schaubühne is allerminst voor moralische -Anstalt (Schiller) geschikt. Het theater kan de kerk en -Lessings Nathan den Bijbel niet vervangen (Strauss). Idealen en -scheppingen der phantasie zijn geen vergoeding voor de realiteit, -die de religie biedt. Het religieus gevoel, hoe innig en diep het -overigens ook zijn moge, is dan alleen zuiver, wanneer het door -ware voorstellingen opgewekt wordt, Hartmann, Religionsphilosophie -II 27-55. S. Hoekstra, Godsdienst en Kunst 1859. -Lamers, Wetenschap v. d. godsd. II 164 v. Nitzsch, Lehrb. -der ev. Dogm. S. 97 f.</p> - -<p class="sep2">15. Resultaat is derhalve, dat de religie niet tot één van -’s menschen vermogens beperkt is, maar den ganschen mensch -omvat. De verhouding tot God is een totale en centrale. Wij -moeten God liefhebben met geheel ons verstand en met geheel -onze ziel en met al onze krachten, enz. Juist wijl God God is, -eischt hij ons geheel op, naar ziel en lichaam, met alle vermogens -en in al onze relatiën. Wel is er orde ook in deze verhouding -van den mensch tot God. Ook hier bestaat en werkt -<span class="pagenum" id="Page_201">[201]</span> -iedere faculteit in den mensch naar haar eigen aard. De kennis -is het eerste; geen rechte dienst van God zonder rechte kennis. -Ignoti nulla cupido. Onbekend is onbemind. Die tot God gaat, -moet gelooven, dat Hij is en een belooner dergenen die Hem -zoeken, Hebr. 11:6. Het geloof is uit het gehoor, Rom. 10:13, -14. De Heidenen kwamen tot afgoderij en ongerechtigheid, omdat -ze God niet in erkentenis hielden, Rom. 1:18 v. Maar die kennisse -Gods dringt door in ’t hart en wekt daar allerlei aandoeningen -van vreeze en hope, droefheid en vreugde, schuldgevoel -en vergeving, ellende en verlossing, gelijk ze heel de Schrift -door, bovenal in de psalmen, ons worden geteekend. En door het -hart heen werkt ze weder op den wil; het geloof openbaart zich -in de liefde, in de werken, Jak. 1:27. 1 Joh. 1:5-7. Rom. -2:10, 13. Gal. 5:6. 1 Cor. 13, enz. Hoofd, hart en hand -worden gelijkelijk, schoon ieder op zijne wijze, door de religie -in beslag genomen; zij neemt den ganschen mensch, ziel en -lichaam, in haar dienst. Daarom komt de religie ook met alle -andere machten der cultuur in aanraking, inzonderheid met wetenschap, -zedelijkheid en kunst. Proudhon zei eenmaal: il est étonnant, -qu’au fond de toutes les choses nous retrouvons la théologie. -Maar Donoso Cortes heeft daarop terecht geantwoord: dans ce -fait il n’y a rien d’étonnant que l’étonnement de Mr. Proudhon. -De religie als Verhouding tot God wijst de plaats aan, waarin -de mensch tegenover alle andere schepselen staat. Zij bevat -dogma, wet en cultus en staat daarom met wetenschap, zedelijkheid -en kunst in nauw verband. Ze omvat den ganschen mensch, -in zijn denken, gevoelen en handelen, in zijn gansche leven, -overal en ten allen tijde. Er valt niets buiten de religie. Zij -breidt haar macht uit over heel den mensch en de menschheid, -over gezin en maatschappij en staat. Zij is de grondslag van het -ware, het goede en schoone. Zij brengt eenheid, samenhang, -leven in wereld en geschiedenis. Uit haar namen wetenschap, -zede en kunst haar oorsprong; tot haar keeren ze weer en vinden -ze rust. Zij is het begin en het einde, de ziel van alles, het -hoogste en diepste. Wat God voor de wereld is, dat is de religie -voor den mensch, Staudenmaier, Encyklopädie der theol. Wiss. -1834 S. 114 f. 146.</p> - -<p>En toch is ze van alle machten der cultuur onderscheiden en -bewaart ze tegenover die alle hare zelfstandigheid. De religie is -<span class="pagenum" id="Page_202">[202]</span> -centraal, wetenschap, zede en kruist zijn partieel. De religie -omvat den ganschen mensch, maar wetenschap, zede, kunst -wortelen in de verschillende vermogens van verstand, wil en -gemoed. De religie bedoelt niets minder dan eeuwige zaligheid -in de gemeenschap met God; wetenschap, zede en kunst zijn tot -de schepselen beperkt en willen dit leven verrijken door het ware -en goede en schoone. Zoo is dan de religie met niets gelijk te -stellen; zij neemt in ’t leven en de geschiedenis der menschheid -eene eigene en zelfstandige, eene eenige en allesbeheerschende -plaats in. Haar onmisbaarheid kan zelfs daaruit worden bewezen, -dat de mensch op hetzelfde oogenblik dat hij de religie als een -waan verwerpt, toch een of ander creatuur weer maakt tot zijn -God, en op andere wijze vergoeding zoekt voor zijne religieuse -behoefte, in den dienst der menschheid (Comte), in zedelijk -idealisme (Salter), in ideaalvorming (Lange, Pierson), in spiritisme, -theosophie (Mad. Blavatzky, Mrs. Besant), of in andere -religies zooals het Buddhisme, Mohammedanisme enz. Cf. H. -Druskowitz, Moderne Versuche eines Religionsersatzes. Heidelberg -1886. Id. Zur neuen Lehre. 1888.</p> - -<h4>C. Oorsprong der religie.</h4> - -<p>16. Van den oorsprong der religie is er nog evenmin als van -dien der taal eene bevredigende verklaring. De afleiding der -religie uit vrees, uit priesterbedrog, uit onkunde, is nog wel -altijd in sommige atheistische kringen gangbaar, maar vindt toch -geene wetenschappelijke verdediging. Darwin, de Afstamming des -menschen, vert. door Dr. Hartogh Heys van Zouteveen 3<sup>e</sup> dr. -1884 I p. 127 v. zoekt de religie in kiem, embryonisch, reeds -bij de dieren, in de liefde bijv. welke een hond gevoelt voor zijn -meester, en die gepaard gaat met een gevoel van ondergeschiktheid -en vrees. Maar deze analogie gaat om verschillende redenen -niet op. Vooreerst weten wij van het inwendig, psychisch leven -der dieren weinig af; verder is godsdienst altijd verbonden met -vereering, cultus, en eene godsdienstige handeling, zooals gebed, -offer enz. komt bij de dieren niet voor; en voorts zijn er in de -dieren ongetwijfeld zekere eigenschappen van trouw, aanhankelijkheid -enz., maar deze maken toch nog evenmin de religie uit, als -diezelfde eigenschappen onder menschen tegenover elkander reeds -<span class="pagenum" id="Page_203">[203]</span> -religie zijn; het eigenlijk object der religie, eene bovenzinlijke -macht, is aan de dieren geheel onbekend. Het blijft daarom -vooralsnog bij het woord van Lactantius, Instit. div. 7, 9 religio -est paene sola, quae hominem discernit a brutis, cf. Hegel, Vorlesungen -über die Religion I 207. Abr. d. A. v. d. Hoeven, De -godsdienst het wezen van den mensch. 1848. bl. 29 v. Hartmann, -Religionsphil. I S. 3-11. Saussaye, Lehrb. d. Relig. gesch. -I 10 f. Lamers, Wet. v. d. godsd. II 150 v. Hoekstra, Wijsg. -godsdienstleer I 1 v. De verklaring der religie uit het animisme, -E. B. Tylor, Primitive Culture 1872, uit het feticisme, Fr. -Schultze, Der Fetischismus, ein Beitrag zur Anthropologie und -Religionsgeschichte 1871, en uit de vereering der voorouders, H. -Spencer, Ecclesiastical Institutions, being part VI of the principles -of sociology, Londen 1886, § 583 etc. gaat uit van de geheel -willekeurige onderstelling, dat de laagste vormen van religie de -primitieve zijn, en houdt begeleidende verschijnselen van de religie -voor haar wezen. Ook de poging van Max Müller, bv. in zijn -De oorsprong en de ontwikkeling van den godsdienst nagegaan -in den godsdienst van Indië, Utrecht 1879, om den godsdienst af -te leiden uit het gevoel van het oneindige, heeft terecht weinig -ingang gevonden; de waarneming van het eindelooze in de natuur -leidt immers op zichzelf en zonder meer nog volstrekt niet tot -het begrip van het oneindige en nog veel minder tot de vereering -van den Oneindige, van God. Even onaannemelijk is de hypothese, -welke den oorsprong der religie zoekt in den causaliteitsdrang, in -de behoefte des menschen aan eene verklaring van wereld en -leven, cf. Peschel, Völkerkunde 1881 S. 244 f. Voigt, Fundamentaldogm. -1874 S. 94 f., want religie is in weerwil van alle -verwantschap essentieel van metaphysica en philosophie verschillend -en beantwoordt aan geheel andere behoeften van den mensch. -En eindelijk zijn er ook weinigen meer, die met Cicero de nat. -deor. 1,15. 2,5. Sextus Emp. 9,18 en de optimistische rationalisten -der vorige eeuw de religie laten ontstaan uit de kinderlijke -poezie, het dankbaar gevoel, de naieve vreugde, welke bij -den onschuldigen natuurmensch werden opgewekt door de heerlijke -en zegenrijke natuur, en die hem opleidden tot de erkenning -en vereering van een bovennatuurlijk wezen, hetwelk dat alles -schonk, cf. nog Pfleiderer, Relig. phil. II 24 f.; de wetenschap -ziet tegenwoordig in die schildering van de onschuld der natuurmenschen -<span class="pagenum" id="Page_204">[204]</span> -en van de schoonheid en weldadigheid der natuur niets -anders dan eene poetische idylle. De werkelijkheid toont ons -overal een moeielijken struggle for life.</p> - -<p>Daarom heerscht er thans dan ook eene gansch andere voorstelling -over den oorsprong der religie. De natuur staat menigmaal -vijandig tegen den mensch over. Zij heeft het met haar -stormen en onweders, met haar verzengende hitte en snerpende -koude, met haar woedende krachten en onbeteugelde elementen op -het bestaan en het leven van den mensch toegelegd. Hij ziet zich -voortdurend verplicht, om tegenover haar zijn leven te beschermen, -zijn bestaan te handhaven. Maar hij is zwak en machteloos. -En zoo roept hij dan in het bange conflict tusschen zichzelf en -de natuur, tusschen zelf- en noodgevoel, eene onzienlijke macht -te hulp, die boven de natuur staat en hem helpen kan in den -strijd. De mensch wil gelukkig zijn, maar hij is het niet en kan -het ook door eigen kracht niet worden; daarom tracht hij in den -godsdienst al die persoonlijke machten gunstig voor zich te stemmen, -welke naar zijne voorstelling in de natuurverschijnselen -aanwezig zijn. Deze verklaring van den godsdienst heeft het -eigenaardige, dat zij de religie laat ontstaan niet uit theoretische -maar bepaald uit practische motieven; niet uit voorstellingen, -maar uit aandoeningen van vrees, angst, noodgevoel enz. Zij is -in zoover een terugkeer tot het primus in orbe deos fecit timor -van Petronius. Voorts wordt zij reeds aangetroffen bij Hume, cf. -Stud. u. Krit. 1890, 2<sup>tes</sup> Heft S. 245, en in het Système de la -nature, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. 1883 I 386, maar -is vooral in den nieuweren tijd in zeer wijden kring aangenomen -als de beste oplossing van de vraag naar den oorsprong der -religie. Toch komt zij niet bij allen in denzelfden vorm voor. -Sommigen zeggen, dat de godsdienst ontstond uit den Selbsterhaltungstrieb -in het algemeen; de mensch wil in den godsdienst -eenig goed deelachtig worden, welk goed dit ook zij, een zinnelijk, -physisch, egoistisch goed of ook een zedelijk, geestelijk goed; -hij wil in één woord een gelukkig leven, bevrijding van physisch -of ook van ethisch kwaad. Zoo W. Bender, Das Wesen der -Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung Bonn 1886. -Ed. Zeller, Ursprung u. Wesen der Religion (Vorträge und Abhandlungen, -II 1877 S. 1-83). J. Kaftan, Das Wesen der -christl. Religion, Basel, Bahnmaier 1881. S. 38 f. H. Siebeck, -<span class="pagenum" id="Page_205">[205]</span> -Lehrb. der Religionsphilos. 1893 S. 58 f. Anderen zoeken den -oorsprong der religie bepaald in de ethische Selbstbehauptung, in -het handhaven des menschen van zijne zedelijke vrijheid en waarde -tegenover de noodwendigheid en den dwang der physische wereld. -Kant postuleerde op deze wijze reeds op grond van ’s menschen -zedelijke natuur het bestaan van een God, die de wereld der -noodwendigheid dienstbaar maken kon aan die der vrijheid, de -natuurwet aan de zedewet, de physis aan den ethos. En op -dezelfde wijze redeneeren Ritschl, Die christl. Lehre von der -Rechtf. u. Versöhnung, 2<sup>e</sup> Aufl. III 1883 S. 186. W. Herrmann, -Die Religion im Verhältniss zum Welterkennen und zur Sittlichkeit, -Halle, Niemeyer 1879. S. 267 f. cf. ook Rauwenhoff, Wijsbeg. -v. d. godsd. 94 v. Eindelijk zijn er ook nog, die in de religie -niet alleen een ethisch maar ook een mystisch element erkennen, -en die haar daarom niet min of meer in eene vrije wilsdaad maar -in de natuur van den mensch gegrond achten; de mensch zoekt -volgens dezen in den godsdienst wel zeker ethische Selbstbehauptung, -maar toch ook nog iets anders en meer, n.l. gemeenschap -met, leven in God, en daardoor juist ook vrijheid tegenover de -wereld; de religie is allereerst eene verhouding tot God, en -daarna tot de wereld. Zoo Pfleiderer, Religionsphilosophie, 2<sup>e</sup> Aufl. -Berlin 1883. II 28 f. Id. Grundriss der christl. Glaubens- und -Sittenlehre. 3<sup>e</sup> Aufl. Berlin, Reimer 1886 § 10. Lipsius, Lehrb. -der ev. prot. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. 1879 § 18. Nitzsch, Lehrb. der -ev. Dogm. S. 99 f.</p> - -<p class="sep2">17. Toch kan deze verklaring van den godsdienst, hoe algemeen -ook aangenomen, niet bevredigen. Ten eerste blijft hier -de Godsidee onverklaard. Gewoonlijk zegt men, dat de onontwikkelde, -kinderlijke natuurmensch tusschen het persoonlijke en -onpersoonlijke geen onderscheid maakt, de krachten in de natuur -zich denkt naar analogie van zichzelf en alle dingen door zielen, -geesten bewoond acht. Grondslag en onderstelling voor de religie -is dan de zoogenaamde animistische wereldbeschouwing. Maar -vooreerst is het zeer onwaarschijnlijk, dat het voor de hand -liggend onderscheid tusschen persoonlijke wezens en onpersoonlijke -dingen aan de eerste menschen onbekend is geweest. Vervolgens -is het geloof aan zielen en geesten, die in de natuurverschijnselen -wonen en werken, op zichzelf nog geen religie; religieus object -<span class="pagenum" id="Page_206">[206]</span> -worden deze zielen of geesten eerst dan, wanneer het begrip -van het goddelijke erop overgebracht wordt. Er moet in den -mensch een zeker besef van de godheid worden aangenomen, om -de zielen en geesten, die hij aanwezig dacht in de krachten -der natuur, te kunnen maken tot voorwerp van zijne religieuse -vereering. Wel tracht de psychologische methode de orde om -te keeren; de natuurmensch heeft volgens haar zich eerst tot -eene of andere persoonlijk gedachte natuurkracht in eene religieuse -verhouding geplaatst, en later daaruit het begrip van -het goddelijke geabstraheerd, Hartmann, Religionsphil. I 15. -Maar in elk geval gaat het zoo niet toe bij de historische -menschen; allen ontvangen eerst door onderwijs en opvoeding -het begrip der Godheid en ontwikkelen op grond daarvan eene -religieuse verhouding. En er is geen enkel bewijs, dat het bij -de eerste menschen anders toegegaan is of ook anders toegaan -kon. Eene religieuse verhouding tot eene of andere macht onderstelt -altijd reeds de Godsidee; en deze blijft bij de bovengenoemde -methode onverklaard. Daarbij komt, dat ook het ontstaan -der religie in subjectieven zin bij deze psychologische analyse -onbegrijpelijk blijft. Laat het geloof aan persoonlijke wezens in -de natuur gegeven zijn; maar waarom is en vooral wanneer wordt -het zoeken van eenig zinnelijk of zedelijk goed bij die wezens -tot religie? Religie ontstaat er toch eerst dan, wanneer niet in -het algemeen hulp wordt gevraagd, gelijk menschen die ook bij -elkander en in de kunst en de wetenschap zoeken, maar wanneer -op eene gansch bijzondere wijze geloof, vertrouwen, besef van -afhankelijkheid ten opzichte van eene onzienlijke goddelijke macht -in het hart wordt gewekt. Religie onderstelt altijd eene zekere -onderscheiding tusschen God en wereld, tusschen de macht van -een wezen boven en de ondergeschikte krachten in de natuur. -Wel kan dan die goddelijke macht als inwonende in de natuurverschijnselen -worden gedacht, maar object van de religieuse -vereering is toch nooit de natuurkracht in zichzelve maar het -goddelijk wezen, dat in haar zich openbaart en werkt. Het grootste -bezwaar tegen de boven genoemde verklaring ligt echter hierin, -dat God bij haar niets anders wordt dan een helper in den nood, -een wezen, wiens bestaan is uitgedacht om den mensch een of -ander goed te verschaffen. De godsdienst wordt een middel, om -de zinnelijke of zedelijke, maar altijd toch egoïstische behoeften -<span class="pagenum" id="Page_207">[207]</span> -van den mensch te bevredigen. Egoïsme is de bron en de oorsprong -der religie geweest, Hartmann, Religionsphil. I 27. De -eerste vorm, waarin deze verklaring van den oorsprong van den -godsdienst boven werd weergegeven, spreekt dit duidelijk en -onverholen uit. Bij den tweeden vorm wordt de godsdienst niet -uit zinnelijke maar zedelijke behoeften afgeleid; de Godheid is -geen product van eudaemonistische wenschen maar postulaat der -practische rede. Echter geeft dit in het wezen der zaak weinig -verschil. Het subjectieve en egoïstische uitgangspunt wordt niet -overwonnen; God blijft een dienaar van den mensch. De derde -vorm tracht dit egoïsme te vermijden, door in de religie een -mystiek element te erkennen en alzoo God te maken tot het -rechtstreeksche object van de religieuse vereering; maar ook hier -is deze mystiek er later bijgekomen, zij is niet het beginsel en -de oorsprong der religie geweest. Bij de bovengenoemde verklaring, -in welken vorm zij ook wordt voorgedragen, staat de -mensch altijd eerst in verhouding tot de wereld; en uit het -conflict met die wereld wordt de religie en de Godsidee geboren. -God komt dus op de derde plaats te staan; Hij wordt een Wunschwesen, -een product van ’s menschen egoïsme, een hulpmiddel -in den strijd tegen de natuur. De verwantschap van al deze verklaringen -met die van Feuerbach springt duidelijk in het oog. -Maar waarom, zoo kan er gevraagd worden, stelt de mensch -met de in de natuur aanwezige krachten zich niet tevreden? -Waarom zoekt hij niet in wetenschap, kunst, nijverheid enz., -in al de factoren der cultuur, de hulp, die hij in den strijd -tegen de natuur behoeft? Hoe is het te verklaren, dat de mensch -aan de goden, scheppingen van zijn wenschen, gelooven blijft, -ook waar zij zoo menigmaal hem teleurstellen en overlaten aan -eigen lot? Vanwaar dat hij alles, ook het dierbaarste dat hij -heeft, aan zijne goden ten offer brengt en niets te kostbaar acht -voor hunne vereering? Hoe komt het eindelijk, dat hij de goden -dienen blijft, ook als door andere middelen en wegen zijne heerschappij -over de natuur zich gaandeweg uitbreidt? Indien de -bovengenoemde verklaring van den oorsprong der religie de juiste -is, dan boet zij tegenover kunst en wetenschap hare zelfstandigheid -in en is haar einde bereikt, zoodra de mensch op andere -wijze zich redden kan.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_208">[208]</span> -18. Maar, afgedacht van deze speciale bezwaren, er is tegen -de methode zelve, waarnaar de oorsprong der religie onderzocht -wordt, ernstige bedenking. Wat wil het zeggen, dat het ontstaan -der religie wetenschappelijk moet worden verklaard? Het kan -niet beduiden, dat de godsdienst van den eersten mensch of van -de eerste menschen historisch wordt nagevorscht. Want de historie -der godsdiensten laat ons hier volkomen in den steek; de historische -methode is onbruikbaar. De godsdienstvormen der laagste, -wilde volken voor de oorspronkelijke te houden; daartoe ontbreekt, -gelijk ook meer en meer wordt ingezien, alle recht. De -methode kan dus geen andere dan de psychologische zijn, en -deze kan uitteraard het nooit verder brengen dan tot eene hypothese, -die aannemelijk schijnt en bij gebrek aan beter een tijd -lang in eene algemeene instemming zich verheugen mag. Maar -welke is de vraag, die deze psychologische methode bij het zoeken -naar den oorsprong der religie zich stelt? Toch geen andere dan -deze: uit welke oorzaken en krachten in den mensch of in de -menschheid is de religie voortgekomen? Er moet dus naar dat -punt worden gezocht, wo noch nicht religiöse Lebenskräfte des -Menschen zu dem Lebenskeim der Religion sich verbinden? Holsten, -bij Rauwenhoff 50. Hypothetisch moet dus een mensch worden -aangenomen, zoo onontwikkeld en barbaarsch, dat er van religie -bij hem nog geen sprake is. Een oorspronkelijk, ingeschapen semen -religionis mag op dit standpunt niet worden erkend. Want dan -is dit oorspronkelijk gevoel, of hoe men het anders noemen wil, -een wetenschappelijk onverklaard iets, eene soort mystieke openbaring, -eene onderstelling reeds van datgene wat men zoekt te -verklaren, Dr. Bruining, Gids Juni 1884. De psychologische -methode eischt dus, dat de religie verklaard wordt uit factoren -in den mensch, die op zich zelve niet religieus zijn, maar die -door zekere verbinding, onder inwerking der natuur van buiten, -de religie doen ontstaan. Maar zulk een godsdienstlooze mensch -is een puur Gedankending, eene even ijle en ledige abstractie -als de natuurmensch van Rousseau en van de aanhangers van -het <ins id="cor_25" title="contract">contrat</ins> social; in de werkelijkheid heeft hij nimmer bestaan. -De godsdienst zelve wordt zoo geheel een product van het toeval, -evenals de moraal bij Darwin. Een „bloot toeval”, zegt Prof. -Rauwenhoff 97, cf. 193, 250, 263 kon er den mensch toe brengen, -om een of ander ding uit de natuur tot een god voor zich te -<span class="pagenum" id="Page_209">[209]</span> -maken. Eene andere verbinding van de factoren, en er ware -nimmer religie geweest. Daarmee verliest de religie haar zelfstandige -plaats, haar algemeenheid en noodzakelijkheid; zelfs -haar waarde en haar recht zijn dan niet meer te handhaven. -Want het is niet waar, wat Zeller, Vorträge und Abhandl. II -57 f. beweert, dat de waarde der religie onafhankelijk is van -de wijze van haar ontstaan; indien de oorsprong der religie toevallig -is, verliest zij den vasten grondslag, waarop zij rusten -moet. En ook haar recht van bestaan wordt dan op ernstige -wijze bedreigd. Want indien de religie zoo wordt verklaard, dat -het bestaan Gods daarbij in het geheel niet behoeft te worden -aangenomen, dan is zij, ook al ware haar ontstaan psychologisch -eene noodzakelijkheid, metaphysisch toch niets anders dan eene -absurditeit. De psychologische methode tracht inderdaad de religie -te begrijpen zonder het bestaan Gods. De mensch is louter natuurwezen, -natuurproduct. Hij is het, die door allerlei omstandigheden -geleid wordt tot de religie en de Godsidee voortbrengt. -God schept den mensch niet, de mensch schept God. De religie -subjectiva is de bron der religio objectiva. De mensch bepaalt, -of hij en hoe hij God dienen wil. De psychologische methode is -hierdoor geoordeeld; zij is in beginsel met het wezen der religie -in strijd en vernietigt daarom het verschijnsel, dat zij te verklaren -heeft, Kant, Lotze, Albrecht Ritschl, eine kritische -Studie von L. Stählin, Leipzig 1888 S. 245 f. Vergelijk verder -over den oorsprong van den godsdienst Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. -1885 bl. 257 v. Id. Wijsb. v. d. godsd. bl. 37-109. Saussaye, -Lehrb. der Rel. Gesch. I 21 f. en de daar aangeh. litteratuur. -Siebeck, Lehrb. der Rel. Philos. 43 f. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer -I 136 v.</p> - -<h4>D. Resultaat.</h4> - -<p>19. Het voorafgaand onderzoek dwingt ons tot het kiezen -van een ander uitgangspunt en tot het volgen van eene andere -methode. Het wezen en de oorsprong der religie zijn bij de historische -en psychologische methode niet te verklaren; haar recht en -waarde kan daarbij niet worden gehandhaafd. Het gaat niet aan, -om de religie te begrijpen zonder God. God is de groote onderstelling -van den godsdienst. Zijn bestaan en openbaring is de -<span class="pagenum" id="Page_210">[210]</span> -grondslag, waarop alle religie rust. Nu heet het wel onwetenschappelijk, -om bij de verklaring van eenig verschijnsel tot God -terug te gaan; en inderdaad mag Hij ook niet dienstdoen als asylum -ignorantiae. Maar het is toch eene arme wetenschap, die met -God geen rekening houden mag en alle dingen zoekt te verklaren -buiten en zonder Hem. Bij de wetenschappelijke verklaring -van den godsdienst geldt dit in dubbelen zin. Want God is hier -het eigenlijke en direkte object. Zonder Hem is alle religie eene -ongerijmdheid. De keuze staat hier slechts tusschen deze twee, -dat of de religie eene dwaasheid is, wijl God niet bestaat of -volstrekt onkenbaar is, of dat zij waarheid is maar dan het -bestaan en de openbaring onverbiddelijk en in streng logischen -en wetenschappelijken zin eischt en onderstelt. Wie het eerste -niet aanvaarden kan, wordt gedwongen het tweede aan te nemen -en God te erkennen als het principium essendi van alle religie. -Er is godsdienst, alleen omdat God is en van schepselen gediend -wil worden. Dan alleen, als het bestaan Gods vaststaat, is wezen -en oorsprong, recht en waarde der religie te begrijpen.</p> - -<p>Maar de religie eischt nog meer. Zij onderstelt niet alleen, -dat God bestaat, maar ook dat Hij zich op de eene of andere -wijze openbaart en kennen doet. Alle godsdiensten hebben dit -begrip van openbaring. Het wordt niet van buiten af aan de -religie opgedrongen, maar vloeit uit haar oorsprong en wezen -vanzelve voort. Er is geen religie zonder openbaring; openbaring -is het noodwendig correlaat der religie. Het wezen der religie -bestaat niet alleen subjectief in eene religieuse gezindheid, die -zich naar welgevallen uit, maar ook in eene religio objectiva, -in een dogma, moraal en cultus, die daarom alleen gezag hebben -voor den geloovige, wijl zij naar zijne overtuiging den wil en -den dienst Gods bevatten. De oorsprong der religie is historisch -niet aan te wijzen en psychologisch niet te verklaren, maar wijst -noodzakelijk naar de openbaring als haar objectieven grondslag -heen. Het onderscheid tusschen religie aan de eene en wetenschap -en kunst aan de andere zijde doet ons datzelfde begrip van openbaring -aan de hand. De natuur, de wereld rondom ons heen is -de bron onzer kennis en artis magistra. Maar in de religie komt -diezelfde wereld nog onder een ander gezichtspunt in aanmerking, -n.l. als openbaring Gods, als bekendmaking zijner eeuwige kracht -en goddelijkheid. Het is den mensch in de religie om iets gansch -<span class="pagenum" id="Page_211">[211]</span> -anders te doen dan in wetenschap en kunst. In de religie zoekt -hij niet eene vermeerdering van zijne kennis noch eene bevrediging -van zijne phantasie, maar een eeuwig leven in de gemeenschap -met God, eene reëele verandering van zijn, eene bevrijding van -zonde en ellende. Het is hem in de religie om God zelven te -doen, omdat hij beseft, dat hij in God alleen rust en vrede -vinden kan. Daarom eischt de religie een andere bron dan wetenschap -en kunst; zij onderstelt eene openbaring, die God zelven -tot hem komen doet en in gemeenschap met Hem brengt. De -religie is in haar wezen en oorsprong een product van openbaring. -Langzamerhand begint dit ook erkend te worden. De wijsbegeerte -van den godsdienst, die het begrip der openbaring een tijd lang -geen ernstige bespreking waardig keurde en het alleen aan eene -negatieve kritiek onderwierp, wordt gedwongen er mede te rekenen. -De opvatting van die openbaring is nog zeer verschillend en soms -zeer onjuist; maar het feit spreekt toch sterk, dat velen dit -begrip weder opnemen en er een positieven zin aan trachten toe -te kennen, cf. Pfleiderer, Grundriss § 13 f. Rauwenhoff, Wijsb. -46. Hartmann, II 69 f. Biedermann, Dogm. I 264. Lipsius, -Dogm. § 53. Nitzsch, Dogm. 127. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I -136 v. enz. De H. Schrift gaat van het bestaan en van de openbaring -Gods uit. God laat zich niet onbetuigd, en daarom is er -van ’s menschen zijde een zoeken, of hij Hem vinden en tasten -mocht. Openbaring was er volgens de Schrift zoowel voor als -na den val. Openbaring is het principium cognoscendi externum -van de religie.</p> - -<p>Als wezen en oorsprong van de religie alzoo uit openbaring -worden verklaard, mag dit niet in den sociniaanschen zin worden -verstaan, alsof de religie niet in ’s menschen natuur ware gegrond -maar uit eene uitwendige meedeeling van leer ware ontstaan, -Fock, Der Socin. 291 f. In dat geval zou Schelling, Philos. -der Mythol. I 141 terecht de opmerking hebben gemaakt: wäre -der ursprüngliche Mensch nicht an sich schon Bewusstseyn von -Gott, müsste ihm ein Bewusstseyn von Gott erst durch einen -besonderen Actus zu Theil werden, so müssten die, welche diess -annehmen, selbst einen ursprünglichen Atheïsmus des menschlichen -Bewusstseyns behaupten. De religie ware dan een donum -superadditum, niet wezenlijk eigen aan de menschelijke natuur. -Maar de mensch is mensch wijl hij het beeld Gods is; hij is -<span class="pagenum" id="Page_212">[212]</span> -terstond als mensch een religieus wezen. De godsdienst is niet -het wezen van den mensch, gelijk des Amorie van der Hoeven Jr. -zich minder juist uitdrukte, want de religie is geen substantia -maar een habitus of virtus; maar zij is toch eene wezenlijke -eigenschap van de menschelijke natuur, zoo vanzelve met haar -gegeven en zoo onafscheidelijk aan haar verbonden, dat zij door -de zonde wel is verwoest, maar niet uitgeroeid is kunnen worden. -Daarom is de religie ook algemeen en heeft ze ook zoo groote -macht in het leven en de geschiedenis. Of men wil of niet, -altijd stuit men ten slotte in den mensch op een zekeren godsdienstigen -aanleg. Men kan dien verschillend noemen, semen -religionis, sensus divinitatis (Calvijn), godsdienstig gevoel (Schleiermacher, -Opzoomer), geloof (Hartmann, Relig. Philos. II 67) -enz., maar altijd is het toch eene zekere vatbaarheid van de -menschelijke natuur, om het goddelijke gewaar te worden, waar -het wijsgeerig onderzoek naar de religie toe terugkeeren en in -eindigen moet. Daarachter kan het niet doordringen. Want één -van beide: de godsdienst is wezenlijk eigen aan de menschelijke -natuur en dus met deze van huis uit gegeven, of de mensch -was oorspronkelijk geen religieus wezen, dus ook geen mensch -maar een dier en heeft zich langzamerhand tot een godsdienstig -wezen ontwikkeld; en dan is de godsdienst toevallig en een voorbijgaand -moment in het proces der evolutie. De vraag, waartoe -het wijsgeerig onderzoek ten slotte afdaalt, is deze: is de mensch -van den aanvang af mensch, beeld Gods, Gode verwant, een -godsdienstig wezen geweest, of heeft hij langzamerhand daartoe -zich ontwikkeld? Is cultuur of ruwe, woeste natuur de eerste -toestand van het menschelijk geslacht geweest? Is de aanvang -der menschheid absoluut of relatief? Cf. Schelling, Vorles. über -die Meth. des akad. Studiums, Werke I 5 S. 286 f. Wie de -religie in haar wezen handhaven wil, en ze beschouwt en erkent -als eene wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, neemt -den aanvang van den mensch absoluut en laat hem van huis -uit Gode verwant en godsdienstig aangelegd zijn. Zulk een kan -ook geen bezwaar meer hebben tegen den status integritatis, -waarin de Schrift den eersten mensch laat optreden. Volgens de -Schrift is de mensch van het eerste oogenblik van zijn bestaan -af mensch geweest, naar Gods beeld geschapen, en dus van -datzelfde oogenblik af ook een religieus wezen. De religie is er -<span class="pagenum" id="Page_213">[213]</span> -niet later bijgekomen door afzonderlijke schepping of in den langen -weg der evolutie, maar ligt in het naar Gods beeld geschapen -zijn van den mensch vanzelf opgesloten. Wel is die oorspronkelijke -toestand door de zonde bedorven en verwoest, maar de -mensch blijft toch Gode verwant, hij is θεου γενος en blijft -Hem zoeken, of hij Hem tasten en vinden mocht. Aan de objectieve -openbaring Gods correspondeert dus in den mensch eene -zekere facultas, aptitudo zijner natuur, om het goddelijke op te -merken. God doet geen half werk. Hij schept het licht niet -alleen, maar ook het oog, om dat licht te aanschouwen. Aan -het uitwendige beantwoordt het inwendige. Het oor is aangelegd -op de wereld der tonen. De logos in de schepselen correspondeert -met den logos in den mensch en maakt wetenschap mogelijk. -Het schoone in de natuur vindt weerklank in zijn schoonheidsgevoel. -En zoo is er niet alleen eene uitwendige, objectieve, -maar ook eene inwendige subjectieve openbaring. Gene is het -principium cognoscendi externum van de religie, en deze het -principium cognoscendi internum. Beide principia staan ten nauwste -met elkaar in verband, zooals het licht met het oog, de gedachte -in de wereld met de rede in den mensch. De vraag, welk van -beide het eerst is geweest, de uitwendige of de inwendige openbaring, -is geheel overbodig. In hetzelfde moment, dat God zich -openbaarde aan den mensch doordat Hij hem schiep naar zijn -beeld, kende deze God en diende Hem en omgekeerd. En de -ware, echte religie kan alleen bestaan in eene volkomene harmonie -van de inwendige met de uitwendige openbaring; waarlijk -religieus, beeld Gods, dienstknecht Gods, kind Gods, mensch -in vollen zin is hij, die God, gelijk Hij is en zich door openbaring -kennen doet, liefheeft met geheel zijn hart en met geheel -zijne ziel en met al zijne krachten. Evenals in de wetenschap, -zijn er dus ook in de religie drieërlei principia te onderscheiden. -Er is religie, omdat God God is en als God door zijne redelijke -schepselen gediend wil worden. Daartoe openbaart Hij zich aan -den mensch in woord en daad — principium cognoscendi externum, -en maakt hem subjectief bekwaam om door die openbaring -God te kennen en lief te hebben — principium cognoscendi -internum. De vormen, waarin de openbaring uit- en inwendig -geschiedt, kunnen gewijzigd worden overeenkomstig den verschillenden -toestand, waarin de mensch als creatura mutabilis verkeeren -<span class="pagenum" id="Page_214">[214]</span> -kan. Zij zijn andere in den status integritatis en corruptionis, -in den status gratiae en gloriae. Maar de drie principia -blijven dezelfde. Er is geen religie, dan doordat God zich objectief -en subjectief kennen doet aan den mensch. En wederom vinden -deze principia ook bij de religie hun grondslag in het trinitarisch -wezen Gods. Het is de Vader, die in den Zoon en door den -Geest zich openbaart. Niemand kent den Vader, dan wien het -de Zoon door den Geest wil openbaren, Mt. 11:27, Joh. 16:13, -14, 1 Cor. 2:10. Cf. Schleiermacher, Der Christ. Gl. -§ 4. Schelling, Philosophie u. Religion, Sämmtl. Werke Abth I. -Bd. VI 26 f. Einleitung in die Philosophie der Mythologie, Sämmtl. -Werke, Abth. II. Bd. 1-4. I 74 f. 119 f. Ulrici, Gott und -die Natur, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1866 S. 767 f. J. A. Dorner, -Christ. Glaubenslehre, Berlin, Hertz. 1879 I S. 552 f. Aug. -Dorner, Ueber das Wesen der Religion, Stud. u. Krit. 1883 -S. 217 f. J. T. Beck, Vorles. über Christl. Glaubenslehre, Gütersloh -1887 I 149 f. 186 f. M. Kähler, Wissenschaft der Christl. -Lehre, Erl. 1883 I 122. J. Köstlin, Der Glaube, sein Grund, -Wesen und Gegenstand. Gotha 1859 S. 13 f. Id. Der Ursprung -der Religion. Stud. u. Krit. 1890 S. 213-294. Id. Die Begründung -unserer sittlich-religiösen Ueberzeugung. Berlin 1893 S. -54 f. Gloatz, Spekulative Theologie, Gotha 1883 I 1 S. 130 f. -Heman, Der Ursprung der Religion, Basel 1886. C. Pesch, Der -Gottesbegriff, Freiburg 1885. Dr. T. Cannegieter, De taak en -methode der Wijsb. v. d. godsd. 1886. Dr. Francken in Geloof -en Vrijheid 1887 aflev. 1, 2. Drijber ib. 1890 afl. 5. bl. 426-455. -Pressensé, Les Origines 449 S.</p> - -<hr class="hr16" /> - -<h2 id="Page_215">HOOFDSTUK II.<br /> -<b>Principium externum.</b></h2> - -<hr class="hr8" /> - -<h3>§ 9. <span class="smcap">Algemeene Openbaring.</span></h3> - -<h4>A. Begrip der openbaring.</h4> - -<p>1. De religie, in haar wezen en oorsprong onderzocht, leidt -zelve tot het begrip der openbaring heen. De geschiedenis der -godsdiensten doet ons dit begrip kennen als het noodzakelijk -correlaat van alle religie. De wijsbegeerte van den godsdienst -kan dit begrip niet langer met stilzwijgen voorbij gaan. Maar -de wijze, waarop de openbaring in theologie en philosophie wordt -opgevat, is niet altijd met dat begrip zelf in overeenstemming. -Het begrip openbaring brengt een zekeren inhoud mede, welke in -zijne waarheid erkend moet worden, om van openbaring nog te -kunnen blijven spreken. Het mag niet gebezigd worden als eene -vlag, die eene valsche lading dekt. In de eerste plaats is openbaring -een door en door religieus begrip; niet de wijsbegeerte, -maar de godsdienst, niet de rede maar de historie doet het ons -aan de hand. Aan de wetenschap en de wijsbegeerte moet dus -het recht worden ontzegd, om apriori dit begrip te bepalen en -daarnaar de historische en religieuse verschijnselen, die onder den -naam van openbaring worden samengevat, pasklaar te maken. -Het spreekt van zelf, dat wijsgeerige systemen zooals het pantheisme -en het materialisme dit begrip niet in zijn recht kunnen -erkennen. In deze stelsels is er voor openbaring geene plaats. -Beide zijn krachtens hun beginsel onbekwaam, om de openbaring -en alzoo ook de religie, met wie ze onverbrekelijk verbonden is, -naar waarde te beoordeelen. Als God niet bestaat en naar -<span class="pagenum" id="Page_216">[216]</span> -Feuerbach’s gezegde, Wesen des Christenthums, 2<sup>e</sup> Aufl. 401, -het geheim der theologie de anthropologie is, dan is religie en -openbaring daarmede vanzelf geoordeeld en niets dan eene hallucinatie -van den menschelijken geest. En evenzoo kan het pantheisme -uit den aard der zaak aan de openbaring geene realiteit -toekennen. Als God en mensch in substantie één zijn, is er eene -relatie van den mensch tot God, gelijk die in de religie tot stand -komt, niet mogelijk meer. De religie is dan hoogstens het tot -zelfbewustzijn komen van God in den mensch, de terugkeer van -het Absolute tot zichzelf in het menschelijke bewustzijn. Openbaring -kan hier niets anders zijn dan een naam voor de religie -in den mensch, van haar objectieve zijde beschouwd. Zoo zegt -b.v. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie II 71, 75 u. s. w., -dat openbaring objectief en geloof subjectief één en dezelfde akte -zijn, van de goddelijke en van de menschelijke zijde opgevat. -Eene uitwendige, objectieve openbaring is er dan niet. Openbaring -is niets dan het wonen en werken Gods in iederen mensch. -Daargelaten nu de vraag, of ook hierin niet eene waarheid ligt -opgesloten en de objectieve openbaring niet subjectief in de illuminatie -zich voltooien moet, is het toch duidelijk, dat de openbaring -naar de idee, welke de religie en de historie der godsdiensten -ons kennen doen, hierbij geheel te loor gaat. De religie -immers is altijd eene relatie van den mensch tot een Goddelijk -persoon, wiens objectief en reëel bestaan voor het religieus -bewustzijn boven allen twijfel verheven is. Zoodra de mensch -twijfelen gaat aan het onderscheiden en zelfstandig bestaan van -het voorwerp zijner vereering, is het met zijne religie gedaan. -Deze verhouding van den mensch tot God in de religie is van -ethischen aard (boven <a href="#Page_193">bl. 193</a>). Religie is geen physische of -metaphysische gemeenschap van God en mensch, gelijk zoo dikwerf -gezegd wordt. Zij bestaat niet in eene wezenseenheid, eene -unio of communio physica van den mensch met God. Zij is geene -substantie van den mensch, en maakt zijn wezen, zijne essentia -niet uit. De religie onderstelt juist altijd, dat God en mensch, -ofschoon verwant, toch onderscheiden zijn. En zij zelve bestaat -dan, niet in eene verhouding van God tot den mensch, want God -heeft geen religie, maar in eene verhouding van den mensch tot -God. Deze verhouding is uitteraard niet physisch, metaphysisch, -realis, maar ethisch, moreel van aard. Zij bestaat daarin dat de -<span class="pagenum" id="Page_217">[217]</span> -mensch God kent en liefheeft en voor Hem leeft, Denzinger, Vier -Bücher von der religiösen Erkenntniss, Würzburg 1856 I S. -1-10. Hoekstra, wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Godsdienst -onderstelt wel, dat God en mensch in verwantschap en in goeden -zin ook in gemeenschap met elkander staan, maar is zelf toch -niet twee- maar eenzijdig. Hoe innig godsdienst en openbaring -dan ook met elkander samenhangen, zij zijn toch twee; zij zijn -niet twee zijden van eene en dezelfde zaak, maar wezenlijk en -zakelijk van elkander verschillend. Gelijk het oog en het licht, -het oor en de toon, de logos in ons en de logos buiten ons verwant -en toch onderscheiden zijn; zoo is het ook met de religie -en de openbaring. Het is op religieus gebied evenals op elk ander -terrein. Wij komen naakt in de wereld en brengen niets mede. -Wij ontvangen al ons voedsel zoowel in geestelijken als in natuurlijken -zin van buiten. En ook in de religie komt de inhoud van -buiten door openbaring tot ons.</p> - -<p class="sep2">2. Openbaring, gelijk dit begrip door de religie ons aan de -hand wordt gedaan en hier nog in den ruimsten zin genomen -wordt, is alle aktie, welke van God uitgaat, om den mensch te -brengen en te houden in die eigenaardige relatie tot Hem, welke -met den naam van religie aangeduid wordt. Het komt er hierbij -allereerst op aan, om deze openbaring altijd en overal op te -vatten als eene aktie, als eene daad van Gods zijde. God doet -nooit iets onbewust; Hij doet alles met gedachte en heeft bij -alles een doel. Openbaring is nooit eene onbewuste emanatie, eene -onwillekeurige doorschijning Gods in zijne werken; maar altijd -een bewust, vrij, actief zich kenbaar maken aan den mensch. -Religie en openbaring rusten beide naar heur aard op den grondslag -van het theisme, d. i. op het geloof, dat God en mensch -niet afgescheiden maar wel onderscheiden bestaan. Sterk gesproken, -heeft openbaring steeds tot onderstelling, dat er twee werelden -zijn, eene bovennatuurlijke en eene natuurlijke, eene hemelsche -en eene aardsche. En nu is openbaring elke werking, die -van die andere onzienlijke wereld in deze zienlijke wereld uitgaat, -om den mensch te doen bedenken de dingen, die boven zijn. De -wijzen en vormen, waaronder God zich openbaart, kunnen verschillend -zijn, evenals de eene mensch aan den ander zich in -verschillende manieren kan kenbaar maken. God kan rechtstreeks -<span class="pagenum" id="Page_218">[218]</span> -en onmiddellijk zich openbaren; en Hij kan daarbij van -gewone of buitengewone middelen zich bedienen. Deze vormen -zijn in zekeren zin van ondergeschikte, wijl van instrumenteele -beteekenis. Maar altijd is de openbaring, hetzij ze op gewone of -ongewone wijze tot ons komt, eene daad van Gods zijde. Wie ze -zoo verstaat, is in beginsel supranaturalist, hij moge de mogelijkheid -van het wonder aannemen of niet. De kwestie van het -naturalisme en het supranaturalisme wordt niet eerst bij de -zoogenaamde bovennatuurlijke openbaring, maar wordt eigenlijk -reeds hier bij den ingang, bij het begrip der openbaring in algemeenen -zin, beslist. Het deisme is onhoudbaar. Er is maar keuze -tusschen het theisme en het pantheisme (materialisme). Het -pantheisme heeft geene openbaring en daarom ook geen religie -meer. Het theisme is vanzelf supranaturalistisch, niet in de historische -beteekenis van dat woord, maar in dezen zin, dat het eene -ordo supra hanc naturam erkent en eene werking van gene wereld -in deze aanneemt. Religie, openbaring, supranaturalisme, theisme -staan en vallen met elkaar. Het doel der openbaring is geen -ander, dan om religie te wekken en te kweeken in den mensch. -Alles, wat dit bedoelt en daaraan dienstbaar is, is openbaring in -eigenlijken zin. De openbaring valt saam met alle werken Gods -in natuur en genade. Zij omvat de gansche schepping en herschepping. -Al wat er is en geschiedt, is voor den vrome een -middel, om hem op te leiden tot God. De gewone definities, dat -de openbaring bestaan zou in mededeeling van leer of van leven -enz. blijken reeds hier veel te eng te zijn. Het is er God bij -zijne openbaring om te doen, om den mensch te stellen in eene -religieuse verhouding tot Hem. De religie omvat echter den -ganschen mensch met al zijne vermogens en krachten. In de -openbaring nadert God tot den geheelen mensch, om hem geheel -te winnen voor zijn dienst der liefde. Ja, de openbaring kan niet -ten doel hebben, om den enkelen mensch in eene religieuse verhouding -tot God te plaatsen. De menschheid is één geheel. Zij -is het voorwerp van Gods liefde. De openbaring heeft dus tot -einddoel, om de menschheid zelve als één geheel te maken tot -een koninkrijk, tot een volk Gods. De openbaring is geen geisoleerd -feit, dat in de geschiedenis op zichzelf staat. Zij is een -systeem van daden Gods, beginnend met de schepping, eindigend -in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Zij is onderwijzing, -<span class="pagenum" id="Page_219">[219]</span> -opvoeding, leiding, regeering, vernieuwing, vergeving enz., zij is -dat alles te zamen. Openbaring is al wat God doet, om de -menschheid te herscheppen tot zijn beeld en gelijkenis.</p> - -<h4>B. Algemeene en bijzondere openbaring.</h4> - -<p>3. De christelijke theologie kwam er spoedig toe, om in deze -openbaring eene gewichtige onderscheiding te maken. Eenerzijds -kon de samenhang en de overeenstemming van de religie der -Christenen en den godsdienst der Heidenen, van theologie en -philosophie, niet geheel worden ontkend; en andererzijds was -het Christendom toch een eigen, zelfstandige godsdienst, in elk -opzicht van dien der Heidenen verschillend. Zoo werd men geleid -tot de onderscheiding van de revelatio (religio, theologia) naturalis -en supernaturalis. Zakelijk wordt zij reeds bij de oudste kerkvaders -aangetroffen. Justinus Martyr spreekt van eene ἀνθρωπειος -διδασκαλια, die verkregen wordt door το ἐμφυτον παντι γενει -ἀνθρωπων σπερμα του λογου en van eene γνωσις και θεωρια, -die alleen door Christus ons deel wordt, Apol. II 8, 10, 13. -Tertullianus heeft eene afzonderlijke verhandeling de testimonio -animae, en spreekt van eene kennis Gods uit de werken der -schepping, en van eene andere meer volledige door mannen, met -Gods Geest vervuld, Apolog. II c. 18. Irenaeus spreekt meermalen -in denzelfden zin, adv. haer. II c. 6, 9, 28. III 25. -IV 6. Augustinus erkent eene openbaring Gods in de natuur, -de Gen. ad. litt. 4, 32, de civ. Dei 8, 11 sq. 19, 1 enz. maar -stelt naast de ratio de auctoritas, de fides, c. Acad. 3,20 de -util. cred. 11, die alleen tot de ware kennisse Gods leidt, Conf. -5,5, 7,26, de civ. 10,29. Bij Damascenus, de fide orthod. I. -c. 1 sq. draagt deze onderscheiding al het karakter van een -dogma. Ook de latere indeeling van de theologia naturalis in -insita en acquisita is reeds bij de oudste kerkelijke schrijvers te -vinden. Tertullianus beroept zich op het inwendig getuigenis der -ziel en op de beschouwing van Gods werken. Augustinus zegt -uitdrukkelijk, dat God uit de zienlijke dingen kan worden gekend, -de Gen. ad. litt. 4,32 maar wijst vooral op het zelfbewustzijn -en de zelfkennis als den weg tot de eeuwige waarheid, -de vera relig. 72, de mag. 38, de trin. 4,1. Damascenus, de fide -orth. I c. 1 en 3, stelt de ingeschapene en de verkregene kennisse -<span class="pagenum" id="Page_220">[220]</span> -Gods reeds duidelijk naast elkaar. Niet zoo spoedig waren -de grenzen tusschen beide soorten van openbaring afgebakend. -Langen tijd beproefde men nog, om de christelijke dogmata uit -natuur en rede te bewijzen. Augustinus trachtte de triniteit, de -trin. lib. 9-15, Anselmus in zijn Cur deus homo de menschwording -en voldoening, Albertus Magnus, cf. Stöckl, Philos. -des M. A. II. 384 f., en Thomas, S. c. Gent. II. 15 sq. de -schepping aposteriori te bewijzen. Het verst ging hierin Raymund -de Sabunde, die in zijn Liber naturae sive creaturarum, later -ten onrechte Theologia naturalis genoemd (ed. van J. Sighart, -Solisbaci, 1852 zonder den proloog, die 1595 werd veroordeeld) -heel de christelijke geloofsleer uit de natuur des menschen -trachtte op te bouwen, zonder hulp van Schrift en traditie en -met vermijding der scholastische methode. Maar deze rationeele -argumentatie was toch maar eene hulp, die achteraan kwam; -de dogmata stonden apriori vast op grond der openbaring; adjuvantur -in fide invisibilium per ea, quae facta sunt, Lombardus, -Sent. I dist. 3, 6. cf. 2, 1. Overigens werd de kennis, welke -uit de natuur verkregen kon worden, tot eenige articuli mixti -beperkt, die zich concentreerden om de drie begrippen God, -deugd en onsterfelijkheid, Thomas, S. c. Gent. Lib. 1-3. De -onderscheiding tusschen de theol. naturalis en supernaturalis werd -echter in de scholastiek hoe langer hoe strakker gespannen en -ging in eene volstrekte tegenstelling over. Door de natuurlijke -openbaring was er van God en goddelijke zaken eenige streng -wetenschappelijke kennis te verkrijgen, Thomas, S. Theol. II 2 -qu. 1 art. 5, cf. Bellarminus, Controv. IV p. 277 sq. Thomas -is hiervan zoo vast overtuigd, dat hij de vraag opwerpt, of in -dat geval het aannemen van deze uit de natuur bekende waarheden -dan niet al zijn verdienste verliest. Gelooven is toch alleen -verdienstelijk, als het geen weten is maar een voor waar aannemen -op gezag, eene daad des verstands ex motu voluntatis -motae per gratiam, ib. II 2 qu. 2 art. 9. Het antwoord op die -vraag luidt, dat het weten inderdaad de ratio fidei vermindert; -maar dat toch altijd in den geloovige de ratio caritatis blijft, -d. i. de gezindheid, om het gewetene ook steeds weer op Gods -gezag als waar aan te nemen, ib. II 2 qu. 2 art. 10; en deze -gezindheid, om de articuli mixti op gezag te gelooven, blijft -om bijzondere omstandigheden (zie straks onder N<sup>o</sup> 7), ook altijd -<span class="pagenum" id="Page_221">[221]</span> -noodig. Aan deze kennis uit de natuur en rede is nu door de -bovennatuurlijke openbaring de kennis der mysteria toegevoegd, -maar deze rust uitsluitend op gezag en is en blijft van het begin -tot het einde eene zaak des geloofs. De mysteriën des Christendoms -behooren tot eene orde, die niet om eene toevallige reden, -door de zonde, maar die uitteraard voor ieder mensch, ook voor -den zondeloozen mensch, ja zelfs voor de engelen in eigenlijken -zin bovennatuurlijk is en daarom nooit anders dan door openbaring -gekend worden kan. Bij de bijzondere openbaring komt deze eigenaardige -Roomsche leer nader ter sprake. Maar hier zij reeds opgemerkt, -dat weten en gelooven, ratio en auctoritas, natuurlijke -en bovennatuurlijke openbaring bij Rome dualistisch naast elkander -staan. Rome erkent dus eenerzijds het recht van het rationalisme -op het terrein van de natuurlijke openbaring en veroordeelt het -excessieve supranaturalisme, dat ook in de articuli mixti geen kennis -mogelijk acht dan door openbaring. En andererzijds huldigt het -het supranaturalisme op het terrein van de mysteriën zoo streng -mogelijk en veroordeelt het alle rationalisme, dat apriori of aposteriori -in de dogmata aan het gezag en aan het geloof zoekt te -ontkomen en ze in weten tracht te doen overgaan. Het verwerpt -beide Tertullianus en Origenes en <ins id="cor_26" title="veroordeelf">veroordeelt</ins> zoowel het traditionalisme -van de Bonald als het rationalisme van Hermes (boven -<a href="#Page_94">bl. 94</a> v). De Roomsche kerk belijdt, volgens het Vaticanum, -sess. III Const. Dogm. de fide cath. cap. 2, Deum.... naturali -humanae rationis lumine e rebus creatis certo cognosci posse, -maar dat het Gode behaagd heeft, alia, eaque supernaturali via, -se ipsum ac aeterna voluntatis decreta humano generi revelare.</p> - -<p class="sep2">4. De Reformatie heeft deze onderscheiding van revelatio -naturalis en supernaturalis overgenomen en er toch in beginsel -eene geheel andere beteekenis aan gegeven. Wel namen de Hervormers -eene openbaring Gods in de natuur aan. Maar de mensch -was door de zonde zoo verduisterd in zijn verstand, dat hij ook -deze openbaring niet recht kon kennen en verstaan. Er was dus -tweeërlei noodig, n.l. dat God die waarheden, welke op zich -zelve uit de natuur kenbaar zijn, ook weer in de bijzondere openbaring -opnam; en dat de mensch, om God wederom op te merken -in de natuur, eerst door Gods Geest moest worden verlicht. -Om de algemeene openbaring Gods in de natuur te verstaan, -<span class="pagenum" id="Page_222">[222]</span> -was objectief de bijzondere openbaring in de H. Schrift van noode, -welke daarom door Calvijn met eene bril werd vergeleken, en -subjectief had de mensch behoefte aan het oog des geloofs, om -God te aanschouwen ook in de werken zijner handen. Even belangrijk -was de wijziging, door de Reformatie in de opvatting -der bovennatuurlijke openbaring aangebracht. Deze was niet in -de eerste plaats daarom bovennatuurlijk, wijl zij an sich tot eene -andere orde behoorde en het verstand ook van den zondeloozen -mensch en van de engelen te boven ging; maar bovennatuurlijk -was ze vooral daarom, wijl zij de gedachten en wenschen van -den zondigen, gevallen mensch verre overtrof, gelijk later zal -worden aangetoond. Bij de Hervormers verloor de theologia naturalis -dus hare rationeele zelfstandigheid. Ze werd niet afzonderlijk -behandeld maar opgenomen in de christelijke geloofsleer, Zwingli, -Comm. de vera et falsa relig. Op. ed. Schuler et Schulthess -III 156 sq. Calvijn, Inst. I c. 1-5. Polanus, Synt. Theol. I -cap. 10. Martyr, Loci Comm. loc. 2 etc. Maar verschillende -oorzaken waren er, die dit reformatorisch beginsel tegenhielden -in zijne ontwikkeling en volledige toepassing. Er was excessus, -overspanning, aan de ééne zijde. Het Anabaptisme verwierp geheel -de ordo naturalis en trachtte op revolutionaire wijze een koninkrijk -der hemelen op aarde te stichten. De Socinianen verwierpen de -theologia naturalis geheel en al, en leidden alle Godskennis uit -openbaring af, Catech. Racov. qu. 46-49. Fock, Der Socin. -307 f. Luther kwam door zijne bestrijding van de scholastieke -leer, naturalia mansisse integra, zoover, dat hij aan Aristoteles, -aan de rede, aan de philosophie in theologicis alle recht van -spreken verbood en de Vernunft in religieuse dingen stock-, starr-und -gar blind noemde, Köstlin, Luthers Theologie II 287 f. -Luthardt, Ethik Luthers, 14 f. Strauss, Glaubenslehre I 311 f. -De strenge Lutheranen volgden den Meester; en de Formula -Concordiae, ofschoon erkennend dat humana ratio seu intellectus -naturalis hominis obscuram aliquam notitiae illius scintillulam -reliquam habet, quod sit Deus, et particulam aliquam legis tenet, -II Pars. Sol. Decl. II. de lib. arb., J. T. Müller, Die symb. -Bücher der ev. luth. K. 5<sup>e</sup> Aufl. 1882 S. 589, legt toch zoo -eenzijdig op de duisternis en de onmacht van den natuurlijken -mensch in zaken van religie den nadruk, dat de samenhang en -het verband van de bijzondere met de algemeene openbaring geheel -<span class="pagenum" id="Page_223">[223]</span> -wordt verbroken; de mensch is in rebus spiritualibus et ad conversionem -aut regenerationem niets meer dan een lapis, truncus -aut limus, ib. bij Müller S. 594.</p> - -<p>De reactie daartegen kon niet uitblijven. Bij het Anabaptisme -en het Socinianisme sloeg het excessieve supranaturalisme in -rationalisme om. Luther was gedwongen, wijl hij aan de rede -toch niet alle inzicht en oordeel ontzeggen kon, om eene scherpe -scheiding te maken tusschen het geestelijke en het wereldlijke, -het hemelsche en het aardsche, het eeuwige en het tijdelijke, -Köstlin, Luthers Theol. II 244 f. En op zijn voetspoor maakten -de Luth. theologen onderscheid tusschen duo hemisphaeria, quorum -unum inferius, alterum superius; in aardsche dingen is de rede -nog vrij en tot veel goeds in staat, hier is zij tot op zekere -hoogte zelfstandig en van het geloof onafhankelijk, Schmid, -Dogm. der ev. luth. K. 192 f. Ook Calvijn, ofschoon door zijne -leer van de gratia communis in veel gunstiger conditie dan -Luther, kwam toch niet altijd de oude dualistische tegenstelling -van de revelatio naturalis en supernaturalis te boven, Inst. II, -2, 12, 13. De rede kreeg daardoor weer eenige zeggenschap naast -het geloof. Het scheen, dat zij niet altijd door het geloof moest -worden geleid, maar op een, zij het ook nog zoo klein en onverschillig -gebied, vrij en onafhankelijk was. Met dit haar toegestaan, -althans niet ernstig betwiste recht heeft ze winste gedaan; gaandeweg -heeft zij haar macht uitgebreid. Eerst in burgerlijke zaken, -dan in de wetenschap, straks in de philosophie, en eindelijk ook -in de theologie verheft zij zich naast en tegenover het geloof. -Alsted gaf eene Theol. naturalis 1615 afzonderlijk uit, en telde -als haar inhoud een zevental dogmata op: deus est, super omnia -diligendus, honeste vivendum est, quod tibi non vis fieri alteri -ne feceris, suum cuique tribuendum est, nemo laedendus est, plus -est in bono communi positum quam in particulari, cf. Praecognita -1623 p. 37-114. Vele Geref. theologen volgden dit voorbeeld, -vooral toen de philosophie van Cartesius aan invloed won, -Doedes, Inl. tot de leer van God, 2<sup>e</sup> dr. 1880 bl. 200 v. Door -het Engelsche deisme en het Duitsche rationalisme nam de theologia -naturalis of rationalis zoo in macht en aanzien toe, dat zij -de theologia revelata als geheel onnoodig verwierp. Herbert van -Cherbury 1581-1648, gaf aan de religio naturalis vijf artikelen -tot inhoud: esse deum summum, coli debere, virtutem pietatemque -<span class="pagenum" id="Page_224">[224]</span> -esse praecipuas partes cultus divini, dolendum esse ob -peccata ab iisque resipiscendum, dari ex bonitate justitiaque -divina praemium vel poenam tum in hac vita tum post hanc -vitam, Lechler, Gesch. des engl. Deismus 42. Maar nadat zij de -theologia revelata gebannen had, is zij op haar beurt ook zelve -geoordeeld. Kant betoogde in zijne kritiek der zuivere rede, dat -deze tot de zinnelijk-waarneembare verschijnselen beperkt is en -noch tot het bovenzinnelijke noch tot het bovennatuurlijke doordringen -kan. De geschiedenis der godsdiensten toonde aan, dat -geen enkele godsdienst aan de revelatio naturalis genoeg had, -dat er nergens eene religio naturalis bestond en dat alle godsdiensten -positief waren. En de kritiek der Schrift ondermijnde -de revelatio supernaturalis en wischte de grenzen tusschen haar -en de revelatio naturalis uit. De overtuiging werd daardoor algemeen, -dat er, om eenige kennis van God te bekomen, een andere -weg dan die der rede en der wetenschappelijke bewijsvoering -moest worden ingeslagen, n.l. die des geloofs of der zedelijke -ervaring of der phantasie. De theologia en religio naturalis, en -daarmede ook de revelatio naturalis verloor hare waarde. De -bewijzen voor Gods bestaan, de ziel, de onsterfelijkheid werden -prijsgegeven en gebannen uit de dogmatiek. Pierson, Eene levensbeschouwing -83, zeide zelfs, dat onderwijs in de theol. naturalis -aan de rijkshoogescholen eene wanbesteding was van ’s lands -penningen. Desniettemin is ze in de wet op het hooger onderwijs -toch weer onder den naam van geschiedenis der leer aangaande -God en van wijsbegeerte van den godsdienst opgenomen. Prof. -Doedes verwierp ze in zijne Encyclopaedie bl. 190 v., maar -behandelde ze toch feitelijk weer in zijne Inleiding tot de leer -van God, 2<sup>e</sup> dr. 1880 en De Leer van God 1871. Alles wijst er -op, gelijk in den locus de Deo zal worden aangetoond, dat de -bewijzen voor Gods bestaan weer in waarde rijzen. De goede -gedachte, die er ligt in de oude theologia naturalis, wordt langzamerhand -weer beter erkend.</p> - -<p class="sep2">5. De Schrift kent wel het begrip van eene vaste natuurorde, -maar maakt toch bij de openbaring tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke -geen onderscheid. Zij bezigt voor beide dezelfde -woorden, b.v. גלה, φανερουν en ἀποκαλυπτειν ook voor de -revelatio naturalis Job 12:22, 33:16, 36:10; Rom. 1:18, -<span class="pagenum" id="Page_225">[225]</span> -19. Nösgen, Beweis des Glaubens, Nov. 1890 S. 416-417 maakt -daarom ten onrechte bezwaar, om aan de openbaring Gods in de -natuur reeds den naam van openbaring te geven. Eigenlijk is op -het standpunt der Schrift alle openbaring, ook die in de natuur, -bovennatuurlijk. Het woord zelf sluit ook niets in aangaande de -wijze, waarop iets openbaar wordt, maar zegt alleen, dat iets, -hetwelk verborgen was, aan het licht treedt. Op religieus terrein -duidt het aan, dat God een eigen, zelfstandig, van de natuur -onderscheiden leven bezit en nu uit zijne verborgenheid op eene -of andere wijze voor het oog van redelijke schepselen te voorschijn -treden kan. Van openbaring kan dus in eigenlijken zin -alleen spreken, wie het supranatureele, een ordo supra hanc -naturam erkent; en elk, die het woord in dezen zin bezigt, is in -beginsel supranaturalist, ook al neemt hij slechts eene openbaring -aan op natuurlijke wijze. De onderscheiding van revelatio naturalis -en supernaturalis is niet ontleend aan de aktie Gods, die in de -eene en in de andere openbaring zich uit, maar aan de wijze, -waarop die openbaring geschiedt, n.l. per of praeter hanc naturam. -In oorsprong is alle openbaring supranatureel. God werkt altijd -Joh. 5:17. Dat werken Gods is naar buiten begonnen met de -schepping. De creatie is de eerste revelatie Gods, aanvang en -grondslag van alle volgende openbaring. Het bijbelsch begrip -der openbaring wortelt in dat der schepping, Oehler, Theol. des -A. T. 1882 S. 21. Door de schepping is God het eerst voor -schepselen naar buiten getreden en heeft Hij zich aan schepselen -geopenbaard. Als God de wereld schept door zijn Woord en -levend maakt door zijn Geest, dan liggen daarin reeds de grondlijnen -van alle volgende openbaringen geteekend. Maar aan de -schepping sluit terstond de voorzienigheid zich aan. Ook deze -is eene almachtige en alomtegenwoordige kracht en daad Gods. -Al wat is en geschiedt, is een werk Gods in eigenlijken zin, en -voor den vrome eene openbaring van zijne deugden en volmaaktheden. -Zoo beziet de Schrift natuur en geschiedenis. Schepping, -onderhouding en regeering zijne ééne machtige, voortgaande openbaring -Gods. Geen natuurpoëzie heeft die van Israel overtroffen -of geëvenaard, Pierson, Geestel. Voorouders I Israel bl. 389 v. -Alles in de natuur spreekt den vrome van God. De hemelen -vertellen Gods eer, het uitspansel zijner handen werk. Gods stem -is op de groote wateren. Die stem verbreekt de cederen, dreunt -<span class="pagenum" id="Page_226">[226]</span> -in den donder, loeit in den stormwind. Het licht is zijn kleed, -de hemel zijn gordijn, de wolken zijn wagen. Zijn adem schept -en vernieuwt het aardrijk. Hij regent en geeft zonneschijn over -rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Loof en gras, regen en -droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren en alle dingen komen -den geloovige niet bij geval toe maar van Gods vaderlijke -hand. De natuur- en geschiedbeschouwing der Schrift is religieus -en daarom ook supranatureel.</p> - -<p>Voor de Schrift hangen zelfs religie en bovennatuurlijke openbaring -ten nauwste saam. Zij verhaalt van zulk eene openbaring niet -eerst na, maar ook reeds vóór den val. De verhouding van God -en mensch in den status integritatis wordt als een persoonlijke -omgang geteekend. God spreekt tot den mensch Gen. 1:28-30, -geeft hem een gebod dat hij van nature niet weten kon Gen 2:16 -en voegt als met eigen hand de vrouw ter hulpe hem toe, Gen. 2 -vs. 22. Ook het foedus operum is niet in dien zin een foedus -naturae, dat het vanzelf uit ’s menschen natuurlijken aanleg opkomt, -maar is eene vrucht van bovennatuurlijke openbaring. En -wijl het foedus operum nu niets anders is dan de vorm der religie -bij den naar Gods beeld geschapen mensch die het hoogste nog -niet had verkregen, zoo kan gezegd worden, dat de Schrift de -zuivere religie zich niet denken kan zonder revelatio supernaturalis. -Het bovennatuurlijke strijdt niet met ’s menschen natuur, -noch met de natuur der schepselen; het behoort, om zoo te -spreken, tot het wezen van den mensch. De mensch is beeld -Gods en Gode verwant, en door de religie staat hij tot God in -eene rechtstreeksche verhouding. De aard dezer verhouding sluit -in, dat God zich aan den naar zijn beeld geschapen mensch beide -objectief en subjectief openbare. Er is geen religie zonder traditie, -dogma, cultus; en deze alle zijn met het begrip van openbaring -saamgeweven. Alle religies zijn dan ook positief en berusten niet -alleen op natuurlijke maar altijd ook op werkelijke of vermeende -bovennatuurlijke openbaring. En alle menschen erkennen van -nature het supranatureele. Het naturalisme is evenals het atheïsme -eene vondst der wijsbegeerte, maar het heeft geen steun in de -menschelijke natuur. Zoolang de religie zal behooren tot het wezen -van den mensch, zal de mensch ook zijn en blijven supranaturalist. -Elk geloovige, van welke richting ook, hij moge naturalist zijn -met zijn hoofd, hij is toch supranaturalist met zijn hart. Wie -<span class="pagenum" id="Page_227">[227]</span> -uit de religie, dus uit het gebed, uit de gemeenschapsoefening -met God het supranatureele bannen wil, doodt de religie zelve. -Want religie onderstelt werkelijke verwantschap en gemeenschap -met God en is met hart en ziel supranaturalistisch. Zij is onafscheidelijk -van het geloof, dat God supra naturam staat en dat -Hij met haar doen kan naar zijn welbehagen, dat Hij de natuurorde -dienstbaar maakt aan de zedelijke orde, de rijken der wereld -aan het koninkrijk der hemelen, de physis aan den ethos. Er -is daarom terecht gezegd, dat de bede om een rein hart even -supranaturalistisch is als die om een gezond lichaam (Pierson). -De theïst, die waarlijk theïst wil zijn en toch de bovennatuurlijke -openbaring bestrijdt, is met deze ontkenning er nog volstrekt -niet af. Hij moet of terug naar het deïsme of pantheïsme, of -hij moet vooruit en ook de mogelijkheid der bovennatuurlijke -openbaring aannemen. Er is geen religio naturalis. De rationalistische -trilogie is onhoudbaar. De eenig ware tegenstelling van -de erkenning van het supranatureele is dan ook niet het rationalistisch -deïsme, maar het naturalisme, d. i. het geloof, dat -er geen andere hoogere kracht bestaat dan die in de tegenwoordige -natuurorde aanwezig is en zich openbaart. Maar dan valt ook -alle recht, om aan den triumf van het goede, aan de eindelijke -zegepraal van het rijk Gods, aan de macht van de zedelijke -wereldorde te gelooven. Want het goede, het ware, de zedelijke -wereldorde, het rijk Gods zijn zaken, die in zichzelf geen -macht hebben, om zich te realiseeren. De hoop, dat de menschen -ze tot heerschappij zullen brengen en voor de macht der waarheid -zwichten zullen, wordt iederen dag door de ervaring teleurgesteld. -Dan alleen is hun triumf verzekerd, als God een persoonlijk, -almachtig wezen is en heel de schepping, trots allen tegenstand, -heenleiden kan tot het door Hem beoogde doel. De religie, de -moraal, de erkenning van eene bestemming voor menschheid en -wereld, het geloof aan de zegepraal van het goede, de theïstische -wereldbeschouwing, het geloof aan een persoonlijk God zijn alle -onlosmakelijk met het supranaturalisme verbonden. De idee van -God en van de religie involveert die van de openbaring. Pierson, -Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. 36 v. -James Orr, The christian view of God and the world, Edinb. -1893 p. 60 etc. 91 etc. Cf. Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 530 v.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_228">[228]</span> -6. Bovennatuurlijke openbaring mag echter niet met onmiddellijke -openbaring vereenzelvigd worden. De onderscheiding van -middellijke en onmiddellijke openbaring is telkens in verschillenden -zin genomen. Onmiddellijk werd vroeger elke openbaring -genoemd, die zonder tusschenpersoon tot den ontvanger zelven -kwam; en middellijk die, welke door engelen of menschen aan -anderen werd overgebracht, Witsius, Misc. Sacra I. 16. Inzoover -nu de openbaring tot profeten en apostelen meest persoonlijk -kwam, daarentegen tot ons slechts komt door hunne geschriften -heen, kon de eerste als revelatio immediata tegen de laatste, -als revelatio mediata, worden overgesteld. Bij de rationalistische -en moderne theologen hebben deze benamingen dikwerf een geheel -anderen zin ontvangen, en daardoor de verwarring in de opvatting -der openbaring doen toenemen, Rothe, zur Dogm. 55 f. 64 f. -Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 163 f. In strikten zin is er geen -onmiddellijke openbaring, noch in de natuur noch in de genade. -Altijd bedient God zich van een middel, hetzij uit de schepselen -genomen hetzij vrij gekozen, waardoor Hij zich aan menschen -openbaart. Door teekens en symbolen doet Hij hen zijne tegenwoordigheid -gevoelen; door daden verkondigt Hij hun zijne deugden; -door spraak en taal maakt Hij hun zijn wil en gedachte bekend. -Zelfs waar Hij door zijn Geest inwendig zich openbaart in het -bewustzijn, geschiedt deze openbaring toch altijd organisch en -dus langs middellijken weg. De afstand tusschen Schepper en -schepsel is veel te groot, dan dat de mensch God rechtstreeks -gewaarworden kan. Finitum non est capax infiniti. Of er in den -status gloriae eene visio Dei per essentiam zal zijn, kan eerst -later worden onderzocht. Maar in deze bedeeling is alle openbaring -middellijk. Gelijk God is en spreekt in zichzelven, kan -Hij door geen schepsel worden aanschouwd of verstaan. Openbaring -is daarom altijd eene daad van genade; in haar daalt -God tot zijn schepsel af, dat naar zijn beeld is gemaakt. Alle -openbaring is anthropomorphisme, is eene zekere menschwording -Gods. Zij geschiedt altijd in zekere vormen, in bepaalde modi. -In de revelatio naturalis zijn zijne goddelijke en eeuwige gedachten -op creatuurlijke wijze in de schepselen neergelegd, zoodat ze door -den mensch denkende kunnen verstaan worden. En bij de revelatio -supernaturalis bindt Hij zich aan ruimte en tijd, neemt Hij aan -menschelijke taal en spraak, en bedient zich van creatuurlijke -<span class="pagenum" id="Page_229">[229]</span> -middelen, Gen. 1:28, 2:16 v., 21 v., 3:8 v. En door deze -media heen vernam en verstond de mensch God even goed en -even duidelijk, als nu de vrome de sprake Gods verneemt in -heel de natuur. Zoo weinig onmogelijk en bedriegelijk de openbaring -Gods in natuur en geschiedenis is voor den geloovige, is -het ook de bovennatuurlijke openbaring, waarbij God van ongewone -middelen zich bedient, maar waarvoor Hij ook op bijzondere -wijze de oogen opent. Natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring -gaan dus naar de leer der Schrift in den status integritatis saam. -Zij zijn geen tegenstelling maar vullen elkander aan. Zij zijn -beide middellijk en aan bepaalde vormen en middelen gebonden. Zij -berusten beide op de gedachte, dat God in genade zich nederbuigt -tot den mensch en hem gelijkvormig wordt. En zij hebben -beide deze modi, dat God zijne tegenwoordigheid gevoelen, zijne -stemme hooren, zijne werken aanschouwen doet. Door verschijning, -woord en daad maakte God van den aanvang af aan menschen -zich openbaar.</p> - -<p>Opmerkelijk is het nu, dat de zonde, die door den eersten -mensch intreedt in de wereld, in het feit zelf der openbaring geen -verandering brengt. God blijft zich openbaren; Hij trekt zich niet -terug. Allereerst wordt ons door heel de Schrift heen eene revelatio -naturalis geleerd. Gods openbaring is begonnen in de schepping -en zet in de onderhouding en regeering aller dingen zich voort. -Hij openbaart zich in de natuur rondom ons henen; spreidt daarin -zijne eeuwige kracht en goddelijkheid ten toon, en bewijst in -zegeningen en oordeel en beurtelings zijne goedheid en zijn toorn, -Job 36, 37. Ps. 29, 33:5, 65, 67:7, 90, 104, 107, 145, -147. Jes. 59:17-19. Mt. 5:45. Rom: 1:18. Hd. 14:16. -Hij openbaart zich in de geschiedenis van volken en personen -Deut. 32:8. Ps. 33:10, 67:5, 115:16. Spr. 8:15, 16. Hd. -17:26. Rom. 13:1. Hij openbaart zich ook in het hart en geweten -van een iegelijk mensch Job 32:8, 33:4. Spr. 20:27. -Joh. 1:3-5, 9, 10. Rom. 2:14, 15, 8:16. Deze openbaring -Gods is algemeen, op zichzelve waarneembaar en verstaanbaar -voor iederen mensch. Natuur en geschiedenis zijn het boek van -Gods almacht en wijsheid, van zijne goedheid en rechtvaardigheid. -Alle volken hebben deze openbaring tot op zekere hoogte erkend. -Zelfs de afgoderij onderstelt, dat in de schepselen Gods δυναμις -en θειοτης zich openbaart. Wijsgeeren, natuuronderzoekers en -<span class="pagenum" id="Page_230">[230]</span> -geschiedvorschers hebben menigmaal op treffende wijze van deze -openbaring Gods gesproken, b.v. Xenophon, Memor. I 4, 5. -Cicero, de nat. deor. II 2, de divinat. II 72. Zöckler, Gottes -Zeugen im Reich der Natur, 2 Th. Gütersloh 1881. Door de -christelijke theologie is deze algemeene openbaring ten allen tijde -eenparig aangenomen en verdedigd, Iren. adv. haer. II 6. Tertull. -de testim. animae, adv. Marc. I 10. August, de civ. Dei 8:9 sq. -19:1, de trin. 4:20 enz. Joh. Damasc. de fide orthod. I c. 1 en 3. -Thomas, S. c. Gent. lib. 1-3. S. Theol. I qu. 2 enz., cf. verder -H. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II S. 27-45. -Inzonderheid door de Geref. theologen werd deze algemeene openbaring -gehandhaafd en hoog gewaardeerd, Calv. Inst. I c. 4 en -cf. voorts Schweizer, Gl. der ev. K. I 241 f. Heppe, Dogm. der -ev. ref. K. S. 1 f. Scholten, Leer der Herv. Kerk I<sup>4</sup> 304-326. -Doedes, Inleiding tot de leer van God 2<sup>e</sup> dr. bl. 107-252.</p> - -<p>Maar volgens de Schrift is deze algemeene openbaring niet in -strikten zin natuurlijk alleen, maar bevat zij ook bovennatuurlijke -elementen. De openbaring, die terstond na den val geschiedt, -draagt een supranatureel karakter Gen. 3:8 v. en wordt door -traditie het eigendom der menschheid. De oorspronkelijke kennis -en dienst Gods blijft nog langen tijd in min of meer zuiveren -toestand bewaard. Aan Kain wordt genade geschonken voor recht: -zelfs wordt hij de vader van een geslacht, dat met de cultuur -een aanvang maakt, Gen. 4. Het verbond, dat na den zondvloed -met Noach en in hem met heel de nieuwe menschheid opgericht -wordt, is een verbond der natuur en toch niet natuurlijk meer, -maar vrucht van ongehoudene bovennatuurlijke genade, Gen. -8:21, 22. 9:1-17. Meermalen gewaagt de Schrift van wonderen, -die God gewrocht heeft voor de oogen der Heidenen, in -Egypte, Kanaan, Babel enz., en van bovennatuurlijke openbaringen, -die aan niet-Israelieten ten beurt gevallen zijn, Gen. 20, -30, 40, 41. Richt. 7. Dan. 2:4 enz. Eene werking van bovennatuurlijke -krachten in de heidenwereld is apriori noch onmogelijk -noch zelfs onwaarschijnlijk. Er kan waarheid liggen in het beroep -op openbaringen, dat aan alle godsdiensten gemeenschappelijk is. -En omgekeerd is niet alles wat tot het terrein der bijzondere -genade behoort, in strikten zin bovennatuurlijk. Er verloopen -gansche perioden in de geschiedenis van Israel, vele dagen en -jaren in het leven van Jezus, en evenzoo in het leven der apostelen, -<span class="pagenum" id="Page_231">[231]</span> -waarin geene bovennatuurlijke openbaring plaats heeft en -die toch een gewichtig deel vormen in de historia revelationis. -Als Jezus den armen het evangelie verkondigt, is dit van geen -minder gewicht, dan wanneer Hij kranken geneest en dooden -opwekt. Zijn sterven, dat natuurlijk schijnt, is van geen mindere -beteekenis dan zijne bovennatuurlijke geboorte. Daarom is -de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring -niet identisch met die van algemeene en bijzondere. Ter aanduiding -van de tweeërlei openbaring, die aan de heidensche religies -en aan de religie der Schrift ten grondslag ligt, is de laatste -onderscheiding te verkiezen boven de eerste.</p> - -<h4>C. Ongenoegzaamheid der algemeene openbaring.</h4> - -<p>7. Deze revelatio generalis is echter om verschillende redenen -onvoldoende. Ook hierin zijn alle christelijke theologen eenstemmig. -Irenaeus adv. haeres. 2, 28 betoogt tegenover de gnostieken -de beperktheid der menschelijke kennis. Justinus Martyr, Dial. -c. Tryph., inleiding, Tertullianus, de an. c. 1. Lactantius, Instit. -div. 3, 1. 4, 1. Arnobius, adv. nat. I, 38. II, 6. schilderen -de zwakheid der rede in zeer sterke kleuren. Augustinus ontkent -niet, dat er ook bij de Heidenen eenige waarheid is, waarmede -de Christenen hun winst kunnen doen, de doctr. chr. 2, 60. -Maar de philosophie is niet de ware weg tot de zaligheid. Ze -kan slechts weinigen en slechts weinig leeren, de trin. 13, 12. -de civ. 12, 20. de util. cred. 10, 24. Ze kent wel het doel, -maar niet den weg, die tot het doel leidt, Conf. 5, 5. 7, 26. -de civ. 10, 29. Dikwerf leidt ze op een dwaalweg en houdt de -waarheid in ongerechtigheid onder, de trin. 13, 24, zoekt ze -niet op vrome wijze, Conf. 5, 4, mist de liefde die tot kennis -der waarheid noodig is, de civ. 9, 20, wordt door haar eigen -superbia verhinderd in de kennis der waarheid, want alleen -humilitas is de weg ten leven, de civ. 2, 7. Daarom is er nog -een andere weg tot de waarheid noodig, nl. de auctoritas, de -vera relig. c. 24. de mor. eccl. 1, 2. Thomas S. Theol. I qu. -1 art. 1. S. c. Gent. I, 4. betoogt de noodzakelijkheid der openbaring -zelfs voor de door de rede gekende articuli mixti. De -Roomsche kerk heeft de insufficientia der theol. nat. duidelijk -uitgesproken in de voorrede van den Catech. Romanus, en in -<span class="pagenum" id="Page_232">[232]</span> -’t Vaticanum sess. 3 cap. 2 de revelatione, en can. 2, 2-4. En -de Protest. theologen oordeelden over deze insufficientia der algemeene -openbaring niet anders, Calv. Inst. I. 5 § 11 sq. en cap. -6. Heidegger, Corpus Theol. I § 9-13. Trigland, Antapologia -cap. 17. Owen, Θεολογουμενα I cap. 6. Turret. Theol. Elenct. -I qu. 4. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 61 39. De genoegzaamheid -der algemeene openbaring en der daarop gebouwde -religio naturalis werd in vroeger tijd alleen geleerd door de -Pelagianen, die drieërlei weg tot de zaligheid aannamen, n.l. de -lex naturae, lex Mosis en lex Christi. Ook waren er in de christelijke -kerk altijd enkele theologen, die gunstiger over de Heidenen -oordeelden en ook aan de mogelijkheid hunner zaligheid -geloofden, zooals Justinus, Clemens Alex. Erasmus, Zwingli enz. -cf. Vossius, Historia Pelag. 1655 p. 383 sq. Maar bij dezen -rustte dit geloof meestentijds niet op de leer van de genoegzaamheid -der algemeene openbaring, maar op de onderstelling, dat -God ook met zijne bijzondere genade onder de Heidenen hetzij dan -in of na dit leven werkte. Daarentegen werd de volkomen genoegzaamheid -der algemeene openbaring en van de natuurlijke religie -in de 18<sup>e</sup> eeuw geleerd door de deïsten en rationalisten, zooals -Cherbury, Tindal, Collins, Rousseau, Kant enz. Litt. bij Lechler, -Gesch. des engl. Deïsmus 1841 en art. Deïsmus in Herzog<sup>2</sup>. -Bretschneider, System. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe -1841 S. 35 f. Clarisse, Encycl. 1835 p. 405 sq. Doedes, Inleiding -tot de Leer van God 1880 bl. 197 v.</p> - -<p>Over de insufficientia der algemeene openbaring kan er haast -geen twijfel bestaan. Ten eerste blijkt ze daaruit, dat deze openbaring -ons hoogstens eenige kennis verschaft van Gods bestaan -en van sommige zijner eigenschappen, zooals goedheid en gerechtigheid; -maar ze laat ons volstrekt onbekend met den persoon -van Christus, die alleen is de weg tot den Vader, Mt. 11:27. -Joh. 14:6, 17:3. Hd. 4:12. De algemeene openbaring is -daarom onvoldoende voor den mensch als zondaar; zij weet van -geen genade en vergeving; menigmaal is zij zelfs eene openbaring -van toorn, Rom. 1:20. Genade en vergeving, die het wezen der -religie moeten zijn, is een daad van welbehagen, niet van natuur -en noodzakelijkheid. De algemeene openbaring kan hoogstens eenige -waarheden doen kennen, maar brengt geen feiten, geen geschiedenis, -en verandert dus niets in het zijn. Zij verlicht het bewustzijn -<span class="pagenum" id="Page_233">[233]</span> -eenigszins en beteugelt de zonde, maar zij herschept de natuur -van mensch en wereld niet. Zij kan vrees inboezemen, maar geen -vertrouwen en liefde, Shedd, Dogm. Theol. I 66, 218. In de -tweede plaats is de kennis, welke de algemeene openbaring verschaffen -kan, niet alleen gering en onvoldoende, maar ze is ook -onzeker, steeds met dwaling vermengd, en voor verreweg de -meeste menschen onbereikbaar. De geschiedenis der philosophie -is eene geschiedenis van elkander afbrekende systemen geweest; -en is bij de Grieken in het skepticisme, in de Middeleeuwen in -het nominalisme, en thans in het agnosticisme geëindigd. De voor -de religie noodzakelijkste waarheden, bestaan en wezen Gods, -oorsprong en bestemming van mensch en wereld, zonde en vergeving, -loon en straf zijn beurtelings geleerd en bestreden. Er -is in de philosophie over al deze vragen geen genoegzame zekerheid -te verkrijgen. Cicero, Tusc. 1,5 vraagt daarom terecht: ex philosophis -nonne optimus et gravissimus quisque confitetur multa -se ignorare, multa sibi etiam atque etiam esse discenda? Maar -ook al kwamen sommige denkers tot eenige ware en zuivere kennis, -zij was nog altijd met allerlei dwaling vermengd. Elk wijsgeerig -systeem heeft zijne leemten en gebreken. Plato, wiens systeem -volgens Augustinus, de civ. 8,5 het naast aan het Christendom -verwant is, verdedigt het te vondeling leggen van zwakke kinderen, -de paederastie, gemeenschap van vrouwen enz. Zelfs in de moraal -is er groot verschil en onzekerheid; vérité en deça des Pyrenées, -erreur au delà (Pascal). Nescio quomodo nihil tam absurde dici -potest, quod non dicatur ab aliquo philosophorum, Cic. de divin. -2,58. En al waren de wijsgeeren ook in het bezit geweest van -de schoonste en zuiverste leer, de autoriteit zou hun toch hebben -ontbroken, om haar onder het volk ingang te verschaffen. Dikwerf -sluiten zij daarom zelf in de practijk van het leven toch -weer bij het volksgeloof en de volkszeden zich aan; of zij trekken -met een Odi profanum vulgus et arceo van het volk in hoogheid -zich terug. Hun onderlinge strijd en de tegenstelling tusschen -hun leer en leven verzwakte hun invloed. En al ware ook dit -alles nog niet het geval geweest, dan zou toch de leer der wijsgeeren -nooit de religie van het volk hebben kunnen worden of -blijven, omdat in zaken van religie een intellectueel clericalisme -en eene wetenschappelijke hierarchie onverdragelijk is. Daarom -had Thomas volkomen gelijk, als hij zeide, dat ook zelfs in die -<span class="pagenum" id="Page_234">[234]</span> -waarheden, welke de algemeene openbaring ons kennen doet, nog -openbaring en autoriteit van noode is, omdat die kennis slechts -voor weinigen geschikt is, te langen tijd van onderzoek vereischen -zou en ook dan nog onvolkomen en onzeker bleef, S. Theol. I -qu. 1 art. 1, II 2 qu. 2 art. 4. S. contra Gent. I, 4. In de -derde plaats wordt het onvoldoende der natuurlijke openbaring -duidelijk aangetoond door het feit, dat geen enkel volk met de -zoogenaamde religio naturalis is tevreden geweest. De algemeene -religie der deïsten, de moralische Vernunftreligion van Kant, de -pietas en obedientia van Spinoza, zijn alle niets dan pure abstracties, -die in de werkelijkheid nooit hebben bestaan. Zelfs al waren -de vijf artikelen van Herbert of de rationalistische trilogie van -Kant volkomen zeker en streng wetenschappelijk bewijsbaar geweest, -dan nog zouden ze tot het stichten van eene religie, van -een kerk onbekwaam zijn geweest. Want religie is iets wezenlijk -anders dan wetenschap, zij heeft een andere bron en grondslag. -De achttiende eeuw kon in zulke redewaarheden en ijdele abstracties -behagen vinden. De negentiende eeuw met haar historischen -zin heeft spoedig ingezien, dat zulk een religio naturalis nergens -bestond en ook nergens bestaan kan. Thans wordt algemeen toegestemd, -dat alle godsdiensten positief zijn en rusten op openbaring, -Schleiermacher, Glaub. § 10 Zusatz. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. III<sup>2</sup> 4, 500. Id. Unterricht in der christl. Religion<sup>3</sup> S. 20. -Frank, System der chr. Wahrheit. I<sup>2</sup> 512 f. Doedes, Encyclopaedie -190, 191. W. Bender, Zur Geschichte der Emancipation -der natürl. Theol., Jahrb. f. prot. Theol. 1883 S. 529<sup>4</sup>-592. -R. Rütschi, Die Lehre von der natürlichen Religion u. vom -Naturrecht, Jahrb. f. prot. Theol. 1884 S. 1-48. Hoekstra, -Wijsg. Godsd. I 19 v.</p> - -<h4>D. Waarde der algemeene openbaring.</h4> - -<p>8. Daarmede heeft echter de algemeene openbaring niet hare -waarde en beteekenis verloren. Ten eerste is ze van groote beteekenis -voor de heidenwereld. Zij is de vaste en blijvende grondslag -der heidensche godsdiensten. De H. Schrift velt over het -Ethnicisme een gestreng oordeel en verklaart zijn oorsprong uit -afval van de zuivere kennisse Gods. Wel bleef deze kennis, die -’s menschen oorspronkelijk eigendom was, nog een tijd lang -<span class="pagenum" id="Page_235">[235]</span> -nawerken Gen. 4:3. 8:20, en openbaarde de schepping Gods -eeuwige kracht en goddelijkheid, Rom. 1:20. Maar de menschen, -verdwaasd in hunne gedachten en verduisterd in hun hart, hebben -God kennende Hem als God niet verheerlijkt of gedankt. -Daarbij is de verwarring der spraak en de verstrooiïng der volken -Gen. 11 zeker ook voor de ontwikkeling van het polytheïsme -van grooten invloed geweest, Orig. c. Cels V. Aug. de civ. Dei -16:6. Schelling, Einleitung in die philos. der Mythologie I 94 f. -Delitzsch, Comm. op Gen. 11. Auberlen, De goddelijke openbaring -I 187 v. Fabri, Die Entstehung des Heidenthums und -die Aufgabe der Heidenmission 1859. Herzog<sup>2</sup> 12:108. Het Hebr. -גּוֹי, de door afkomst en taal verbondene menigte, natie, naast -גַּם het door eenheid van bestuur verbondene volk wijst hier ook -op. Want גּוֹיִים, ἐθνη wordt doorgaans van de heidensche -volken gebruikt, en beteekent niet alleen volken maar ook heidenen; -het woord heeft eene nationale maar tegelijk ook eene ethisch-religieuse -beteekenis, evenals het lat. pagani en ons heidenen. -De eenheid Gods en dus ook de reinheid der religie ging bij de -splitsing der menschheid in volken te loor. Ieder volk kreeg zijn -eigen, nationalen god. En toen eenmaal het begrip van de eenheid -en de absoluutheid Gods was te loor gegaan, konden naast -dien éénen nationalen god andere machten langzamerhand als -goden erkend en vereerd worden; de idee van het goddelijke -wordt onzuiver en daalt, de verschillende natuurmachten treden -op den voorgrond en stijgen in beteekenis; de grens tusschen het -goddelijke en het creatuurlijke wordt uitgewischt; en de religie -kan zelfs ontaarden in animisme en feticisme, in tooverij en magie. -Het karakter der heidensche godsdiensten bestaat dan ook volgens -de Schrift in afgoderij. De heidensche goden zijn afgoden, -zij bestaan niet, zij zijn leugen en ijdelheid Jes. 41:29, 42:17, -46:1 v. Jer. 2:28. Ps. 106:28. Hd. 14:15, 19:26. Gal. -4:8. 1 Cor. 8:5. In die religies werkt zelfs eene daemonische -macht Deut. 32:17. Ps. 106:28. 1 Cor. 10:20 v. Apoc. 9:20. -De toestand, waarin de heidenwereld buiten de openbaring aan -Israel, buiten Christus verkeert, wordt beschreven als duisternis -Jes. 9:1, 60:2. Luk. 1:79. Joh. 1:5. Ef. 4:18, als onwetendheid -Hd. 17:30. 1 Petr 1:14. Rom 1:18 v.; als ingebeelde -ijdele wijsheid 1 Cor. 1:18 v., 2:6, 3:19 v.; als zonde en -ongerechtigheid Rom 1:24 v., 3:9 v.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_236">[236]</span> -De heidenwereld is in haar oorsprong, karakter en bestemming -een ontzachlijk probleem. Op zichzelve is de oplossing, -welke de Schrift ervan geeft, niet alleen niet ongerijmd, maar -zij beveelt zich zelfs door haar eenvoud en hare natuurlijkheid -aan. Toch heeft de philosophie, zoowel die van de historie als -van de godsdiensten, zich met die oplossing niet tevreden gesteld -en eene andere beschouwing voorgedragen, welke lijnrecht tegen -die der Schrift overstaat. Wel vindt de verheerlijking van den -kinderlijken toestand der volken, gelijk die in de vorige eeuw -gebruikelijk was, thans geene instemming meer. Maar de theorie -der evolutie, die thans ter verklaring dienst doet, is evenzeer -met de Schrift in strijd. Gelijk de natuurwetenschap het levende -uit het levenlooze, het organische uit het anorganische, den -mensch uit het dier, het bewuste uit het onbewuste, het hoogere -uit het lagere tracht af te leiden, zoo zoekt de godsdienstwetenschap -van den nieuweren tijd den godsdienst uit een vroegeren -godsdienstloozen toestand en de zuivere religie uit de primitieve -vormen van feticisme, animisme enz. te verklaren. D. Hume is -daarmede reeds begonnen in zijne Natural history of religion. -Bij Hegel paste zij geheel in het kader zijner pantheïstische -philosophie, Vorlesungen über die Philosophie der Religion 1832. -En sedert heeft ze hoe langer hoe meer verbreiding en verdediging -gevonden, Buckle, History of civilization in England 1858. -W. E. H. Lecky, History of the rise and influence of the spirit -of rationalism in Europe 1865. E. B. Tylor, Researches into the -early history of mankind and the development of civilization -2<sup>d</sup> ed. 1870. Id. Primitive Culture 1872. Sir John Lubbock, -Prehistoric times as illustrated by ancient remains and the manners -and customs of modern savages 1865. Id. The origin of -civilization and the primitive condition of man 1870. H. Spencer, -The principles of sociology 1876-’82. F. von Hellwald, Kulturgeschichte -in ihrer natürlichen Entwicklung bis zur Gegenwart, -3<sup>e</sup> Aufl. 1883. O. Caspari, Die Urgeschichte der Menschheit -mit Rücksicht auf die natürliche Entwicklung des frühesten Geisteslebens -1873. G. Roskoff, Das Religionswesen der rohesten -Natürvolker 1880. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie, Leipzig. -O. Pfleiderer, Religionsphilos. auf geschichtl. Grundlage, 2<sup>e</sup> Aufl. -1883-84. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilosophie 1893. -A. Reville, Prolégomènes de l’histoire des religions, Paris 1881. -<span class="pagenum" id="Page_237">[237]</span> -C. P. Tiele, De plaats v. d. godsd. der natuurvolken in de godsdienstgeschiedenis -1873. Id. Over de wetten der ontwikkeling -van den godsdienst, Theol. Tijdschr. 1874. Id. Gesch. v. d. -godsd. 1876 enz. Hoe algemeen deze leer der evolutie echter -ook aangenomen zij, in elk geval heeft zij nog geen hoogeren rang -dan dien van eene hypothese. Maar zij verklaart de verschijnselen -niet. In de natuurwetenschap stuit zij nog altijd af op de feiten -van leven, bewustzijn, spraak, taal, wil enz. En in de godsdienstwetenschap -blijft het ontstaan en het wezen, de waarheid -en de waarde der religie protest tegen haar indienen. Dat voorts -de natuurvolken den oorspronkelijken toestand der menschheid -vertegenwoordigen, dat feticisme en animisme de oudste godsdienstvormen -zijn, en dat de eerste menschen gelijk waren aan -kinderen of wilden, zijn meeningen, die voldoenden grond missen -en daarom ook hoe langer hoe meer tegenspraak ontmoeten. -Schelling nam in zijne Philosophie der Mythologie und Offenbarung -een relatief monotheïsme als oorspronkelijk aan. Max -Müller erkent een zoogenaamd henotheïsme als primitieven godsdienst, -Vorlesungen über Ursprung und Entwicklung der Religion -S. 292 f. Deutsche Rundschau Sept. 1878. Cf. Rauwenhoff, Wijsb. -v. d. godsd. 95 v. 191 v. en Hoekstra, Wijsg. Godsd. 146 v. -Ook de meening, dat de verschillende godsdiensten opeenvolgende -momenten zijn in één ontwikkelingsproces, is veel minder waarschijnlijk -dan die, welke ze houdt voor ontaardingen van eene -soort, Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 185. De leer der Schrift -over den oorsprong en het wezen van het Ethnicisme wordt -daarom meer of minder beslist nog verdedigd door Lüken, Die -Einheit des Menschengeschlechts und dessen Ausbreitung über -die ganze Erde 1845. Doedes, De toepassing van de ontwikkelingstheorie -niet aan te bevelen voor de gesch. der godsd. 1874. -E. L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung 1878. Zöckler, Die -Lehre vom Urstand des Menschen, Gütersloh 1879. Id. Art. -Polytheismus in Herzog<sup>2</sup>. Lenormant, Les origines de l’histoire -d’après la Bible et les traditions des peuples orientaux, 3 vol. -1880-84. Diestel, der Monoth. des Heidenthums, Jahrb. f. -deutsche Theol. 1860 S. 669-759. A. Tholuck, Der sittliche -Charakter des Heidenthums 3<sup>e</sup> Aufl., Werke VIII 1865 S. 1-91. -J. N. Sepp, Das Heidenthum und dessen Bedeutung für das -Christenthum, 3 Theile Regensburg 1853. C. Pesch, Gott und -<span class="pagenum" id="Page_238">[238]</span> -Götter. Eine Studie zur vergleichenden Religionswissenschaft. Freiburg -1890. Formby-Krieg, Der Monotheïsmus der Offenbarung -und das Heidenthum. Mainz 1880. Ebrard, Apologetik, 2<sup>e</sup> Aufl. -Gütersloh 1878-80. II 521 f. Vigouroux, La Bible et les découvertes -modernes en Palestine, en Egypte et en Assyrie, 4 -vol. James Orr, The Christian view of God and the world, -Edinburgh, Elliot 1893 p. 141, 193, 431, 466, 501. S. H. -Kellogg, The genesis and growth of religion, New-York and -London 1892. Cf. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. -S. 7 f. 23 f.</p> - -<p class="sep2">9. Maar, hoe streng de Schrift ook oordeele over het karakter -van het heidendom, juist de algemeene openbaring die zij leert -stelt ons in staat en geeft ons recht, om al de elementen van -waarheid te erkennen, die ook in de heidensche religies aanwezig -zijn. De studie der godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst -der dogmatiek en apologetiek. De godsdienststichters, zooals Mohammed, -werden eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers -des duivels gehouden. Cf. Dr. Snouck Hurgronje, De -Islam. Gids 1886 II 239 v. Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger -bekend zijn geworden, is deze verklaring onhoudbaar -gebleken; zij was beide met de historie en met de psychologie -in strijd. Naar de H. Schrift is er ook onder de heidenen eene -openbaring Gods, eene verlichting van den Logos, eene werking -van Gods Geest, Gen. 6:17, 7:15. Ps. 33:6, 104:30, 139 -vs. 2. Job 32:8. Pred. 3:19. Spr. 8:22 v. Mal. 1:11, 14. -Joh. 1:9. Rom.2:14. Gal. 4:1-3. Hd. 14:16, 17; 17 vs. -22-30. Vele kerkvaders, Just. Martyr, Apol. 1,47, Clemens -Alex. Strom. I 7 e. a. namen eene werkzaamheid van den Logos -in de heidenwereld aan. Augustinus spreekt meermalen zeer ongunstig -over de heidenen, maar erkent toch ook, dat zij de waarheid -in schaduw zagen, de civ. 19,1 de trin. 4.20, dat de waarheid -hun niet ten eenenmale verborgen was, de civ. 8:11 v. -en dat wij dus met het ware in de heidensche philosophie onze -winste moeten doen en het ons moeten toeëigenen, de doctr. chr. -2,60. Non usque adeo in anima humana imago Dei terrenorum -affectuum labe detrita est, ut nulla in ea velut lineamenta extrema -remanserint, unde merito dici possit, etiam in ipsa impietate -vitae suae facere aliqua legis vel sapere, de spir. et. litt. -<span class="pagenum" id="Page_239">[239]</span> -c. 27, 28. Ook vele niet-reinen erkennen veel waars, Retract. I -c. 4. Thomas zegt niet alleen, dat de mensch als redelijk wezen, -zonder bovennatuurlijke genade, de veritates naturales kennen -kan, S. Theol. I 2 qu. 109 art. 1. maar getuigt ook II 2 -qu. 172 art. 6, dat het onmogelijk is esse aliquam cognitionem -quae totaliter sit falsa, absque admixtione alicujus veritatis, -en beroept zich daarbij op de woorden van Beda en Augustinus: -nulla falsa est doctrina, quae non aliquando aliqua vera falsis -intermisceat. De Gereformeerden waren er nog beter aan toe -door hunne leer van de gratia communis. Hierdoor werden ze -eenerzijds voor de dwaling van het Pelagianisme behoed, dat -de sufficientia der theol. naturalis leerde en de zaligheid verbond -aan de onderhouding der lex naturae; maar konden zij toch -andererzijds al het ware en schoone en goede erkennen dat ook -in de heidenwereld aanwezig was. Wetenschap, kunst, zedelijk, -huiselijk, maatschappelijk leven enz. werden uit die gratia communis -afgeleid en met dankbaarheid erkend en geprezen, Calv. Inst. II, 2. -§ 12 v. II 3. § 3 v. Zanchius, Opera VIII 646 sq. Wttewrongel, -Christ. Huishoudinge I 288-299. Witsius, Oec. foed. III 12. § -52. Id. Twist des Heeren met zijn wijngaart cap. 19. Turret, -Theol. El. 10:5. Vossius, Hist. Pelag. 3:3. Pfanner, Systema -Theol. Gentilis cap. 22 § 33. Trigland, Antapologia cap. 17. -Moor, Comm. in Marckii Comp. IV 826-829. Cf. mijne rede -over De algemeene Genade, Kampen 1894. Gewoonlijk werd -deze werking der gratia communis nu wel gezien in ’t zedelijk -en verstandelijk, maatschappelijk en staatkundig leven, maar -minder dikwijls in de religies. Dan werd alleen van eenige religio -naturalis, insita en acquisita gesproken, maar het verband tusschen -deze en de religies niet aangetoond. De godsdiensten werden uit -bedrog of daemonische invloeden afgeleid. Maar niet alleen in -wetenschap en kunst, in moraal en recht, maar ook in de religies -is er eene werking van Gods Geest en van zijne algemeene genade -op te merken. Calvijn sprak terecht van een semen religionis, -een sensus divinitatis, Inst. I, 3, 1-3. I, 4, 1. II, 2, 18. -Immers, de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen -werktuigen van Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor -hun tijd en voor hun volk een roeping hadden te vervullen, en -op het leven der volken een gunstigen invloed hebben uitgeoefend. -De verschillende godsdiensten, met hoeveel dwaling ook vermengd, -<span class="pagenum" id="Page_240">[240]</span> -hebben tot op zekere hoogte de religieuse behoeften -bevredigd en troost in de smart van het leven geschonken. Niet -alleen kreten van wanhoop, maar ook tonen van vertrouwen, -hoop, berusting, vrede, onderwerping, lijdzaamheid enz. komen -ons uit de heidenwereld tegen. Al de elementen en vormen, die -essentieel zijn aan de religie, Godsbegrip, schuldbewustzijn, -behoefte aan verlossing, offerande, priesterschap, tempel, cultus, -gebed enz. komen verbasterd maar komen toch zoo ook in de -heidensche godsdiensten voor. Zelfs ontbreekt het hier en daar -niet aan onbewuste voorzeggingen en treffende verwachtingen van -een betere en zuiverder religie. Daarom staat het Christendom -niet uitsluitend antithetisch tegen het heidendom over; het is er -ook de vervulling van. Het Christendom is de ware maar daarom -ook de hoogste en zuiverste religie, het is de waarheid van alle -godsdiensten. Wat in het Ethnicisme caricatuur is, is hier het -levende origineel. Wat daar schijn is, is hier wezen. Wat daar -gezocht wordt, is hier te vinden. Het Christendom is de verklaring -van het Ethnicisme. Christus is de Beloofde aan Israel -en de Wensch aller heidenen. Israel en de gemeente zijn uitverkoren -ten bate der menschheid. In Abrahams zaad worden -alle geslachten der aarde gezegend. Zie behalve de bovengenoemde -werken van Fabri, Sepp, Tholuck e. a. ook nog Clemens Alex. -Strom. 1, 1. 4, 5. 6, 8. Coh. ad gentes § 6. Orig. c. Cels. 4, 4. -Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 184. Philippi, Kirchl. Gl. I 2. -Beck, Einleitung in das Syst. der christl. Lehre 2<sup>e</sup> Aufl. 1870 -S. 45 f. Saussaye in mijne Theol. van Prof. Dr. Ch. d. l. S. -bl. 31 v. 46 v. 83 v. V. von Strauss und Torney, Das <ins id="cor_27" title="unbewust">unbewusst</ins> -Weissagende im vorchristl. Heidenthum (Zeitfr. des christl. Volkslebens -VIII). Staudenmaier, Encycl. der theol. Wiss. 1835 § -428 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 134 f. Kuyper, Encycl. -III 445 v. 563 v.</p> - -<p class="sep2">10. Maar de revelatio generalis heeft niet alleen voor de -heidenwereld, maar ook nog in en voor de christelijke religie -beteekenis. Haar waarde is echter niet daarin gelegen, dat zij -ons eene theologia of religio naturalis, een moralischen Vernunftglauben -verschaft, die op zich zelve voldoende zou wezen en al -het positieve in den godsdienst zou kunnen missen. Zulk een -religio naturalis wordt er nergens gevonden en is ook niet bestaanbaar. -<span class="pagenum" id="Page_241">[241]</span> -Evenmin is het de bedoeling der revelatio generalis -dat de Christen uit haar zijn eerste kennis over God, wereld -en mensch zou putten, om deze dan later aan te vullen met de -kennis van Christus. Ritschl en zijne volgelingen stellen het zoo -voor, alsof de dogmaticus in de loci de Deo en de homine de -stof alleen nam uit de revelatio generalis, en dan de stof voor -de volgende loci eerst putte ging uit de H. Schrift. De dogmaticus -zou dan eerst staan buiten en voor het christelijk geloof, -en dan bij de latere dogmata in dat geloof zijne positie nemen, -Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 4. Maar dit is de methode van -de reformatorische dogmatiek althans in den beginne niet geweest. -Als de Christen zijn geloof belijdt in God den Vader, den -Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, dan is dat in -den vollen zin christelijk geloof. En de dogmaticus ontdoet zich -niet eerst van dit zijn geloof, om uit de algemeene openbaring -eene redelijke leer over God en den mensch saam te stellen en -deze later met de openbaring in Christus aan te vullen. Maar -hij put zijne kennis enkel en alleen uit de revelatio specialis, -d. i. uit de H. Schrift. Deze is zijn principium unicum. Maar -hij beperkt deze bijzondere openbaring niet tot den persoon -van Christus, gelijk die in enkele gedeelten der Schrift, bijv. -in de Synopt. Evangeliën of alleen in de Bergrede geteekend -wordt. De gansche openbaring, die in de Schrift is samengevat, -is eene revelatio specialis, welke in Christus tot ons komt. -Christus is middelpunt en inhoud van heel die bijzondere openbaring, -welke bij het Paradijs begint en in de Apocalypse zich -voltooit. De bijzondere revelatie heeft nu de algemeene erkend -en gewaardeerd, en heeft ze zelfs overgenomen en als het ware -geassimileerd. En zoo doet ook de Christen, zoo ook de dogmaticus. -Hij staat in het christelijk geloof, in de revelatio specialis -en ziet van daar uit ook in de natuur en geschiedenis. En -nu ontdekt hij daar sporen van dienzelfden God, dien hij in -Christus leerde kennen als zijn Vader. Juist als Christen, door -het geloof, ziet hij de openbaring Gods in de natuur veel beter -en duidelijker, dan hij ze vroeger opmerken kon. De psychische -mensch verstaat de sprake Gods in de natuur en de geschiedenis -niet. Hij doorzoekt het gansch heelal, zonder God te vinden. -Maar de Christen, gewapend met de bril der H. Schrift, R. de -Sabunde, Theol. Natur. in den Prologus, Calvijn, Inst. I 6, 1., -<span class="pagenum" id="Page_242">[242]</span> -ziet God in alles en alles in God. Daarom treffen we in de -Schrift eene natuurpoëzie en eene geschiedbeschouwing aan, zooals -die nergens wordt gevonden. De geloovige vindt dus met zijne -christelijke belijdenis ook in de wereld zich terecht; hij is er -geen vreemdeling in, en ziet daar geen andere macht heerschen, -dan die hij ook in Christus als zijn Vader aanroept. Door die -algemeene openbaring voelt hij zich in de wereld thuis; het is -Gods vaderlijke hand, uit welke ook in het natuurlijke alle -dingen hem toekomen.</p> - -<p>In die algemeene openbaring heeft hij verder een vasten bodem, -waarop hij alle niet-christenen ontmoeten kan. Hij heeft eenzelfden -grondslag met hen gemeen. Door zijn christelijk geloof -moge hij eene geïsoleerde positie innemen, hij moge zijne geloofsovertuigingen -niet aan anderen kunnen bewijzen; in de algemeene -openbaring heeft hij toch een aanknoopingspunt met al wie den -naam van mensch draagt. Gelijk de klassieke propaedeuse eene -gemeenschappelijke basis legt bij alle mannen van wetenschap, -zoo houdt de algemeene openbaring alle menschen saam trots -alle verschil van religie. Subjectief is bij den geloovige de kennisse -Gods uit de natuur posterieur aan die uit de H. Schrift. -Wij worden allen in een bepaalden positieven godsdienst geboren. -Alleen het oog des geloofs ziet God in de schepping; ook hier -geldt, dat slechts de reine van hart God ziet. Maar objectief -gaat toch de natuur aan de genade, de revelatio generalis aan -de revelatio specialis vooraf. Gratia praesupponit naturam. De -ontkenning, dat de religio en theologia naturalis voldoende is en -een eigen, zelfstandig bestaan heeft, doet niets te kort aan het -feit, dat er uit de schepping, uit natuur en geschiedenis, uit -hart en geweten eene sprake Gods komt tot iederen mensch. Aan -de macht der revelatio generalis ontkomt niemand. De religie -behoort tot het wezen van den mensch. De idee en de existentie -Gods, de geestelijke zelfstandigheid en de eeuwige bestemming -van den mensch, oorsprong en doel der wereld, de zedelijke -wereldorde en haar eindelijke triumf zijn problemen, die den -menschelijken geest geen rust laten. Het metaphysische Bedürfniss -laat zich niet onderdrukken. De wijsbegeerte zoekt altijd -weer er aan te voldoen. Het is de revelatio generalis, die deze -behoefte levendig houdt. Zij belet, dat de mensch zich verlage -tot een dier. Zij bindt hem aan de bovenzinlijke wereld. Zij -<span class="pagenum" id="Page_243">[243]</span> -handhaaft in hem het besef, dat hij naar Gods beeld is geschapen -en geen ruste vindt dan in God. De revelatio generalis bewaart -de menschheid, opdat en totdat zij door Christus gevonden en -hersteld wordt. Inzoover werd de theologia naturalis vroeger -terecht eene praeambula fidei, eene goddelijke voorbereiding en -opvoeding tot het Christendom genoemd. De algemeene openbaring -is de grondslag, waarop de bijzondere zich verheft.</p> - -<p>En eindelijk komt de rijke beteekenis der algemeene openbaring -nog daarin uit, dat zij natuur en genade, schepping en herschepping, -de Welt der Wirklichkeit en de Welt der Werthe met -elkander in onverbrekelijk verband houdt. Zonder de algemeene -openbaring verliest de bijzondere den samenhang met heel het -kosmische zijn en leven. Dan ontbreekt de schakel, die het rijk -der natuur en het koninkrijk der hemelen aan elkander verbindt. -Wie met de kritische philosophie de revelatio generalis ontkent, -doet vergeefsche moeite, om langs den weg der practische Vernunft -of der phantasie te herwinnen, wat hij verloor. Hij heeft -het steunpunt voor zijn geloof verloren. Het religieuse leven staat -los naast het gewone, menschelijke zijn; het beeld Gods wordt -een donum superadditum; de religie wordt evenals bij de Socinianen -vreemd aan de menschelijke natuur; het Christendom -wordt een sectarisch verschijnsel en van zijne katholiciteit beroofd; -de genade staat vijandig tegenover de natuur. Consequent is het -dan, om met de ethische modernen eene radikale scheiding aan -te nemen tusschen de macht van het goede en de natuurmacht. -Ethos en physis liggen totaal gescheiden. De wereld der Wirklichkeit -en die der Werthe hebben niets met elkander te maken. -In beginsel wordt het Parsisme, het Manichaeisme vernieuwd. -Daarentegen handhaaft de revelatio generalis de eenheid van -natuur en genade, van wereld en Godsrijk, van de natuurlijke -en de zedelijke orde, van schepping en herschepping, van physis -en ethos, van deugd en geluk, van heiligheid en zaligheid, en -in dit alles de eenheid van het goddelijk Wezen. Het is eenzelfde -God, die in de algemeene openbaring zich aan niemand -onbetuigd laat en die in de bijzondere openbaring zich kennen -doet als een God van genade. Algemeene en bijzondere openbaring -werken dus op elkander in. Praemisit Deus naturam magistram, -submissurus et prophetiam, quo facilius credas prophetiae -discipulus naturae (Tertullianus). Natura praecedit gratiam, gratia -<span class="pagenum" id="Page_244">[244]</span> -perficit naturam. Ratio perficitur a fide, fides supponit naturam. -Cf. Hofstede de Groot, Institutio theol. nat. ed. 4. 1861. Scholten, -Leer der Herv. Kerk, 4<sup>e</sup> dr. I bl. 270 v. Kuyper, Nat. Godskennis, -Uit het Woord III. Voigt, Fund. dogm. 172 f.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 10. <span class="smcap">Bijzondere Openbaring.</span></h3> - -<h4>A. Middelen der bijzondere openbaring.</h4> - -<p>1. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemeene -openbaring genoeg heeft. Ook de christelijke religie beroept zich -op eene bijzondere openbaring. De Schrift is het boek der revelatio -specialis. De woorden, waarmede zij het begrip der openbaring -uitdrukt, zijn voornamelijk deze: גלה ontdekken, ni. ontdekt -worden, zich vertoonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen. -35:7; 1 Sam. 2:27, 3:21; Jes. 53:1, 56:1; Hos. 7:1, enz. -ראה zien, ni. gezien worden, zich vertoonen, schijnen, Gen. 12:7, -17:1, 18:1, enz.; ידע kennen, ni. pi. hi. hithp. bekend maken, -onderwijzen, Num. 12:6; ἐπιφαινειν verschijnen Luk. 1:79; -Tit. 1:11; subst. ἐπιφανεια, verschijning, vooral van Christus -in zijne wederkomst 2 Thess. 2:8; 1 Tim. 6:14; 2 Tim. 4:1; -Tit. 2:13; 2 Tim. 1:10 van Christus’ eerste komst; ἐμφανιζειν -openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertoonen, verschijnen -Mt. 27:53; Joh. 14:21, 22; γνωριζειν bekend maken -Luk. 2:15; Rom. 9:22; Ef. 3:3, 5, 10; δηλουν bekend -maken 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:14; δεικνυναι toonen Joh. -5:20; λαλειν spreken Hebr. 1:1, 2:2, 5:5; vooral ook -ἀποκαλυπτειν en φανερουν. Beide woorden zijn niet te onderscheiden -als subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige -vertooning of openbaarmaking, gelijk Scholten, L. H. K. -4e dr. I 165 v. 299. Dogm. Christ. Initia I 26 sq. meende: -want ἀποκαλυπτειν wordt meermalen van objectieve openbaring -gebezigd Luk. 17:30; Rom. 1:17, 18, 8:18; Ef. 3:5; 2 Thess. -2:3, 6, 8; 1 Petr. 1:5, 5:1. Ook ligt het onderscheid niet -daarin, dat φανερουν de algemeene openbaring Gods in de natuur, -en ἀποκαλυπτειν de bijzondere openbaring der genade aanduidt, -Neander, Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche -<span class="pagenum" id="Page_245">[245]</span> -durch die Apostel, 5<sup>te</sup> Aufl. Gotha, Perthes 1862 S. 131 f. want -φανερουν wordt menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd -Joh. 17:6; Rom. 16:26; Col. 1:26; 1 Tim. 3:16; -2 Tim. 1:10, enz.; en ἀποκαλυπτειν komt Rom. 1:18 ook -van de algemeene openbaring voor. Een constant verschil in het -gebruik van beide woorden laat zich in het N. T. moeilijk aanwijzen. -Maar etymologisch geeft ἀποκαλυπτειν te kennen het -wegnemen van het bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen -was, en φανερουν het openbaar maken van eene zaak, die verborgen -of onbekend was. Bij het eerste valt daarom de nadruk op het uit -den weg ruimen van de verhindering, die het kennen van het -verborgene belette; op het mysterieus karakter van datgene, -hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke daad, -die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede -woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en -onbekend was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden. -Ἀποκαλυψις neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen -was; φανερωσις maakt de zaak zelve openbaar. Daarmede -hangt saam, dat φανερωσις altijd van objectieve, ἀποκαλυψις -beide van objectieve en subjectieve openbaring wordt gebezigd; -dat φανερωσις meermalen èn de algemeene èn de bijzondere -openbaring aanduidt, maar ἀποκαλυψις meest altijd de bijzondere -en slechts eene enkele maal de algemeene. En beide woorden zijn -dan van γνωριζειν en δηλουν wederom zoo onderscheiden, dat -de beide eerste de dingen in ’t licht doen treden, onder de waarneming -brengen, en de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu -ook maken tot inhoud van ons denkend bewustzijn. Cf. Dr. F. -G. B. van Bell, Disput. theol. de patefactionis christianae indole -ex vocabulis φαν. et ἀποκ. in libris N. T. efficienda 1849. -Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenhoff, De zelfstandigheid -van den Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet. Theol. 1870 -bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s. v. Herzog<sup>2</sup> 12, 654. Voigt, -Fundamentaldogm. 201 f. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v.</p> - -<p>De christelijke religie komt dus daarin met alle historische -godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar -de overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en -wijzen toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen -kunnen tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats -verlangt het religieus geloof een God van nabij en niet van verre -<span class="pagenum" id="Page_246">[246]</span> -Hd. 17:27; het was daarom ten allen tijde overtuigd van verschijning -der goden in eene of andere gedaante, onder een of -ander teeken, op eene of andere plaats. Heilige plaatsen, heilige -tijden, heilige beelden zijn er bijna in iederen godsdienst. De -goden zijn niet aan de menschen gelijk en leven niet met hen -op gelijken voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd; -maar de goden wonen toch bij en onder de menschen -op bepaalde plaatsen, in bijzondere voorwerpen, en deelen hun -zegen op bepaalde tijden mede. De idololatrie, opgevat in den -ruimsten zin, is geboren uit de behoefte aan een God van nabij, -Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. I 54 f. 114 f. In de -tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen, dat de goden -op een of andere wijze hunne gedachte en hun wil openbaren, -hetzij door menschen als hun organen, zooals waarzeggers, orakels, -droomers, doodenvragers, geestenzieners, enz. hetzij kunstmatig -en uitwendig door de sterren, de vlucht der vogels, de ingewanden -der offerdieren, het spelen der vlam, de lijnen der hand, het -toevallig opslaan en openvallen van een boek, enz., μαντικη, -divinatio. Nemo vir magnus sine afflatu divino unquam fuit, Cic. -de nat. deor. 2, 66, cf. Cicero de divinatione, Plutarchus, de -defectu oraculorum, A. Bouché-Leclercq, Histoire de la divination -dans l’antiquité, 4 vol. 1879-82. Saussaye t. a. p. 93 f. -En eindelijk is in alle godsdiensten het geloof aanwezig aan -bijzondere tusschenkomst en hulp der goden in tijden van nood; -algemeen verbreid is de magie, d. i. die kunst, waardoor menschen -met mysterieuse middelen, heilige woorden, formulen, -amuletten, dranken, enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar -maken en wonderbare werkingen te voorschijn brengen, -Ennemoser, Gesch. der Magie, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipzig 1844. Alfr. -Maury, La magie et l’astrologie dans l’antiquité et au moyen-âge -1860. Lenormant, Les sciences occultes en Asie, 2 vol. -1874-’75. Saussaye ib. Theophanie, mantiek en magie zijn de -wegen, waarlangs alle openbaring tot den mensch komt. Dit algemeen -religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is -zeker niet, in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of daemonische -werking, noch ook uit onbekendheid met de natuurorde -te verklaren, maar is een noodzakelijk element in alle religie. -De religieuse behoefte zoekt bevrediging; en waar ze deze niet -vindt in eene haar tegenkomende, reëele openbaring Gods, zoekt -<span class="pagenum" id="Page_247">[247]</span> -ze haar in den weg der ἐθελοθρησκεια. Zij neemt die geheimzinnige -krachten in den mensch zelf of buiten hem in de natuur -in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met eene bovennatuurlijke -wereld. De superstitie is de bastaardvorm der echte -religie. Het bijgeloof is de caricatuur van de πιστις. De hedendaagsche -verschijnselen van spiritisme, theosophie, telepathie, -magnetisme, hypnotisme, enz. strekken hiervan ten bewijze, en -toonen misschien ook aan, dat er in de zoogenaamde nachtzijde -van de menschelijke natuur krachten verscholen liggen, welke -een meer onmiddellijk rapport bewerken kunnen met eene bovenzinlijke -wereld en in elk geval het geloof aan zoodanig rapport, -zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz. genoegzaam -kunnen verklaren. There are more things in heaven and earth, -than are dreamt of in your philosophy (Shakespeare). Cf. art. -Modern Bijgeloof in Tijdspiegel Jan. 1895. De H. Schrift schijnt -aan dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen, -Gen. 41:8; Ex. 7:8; Deut. 13:1, 2; Mt. 7:22, 24:24; -2 Thess. 2:9; 2 Tim. 3:8; Apoc. 13:13-15. Maar de religie -in O. en N. T. wil beslist met alle deze godsdienstige verschijnselen -niets gemeen hebben. Zij staat er principieel tegenover. Zij -erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten stelligste Lev. 19:26, -31, 20:27; Num. 23:23; Deut. 18:10, 11; Hd. 8:9, 13:6, -16:16, 19:13 v.; Gal. 5:20; Apoc. 21:8, 22:15. Profeten -en apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn -geplaatst te worden met de heidensche waarzeggers en toovenaars. -Er moge soms, b.v. in de verschijningen aan de aartsvaders, -overeenstemming van vorm zijn, maar er is verschil in wezen. -Theophanie, mantiek, magie zijn evenals offerande, tempel, -priesterschap, cultus, enz. essentieele elementen in de religie. Ze -komen daarom in alle godsdiensten, ook in dien van Israel, en -in het Christendom voor. Ook de christelijke religie heeft haar -offerande Ef. 5:2, haar priester Hebr. 7, haar tempel 1 Cor. -3:16, enz. Het onderscheid tusschen het Christendom en de -andere godsdiensten ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke -elementen der religie daar ontbreken, maar is hierin gelegen, -dat alwat in ’t Heidendom voorkomt in caricatuur, in Israel tot -schaduw en beeld, en hier tot waarachtige, geestelijke realiteit -is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat Israels godsdienst -eenerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel, priesterschap, -<span class="pagenum" id="Page_248">[248]</span> -enz. zooveel overeenkomst vertoont met de heidensche godsdiensten -en andererzijds principieel ervan onderscheiden is, zoodat -alleen uit Israel de Messias is voortgekomen. Dit principieel -onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie -niet genomen wordt door den mensch, maar door God. In de -heidensche godsdiensten is het de mensch, die God zoekt, Hd. -17:27; hij tracht op allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen, -en trekt Hem neer in het stof Rom. 1:23; hij poogt -door allerlei middelen macht over God te verkrijgen. Maar in -de Schrift is het altijd God, die den mensch zoekt. Hij schept -hem naar zijn beeld. Hij roept hem na den val. Hij behoudt -Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israel zijne wetten. -Hij roept en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij -zondert de apostelen af. Hij oordeelt eens levenden en dooden. -Het Ethnicisme leert ons den mensch kennen, in zijne rusteloosheid, -in zijn ellende, in zijn onvrede, en ook in zijne edele -aspiratiën, in zijne eeuwige behoeften; den mensch beide in zijne -armoede en zijn rijkdom, in zijne zwakheid en in zijne kracht; -het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme. -Maar de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en -zoeken van den mensch, in zijne ontferming en genade, in zijn -recht en zijne liefde. Maar theophanie, profetie en wonder zijn -ook hier de middelen, waardoor God zich openbaart en geeft aan -den mensch, Oehler, Ueber das Verhältniss der altt. Prophetie -zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882 S. 29 f. 753 f. -Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 § 1. Staudenmaier, -Encycl. § 231 f. § 271 f. Schultz, Altt. Theologie, -4<sup>e</sup> Aufl. Göttingen 1889 S. 226 f.</p> - -<p class="sep2">2. Theophanie (Angelophanie, Christophanie). Meermalen is -er in de H. Schrift sprake van eene verschijning Gods; soms -zonder eenige nadere omschrijving, Gen. 12:7, 17:1, 22, 26:2, -24, 35:9; Ex. 6:2, cf. ook Gen. 11:5; Ex. 4:24, 12:12, -23, 17:6; Num. 23:4, 16; 1 Sam. 3:21; 2 Sam. 5:24; -maar elders in den droom, Gen. 20:3, 28:12 v. 31 -vs. 24; 1 Kon. 3:5, 9:2; of ook in het profetisch visioen, -1 Kon. 22:19 v. Jes. 6. Ezech. 1:4 v., 3:12 v., 8:4 v., -10:1 v., 43:2 v., 44:4; Am. 7:7, 9:1; Dan. 7:9 v. Luk. -2:9; 2 Petr. 1:17; en menigvuldiger nog in wolken van rook -<span class="pagenum" id="Page_249">[249]</span> -en vuur als teekenen van zijne tegenwoordigheid; zoo aan Abraham, -Gen. 15:17 v., aan Mozes, Ex. 3:2, 33:18 v., op Sinaï, -Ex. 19:9, 16 v., 24:16, cf. vs. 9-11, Deut. 5:23, 9:15; -Hebr. 12:28, over het volk, Ex. 13:21 v., 14:19-24, 40 -vs. 38; Num. 9:21, 14:14; Deut. 1:33; Neh. 9:12, 19; -Ps. 78:14, boven den tabernakel, Ex. 33:9, 40:34 v. Lev. -9:23; Num. 9:15-23, 11:17, 25, 12:5, 17:7, 20:6; Deut. -31:15; Ps. 99:7; Jes. 4:5, en in het heilige der heiligen Ex. -25:8, 22, 29:45, 46; Lev. 16:2, 26:11, 12; Num. 7:89, -cf. ook nog aan Elia 1 Kon. 19:11 v. Deze verschijningen onderstellen -geene lichaamlijkheid Gods, Ex. 20:4, 33:20; Deut. -4:12, 15, maar zijn zinnelijk waarneembare teekenen, waardoor -zijne tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de H. Geest -op den Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er -is daarbij ook niet te denken aan eene emanatie van deze wolk -uit het goddelijk Wezen, maar aan eene in creatuurlijke vormen -zich openbarende tegenwoordigheid Gods. In die teekenen wordt -de goddelijke heerlijkheid, כָּבוֹד, δοξα openbaar, Ex. 16:20, -24:17; Lev. 9:6, 23, 24; Num. 14:10, 16:19, 20:6; en -daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een verterend -vuur Ex. 24:7; Lev. 9:23, 24 en als eene wolk 1 Kon. 8 -vs. 10, 11; Jes. 6:4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke -teekenen; ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn -volk. Omgeven en gediend door vele duizenden Engelen Jes. 6 -vs. 2, 6, zendt Hij dezen in menschelijke gedaante naar deze -aarde heen, om zijn woord en wil bekend te maken. Zij komen -reeds voor in Gen. 18, 19, 28:12, 32:1, 2; Deut, 33:2; Job -33:23; 1 Kon. 13:18 en hebben volgens Hd. 7:53; Gal. 3 -vs. 19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der -openbaring vooral na de Ballingschap, Dan. 8:13, 9:11, 10:5; -Zach. 1:7-6:5. Nog vaker treden ze op in het N. Test.; ze -zijn tegenwoordig bij de geboorte van Jezus, Mt. 1:20, 2:13, 19; -Luk. 1:11, 2:9, telkens in zijn leven, Joh. 1:52; Mt. 4:6, -bij zijn lijden, Mt. 26:53; Luk. 22:43, bij zijne opstanding en -hemelvaart, Mt. 28:2, 5; Luk. 24:23; Joh. 20:12; Hd. 1:10. -In de geschiedenis der apostelen komen ze meermalen voor Hd. -5:19, 8:26, 10:3, 11:13, 12:7, 23:9, 27:23; Apoc. 22 -vs. 6, 16. En bij zijne wederkomst wordt Christus door de Engelen -vergezeld Mt. 16:27, 25:31; Mk. 8:38; Luk. 9:26; 1 Thess. -<span class="pagenum" id="Page_250">[250]</span> -3:13 enz. Onder al deze gezanten Gods neemt de מלאך יהוה -eene bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan Hagar, Gen. 16:6-13, -21:17-20; aan Abraham, Gen. 18, 19, 22, 24:7, 40; -aan Jakob, Gen. 28:13-17, 31:11-13, 32:24-30 cf. Hos. -12:4; Gen. 48:15, 16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3:2 v. -13:21, 14:19, 23:20-23, 32:34, 33:2 v. cf. Num. 20:16; -Jes. 63:8, 9, en voorts nog Jos. 5:13, 14; Richt. 6:11-24, -13:2-23. Deze Malak Jhvh is geen onzelfstandig symbool, -noch ook een geschapen engel, maar eene persoonlijke, adaequate -openbaring en verschijning Gods, van Hem onderscheiden, Ex. -23:20-23, 33:14 v.; Jes. 63:8, 9, en toch met Hem één -in naam Gen. 16:13, 31:13, 32:28, 30, 48:15, 16; Ex. 3:2 -v., 23:21; Richt. 13:1, 2; in macht Gen. 16:10, 11, 21:18, -18:14, 18; Ex. 14:21; Richt. 6:21; in verlossing en -zegening, Gen. 48:16; Ex. 3:8, 23:20; Jes. 63:8, 9; in -aanbidding en eere, Gen. 18:3, 22:12; Ex. 23:21. Na de -verlossing uit Egypte treedt de Malak Jhvh terug. God woont -onder zijn volk in den tempel 1 Kon. 8:10 v.; 2 Chron. 7:1 v.; -Ps. 68:17, 74:2, 132:13 v., 135:21. Daarheen gaat het -zielsverlangen van Israels vromen uit, Ps. 27:4, 42, 43, 48, -50, 63:3, 65, 84, 122, 137. Maar deze theophanie is onvolkomen. -God woont niet in een huis met handen gemaakt 1 Kon. -8:27; Jer. 7:4; Mich. 3:11; Hd. 7:48, 17:24. In het -heilige der heiligen mocht slechts de hoogepriester eenmaal -’s jaars ingaan. De theophanie bereikt in het O. T. nog niet haar -einde en haar doel. Daarom wordt er nog eene andere en heerlijker -komst van God tot zijn volk verwacht, zoowel tot verlossing -als tot gericht, Ps. 50:3, 96:13; Jes. 2:21, 30:27, -40 v. passim. Mich. 1:3, 4:7; Zeph. 3:8; Joel 3:17; Zach. -2:10 v.; 14:9. De Engel des verbonds treedt wederom op in -de profetie Zach. 1:8-12, 3; en zal komen tot zijnen tempel -Mal. 3:1. De theophanie bereikt haar hoogtepunt in Christus, -die de ἀγγελος, δοξα, εἰκων, λογος, υἱος του θεου is, in wien God -ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken, Mt. 11:27; -Joh. 1:14; 14:9; Col. 1:15, 2:19, enz. Door Hem en den -Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen Gods onder en in -zijn volk reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit Joh. 14:23; -Rom. 8:9, 11; 2 Cor. 6:16. De gemeente is het huis Gods, -de tempel des H. Geestes, Mt. 18:20; 1 Cor. 3:16, 6:19; -<span class="pagenum" id="Page_251">[251]</span> -Ef. 2:21. Maar ook deze inwoning Gods in de gemeente van -Christus is nog niet het laatste en hoogste. Zij bereikt haar volle -verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan is de tabernakel -Gods bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij -zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. -Zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hunne voorhoofden -wezen, Mt. 5:8; 1 Cor. 15:28; 1 Joh. 3:2; Openb. -21:3; 22:4. Cf. art. Theophanie en Schechina in Herzog<sup>2</sup>. Art. -Wolken- u. Feuersäule in Winer, Bibl. Realwört. Trip, Die -Theophanieen in den Geschichtsbüchern des A. T. Leiden 1858 en -de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4<sup>e</sup> Aufl. 1889 -S. 507 f. Oehler, Altt. Theol. 2<sup>te</sup> Aufl. 1882 S. 195 f. Smend, -Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 S. 42 f. Weber, System -der altsynag. palästin. Theologie, Leipzig 1880 S. 179 f. Cremer, -Wörterb. s. v. δοξα. Delitzsch, Bibl. Psychol., 2<sup>e</sup> Aufl. 1861 S. -49 f. Keerl, Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes, -Basel 1863. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v.</p> - -<p class="sep2">3. Profetie. Onder profetie verstaan wij hier de mededeeling -Gods van zijne gedachten aan den mensch. Dikwerf wordt hiervoor -de naam van inspiratie gebezigd; en in zooverre ook juister, -als het begrip van profetie ruimer is dan dat van inspiratie en -ook de verkondiging van die gedachten aan anderen omvat. Maar -inspiratie is op grond van 2 Tim. 3:16 vooral van de beschreven -openbaring gebruikelijk. En het woord profetie werd vroeger -meermalen in onzen zin gebezigd, Thomas, S. Theol. II 2 qu. -171 art. 1. Het sluit ook in het ontvangen der gedachten van -God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord verkondigt. -En het doet beter dan inspiratie de bedoeling Gods uitkomen, -waarmede Hij zijne gedachten meedeelt, n.l. dat de mensch zelf -een profeet zij, een verkondiger van zijne deugden. De gedachten -Gods nu, welke in de profetie worden medegedeeld, kunnen betrekking -hebben op het verleden, gelijk in de historische boeken -der Schrift of op het heden of op de toekomst. Maar altijd stelt -de profetie de gedachten Gods tegenover die der menschen, zijne -waarheid tegenover hun leugen, zijne wijsheid tegenover hun -dwaasheid. Deze mededeeling van Gods gedachten aan den mensch -kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende wijze. -Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menschelijke stem -<span class="pagenum" id="Page_252">[252]</span> -en taal, Gen. 2:16, 3:8-19, 4:6-16, 6:13, 9:1, 8 v., -32:26 v.; Ex. 19:9 v.; Num. 7:89; Deut. 5:4; 1 Sam. -3:3 v.; Mt., 3:17, 17:5; Joh. 12:28, 29. Op vele plaatsen -wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere omschrijving -van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of -inwendig, in droom of visioen, enz. Het vertrouwelijkst karakter -draagt dit spreken Gods bij Mozes, die niet verschrikt noch -nedervalt als God tot hem spreekt, maar met wien God sprak -van mond tot mond, en omging als een vriend met zijn -vriend, Num. 12:6-8; Ex. 33:11, 34:29; Deut. 5:5, 18:15, -18; 2 Cor. 3:7; Gal. 3:19; Hebr. 3:5. Cf. Thomas S. -Theol. II 2 qu. 174 art. 4. Witsius, de proph. I 7. Episcopius, -Instit. Theol. III 2. De Joden spraken later van eene Bath-Kōl, -eene hemelsche stem, waardoor God zich openbaarde; maar deze -stond lager dan de vroegere profetie, en was gekomen nadat de -geest der profetie had opgehouden, Weber, System der altsyn. -pal. Theol. 187, Herzog<sup>2</sup> 2, 130. Maar dikwerf sluit God in de -mededeeling zijner gedachten zich bij die lagere vormen aan, -onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden hun -wil bekend te maken. Er is dan in den vorm eene bijna volkomene -overeenstemming. Daartoe behooren vooral het lot, de -Urim en Thummim, de droom en het visioen. Het lot werd bij -vele gelegenheden gebruikt, op den grooten verzoendag Lev. 16:9, -bij verdeeling van het land, Jos. 13:6, 14:2 enz., Neh. 11:1; -van de Levietensteden, Jos. 21:4; van buit Joel 3:3; Nah. -3:10; Ob. 11; van kleederen, Mt. 27:35; Joh. 19:23; -bij beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7; 1 Sam. 14:42; -Spr. 16:33, 18:18; Jon. 1:7; bij verkiezing tot een ambt, -1 Sam. 10:19; Hd. 1:26; 1 Chron. 24:5; Luk. 1:9, enz.; -ook het Godsoordeel, Num. 5:11-31 kan hierbij gerekend -worden, Herzog<sup>2</sup> 8 762. De Urim en Thummim, LXX δηλωσις -και ἀληθεια, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen -7 maal voor Ex. 28:30; Lev. 8:8; Num. 27:21; Deut. 33:8; -1 Sam. 28:6; Ezra 2:63; Neh. 7:65. De U. en Th. zijn niet -met de 12 edele steenen op den borstlap des hoogepriesters -identisch, gelijk Josephus Ant. III, 8, 9 en velen na hem meenen, -maar waren volgens Ex. 28:30 en Lev. 8:8 voorwerpen, die -in den borstlap verborgen werden, Philo, Vita Mosis 3. Maar -hoe ze Gods wil deden kennen, door glinstering van de steenen, -<span class="pagenum" id="Page_253">[253]</span> -door eene stem, door inspiratie, enz., en ook waarin ze bestonden, -in twee steenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in -eene van edele gesteenten gemaakte halsketen, of in steenen om -te loten, is geheel onbekend. De laatste meening heeft in den -nieuweren tijd steun gekregen in den door Thenius 1842 naar de -LXX veranderden tekst van 1 Sam. 14:41. De U. en Th. -zouden dan loten geweest zijn met ja en neen en ook gebruikt -zijn Richt. 1:1, 20:18; 1 Sam. 22:10, 15, 23:6, 9-11, -30:7 v.; 2 Sam. 2:1, 5:19, 23. Maar daarbij zijn antwoorden, -niet van ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding -Richt. 20:27; 1 Sam. 30:7 v.; 2 Sam. 5:23, 21:1; Richt. -1:1, 20:18; 2 Sam. 2:1, vooral 1 Sam. 10:22<sup>b</sup>; 2 Sam. 5:23; -1 Chron. 14:14, niet goed te verklaren. De U. en Th. behoorden -echter zeker wel tot eene zelfde categorie van openbaring -als het lot; zij komen vooral voor in den tijd van Salomo en -schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie. Cf. art. -U. en Th. in Herzog<sup>2</sup>. Winer Realwört. Riehm, Wörterb. Keil, -Archaeol. § 35. De Wette-Räbiger, Archaeol. S. 281 f. Oehler, -Altt. Th. S. 334 f. Schultz, Altt. Th. 257 f. Dosker, Presbyt. -and Ref. Rev. Oct. 1892 p. 717 etc.</p> - -<p>Vervolgens komen droomen in de H. Schrift als openbaringsmiddel -voor. Daarvoor werden zij in de gansche oudheid gehouden, -Homerus, Od. 19:560 v. Il. 1:63, 2:22, 56. Aristoteles, -περι της καθ’ ὑπνον μαντικης. Cicero, de divinatione -1:29. Philo, de somniis, enz. Herzog<sup>2</sup> 15:733. En nog wordt -door velen groote waarde aan droomen gehecht, Splittgerber, -Schlaf und Tod, 2<sup>e</sup> Aufl. 1881 I 66-205. Nu wist men ten -allen tijde, dat droomen ook zeer bedriegelijk waren. Homerus -Od. 19:560 v. Arist. t. a. p., en ook de H. S. wijst telkens -op het ijdele der droomen Ps. 73:20; Job 20:28; Jes. 29:7; -Pred. 5:2, 6; Sirach 31:1 v., 34:1 v.; en schrijft ze dikwerf -aan de valsche profeten toe Jer. 23:25, 29:8; Mich. 3:6; -Zach. 10:2. Maar toch bedient God zich telkens van droomen -om zijn wil bekend te maken, Num. 12:6; Deut. 13:1-6; -1 Sam. 28:6, 15; Joel 2:28 v.; zij komen bij Israelieten, -maar ook meermalen bij niet-Israelieten voor Gen. 20, 31, 40, 41; -Richt. 7; Dan. 2, 4 en behelzen of een woord, eene mededeeling -Gods, Gen. 20:3, 31:9, 24; Matth. 1:20, 2:12, 19, 22, -27:19; of een voorstelling der phantasie, die dan meermalen -<span class="pagenum" id="Page_254">[254]</span> -verklaring behoeft Gen. 28. 37:5, 40:5, 41:15; Richt. 7:13; -Dan. 2, 4. Litter, bij Herzog<sup>2</sup> 15:734. G. E. W. de Wijs, De -droomen in en buiten den Bijbel 1858. Witsius, de proph. I cap. 5.</p> - -<p>Met den droom is het visioen verwant Gen. 15:1, 11; 20:7; -Num. 12:6. Reeds de namen רֹאֶה, חֹזֶה, נָבִיא en misschien ook -צֹפֶה waarmede de profeet genoemd wordt, Kuenen, De Profeten -I 49, 51 v. 97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond. -II<sup>2</sup> 5 v. König, Der Offenbarungsbegriff I 71 f. Delitzsch, -Genesis<sup>3</sup> 634. Schultz, Altt. Th. 239. Smend, Lehrb. 79 f., en -de namen מַרְאֶה en חָזוֹן voor het profetisch gezicht duiden waarschijnlijk -aan, dat het visioen een niet ongewoon middel der -openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwerf hunne oorspronkelijke -beteekenis verloren en worden ook gebruikt, als er -geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3:15; Jes. 1:1; -Ob. 1; Nah. 1:1, enz. Visioenen worden in de Schrift telkens -vermeld en beschreven, van Genesis af tot in de Apoc. toe. -Gen. 15:1, 46:2; Num. 12:6, 22:3, 24:3; 1 Kon. 22:17-23; -Jes. 6, 21:6; Jer. 1:24; Ezech. 1-3, 8-11, 40; -Dan. 1:17, 2:19, 7, 8, 10; Amos 7-9; Zach. 1-6; Matth. -2:13, 19; Luk. 1:22, 24:23; Hd. 7:55, 9:3, 10:3, 10, -16:9, 22:17, 26:19; 1 Cor. 12-14; 2 Cor. 12:1; Apoc. -1:10, enz. Het visioen was menigmaal van eene zekere geestvervoering -vergezeld. Muziek, dans en extase gaan saam; profetie -en poezie zijn verwant, 1 Sam. 10:5 v., 19:20-24; 2 Kon. -3:15; 1 Chr. 25:1, 25; 2 Chr. 29:30. Als de hand des -Heeren op de profeten valt, Jes. 8:11; Ezech. 3:14, 11:5 of -de Geest over hen komt, geraken zij menigmaal in een toestand -van verrukking Num. 24:3; 2 Kon. 9:11; Jer. 29:26; Hos. -9:5, en vallen ter aarde Num. 24:3, 15, 16; 1 Sam. 19:24; -Ezech. 1:28, 3:23, 43:3; Dan. 10:8-10; Hd. 9:4; Apoc. -1:17, 11:16, 22:8. In dien toestand worden hun de gedachten -Gods in symbolischen vorm te zien of te hooren gegeven. In -beelden en gezichten wordt hun zijn raad geopenbaard Jer. 1:13 -v., 24:1 v.; Am. 7-9; Zach. 1-6; Apoc., enz.; vooral -aangaande de toekomst, Num. 23 v.; 1 Kon. 22:17; 2 Kon. -5:26, 8:11 v.; Jer. 4:23 v., 14:18; Ezech. 8; Am. 7, enz. -Ook hooren zij in dien toestand allerlei stemmen en geluiden, -1 Kon. 18:41; 2 Kon. 6:32; Jes. 6:3, 8; Jer. 21:10, 49:14; -Ezech. 1:24, 28, 2:2, 3:12; Apoc. 7:4, 9:16, 14:2, -<span class="pagenum" id="Page_255">[255]</span> -19:1, 21:3, 22:8, enz. Zelfs worden zij in den geest opgenomen -en verplaatst, Ezech. 3:12 v., 8:3, 43:1; Dan. 8:2; Matth. -4:5, 8; Hd. 9:10, 10, 11, 22:17, 23:11, 27:23; 2 Cor. -12:2; Apoc. 1:9, 12, 4:1, 12:18. Daniel was na het -ontvangen van een visioen eenige dagen krank, 7:28, 8:27. -Toch was de extase waarin de ontvangers der openbaring menigmaal -verkeerden, geen toestand, waarbij het bewustzijn geheel of -gedeeltelijk was onderdrukt. Zoodanig was wel de toestand, waarin -de grieksche μαντεις hunne godspraken gaven, Tholuck, Die -Propheten u. s. w. 64 f. En Philo, Quis rer. div. heres, -Just. Martyr, Dial. c. Tryph, c. 135. Coh. ad Graecos c. 37. -Athenagoras, Leg. pro Christ. c. 8. Tertul. adv. Marc. 4, 22 en -in den nieuweren tijd Hengstenberg in de eerste uitgave zijner -Christol. des A. T. III. 2. 158 f. hebben de extase der profeten -alzoo opgevat. Maar dezen ontvangen visioenen niet in -slapenden maar in wakenden toestand, niet alleen in de eenzaamheid, -maar ook in anderer bijzijn, Ezech. 8:1. Onder het visioen -blijven zij zichzelf bewust, zien, hooren, denken, spreken, vragen -en antwoorden Ex. 4-6, 32:7 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 4-6 -enz. en later herinneren zij zich alles en deelen het nauwkeurig -mede, König, Der Offenbarungsbegriff, I 160 f. II 83 f. Kuenen, -De profeten I 96 v. Oehler, Altt. Theol. § 207 f. Orelli in -Herzog<sup>2</sup> 16:724. Daarom werd de psychische gesteldheid der -profeten onder het visioen door de meeste theologen gehouden -voor eene zelfbewuste, geestelijke aanschouwing, voor eene -alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor eene alienatio -a mente; zoo o. a. door Orig. de princ. III, 3, 4, August. ad -Simplic. II qu. 1. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 175. Witsius, de -proph. I c. 4. Buddeus, Inst. theol. dogm. I, 2, 5 en in den -nieuweren tijd door Hävernick en Keil in hunne inleiding op het -O. T. Oehler, Altt. Theol. § 210. Tholuck, Die Propheten S. -64 f. Kueper, Das Profetenthum des Alten Bundes S. 51 f. Orelli -bij Herzog<sup>2</sup> 16, 724. König, Offenb. II 132 f. Alleen heeft -König, ten einde de objectiviteit te handhaven, daaraan de eigenaardige -meening toegevoegd, dat alle visioenen uitwendig, lichamelijk -en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn vele -verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19, enz. naar de bedoeling -der schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid -tusschen theophanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde -<span class="pagenum" id="Page_256">[256]</span> -visioenen, 1 Kon. 22:17 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Dan.; -Amos 7-9; Zach. 1-6, enz. zeker inwendig en geestelijk. -Vele zijn van dien aard, dat ze niet zinnelijk voorstelbaar en -waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij van het uitwendige -der openbaring hare objectiviteit en waarheid laat afhangen, en -geen inwerking van Gods Geest in den geest des menschen -denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet -dat er ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het -uitwendige als zoodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus -de zekerheid der openbaring door haar uitwendig karakter alleen -niet voldoende bewezen wordt, Orelli bij Herzog<sup>2</sup> 16:724 f. -Kuenen H. C. O. II<sup>2</sup> 13. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 62 v. Borchert, -Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit. 1895, 2<sup>tes</sup> Heft.</p> - -<p>Als laatste vorm der openbaring moet nog genoemd worden -de inwendige verlichting. Hengstenberg, Christol. des A. T. III<sup>2</sup> 2 -S. 158 cf. ook Kueper, Das Proph. 53 f. meende, dat de extase -de gewone toestand was, waarin de profeet bij het ontvangen -der openbaring verkeerde. Maar dit gevoelen is door velen, o. a. -door Riehm, Mess. Weissagung<sup>2</sup> S. 15 f. König, Der Off. begriff -II 48 f. 83 f. 132 f. bestreden en thans algemeen verworpen. -De extase is niet de regel, maar de uitzondering, Kuenen, Prof. -I 98. H. C. O<sup>2</sup> II 11. De meeste openbaringen aan de profeten -ook in ’t O. T. hadden plaats zonder eenig visioen, bijv. bij -Jesaja, Hagg., Mal., Ob., Nah., Hab., Jerem., Ezech. Wel -wordt dan voor de Godspraak nog dikwerf het woord „gezicht” -gebezigd, maar dit geschiedt ook daar waar er niets wordt gezien -Jes. 1:1, 2:1; Amos 1:1; Hab. 1:1, 2:1; 1 Sam. 3:15; -Ob. 1; Nah. 1:1 enz. De openbaring geschiedt dan inwendig -door den Geest, als Geest der openbaring. Wel heeft König, -Der Off. I 104 f. 141 f. 155 f. beweerd, dat de Geest niet is -principe der openbaring maar alleen principe der illuminatie, d. i. -dat Jahveh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring -subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, wijl hij ook -daardoor de objectiviteit en uitwendigheid der openbaring handhaven -wilde en den subjectieven Geest wilde binden aan ’t objectieve -woord van Jahveh. Maar Num. 11:25-29; Deut. 34:9, -1 Sam. 10:6, 19:20 v.; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:24; 1 Chron. -12:18, 28:12; 2 Chron. 15:1, 20:14 v., 24:20; Neh. 9:30; -Jes. 11:1, 30:1, 42:1, 48:16, 59:21, 61:1, 63:10 v., Ezech. -<span class="pagenum" id="Page_257">[257]</span> -2:2, 3:24, 8:3, 11:5, 24; Micha 3:8; Hos. 9:7; Joël 2:28; -Zach. 7:12, laten zich niet uitsluitend van eene formeele, subjectieve -bekwaammaking des Geestes verstaan; zij leeren duidelijk, -dat de profeten niet alleen door maar uit den Geest spraken, dat -de profetie voortkwam uit den Geest in hen. Er was ook wel -eene den profeet subjectief bekwaam makende werkzaamheid des -Geestes, maar deze is niet de eenige; zij is niet van de andere -openbarende werkzaamheid zoo streng te scheiden als König doet, -zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel uitwendig -is, ook onnoodig, Kuenen H. C. O<sup>2</sup> 14. En de leugengeest 1 Kon. -22:22 leert duidelijk, dat de Geest bron van ’t woord is, Herz.<sup>2</sup> -16:721. De Joodsche theologie zag in den Geest niet alleen -de bron der verlichting, maar ook van de openbaring en profetie. -Weber, System der altsyn. pal. Theol. 184-187. Het N. -Test. verklaart even duidelijk, dat de O. T. profeten spraken uit -en door den Geest Gods, Hd. 28:25; 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:21. -Wel echter is er onderscheid in de wijze, waarop de H. Geest -in O. en N. T. de openbaring innerlijk meedeelt. Onder het O. T. -daalt de H. Geest van boven en momentaan op iemand neer. -Hij komt over de profeten, Num. 24:2; 1 Sam. 19:20, 23; -2 Chr. 15:1, 20:14; wordt vaardig over hen, Richt. 14:19, -15:14; 1 Sam. 10:6; valt op hen, Ez. 11:5; trekt hen aan als -een kleed, Richt. 6:34; 1 Chr. 12:18; de hand, d. i. de kracht -des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8:11; Ez. 1:3, 3:22, 8:1, -37:1, 40:1. Tegenover deze werking des Geestes zijn de profeten -dan ook meest passief; zij zwijgen, vallen ter aarde, ontzetten -zich, en verkeeren voor een tijd in een abnormen, extatischen -toestand. De Geest der profetie is nog niet het blijvend -bezit van de profeten; er is nog scheiding en afstand tusschen -beiden; en de stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover -het volk. Heel de profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom -ook vooruit en verwacht een profeet, op wien de Geest des Heeren -rusten zal Deut. 18:18; Jes. 11:2, 61:1; ja zij voorspelt de -vervulling van Mozes’ wensch, dat al het volk des Heeren profeten -mochten zijn Num. 11:29; en getuigt van eene toekomstige -woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren, Jes. 32:15, -44:3, 59:21; Joël 2:28; Ez. 11:19, 36:27, 39:29. In -het N. T. verschijnt de hoogste, de eenige, de waarachtige profeet. -Hij is als Logos de volle en voltooide openbaring Gods, Joh. 1:1 -<span class="pagenum" id="Page_258">[258]</span> -v. 18, 14:9, 17:6; Col. 2:9. Hij ontvangt geen openbaring -van boven of buiten, maar is zelf de bron der profetie. De H. -Geest komt niet over Hem en valt niet op Hem neer. Hij woont -in Hem zonder mate Joh. 3:34. Uit dien Geest is Hij ontvangen, -door dien Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij, Mt. 3:16, -12:28; Luk. 1:17, 2:27, 4:1, 14, 18; Rom. 1:4; Hebr. -9:14. En dien Geest schenkt Hij, aan zijne discipelen, niet alleen -als Geest der wedergeboorte en heiliging maar ook als Geest der -openbaring en verlichting, Mk. 13:11; Luk. 12:12; Joh. 14:17, -15:26, 16:13, 20:22; Hd. 2:4, 6:10, 8:29, 10:19, 11 -vs. 12, 13:2, 18:5, 21:4; 1 Cor. 2:12 v.; 12:7-11. Door -dien Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd tot -het ambt van profeet, Rom. 12:7; 1 Cor. 14:3; Ef. 2:20, -3:5 enz. Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in ’t N. T. -niet, Mt. 24; Hd. 20:23, 21:8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2. Apoc. -Maar alle geloovigen zijn toch de zalving des Geestes deelachtig, -1 Joh. 2:20; en zijn van den Heere geleerd, Mt. 11:25-27; -Joh. 6:45. Allen zijn profeten, die de deugden des Heeren -verkondigen, Hd. 2:17 v.; 1 Petr. 2:9. De profetie als eene -bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13:8. In het -nieuwe Jeruzalem zal de naam Gods op aller voorhoofden zijn. -De leugen is er volkomen buitengesloten, Apoc. 21:27, 22:4, 15. -Litteratuur over de profeten en de profetie bij Schultz Altt. -Theol. 4<sup>e</sup> Aufl. 213 f; en verder König, Der Offenbarungsbegriff -des A. T. Leipzig, Hinrichs 1882. Kuenen, Hist. crit. Onderzoek, -2<sup>e</sup> uitg. 1889 II bl. 1 v. Smend, Lehrbuch der altt. Religionsgesch. -1893. S. 79 f. Kuyper, Encycl. II 362 v. 429 v. C. H. -Cornill, Der israel. Prophetismus, Strassburg 1894.</p> - -<p class="sep2">4. Wonderen. Gelijk de mensch, behalve door zijne verschijning -en zijn woord, ook door zijne daden zich kennen doet, zoo openbaart -zich God ook niet alleen door zijn woorden maar ook door -zijne werken. Woord en daad staan in nauw verband. Gods woord -is een daad, Ps. 33:9; en zijn doen is een spreken, Ps. 19:2, -29:3; Jes. 28:26. Beide, woord en daad, verzellen elkaar in -schepping zoowel als in herschepping. Gemeenlijk gaat het woord -vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat de daad -als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar doet -wat Hem behaagt, Jes. 55:10, 11. Het woord eischt de daad; -<span class="pagenum" id="Page_259">[259]</span> -het wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook -het zijn moet vernieuwd worden. De woorden, waarmede in de -Schrift de daden, de werken Gods worden aangeduid, zijn verschillend. -Naar hunne uitwendige verschijning zijn ze נִפְלָאוֹת -Ex. 3:20, 34:10; Ps. 71:17; פֶּלֶא Ex. 15:11; Jes. 25:1, -insignia, ingentia, of מוֹפְתִים Ex. 4:21, 7:19; Ps. 105:5, -splendidum quid, beide gr. τερατα, iets bijzonders, ongewoons, dat -van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heeten גְּבוּרוֹת -Deut. 3:24; Ps. 21:14, 54:3, 66:7, δυναμεις, מַעֲשִׂים Ps. 8:7, -19:2, 103:22; Jes. 5:19 of עֲלִילוֹת Ps. 9:12, 77:13 -ἐργα μεγαλεια, om de groote, goddelijke kracht, die er zich in -openbaart. Vooral worden ze ook genoemd <ins id="cor_28" title="אֹותוֹת">אוֹת</ins> Ex. 3:12, -12:13, enz. omdat ze een bewijs en teeken zijn van de tegenwoordigheid -Gods. Die werken Gods zijn allereerst op te merken -in zijne schepping en onderhouding. Al Gods werken zijn wonderen. -Ook de werken der natuur worden menigmaal in de Schrift -met den naam van wonderen aangeduid, Ps. 77:13, 97:3, 98:1, -107:24, 139:14. Daaruit mag echter niet met Scholten, Supranaturalisme -in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme -Leiden 1867 bl. 9 v. worden afgeleid, dat de H. Schrift geen -onderscheid kent tusschen natuur en wonder. Zeker, de gedachte, -dat een wonder in strijd zou zijn met de wetten der natuur en -dus onmogelijk zou wezen, komt niet op. Veeleer gaat heel de -Schrift uit van het geloof, dat voor God niets te wonderlijk is, -Gen. 18:14; Deut. 8:3 v.; Mt. 19:26. Maar daarom ontbreekt -het niet aan eene onderscheiding tusschen de gewone orde -der natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het O. T. -kent eene vaste orde der natuur, ordinantiën die voor hemel en -aarde gelden, die vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1:26, -28, 8:22; Ps. 104:5, 9, 119:90, 91, 148:6; Pred. 1:10; -Job 38:10 v.; Jer. 5:24, 31:25 v., 33:20, 25. En het -N. T. maakt een even duidelijk onderscheid, Mt. 8:27, 9:5, -24, 33, 13:54; Luk. 5:9, 7:16, 8:53; Joh. 3:2, 9:32, -enz. Wonderen zijn een בְּרִיאָה eene schepping, iets nieuws, dat -anders nooit gezien wordt, Ex. 34:10; Num. 16:30. De feiten, -die in de H. S. als wonderen zijn vermeld, worden ook door ons -nog als wonderen beschouwd; over de qualificatie dier feiten is -er geen verschil, cf. Herzog<sup>2</sup> 17:360. Pierson, Gods wondermacht -en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. Gloatz in Stud. -<span class="pagenum" id="Page_260">[260]</span> -u. Krit. 1886, 3<sup>tes</sup> Heft S. 403 f. W. Bender, Der Wunderbegriff -des N. T. Frankf. 1871 S. 100 f. Schultz, Altt. Theol. -577 f. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring -ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen -kunnen geschieden, Ex. 7:11, 22, 8:7, 18, 9:11; Mt. 24:24; -Apoc. 13:13 v.; een teeken of wonder is op zichzelf dus niet -genoeg tot verzegeling van een profeet, Deut. 13:1-3. Maar -toch is het alleen Israels God, die wonderen doet, Ps. 72:18, -77:15, 86:10, 136:4. Soms brengt Hij die wonderen zelf -rechtstreeks tot stand; soms bedient Hij zich van menschen of -engelen. Maar altijd is het God, die ze doet. Zijne δυναμις -wordt daarin openbaar, Luk. 5:17, 14:19; Mk. 7:34; Luk. -11:20; Joh. 3:2, 5:19 v., 10:25, 32; Hd. 2:22, 4:10. -Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Mt. 12:28; Hd. 10:38.</p> - -<p>De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de -schepping en onderhouding aller dingen, welke een voortdurend -werk en wonder Gods is, Ps. 33:6, 9; Joh. 5:17. Al wat -geschiedt, heeft zijn laatsten grond in den wil en de macht van -God. Niets kan Hem wederstaan. Hij doet met ’t heir des hemels -naar zijn welbehagen, Jes. 55:8 v. Ps. 115:3. Deze macht en -vrijheid Gods wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5:22, 10:12, -14:22, 27:5; Jes. 40:12, 50:2, 3; Ps. 33:13-17, -104; Job 5:9 v., 9:4 v., enz. maar komt vooral uit in de -geschiedenis van zijn volk, Deut. 10:21, 11:3, 26:8, 29:2, -32:12 v.; Ps. 66:5 v., 74:13 v., 77:15 v., 78:4 v., 135:8 -v.; Jes. 51:2, 9; Jer. 32:20 v.; Hd. 7:2 v. In deze geschiedenis -treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met -verschillend doel. Nu eens, om de goddeloozen te straffen, Gen. -6:6 v., 11, 19; Ex. 5 v.; Lev. 10:1; Num. 11:30 v., 14:21, -16:1 v., 21:6, enz. Mt. 8:32, 21:19; Hd. 13:11, enz. -Dan, om Gods volk te redden en te verlossen, om heil en genezing -aan te brengen, zooals de plagen in Egypte, de doortocht -door de Roode Zee, de wonderen in de woestijn, de genezingen -van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreeksche of -zijdelingsche bedoeling, om de zending der profeten, de waarheid -van hun woord, en alzoo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen, -Ex. 4:1-9; Deut. 13:1 v.; Richt. 6:37 v.; 1 Sam. -12:16 v.; 1 Kon. 17:24; 2 Kon. 1:10, 20:8; Jes. 7:11, -enz.; Mt. 14:33; Luk. 5:24; Joh. 2:11, 3:2, 5:36, 6:14, -<span class="pagenum" id="Page_261">[261]</span> -7:31, 9:16, 10:38, 12:37; Hd. 2:22, 10:38, enz. Profetie -en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen -hebben het bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot -ook in zijne wonderen geweest, Ex. 5-15; Deut. 34:10-12. -Zijne zonde bestond eenmaal in twijfel aan Gods wondermacht, -Num. 20:10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een cyclus -van wonderen, 1 Kon. 17-2 Kon. 13. Bij de latere profeten -nemen de wonderen niet zoo groote plaats meer in. Dikwerf bedienen -zij zich van zoogenaamde symbolische handelingen, om -daarmede hunne profetie te bevestigen en als het ware aanvankelijk -te realiseeren, 1 Kon. 11:29-39, 20:35 v., 22:11; -Jes. 7:3, 8:1, 20:2 v., 21:6, 30:8; Jer. 13, 16, 18, 19, -25:15, 27, 28:10 v., 32:6, 43:8; Ezech. 4, 5, 6:11, 7:23, -12:3, 17:1; Hos. 1-3; Hd. 21:10 v., Schultz, Altt. Theol. -250 f. Smend, Lehrb. der altt. Rel. Gesch. 88. König, Der -Offenbarungsbegriff II 111 f. Maar toch worden ook van hen -nog wonderen verhaald en hebben ze de overtuiging, wonderen -te kunnen doen, Jes. 7:11, 16:14, 21:16, 38:7 cf. 2 Kon. -20; Jer. 22:12, 30, 28:16, 29:22, 36:30, 37:7 v.; Dan. -1-6. Maar al die wonderen in het O. T. hebben niet bewerkt -eene verheffing, eene vernieuwing der natuur. Zij hebben hunne -werking gehad. Zij hebben de menschheid beurtelings gestraft -en gezegend, en in ieder geval voor den ondergang bewaard. -Ze hebben in Israel een eigen volk gecreëerd, uit de dienstbaarheid -van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de Heidenen -bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende -macht der natuur. Maar zij waren momentaan, gingen voorbij, -verminderden in werking en werden vergeten. Het leven nam zijn -gewoon verloop. De natuur scheen te zegepralen. Toen verhief -de profetie hare stem en zij sprak, dat Israel niet onder kon -gaan en vervloeien in ’t natuurleven der Heidenen. God zal op -nieuw en in grootere heerlijkheid tot zijn volk komen. God zal -zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond, Ps. 89:1-5; -Jes. 54:10. Met dat komen Gods gaat de oude tijd over -in den nieuwen. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis. -Het is de יוֹם יהוה, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid -openbaren en zijne wondermacht ten toon spreiden zal. -God geeft dan wonderteekenen aan den hemel, Am. 8:8 v.; -Joel 2:30. Heel de natuur, hemel en aarde, zullen bewogen -<span class="pagenum" id="Page_262">[262]</span> -worden, Am. 9:5; Jes. 13:10, 13, 24:18-20, 34:1-5; -Joel 2:2, 10, 3:15; Mich. 1:3 v.; Hab. 3:3 v.; Nah. 1:4 v.; -Ezech. 31:15 v., 32:7 v., 38:19 v. Het gericht zal gaan over -de goddeloozen, Jes. 24:16 v. enz. maar het zal ook louteren -en bevrijden. God zal zijn volk redden door zijne wonderen, Jes. -9:3, 10:24 v., 11:15 v., 43:16-21, 52:10, 62:8. Hij -doet wat nieuws op de aarde, Jes. 43:19, brengt Israel weer -uit den dood, Ezech. 37:12-14, en doet het deelen in eene -volheid van geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving -der zonden, heiligheid, een nieuw verbond, Jes. 44:21-23, -43:25; Ezech. 36:25-28; Jer. 31:31 v.; Zach. 14:20, -21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel zijn. -Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2:17 v.; -Joel 3:18; Jer. 31:6, 12-14; Jes. 11:6-8, 65:25; Ezech. -34:29, 36:29 v.; Zach. 8:12. Er komt een nieuwe hemel -en een nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht -worden, Jes. 65:17, 66:22. Deze Jom Jhvh, deze עֹלָם הַבָּא, -αἰων μελλων, in tegenstelling met den עֹלָם הַזֶּה, αἰων οὑτος, -is naar de voorstelling der Schrift met het N. Test. aangebroken. -De komst van Christus is het keerpunt der tijden. Een nieuwe -wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf het -absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige, -volkomene mensch. In Hem is in beginsel de schepping weer -hersteld, uit haar val wederom opgeheven tot haar vroegere -heerlijkheid. Zijne wonderen zijn σημεια van de tegenwoordigheid -Gods, bewijs van den Messiaanschen tijd, Mt. 11:3-5, 12:28; -Luk. 13:16, een deel van zijn Messiaanschen arbeid. In Christus -treedt eene goddelijke δυναμις op, die sterker is dan alle verdervende -en verwoestende macht der zonde. Deze macht valt Hij -aan, niet alleen in de peripherie, door ziekten en kwalen te genezen -en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar -centrum door, breekt en overwint ze. Zijne menschwording en -voldoening, zijne opstanding en hemelvaart zijn de groote verlossingsdaden -Gods. Zij zijn de principieele herstelling van het -rijk der heerlijkheid. Deze heilsfeiten zijn geen middelen alleen, -om iets te openbaren, maar zij zijn de openbaring Gods zelve. -Het wonder wordt hier tot historie, en de historie zelve is een -wonder. De persoon en het werk van Christus is de centrale -openbaring Gods; alle andere openbaring groepeert zich daar omheen. -<span class="pagenum" id="Page_263">[263]</span> -Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijne wondermacht in de -discipelen zich voort, Mt. 10; Mk. 16:18; Luk. 8. En niet alleen -in de Handelingen worden vele wonderen verhaald, 2:43, 3:5, -5:12-16, 6:8, 8:6, 7, 13, 9:34, 40, 13:11, 14:3, 16:18, -19:11, 20:10, 28:5, 8; maar ook Paulus legt getuigenis af -van deze wondermacht der apostelen, Rom. 15:18, 19; 1 Cor. -12:9, 10; 2 Cor. 12:12; Gal. 3:5, cf. Hebr. 2:4. Een tijd -lang zet deze wondermacht zich nog voort in de gemeente. -Maar ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de -kerk het voorwerp is, waarin God de wonderen zijner genade -verheerlijkt, Aug. de civ. 22:8, de util. cred. 16, de vera relig. -25. De geestelijke wonderen zijn het, in welke God thans zijne -macht en zijne heerlijkheid openbaart, Luther bij Köstlin, Luthers -Theol. II 249 v. 341 v. Scholten, L. H. K. I 143. Toch wijst -de Schrift heen naar eene toekomst, waarin het wonder op nieuw -zijne werking zal doen. De αἰων μελλων voleindt zich eerst in -den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid -woont. Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis -zijn verzoend. Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld -is een, Op. 21-22. Cf. Oehler Theol. des A. T. 1882 S. 210 f. -Schultz, Altt. Theol. 270 f. 534 f. 577 f. Smend, Lehrb. der -Altt. Rel. Gesch. 88 f. W. Bender, Der Wunderbegriff des N. -T. Frankf. a/M. 1871. Ph. Schaff, Jezus Christus, het wonder -der geschiedenis 1867. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung -der Chr. K. 5<sup>e</sup> Aufl. 1862 S. 49 f. 154 f. 336 f. Tholuck, -Vermischte Schriften, Hamb. 1839 I 28 f.</p> - -<h4>B. Begrip der bijzondere openbaring.</h4> - -<p>5. Het openbaringssysteem, dat de Schrift ons kennen doet, -is in de christelijke theologie al te veel miskend en verwaarloosd. -Eerst in den nieuweren tijd is het begrip en het wezen -der openbaring voorwerp van dieper onderzoek geworden. Vroeger -werd daaraan geen behoefte gevoeld. Tusschen de Christenen -en de Heidenen was de mogelijkheid der openbaring niet in -geschil. Strijd was er alleen over de waarheid van die openbaring, -welke in O. en N. Test. werd geleerd. En deze werd -op allerlei gronden door de apologeten tegenover de aanvallen -vooral van Celsus en Porphyrius betoogd. Overigens kwamen de -<span class="pagenum" id="Page_264">[264]</span> -gedachten over de openbaring neer op dit schema: God kan alleen -door God worden gekend. Alle kennis en dienst Gods berust dus -op openbaring zijnerzijds. Maar de openbaring Gods in natuur -en geschiedenis is onvoldoende. Daarom is er eene bijzondere -openbaring noodig, die in Christus haar hoogtepunt bereikt, Harnack, -Lehrb. der Dogmengesch. I<sup>2</sup> 420 f. 436 f. 453 f. De volgende -theologen, vooral ook de scholastici, besteedden alle zorg -aan het bepalen en omschrijven van de verhouding tusschen -natuur en openbaring, weten en gelooven, philosophie en theologie, -maar dachten het begrip der openbaring niet in en brachten het -ook slechts in het voorbijgaan ter sprake, cf. Thomas S. Theol. -I qu. 57 art. 5 ad 3. II 2 qu. 2 art. 6. III qu. 55 art. 3. Ook -de Protest. theologen hebben aan dit begrip te weinig aandacht -gewijd. Zij vereenzelvigden de openbaring terstond met de H. -Schrift en ontkwamen niet geheel aan de abstract-supranaturalistische -en eenzijdig-intellectualistische opvatting, welke allengs -in de theologie van haar gevormd was. Cf. Gerhard, Loci Theol. -I § 12. Calovius, Isagoge ad theol. p. 101 sq. 142 sq. Polanus, -Synt. Theol. VI 9. Maresius, Syst. Theol. I § 15 sq. Heidegger, -Corpus Theol. XII 46. Het Socinianisme dreef dit bovennatuurlijk -en verstandelijk begrip van de openbaring op de spits, Fock, Der -Socin. 296 f. 314 f. Het Remonstrantisme had wezenlijk dezelfde -voorstelling, Limborch, Theol. Christ. II 9, 18. Tusschen het -rationalisme en supranaturalisme was over het begrip der openbaring -geen verschil; voor beide bestond zij in eene uitwendige -mededeeling van leer. Het was niet te verwonderen, en ook ten -volle verdiend, dat zulk een openbaringsbegrip de kritiek van -het deïsme en rationalisme niet kon doorstaan. Wat was de religieuse -waarde van eene openbaring, welke niets gaf dan eenige -verstandelijke waarheid, die misschien later door de rede zelve -nog gevonden zou zijn? Toch bleek het, dat men al te spoedig -met het begrip der openbaring had afgerekend. Religie en revelatie -toonden bij dieper historisch en wijsgeerig onderzoek eene veel -nauwere verwantschap, dan men vroeger gemeend had. Zoo kwam -het begrip der openbaring in de nieuwere theologie en philosophie -weer meer tot eere en werden verschillende pogingen tot -reconstructie beproefd.</p> - -<p>Hamann, Claudius, Lavater, Herder, Jacobi e. a. wezen op -de verwantschap van religie en kunst en brachten de openbaring -<span class="pagenum" id="Page_265">[265]</span> -met de geniale inspiratie in verband. Het begrip der openbaring -werd zoo uitgebreid, dat alles openbaring werd. Religie, poëzie, -philosophie, geschiedenis, taal zijn verschillende uitingen van eenzelfde -oorspronkelijk leven. Omnia divina et humana omnia. En -in het midden van al deze openbaringen staat Christus; naar -Hem wijst alles heen, om Hem groepeert zich alles, Ehrenfeuchter, -Christenthum und moderne Weltanschauung, Göttingen 1876 S. -243 f. Ook Schleiermacher, Glaub. § 10, 13 verwierp beslist de -rationalistische leer van de openbaring. Hij zocht haar eigenaardigheid -niet in het al of niet bovennatuurlijk karakter, dat ze -draagt, maar in het nieuwe en oorspronkelijke, waarmede een -persoon of eene gebeurtenis in de historie optreedt. Openbaring -is daarom verwant met poëtische en heroïsche bezieling, en bestaat -feitelijk in het wekken van nieuwe, oorspronkelijke aandoeningen -van het religieus gevoel. Door Schleiermacher werd die opvatting -van de openbaring voorbereid, welke haar bestaan laat niet in -meedeeling van leer maar van leven. Rothe, Zur Dogmatik 1862 -S. 55-120 heeft aangaande de openbaring als inspiratie dezelfde -gedachte, maar hij neemt daarbij als constitutief element van de -openbaring nog eene uitwendige, historische manifestatie aan, -opdat de inwendige openbaring, de inspiratie, niet magisch en -mechanisch zij. De eigenaardigheden van het begrip der openbaring -bij de theologen, die min of meer aan Schleiermacher -zich aansluiten, bestaan dan vooral hierin: openbaring is van de -theopneustie, van de H. Schrift te onderscheiden, de Schrift is -niet de openbaring maar haar oorkonde; openbaring is een religieus, -nader nog een soteriologisch begrip, met geniale, poëtische, heroïsche -bezieling wel verwant maar niet identisch; zij is correlaat der -religie alleen; uitgaande van God als Verlosser, heeft ze geen -leer over allerlei physische, historische en metaphysische dingen -tot inhoud, maar alleen religieus-ethische waarheid, zij is meedeeling -van leven, zelfmededeeling Gods; zij is niet in strikten -zin bovennatuurlijk, maar echt natuurlijk en menschelijk; zij is -eindelijk niet alleen uitwendig (manifestatie), maar ook inwendig -en geestelijk (inspiratie). Daarbij is er nog wel verschil over begin, -omvang, einde der openbaring, maar in hoofdzaak is dit toch de -opvatting, gelijk ze gevonden wordt bij Nitzsch, System der chr. -Lehre § 22. Twesten I 341 f. Martensen § 11, 12. Lange I -§ 56 f. Dorner I 569 f. Frank, System der chr. Wahrheit 2<sup>e</sup> Aufl. -<span class="pagenum" id="Page_266">[266]</span> -II 8 f. Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 192 f. Saussaye, mijne -theologie 35 v. Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 21 v. -enz. Maar niet alleen Schleiermacher en zijne school hebben het -openbaringsbegrip tot nieuw leven gebracht, maar ook Schelling -en Hegel hebben hetzelfde op hunne wijze beproefd. Door hen -kreeg het rationalisme een speculatief karakter. Zij trachtten de -christelijke openbaring niet door eene verstandskritiek te vernietigen, -maar zochten speculatief de diepe idee op te sporen, -welke aan haar en aan alle christelijke dogmata ten grondslag -lag, en stelden zich alzoo als speculatief rationalisme tegenover -het vulgaire rationalisme van vroeger tijd. Volgens Schelling in -zijne eerste periode was heel de wereld de zelfopenbaring Gods. -De natuur is de zichtbare geest, de geest de onzichtbare natuur. -Gods wezen wordt den mensch kenbaar uit heel de natuur, vooral -echter uit de ontwikkeling van den menschelijken geest in kunst, -religie en wetenschap. En zoo leerde ook Hegel, dat God zich -niet aan den mensch openbaart door eene voorbijgaande gebeurtenis -in den tijd, maar Hij openbaart zich in den mensch zelf, -en wordt zichzelf in den mensch bewust. En dit zichzelf bewust -worden van God in den mensch, is het weten des menschen van -God, is religie, Religionsphilosophie 1832 I 29. II 158. Encyclop. -S. 576. Openbaring is bij Hegel dus gelijk met de noodwendige -zelfopenbaring, met het zich zelf bewust worden van het Absolute -in den menschelijken geest; de geschiedenis der godsdiensten is -de geschiedenis van het tot zichzelf komen van het Absolute in -het menschelijk bewustzijn, en bereikt haar hoogtepunt in het -Christendom, dat de eenheid uitspreekt van God en mensch. Aan -deze gedachte over de openbaring, als zelfmededeeling Gods aan -een iegelijk mensch sluit in hoofdzaak die opvatting van de openbaring -zich aan, welke wij vinden bij Marheineke, Grundlehren -der chr. Dogm. § 206. Rosenkranz, Encycl. der theol. Wiss. -2<sup>e</sup> Aufl. 1845 S. 1 f. Erdmann, Glauben und Wissen 1837. -Strauss, Glaubenslehre § 19. Feuerbach, Wesen des Christ. 2<sup>e</sup> Ausg. -S. 174. Biedermann, Chr. Dogm. I 264 f. Pfleiderer, Grundriss -§ 16. Lipsius, Dogm. § 52, Philos. und Religion 1885 S. 266 f. -Scholten, Initia, ed. 2. p. 26-39. L. H. K. I 165 v. 233, 299. -Gemeenschappelijk is aan dezen de ontkenning van het bovennatuurlijk -karakter der openbaring, maar overigens is er groot -onderscheid over inhoud, uitgestrektheid en wijze. Van beide -<span class="pagenum" id="Page_267">[267]</span> -groepen onderscheidt zich nog weer het begrip van openbaring -in de school van Ritschl. Het eigenaardige van deze opvatting -ligt hierin, dat er zeer weinig waarde gehecht wordt aan de -onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, -dat nadruk gelegd wordt op het positief karakter van elke religie -en op het historische, uitwendige in de openbaring, en dat voor -het Christendom die historische openbaring vooral of zelfs uitsluitend -gevonden wordt in den persoon van Christus, Ritschl -Rechtf. u. Vers. III<sup>3</sup> 190 f. 599 f. Kaftan, Wesen der chr. -Religion 171 f. 295 f. Herrmann, Der Begriff der Offenbarung -Giessen 1887. G. v. Schulthess-Rettberg, Der Gedanke einer -göttlichen Offenbarung, Zurich 1893. Nitzsch, Lehrbuch der ev. -Dogm. S. 131 f. Cf. de Groninger school hier te lande, Hofstede de -Groot, De Groninger Godgeleerden in hunne eigenaardigheid 42 v.</p> - -<p>Aan een duidelijk en helder begrip van de openbaring ontbreekt -het nog in de dogmatiek. Er is onder de theologen verschil over -alles, wat bij dat begrip in aanmerking komt. Misschien is er -eene grens te trekken tusschen hen, die eene bovennatuurlijke -of alleen eene natuurlijke openbaring aannemen. Maar ook dan -rijst de vraag, of het bovennatuurlijk karakter der openbaring -ligt in de wijze, waarop zij tot ons kwam, of in het nieuwe, -oorspronkelijke van den inhoud (Schleiermacher). Waarin is verder -de bovennatuurlijke openbaring onderscheiden van de natuurlijke -openbaring in natuur en geschiedenis, vooral van de religieuse, -poëtische, heroïsche inspiratie, die ook buiten het Christendom -wordt aangetroffen en zoo dikwerf met de christelijke openbaring -in verband is gebracht (Hamann, Herder, Jacobi, Schleiermacher)? -Waar is vervolgens die bovennatuurlijke openbaring te vinden, -ook in de religies der Heidenen, of alleen in Israel, of zelfs uitsluitend -in den persoon van Christus (Schleiermacher, Ritschl). -Hoever strekt zij zich uit na Christus, is zij tot Hem beperkt, -of is ook de werking des H. Geestes in wedergeboorte, bekeering -enz. nog onder het begrip van openbaring te rekenen (Frank)? -Is haar inhoud in de eerste plaats kennis, zoodat zij het verstand -verlicht (Hegel, Biedermann, Scholten), of is ze voornamelijk -mystisch van aard, eene werking op het gemoed, eene aandoening, -opwekking van het gevoel (Schleiermacher, Lipsius, Opzoomer, -Ethischen)? Is bij de openbaring het uitwendige, het -historische, de manifestatie, hetzij dan in natuur (Hegel, Scholten), -<span class="pagenum" id="Page_268">[268]</span> -hetzij in de historie (Schelling, Ritschl), of bepaald ook als -wonder (Rothe) de hoofdzaak, of ligt het zwaartepunt in het -subject in de zelfopenbaring van den absoluten Geest, van God, -aan den mensch (Biedermann, Lipsius)?</p> - -<p class="sep2">6. De openbaring, welke de Schrift ons kennen doet, bestaat -niet in enkele onsamenhangende woorden en feiten, maar is één -historisch en organisch geheel, een machtig wereldbeheerschend -en wereldvernieuwend systeem van daden Gods. Zij treedt, gelijk -wij zagen, in drie vormen op, theophanie, profetie en wonder, -שְׁכִינָה, נְבוּיָה en בְּרִיאָה. Maar deze drie staan niet los naast -elkaar; zij vormen één geheel en beoogen samen één doel. Reeds -door de revelatio generalis laat God zich aan den mensch niet -onbetuigd; Hij openbaart zich in natuur en geschiedenis, Hij -spreekt in hart en geweten; Hij werkt wonderen van mogendheid. -Ook de revelatio generalis mag openbaring heeten. Want in -ruimen zin is openbaring alle actie, die van God uitgaat, om -den mensch te stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. -Maar door de zonde wordt eene andere openbaring van noode, -die wel in velerlei verband staat met de revelatio generalis maar -die er toch wezenlijk, in vorm en inhoud, van onderscheiden is. -Zij richt zich toch tot den gevallen mensch, en moet dus zijn -eene openbaring van genade. De revelatio specialis is het zoeken -Gods van en het komen Gods tot den mensch. Hij moet zich -nu zoo openbaren en zoo spreken en zoo werken, dat de mensch -weer vernieuwd wordt naar zijn beeld. Daarom komt God tot -den mensch op menschelijke wijze. De menschwording is het -centrale feit in de revelatio specialis, hetwelk licht verspreidt -over heel haar gebied. Reeds in de schepping maakt God zich -den menschen gelijk. Maar in de herschepping wordt Hij mensch -en gaat in onzen toestand in. En deze menschwording, die de -eigenlijke inhoud is van de revelatio specialis, neemt reeds in -zekeren zin terstond na den val haar aanvang. De bijzondere -openbaring Gods gaat in in de historie, en vormt eene geschiedenis, -die de eeuwen doorloopt. Zij neemt zulk een historisch -karakter aan, wijl de menschheid zelve, tot wie zij zich richt, -alleen in den historischen vorm bestaat. Zij leidt haar leven -mede, volgt haar op hare gangen, doorwandelt met haar de -tijden tot den einde toe. Zij grijpt diep in het leven der schepping -<span class="pagenum" id="Page_269">[269]</span> -terug, sluit aan de voorzienigheid zich aan en doet haar -licht stralen door het prisma van menschelijke personen, toestanden -en gebeurtenissen heen. Zij bedient zich van alle karakter -en individualiteit, van alle aanleg en gave, die in de schepping -gegeven zijn. Zij hult zich in de vormen van type en schaduw, -van beeld en symbool, van kunst en poëzie, van briefvorm -en kroniek. Zij neemt in de religie de gebruiken over, die in -andere godsdiensten gevonden worden, zooals besnijdenis en -offerande, tempel en priesterschap. Zij acht zelfs lot en droom -en visioen niet te gering om ze te bezigen als instrument. Zoo -diep daalt het goddelijke in het menschelijke neer, dat de grenzen -tusschen de openbaring en de pseudoreligie schijnen te worden -uitgewischt. Godspraak en orakel, profetie en mantiek, wonder -en magie schijnen elkander te naderen.</p> - -<p>En toch is het een ander hart, dat in Israels religie klopt. -De peripherische en atomistische beschouwing beroept zich op -zulke feiten van overeenkomst tusschen de religie der Schrift en -de godsdiensten der volken, maar zij verklaart de openbaring -niet in haar karakter en beteekenis, en weet ten slotte met de -Schrift geen raad. Daarom moet deze beschouwing wijken voor -de centrale en organische, welke van uit het middelpunt het licht -laat stralen tot aan den buitensten omtrek. En dat centrum is -de menschwording Gods. Hij is het, die in de revelatio specialis -nederdaalt en zich den menschen gelijk maakt. Subject van de -bijzondere openbaring is in eigenlijken zin de Logos, de Malak -Jhvh, de Christus. Hij is de middelaar der schepping, Joh. 1:3; -Col. 1:15, maar ook der herschepping. Του γαρ δια της ἰδιας -προνοιας και διακοσμησεως των ὁλων διδασκοντος περι του -Πατρος, αὐτου ἠν και την αὐτην διδασκαλιαν ἀνανεωσαι, Athan. -de incarn. c. 14. Cf. Iren. adv. haer. IV 6. Hij is het subject -der openbaring ook reeds in het O. Test., de engel des verbonds, -die Israel leidde, Ex. 14:19, 23:20, 32:34, 33:2; Jes. 63:8, -9, de inhoud der profetie Joh. 5:39; 1 Petr. 1:11; Apoc. -19:10. Door theophanie, profetie en wonder bereidt Hij zijne -komst in het vleesch voor. De O. Test. openbaring is de geschiedenis -van den komenden Christus. Theophanie, profetie en -wonder loopen op Hem uit. In Christus vallen ze saam. Hij is -de openbaring, het woord, de kracht Gods. Hij toont ons den -Vader, verklaart ons zijn naam, volbrengt zijn werk. De menschwording -<span class="pagenum" id="Page_270">[270]</span> -is de afsluiting, het doel en het einde beide van Israels -geschiedenis, en tevens het middelpunt van alle geschiedenis. -Bis hierher und von daher geht die Geschichte (Joh. von Müller). -De incarnatie is het Centralwunder; es ist das Wunder aller -Wunder, da das Göttliche unmittelbar mit dem Menschlichen -sich berührt, Ranke, Weltgeschichte VIII 72.</p> - -<p>Als de openbaring Gods in Christus, in zijn persoon en werk, -verschenen en in de Schrift beschreven is, treedt er eene andere -bedeeling in. De H. Geest ging wonen in de gemeente; daarmede -was het karakter der tijden veranderd. De αἰων οὑτος ging over -in den αἰων μελλων. Gelijk in de eerste periode alles op Christus -voorbereid werd, zoo wordt nu alles van Hem afgeleid. Toen -werd Christus gevormd tot het hoofd der gemeente, nu de gemeente -tot het lichaam van Christus. Toen werd het Woord, de -H. Schrift, af-, nu wordt het uitgewerkt. Maar toch neemt ook -deze bedeeling eene plaats in in het systeem der openbaring. De -openbaring is voortgezet, ofschoon gewijzigd naar den aard der -bedeeling. De openbaring, als bedoelende en voortbrengende den -Christus, heeft haar einde bereikt. Want Christus is er, zijn -werk is volbracht, en zijn woord is voltooid. Nieuwe, constitutieve -elementen van de revelatio specialis kunnen er niet meer bijkomen. -De vraag is daarom ook van ondergeschikt belang, of -in de christelijke kerk nog de gave der voorspelling en der -wonderen voortduurt. De getuigenissen der kerkvaders zijn zoo -talrijk en krachtig, dat voor de oudste tijden deze vraag moeilijk -ontkennend kan beantwoord worden, Thomas II 2 qu. 178. -Voetius, Disp. II 1002 sq. Gerhard, Loci, loc. 22 sectio 11. -Dr. C. Middleton, A free inquiry into the miraculous powers, -which are supposed to have subsisted in the Christian Church, -3 ed. Lond. 1749. Tholuck, Ueber die wunder der Kath. Kirche, -Verm. Schriften I 28-148. J. H. Newman, Two essays on -scripture miracles and on ecclesiastical, 2 ed. Lond. 1870. H. -Müller, Natur und Wunder, Strassb. 1892 S. 182. Maar al zijn -die gaven gebleven, de inhoud dier revelatio specialis, welke in -Christus zich concentreert en in de Schrift is neergelegd, wordt -er niet rijker door; en indien zij naar de gedachte van Augustinus, -de civ. 22, 8, de util. cred. 16, de vera relig. 25 verminderd -en opgehouden zijn, die openbaring wordt er niet armer door. -Hoe dit echter ook zij, de revelatio specialis in Christus zet toch -<span class="pagenum" id="Page_271">[271]</span> -in zekeren zin in deze bedeeling zich nog voort. Al is alle -voorspelling in de christelijke kerk opgehouden en alle wonder -in eigenlijken zin voorbij, de kerk zelve is van oogenblik tot -oogenblik product der openbaring. De geestelijke wonderen duren -voort. De genade Gods in Christus verheerlijkt zich in verlichting -en wederbaring, in geloof en bekeering, in heiligmaking en bewaring. -Christus is middelaar; het is Hem om de gemeente te -doen; Hij kwam om de wereld te vernieuwen en de menschheid -te herscheppen naar het beeld Gods. De revelatio specialis vindt -haar doel in het tot stand brengen eener nieuwe orde van zaken. -En daarom zet zij, in gewijzigden vorm. d. i. in geestelijken zin -ook thans nog zich voort. Haar rustpunt vindt zij eerst in de -epiphanie van Christus, in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, -waarin gerechtigheid woont.</p> - -<p>De openbaring naar de Schrift is dus een historisch proces, -een organisch systeem, eene voortdurende goddelijke actie tot -breking van de macht der zonde, tot stichting van zijn rijk, tot -herstel van den kosmos, tot ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν -Χριστῳ, Ef. 1:10. In de theophanie stelt God zichzelf wederom -als den eenigen en waarachtigen God tegenover de afgoden van -’s menschen eigen versiering; in de profetie plaatst Hij zijne gedachte -als de waarheid tegenover de leugen van Satan, en in -het wonder betoont Hij zijne goddelijke kracht tegenover alle -werken der ongerechtigheid. In de openbaring poneert en handhaaft -God zijn Ik tegenover alle niet-ik, en brengt het trots allen -tegenstand tot algemeene erkenning en tot volkomen triumf. -Soteriologisch is dus heel de openbaring. Zij gaat uit van Christus, -zoowel in O. als in N. T. Maar soteriologisch dan opgevat in den -zin der Schrift, niet in religieus-ethischen zin, alsof de openbaring -slechts religieuse en ethische waarheid bevatten zou; nog -veel minder in intellectueelen zin, alsof de openbaring slechts -in leer bestond. Maar soteriologisch in schriftuurlijken zin, zoo -n.l. dat de inhoud der openbaring niet is leer of leven of aandoening -des gemoeds maar dat ze is dat alles te zaam, een -goddelijk werk, eene wereld van gedachten en daden, een ordo -gratiae, die de ordo peccati op alle terrein bestrijdt en verwint. -Doel der openbaring is niet alleen, om den mensch te leeren en -zijn verstand te verlichten (rationalisme), om hem de deugd te -doen beoefenen (moralisme), om religieuse aandoeningen in hem -<span class="pagenum" id="Page_272">[272]</span> -te kweeken (mysticisme). Maar het doel Gods met zijne openbaring -strekt zich veel verder en breeder uit. Het is geen ander -dan om den mensch, de menschheid, de wereld aan de macht -der zonde te onttrekken, en den Naam Gods weer te doen uitstralen -in alle creatuur. De zonde heeft alles bedorven en verwoest, -verstand en wil, ethische en physische wereld. En daarom -is het ook de gansche mensch en heel de kosmos, om wiens -redding en herstel het God met zijne openbaring te doen is. -Soteriologisch is dus zeer zeker Gods openbaring, maar object -van die σωτηρια is de kosmos, en niet alleen het ethische of -de wil met uitsluiting van het verstand en niet het psychische -alleen met uitsluiting van het somatische en physische, maar -alles te zamen. Want God heeft allen onder de zonde besloten -opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 5:15 v., 11:32; -Gal. 3:22.</p> - -<h4>C. De bijzondere openbaring en het -Supranaturalisme.</h4> - -<p>7. Deze organische opvatting van de openbaring is in de -christelijke kerk op tweeërlei wijze miskend geworden, zoowel -door het supranaturalisme als door het naturalisme (rationalisme). -Tegenover beide dient zij daarom nader in het licht gesteld en -gehandhaafd te worden. Eerst tegenover het supranaturalisme, -dat vooral in Rome is opgekomen en dan in verschillende richtingen -binnen het Protestantisme nawerkt. De Schrift kent wel -onderscheid tusschen den gewonen gang der dingen en buitengewone -werken Gods, maar maakt toch nog niet de tegenstelling -van natuurlijk en bovennatuurlijk. Deze komt eerst bij de kerkvaders -voor. De bijzondere openbaring wordt met de bovennatuurlijke -vereenzelvigd en tegenover de natuurlijke gesteld. Clemens -Alex., Strom. 2, 2 spreekt reeds van ὑπερφυης θεωρια, die -men verkrijgt door het geloof. Chrysostomus, Hom. 36 in Gen, -noemt de wonderen ὑπερ φυσιν en φυσει μειζονα. Ambrosius, -de mysteriis c. 9. stelt gratia, miraculum, mysterium tegenover -de ordo naturae. Johannes Damascenus spreekt meermalen van -de wonderen, zooals de ontvangenis van Christus, de eucharistie -enz. als ὑπερ φυσιν, ὑπερ λογον και ἐννοιαν, de fide orthod. -IV 12-15. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. I -<span class="pagenum" id="Page_273">[273]</span> -82 f. Sedert heeft de onderscheiding van natuurlijk en bovennatuurlijk -ingang gevonden en burgerrecht verkregen in heel de -christelijke theologie. Zonder twijfel heeft deze onderscheiding -ook recht van bestaan. De Schrift moge ze niet met zooveel -woorden maken; zij erkent toch eene gewone orde der natuur -en daarbij daden en werken, welke hun oorzaak alleen hebben -in de macht Gods. De openbaring in de H. Schrift onderstelt, -dat er nog eene andere, hoogere en betere wereld is dan deze -natuur en dat er dus eene ordo rerum is supra hanc naturam. -De begrippen van natuurlijk en bovennatuurlijk dienen daarom -duidelijk te worden bepaald. Natuur, van nasci, worden, duidt -in het algemeen datgene aan, wat zonder vreemde macht of -invloed van buiten, alleen naar zijne inwendige krachten en wetten -zich ontwikkelt. Natuur staat dan zelfs tegenover kunst, opvoeding, -cultuur, geschiedenis, welke niet vanzelf, spontaan ontstaan, maar -door menschelijk toedoen tot stand komen. Maar verder wordt -het begrip natuur uitgebreid tot heel den kosmos, voor zoover -deze niet van buiten maar van binnen uit, door immanente -krachten en naar eigene ingeschapen wetten zich beweegt en ontwikkelt. -Bovennatuurlijk is dan alwat de krachten der natura -creata te boven gaat en zijne oorzaak niet heeft in de schepselen -maar in de almacht Gods. In dezen zin werd de bijzondere openbaring -in de christelijke theologie opgevat. In haar geheel genomen, -had ze haar oorsprong in eene bijzondere daad Gods, -welke niet in den gewonen gang der natuur maar in eene eigene, -daarvan onderscheiden, orde van zaken zich had geopenbaard. -Daarbij werd dan verder nog onderscheid gemaakt tusschen het -bovennatuurlijke in absoluten zin, als iets de kracht van alle -creatuur te bovengaat, en het bovennatuurlijke in relatieven zin, -als het de kracht van eene bepaalde oorzaak in de gegeven omstandigheden -overtreft; en voorts ook nog tusschen het supernaturale -quoad substantiam, als het feit zelf bovennatuurlijk is, -b.v. de opwekking van een doode, en het supernaturale quoad -modum, als alleen de wijze van doen bovennatuurlijk is, b.v. -de genezing van een kranke zonder middelen, Thomas, S. c. -Gent. III 101. Ook in deze onderscheidingen lag op zichzelve -nog geen gevaar. Zelfs moeten zij tegenover eene wijsbegeerte, -die het bovennatuurlijke ontkent of verzwakt, verdedigd worden. -De uitdrukking bovennatuurlijk is n.l. in de latere theologie en -<span class="pagenum" id="Page_274">[274]</span> -philosophie menigmaal in zeer gewijzigden zin verstaan, en beurtelings -met het bovenzinlijke (Kant), het vrije (Fichte), het onbekende -(Spinoza, Wegscheider), het nieuwe en oorspronkelijke -(Schleiermacher), het religieus-ethische, het geestelijke (Saussaye), -enz. vereenzelvigd. Maar zulk eene wijziging van de vaststaande -en duidelijke beteekenis van een woord leidt tot misverstand. -Indien men met bovennatuurlijk niets anders bedoelt dan het -bovenzinlijke, het ethische. enz., doet men beter den term te -vermijden. En de verwarring wordt nog grooter, als men het -natuurlijke en het bovennatuurlijke dooreen mengt en aan deze -fusie dan den naam van het Geistleibliche, Godmenschelijke, enz. -geeft. Het begrip natuur omvat al het geschapene, niet alleen -de stof, de materie, maar ook ziel en geest; niet alleen het -physische maar ook het psychische, het religieuse en het ethische -leven, voor zoover het uit den menschelijken aanleg vanzelf -opkomt; niet alleen zienlijke, maar ook onzienlijke, bovenzinnelijke -dingen. Het bovennatuurlijke is niet met het oorspronkelijke, -het geniale, het vrije, het religieuse, het ethische, enz. identisch, -maar is de duidelijke en vaststaande naam alleen voor datgene, -wat uit de krachten en naar de wetten der geschapene dingen -niet is te verklaren. Tot zoover is de onderscheiding, tusschen -natuurlijk en bovennatuurlijk, die in de christelijke theologie -opkwam, volkomen juist, beslist, duidelijk, alle verwarring afsnijdend. -Behoudens het gezegde boven <a href="#Page_230">bl. 230</a> v., is bijzondere -openbaring, in haar drie vormen van theophanie, profetie en -wonder, bovennatuurlijk in strikten zin.</p> - -<p>Maar in de christelijke theologie werd het begrip van het -bovennatuurlijke langzamerhand nog enger begrensd. Het werd -eenerzijds van de schepping en andererzijds van de geestelijke -wonderen der wedergeboorte enz. onderscheiden. De eerste onderscheiding -werd gemaakt, omdat het bovennatuurlijke niet voor -God, maar alleen voor ons bestaat en de gewone orde, door de -schepping in het aanzijn geroepen, onderstelt. Van het bovennatuurlijke -kan alleen gesproken worden, als de natuur vooraf reeds -bestaat. En andererzijds werden wedergeboorte, vergeving, heiligmaking, -unio mystica enz., wel voor rechtstreeksche daden Gods -gehouden, maar toch niet tot de bovennatuurlijke openbaring -gerekend, wijl zij niet ongewoon en zeldzaam zijn maar in de -kerk tot de gewone ordo rerum behooren. De kerk zelve is wel -<span class="pagenum" id="Page_275">[275]</span> -supranatureel maar toch geen wonder. Ook het bovennatuurlijke -en het wonder zijn weer onderscheiden. Al het bovennatuurlijke -is geen wonder, maar wel omgekeerd. Wonderen zijn niet alleen -bovennatuurlijke, maar bovendien ook nog ongewone en zeldzame -gebeurtenissen in natuur of genade. Zij geschieden niet alleen -praeter ordinem naturae alicujus particularis, maar praeter ordinem -<i>totius</i> naturae creatae. Engelen en duivelen kunnen in eigenlijken -zin geen wonderen doen, maar alleen zulke dingen, die ons wonderlijk -toeschijnen en geschieden praeter ordinem naturae creatae -<i>nobis notae</i>, Thomas, S. Theol. I qu. 110 art. 4. S. c. Gent. -I 6. III 112. Voetius, Disp. II. 973 sq. Thomas spreekt niet -alleen van wonderen praeter en supra, maar ook contra naturam, -qu. de miraculis, art. 2 ad 3, Müller, Natur u. Wunder, Strassburg -1892 S. 145. En Voetius zeide, dat wonderen wel niet -zijn contra naturam universalem sed supra et praeter eam, maar -toch ook soms konden zijn contra naturam aliquam particularem, -Disp. II 973, cf. Gerhard, Loci Comm. Loc. 22 § 271 sq. En -wonderen hadden dus de volgende kenteekenen: opus immediatum -Dei, supra omnem naturam, in sensus incurrens, rarum, ad confirmationem -veritatis, Voetius, ib. II 965. Gerhard, ib. loc. 22 -§ 271. Hoeveel goeds er nu ook wezen moge in deze door de -scholastiek gemaakte bepalingen en onderscheidingen, ze brachten -toch geen gering gevaar met zich. De bijzondere openbaring werd -eenerzijds losgemaakt van de schepping en de natuur; al werd -erkend, dat bovennatuurlijke openbaring niet eerst nu maar ook -reeds voor den val had plaats gehad, Calovius, Isag. ad theol. -p. 49, en dus op zichzelf niet in strijd kon zijn met de natuur, -toch werd dit niet ingedacht. Andererzijds werd de bijzondere -openbaring tegengesteld aan de geestelijke wonderen, de werken -der genade, die voortdurend plaats hebben in de kerk van Christus -en dus geïsoleerd van de herschepping en de genade. De bijzondere -openbaring kwam dus geheel op zich zelve te staan, zonder -verband met natuur en geschiedenis. Haar historisch en organisch -karakter werd miskend. Zij ging niet in wereld en menschheid -in, maar bleef buiten en boven haar zweven. Zij werd eindelijk -opgevat als eene leer, als eene verkondiging van onbegrepen en -onbegrijpelijke mysteriën, wier waarheid bevestigd was door de -wonderen. Zij was en bleef in één woord een donum superadditum -van den kosmos.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_276">[276]</span> -8. In Rome is dit supranaturalistisch en dualistisch stelsel -consequent uitgewerkt. In God zijn er twee conceptiën van den -mensch, van zijne natuur en bestemming. De mensch in puris -naturalibus, zonder het beeld Gods, gelijk hij feitelijk na den -val nog is, kan eene zuivere kennis van God hebben uit zijne -werken, kan Hem dienen en vreezen en in eene normale, op zich -zelf goede knechtsverhouding tot Hem staan, kan alle natuurlijke -deugden beoefenen, ook zelfs de natuurlijke liefde tot God, en -kan het alzoo brengen tot een zekeren staat van geluk in dit en -in het toekomende leven. Brengt hij het zoover niet, dan is dat -zijne eigene schuld en is dit te wijten aan het niet of slecht gebruiken -van de hem geschonken natuurlijke krachten. Maar God -wil aan den mensch nog eene hoogere, bovennatuurlijke, hemelsche -bestemming geven. Dan moet hij daartoe aan den mensch -verleenen dona superaddita zoowel voor als nu na den val. Hij -moet hem schenken eene bovennatuurlijke genade, waardoor hij -God op eene andere, betere, hoogere wijze kan kennen en liefhebben, -betere en hoogere deugden kan beoefenen, en eene hoogere -bestemming kan bereiken. Die hoogere kennis bestaat in de fides; -die hoogere liefde in de caritas; die hoogere deugden zijn de -theologische, geloof, hoop, liefde, welke essentieel van de virtutes -cardinales (intellectuales et morales) zijn onderscheiden; -en die hoogere bestemming bestaat in het kindschap Gods, de -geboorte uit God, de unio mystica, de gemeenschap aan de Goddelijke -natuur, de θεωσις, deificatio, de visio Dei enz. Deze -leer is in sommige uitspraken der kerkvaders reeds voorbereid, -maar is toch eerst ontwikkeld door de scholastiek, vooral door -Halesius, Summa universae Theol. II qu. 91 m. 1. a. 3. Bonaventura, -Breviloquium V cap. 1. Thomas disp. de verit. qu. 27. -S. Theol. I 2. qu. 62 art. 1. In den strijd tegen Bajus en Jansenius -werd ze kerkelijk vastgesteld, Denzinger, Enchir. symbol. -et definit. num. 882 sq. en door het Vaticanum nadrukkelijk -uitgesproken, Sess. III cap. 2: revelatio absolute necessaria dicenda -est, — — quia Deus infinita bonitate sua ordinavit hominem -ad finem supernaturalem, ad participanda sc. bona divina. -quae humanae mentis intelligentiam superant, met beroep op 1 -Cor. 2:9. Cf. Canones II 3. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. -1872 II S. 3-151. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. -I 105 f. II 75 f. Scheeben, Handb. der kath. Dogm. II 1878 S. -<span class="pagenum" id="Page_277">[277]</span> -240 f. Id. Natur u. Gnade Mainz 1861. Schäzler, Natur u. Gnade. -Oswald, Religiöse Urgeschichte der Menschheit 2<sup>e</sup> Aufl. 1887 § 1 f.</p> - -<p>Nu dient erkend te worden dat het onderscheid in den -toestand vóór en na den val niet ligt in openbaring op zich -zelve. Er was bovennatuurlijke openbaring ook in het paradijs, -Gen. 1:28 v.; 2:16 v.; ze is dus niet door de zonde eerst -noodzakelijk geworden. Zelfs was er ook in den status integritatis -eene openbaring der genade, want ook toen was de relatie -der liefde, waarin God zich stelde tot den mensch, een betoon -van ongehoudene goedheid. Wat door de zonde dus noodzakelijk -is gemaakt, is niet de openbaring op zichzelf, maar de bepaalde -inhoud der openbaring, dat is de gratia specialis, de openbaring -Gods in Christus, de ἐνσαρκωσις του θεου. Openbaring Gods is -er noodig geweest ook voor de religie in den status integritatis. -Maar de religio christiana is op eene bijzondere, bepaalde openbaring -gegrond. Hierop heeft Paulus het oog als hij in 1 Cor. 2 -vs. 4-16 spreekt van de wijsheid Gods, die altijd verborgen -is geweest en in het hart des menschen niet is opgeklommen. -Rome kan dit eigenlijk zelf niet ontkennen, tenzij het de leer -aanvaarde, dat, in de onderstelling dat God aan den mensch -een finis supernaturalis wilde schenken, heel de supranatureele -orde, die er nu is in de incarnatie, de kerk, de sacramenten, -ook zonder en buiten de zonde noodzakelijk zou geweest zijn. -Daarmede zou echter het soteriologisch karakter der openbaring -geheel te loor gaan, de val zijn beteekenis verliezen en de zonde -hoegenaamd geene verandering hebben gebracht. De leer van den -finis supernaturalis heeft dan ook in de Roomsche kerk altijd -veel tegenspraak ontmoet, bij Bajus, Jansenius, Hirscher, Hermes, -Günther; maar ze hangt ten nauwste saam met heel het Roomsche -systeem, dat gebouwd is niet op de religieuse tegenstelling van -zonde en genade, maar op het graadonderscheid in het goede, -op de rangordening der schepselen en der deugden, op de hierarchie -in physischen en in ethischen zin. De Reformatie had echter -maar ééne idee, ééne conceptie van den mensch, nl. die van beelddrager -Gods, en deze gold voor alle menschen. Als dat beeld -in engeren zin verloren is, dan is daarmee heel de menschelijke -natuur geschonden, en kan de mensch geen religie en geen ethos -meer hebben, welke aan den eisch Gods en aan zijne eigene -idee beantwoorden. Dan is zijne religie en zijne deugd, hoe schoon -<span class="pagenum" id="Page_278">[278]</span> -ze schijnen, toch in den wortel bedorven. Er is geen religio naturalis. -Alle religies zijn superstities geworden. Maar daarom is -de religio christiana ook essentieel één met de religio vera in -den status integritatis. De Gereformeerden dreven dit zoover, dat -ze zeiden dat ook Adam de kennis der triniteit en het geloof -had gehad, dat ook toen de Logos mediator was geweest, niet -reconciliationis maar <ins id="cor_29" title="uniomis">unionis</ins>, dat ook toen de H. Geest de auteur -van alle deugd en kracht was enz. De ware gedachte lag erin, -dat de wil van God geen willekeur is, die beurtelings deze en -dan die idee van den mensch zich vormt; dat de conceptie van -den mensch, de natuur van het beeld Gods, en dus ook de -religio ééne moet zijn. En daaruit volgde dan eindelijk, dat de -openbaring niet absoluut maar relatief, niet quoad substantiam -maar quoad modum noodzakelijk was. De religio is ééne voor -en na den val; dat ze echter christiana is, dat is noodzakelijk -geworden door de zonde. De religio christiana is middel, geen -doel; Christus is middelaar, maar het einde is ὁ θεος τα παντα -ἐν πασιν, 1 Cor. 15:28.</p> - -<p>Daarmede is nu verder gegeven, dat de openbaring niet absoluut -kan staan tegenover de natuur. Bij Rome is er quantitatieve -tegenstelling; de religio naturalis is essentieel verschillend van -de religio supernaturalis; beide staan naast elkaar; het zijn twee -geheel verschillende concepties, twee gansch onderscheiden systemen -en ordeningen; de ordo gratiae heft zich hoog op boven -de orde naturae. Maar de Reformatie heeft die quantitatieve -tegenstelling in eene qualitatieve omgezet. De openbaring staat -niet <ins id="cor_30" title="tegenver">tegenover</ins> de natuur, maar tegenover de zonde. Dat is de -macht, die de openbaring zoekt te breken, maar de natuur herstelt -zij en voltooit zij. De schepping zelve is reeds openbaring. -Openbaring was er voor den val. Openbaring is er ook nu -nog in alle werken van Gods handen in natuur en geschiedenis. -Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit de schepselen -verstaan en doorzien. Analogieën van profetie en wonder zijn er -ook buiten de revelatio specialis. De inspiratie der helden en -kunstenaars, de wondere krachten, die soms aan ’t licht treden, -kunnen tot opheldering en bevestiging dienen van de openbaringsfeiten, -in de Schrift vermeld. Zelfs de mantiek en magie in de -heidensche godsdiensten zijn verschijnselen, die als caricatuur -nog gelijkenis toonen met het oorspronkelijk beeld in de openbaring. -<span class="pagenum" id="Page_279">[279]</span> -Ja, deze grijpt zelve als het ware in de natuur terug, -sluit zich daarbij aan en bereidt zich daarin voor. De gratia -communis wijst naar de gratia specialis heen, en deze neemt -gene in dienst. Natura commendat gratiam, gratia emendat naturam. -Even creation itself is built up on redemption lines, Orr, -The christian view of God and the world, p. 323. Zie verder -mijne rede over De algemeene Genade, Kampen 1894.</p> - -<h4>D. De bijzondere openbaring en het -Naturalisme.</h4> - -<p>9. De principieele bestrijding van de openbaring nam eerst -een aanvang in de nieuwere philosophie. Spinoza behoudt het -woord openbaring nog wel en acht ze zelfs noodzakelijk, Tract. -theol.-polit. cap. 15, 27, maar hij verstaat daaronder niets -anders, dan dat de eenvoudigen de ware religie, het woord Gods, -niet door het licht der rede kunnen vinden, maar op gezag -moeten aannemen, ib. cap. 15, 44. cap. 4, 22-37. Overigens -erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijken zin; alle decreta -Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identisch, -ib. cap. 4, 37; 3, 8; 6, 9, etc.; profetie en wonder werden aan -eene scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard, -ib. cap. 1-6. Deze kritiek werd door het deïsme en -rationalisme voortgezet. Maar het rationalisme kan in verschillende -vormen optreden en wisselt telkens van beteekenis, cf. Kant, -Religion innerhalb usw. ed. Rosenkranz S. 185. Wegscheider, -Instit. Theol. § 7 d. § 11-12. Bretschneider, Syst. Entw. aller -in der Dogm. vork. Begriffe, § 34. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. -S. 141 f. In de eerste plaats wordt met rationalisme die richting -aangeduid, welke wel eene bovennatuurlijke openbaring aanneemt, -maar de beslissing over de echtheid en den zin dier -openbaring opdraagt aan de rede; daartoe behoorden vele Cartesiaansche -theologen, zooals Roell, Wolzogen, G. W. Duker, en -ook Leibniz, Wolff e. a. Vervolgens is rationalisme de naam voor -die meening, welke nog wel een bovennatuurlijke openbaring -mogelijk acht, maar alleen van zulke waarheden, welke de rede -vroeger of later toch ook zou hebben kunnen vinden. De openbaring -is dan slechts tijdelijk en toevallig van noode; ze dient -slechts als voorbereiding en opvoeding voor de algemeene heerschappij -<span class="pagenum" id="Page_280">[280]</span> -der Vernunftreligion; ze geeft slechts spoediger en gemakkelijker, -wat de rede anders bij langer en moeilijker weg zou -hebben bereikt. Zoodanig is het begrip der openbaring bij Lessing, -Erziehung des Menschengeschlechts 1780, Fichte, Versuch einer -Kritik aller Offenbarung 1792, en Kant, Religion usw. 1793. -In de derde plaats staat als rationalisme die theologie bekend, -welke alle bovennatuurlijke openbaring ontkent, maar toch wel -aanneemt dat God door bijzondere schikkingen zijner Voorzienigheid -personen heeft toegerust en wegen heeft gebaand, die de -menschheid brengen kunnen tot eene betere en zuiverder kennis -der religieuse waarheid. Van dezen is Wegscheider de voornaamste -representant, Instit. theol. I § 12 p. 58, en voorts Röhr, -Henke, Gabler, Paulus, Gesenius, enz. En eindelijk wordt de -naam van rationalisme nog gegeven aan die richting, welke sedert -het midden der 17<sup>e</sup> eeuw naturalisme, in Engeland deisme heette -en ook atheisme, materialisme werd genoemd, en die alle openbaring -ontkennend, de religio naturalis voor volkomen voldoende -hield. Daartoe behooren Spinoza, Lud. Meyer, Voltaire, Rousseau, -Reimarus, Nicolai, enz.</p> - -<p>De argumenten, door dit rationalisme tegen de openbaring -ingebracht, komen hierop neer: Openbaring is allereerst onmogelijk -van de zijde Gods, want zij zou meebrengen, dat God -veranderlijk was, dat zijne schepping onvolmaakt en gebrekkig -was en daarom verbetering behoefde; en dat Hij zelf, anders een -Deus otiosus, dan alleen werkte, wanneer Hij werkt op buitengewone -wijze. Voorts is openbaring ook onmogelijk van de zijde -der wereld, wijl de wetenschap hoe langer hoe meer tot de ontdekking -is gekomen, dat deze altijd en overal door een onverbrekelijk -systeem van wetten wordt beheerscht, hetwelk voor een -bovennatuurlijk ingrijpen Gods geen ruimte laat; de wetenschap -gaat van dit causaal verband der dingen uit en kan ook niet -anders; het supranaturalisme maakt de wetenschap onmogelijk, -stelt willekeur in plaats van regel; naarmate de wetenschap dan -ook is voortgeschreden, hebben alle verschijnselen hun supranatureel -karakter verloren; er bestaat zelfs geen recht, om tegen -alle ervaring in een verschijnsel voor supranatureel te houden; -le surnaturel serait le surdivin. Vervolgens is openbaring, ook -al ware zij geschied, toch voor den ontvanger zelven en nog -meer voor degenen, die na hem leven, onherkenbaar en onbewijsbaar: -<span class="pagenum" id="Page_281">[281]</span> -hoe is het ooit uit te maken dat eene profetie of een -wonder van God, en niet b.v. van den duivel, herkomstig is? -Waaraan is eene openbaring kenbaar voor hem, die ze ontvangt -en voor hen, die later leven? Zulke criteria zijn er niet aan te -geven. Zij, die eene openbaring aannemen, gelooven dus alleen -op menschelijk gezag, en hangen in de hoogste en gewichtigste -zaken van menschen af. Que d’hommes entre Dieu et moi! En -eindelijk, openbaring strijdt met de menschelijke rede; want wat -men ook zeggen moge, alle openbaring, die supra rationem is, -is daardoor ook contra rationem, zij onderdrukt dus de rede en -leidt tot dweeperij; maar bovendien, indien de openbaring iets -meedeelt dat supra rationem is, dan kan ze ook nooit worden -opgenomen en geassimileerd en blijft ze steeds als een onbegrepen -mysterie buiten ons bewustzijn staan; en indien ze iets meedeelt, -wat de rede zelve had kunnen vinden, dan is ze onnoodig, geeft -hoogstens slechts eerder en lichter wat anders toch verkregen -zou zijn, en berooft de rede onnoodig van haar kracht en energie. -Cf. Wegscheider, Instit. theol. § 10-12. Bretschneider, Handbuch -der Dogm. 4<sup>e</sup> Aufl. I 188-329. Nitzsch, Lehrb. der ev. -Dogm. 141 f. 165.</p> - -<p class="sep2">10. De openbaring, welke in de H. Schrift is neergelegd, is -een lastig feit voor elk die haar ontkent. Want ook wie hare -mogelijkheid en werkelijkheid bestrijdt, moet toch streven naar -eene verklaring van haar historisch ontstaan. Uit bedrog is zij -niet voortgekomen, evenmin als de religie. Het geloof aan openbaring -is niet iets willekeurigs of toevalligs, dat slechts onder -bijzondere omstandigheden hier of daar voorkomt, maar is wezenlijk -eigen aan alle religie. Zoo eenvoudig, als het rationalisme -het zich soms voorstelde, is de kwestie van de openbaring niet. -Dit blijkt al dadelijk daaruit, dat alle pogingen, van naturalistische -zijde aangewend, om de bijbelsche wonderverhalen op -natuurlijke wijze te verklaren, tot dusver schipbreuk hebben geleden. -Als de openbaring, in al hare vormen, van theophanie, -profetie en wonder, niet werkelijk bovennatuurlijk is maar slechts -in dien zin van God herkomstig is, als alle werkzaamheid des -menschen in Hem haar laatste oorzaak heeft; dan is men genoodzaakt, -om of tot de zoogenaamde materieele of tot de formeele -interpretatie der wonderverhalen de toevlucht te nemen. -<span class="pagenum" id="Page_282">[282]</span> -Dat is, men kan eenerzijds de feiten tot op zekere hoogte onaangetast -laten en voor waarheid aannemen; men zoekt deze feiten -dan te verklaren uit de onkunde des volks aangaande de natuurlijke -oorzaken en uit de religieuse behoefte om alles direct aan God -toe te schrijven, Spinoza, Tract. theol. pol. cap. 1 en 6. Hase, Dogm. -§ 19. Leben Jesu § 15. Strauss, Glaub. I 280. Scholten, Supranat. -in verband met Bijbel, Christ. en Prot. 1867, bl. 8 v.; of men -verklaart ze physisch uit onbekende natuurkrachten, Kant, Religion -ed. Rosenkranz 101. Morus, Epitome Theol. Christ. p. 23. -Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 324 f.; of psychologisch uit -eene bijzondere virtuositeit, om het toekomstige vooruit te gevoelen, -Bretschneider, Dogm. I S. 300. Hase, Dogm. § 137, en -om kranken zonder middelen te genezen, Weisse, Philos. Dogm. -I S. 115. Ammon, Gesch. des Lebens Jesu 248; of teleologisch -uit zoodanige schikking en ordening der in de natuur liggende, -physische en psychische, krachten, dat zij een ongewoon resultaat -teweegbrengen en tot erkenning van Gods voorzienigheid en -tot geloof aan den prediker aansporen, Wegscheider, Inst. Theol. -§ 48. Bretschneider, Dogm. I 314. Of men kan andererzijds -oplossing zoeken in de formeele of genetische verklaring, d. i. in -eene bijzondere opvatting van de berichten aangaande de openbaring; -men roept dan te hulp de Oostersche voorstelling en -inkleeding, en de accommodatie van Jezus en de apostelen naar de -volksvoorstellingen, cf. Bretschneider, Syst. Entw. aller in der -Dogm. vork. Begriffe, 4<sup>e</sup> Aufl. S. 135 f. Herzog<sup>2</sup> art. Accomodation; -of men zoekt raad bij de allegorische, Woolston, Discourses -on the miracles of our Saviour 1727; of bij de natuurlijke, Paulus -van Heidelberg, Philol.-krit. u. histor. Commentar über das N. T. -1800-1804. Leben Jesu 1828. Exeg. Handbuch über die 3 ersten -Evang. 1830-33; of bij de mythische, Eichhorn, Gabler, G. L. -Bauer, Strauss, Leben Jesu 1835; of bij de symbolische verklaring, -A. D. Loman, Gids Febr. 1884. Cf. Wegscheider, Instit. -Theol. S. 214. Bretschneider, System. Entw. S. 248 f. Denzinger, -Vier Bücher von der relig. Erkenntniss II 156 f. 335 f. 405 f.</p> - -<p>Maar al deze verklaringen hebben weinig succes gehad. De -Schrift is nu eenmaal niet naturalistisch of rationalistisch te -duiden. De openbaringsfeiten zelve, welke de Schrift ons meedeelt, -staan aan al dergelijke pogingen in den weg. Want wel is waar, -dat de openbaring in de Schrift, in vorm velerlei overeenkomst -<span class="pagenum" id="Page_283">[283]</span> -heeft, met die, waarop andere godsdiensten zich beroepen; toch -staat zij er in beginsel tegenover, zij maakt tusschen deze en -zichzelve een beslist onderscheid; zij schrijft welbewust en volkomen -verzekerd haar oorsprong alleen toe aan eene buitengewone -werking Gods. De Schrift verbiedt alle waarzeggerij en -tooverij, Num. 19:16, 31, 20:6, 27; Deut. 18:10 v.; Jes. -8:9; Jer. 27:9; Hd. 8:9 v., 13:8 v., 19:13; Apoc. 21:8, -22:15. Profeten en apostelen willen daarmede niets te maken -hebben. Zij staan er lijnrecht tegenover en volgen geen kunstig -verdichte fabelen, 2 Petr. 1:16. De profetie is voortijds niet -voortgebracht door den wil eens menschen, maar de H. Geest -heeft de profeten gedreven, 2 Petr. 1:21; 1 Cor. 2:11, 12. -Het wonder is een σημειον van de tegenwoordigheid Gods. De -klare zelfbewustheid, die wij allerwege bij de profeten aantreffen, -en de volkomen heldere zelfgetuigenis, die de openbaring overal -in de Schrift vergezelt, bieden een onoverkomelijk struikelblok -voor de naturalistische verklaring. Ook de psychologische methode -Strauss, Glaub. I 77. Kuenen, De profeten I 106 v., kan aan -deze zelfbewustheid en zelfgetuigenis van profeten en apostelen, -ja van Christus zelven, geen recht laten wedervaren. Dankbaar -mag erkend worden, dat de moderne opvatting van de openbaring -er geen oogenblik meer aan denkt, om de profeten en apostelen -voor opzettelijke bedriegers te houden. Maar zij kan toch niet -ontkomen aan de conclusie, dat al deze mannen arme bedrogenen -en ter goeder trouw dwalenden waren, wijl zij zich beriepen op -eene vermeende openbaring en optraden met eene ingebeelde goddelijke -autoriteit. De kwestie staat immers niet zoo, alsof de -openbaring alleen zekere feiten bevat, wier interpretatie zij aan -ons inzicht overlaat. Maar zij werpt zelve op die feiten een eigenaardig -licht; zij heeft, om zoo te zeggen, over die feiten eene -eigene beschouwing en eene eigene theorie. In de openbaring -der Schrift gaan woord en feit, profetie en wonder altijd hand -aan hand. Beide zijn noodig, opdat zoowel het bewustzijn als -het zijn worde herschapen en heel de kosmos van de zonde -worde verlost. The light needs the reality and the reality needs -the light, to produce — — — the beautiful creation of His -grace. To apply the kantian phraseology to a higher subject, -without God’s acts the words would be empty, without His words -the acts would be blind, Dr. Vos, The idea of biblical theology -<span class="pagenum" id="Page_284">[284]</span> -as a science and as a theol. discipline, New-York, Randolph -and Co. 1894 p. 15. Zie ook Kuyper, Uit het Woord I 1873 -bl. 69-160. Beide, woord en feit, zijn in de openbaring zoo -innig saamgeweven, dat het eene niet aangenomen of verworpen -kan worden zonder het ander. Elke poging, om de openbaringsfeiten -naturalistisch te verklaren, is tot dusver dan ook altijd -geëindigd met de erkenning, dat er tusschen de supranatureele -wereldbeschouwing der Schrift en die der naturalisten eene diepe -klove gaapt en verzoening onmogelijk is. De Hoogleeraar Scholten -leverde hiervan een treffend voorbeeld. Eerst nam hij de uitspraken -van den johanneïschen Jezus nog als waarheid aan. Toen -trachtte hij die uitspraken te verklaren naar zijne gewijzigde -inzichten, en de exegese dienstbaar te maken aan zijne heterodoxe -dogmatiek. En eindelijk in 1864 erkende hij open, dat de wereldbeschouwing -van den vierden evangelist eene andere dan de zijne -was. Het Evangelie naar Johannes 1864 bl. III-VI. Elke negatieve -richting erkent ten slotte, dat de openbaring der Schrift in de -orthodoxie nog het zuiverst opgevat en weergegeven wordt. Het -radikalisme laat de Schrift voor wat ze is en heeft met de openbaring -afgedaan. Daarmede is de vraag tot haar diepste beginsel -herleid. De al of niet erkenning van de openbaring wordt beslist -door onze geheele levens- en wereldbeschouwing. Niet de historische -kritiek maar de zelfkritiek, niet de wetenschap maar het -geloof, niet het hoofd maar het hart geeft hierbij den doorslag. -Uit het hart komt ook voort het onverstand, Mk. 2:22. Ons -denken wortelt in ons zijn. Operari sequitur esse (Schopenhauer). -Was für eine Philosophie man wähle, hängt davon ab, was für -ein Mensch man ist. Unser Denksystem ist oft nur die Geschichte -unseres Herzens (Fichte). Dat de al of niet erkenning van de -openbaring ter laatster instantie eene vraag is des geloofs, wordt -voldoende daardoor bewezen, dat geen van beide, noch de supranatureele -noch de naturalistische opvatting in staat is, om alle -moeilijkheden uit den weg te ruimen of alle bezwaren op te -lossen. De naturalistische beschouwing schijnt sterk te zijn, als -ze enkele wonderverhalen op zich zelf neemt en isoleert van het -geheel; maar dat geheel zelf, het systeem der openbaring en -daarin weder de persoon van Christus blijven voor haar een -onoplosbaar raadsel en een steen des aanstoots. Omgekeerd is -het der supranatureele beschouwing nog niet gelukt, om alle -<span class="pagenum" id="Page_285">[285]</span> -bijzondere feiten en woorden der openbaring in te voegen in de -orde van het geheel. Maar hier is toch de overeenstemming met -de openbaring in haar geheel, het inzicht in haar systeem, de -conceptie van hare machtige harmonie. Ware nu de erkenning -van de openbaring eene wijsgeerige stelling, zij zou betrekkelijk -van weinig gewicht zijn. Maar er is een diep religieus belang -mede gemoeid. De religie zelve hangt met de openbaring saam. -Wie deze prijsgeeft, verliest ook de religie, die op haar is gebouwd. -De openbaring der Schrift en de religie der Schrift staan -en vallen met elkaar.</p> - -<p class="sep2">11. De wereldbeschouwing, welke tegenover die der Schrift -staat en principieel alle openbaring bestrijden moet, kan het best -met den naam van monisme worden aangeduid. Het monisme, -zoowel in zijn pantheistischen als in zijn materialistischen vorm, -streeft er naar, om alle krachten, stoffen en wetten, die er in de -natuur zijn op te merken, tot ééne enkele kracht, stof en wet te -herleiden. Het materialisme neemt alleen qualitatief gelijke atomen -aan, die overal en altijd naar dezelfde mechanische wetten werken -en door verbinding en scheiding alle dingen en verschijnselen -doen worden en vergaan. Het pantheisme erkent evenzoo niets -dan ééne enkele substantie, die in alle schepselen dezelfde is en -overal naar dezelfde logische wetten zich wijzigt en vervormt. -Beide worden bezield door eenzelfden drang, door den drang en -de zucht naar eenheid, die eigen is aan den menschelijken geest. -Maar terwijl het materialisme de eenheid van stof en wet, welke -in de physische wereld heerscht, zoekt terug te vinden in alle -andere, historische, psychische, religieuse, ethische, enz. verschijnselen -en alzoo alle wetenschappen tracht te maken tot natuurwetenschap; -beproeft het pantheisme, om alle verschijnselen, ook -de physische, uit den geest te verklaren en alle wetenschappen -om te zetten in geesteswetenschap. Beide zijn naturalisme, inzoover -zij misschien nog voor het bovenzinlijke maar in elk geval niet -voor het bovennatuurlijke eene plaats inruimen, en voor wetenschap -en kunst, voor religie en moraal aan dezen kosmos, aan -het diesseits genoeg hebben, Strauss, Der alte u. der neue Glaube, -2<sup>e</sup> Aufl. I 211 f. E. Haeckel, Der Monismus als Band zwischen -Religion und Wissenschaft, 6<sup>e</sup> Aufl. Bonn 1893. Konrad Dieterich, -Philosophie u. Naturwissenschaft, ihr neuestes Bündniss und die -<span class="pagenum" id="Page_286">[286]</span> -monistische Weltanschauung, 2<sup>tes</sup> Ausg. Freiburg 1885. Dr. M. -L. Stern, Philosophischer und naturwissenschaftlicher Monismus. -T. Pesch, Die grossen Welträthsel, 2<sup>e</sup> Aufl. Herder, Freiburg II -8 f. Stöckl, Lehrbuch der Philos. II 1887 S. 117 f. Schanz, -Apologie des Christ. I 1887 S. 249 f. De wereldbeschouwing der -Schrift en van heel de christelijke theologie is eene gansch andere. -Zij is niet monisme maar theisme, niet naturalistisch maar supranatureel. -Volgens deze theistische wereldbeschouwing is er eene -veelheid van substanties, van krachten en stoffen en wetten. Zij -tracht er niet naar, om de onderscheidingen van God en wereld, -geest en stof, psychische en physische, ethische en religieuse enz. -verschijnselen uittewisschen, maar om de harmonie te ontdekken, -die alle dingen saam houdt en verbindt, en die uitvloeisel is van -de scheppende gedachte Gods. Niet eenerleiheid of eenvormigheid, -maar eenheid in de verscheidenheid is het doel van haar -streven. In weerwil van alle pretensies van het monisme heeft -deze theistische wereldbeschouwing recht en reden van bestaan. -Immers, het is aan het monisme niet gelukt, om alle krachten -en stoffen en wetten tot ééne enkele te herleiden. Het materialisme -stuit op de psychische verschijnselen (Du Bois Reymond, -Die sieben Welträthsel), en het pantheisme kan den overgang -niet vinden van het denken tot het zijn en weet met de veelheid -geen raad. Het zijn zelf is een mysterie, een wonder. Dat er iets -is, en vanwaar het is, dwingt den denkenden geest verwondering -af, en deze is daarom terecht de aanvang der philosophie genoemd. -En hoe meer dat zijn wordt ingedacht, des te meer neemt de -verwondering toe, want binnen den kring van het zijn, van den -kosmos zien wij verschillende krachten optreden, in de mechanische, -vegetatieve, animale, psychische wereld, en voorts in de -religieuse en ethische, aesthetische en logische verschijnselen. De -schepping toont ons eene opklimmende orde. De wetten van de -onderhouding der kracht, van de causaliteit en van de continuiteit -(natura non facit saltus) worden wel ten dienste van het -monisme geïnterpreteerd en misbruikt. Maar desniettemin treden -er telkens in de natuur krachten op, die uit de lagere niet zijn -te verklaren. Reeds in de mechanische natuur heerscht de causaliteit -slechts in hypothetischen zin. Gelijke oorzaken hebben -gelijke werkingen, maar alleen onder gelijke omstandigheden. In -het organische treedt eene kracht op, die niet uit het anorganische -<span class="pagenum" id="Page_287">[287]</span> -herkomstig is. Schon das Thier ist ein Wunder gegen die vegetabilische -Natur und noch mehr der Geist gegen das Leben, gegen -die bloss empfindende Natur, Hegel, Philos. der Rel., Werke XII -256. In het verstand, in den wil, in religie, moraal, kunst, -wetenschap, recht, geschiedenis zijn er krachten werkzaam, die -van de mechanische wezenlijk verschillen. De poging, om al deze -verschijnselen mechanisch te verklaren, is tot dusver ijdel gebleken. -De geestelijke wetenschappen hebben tot nog toe hare zelfstandige -plaats behouden. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften -I 1883 S. 5 f. Drummond, Das Naturgesetz in der -Geisteswelt, Aus dem Engl. Leipzig 1886 S. 18 f. Schoon ongaarne, -moet Prof. Land, Inleiding tot de Wijsb. 328 toch erkennen, dat -de wetenschap vooralsnog genoodzaakt is, dualistisch en zelfs -pluralistisch te blijven.</p> - -<p>Elk van die krachten werkt naar haar eigen aard, naar haar -eigen wet en op haar eigen wijze. De krachten verschillen en -daarom ook hare werkingen en de wijze, waarop zij werken. De -idee van natuurwet is eerst langzamerhand opgekomen. Vroeger -verstond men onder lex naturae een ethischen regel, die van -nature bekend was. Later is deze term in zeer oneigenlijken zin -op de natuur overgedragen, want niemand heeft die wetten aan -de natuur voorgeschreven en niemand is bij machte om ze te -gehoorzamen of te overtreden. Vandaar, dat er over begrip en -beteekenis der natuurwetten nog altijd groot verschil heerscht. -Im 17<sup>ten</sup> Jahrhundert giebt Gott die Naturgesetze, in 18<sup>ten</sup> thut -es die Natur selbst, und im 19<sup>ten</sup> besorgen es die einzelnen -Naturforscher (Wundt). Maar zooveel staat vast, dat de zoogenaamde -natuurwetten zelve geene kracht zijn, die heerschappij -voert over de verschijnselen, maar niets dan eene, dikwerf zeer -gebrekkige en altijd feilbare beschrijving van de wijze, waarop -de in de natuur liggende krachten werken. Eene natuurwet zegt -alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op -dezelfde wijze werken, Ed. Zeller, Vorträge, III<sup>e</sup> Sammlung S. -194 f. Wundt, Philos. Studien III 195 f. IV 12 f. Hellwald, -Culturgeschichte, 3<sup>e</sup> Aufl. I 32. Hartmann, Philos. des Unbewussten, -9<sup>e</sup> Aufl. II 96. Lotze, Mikrokosmos, 4<sup>e</sup> Aufl. I 31 f. II -50 f. III 13 f. Art. Naturgesetz in Herzog<sup>2</sup>. De regelmatigheid -der verschijnselen berust dus ten slotte op de onveranderlijkheid -van de verschillende krachten, die in de natuur werken en van -<span class="pagenum" id="Page_288">[288]</span> -de laatste elementen of substanties, waaruit zij samengesteld is. -De wetten verschillen, naarmate die elementen en krachten onderscheiden -zijn. De mechanische wetten zijn andere dan de physische; -de logische wederom andere dan de ethische en aesthetische. In -physischen zin maakt geven armer, in ethischen zin maakt het -rijker. De wetten der natuur, d. i. van den ganschen kosmos, van -alle creatuur zijn daarom ook geen cordon om de dingen, zoodat -er niets indringen of uitkomen kan, maar slechts eene formule -voor de wijze, waarop naar onze waarneming iedere kracht werkt -naar haar aard. Al deze elementen en krachten met de hun -inwonende wetten worden naar de theistische wereldbeschouwing -van oogenblik tot oogenblik in stand gehouden door God, die de -laatste en hoogste, intelligente en vrije causaliteit van alle dingen -is. Zij hebben als creatuur geen bestand in zichzelve. Het is -Gods alomtegenwoordige en eeuwige kracht, die alles onderhoudt -en regeert. In Hem, in zijne gedachte en in zijn bestuur, ligt de -eenheid, de harmonie, die alle dingen in de rijkste verscheidenheid -saamhoudt en verbindt en ze henenleidt tot één doel. Daardoor -is er unitas, mensura, ordo, numerus, modus, gradus, species -in de schepselen, gelijk Augustinus telkens zegt. Aliis dedit esse -amplius, aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus -ordinavit, August. de civ. 12, 2. God is in alles present. In Hem -leven en bewegen zich en zijn alle dingen. Natuur en geschiedenis -zijn zijn werk. Hij werkt altijd, Joh. 5:17. Alles openbaart ons -God. Zijn vinger moge in de eene gebeurtenis voor ons duidelijker -zijn op te merken dan in de andere; de reine van hart ziet -God in al zijne werken. Wonderen zijn dus volstrekt niet noodig, -om ons God te doen kennen als onderhouder en regeerder van -het heelal. Alles is zijn daad. Niets geschiedt er zonder zijn wil. -Hij is met zijn wezen in alle dingen tegenwoordig. En daarom -is alles ook eene openbaring, een woord, een werk Gods.</p> - -<p class="sep2">12. Met zulk eene wereldbeschouwing is eene bovennatuurlijke -openbaring volstrekt niet in strijd. De natuur bestaat hier toch -geen enkel oogenblik onafhankelijk van God, maar leeft en beweegt -zich in hem. Alle kracht, die erin optreedt, is van Hem -afkomstig en werkt naar de wet, die Hij erin gelegd heeft. God -staat niet buiten de natuur en is niet door eene omheining van -wetten van haar afgesloten, maar is in haar tegenwoordig en -<span class="pagenum" id="Page_289">[289]</span> -draagt haar door het woord zijner kracht. Hij werkt van binnen -uit, en kan nieuwe krachten doen optreden, die van de bestaande -in aard en werking onderscheiden zijn. En deze hoogere krachten -doen de lagere niet te niet, maar nemen toch naast en tegenover -haar eene eigene plaats in. De menschelijke geest tracht -ieder oogenblik de lagere natuurkrachten in haar werking tegen -te gaan en over haar te heerschen. Heel de cultuur is eene -macht, waardoor de mensch heerscht over de natuur. Kunst -en wetenschap zijn een triumf van den geest over de stof. Evenzoo -treedt er in de openbaring, in profetie en wonder, eene nieuwe -goddelijke kracht op, die wel in den kosmos eene eigene plaats -inneemt maar met de lagere krachten in hare wetten volstrekt -niet strijdt. Van eene zoogenaamde opheffing der natuurwetten -door de wonderen is geen sprake. Eene Durchlöcherung der natuur -is er niet. Thomas zei reeds: quando Deus agit aliquid contra -cursum naturae, non tollitur totus ordo universi, sed cursus qui -est unius rei ad aliam, de pot. qu. 6 art. 1, bij Müller, Natur -und Wunder 133. Ja zelfs de ordo causae ad suum effectum -wordt niet te niet gedaan; ofschoon het vuur in den oven de -drie jongelingen niet verbrandt, in dat vuur bleef toch de ordo -ad comburendum. Er wordt door het wonder geen verandering -aangebracht in de krachten, die in de natuur liggen, noch in -de wetten, waarnaar zij werken. Het eenige, wat er in het wonder -geschiedt, is, dat de werking der in de natuur aanwezige krachten -op een bepaald punt wordt geschorst, doordat er eene andere -kracht intreedt, die werkt naar eene eigene wet en eene eigene -werking voortbrengt. De wetenschap heeft daarom van het supranatureele -niets te vreezen. Maar iedere wetenschap blijve op haar -terrein en matige zich niet het recht aan, om aan de andere de -wet te stellen. Het is het recht en de plicht der natuurwetenschap, -om binnen haar gebied te zoeken naar de natuurlijke oorzaken -der verschijnselen. Maar zij heersche niet over de philosophie, -als deze onderzoek doet naar den oorsprong en de bestemming -der dingen. Zij erkenne ook het recht en de zelfstandigheid van -religie en theologie, en ondermijne den grondslag niet, waarop -deze rusten. Want hier komen religieuse motieven voor het geloof -aan eene openbaring aan het woord, waarover de natuurwetenschap -als zoodanig niet oordeelen kan. Ook bij de verschillende -wetenschappen ligt het doel niet in de eenerleiheid maar in de -<span class="pagenum" id="Page_290">[290]</span> -harmonie. De theologie eere de natuurwetenschap, maar make -zelve op gelijke behandeling aanspraak. Elke wetenschap blijve -op haar eigen terrein. De uitwissching der grenzen heeft reeds -al te veel verwarring gesticht. Daaruit is ook de bewering van -Hume, Voltaire, Renan voortgekomen, dat er nog nooit een -wonder voldoende is geconstateerd, en dat de constante ervaring -niet door enkele getuigenissen omvergestooten kan worden. Renan, -Vie de Jésus, p. LI zegt: nous ne disons pas, le miracle est -impossible, nous disons, il n’ y a pas eu jusqu’ici de miracle -constaté, en weigert aan een wonder te gelooven, zoolang niet -eene commissie van allerlei wetenschappelijke mannen, physiologen, -chemici enz. een zoodanig feit hebbe onderzocht en na herhaalde -proefneming als een wonder hebbe geconstateerd. Bij zulk eene -voorwaarde is het wonder apriori geoordeeld: want bij de wonderen -der Schrift wordt de gelegenheid tot zulk een experiment -noch aan Renan noch aan iemand onzer geschonken. De wonderen -behooren nu eenmaal tot de historie; en in de historie geldt eene -andere methode dan in de natuurkunde. Hier is het experiment -op zijne plaats. Maar in de historie moeten wij het met getuigenissen -doen. Indien echter op historisch gebied de methode van -het experiment moet ingevoerd en toegepast worden, is er geen -enkel feit, dat de proef kan doorstaan. Dan is het met alle -historie gedaan. Daarom blijve iedere wetenschap op haar eigen -terrein en onderzoeke daar naar haar eigen aard. Met het oor -kan men niet zien, met de el niet wegen, en met het experiment -kan men de openbaring niet beproeven, Vigouroux, Les livres -saints et la critique rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. 1890 I 73. II 294.</p> - -<p>Voorts wordt de natuur, de kosmos, nog veel te veel opgevat -als eene machine, die kant en klaar is en nu door ééne kracht -wordt gedreven en altijd naar ééne wet zich beweegt. Het deïsme -had deze onbeholpen voorstelling, maar nog altijd wordt ze -onbewust door velen gedeeld en doet ze bij de bestrijding der -openbaring dienst. Maar de natuur, de kosmos, is geen stuk -werk, dat klaar is en nu zekere zelfstandigheid bezit; maar zij -is φυσις, natura in eigenlijken zin, zij wordt altijd, zij bevindt -zich in eene voortdurende teleologische ontwikkeling, zij wordt -in opeenvolgende perioden eene goddelijke bestemming te gemoet -gevoerd. In zulk eene conceptie van de natuur zijn wederom de -wonderen volkomen op haar plaats. Hellwald zegt op de laatste -<span class="pagenum" id="Page_291">[291]</span> -bladzijde zijner Kulturgeschichte, dat alle leven op aarde eens -ondergaan zal in de eeuwige rust van den dood en eindigt dan -met de troostlooze woorden: Dann wird die Erde, ihrer Atmosphäre -und Lebewelt beraubt, in mondgleicher Verödung um die -Sonne kreisen, wie zuvor, das <i>Menschengeschlecht</i> aber, seine -Kultur, sein Ringen und Streben, seine Schöpfungen und Ideale -sind <i>gewesen</i>. Wozu? Natuurlijk zou in een stelsel, dat met -zulk eene onbeantwoorde vraag eindigt, openbaring en wonder -niets zijn dan eene absurditeit. Maar de Schrift leert ons, dat -de openbaring daartoe dient, om de schepping, die verdorven -wierd door de zonde, te herscheppen tot een koninkrijk Gods. -Hier neemt de openbaring eene volkomen geëvenredigde en teleologische -plaats in in het wereldplan, dat God zich gevormd heeft -en dat Hij in den loop der tijden realiseert. In dien zin zeide -reeds Augustinus, portentum fit non contra naturam sed contra -quam est nota natura, de civ. 21,8. c. Faustum 29,2. 26,3. De -uitdrukking is menigmaal in verkeerden zin geïnterpreteerd ten -behoeve van eene theologie, die de wonderen trachtte te begrijpen -als werking van eene kracht, die van nature in den mensch of -in de natuur aanwezig is of ook door de wedergeboorte of het -geloof in hem hersteld wordt. Deze eigenaardige opvatting komt -reeds bij Philo en het Neoplatonisme voor, heeft dan telkens -bij verschillende christelijke theologen weerklank gevonden, bij -Scotus Erigena, Paracelsus, Cornelius Agrippa, Böhme, Oetinger, -cf. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II. 182 f. -361 f. en wordt nu en dan ook in de Vermittelungstheologie -aangetroffen, Twesten, Vorles. I. 370 f. II. 171 f. Martensen, -Dogm. § 16 f. Schleiermacher, Glaub. § 13,1 § 129. Sack, -Apologetik S. 137 f. Lange, Philos. Dogm. § 64. Saussaye, -mijne Theol. van Ch. d. l. S. 36 v. Gunning, Blikken in de -openbaring II 37 v. Openbaring, inspiratie en wonder behoort -dan tot den oorspronkelijken aanleg van de menschelijke natuur. -Wel is die aanleg door de zonde verzwakt, maar hij komt toch -nog voor den dag in de poëtische en heroische inspiratie, in het -magnetisme en andere verwante verschijnselen. Langs ethischen -weg, door vereeniging met God, door ascetische reiniging, door -wedergeboorte enz. kan echter deze aanleg vernieuwd en versterkt -worden. Alle geloovigen zijn dus eigenlijk geïnspireerd en -kunnen wonderen doen. Si humana natura non peccaret eique, -<span class="pagenum" id="Page_292">[292]</span> -qui eam condiderat, immutabiliter adhaereret, profecto omnipotens -esset, Erigena, de div. nat. 4,9. Wonderen zijn volgens -Zimmer, Ueber den allgem. Verfall des menschl. Geschlechts -III n. 90 f., Zeichen des über die Herrschaft der Natur erhobenen -Menschen, in welchem die Herrlichkeit des ersten Menschenpaares -vor seiner Sünde dargestellt wird. Als de ziel in liefde op -God is gericht, zegt Böhme, so mag sie Wunder machen, was -sie will. In verwanten zin liet C. Bonnet, Recherches philosophiques -sur les preuves du christianisme, Geneve 1771, profetie en -wonder van te voren in de natuur gepraeformeerd zijn en door -werking der gewone natuurkrachten tot stand komen. Sommige -theologen in de vorige eeuw spraken daarom van rationes seminales, -primordiales en radicales der wonderen. Maar deze poging tot -verklaring der wonderen kan niet worden geaccepteerd. Zij verwart -het natuurlijke met het bovennatuurlijke, het supranatureele met -het religieus-ethische en wischt de grenzen uit tusschen profetie -en mantiek, wonder en magie, inspiratie en illuminatie. Zoo mag -ook de bovengenoemde uitdrukking van Augustinus niet worden -verklaard. Onder de natura nota verstaat hij de natuur in onzen -zin. En met het oog hierop zegt hij zelfs, dat het wonder is -contra naturam, evenals Thomas en Voetius dat later deden -(boven <a href="#Page_275">bl. 275</a>). Maar datzelfde wonder is nu van den beginne af -door God opgenomen in de natuur in ruimer zin, d. i. in de -door God bepaalde bestemming der dingen, in het goddelijk -wereldplan, F. Nitzsch, Augustinus’ Lehre vom Wunder, Berlin -1865. Dezelfde gedachte werd later ook door Leibniz uitgesproken, -Theodicée § 54. 207. God heeft van den beginne aan de wonderen -in zijn wereldplan opgenomen en brengt ze te zijner tijd tot -stand; de wonderen zijn niet te verklaren par les natures des -choses créées, maar des raisons d’un ordre supérieur à celui de -la nature le portent à les faire. Volgens Leibniz liggen de wonderen -dus niet keimartig, potentieel in de natuurkrachten opgesloten, -gelijk Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 146 Leibniz verklaart, -maar zijn constitueerende elementen in het wereldplan -Gods. In zoover behooren de wonderen zeer zeker tot de natuur. -Zij komen niet van buiten af in den bestaanden kosmos in, -om dezen te verstoren, maar zij zijn in de wereldidee zelve opgenomen -en dienen tot herstel en volmaking van de gevallen -natuur. Ja, ook zonder de zonde zou er voor profetie en wonder -<span class="pagenum" id="Page_293">[293]</span> -in de wereld plaats zijn geweest. Het bovennatuurlijke is niet -eerst door den val noodzakelijk geworden. Niet de openbaring -en het wonder op zichzelf, alleen het soteriologisch karakter, -dat beide thans dragen, is door de zonde veroorzaakt. In zoover -is zelfs het wonder geen vreemd element, dat aan de gevallen -schepping toegevoegd wordt. Openbaring en religie, profetie en -wonder zijn op zichzelf geen dona superaddita. Zij zijn volkomen -natuurlijk, in zoover als zij behooren tot de wereldidee Gods en -tot het wereldplan, dat Hij in weerwil van allen tegenstand in -den tijd tot uitvoering brengt.</p> - -<p>Desniettemin vormt de openbaring eene orde van zaken, die -van de gewone ordo naturae onderscheiden is; een systeem van -woorden en daden Gods, dat zelf door één beginsel wordt beheerscht -en als een organisch geheel ons voor oogen treedt. De -openbaring is geen einzelner Akt Gottes in der Zeit, geïsoleerd -van heel de natuur, Strauss, Glaub. I 274, maar is eene wereld -op zich zelve, van de natuur onderscheiden en toch op haar -aangelegd, met haar verwant, voor haar bestemd. In dit systeem -der openbaring, dat bij het paradijs begint en eerst in de parusie -eindigt, is nog veel duister en onverklaard. Er kunnen hoofdlijnen -getrokken worden. Beide in de historie der profetieën en -der wonderen is er orde en gang te ontdekken. Ook de openbaring -heeft hare eigene wetten en regelen. Het is de schoone -taak der historia revelationis, om deze op te sporen, en het -systeem te ontdekken, dat in haar geschiedenis verborgen ligt. -Maar er zijn nog vele feiten, die in hunne eigenlijke beteekenis -voor en samenhang met het geheel nog niet worden doorzien; -nog vele woorden en daden, die onder geen regel te brengen -zijn. Dit verwondere niet en mag allerminst als een grond voor -het ongeloof worden geëxploiteerd. De philosophie der natuur en -der geschiedenis is ook nog lang niet met haar arbeid gereed. -Ook zij staat ieder oogenblik voor cruces, die zij niet te verklaren -weet. Toch twijfelt daarom niemand aan de eenheid der -natuur en aan het plan der geschiedenis. Met deze vergeleken, -verkeert de openbaring zelfs in een gunstig geval. Haar hoofdlijnen -staan vast. Zooals zij in het paradijs begint en in de -parusie eindigt, vormt zij eene grootsche historie, die licht verspreidt -over heel de natuur en geschiedenis en daarin naar Augustinus’ -woord het buitengewone door het gewone voor mateloosheid -<span class="pagenum" id="Page_294">[294]</span> -behoedt en het gewone door het buitengewone adelt, bij Müller, -Natur und Wunder 180. Zonder haar wandelen wij in het duister, -gaan wij de eeuwige rust van den dood te gemoet en hebben -wij geen antwoord op de vraag, waartoe alles geweest is. Maar -met haar bevinden wij ons in eene wereld, die trots alle zondige -macht der herstelling en der volmaking te gemoet wordt gevoerd. -Israel de voorbereiding, Christus het centrum, de kerk de uitwerking, -de parusie de kroon — dat is het snoer, dat de openbaringsfeiten -met elkander verbindt.</p> - -<p>Daarom is het geloof aan de bijzondere openbaring ten slotte -eigenlijk één met het geloof aan eene andere en betere wereld -dan deze. Indien deze wereld met de van nature haar inwonende -krachten en wetten de eenige en de beste is, dan moeten wij -het vanzelf ook met deze doen. Dan zijn de leges naturae gelijk -aan de decreta Dei, dan is deze wereld de Zoon, de Logos, -het eigenlijke beeld Gods, dan is in de ordo naturae, waarin -wij leven, reeds de volle, adaequate openbaring van Gods wijsheid -en macht, van zijne goedheid en heiligheid. Wat recht is er -dan om te verwachten, dat het Dort toch eenmaal Hier worden -zal, dat het ideaal in realiteit zal overgaan, dat het goede triumfeeren -zal over het kwaad, en de Welt der Werthe eens heerschen -zal over de Welt der Wirklichkeit? Evolutie brengt er -ons niet. Nihil fit ex nihilo. Uit deze wereld wordt geen paradijs. -Wat er niet in ligt, kan er niet uit voortkomen. Als er geen -Jenseits is, geen God, die boven de natuur staat, geen ordo -supernaturalis, dan is aan de zonde, aan de duisternis, aan den -dood het laatste woord. De openbaring der Schrift doet ons eene -andere wereld kennen van heiligheid en heerlijkheid, welke in -deze gevallen wereld indaalt, niet als leer alleen maar ook als -goddelijke δυναμις, als geschiedenis, als realiteit, als een harmonisch -systeem van woorden en daden te zamen en die deze -wereld opheft uit haar val en uit den status peccati door den -status gratiae heen in den status gloriae henenleidt. De openbaring -is het komen Gods tot de menschheid om eeuwiglijk bij -haar te wonen. Litteratuur over de wonderen behalve de reeds -genoemde: Köstlin, Jahrb. f. deutsche Wiss. 1864, 2<sup>tes</sup> Heft, -S. 205-270 en art. Wunder in Herzog<sup>2</sup>. Nitzsch, Syst. der -chr. Lehre § 34. Twesten, Vorles I. 366 f. Martensen, Dogm. -§ 16 f. Lange, Dogm. I 471 f. Rothe, Zur Dogm. 80 f. Gloatz, -<span class="pagenum" id="Page_295">[295]</span> -Ueber das Wunder, Stud. u. Kr. 1886, 3<sup>tes</sup> Heft. Dorner, Glaub. -I 569 f. 583 f. Philippi, Kirchl. Glaub. I 25 f. Saussaye, -mijne Theol. 36 v. Oosterzee, Dogm. I 205 v. Kuyper, Uit -het Woord II 69 v. III 114 v. Encycl. II 369 v. 446 v. -Müller, Natur und Wunder, Strassburg, Herder 1892 en de -daar S. XV f. aangeh. litt., Gondal, Le miracle, Paris, Roger -et Chernoviz 1894.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 11. <span class="smcap">De Heilige Schrift.</span></h3> - -<h4>A. Openbaring en Schrift.</h4> - -<p>1. De historie der godsdiensten wijst niet alleen een innig -verband aan tusschen religie en openbaring, maar verder ook -tusschen openbaring en schrift. Magische formulen, liturgische -teksten, ritueele tractaten, ceremonieele wetten, priesterlijke documenten, -historische en mythologische litteratuur, enz. komen op -religieus terrein bij alle cultuurvolken voor. Maar in nog enger -zin is er van heilige schriften in de godsdiensten sprake. Vele -volken hebben ook een boek of een verzameling van boeken, die -goddelijk gezag bezitten en als regel gelden van leer en leven. -Daartoe behooren de Shu-king der Chineezen, de Veda der Indiërs, -de Tripitaka der Buddhisten, de Avesta der Perzen, de Koran -der Mohammedanen, het Oude Testament der Joden en de Bijbel -der Christenen. Samen zijn deze zeven door Max Müller, Vorlesungen -über den Ursprung der Religion 1880 S. 149 met den -naam van de boekgodsdiensten aangeduid. Reeds dit verschijnsel -wijst aan, dat openbaring en schrift niet in een toevallig, willekeurig -verband kunnen staan. Zelfs biedt de geschiedenis van de -leer van den Koran merkwaardige parallelen met die van het -dogma der Schrift in de christelijke kerk, M. Th. Houtsma, De -strijd over het dogma in den Islâm tot op El-Ash’ari, Leiden -1875 bl. 96 v. Zie verder over de heilige boeken Ch. de la -Saussaye, Lehrb. der Rel. Gesch. I 137 f. Lamers, Wetenschap -v. d. godsd. II 249 v. Max Müller, Theosophy or psychological -religion 1893. Lecture 2: The value of the sacred books.</p> - -<p>Nu zijn allereerst gedachte en woord, denken en spreken ten -<span class="pagenum" id="Page_296">[296]</span> -innigste aan elkander verwant. Zij zijn wel niet, gelijk Max Müller, -Vorlesungen über die Wissenschaft der Sprache I 3<sup>e</sup> Aufl. 1875 -S. 459, Das Denken im Lichte der Sprache, Leipzig 1888 S. -70-115 meent, identisch; want er is ook een denken, een bewustzijn, -een besef, hoe onhelder ook, zonder woord. Homo enim -nihil potest dicere, quod non etiam sentire possit; potest etiam -aliquid sentire, quod dicere non possit, Augustinus, Serm. 117, -c. 5. Maar het woord is toch eerst de voldragen, de tot zelfstandigheid -en tot vollen wasdom gekomen en daarom ook de -heldere, klare gedachte; een onontbeerlijk hulpmiddel voor het -bewuste denken. De taal is de ziel der natie, de bewaardster -van de goederen en schatten der menschheid, de band van menschen -en volken en geslachten, de ééne groote traditie, die de -menschenwereld, één in physis, ook één maakt in bewustzijn. -Maar gelijk de gedachte zich belichaamt in het woord, zoo het -woord wederom in het schrift. Ook de taal is niets dan een -organisme van teekens, maar van hoorbare teekens. En het hoorbaar -teeken zoekt uitteraard stabiliteit in het zichtbaar teeken, -in het schrift. Het schrift is eigenlijk teekenkunst, en komt in -dezen ruimen zin bij alle volken voor, maar heeft zich allengs -van teeken- en beeldschrift, door woord- of begrippenschrift heen -tot letterschrift ontwikkeld. Hoe ook verfijnd en in nauwkeurigheid -toegenomen, het is onvolkomen. Ons denken, zegt Augustinus, -de trin. 7, 4, de doctr. christ. 1, 6 blijft achter de zaak, ons -denken achter ons spreken terug; en zoo ook is er een groote -afstand tusschen woord en schrift. De klanken worden altijd -slechts bij benadering in zichtbare teekens weergegeven. Het -denken is rijker dan het spreken, en het spreken rijker dan het -schrijven. Maar toch is het schrift van groote waarde en beteekenis. -Schrift is het verduurzaamde, gegeneraliseerde en geaeterniseerde -woord. Het maakt de gedachte tot eigendom van hen, -die verre van ons en die na ons zijn, tot het gemeen goed der -menschheid. Het schildert het woord af en spreekt tot de oogen. -Het geeft lichaam en kleur aan de gedachte. Het schrift is de -ἐνσαρκωσις van het woord.</p> - -<p>Dat geldt in het algemeen. De Traditionalisten, de Bonald, -Lamennais, Bautain gingen zeker te ver, als ze zeiden, dat de -taal rechtstreeks van God afkomstig was, dat in de taal alle -schatten der waarheid werden bewaard, en dat de mensch nu alle -<span class="pagenum" id="Page_297">[297]</span> -waarheid uit en door de taal, de traditie, deelachtig werd, Stöckl, -Lehrb. der neueren Philos. I 406 f. Maar er ligt toch eene goede -gedachte in. En vooral op godsdienstig gebied krijgt woord en -schrift eene hoogere beteekenis. De openbaring is in het Christendom -eene historie. Zij bestaat in daden, gebeurtenissen, die -voorbijgaan en weldra tot het verledene behooren. Zij is een actus -transiens, temporair, momentaan zelfs, en heeft dezen tijdvorm, -dit vergankelijke, met alle aardsche dingen gemeen. En toch -bevat zij eeuwige gedachten, die niet alleen voor het oogenblik, -waarin zij plaats had, en voor de personen, tot wie zij geschiedde, -beteekenis hadden, maar die van waarde zijn voor alle tijden en -voor alle menschen. Hoe is dit schijnbaar tegenstrijdige te vereenigen? -Want het vreemde daarvan is schier altijd gevoeld. Het -deisme in Engeland maakte er opmerkzaam op. Herbert van -Cherbury sprak uit, dat alleen aan zulk eene openbaring geloof -kon worden geschonken, die ons zelf onmiddellijk te beurt viel; -openbaringen die anderen ontvangen hebben, zijn voor ons slechts -geschiedenis, overlevering, en in geschiedenis kunnen wij het nooit -verder brengen dan tot waarschijnlijkheid, de veritate 1656 p. -288, Lechler, Gesch. des engl. Deismus 49. Hobbes zei evenzoo, -dat eene openbaring, die anderen hadden ontvangen, voor ons niet -te bewijzen was, Leviathan ch. 32. Locke maakte hetzelfde onderscheid -tusschen original and traditional revelation, Essay concerning -human understanding IV ch. 18. Het deisme leidde daaruit -af, dat de religio naturalis genoegzaam was. Het maakte scheiding -tusschen feit en idee, het tijdelijke en het eeuwige, zufällige -Geschichtswahrheiten en nothwendige Vernunftwahrheiten. En het -speculatieve rationalisme van Hegel trad in het zelfde spoor; de -idee stort zich niet uit in een enkel individu.</p> - -<p>Nu is deze scheiding practisch onmogelijk gebleken. De losmaking -der idee uit de historie komt in het Christendom, evenals -in elke andere religie, op niets minder dan het verlies der idee -zelve te staan. De stelling van Lessing in zijn geschrift Ueber -den Beweis des Geistes und der Kraft: Zufällige Geschichtswahrheiten -können der Beweis von nothwendigen Vernunftwahrheiten -nie werden, heeft indertijd veel opgang gemaakt. Maar dat is -alleen te verklaren uit den onhistorischen zin en de redevergoding -der achttiende eeuw. De tegenwoordige eeuw heeft het -dweepen met de noodwendige redewaarheden en het verachten van -<span class="pagenum" id="Page_298">[298]</span> -de historie verleerd. Zij heeft de geschiedenis in haar dieperen -zin en in hare eeuwige beteekenis leeren verstaan. Indien de -feiten der geschiedenis toevallig waren, werd zij zelve een aggregaat -van op zich zelf staande voorvallen, zonder orde, zonder -samenhang, zonder plan. Dan was er geen geschiedenis meer en -hare beoefening een ijdele, nuttelooze bezigheid. En dan volgt van -zelve, dat ook de historie der openbaring al haar waardij verliest. -Maar de geschiedenis is juist verwezenlijking van gedachten Gods, -uitwerking van een raad Gods over zijne schepselen; er is eenheid, -gang, orde, logos in. En zulk eene opvatting van de -geschiedenis is eerst door het Christendom mogelijk geworden. -Bij Grieken en Romeinen wordt die niet gevonden; er waren -slechts volken, er was geen menschheid. De Schrift echter leert -ons de eenheid kennen van het menschelijk geslacht; zij geeft ons -de grootsche conceptie van eene wereldgeschiedenis. En in deze -neemt zij zelve de eerste en de allesbeheerschende plaats in. De -Geschichtswahrheiten zijn dus niet toevallig, en allerminst onder -deze wederom de geschiedenis der openbaring. Zij is zoo noodzakelijk, -dat zonder haar heel de geschiedenis en heel de menschheid -uiteen valt. Zij is de draagster der Godsgedachten; de -apocalypse van Gods voornemen, welke den apostel Paulus telkens -weer met bewondering en aanbidding vervulde; de revelatio -mysterii, zonder welke de mensch in het duistere rondtast. En -aan de andere zijde zijn de Vernunftwahrheiten, waarvan Lessing -sprak, ook alles behalve noodwendig. De kritiek van Kant heeft -dat anders aangetoond. Juist ten aanzien van die nothwendige -Vernunftwahrheiten heerscht er tegenwoordig algemeen een bedenkelijk -scepticisme. De verhouding is dus juist omgekeerd. Het -historische is in zijne eeuwige beteekenis doorzien en het rationeele -in zijne veranderlijkheid aan het licht getreden.</p> - -<p>Feit is dan ook, dat wij alles erven van de voorgeslachten. -Wij brengen niets in de wereld, 1 Tim. 6:7. Physisch en psychisch, -intellectueel en ethisch zijn we afhankelijk van de wereld -om ons heen. En religieus is het niet anders. De openbaring, -die in historie bestaat, kan niet anders dan in den weg der -traditie, in den ruimsten zin, tot ons komen. Eene vraag, waarom -niet aan elk mensch die openbaring geschonken wordt, Rousseau -in zijn profession de foi, en Strauss, Glaub. I. 268 f. komt eigenlijk -niet te pas. Ze onderstelt, dat de openbaring niets anders bevat -<span class="pagenum" id="Page_299">[299]</span> -dan leer en vergeet, dat ze historie is en wezen moet. Het centrum -der openbaring is de persoon van Christus. En Christus is een -historisch persoon; zijne menschwording, zijn lijden en sterven, -zijne opstanding en hemelvaart zijn voor geene herhaling vatbaar. -Ja, het behoort juist tot de ἐνσαρκωσις, dat hij in de historie -inga en leve in den vorm van den tijd. Hij zou ons niet in alles -gelijk zijn geweest, indien hij niet aan tijd en ruimte, aan de -wet van het worden zich onderworpen had. De openbaring, niet -als leer maar als incarnatie kan uitteraard niet anders dan historie -zijn, d. i. vallen in een bepaalden tijd en gebonden zijn aan -eene bepaalde plaats. De incarnatie is de eenheid van het zijn, -ἐγω εἰμι, Joh. 8:58, en het worden, σαρξ ἐγενετο, Joh. 1:14. -Bovendien, ook in de openbaring volgt God de grondlijnen, die -Hij voor het samenleven der menschen getrokken heeft. De -menschheid is niet een aggregaat van individuen, maar een organisch -geheel, waarin allen leven van elkaar. De openbaring volgt -deze wet, de herschepping sluit bij de schepping zich aan. Gelijk -we op elk terrein door middel van de traditie deel krijgen aan -de goederen der menschheid, zoo ook in de religie. Ook dat -behoort tot de idee der incarnatie. Zij is zelve een actus transiens, -maar wordt door de traditie heen het eigendom en de zegen -van alle menschen. Dat die openbaring echter nog tot zulk een -klein geheel van menschen beperkt is, levert een moeilijk probleem -op, dat later nog nader dient onderzocht te worden; maar dit -op zichzelf ontroerend feit kan nooit voor degenen, die haar -kennen, eene reden zijn om ze te verwerpen. Vele volken leven -in een staat van ruwe barbaarschheid. Ook dat geschiedt naar -den wil en het welbehagen Gods. Toch komt het in niemand -op om daarom de zegeningen der beschaving te verachten. Rousseau -dweepte met den natuurmensch, maar hij bleef stil in Frankrijk.</p> - -<p class="sep2">2. De drager van de ideale goederen der menschheid is de -taal, en de σαρξ van de taal is het schrift. Ook hierbij sluit -God in de openbaring zich aan. Om volkomen in te gaan in de -menschheid en ten volle haar eigendom te kunnen worden, neemt -de openbaring de μορφη, het σχημα aan van de Schrift. De -Schrift is de dienstknechtsgestalte van de openbaring. Ja, het -centrale feit der openbaring, n.l. de incarnatie, leidt naar de -Schrift heen. In profetie en wonder daalt de openbaring zoo laag -<span class="pagenum" id="Page_300">[300]</span> -neder en zoo diep af, dat ze zelfs de laagste vormen van het -menschelijke, bepaaldelijk van het religieuse leven niet als middel -versmaadt. De Logos zelf wordt niet ἀνθρωπος slechts, maar -δουλος, σαρξ. En evenzoo neemt het woord der openbaring den -onvolkomen, gebrekkigen vorm aan van het schrift. Maar zoo -alleen wordt de openbaring het goed der menschheid. Het doel -der openbaring is niet Christus; Christus is centrum en middel; -het doel is, dat God wederom in zijn schepselen wone en in -den kosmos zijne heerlijkheid openbare. Θεος τα παντα ἐν πασιν. -Ook dit is in zekeren zin eene ἐνανθρωπησις του θεου, eene -menschwording Gods. En om dat doel te bereiken, gaat het -woord der openbaring over in schrift. Ook de Schrift is dus -middel en instrument, geen doel. Zij vloeit voort uit de menschwording -Gods in Christus, zij is in zekeren zin de voortzetting -ervan, de weg, waarlangs Christus woning maakt in zijne gemeente; -de praeparatio viae ad plenam inhabitationem Dei. Maar -in deze inwoning Gods heeft ze dan ook haar τελος, haar einde -en doel, 1 Cor. 15:28. Evenals heel de openbaring, is ook zij -een actus transiens.</p> - -<p>Daardoor wordt de verhouding duidelijk, waarin de Schrift -staat tot de openbaring. De vroegere theologie liet de openbaring -bijna geheel opgaan in de theopneustie, in de gave der Schrift. -Zij bracht de openbaring slechts terloops ter sprake, en vatte -haar veel te eng op. Het scheen, alsof er achter die Schrift niets -lag. En de Schrift kwam geheel los en geisoleerd te staan. Zij -wortelde niet in de historie. Het had er veel van, alsof ze plotseling -uit den hemel was komen vallen. De machtige conceptie -van de openbaring als eene geschiedenis, die bij den val begint -en eerst in de parousie eindigt, was haar schier geheel vreemd. -Deze beschouwing is onhoudbaar. Immers, de openbaring gaat in -verre de meeste gevallen aan de theopneustie vooraf en is daarvan -dikwerf door een langen tijd gescheiden. De openbaring Gods -aan de aartsvaders, in de geschiedenis van Israel, in den persoon -van Christus werd soms eerst eeuwen en jaren daarna beschreven; -en ook de profeten en apostelen stellen hunne openbaringen dikwerf -eerst geruimen tijd na de ontvangst te boek, bv. Jer. 25:13, -30:1, 36:2 v. Voorts waren vele personen, zooals Elia, -Elisa, Thomas, Nathanael, enz. openbaringsorganen, die toch -nimmer een boek schreven, dat in den kanon werd opgenomen; -<span class="pagenum" id="Page_301">[301]</span> -anderen daarentegen ontvingen geene openbaringen en deden geen -wonderen, en brachten ze toch wel in geschrifte, zooals bijv. de -schrijvers van vele historische boeken. Verder had de openbaring -plaats in verschillende vormen, droom, visioen, enz., en bedoelde -de bekendmaking van iets dat verborgen was; de theopneustie -was altijd eene inwerking van Gods Geest in het bewustzijn en -had tot doel de garantie van den inhoud der Schrift. De nieuwere -theologie maakte daarom terecht tusschen de openbaring en de -Schrift onderscheid. Maar zij viel dikwerf in een ander uiterste. -Zij maakte de Schrift zoo geheel en al van de openbaring los, -dat deze niets meer werd dan een toevallig aanhangsel, een willekeurig -toevoegsel, eene menschelijke oorkonde van de openbaring, -die misschien nog wel nuttig maar in elk geval niet noodzakelijk -was. In allerlei variatiën is dit thema bezongen. Niet de letter -maar de Geest, niet de Schrift maar de persoon van Christus, -niet het woord maar het feit is het principium der theologie. -En Lessing kwam tot de bekende bede: o Luther! gij groote en -heilige man, gij hebt ons verlost van het juk van den Paus, -maar wie zal ons verlossen van het juk der letter, van den -papieren Paus. Deze beschouwing is niet minder verkeerd en nog -gevaarlijker dan de andere. Want openbaring en theopneustie -vallen in vele gevallen geheel samen. Lang niet alles, wat in de -Schrift is beschreven, werd te voren geopenbaard, maar kwam -onder het schrijven zelf in het bewustzijn op, bijv. in de psalmen, -de brieven, enz. Wie de theopneustie ontkent en de Schrift minacht, -verliest ook voor een zeer groot gedeelte de openbaring; -hij houdt niets dan menschelijke geschriften over. Voorts is ons -de openbaring, ook waar ze in feit of woord voorafging aan de -beschrijving, enkel en alleen door de H. Schrift bekend. Wij -weten van de openbaringen Gods onder Israel en in Christus -letterlijk niets, dan alleen uit de H. Schrift. Er is geen ander -principium. Met de H. Schrift valt dus de gansche openbaring, -valt ook de persoon van Christus. Juist omdat de openbaring -historie is, is er geen andere weg om er iets van te weten, dan -de gewone weg bij alle historie, dat is de getuigenis. Het getuigenis -beslist voor ons bewustzijn over de realiteit van een feit. -Geen gemeenschap met Christus dan alleen door de gemeenschap -aan het woord der apostelen, Joh. 17:20, 21; 1 Joh. 1:3. De -openbaring bestaat voor ons, voor de kerk aller eeuwen, slechts -<span class="pagenum" id="Page_302">[302]</span> -in den vorm der H. Schrift. En eindelijk is de theopneustie, -gelijk later blijken zal, eene eigenschap van de Schriften, een -eigen en afzonderlijke daad Gods bij de vervaardiging der Schrift, -en dus in zooverre ook zelve als openbaringsdaad te erkennen en -te eeren. Verachting of verwerping van de Schrift is dus niet -eene onschuldige handeling ten opzichte van menschelijke getuigenissen -aangaande de openbaring, maar ontkenning van eene -bijzondere openbaringsdaad Gods, en dus in beginsel loochening -van alle openbaring.</p> - -<p>Beide richtingen zijn dus eenzijdig, zoowel die, welke de openbaring -ten bate der Schrift, als die de Schrift ten bate der openbaring -miskennen. Daar komt de φανερωσις, hier de θεοπνευστια -niet tot haar recht. Ginds heeft men Schrift zonder schriften; -hier heeft men geschriften zonder Schrift. Daar is eene verwaarloozing -van de historie, hier eene minachting van het woord. De -eerste richting vervalt in orthodox intellectualisme, de tweede -loopt gevaar van anabaptistisch spiritualisme. De juiste beschouwing -is deze, dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd -noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst -wordt. De theopneustie is een element <i>in</i> de openbaring; eene -laatste akte, waarin de openbaring Gods in Christus voor deze -bedeeling afgesloten wordt; in zooverre dus het einde, de kroon, -de verduurzaming en de publicatie der openbaring, medium, quo -revelatio immediata mediata facta inque libros relata est, Baumgarten -bij Twesten, Vorles. über die Dogm. I 402.</p> - -<p class="sep2">3. De openbaring toch, in haar geheel genomen, heeft haar -einde en doel eerst bereikt in de parousie van Christus. Maar -zij valt in twee groote perioden, in twee onderscheidene bedeelingen -uiteen (boven <a href="#Page_270">bladz. 270</a>). De eerste bedeeling strekte, -om de volle openbaring Gods in te lijven in en tot een deel te -maken van de geschiedenis der menschheid. Heel die oeconomie -kan beschouwd worden als een komen Gods tot zijn volk, als -een zoeken van een tabernakel voor Christus. Zij is dus overwegend -eene openbaring Gods in Christus. Ze draagt een objectief -karakter. Zij kenmerkt zich door buitengewone daden; theophanie -profetie en wonder zijn de wegen, waarlangs God tot zijn volk -komt. Christus is er het subject van. Hij is de Logos, die -schijnt in de duisternis, komt tot het zijne, en vleesch wordt in -<span class="pagenum" id="Page_303">[303]</span> -Jezus. De H. Geest was toen nog niet, overmits Christus nog -niet was verheerlijkt. In deze bedeeling houdt de teboekstelling -gelijken tred met de openbaring. Beide groeien van eeuw tot eeuw. -Naarmate de openbaring voortschrijdt, neemt de Schrift in omvang -toe. Als in Christus de volle openbaring Gods is gegeven, -theophanie, profetie en wonder in Hem haar hoogtepunt hebben -bereikt en de genade Gods in Christus aan alle menschen is -verschenen, dan is tegelijk ook de voltooiing der Schrift daar. -Christus heeft ons in zijn persoon en werk den Vader ten volle -geopenbaard, daarom wordt in de Schrift die openbaring ons ten -volle beschreven. De openbaring heeft in zekeren zin haar einde -bereikt. De bedeeling des Zoons maakt plaats voor de bedeeling -des Geestes. De objectieve openbaring gaat over in de subjectieve -toeeigening. In Christus is midden in de historie door God een -organisch centrum geschapen; vandaar uit worden thans in steeds -wijder kring de cirkels getrokken, binnen welke het licht der -openbaring schijnt. De zon, opgaande bestrijkt slechts een klein -oppervlak der aarde met haar stralen; staande in het zenith, -straalt zij over heel de aarde heen. Israel was slechts instrument -der openbaring; het heeft zijn dienst verricht en valt weg, als -het den Christus heeft voortgebracht, zooveel het vleesch aangaat; -thans verschijnt de genade Gods aan alle menschen. De openbaring -zet zich dus wel voort, maar op andere wijze en in andere vormen. -De H. Geest neemt alles uit Christus; Hij voegt niets nieuws -aan de openbaring toe. Deze is voltooid en daarom voor geen -vermeerdering vatbaar. Christus is de Logos, vol van genade en -waarheid; zijn werk is volbracht; de Vader zelf rust in zijn -arbeid. Zijn werk kan niet aangevuld of vermeerderd worden door -de goede werken der heiligen; zijn woord niet door de traditie; -zijn persoon niet door den paus. In Christus heeft God zich ten -volle geopenbaard en ten volle geschonken. Daarom is de Schrift -ook voltooid, zij is het volkomene woord Gods. En toch, schoon -op andere wijze, gaat de openbaring voort, want zij heeft haar -einddoel niet in Christus, die middelaar is, maar in de nieuwe -menschheid, in het wonen Gods bij zijn volk. Zij gaat voort in -al hare drie vormen van theophanie, profetie en wonder. God -komt tot en woont in de gemeente van Christus; waar twee of -drie in zijn naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. Hij doet -wonderen altijd door; Hij vernieuwt haar door wedergeboorte, -<span class="pagenum" id="Page_304">[304]</span> -heiligmaking en verheerlijking; de geestelijke wonderen houden -niet op. God werkt altijd. Maar dat is niet genoeg. De wereld -van het zijn niet alleen, ook die van het bewustzijn moet vernieuwd. -In den Logos was het leven maar ook het licht der -menschen; Christus is vol van genade maar ook van waarheid; -de openbaring bestond in wonder maar ook in profetie. Woord -en daad gingen saam in de eerste bedeeling, zij vergezellen elkaar -ook in de oeconomie des H. Geestes. De H. Geest wederbaart -maar verlicht ook. Maar gelijk de geestelijke wonderen geen -nieuw element aan de objectieve openbaringsfeiten toevoegen maar -slechts uitwerking zijn van het wonder van Gods genade, in -Christus gewrocht; zoo ook is de profetie in de gemeente, de -illuminatie des H. Geestes, geen openbaring van verborgenheden -maar toepassing van de schatten der wijsheid en kennis, die in -Christus begrepen zijn en in zijn woord zijn uitgestald. En beide -deze werkzaamheden des H. Geestes gaan in deze bedeeling hand -aan hand. Profetie en wonder, woord en feit, illuminatie en regeneratie, -Schrift en kerk vergezellen elkander. Ook thans is de -openbaring geen leer alleen, die het verstand verlicht, maar ook -een leven, dat het hart vernieuwt. Zij is beide te zamen in -onverbreekbare eenheid. De eenzijdigheden van het intellectualisme -en mysticisme zijn beide te vermijden, want zij zijn beide -eene miskenning van den rijkdom der openbaring. Wijl hoofd en -hart, de gansche mensch in zijn zijn en bewustzijn moet vernieuwd -worden, zet de openbaring zich in deze bedeeling voort in de -Schrift en in de kerk te zamen. En beide staan daarbij in het -allernauwste verband tot elkander. De Schrift is het licht der -kerk, de kerk is het leven der Schrift. Buiten de kerk is de -Schrift een raadsel, eene ergernis. Zonder wedergeboorte kan -niemand haar kennen. Wie haar leven niet deelachtig is, kan -haar zin en meening niet verstaan. En omgekeerd is het leven -der kerk eene verborgenheid, als de Schrift er haar licht niet -over schijnen laat. De Schrift verklaart de kerk, de kerk verstaat -de Schrift. In de kerk bevestigt en verzegelt de Schrift -hare openbaring, en in de Schrift leert de Christen, leert de kerk -zichzelve verstaan, in hare verhouding tot God en de wereld, in -haar verleden en heden en toekomst.</p> - -<p>Daarom staat de Schrift ook niet op zichzelve. Zij mag niet -deïstisch worden opgevat. Zij wortelt in eene historie van eeuwen -<span class="pagenum" id="Page_305">[305]</span> -en is vrucht van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar -zij is toch geen boek uit lang vervlogene tijden, dat ons alleen -met personen en gebeurtenissen van het verleden in verband -brengt. De H. Schrift is geen dor verhaal en geen oude kroniek, -maar zij is het altijd levende, eeuwig jeugdige woord, dat God -nu in dezen tijd en altijd door tot zijn volk laat uitgaan. Zij is -de altijd voortgaande sprake Gods tot ons. Zij dient niet alleen, -om ons historisch te doen weten, wat er in het verledene is -geschied. Zij heeft zelfs de bedoeling niet, om ons een historisch -verhaal te leveren naar den maatstaf der getrouwheid, die in -andere wetenschappen geeischt wordt. De H. Schrift is een tendenz-boek; -al wat te voren geschreven is, is tot onze leering -geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der -Schriften hope hebben zouden. De Schrift is door den H. Geest -geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij zijne leiding der kerk, -bij de volmaking der heiligen, bij den opbouw van het lichaam -van Christus. In haar komt God dagelijks tot zijn volk. In haar -spreekt Hij tot zijne kinderen, niet uit de verte, maar van nabij. -In haar openbaart Hij zich van dag tot dag aan de geloovigen -in de volheid van zijn genade en waarheid. Door haar werkt Hij -zijne wonderen van ontferming en trouw. De Schrift is het blijvend -rapport tusschen hemel en aarde, tusschen Christus en zijne -gemeente, tusschen God en zijne kinderen. Zij legt ons niet alleen -vast aan het verleden, zij bindt ons aan den levenden Heer in -de hemelen. Zij is de viva vox Dei, epistola Dei omnipotentis ad -suam creaturam. Door het woord heeft God eenmaal de wereld -geschapen, door het woord houdt Hij ze in stand; maar door -het woord herschept Hij haar ook en bereidt ze tot zijne -woning. De theopneustie is daarom ook eene blijvende eigenschap -van de H. Schrift. Zij werd niet alleen getheopneusteerd -in het moment, dat zij te boek werd gesteld; zij is theopneust. -Divinitus inspirata est scriptura, non solum dum scripta est -Deo spirante per scriptores; sed etiam dum legitur Deo spirante -per scripturam et scriptura ipsum spirante, Bengel op -2 Tim. 3:16. Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door -de theopneustie levendig gehouden en efficax gemaakt. Het is -de H. Geest, die profetie en wonder, Schrift en kerk beide -in stand houdt en in verband zet met elkaar, en die alzoo -de parusie voorbereidt. Want als zijn en bewustzijn beide eens -<span class="pagenum" id="Page_306">[306]</span> -geheel zullen vernieuwd zijn, dan heeft de openbaring haar einde. -De Schrift is dan niet noodig meer. De theopneustie is dan het -deel van alle kinderen Gods. Zij zullen allen door den Heere -geleerd zijn en Hem dienen in zijnen tempel. Profetie en wonder -zijn geworden tot natuur, want God woont onder zijn volk.</p> - -<h4>B. De leer der inspiratie.</h4> - -<p>4. De autoriteit der H. S. is door alle christelijke kerken -erkend. Er is geen dogma, waarover meer eenheid bestaat, dan -dat der H. Schrift. De genesis van dit geloof aan de H. Schrift -is niet meer na te gaan. Het bestaat, zoover we teruggaan. In -het O. T. staat het gezag van Jahveh’s geboden en inzettingen, -d. i. van de thora en evenzoo van de profeten reeds vast. Mozes -en de profeten zijn onder Israel altijd mannen van goddelijke -autoriteit geweest; hunne geschriften werden terstond als gezaghebbend -erkend. De Joden hebben daarop eene leer der inspiratie -gebouwd, zoo streng en exclusief mogelijk. De thora staat in de -Schrift des O. T. bovenaan, zij is in haar inhoud identisch met -de goddelijke Wijsheid, het beeld Gods, de dochter Gods, de -op zich zelve voldoende, voor alle volken bestemde openbaring -des heils, het hoogste goed, de weg ten leven. Als Israel niet -gezondigd had, ware zij genoegzaam geweest. Maar nu zijn de -schriften der profeten er later ter verklaring aan toegevoegd. -Al die schriften zijn goddelijk, heilig, regel van leer en leven, -en met een oneindigen inhoud. Niets is er overbodig in; alles -heeft beteekenis, iedere letter, elk teeken, tot de gedaante en -vorm van eene letter toe, want alles is van God afkomstig. -Volgens Philo, de migr. Abrahae, en Josephus, Ant. 4, 6, 5. -c. Ap. 1,7 verkeerden de profeten bij de inspiratie in een toestand -van verrukking en bewusteloosheid, dien zij met de heidensche -mantiek vergeleken en ook wel tot anderen dan de -profeten uitbreidden, maar het goddelijk gezag der H. Schrift -staat ook bij hen onwrikbaar vast. Alleen werd aan dat gezag -feitelijk weer afbreuk gedaan door de traditie. De Schrift was -n.l. op zich zelve onvoldoende. Naar de voorstelling der Joden -was er ook nog eene mondelinge traditie, welke van God afkomstig, -door Mozes, Aäron, de oudsten, de profeten, de mannen der -groote synagoge aan de Schriftgeleerden was overgeleverd. Zij -<span class="pagenum" id="Page_307">[307]</span> -werd eindelijk neergelegd in de Mishna en Gemara, welke nu -als norma normata aan de norma normans is toegevoegd en met -behulp vooral van dertien hermeneutische regelen met de Schrift -in overeenstemming werd gebracht, Zunz, Die gottesd. Vorträge -der Juden 1832 S. 37 f. Weber, System der altsyn. pal. Theol. -1880. S. 14 f. 78 f. Schürer, Neutest. Zeitgeschichte, Leipzig, -1874. S. 437 f.</p> - -<p>De christelijke gemeente verwierp nu met Jezus en de apostelen -wel de geheele Joodsche traditie, maar erkende toch van -den beginne af aan het goddelijk gezag der O. T. Schrift, Harnack, -Dogm. gesch. I 39 f. 145 f. 244 f. De gemeente is nooit -zonder Bijbel geweest. Zij ontving het O. Test. uit de hand der -apostelen terstond met goddelijke autoriteit. Het christelijk geloof -sloot van den aanvang af het geloof aan het goddelijk gezag des -O. T. in zich. Clemens Romanus leert de inspiratie des O. T. -zoo duidelijk mogelijk. Hij noemt de O. T. geschriften τα λογια -του θεου, 1 Cor. 53, τας γραφας, τας ἀληθεις τας δια πνευματος -του ἁγιου, ib. 45, voert plaatsen uit het O. T. aan met de -formule: de H. Geest zegt, ib. 13 en zegt van de profeten: οἱ -λειτουργοι της χαριτος του θεου δια πνευματος ἁγιου ἐλαλησαν -ib. 8. Hij breidt de inspiratie ook tot de apostelen uit, en zegt, -dat zij μετα πληροφοριας πνευματος ἁγιου uitgegaan zijn om -te prediken, ib. 42, en dat Paulus aan de Corinthiërs πνευματικως -geschreven heeft ib. 47. Overigens leveren de apost. vaders weinig -stof voor het dogma der Schrift: de inspiratie zelve staat vast, -maar over den omvang en de grenzen der inspiratie is er nog -verschil; van de N. T. geschriften wordt weinig gesproken, en -apocriefe worden soms als kanonische geciteerd. De Apologeten -der 2<sup>e</sup> eeuw, Justinus, Coh. ad Graecos c. 8. en Athenagoras, -Leg. pro Christo cap. 7. vergelijken de schrijvers bij een cither, -lier of fluit, waarvan het goddelijk πληκτρον zich als van een -orgaan bediende. De leer der apostelen staat met die van de -profeten op één lijn; evenals Abraham, zoo gelooven wij τῃ φωνῃ -του θεου, τῃ δια τε των ἀποστολων του χριστου λαληθεισῃ -παλιν και τῃ δια των προφητων κηρυχθεισῃ ἡμιν, Just. Dial. -119. De Evangeliën deelen in dezelfde inspiratie als de profeten, -δια το τους παντας πνευματοφορους ἑνι πνευματι θεου -λελαληκεναι, Theoph. ad Autol. 3 n. 12. Bij Irenaeus is reeds -de volle erkenning aanwezig van de inspiratie van beide Testamenten; -<span class="pagenum" id="Page_308">[308]</span> -Scripturae perfectae sunt, quippe a Deo et Spiritu ejus -dictae, adv. haer. 2, 28., ze hebben één auteur en één doel, -4, 9. En voorts worden de H. Schriften door de kerkvaders -aangehaald als θεια γραφη, κυριακαι γραφαι, θεοπνευστοι γραφαι, -coelestes literae, divinae voces, bibliotheca sancta, chirographum -Dei, enz. De schrijvers heeten λειτουργοι της χαριτος του θεου, -ὀργανα θειας φωνης, στομα θεου, πνευματοφοροι, χριστοφοροι, -ἐμπνευσθεντες, θεοφορουμενοι, Spiritu divino inundati, pleni -enz. De acte der inspiratie wordt als een drijven, leiden enz., -maar vooral dikwerf als een dicteeren des H. Geestes voorgesteld, -Iren. 1. c. Aug. de cons. Evang. 1, 54; de schrijvers waren de -handen des H. G., Aug. ib., zij waren de auctores niet, maar -alleen scriptores, scribae; auctor der H. Schrift is God alleen, -Isidorus Hisp. lib. 1. de offic. c. 12, bij Dausch, Die Schriftinspiration -1891 S. 87. De Schrift is eene epistola omnipotentis -Dei ad suam creaturam, Aug. in Ps. 20. Serm. 2, 1. Greg. -Magnus, Epist. 1. 4. ep. 31. Er is niets onverschilligs en niets -overtolligs in, maar alles is vol van goddelijke wijsheid; nihil -enim vacuum, neque sine signo apud Deum, Iren. adv. haer. -4, 21, 3. Vooral Origenes dreef dit sterk en zei, dat er geen -tittel of jota vergeefsch was, dat er niets was in de Schrift, quod -non a plenitudine divinae majestatis descendat, Homil. 2. 21. 39 -in Jerem., en evenzoo Hieronymus, die zei: singuli sermones, -syllabae, apices, puncta in divinis scripturis plena sunt sensibus -et spirant caelestia sacramenta. De H. Schrift was daarom zonder -eenig gebrek, zonder eenige dwaling, ook in chronologische, -historische zaken, Theoph. ad Autol. 23, Iren. adv. haer. 3, 5. -Wat de apostelen geschreven hebben, moet evenzoo worden aangenomen, -alsof Christus zelf het geschreven had, want zij waren -als het ware zijne handen, Aug. de cons. Evang. 1, 54. In zijn -brief aan Hieronymus zegt hij vast te gelooven, dat geen der -kanonische schrijvers scribendo aliquid errasse. Als er dus eene -fout is, non licet dicere: auctor hujus libri non tenuit veritatem -sed: aut codex mendosus est, aut interpres erravit, aut tu non -intelligis, c. Faust. 11, 5. Maar tegelijk werd de zelfbewustheid -der schrijvers bij de inspiratie tegenover het Montanisme -zoo sterk mogelijk geaccentueerd; voorafgaand onderzoek, onderscheid -in ontwikkeling, gebruik van bronnen en van de herinnering, -verschil in taal en stijl werd door Iren. Orig. Euseb. -<span class="pagenum" id="Page_309">[309]</span> -August. Hieron. enz. volledig erkend; zelfs werd door sommigen -een verschil in de wijze van inspiratie onder O. en N. T., of -ook een verschil in graad van inspiratie naar den zedelijken toestand -der schrijvers aangenomen, Novatianus, de trin. 4. Orig. -c. Cels. 7. 4. Maar dat alles deed aan het geloof aan den goddelijken -oorsprong en de goddelijke autoriteit der H. S. geen -afbreuk. Deze stonden algemeen vast. Het practische gebruik -der Schrift in de prediking, in de bewijsvoering, in de exegetische -behandeling enz. bewijst dat nog meer en nog sterker dan de op -zich zelf staande uitspraken. De kerk had in deze eerste periode -meer te doen met de vaststelling van den kanon, dan met het -begrip der inspiratie, maar verstond onder de kanonische juist -divinae scripturae, Conc. Carth. 397 can. 47, en schreef aan -deze alleen autoriteit toe, Conc. Tolet. 447, cf. Denzinger, -Enchir. symb. et defin. n<sup>r</sup>. 49. 125. Joh. Delitzsch, de inspir. -scripturae s., quid statuerint patres apostolici et apologetae sec. -<ins id="cor_31" title="sec">saec</ins>. Lips. 1872. Hagenbach, Dogm. Gesch. § 31 f. Rudelbach, -Zeits. f. d. ges. luth. Theol. u. Kirche 1840. W. Rohnert, Die -Inspiration der H. S. u. ihre Bestreiter, Leipz. 1889 S. 85 f. -P. Dausch, Die Schriftinspiration, eine bibl. geschichtl. Studie, -Freiburg 1891. S. 45 f. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie, -Breslau 1891. 84 f. Cramer, Godgel. Bijdragen IV -49-121. Dr. W. Sanday, Inspiration, eight lectures on the early -history and origin of the doctrine of biblical inspiration, Bampton -lectures 1893.</p> - -<p class="sep2">5. De theologie der Middeleeuwen bleef bij de kerkvaders -staan en heeft de leer der inspiratie niet verder ontwikkeld. -Joh. Damasc., de fide orthod. 4, 17 brengt de Schrift slechts -even ter sprake en zegt, dat wet en profeten, evangelisten en -apostelen, herders en leeraars door den H. Geest gesproken hebben; -en daarom is de Schrift theopneust. Erigena, de div. nat. -I 66 sq. zegt, dat men in alle stukken de autoriteit der H. S. -moet volgen want vera auctoritas rectae rationi non obsistit, maar -ook omnis auctoritas, quae vera ratione non approbatur, infirma -videtur esse. Thomas behandelt de leer der H. Schrift evenmin -als Lombardus, maar geeft zijne gedachte over de inspiratie toch -in zijne leer over de profetie, S. Theol. II 2 qu. 171 sq. De -profetie is bepaald eene gave des verstands en bestaat ten eerste -<span class="pagenum" id="Page_310">[310]</span> -in inspiratio, d. i. in eene elevatio mentis ad percipienda divina, -welke geschiedt Spiritu Sancto movente, en ten tweede in revelatio, -waardoor de goddelijke dingen worden gekend, de duisternis en -onkunde worden weggenomen en de profetie zelve wordt voltooid, -qu. 171 art. 1. Nader bestaat de profetie in de gave van het -lumen propheticum, waardoor de goddelijke dingen zichtbaar -worden, evenals de natuurlijke dingen door ’t natuurlijk licht der -rede, ib. art. 2. Maar die openbaring verschilt; soms geschiedt -ze onder bemiddeling van de zintuigen, soms door middel van -de verbeeldingskracht, soms ook op zuiver geestelijke wijze, zooals -bij Salomo en de apostelen, ib. qu. 173 art. 2. De profetie -per intellectualem visionem staat in het algemeen hooger dan -die per imaginariam visionem; als echter het lumen intellectuale -geen bovennatuurlijke dingen openbaart, maar alleen de natuurlijk -kenbare dingen op goddelijke wijze kennen en beoordeelen doet, -dan staat zulk eene prophetia intellectualis beneden die visio -imaginaria, welke bovennatuurlijke waarheid openbaart. De -schrijvers der hagiographa schreven meermalen over zaken, die -van nature kenbaar zijn, en ze spraken dan non quasi ex persona -Dei, sed ex persona propria, cum adjutorio tamen divini luminis. -Thomas erkent dus verschillende wijzen en graden van inspiratie. -Hij zegt ook, qu. 176 art. 1, dat de apostelen de gave der talen -kregen om het evangelie aan alle volken te kunnen prediken, -sed quantum ad quaedam quae superadduntur humana arte ad -ornatum et elegantiam locutionis, apostolus instructus erat in -propria lingua, non autem in aliena, en zoo ook waren de apostelen -genoegzaam met kennis toegerust voor hun ambt, maar -kenden niet alles, wat er te kennen valt, b.v. arithematica enz. -Maar eene dwaling of onwaarheid kan in de Schrift niet voorkomen, -S. Theol. I qu. 32 art. 4. II 2 qu. 110 art. 4 ad 3. -Het breedvoerigst wordt over de Schrift gehandeld door Bonaventura -in het prooemium voor zijn Breviloquium, ed. Freiburg -1881 p. 1-32: de H. Schrift heeft haar oorsprong niet uit -menschelijk onderzoek, maar uit openbaring van den Vader door -den Zoon in den H. Geest. Niemand kan haar kennen dan door -het geloof, want Christus is haar inhoud. Zij is cor Dei, os -Dei (des Vaders), lingua Dei (des Zoons), calamus Dei (des H. G.). -Vier dingen komen van de Schrift vooral in aanmerking; hare -latitudo: zij bevat vele deelen, O. en N. T., verschillende soorten -<span class="pagenum" id="Page_311">[311]</span> -van boeken, wettelijke, historische, profetische enz.; hare longitudo: -zij beschrijft alle tijden van de schepping af tot den oordeelsdag -toe in de drie tijdperken van lex naturae, lex scripta en lex -gratiae of in zeven aetates; hare sublimitas: zij beschrijft de -verschillende hierarchieën, ecclesiastica, angelica, divina; hare -profunditas: zij heeft eene multiplicitas mysticarum intelligentiarum. -Hoe zeer de H. Schrift ook verschillende wijzen van -spreken gebruikt, zij is altijd echt, er is niets onwaars in. Want -de H. Geest, ejus auctor perfectissimus nihil potuit dicere falsum, -nihil superfluum, nihil diminutum. Daarom is het lezen en -onderzoeken der H. S. zoo dringend noodig; en voor dit doel -schreef Bonaventura zijn kostelijk Breviloquium. Duns Scotus -voert in den Prologus voor zijne Sententiae wel verschillende -gronden aan, waarop het geloof aan de H. S. rust, zooals de -profetie, de innerlijke overeenstemming, de echtheid, de wonderen -enz., maar behandelt de leer der H. S. niet. En ook overigens -vinden we weinig stof voor het dogma der Schrift in de scholastiek. -Er werd geen behoefte gevoeld aan eene bijzondere behandeling -van den locus de S. Scr., wijl haar autoriteit vast stond en -niemand ze bestreed. Zij had in de Middeleeuwen, althans formeel, -eene onbetwiste heerschappij. Ze werd symbolisch voorgesteld als -het water des levens, in lofspraken verheerlijkt, evenals het -beeld van Christus vereerd en aangebeden, op de kostbaarste -wijze overgeschreven, geïllustreerd, ingebonden en uitgestald. -Ze had eene eereplaats op de conciliën, werd als eene reliquie -bewaard, als amulet om den hals gedragen, met den gestorvene -mede begraven, en als grondslag voor de eedsaflegging gebezigd. -En ook werd ze veel meer, dan de Protestanten later meenden, -gelezen, bestudeerd, verklaard en vertaald, Vigouroux, Les livres -saints et la critique rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. I 226 s. Janssen, -Gesch. des deutschen Volkes, I 48 f. Herzog<sup>2</sup> 3, 545 f. Bestrijding -van de Schrift was er niet. Ook Abaelard, Sic et Non, -ed. Henke et Lindenkohl, Marb. 1851 p. 10.11 zegt niet, dat -profeten en apostelen in het schrijven, maar alleen, dat zij soms -als personen hebben gedwaald, met beroep op Gregorius, die dat -ook van Petrus had erkend; de gratia prophetiae werd hun soms -ontnomen, opdat ze nederig zouden blijven en erkennen zouden, -dat ze dien Geest van God, qui mentiri vel falli nescit, slechts -als gave ontvingen en bezaten. En evenmin is Agobard van Lyon -<span class="pagenum" id="Page_312">[312]</span> -een bestrijder der inspiratie; alleen staat hij tegenover Fredegis -van Tours eene meer organische opvatting voor, die verschil van -taal en stijl, grammatische afwijkingen enz. erkent, Münscher-v. -Coelln, Dogm. Gesch. II 1 S. 105. Kerkelijk werd de inspiratie -en autoriteit der H. Schrift meermalen uitgesproken en erkend, -Denzinger, Enchir. n. 296. 386. 367. 600.</p> - -<p class="sep2">6. Het Trentsche concilie verklaarde in sess. 4, dat de waarheid -vervat is in de geschreven boeken en ongeschreven overleveringen, -welke uit den mond van Christus door de apostelen zijn -ontvangen of door dezelfde apostelen, Spirito Sancto dictante, als -van hand tot hand zijn overgeleverd en tot ons gekomen zijn; -en dat het daarom, naar het voorbeeld der vaderen alle boeken -van O. en N. T., cum utriusque unus Deus sit auctor, en evenzoo -de overleveringen ... tanquam vel oretenus a Christo, vel a -Spiritu Sancto dictatas ... aanneemt en vereert. De inspiratie werd -hier wel tot de traditie uitgebreid, maar toch ook duidelijk van -de H. S. uitgesproken. Maar onder de Roomsche theologen kwam -er spoedig groot verschil over den aard en den omvang der -inspiratie. Zoowel het auctor utriusque testamenti als het dictare -werd verschillend geinterpreteerd. De theologen der 16<sup>e</sup> eeuw -waren over het algemeen nog de strengere richting van kerkvaders -en scholastici toegedaan. Het waren meest aanhangers van -Augustinus in de leer der genade, Jansenisten, Augustinianen en -Dominikanen. De voornaamste onder deze richting zijn Melchior -Canus, Loci theol. 1563, Bannez, Comment. in primam partem -D. Thomae Lugd. 1788. Bajus en Jansenius, Billuart, Summa S. -Thomae tom. 2. Wirceb. 1758, Rabaudy, Exerc. de Scriptura -sacra; in deze eeuw nog Fernandez, diss. crit. theol. de verbali -S. Bibl. inspiratione, maar voorts ook wel Jezuiten, zooals Tostatus, -Costerus, Turrianus, Salmeron, Gregor de Valencia, De -rebus fidei h. t. controv. Lugd. 1591 enz. Dezen leeren allen -eene positieve inwerking van Gods Geest op de schrijvers, die -zich ook tot de singula verba uitstrekte. Maar spoedig kwam -er eene laxere richting op, en wel onder de Jezuiten. In het -jaar 1586 openden Lessius en Hamelius hunne voorlezingen -aan het Jezuitencollege te Leuven, en verdedigden daar o. a. de -stellingen: 1<sup>o</sup> ut aliquis sit S. Scriptura, non est necessarium, -singula ejus verba inspirata esse a Sp. S<sup>o</sup>. 2<sup>o</sup> non est necessarium, -<span class="pagenum" id="Page_313">[313]</span> -ut singulae veritates et sententiae sint immediate a Sp. S<sup>o</sup>. ipsi -scriptori inspiratae. <ins id="cor_32" title="3{9}">3<sup>o</sup></ins> liber aliquis (qualis forte est secundus -Machabaeorum) humana industria sine assistentia Sp. S<sup>i</sup>. scriptus, -si Sp. S<sup>us</sup> postea testetur, ibi nihil esse falsum, efficitur Scriptura -sacra. Hier wordt de woordinspiratie verworpen, de onmiddellijke -inspiratie ook van vele zaken, bv. van geschiedenis, die de schrijvers -wisten, onnoodig geacht, en zelfs bij sommige boeken eene -later door Bonfrerius zoo genoemde inspiratio subsequens of -aposteriorische approbatie des H. G. voor voldoende gehouden. -De faculteiten van Leuven en Douai veroordeelden de stellingen, -maar andere keurden deze censuur weer af, en de paus nam -geene beslissing. De twee eerste stellingen vonden veel ingang, -maar de derde ging al te ver en werd slechts door weinigen -overgenomen, o. a. door Bonfrerius, Frassenius, Richard Simon, -Histoire critique du N. T. 1689 ch. 23, en in deze eeuw nog -door den bisschop van Spiers, Haneberg, Gesch. der bibl. Offenbarung, -3<sup>e</sup> Aufl. 1863. Eene andere richting wordt vertegenwoordigd -door Mariana, Tract. varii VIII, <ins id="cor_33" title="El">Ed</ins>. du Pin, Dissert. préliminaire -tom. I Paris 1701. J. Jahn, Introductio in libros Vet. -Test. 1814 en vat de inspiratie op als eene louter negatieve -assistentie des H. G., waardoor de schrijvers voor dwaling werden -behoed. Beide deze richtingen hielden vast aan de feilloosheid -der H. Schrift, maar vereenzelvigden deze feitelijke uitkomst met -den goddelijken oorsprong der Schrift. Daarentegen werd de -onfeilbaarheid in zaken, die niet in engeren zin religieus-ethisch -waren, prijsgegeven en de inspiratie tot het eigenlijk dogmatisch-ethische -beperkt door Erasmus, op Mt. 2, Hd. 10, en -Apologia adv. monachos quosdam Hispanos, Abbé Le Noir, -Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible Paris 1880, -de Broglie, Langen in Bonn, Rohling, Natur und Offenbarung -1872. Verwant is daarmede de voorstelling van Holden, -doctor der Sorbonne, in zijne Divinae fidei analysis 1770 en -Chrismann, Regula fidei catholicae, die bij de geloofs- en -zedewaarheden eene eigenlijke inspiratie aannamen maar bij den -overigen inhoud der Schrift slechts zulk eene assistentie leerden, -als welke alle geloovigen genieten. Van gelijke strekking is ook -de opvatting in de Roomsche Tübinger school, wier vertegenwoordigers -Drey, Apologetik 1838 S. 204 f. Kuhn, Einl. in die -Dogmatik 1859 S. 9 f. Schanz, Apol. des Christ. II 318 f. enz. -<span class="pagenum" id="Page_314">[314]</span> -onder invloed van Schleiermacher, de inspiratie in verband brachten -met heel het organisme der openbaring, en in verschillende -mate tot de verschillende deelen der Schrift zich lieten uitstrekken. -De meeste Roomsche theologen na de Reformatie bewandelen -een middenweg. Zij verwerpen eenerzijds de laxe inspiratie -die alleen in negatieve assistentie of posterieure approbatie zou -bestaan hebben, want dan waren alle besluiten der concilien, dan -was al het ware geinspireerd te noemen. Anderzijds ontkennen -zij ook de strenge inspiratio verbalis, volgens welke alle zaken -niet alleen maar ook zelfs alle singula verba gedicteerd en -ingegeven zijn, want vele zaken en woorden waren den schrijvers -bekend en behoefden dus niet geinspireerd te worden; het verschil -in taal en stijl, het gebruik van bronnen enz. bewijst ook -de onjuistheid der verbale inspiratie. Eene inspiratio realis is dus -genoeg, die soms bepaald openbaring, soms echter assistentie is. -Deze theorie vinden wij bij Bellarminus, de Verbo Dei. I c. 14. -cf. de Conc. II c. 12. XII c. 14. C. a Lapide op 2 Tim. 3:16. -de Theologia Wirceburgensis, disp. 1 cap. 1. Marchini, de divinitate -et canonicitate sacr. Bibl. Pars 1 art. 7. Liebermann, -Instit. theol. ed. 8. 1857 I p. 385 sq. Perrone, Praelect. Theol. -IX 1843 p. 66 sq. Heinrich, Dogm. I 382 f. Franzelin, Tractatus -de div. Script. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 50. H. Denzinger, -Vier Bücher von der relig. Erk. II 108 f. F. Schmid, -de inspirationis Bibl. vi et ratione. Jansen, Praelect. theol. I -767 sq. Zie verder over deze verschillende theorieën van de -inspiratie Perrone ib. IX 58 sq. Jansen, ib. 762 sq. P. Dansch, -Die Schriftinspiration 1891. S. 145 f. Het Vaticanum droeg wel -geen bepaalde theorie voor, maar veroordeelde toch beslist die -van de inspiratio subsequens en de mera assistentia, en verklaarde, -na het Trentsche besluit te hebben herhaald, dat de kerk die -boeken voor heilig en kanoniek erkent, niet omdat zij sola industria -humana concinnati, sua (d. i. der kerk) deinde autoritate -sint approbati; noch ook, omdat zij revelationem sine errore -contineant; maar daarom dat zij Spiritu Sancto inspirante conscripti -Deum habent auctorem, atque ut tales ipsi ecclesiae -traditi sunt. In can. 2, 4 noemt het concilie de boeken nog eens -divinitus inspiratos. In cap. 3 de fide zegt het, dat fide divina -et catholica ea omnia credenda sunt, quae in verbo Dei scripto -vel tradito continentur. Dit besluit laat aan duidelijkheid niets -<span class="pagenum" id="Page_315">[315]</span> -te wenschen over. De Roomsche kerk vat de inspiratie op als -eene positieve inwerking van Gods Geest en houdt de onfeilbaarheid -der Schrift vast. En de encycliek van Leo XIII de studiis -Scripturae sacrae 18 Nov. 1893 is geschreven in ditzelfde geloof.</p> - -<p class="sep2">7. De Hervormers namen de Schrift en hare theopneustie -aan, gelijk hun die door de kerk was overgeleverd. Luther heeft -nu en dan van uit zijn soteriologisch standpunt over sommige -boeken, Esther, Ezra, Neh., Jakobus, Judas, Openb. een ongunstig -oordeel geveld en kleinere onjuistheden toegegeven, maar toch -aan de andere zijde de inspiratie in den strengsten zin vastgehouden -en tot de letters toe uitgebreid. Bretschneider, Luther -an unsere Zeit 1817. Schenkel, Das Wesen der Protest. II 56 f. -Köstlin, Luthers Theologie II 246 f. W. Rohnert, Was lehrt L. -von der Insp. der H. Schrift. Leipzig 1890. Fr. Pieper, Luthers -doctrine of inspiration, Presbyt. and Ref. Rev. April 1893 p. -249-266. De Luthersche symbolen hebben geen afzonderlijk -artikel over de Schrift, maar onderstellen haar goddelijken oorsprong -en autoriteit allerwege, Conf. Aug. praef. 8. art. 7. Art. -Smalc. II art. 2. 15. Form. Conc. Pars I Epit. de comp. regula -atque norma 1. De Luthersche dogmatici, Melanchton in de -praefatio voor zijne loci, Chemniz, Examen Conc. Trid. Loc. 1. -Gerhard, Loci Theol. loc. 1. enz. hebben allen dezelfde opvatting. -Niet eerst Quenstedt en Calovius, maar reeds Gerhard noemt -de schrijvers Dei amanuenses, Christi manus et Spiritus Sancti -tabelliones sive notarios, ib. loc. 1. cap. 2 § 18. Lateren hebben -het beginsel slechts verder ontwikkeld en toegepast, Heppe, Dogmatik -des deutschen Prot. I. 207-257. Hase Hutt. Rediv. § 38 -f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. cap. 4. Rohnert, Die Inspiration -der H. Schrift 169 f. Koelling, Die Lehre von der -Theopneustie 1891. S. 212 f. Bij de Gereformeerden treffen we -dezelfde leer over de Schrift aan. Zwingli stelt het uitwendig -woord dikwerf achter bij het inwendig, geeft historische en chronologische -onnauwkeurigheden toe, en breidt de inspiratie soms -tot heidensche schrijvers uit, Zeller, Das theol. System Zwingli’s -137 f. Chr. Sigwart, Ulr. Zwingli 45 f. Maar Calvijn houdt de -Schrift in vollen en letterlijken zin voor Gods woord, Instit. I. -c. 7-8, Comm. op 2 Tim. 3:16 en 2 Petr. 1:20; hij erkent -den brief aan de Hebreën wel niet voor paulinisch maar toch -<span class="pagenum" id="Page_316">[316]</span> -voor kanoniek, en neemt Mt. 22:9, 23:25 eene fout aan, -maar niet in de autographa, Cramer, De Schriftbeschouwing -van Calvijn. Heraut. n<sup>o</sup>. 26 v. Moore, Calvins doctrine of holy -Scripture, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893 p. 49 etc. De Geref. -confessies hebben meest een artikel over de H. Schrift en spreken -haar goddelijk gezag duidelijk uit, I Helv. 1-3. II Helv. 1. 2. -13. 18. Gall. 5. Belg. 3. Angl. 6. Scot. 18 enz.; en de Geref. -theologen nemen allen zonder onderscheid ditzelfde standpunt in, -Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. -319-451. Junius, Theses Theol. cap. 2. Polanus, Synt. Theol. -I 15. Synopsis, disp. 2. Voetius, Disp. Sel. I. 30 sq. etc. Cramer, -De roomsch-kath. en oudprot. Schriftbeschouwing. Heraut n<sup>o</sup>. 26 v. -Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 9 f. Eene enkele maal is er -eene zwakke poging tot meer organische beschouwing te bespeuren. -De inspiratie bestond niet altijd in openbaring, maar, als het -bekende zaken gold, in assistentia en directio; de schrijvers waren -niet altijd passief, maar ook wel actief, zoodat ze hun eigen -verstand, geheugen, oordeel, stijl gebruikten, maar zoo, dat ze -toch door den H. G. werden geleid en voor dwaling behoed, -Synopsis 3:7. Rivetus, Isag. seu introd. generalis ad Script. V. -et N. T. cap. 2. Heidegger, Corpus Theol. loc. 2. § 33. 34, -maar ook daarmede werd aan de goddelijkheid en onfeilbaarheid -van de Schrift niet de minste afbreuk gedaan. De schrijvers -waren geen auctores, maar scriptores, amanuenses, notarii, manus, -calami Dei. De inspiratie was niet negatief maar altijd positief, -een impulsus ad scribendum en eene suggestio rerum et verborum. -Zij deelde niet alleen onbekende maar ook reeds bekende zaken -en woorden mede, want de schrijvers moesten deze dan toch -juist nu en juist zóó, niet alleen materialiter maar ook formaliter, -niet alleen humane maar ook divine weten, Schmid, Dogm. der -ev. luth. K. 23, 24. Voetius, Disp. I 30. De inspiratie strekte -zich uit tot alle chronol. histor. geogr. zaken, tot de woorden, -zelfs tot vokalen en teekens. J. Buxtorf, Tract. de punctorum -origine, autiquitate et auctoritate 1648. Anticritica 1653. Alsted, -Praecognita Theol. p. 276. Polanus, Synt. Theol. I p. 75. Voetius, -Disp. I 34. Cons. Helv. art. 2. Barbarismen en soloecismen -werden in de H. S. niet aangenomen. Verschil van stijl werd -verklaard uit den wil des H. G., die nu zoo en dan anders -wilde schrijven, Quenstedt en Hollaz bij Rohnert, Die Inspir. -<span class="pagenum" id="Page_317">[317]</span> -der H. Schrift 205. 208. Winer, Grammatik des N. T. Sprachidioms, -6<sup>e</sup> Aufl. 11 f. Voetius ib. Gomarus, Op. 601. Materialiter, -wat letters, syllaben en woorden aangaat, is de Schrift e sensu -creaturarum, maar formaliter, wat den sensus θεοπνευστον betreft, -male creaturis accensetur, cum sit mens, consilium, sapientia -Dei. Hollaz, Exam. ed. Teller p. 992, bij Dausch 112. In 1714 -schreef Nitzsche in Gotha, volgens Tholuck, Vermischte Schriften -II 86, eene dissertatie over de vraag, of de H. Schrift zelve -God ware.</p> - -<p class="sep2">8. Maar toen de inspiratietheorie, evenals bij de Joden en -de Mohammedanen, zoo haar uiterste consequentie getrokken had, -kwam van alle kant de bestrijding op. Ook in vroegeren tijd -ontbrak het niet aan kritiek op de Schrift. Jojakim verbrandde -de rol van Baruch, Jer. 36. Apion vatte alle beschuldigingen -saam, die door de Heidenen tegen de Joden werden ingebracht -aangaande de besnijdenis, het verbod van zwijnenvleesch, den -uittocht uit Egypte, het verblijf in de woestijn, enz. Josephus, -contra Apionem, J. G. Muller, Des Flavius Josephus’ Schrift -gegen den Apion 1877. De Gnostieken, Manicheën en de hun -verwante secten in de Middeleeuwen rukten het N. Test. los van -het Oude, en schreven dit aan een lageren god, den demiurg, -toe. Vooral Marcion in zijne Antitheses, en zijne leerlingen -Apelles en Tatianus, uitgaande van de paulinische tegenstelling -van gerechtigheid en genade, wet en evangelie, werken en geloof, -vleesch en geest, richtten hun aanval tegen de anthropomorfismen, -de tegenstrijdigheden, de onzedelijkheid van het O. T., -en zeiden, dat een God, die toornt, berouw heeft, zich wreekt, -jaloersch is, diefstal en leugen beveelt, nederdaalt, eene strenge -wet geeft enz. niet de ware God kan zijn. Ook wezen ze met -voorliefde op het groote verschil tusschen Christus, den waren -Messias, en den Messias, gelijk de profeten hem verwachtten. -Van het N. T. verwierp Marcion alle geschriften behalve die van -Lukas en Paulus, en bedierf ook deze nog door verkorting en -interpolatie, Tertullianus, adv. Marcionem. Epiphanius, Haer. 42. -Irenaeus, adv. haer. passim. Harnack, Dogmengesch. I 226 f. -Celsus zette dezen strijd op scherpzinnige wijze voort en leverde -eene scherpe kritiek op de eerste hoofdstukken van Genesis, de -scheppingsdagen, de schepping des menschen, de verzoeking, den -<span class="pagenum" id="Page_318">[318]</span> -val, den zondvloed, de ark, Babels torenbouw, de verwoesting -van Sodom en Gomorra, en voorts op Jona, Daniël, de bovennatuurlijke -geboorte van Jezus, den doop, de opstanding, de -wonderen en beschuldigde Jezus en de apostelen, bij gebrek aan -betere verklaring, van bedrog. Porphyrius maakte een aanvang -met de historische kritiek der Bijbelboeken; hij bestreed de allegorische -exegese des O. T., schreef den Pentateuch aan Ezra toe, -hield Daniël voor een product uit den tijd van Antiochus, en -onderwierp ook vele verhalen in de Evangeliën aan een scherpe -kritiek. Julianus heeft later al deze aanvallen tegen de Schrift -in zijne Λογοι κατα χριστιανων nog eens vernieuwd. Maar daarmede -was het einde der toenmalige kritiek bereikt. De Schrift -kwam tot algemeene en onbetwiste heerschappij; de kritiek werd -vergeten. Zij herleefde in de Renaissance, maar werd toen nog -een tijd lang door de Reformatie en de Roomsche contra-reformatie -bedwongen. Straks verhief ze zich op nieuw, in het -rationalisme, het deïsme en de Fransche philosophie. Eerst richtte -zij zich meer tegen den inhoud der Schrift in de rationeele achttiende -eeuw; daarna meer tegen de echtheid der geschriften in de historisch -gezinde negentiende eeuw. Porphyrius vervangt Celsus, Renan volgt -na Voltaire, Paulus van Heidelberg maakt plaats voor Strauss en -Baur. Maar het resultaat blijft altijd hetzelfde, de Schrift is een -boek vol dwaling en leugen.</p> - -<p>Ten gevolge van deze kritiek hebben velen de leer der inspiratie -gewijzigd. Eerst wordt de inspiratie nog wel vastgehouden -als eene bovennatuurlijke werking des H. G. bij het schrijven, -maar tot het religieus-ethische beperkt; bij het chronologische, -historische enz. wordt zij verzwakt of ontkend, zoodat hier grootere -of kleinere fouten kunnen voorkomen. Het Woord Gods is -te onderscheiden van de H. Schrift. Zoo leerden reeds de Socinianen. -De schrijvers van O. en N. T. hebben wel geschreven -divino spiritu impulsi eoque dictante, maar het O. T. heeft slechts -historische waarde, alleen de leer is onmiddellijk geinspireerd, in -het overige is een leviter errare mogelijk, Fock, Der Socin. 326 -f. De Remonstranten namen hetzelfde standpunt in. Zij erkennen -de inspiratie, Conf. art. 1, maar geven toe, dat de schrijvers zich -soms minder exacte et praecise hebben uitgedrukt, Limborch, -Theol. Christ. I c. 4 § 10, of soms ook in de circumstantiae -fidei hebben gedwaald, Episcopius, Instit. Theol. IV 1 cap. 4, -<span class="pagenum" id="Page_319">[319]</span> -of sterker nog bij de historische boeken geen inspiratie behoefden -noch ontvingen, H. Grotius, Votum pro pace ecclesiae, Clericus, -bij Dr. Cramer, De geschied. van het leerstuk der inspiratie in -de laatste twee eeuwen 1887, bl. 24. Dezelfde leer over de -inspiratie vinden wij dan bij S. J. Baumgarten, J. G. Töllner, -Semler, Michaelis, Reinhard, Dogm. § 19. Vinke, Theol. Christ. -Dogm. Comp. 1853 p. 53-57. Egeling, Weg der Zaligheid, -3<sup>e</sup> dr. II 612, enz. Maar deze theorie stuitte toch op vele bezwaren. -De scheiding tusschen hetgeen ter zaligheid noodig is en -het bijkomstig historische is onmogelijk, wijl leer en geschiedenis -in de Schrift geheel zijn dooreengeweven. Zij doet te kort aan de -bewustheid der schrijvers, die hun gezag volstrekt niet tot het -religieus-ethische beperken maar uitbreiden tot den ganschen inhoud -hunner geschriften. Zij is in strijd met het gebruik der Schrift -door Jezus, de apostelen en heel de christ. kerk. Deze dualistische -opvatting maakte daarom plaats voor eene andere, de dynamische -van Schleiermacher, Christ. Gl. § 128-132. Zij bestaat -hierin, dat de theopneustie van intellectueel op ethisch gebied -wordt overgebracht. De inspiratie is niet in de eerste plaats eene -eigenschap van de Schrift maar van de schrijvers. Dezen waren -wedergeboren, heilige mannen; ze leefden in de nabijheid van -Jezus, ondergingen zijn invloed, verkeerden in den heiligen kring -der openbaring en werden alzoo vernieuwd, ook in hun denken -en spreken. De inspiratie is de habitueele eigenschap der schrijvers. -Hier deelen ook hunne geschriften in; ook zij dragen -een nieuw, heilig karakter. Maar deze inspiratie der schrijvers is -daarom niet essentieel, maar slechts gradueel van die van alle -geloovigen onderscheiden, want alle geloovigen worden geleid door -den H. Geest. Zij mag ook niet mechanisch worden opgevat, -alsof zij slechts nu en dan en bij sommige onderwerpen het deel -der schrijvers was. Gods Woord is niet mechanisch in de Schrift -vervat gelijk de schilderij in de lijst, maar het doordringt en -bezielt alle deelen der Schrift, gelijk de ziel alle leden des lichaams. -Echter zijn niet alle deelen der Schrift deze inspiratie, dit woord -Gods, in gelijke mate deelachtig; hoe dichter iets ligt bij het -centrum der openbaring, hoe meer het ook den Geest Gods ademt. -De Schrift is daarom tegelijk een goddelijk en een menschelijk -boek, eenerzijds de hoogste waarheid bevattend en toch tevens -zwak, feilbaar, onvolmaakt; niet de openbaring zelve maar oorkonde -<span class="pagenum" id="Page_320">[320]</span> -der openbaring; niet het woord Gods zelf maar beschrijving -van dat woord; gebrekkig in velerlei opzicht maar toch een -voldoend instrument voor ons, om tot eene feillooze kennis van -de openbaring te geraken. Ten slotte is ook niet de Schrift, maar -de persoon van Christus of in het algemeen de openbaring het -principium der theologie. Natuurlijk laat deze theorie der inspiratie -zeer vele wijzigingen toe; de theopneustie kan in meer of -minder innig verband tot de openbaring worden gesteld, de -werking des H. Geestes kan meer of minder positief worden -opgevat, de mogelijkheid van dwaling kan meer of minder ver -worden toegegeven. Maar de grondgedachten blijven toch dezelfde; -de inspiratie is in de eerste plaats eene eigenschap van de schrijvers -en daarna van hunne geschriften, zij is niet een momentane -akte of eene bijzondere gave des H. Geestes maar eene habitueele -eigenschap, zij werkt zoo dynamisch, dat mogelijkheid van dwaling -niet in alle deelen wordt uitgesloten. Deze theorie heeft de oude -leer der inspiratie bijna geheel vervangen. Er zijn slechts weinige -theologen meer, die niet in hoofdzaak haar hebben overgenomen. -Zie Rothe, Zur Dogm. 121 f. Twesten, Vorles. I 401 f. Dorner, -Glaub. I 620 f. Lange, Dogm. I § 76 f. Tholuck, art. Inspir. -in Herzog<sup>1</sup>. Cremer, id. in Herzog<sup>2</sup>. Hofmann, Weiss. u. Erf. I 25 -f. Id. Schriftbeweis, 2<sup>e</sup> Aufl. I 670 f. III 98 f. Beck, Vorles. über -christl. Glaub. I 424-530, Einleitung in das System der christl. -Lehre, 2<sup>e</sup> Aufl. § 82 f. Kahnis, Luth. Dogm. I 254-301. -Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Id. Syst. der chr. -Wahrheit, 2<sup>e</sup> Aufl. II. 409 f. Gess, Die Inspiration der Helden -der Bibel und der Schriften der Bibel, Basel 1892. W. Volck, -Zur Lehre von der H. Schrift, Dorpat 1885. Grau, Bew. d. Glaubens -Juni 1890, S. 225 f. Zöckler, Bew. d. Gl. April 1892 S. 150 f. -Kähler, Wiss. der chr. Lehre, 1884, S. 388 f. Kübel, Ueber -den Unterscheid zw. der posit. u. der liber. Richtung in der mod. -Theol. 2<sup>e</sup> Aufl. S. 216 f. Pareau et H. de Groot, Comp. dogm. -et apol. Christ. 1848 p. 200 sq. H. de Groot, De Gron. Godgel. -1855 bl. 59 v. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 49-61. -Roozemeyer, Stemmen v. W. en Vr. Juli 1891. Dr. Is. van -Dijk, Verkeerd Bijbelgebruik 1891. Daubanton, De theopneustie -der H. Schrift 1882. Oosterzee, Dogmatiek § 35 v. Id. Theopneustie -1882. Doedes, Leer der zaligheid § 1-9. Id. De Ned. Geloofsbel. -bl. 11-36. R. F. Horton, Inspiration and the Bible 4 ed. London -<span class="pagenum" id="Page_321">[321]</span> -1889. C. Gore, Lux mundi, 13 ed. London 1892, p. 247. -Farrar and others, Inspiration, a clerical symposium, 2 ed. -Londen 1888. W. Gladden, Who wrote the Bible, Boston, Houghton -1891. C. A. Briggs, Inspiration and inerrancy, with papers -upon biblical scholarship and inspiration by L. J. Evans and -H. P. Smiths, and an introduction by A. B. Bruce, London 1891. -J. de Witt, Inspiration 1893 enz. Ook Ritschl en zijne school -mag hier bijgenoemd worden, in zoover deze tegenover de bewustzijnstheologie -op de objectieve openbaring in Christus nadruk -legt en in verband daarmede ook de Schrift tracht te waardeeren, -A. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II<sup>2</sup> 9 f. W. Herrmann, Die Bedeutung -der Inspirationslehre für die ev. Kirche, Halle 1882. -Kaftan, Wesen der christl. Rel. 1881 S. 307 f. Nitzsch, Lehrb. -der ev. Dogm. 212-252. E. Haupt, Die Bedeutung der H. -Schrift für den evang. Christen, Gütersloh 1891 enz. Maar deze -theorie bevredigt noch de gemeente noch ook de zoogenaamde -wetenschap. De kritische bezwaren tegen de Schrift gelden niet -de peripherie maar het centrum zelf der openbaring. Daarom -zijn anderen nog verder gegaan en hebben heel de inspiratie als -eene bovennatuurlijke werking van Gods Geest ontkend. De Bijbel -is eene toevallige verzameling van menschelijke geschriften, zij -het ook geschreven door mannen met een diep religieus gemoed -en ontstaan onder een volk, dat bij uitnemendheid het volk van -den godsdienst mag heeten. Van openbaring en ingeving is er -dan nog slechts in overdrachtelijken zin sprake. Hoogstens is er -eene bijzondere leiding van Gods algemeene voorzienigheid in -het ontstaan en de verzameling dier geschriften op te merken. -De inspiratie is alleen gradueel verschillend van de religieuse -bezieling, waarin alle vromen deelen, Spinoza, Tract. theol. polit. -cap. 12. Wegscheider, Instit. theol. § 13. Strauss, Glaub. I 136 f. -Schweizer, Glaub. I 43 f. 179 f. Biedermann, Dogm. § 179-208. -Pfleiderer, Grundriss § 39 f. Lipsius, Dogm. § 179 f. -Scholten, L. H. K. I 78 v. Toch is het opmerkelijk, dat al deze -mannen nog tot op zekere hoogte de religieuse waarde der Schrift -blijven erkennen. Zij zien in haar niet alleen eene bron voor de -kennis van Israël en van het eerste Christendom, maar trachten -haar ook nog te handhaven als een genademiddel tot kweeking -van het religieus-ethische leven, cf. Bruining, Theol. Tijdschr. -Nov. 1894 bl. 587 v. In zoover onderscheiden zij zich gunstig -<span class="pagenum" id="Page_322">[322]</span> -van alle radikalen, die met de Schrift geheel hebben afgerekend, -alle piëteit voor haar hebben uitgeschud en niets dan spot en -verachting voor haar over hebben. Hiervan waren in de eerste -eeuwen Celsus en Lucianus de tolken; tegen het einde der Middeleeuwen -vond de lastering van de tres impostores ingang; in -de 18<sup>e</sup> eeuw werd aan dezen haat tegen het Christendom uiting -gegeven door Voltaire, die van 1760 af voor het Christendom -geen anderen naam had dan l’infâme en sedert 1764 zijne brieven -meest onderteekende met écrasez l’infâme; en in deze eeuw is -deze vijandschap tegen Christus en zijn woord nog toegenomen -en uitgebreid.</p> - -<p>Tegenover al deze meer of min negatieve richtingen wordt de -inspiratie der Schrift in positieven en vollen zin nog in deze -eeuw erkend en verdedigd, behalve door Roomsche theologen, -door I. da Costa, Over de godd. ingeving der H. S., uitgeg. door -Ds. Eggestein, Rott. Bredée 1884. Dr. A. Kuyper, De Schrift -het woord Gods, Tiel 1870. Id. De hedend. Schriftcritiek, Amst. -1881. Toorenenbergen, Bijdragen tot de verklaring, toetsing -en ontwikkeling van de leer der Herv. Kerk, 1865, bl. 9 v. -L. Gaussen, Theopneustie ou inspiration plénaire des S. Ecritures -1840. Id. Le Canon des S. Ecr. 1860. J. H. Merle d’Aubigné, -L’autorité des Ecritures 1850. A. de Gasparin, Les écoles du -doute et l’école de la foi 1853. Philippi, Kirchl. Glaub. 3<sup>e</sup> Aufl. -1883 I 125 f. Vilmar, Dogm. herausgeg. von Piderit, Gütersloh -1874 I 91 f. W. Rohnert, Die Inspiration der H. Schrift u. -ihre Bestreiter, Leipzig 1889. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie, -Breslau 1891. Henderson, Divine Inspiration 1836. Rob. -Haldane, The verbal inspiration of the old and new test. Edinb. -1830. Th. H. Horne, An introduction to the critical study and -knowledge of the holy scriptures, 2<sup>e</sup> ed. London 1821 4 vol. -vol. I. Eleazar Lord, The plenary inspiration of the holy Scripture, -New-York 1858, ’9. W. Lee, The inspiration of holy Scripture, -its nature and proof. 3<sup>e</sup> ed. Dublin 1864. Hodge, System. Theol. -I 151. Shedd, Dogm. Theol. I 61 B. Warfield, The real problem -of inspiration, Presb. and Ref. Rev. Apr. 1893 p. 177-221. -W. E. Gladstone, The impregnable rock of holy Scripture, 2 -ed. London 1892.</p> - -<div class="pagenum" id="Page_323">[323]</div> - -<h4>C. De inspiratie naar de Schrift.</h4> - -<p>9. Het Oude Testament levert voor de leer der inspiratie -de volgende belangrijke momenten: a) de profeten weten zich in -een bepaald oogenblik van hun leven door den Heere geroepen, -Exod. 3; 1 Sam. 3; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Am. 3:7, 8, -7:15. De roeping ging menigmaal in tegen hun eigen wensch -en begeerte, Ex. 3; Jer. 20:7; Am. 3:8, maar Jahveh is hun -te sterk geweest. De overtuiging onder Israel was algemeen, dat -de profeten gezanten Gods waren, Jer. 26:5, 7:15, door Hem -verwekt en gezonden, Jer. 29:15; Deut. 18:15; Num. 11:29; -2 Chron. 36:15, zijne knechten, 2 Kon. 17:23, 21:10, 24:2; -Ezra 9:11; Ps. 105:15 enz., staande voor zijn aangezicht, -1 Kon. 17:1; 2 Kon. 3:14, 5:16. b) Zij zijn zich bewust, -dat Jahveh tot hen gesproken heeft, en zij van Hem de openbaring -hebben ontvangen. Hij leert hen, wat zij spreken zullen, -Ex. 2:12; Deut. 18:18, legt de woorden in hun mond, Num. -22:38, 23:5; Deut. 18:18, spreekt tot hen, Hos. 1:2; Hab. -2:1; Zach. 1:9, 13, 2:2, 7, 4:1, 4, 11, 5:5, 10, 6:4; -Num. 12:2, 8; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:28. Vooral wordt -de formule gebruikt: alzoo zegt de Heere, of: het woord des -Heeren geschiedde tot mij, of: woord, godspraak, נאם part. pass, -het gesprokene van Jahveh. Heel de Oudtest. Schrift is vol van -deze uitdrukking. Keer op keer wordt de profetische rede daardoor -ingeleid. Zelfs wordt Jahveh telkens sprekende in den eersten -persoon ingevoerd, Jos. 24:2; Jes. 1:1, 2, 8:1, 11; Jer. 1 -vs. 2, 4, 11, 2:1, 7:1; Ezech. 1:3, 2:1; Hos. 1:1; Joël 1:1; -Am. 2:1 enz. Eigenlijk is het Jahveh, die door hen spreekt, -2 Sam. 23:1, 2, die door hun mond spreekt, Ex. 4:12, 15; -Num. 23:5, door hun dienst, Hagg. 1:1; 2 Kon. 17:13. Heel -hun woord is gedekt door ’t gezag van Jahveh. c) Deze bewustheid -is bij de profeten zoo klaar en vast, dat zij zelfs de plaats -en den tijd aangeven, waar Jahveh tot hen sprak en onderscheid -maken tusschen tijden, waarin Hij wel en waarin Hij niet tot -hen sprak, Jes. 16:13, 14; Jer. 3:6, 13:3, 26:1, 27:1; -28:1, 33:1, 34:1, 35:1, 36:1, 49:34; Ezech. 3:16, 8:1, -12:8; Hagg. 1:1; Zach. 1:1 enz. En daarbij is die bewustheid -zoo objectief, dat zij zichzelf duidelijk onderscheiden van Jahveh; -<span class="pagenum" id="Page_324">[324]</span> -Hij spreekt tot hen, Jes. 8:1, 51:16, 59:21; Jer. 1:9, 3:6, -5:14; Ez. 3:26 enz., en zij luisteren met hun ooren en zien -met hun oogen, Jes. 5:9, 6:8, 21:3, 10, 22:14, 28:22; -Jer. 23:18, 49:14; Ezech. 2:8, 3:10, 17, 33:7, 40:4, -44:5; Hab. 3:2, 16; 2 Sam. 7:27; Job 33:16, 36:10, en -nemen de woorden van Jahveh in zich op, Jer. 15:16; Ezech. -3:1-3. d) Vandaar dat zij eene scherpe tegenstelling maken -tusschen wat God hun geopenbaard heeft en hetgeen er opkomt -uit hun eigen hart, Num. 16:28, 24:13; 1 Kon. 12:33; Neh. -6:8; Ps. 41:6, 7. Zij leggen den valschen profeten juist ten -laste, dat dezen spreken uit eigen hart, Ezech. 13:2, 3, 17; -Jer. 14:14, 23:16, 26; Jes. 59:13, zonder gezonden te zijn, -Jer. 14:14, 29:9; Ezech. 13:6, zoodat zij leugenprofeten, -Jer. 23:32; Jes. 9:14; Jer. 14:14, 20:6, 23:21, 22, 26, -31, 36, 27:14; Ezech. 13:6 v.; Mich. 2:11; Zeph. 3:4; -Zach. 10:2 en waarzeggers zijn, Jes. 3:2; Mich. 3:5 v. Zach. -10:2; Jer. 27:9, 29:8; Ezech. 13:9, 12, 21:26, 28, 34; -Jes. 44:25. König II 163-167. Herzog<sup>2</sup> 16, 726. e) De profeten -zijn zich eindelijk bewust, sprekende of schrijvende, niet -hun eigen woord maar het woord des Heeren te verkondigen. -Trouwens, het woord werd hun niet geopenbaard voor henzelf, -maar voor anderen. Zij hadden geene vrijheid om het te verbergen. -Zij moèten spreken, Jer. 20:7, 9; Exod. 3, 4; Ezech. 3; -Amos 3:8; Jona, en spreken dus niet naar menschelijke gunst -of berekening, Jes. 56:10; Mich. 3:5, 11. Daarom zijn zij -juist profeten, sprekers in Jahvehs naam en van zijn woord. En -daarbij weten zij dan, te moeten geven alwat zij ontvangen hebben, -Deut. 4:2, 12:32; Jer. 1:7, 17, 26:2, 42:4; Ezech. 3:10. -En uit een zelfden drang mag en moet ook het schrijven der -profeten worden afgeleid. De letterlijke teksten, waar een bevel -tot schrijven wordt gegeven, zijn weinige, Ex. 17:14, 24:3, 4, -34:27; Num. 33:2; Deut. 4:2, 12:32, 31:19; Jes. 8:1, -30:8; Jer. 25:13, 30:1, 36:2, 24, 27-32; Ezech. 24:1; -Dan. 12:4; Hab. 2:2 en slaan maar op een zeer klein gedeelte -der O. T. Schrift. Maar de schriftelijke opteekening is wel een -later, maar toch noodzakelijk stadium in de geschiedenis van het -profetisme. Vele profetieën zijn zeker nooit uitgesproken maar waren -wel bestemd om gelezen en overdacht te worden. De meeste zijn -met zorg, zelfs met kunst bewerkt en toonen reeds door hun vorm -<span class="pagenum" id="Page_325">[325]</span> -voor het schrift bestemd te zijn. De opteekening der Godspraken -werd geleid door de gedachte, dat Israël niet meer door daden te -redden was, dat nu en in verre geslachten de dienst van Jahveh door -woord en redelijke overtuiging ingang moest vinden, Kuenen, Prof. I -74, II 345 v. Zij gingen schrijven omdat zij zich richten wilden tot -anderen, dan alleen degenen, die hen hooren konden. f) Tusschen het -ontvangen en het gesproken of geschreven woord bestaat verschil. -Er zou niets vernederends voor de profeten in liggen, indien zij -het ontvangen woord zoo letterlijk mogelijk hadden opgeteekend. -Maar de openbaring ging voort ook in ’t moment der theopneustie -en wijzigde en voltooide de vroegere openbaring, en deze werd -dus vrij gereproduceerd. Maar daarom juist eischen de profeten -voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor ’t gesproken -woord. Zelfs maken de tusschenredenen der profeten tusschen -de eigenlijke woorden van Jahveh in, bv. Jes. 6, 10:24-12:6, -31:1-3, 32, of de uitwerking van een woord van Jahveh door -den profeet, 52:7-12, 63:15-64:12 daarop geene uitzondering. -De overgang van het woord van Jahveh in het woord van den -profeet en omgekeerd is menigmaal zoo plotseling, en beide zijn -zoo ineengestrengeld bijv. Jer. 13:18 v., dat scheiding niet -mogelijk is. Zij hebben dezelfde autoriteit, Jer. 36:10, 11, 25:3. -Jesaia noemt 34:16 zijne eigene opgeteekende profetieën het -Boek van Jahveh. g) De profeten leiden hunne openbaring niet af -uit de wet. Ofschoon uit hun geschriften de omvang der thora -niet kan bepaald worden, toch onderstelt de profetie eene thora. -Alle profeten staan op den grondslag eener wet, zij plaatsen zich -met hun tegenstanders op eene gemeenschappelijke basis. Zij -onderstellen allen een door God met Israel gesloten verbond, eene -genadige verkiezing van Israel, Hos. 1:1-3, 6:7, 8:3; Jerem. -11:6 v., 14:21, 22:9, 31:31 v.; Ezech. 16:8 v.; Jes. 54:10, -56:4, 6, 59:21. De profeten zijn niet de scheppers van een -nieuwen godsdienst, van een ethisch monotheïsme geweest, Kuenen, -Prof. II 335 v. De verhouding van Jahveh tot Israel was nimmer -gelijk aan die van Kamos tot Moab, Kuenen, Godsd. van -Israel I 222. De profeten gewagen nooit van zulk eene tegenstelling -tusschen hun religie en die des volks. Zij erkennen, dat -het volk schier alle eeuwen door aan afgoderij zich schuldig heeft -gemaakt; maar zij beschouwen dat altijd en eenparig als ontrouw -en afval, <ins id="cor_34" title="zijn">zij</ins> gaan er van uit, dat het volk beter wist. Zij -<span class="pagenum" id="Page_326">[326]</span> -knoopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde historie -zich vast. Zij spreken uit de overtuiging, dat zij met het volk -denzelfden dienst Gods gemeen hebben, dat Jahveh hen verkoren -en geroepen heeft tot zijn dienst. Daarin vinden zij hun kracht, -en daarom toetsen zij het volk aan de van rechtswege tusschen -hen en Jahveh bestaande verhouding, Hos. 12:14; Mich. 6:4, -8; Jes. 63:11; Jer. 7:25 enz., König, Die Hauptprobleme der -altisr. Religionsgeschichte 1884 S. 15 f. 38 f. De thora duidt -niet alleen onderwijzing Gods in het algemeen aan, maar is meermalen -ook de naam voor de reeds bestaande, objectieve openbaring -van Jahveh, Jes. 2:3; Mich. 4:2; Am. 2:4; Hos. 8:1, -4:6; Jer. 18:18; Ezech. 7:26; Zeph. 3:4. Het verbond Gods -met Israel, op welks grondslag de profeten met heel het volk -staan, sluit vanzelf ook allerlei inzettingen en rechten in, en de -profeten spreken daarom telkens van geboden, Jes. 48:18; Jer. -8:13, inzettingen Jes. 24:5; Jer. 44:10, 23; Ezech. 5:6, 7, -11:12, 20, 18:9, 17, 20:11 v., 36:27, 37:24; Am. 2:4; -Zach. 1:6; Mal. 3:7, 4:4; rechten, Ezech. 5:7, 11:12 enz. -Deze thora moet hebben bevat de leer van de eenheid van Jahveh, -van zijne schepping en regeering aller dingen, het verbod der -afgoderij, en andere godsdienstige en zedelijke geboden, en voorts -ook allerlei ceremonieele (sabbat, offer, reinheid enz.) en historische -(schepping, uittocht uit Egypte, bondssluiting enz.) bestanddeelen. -Over den omvang der thora vóór het profetisme moge -verschil kunnen bestaan, de verhouding van wet en profeten kan -niet worden omgekeerd, zonder met heel de geschiedenis van -Israel en het wezen van het profetisme in botsing te geraken. -De profeet onder Israel was als het ware die lebendige Stimme -des Gesetzes und der Vermittler seiner Erfüllung (Staudenmaier). -De meest negatieve kritiek ziet zich gedwongen, om de persoonlijkheid -van Mozes en zijn monotheisme, het verblijf in Egypte, -den uittocht, de verovering van Kanaän enz. nog als historisch -aan te nemen, ofschoon hun bij hunne kritiek van den Pentateuch -alle grond daartoe ontbreekt, cf. bijv. Smend, Lehrb. der altt. -Rel. S. 13 f. h) Het is apriori waarschijnlijk, dat bij een volk, -zoo lang reeds met de schrijfkunst bekend, Herzog<sup>2</sup> 13, 689 f. -de wet ook reeds lang in geschreven vorm zal hebben bestaan. -In Hos. 8:12 schijnt dit ook uitgesproken te zijn, Bredenkamp, -Gesetz und Proph. 21 f. König, Der Offenbarungsbegriff II 333 f. -<span class="pagenum" id="Page_327">[327]</span> -Deze thora had van den aanvang af gezag onder Israel. Van -twijfel of bestrijding is niets bekend. Mozes nam onder alle profeten -eene geheel eenige plaats in, Ex. 33:11; Num. 12:6-8; -Deut. 18:18; Ps. 103:7, 106:23; Jes. 63:11; Jer. 15:1 -enz. Hij stond tot Jahveh in eene bijzondere relatie; de Heere -sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Hij was de Middelaar -des O. Testaments. Overal schrijft de wet zich zelve een -goddelijken oorsprong toe. Het is Jahveh, die door Mozes aan -Israel de thora gegeven heeft. Niet alleen de tien woorden Ex. -20 en het Bondsboek Ex. 21-23; maar ook alle andere wetten -worden uit een spreken Gods tot Mozes afgeleid. Elk oogenblik -komt in de wetten van den Pentateuch de formule voor: de -Heere zeide of sprak tot Mozes. Ieder hoofdstuk haast begint er -mede, Ex. 25:1, 30:11, 17, 22, 31:1, 32:9 enz.; Lev. 1:1, -4:1, 6:1 enz.; Num. 1:1, 2:1, 3:44, 4:1 enz. En Deuteronomium -wil niets geven dan wat Mozes tot de kinderen Israels -gesproken heeft, Deut. 1:6, 2:1, 2, 17, 3:2, 5:2, 6:1 enz. -i) De historische boeken des O. T. zijn alle door profeten en in -profetischen geest geschreven, 1 Kron. 29:29; 2 Kron. 9:29, -20:34 enz. De profeten verwijzen in hunne toespraken en geschriften -niet alleen herhaaldelijk naar Israels geschiedenis, maar -zij zijn het ook, die deze bewaard, bewerkt en ons overgeleverd -hebben. Maar zij bedoelen daarmede geenszins, om ons een getrouw -en aaneengeschakeld verhaal te verschaffen van de lotgevallen van -het Israelietische volk, gelijk andere geschiedschrijvers dat beoogen. -De profeten stellen zich ook in de historische boeken des O. T. -op den grondslag der thora en beschouwen en beschrijven van uit -haar standpunt de geschiedenis van Israel, Richt. 2:6-3:6; -2 Kon. 17:7-23, 34-41. De historische boeken zijn de commentaar -in feiten van het verbond Gods met Israel. Zij zijn geen -geschiedenis in onzen zin maar profetie, en willen naar een anderen -maatstaf beoordeeld zijn dan de geschiedboeken der andere volken. -Het is hun niet daarom te doen, dat wij nauwkeurige kennis -zouden verkrijgen van Israels geschiedenis, maar dat wij in de -historie van Israel de openbaring Gods, zijne gedachte en zijn -raad zouden verstaan. De profeten zijn altijd verkondigers van -het woord van Jahveh, zoowel waar zij achterwaarts zien in de -historie als wanneer zij vooruit blikken in de toekomst. j) Wat -eindelijk de in engeren zin poëtische boeken betreft, die in den -<span class="pagenum" id="Page_328">[328]</span> -kanon zijn opgenomen, deze dragen alle evenals de andere O. T. -geschriften een religieus-ethisch karakter. Zij onderstellen de openbaring -Gods als haar objectieven grondslag en laten de uitwerking -en toepassing zien van die openbaring in de verschillende -toestanden en verhoudingen van het menschelijk leven. De Prediker -schetst de ijdelheid der wereld zonder en tegenover de vreeze -des Heeren. Job houdt zich bezig met het probleem van de -gerechtigheid Gods en het lijden der vromen. De Spreuken -schilderen ons de ware wijsheid in hare toepassing op het rijke -menschenleven. Het Hooglied bezingt de innigheid en de kracht -der liefde. En de Psalmen doen in den spiegel van de ervaringen -der vromen Gods menigvuldige genade ons zien. De lyrische en -didactische poëzie treedt onder Israel in den dienst van de openbaring -Gods. Volgens 2 Sam. 23:1-3 sprak David, de liefelijke -in zangen Israels, door den Geest van Jahveh en was diens woord -op zijne tong. k) Naarmate de verschillende geschriften des O. -T. ontstonden en bekend werden, werden zij ook als gezaghebbend -erkend. De wetten van Jahveh werden in het heiligdom gelegd, -Ex. 25:22, 38:21, 40:20; Deut. 31:9, 26; Jos. 24:25 v.; -1 Sam. 10:25. De dichterlijke voortbrengselen werden bewaard, -Deut. 31:19; Jos. 10:13; 2 Sam. 1:18; de Psalmen werden -reeds vroeg ten behoeve van den cultus verzameld, Ps. 72:20; -van de Spreuken legden de mannen van Hizkia <ins id="cor_35" title="reede">reeds</ins> eene tweede -verzameling aan, Spr. 25:1. De profetieën werden veel gelezen, -Ezechiel kent Jesaia en Jeremia, latere profeten beroepen zich op -de voorafgaande. Daniel, cap. 9:2 kent reeds eene verzameling -van profetische geschriften, waartoe ook Jeremia behoorde. In de -na-exilische gemeente staat het gezag van wet en profetieën vast, -gelijk uit Ezra, Haggai en Zacharia duidelijk blijkt. Jezus ben -Sirach stelt wet en profeten zeer hoog, cap. 15:1-8, 24:23, -39:1 v.; cap. 44-49. In de voorrede maakt zijn kleinzoon -gewag van drie deelen, waarin de Schrift is gesplitst. De LXX -bevat verschillende apocriefe geschriften, maar deze getuigen zelve -voor het gezag der kanonische boeken, 1 Makk. 2:50; 2 Makk. -6:23; Wijsh. 11:1, 18:4; Baruch 2:28; Tob. 1:6, 14:7; -Jezus Sir. 1:5, 17:12, 24:23, 39:1, 46:15, 48:25 enz. -Philo citeert alleen kanonische boeken. Het vierde boek van Ezra -cap. 14:18-47 kent de indeeling in 24 boeken. Josephus, c. -Ap. 1, 8, telt 22 boeken in drie deelen. Omnium consensu was -<span class="pagenum" id="Page_329">[329]</span> -de Oudtestamentische kanon van Philo en Josephus aan den -onzen gelijk, G. Wildeboer, Het ontstaan van den Kanon des O. -V. 1889 bl. 126 v. 134. Strack in Herzog<sup>2</sup> 7, 429.</p> - -<p class="sep2">10. Deze kanon des Ouden Testaments bezat voor Jezus en -de apostelen, evenals voor hunne tijdgenooten, goddelijke autoriteit. -Dit blijkt duidelijk uit de volgende gegevens: a) de formule, -waarmede het O. T. in het N. wordt aangehaald, is verschillend -maar bewijst altijd, dat het O. T. voor de schrijvers van het -N. T. van goddelijken oorsprong is en een goddelijk gezag draagt. -Jezus haalt soms eene plaats uit het O. T. aan met den naam -van den schrijver, bijv. van Mozes, Mt. 8:4, 19:8; Mk. 7:10; -Joh. 5:45, 7:22; Jesaia, Mt. 15:7; Mk. 13:14; David, Mt. -22:43; Daniël, Mt. 24:15, maar citeert menigmaal ook met -de formule: er staat geschreven, Mt. 4:4 v., 11:10; Luk. 10 -vs. 26; Joh. 6:45, 8:47, of: de Schrift zegt, Mt. 21:42; -Luk. 4:21; Joh. 7:38, 10:35, of ook naar den auctor primarius, -d. i. God of den H. Geest, Mt. 15:4, 22:43, 45, 24:15; -Mk. 12:26. De Evangelisten bezigen dikwerf de uitdrukking: -hetgeen gesproken is door den profeet, Mt. 1:22, 2:15, 17, -23, 3:3 enz. of door den Heere of door den H. Geest, Mt. 1 -vs. 22, 2:15; Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. -Johannes citeert gewoonlijk bij den auctor secundarius, cap. 1:23, -46, 12:38. Paulus spreekt altijd van de Schrift, Rom. 4:3, -9:17, 10:11, 11:2; Gal. 4:30; 1 Tim. 5:18 enz., die soms -zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3:8, 22, 4:30; -Rom. 9:17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of den -H. Geest als auctor primarius, 1:5 v., 3:7, 4:3, 5, 5:6, -7:21, 8:5, 8, 10:16, 30, 12:26, 13:5. Deze wijze van citeeren -leert klaar en duidelijk, dat de Schrift des O. V. voor Jezus -en de apostelen wel uit verschillende deelen samengesteld en -van verschillende schrijvers afkomstig was, maar toch één organisch -geheel vormde, dat God zelven tot auteur had. b) Meermalen -wordt dit goddelijk gezag der O. T. Schrift door Jezus -en de apostelen ook beslist uitgesproken en geleerd, Mt. 5:17; -Luk. 16:17, 29; Joh. 10:35; Rom. 15:4; 1 Petr. 1:10-12; -2 Petr. 1:19, 21; 2 Tim. 3:16. De Schrift is eene eenheid, -die noch in haar geheel noch in haar deelen gebroken en -vernietigd kan worden. In den laatst aangehaalden tekst wordt -<span class="pagenum" id="Page_330">[330]</span> -de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig, gedrukt -door het bezwaar, dat dan achter ὠφελιμος het praedikaat ἐστιν -niet had kunnen ontbreken, Hofmann, Weiss. u. Erf. I 43. De -overzetting: iedere schrift, gansch in het algemeen, is theopneust -en nuttig, wordt door den aard der zaak uitgesloten. Er blijft -dus slechts keuze tusschen de beide vertalingen: de gansche -Schrift, of: iedere Schrift, n.l. die in τα ἱερα γραμματα, vs. 15 -begrepen is, is theopneust. Zakelijk geeft dit geen verschil, en -met het oog op plaatsen als Mt. 2:3; Hd. 2:36; 2 Cor. 12 -vs. 12; Ef. 1:8, 2:21, 3:15; Col. 4:12; 1 Petr. 1:15; -Jak. 1:2 schijnt πας zonder artikel toch ook wel geheel te -kunnen beteekenen. c) Nooit staan Jezus of de apostelen kritisch -tegenover den inhoud van het O. T., maar zij aanvaarden dien -geheel en zonder voorbehoud. In alle deelen, niet alleen in de -religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf -spreekt, maar ook in haar historische bestanddeelen wordt de -Schrift des O. T. onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk -erkend. Jezus houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van -Jesaia, Mt. 13:14, Ps. 110 van David, Mt. 22:43, de Mt. -24:15 aangehaalde profetie van Daniël, en schrijft de wet aan -Mozes toe, Joh. 5:46. De historische verhalen des O. T. -worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de -schepping des menschen, Mt. 19:4, 5; Abels moord, Mt. 22 -vs. 35; de zondvloed, Mt. 24:37-39; de geschiedenis der aartsvaders, -Mt. 22:32, Joh. 8:56; de verwoesting van Sodom, -Mt. 11:23, Luk. 17:28-33; de brandende braambosch, Luk. -20:37; de slang in de woestijn, Joh. 3:14; het manna, Joh. -6:32; de geschiedenis van Elia, Luk. 4:25, 26; Naäman, ib., -Jona, Mt. 12:39-41 enz. d) Dogmatisch is het O. T. voor -Jezus en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, πασης -ἀντιλογιας περας. Het O. T. is vervuld in het Nieuwe. Het -wordt meermalen zoo voorgesteld, alsof alles is geschied met -het doel om de H. Schrift te vervullen, ἱνα πληρωθῃ το ρηθεν, -Mt. 1:22 en passim, Mk. 14:49, 15:28; Luk. 4:2, 24:44; -Joh. 13:18, 17:12, 19:24, 36; Hd. 1:16; Jak. 2:23 enz. -Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt, -Mt. 21:16; Luk. 4:21, 22:37; Joh. 15:25, 17:12, 19:28 -enz.; alwat aan Jezus is geschied, is tevoren in het O. T. beschreven, -Luk. 18:31-33. Jezus en de apostelen rechtvaardigen -<span class="pagenum" id="Page_331">[331]</span> -hun gedrag en bewijzen hunne leer telkens met een beroep op -het O. Test., Mt. 12:3, 22:32; Joh. 10:34; Rom. 4; Gal. 3; -1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit der Schrift strekt -zich zoo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een -tittel en jota daardoor gedekt wordt, Math. 5:17, 22:45; Luk. -16:17; Joh. 10:35; Gal. 3:16. e) Desniettemin wordt het -O. T. in het N. T. doorgaans naar de grieksche vertaling der -LXX geciteerd. De schrijvers van het N. T., schrijvende in het -grieksch en voor grieksche lezers, gebruikten gemeenlijk de vertaling, -die aan dezen bekend en voor hen toegankelijk was. De -citaten kunnen naar hunne verhouding tot den Hebr. tekst en tot -de grieksche vertaling in drie groepen worden verdeeld. In sommige -teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met den -Hebr. tekst, b.v. Mt. 2:15, 18, 8:17, 12:18-21, 27:46; Joh. -19:37; Rom. 10:15, 16, 11:9; 1 Cor. 3:19, 15:54. In andere is -er omgekeerd overeenstemming met de LXX en afwijking van het -Hebr., bijv. Mt. 15:8, 9; Hd. 7:14, 15:16, 17; Ef. 4:8; -Hebr. 10:5, 11:21, 12:6. In eene derde groep van citaten is -er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX en Hebr. -tekst, bijv. Mt. 2:6, 3:3, 26:31; Joh. 12:15, 13:18; Rom. -10:6-9; 1 Cor. 2:9. Ook verdient het opmerking, dat sommige -boeken des O. T. nl. Ezra, Neh., Ob., Nah., Zef., Esth., -Pred. en Hoogl. nooit in het N. T. worden aangehaald; dat er -wel geen apocriefe boeken worden geciteerd maar toch in 2 Tim. -3:8; Hebr. 11:34 v.; Judas 9 v. 14 v., namen en feiten -worden vermeld, die in het O. T. niet voorkomen; en dat enkele -malen ook grieksche klassieken worden aangehaald, Hd. 17:18; -1 Cor. 15:33; Tit. 1:12. f). Wat eindelijk het materieel gebruik -van het O. T. in het N. T. aangaat, ook hierin is er -groot verschil. Soms dienen de citaten tot bewijs en bevestiging -van eenige waarheid, bijv. Mt. 4:4, 7, 10, 9:13, 19:5, 22:32; -Joh. 10:34; Hd. 15:16, 23:5; Rom. 1:17, 3:10 v., -4:3, 7, 9:7, 12, 13, 15, 17, 10:5; Gal. 3:10, 4:30; 1 Cor. -9:9, 10:26; 2 Cor. 6:17. Zeer dikwijls wordt het O. T. aangehaald -ten bewijze, dat het in het N. T. vervuld <i>moest</i> worden -en vervuld is; hetzij in letterlijken zin, Mt. 1:23, 3:3, 4:15, -16, 8:17, 12:18, 13:14, 15, 21:42, 27:46; Mk. 15:28; -Luk. 4:17 v.; Joh. 12:38; Hd. 2:17, 3:22, 7:37, 8:32, -enz., hetzij in typischen zin, Mt. 11:14, 12:39 v., 17:11; -<span class="pagenum" id="Page_332">[332]</span> -Luk. 1:17; Joh. 3:14, 19:36; 1 Cor. 5:7, 10:4; 2 Cor. -6:16; Gal. 3:13, 4:21; Hebr. 2:6-8, 7:1-10, enz. Meermalen -dienen de citaten uit het O. T. eenvoudig tot opheldering, -toelichting, vermaning, vertroosting, enz., bijv. Luk. 2:23; Joh. -7:38; Hd. 7:3, 42; Rom. 8:36; 1 Cor. 2:16, 10:7; 2 Cor. -4:13, 8:15, 13:1; Hebr. 12:5, 13:15; 1 Petr. 1:16, 24, -25, 2:9. Bij dat gebruik worden wij door den zin, dien de N. -T. schrijvers in den tekst des O. T. vinden, menigmaal verrast; -zoo vooral in Mt. 2:15, 18, 23, 21:5, 22:32, 26:31, 27:9, -10, 35; Joh. 19:37; Hd. 1:20, 2:31; 1 Cor. 9:9; Gal. -3:16, 4:22 v.; Ef. 4:8 v.; Hebr. 2:6-8, 10:5. Deze -exegese van het O. in het N. T. onderstelt bij Jezus en de -apostelen de gedachte, dat een woord of zin veel dieper beteekenis -en veel verdere strekking kan hebben, dan de schrijver er -bij vermoed of er in neergelegd heeft. Dit is ook meermalen bij -klassieke schrijvers het geval. Niemand zal meenen, dat Goethe -bij het neerschrijven van zijne klassieke poëzie dat alles voor -den geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt. Hamerling -heeft in zijn Epilog an die Kritiker, Poet. Werke, Tiel Campagne -I 142 f. dit duidelijk uitgesproken. Bij de Schrift is dit -nog in veel sterker mate het geval, wijl zij naar de overtuiging -van Jezus en zijne apostelen den H. Geest tot auctor primarius -heeft en een teleologisch karakter draagt, cf. ook Valeton, Theol. -Stud. 1887 aflev. 6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend -S. 236. Niet in die enkele bovengenoemde plaatsen slechts, maar -in heel de opvatting en uitlegging van het O. Test., wordt het -N. Test. gedragen door de gedachte, dat het Israelietische zijne -vervulling heeft in het Christelijke. De gansche oeconomie des -O. V. met al hare instellingen en rechten en in heel haar geschiedenis -wijst henen naar de bedeeling des N. Verbonds. Niet -het Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam -van de schatten des heils, aan Abraham en zijn zaad -beloofd. Litt. over het O. T. in het N. T., Glassius, Philologia -Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius, Βιβλος καταλλαγης, in quo -sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et modos interpretandi -conciliantur loca V. T. in N. T. allegata, Amst. 1713. J. -Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum -in oraculis ex V. T. in N. allegatis, Tub. 1773-81. Th. Randolph, -The prophecies and other texts cited in the New Test. -<span class="pagenum" id="Page_333">[333]</span> -compared with the Hebr. Original and with the Sept. version, -Oxf. 1782. Dr. H. Owen, The modes of quotation used <ins id="cor_36" title="bij">by</ins> the -evangelical writers explained and vindicated, Lond. 1789. F. H. -Horne, An introduction to the critical study and knowledge of -the holy Script. 4 vol. Lond. 1821 II 356-463. C. Sepp, De -leer des N. T. over de H. Schrift des O. V. 1849. Tholuck, -Das A. T. im N. 6<sup>e</sup> Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 f. -Hofmann, Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841. -E. Haupt, Die altt. Citate in den vier Evang. 1871. Kautzsch, -De V. T. locis a Paulo allegatis, 1869. E. Böhl, Forschungen -nach einer Volksbibel zur Zeit Jesu 1873. Id. Die altt. Citate -im N. T. 1878. K. Walz, Die Lehre der Kirche von der Schrift -nach der Schrift selbst geprüft, Leiden 1884. Kuenen, De Profeten -II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old Test. -Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des -A. T. im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer, -Die altt. Citate bei Paulus usw. Freiburg 1895.</p> - -<p class="sep2">11. Voor de inspiratie des N. T. vinden wij in de schriften -der apostelen de volgende gegevens: a) Jezus’ getuigenis geldt -in heel het N. T. als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is -de Logos, die den Vader verklaart, Joh. 1:18, 17:6; ὁ μαρτυς -ὁ πιστος και ἀληθινος, Op. 1:5, 3:14; cf. Jes. 55:4, de -Amen, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, Op. 3:14; -2 Cor. 1:20. Er is geen bedrog, δολος, in zijn mond geweest, -1 Petr. 2:22. Hij is de Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis, -Hebr. 3:1; 1 Tim. 6:13. Hij spreekt niet ἐκ των ἰδιων, -gelijk Satan die een leugenaar is, Joh. 8:44. Maar God spreekt -door Hem, Hebr. 5:1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8:42 -en spreekt niets dan wat Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3:32. -Hij spreekt de woorden Gods, Joh. 3:34, 17:8 en geeft -alleen aan de waarheid getuigenis, 5:33, 18:37. Daarom is -zijne getuigenis waarachtig, Joh. 8:14, 14:6, door de getuigenis -van God zelven bevestigd, 5:32, 37, 8:18. Niet alleen -is Jezus in ethischen zin heilig en zonder zonde, Joh. 8:46, -maar Hij is ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog. -Het is volkomen waar, dat Jezus zich in engeren zin niet bewogen -heeft op het gebied der wetenschap. Hij kwam op aarde om -ons den Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar -<span class="pagenum" id="Page_334">[334]</span> -de inspiratie der Schrift, waarover Jezus zich uitspreekt, is geen -wetenschappelijk probleem maar een religieuse waarheid. Indien -Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op een punt, -dat ten nauwste samenhangt met het religieuse leven, en kan Hij -ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze -hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag der H. Schrift -vormt een gewichtig bestanddeel in de woorden Gods, die Jezus -verkondigd heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geene -buitengewone, bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen -actus transiens; maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven -had, zou Hij daarbij geene bijzondere assistentie des H. G. -hebben noodig gehad. Hij had de inspiratie als eene buitengewone -gave niet noodig, wijl Hij den Geest ontving niet met mate, -Joh. 3:34, de Logos was, Joh. 1:1 en de volheid Gods lichamelijk -in Hem woonde, Col. 1:19, 2:9. b) Jezus heeft ons -echter niets in geschrifte nagelaten, en Hij zelf is heengegaan. -Zoo moest Hij dan zorg dragen, dat zijne waarachtige getuigenis -onvervalscht en zuiver aan de menschheid werd overgegeven. -Daartoe kiest Hij de apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon -ambt en een gansch bijzondere dienst in Jezus’ gemeente. -De apostelen zijn Hem bepaald door den Vader gegeven, Joh. -17:6, door Hemzelven uitverkoren, Joh. 6:70, 13:18, 15:16, -19 en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige taak -voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks -na Jezus’ heengaan, als <i>getuigen</i> moesten optreden, Luk. 24:48; -Joh. 15:27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden -en werken geweest; zij hadden het woord des levens met de -oogen aanschouwd en met de handen getast, 1 Joh. 1:1, en hadden -nu deze getuigenis aangaande Jezus te brengen aan Israel en -aan de geheele wereld, Mt. 28:19; Joh. 15:27, 17:20; Hd. -1:8. Maar alle mensch is leugenachtig, God alleen is waarachtig, -Rom. 3:4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen -onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van -hen bedient Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke -getuige, die trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de H. -Geest. Hij is de Geest der waarheid, en zal van Jezus getuigen, -Joh. 15:26, en de apostelen kunnen eerst als getuigen -optreden na en door Hem, Joh. 15:27. Die Geest wordt dan -ook in bijzonderen zin aan de apostelen beloofd en geschonken, -<span class="pagenum" id="Page_335">[335]</span> -Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 20:22. Vooral Joh. -14:26 leert dat duidelijk. De H. Geest ὑπομνησει ὑμας -παντα ἁ εἰπον ὑμιν. Hij zal de jongeren met hun personen en -gaven, met hun herinnering en oordeel enz. in zijn dienst nemen. -Hij zal aan de openbaring materieel niets nieuws toevoegen, -wat niet reeds in Christus’ persoon, woord en werk besloten ligt, -want Hij neemt alles uit Christus en maakt de apostelen in -zooverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al de waarheid, -Joh. 14:26, 16:13, 14. En deze getuigenis des H. Geestes -door den mond der apostelen is de verheerlijking van Jezus, -Joh. 16:14, gelijk Jezus’ getuigenis eene verheerlijking was van -den Vader, 17:4. c) Met dien Geest in bijzonderen zin toegerust, -Joh. 20:22; Hd. 1:8; Ef. 3:5, treden de apostelen na -den Pinksterdag ook openlijk als getuigen op, Hd. 1:8, 21, 22, -2:14, 32, 3:15, 4:8, 20, 33, 5:32, 10:39, 51, 13:31. -In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben, -ligt de beteekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen -en bekwaamd. Daaraan ontleenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen -zij zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht -weder aan hun getuigenis zijn zegel door teekenen en wonderen, -en geestelijken zegen, Mt. 10:1, 9; Mk. 16:15 v.; Hd. 2:43, -3:2, 5:12-16, 6:8, 8:6 v., 10:44, 11:21, 14:3, -15:8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure suo, de leiders -der Jeruzalemsche gemeente, zij hebben opzicht over de geloovigen -in Samaria, Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32, -11:22, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, -en genieten eene algemeen erkende autoriteit. Zij spreken en -handelen krachtens de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus -nergens een expres bevel gaf om ook zijne woorden en daden op -te teekenen —alleen in de Openb. is meermalen van een bevel -tot schrijven sprake, 1:11, 19, enz.— de apostelen spreken in -hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven is een bijzondere -vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen van -Christus, Luk. 1:2; Joh. 1:14, 19:35, 20:31, 21:24; 1 Joh. -1:1-4; 1 Petr. 1:12, 5:1; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3; -Op. 1:3, 22:18, 19. Hun getuigenis is getrouw en waarachtig, -Joh. 19:35; 3 Joh. 12. d) Onder de apostelen staat Paulus -weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen om tegen de Judaïsten -zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1-2; 1 Cor. 1:10-4:21; -<span class="pagenum" id="Page_336">[336]</span> -2 Cor. 10-13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat hij -van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1:14; door Jezus zelf tot -apostel is geroepen, Gal. 1:1; Jezus zelf persoonlijk heeft gezien, -1 Cor. 9:1, 15:8; met openbaringen en gezichten verwaardigd -werd, 2 Cor. 12; Hd. 26:16; van Jezus zelf zijn -Evangelie ontvangen heeft, Gal. 1:12; 1 Tim. 1:12; Ef. 3:2-8, -en dus evengoed als de andere apostelen een zelfstandig -en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen, Hd. 26:16; -ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en teekenen, -1 Cor. 12:10, 28; Rom. 12:4-8, 15:18, 19; 2 Cor. 11:23 -v.; Gal. 3:5; Hebr. 2:4; en met geestelijken zegen, 1 Cor. -15:10; 2 Cor. 11:5, enz. Hij is zich daarom bewust, dat er -geen ander evangelie is dan ’t zijne, Gal. 1:7; dat hij getrouw -is, 1 Cor. 7:25; den Geest Gods heeft, 1 Cor. 7:40; dat -Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13:3; 1 Cor. 2:10, 16; -2 Cor. 2:17, 5:23; dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor. -2:17; 1 Thess. 2:13; tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden -toe, 1 Cor. 2:4, 10-13; en niet alleen als hij spreekt maar -ook als hij schrijft, 1 Thess. 5:27; Col. 4:16; 2 Thess. 2:15, -3:14. Evenals de andere apostelen treedt Paulus meermalen -met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2:9, en geeft -bindende bevelen, 1 Cor. 7:40; 1 Thess. 4:2, 11; 2 Thess. -3:6-14. En wel beroept hij zich eene enkele maal op het oordeel -der gemeente, 1 Cor. 10:15, maar niet om zijne uitspraak -aan haar goed- of afkeuring te onderwerpen, maar integendeel -om door het geweten en het oordeel der gemeente, die immers -ook den Geest Gods en de zalving van den Heilige heeft, 1 Joh. -2:20, gerechtvaardigd te worden. Zoo weinig maakt Paulus zich -daarmede van het oordeel der gemeente afhankelijk, dat hij -1 Cor. 14:37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn -en den Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijne -erkentenis, dat hetgeen Paulus schrijft des Heeren geboden zijn. -e) Deze geschriften van de apostelen hadden van stonde aan -autoriteit in de gemeenten, waar ze bekend waren. Ze werden -spoedig verbreid en kregen daardoor steeds uitgebreider gezag, -Hd. 15:22 v.; Col. 4:16. De Synoptische Evangeliën toonen -eene zoo groote verwantschap, dat het eene geheel of gedeeltelijk -aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan Petrus -bekend, en 2 Petr. 3:16 kent reeds vele brieven van Paulus en -<span class="pagenum" id="Page_337">[337]</span> -stelt ze met de andere Schriften op ééne lijn. Langzamerhand -kwamen er vertalingen van N. T. geschriften ter voorlezing in -de gemeente, Just. M. Apol. 1:67. In de eerste helft der tweede -eeuw moeten deze reeds hebben bestaan, Papias bij Euseb. H. E. -3:39. Just. M. Apol. 1:66, 67. Een dogmatisch gebruik wordt -er al van gemaakt door Athenagoras, de resurr. c. 16, die daar -zijne redeneering bewijst met 1 Cor. 15:33; 2 Cor. 5:10. En -Theophilus, ad Autol. 3:4 haalt teksten uit Paulus aan met de -formule, διδασκει, κελευει ὁ θειος λογος. Irenaeus adv. haer. 3, -11, Tert. ad Prax. 15 en anderen, de Peschitto en het fragment -van Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e -helft der 2<sup>e</sup> eeuw de meeste geschriften van het N. T. kanonisch -gezag hadden en met de boeken des O. V. eene gelijke digniteit -genoten. Over sommige boeken, Jak., Jud., 2 Petr., 2 en 3 Joh. -bleef er verschil bestaan, Euseb. H. E. 3:25. Maar de bedenkingen -tegen deze antilegomena werden in de 3<sup>e</sup> eeuw steeds -minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo -Regius in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegomena -opnemen en den kanon sluiten. Deze besluiten der -kerk waren geen eigenmachtige en autoritaire handeling, maar -slechts codificatie en registratie van het recht, dat ten aanzien -van deze geschriften reeds lang in de gemeenten had bestaan. -De kanon is niet gevormd door een besluit van concilien. Canon -non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a Deo -animorum temporumque rectore, productus est, Loescher bij -Herzog<sup>2</sup> 7, 424. In den belangrijken strijd van Harnack en Zahn -over de geschiedenis van den N. T. kanon legt Harnack ongetwijfeld -te eenzijdig nadruk op de begrippen, Goddelijkheid, -onfeilbaarheid, inspiratie, kanon, op de formeele vaststelling van -het dogma der N. T. Schrift. Lang voordat dit in de 2<sup>e</sup> helft -der 2<sup>e</sup> eeuw geschiedde, waren de N. T. geschriften door het -gezag der apostelen, de voorlezing in de gemeente, enz. tot algemeen -erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigt -Zahn zeer terecht de aandacht. Verg. over dezen strijd Köppel, -Stud. u. Krit. 1891, 1<sup>es</sup> Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol. -1893, 1<sup>es</sup> Heft. f.) Welke beginselen de gemeente, zoo onder het -Oude als Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de kanoniciteit -der O. en N. T. geschriften hebben geleid, is met zekerheid -niet uit te maken. De apostolische oorsprong kan den -<span class="pagenum" id="Page_338">[338]</span> -doorslag niet hebben gegeven want ook Markus, Lukas en Hebr. -zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning der kanoniciteit haar -grond in het feit, dat er geen andere geschriften aangaande -Christus bestonden, want Luk. 1:1 maakt van vele andere gewag, -en volgens Irenaeus adv. haer. 1:20 was er ἀμυθητον πληθος -ἀποκρυφων και νοθων γραφων. Het beginsel der kanonvorming -kan ook niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en -3 Joh. zijn zeer klein: evenmin in de bekendheid der schrijvers, -Markus, Lukas, met de apostelen, want brieven van Clemens en -Barnabas werden niet opgenomen; en ook niet in de originaliteit, -want Mattheus, Markus en Lukas; Efeze en Colosse; Judas en -2 Petr. zijn de een van den ander afhankelijk. Er kan niets -anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze -geschriften zonder eenige afspraak, vanzelve in alle gemeenten -plaats had. Op enkele uitzonderingen na, werden de O. en de N. -T. geschriften terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel, -zonder een woord van twijfel of protest als heilige, goddelijke -schriften aangenomen. De plaats en de tijd, waar hun het eerst -gezag werd toegekend, is niet aan te wijzen. De kanoniciteit der -Bijbelboeken wortelt in hun existentie. Zij hebben gezag van -zichzelve, jure suo, omdat ze er zijn. Het is de Geest des Heeren, -die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente tot -erkenning bracht. Harnack, D. G. I 304 f. 318 f. Wildeboer, -Het ontstaan v. d. Kanon des O. V. 107 v. Reuss, Gesch. des -N. T. § 298 f. Herzog<sup>2</sup> art. Kanon. W. Lee, The Inspiration of -holy Scripture, 3<sup>e</sup> ed. Dublin 1864 p. 43.</p> - -<p class="sep2">12. Het resultaat van dit onderzoek naar de leer der Schrift -over zichzelve kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelve -houdt en uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord -Gods of woord des Heeren heeft in de Schrift verschillende -beteekenissen. Dikwerf wordt er door aangeduid de kracht Gods, -waardoor Hij alle dingen schept en onderhoudt, Gen. 1:3; Ps. -33:6, 147:17, 18, 148:18; Rom. 4:17; Hebr. 1:3, 11:3. -Vervolgens wordt zoo de bijzondere openbaring genoemd, waardoor -God iets bekend maakt aan de profeten. In het O. T. komt -de uitdrukking in dezen zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens -heet het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het -N. T. vinden we het in dezen zin alleen, Joh. 10:35; het woord -<span class="pagenum" id="Page_339">[339]</span> -geschiedt nu niet meer en komt niet eene enkele maal van boven -en van buiten tot de profeten, het is geschied in Christus en -blijft. Verder beteekent woord Gods den inhoud der openbaring; -dan is er sprake van woord of woorden Gods, naast rechten, -wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israel gegeven zijn, Ex. -9:20, 21; Richt. 3:20; Ps. 33:4, 119:9, 16, 17 enz. Jes. -40:8; Rom. 3:2 enz. In het N. Test. heet zoo het Evangelie, -dat door God in Christus is geopenbaard en door de apostelen -verkondigd werd, Luk. 5:1; Joh. 3:34, 5:24, 6:63, 17:8, -14, 17; Hd. 8:25, 13:7; 1 Thess. 2:13 enz. Niet onwaarschijnlijk -is het, dat de naam woord Gods dan voorts in de Schrift -eene enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus -een gedeelte der Schrift, mede aan te duiden, Ps. 119:11, 105. -Schultz, Grundriss der ev. Dogm. 4 f. In het N. T. laat zich -zulk eene plaats niet aanwijzen. Ook Hebr. 4:12 is woord Gods -niet gelijk de Schrift. Maar toch ziet het N. T. feitelijk in de -boeken des O. V. niets anders dan het woord Gods. God, of -de H. Geest is de auctor primarius, die door, δια c. gen., de -profeten sprak in de Schrift, Hd. 1:16, 28:25. De Schrift heet -dan zoo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De formeele -en materieele beteekenis der uitdrukking is in de Schrift ten -nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord Gods -gebezigd voor Christus zelven. Hij is de Logos in geheel eenigen -zin, revelator en revelatio tegelijk. Alle openbaringen Gods, alle -woorden Gods, in natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping, -onder O. en N. T. hebben in Hem hun grond, hun -eenheid en middelpunt. Hij is de zon, de andere woorden Gods -zijn zijne stralen. Het woord Gods in de natuur, onder Israel, in -het N. Test., in de Schrift mag geen oogenblik van Hem worden -losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, wijl Hij -de Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemeenen -zin van alle wetenschap, in bijzonderen zin, als <ins id="cor_37" title="Δογος">Λογος</ins> ἐνσαρκος, -van alle kennisse Gods, van religie en theologie, Mt. 11:27.</p> - -<h4>D. Begrip der inspiratie.</h4> - -<p>13. De H. Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd -dogma over de inspiratie, maar zij geeft de zaak, het feit der -theopneustie en al de momenten, die er voor de constructie van -<span class="pagenum" id="Page_340">[340]</span> -het dogma noodig zijn. Zij leert de theopneustie der Schrift in -denzelfden zin en op dezelfde wijze, even helder en even duidelijk, -maar ook even weinig in abstracte begrippen geformuleerd als -het dogma der triniteit, der vleeschwording, der voldoening enz. -Meermalen is dit ontkend. Elke sectarische en haeretische richting -begint haast met een beroep op de Schrift tegen de confessie, -en tracht hare afwijking te doen voorkomen als door de Schrift -geboden. Maar in de meeste gevallen leidt dieper onderzoek tot -de erkentenis, dat de orthodoxie de getuigenis der Schrift aan -hare zijde heeft. De modernen geven thans over het algemeen -gulweg toe, dat Jezus en de apostelen de O. T. Schrift als Gods -woord hebben aangenomen, Lipsius, Dogm. § 185 S. 141, Strauss -I 79, Pfleiderer, Der Paulinismus, 2<sup>e</sup> Aufl. Leipz. 1890 S. 87 f. -Rothe, Zur Dogm. 178 f. erkent dit ook ten opzichte van de -apostelen, maar meent dat de kerkelijke dogmatiek voor hare -leer van de inspiratie zich niet op Jezus beroepen kan. Deze -meening staat echter vrij wel op zichzelve en wordt door weinigen -gedeeld. Jezus’ positieve uitspraken over de O. T. Schrift, Mt. -5:8; Luk. 16:17; Joh. 10:35, zijne aanhaling en gebruik, -Mt. 19:4, 5, 22:43 enz. spreken daartoe te sterk, en zijn niets -vrijer dan die van de apostelen. Maar deze tegenstelling, die -Rothe maakt tusschen de leer van Jezus en die van de apostelen, -verheft niet maar ondermijnt feitelijk het gezag van Jezus zelf. -Want van Jezus weten we niets dan door de apostelen; wie dus -de apostelen discrediteert en als onbetrouwbare getuigen der -waarheid voorstelt, weerspreekt terstond Jezus zelf, die zijn apostelen -tot volkomen betrouwbare getuigen aangesteld heeft en door -zijn Geest hen leiden zou in al de waarheid. En daartoe behoort -voorzeker ook de waarheid aangaande de H. Schrift. De leuze: -naar Christus terug is bedriegelijk en valsch, als ze in tegenstelling -staat met de getuigenis der apostelen.</p> - -<p>Zeer gewoon is ook eene andere tegenstelling, die gemaakt -wordt om van de zelfgetuigenis der Schrift bevrijd te worden. -De Schrift, zoo zegt men dan, moge hier en daar de inspiratie -leeren; maar om de leer der Schrift aangaande de Schrift op -te bouwen, moeten ook de feiten in rekening worden gebracht, -welke de Schrift in haar ontstaan, wording, geschiedenis, bestand -en inhoud ons kennen doet. Alleen zulk eene theorie van inspiratie -is dus waar en goed, die met de phenomena der Schrift bestaanbaar -<span class="pagenum" id="Page_341">[341]</span> -is, en uit deze zelve is afgeleid. Zeer dikwerf doet men -het hierbij dan voorkomen, dat de tegenpartij eene eigene, apriorische -opinie aan de Schrift opdringt, en haar perst in het keurslijf -der scholastiek. En men beroept er zich op, dat men tegenover -al die theorieën en systemen juist de Schrift zelve wil laten -spreken en alleen van zichzelve wil laten getuigen. Het schort -der orthodoxie juist aan eerbied voor de Schrift. Zij doet den -tekst, de feiten der H. S. geweld aan, Dr. G. Wildeboer, Letterk. -des O. V. bl. V. Deze voorstelling klinkt op het eerste hooren -schoon en aannemelijk, maar blijkt toch bij nadere overweging -onhoudbaar. De tegenstelling is in de eerste plaats niet die tusschen -eene of andere inspiratietheorie en de zelfgetuigenis der -Schrift. De inspiratie is een feit, door de H. Schrift zelve geleerd. -Jezus en de apostelen hebben eene getuigenis gegeven aangaande -de Schrift. De Schrift bevat eene leer ook over zichzelve. Afgedacht -van alle dogmatische of scholastieke ontwikkeling dezer -leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in deze hare -zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Er kan verschil bestaan -over de vraag, of de Schrift zulk eene theopneustie van zichzelve -leert; maar indien ja, dan behoort ze ook daarin geloofd -te worden, evengoed als in hare uitspraken over God, Christus, -de zaligheid enz. De zoogenaamde phenomena der Schrift kunnen -die zelfgetuigenis der Schrift niet omverstooten en mogen tegen -haar zelfs niet als partij worden opgeroepen. Want wie zijne -leer van de Schrift afhankelijk maakt van het historisch onderzoek -naar hare wording en struktuur, begint reeds met de zelfgetuigenis -der H. Schrift te verwerpen en staat dus niet meer -in het geloof aan die Schrift. Hij meent de leer van de Schrift -beter te kunnen opbouwen uit eigen onderzoek, dan ze in den -geloove te ontleenen aan de Schrift; hij stelt zijne eigene gedachten -in plaats van en boven die der Schrift. Voorts, de zelfgetuigenis -der Schrift is klaar, duidelijk en zelfs door de tegenstanders als -zoodanig erkend, maar de beschouwing over de phenomena der -Schrift is resultaat van langdurig historisch-critisch onderzoek -en wijzigt zich in allerlei vormen naar het verschillend standpunt -der critici; de theoloog, die uit zulke onderzoekingen tot eene -leer over de Schrift wil komen, stelt feitelijk zijn wetenschappelijk -inzicht tegenover de leer der Schrift aangaande zichzelve. Maar -langs dien weg komt men ook nooit tot eene leer over de Schrift; -<span class="pagenum" id="Page_342">[342]</span> -historisch-critisch onderzoek kan een helder inzicht geven in het -ontstaan, de geschiedenis, de structuur van de Schrift maar leidt -nooit tot eene leer, tot een dogma de S. Scriptura. Dit kan -uitteraard slechts gebouwd worden op eene getuigenis der Schrift -aangaande zichzelve. Niemand denkt er aan, om eene geschiedenis -over den oorsprong en de bestanddeelen van de Ilias eene leer -te noemen. Bij deze methode valt dus niet alleen eene of andere -theorie over de inspiratie, maar deze zelve als feit en getuigenis -der Schrift. Inspiratie, indien men dat woord nog behoudt, wordt -dan niets dan de korte samenvatting van wat de Bijbel <i>is</i>, of -liever van wat men <i>meent</i> dat de Bijbel is, en kan dan lijnrecht -in strijd zijn met wat de Bijbel zelf beweert te zijn, en waarvoor -hij zichzelf uitgeeft en aandient. De methode, die men volgt, is -in het wezen der zaak geen andere, dan die, waarbij de leer der -schepping, van den mensch, van de zonde enz. niet opgebouwd -wordt uit de getuigenis der Schrift dienaangaande, maar uit de -zelfstandige studie van die facta. In beide gevallen is het een -corrigeeren van de leer des Bijbels door eigen wetenschappelijk -onderzoek, een afhankelijk maken van het getuigenis der Schrift -van menschelijk oordeel. De feiten en verschijnselen der Schrift, -de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek mogen dienen -ter verklaring, toelichting, enz. van de leer der Schrift aangaande -zichzelve, maar kunnen nooit het feit der inspiratie, waarvan zij -getuigt, te niet doen. Terwijl generzijds dus beweerd wordt, dat -alleen zulk eene inspiratie aannemelijk is, die overeenstemt met -de phenomena der Schrift, is het dezerzijds het beginsel, dat de -phenomena der Schrift, niet gelijk de kritiek ze ziet, maar gelijk -ze in zichzelve zijn, bestaanbaar zijn met hare zelfgetuigenis.</p> - -<p class="sep2">14. Gewoonlijk wordt in het woord theopneustie of inspiratie -saamgevat, wat de Schrift aangaande zichzelve leert. Het woord -θεοπνευστος 2 Tim. 3:16 komt vroeger niet voor en is dus -misschien het eerst door Paulus gebruikt. Het kan etymologisch -zoowel actieve als passieve beteekenis hebben, en dus vertaald -worden zoowel door: God ademend, als: door God geademd. -Maar de passieve beteekenis heeft de voorkeur, wijl ze door de -plaatsen, waar het woord buiten het N. T. voorkomt, het meest -wordt gesteund en door de Schriftleer des N. T. wordt aanbevolen, -2 Petr. 1:21. In de Vulgata is het weergegeven door -<span class="pagenum" id="Page_343">[343]</span> -divinitus inspirata. Het woord inspiratie heeft oorspronkelijk veel -ruimer zin. De Grieken en Romeinen schreven aan allen, die -iets groots en goeds tot stand brachten, een afflatus of instinctus -divinus toe. Nemo vir magnus sine aliquo afflatu divino unquam -fuit, Cic. de Nat. D. 2, 66. Est deus in nobis, agitante calescimus -illo, Ovid. Fasti 6, 5. De inspiratie van dichters, kunstenaars, -vates, enz. kan ook inderdaad tot opheldering dienen van -de inspiratie, waar de H. S. van spreekt. Bijna alle groote mannen -hebben het uitgesproken, dat hunne schoonste gedachten -plotseling en onbewust in hunne ziel opstegen en voor henzelven -eene verrassing waren. Eén getuigenis moge volstaan. Goethe -schreef eens aan Ekkermann, aangehaald door Hoekstra, Godg. -Bijdr. 1864, bl. 27, 28. Jede Produktivität höchster Art, jedes -bedeutendes Aperçue, jede Erfindung, jeder grosse Gedanke der -Früchte bringt und Folgen hat, steht in Niemandes Gewalt -und ist über alle irdische Macht erhaben. Dergleichen hat der -Mensch als unverhoffte Geschenke von oben, als reine Kinder -Gottes zu betrachten, die er mit freudigem Danke zu empfangen -und zu verehren hat. In solchen Fällen ist der Mensch als das -Werkzeug einer höhern Weltregierung zu betrachten, als ein -würdig befundenes Gefäss zur Aufnahme eines göttlichen Einflusses. -Carlyle, On heroes, hero-worship and the heroic in history, -<ins id="cor_38" title="4te">4<sup>th</sup></ins> ed. London 1854, heeft daarom op de <ins id="cor_39" title="heroen">heroën</ins> of genieën -gewezen als de kern van de geschiedenis der menschheid. Op -hun beurt hebben deze genieën, op elk terrein, weer de massa -geinspireerd. Luther, Baco, Napoleon, Hegel hebben de gedachten -van millioenen omgezet en het bewustzijn veranderd. Dit feit -reeds leert ons, dat er eene inwerking van den eenen geest op -den ander mogelijk is. De wijze daarvan is verschillend, als de -eene mensch spreekt tot den ander, als de redenaar de schare -bezielt door zijn woord, als de hypnotiseur zijne gedachte overplant -in den gemagnetiseerde, enz., maar altijd is er suggestie -van gedachten, inspiratie in ruimer zin. Nu leert ons de Schrift, -dat de wereld niet zelfstandig is en uit zichzelve bestaat en leeft, -maar dat de Geest van God immanent is in al het geschapene. -De immanentie Gods is de basis voor alle inspiratie en theopneustie, -Ps. 104:30, 139:7; Job 33:4. Het zijn en het leven -wordt aan ieder schepsel van oogenblik tot oogenblik door den -Geest geinspireerd. Nog nader is die Geest des Heeren principe -<span class="pagenum" id="Page_344">[344]</span> -van alle verstand en wijsheid, Job 32:8; Jes. 11:2, zoodat -alle kennis en kunst, alle talent en genie uit Hem voortkomt. -In de gemeente is Hij de Geest der wedergeboorte en vernieuwing, -Ps. 51:13; Ezech. 36:26, 27; Joh. 3:3; de uitdeeler der -gaven, 1 Cor. 12:4-6. In de profeten is Hij de Geest der -voorzegging, Num. 11:25, 24:2, 3; Jes. 11:2. 42:1; Micha -3:8, enz. En zoo ook is Hij bij de samenstelling der Schrift de -Geest der inspiratie. Deze laatste werkzaamheid des H. G. staat -dus niet op zichzelve; zij staat in verband met zijn gansche -immanente werkzaamheid in de wereld en in de gemeente. Zij -is de kroon en de spitse van alles. De inspiratie der schrijvers -bij de vervaardiging der Bijbelboeken is op al die andere werkzaamheden -des H. Geestes opgebouwd. Zij onderstelt een werk -des Vaders, waardoor de openbaringsorganen lang te voren van -de geboorte af aan, ja zelfs voor de geboorte in hun geslacht, -omgeving, opvoeding, ontwikkeling, enz. voor die taak werden -voorbereid, tot welke zij later speciaal zouden geroepen worden, -Ex. 3-4; Jer. 1:5; Hd. 7:22; Gal. 1:15, enz. De inspiratie -mag dus niet, gelijk de modernen doen, met de heroische, -poëtische, religieuse bezieling worden vereenzelvigd; zij is niet -een werk van de providentia Dei generalis, niet eene inwerking -van Gods Geest in gelijke mate en op dezelfde wijze als in de -helden en kunstenaars, al is het ook dat deze inwerking van Gods -Geest bij de profeten en bijbelschrijvers meermalen ondersteld -wordt. De Geest in de schepping werkt den Geest in de herschepping -voor. Voorts wordt bij de eigenlijke inspiratie ook nog -een voorafgaand werk des Zoons ondersteld. De gave der -theopneustie wordt alleen geschonken binnen den kring der openbaring. -Theophanie, profetie en wonder gaan aan de eigenlijke -inspiratie vooraf. Revelatie en inspiratie zijn onderscheiden; gene -is een werk des Zoons, van den Logos, deze van den H. Geest. -Er ligt dus waarheid in de gedachte van Schleiermacher, dat de -heilige schrijvers onder invloed stonden van den heiligen kring, -waarin zij leefden. Openbaring en ingeving moeten onderscheiden -worden. Maar de ingeving is niet met de openbaring identisch -(cf. boven <a href="#Page_300">bl. 300</a>). Zij wortelt in deze, maar zij verheft er zich -boven. Eindelijk, de inspiratie onderstelt meestal, ofschoon niet -altijd, ook nog een werk des H. G. zelven in wedergeboorte, geloof -en bekeering. De profeten en apostelen waren meest heilige mannen, -<span class="pagenum" id="Page_345">[345]</span> -kinderen Gods. Ook deze gedachte der ethische theologie -bevat dus elementen van waarheid. Maar toch is inspiratie niet -met wedergeboorte identisch. Wedergeboorte omvat den ganschen -mensch, inspiratie is eene werking in het bewustzijn. Gene heiligt -en vernieuwt, deze verlicht en onderwijst. Gene brengt niet van -zelf de inspiratie mede, en inspiratie is mogelijk zonder wedergeboorte, -Num. 23:5; Joh. 11:51; cf. Num. 22:28; 1 Sam. -19:24; Hebr. 6:4. Wedergeboorte is een habitus permanens, -inspiratie is een actus transiens. Met al deze genoemde werkzaamheden -Gods staat dus de inspiratie in ’t nauwste verband. -Zij mag er niet van geisoleerd worden. Zij is opgenomen in al -die inwerkingen Gods in al het geschapene. Maar ook hier moet -de evolutie-theorie bestreden worden, alsof het hoogere alleen -door immanente ontwikkeling uit het lagere voortkomen zou. De -werking van Gods Geest in de natuur, in de menschheid, in de -gemeente, in de profeten, in de bijbelschrijvers is verwant en -analoog, maar niet identisch. Er is harmonie, geen eenzelvigheid.</p> - -<p class="sep2">15. Waarin bestaat zij zelve dan? De Schrift verspreidt daarover -licht, als zij meermalen zegt, dat de Heere spreekt door -de profeten of door den mond zijner profeten. Van God wordt -de praepositie ὑπο gebruikt; Hij is de sprekende, Hij is het -eigenlijke subject; maar de profeten zijn sprekende of schrijvende -zijne organen, van hen wordt altijd de praepositie δια c. gen. en -nooit ὑπο gebezigd, Mt. 1:22, 2:15, 17, 23, 3:3, 4:14, enz.; -Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. God, of de H. -Geest is de eigenlijke spreker, de zegsman, de auctor primarius, -en de schrijvers zijn de organen, door wie God spreekt, de -auctores secundarii, de scriptores of scribae. Nadere opheldering -geeft nog 2 Petr. 1:19-21, waar de oorsprong der profetie niet -gezocht wordt in den wil des menschen, maar in de drijving van -Gods Geest. Het φερεσθαι, cf. Hd. 27:15, 17 waar het schip -gedreven wordt door den wind, is van het ἀγεσθαι der kinderen -Gods, Rom. 8:14 wezenlijk onderscheiden; de profeten zijn gedragen, -aangedreven door den H. Geest en spraken dientengevolge. -En evenzoo wordt de verkondiging der apostelen een spreken -(ἐν) πνευματι ἁγιῳ genoemd, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, -16:7; 1 Cor. 2:10-13, 16, 7:40; 2 Cor. 2:17, 5:20, -13:3. Profeten en apostelen zijn dus θεοφορουμενοι; het is God, -<span class="pagenum" id="Page_346">[346]</span> -die in en door hen spreekt. Maar de Schrift zelve gaat ons voor, -om dit spreken Gods door den mond der profeten zoo organisch -mogelijk op te vatten. Er is hier onderscheid tusschen de profeten -en de apostelen, en tusschen beiden weer onderling. Mozes staat -onder de profeten bovenaan; God sprak met hem als een vriend -met zijn vriend. Bij Jesaia draagt de drijving des Geestes een -ander karakter dan bij Ezechiel; Jeremia’s profetieën onderscheiden -zich door haar eenvoud en natuurlijkheid van die bij -Zacharia en Daniel. Bij al de profeten des O. T. is de drijving -des Geestes min of meer transcendent; zij komt van boven en -van buiten tot hen, valt op hen en werkt momentaan. Bij de -apostelen daarentegen woont de H. Geest immanent in de harten, -leidt en drijft, verlicht en onderwijst hen. Er is dus zeer groot -onderscheid ook in het organische karakter der inspiratie. Maar -desniettemin gebiedt ons heel de Schrift, de inspiratie niet mechanisch -maar organisch te denken. Niet echter, omdat eene mechanische -inspiratie op zichzelve onmogelijk en ongeoorloofd zou zijn en in -strijd met de waardigheid van den mensch. Als het niet onwaardig -is voor een kind, om zijne ouders en onderwijzers op gezag -te gelooven en eenvoudig van hen te leeren, wat het niet weet; -als het niet onwaardig is voor een knecht, om bevelen van zijn -heer te ontvangen, die hij niet begrijpt en alleen heeft uit te -voeren, wat onwaardigs zou er dan in liggen voor den mensch, -om in zulk eene relatie te staan tot den Heere zijn God? Maar -God heeft dezen weg niet ingeslagen, Hij is in de openbaring en de -inspiratie tot den mensch nedergedaald en heeft zich aangesloten bij -de eigenaardigheden en zelfs bij de zwakheden zijner menschelijke -natuur. Ook dat is eene genade der ἐνσαρκωσις geweest. Evenals -de Logos niet een mensch overviel en met zich verbond maar -in de menschelijke natuur inging en deze zelve toebereidde -en vormde door den Geest, van wien ze ontvangen werd, zoo -heeft de Geest des Heeren ook gehandeld bij de inspiratie. Hij -is in de profeten en apostelen zelven ingegaan en heeft hen alzoo -in dienst genomen en bewerkt, dat zij zelven onderzochten en -dachten, spraken en schreven. Hij is het, die door hen spreekt; -maar zij zelven zijn het tevens, die spreken en schrijven. Gedreven -werden ze door den Geest, maar zij spraken toch zelven, -ἐλαλησαν, 2 Petr. 1:20. Dikwerf wordt de O. T. Schrift in het -N. T. bij den auctor primarius aangehaald, Luk. 1:70; Hd. 1:16, -<span class="pagenum" id="Page_347">[347]</span> -3:18, 4:25, 28:25 en altijd in Hebr. 1:5 v., 4:3, 5 -enz., maar even dikwerf bij de auctores secundarii, Mozes, David, -Jesaja enz., Mt. 13:14, 22:43; Joh. 1:23, 46, 5:46, 12:38. -De momenten der inspiratie zijn niet elk los op zichzelf te beschouwen, -maar staan in verband met al het voorafgaande: de -profeten en apostelen zijn van der jeugd af toebereid en bekwaamd -voor hun taak; hun karakter, aard, neiging, verstand, ontwikkeling -enz. wordt niet onderdrukt, maar, als zelve reeds door den -Geest des Heeren gevormd, nu ook door dienzelfden Geest in -dienst genomen en gebruikt; hun gansche persoon met alle gaven -en krachten wordt dienstbaar aan de roeping, waartoe zij geroepen -worden. Onderzoek, Luk. 1:1, nadenken en herinnering, Joh. -14:26, gebruik van bronnen enz., wordt daarom door de inspiratie -niet uitgesloten, maar is daarin opgenomen. Schier alle boeken -van O. en N. T. zijn daarom in zekeren zin ook gelegenheidsschriften. -Van een rechtstreeksch bevel tot schrijven is slechts -in enkele teksten sprake; zij dekken lang niet den ganschen -inhoud der Schrift. Maar ook die gelegenheden, die tot schrijven -drongen, behooren tot de leiding des Geestes; juist door deze -heen dreef Hij tot schrijven aan. De roeping tot profeet en apostel -sloot wel van zelf en natuurlijk die tot spreken en getuigen in, -Ex. 3; Ez. 3; Am. 3:8; Hd. 1:8 enz., maar niet die van -schrijven. Immers, vele profeten en apostelen schreven niet. Uit -Mt. 28:19 is een speciaal gebod tot schrijven niet af te leiden. -Onder de charismata, 1 Cor. 12 wordt het schrijven niet genoemd, -Bellarm., de verbo Dei IV cap. 3-4. Maar de H. Geest heeft -de historie der kerk onder Israel en in het N. T. alzoo geleid, -dat de daad moest overgaan in het woord en het woord in het -schrift. Uit deze leiding is bij profeten en apostelen de roeping -tot schrijven, de impulsus ad scribendum geboren. En dat schrijven -is de hoogste, de machtigste, de algemeenste getuigenis, die -niet vervliegt op den adem des winds maar manet in aeternum. -En juist, omdat de geschriften der profeten en apostelen niet -ontstaan zijn buiten maar uit en in de historie, daarom is er -eene wetenschap in de theologie, die alle die gelegenheden en -omstandigheden, waaronder de bijbelboeken ontstonden, onderzoekt -en kennen doet. Als dan de profeten en apostelen alzoo schrijvende -getuigen, behouden ze ook hun eigen karakter, hun eigen taal en -stijl. Ten allen tijde is dit verschil in de boeken des Bijbels -<span class="pagenum" id="Page_348">[348]</span> -erkend, maar niet altijd bevredigend verklaard. Niet daaruit is -het te verklaren, dat de H. Geest naar louter willekeur nu eens -zoo en dan aldus wilde schrijven; maar ingaande in de schrijvers, -is Hij ook in hun stijl en taal, in hun karakter en eigenaardigheid -ingegaan, die Hij zelf reeds toebereid en gevormd had. Daartoe -behoort ook, dat Hij in het O. T. het Hebreeuwsch, in het N. -T. het hellenistisch Grieksch tot voertuig der goddelijke gedachten -kiest. Ook hierin was geen willekeur. Het purisme verdedigde op -onbeholpen manier eene kostelijke waarheid. Naar het Grieksch -van Plato en Demosthenes gemeten, is het N. T. vol barbarismen -en soloecismen; maar het huwelijk, dat in het hellenistisch -Grieksch gesloten werd tusschen het zuiver Hebreeuwsch en het -zuiver Attisch, tusschen den Oosterschen en Westerschen geest, -was op taalgebied de realiseering van de goddelijke gedachte, dat -de zaligheid uit de Joden is, maar voor heel de menschheid is -bestemd. De taal des N. T. is niet de schoonste, grammatisch -en linguistisch beschouwd, maar zij is wel de geschiktste tot -meedeeling van de gedachten Gods. Het woord is ook in dit -opzicht waarachtig en algemeen menschelijk geworden. En eindelijk, -als de profeten en apostelen schreven, dan leverde hun -eigen ervaring en geschiedenis meermalen de stof voor hun -schrijven. In de psalmen is het de vrome zanger, die beurtelings -klaagt en juicht, in droefheid terneerzit of jubelt van vreugde. -In Rom. 7 teekent ons Paulus zijne eigene levenservaring, en -door heel de Schrift heen zijn het telkens de personen der schrijvers -zelf, wier leven en ervaring, wier hope en vreeze, wier geloof -en vertrouwen, wier klacht en ellende beschreven en geschilderd -wordt. Dat rijke leven, die diepe ervaring, van een David bv. is -door den Geest des Heeren alzoo gevormd en geleid, dat het -in de Schrift opgenomen, voor de volgende geslachten tot leering -zou zijn, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften -hope hebben zouden, Rom. 15:4. De organische inspiratie doet -alleen aan de Schrift recht wedervaren. Zij is in de leer der -Schrift de uitwerking en toepassing van het centrale feit der -openbaring, de vleeschwording des woords. De Λογος is σαρξ -geworden, en het woord is Schrift geworden; het zijn twee feiten, -die parallel loopen niet alleen, maar ook ten innigste verbonden -zijn. Christus is vleesch geworden, een dienstknecht, zonder gedaante -of heerlijkheid, de verachtste onder de menschen; Hij is -<span class="pagenum" id="Page_349">[349]</span> -nedergedaald in de nederste deelen der aarde, is gehoorzaam -geworden tot den dood des kruises. En zoo ook is het woord, de -openbaring Gods ingegaan in het creatuurlijke, in het leven en de -historie van menschen en volken, in alle menschelijke vormen -van droom en visioen, van onderzoek en nadenken, tot zelfs in -het menschelijk zwakke en verachte en onedele toe; het woord -is schrift geworden, en heeft als schrift aan het lot van alle schrift -zich onderworpen. Dit alles is geschied, opdat de uitnemendheid -der kracht, ook van de kracht der Schrift, zij Godes en niet uit -ons. Gelijk elke menschelijke gedachte en handeling vrucht is -geheel van de actie Gods in wien wij leven en zijn, en tegelijk -geheel vrucht is van de werkzaamheid des menschen, zoo ook is -de Schrift product geheel en al van den Geest Gods, die door -de profeten en apostelen spreekt, en tegelijk geheel product van -de werkzaamheid der schrijvers. Θεια παντα και ἀνθρωπινα -παντα.</p> - -<p class="sep2">16. Deze organische beschouwing is echter meermalen gebruikt, -om juist aan het eerste, aan het auteurschap des H. Geestes, -afbreuk te doen. De vleeschwording van Christus eischt, dat men -haar naspeure tot in de diepte van haar vernedering toe, in al -haar zwakheid en smaad. De beschrijving van het woord, van de -openbaring, noodigt ons uit, om ook in de Schrift dat zwakke en -nederige, die dienstknechtsgestalte te erkennen. Maar gelijk het -menschelijke in Christus, hoe zwak en nederig ook, toch van het -zondige vrij bleef, zoo ook is de Schrift sine labe concepta. -Menschelijk geheel en in al haar deelen, maar ook evenzoo θεια -παντα. Toch is op velerlei wijze aan dit goddelijk karakter der -Schrift te kort gedaan. De geschiedenis der inspiratie leert ons -dat deze eerst tot in de 17<sup>e</sup> eeuw toe hoe langer hoe verder is -uitgebreid, tot de vokalen en punten toe (inspiratio punctualis), -en vervolgens dat zij allengs hoe meer is ingekrompen en beperkt, -van de punten tot de woorden (insp. verbalis), van de singula -verba tot het woord, de gedachte (Wort in plaats van Wörterinspiration -bij Philippi, Kirchl. Glaub. I<sup>3</sup>, 252), van het woord -als gedachte tot de zaken (insp. realis), van de zaken tot den -religieus-ethischen inhoud, tot hetgeen in eigenlijken zin geopenbaard -is, tot het woord Gods sensu stricto, tot het speciale object -van het zaligmakend geloof (insp. fundamentalis, religiosa), van -<span class="pagenum" id="Page_350">[350]</span> -deze zaken weder tot de personen (insp. personalis), en van deze -eindelijk tot loochening van alle inspiratie als bovennatuurlijke -gave. Nu is het verblijdend, dat zelfs de meest negatieve richting -aan de Schrift nog eene plaats verzekeren en eenige waarde -toeschrijven wil in het religieuse leven en denken der Christenheid. -De leer der H. S. is niet eene opinie van deze of geene school, -geen dogma van eene particuliere kerk of secte, maar een articulus -fundamentalis, een geloofsartikel van de ééne heilige algemeene -christelijke kerk. Haar beteekenis voor heel het Christendom -wordt hoe langer hoe beter ingezien; haar onverbrekelijke samenhang -met het christelijk geloof en leven steeds beter erkend. -Een tijd lang in de dogmatiek naar de media gratiae verwezen, -heeft ze zich de plaats in den ingang tot de dogmatiek weer -met eere heroverd, Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 212. Heel de -Roomsche en Grieksche kerk staat nog onverzwakt in de belijdenis -van de goddelijke ingeving der H. Schrift. Vele Protestantsche -kerken en richtingen hebben tot nog toe alle geweld weerstaan, -om haar van dezen grondslag af te dringen. De gemeente blijft -door prediking en onderwijs, door lezing en onderzoek middellijk -of rechtstreeks uit de Schrift leven en met de Schrift zich voeden. -Zelfs wie in theorie de inspiratie ontkent, spreekt en handelt in -de praktijk van het leven menigmaal, alsof hij ze ten volle aanvaardt. -Het dualisme van gelooven en weten, waarin naar veler -voorstelling de orthodoxie bij de leer der Schrift verkeert, komt -niet in vergelijk bij de tweeslachtige positie der Vermittelungstheologie, -die op den katheder de inspiratie loochent en op den -kansel ze feitelijk belijdt. Het radikalisme komt hoe langer hoe -meer tot de erkentenis, dat de inspiratie der Schrift door de -Schrift zelve wordt geleerd en met deze aangenomen of verworpen -moet worden. Dit alles toont, dat het leven sterker is dan de -leer en dat de Schrift zelve altijd weer reageert tegen iedere -naturalistische verklaring. Zij pretendeert zelve uit den Geest -Gods te zijn voortgekomen en houdt deze pretensie staande tegenover -alle kritiek. Elke poging om haar van het mysterieus karakter -van haar oorsprong, inhoud en kracht te ontdoen, is tot dusver -geëindigd met het op te geven en de Schrift de Schrift te laten. -Eene inspiratie is daarom geene verklaring van de Schrift, en -dus eigenlijk ook geen theorie; maar zij is en behoort te zijn -eene geloovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelve -<span class="pagenum" id="Page_351">[351]</span> -getuigt, in weerwil van den schijn die tegen haar is. De inspiratie -is een dogma evenals de triniteit, de menschwording, enz., dat -de Christen aanneemt, niet wijl hij de waarheid ervan inziet, -maar omdat God het alzoo getuigt. Zij is geen wetenschappelijke -uitspraak maar eene belijdenis des geloofs. Bij de inspiratie even -als bij elk ander dogma is het niet in de eerste plaats de vraag: -hoe veel kan en mag ik belijden, zonder in conflict te komen -met de wetenschap, maar wat is de getuigenis Gods en wat is -dienovereenkomstig de uitspraak van het christelijk geloof? En -dan is er maar één antwoord mogelijk, dat de Schrift zichzelve -aandient als het woord Gods en de kerke Gods in alle eeuwen -haar als zoodanig heeft erkend. De inspiratie steunt op het gezag -der Schrift en heeft getuigenis bekomen van de kerk aller eeuwen.</p> - -<p>Met dit dogmatisch en religieus karakter van de leer der -inspiratie is de inspiratio personalis en fundamentalis in strijd. -Wel ligt er ook in deze opvattingen eene goede gedachte. Want -het zijn zeker de personen geweest, die met al hun gaven en -krachten bij de inspiratie door den H. Geest in dienst werden -genomen; en die personen waren heilige mannen, menschen Gods, -tot dit werk bekwamelijk toegerust. Ook is er in de Schrift -zonder twijfel onderscheid tusschen meer en minder belangrijke -deelen; niet alle boeken des Bijbels hebben gelijke waarde. -Maar beide voorstellingen van de inspiratie verzwakken de getuigenis, -welke de Schrift van zichzelve geeft, en zijn niet geboren -uit de plerophorie des geloofs maar uit transactie met de wetenschap. -Bovendien stuit de inspiratio personalis nog af op deze -bezwaren, dat zij het onderscheid uitwischt tusschen inspiratie en -illuminatie (wedergeboorte), tusschen het intellectueele en het -ethische leven, tusschen het φερεσθαι der profeten, 2 Petr. 1:21 -en het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14, tusschen de -H. Schrift en de stichtelijke lectuur. Voorts keert zij met -Rome de verhouding van Schrift en kerk in haar tegendeel om, -berooft de gemeente van de vastigheid die zij behoeft en -maakt haar afhankelijk van de wetenschap, die uitmaken moet, -wat in de Schrift al dan niet Gods woord is. Wel trachten -vele voorstanders van deze inspiratietheorie aan deze bezwaren -te ontkomen, door zich te beroepen op den persoon van -Christus als bron en autoriteit der dogmatiek, maar dit baat -daarom niet, wijl er juist verschil is over de vraag, wie -<span class="pagenum" id="Page_352">[352]</span> -Christus is en wat Hij geleerd en gedaan heeft. Indien de apostolische -getuigenis aangaande Christus niet betrouwbaar is, is er -geen kennis van Christus mogelijk. Daar komt bij, dat, indien -Christus autoriteit is, Hij dat ook is in de leer aangaande de -Schrift; de inspiratie moet dan juist op zijn gezag worden aangenomen. -De bovengenoemde theorie komt met het gezag van -Christus zelven in botsing. De inspiratio fundamentalis onderscheidt -zich van de inspiratio personalis daardoor, dat zij nog -eene bijzondere werkzaamheid des Geestes bij het schrijven aanneemt, -maar alleen bij sommige gedeelten der Schrift. Deze -voorstelling is echter zoo deistisch en dualistisch, dat zij reeds -daarom onaannemelijk is. Daarbij zijn woord en feit, het religieuse -en het historische, het door God en door menschen gesprokene -in de Schrift zoo saamgeweven en ineengevlochten, dat scheiding -onmogelijk is. Ook de historie in de Schrift is een openbaring -Gods. En eindelijk komen deze beide theorieën toch niet te gemoet -aan de bezwaren, die van de zijde der wetenschap tegen de -Schrift en hare inspiratie worden ingebracht. Want deze gelden -volstrekt niet enkele ondergeschikte punten in de peripherie der -openbaring, maar raken haar hart en centrum zelf. De inspiratio -personalis en fundamentalis is volstrekt niet wetenschappelijker -en rationeeler, dan de strengste inspiratio verbalis.</p> - -<p>De andere inspiratietheorieën, inspiratio punctualis, verbalis, -realis en ook de Wortinspiration van Philippi wijken onderling -weinig af. De werkzaamheid des H. Geestes bij het schrijven -heeft toch daarin bestaan, dat Hij, na het menschelijk bewustzijn -der scriptores op allerlei wijze, door geboorte, opvoeding, natuurlijke -gaven, onderzoek, herinnering, nadenken, levenservaring, -openbaring, enz. gepraepareerd te hebben, nu in en onder en bij -het schrijven zelf in dat bewustzijn die gedachten en woorden, -die taal en stijl, deed opkomen, welke de goddelijke gedachte op -de beste wijze voor menschen van allerlei rang en stand en volk -en eeuw vertolken konden. In de gedachten zijn de woorden en -in de woorden de vocalen begrepen. Maar daaruit volgt niet, dat -de vocaalteekens in onze Hebr. handschriften van de schrijvers -zelven afkomstig zouden zijn. Daaruit volgt ook niet, dat alles -vol is van goddelijke wijsheid, dat elke jota en elke tittel een -oneindigen inhoud heeft. Alles heeft zijn zin en zijne beteekenis -zeer zeker, maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het -<span class="pagenum" id="Page_353">[353]</span> -voorkomt. Niet atomistisch mag de Schrift beschouwd worden, -alsof elk woord en elke letter los op zich zelve en geisoleerd, -als zoodanig, door God zou zijn ingegeven, met een eigen bedoeling, -met een eigen en dus goddelijken, oneindigen inhoud. -Dat leidt tot de dwaze hermeneutische regelen der Joodsche -Schriftgeleerden en eert niet maar onteert de H. Schrift. Maar -organisch moet de inspiratie worden opgevat, zoodat ook het geringste -zijne plaats en beteekenis heeft en tegelijk toch op veel -verder afstand ligt van het centrum dan andere deelen. In het -menschelijk organisme is niets toevallig, noch de lengte, noch de -breedte, noch de kleur, noch de tint; maar daarom staat niet -alles met het levenscentrum in hetzelfde nauw verband. Hoofd -en hart nemen een veel belangrijker plaats in het lichaam in dan -hand en voet, en deze staan weer in waarde verre boven nagels -en haren. Ook in de Schrift ligt niet alles even dicht om het -centrum geschaard; er is eene peripherie, die wijd om het middelpunt -zich heen beweegt, maar ook zij behoort tot den cirkel der -gedachten Gods. Soorten en graden in de inspiratie zelve zijn er -dus niet. Het haar des hoofds is hetzelfde leven deelachtig als -hart en hand. Het is ééne anima, die tota est in toto corpore -et in omnibus partibus. Het is één Geest, waaruit heel de Schrift -door het bewustzijn der schrijvers is voortgekomen. Maar wel is -er verschil in de wijze, waarop hetzelfde leven in de verschillende -deelen des lichaams immanent en werkzaam is. Er is verscheidenheid -van gaven, ook in de Schrift, maar het is dezelfde Geest.</p> - -<h4>E. Bezwaren tegen de inspiratie.</h4> - -<p>17. Tegen deze inspiratie der Schrift worden vele en zeer -ernstige bezwaren ingebracht. Zij zijn ontleend aan de historische -kritiek, die de echtheid en geloofwaardigheid van vele Bijbelboeken -bestrijdt; aan de innerlijke tegenstrijdigheden, die telkens -in de Schrift voorkomen; aan de wijze, waarop het Oude Test. -in het Nieuwe aangehaald en uitgelegd wordt; aan de ongewijde -geschiedenis, met welke de verhalen der Schrift menigmaal niet -overeen te brengen zijn; aan de natuur, welke zoowel in haar -ontstaan als in haar bestaan de Schrift met hare schepping en -hare wonderen weerspreekt; aan de religie en moraal, die menigmaal -over het geloof en leven van de personen des Bijbels een -<span class="pagenum" id="Page_354">[354]</span> -afkeurend oordeel velt; aan den tegenwoordigen vorm der Schrift, -die blijkens de tekstkritiek in hare autographa verloren, in hare -apographa corrupt en in hare vertalingen gebrekkig is, enz. Het -is eene ijdele poging, om deze bezwaren weg te cijferen en te -doen, als zij niet bestaan. Maar toch dient in de eerste plaats -gewezen te worden op de ethische beteekenis van den strijd, die -alle eeuwen door tegen de Schrift is gevoerd. Indien de Schrift -het woord Gods is, is die strijd niet toevallig maar noodzakelijk -en ook volkomen verklaarbaar. Omdat zij de beschrijving is van -de openbaring Gods in Christus, moet zij denzelfden tegenstand -wakker roepen als Christus zelf. Deze is tot eene κρισις in de -wereld gekomen en is gezet tot een val en eene opstanding voor -velen. Hij brengt scheiding tusschen licht en duisternis en maakt -de gedachten uit veler hart openbaar. En evenzoo is de Schrift -een levend en krachtig woord, een oordeelaar van de gedachten -en de overleggingen des harten. Zij werd niet alleen geïnspireerd, -zij is nog theopneust. Gelijk er aan de akte der inspiratie veel -voorafgaat, heel de werkzaamheid des H. Geestes in natuur, -geschiedenis, openbaring, wedergeboorte, zoo volgt er ook veel op. -De inspiratie staat niet op zichzelve. De H. Geest trekt zich, -na de akte der inspiratie, niet van de H. Schrift terug en laat -haar niet over aan haar lot, maar Hij draagt en bezielt haar, -en brengt haar inhoud in allerlei vorm tot de menschheid, tot -haar hart en geweten. Door de Schrift als het woord Gods bindt -de H. Geest een voortdurenden kamp aan tegen de gedachten, -en overleggingen van den ψυχικος ἀνθρωπος. Op zichzelf behoeft -het dus niet de minste verwondering te baren, dat de Schrift -ten allen tijde weerspraak en bestrijding heeft ontmoet. Christus -heeft een kruis gedragen, en een dienstknecht is niet meerder -dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd van Christus. Zij -deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap wakker van den -zondigen mensch.</p> - -<p>Daaruit is nu wel niet alle bestrijding van de Schrift te verklaren. -Maar toch zijn de aanvallen, waaraan de Schrift in deze -eeuw blootstaat, niet op zichzelf te beschouwen. Zij hangen ongetwijfeld -samen met heel de geestesrichting dezer eeuw. Over -personen en bedoelingen komt ons het oordeel niet toe; maar -het zou oppervlakkig zijn te beweren, dat de strijd tegen de -Schrift in deze eeuw geheel op zichzelf stond, door gansch -<span class="pagenum" id="Page_355">[355]</span> -andere en veel zuiverder motieven werd beheerscht dan in vroegere -eeuwen, dat thans alleen het hoofd meespreken zou en het hart -er geheel buiten zou blijven. Ieder geloovige doet de ervaring -op, dat hij in de beste oogenblikken van zijn leven ook het -sterkst staat in het geloof aan de Schrift; zijn vertrouwen op -de Schrift neemt toe met zijn geloof in Christus, en omgekeerd -is ignoratio Scripturarum vanzelve en in diezelfde mate ook eene -ignoratio Christi (Hieronymus). Het verband van zonde en dwaling -ligt dikwerf diep onder de oppervlakte van het bewuste leven. -Bij een ander is het schier nimmer aan te wijzen, maar soms -wordt het aan het eigen zielsoog ontdekt. De strijd tegen de -Schrift is in de eerste plaats eene openbaring van de vijandschap -van het menschelijk hart. Maar die vijandschap kan zich uiten -op verschillende wijze. Zij komt volstrekt niet alleen en misschien -zelfs niet het sterkst uit in de kritiek, waaraan de Schrift in -onzen tijd onderworpen wordt. De Schrift als het woord Gods -ontmoet tegenstand en ongeloof bij iederen psychischen mensch. -In de dagen der doode orthodoxie was principiëel het ongeloof -aan de Schrift even machtig als in onze historische en kritische -eeuw. De vormen wisselen, maar het wezen blijft één. Hetzij de -vijandschap tegen de Schrift zich uit in eene kritiek als die van -Celsus en Porphyrius, hetzij zij zich openbaart in een dood geloof, -de vijandschap is in beginsel dezelfde. Want niet de hoorders, -maar de daders des woords worden zalig gesproken. De dienstknecht -welke geweten heeft den wil zijns heeren en zich niet -bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen -geslagen worden.</p> - -<p>Daarom blijft het voor iederen mensch plicht, om allereerst -deze vijandschap tegen het woord Gods af te leggen en alle -gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. -De Schrift treedt zelve allerwege op met dezen eisch. Alleen -de reine van hart zal God zien. Wedergeboorte doet het koninkrijk -Gods aanschouwen. Zelfverloochening is de voorwaarde, om Jezus’ -discipel te zijn. De wijsheid der wereld is dwaasheid bij God. -De Schrift neemt tegenover ieder mensch zoo hooge plaats in, -dat zij, in plaats van aan zijne kritiek zich te onderwerpen, veeleer -hem oordeelt in al zijne gedachten en begeerten. En dit is het -standpunt der christelijke kerk tegenover de Schrift ten allen -tijde geweest. Nederigheid was volgens Chrysostomus de grondslag -<span class="pagenum" id="Page_356">[356]</span> -der philosophie. Augustinus zeide: quemadmodum rhetor ille -rogatus, quid primum esset in eloquentiae praeceptis, respondit: -pronuntiationem; quid secundum, pronuntiationem; quid tertium, -pronuntiationem; ita si me interroges de religionis Christianae, -primo, secundo et tertio semper respondere liberet: humilitatem. -Calvijn, Inst. II 2, 11, haalt dit met instemming aan. En Pascal, -Pensées, Art. 8, roept het den mensch toe: humiliez-vous, raison -impuissante, taisez-vous, nature imbécile..... écoutez Dieu! -Zoo heeft de kerk in alle eeuw tegenover de Schrift gestaan. -En de christelijke dogmaticus mag geen andere positie innemen. -Want een dogma steunt niet op de uitkomsten van eenig historisch-kritisch -onderzoek, maar rust alleen op de getuigenis Gods, op -de zelfgetuigenis der H. Schrift. Een Christen gelooft niet, omdat -alles Gods liefde ontdekt, maar ondanks alles, dat twijfel wekt. -Ook in de Schrift blijft er veel, dat twijfel wekt. Alle geloovigen -weten daaruit bij ervaring mede te spreken. De mannen van de -Schriftkritiek stellen het dikwerf zoo voor, alsof de eenvoudige -gemeente niets wist van de bezwaren, die tegen de Schrift worden -ingebracht en niets gevoelde van de moeilijkheid, om aan de -Schrift te blijven gelooven. Maar dat is eene onzuivere voorstelling. -Zeker, de eenvoudige Christenen kennen de hinderpalen niet, welke -de wetenschap voor het geloof aan de Schrift in den weg legt. -Maar zij kennen toch in meerdere of mindere mate den strijd, -die in hoofd en hart beide tegen de Schrift wordt gestreden. -Er is geen enkel geloovige, die niet op zijne wijze de tegenstelling -heeft leeren kennen tusschen de σοφια του κοσμου en de μωρια -του θεου. Het is éénzelfde en het is een altijd voortdurende -strijd, die door alle Christenen, geleerd of ongeleerd, gestreden -moet worden, om de gedachten gevangen te houden onder de -gehoorzaamheid van Christus. Niemand komt hier op aarde dien -strijd te boven. Er blijven over heel de erve des geloofs cruces, -die overwonnen moeten worden. Er is geen geloof zonder strijd. -Gelooven is strijden, strijden tegen den schijn der dingen. Zoolang -iemand nog iets gelooft, wordt hem zijn geloof van alle -kanten betwist. Ook de moderne geloovige wordt daarvan niet -verlost. Concessies verzwakken maar bevrijden niet. Zoo blijven -er dan nog bezwaren genoeg over, ook voor wie kinderlijk -aan de Schrift zich onderwerpt. Deze behoeven niet verbloemd -te worden. Er zijn cruces in de Schrift, die niet weg te cijferen -<span class="pagenum" id="Page_357">[357]</span> -zijn, en die waarschijnlijk ook nooit zullen worden opgelost. Maar -deze moeilijkheden, welke de H. Schrift zelve tegenover hare -inspiratie ons biedt, zijn voor een groot gedeelte niet nieuw ontdekt -in deze eeuw; zij zijn ten allen tijde opgemerkt, en desniettemin -hebben Jezus en de apostelen, hebben Athanasius en -Augustinus, Thomas en Bonaventura, Luther en Calvijn, hebben -alle Christenen van alle kerken en door alle eeuwen de Schrift -beleden en erkend als het woord van God. Wie met het geloof -aan de Schrift wil wachten, totdat alle bezwaren uit den weg -zijn geruimd en alle tegenstrijdigheden zijn verzoend, komt nimmer -tot het geloof. Hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook -hopen? Jezus spreekt zalig degenen, die niet gezien en nogtans -zullen geloofd hebben. Maar bovendien, bezwaren en moeielijkheden -zijn er in iedere wetenschap. Wie niet met gelooven wil aanvangen, -komt nimmer tot weten. De Erkenntnisstheorie is het -beginsel der philosophie; maar zij is mysterie van het begin tot -het eind. Wie niet eer aan het wetenschappelijk onderzoek wil -gaan, voordat hij den weg ziet gebaand, waarlangs wij tot kennis -komen, begint er nooit mede. Wie niet eten wil, voor hij heel -het proces begrijpt, waardoor de spijze tot hem komt, sterft den -hongerdood; en wie het woord Gods niet gelooven wil, voor hij -alle moeilijkheden opgelost ziet, komt om van geestelijk gebrek. -Met begrijpen zal ’t niet gaan, grijp het onbegrepen aan (Beets). -De natuur, de geschiedenis en elke wetenschap biedt evenveel -cruces als de H. Schrift. De natuur bevat zoovele raadselen, dat -zij ons menigmaal kan doen twijfelen aan het bestaan van een -wijs en rechtvaardig God. Er zijn ἐναντιοφανη in menigte op -iedere bladzijde van het boek der natuur. Er is een onverklaarbare -rest (Schelling), die met alle verklaring spot. Wie geeft -daarom prijs het geloof aan de Voorzienigheid Gods, welke over -alle dingen gaat? Het Mohammedanisme, het leven en de levensbestemming -der onbeschaafde volken is een crux in de geschiedenis -der menschheid, even groot en even moeilijk als de samenstelling -van den Pentateuch en de Synoptici. Wie twijfelt er -daarom aan, dat God ook dat boek der natuur en der geschiedenis -schrijft met zijne almachtige hand? Natuurlijk kan men -hier en zoo ook bij de Schrift zich in de armen werpen van het -agnosticisme en van het pessimisme. Maar wanhoop is een salto -mortale ook op wetenschappelijk gebied. Met het ongeloof nemen -<span class="pagenum" id="Page_358">[358]</span> -de mysteriën des zijns niet af maar toe. En de onvrede des harten -wordt grooter.</p> - -<p class="sep2">18. Maar voorts doet de organische opvatting van de inspiratie -vele middelen aan de hand, om aan de bezwaren, tegen -haar ingebracht, te gemoet te komen. Zij houdt toch in, dat de -H. Geest bij het beschrijven van het woord Gods niets menschelijks -heeft versmaad, om tot orgaan te dienen van het goddelijke. -De openbaring Gods is niet abstract-supranatureel, maar is ingegaan -in het menschelijke, in personen en toestanden, in vormen -en gebruiken, in geschiedenis en leven. Zij blijft niet hoog boven -ons zweven, maar is nedergedaald in onzen toestand; zij is -vleesch en bloed en ons in alles gelijk geworden uitgenomen de -zonde. Zij maakt thans een onuitroeibaar bestanddeel uit van -dezen kosmos waarin wij leven, en zet vernieuwend en herstellend -daarin hare werking voort. Het menschelijke is orgaan geworden -van het goddelijke, het natuurlijke de openbaring van het bovennatuurlijke, -het zienlijke teeken en zegel van het onzienlijke. Bij -de inspiratie is gebruik gemaakt van alle gaven en krachten, die -er liggen in de menschelijke natuur. Daardoor is ten eerste volkomen -verklaarbaar het verschil in taal en stijl, in karakter en -individualiteit, dat in de Bijbelboeken valt op te merken. Vroeger -werd dit verschil verklaard uit den wil des H. Geestes, en eene -diepere beschouwing ontbrak. Maar bij de organische inspiratie -is dit verschil volkomen natuurlijk. Ook het gebruik van bronnen, -de bekendheid der schrijvers met vroegere geschriften, eigen -onderzoek, herinnering, nadenken en levenservaring is door de -organische opvatting niet uitgesloten maar opgenomen. De H. -Geest heeft zelf op die wijze zijne scriptores gepraepareerd; Hij -is niet in eens van boven op hen neergedaald, maar heeft zich -van heel hunne persoonlijkheid als van zijn instrument bediend. -Ook hier geldt het woord, dat gratia non tollit sed perficit -naturam. De persoonlijkheid der schrijvers is niet uitgewischt -maar gehandhaafd en geheiligd. De inspiratie eischt dus in geenen -deele, dat wij litterarisch of aesthetisch den stijl van Amos gelijk -stellen met dien van Jesaia, of dat we alle barbarismen en -soloecismen in de taal des N. T. zouden loochenen. In de tweede -plaats brengt de organische opvatting van openbaring en inspiratie -mede, dat het gewoon menschelijke en natuurlijke leven niet -<span class="pagenum" id="Page_359">[359]</span> -uitgesloten is maar mede dienstbaar is gemaakt aan de gedachten -Gods. De Schrift is het woord Gods; zij bevat het niet alleen -maar zij is het. Maar het formeele en materieele element mag in -deze uitdrukking niet vaneen gescheiden worden. Inspiratie alleen -en op zichzelve zou een geschrift nog niet tot woord Gods maken -in schriftuurlijken zin. Al ware een boek over aardrijkskunde -bijv. geheel en al ingegeven en in den meest letterlijken zin van -woord tot woord gedicteerd, daardoor werd het nog niet theopneust -in den zin van 2 Tim. 3:16. De Schrift is het woord Gods, -omdat de H. Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij den -Λογος ἐνσαρκος tot stof en inhoud heeft. Vorm en inhoud doordringen -elkaar, en zijn niet te scheiden. Maar om dit beeld van -Christus ons ten voeten uit als voor de oogen te schilderen, -daartoe is noodig, dat ook de menschelijke zonde en de satanische -leugen in al haar gruwel geteekend wordt. Op de schilderij -is de schaduw noodig, om het licht te helderder te doen uitkomen. -Zonde moet ook in Bijbelheiligen zonde worden genoemd, -en dwaling mag ook in hen niet worden vergoelijkt. En terwijl -de openbaring Gods in Christus alzoo de ongerechtigheid als -antithese in zich opneemt, versmaadt zij ook het menschelijk-zwakke -en natuurlijke niet. Christus heeft niets menschelijks zich -vreemd gerekend, en de Schrift vergeet ook de kleinste zorgen -van het dagelijksch leven niet, 2 Tim. 4:13. Het christelijke -staat niet antithetisch tegenover het menschelijke; het is er de -herstelling en vernieuwing van. In de derde plaats hangt met -den inhoud ook ten nauwste de bedoeling en de bestemming der -Schrift samen. Alwat te voren geschreven is, is tot onze leering -geschreven. Het strekt tot leering, wederlegging, verbetering, -onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mensch Gods -volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. Het dient -om ons wijs te maken tot zaligheid. De H. Schrift heeft eene -door en door religieus-ethische bestemming. Zij wil geen handboek -zijn voor de verschillende wetenschappen. Zij is principium -alleen van de theologie en verlangt dat wij haar <i>theologisch</i> lezen -en onderzoeken zullen. Bij al de vakken, die om de Schrift zich -groepeeren, moet het ons te doen zijn om de zaligmakende kennisse -Gods. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In dien zin -is zij volkomen genoegzaam en volmaakt. Wie echter uit de -Schrift eene geschiedenis van Israel, eene biographie van Jezus, -<span class="pagenum" id="Page_360">[360]</span> -eene geschiedenis van Israels of de oud-christelijke letterkunde -enz. wil afleiden, vindt telkens zich teleurgesteld. Dan zijn er -leemten, die niet dan door gissingen kunnen worden aangevuld. -De historische kritiek heeft deze bestemming der Schrift ten -eenenmale vergeten. Zij tracht eene geschiedenis van Israels volk -en godsdienst en letterkunde te leveren, en komt apriori met -eischen tot de Schrift, waaraan zij niet kan voldoen. Zij stuit -op tegenstrijdigheden, die niet op te lossen zijn, schift bronnen -en boeken eindeloos, rangschikt en ordent ze gansch anders, alleen -met het gevolg, dat er een hopelooze verwarring ontstaat. Uit -de vier Evangelien is geen leven van Jezus te construeeren en -uit het Oude Testament geen geschiedenis van Israel. De H. Geest -heeft dat niet bedoeld. Notarieele opteekening is de inspiratie niet -geweest. De harmonistiek der evangelische verhalen is mislukt, -cf. Dieckhoff, Die Inspiration und Irrthumslosigkeit der H. Schrift, -Leipzig 1891. Id. Noch einmal über die Insp. u. Irrth. der H. S. -Rostock 1893. Herzog<sup>2</sup> art. Evangelienharmonien en Synopse. -Aan exacte kennis, gelijk wij die in de mathesis, de astronomie, -de chemie enz. eischen, voldoet de Schrift niet. Zulk een maatstaf -mag aan haar niet worden aangelegd. Daarom zijn de autographa -ook verloren. Daarom is de tekst, in welke geringe mate -dan ook, corrupt; daarom bezit de gemeente en waarlijk de leeken -niet alleen de Schrift slechts in eene gebrekkige en feilbare vertaling. -Dat zijn feiten, die niet te loochenen zijn. En zij leeren -ons, dat de Schrift een eigen maatstaf heeft, van eene eigen -uitlegging is en eene eigene bestemming heeft. Die bestemming -is geen andere, dan dat zij ons wijs zoude maken tot zaligheid. -Het Oude Testament is geen bron voor eene geschiedenis van -Israels volk en godsdienst maar wel voor eene historia revelationis. -De Evangelien zijn geen bron voor een leven van Jezus -maar wel voor eene dogmatische kennis van zijn persoon en werk. -De Schrift is het boek voor de christelijke religie en voor de -christelijke theologie. Daartoe is zij gegeven. Daarvoor is zij geschikt. -En daarom is zij het woord Gods, ons geschonken door -den H. Geest.</p> - -<p class="sep2">19. Daaruit wordt eindelijk de verhouding duidelijk, waarin -de Schrift tot de andere wetenschappen staat. Er is veel misbruik -gemaakt van het woord van Baronius: de Schrift zegt niet, -<span class="pagenum" id="Page_361">[361]</span> -hoe de hemel gaat maar hoe wij naar den hemel gaan. Juist -als boek der kennisse Gods heeft de Schrift veel te zeggen, ook -tot de andere wetenschappen. Zij is een licht op het pad en -eene lamp voor den voet, ook van de wetenschap en de kunst. -Zij maakt aanspraak op gezag op alle terrein van het leven. -Christus heeft alle macht in hemel en op aarde. Objectief is de -beperking van de inspiratie tot het religieus-ethische gedeelte -der Schrift onhoudbaar, en subjectief is de scheiding tusschen -het godsdienstige en het overige leven van den mensch niet te -handhaven. De inspiratie strekt zich uit tot alle deelen der -Schrift, en de religie is eene zaak van den ganschen mensch. -Zeer veel van wat in de Schrift vermeld wordt, is ook voor de -andere wetenschappen van principiëele beteekenis. De schepping -en val des menschen, de eenheid van het menschelijk geslacht, -de zondvloed, het ontstaan der volken en talen, enz. zijn feiten -ook voor de andere wetenschappen van het hoogste belang. Ieder -oogenblik komen wetenschap en kunst met de Schrift in aanraking, -de principia voor heel het leven zijn gegeven in de Schrift. -Hieraan mag niets te kort worden gedaan. Maar toch ligt er -anderzijds ook eene groote waarheid in het woord van den kardinaal -Baronius. Ook alle die feiten worden in de Schrift niet -op en voor zichzelf medegedeeld, maar met een theologisch doel, -opdat wij God zouden kennen tot zaligheid. De Schrift bemoeit -zich nooit opzettelijk met de wetenschap als zoodanig. Christus -zelf, ofschoon vrij van alle dwaling en zonde, heeft zich toch -nooit in engeren zin bewogen op het gebied van wetenschap en -kunst, van handel en nijverheid, van rechtspraak en politiek. -Zijns was eene andere grootheid; de heerlijkheid des Eengeborenen -van den Vader, vol van genade en waarheid. Maar juist daardoor -is Hij ten zegen geweest ook voor wetenschap en kunst, -voor maatschappij en staat. Jezus is Zaligmaker, dat alleen, -maar dat ook geheel. Hij kwam niet alleen, om het religieus-ethische -leven van den mensch te herstellen en al het andere -ongemoeid te laten, alsof dit niet door de zonde bedorven ware -en geen herstelling van noode had. Neen zoover als de zonde, -strekt ook de genade van Christus zich uit. En evenzoo is het -met de Schrift. Ook zij is door en door religieus, het woord -Gods tot zaligheid, maar daarom ook juist een woord voor gezin -en maatschappij, voor wetenschap en kunst. De Schrift is een -<span class="pagenum" id="Page_362">[362]</span> -boek voor de gansche menschheid, in al haar rangen en standen, -in al haar geslachten en volken. Maar daarom ook is zij geen -wetenschappelijk boek in engeren zin. Wijsheid, niet geleerdheid -is in haar aan het woord. Zij spreekt niet de exacte taal der -wetenschap en der school, maar die der aanschouwing en des -dagelijkschen levens. Zij beoordeelt en beschrijft de dingen niet -naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar naar -de intuitie, naar den eersten, levendigen indruk, dien de verschijnselen -maken op den mensch. Daarom spreekt zij van het -naderen van het land, van het opgaan en stilstaan der zon, van -het bloed als de ziel van het dier, van de nieren als zetel der -aandoeningen, van het hart als bron der gedachten, enz. en -bekommert zich daarbij ganschelijk niet om de wetenschappelijk-nauwkeurige -taal van de astronomie, de physiologie, de psychologie, -enz. Zij spreekt over de aarde als het centrum van Gods -schepping en kiest geen partij tusschen de Ptolemeische en de -Kopernikaansche wereldbeschouwing. Zij beslist niet tusschen het -Neptunisme en het Plutonisme, noch ook tusschen de allopathie -en de homoeopathie. De scriptores der H. Schrift wisten waarschijnlijk -in al deze wetenschappen, geologie, zoölogie, physiologie, -medicijnen, enz. niets meer dan al hunne tijdgenooten. Het behoefde -ook niet. Want de H. Schrift bezigt de taal der dagelijksche -ervaring, die altijd waar is en altijd blijft. Indien de -Schrift in plaats daarvan de taal der school had gebruikt en -wetenschappelijk-exact hadde gesproken, zij zou aan haar eigen -gezag in den weg hebben gestaan. Indien zij beslist had voor -de Ptolemeische wereldbeschouwing, zou zij ongeloofwaardig zijn -in eene eeuw, die het Kopernikaansche stelsel huldigde. Zij zou -ook geen boek voor het leven, voor de menschheid hebben kunnen -zijn. Maar nu spreekt zij in algemeen-menschelijke taal, -verstaanbaar voor den eenvoudigste, duidelijk voor geleerde en -ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de aanschouwing, die -altijd naast die der wetenschap en van de school zal blijven -bestaan. Daarom kan zij ook duren tot aan het einde der eeuwen. -Daarom is zij oud, zonder ooit te verouderen. Zij is altijd jong -en frisch; zij is de sprake des levens. Verbum Dei manet in -aeternum.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<div class="pagenum" id="Page_363">[363]</div> - -<h3>§ 12. <span class="smcap">Eigenschappen der Schrift.</span></h3> - -<h4>A. De eigenschappen der Schrift in het algemeen.</h4> - -<p>1. De leer van de affectiones S. Scr. heeft zich geheel ontwikkeld -uit den strijd tegen Rome en het Anabaptisme. In de -belijdenis van de inspiratie en autoriteit der Schrift was er overeenstemming, -maar overigens was er in den locus de S. Scr. -groot verschil tusschen Rome en de Hervorming. De verhouding, -waarin Rome Schrift en kerk tot elkaar had gesteld, werd in -de Reformatie principieel veranderd. Bij de kerkvaders en scholastici -stond de Schrift, althans in theorie, nog verre boven kerk en -traditie; zij rustte in zichzelve, was αὐτοπιστος en voor kerk -en theologie de norma normans. Augustinus zei, scriptura canonica -certis suis terminis continetur, bij Harnack, D. G. II 85, en -redeneert Conf. 6,5, 11,3 zoo, alsof de waarheid der H. Schrift -alleen afhangt van zichzelve. Bonaventura, de sept. don. n. 37-43, -geciteerd in het Breviloquium ed. Freiburg 1881 p. 370, -verklaart: ecclesia enim fundata est super eloquia Sacrae Scripturae, -quae si deficiant, deficit intellectus........ Cum enim -ecclesia fundata sit in Sacra Scriptura, qui nescit eam, nescit -ecclesiam regere. Meer dergelijke getuigenissen worden door -Gerhard, Loci theol. I cap. 3 § 45, 46 aangehaald uit Salvianus, -Biel, Cajetanus, Hosius, Valentia enz. Canisius zegt in zijn Summa -doctrinae christ., in cap. de praeceptis ecclesiae § 16: Proinde -sicut scripturae propter testimonium Divini Spiritus in illa loquentis -credimus, adhaeremus ac tribuimus maximam auctoritatem, sic -ecclesiae fidem, reverentiam obedientiamque debemus. En ook -Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 1 cap. 2 verklaart nog: Sacris -Scripturis, quae propheticis et apostolicis litteris continentur, nihil -est notius, nihil certius, ut stultissimum esse necesse sit qui -illis fidem habendam esse negat. Allen waren van oordeel, dat -de Schrift genoegzaam uit en door zichzelve als waarheid bewezen -kon worden; zij hangt niet van de kerk af, maar omgekeerd de -kerk van haar; de kerk met hare traditie moge regula fidei zijn, -fundamentum fidei is zij nog niet. Dat is de Schrift alleen.</p> - -<p>Maar de kerk met haar ambt en traditie begon bij Rome hoe -langer hoe meer eene onafhankelijke plaats in te nemen en autoriteit -<span class="pagenum" id="Page_364">[364]</span> -te verkrijgen naast de H. Schrift. De verhouding van beide werd -eerst niet nader omschreven, maar eischte toch spoedig eene -betere regeling. En toen de kerk steeds toenam in macht en -zelfgenoegzaamheid, werd de autoriteit hoe langer hoe meer van -de Schrift naar de kerk verlegd. Verschillende momenten in de -geschiedenis wijzen het proces aan, waarlangs de kerk van de -plaats onder, tot die naast, en eindelijk ook tot die boven de -Schrift zich verhief. De vraag, welke van beide, de Schrift of -de kerk, den voorrang had, werd duidelijk en bewust eerst gesteld -in den tijd der reformatorische conciliën. Ondanks de tegenspraak -van Gerson, d’Ailly, en vooral van Nicolaas van Clémange, -Herz.<sup>2</sup> 3:247 werd ze ten voordeele der kerk beslist. Trente -heeft dit tegenover de Hervorming gesanctioneerd. In den strijd -tegen het Gallikanisme werd de kwestie nog nader gepraeciseerd, -en in het Vaticanum 1870 is ze zoo opgelost, dat de kerk onfeilbaar -werd verklaard. Subject van deze onfeilbaarheid is echter -niet de ecclesia audiens, noch de ecclesia docens, noch ook -de gezamenlijke bisschoppen, in concilie vergaderd, maar bepaald -de paus. En deze weer niet als privaat persoon, noch ook als -bisschop van Rome of patriarch van het Westen maar als Opperherder -der gansche kerk. Hij bezit deze onfeilbaarheid wel als -hoofd der kerk en niet los van haar, maar hij bezit ze toch niet -door en met haar, maar boven en in onderscheiding van haar. -Zelfs bisschoppen en conciliën hebben deel aan de onfeilbaarheid, -niet gescheiden van, maar alleen in eenheid met en onderwerping -aan den paus. Hij staat boven allen, en maakt alleen de kerk, -de traditie, de conciliën, de canones onfeilbaar. Concilies zonder -paus kunnen dwalen en hebben gedwaald, Bellarminus, de Conc. -et Eccl. II c. 10-11. Heel de kerk, zoowel docens als audiens, -is alleen onfeilbaar una cum et sub Romano pontifice, Jansen, -Theol. I 506. Daarmede is heel de verhouding van kerk en -Schrift omgekeerd. De kerk, of meer concreet de paus, gaat -voor en staat boven de Schrift. Ubi papa, ibi ecclesia, Jansen, -I 511. De onfeilbaarheid van den paus maakt die van de kerk, -de bisschoppen en conciliën en evenzoo die van de Schrift onnoodig.</p> - -<p class="sep2">2. Uit deze Roomsche opvatting van de verhouding van Schrift -en kerk vloeien alle verschillen voort, welke in de leer der -<span class="pagenum" id="Page_365">[365]</span> -Schrift tusschen Rome en de Hervorming bestaan. Zij betreffen -voornamelijk de noodzakelijkheid der H. Schrift, de apocriefen -van het O. Test., de editio Vulgata, het bijbelverbod, de uitlegging -der Schrift en de traditie. Formeel komt de omkeer in -de verhouding van Schrift en kerk het duidelijkst daarin uit, -dat de nieuwere Roomsche theologen de leer der kerk behandelen -in de pars formalis der dogmatiek. De kerk behoort tot de principia -fidei. Gelijk de Schrift bij de Reformatie, zoo is de kerk, het -magisterium, of eigenlijk de paus het formeele principe, het -fundamentum fidei in het Romanisme, Jansen, I 829.</p> - -<p>Daartegenover plaatsten de Hervormers de leer van de eigenschappen -der Schrift. Zij droeg geheel en al een polemisch karakter, -maar stond daardoor ook in hoofdzaak van den aanvang af vast, -Heppe, Dogm. d. deutschen Prot. I 207-257. Allengs werd ze -ook min of meer systematisch en methodisch in de dogmatiek -opgenomen, nog niet bij Zwingli, Calvijn, Melanchton, enz., maar -toch reeds bij Musculus, Loci Comm. 1567 p. 374 sq. Zanchius, -de S. Script. Op. VIII 319 sq. Polanus, Synt. Theol. 17 sq. -Junius, Theses Theol. Op. I 1594 sq. enz., en in de Luthersche -kerk bij Gerhard, Quenstedt, Calovius, Hollaz, enz. Maar in de -behandeling was er verschil. Soms werd er allerlei historische -en kritische stof in besproken; de dogmatiek nam schier heel -de „Inleiding”, de canonica generalis en specialis, in zich op. -Ook het aantal en de verdeeling der eigenschappen werd ongelijk -opgegeven. Gezag, nuttigheid, noodzakelijkheid, waarheid, duidelijkheid, -genoegzaamheid, oorsprong, verdeeling, inhoud, apocriefen, -concilie, kerk, traditie, editio authentica, vertalingen, uitlegging, -bewijzen, testimonium Sp. S<sup>i</sup>., dit alles en nog veel meer werd -in de leer der Schrift en van hare eigenschappen ter sprake -gebracht. Langzamerhand kwam er meer begrenzing der stof. -Calovius en Quenstedt onderscheidden tusschen affectiones primariae -en secundariae; tot de eerste behoorden de auctoritas, veritas, -perfectio, perspicuitas, semet ipsam interpretandi facultas, judicialis -potestas en efficacia, en onder de laatste werden gerekend de -necessitas, integritas, puritas, authentia en legendi omnibus concessa -licentia. Nog eenvoudiger was de menigmaal gevolgde orde: -auctoritas, necessitas, perfectio seu sufficientia, perspicuitas, semet -ipsam interpretandi facultas en efficacia, Hase, Hutterus Rediv. -§ 43 f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 27 f. Herzog<sup>2</sup> 2, -<span class="pagenum" id="Page_366">[366]</span> -365 f. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 9 f. Voigt, Fundamentaldogm. -S. 644 f. Maar ook zoo is er nog vereenvoudiging aan -te brengen. De historische, kritische, archaeologische stof enz. -hoort niet thuis in de dogmatiek, maar in de bibliologische vakken -der theologie. De authentia, integritas, puritas enz. kunnen daarom -in de dogmatiek niet volledig behandeld worden, zij komen daar -slechts in zooverre ter sprake, als de leer der Schrift ook voor -hare gesteldheid eenige gegevens biedt. De veritas behoeft na de -inspiratie en autoriteit geen afzonderlijk betoog meer, en zou -daardoor eer verzwakt dan versterkt worden. De efficacia vindt -haar plaats in de leer van de media gratiae. Zoo blijven alleen -de auctoritas, necessitas, perfectio en perspicuitas over. Onder -deze is er nog dit onderscheid, dat de auctoritas geene eigenschap -is, die gecoordineerd is met de andere, want zij is met de inspiratie -vanzelf gegeven; de necessitas, perspicuitas en sufficientia -daarentegen vloeien niet in denzelfden zin uit de inspiratie voort. -Het laat zich denken, dat eene onfeilbare Schrift aangevuld en -uitgelegd moest worden door eene onfeilbare traditie. Rome erkent -wel de autoriteit der Schrift, maar loochent hare andere eigenschappen.</p> - -<h4>B. Het gezag der Schrift.</h4> - -<p>3. Het gezag der Schrift is ten allen tijde in de christelijke -kerk erkend. Jezus en de apostelen geloofden aan het O. Test. -als het woord Gods en schreven daaraan toe een goddelijk gezag. -De christelijke kerk is onder het gezag der Schrift geboren en -opgegroeid. Wat de apostelen geschreven hebben, moet zoo worden -aangenomen alsof Christus zelf het geschreven had, Aug. de cons. -evang. I 35. En Calvijn verklaart in zijne uitlegging van 2 Tim. -3:16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam verschuldigd -zijn als aan God. Dat gezag der Schrift stond tot de vorige eeuw -toe in alle kerken en onder alle Christenen vast. Daarentegen -kwam er tusschen Rome en de Hervorming een ernstig verschil -over den grond, waarop dat gezag rust. Kerkvaders en scholastici -leerden nog dikwerf de autopistie der Schrift, maar de drijfkracht -van het Roomsche beginsel heeft hoe langer hoe meer de kerk -geschoven vóór de Schrift. De kerk, zoo is thans de algemeene -Roomsche leer, gaat temporeel en logisch aan de Schrift vooraf. -<span class="pagenum" id="Page_367">[367]</span> -Zij was er eerder dan de Schrift, en heeft haar oorsprong, -bestaan en autoriteit niet aan de Schrift te danken, maar bestaat -in en door zichzelve, d. i. door Christus, of den H. Geest die in -haar woont. De Schrift daarentegen is juist voortgekomen uit de -kerk en wordt nu door haar erkend, bevestigd, bewaard, uitgelegd, -verdedigd enz. De Schrift heeft dus wel de kerk, maar de -kerk heeft niet de Schrift van noode. Zonder kerk is er geen -Schrift, maar zonder Schrift is er wel eene kerk. De kerk met -de onfeilbare traditie is het oorspronkelijk en genoegzaam middel, -om de openbaring te bewaren en mee te deelen; de H. Schrift -is er later bijgekomen, is op zichzelve onvoldoende, maar is als -steun en bevestiging van de traditie wel nuttig en goed. Feitelijk -wordt bij Rome de Schrift geheel afhankelijk van de kerk. De -authentie, integriteit, inspiratie, canoniciteit, autoriteit van de -Schrift wordt door de kerk vastgesteld. Daarbij wordt dan echter -deze onderscheiding gemaakt, dat de Schrift niet quoad se, maar -quoad nos geheel van de kerk afhangt. De kerk maakt door hare -erkenning de Schrift niet geinspireerd, kanonisch, echt enz., maar -zij is toch de eenige, die deze eigenschappen van de Schrift op -onfeilbare wijze kennen kan. De zelfgetuigenis der Schrift toch -maakt niet uit, dat juist deze boeken van O. en N. T., en geen -andere en geen mindere, geinspireerd zijn; nergens geeft de H. -Schrift een catalogus van de boeken, die tot haar behooren; de -teksten, die de inspiratie leeren, dekken nooit de gansche Schrift, -2 Tim. 3:16 slaat alleen op het O. Test.; bovendien een beroep -voor de inspiratie der Schrift op de Schrift zelve is altijd nog -maar een cirkelbewijs. De Protestanten zijn dan ook onderling -verdeeld over de boeken, die tot de Schrift behooren; Luthers -oordeel over Jakobus wijkt af van dat van Calvijn enz. De bewijzen -voor de Schrift aan de kerkvaders enz. ontleend, zijn niet vast -en stevig genoeg, ze hebben als motiva credibilitatis groote -waarde, maar ze geven toch slechts waarschijnlijkheid, menschelijke -en dus feilbare zekerheid. Alleen de kerk geeft goddelijke, -onfeilbare gewisheid, gelijk Augustinus dan ook zeide: ego vero -Evangelio non crederem, nisi me catholicae ecclesiae commoveret -auctoritas, c. epist. Manich. cap. 5. c. Faustum l. 28. cap. 2,4,6. -De Protestanten hebben daarom de Schrift ook kunnen aannemen -en erkennen als Gods woord, wijl zij haar uit de hand der kerk -ontvingen, Bellarminus, de Verbo Dei IV cap. 4. Perrone, Praelect. -<span class="pagenum" id="Page_368">[368]</span> -Theol. IX 71 sq. Heinrich, Dogm. I 775 f. Jansen, Theol. I -766 sq. Het Vaticanum, sess. 3. cap. 2 erkende de boeken des -O. en N. T. als kanonisch, propterea quod Sp. S<sup>o</sup>. inspirante -conscripti Deum habent autorem <i>atque ut tales ipsi ecclesiae -traditi sunt</i>. Door deze gedachten geleid, stelde Rome te Trente -sess. 4 en in het Vatikaan sess. 3 cap. 2 den kanon vast, nam -daarin naar het voorbeeld der Grieksche vertaling en de practijk -der kerkvaders ook de apocriefen des O. T. op, en verklaarde -bovendien de editio Vulgata voor den authentieken tekst, zoodat -deze in kerk en theologie beslissend gezag heeft.</p> - -<p class="sep2">4. Tegenover deze Roomsche leer stelde de Reformatie de -autopistie der Schrift, Calvijn, Inst. I c. 7. Ursinus, Tract. -Theol. 1584 p. 8 sq. Polanus, Synt. I c. 23-30. Zanchius, de -S. Scriptura, Op. VIII 332-353. Junius, Theses Theol. c. -3-5. Synopsis pur. theol. disp. 2 § 29 sq. Gerhard, Loci -theol. I c. 3. enz. Bij dit verschil liep de vraag niet hierover, -of de kerk niet eene roeping had te vervullen tegenover de -Schrift. Algemeen werd toegestemd, dat de kerk van groote -beteekenis is voor de Schrift. Haar getuigenis is van groot gewicht -en een motivum credibilitatis. De kerk der eerste eeuwen -bezit in hare getuigenissen een sterken steun voor de Schrift. -Voor elk mensch is de kerk de leidsvrouw tot de Schrift. In -dezen zin is en blijft het woord van Augustinus waar, dat hij -door de kerk bewogen was om de Schrift te gelooven. Protestantsche -theologen, Calv. Inst. I 7, 3. Polanus, Synt. p. 30. Turretinus, -de S. Scr. auctoritate, disp. 3 § 13 s. Gerhard, Loci -theol. I c. 3 § 51 hebben dit woord van Augustinus verzwakt, -door het alleen op het verleden, op het ontstaan des geloofs te -laten slaan. Maar de redeneering van Augustinus t. a. p. is -duidelijk. Hij plaatst zijn manicheeschen tegenstander voor dit -dilemma: gij moet òf tot mij zeggen: geloof den katholieken, -maar dezen waarschuwen mij juist om u te gelooven, òf geloof -den katholieken niet, maar dan kunt gij u ook niet tegenover -mij op het evangelie beroepen, quia ipsi Evangelio, catholicis -praedicantibus, credidi. De kerk is inderdaad voor Augustinus -een motief des geloofs, waarvan hij hier tegenover den manicheer -gebruik maakt. Maar er is verschil tusschen motief en laatsten -grond des geloofs. Hoe hij in de kerk een motief des geloofs -<span class="pagenum" id="Page_369">[369]</span> -ziet, heldert hij elders, C. Faustum lib. 32 c. 19 zelf op als hij -zegt: cur non potius evangelicae autoritati, tam fundatae, tam -stabilitae, tanta gloria diffamatae atque ab apostolorum temporibus -usque ad nostra tempora per successiones certissimas commendatae, -non te subdis? Cf. de util. cred. c. 14. De kerk met haar -waardigheid, haar macht, haar hierarchie enz. heeft altijd op -Augustinus een diepen indruk gemaakt. Zij bewoog hem voortdurend -tot het geloof, zij steunde en sterkte hem in twijfel en -strijd, zij was de vaste hand, die hem altijd weer leidde tot -de Schrift. Maar daarmede wil Augustinus niet zeggen, dat de -autoriteit der Schrift van de kerk afhangt, dat zij de laatste -en diepste grond is van zijn geloof. Elders zegt hij duidelijk, -dat de H. Schr. door zichzelve gezag heeft en om zichzelve moet -geloofd worden, Clausen, Augustinus S. Scr. interpres 1827 p. -125. Dorner, Augustinus, Berlin 1873 S. 237 f. Reuter, Augustinische -Studien, Gotha 1887 S. 348 f. Schmidt, Jahrb. f. deutsche -Theol. VI 235 f. Hase, Protest. Polemik 5<sup>te</sup> Aufl. Leipzig -1891 S. 81. Harnack D. G. III 70 f.</p> - -<p>De kerk heeft en houdt voor ieder geloovige tot aan zijn -dood toe eene rijke en diepe paedagogische beteekenis. De wolke -van getuigen, die om ons heen ligt, kan ons sterken en bemoedigen -in den strijd. Maar dit is heel iets anders, dan dat de -autoriteit der Schrift van de kerk afhangen zou. Rome durft dit -zelfs nog niet openlijk uitspreken. Het Vaticanum erkende de -boeken des O. en N. T. toch ook daarom voor kanonisch, -propterea quod <i>Spiritu S inspirante conscripti Deum autorem -habent</i> en als zoodanig der kerk zijn overgeleverd. En de Roomsche -theologen maken onderscheid tusschen de autoriteit der -Schrift quoad se en quoad nos. Maar die onderscheiding kan hier -niet gelden. Want indien de kerk de laatste en diepste grond is, -waarom ik aan de Schrift geloof, dan is die kerk, en niet de -Schrift αὐτοπιστος. En nu een van beide: de Schrift bevat eene -getuigenis, eene leer over zichzelve, over haar inspiratie en autoriteit, -en dan doet de kerk niets dan die getuigenis aannemen en -bevestigen; of de Schrift leert zelve zulk eene inspiratie en -autoriteit niet, en dan is het dogma der kerk over de Schrift -voor den Protestant geoordeeld. De Roomsche theologen verkeeren -dan ook in eene niet geringe tegenstrijdigheid. Eenerzijds trachten -zij in de leer der Schrift haar inspiratie en gezag uit haar zelve -<span class="pagenum" id="Page_370">[370]</span> -te betoogen; en andererzijds, toegekomen aan de leer der kerk, -pogen zij die bewijzen te verzwakken en aan te toonen, dat alleen -de getuigenis der kerk eene onomstootelijke zekerheid geeft. -Hangt daarentegen de autoriteit quoad se van de Schrift zelve -af, dan is zij ook quoad nos, de laatste grond van ons geloof. -De kerk kan slechts erkennen wat er is; zij kan niet maken wat -er niet is. De beschuldiging, dat op die wijze eene cirkelredeneering -wordt gemaakt en de Schrift met de Schrift zelve wordt -bewezen, kan op Rome zelf worden teruggeworpen, wijl zij de -kerk met de Schrift en de Schrift met de kerk bewijst. Indien -Rome daartegen opmerkt, dat zij in het eerste geval de Schrift -niet als Gods woord maar als menschelijke, geloofwaardige en -betrouwbare getuigenis gebruikt, dan kan ook de Protestantsche -theoloog deze opmerking overnemen: eerst wordt uit de Schrift -als betrouwbaar getuigenis de inspiratie afgeleid en daarna met -deze de Schrift als Gods woord bewezen. Maar veel meer is dit -van beteekenis, dat in elk vak van wetenschap, en zoo ook in de -theologie, de principia door zichzelve vast staan. De waarheid -van een principium kan niet betoogd, maar alleen erkend worden. -Principium creditur propter se, non propter aliud. Principii principium -haberi non potest nec quaeri debet, Gerhard, Loc. theol. -I cap. 3. Zanchius, Op. VIII 339 sq. Polanus, Synt. I cap. 23 sq. -Turret. Theol. El. loc. 2 qu. 6. Trelcatius, Schol. et method. -loc. comm. S. Theol. Institutio 1651 p. 26.</p> - -<p>De Schrift zelve leert dan ook duidelijk, dat niet de kerk maar -het woord Gods, beschreven of onbeschreven, αὐτοπιστος is. De -kerk is ten allen tijde aan dat woord Gods, voor zoover het er -was en in dien vorm waarin het bestond, gebonden geweest. Israel -ontvangt op Horeb de wet, Jezus en de apostelen onderwerpen -zich aan de O. T. Schrift, de christ. kerk is van den aanvang -af gebonden aan het gesproken en geschreven woord der apostelen. -Het woord Gods is het fundament der kerk, Deut. 4:1; Jes. -8:20; Ezech. 20:19; Luk. 16:29; Joh. 5:39; Ef. 2:20; -2 Tim. 3:14; 2 Petr. 1:19 enz. De kerk kan wel getuigen -van het woord, maar het woord staat boven haar. Zij kan niemand -het geloof aan het woord Gods in het hart schenken. Dat -kan het woord Gods alleen, door zichzelf en de kracht des H. -Geestes, Jer. 23:29; Mk. 4:28; Luk. 8:11; Rom. 1:16; -Hebr. 4:12; 1 Petr. 1:23. En reeds daardoor alleen blijkt de -<span class="pagenum" id="Page_371">[371]</span> -kerk beneden de Schrift te staan. Daarom kan de kerk en kunnen -de geloovigen de inspiratie, autoriteit, kanoniciteit van de -Schrift uit haar zelve leeren kennen, maar zij kunnen deze nooit -eigenmachtig afkondigen en vaststellen. De Hervorming heeft -liever eenige onzekerheid gewild, dan eene gewisheid, die alleen -door eene willekeurige beslissing der kerk werd verkregen. Want -de Schrift geeft inderdaad nergens een catalogus van de boeken -die zij bevat. Over sommige boeken is er in de oudste christelijke -kerk en ook later verschil van meening geweest. De tekst bezit -niet die integritas, welke ook Luth. en Geref. theologen zoo gaarne -wenschten. Maar desniettemin heeft de Reformatie de autopistie -der Schrift tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de -kerk ondergeschikt gemaakt aan het woord Gods, en daardoor -de vrijheid van den Christen gered.</p> - -<p class="sep2">5. Bij dit verschil tusschen Rome en de Hervorming over -den grond van het gezag der Schrift kwam er in de 17<sup>e</sup> eeuw -in de Protestantsche kerken zelve nog een belangrijke strijd -over den aard van dat gezag. Hierover was men het eens, dat -aan de Schrift, wijl zij God tot auteur had, eene auctoritas divina -toekwam. Nader werd deze autoriteit daardoor omschreven, dat -de Schrift door allen geloofd en gehoorzaamd moest worden, en -de eenige regel was van geloof en leven. Deze omschrijving leidde -echter vanzelf tot de onderscheiding van eene auctoritas historica -en eene auctoritas normativa. De openbaring Gods toch is gegeven -in den vorm van eene geschiedenis; zij heeft verschillende tijden -doorloopen. Lang niet alles, wat in de Schrift staat opgeteekend, -heeft normatief gezag voor ons geloof en leven. Veel van wat -door God geboden en ingesteld is geweest, of door profeten en -apostelen is voorgeschreven en verordend, gaat ons niet rechtstreeks -meer aan en had op vroeger levende personen betrekking. -Het gebod aan Abraham, om zijn zoon te offeren; het bevel aan -Israel, om alle Kanaänieten te dooden; de ceremonieele en burgerlijke -wetten, die golden in de dagen des O. T.; de bepalingen -van de synode te Jeruzalem en zoo veel meer zijn zeker als -historie nog nuttig ter leering en vermaning, maar kunnen en -mogen door ons niet meer opgevolgd worden. En dat niet alleen, -maar de openbaring heeft in hare beschrijving niet alleen de goede -werken der heiligen maar ook de booze daden der goddeloozen -<span class="pagenum" id="Page_372">[372]</span> -opgeteekend. Meermalen komen er dus woorden en handelingen -in de Schrift voor, welke wel als historisch waar maar niet als -normatief worden voorgesteld; zoover is het er van daan, dat -deze regel mogen zijn voor ons geloof en leven, dat zij veeleer -verworpen en afgekeurd moeten worden. Ook de zonden der heiligen, -van een Abraham, Mozes, Job, Jeremia, Petrus enz. worden -ter waarschuwing, niet ter navolging medegedeeld. En eindelijk -kan bij vele personen, bij de aartsvaders, Debora, de richters, de -koningen, de vrienden van Job, Hanna, Agur, de moeder van -Lemuel, de dichters van sommige psalmen, zooals de vloekpsalmen -ps. 73:13, 14, 77:7-9, 116:11, en voorts bij Zacharia, Simeon, -Maria, Stephanus enz. de vraag gesteld worden, of hunne woorden -alleen formeel, wat hunne opteekening betreft, of ook zakelijk, -wat hun inhoud aangaat, zijn geinspireerd. Voetius oordeelde, dat -velen van deze personen, zooals Job en zijne vrienden, niet tot -de profeten kunnen gerekend worden en handhaafde dit gevoelen -tegenover Maresius, Voetius, Disp. I 31, 40-44. V 634-640. -Maresius, Theologus paradoxus p. 83-87, en verder Maccovius, -Loci Comm. p. 31-32, Cloppenburg, de canone theol. disp. 3 -Op. II 18-23. Witsius, Misc. Sacra I 316-318. Moor, Comm. -in Marckii Comp. I 131-134. Carpzovius, Critica S. Vet. Test. -I c. 2 § 3. Deze kwestie had wel geen verdere gevolgen, maar -was toch in veel opzichten belangrijk. Zij bracht het eerst duidelijk -tot bewustzijn, dat er onderscheid is tusschen woord Gods in -formeelen en woord Gods in materieelen zin, en dwong tot nadenken -over de verhouding, waarin beide tot elkander staan. Nu -werd die verhouding zeer zeker door de meesten der bovengenoemde -theologen al te dualistisch opgevat. De auctoritas historiae -en de historia normae laten zich in de Schrift niet op zoo abstracte -wijze scheiden. De formeele en de materieele beteekenis van de -uitdrukking woord Gods zijn veel te nauw verbonden. Ook in -de leugenachtige woorden van Satan en de booze daden der -goddeloozen heeft God iets tot ons te zeggen. De Schrift is niet -alleen nuttig tot leering maar ook tot waarschuwing en vermaning. -Zij onderwijst en verbetert ons, zoowel door af te schrikken -als door aan te sporen, zoowel door beschaming als door vertroosting. -Maar wel werd het door die onderscheiding duidelijk gemaakt, -dat de Schrift niet kan en mag opgevat worden als een wetboek -vol artikelen. Beroep op een tekst buiten het verband is voor een -<span class="pagenum" id="Page_373">[373]</span> -dogma niet genoeg. De openbaring, in de Schrift neergelegd, is -een historisch en organisch geheel. Zoo wil ze gelezen en verklaard -worden. En daarom moet het dogma, dat met autoriteit tot ons -komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op heel het -organisme der Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. Het gezag -der Schrift is een ander dan dat van eene staatswet.</p> - -<p class="sep2">6. Aard en grond van het gezag der Schrift zijn echter vooral -in de nieuwere theologie in discussie gebracht. In vroeger tijd -rustte de autoriteit der H. Schrift op hare inspiratie en was met -deze vanzelf gegeven. Maar toen de inspiratie werd prijsgegeven, -was het gezag der Schrift niet meer te handhaven. Wel werd -dit op allerlei wijze beproefd, maar men zag zich genoodzaakt, -om zoowel de gronden als het karakter van de autoriteit der -H. Schrift gansch anders op te vatten. Het gezag der Schrift, -voorzoover het nog werd erkend, werd daarop gebaseerd, dat zij -de authentieke oorkonde is van de openbaring; de christelijke -idee het zuiverst uitdrukt, evenals het water ook het reinst is -bij de bron; de vervulling is van de Oudtestamentische heilsgedachte, -en de christelijke leer volkomen, zij het ook in kiem, -in zich bevat; en de aanvang en voortdurende vernieuwing is van -den christelijken geest in de gemeente. Deze en dergelijke overwegingen -voor het gezag der Schrift kan men vinden bij theologen -van de verschillendste richtingen, zooals bij Scholten, L. H. K. -I 78 v. Saussaye, mijne theol. van Ch. d. l. S. 53 v. Schleiermacher, -Gl. § 129 f. Rothe, Zur Dogm. S. 166 f. Lipsius, Dogm. -§ 193 f. Biedermann, Dogm. § 193 f. Schweizer, Christl. Gl. -I S. 178 f. Hofmann, Weiss. u. Erf. III 98 f. Ritschl, Rechtf. -u. Vers. II 5 f. 9 f. enz. Toch zijn al deze gronden niet hecht -genoeg, om een gezag te dragen, gelijk dat de religie behoeft. -Ze mogen als motiva credibilitatis in aanmerking komen, maar -als gronden zijn ze onhoudbaar. Want vooreerst maken zij door -de onderscheiding tusschen openbaring en hare oorkonde, tusschen -woord Gods en Schrift, het gezag der Schrift feitelijk geheel -illusoir. Want indien niet de Schrift in haar geheel, maar alleen -het woord Gods in haar, het religieus-ethische, de openbaring -of hoe men het noemen wil, gezag heeft, dan heeft ieder voor -zichzelf uit te maken, wat dat woord Gods in de Schrift is, en -elk bepaalt dit naar goedvinden. Het zwaartepunt wordt uit het -<span class="pagenum" id="Page_374">[374]</span> -object naar het subject overgebracht; de Schrift kritiseert niet -den mensch, maar deze oordeelt de Schrift; het gezag der Schrift -hangt af van het menschelijk welgevallen; het bestaat slechts, -voorzoover men het erkennen wil, en wordt dus geheel vernietigd. -Maar ook al zouden al deze gronden eenig gezag voor de Schrift -kunnen vindiceeren, het zou toch geen ander zijn dan een louter -historisch gezag. En dit is in de religie onvoldoende. Hier hebben -we aan een historisch, d. i. menschelijk en feilbaar gezag niet -genoeg. Omdat de religie onze zaligheid raakt en in verband -staat met onze eeuwige belangen, kunnen wij in haar met niets -minder toe dan met een goddelijk gezag. Wij moeten niet alleen -weten, dat de Schrift de historische oorkonde voor onze kennis -van het Christendom is en dat zij de oorspronkelijke christelijke -ideeën het zuiverst bevat en weergeeft; maar in de religie dienen -wij te weten, dat de Schrift het woord en de waarheid Gods is. -Zonder deze zekerheid is er geen troost in het leven en in het -sterven. En niet alleen heeft ieder Christen aan deze zekerheid -behoefte, maar ook de kerk zelve kan als instituut deze gewisheid -niet ontberen. Want indien een prediker de overtuiging mist van -de goddelijke waarheid van het woord dat hij verkondigt, verliest -zijne prediking alle gezag en invloed en kracht. Indien hij -geen goddelijke boodschap heeft te brengen, wie geeft hem dan -het recht om op te treden voor menschen van gelijke bewegingen -als hij? Wie geeft hem vrijheid om zich op den kansel boven -hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen -der ziel en des levens en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig -wel of een eeuwig wee? Wie durft en wie kan dat doen, anders -dan die een woord Gods te verkondigen heeft? Het christelijk -geloof en de christelijke prediking eischen beide eene goddelijke -autoriteit, waarop zij steunen. Titubabit fides, si divinarum scripturarum -vacillat auctoritas, Aug. de doctr. christ. I 37.</p> - -<p>Daarom kan het ook geen goedkeuring wegdragen, wanneer de -aard van het gezag der Schrift als zedelijk omschreven wordt. -Lessing is daarmede al begonnen als hij zeide, dat iets niet -daarom waar is wijl het in den Bijbel staat, maar dat het in -den Bijbel staat omdat het waar is. Sedert zijne verzuchting om -verlossing van het gezag der letter en van den papieren paus, -is het gelooven op gezag op allerlei wijze bespottelijk gemaakt. -Christelijke theologen hebben zich daardoor laten influenceeren -<span class="pagenum" id="Page_375">[375]</span> -en het autoriteitsgeloof gewijzigd of bestreden. Doedes bijv., Inl. -tot de leer van God, 1880 bl. 29-40 wil niets weten van gelooven -op gezag en spreekt alleen nog van zedelijke autoriteit in -de religie. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 53 v. verklaart, -dat er geen ander is dan zedelijk gezag en dat het zedelijke -geheel gezag is. Intellectueel gezag is er niet, maar moreel gezag -is de zedelijkheid, de godsdienst zelve. Men gelooft de waarheid -niet op gezag, maar de waarheid heeft gezag, d. i. heeft het -recht, dat men haar gehoorzame. Deze voorstelling lijdt echter -aan verwarring van begrippen. De waarheid heeft gezag, zeer -zeker; niemand, die het ontkent. Maar de vraag is juist, wat -op godsdienstig gebied waarheid is en waar zij te vinden is. -Hierop is maar tweeërlei antwoord mogelijk. Of aan de eene -zijde: wat waarheid is, of indien men wil, wie Christus is, dat -zeggen ons de apostelen, dat zegt ons de Schrift; of aan de -andere zijde: dit wordt uitgemaakt door het eigen oordeel, door -de rede of het geweten van ieder mensch voor zichzelf. In het -laatste geval is er geen gezag en geen autoriteit der Schrift -meer; zij is geheel en al aan de kritiek van het subject onderworpen. -Dan baat het ook niets, om met Rothe, Zur Dogm. -287 te zeggen, dat de Bijbel het volkomen toereikend instrument -is, om tot eene zuivere kennis van Gods openbaring te komen. -Want elke objectieve maatstaf ontbreekt, waarnaar in de Schrift -die openbaring beoordeeld en gevonden kan worden. Er is inderdaad -maar één grond, waarop het gezag der Schrift rusten kan, -en dat is hare inspiratie. Valt deze, dan is het ook met de -autoriteit der Schrift gedaan. Zij bevat dan slechts menschelijke -geschriften, die als zoodanig geen enkelen titel kunnen laten gelden, -om norma te zijn voor ons geloof en leven. En met de Schrift -valt voor den Protestant alle gezag in de religie. Alle pogingen, -om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, bijv. in den -persoon van Christus, in de kerk, in de religieuse ervaring, in -rede of geweten, loopen op teleurstelling uit, Stanton, The place -of authority in matters of religious belief, London Longmans -1891. James Martineau, The seat of authority in religion, London -Longmans 1891. C. A. Briggs, The authority of H. Scriptures. -Inaugural address, 4 ed. New-York Scribner, 1892. L. Monod, -Le problème de l’autorité, Paris Fischbacher 1892. E. Doumergue, -L’autorité en matière de foi, Lausanne Payot 1892. E. Ménégoz, -<span class="pagenum" id="Page_376">[376]</span> -L’autorité de Dieu, réflexions sur l’autorité en matière de foi. -Paris Fischbacher 1892. G. Godet, Vinet et l’autorité en matière -de foi, Revue de théol. et de philos. Mars 1893 p. 173-191. -Zij bewijzen alleen, dat eene religie zonder gezag niet kan bestaan. -Religie is wezenlijk van wetenschap onderscheiden. Zij heeft eene -eigene zekerheid; niet zulk eene, die op inzicht steunt, maar die -in geloof, in vertrouwen bestaat. En dit religieuse geloof en vertrouwen -kan alleen rusten in God en in zijn woord. In de religie -is een testimonium humanum en eene fides humana onvoldoende; -hier hebben we behoefte aan een getuigenis Gods, waarop wij -ons verlaten kunnen in leven en sterven. Inquietum est cor -nostrum, donec requiescat in Te! Terecht zegt dan ook Harnack, -D. G. III 73, es hat in der Welt keinen starken religiösen -Glauben gegeben, der nicht an irgend einem <i>entscheidenden</i> Punkt -sich auf eine <i>äussere Autorität</i> berufen hätte. Nur in den blassen -Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den polemischen -Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube construirt, -der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten -entnimmt. Cf. ook P. D. Chantepie de la Saussaye, Zekerheid -en twijfel 1893 bl. 138 v. Het recht en de waarde van het gezag -in de religie wordt langzamerhand weer erkend.</p> - -<p class="sep2">7. Maar, al kan de religie alleen met eene auctoritas divina -volstaan, de aard van dat gezag dient toch nog nader te worden -onderzocht. Gezag is in het algemeen de macht van iemand, die -iets te zeggen heeft; het recht, om in eene of andere zaak mee te -spreken, vandaar in het Mnl. geweld, macht, Woordenboek der -Ned. Taal s. v. Van gezag kan er alleen sprake zijn tusschen -ongelijken; het drukt altijd eene verhouding uit van een meerdere -tot zijn mindere, van een hoogere tot zijn lagere. Omdat er -onder menschen geen gelijkheid is maar allerlei onderscheid bestaat, -kan er onder hen van gezag sprake zijn. En wijl die ongelijkheid -zoo groot en zoo velerlei is, neemt het gezag onder -menschen eene zeer breede plaats in. Het is zelfs het fundament -der gansche menschelijke samenleving. Wie het ondermijnt, -arbeidt aan de verwoesting der maatschappij. Dwaas en gevaarlijk -is het dus, om het gelooven op gezag in een bespottelijk -daglicht te plaatsen. Augustinus vraagde reeds: Si quod nescitur -credendum non est, quomodo serviant parentibus liberi eosque -<span class="pagenum" id="Page_377">[377]</span> -mutua pietate diligant, quos parentes suos esse non credant....... -Multa possunt afferri quibus ostendatur, nihil omnino humanae -societatis incolume remanere, si nihil credere statuerimus, quod -non possumus tenere perceptum, de util. cred. 12. Op ieder gebied -leven wij van gezag. Onder het gezag worden wij in huisgezin, -maatschappij en staat geboren en opgevoed. Ouders hebben -gezag over hun kinderen, de meester over zijne leerlingen, de -overheid over hare onderdanen. In al deze gevallen is het gezag -duidelijk. Het drukt eene macht uit, die van rechtswege aan -iemand over een ander toekomt. Het treedt daarom op met -bevelen en wetten, eischt gehoorzaamheid en onderwerping, en -heeft in geval van opstand zelfs recht van dwang en straf. Maar -wij breiden dit begrip van gezag verder uit en passen het ook -toe in wetenschap en kunst. Ook hier is er onderscheid van gave, -en ontstaat de verhouding van meerderen en minderen, van magistri -en discipuli. Er zijn mannen, die door hun genialen aanleg en -noesten arbeid op een of ander gebied het meesterschap hebben -verworven, en die daarom op dit terrein met gezag kunnen -spreken. Van de ontdekkingen dezer magistri leven en leeren de -minderen, de leeken. Ja, vanwege de ontzachlijke uitbreiding der -wetenschap, kan ook de uitnemendste slechts magister zijn op -een zeer klein gebied; in al het andere is hij discipulus en moet -hij vertrouwen op het onderzoek van anderen. Dit gezag in wetenschap -en kunst draagt echter een ander karakter dan van ouders, -onderwijzers en overheid; het is niet juridisch, maar ethisch van -aard; het kan en mag niet dwingen, het heeft geen recht van -straf. De personen, die hier met autoriteit optreden, mogen nog -zoo aanzienlijk en gewichtig zijn; hun getuigenis geldt slechts -zooveel als ze er gronden voor kunnen aanvoeren. Het gezag -rust hier dus niet ten slotte in de personen, zoodat een ipse -dixit afdoende ware, maar rust in de bewijzen, waarop hun -beweren steunt. En wijl alle menschen eenig verstand en oordeel -ontvingen, is blind geloof hier ongeoorloofd en het streven naar -een zelfstandig inzicht, voor zooveel noodig en mogelijk, plicht. -Ook in de geschiedenis is dit het geval. De kennis der historie -steunt eigenlijk geheel op autoriteit, op getuigenissen van anderen; -maar deze getuigenissen behoeven niet blindelings geloofd te -worden, maar mogen en moeten ernstig worden onderzocht, opdat -zooveel mogelijk het eigen inzicht tot zijn recht kome. In één -<span class="pagenum" id="Page_378">[378]</span> -woord, in scientiis tantum valet auctoritas humana, quantum -rationes.</p> - -<p>Dit begrip van gezag vinden we eindelijk ook terug in de -religie en theologie. Hier is gezag niet in een minderen graad -maar in eene veel hoogere mate van noode dan in gezin en -maatschappij, in wetenschap en kunst. Hier is het eene levensbehoefte. -Zonder gezag en geloof kan religie en theologie geen -oogenblik bestaan. Maar het gezag draagt hier een geheel eigen -karakter. Het moet uitteraard eene auctoritas divina zijn. En -reeds hierdoor is het van het gezag in maatschappij en staat, in -wetenschap en kunst onderscheiden. Van het laatste verschilt het -vooral in dit opzicht, dat in wetenschap en kunst eigen inzicht -oordeelen en beslissen mag. Maar bij eene divina auctoritas komt -dit niet te pas. Als God gesproken heeft, is alle twijfel uit. De -divina auctoritas is daarom niet zedelijk te noemen, althans niet -in den zin, waarin we spreken van het zedelijk overwicht van -een persoon, want de religie is niet eene verhouding van een -mindere tot zijn meerdere, maar van een schepsel tot zijn Schepper, -van een onderdaan tot zijn Souverein, van een kind tot zijn -Vader. God heeft recht, om den mensch te bevelen en onvoorwaardelijke -gehoorzaamheid van hem te verlangen. Zijn gezag -rust in zijn wezen, niet in de rationes. In zoover komt het gezag -van God en van zijn woord met dat van de overheid in den -staat en van den vader in het gezin overeen. En er is niets vernederends -in en niets, dat ook maar eenigszins aan ’s menschen -vrijheid te kort doet, als hij kinderlijk naar het woord Gods -luistert en daaraan gehoorzaamt. God op zijn woord, d. i. op -gezag te gelooven, is even weinig met ’s menschen waardigheid -in strijd, als het een kind onteert, zich met onbepaald vertrouwen -te verlaten op het woord van zijn vader. En zooveel scheelt het, -dat de Christen allengs boven dit gezag zou uitgroeien, Schweizer, -Christl. Glaub. I 186 f., dat hij juist hoe langer hoe meer, -met verloochening van alle eigene wijsheid, God gelooven gaat -op zijn woord. De geloovige komt hier op aarde nooit het standpunt -des geloofs en des gezags te boven. Naarmate hij toeneemt -in het geloof, klemt hij zich te vaster aan de autoriteit Gods -in zijn woord. Maar aan de andere zijde is er toch ook een groot -verschil tusschen het gezag Gods in de religie en dat van een -vader in zijn gezin en van eene overheid in den staat. Een vader -<span class="pagenum" id="Page_379">[379]</span> -dwingt desnoods zijn kind en brengt het door straf tot onderwerping; -en de overheid draagt het zwaard niet te vergeefs. -Dwang is onafscheidelijk van het gezag der aardsche overheid. -Maar God dwingt niet. Zijne openbaring is eene openbaring van -genade. En daarin komt Hij tot den mensch niet met geboden -en eischen, met dwang en met straf, maar met de noodiging, -met de vermaning, met de bede, om zich met Hem te laten -verzoenen. God kon als Souverein tegenover den mensch optreden. -Hij zal eenmaal als Rechter oordeelen allen, die het evangelie -zijns Zoons ongehoorzaam zijn geweest. Maar in Christus daalt -Hij tot ons neer, wordt ons in alles gelijk, handelt met ons als -redelijke en zedelijke wezens; om dan toch weer, stuitende op -vijandschap en ongeloof, zijne souvereiniteit te hernemen, zijn -raad uit te voeren en glorie zich te bereiden uit alle creatuur. -Het gezag, waarmede God in de religie optreedt, is dus geheel -eigensoortig. Het is niet menschelijk maar goddelijk. Het is -souverein en werkt toch op zedelijke wijze. Het dwingt niet, en -weet zich toch te handhaven. Het is absoluut en wordt toch -weerstaan. Het noodigt en bidt, en is toch onoverwinnelijk.</p> - -<p>En zoodanig is ook de autoriteit van de Schrift. Als woord -Gods staat ze hoog boven alle gezag van menschen in staat en -maatschappij, in wetenschap en kunst. Voor haar moet al het -andere wijken. Want men moet Gode meer gehoorzamen dan -den menschen. Alle andere autoriteit is beperkt binnen haar -kring en geldt alleen op haar eigen terrein. Maar het gezag -der Schrift breidt over heel den mensch en over de gansche -menschheid zich uit. Zij staat boven verstand en wil, boven -hart en geweten; zij is met geen andere autoriteit te vergelijken. -Haar gezag is absoluut, wijl het goddelijk is. Zij heeft -het recht, om door een ieder ten allen tijde geloofd en gehoorzaamd -te worden. Zij gaat in majesteit alle andere macht zeer -verre te boven. Maar zij roept, om zichzelve tot erkenning en -heerschappij te brengen, niemand te hulp. Zij heeft den sterken -arm der overheid niet noodig. Zij behoeft den steun der kerk -niet. Zij roept het zwaard en de inquisitie niet op. Zij wil niet -heerschen door dwang of geweld. Zij wil vrije en gewillige erkenning. -En daarom brengt zij die zelve tot stand, op zedelijke -wijze, door de werking des H. Geestes. De Schrift waakt voor -haar eigen gezag. Daarom sprak men vroeger ook wel van eene -<span class="pagenum" id="Page_380">[380]</span> -auctoritas causativa der Schrift, qua Scriptura assensum credendorum -in intellectu hominis generat et confirmat, Schmid, Dogm. -der ev. luth. K. § 8.</p> - -<h4>C. De noodzakelijkheid der Schrift.</h4> - -<p>8. In de autoriteit der Schrift is er groote overeenstemming -tusschen de christelijke kerken, maar in de drie andere, nu volgende -eigenschappen is er belangrijk verschil. Rome kan van -wege de verhouding, die het aanneemt tusschen Schrift en kerk, -de necessitas S. Scripturae inzien noch erkennen. Bij Rome is de -kerk αὐτοπιστος, zelfgenoegzaam, levende uit en door den H. -Geest; zij heeft de waarheid en bewaart ze trouw en zuiver door -het onfeilbaar leerambt van den paus. De Schrift daarentegen, -voortgekomen uit de kerk, moge nuttig en goed zijn als norma, -maar principium der waarheid is zij niet. Zij is niet noodzakelijk -ad esse ecclesiae. De kerk heeft eigenlijk niet de Schrift, maar -wel heeft de Schrift voor haar gezag, aanvulling, uitlegging enz. -de kerk van noode. De gronden voor deze leer worden daaraan -ontleend, dat de kerk vóór Mozes en de eerste christelijke -gemeente geen Schrift had, en dat vele geloovigen onder het O. -en ook nog onder het N. Test. de Schrift nooit bezeten en gelezen -hebben maar enkel en alleen leefden van de traditie, Bellarminus, -de verbo Dei IV c. 4. Heinrich, Dogm. I 735 f. Liebermann, -Instit. theol. 1857 I p. 449 sq. Dieringer, Lehrb. der kath. -Dogm. 4<sup>e</sup> Aufl. 633. Gutberlet, Lehrb. der Apol. III 1894 S. -221 f. Jansen. Prael. theol. I 786 sq. enz.</p> - -<p>Maar niet alleen Rome bestrijdt op die wijze de noodzakelijkheid -der H. Schrift; ook allerlei mystieke richtingen hebben de -beteekenis der Schrift voor kerk en theologie verzwakt en miskend. -Het Gnosticisme verwierp niet alleen het O. T. maar paste op -het N. T. de allegorische methode toe en trachtte daardoor zijn -systeem met de Schrift in overeenstemming te brengen. De zinnelijke -vormen en historische feiten hebben slechts symbolische -beteekenis; zij zijn eene inkleeding, die voor menschen van lager -standpunt noodig is, maar voor de hooger ontwikkelden, de -πνευματικοι, wegvalt. De Schrift is geen bron der waarheid, maar -slechts middel om tot het hooger standpunt der gnosis zich op -te heffen, Herzog<sup>2</sup> 5, 209 f. Harnack, D. G. I 214 f. In het -<span class="pagenum" id="Page_381">[381]</span> -Montanisme trad eene nieuwe openbaring op, welke die in het -N. T. aanvulde en verbeterde. Het Montanisme, vooral in zijn -gematigden vorm bij Tertullianus, wilde eenerzijds niets nieuws -zijn en de autoriteit der Schrift ten volle handhaven; en toch -begroette het in Montanus een profeet, in wien de door Jezus -beloofde Paracleet, de laatste en hoogste openbaring verschenen -was. De Schrift moest op die wijze wel wijken voor de nieuwe -profetie, welke door Montanus verkondigd werd, Harnack, D. G. -I 353 f. Herzog<sup>2</sup> 10, 258 f. De kerk veroordeelde deze richtingen -wel, en de kerkvaders bestreden dit spiritualisme. Augustinus -schreef er tegen in den proloog voor zijn boek de doctrina -christiana; maar toch nam ook Augustinus aan, dat de vromen, -vooral de monniken, met eene zoo groote mate van geloof, hoop -en liefde konden worden toegerust, dat ze voor zichzelf de Schrift -konden missen en zonder haar in de eenzaamheid konden leven, -de doctr. christ. I c. 39. Het spiritualisme kwam telkens weer -op, en reageerde tegen de knellende macht van kerk en traditie. -Verschillende secten, de Katharen, Amalrik van Bena, Joachim -v. Floris, de broeders en zusters des vrijen geestes en later de -Libertijnen in Genève, achtten na het tijdperk des Vaders en des -Zoons dat des H. Geestes aangebroken, waarin allen leefden door -den Geest en de uitwendige middelen van Schrift en kerk niet -meer behoefden, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. § 108, 116. -Reuter, Gesch. der relig. Aufklärung im M. A. II 198 f. Herzog<sup>2</sup> -2, 677. 6, 786. 8, 652 f. Hahn, Gesch. der Ketzer im M. -A. II 420 f. III 72 f. Gieseler, Kirchengeschichte, II, 2, 1826 -S. 437 f. Hagenbach, Kirchengesch. in Vorlesungen II 1886 S. -480 f. De mystiek, die in de Middeleeuwen in Frankrijk en -Duitschland bloeide, zocht door middel van askese, meditatie en -contemplatie eene gemeenschap met God te bereiken, welke de -Schrift missen kon. De Schrift was wel bij wijze van ladder -noodig om tot deze hoogte op te klimmen, maar werd overbodig, -als de eenheid met God, de visio Dei, bereikt was, Herzog<sup>1</sup> 12, -427 f. Harnack, D. G. III 374 f. Vooral de Wederdoopers -verhieven het inwendig woord ten koste van het uitwendige. Reeds -in 1521 werd de tegenstelling gemaakt tusschen Schrift en Geest, -en deze tegenstelling is een blijvend kenmerk van het Anabaptisme -geworden, Sepp, Kerkhist. Stud. 12. De H. Schrift is niet -het waarachtig woord Gods, maar slechts eene getuigenis en -<span class="pagenum" id="Page_382">[382]</span> -beschrijving; het echte, ware woord is dat, hetwelk door den H. -Geest in onze harten wordt gesproken. De Bijbel is maar een -boek met letters; Bijbel is Babel, vol verwarring; hij kan het -geloof in de harten niet werken, alleen de Geest leert ons het -ware woord. En als die Geest ons onderwijst, dan kunnen wij ook -de Schrift wel missen, zij is een tijdelijk hulpmiddel maar voor -den geestelijken mensch niet noodig, A. Hegler, Geist u. Schrift -bei Sebastian Franck, Freiburg 1892. J. H. Maronier, Het inwendig -woord, Amst. 1890. Vigouroux, Les livres saints et la critique -rationaliste, 3<sup>e</sup> ed. I 435-453. Hans Denck vereenzelvigde dat -inwendig woord reeds met de natuurlijke rede, en wees op vele -tegenstrijdigheden in de Schrift. Ludwig Hetzer achtte de Schrift -in het geheel niet noodzakelijk. Knipperdolling eischte te Munster, -dat de H. Schrift moest worden afgeschaft en men alleen naar -natuur en geest moest leven, Herz.<sup>2</sup> 10, 362. Het mysticisme -sloeg in rationalisme om. Hetzelfde verschijnsel zien we later bij -de anabaptistische en independentische sekten in Engeland, ten -tijde van Cromwell, bij de kwakers en bij het piëtisme. De -verheffing van het inwendig boven het uitwendig woord leidde altijd -tot vereenzelviging van de onderwijzing des Geestes met het natuurlijk -licht van rede en geweten, en zoo tot algeheele verwerping -van openbaring en Schrift. Niemand heeft dan ook scherper de -noodzakelijkheid der Schrift bestreden, dan Lessing in zijne Axiomata -tegen Goeze. Ook hij maakt onderscheid tusschen letter en -geest, Bijbel en godsdienst, theologie en religie, den christelijken -godsdienst en den godsdienst van Jezus, en zegt nu, dat de laatste -onafhankelijk van den eersten bestond en bestaan kan. De religie -was er immers, eer er de Bijbel was. Het Christendom was er, -eer evangelisten en apostelen schreven. De godsdienst, door hen -geleerd, kan voortbestaan, ook al gingen al hun geschriften verloren. -De godsdienst is niet waar, omdat evangelisten en apostelen -hem leerden, maar zij leerden hem, omdat hij waar is. Hunne -geschriften mogen en moeten dus naar de inwendige waarheid der -religie worden verklaard. Een aanval op den Bijbel is nog geen -aanval op de religie. Luther heeft ons verlost van het juk der traditie, -wie verlost ons van het nog veel ondragelijker juk der letter?</p> - -<p class="sep2">9. Deze gedachten over de niet-noodzakelijkheid der Schrift -zijn in de nieuwere theologie vooral binnengeleid door Schleiermacher. -<span class="pagenum" id="Page_383">[383]</span> -In zijne Glaubenslehre § 128, 129 zegt hij dat het -geloof aan Christus niet rust op het gezag der Schrift, maar -aan het geloof der Schrift voorafgaat en juist aan die Schrift -ons een bijzonder aanzien doet schenken. Bij de eerste Christenen -ontstond het geloof aan Christus niet uit de H. Schrift, en zoo -kan het ook bij ons daaruit niet ontstaan; want bij hen en ons -moet het geloof eenzelfden grond hebben. De Schrift is dus geen -bron der religie, maar wel norma; zij is het eerste lid in de rij -der christelijke geschriften, zij staat het dichtst bij de bron, -d. i. de openbaring in Christus, en had dus weinig gevaar om -onzuivere bestanddeelen in zich op te nemen. Maar al de Schriften -der evangelisten en apostelen zijn evenals alle volgende christelijke -geschriften voortgekomen uit eenzelfden Geest, den Gemeingeist -der christelijke kerk. De kerk is niet gebouwd op de Schrift, -maar de Schrift is voortgekomen uit de kerk. Door Schleiermacher -zijn deze gedachten tot het gemeen goed der nieuwere -theologie geworden. Zij schijnen zoo waar te zijn en zoo vanzelf -te spreken, dat er aan geen twijfel of kritiek wordt gedacht. -Bij schier alle theologen kan men de voorstelling vinden, dat de -kerk bestond voor de Schrift en dus ook onafhankelijk van haar -kan bestaan. De kerk rust in zichzelve, zij leeft uit zichzelve, -d. i. uit den Geest die in haar woont. De H. Schrift, in den -aanvang, in de frischheid harer jeugd uit haar voortgekomen, -is wel norma maar geen bron. Bron is de persoonlijke, levende -Christus, die in de gemeente woont; de dogmatiek is beschrijving -van het leven, explicatie van het religieus bewustzijn der gemeente, -en heeft daarbij tot richtsnoer de Schrift, die dat leven der -gemeente het eerst en het duidelijkst heeft vertolkt. De kerk is -dus eigenlijk de Verfasserin der Bibel, en de Bijbel is de Reflex -der Gemeinde, Lange, Philos. Dogm. § 77. Rothe, Zur Dogm. -333 f. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Philippi, Kirchl. -Glaub. I<sup>3</sup> 190 f. Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 71 v. 97 v. -Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. 49 v. Gunning en de la -Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der theol. 34, enz.</p> - -<p>Al deze gedachten, van Rome, het anabaptisme, het mysticisme, -het rationalisme, van Lessing, Schleiermacher enz. zijn -onderling ten nauwste verwant. Vooral Schleiermacher heeft door -zijne omkeering van de verhouding tusschen Schrift en kerk aan -Rome een krachtigen steun geboden. Allen komen daarin overeen, -<span class="pagenum" id="Page_384">[384]</span> -dat de Schrift niet noodzakelijk maar hoogstens nuttig is en dat -de kerk ook uit en door zichzelve kan bestaan. Het verschil ligt -alleen hierin, dat Rome den grond en de mogelijkheid voor dit -voortbestaan van de christelijke religie zoekt in de geïnstitueerde -kerk, d. i. in den onfeilbaren paus, Schleiermacher c. s. in de -gemeente als organisme, d. i. in de religieuse gemeenschap, en -het mysticisme en rationalisme in de religieuse individuen. Allen -zoeken het voortbestaan der kerk in de leiding des H. Geestes, -in de inwoning van Christus, maar deze heeft bij Rome haar -orgaan in den paus, bij Schleiermacher in het organisme der -gemeente, bij het anabaptisme in elken geloovige hoofd voor -hoofd. Het is gemakkelijk in te zien, dat Rome hierbij de sterkste -positie inneemt. Want zeker, er is eene leiding des H. Geestes -in de gemeente, Christus is opgestaan uit de dooden, leeft in -den hemel en woont en werkt in zijne kerk op aarde. Er is eene -mystieke unie tusschen Christus en zijn lichaam. Het woord -alleen is onvoldoende, het principium externum eischt ook een -principium internum. Het Protestantisme wist dit alles zeer goed -en beleed het van harte. Maar de vraag was deze, of de kerk -voor het <i>bewuste</i> leven der religie aan het woord, aan de Schrift -gebonden was al dan niet. De religie is toch niet alleen een zaak -van het hart, het gemoed, den wil, maar ook van het hoofd. -Ook met het verstand moet God gediend en bemind worden. -Voor het bewuste leven moet dus de kerk een bron hebben -waaruit zij de waarheid put. Nu kan Rome met zijn onfeilbaren -paus beweren, dat de Schrift niet noodzakelijk is. De onfeilbaarheid -der kerk maakt inderdaad de Schrift overbodig. Maar het -Protestantisme heeft geen onfeilbaar orgaan, noch in het instituut -noch in het organisme noch in de individueele leden der -gemeente. Wanneer het de noodzakelijkheid der Schrift ontkent, -verzwakt het zichzelf, sterkt Rome en verliest de waarheid, die -een onmisbaar element der religie is. Daarom stond de Hervorming -zoo sterk op de noodzakelijkheid der H. Schrift. De Schrift -was het δος μοι που στω van de Reformatie. Zij slaagde, omdat -zij tegenover het gezag van kerk, concilies en paus de autoriteit -kon stellen van Gods heilig woord. Wie dit standpunt der Hervorming -verlaat, werkt onbewust aan den opbouw van Rome. -Want indien niet de Schrift maar de kerk noodzakelijk is tot -kennis der religieuse waarheid, dan wordt deze het onontbeerlijk -<span class="pagenum" id="Page_385">[385]</span> -medium gratiae. Het woord verliest zijne centrale plaats en behoudt -slechts eene praeparatoire, paedagogische beteekenis. De Schrift -moge nuttig en goed zijn, noodig is zij niet, noch voor de kerk -in haar geheel noch voor de geloovigen in het bijzonder.</p> - -<p class="sep2">10. Ofschoon de Hervorming alzoo tegen Rome haar kracht -zocht in de Schrift en hare noodzakelijkheid handhaafde, toch -ontkende zij daarmede niet, dat de kerk voor Mozes eeuwen lang -zonder Schrift had bestaan. Ook is het waar, dat de kerk des -N. T. door de prediking der apostelen werd gesticht en langen -tijd bestond zonder een Nieuwtestamentischen kanon. Voorts wordt -de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld geplant -door de verkondiging van het evangelie. De boeken des O. en -N. T. zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de -boekdrukkunst in gering aantal verspreid; vele geloovigen zijn -in vroeger en later tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben -gelezen en onderzocht, en nog zoekt het religieuse leven bevrediging -voor zijne behoeften niet alleen in de Schrift maar minstens -evenzeer in allerlei stichtelijke lectuur. Dit alles kan volmondig -worden erkend, zonder dat daarmee aan de noodzakelijkheid der -Schrift ook maar eenigszins wordt te kort gedaan. Zelfs had God, -indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker nog op eene -andere wijze bij de waarheid kunnen bewaren, dan door middel -van een geschreven woord. De noodzakelijkheid der Schrift is niet -absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei.</p> - -<p>Maar zoo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven allen -twijfel verheven. De mensch heeft ten allen tijde slechts geleefd -hij het woord, dat door den mond Gods uitgaat, Mt. 4:4. Het -woord Gods is van den beginne af aan het zaad der kerk geweest. -Zeer zeker bestond de kerk voor Mozes zonder Schrift. -Maar er was toch een verbum ἀγραφον, voordat het ἐγγραφον -werd. De kerk heeft nooit uit zichzelve geleefd en in zichzelve -gerust, maar altijd door het woord Gods. Rome leert dit ook -niet, maar neemt eene traditie aan, die het woord Gods onfeilbaar -bewaart. Maar wel dient dit te worden uitgesproken tegenover -hen, die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in -instorting van goddelijke krachten, in opwekking van religieuse -aandoeningen. De kerk moge dus ouder zijn dan het geschreven, -zij is toch jonger dan het gesproken woord, Zanchius, Op. VIII -<span class="pagenum" id="Page_386">[386]</span> -343 sq. Polanus, Synt. theol. I c. 15. Synopsis pur. theol., disp. 2. -Gerhard, Loci theol. I cap. 1 § 5 sq. De gewone bewering, dat -de kerk des N. T. langen tijd zonder Schrift bestond, moet ook -goed worden opgevat. Het is waar, dat de kanon der N. T. geschriften -eerst in de tweede helft der tweede eeuw algemeen -werd erkend. Maar de christelijke gemeenten hadden van den -aanvang af het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door -het gesproken woord der apostelen. Zeer spoedig kwamen vele -gemeenten in het bezit van apostolische geschriften, die ook aan -andere werden ter lezing gegeven, weldra dienden tot voorlezing -in de kerken en zeer spoedig werden verbreid. Het spreekt vanzelf, -dat er, zoolang de apostelen leefden en de gemeenten bezochten, -nog geen onderscheiding werd gemaakt tusschen hun -gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het -ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de -afstand van de apostelen grooter werd, rezen de geschriften der -apostelen in beteekenis, en hunne noodzakelijkheid nam gaandeweg -toe. Inderdaad is de necessitas S. Scripturae ook geen stabiele -maar eene steeds groeiende eigenschap. De Schrift was niet altijd -in haar geheel voor de gansche kerk noodzakelijk. De Schrift -is langzamerhand ontstaan en voltooid. Naarmate de openbaring -voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen. Elke periode der -kerk had genoeg aan dat gedeelte der Schrift, dat toen bestond, -evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zoover was -geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch -geheel, dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem -was de vrucht begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden -gelijken tred met den staat der kerk en omgekeerd. Daarom -kan er uit de vroegere toestanden der kerk ook geen conclusie -worden getrokken voor het heden. Laat de kerk voor Mozes -zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk voor de voltooiing der -openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de gansche Schrift; -daaruit volgt niets voor die bedeeling der kerk, in welke wij -leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid. -Voor deze bedeeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts, -maar ook beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae.</p> - -<p class="sep2">11. Schrift toch is het eenig afdoende middel, om het gesproken -woord onvervalscht te bewaren en tot eigendom van alle -<span class="pagenum" id="Page_387">[387]</span> -menschen te maken. Vox audita perit, littera scripta manet. De -kortheid van het leven, de ontrouw van het geheugen, de arglistigheid -van het hart en allerlei andere gevaren, die de zuiverheid -der overlevering bedreigen, maken opteekening van het -gesproken woord tot bewaring en verbreiding volstrekt noodzakelijk. -Bij het woord der openbaring geldt dit nog in verhoogde -mate. Want het evangelie is niet naar den mensch, het staat -lijnrecht tegenover zijne gedachten en wenschen, het staat als -goddelijke waarheid tegenover zijne leugen. Bovendien is de -openbaring niet voor één geslacht en voor één tijd, maar voor -alle volken en eeuwen bestemd. Het moet zijn loop volbrengen -door de gansche menschheid heen en tot aan het einde der tijden. -De waarheid is één, het Christendom is Universalreligion. Hoe -zal deze bestemming van het woord der openbaring anders kunnen -bereikt worden, dan doordat het opgeteekend en beschreven wordt? -De kerk kan dezen dienst des woords niet verrichten. Nergens -wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift -verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en de getuigenis. -Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d. i. de -vergadering der geloovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook -de vergadering der bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring -van den paus is een bewijs voor de reformatorische -stelling van de onbetrouwbaarheid der traditie, van de feilbaarheid -der kerk, en zelfs van de noodzakelijkheid der Schrift. -Want deze onfeilbaarverklaring houdt in, dat de waarheid van -het woord der openbaring niet bewaard wordt of kan worden -door de kerk als vergadering der geloovigen, wijl ook deze nog -aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is -uit eene bijzondere assistentie des H. Geestes, waarin dan naar -Roomsch beweren de paus deelt. Rome en de Hervorming komen -dus daarin overeen, dat het woord der openbaring in en voor de -kerk alleen zuiver bewaard kan blijven door de instelling van -het apostolaat, d. i. door de inspiratie. En het geschil loopt -alleen hierover, of dat apostolaat heeft opgehouden dan wel in -den paus wordt voortgezet. Daarentegen is de bewering der Vermittelungstheologie -geheel onhoudbaar, dat de Schrift uit de kerk -is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der Bibel -is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt der -profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte -<span class="pagenum" id="Page_388">[388]</span> -vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt. -Naar de leer der Schrift is de inspiratie echter een -bijzondere akte des H. Geestes, eene speciale gave aan profeten -en apostelen, waardoor zij het woord Gods zuiver en onvervalscht -aan de kerk aller eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift -is dus niet uit de kerk voortgekomen, maar door een bijzondere -werkzaamheid des H. Geestes in de profeten en apostelen aan de -kerk gegeven. De Schrift behoort mede tot de openbaring, welke -door God aan zijn volk is geschonken. Hierin zijn Rome en de -Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt tegenover -Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid des H. Geestes -thans heeft opgehouden, m. a. w. dat het apostolaat niet meer -bestaat en in den paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben -hunne getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in -de H. Schriften neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring -Gods tot eigendom der menschheid gemaakt. De Schrift is het -volkomen in de wereld ingegane woord Gods. Zij maakt dat -woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de dwaling en leugen, -aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate de menschheid -grooter, het leven korter, het geheugen zwakker, de wetenschap -uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester -wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint -het schrift en de pers in beteekenis. De boekdrukkunst was een -reuzenstap ten hemel en ter hel. Ook in dezen ontwikkelingsgang -deelt de H. Schrift. Hare noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe -duidelijker aan het licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen -eigendom gemaakt gelijk nimmer te voren. In honderden talen -wordt zij overgezet. Zij komt onder aller oog en in ieders hand. -Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te zijn, om de -waarheid ter kennis aller menschen te brengen. Dat daarnaast -de religieuse litteratuur voor velen het voornaamste voedsel blijft -voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid -der H. Schrift. Want alle christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks -of zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt -het water uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren, -dat ons nu nog iets van christelijke waarheid zou toekomen buiten -en zonder de H. Schrift. In de eerste eeuw was zoo iets mogelijk, -maar thans zijn de stroomen van traditie en Schrift reeds lang -samengevloeid en de eerste reeds lang in de tweede opgenomen. -<span class="pagenum" id="Page_389">[389]</span> -Rome kan dit alleen staande houden door zijne leer van de -voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van den paus. -Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het christelijk -karakter der waarheid kan enkel en alleen daardoor worden -betoogd, dat zij met al hare vezelen wortelt in de H. Schrift. -Er is geen kennis van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap -met Hem dan door gemeenschap aan het woord der apostelen. -Cf. Ursinus, Tract. theol. p. 1 sq. Zanchius, Op. VIII 343 -sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 15. Synopsis pur. theol., disp. 2. -Turretinus, Theol. El. loc. 2, qu. 1-3. Heppe, Dogm. der ev. -ref. K. 25, 26 enz.</p> - -<p class="sep2">12. Ook al wordt de noodzakelijkheid der Schrift erkend, er -kan toch nog verschil bestaan over den duur dier noodzakelijkheid. -Zelfs wie van meening is, dat de Schrift haar tijd heeft -gehad, stemt dikwerf gaarne toe, dat zij in haar tijd van groote -beteekenis is geweest voor de opvoeding van menschen en volken. -Maar op allerlei wijze is de duur dier noodzakelijkheid beperkt -geworden. Het gnosticisme erkende hare noodzakelijkheid voor -de ψυχικοι maar bestreed ze voor de πνευματικοι. De mystiek -achtte de Schrift wel noodig op het standpunt der cogitatie en -meditatie, maar niet meer op dat der <ins id="cor_40" title="comtemplatie">contemplatie</ins> en visio Dei. -Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring, -de Schrift, de statutarische Religion eene paedagogische -plaats in, opdat daardoor de heerschappij der Vernunftreligion -werd voorbereid. Evenzoo oordeelde Hegel, dat de vorm der -aanschouwing in den godsdienst voor het volk noodzakelijk was, -maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan geen behoefte -meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de godsdienst -goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar -dat de ontwikkelden en beschaafden verre daarboven verheven zijn.</p> - -<p>Er ligt in deze voorstelling eene onmiskenbare en heerlijke -waarheid. De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de christelijke -religie draagt inderdaad een tijdelijk, praeparatoir en paedagogisch -karakter. Gelijk de Oudtestamentische oeconomie van het -foedus gratiae voorbij is gegaan, zoo zal ook deze bedeeling van -het genadeverbond, waarin wij leven, eens tot het verleden behooren. -Als Christus zijne gemeente vergaderd en als eene reine -bruid aan den Vader voorgesteld heeft, geeft Hij Gode het -<span class="pagenum" id="Page_390">[390]</span> -koninkrijk over. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur, -van openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie -en philosophie niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de -religie bestaat toch daarin, dat wij God dienen zonder dwang -en zonder vreeze, uit liefde alleen, naar de uitspraak onzer eigen -natuur. Het is God zelf in zijne openbaring er om te doen, om -menschen te vormen in wien zijn beeld weer ten volle is hersteld. -Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook den H. Geest, -opdat die ons wederbaren zou, zijne wet in ons hart zou schrijven -en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte, -het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de -bewijzen, dat God zijne kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een -liefdedienst, die nimmer verdriet. In zoover kunnen de bovengenoemde -voorstellingen eene anticipatie van het toekomstig -ideaal worden genoemd. Maar zij zijn toch desniettemin van eene -zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van eene verwarring -tusschen de bedeeling van het heden en die van het hiernamaals. -Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer behoeven -zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat -wij eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof -in deze bedeeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en de triumfeerende -kerk één is, blijft er toch onderscheid in beider toestand -en leven. De grenslijn mag en kan niet worden uitgewischt. Tot -het hemelsche leven brengen wij het hier op aarde nooit. Wij -wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Wij zien nu -door een spiegel in eene duistere rede; eerst hiernamaals zullen -we zien van aangezicht tot aangezicht en kennen, gelijk we gekend -zijn. De visio Dei is voor den hemel weggelegd. Zelfstandig, -onafhankelijk worden we op deze aarde nooit. Wij blijven gebonden -aan den kosmos, die ons omringt. Het standpunt des -gezags kan hier op aarde nooit overwonnen worden.</p> - -<p>Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid -der Schrift eene diepe klove tusschen de psychische en de pneumatische -menschen, tusschen de beschaafden en de massa, tusschen -de wijsgeeren en het volk. En zulk eene klove heeft in geen -enkel opzicht recht van bestaan. Als godsdienst in kennis bestond, -dan zouden de geleerden een voorrecht genieten boven de -onontwikkelden. Maar religieus zijn alle menschen gelijk; zij -hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen onderscheid -<span class="pagenum" id="Page_391">[391]</span> -van Griek en barbaar. De religie is voor alle menschen één, hoe -verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling, enz. -want voor de religie, d. i. voor het aangezicht Gods zijn al die -rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men -onder menschen boven anderen uitmunt. De scheiding tusschen -die tweeërlei soort van menschen getuigt dan ook van een geestelijken -hoogmoed, welke zelf met het wezen der christelijke religie, -met den ootmoed, de nederigheid, enz., die zij eischt, in lijnrechten -strijd is. De tollenaren gaan voor de Phariseën, en de -minste is in het koninkrijk der hemelen de meeste.</p> - -<p>Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn, -als het rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan -Vernunftwahrheiten bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon -voorloopig uit de openbaring gekend, later door het denken uit -de rede zelve kunnen worden afgeleid. Maar de openbaring heeft -een gansch anderen inhoud dan eene rationeele leer. Zij is historie, -heeft genade tot inhoud, den persoon van Christus tot middelpunt, -de herschepping der menschheid tot doel. Dit alles kan -nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden -afgeleid. Om zulk eene openbaring te kennen, blijft de Schrift -ten allen tijde noodzakelijk. Zelfs eene openbaring Gods aan -ieder mensch hoofd voor hoofd zou niet kunnen schenken, wat -nu de openbaring in Christus door de Schrift aan alle menschen -biedt. Het historisch karakter der openbaring, het feit en de -idee der vleeschwording en de organische beschouwing van het -menschelijk geslacht eischen eene Schrift, waarin de openbaring -Gods voor de gansche menschheid neergelegd is (cf. <a href="#Page_299">blz. 299</a>). -Daarom kan nu ook worden beslist, wat op <a href="#Page_143">bl. 143</a> nog in het -midden werd gelaten, of n.l. de openbaring individueel tot elk -mensch komt dan wel door de Schrift aan allen wordt gegeven. -Gelijk ééne zon met hare stralen de gansche aarde verlicht, zoo -is Christus de opgang uit de hoogte, die verschijnt aan degenen -die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, en zoo is -de eene en zelfde Schrift het licht op aller pad en de lamp voor -aller voet. Zij is het woord Gods tot de gansche menschheid. -De historie zelve legt voor deze noodzakelijkheid der Schrift een -krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme is telkens -omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het enthusiastisch -spiritualisme is dikwerf in het grofste materialisme geeindigd. -<span class="pagenum" id="Page_392">[392]</span> -De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk bewezen -uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de kerken, -die haar belijden.</p> - -<h4>D. De duidelijkheid der Schrift.</h4> - -<p>13. Eene andere belangrijke eigenschap, die de Hervorming -tegenover Rome aan de Schrift toekende, was de perspicuitas. -Volgens Rome is de Schrift duister, Ps. 119:34, 68; Luk. 24:27; -Hd. 8:30; 2 Petr. 3:16. Ook in die zaken, welke op geloof -en leven betrekking hebben, is ze niet zoo helder, dat zij uitlegging -missen kan. Ze handelt immers over de diepste verborgenheden, -over God, de drieëenheid, de vleeschwording, de voorbeschikking -enz., en is zelfs in de zedelijke voorschriften bv. -Mt. 5:34, 40, 10:27; Luk. 12:33, 14:33 menigmaal zoo -onduidelijk, dat misverstand en misvatting ieder oogenblik in de -christ. kerk is voorgekomen. Tot recht verstand der Schrift is -ook allerlei kennis noodig van historie, geographie, chronologie, -archaeologie, talen enz., welke voor de leeken onbereikbaar is. -De Protestanten schrijven dan ook zelven tallooze commentaren -en wijken bij de belangrijkste teksten in exegese van elkander af. -Daarom is er eene uitlegging der H. Schrift noodig. Deze kan -niet door de Schrift zelve worden gegeven, de Schrift kan niet -haar eigen uitlegster zijn. Reeds Plato, Phaedrus p. 274 zei, dat -de letter mishandeld wordt en zichzelve niet helpen kan, en dat -zij de hulp van haar vader behoeft. Zij is stom en kan in een -geschil geen beslissing geven. Zij is gelijk aan de wet, waarnaar -de rechter uitspraak doet, maar zij is niet wet en rechter tegelijk. -De geleerde Jezuit Jakob Gretser maakte op het religiegesprek -te Regensburg 1601 diepen indruk, toen hij aldus sprak: Sumus -in conspectu sacrae Scripturae et Spiritus Sancti. Pronuntiet sententiam. -Et si dicat: tu Gretsere male sentis, cecidisti causa tua, -tu Jacobe Heilbrunnere vicisti; tunc ego statim transibo ad vestrum -scamnum. Adsit, adsit, adsit et condemnet me! Er moet dus -een uitlegger en een rechter zijn, die naar de Schrift beslissing -geeft. Indien er zulk een rechter niet is, dan wordt de uitlegging -geheel subjectief, ieder oordeelt naar zijn goedvinden en houdt -zijne eigene individueele opvatting voor onfeilbaar. Ieder ketter -heeft zijn letter. Ieder zoekt naar het bekende distichon van Werenfels, -<span class="pagenum" id="Page_393">[393]</span> -in de Schrift juist zijne dogmata. De Schrift wordt overgeleverd -aan allerlei willekeur. Individualisme, enthusiasme, rationalisme, -eindelooze verdeeldheid is het slot. En wat het ergste -is, indien er geen onfeilbare uitlegging is, dan is er ook geen -volstrekte geloofszekerheid; de grondslag, waar de hope des -Christens op rust, is dan vrome meening, wetenschappelijk inzicht, -maar geen goddelijke, onfeilbare getuigenis. En zoo ver is het -er van af, dat iemand uit de H. Schrift zich een eigen overtuiging -of leer kan vormen, dat ook de Protestanten feitelijk -even goed als de Roomschen, van traditie leven en afgaan op -het gezag van kerk, synodes, vaders, schrijvers enz.</p> - -<p>Zulk eene onfeilbare, goddelijke uitlegging van de Schrift is -echter door God in zijne kerk geschonken. Niet de doode, onbegrepene, -duistere en aan zichzelve overgelatene Schrift, maar de -kerk, de levende, steeds tegenwoordige, altijd door den Geest -zich vernieuwende kerk is de middelares der waarheid en de -onfeilbare uitlegster der H. Schrift. Immers, elk is de beste uitlegger -van zijn eigen woord. De ware interpreet van de Schrift -is dus de H. Geest, die haar auteur is. En deze heeft zijn onfeilbaar -orgaan in de kerk, of beter nog, in den paus. De kerk is -door de traditie in het bezit der waarheid; zij wordt geleid door -dienzelfden Geest welke de Schrift deed ontstaan; zij is aan -haar verwant; zij alleen kan haar zin verstaan; zij is de pilaar -en vastigheid der waarheid. Zoo is ook altijd de praktijk geweest. -Mozes, de priesters, Christus, de apostelen verklaarden en beslisten -voor de gemeente, Ex. 18; Deut. 17:9 v.; 2 Chr. 19:9 v.; -Pred. 12:12; Hagg. 2:2; Mal. 2:7; Mt. 16:19, 18:17, -23:2; Luk. 22:32; Joh. 21:15 v.; Hd. 15:28; Gal. 2:2; -1 Cor. 12:8 v.; 2 Petr. 1:19; 1 Joh. 4:1, en pausen en -conciliën hebben dat voorbeeld gevolgd. Daarom stelde het -Trentsch concilie in sess. 4 vast, dat niemand de H. Schrift -mag uitleggen contra eum sensum, quem tenuit et tenet sancta -mater ecclesiae, cujus est judicare de vero sensu et interpretatione -Scripturarum Sanctarum, aut etiam contra unanimem consensum -Patrum, en bond daarmede de exegese niet alleen negatief, -gelijk sommige Roomschen het pogen op te vatten, maar zeer -beslist ook positief. Niemand mag eene andere exegese geven, -dan die welke de kerk door hare patres, concilies of pausen -gegeven heeft. De professio fidei van Pius IV, bij Denzinger, -<span class="pagenum" id="Page_394">[394]</span> -Enchir. symb. et defin. n. 864 en het Vaticanum sess. 3 cap. 2 -alin. 4 laten dienaangaande geen twijfel over. Maar niet alleen -is door deze leer van de duisterheid der Schrift de wetenschappelijke -exegese aan den paus onderworpen. Nog meer afhankelijk -en gebonden is daardoor de leek. De Schrift is van wege haar -duisterheid geen geschikte lectuur voor de leeken. Zonder uitlegging -is ze voor het volk onverstaanbaar. Daarom werd het -overzetten der Schrift in de volkstaal en het lezen van den -Bijbel door het volk sedert het misbruik, dat er in de Middeleeuwen -en later van gemaakt werd, door Rome hoe langer hoe -meer beperkt. Lezing der Schrift is aan de leeken niet geoorloofd -dan met toestemming der kerkelijke overheid. De Protestantsche -Bijbelgenootschappen zijn herhaaldelijk door de Pausen -veroordeeld, en in de Encycliek van 8 Dec. 1864 met de socialistische -en communistische vereenigingen op ééne lijn gesteld, -Denzinger, Enchir. n. 1566. En wel beveelt de tegenwoordige -paus in zijne Encycliek de studiis Sacrae Scripturae de Schriftstudie -aan, maar niet aan de leeken, Vincentius Lerinensis, Commonitorium -cap. 3. Bellarminus, de verbo Dei, lib. III. M. Canus, -Loci Theol. II cap. 6 sq. Perrone, Praelect. theol. IX 98 sq. -Heinrich, Dogm. I 794 f. Möhler, Symbolik § 38 f. Jansen, -Prael. theol. I 771 s. Herzog<sup>2</sup> art. Bibellesen.</p> - -<p class="sep2">14. De leer van de perspicuitas S. Scr. is meermalen, zoowel -door Protestanten als Roomschen misverstaan en onjuist voorgesteld. -Ze houdt niet in, dat de zaken en onderwerpen, waarover -de Schrift handelt, geen verborgenheden zijn, die het menschelijk -verstand verre te boven gaan. Ook beweert ze niet, dat de H. -Schrift duidelijk is in al haar deelen, zoodat er geene wetenschappelijke -exegese noodig zou wezen. En evenmin bedoelt ze, -dat de H. Schrift, ook in de leer der zaligheid, klaar en duidelijk -is voor ieder mensch zonder onderscheid. Maar ze sluit alleen -in, dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid -noodig is, niet op elke bladzijde der H. Schrift even klaar, maar -toch door heel de Schrift heen in zoo eenvoudigen en bevattelijken -vorm wordt voorgesteld, dat iemand, wien het om de zaligheid -zijner ziel te doen is, gemakkelijk door eigen lezen en onderzoek -uit de Schrift die waarheid kan leeren kennen, zonder hulp en -leiding van kerk en priester. De weg der zaligheid is er, niet -<span class="pagenum" id="Page_395">[395]</span> -wat de zaak maar wat den modus tradendi betreft, klaar in -neergelegd voor den heilbegeerigen lezer. Het πως moge hij niet -verstaan, het ὁτι is toch duidelijk, Zwingli, De claritate et -certitudine verbi Dei, Op. ed. Schuler et Schulthess I 65 sq. -Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 2<sup>e</sup> Ausg. 1883 II 58 f. -Zanchius, de Scr. Sacra, Op. Omnia VIII 407 sq. Chamier, -Panstratia catholica 1626 Loc. 1 Lib. I cap. 13-32. Amesius, -Bellarminus Enervatus. Amst. 1630, lib. 1 cap. 4 en 5. Turretinus, -Theol. El. loc. 2 qu. 17. Trigland, Antapologia cap. 3. -Synopsis pur. Theol. disp. 5. Gerhard, Loci Theol. Loc. 1 cap. -20 sq. Glassius, Philologia Sacra 1691 p. 186 sq.</p> - -<p>Zoo verstaan, is de perspicuitas eene eigenschap, welke de H. -Schrift herhaaldelijk van zichzelve praediceert. De thora is door -God aan gansch Israel gegeven, en Mozes brengt al de woorden -des Heeren over aan heel het volk. De wet en het woord des -Heeren is niet ver van een iegelijk hunner, maar is een licht op -het pad en een lamp voor den voet, Deut. 30:11; Ps. 19:8, -9, 119:105, 130; Spr. 6:23. De profeten richten zich sprekende -en schrijvende tot heel het volk, Jes. 1:10 v., 5:3 v., 9:1, -40:1 v.; Jer. 2:4, 4:1, 10:1; Ezech. 3:1. Jezus spreekt -vrijuit tot al de scharen, Mt. 5:1, 13:1, 2, 26:55, enz. en de -apostelen schrijven aan al de geroepen heiligen, Rom. 1:7; -1 Cor. 1:2; 2 Cor. 1:1 enz., en zorgen zelf voor de verbreiding -hunner brieven, Col. 4:16. Het geschreven woord wordt -allen ten onderzoek aanbevolen, Joh. 5:39; Hd. 17:11 en is -juist geschreven om geloof, lijdzaamheid, hope, vertroosting, -leering enz. te schenken, Joh. 20:31; Rom. 15:4; 2 Tim. 3:16; -1 Joh. 1:1 v. Van eene onthouding der Schrift aan de -leeken is nergens sprake. De geloovigen zijn zelven mondig en -in staat om te oordeelen, 1 Cor. 2:15, 10:15; 1 Joh. 2:20; -1 Petr. 2:9. Hun worden de woorden Gods toebetrouwd, Rom. -3:2. De kerkvaders weten dan ook niets van de duisterheid der -Schrift in den lateren Roomschen zin. Wel spreken ze dikwerf -over de diepten en verborgenheden der H. Schrift, cf. plaatsen -bij Bellarm. de verbo Dei III c. 1.; maar ze roemen even dikwerf -haar klaarheid en eenvoud. Zoo zegt Chrysostomus, hom. 3 -de Lazaro, als hij de geschriften der profeten en apostelen met -die der wijsgeeren vergelijkt: Οἱ δε ἀποστολοι και οἱ προφηται -τοὐναντιον ἁπαν ἐποιησαν· σαφη γαρ και δηλα τα παρ’ αὐτων -<span class="pagenum" id="Page_396">[396]</span> -κατεστησαν ἁπασιν, ἁτε κοινοι της οἰκουμενης ὀντες διδασκαλοι, -ἱνα ἑκαστος και δι’ ἑαυτου μανθανειν δυνηται ἐκ της ἀναγνωσεως -μονης τα λεγομενα. En elders, hom. 3 in 2 Thess. zegt hij: -παντα σαφη και εὐθεα τα παρα ταις θειαις γραφαις, παντα τα -ἀναγκαια δηλα. Evenzoo lezen we bij Augustinus, de doctr. chr. -2, 6: nihil de illis obscuritatibus eruitur, quod non plenissime -dictum alibi reperiatur, en ibid. 9: in iis quae clare in scripturis -tradita sunt, inveniuntur omnia, quae continent fidem -moresque vivendi. Bekend is ook het woord van Gregorius I, -waarin hij de Schrift vergelijkt bij een fluvius planus et altus, -in quo et agnus ambulet et elephas natet. Zelfs nu nog moeten -Roomsche theologen erkennen, dat veel in de H. Schrift zoo -duidelijk is, dat de geloovige niet alleen het verstaan kan, maar -ook de ongeloovige, den duidelijken zin verwerpend, onontschuldigbaar -is, Heinrich, Dogm. I 819. De kerkvaders dachten er -dan ook niet aan, om de lezing der Schrift aan de leeken te -verbieden. Integendeel, zij dringen telkens op onderzoek der H. -Schriften aan, en verhalen van den zegen, dien zij zelven uit de -lezing ontvingen, Vigouroux, Les livres saints et la critique rationaliste, -3 ed. I 280 s. Gregorius I beval het lezen der Schrift -nog aan alle leeken aan, Herzog<sup>2</sup> 2, 376. De beperking van het -Bijbellezen kwam eerst op, toen sedert de twaalfde eeuw verschillende -secten tegen de kerk op de Schrift zich gingen beroepen. -De meening vond toen ingang, dat het bijbellezen der leeken -de voornaamste bron der ketterij was. Ter zelfverdediging heeft -Rome toen hoe langer hoe meer de duisterheid der Schrift -geleerd en haar lectuur aan toestemming der kerkelijke overheid -gebonden.</p> - -<p class="sep2">15. Inderdaad hebben de kerken der Hervorming tegenover -Rome geen machtiger wapen dan de Schrift. Zij brengt aan de -kerkelijke traditie en hierarchie de doodelijkste slagen toe. De -leer van de perspicuitas S. Scr. is een van de hechtste bolwerken -van de Reformatie. Ze brengt zeer zeker haar ernstige gevaren -mede. Het Protestantisme is er hopeloos door verdeeld. Het -individualisme heeft zich ten koste van het gemeenschapsgevoel -ontwikkeld. Het vrije lezen en onderzoeken der Schrift is en wordt -door allerlei partijen en richtingen op de schromelijkste wijze -misbruikt. Maar toch wegen de nadeelen tegen de voordeelen -<span class="pagenum" id="Page_397">[397]</span> -niet op. Want de loochening van de duidelijkheid der Schrift -brengt mede de onderwerping van den leek aan den priester, -van het geweten aan de kerk. Met de perspicuitas S. Scr. valt -de vrijheid van godsdienst en geweten, van kerk en theologie. -Zij alleen is in staat, om te handhaven de vrijheid van den -Christenmensch; zij is oorsprong en waarborg van de religieuse -en ook van de politieke vrijheden, Stahl, Der Protest. als polit. -Princip. 2<sup>e</sup> Aufl. 1853. Saussaye, Het Protest. als politiek beginsel, -Rott. 1871. Kuyper, Het Calvinisme, oorsprong en waarborg -onzer constitutioneele vrijheden, Amst. 1874. En eene vrijheid -die niet anders verkregen en bezeten kan worden dan met het -gevaar der losbandigheid en willekeur, is altijd nog te verkiezen -boven eene tirannie, die alle vrijheid onderdrukt. God zelf heeft -bij de schepping van den mensch dezen weg der vrijheid, die -het gevaar en werkelijk ook het feit der zonde meebracht, verkoren -boven dien van gedwongen onderwerping. En nog altijd -volgt Hij in het bestuur van wereld en kerk dezen koninklijken -weg der vrijheid. Dat is juist zijne eere, dat Hij toch door de -vrijheid heen zijn doel bereikt, uit de wanorde de orde, uit de -duisternis het licht, uit den chaos den kosmos schept. Beide, -Rome en de Hervorming, stemmen hierin overeen, dat de H. Geest -alleen de ware uitlegger is van het woord, Mt. 7:15, 16:17; -Joh. 6:44, 10:3; 1 Cor. 2:12, 15, 10:15; Phil. 1:10, 3:13; -Hebr. 5:14; 1 Joh. 4:1. Maar Rome meent, dat de H. -Geest alleen onfeilbaar leert door den paus; de Hervorming -gelooft, dat de H. Geest woont in het hart van ieder geloovige; -ieder kind van God heeft de zalving van den Heilige. Zij geeft -daarom de Schrift in aller hand, vertaalt en verspreidt ze en -gebruikt in de kerk geen andere dan de volkstaal. Rome roemt -op hare eenheid, maar deze eenheid schijnt grooter dan ze is. -De splitsing der Reformatie in eene Luthersche en Gereformeerde -heeft haar analogie in de scheuring der Grieksche en Latijnsche -kerk. Onder den schijn eener uitwendige eenheid verbergt zich -bij Rome eene schier even groote innerlijke verdeeldheid. Het -aantal ongeloovigen en onverschilligen is in Roomsche landen -niet geringer dan in Protestantsche. Rome heeft den stroom van -het ongeloof evenmin kunnen keeren als de kerken der Hervorming. -Reeds voor de Reformatie had het ongeloof zich in wijde -kringen, b.v. in Italië, verbreid. De Hervorming heeft dit niet -<span class="pagenum" id="Page_398">[398]</span> -te voorschijn geroepen, maar juist gestuit en Rome zelf tot waakzaamheid -en bestrijding opgewekt. Cartesius, de vader van het -rationalisme, was Roomsch. De Duitsche rationalisten worden -opgewogen door de Fransche materialisten; Rousseau door Voltaire, -Strauss door Renan. De Revolutie heeft in Roomsche landen haar -diepste wortelen geschoten en haar wrangste vruchten gedragen. -Voorts staat het te bezien, of het aantal partijen, richtingen en -sekten, die er telkens optreden, in Rome niet even groot zou zijn -als in het Protestantisme, als Rome niet de macht en den moed -had, om iedere richting door censuur, ban, interdict, desnoods -door het zwaard te onderdrukken. Het is waarlijk niet aan Rome -te danken, dat er zoovele bloeiende christelijke kerken naast -haar zijn opgetreden. Welke schaduwzijden de verdeeldheid van -het Protestantisme ook heeft, zij bewijst toch ook, dat het religieuse -leven hier eene macht is, die telkens nieuwe vormen zich -schept en bij alle verscheidenheid toch ook weer eene diepere -eenheid openbaart. En in elk geval, het Protestantisme met zijn -verdeeldheid is te verkiezen boven het schrikkelijk bijgeloof, waarin -het volk in de Grieksche en in de Roomsche kerk hoe langer -hoe meer wordt verstrikt. Mariadienst, reliquienvereering, beeldendienst, -heiligenaanbidding verdringen steeds meer den dienst van -den eenigen, waarachtigen God. Cf. Trede, Das Heidenthum in -der römischen Kirche, Gotha, Perthes, 4 Theile 1889-92.</p> - -<p class="sep2">16. Vanwege deze perspicuitas heeft de Schrift ook de facultas -se ipsam interpretandi en is se supremus judex controversiarum, -Synopsis pur. theol. disp. 5 § 20 sq. Polanus, Synt. Theol. Lib. -I c. 45. Turret. Theol. El. Loc. II qu. 20. Amesius, Bellarm. -enervatus Lib. I c. 5. Cloppenburg, De Canone Theol. disp. -11-15. Op. II 64 sq. Moor, Comm. in Markii Comp. I 429 sq. -Gerhard, Loci Theol. Loc. I c. 21, 22. Schmid, Dogm. der ev. -luth. K. 6<sup>e</sup> Aufl. S. 42 f. De Schrift legt zichzelve uit, de duistere -plaatsen worden verklaard door de duidelijke, en de grondgedachten -van de Schrift als geheel dienen ter opheldering van -de deelen. Dat was de interpretatio secundum analogiam fidei, -welke ook door de Hervormden werd voorgestaan. Ook de Hervormers -zijn niet voraussetzungslos tot de Schrift gekomen. Ze -hebben de leer der Schrift, de apostolische geloofsbelijdenis, de -besluiten der eerste conciliën schier zonder kritiek overgenomen. -<span class="pagenum" id="Page_399">[399]</span> -Ze waren niet revolutionair en wilden niet van voren afaan beginnen, -maar protesteerden alleen tegen de ingeslopene dwalingen. -De Hervorming was niet de vrijmaking van den natuurlijken, -maar van den Christenmensch. Er was dus van den aanvang af -bij de Hervormers eene analogia fidei, waarin zij zelven stonden, -en waarnaar zij de Schrift uitlegden. Onder die analogia fidei -verstonden zij oorspronkelijk den uit de duidelijke plaatsen der -H. Schrift zelve afgeleiden zin, die dan later in de confessies -neergelegd werd, Voetius Disp. V 9 sq. 419 sq. Moor, Comm. in -Marckii Comp. I 436. VI praefatio. Turret., Theol. El. I qu. 19. -Philippi, Kirchl. Gl. I 217 f. Zöckler, Handbuch I 663 f. Luz, -Hermeneutik 154-176. In verband daarmede had ook de kerk -eene roeping in betrekking tot de uitlegging der H. Schrift. -Krachtens de potestas doctrinae, haar door Christus verleend, en -de gave der uitlegging, door den H. Geest haar geschonken, -1 Cor. 14:3, 29; Rom. 12:6; Ef. 4:11 v. heeft de kerk den -plicht, om de Schrift te bewaren niet alleen, maar ook om ze -uit te leggen en te verdedigen, en om de waarheid in haar confessie -te formuleeren en de dwalingen te ontdekken en tegen te -staan. Ook de kerk is dus binnen haar kring en op haar terrein -judex controversiarum, en heeft alle meening te toetsen aan en -te beoordeelen naar de H. Schrift. Onfeilbaar behoeft ze daartoe -niet te zijn, want ook de rechter in den staat is wel gebonden -aan de wet, maar is feilbaar in zijne uitspraken. En zoo is het -ook in de kerk. De Schrift is norma, de kerk is richteres. Maar -ook hier is er een hooger beroep. Rome ontkent dit en zegt dat -de uitspraak der kerk de laatste en hoogste is. Van haar is zelfs -een beroep op het goddelijk oordeel niet mogelijk meer. Zij bindt -in de conscientie. Maar de Hervorming beweerde dat eene kerk, -hoe eerbiedwaardig ook, toch dwalen kon. Haar uitlegging is niet -magisterialis, maar ministerialis. Ze kan alleen in de conscientie -binden, voorzoover iemand haar als goddelijk en onfeilbaar erkent. -Of ze inderdaad met Gods woord overeenstemt, kan geen aardsche -macht, maar kan elk alleen voor zichzelf uitmaken, Synopsis pur. -theol. 5, 25 sq. De kerk kan dan iemand als ketter uitwerpen, -maar hij staat en valt ten slotte zijn eigen heer. De eenvoudigste -geloovige kan en mag met de Schrift in de hand desnoods tegen -heel eene kerk zich verzetten, gelijk Luther deed tegen Rome. -Zoo alleen is de vrijheid van den Christen, en tegelijk de souvereiniteit -<span class="pagenum" id="Page_400">[400]</span> -Gods gehandhaafd. Van de Schrift is er geen hooger -appel. Zij is de hoogste rechtbank. Geen macht of uitspraak staat -boven haar. Zij is het, die ten laatste, voor ieder in zijn conscientie, -beslist. En daarom is zij judex supremus controversiarum.</p> - -<h4>E. De genoegzaamheid der Schrift.</h4> - -<p>17. Ten laatste werd door de Hervorming ook nog beleden -de perfectio of sufficientia S. Scripturae. De Roomsche kerk -meent, dat de Schrift onvolkomen is in partibus en door de -traditie moet worden aangevuld. Zij verklaarde te Trente, sess. 4, -dat zij traditiones ipsas, tum ad fidem tum ad mores pertinentes, -tanquam vel ore tenus a Christo vel a Sp. S<sup>o</sup>. dictatas et <ins id="cor_41" title="continna">continua</ins> -successione in Ecclesia Catholica conservatas, pari pietatis -affectu et reverentia suscipit et veneratur, en sprak in het Vatic. -sess. 3 cap. 2 uit, dat de bovennatuurlijke openbaring vervat is -in libris scriptis et sine scripto traditionibus, quae ipsius Christi -ore ab Apostolis acceptae, aut ab ipsis Apostolis Spiritu Sancto -dictante quasi per manus traditae ad nos usque pervenerant. De -gronden, welke Rome voor deze leer der traditie aanvoert, zijn -verschillende. Eerst wordt er op gewezen, dat de kerk voor Mozes -geheel en al zonder Schrift was en dat ook na dien tijd tot heden -toe vele geloovigen leven en sterven, zonder ooit de Schrift te -lezen of te onderzoeken. Verreweg de meeste kinderen Gods leven -uit de traditie en weten van de Schrift weinig of niets. Het zou -ook vreemd zijn, dat dit op religieus en kerkelijk terrein anders -ware dan op elk ander gebied. Immers, in recht en zede, in -kunst en wetenschap, in gezin en maatschappij is de traditie de -draagster en de voedster van ons leven. Door haar zijn we aan -de voorgeslachten verbonden, nemen hun schatten over en laten -ze ook weer aan onze kinderen achter. De analogie eischt reeds, -dat er ook in de kerk eene traditie zij; maar deze moet hier -zooveel heerlijker en zekerder wezen dan elders, wijl Christus -aan zijne kerk den H. Geest heeft gegeven en door dezen zijne -gemeente onfeilbaar in alle waarheid leidt, Mt. 16:18, 28:20; -Joh. 14:16. Daarbij komen nog vele uitspraken der Schrift, die -het recht en de waarde der traditie erkennen, Joh. 16:12, 20:30, -21:25; Hd. 1:3; 1 Cor. 11:2, 23; 2 Thess. 2:14; 1 Tim. -6:20; 2 Joh. 12; 3 Joh. 13, 14. Jezus heeft mondeling en door -<span class="pagenum" id="Page_401">[401]</span> -zijn Geest aan zijne discipelen nog vele dingen geleerd, die niet -door hen zijn beschreven maar van mond tot mond zijn voortgeplant. -Kerkvaders, conciliën, pausen hebben zulk eene apostolische -traditie ook van den aanvang af erkend. Feitelijk leeft -de kerk nog altijd van en uit deze mondelinge, levende traditie. -De Schrift alleen is onvoldoende. Want behalve dat lang niet -alles is opgeteekend, verschillende geschriften van profeten en -apostelen zijn ook verloren gegaan. De apostelen kregen wel een -bevel om te getuigen, maar niet om dat schrijvende te doen. -Ze kwamen tot schrijven alleen door de omstandigheden, necessitate -quadam coacti; hun geschriften zijn daarom ook meest -gelegenheidsschriften, en bevatten lang niet alles, wat tot de leer -en het leven der kerk van noode is. Zoo vinden we in de Schrift -weinig of niets van den doop der vrouwen, de Zondagsviering, -het episcopaat, het zevental sacramenten, het vagevuur, de onbevlekte -ontvangenis van Maria, de zaligheid van vele Heidenen -in de dagen des O. T., de inspiratie en kanoniciteit der verschillende -Bijbelboeken enz.; ja zelfs dogmata als van de triniteit, -de eeuwige generatie, den uitgang des H. G., den kinderdoop -enz. zijn niet letterlijk en met zooveel woorden in de Schrift te -vinden. In één woord: de Schrift is nuttig, maar de traditie is -noodzakelijk, Bellarminus, de Verbo Dei, lib. IV. Melchior Canus, -Loci theol. lib. 3. Perrone, Praelect. Theol. IX 228 sq. Klee, -Dogm. I 277 f. Heinrich, Dogm. Theol. II S. 1 f. Jansen, -Praelect. theol. dogm. I 788 sq. Möhler, Symbolik § 38 f. -Kleutgen, Theol. der Vorzeit 2<sup>e</sup> Aufl. I 72 f. Dieringer, Dogm. -§ 126. Liebermann, Instit. theol. I p. 448 sq. Voor de Grieksche -kerk, Kattenbusch, Confessionskunde I 292.</p> - -<p class="sep2">18. Tegenover deze Roomsche leer van de traditie plaatste -de Hervorming die van de volmaaktheid en genoegzaamheid der -H. Schriftuur. Het goed recht van deze bestrijding van Rome -is door de ontwikkeling van het begrip der traditie zelve in een -helder licht gesteld. De eerste christelijke gemeenten werden, -evenals nu nog de gemeenten onder de Heidenen, gesticht door -het gepredikte woord. De leer en gebruiken, die zij van de apostelen -of hunne medgezellen ontvangen hadden, plantte zich geruimen -tijd van mond tot mond en van geslacht tot geslacht -voort. Dit begrip der traditie was duidelijk; ze duidde aan de -<span class="pagenum" id="Page_402">[402]</span> -leer en gebruiken, welke van de apostelen ontvangen waren en -in de kerken werden bewaard en voortgeplant. Maar naar mate -de afstand grooter werd, die de kerken scheidde van den apostolischen -tijd, werd het hoe langer hoe moeilijker om uit te -maken of iets werkelijk van apostolische herkomst was. De Afrikaansche -kerk protesteerde daarom tegen de overdreven waarde, -welke vooral in de tweede helft tegen het Gnosticisme aan deze -traditie werd gehecht. Tertullianus, de virg. vel. c. 1 zei: Dominus -noster veritatem se, non consuetudinem cognominavit. Evenzoo -stelde Cyprianus, Epist. 74 tegenover de traditie, waarop de -bisschop van Rome zich beriep, de teksten Jes. 29:13; Mt. 15:9; -1 Tim. 6:3-5 en zei: consuetudo sine veritate vetustas erroris est. -Christus heeft zich niet de gewoonte maar de waarheid genoemd. -Gene moet voor deze wijken. Daarom werd het noodig, om de -traditie nader te bepalen en hare kenmerken op te geven. Vincentius -Lerinensis vond in zijn Commonitorium cap. 2 de criteria -van eene apostolische traditie daarin, dat iets ubique, semper -et ab omnibus creditum est. Hoc est etenim vere proprieque -catholicum. Eerst bestond ’t kenmerk der traditie dus hierin, dat -ze was van apostolische herkomst. Nu wordt er aan toegevoegd, -dat iets in dat geval van apostolische herkomst mag geacht -worden te zijn, als het waarlijk algemeen, katholiek is. De -apostolicitas wordt kenbaar aan de universitas, antiquitas en -consensio. Het Tridentinum, het Vaticanum en ook de theologen -sluiten zich bij de bepaling der traditie aan deze criteria van -Vincentius aan. Maar zakelijk is er afwijking; de consequentie -leidde verder. Het was niet vol te houden, dat iets dan alleen -apostolisch was, wanneer het werkelijk altijd, overal en door -allen was geloofd. Van welke leer of van welk gebruik kon zulk -eene volstrekte katholiciteit worden aangetoond? De drie criteria -zijn dus allengs verzwakt. De kerk mag wel niet iets nieuws tot -dogma verklaren en moet zich houden aan de overlevering, maar -de bewaring van die traditie is niet mechanisch te denken als -van een schat in den akker, maar organisch zooals Maria de -woorden der herders bewaarde en overlegde in haar hart, Heinrich, -II 12. Eene waarheid kan dus zeer goed vroeger niet of niet -algemeen geloofd zijn; zij is toch onfeilbare apostolische traditie, -wanneer ze nu maar algemeen wordt geloofd. De beide criteria -antiquitas en universitas zijn dus geen copulatieve maar distributieve -<span class="pagenum" id="Page_403">[403]</span> -kenmerken der traditie; zij zijn niet beide saam en tegelijk -noodig, één van beide is genoeg. Feitelijk is daarmede de antiquitas -opgeofferd aan de universitas. Maar ook deze laatste is -weer beperkt. De vraag kwam op, wie het orgaan ter bewaring -en ter erkenning der traditie was. De kerk in het algemeen kon -dit niet zijn. Möhler, Symbolik, 6<sup>e</sup> Aufl. 357, identificeerde de -traditie nog wel met das fortwährend in den Herzen der Gläubigen -lebende Wort, maar dit antwoord was veel meer protestantsch -dan roomsch gedacht. De taak, om de leer te bewaren -en vasttestellen, kon en mocht niet aan de kerk in het algemeen, -d. i. aan de leeken worden opgedragen. In de kerk is te onderscheiden -tusschen de ecclesia audiens en docens. Beide behooren -wel bij elkaar, en zijn onvergankelijk, maar de eerste bezit slechts -eene infallibilitas passiva, d. i. zij is alleen in haar gelooven -onfeilbaar, doordat zij en zoolang zij in verbinding blijft met -de ecclesia docens. Maar ook deze laatste is nog weer niet het -eigenlijk orgaan der leer. Het Gallikanisme, de Oudbisschoppelijke -klerezie en de Oudkatholieken zijn hier blijven staan, en schrijven -de onfeilbaarheid toe aan de gezamenlijke bisschoppen. Maar dit -standpunt is onhoudbaar. Wanneer zijn die bisschoppen onfeilbaar? -Buiten of alleen in het concilie? Indien het laatste, zijn ze alleen -onfeilbaar als ze eenstemmig zijn, of is alleen de meerderheid -onfeilbaar? Hoe groot moet deze zijn? Is ééne stem meerderheid -voldoende? Is het concilie zonder, en zelfs tegenover, of alleen -in overeenstemming met den paus onfeilbaar? Altemaal vragen, -waarmede het Gallikanisme in ernstige verlegenheid verkeerde. -Het papale systeem ging daarom een stap verder en schreef de -onfeilbaarheid toe aan den paus. Dit primaat van den paus is -het product van eene eeuwenlange ontwikkeling, de consequentie -van eene geestesrichting, die reeds zeer vroeg in de kerk aanwezig -was. Langzamerhand is de paus beschouwd geworden als -het onfeilbaar orgaan van de goddelijke waarheid en dus ook -van de traditie. Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 4 c. 9 nam -onder de kenmerken der traditie ook dezen regel op: id sine -dubio credendum esse, ex apostolica traditione descendere, quod -pro tali habetur in illis ecclesiis, ubi est integra et continuata -successio ab Apostolis. Nu waren er, zegt hij verder, in de oudheid -vele zulke kerken behalve Rome. Thans echter is ze alleen in -Rome over. En daarom ex testimonio hujus solius ecclesiae -<span class="pagenum" id="Page_404">[404]</span> -sumi potest certum argumentum ad probandas Apostolicas traditiones. -De kerk van Rome bepaalt en maakt uit, wat apostolische -traditie is. Latere theologen, vooral onder de Jesuiten, hebben -dit verder ontwikkeld. En den 18<sup>den</sup> Juli 1870 werd in de vierde -zitting van het Vaticaansch concilie de onfeilbaarheid openlijk -als dogma afgekondigd. Nu is het wel zeker, dat de paus in -deze zijne onfeilbaarheid niet losgedacht is van de kerk, vooral -niet van de ecclesia docens. Voorts zijn de symbolen, decreten, -liturgieën, patres, doctores en heel de historie der kerk zoovele -monumenten der traditie, waaraan de paus bij de vaststelling -van een dogma zich aansluit en waar hij rekening mede te houden -heeft. Maar toch is de traditie formeel niet met den inhoud van -al die monumenten identisch. De traditie is onfeilbaar; maar -wat traditie is, wordt ter laatste instantie alleen uitgemaakt door -den paus, met, zonder of desnoods tegen de kerk en de concilies in. -De beoordeeling of en in hoeverre iets semper, ubique et ab -omnibus is geloofd, kan niet staan aan de kerk, noch aan de -ecclesia audiens noch aan de ecclesia docens, maar staat vanzelf -alleen aan den onfeilbaren paus. Als de paus een dogma -afkondigt, dan is het eo ipso apostolische traditie. Het criterium -van de traditie is dus achtereenvolgens gezocht, in de apostoliciteit, -in de katholiciteit, in de episcopale successie, in de papale beslissing. -Daarmede is het einde bereikt. De onfeilbare paus is -het principium formale van het Romanisme. Roma locuta, res -finita. Paus en kerk, paus en Christendom zijn één. Ubi Papa, -ibi ecclesia, ibi religio Christiana, ibi Spiritus. Van den paus is -er geen hooger beroep, zelfs niet op God. Door den paus spreekt -God zelf tot de menschheid, Perrone I 229, IX 279. Jansen I -804, 822 s. 829. Heinrich I 726 noot, II 148 f. 537. Maistre, -du Pape, <ins id="cor_42" title="Oevres">Oeuvres</ins> Choisies de Joseph de Maistre III, Paris z. j. 71.</p> - -<p>Deze uitkomst van den ontwikkelingsgang der traditie toont -de valschheid van het principe aan, dat er van den beginne af -in werkzaam was. De onfeilbaarheid van den paus kan eerst -later, in de leer der kerk, breedvoerig behandeld worden. Maar -het is duidelijk, dat het goede en ware element, waarom het -in de eerste eeuwen bij de handhaving der traditie te doen was, -geheel te loor is gegaan. Toen was het te doen om bewaring -van datgene, wat krachtens apostolische instelling in de gemeenten -geloofd werd en gebruikelijk was. Het lag voor de hand, dat men -<span class="pagenum" id="Page_405">[405]</span> -toen aan de traditie groot gewicht hechtte en de onmisbaarheid -en noodzakelijkheid der apostolische geschriften nog niet inzag. -Maar het kenmerk der apostoliciteit, dat toen vanzelf aan de -traditie eigen was, moest verdwijnen, toen men verder van den -apostolischen tijd verwijderd werd. De relatieve zelfstandigheid -der traditie naast de Schrift verdween hoe langer zoo meer. De -stroomen van Schrift en traditie vloeiden ineen. En spoedig na -den dood van de apostelen en hunne tijdgenooten werd het onmogelijk, -om iets als van apostolische herkomst aan te toonen -anders dan door een beroep op de apostolische geschriften. Van -geen enkel dogma, dat de Roomsche kerk buiten en zonder de -Schrift belijdt, is de apostolische herkomst te bewijzen. De traditieleer -bij Rome doet slechts dienst, om de afwijkingen van -de Schrift en van de apostelen te rechtvaardigen. Mariavereering, -het zevental sacramenten, de pauselijke onfeilbaarheid enz., dat -zijn de dogmata, welke de traditie niet kunnen missen. Ter -kwader ure is de apostolische overlevering met de kerkelijke -gewoonten en met de pauselijke beslissingen vereenzelvigd. De -traditie is bij Rome die gemeine Superstition, das Heidenthum, -Harnack D. G. III 559 noot.</p> - -<p class="sep2">19. Feitelijk wordt door deze leer van de traditie de Schrift -van heel haar gezag en kracht beroofd. De Roomschen praediceeren -van beide, Schrift en traditie (paus), de onfeilbaarheid, -maar erkennen, dat er tusschen beide toch een groot onderscheid -bestaat. Bij beide wordt wel de oorzaak der onfeilbaarheid gezocht -in eene bijzondere, bovennatuurlijke werking des H. Geestes; -want Rome begrijpt zeer goed, dat de onfeilbaarheid der traditie -niet afgeleid kan worden uit de geloovigen als zoodanig, uit de -kracht en den geest des Christendoms, die in de geloovigen woont -en werkt. Er komen immers in de kerk en onder de geloovigen -vele dwalingen voor, die dikwerf langen tijd heerschen en velen -vervoeren. De onfeilbaarheid van den paus wordt daarom even -goed als die van de Schrift, verklaard uit eene buitengewone -werking des H. Geestes op grond van Mt. 16:18, 28:20; Joh. -14:16 v., 15:26, 16:12 v. Concil. Vatic. sess. 3. Maar er is -toch onderscheid. De werkzaamheid des H. Geestes in de apostelen -bestond in revelatie en inspiratie: die in den paus bestaat in -assistentie. Het Vaticanum cap. 4 zegt: neque enim Petri successoribus -<span class="pagenum" id="Page_406">[406]</span> -Spiritus Sanctus promissus est, ut eo <i>revelante</i> novam -doctrinam patefacerent, sed ut eo <i>assistente</i>, traditam per Apostolos -revelationem seu fidei depositum sancte custodirent et fideliter -exponerent. De Schrift is daarom woord Gods in eigenlijken zin, -geïnspireerd, althans volgens vele theologen, tot de singula verba -toe; de besluiten van concilies en pausen zijn woorden der kerk, -die de waarheid Gods zuiver weergeven. De Schrift <i>is</i> het woord -Gods, de traditie <i>bevat</i> het woord Gods. De Schrift bewaart de -woorden der apostelen in hun oorspronkelijken vorm, de traditie -geeft de leer der apostelen alleen weer wat de substantie betreft. -De boeken der profeten en apostelen zijn dikwerf geschreven -zonder onderzoek, alleen uit openbaring; maar bij de assistentia -divina, aan de kerk beloofd, zijn de personen altijd zelf werkzaam, -onderzoeken, overwegen, oordeelen, beslissen. Bij de inspiratie -was de werkzaamheid des Geestes in strikten zin supranatureel, -maar bij de assistentie bestaat ze menigmaal in een complex -van zorgen der Voorzienigheid, waardoor de kerk voor dwaling -wordt behoed. En eindelijk strekt de inspiratie in de Schrift zich -tot alle zaken uit, ook van historie, chronologie enz., maar door -de assistentie des H. G. is de paus alleen onfeilbaar als hij ex -cathedra spreekt, d. i. als Pastor en Doctor der Christenheid, en -als hij doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam -definit. De Schrift heeft dus bij Rome nog enkele praerogatieven -boven de traditie, Bellarminus, de Conciliis et Ecclesia, -lib. 2 c. 12. Heinrich, I 726 f. II 220-245. Jansen, I 616.</p> - -<p>Maar feitelijk doet de traditie aan de Schrift groote afbreuk. -Vooreerst bepaalt Trente, dat Schrift en traditie <i>pari</i> pietatis -affectu et reverentia moeten worden vereerd. Vervolgens wordt -de inspiratie der H. Schrift door de meeste Roomsche theologen -als eene inspiratio realis opgevat, zoodat niet de singula verba -maar de zaken zijn ingegeven. Verder is de onfeilbaarheid quoad -formam en quoad substantiam zoo nauw de eene met de andere -verbonden, dat de grenslijn tusschen beide niet te trekken is. -Voorts is de paus in strikten zin alleen onfeilbaar in zaken van -geloof en leven, maar om dit te kunnen wezen, moet hij het ook -zijn in het oordeel over de bronnen des geloofs en in de uitlegging, -d. i. in de bepaling van wat Schrift en traditie is, in -de bepaling van het gezag der kerkvaders, der conciliën enz.; -in het oordeel over de dwalingen en ketterijen en zelfs van de -<span class="pagenum" id="Page_407">[407]</span> -facta dogmatica, in het verbod van boeken, in zaken van tucht, -in approbatie van orden, in canonisatie van heiligen enz. Heinrich, -II 557 f. En al is de paus niet in al het andere in strikten -zin onfeilbaar, zijne macht en autoriteit strekt zich toch ook uit -over alle dingen, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae pertinent, -en deze potestas is plena en suprema en breidt zich uit -over alle pastores en fideles, Conc. Vatic. cap. 3. Zelfs wordt -door vele Roomschen geëischt, dat de paus, om deze geestelijke -souvereiniteit te kunnen uitoefenen, wereldlijk vorst moet zijn; -en beweerd dat hij, indien niet direct, dan toch indirect bezit -de summa potestas disponendi de rebus temporalibus omnium -christianorum, Bellarm. de Romano Pontifice lib. 5. de Maistre, -du Pape, livre 2. Jansen. I 651 sq. De macht en autoriteit van -den paus gaat die van de Schrift verre te boven. Hij staat boven -haar, oordeelt over haar inhoud en haar beteekenis en stelt auctoritate -sua de dogmata van leer en leven vast. De Schrift moge -het voornaamste middel zijn, om de overeenstemming van de -hedendaagsche leer en traditie met de leer der apostelen aan te -wijzen; zij moge veel bevatten, wat anders niet zoo goed geweten -zou worden; ze moge eene goddelijke onderwijzing der leer zijn, -welke alle andere overtreft, Heinrich, I 732 f.; zij is toch altijd -voor Rome slechts een hulpmiddel, dat nuttig maar niet noodig -is. De kerk bestond voor de Schrift, en de kerk bevat niet een -deel maar de volle waarheid, de Schrift bevat echter slechts een -gedeelte der leer. De Schrift heeft wel de traditie, de bevestiging -van den paus, van noode, maar de traditie niet de H. Schrift. -De traditie is geen aanvulling van de Schrift, maar de Schrift -is eene aanvulling van de traditie. De Schrift alleen is onvoldoende, -maar de traditie alleen is wel voldoende. De Schrift rust -op de kerk, maar de kerk rust in zichzelve, Heinrich, I 730 f.</p> - -<p class="sep2">20. De ontwikkeling der traditie tot de pauselijke onfeilbaarheid -en de daaruit noodzakelijk voortvloeiende degradatie der -Schrift bewijzen op zichzelf reeds het goed recht der Reformatie, -om tegen de traditie op te komen. Zij liet het echter niet alleen -bij aanval, maar stelde tegenover de leer van Rome die van de -perfectio of sufficientia Scripturae, Luther bij Köstlin, Luthers -Theol. 2<sup>e</sup> Ausg. 1883 II 56 f. 246 f. Gerhard, Loci theol. loc. -I c. 18. 19. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 9. Calv. Inst. -<span class="pagenum" id="Page_408">[408]</span> -IV c. 10. Polanus, Synt. Theol. I c. 46. 47. Zanchius, Op. VIII -col. 369 sq. Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 8 sq. 22 sq. Chamier, -Panstratia Cathol. Loc. 1 lib. 8 en 9. Amesius, Bellarminus -enervatus, Lib. I c. 6. Turret., Theol. El. loc. 2 qu. 16. Heppe, -Dogm. der ev. ref. K. p. 11 f. Holtzmann, Kanon und Tradition, -Ludwigsb. 1859. A. W. Dieckhoff, Schrift und Tradition, Rostock -1870. J. L. Jacobi, Die kirchl. Lehre von der Tradition u. h. -Schrift, 1 Abth. Berlin 1847. P. Tschackert, Evang. Polemik -gegen die röm. Kirche, Gotha 1885 § 23 f. Id. art. Tradition -in Herzog<sup>2</sup>. Hase, Protest. Polemik, 5<sup>te</sup> Aufl. Leipzig 1891 S. -77 f. Harnack, Dogm. Gesch. III 593 f. 623 f. Hodge, Syst. -Theol. I 104 etc. Ook deze eigenschap der H. Schrift moet goed -worden verstaan. Er wordt daarmede niet beweerd, dat al wat -door de profeten, door Christus en de apostelen, gesproken of -geschreven is, in de Schrift is opgenomen; er zijn immers vele -profetische en apostolische geschriften verloren gegaan, Num. 21:14; -Jos. 10:13; 1 Kon. 4:33; 1 Chron. 29:29; 2 Chron. -9:29, 12:15; 1 Cor. 5:9; Col. 4:16; Phil. 3:1, en Jezus -en de apostelen hebben zeker veel meer woorden gesproken en -teekenen gedaan, dan beschreven zijn, Joh. 20:30; 1 Cor. 11:2, -14; 2 Thess. 2:5, 15, 3:6, 10; 2 Joh. 12; 3 Joh. 14 enz. -Ook houdt deze eigenschap niet in, dat de H. Schrift alle gebruiken, -ceremoniën, bepalingen en reglementen bevat, welke de -kerk voor hare organisatie behoeft; maar alleen, dat zij de fidei -articuli volledig bevat, de res necessariae ad salutem. En dan -sluit deze eigenschap der Schrift ook nog niet in, dat deze articuli -fidei letterlijk en met zooveel woorden, αὐτολεξει en totidem -verbis in haar begrepen zijn, maar alleen dat zij hetzij explicite -hetzij implicite zoo in de Schrift zijn vervat, dat ze, zonder behulp -van een andere bron, alleen door vergelijkend onderzoek en door -nadenken eruit afgeleid kunnen worden. En ten slotte is deze -perfectio S. Scr. niet zoo te verstaan, alsof de H. Schrift altijd -dezelfde quoad gradum is geweest. In de verschillende tijden der -kerk was de Schrift tot op hare voltooiing toe ongelijk van -omvang. Maar in elken tijd was dat woord Gods, hetwelk onbeschreven -of beschreven bestond, ook voor dien tijd voldoende. -Ook de Reformatie maakte onderscheid tusschen een verbum -ἀγραφον en ἐγγραφον, Ned. geloofsbel. art. 3. Maar Rome neemt -beide naast elkaar aan, en houdt ze voor species van één genus; -<span class="pagenum" id="Page_409">[409]</span> -de Reformatie ziet in deze onderscheiding slechts één zelfde woord -Gods, dat eerst een tijd lang onbeschreven bestond en daarna -opgeteekend werd. Het geschil tusschen Rome en de Reformatie -loopt dus alleen hierover, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, -nog een ander woord Gods in onbeschreven vorm daarnaast bestaat, -m. a. w. of het beschreven woord Gods explicite of implicite al -datgene bevat, wat wij tot onze zaligheid te kennen noodig hebben, -en dus regula totalis et adaequata fidei et morum is, dan -wel of er daarnaast in religie en theologie nog een ander principium -cognoscendi moet worden aangenomen. Maar zoo gesteld, -schijnt deze vraag haast voor geen tweeërlei antwoord meer vatbaar -te zijn. Ook de Roomsche kerk erkent, dat de Schrift -voltooid is, dat ze een organisch geheel vormt, dat de kanon -gesloten is. Hoe hoog zij de traditie ook schatte, zij heeft het -toch in theorie nog niet gewaagd, om de besluiten der kerk op -ééne lijn te stellen met de Schrift. Zij maakt nog onderscheid -tusschen verbum Dei en verbum ecclesiae. Maar hoe kan ooit, -zoolang men met het verbum Dei ernst maakt, de ongenoegzaamheid -der Schrift worden geleerd? Kerkvaders dachten er niet aan -en spreken duidelijk de volkomen genoegzaamheid der H. Schrift -uit. Irenaeus, adv. haer. III praef. en cap. 1 zegt, dat wij de -waarheid kennen door de apostelen, per quos Evangelium pervenit -ad nos, quod quidem tunc praeconaverunt, postea vero per Dei -voluntatem in Scripturis nobis tradiderunt fundamentum et columnam -fidei nostrae futuram. Tertullianus, adv. Hermog. c. 22, de -carne Chr. c. 8 bewondert de plenitudo Scripturae, en verwerpt -alles quod extra Scripturam is. Augustinus, Sermo de Past. c. -11 getuigt: quidquid inde <ins id="cor_43" title="andieritis">audieritis</ins>, hoc vobis bene sapiat; -quidquid extra est respuite. En evenzoo spreken vele anderen, cf. -de plaatsen verzameld door Chamier, Panstratia Cathol. Loc. I -lib. 8 cap. 10. Daarnaast erkennen ze zeer zeker ook de traditie, -maar ze nemen daarin juist een element op, dat hunne overtuiging -van de genoegzaamheid der Schrift ondermijnt en in de -latere Roomsche leer van de insufficientia S. Scr. en van de sufficientia -traditionis geeindigd is. Beide, Schrift en traditie, zijn -naast elkaar niet te handhaven; wat aan de eene onthouden wordt, -wordt geschonken aan de andere. De traditie kan alleen stijgen, -als en naarmate de Schrift daalt. Het is dan ook zeer vreemd, -dat Rome eenerzijds de Schrift voor voltooid en den kanon voor -<span class="pagenum" id="Page_410">[410]</span> -gesloten houdt, ja zelfs de Schrift voor het woord Gods erkent; -en toch die Schrift als onvoldoende beschouwt en aanvult met -de traditie. Terecht zeggen vele Roomsche theologen tegenwoordig, -dat de Schrift de niet noodzakelijke maar hoogstens nuttige -aanvulling van de traditie is.</p> - -<p class="sep2">21. Maar deze leer is met de Schrift zelve in lijnrechten strijd. -Nooit wordt de gemeente in O. en N. T. naar iets anders verwezen -dan naar het telkens voorhanden, hetzij dan geschreven of -ongeschreven, woord Gods. Daarbij alleen kan de mensch geestelijk -leven. In de telkens aanwezige Schrift vindt de gemeente -al wat ze behoeft. De volgende Schriften onderstellen de voorafgaande, -sluiten er zich bij aan en zijn er op gebouwd. De profeten -en psalmisten onderstellen de thora. Jesaia roept cap. 8:20 allen -tot de wet en de getuigenis. Het N. T. beschouwt zich als vervulling -van het Oude, en wijst naar niets anders dan naar de -bestaande Schrift terug. Sterker spreekt nog het feit, dat al wat -buiten de Schrift ligt, zoo beslist mogelijk uitgesloten wordt. -Tradities worden als inzettingen van menschen verworpen, Jes. -29:13; Mt. 15:4, 9; 1 Cor. 4:6. De overlevering, die in de -dagen des O. Test. opkwam, heeft de Joden tot verwerping van -den Christus geleid. Jezus stelt tegen haar zijn Ik zeg u over, -Mt. 5 en sluit zich juist wederom tegen de Phariseën en Schriftgeleerden -bij de wet en de profeten aan. De apostelen beroepen -zich alleen op de O. T. Schrift en verwijzen de gemeenten nooit -naar iets anders dan het woord Gods, dat door hen verkondigd -is. In zoover de traditie in den eersten tijd niets anders wilde -wezen, dan bewaring van hetgeen persoonlijk door de apostelen -was geleerd en ingesteld, droeg ze ook nog geen gevaarlijk -karakter. Maar daarvan is de Roomsche traditie ten eenenmale -ontaard. Het is onbewijsbaar, dat er nog eenige leer of eenig -gebruik van de apostelen afkomstig is, dan voor zoover dit uit -hunne schriften kan worden aangetoond. De traditie bij Rome, -waaruit de mis, de Mariolatrie, de pauselijke onfeilbaarheid enz. -is voortgekomen, is niets dan de sanctie van den feitelijken -toestand der Roomsche kerk, de rechtvaardiging van de superstitie, -die er binnen gedrongen is.</p> - -<p>De sufficientia der H. Schrift vloeit verder ook voort uit den -aard der N. T. bedeeling. Christus is vleesch geworden en heeft -<span class="pagenum" id="Page_411">[411]</span> -al het werk volbracht. Hij is de laatste en hoogste openbaring -Gods. Hij heeft ons den Vader verklaard, Joh. 1:18, 17:4, 6. -Door Hem heeft God in de laatste dagen tot ons gesproken, -Hebr. 1:1. Hij is de hoogste, de eenige profeet. Zelfs het Vatic. -Concilie cap. 4 erkent, dat de assistentia divina, aan den paus -geschonken, niet bestond in revelatie en in openbaring van eene -nieuwe leer. En Rome tracht zijne dogmata, hoe nieuw ook, toch -altijd nog zooveel mogelijk uit de H. Schrift te betoogen, en -voor te stellen als ontwikkeling en explicatie van wat in kiem -in de Schrift voorhanden is, Lombardus, Sent. III dist. 25. -Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art. 7. qu. 174 art. 6. Schwane, -Dogmengeschichte I 2<sup>e</sup> Aufl. 1892 S. 7 f. Heinrich II 23 f. -Maar het wikkelt zich daardoor in geen geringe moeilijkheid. -Want of de dogmata zijn alle in denzelfden zin als bv. de triniteit, -de twee naturen van Christus enz. explicatie van momenten, -die in de Schrift zijn vervat, en in dat geval is de traditie -onnoodig en de Schrift genoegzaam; of ze zijn inderdaad nieuwe -dogmata, die geen steun hebben in de Schrift, en dan is de -assistentia divina van den paus wel wezenlijk eene revelatie en -openbaring van nieuwe leer. Dit laatste moge theoretisch dan -nog ontkend worden, practisch wordt het toch aanvaard. Daarom -zijn de Roomsche theologen na de Hervorming over het algemeen -vrijgeviger dan voor dien tijd in de erkentenis, dat sommige -dogmata alleen in de traditie gegrond zijn. En daarom worden -er thans argumenten voor de traditie aangevoerd, welke vroeger -niet of althans niet in dien zin en in die mate werden gebezigd. -Nu wordt de onvoldoendheid der Schrift en het recht der traditie -daaruit bewezen, dat er profetische en apostolische geschriften -zijn verloren gegaan, dat Christus niet alles aan zijne apostelen -heeft geleerd, dat de apostelen ook mondeling veel aan de gemeenten -hebben bevolen enz. Maar dat er geschriften zijn verloren -gegaan, en of ze geinspireerd (Bellarm. de verbo Dei IV c. 4) -waren of niet (August. de civ. 18, 38), doet niets ter zake. -Want de vraag is alleen, of de voorhanden Schrift al datgene -bevat, wat tot onze zaligheid te weten noodig is; en niet, of ze -bevat al wat profeten en apostelen geschreven hebben, en Christus -zelf gesproken en gedaan heeft. Ook al werden er nog geschriften -van profeten en apostelen gevonden, ze zouden als Heilige Schrift -geen dienst meer kunnen doen. En zoo staat het ook met het -<span class="pagenum" id="Page_412">[412]</span> -onderwijs van Jezus en de apostelen. Ze hebben meer gesproken -en gedaan, dan ons beschreven is. Kennis daarvan ware historisch -belangrijk; maar is religieus onnoodig. Wij hebben voor onze -zaligheid aan de Schrift genoeg, en hebben geen enkel ander -geschrift, al was het van Jezus zelf afkomstig, meer noodig. -Dat was de leer der Hervorming. Quantitatief is de openbaring -veel rijker en grooter geweest, dan de Schrift ons bewaard heeft, -maar qualitatief, substantieel is de H. Schrift voor onze zaligheid -volkomen genoegzaam. Rome kan dan ook geen andere dogmata -noemen dan die van de Mariolatrie, de onfeilbaarheid van den -paus en dergelijke, welke buiten de Schrift om uit de traditie -zijn opgekomen; maar al die, welke betrekking hebben op God, -den mensch, Christus, de zaligheid enz. zijn ook volgens Rome -in de Schrift zelve te vinden. Wat hebben we dan nog getuigen van -noode. De Roomsche traditie dient alleen om de specifiek Roomsche -dogmata te bewijzen, maar de christelijke, de katholieke -dogmata zijn, volgens Rome zelf, alle in de Schrift gegrond. -Ook dit feit toont aan, dat de Schrift voldoende is, en dat de -aard der N. T. bedeeling deze sufficientia S. Scr. meebrengt en -eischt. Christus heeft alles ten volle of persoonlijk en mondeling -of ook door zijnen Geest aan de apostelen geopenbaard. Door hun -woord gelooven we in Christus en hebben we gemeenschap met -God, Joh. 17:20; 1 Joh. 1:3. De H. Geest openbaart geen -nieuwe leer meer, Hij neemt het alles uit Christus, Joh. 16:14. -In Christus is de openbaring Gods voltooid. En evenzoo is het -woord der zaligheid in de Schrift volkomen begrepen. Zij vormt -één geheel, zij maakt zelve den indruk van een organisme, dat -zijn vollen wasdom heeft bereikt. Ze eindigt, waar ze begint. Ze -is een cirkel, die in zichzelven wederkeert. Ze begint met de -schepping, ze eindigt met de herschepping van hemel en aarde. -De kanon van O. en N. T. werd eerst gesloten, toen alle nieuwe -Ansätze der heilshistorie aanwezig waren, Hofmann, Weissagung -u. Erfüllung I 47. De H. Geest heeft geen andere taak in deze -bedeeling, dan om het werk van Christus toe te passen en evenzoo -het woord van Christus uit te leggen. Hij voegt aan beide -niets nieuws toe. Het werk van Christus behoeft niet aangevuld -te worden door de goede werken der geloovigen; het woord van -Christus behoeft niet aangevuld te worden door de traditie der -kerk; Christus zelf behoeft niet opgevolgd en vervangen te -<span class="pagenum" id="Page_413">[413]</span> -worden door den paus. De Roomsche leer van de traditie is de -loochening van de volkomene vleeschwording Gods in Christus, -van de algenoegzaamheid zijner offerande, van de volmaaktheid -van zijn woord. De geschiedenis der Roomsche kerk toont ons -het langzaam voortgaand proces, hoe een valsch beginsel zich -indringt en eerst nog onder Christus en zijn woord zich stelt, -dan daarnaast zich plaatst, straks daarboven zich verheft, om te -eindigen in eene volledige remplaceering van de Schrift door de -traditie, van Christus door den paus, van de gemeente door het -instituut. De ontwikkeling is zeker nog niet ten einde. Het schijnt -eene anomalie, dat de paus, die langzamerhand boven Schrift, -kerk, concilie, traditie zich verhief, door feilbare menschen, al zijn -zij ook kardinalen, wordt benoemd. Wie kan beter, dan hij, die -zelf onfeilbaar is, zijn opvolger aanwijzen? Zoo is het best mogelijk, -dat de pauselijke souvereiniteit in de toekomst zal blijken -onvereenigbaar te zijn met de macht der kardinalen. In elk geval -is de weg van de deificatie van den mensch door Rome nog niet -ten einde toe afgeloopen.</p> - -<p class="sep2">22. Toch wordt met dit al het goede en ware niet miskend, -dat in de leer der traditie ligt opgesloten. Het woord traditie -heeft nog een ruimer zin, dan die er door Rome aan gegeven -wordt. Rome verstaat er onder eene leer, die door de apostelen -is overgeleverd, door de bisschoppen, bepaaldelijk door den paus -wordt bewaard en door dezen wordt vastgesteld en afgekondigd; -maar deze opvatting bleek onhoudbaar. Traditie kan echter ook -verstaan worden van heel dat religieuse leven, denken, gevoelen, -handelen, hetwelk in iedere godsdienstige gemeenschap wordt -aangetroffen en in allerlei vormen, zeden, gewoonten, gebruiken, -religieuse taal en litteratuur, confessie en liturgie enz. zijne uiting -vindt. In dezen zin is er traditie in elken godsdienst. Zelfs kan -het begrip nog verder worden uitgebreid tot al die rijke en veelsoortige -banden, die de volgende geslachten verbinden aan de -voorafgaande. In dezen zin is er geen gezin, geen geslacht, geen -maatschappij, geen volk, geen kunst, geen wetenschap enz. zonder -traditie bestaanbaar. De traditie is het middel, waardoor alle -schatten en goederen van de voorgeslachten naar het heden en -de toekomst worden overgebracht. Tegenover het individualisme -en atomisme der vroegere eeuw hebben de Bonald, Lamennais -<span class="pagenum" id="Page_414">[414]</span> -e. a. en Bilderdijk ten onzent de beteekenis van de gemeenschap, -de autoriteit, de taal, de traditie enz. wederom in het helderste -licht geplaatst. Zulk eene traditie is er zeer zeker ook in de -religie en in de kerk. Reeds de algemeenheid wijst er op, dat -wij hier niet met een toevallig verschijnsel te doen hebben. Traditie -vinden we niet alleen in de Roomsche kerk maar ook bij -de Joden, de Mohammedanen, de Buddhisten enz. In de hoogere -godsdiensten komt er nog eene reden bij voor de noodzakelijkheid -der traditie. Zij zijn alle gebonden aan eene heilige schrift, die -in een bepaalden tijd is ontstaan en in dien zin hoe langer hoe -verder komt af te staan van het thans levend geslacht. Ook de -Bijbel is een boek, in lang vervlogen eeuwen en onder allerlei -historische omstandigheden geschreven. De verschillende boeken -des Bijbels dragen het karakter van den tijd, waarin zij ontstonden. -Hoe duidelijk de Schrift dan ook moge zijn in de leer -der zaligheid en hoezeer zij is en blijft de viva vox Dei, cf. boven -<a href="#Page_305">bl. 305</a>, zij vereischt tot recht verstand toch menigmaal allerlei -historische, archaeologische, geographische kennis. De tijden zijn -veranderd, en met de tijden de menschen, hun leven en denken -en gevoelen. Daarom is er eene traditie noodig, om den samenhang -te bewaren tusschen de Schrift en het religieuse leven van -dezen tijd. Traditie in goeden zin is de vertolking en toepassing -van de eeuwige waarheid in de sprake en het leven van het -tegenwoordig geslacht. Eene Schrift zonder zulk eene traditie is -onmogelijk. Vele secten in vroeger en later tijd hebben dit wel -beproefd. Zij wilden van niets weten dan de woorden en letters -der Schrift; verwierpen alle dogmatische terminologie, die niet -in de Schrift werd gebruikt; keurden alle theologische opleiding -en wetenschap af, en kwamen er soms toe om letterlijke toepassing -te eischen van de burgerlijke wetten onder Israel en van -de voorschriften der bergrede. Maar al deze richtingen veroordeelden -daarmede zichzelve tot een wissen ondergang of althans -tot een kwijnend leven. Ze plaatsen zich buiten de maatschappij -en derven allen invloed op haar volk en haar eeuw. De Schrift -is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat te worden -maar om in het volle rijke menschenleven integaan en het te vormen, -te leiden en tot zelfstandige werkzaamheid te brengen op -ieder terrein. De Hervorming plaatste zich dan ook op een ander -standpunt. Zij verwierp niet alle traditie als zoodanig, zij was -<span class="pagenum" id="Page_415">[415]</span> -reformatie, geen revolutie. Zij trachtte niet alles nieuw te scheppen, -maar wel alles van dwaling en misbruik te reinigen naar den -regel van Gods woord. Daarom bleef ze staan op den breeden -christelijken grondslag van het apostolisch symbool en de eerste -conciliën. Daarom was ze voor eene theologische wetenschap, die -de waarheid der Schrift denkend vertolkte in de taal van het -heden. Het verschil in de opvatting der traditie tusschen Rome -en de Hervorming bestaat hierin: Rome wil eene traditie, die -zelfstandig loopt naast de Schrift, eene traditio juxta Scripturam -of liever nog eene Scriptura juxta traditionem. De Hervorming -erkent alleen zulk eene traditie, die gegrond is op en voortvloeit -uit de Schrift, traditio e Scriptura fluens, Moor, Comm. in Marckii -Comp. I 351. De Schrift was naar de gedachte der Reformatie -een organisch beginsel, waar heel de traditie, voortlevende in -prediking, belijdenis, liturgie, cultus, theologie, religieuse litteratuur -enz. uit opwast en gevoed wordt; eene zuivere bron van -levend water, waar alle beekjes en kanalen van het religieuse -leven uit gevoed en onderhouden worden. Zulk eene traditie is -in de Schrift zelve gegrond. Als Jezus zijn werk heeft volbracht, -zendt Hij den H. Geest, die wel niets nieuws aan de openbaring -toevoegt, maar toch de gemeente inleidt in de waarheid, Joh. 16 -vs. 12-15, totdat zij door alle verscheidenheid heen komt tot -de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, Ef. 3 -vs. 18, 19, 4:13. In dezen zin is er eene goede, ware, heerlijke -traditie. Zij is de weg, waarlangs de H. Geest de waarheid der -Schrift doet overgaan in het bewustzijn en leven der gemeente. -De Schrift is immers maar middel, geen doel. Doel is, dat de -kerk, onderwezen uit de Schrift, vrij en zelfstandig de deugden -verkondige Desgenen, die haar geroepen heeft uit de duisternis -tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum is instrument, -het verbum internum is doel. De Schrift heeft hare bestemming -bereikt, als allen door den Heere geleerd en met den H. Geest -vervuld zullen zijn.</p> - -<hr class="hr16" /> - -<h2 id="Page_416">HOOFDSTUK III.<br /> -<b>Principium internum.</b></h2> - -<hr class="hr8" /> - -<h3>§ 13. <span class="smcap">Beteekenis van het principium internum.</span></h3> - -<p>1. Aan het principium externum, dat in het vorige hoofdstuk -besproken werd, moet in den mensch zelf een principium internum -beantwoorden. Door Herbert Spencer, Principles of psychology -§ 120 wordt het leven omschreven als the continuous adjustment -of internal relations to external relations; en inderdaad berust -alle leven bij den mensch op eene wederkeerige correspondentie -van subject en object. De mensch is in elk opzicht afhankelijk -van de wereld buiten hem; hij is op geen enkel gebied autonoom, -hij leeft van gegeven d. i. van genade. Maar wederkeerig is hij -op heel die wereld buiten hem aangelegd, hij staat door allerlei -relatiën met haar in verband. Zijn lichaam is uit het stof der -aarde genomen, uit dezelfde elementen samengesteld als andere -lichamen, en daarom aan de physische wereld verwant. Zijn -vegetatief leven wordt uit de aarde gevoed; voedsel, deksel en -kleeding wordt hem door de natuur geschonken; licht en lucht, -wisseling van dag en nacht heeft hij noodig voor zijn lichamelijk -leven; hij is een mikrokosmos, aardsch uit de aarde. Als anima -sensitiva ontving hij in de zintuigen organen, waardoor hij de -wereld buiten zich in hare verschillende verhoudingen gewaarworden -en zich voorstellen kan. Door den logos, die in hem is, -verheft hij zich tot de wereld der intelligibile dingen en spoort -hij den logos op, die in het zienlijke zich belichaamd heeft. En -evenzoo staat de mensch religieus en ethisch met eene waarachtige -wereld van ideale en geestelijke goederen in verband en heeft hij -eene facultas ontvangen, om deze wereld gewaar te worden en -<span class="pagenum" id="Page_417">[417]</span> -te kennen. Het onderzoek naar het wezen der religie leidde ons -vroeger reeds <a href="#Page_177">bl. 177</a>, <a href="#Page_212">212</a>, tot een zekeren godsdienstigen aanleg -in den mensch, tot eene vatbaarheid van zijne natuur, om het -goddelijke gewaar te worden. De Schrift drukt dit alzoo uit, dat -de mensch naar Gods beeld is geschapen, dat hij zijn geslacht is -en dat hij in den νους een orgaan bezit, om Gods openbaring in -zijne schepping op te merken. Religie onderstelt, dat de mensch -Gode verwant is.</p> - -<p>Maar deze religieuse vatbaarheid moge eigen zijn aan de -menschelijke natuur, zij is toch eene abstractie en komt in de -werkelijkheid nooit zuiver en zonder inhoud voor. Welke rijke -aanleg er voor wetenschap of kunst ook in een kind verscholen -moge zijn, het wordt toch in een toestand van hulpeloosheid -geboren. Het hangt af van de genade zijner omgeving. Spijze en -drank, deksel en kleeding, voorstellingen en begrippen, gewaarwordingen -en begeerten ontvangen wij van den kring, waarin wij -geboren en opgevoed worden. Ook de religie wordt ons ingeprent -door onze ouders en verzorgers. Het is met den godsdienst als -met de taal. Het spraakvermogen brengen we bij de geboorte -mede; maar de taal, waarin wij later onze gedachten zullen uitdrukken, -wordt ons geschonken door de omgeving. Schopenhauer, -Die Welt als Wille und Vorstellung, 6<sup>e</sup> Aufl. II 181, maakt -daarom de juiste opmerking, dat de godsdiensten boven de wijsgeerige -stelsels een groot voorrecht genieten, wijl zij den kinderen -van der jeugd aan ingeprent worden. De religie groeit van kindsbeen -af samen met het innigste en teederste leven en is mede -daarom schier onuitroeibaar. De regel is, dat iemand sterft in -den godsdienst, in welken hij geboren werd. De Mohammedaan, -de Christen, de Roomsche, de Protestant blijven gemeenlijk tot -hun dood toe aan den godsdienst hunner jeugd en hunner ouders -getrouw. Behalve in tijden van godsdienstige krisis, zooals bij -de opkomst van het Christendom, het Mohammedanisme, de -Reformatie, zijn bekeeringen zeldzaam; verandering van godsdienst -is uitzondering, geen regel. Zelfs leven en sterven de meeste -menschen, zonder ooit door ernstigen twijfel in hun godsdienstig -geloof te worden geschokt. De vraag, waarom ze gelooven aan -de waarheid der godsdienstige voorstellingen, in welke zij opgevoed -zijn, komt in de gedachte niet op. Zij gelooven, vinden -meer of minder bevrediging in hun geloof en denken over de -<span class="pagenum" id="Page_418">[418]</span> -gronden, waarop hun overtuiging rust, niet na. Als het geloof -krachtig is, is er voor zulk een onderzoek naar de gronden des -geloofs geen plaats. Wie honger heeft, onderzoekt niet eerst naar -de wijze, waarop het brood bereid is, dat hem voorgezet wordt. -Primum vivere, deinde philosophari. Er is groot verschil tusschen -het leven en de reflectie. Het is geen bewijs van rijkdom maar -van armoede des godsdienstigen levens, als aan de formeele -kwestiën de meeste aandacht wordt gewijd. Als de philosophische -denkkracht uitgeput is, werpt men zich op de geschiedenis der -philosophie. Als men niet meer leeft in de belijdenis der kerk, -wordt haar oorsprong en geschiedenis onderzocht. En als het -geloof zijn kracht en vertrouwen verliest, wordt een onderzoek -ingesteld naar de gronden, waarop het rust.</p> - -<p class="sep2">2. Toch heeft zoodanig onderzoek zijne goede en nuttige zijde. -Kant heeft heel de philosophie omgekeerd in eene kritiek van -het kenvermogen. En niemand zal de onderzoekingen minachten, -die sedert aan den aard en de zekerheid onzer kennis zijn gewijd. -Maar toch wordt te hoog gespannen verwachting hier altijd door -teleurstelling gevolgd. De problemen zijn hier zoo ingewikkeld, -dat oplossing onbereikbaar schijnt. Alle pogingen, om in deze -vraag tot een bevredigend antwoord te komen, worden door -ernstige bezwaren gedrukt. Soms gaan er stemmen op, die van -verder onderzoek afmanen, wijl het volkomen nutteloos is. Op -de wetenschap zelve hebben deze formeele kwestiën toch geen -invloed. Of men idealist of empirist, realist of nominalist zij, er -is toch geen wetenschap te verkrijgen dan langs den weg van -waarneming en denken. Ook in de theologie en de religie is er -reden, om voor overdreven verwachtingen te waarschuwen. De -Erkenntnisstheorie vergoedt het geloof niet; de pars formalis van -de dogmatiek kan de pars materialis niet vervangen. Zelfs is -het onderzoek naar de gronden des geloofs nog veel moeilijker -dan dat naar de gronden van het weten. Vooreerst is het voor -de geloovigen in het algemeen ondoenlijk, om in wetenschappelijken -zin zich rekenschap te geven van de redenen, waarom zij -gelooven. Hun leven uit het geloof is voor hen zelf bewijs genoeg -van de waarheid en waarde van dat geloof. Wie honger heeft en -eet, ondervindt daardoor vanzelf de voedende kracht van het -brood en heeft aan onderzoek naar zijn chemische bestanddeelen -<span class="pagenum" id="Page_419">[419]</span> -geen behoefte. Voorts is het ook zelfs voor wetenschappelijke -theologen een overdreven eisch, dat zij vooraf het wetenschappelijk -recht moeten bewijzen van de Erkenntnisstheorie, waarvan zij -uitgaan, voordat zij een aanvang mogen maken met den theologischen -arbeid, A. Ritschl, Theologie und Metaphysik 1881 S. -38. Een theoloog is toch geen philosoof. Al is wijsgeerige vorming -voor den godgeleerde onmisbaar, hij behoeft toch niet eerst alle -wijsgeerige Erkenntnisstheorieën onderzocht te hebben, eer hij -als theoloog optreden kan. De theologie brengt haar eigen kenleer -mede en is wel van de philosophie maar niet van eenig philosophisch -stelsel afhankelijk. En eindelijk ligt het voorwerp van -het onderzoek hier zoo diep in het zieleleven verborgen en is -zoo innig saamgeweven met de fijnste en teederste roerselen van -het menschelijk hart, dat het schier geheel aan onze eigene en -veel meer nog aan anderer waarneming ontsnapt. De religie wortelt -dieper in de menschelijke natuur dan eenige andere kracht. Voor -haar heeft de mensch alles over, zijn geld en zijn goed, zijn -vrouw en zijn kind, zijn naam, zijn eer, zijn leven. Alleen de -religie heeft bloedgetuigen, martelaars. Haar behoudende, kan de -mensch alles verliezen, met haar behoudt hij toch zichzelven. -Maar haar verloochenend, gaat hij zelf verloren. Wie zal dan -van dit leven, dat met het leven des menschen zelf één is, den -wortel kunnen naspeuren? Wie zal den grond kunnen blootleggen, -waarop het gelooven rust? Het geloof zelf is reeds zulk eene -wondere en geheimzinnige kracht. Wij omschrijven het door -kennen, toestemmen, vertrouwen enz. maar gevoelen terstond de -zwakheid dezer bepaling, en hebben na lange redeneering ten -slotte nog niets of zeer weinig gezegd. De vraag: hoe en waarom -weet ik, is zoo moeilijk, dat alle wijsgeerige denkkracht het -antwoord nog niet heeft gevonden. Maar nog moeilijker is de -vraag: hoe en waarom geloof ik? Zij is voor onszelven een -raadsel, want wij kunnen niet afdalen in de diepten van ons eigen -gemoed en niet doordringen met onzen blik in het duister, dat -achter ons bewustzijn ligt. En voor anderen is zij nog grooter -verborgenheid. Want voor onszelven gelden als gronden des -geloofs nog allerlei stemmingen en aandoeningen, overleggingen -en gezindheden, die met het geloof gepaard gaan en ons onlosmakelijk -vasthechten aan het voorwerp onzes geloofs. Maar aan -anderen kunnen wij deze niet meedeelen; ze zijn voor geen openbaring -<span class="pagenum" id="Page_420">[420]</span> -bestemd en voor geen meedeeling vatbaar. Als wij het -soms beproeven, verliezen zij onder de meedeeling heur kracht -en waardij; wij gevoelen er onszelf het minst door bevredigd. -En dikwerf is het einde, dat wat als grond werd aangegeven, -den toets niet kan doorstaan en blijkt geen grond te zijn. Desniettemin -houdt het geloof trots alle redeneering zich staande -en spreekt: ik kan niet anders, God helpe mij, amen.</p> - -<p class="sep2">3. Daarom baart het geen verwondering, dat de gronden voor -het godsdienstig en zoo ook voor het christelijk geloof zeer verschillend -worden opgegeven. Op de vraag: hoe iemand tot het -geloof komt en waarom hij gelooft, loopen de antwoorden zeer -verre uiteen. Sommigen zijn van oordeel, dat de mensch in zichzelf, -in zijn eigen natuur, de genoegzame gegevens bezit, om eene -religieuse voorstelling, de openbaring, de Schrift te onderkennen, -te beoordeelen en aan te nemen. Het orgaan voor de beoordeeling -en aanneming der openbaring wordt beurtelings gezocht in het -verstand; het geloof rust dan op historisch-apologetische gronden. -Of de rede wordt als zulk een orgaan aangegeven; het geloof -wordt dan gebouwd op speculatieve redeneering. Of ook wordt -het geweten, het gemoed, het hart als orgaan voor het goddelijke -beschouwd; het geloof is dan gebaseerd op ethisch-practische -motieven. Maar altijd wordt bij deze richtingen een mensch ondersteld, -die misschien wel op de eene of andere wijze voor de -openbaring is voorbereid, maar die toch nog feitelijk buiten het -geloof staat en voor wien nu de openbaring langs verstandelijken -of zedelijken weg moet worden gerechtvaardigd.</p> - -<p>Het volgend onderzoek zal leeren, dat deze gronden onvoldoende -zijn en dat het standpunt, door deze richtingen ingenomen, niet -aanvaard kan worden. Maar reeds apriori laat zich het ongenoegzame -van deze verschillende methoden inzien. De religie toch -is een zelfstandige grootheid; zij is van wetenschap, kunst, zedelijkheid -wezenlijk onderscheiden. Zij heeft een eigen principium -cognoscendi externum, n.l. de openbaring, en eischt daarom ook -een eigen principium cognoscendi internum. Gelijk het oog beantwoordt -aan het licht, het oor aan de klank, de logos in ons -aan den logos buiten ons, zoo moet aan de objectieve openbaring -een subjectief orgaan in den mensch correspondeeren. De religieuse -vatbaarheid in het algemeen, het semen religionis, de νους kan -<span class="pagenum" id="Page_421">[421]</span> -daarvoor niet in aanmerking komen. Want vooreerst komt deze -nooit en nergens in zuiveren toestand en zonder inhoud voor. -Altijd is ze van het eerste ontwaken af in een historischen godsdienst -ingegroeid en daarnaar geaccommodeerd. Maar vervolgens -gaat de openbaring in de Schrift uit van de onderstelling, dat -de mensch ook in deze zijne religieuse gezindheid verdorven is -en herschepping behoeft. Zij zou daarom zichzelve vernietigen, -als zij in den psychischen mensch haar competenten rechter erkende. -Zij plaatst zich tegenover dezen in eene gansch andere verhouding. -Zij stelt zich niet beneden hem en onderwerpt zich niet -aan zijn oordeel, maar staat hoog boven hem en vraagt niets -dan geloof en gehoorzaamheid. Zelfs verklaart de Schrift uitdrukkelijk, -dat de psychische mensch de dingen des Geestes Gods -niet verstaat, dat ze dwaasheid voor hem zijn, dat hij ze in -vijandschap verwerpt en miskent. De openbaring Gods in Christus -vraagt geen steun, geen rechtvaardiging bij menschen. Zij poneert -en handhaaft zichzelve in hooge majesteit. Haar auctoritas is -normativa maar ook causativa. Zij strijdt voor haar eigen triumf. -Zij verovert zichzelve de harten. Zij maakt zichzelve onwederstandelijk. -Daarom valt de openbaring in twee groote bedeelingen -uiteen. Als de oeconomie des Zoons, der objectieve openbaring, -is geëindigd, treedt die des Geestes in. Ook van deze subjectieve -openbaring is God de auteur. Van Hem gaat de actie uit. Hij -is de eerste en de laatste. De mensch komt niet tot de openbaring -en zoekt God niet. God zoekt den mensch. Hij zoekt hem -in den Zoon, Hij zoekt hem ook in den Geest. Als God in de -laatste dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, dan komt -de H. Geest, die het bij de wereld voor Christus opneemt, zijn -zaak bepleit, zijn woord verdedigt en de harten der menschen tot -gehoorzaamheid neigt. De H. Geest is de groote, machtige Getuige -van Christus, objectief in de Schrift, subjectief in ’s menschen -eigen geest. In dien Geest ontvangt de mensch een adaequaat -orgaan voor de uitwendige openbaring. God kan alleen -door God worden gekend; in zijn licht kan alleen het licht -worden gezien. Niemand kent den Vader, dan wien het de Zoon -wil openbaren, en niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, -dan door den H. Geest. God is dus het principium essendi van -religie en theologie; de objectieve openbaring in Christus, neergelegd -in de Schrift, is haar principium cognoscendi externum; -<span class="pagenum" id="Page_422">[422]</span> -en de H. Geest, die in de gemeente is uitgestort, haar wederbaart -en leidt in de waarheid, is haar principium cognoscendi internum. -In deze getuigenis des H. Geestes sluit de openbaring zich af en -bereikt zij haar doel. Want het is het welbehagen Gods, om de -menschheid te herscheppen naar zijn beeld en gelijkenis. Objectieve -openbaring is dus niet genoeg; deze moet zich voortzetten en voltooien -in de subjectieve openbaring. Ja, gene is slechts middel, -deze is doel. Het principium externum is instrumentale; het principium -internum is het principium formale en principale, <a href="#Page_143">bl. 143</a>.</p> - -<p>Daarom deed de christelijke kerk ten allen tijde belijdenis van -het testimonium Spiritus Sancti. God is de auteur der uitwendige -openbaring; maar Hij is het ook, die de gemeente verkiest, -de kerk sticht en in haar van Christus getuigt. De Schrift is -zijn woord, de gemeente is zijn tempel. In zoover is er eenstemmigheid -in de belijdenis van alle kerken aangaande het testimonium -Spiritus Sancti. Niet de natuurlijke maar alleen de geestelijke -mensch weet de dingen, die hem van God geschonken zijn, 1 Cor. -2:12 v. Maar overigens is er toch groot verschil over deze getuigenis -des H. Geestes, vooral tusschen de Roomsche kerk en -de kerken der Hervorming. Volgens Rome toch is de Schrift -gegeven aan de kerk, en wel aan de kerk als instituut, en eerst -door deze heen aan de geloovigen. De kerk ontvangt, bewaart, -authoriseert, verklaart de H. Schrift. Alle openbaring Gods aan -de geloovigen is door het instituut der kerk bemiddeld. Altijd -staat de kerk tusschen God en de geloovigen in. De kerk is -middelares, medium gratiae, principium externum. Zij is de tempel -des H. Geestes. Het testimonium Spiritus Sancti uit zich bij -Rome alleen door de kerk als instituut, door de ecclesia docens, -door het magisterium, door den paus. Maar volgens de Hervorming -is de openbaring, de Schrift, gegeven, ja ook aan de kerk, -maar aan de kerk als organisme, aan de gemeente, aan de geloovigen. -Zij zijn de tempel des H. Geestes. Het testimonium -Spiritus Sancti is het eigendom van alle geloovigen. Waar twee -of drie in Jezus’ naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. -Bij Rome is het instituut het wezen der kerk; volgens de Hervorming -is dit een tijdelijk hulpmiddel, maar het wezen der kerk -ligt in de vergadering der geloovigen. Deze is de woning Gods, -het lichaam van Christus, de tempel des H. Geestes.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<div class="pagenum" id="Page_423">[423]</div> - -<h3>§ 14. <span class="smcap">De historisch-apologetische methode.</span></h3> - -<p>1. Nauwelijks was het Christendom in de Grieksch-romeinsche -wereld ingedrongen, of het zag zich geroepen tot een ernstigen -strijd. Joden en Heidenen vielen het aan en brachten er allerlei -bezwaren tegen in. Toen stonden in de 2<sup>e</sup> eeuw de Apologeten -op, die deze aanvallen zochten af te slaan en het Christendom -trachtten te verdedigen. Justinus Martyr, Dialogus c. Tryphone, -Tertullianus, adv. Judaeos, en Eusebius, Demonstratio evangelica -schreven tegen de Joden. Veel grooter was het aantal apologetische -geschriften tegen de Heidenen. De voornaamste zijn Justinus -Martyr, Apologia maior en minor; Tatianus, Orat. adv. -Graecos; Athenagoras, Legatio sive supplicatio pro Christianis; -Theophilus, ad Autolycum; Clemens Alex., Coh. ad gentes; Origenes, -contra Celsum; Tertullianus, Apologeticus en Ad nationes; Arnobius, -Disput. adv. gentes; Minucius Felix, Octavius; Eusebius, -Praeparatio evangelica; Athanasius, Orat. adv. gentes; Cyrillus, -adv. impium Julianum; Augustinus, de civ. Dei. In deze werken -worden voor de waarheid van het Christendom de volgende argumenten -aangevoerd: a) het is veiliger, van twee onzekere dingen -datgene te gelooven, quod aliquas spes ferat quam omnino quod -nullas, Arnobius, adv. gentes II 4; b) de overeenstemming van -het Christendom met het beste en schoonste, met de σπερματα ἀληθειας, -welke ook onder de Heidenen nog door de inwerking van den -Logos gevonden worden, Athenag. Leg. 6. Justinus, Apol. maior -20 sq. Minucius, Octav. 19, 20; c) de voortreffelijkheid van het -Christendom boven de heidensche godsdiensten, zoodat iedere menschelijke -ziel daaraan onwilkeurig getuigenis moet geven, Justinus, -Apol. min. 10. Tertull. de testim. an. 1. Arnobius, adv. gentes -II 2; d) de zedelijke invloed van het Christendom op leer en -leven, zoodat de gruwelijke zonden van afgoderij, tooverij, haat, -gierigheid, wreedheid enz. er door verdwenen zijn, Epist. ad -Diognetum 5. Justinus, Apol. maior 14. Athen., Leg. 11. Orig., c. -Cels. I 26. Arnob., adv. gentes I 63. Lactant., Instit. div. III -16. Euseb., Praep. evang. I 4; e) de standvastigheid der martelaars, -Just. M., Apol. II 12, en de heiligheid der asceten, Just., -Apol. I 15. Athen., Leg. 33, 34. Euseb., Dem. Evang. III 6; -f) de voorspellingen en hare vervulling, Just., Dial. c. Tryph. -<span class="pagenum" id="Page_424">[424]</span> -7, 8. Just., Apol. I 31. Orig., c. Cels. I 2; g) de wonderen, -niet alleen in den vroegeren maar ook in den tegenwoordigen -tijd, Just., Dial. c. Tryph. 39, 82, 88. Iren., adv. haer. II 31, -32. Tertull., Apol. 23. Orig., c. Cels. III 24; h) het heilig karakter -en leven van Jezus en de apostelen, Arnob., adv. gentes -I 63. Euseb., Dem. evang. III 3, 5; i) het getuigenis der Schrift, -de overeenstemming der Schriften onderling, de eenvoudige taal, -de goddelijke inhoud, die door geen menschelijke rede kon worden -voortgebracht, Just. M., Coh. ad Graec. 8. Orig., de princ. IV 1, -benevens de wonderbare oorsprong, bewaring en verbreiding der -Schrift, Tertull., Apol. 19; en eindelijk nog j) het getuigenis -der traditie en der kerk, Iren., adv. haer. I 10, III 3. Tertull., -de praescr. 20. Cypr., de unitate eccles. August., de civ. dei enz. -Cf. Münscher-v. Coelln, Lehrb. der christl. Dogm. Gesch. I -1832 S. 103 f. Hagenbach, Dogm. Gesch. § 29 f. Harnack, Dogm. -Gesch. I<sup>2</sup> 413 f. Deze argumenten hebben sedert in de christelijke -theologie algemeen burgerrecht verkregen. De inhoud der bovennatuurlijke -waarheden was voor de rede onbegrijpelijk, Thomas -S. Theol. I qu. 32 art. 1, S. c. Gent. I c. 9. Des te meer -kwam het er dan op aan om te bewijzen, dat God zich geopenbaard -had. Al de bewijzen, die daarvoor konden worden bijgebracht, -werden onder den naam van rationes inductivae of -motiva credibilitatis samengevat, Thomas, S. Theol. II 2 qu. -2 art. 9 ad 3, art. 10. Duns Scotus, Prol. Sentent. qu. 2. Ludovicus -Vives, de veritate fidei christ. 1543. Cf. Frohschammer, -Die Philosophie des Thomas v. Aquino, Leipzig 1889 S. 130 f. -Na de Hervorming werd vooral het argument, ontleend aan de -kerk, nader ontwikkeld. De kerk werd toen bij Rome hoe langer -hoe meer fundamentum et regula fidei. Augustinus had al gezegd, -dat hij door de kerk bewogen werd om aan de Schrift te gelooven. -De Roomschen na de Hervorming maakten de kerk tot den sterksten -grond voor het geloof aan de Schrift, aan de openbaring. -De motiva credibilitatis werden dikwerf in drie soorten verdeeld, -Becanus, Theol. Schol. Tom. II pars. II tract. 1 cap. 6. Mogunt. -1623 p. 93, in zulke, die gelden tegenover Joden en Heidenen; -in andere, die vooral voor de Roomschen zelven beteekenis -hebben; en in eene derde groep, die tegenover de ketters van -kracht zijn. Tot deze laatste behoort nu vooral de kerk met hare -15 notae, gelijk ze door Bellarminus, de Conciliis et Ecclesia, -<span class="pagenum" id="Page_425">[425]</span> -Lib. IV worden opgeteld. Wat de Hervormers van de Schrift -zeiden, wordt op de kerk toegepast. Zij is als de zon, die hare -stralen verspreidt en gemakkelijk bij haar eigen licht kan worden -gekend. Onder de bewijzen voor de openbaring neemt de kerk -de eerste en de hoogste plaats in; zij is van alle het krachtigste -motief tot geloof. Het Conc. Vatic. Sess. III cap. 3 de fide verklaarde: -ad solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, -quae ad evidentem fidei christianae credibilitatem tam multa et -tam mira divinitus sunt disposita. Quin etiam Ecclesia per se -ipsa, ob suam nempe admirabilem propagationem, eximiam sanctitatem -et inexhaustam in omnibus bonis foecunditatem, ob catholicam -unitatem invictamque stabililatem, magnum quoddam et -perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae legationis -testimonium irrefragabile. De waarde van al deze bewijzen, ook -van dat der kerk, bestaat daarin, dat zij de geloofwaardigheid -der openbaring kunnen aantoonen. Zij zijn in staat, om eene fides -humana voorttebrengen en de redelijkheid van het gelooven te -bewijzen. Zij maken de waarheid der openbaring in zulk eene -mate en tot zulk eene hoogte duidelijk, dat alle redelijke -twijfel is uitgesloten. Als er van de zijde des menschen geen -zondige zelfzucht en geen vijandschap des harten in het spel -kwam, dan zouden die motieven krachtig genoeg zijn, om tot -het geloof aan de openbaring te bewegen. Zij maken de openbaring -wel niet evidenter veram, want als dat het geval ware, dan -zou er geen geloof meer noodig zijn en zou het geloof ook alle -verdienste missen; maar toch wel evidenter credibilem, Thomas, -S. Theol. II 2 qu. 1 art. 4 ad 2, 4, art. 5 ad 2, qu. 2 art. 1 -ad 1. Bellarm., de Conc. et Eccl. IV cap. 3. Billuart, Summa -S. Thomae hodiernis acad. moribus accommodata, VIII p. 25 sq. -P. Dens, Theologia ad usum seminariorum II 275 sq. De Roomsche -theologen nemen dan ook gewoonlijk al die argumenten der -apologetiek in de dogmatiek op en behandelen ze breedvoerig, -Perrone, Prael. Theol. I. Jansen, Prael. Theol. I 117 sq. Hake, -Handbuch der allgem. Religionswissenschaft, Freiburg 1887 II -1 f. Heinrich, Dogm. I 279 f. Liebermann, Dogm. I p. 33 sq. -enz. Zelfs gingen sommigen zoover, dat zij deze bewijzen ook -voor den ongeloovige voldoende achtten, Billuart, I p. 28, 29. -Dens, II 292. Maar de meesten erkenden, dat al deze bewijzen -toch maar motieven waren en dat zij niet den laatsten en diepsten -<span class="pagenum" id="Page_426">[426]</span> -grond des geloofs uitmaakten. Dat kon alleen de autoriteit Gods -zijn, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad 3 en art. 10. S. c. -Gent. I c. 9. Billuart VIII p. 1 sq. Becanus ib. p. 3-17. Dens, -II 280 sq. Jansen, Prael. Theol. I 701-706. En dat geloof -aan de openbaring op grond van Gods gezag komt niet tot stand -door die bewijzen maar door een auxilium dei, een instinctus -interior, die den wil tot het geloof beweegt, Thomas II 1 qu. -109 art, 6, qu. 112 art. 2 en 3, qu. 113 art. 4. Het Conc. -Vatic. sess. III cap. 3 de fide, erkende evenzoo eenerzijds, dat -het geloof was een virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et -adjuvante gratia ab eo revelata vera esse credimus, non propter -intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam, -sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis. Maar andererzijds -hechtte het toch groote waarde aan de apologetische argumenten -en voegde er daarom aanstonds bij: ut nihilominus fidei nostrae -obsequium rationi consentaneum esset, voluit Deus cum internis -Spiritus Sancti auxiliis externa jungi revelationis suae argumenta..... -quae.... divinae revelationis signa sunt certissima et omnium -intelligentiae accommodata. Het veroordeelde zelfs in canon 3, 3 -dengene, die zeide, revelationem divinam externis signis credibilem -fieri non posse, ideoque sola interna cujusque experientia aut -inspiratione privata homines ad fidem moveri debere. Deze waardeering -der apologetiek hangt bij Rome weer met geheel het -stelsel saam. De bovennatuurlijke openbaring is opgetrokken op -den grondslag der natuurlijke. Gene wordt alleen successief en -bij trappen bereikt. De mensch in puris naturalibus komt eerst -door bewijzen tot de theologia naturalis. Deze is praeambula -fidei. Hier is zelfs wetenschap mogelijk. De bewijzen zijn overtuigend. -Op zichzelf is hier nog van geen geloof sprake. Wie -zoover gekomen is en op den grondslag der theol. naturalis staat, -kan nu verder door de motiva credibilitatis, vooral door de signa -en notae ecclesiae, de geloofwaardigheid der openbaring inzien, -en de redelijkheid van het gelooven erkennen. En als zoo de fides -humana verkregen is, en de mensch door de actus <ins id="cor_44" title="praepatorii">praeparatorii</ins> -zich voorbereid heeft, wordt hij door de gratia infusa zelve in -de bovennatuurlijke orde opgenomen en bereidt hij zich door -goede werken weer voor voor den hemel, voor de visio Dei. De -mensch gaat uit den natuurstaat bij trappen naar boven. Telkens -komt hij een graad hooger te staan. De pura naturalia, theol. -<span class="pagenum" id="Page_427">[427]</span> -naturalis, motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa, -bona opera, visio Dei vormen de verschillende treden van de -ladder, die staat op de aarde en reikt in den hemel.</p> - -<p class="sep2">2. De Reformatie heeft nu wel in beginsel deze hierarchie -van Rome bestreden en een ander standpunt ingenomen. Zij nam -haar positie niet in de natuurlijke rede, om deze successief tot -het geloof op te leiden, maar in het christelijk geloof. En zij -sprak zoo beslist mogelijk uit, gelijk later zal worden aangetoond, -dat dat geloof alleen steunde op Gods gezag en alleen gewerkt -werd door den H. Geest. Maar de Protestantsche theologen hebben -dit beginsel toch niet altijd streng vastgehouden en zijn meermalen -tot de leer der theologia naturalis en van de historische -bewijzen voor de waarheid der openbaring teruggekeerd. Calvijn -zegt, Inst. I, 7, 3, dat het hem gemakkelijk vallen zou, de goddelijkheid -der H. Schrift te bewijzen en voert in cap. 8 verschillende -gronden daarvoor aan. En zoo spreken en doen ook -Ursinus, Tract. Theol. p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 335 -sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 17 sq. c. 27, 28. Synopsis pur. -theol. disp. 2, 10 sq. Du Plessis-Mornay, Traité de la vérité de -la religion chrétienne contre les Athées etc. Anvers 1581. Abbadie, -Traité de la vérité de la religion chrét. 1684 enz. Cf. Heppe, -Dogm. der ev. ref. K. S. 20-22. Hase, Hutt. Rediv. § 37. -Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 32, 33. De overtuiging, dat -deze bewijzen genoegzaam waren om althans eene fides humana -te bewerken, heeft er onwillekeurig toe bijgedragen, om de rede -te emancipeeren van het geloof en de dogmata der theol. naturalis -en van de H. Schrift buiten de fides salvifica te plaatsen. Daarmede -begon dan ook het rationalisme in de Protest. kerken. Het -Socinianisme verwierp het testimonium Spiritus Sancti en grondde -de waarheid van het Christendom op historische bewijzen, Catech. -Racov. qu. 5-30. Fock, der Socin. 338 f. Het Remonstrantisme -ging denzelfden weg op, Episcopius, Instit. Theol. Lib. IV cap. 2. -Limborch, Theol. Christ. I c. 4. Id. De veritate relig. Christ. -collatio cum erudito Iudaeo 1687. Hugo Grotius, de veritate relig. -christ. 1627. Cf. Wijnmalen, Hugo de Groot als verdediger van -het Christ. Utrecht 1869. Door Cartesius drong het rationalisme -ook in de Geref. kerken door. De theologia naturalis kwam zelfstandig -naast de theologia revelata te staan. En binnen deze -<span class="pagenum" id="Page_428">[428]</span> -laatste werd aan de rede het recht tot onderzoek en verklaring -van de geloofsbrieven der openbaring toegekend, H. A. Roëll, -Dissert. de theol. naturali 1700 enz. Leibniz sprak de algemeen -heerschende opinie uit, als hij de openbaring tegenover de rede -stelde, gelijk een buitengewoon gezant tegenover eene bevoegde -vergadering staat. Deze onderzoekt zijne geloofsbrieven en gaat, -als zij deze echt bevonden heeft, eerbiedig naar hem luisteren. -Discours sur la conformité de la foi avec la raison § 29. Het -deisme in Engeland en het rationalisme in Duitschland leidde -daaruit weldra af, dat de theologia naturalis volkomen voldoende -was. En het supranaturalisme, dat de emancipatie der rede in -de theol. naturalis en in het onderzoek naar de waarheid der -openbaring toegaf, kon voor die rede met geen andere dan historische -en rationeele bewijzen verschijnen. Op die wijze werd het -Christendom verdedigd en de dogmatiek bearbeid door een aantal -mannen in Engeland, Duitschland, Nederland, van wie we hier -slechts de namen herinneren van Butler, The analogy of religion -natural and revealed 1736. Paley, View of the evidences of christianity -1794. Id. Natural Theology 1802. Chalmers, The evidence -and authority of the christ. revelation 1817. Id. Natural theology -1823; cf. Tholuck, Vermischte Schriften I S. 163-224. Reinhard, -Morus, Doederlein, Knapp, Storr e. a.; hier te lande door -Van Nuijs Klinkenberg, Muntinghe, Heringa, Vinke enz. en de -werken van het Haagsch Genootschap. En voorts vinden we ook -later dit standpunt nog terug bij Pareau en Hofstede de Groot, -Compendium Dogm. et Apolog. Christ. 3 ed. 1848 p. 179 sq.; -Van Oosterzee, die eerst het standpunt van Schleiermacher overnam -Jaarb. v. wet. Theol. 1845 bl. 1-74, maar later heil zocht in -eene apologetiek die aan de dogmatiek voorafging, Jaarb. v. wet. -Theol. V bl. 406. De Leer der Herv. Kerk van J. H. Scholten -beschouwd 1851 bl. 51, 53. Dogmatiek § 30-34, § 38 enz.; -Doedes, die door onbevooroordeeld, zuiver historisch onderzoek -het Christendom wil leeren kennen, Het regt des Christ. tegenover -de wijsbeg. gehandhaafd 1847, Modern of Apost. Christ. 1860, -De zoogen. moderne Theol. eenigszins toegelicht 1862; in het -buitenland bij Voigt, Fundamentaldogmatik 1874 S. 184 f. 232 f. -Gretillat, Exposé de theol. systématique II 176 s. A. B. Bruce, -Apologetics, Edinburgh, Clark 1892 p. 42. W. M. Mc. Pheeters, -Apostolical sanction the test of canonicity, Presb. and Ref. Rev. -<span class="pagenum" id="Page_429">[429]</span> -Jan. 1895. Ed. König, Der Glaubensact des Christen, Erl. 1891, -S. 143 f. en vele andere apologetische werken, cf. Christlieb, Art. -Apologetik in Herzog<sup>2</sup>.</p> - -<p class="sep2">3. Maar dit standpunt is door de geschiedenis van het supranaturalisme -zelf en door de scherpe kritiek van Rousseau en -Lessing, van Kant en Schleiermacher onhoudbaar gebleken. De -apologetiek heeft zonder twijfel recht van bestaan; eene belangrijke -taak is haar toebetrouwd. Zij heeft de waarheid Gods te -handhaven en te verdedigen tegenover alle bestrijding zoowel -van binnen als van buiten. Door verschillende omstandigheden -is zij ten onrechte in minachting gekomen. Vooreerst verloor zij -veler liefde door de zwakheid en subtiliteit der argumenten, die -zij tegen de ernstige en wetenschappelijke bestrijding van het -christelijk geloof te berde bracht. Vervolgens begon ze hoe langer -hoe meer afkeer in te boezemen door de onderstelling, waarvan -zij dikwerf uitging, dat het Christendom eene leer was, die verstandelijk -kon gedemonstreerd worden. Voorts heeft vrees voor de -wetenschap, die menigmaal op zoo hoogen toon sprak en zoo -onfeilbaar hare dogmata afkondigde, de geloovigen dikwerf van -verdediging afgeschrikt. Men bleef wel gelooven, maar trok zich -angstig terug, en meed alle aanraking met de wetenschap; soms -nam men gretig tot het mysticisme of het agnosticisme de toevlucht. -Toch is er geen reden, om de apologetiek te verachten. -De apologeten der tweede eeuw, de kerkvaders, de scholastieke -theologen, de hervormers enz., zij stonden allen in het vaste -geloof, dat de waarheid Gods tegenover de bestrijding, waaraan -zij van alle zijden blootstond, verdedigd moest en kon worden. -Zij lieten de aanvallen niet onbeantwoord. Zij zochten den vijand -op en rustten niet, voordat zij hem overwonnen hadden. Dat -geloof is reeds eene kracht en bijna de halve overwinning. Twijfel -en wantrouwen in de zaak die wij voorstaan, maakt ons machteloos -in den strijd. Maar daarmede is vanzelf ook reeds het standpunt -aangegeven, van waaruit alleen eene goede verdediging der waarheid -ondernomen kan worden. De apologetiek kan niet aan het geloof -voorafgaan en tracht niet de waarheid van de openbaring apriori -te betoogen. Zij onderstelt de waarheid en het geloof aan de -waarheid; zij staat op den grondslag der dogmatiek en beproeft -nu het dogma te handhaven en te verdedigen tegen de bestrijding, -<span class="pagenum" id="Page_430">[430]</span> -waaraan het onderworpen wordt. Indien echter de christelijke -openbaring, die de duisternis en de dwaling van den psychischen -mensch onderstelt, zich vooraf aan zijne rede ter beoordeeling -overgaf, zou zij daarmede zichzelve weerspreken. Zij zou zich -daarmede plaatsen voor eene rechtbank, wier bevoegdheid zij eerst -had ontkend. En eenmaal in de principia het recht der rede -erkennende, zou ze straks in de articuli fidei dat recht niet meer -kunnen bestrijden. Het supranaturalisme moet altijd leiden tot -rationalisme, wijl het in beginsel reeds rationalistisch is. Maar -afgedacht van dit principieele bezwaar, de historisch-apologetische -bewijsvoering voert ook niet tot het gewenschte resultaat. Zij -kon het nog een eind ver brengen in een tijd, toen de echtheid -der bijbelboeken en de historische waarheid van hun inhoud nog -vrij algemeen vaststond. Maar de wonderen en voorspellingen -der Schrift hebben thans zelf zooveel verdediging van noode, dat -zij onmogelijk meer als argumenten dienst kunnen doen. De apologetiek -zou, om iets te bewijzen, eerst heel de zoogenaamde inleidingswetenschap -moeten behandelen en tal van andere vakken -in zich moeten opnemen, eer zij met de uiteenzetting der waarheid -een aanvang kon maken; aan het geloof, aan de dogmatiek kwam -het op deze wijze nooit toe; de pars formalis zou zoo uitdijen, -dat er voor de pars materialis geen tijd en geen plaats meer -overbleef. Deze lange weg zou dan nog ingeslagen kunnen worden -door iemand, die tijd en kracht en gave genoeg bezat om zulk -een onderzoek naar de waarheid van het christelijk geloof in te -stellen; maar hij zou geheel ontoegankelijk zijn voor den eenvoudige, -die toch ook even goed als de geleerde, en niet eerst morgen -maar nu reeds, op dit oogenblik, behoefte heeft aan den vrede -en den troost des geloofs, en die daarom voor de zaligheid zijner -ziel afhankelijk zou worden van een intellectueel en dies te ondragelijker -clericalisme. En stel al, dat dit nog geen overwegend -bezwaar ware en dat historisch onderzoek voor alle menschen -de eenige weg tot de kennis der waarheid ware; dan zou toch -het resultaat, dat in de gunstigste omstandigheden verkregen -werd, geen ander zijn dan eene fides humana, welke morgen aan -den dag weer door andere en betere onderzoekingen geschokt en -omvergeworpen kon worden. De eeuwigheid kan inderdaad niet -hangen aan een spinrag. In de religie mag geen mensch en geen -schepsel instaan tusschen God en mijne ziel. Getroost en zalig -<span class="pagenum" id="Page_431">[431]</span> -te leven en te sterven is niet mogelijk, zoolang ik rust in een -menschelijk, feilbaar getuigenis. In de religie is er geen mindere -maar eene veel sterkere en vastere zekerheid dan in de wetenschap -van noode. Er is hier alleen ruste in de getuigenis Gods. -Ook de getuigenis der kerk is onvoldoende. Zij is van groote -waarde niet alleen bij het ontstaan maar ook bij den voortduur -van het christelijk geloof. Zij blijft een steun tot het einde des -levens toe. Zij is inderdaad een motivum perpetuum tot het -geloof. Wij zijn in heel ons leven aan eene gemeenschap gebonden. -Een mensch is een ζωον πολιτικον. De gemeenschap houdt ons -staande, telkens als we dreigen te struikelen. De wolke van getuigen, -rondom ons heen liggende, moedigt ons aan in den strijd. -Er behoort een ongewone moed en geestkracht toe, om pal te -blijven, als allen ons verlaten en tegenover ons staan. Maar -gemeenschap sterkt de eigen overtuiging. Toch kan daarom de -getuigenis der kerk niet de laatste en diepste grond zijn van -het geloof. Ook Roomsche theologen erkennen dat zelf, gelijk -later blijken zal. Zij zijn bij het onderzoek naar de gronden des -geloofs met hun onfeilbare kerk in hoegenaamd geen betere -conditie dan de Protestanten. Want ook zij moeten de vraag -stellen: waarop rust het geloof aan de kerk? Indien op apologetische -bewijzen, dan rijzen daartegen dezelfde bezwaren, die -boven zijn ingebracht. En indien op het testimonium Spiritus -Sancti, dan is deze leer de hoeksteen van het christelijk geloof.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 15. <span class="smcap">De speculatieve methode.</span></h3> - -<p>1. Het supranaturalisme viel onder de slagen van Rousseau -en Kant, van Lessing en Schleiermacher. Er volgde een machtige -omkeer. Het klassicisme week op elk gebied voor de romantiek, -de heerschappij en autonomie van het subject. In den eersten -tijd, bij het gevoel der vrijheid, ging deze reactie zoo ver, dat -ze al het objectieve wegcijferde en het subject zichzelf voor genoegzaam -hield. Het subject produceert zoo niet de stof (Fichte), -dan toch den vorm (Kant) der wereld. Het niet-ik is een product -van het Ik, de zedelijke wereldorde komt door den mensch zelf -tot stand, en de zedewet wordt vrij en koninklijk door het genie -<span class="pagenum" id="Page_432">[432]</span> -op zij gezet. Ook Schleiermacher nam eerst dit standpunt in. -Maar dit absolute idealisme leidde tot allerlei schrikkelijke gevolgen. -De Fransche Revolutie toonde het gevaarlijke van deze -autonomie van den mensch. Er moest toch iets objectiefs zijn, -dat vaststond en gezag had. Zoo kwam de restauratie, d. i. de -poging, om met behoud van hetzelfde uitgangspunt, toch uit -het subject weer tot het objectieve te komen. Van die restauratie -was Hegel de wijsgeerige tolk. Hij verhief het subjectief, ethisch -idealisme van Fichte tot een objectief, logisch idealisme, en verving -de idee van het zijn door die van het worden. Heel de wereld -werd een proces, eene ontwikkeling van de logische idee. In deze -evolutie heeft ook de religie haar plaats. Maar die religie hult -zich in vormen en symbolen, die alleen door de speculatieve rede -in hun diepe beteekenis kunnen begrepen worden. Het rationalisme -heeft daar niets van verstaan, en heeft de dogmata der kerk -eenvoudig terzijde gesteld, niet wetende wat er mede te doen. -Maar die dogmata zijn vol diepen, wijsgeerigen zin. Hegels geest -wierp zich op die dogmata, ontdeed ze van hun historische symbolische -vormen, en spoorde er de idee van op. De historie is -maar de schaal, het omhulsel; de kern zelve is diepe, ware philosophie. -Niet de rationalistische leerstukken God, deugd, onsterfelijkheid, -maar de hoogste en diepste dogmata van het Christendom, -zooals de triniteit, de menschwording, de voldoening, worden het -voorwerp der stoute, wijsgeerige speculatie. Buiten de Schrift en -buiten eenige autoriteit om worden die dogmata als noodwendig -uit de rede afgeleid en als ten hoogste redelijk bewezen. Theologie -en philosophie werden schijnbaar verzoend, het geloof werd -door de speculatieve rede in absoluut weten omgezet. Deze speculatieve -methode werd overgenomen en op de dogmatiek <ins id="cor_45" title="toepepast">toegepast</ins>, -wel is waar met zeer verschillende uitkomst, door Daub, Markeineke, -Strauss, Feuerbach, Vatke, Weisse, het laatst door -Biedermann. Biedermann wijkt op gewichtige punten van Hegel -af en aanvaardt niet zijne apriorische methode; maar uitgaande -van de christelijke dogmata, tracht hij deze toch op dezelfde -manier als Hegel te ontleden in het religieus principe dat er aan -ten grondslag ligt en de historische uitdrukking die zij hebben -aangenomen, en dan voorts speculatief en practisch verder te -ontwikkelen, Christl. Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. I 15, 16. En evenzoo heeft -hier te lande Scholten beproefd, om in de Gereformeerde dogmata -<span class="pagenum" id="Page_433">[433]</span> -te onderscheiden tusschen inkleeding en idee, en ze te -interpreteeren in monistischen en deterministischen zin.</p> - -<p class="sep2">2. Maar deze speculatieve methode heeft ook in de school -van Schleiermacher ingang gevonden. Schleiermacher had met -Hegel het subjectieve uitgangspunt gemeen, doch hij nam positie -niet in de rede maar in het gevoel. Religie is eene eigenaardige -bepaaldheid des gevoels of van het onmiddellijk zelfbewustzijn. -Voorts vatte hij dat gevoel niet individueel op, maar historisch, -zooals het in eene religieuse gemeenschap bestond en in de christelijke -gemeente bepaaldelijk door Jezus als den Erlöser gevormd -was. En eindelijk zag hij in de dogmatiek geene speculatieve -ontwikkeling maar alleen beschrijving van de vrome gemoedstoestanden -of van het geloof der gemeente; Schleiermacher bestreed -in theorie alle vermenging van theologie en philosophie. -Maar ter andere zijde toonde Schleiermacher’s Glaubenslehre toch, -dat zijne eigene religieuse ervaring zeer sterk afweek van die -der christelijke gemeente en zeer zeker mede onder invloed van -Spinoza gevormd was; en in zijne Kurze Darstellung gaf hij de -eerste plaats aan de philosophische theologie, die tot taak kreeg, -om het wezen van het Christendom te bepalen. Feitelijk werd -de theologie bij Schleiermacher geheel van de philosophie afhankelijk, -Kurze Darst. § 24, 32 f. cf. Christl. Glaub. § 2 f. De -Vermittelungstheologie nam met Schleiermacher haar standpunt -in het bewustzijn, in het geloof, de belijdenis der gemeente, maar -verbond daarmede de speculatieve methode van Hegel, om daardoor -het geloof tot weten te verheffen en de autoriteit te doen -wijken voor zelfstandig redelijk inzicht. Twesten streeft er naar, -om door middel van redeneering uit het vroom gevoel eene orthodox-luthersche -dogmatiek af te leiden, Vorles. I<sup>2</sup> 21 f. Müller wil langs -regressieven weg, door reflectie over zijn eigen ervaring, uit de -religieuse zekerheid des geloofs komen tot een objectief weten -van God, Dogm. Abhandlungen 1870 S. 1-42, en art. Dogmatik -in Herzog<sup>1</sup>. Martensen draagt aan het wedergeboren bewustzijn -de taak op, om uit zijn eigen diepten de leer der Schrift en der -kerk wetenschappelijk te reproduceeren, Dogm. § 31 f. Bij Dorner -is de Glaubenslehre niet enkel beschrijvend, maar ook constructief -en progressief; zij brengt het religieuse weten tot systematische -Begründung und Entfaltung en tracht de christelijke Godsidee -<span class="pagenum" id="Page_434">[434]</span> -als noodwendig aantetoonen, door aan te wijzen dat zij de aanvulling -en voltooiïng van het Godsbegrip überhaupt is, Glaub. I -155 f. Vooral in Rothe komt deze speculatieve methode der -Vermittelungstheologie duidelijk uit; het Godsbewustzijn is de -idee, waaruit hij met behulp der Hegelsche dialectiek heel de -schepping, natuur, geschiedenis, zonde, verlossing afleidt, Theol. -Ethik § 7. Onder de Vermittelungstheologen is overigens groote -verscheidenheid, maar zij hebben allen uitgangspunt en methode -met elkander gemeen; zij gaan uit niet van eene of andere autoriteit, -maar van het christelijk bewustzijn der gemeente, en zoeken -het bewijs voor de waarheid des geloofs niet in een beroep op -een of ander gezag maar in de innerlijke evidentie, in de denknoodwendigheid.</p> - -<p class="sep2">3. Zelfs buiten den kring dier theologen, die in engeren zin -aan Hegel en Schleiermacher zich aansluiten, heeft deze methode -ingang gevonden. Hofmann vat de dogmatiek wel niet op als -beschrijving van gemoedstoestanden, evenmin als reproductie van -Schrift- of kerkleer en ook niet als ontwikkeling der christelijke -kennis uit een algemeen principe, maar hij gaat toch evenals -Schleiermacher van de christelijke vroomheid uit. Dogmatiek is -ontvouwing van dat, wat den Christen tot Christen maakt, van -de door Christus bemiddelde persoonlijke gemeenschap Gods met -den mensch. Die Erkenntniss und Aussage des Christenthums ist -vor allem Selbsterkenntniss und Selbstaussage des Christen, Schriftbeweis, -2<sup>e</sup> Aufl. I S. 5-16. Philippi, Kirchl. Glaub. I 52 f. -108 f. Kahnis, Luther. Dogm. I 7, 8 hebben ditzelfde subjectieve -uitgangspunt. Ebrard tracht in de dogmatiek de waarheid en -noodwendigheid der Erlösungsthatsachen aan te toonen, door ze -op alle punten te vergelijken met het wetenschappelijk ontwikkeld -Erlösungsbedürfniss, Dogm. § 52. enz. Vooral Frank heeft in -zijn System der Christl. Gewissheit, 2<sup>e</sup> Aufl. 1884 deze gedachte -overgenomen en uitgewerkt. Hofmann nam zijn standpunt in den -Thatbestand der gemeenschap Gods met den mensch. Deze rust -en draagt de zekerheid in zichzelve, en de Schrift geeft er getuigenis -aan. Hier was dus voor een systeem der christelijke -zekerheid geen plaats. De Christen is zichzelf bewust, en daarmede -is alles gezegd. Maar Frank blijft hierbij niet staan; hij -tracht rekenschap te geven waarom de Christen dat alles gelooft, -<span class="pagenum" id="Page_435">[435]</span> -wat zijn geloof inhoudt. Hij construeert dus een System der christlichen -Gewissheit. De theologie, zoo zegt hij, moet in onderscheiding -van de philosophie I 26 f., zich niet buiten maar midden -in het christelijk bewustzijn plaatsen, en vandaar uit alles, ook -het natuurlijke, overzien en beoordeelen, S. 31, 32, 119, 137. -De christelijke zekerheid heeft immers haar grondslag en wezen -niet in allerlei uitwendige bewijzen, noch ook in eene externe -autoriteit, maar in den Christen zelf, in zijne zedelijke ervaring -en zelfbepaling. Deze bijzondere zedelijke ervaring is de wedergeboorte -en bekeering, S. 113. De Christen weet, dat er eene -verandering met hem heeft plaats gehad en nog voortdurend -plaats heeft, zoo dat er nu tweeërlei richting, tweeërlei ik in -hem woont, S. 120 f.; en hij is daarvan even zeker als een -kranke, die genas, zich bewust is van zijne vroegere ziekte en -zijne tegenwoordige gezondheid, S. 129. Vanuit deze ervaring der -wedergeboorte poneert hij nu vanzelf en terstond heel den inhoud -der christelijke waarheid; hij doet zoo krachtens den aard van -het hem geschonken nieuwe leven en kan zich van deze geloofswaarheid -even weinig als van zichzelven ontdoen, S. 193. In -drie kringen groepeert die christelijke geloofswaarheid zich rondom -de ervaring der wedergeboorte heen. Eerst poneert de Christen -krachtens zijn nieuw leven die geloofswaarheden, welke met het -feit der wedergeboorte rechtstreeks en onmiddellijk gegeven zijn, -n.l. de werkelijkheid der zonde, der gerechtigheid en der toekomstige -volmaking. Dit is het gebied der centrale, immanente -waarheden, die nog geheel tot het <i>zelf</i>bewustzijn des Christens -behooren. Daaromheen vormt zich een tweede kring van waarheden; -de geloovige kan n.l. dezen nieuwen toestand slechts -verklaren door de realiteit van den persoonlijken God, het bestaan -van God als Drieëenige, en de verzoening, verworven door den -Godmensch. Deze drie vormen samen de groep der transcendente -waarheden, en wijzen de factoren aan, welke die zedelijke verandering -der wedergeboorte in den Christen hebben teweeggebracht. -En eindelijk vormt zich daarom heen nog een derde kring van -waarheden, n.l. de transeunte, welke de middelen aanwijzen, -waardoor de bovengenoemde transcendente factoren de heilservaring -bij den Christen bewerken; en dat zijn kerk, woord Gods, Schrift, -sacrament, wonderen, openbaring en inspiratie. Ten slotte houdt -de christelijke zekerheid ook nog in eene bepaalde verhouding -<span class="pagenum" id="Page_436">[436]</span> -van den wedergeborene tot het natuurlijke leven, tot wereld en -menschheid, S. 191 f.</p> - -<p class="sep2">4. Deze speculatieve methode had belangrijke voordeelen boven -de apologetische van den rationalistischen tijd. De klaarheid, die -in de vorige eeuw voor den maatstaf der waarheid gehouden -werd, had de openbaring veranderd in eene leer, de kerk in eene -school, wedergeboorte in zedelijke verbetering, den gekruisten -Christus in den wijze van Nazareth. Het rationalisme had heel -de christelijke religie vervalscht. Met verachting keerden de beschaafden -zich af van openbaring en religie, van gemeente en -geloof. Er behoorde moed toe om, gelijk Schleiermacher en Hegel -deden, tot de gemeente en hare dogmata terug te gaan en daarin, -zij het ook slechts in zekeren zin, diepe religieuse waarheid te -ontdekken. Het was een betoon van zedelijke kracht, om te breken -met den rationalistischen eisch der klaarheid, om het op te -nemen voor de verachte religie der gemeente en wederom het -recht en de waarde uit te spreken van het christelijk geloof. -Meer nog, er lag in het uitgangspunt van Hegel en Schleiermacher -eene heerlijke waarheid. Denken en zijn zijn ten innigste -verwant en beantwoorden aan elkaar. Het rationalisme trachtte -de religie te rechtvaardigen voor de onbevoegde rechtbank van -het gezond verstand. Maar Hegel en Schleiermacher zagen beiden -in, dat de religie eene eigene plaats inneemt in het menschelijk -leven, dat zij eene zelfstandige grootheid vormt en daarom ook -een eigen correspondeerend orgaan eischt in de menschelijke natuur. -Hegel en Schleiermacher verschilden onderling in de aanwijzing -van dat orgaan, de een zocht het in de rede, de andere in het -gevoel. Maar beiden kwamen toch het vulgaire rationalisme te -boven en beiden wezen op de samenstemming van subject en -object. Indien zij met hun subjectief uitgangspunt niets anders -hadden bedoeld, zou hunne overwinning van het rationalisme -slechts instemming hebben verdiend. Het objectieve toch bestaat -voor ons niet dan voorzoover het tot ons bewustzijn komt. Het -is op geen andere wijze te benaderen dan door het bewustzijn -heen. En de religie is daarom ook geene realiteit voor mij, dan -inzoover ik haar in gevoel of rede, of welk haar orgaan ook -moge zijn in den mensch, heb opgenomen. Maar Hegel en -Schleiermacher hebben zich niet vergenoegd met de stelling, dat -<span class="pagenum" id="Page_437">[437]</span> -denken en zijn aan elkander beantwoorden; zij hebben beide -geidentificeerd. Deze vereenzelviging van denken en zijn is het -πρωτον ψευδος der speculatieve philosophie. Plato ging daarvan -reeds uit, als hij de ideeën voor de waarachtige wereld hield. -Cartesius nam haar over in zijn cogito ergo sum. Spinoza sprak -in denzelfden zin van eene causa sui, cujus essentia involvit -existentiam. Fichte bracht ze tot heerschappij in de nieuwere -philosophie. De groote vraag daarbij is deze: denken wij iets, -omdat het bestaat of bestaat iets, wijl wij het noodzakelijk, -logisch denken moeten? De speculatieve wijsbegeerte zei het -laatste. Maar tusschen denken en zijn moge nog zoo groote overeenstemming -bestaan; er is een niet minder wezenlijk onderscheid. -Uit het denken is geen conclusie tot het zijn, wijl het zijn van -alle schepselen geen emanatie is van het denken maar berust op -eene daad van macht. De essentie der dingen is aan het denken, -de existentie alleen aan het willen Gods te danken. Het menschelijk -denken onderstelt dus het zijn; het verheft zich eerst op -den grondslag van het geschapene; wij kunnen slechts nadenken, -wat ons voorgedacht is en door de wereld heen tot ons bewustzijn -komt. Indien men echter met de nieuwere philosophie alle -stof verwerpt, die van buiten tot ons gekomen is, en de zuivere -rede of het abstracte gevoel tot zijn uitgangspunt neemt, houdt -men niets over of hoogstens een zoo algemeen, inhoudloos en -vaag principe, dat er niets, laat staan de gansche wereld, of heel -de christelijke openbaring en religie, uit af te leiden is, cf. boven -<a href="#Page_148">bl. 148</a> v.</p> - -<p>De philosophie van Hegel was daarom niet zoo onschuldig, als -zij oorspronkelijk schijnen kon. Zij was de uitwerking en toepassing -van Fichte’s stelling, dat het ik het niet-ik poneert, dat het -subject het object schept. Schleiermacher ging in de theologie -tot dit principe terug, wijl alle autoriteit in de religie voor hem -was weggevallen, de rationeele en historische bewijzen voor het -Christendom hem niet voldeden, en God ook naar zijne meening -voor de rede onkenbaar was. Gelijk Kant door de practische -rede herstellen wilde wat hij door de kritiek der zuivere rede -had verloren, zoo zag ook Schleiermacher geen kans om de religie -te redden dan door uit te gaan van het religieuse subject, van -het gevoel, van het bewustzijn. Daaruit volgde, dat de dogmatiek -niets anders kon zijn dan beschrijving van gemoedstoestanden en -<span class="pagenum" id="Page_438">[438]</span> -dus eigenlijk thuis hoorde in de historische theologie. De theologie -werd anthropologie, pisteologie, ecclesiologie, en hield op -wat zij altijd beweerd had te zijn, kennisse Gods. Maar daarbij -kon Schleiermacher toch niet blijven staan; het is ons ook in de -religie niet om werkelijkheid maar om waarheid te doen. De -rechtvaardiging van het Christendom werd daarom in het eerste -deel der encyclopaedie opgedragen aan de philosophie. Wijl er -geen andere grond meer is, waarop het christelijk geloof rust, -krijgt de wijsbegeerte de taak om den godsdienst in zijn recht -en waarde te handhaven. De Vermittelungstheologie nam het -subjectieve uitgangspunt van Schleiermacher over, volgde het -spoor door hem voor de verdediging der religieuse waarheid -geteekend en kwam zoo vanzelve tot een verbond met de dialectische, -speculatieve methode van Hegel. Zij kon zich met de -empirische kennis van den inhoud van het christelijk bewustzijn -niet tevreden stellen. Zulk een kennis was toch geen wetenschap. -Niet het feit des geloofs alleen moest worden geconstateerd, ook -het recht en de waarheid des geloofs moest betoogd worden. En -wijl men geen ander bewijs had, werd de toevlucht genomen tot -de speculatie. De speculatieve theologie, die na Schleiermacher -opkwam, streefde naar eene hoogere kennis van het Christendom, -dan die steunde op autoriteit en verkregen werd door het geloof. -Zij was eene vernieuwing van de oude gnostiek. De christelijke -dogmata, zooals de triniteit, de menschwording, de voldoening -moesten niet maar als artikelen des geloofs beleden maar ook in -hunne noodzakelijkheid doorzien en verstaan worden. Het dat is -niet voldoende; ook het hoe en waarom moet begrepen worden. -De speculatieve Vermittelungstheologie zocht daarom aan het -lagere standpunt van het gezag te ontkomen en streefde ernaar -om het Christendom als absolute waarheid in zichzelf te doen -rusten. Zij ging wel uit van het geloof maar stelde zich het weten -ten doel. Denknoodwendigheid was haar het bewijs der waarheid.</p> - -<p>Dat deze methode noch in de philosophie noch in de theologie -tot een gewenscht resultaat zou leiden, was te voorzien en is -door de historie treffend bewezen. Weerlegging is schier overbodig. -De speculatie heeft reeds lang haar tijd gehad. De philosophie -van Hegel leidde bij Feuerbach en Strauss tot verwerping van -heel het christelijk geloof. De wijsgeerige bewerking der orthodoxe -dogmatiek door Schweizer, Scholten, Biedermann heeft de -<span class="pagenum" id="Page_439">[439]</span> -dogmatische armoede der moderne theologie slechts voor een -korten tijd bedekt. De meer rechtzinnige Vermittelungstheologie -kan met recht zich beroemen op de werken van Rothe, Dorner, -Lange, Martensen, Müller enz., die vol zijn van diepe en schoone -gedachten; maar zij heeft toch volstrekt niet beantwoord aan de -verwachting, welke zij opgewekt had. Het is haar niet gelukt, -om de dwaasheid des kruises te veranderen in eene wijsheid der -wereld; zij slaagde er niet in, om door hare diepzinnige beschouwingen -de kinderen dezer eeuw wederom voor Christus te winnen. -Integendeel, de bemiddeling liep uit op eene nog radikalere scheiding -van gelooven en weten, van theologie en philosophie, van -gemeente en wereld. De speculatie, die door een deel der Vermittelungstheologie -werd nagestreefd, ging ook uit van de onjuiste -onderstelling, dat het Christendom een logisch gedachtensysteem -was, waarvan uit het eerste lid alle volgende door denken en -redeneeren konden worden afgeleid. Maar als het zijn der dingen -in het algemeen reeds niet op het denken maar op het willen -berust; als de historie, hoezeer uitvoering van een raad Gods, -toch nog iets wezenlijk anders is dan een rekenexempel; dan is -nog veelmeer de christelijke religie onderscheiden van een logisch -gedachtenstelsel. Want het Christendom is historie, het is eene -historie van genade, en genade is iets anders en iets meer dan -eene logische conclusie. In de christelijke religie komt daarom -ook de diepste denker nooit het kinderlijk standpunt van het -gezag en het geloof te boven. Zie behalve de litteratuur, boven -<a href="#Page_151">bl. 151</a> genoemd, de art. Specul. Theol. en Theosophie in Herzog<sup>1</sup>. -Pelt, Theol. Encyklopädie 1843 S. 532 f. Rothe, Theol. -Ethik, 2<sup>e</sup> Aufl. § 1 f. J. Müller, Die christl. Lehre v. d. Sünde, -5<sup>te</sup> Aufl. I S. 1-31.</p> - -<p class="sep2">5. Afzonderlijke bespreking verdient de theologie van Dr. -Fr. H. R. Frank, hoogl. te Erlangen, † Febr. 1894. Frank -bestrijdt zoo sterk mogelijk de zoogenaamde prolegomena der -dogmatiek, System der christl. Gewissheit 2<sup>e</sup> Aufl. 1884 I 36 -f. en geeft in plaats daarvan een System der christlichen Gewissheit. -Deze titel is echter niet bijzonder duidelijk. Gewisheid, -zekerheid is een toestand der ziel en sluit als zoodanig systeem -uit. Indien gewisheid hier echter genomen wordt voor de -objecten des geloofs, waarvan de Christen zeker is, dan is System -<span class="pagenum" id="Page_440">[440]</span> -der christl. Gewissheit zooveel als System der christl. Wahrheit. -Dat kan de bedoeling niet zijn, want Frank heeft aan zijn tweede -belangrijk werk juist dezen titel gegeven. In zijn System der -christl. Gewissheit I 48 verklaart hij zich nader en zegt, dat -dit zijn systeem tot object heeft de Gewissheit, voor zoover zij -zich uitstrekt tot den zu verbürgenden Wahrheitsgehalt, d. i. de -zekerheid als psychologischen toestand met al datgene, wat zij -verzekert in zooverre als zij het verzekert. Het systeem der -christelijke gewisheid komt dientengevolge neer op een formeel -schema van de verschillende soorten en graden van zekerheid, -die uit het christelijk zelfbewustzijn ten opzichte van de geloofsobjecten -voortvloeien. Nu is het echter Franks bedoeling niet, -dat de objecten van het christelijk geloof niet vooraf zouden -bestaan en bekend zouden zijn. Hij verklaart uitdrukkelijk het -tegendeel, Gew. I 313. Hij ontkent evenmin, dat de christelijke -zekerheid ontstaan zou door het woord, Dogmatische Studien, -Erl. u. Leipz. 1892 S. 56. Hij wil die objectieve waarheden -niet afleiden uit het wedergeboren subject, ib. S. 68, 69. Meer -nog; als hij al datgene, wat uit het christelijk zelfbewustzijn -volgt, daaruit afgeleid en heel het systeem der christelijke zekerheid -ontwikkeld en voltooid heeft, dan zegt hij met duidelijke -woorden, dat er nu een omkeer volgt, en dat het laatste het -eerste wordt. De Christen heeft uit en door zijne eigene zekerheid -den objectieven grond gevonden, waarop hij met zijn geloofsleven -rust, n.l. de genade Gods in Christus, en vandaar -uit bouwt hij nu het systeem der christelijke waarheid op, Syst. -der chr. Gew. II 281 f. De bedoeling van Frank is alleen, om -antwoord te geven op de vraag: hoe komt een mensch daartoe, -om op die objectieve factoren des heils, God, Christus, de H. -Schrift, enz. zich te verlaten, om de Schrift onbepaald als Gods -woord aan te nemen, S. der chr. Gew. II 285 f. Dogm. Stud. 56. -In het systeem der christelijke zekerheid ontwikkelt Frank dus -niet zoozeer de gronden des geloofs, als wel de wegen, waarlangs -een mensch tot zekerheid komt aangaande de christelijke geloofswaarheden. -En in het algemeen zegt Frank nu, dat een mensch -deze zekerheid verkrijgt niet door historische of rationeele bewijzen -en evenmin door gezag, kerk, traditie, enz. maar alleen -door de ervaring der wedergeboorte, S. d. chr. Gew. I 314.</p> - -<p>De vraag, welke Frank zich ter beantwoording heeft voorgesteld, -<span class="pagenum" id="Page_441">[441]</span> -is dus allerbelangrijkst; zij is ook noodig en goed, want -de christelijke zekerheid spreekt niet vanzelve en is dikwerf aan -twijfel onderhevig. Ook het antwoord, dat Frank op die vraag -geeft, is tot op zekere hoogte juist. Gelijk het oog noodig is, -om het licht te aanschouwen, zoo is de wedergeboorte van noode, -om het koninkrijk der hemelen te zien. Maar er kan twijfel rijzen -of het System der christlichen Gewissheit van Frank aan deze -zijne goede bedoeling beantwoordt. En voor dien twijfel bestaat -grond. Immers is heel het systeem als zoodanig met die uitgesproken -bedoeling in strijd. Als Frank niets had willen doen -dan beschrijven, hoe de geloovige tot zekerheid komt, dan had -hij alleen den oorsprong en den aard dier zekerheid in het licht -gesteld en was hij daarmede geëindigd. Evenals de Erkenntnisstheorie -alleen de gronden ontwikkelt waarop het geloof aan de -buitenwereld rust, maar niet elk voorwerp in die wereld uit deze -zekerheid afleidt, zoo had het systeem der christelijke zekerheid -moeten volstaan met het aangeven van de gronden der zekerheid -maar niet haar inhoud moeten bespreken. Dan ware er echter -ook geen systeem in eigenlijken zin van de verschillende objecten, -waarop de zekerheid betrekking heeft, mogelijk geweest. Frank -doet echter veel meer; hij geeft een systeem. Hij leidt alle geloofswaarheden -successief, wel niet in temporeelen maar toch in -logischen, causalen zin, Gew. I 47, II 290 uit de wedergeboorte -af. Hij laat den Christen uit de ervaring der wedergeboorte -allengs komen tot alle christelijke dogmata, „alsof” hij er vroeger -en langs anderen weg niets van wist. Zoo doet Frank met alle -dogmata, van zonde, schuld, God, drieëenheid, menschwording, -opstanding, enz. Wij krijgen den indruk, alsof al deze waarheden -buiten Schrift en kerk om door den Christen uit zijne wedergeboorte -kunnen worden afgeleid. Frank verwart onophoudelijk -met elkander de causa essendi en de causa cognoscendi, den -objectieven grond der geloofswaarheid en den subjectieven weg, -waarlangs iemand tot zekerheid daarvan komt. Hij verwisselt en -vereenzelvigt objectieve waarheid en subjectieve zekerheid. Meermalen -drukt hij zich zoo uit, alsof de wedergeborene de objectieve -geloofswaarheden eenvoudig krachtens zijne geestelijke -ervaring als realiteiten poneert, Gew. I 94, 193. Hij spreekt van -eene Autonomie des christlichen Subjektes als Garanten der -Wahrheit, I 151.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_442">[442]</span> -6. Dit alles wortelt bij Frank in eene eigenaardige Erkenntnisstheorie. -Hij gaat een goed eind mede met het idealisme der -nieuwere philosophie, I 58 f. Het object is als object, d. i. voor -het subject slechts aanwezig door die Setzung durch das Subject, -ib. 61. Wel erkent Frank de realiteit der objectieve wereld, zij -het ook niet in empiristischen en sensualistischen zin, ib. 59, 60. -Maar onze kennis heeft het nooit te doen met het Ding an und -für sich, maar altijd met het Ding für uns. Dat wij aan het -object een bestaan op zichzelf toekennen, komt daar vandaan, -dat wij ons genoodzaakt zien, om het object zoo en niet anders -te poneeren. Beide richtingen, zoowel het empirisme als het -idealisme, doen dat; zij verschillen alleen in de wijze, waarop -zij het doen, ib. 61. Zekerheid is daarom altijd zekerheid aangaande -een object. Zij bestaat juist hierin, des Objectes inne zu -sein als der Wahrheit, ib. 63. Wij komen door deze redeneering -niet verder, dan dat onze geest zoo ingericht is, dat hij de objectieve -realiteit der voorwerpen, waarvan hij zeker is, moet aannemen; -of de menschelijke geest dit echter terecht doet en niet -aan hallucinatie lijdt, is voor Frank geen vraag. De noodwendigheid -der Setzung is voor hem de laatste grond der objectieve -realiteit. De zekerheid is hem niet essentieel maar erkenntnisstheoretisch -de waarborg der waarheid. De realiteit is wel zijnsgrond -der zekerheid, maar deze is kengrond der realiteit.</p> - -<p>Deze Erkenntnisstheorie past Frank ook toe op het christelijk -geloof. De objectieve waarheden en feiten van het Christendom -gaan wel essentieel en causaal aan het geloof vooraf, maar in -erkenntnisstheoretischen zin volgen zij er op. Evenals hij nu in -de philosophie het zelfbewustzijn van den mensch tot uitgangspunt -neemt, zoo gaat hij in de theologie uit van het zelfbewustzijn -van den Christen, van de ervaring der wedergeboorte. -Maar tegen dit uitgangspunt en tegen deze methode zijn vele -bezwaren. a) Deze wedergeboorte van den Christen en evenzoo -al zijne andere geestelijke ervaringen, ingesloten zelfs zijne zekerheid, -zijn niet spontaan in den Christen ontstaan, maar staan -van den beginne af en bij den voortduur in verband met de -objectieve factoren van Schrift, kerk, enz. Frank erkent dat zelf -meermalen, I 123, 124, 191, enz.; maar ten onrechte maakt -hij de geestelijke ervaring dan apriori van die objectieve factoren -los, om ze op zichzelve te stellen en in zichzelve te doen rusten. -<span class="pagenum" id="Page_443">[443]</span> -Het uitgangspunt van Frank, n.l. de zekerheid des Christens, -is eene loutere abstractie; die zekerheid rust van den aanvang -af en altijd door op de objectieve, van buiten tot den geloovige -komende factoren des heils. b) Door, gelijk boven werd -opgemerkt, in het System der chr. Gew. II 281 f. te erkennen, -dat de orde nu omkeert, geeft Frank zelf toe, dat de wedergeboorte -geen genoegzame zekerheid biedt voor de objectieve waarheid -van het christelijk geloof. Want indien de objectieve, causale -orde inderdaad zoo is, als Frank die in zijn System der christlichen -Wahrheit aangeeft, n.l. zoo, dat het objectieve voorafgaat, -dan moet deze ook de orde zijn van heel het systeem. Het -systeem moet afdruk zijn van de zijnsorde, niet van de wijze, -waarop iemand tot kennis en zekerheid komt van de objectieve -waarheid. Want deze wijze is zoo verschillend, dat ze voor geen -systematische beschrijving vatbaar is, cf. boven <a href="#Page_50">bl. 50</a>. c) De -methode, waarnaar Frank de objectieve dogmata uit de zekerheid -des Christens construeert, is eene, die in de christelijke religie -en theologie niet past. Zij is ontleend aan de speculatieve philosophie. -Evenals deze haar uitgangspunt nam in een algemeen, -van alles geabstraheerd, vaag principe; zoo is het van alle -objectieve factoren losgemaakte zelfbewustzijn van den Christen, -zijne zekerheid an sich, het cogito ergo sum, het δος μοι που στω -voor Frank. Daaruit concludeert hij allereerst tot de immanente -geloofswaarheden. Vervolgens roept hij de methode der natuurwetenschap -te hulp en besluit regressief uit het gevolg tot de -oorzaak en wil het nieuwe leven des Christens geheel naar -empirische methode verklaren, I 39. Zooals de natuurkundige -door de spectraalanalyse de chemische bestanddeelen van de zon -tracht te leeren kennen, zoo beproeft Frank het leven der wedergeboorte -door ontleding tot zijne objectieve factoren te herleiden, -I 315. De Christen, nadenkende over zijn geestelijk leven, kan -het niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat God -drieëenig is, dat Christus mensch geworden is en voldaan heeft, -enz. d) Deze methode is ook met alle christelijke ervaring in -strijd. Zoo kwam nooit eenig Christen tot zekerheid aangaande -de objectieve waarheid. Zij gaat geheel buiten de werkelijkheid -om. Bovendien is zij onpractisch, want in twijfel en ongeloof -mist de Christen juist die zekerheid, welke alleen volgens Frank -hem de objectieve waarheid van zijn geloof waarborgen kan. In -<span class="pagenum" id="Page_444">[444]</span> -zulke tijden heeft hij juist een objectief woord, eene objectieve -daad van noode, welke hem staande houdt en waaraan hij zich -vastklemmen en uit de diepte des twijfels en der aanvechting -wederom opheffen kan. e) Eindelijk zijn er nog verschillende -andere bedenkingen in te brengen tegen het systeem van Frank. -Zoo lijdt de overgang van het natuurlijk tot het geestelijk weten -en evenzoo het verband tusschen beide bij Frank aan onduidelijkheid. -De onderscheiding van een tweeërlei ik in den wedergeborene -is voor allerlei misverstand vatbaar; in de wedergeboorte -wordt geen nieuw ik in den mensch geschapen maar het ik van -den psychischen mensch vernieuwd. De splitsing van de dogmatiek -in een systeem der zekerheid en een systeem der waarheid is -niet vol te houden, wijl de zekerheid des Christens niet beschreven -kan worden zonder de waarheid, welke zij geldt. Maar -het bovenstaande is genoeg, om te doen zien, dat de beschuldiging -van subjectivisme, al is ze ook vaag, niet geheel ten -onrechte tegen de theologie van Frank, evenals tegen die van -Ritschl ingebracht is. Cf. over Frank: Henri Bois, De la certitude -<ins id="cor_46" title="chritienne">chrétienne</ins>. Essai sur la théologie de Frank, Paris Fischbacher -1887. O. Flügel, Die spekulative Theol. der Gegenwart -2<sup>e</sup> Aufl. 1888 S. 188 f. Dr. A. Carlblom, Zur Lehre von der -christl. Gewissheit, Leipzig 1874. Dorner, Christl. Glaubenslehre -I 1879 S. 37 f. Pfleiderer, Die Entwicklung der protest. Theol. -usw. 1891 S. 183 f. Polstorff, Der Subjektivismus in der modernen -Theologie und sein Unrecht, Gütersloh 1893. Gottschick, Die -Kirchlichkeit der s. g. kirchl. Theol. 1890 S. 110 f. Ernst -Haack, Ueber Wesen und Bedeutung der christl. Erfahrung, -Schwerin 1894.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 16. <span class="smcap">De ethisch-psychologische methode.</span></h3> - -<p>1. Naast de historische bewijzen en de speculatieve redeneering -bestaat er nog eene derde manier, waarop men het christelijk -geloof heeft zoeken te rechtvaardigen; en dat is de ethisch-psychologische -methode. Deze vat het Christendom niet op als eene -leer, die gedemonstreerd, of als een historisch feit, dat bewezen -kan worden; maar als eene religieus-ethische macht, die zich -<span class="pagenum" id="Page_445">[445]</span> -richt tot hart en geweten. Zij meent daarom ook niet, dat het -Christendom aan ieder mensch zonder onderscheid en in alle -omstandigheden aannemelijk kan worden gemaakt, maar zij eischt -in den mensch eene voorafgaande zedelijke gesteldheid, een zin -voor het goede, eene behoefte aan verlossing, een gevoel van -onvoldaanheid enz. En als het Christendom dan met zulk een -mensch in aanraking komt, beveelt het zichzelf zonder redeneering -en bewijs aan zijne conscientie als goddelijke waarheid aan. -Want het bevredigt zijne religieus-ethische behoeften, het beantwoordt -aan zijne hoogere, edele inspiratiën, het verzoent hem met -zichzelf, het bevrijdt hem van de schuld en den last der zonde, -het schenkt hem vrede, troost, zaligheid, en in dit alles bewijst -het zich als de kracht en de wijsheid Gods.</p> - -<p>Ook deze bewijsvoering voor de waarheid van het Christendom -is reeds zeer oud. Tertullianus beriep zich al op het getuigenis, -dat de ziel onwillekeurig voor Christus aflegt, de test. an. 1. cf. -Apol. c. 17. Arnobius, adv. gentes II, 2. Bij vele Apologeten -vinden we de gedachte, dat de heidensche philosophie en mythologie -onbekwaam zijn, om een bevredigend antwoord te geven op -de vragen naar God, mensch en wereld; om aan de religieuse -behoeften te voldoen en een waarlijk zedelijk leven te kweeken. -Het Christendom daarentegen omvat al het ware en goede, dat -er verstrooid ook nog in de heidenwereld aanwezig was; het -geeft stof aan het denken, het vernieuwt het hart, het kweekt -allerlei deugden; het Christendom is de ware philosophie. Ὁσα -οὐν παρα πασι καλως εἰρηται, ἡμων των χριστιανων ἐστιν, -Just. Mart. Apol. II 13. cf. Harnack, D. G. I 421 f. 436 f. -Evenzoo wijst Duns Scotus in den proloog voor zijne Sententiae -op de redelijkheid van den inhoud der openbaring, op hare -zedelijke werking en op hare genoegzaamheid voor den mensch, -om zijne bestemming te bereiken. De argumenten, door Roomsche -en Protestantsche theologen voor de waarheid der openbaring -aangevoerd, waren niet alleen ontleend aan de wonderen en voorspellingen -enz.; maar ook aan de schoonheid en majesteit van -den stijl der Schrift, aan de onderlinge overeenstemming van al -hare deelen, aan de verhevenheid en goddelijkheid van haar inhoud, -aan de werking en invloed, die er van de christelijke religie -uitgegaan was op het verstandelijk, zedelijk, aesthetisch, sociaal -en politiek leven van den enkele en van gezinnen en volken, -<span class="pagenum" id="Page_446">[446]</span> -Bellarminus, de Conc. et Eccl. lib. 4. cap 11 sq. Perrone, Praelect. -Theol. I 129 sq. Jansen I 158 sq. 269 sq. Hake, Handbuch -der allgem. Religionswiss. 1887 II 228 f. Calv. Inst. I c. -8. Maresius, Syst. theol. loc. I § 31. Synops. pur. theol. Disp. 2. -§ 17 sq. 25. Vitringa, Doctr. christ. relig. cap. 2 § 26-29. -Hoornbeek, Theol. pract. I p. 48. Quenstedt, Theol. didact-pol. -I cap. 3 sect. 2 qu. 16. Glassius, Philol. Sacra I tract. 3. etc. -Zelfs Rousseau kon in zijn Emile aan het leven en de leer van -Jezus zijn lof niet onthouden: oui, si la vie et la mort de Socrate -sont d’un sage, la vie et la mort de Jesus sont d’un Dieu. Het -supranaturalisme verdeelde de bewijzen voor het Christendom in -uit- en inwendige, en verstond onder de laatste juist die, welke -de overeenstemming van het Christendom met de redelijke en -zedelijke natuur des menschen aantoonden en vooral voor zijn -hart en geweten van kracht waren. Ook de theologen van deze -richting zagen in, dat de bewijzen toch niet voor ieder mensch -zonder onderscheid voldoende waren, dat zij geen mathematische -maar moreele zekerheid verschaften, en daarom ook eene zekere -zedelijke gesteldheid van ’s menschen zijde onderstelden, Knapp, -Glaub. I S. 71 f. Bretschneider, Dogm. I S. 281 f. Id., Entwicklung -aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4<sup>e</sup> Aufl. S. 219-230. -Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. § 38. Vinke, Theol. Christ. -Dogm. Comp. p. 17 sq. Voigt, Fundamentaldogm. S. 269 f. -Oosterzee, Dogm. I bl. 199. 234 v. 252 v. Gretillat, Exposé de -theol. systém. II 163 s. 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinb. -1892 p. 42.</p> - -<p>Vooral echter is de ethisch-psychologische methode in eere -gekomen door Pascal en Vinet. Bij beiden stond ze echter nog -niet met de historische bewijsvoering in tegenstelling. De historische -bewijzen vormen zelfs in de apologie van Pascal een noodzakelijk -element en werden door hem zelf zeer hoog gewaardeerd, -Wijnmalen, Pascal als bestrijder der Jezuiten en verdediger des -Christendoms 1865 bl. 164-188. Maar hij gaf toch aan die -historische bewijzen eene andere plaats en beteekenis. Zijne apologie -is anthropologisch, ze gaat uit van de ellende des menschen, en -wil bij hem eene behoefte naar verlossing wekken. En dan toont -ze aan, dat die behoefte niet in de heidensche godsdiensten en -in de wijsgeerige stelsels bevrediging vindt maar alleen in de -door Israëls godsdienst voorbereide christelijke religie. En ook -<span class="pagenum" id="Page_447">[447]</span> -Vinet versmaadde de historische bewijzen niet, Discours sur quelques -sujets religieux, 6<sup>e</sup> ed. Paris 1862 p. 29. Essais de philos. -morale et relig. 1837 p. 36 s., maar hij acht ze toch onvoldoende -en hecht grooter waarde aan het inwendig bewijs. Hij -wil, dat de apologeet den ethischen weg bewandele en het Christendom -van zijne ethische zijde, als de ware humaniteit, aan het -geweten des menschen aanbevele, cf. zijn l’Evangile compris par -le coeur in de Discours t. a. p. p. 29-41, en Le regard, in -zijne Etudes Evangéliques 1847, cf. Dr. J. Cramer, Alex. Vinet, -Leiden, Brill 1883 bl. 99 v. 117 v. Sedert is deze methode, -met verwaarloozing en soms zelfs met minachting van de historische -bewijzen, overgenomen en gehuldigd door Astié, De theol. -des verstands en de theol. des gewetens, uit het Fransch door -D. Ch. de la Saussaye 1866. Pressensé, Les Origines, Paris 1883 -p. 114-128. Sécrétan, La civilisation et la croyance, Paris, -Alcan 1887, Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. bl. 55 v. 64 v.; -en voorts vinden we deze zelfde bewijsvoering voor het Christendom -bij Delitzsch, System der christl. Apol. Leipzig 1869 S. 30, -34 f. Baumstark, Christl. Apol. auf anthropol. Grundlage I -1872 S. 34-36. Köstlin, Die Begründung unserer sittlich-relig. -Ueberzeugung, Berlin 1893 S. 58 f. enz.</p> - -<p class="sep2">2. Verwant aan deze methode is het moreel bewijs, gelijk -het door Kant is voorgedragen. Kant nam twee bronnen voor -onze kennis aan, de Sinnlichkeit voor de stof, en het verstand -voor den vorm onzer kennis. Maar daarboven staat nu nog de -rede, de reine Vernunft, wier apriorische synthetische Grundsatz -deze is, dat zij uit het Bedingte tot het Unbedingte opklimt, Kr. -d. r. Vern. ed. Kirchmann 5<sup>te</sup> Aufl. S. 300, cf. 310, 312, 319, -347. Krachtens deze eigenaardigheid vormt de theoretische rede -verschillende Grundsätze of ideeën, ib. 308, die absoluut, unbedingt, -transcendent zijn en door de rede niet willekeurig, maar -overeenkomstig hare natuur worden voortgebracht, ib. 312 f. Die -ideeën zijn vooral een drietal, God, vrijheid en onsterfelijkheid, ib. -317 f. Deze ideeën kunnen echter niet in hare objectieve waarheid -aangetoond, maar slechts subjectief uit de natuur der rede afgeleid -worden. De objecten dier ideeën zijn niet waarneembaar, en dus -niet kenbaar. Wij komen tot die ideeën alleen door een nothwendigen -Vernunftschluss, ib. 321. Ze zijn alle drie theoretisch onbewijsbaar. -<span class="pagenum" id="Page_448">[448]</span> -Zij vermeerderen onze kennis niet, maar regelen en ordenen ze -slechts, en doen ons alles zoo aanzien en beschouwen, „alsob” -die ideeën realiteit hadden, ib. 337, 425, 512, 530, 535, 537, -539, 540 f. Dat ze realiteit hebben en wat ze zijn, kan ons de -theoretische rede niet leeren. Maar nu is de rede niet alleen -theoretisch maar ook practisch. Dat is: ze draagt eene zedelijke -wet, een kategorischen imperatief in zich en houdt ons den plicht -voor. En zij eischt, dat we dien plicht onvoorwaardelijk, zonder -bijbedoeling, alleen uit achting voor dien plicht als zoodanig -volbrengen zullen. Zij openbaart dus, dat de mensch nog tot eene -andere orde dan die der natuur behoort, n.l. tot eene zedelijke -wereldorde; dat hij naar een hoogste goed heeft te streven, hetwelk -de zinnelijke goederen des levens ver te boven gaat en in -niets anders bestaat dan in de eenheid van deugd en geluk. Indien -dit gebod van den plicht nu geen illusie maar uitvoerbaar is, -en het hoogste goed, de eenheid van deugd en geluk, werkelijk -eens bereikt zal worden; indien m. a. w. de zedelijke wereldorde -in ons en buiten ons eenmaal zal triumfeeren over de orde der -natuur; dan moet God, de vrijheid, de onsterfelijkheid bestaan. -Deze drie zijn dus postulaten der practische rede, haar realiteit -wordt door de zedewet geëischt, de practische rede heeft haar -bestaan noodig, Kr. der prakt. Vernunft, ed. Kirchmann, 3<sup>e</sup> Aufl. -1882. S. 159 f.</p> - -<p>Dat is in hoofdzaak de beroemde postulaatstheorie van Kant. -Maar zij is niet boven kritiek verheven. Ten eerste is het niet -helder, wie deze postulaten uit de practische rede afleidt. Kant -schijnt te meenen, dat de practische rede zelve dit doet. Maar -dan komen er twee practische reden, eene voorafgaande en eene -volgende, eene die den plicht voorhoudt en eene die daaruit door -redeneering tot het bestaan der ideeën besluit. De practische rede -wordt dan zelve weer theoretisch, Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. -325, 328. Van meer gewicht is eene andere bedenking, welke -toch de grond zij, waarop de theoretische of practische rede tot -het bestaan dier ideeën besluit; wat is het dringend motief voor -die postulaten? Indien die grond, dat motief ligt in de practische -rede op zichzelve, in den kategorischen imperatief, in het gebod -van den plicht als zoodanig; dan kan ook de meest zedelooze uit -het verschijnsel van die practische rede tot de realiteit dezer drie -ideeën besluiten. Nu schijnt het soms, alsof Kant dit werkelijk -<span class="pagenum" id="Page_449">[449]</span> -meent. Hij geeft meermalen den indruk, alsof de practische rede -op zichzelve, zonder meer, om zich te kunnen realiseeren, deze -postulaten stellen moet. Hij zegt niet alleen, dat ieder zedelijk -ontwikkeld mensch bevoegd is, om zoo te postuleeren, maar dat -het voor elk redelijk wezen onvermijdelijk is, om zoo te besluiten; -dat de onderstellingen van het bestaan van God, vrijheid en -onsterfelijkheid even noodwendig zijn als de zedewet zelve, Kr. -d. pr. V. 173 noot; en hij betoogt juist S. 146 f. 149 f. dat -de zedewet, om uitvoerbaar te zijn, die drie ideeën als bestaande -moet aannemen. Maar, indien dit Kants meening is, dan hebben -we hier niet met psychologisch bemiddelde maar met objectief -logische postulaten te doen; en de vraag rijst, waarom is zulk -een logisch postulaat dan toch geen weten, geen element der -theoretische rede? Waarom noemt Kant dit weten alleen practisch? -Er pleit daarom meer voor om te denken, dat de grond -en het motief voor deze postulaten niet ligt in de practische rede -op zichzelf, maar in de zedelijke gezindheid, in den zedelijken wil -van den mensch, die ernstig, zij het ook met zwakheid, aan den -plicht, welken de practische rede hem voorschrijft, tracht te gehoorzamen. -Daarom verklaart hij in de Kr. d. r. Vernunft S. -638 f., dat de moralische Glaube een voor waar houden is op -psychologische, moreele gronden; daarom zegt dit zedelijk geloof -niet, het is zeker, maar ik ben moreel zeker; daarom rust het -op de Voraussetzung moralischer Gesinnungen, ib. 639. En evenzoo -zegt hij, Kr. d. pr. V. S. 172: der <i>Rechtschaffene</i> darf -sagen; ik wil dat er een God is, ik laat mij dit geloof niet -ontnemen, mijn zedelijk belang vordert het bestaan van God; en -S. 173: het moreele geloof is geen gebod, een geloof, dat geboden -wordt, is een onding; en S. 173-175: het plichtbesef is -objectief en evenzoo de mogelijkheid om zedelijk te handelen en -gelukkig te zijn; maar of dat verband tusschen deugd en geluk -nu gelegd wordt door een persoonlijk God of door den samenhang -der natuur, weten wij niet. Het zedelijke belang geeft hier -den doorslag; het staat in unserer Wahl, maar de practische -Vernunft beslist voor het geloof aan een wijzen Schepper der -wereld. Inderdaad is er bij Kant een dubbel streven merkbaar, -eenerzijds om de redelijkheid en andererzijds om de vrijheid van -het geloof te handhaven. Het geloof aan God, vrijheid en onsterfelijkheid -is in zooverre objectief als het gepostuleerd wordt door -<span class="pagenum" id="Page_450">[450]</span> -de aan allen eigene practische rede, maar hangt toch ook weer -af van de zedelijke gezindheid van den individueelen mensch. -Cf. over de practische Vernunft en de postulaatstheorie van Kant -o. a. Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, 6<sup>e</sup> Aufl. -I 610-625. J. Gottschick, Kants Beweis für das Dasein Grottes -1878. E. Katzer, Der moralische Gottesbeweis nach Kant und -Herbart, Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S. 482-532, 635-689. -B. Pünjer, Gesch. der christl. Religionsphil. II S. 19-30. Fr. -Paulsen, Was uns Kant sein kann, Separat-Abdruck aus der -Vierteljahrsschrift für wiss. Philos. V S. 57 f. Rauwenhoff, -Wijsbeg. v. d. godsd. 321 v. Leendertz, Het ethisch-evangelisch -standpunt en het christ.-godsd. geloof 1891 I 215 v.</p> - -<p class="sep2">3. De beteekenis van Kant voor de theologie bestond voornamelijk -daarin, dat hij scheiding maakte tusschen phaenomenon -en noumenon, erklärbare en erlebbare Wirklichkeit, wereld van -’t zijnde en van de Werthe, weten en gelooven, wetenschap en -religie, theoretische en practische rede. De religie kwam naast -en buiten de wetenschap te staan, en rustte op een eigen grondslag, -op dien van ’s menschen zedelijke natuur. Reeds terstond -was de invloed van Kants philosophie op de theologie merkbaar. -Het supranaturalisme betoogde op grond van de onkenbaarheid -van het bovenzinlijke de noodzakelijkheid der openbaring. Het -rationalisme sloot zich aan bij de rationeele moraal en de moralistische -religie van Kant. Schleiermacher nam Kant’s leer van -de onkenbaarheid van het bovennatuurlijke en zijne scheiding van -religie en wetenschap over, maar zocht voor de religie eene -veilige schuilplaats in het gevoel. Maar vooral nadat de ijdelheid -der historisch-apologetische en der speculatieve bewijsvoering -gebleken was, gingen velen naar Kant terug. Hier te lande geschiedde -dit reeds door Hoekstra. Onbevredigd door het intellectualisme -en determinisme van Scholten, zocht hij den grondslag -van het godsdienstig geloof met Kant in de practische rede -en hare postulaten. Het geloof is volgens Hoekstra een zedelijke -daad van den wil, een postulaat van onzen inwendigen geestelijken -mensch tegenover de levenservaringen; het rust op het geloof -aan de waarheid van ons eigen innerlijk wezen. Die wereldbeschouwing -is alleen de ware, welke aan ons innerlijk wezen, aan -onze zedelijke behoeften beantwoordt, Bronnen en grondsl. van -<span class="pagenum" id="Page_451">[451]</span> -het godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 45 v. Later heeft Hoekstra -in een artikel in het Theol. Tijdschr. 1872 bl. 1 v. zijne gedachte -nader gepreciseerd, en het godsdienstig geloof gegrond -niet op onze behoeften, idealen, aspiratiën in het algemeen, maar -bepaald op het onvoorwaardelijk plichtbesef, ib. 32, cf. Wijsgeerige -Godsdienstleer I 220. In aansluiting aan Hoekstra laten -Ph. R. Hugenholtz, Studien op godsdienst- en zedekundig gebied, -Amst. 1884-89, bv. II 142 v. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. -335 v. Leendertz, Het ethisch-evang. standpunt en het christ. -godsd. geloof. Rott. 1891 I 7, 10, 57 v. en anderen het godsdienstig -geloof wortelen in het zedelijk zelfbewustzijn. De ethische -modernen zijn nog een stap verder gegaan; afziende van de -poging om tot een wijsgeerig stelsel te komen, hebben ze geloof -en wetenschap zoo scherp mogelijk gescheiden en de religie tot -het gebied van het zedelijke beperkt. Religie is zedelijk idealisme, -toewijding aan het zedelijk ideaal, geloof aan de macht van het -goede, welke macht dan volgens de meesten nog wel een objectief -bestaan heeft, maar bij enkelen niets is dan eene conceptie van -den menschelijken geest. Cf. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. -bl. 116 v., 366 v., die bl. 116 ook litt. aangeeft. Voorts nog -J. W. v. d. Linden, in de Gids, Dec. 1883 en Bijblad van de Herv. -9 Sept. 1887. Dr. A. Bruining, Verschillende schakeeringen van -modernen, Bijblad v. d. Herv. 10 Febr. 1885. De Bussy, Ethisch -idealisme 1875. Id. Over de waarde en den inhoud van godsd. -voorstellingen 188O. Id. De maatstaf van het zedelijk oordeel, -enz. 1889. Id. Theol. Tijdsch. Jan. 1895 bl. 1-14. Een soortgelijk -dualisme wordt ook aangetroffen bij Dr. J. H. Gunning, -Overlevering en wetenschap 1879, Dr. J. W. Gunning, in de -inleiding voor Christendom en Natuurwetenschap, acht voordrachten -van Fred. Temple, Haarlem 1887, en eveneens bij -Doedes, als hij scheiding maakt tusschen het geloof, dat op -gronden steunt en de wetenschap, die op bewijzen rust, Inl. tot -de Leer van God 1880 bl. 7 v.</p> - -<p class="sep2">4. In Duitschland dagteekent de terugkeer tot Kant van Liebmann’s -boek over Kant und die Epigonen 1865 en F. A. Lange’s -Geschichte des Materialismus 1866. Cf. Hans Vaihinger, Hartmann, -Dühring und Lange, Iserlohn 1876 S. 18 f. 54 f. usw. -Ed. von Hartmann, Neukantianismus, Schopenhauerianismus und -<span class="pagenum" id="Page_452">[452]</span> -Hegelianismus, 2<sup>e</sup> Aufl. 1877 S. 1-118. In de theologie werd -het Kantianisme vernieuwd door Ritschl en Lipsius. De principia -der theologie van Ritschl en zijne school zijn deze: allereerst -moet er eene scheiding gemaakt worden tusschen metaphysica -en religie (theologie). Het metaphysisch begrip van het Absolute -heeft niets te maken met de religieuse Godsidee, Ritschl, Theol. -u. Metaph. 1881 S. 13. Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 201 f. 211 f. 221 f. -Herrmann, Die Religion im Verhältniss zum Welterkennen und -zur Sittlichkeit, Halle 1879 trok de scheiding nog verder door, -en maakte onderscheid tusschen het object der metaphysica en -der religie, ib. S. 100, tusschen de erklärbare en de erlebbare -Wirklichkeit, S. 100, 107, tusschen de natuurlijke en de zedelijke -wereld, S. 269, 355. Cf. ook Kaftan, Das Wesen der christl. -Religion, Basel 1881 S. 200. Vervolgens heeft de theologie haar -standpunt niet te nemen vóór het geloof, in eene theologia naturalis, -die niet bestaat, maar in het geloof der gemeente. Van -daar moet ze uitgaan en alles beschouwen en waardeeren, Ritschl, -Theol. u. Metaph. S. 11 f. 61. Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 364 III 2-8, -13, 32, 162, 165, 198, 304, 356 f. De orthodoxie liet aan de -fides salvifica, d. i. de fiducia, nog wel de fides historica, den -assensus voorafgaan, maar dat was in strijd met de oorspronkelijke -leer der Hervorming bij Luther, Melanchton en Calvijn. -Op die wijze zou het geloof altijd weer afhangen van uitwendige -bewijzen, bestaan in het aannemen van eenige waarheden, en van -alle vrijheid, zelfstandigheid en zekerheid worden beroofd, Ritschl, -Fides implicita, Bonn, 1890 S. 69. Gottschick, Die Kirchlichkeit -der sogenannten kirchl. Theol. Freiburg, 1890 S. 11-53, 69 f. -Traub, Glaube u. Theol., Stud. u. Krit. 1893, 3<sup>tes</sup> Heft S. -568-588. Herrmann, Die Gewissheit des Glaubens und die -Freiheit der Theol., Freiburg 1887, 2<sup>e</sup> Aufl. 1889. Id. Der -Verkehr des Christen mit Gott, Stuttgart 1886 S. 18 f. 83 f. -92 f. 2<sup>e</sup> Aufl. 1892. Id. Der evang. Glaube und die Theol. Albr. -Ritschls 1890. Id. in Beweis des Glaubens 1890. Kaftan, Brauchen -wir ein neues Dogma, 1890, S. 37. Id. Glaube u. Dogma. -Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick 1891 S. 478 f. cf. 1893 -S. 427 f. Kattenbusch, Ueber religiösen Glauben im Sinne des -Christ. Giessen 1887. In de derde plaats tracht de theologie van -Ritschl het zaligmakend geloof te binden aan de historische openbaring -in den persoon van Christus. Het geloof is juist als fiducia -<span class="pagenum" id="Page_453">[453]</span> -niet aannemen van eene leer maar vertrouwen op een persoon. -Maar dan komt het geloof natuurlijk niet vanzelf uit den mensch -op, maar onderstelt het een object en eenige voorafgaande kennis -van dat object. Herrmann erkent zelfs dat de notitia eene Vorbedingung -des Glaubens is, Verkehr des Christen mit Gott, 2<sup>e</sup> -Aufl. S. 182. Zeits. f. Theol. u. K. von Gottschick IV, 4<sup>tes</sup> Heft -S. 273. Op welken grond staat nu dat object, die historische -openbaring in Christus, vast? Van waar komt de zekerheid aangaande -hare realiteit? Het antwoord, dat op die belangrijke vraag -door de Ritschlianen gegeven wordt, is zeer verschillend. Ritschl -zelf geeft eigenlijk geen antwoord. Hij verwijst den enkelen -mensch naar de gemeente, die de ervaring heeft van de vergeving -der zonden en van het kindschap Gods, maar zegt niet, wat den -individueelen mensch nopen moet om bij die gemeente zich aan -te sluiten. Alleen grondt hij het bestaan Gods en de redelijkheid -der christelijke wereldbeschouwing op de zelfwaardeering des geestes, -Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 200 f. 209 f. 573 f. Zijne volgelingen slaan -echter gewoonlijk andere wegen in en laten de waarheid der openbaring -in Christus rusten op de innerlijke ervaring. De aanschouwing -van Christus treft ons door zijne zedelijke grootheid; Hij maakt -op het onbevangen gemoed een diepen indruk, verootmoedigt -maar heft ook op tot het vertrouwen dat God onze Vader is, -Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886 S. 18 f. 26 f. -Beweis des Glaubens 1890 S. 81 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit -der sogen. kirchl. Theol. 1890 S. 222, 226. Traub, Stud. u. -Krit. 1893, S. 577. cf. Köstlin, Die Begründung unserer sittl. -relig. Ueberzeugung 1893, S. 98 f. Frank, Dogmatische Studien -1892, S. 46 f. Herrmann bestrijdt zoo sterk mogelijk, dat historische -bewijzen ons overtuigen kunnen van de waarheid van den -persoon van Christus; hij laat de historische kritiek ook volkomen -vrij en onttrekt haar niets, maar hij zegt toch dat de -Christus extra nos de grond is van zijn geloof, Zeits. f. Theol. -u. K. 1894, IV 4<sup>tes</sup> Heft S. 281; hij spreekt van eene zweifellose -Thatsache, S. 280; vindt dat de grondtrekken van het beeld -van Jezus geen twijfel aan de historische werkelijkheid van Jezus -toelaten, S. 285, en erkent deze objectieve waarheid niet op grond -van bewijzen, maar omdat hij de macht van het leven van Jezus -over zich gevoeld en doorleefd heeft, S. 288; omdat Jezus’ leven -de kracht heeft, sich unserm Gewissen als eine wirkliche Thatsache -<span class="pagenum" id="Page_454">[454]</span> -zu bezeugen, S. 293. En alleen dat is inhoud des geloofs, -wat de kracht heeft sich dem Gewissen als wirkliche Thatsache -zu bezeugen, S. 293. Eene diepere ontleding van de waarheid en -zekerheid des geloofs wordt ons in de school van Ritschl niet -gegeven; de indruk, dien de persoon van Christus op ons maakt, -de kracht die er van het evangelie uitgaat in ons gemoed, de -zedelijke ervaring van deemoed en vreugde, de overeenstemming -van de idee van het Godsrijk met onze behoeften en eischen, -Kaftan, Die Wahrheit der chr. Relig. Basel 1889 S. 537 f., schijnt -voor de waarheid der openbaring in den persoon en het leven van -Christus in te staan. Eindelijk wordt de inhoud des geloofs in -de theologie van Ritschl tot een minimum gereduceerd. Ritschl -zeide, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 369 cf. 191 f. alle Erkenntnisse -religiöser Art sind directe Werthurtheile. Ook de philosophie -waardeert wel. Maar daar zijn de Werthurtheile bijkomstig en -begeleidend. In de religie zijn ze zelfstandig; berusten ze op -’s menschen lust of onlust, op zijn wel of wee; hebben ze betrekking -op zijne verhouding tot de wereld, en zijn onafhankelijk -van de wetenschap. Als de wetenschap zich dus houdt op haar -terrein en geene wereldbeschouwing tracht op te bouwen, dan is -er geen strijd mogelijk, Ritschl, Theol. u. Metaph. 7, 9. Rechtf. -u. Vers. III<sup>2</sup> 189-197. Fides implicita S. 68, 70. Herrmann -ging nog verder en sprak zelfs uit, dat de werkelijkheid des geloofs -voor de wetenschap eene inbeelding was, Die Religion -usw. S. 108, 112. Maar toch hebben Ritschl en Herrmann -de historische openbaring Gods in Christus als grondslag en -bron van het godsdienstig geloof vastgehouden en in zoover de -religie niet alleen in Werth- maar ook in Seinsurtheile laten bestaan. -Het was ook al te duidelijk, dat het religieuse kennen -evengoed de overtuiging insluit van de realiteit van zijn object -als het wetenschappelijk kennen. Werthurtheile zijn van Seinsurtheile -afhankelijk of anders niets dan inbeelding. Kaftan, Das -Wesen der christl. Religion S. 35 f. 41 f. 55 f. erkent dan ook, -dat de Werthurtheile de objectieve waarheid onderstellen, al laat -hij in erkenntnisstheoretischen zin deze ook van gene afhangen. -En Häring, Die Theol. und der Vorwurf der doppelten Wahrheit -1886 zegt wel, dat practische, zedelijke gronden ons bewegen tot -het geloof, maar voegt er toch aan toe, dat het christelijk geloof -den waarborg voor de waarheid van het geloofde niet in -<span class="pagenum" id="Page_455">[455]</span> -zichzelf draagt, want wenschen is geen bewijs voor de vervulling -van den wensch; maar dat het dien waarborg vindt in -het historisch feit van de openbaring Gods in Christus, cf. -Häring ook Zur Lehre von der h. Schrift, Stud. u. Krit. 1893, -1<sup>es</sup> Heft S. 177-212, vooral S. 199 f. Vandaar, dat anderen er -op wijzen, dat, al moge er nog zooveel in de Schrift voor de -kritiek bezwijken, er toch nog genoeg vast blijft staan. Die ganze -Erscheinung Christi kan toch niet onhistorisch zijn. Het geloof is -van de bovennatuurlijke geboorte van Christus, Harnack, Das -apost. Glaubensbekenntniss, Berlin, 1892, van de opstanding, -Harnack, Dogmengesch. I<sup>2</sup> 73 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit -usw. S. 90, van de wonderen onafhankelijk. Eerst als het historisch-kritisch -onderzoek ons zou willen ontnemen, dat Christus -onze Heer is, dan zou het christelijk geloof daartegen in verzet -komen, cf. Otto Ritschl, Der histor. Christus, der christl. Glaube -u. die theol. Wissenschaft, Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick -III 4, 5<sup>tes</sup> Heft S. 371 f., Traub, Stud. u. Krit. 1893, -S. 577 f. Erich Haupt, Die Bedeutung der h. Schrift für den -evang. Christen, 1891. Max Reischle, Der Glaube an Jesus -Christus und die geschichtliche Erforschung seines Lebens, Leipzig -1893. Van de rijke litt. over de theologie van Ritschl en -zijne school zij alleen genoemd Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl -1888. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theol., Jahrb. f. prot. Theol. -April 1889 S. 162 f., ook afzonderlijk uitgeg. te Braunschweig -bij Schwetske. Id. over Herrmann, Kaftan en Bender, Jahrb. f. -prot. Theol. 1891 S. 321-383. Id. Entw. der prot. Theol. 1891 -S. 228 f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart 1888 S. -230 f. Frank, Die Theol. A. Ritschl’s 3<sup>e</sup> Aufl. Erl. 1891. Flügel, -Ritschl’s philos. und theol. Ansichten, 2<sup>e</sup> Aufl. 1892. G. Mielke, -Das System A. Ritschl’s dargestellt, nicht kritisirt, Bonn Marcus -1894. Saussaye over Ritschl, Theol. Stud. van Dr. Daubanton -1884 bl. 259 v. en mijn art. aldaar 1888 bl. 369 v.</p> - -<p class="sep2">5. Een zelfde standpunt wordt eindelijk ook ingenomen door -R. A. Lipsius, Lehrbuch der ev. prot. Dogm. 1876, 2<sup>e</sup> Aufl. -1879, 3<sup>e</sup> Aufl. 1893. Dogmatische Beiträge, Jahrb. f. prot. -Theol. 1878, ook afzonderlijk uitgegeven Leipzig, Barth, 1878. -Neue Beiträge, Jahrb. f. prot. Theol. 1885, en afzonderlijk uitgegeven -onder den titel Philosophie und Religion, Leipzig 1885. -<span class="pagenum" id="Page_456">[456]</span> -Die Hauptpunkte der christ. Glaubenslehre, Jahrb. f. prot. Theol. -1889 S. 1-41, en afzonderlijk uitgegeven Braunschw. 1889, -2<sup>e</sup> Aufl. 1891. Ook Lipsius beperkt de wetenschap tot het gebied -der in- en uitwendige ervaring, Lehrb. der ev. prot. Dogm. § 1. -Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 181 f. 1889 S. 1 f. Maar nu -erkent Lipsius toch, in onderscheiding van Ritschl en Herrmann, -nog eenig recht der metaphysica. Onze rede gevoelt behoefte en -drang om uit de ervaringswereld op te klimmen tot een unbedingten -Grund, en vormt zoo de begrippen van het Absolute, -de ziel enz., Jahrb. 1885 S. 200, 278 f. 372, 395, ib. 1889 S. 3. -Onze geest streeft naar eenheid, Jahrb. 1885 S. 283. Maar dit -metaphysisch of philosophisch denken is geen eigenlijke wetenschap -meer, het produceert geen positieven inhoud, het vermeerdert -ons waarheidsbezit niet, gelijk Biedermann meent; het levert -slechts Formbestimmingen, Grundbegriffe, regulative Prinzipien, -Jahrb. 1885 S. 275-283. Wanneer wij er toch eenigen inhoud -in willen leggen en er transcendente kennis door willen verkrijgen, -dan dragen wij er zinnelijke vormen op over, en wikkelen we -ons in eene antinomie. De logische en de symbolische opvatting -van het metaphysische strijden met elkaar, Jahrb. 1885 S. 281-283, -ib. 1889 S. 4. Langs dezen weg is er dus geen kennis van -het bovenzinlijke te bekomen. Maar er is nog een andere weg, -die der praktische, sittliche Nöthigungen. De mensch is n.l. een -denkend maar ook een willend en handelend wezen, en hij gevoelt -zich gedrongen, om zich als zoodanig tegenover de wereld te -handhaven. Uit den Widerspruch tusschen ’s menschen geest en -de natuur wordt bij hem de religie geboren. Deze is eene practische -aangelegenheid des geestes, en ontstaat niet allereerst uit -theoretische maar uit practische behoeften. De practische, ethische -drang, om zich in zijn bestaan te handhaven, dringt den mensch -tot het geloof aan God, tot het postuleeren van eene bovenzinnelijke -wereld. Het geloof begint dus, waar de wetenschap ophoudt, -Jahrb. 1885 S. 377 f. 557 f. Dit geloof brengt eene eigen zekerheid -mede, geen wetenschappelijke maar moreele zekerheid, een -zekerheid van ervaring, berustend op de erlebte Gewissheit van -mijn eigen persoon, Jahrb. 1885 S. 385 f. 438 f. Voor een -ander is deze zekerheid misschien niets dan inbeelding, maar -voor het subject zelf is ze gewis, ib. 387 f. Zoodanige ervaring -is ook het eenig criterium voor de waarheid der christelijke -<span class="pagenum" id="Page_457">[457]</span> -religie, der openbaring in Christus. De toeëigening der historische -openbaring tot persoonlijk bezit is het eenige directe bewijs voor -de waarheid der christelijke religie. De persoonlijke ervaring der -geloovigen bevestigt de historische openbaring, gelijk deze gene -wekt en versterkt, Jahrb. 1885 S. 600 f. En de Christen, alzoo -geloovende, doet dan belijdenis van bovenzinlijke realiteiten; in -de dogmata geeft hij niet maar eene beschrijving van gemoedstoestanden -en Werthurtheile, maar Seinsurtheile over de verhouding -van den mensch tot God en van God tot mensch en wereld. -Deze religiöse Aussagen zijn objectief waar, indien ze in onverbrekelijk, -denknoodwendig verband staan met de verwezenlijking -van onze hoogste levensbestemming. Niet toevallige, maar wel -noodwendige Werthurtheile bewijzen de objectieve waarheid der -religieuse uitspraken, Jahrb. 1885 S. 440, 445. Voor den geloovige -zelven zijn deze bewijzen voldoende; en tegenover niet-geloovigen -heeft hij nog altijd een indirect apologetisch bewijs -daarin, dat practische Nöthigungen den mensch tot religie dwingen; -de religie is geen dwang, geen natuurmacht, maar is practisch, -psychisch noodzakelijk, en is in zoover in ’s menschen wezen gegrond, -Jahrb. 1885 S. 627 f. 639 f. Dogmatisch heeft de geloovige -bovendien nog de taak, om den geloofsinhoud met al -zijne kennis van de wereld saam te voegen tot één geheel. -Herrmann heeft gelooven en weten zoo streng mogelijk en ten -einde toe gescheiden gehouden. Maar Lipsius laat beider inhoud -wel opkomen uit eene eigen bron, maar wil dien dan toch ten -slotte saamvatten in eene einheitliche Weltanschauung. De dogmatiek -kan den geloofsinhoud wel niet bewijzen en het gelooven -niet tot weten verheffen, maar ze kan en moet de christelijke, -de teleologische wereldbeschouwing in verband brengen met de -causale wereldbeschouwing, met de van elders verkregen kennis -der wereld, en ze heeft dan aan te toonen dat er geen strijd is, -dat het conflict slechts schijnbaar is, dat er inderdaad eenheid is. -Al behelzen de dogmata geen wetenschappelijke waarheid, geen -theoretische Erkenntnisse; al zijn ze alle bildlich en anthropomorphistisch; -ze mogen toch niet in strijd zijn met de vaste -resultaten der wetenschap. De eenheid van onzen geest verbiedt -het aannemen van eene dubbele waarheid. De religieuse Godsidee -en het begrip van het Absolute, vrijheid en noodwendigheid, -teleologische en causale wereldbeschouwing enz. moeten vereenigbaar -<span class="pagenum" id="Page_458">[458]</span> -zijn, Jahrb. 1885 S. 648 f. 658 f. 662 f. ib. 1889 S. 6. -Dogm. § 3. Cf. over Lipsius o. a. Ed. von Hartmann, Die Krisis -des Christ. in der mod. Theol. Berlin 1880 S. 69 f. Biedermann, -Christl. Dogm. 1884 I 58 f. 160 f. Flügel, Die spekul. Theol. -der Gegenwart 1888 S. 95 f. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. -1891, S. 241 f. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 enz.</p> - -<p class="sep2">6. Deze ethische, practische methode tot rechtvaardiging van -religie en Christendom verdient zeker verre de voorkeur boven -de historische en speculatieve bewijsvoering. Zij vat de religie -niet enkel op als leer, die voor het verstand moet gerechtvaardigd -worden, noch als een toestand van het subject, die denkend -ontleed moet worden. Maar ze ziet in de religie eene historische, -objectieve macht, die aan de zedelijke gesteldheid van den mensch -beantwoordt en daarin haar bewijs en hare rechtvaardiging vindt. -Maar toch is ook deze methode aan ernstige bedenkingen onderhevig. -In de eerste plaats is de overeenstemming van eene religie -met de zedelijke behoeften des menschen zeer zeker van groote -beteekenis. De bevrediging van hart en geweten is het zegel en -de kroon der religie. Een godsdienst, die niet troosten kan in -rouw en smart, in leven en sterven, kan de ware godsdienst niet -zijn. Van andere wetenschappen, logika, mathesis, natuurkunde, -enz. verwachten we niet, dat zij troost zullen bieden aan de -schuldige conscientie en het bedroefde gemoed. Maar eene religie, -die aan krank- en sterfbed verlegen staat, die het twijfelende -niet bevestigen en het nedergebogene niet oprichten kan, is dien -naam niet waard, Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 4 f. De -zoo dikwerf gemaakte tegenstelling tusschen waarheid en troost -hoort in de religie niet thuis. Eene waarheid, die geen troost -bevat, die niet samenhangt met het religieus-ethische leven van -den mensch, houdt daardoor ook op eene religieuse waarheid te -zijn. Gelijk de medische wetenschap in al hare onderdeelen beheerscht -wordt door de genezing van het kranke, zoo is het in -de religie den mensch om vrede en zaligheid te doen. Maar hoe -hoog deze troost in de religie ook moge geschat worden en hoezeer -hij met andere bewijzen als een krachtig motivum credibilitatis -in aanmerking mag komen; toch is hij, alleen en op zichzelf -gesteld, als bewijs onvoldoende. Immers, eenige troost en bevrediging -is er te vinden in alle religies; de ervaringen van -<span class="pagenum" id="Page_459">[459]</span> -ellende en schuld, van twijfel en vertrouwen, van lijdzaamheid -en hope zijn niet alleen bij de Christenen, maar ook in meerdere -of mindere mate bij Mohammedanen, Buddhisten, enz. aanwezig. -Eene religie, die geen troost biedt en geen bevrediging schenkt -aan de zedelijke behoeften van den mensch, is zeker valsch; -maar omgekeerd is nog niet elke religie de ware, waarin de -mensch zijn troost en zijne bevrediging zoekt. Voorts zijn de -behoeften van hart en geweten, waaraan eene of andere religie -voldoet, of zelve onder den invloed dier religie gewekt, en dan -is hare bevrediging vrij natuurlijk en een weinig krachtig bewijs; -of ze zijn buiten die religie om, onder andere invloeden en onder -de werking van een anderen godsdienst, ontstaan, en dan is juist -die eigenaardige behoefte, welke deze religie onderstelt, niet -aanwezig en de bevrediging ontbreekt geheel. Van eene onbewuste -aspiratie der ziel naar het Christendom wordt in de werkelijkheid -schier niets gevonden. Van eene rijpheid der volken voor het -Evangelie leert de geschiedenis der zending bitter weinig. Het -Evangelie is niet naar den mensch, niet naar de behoeften, gelijk -de mensch die zelf zich voorstelt. Buiten de openbaring kent ook -de mensch zichzelven niet. De menigmaal herhaalde bewering, -dat het Christendom aan ’s menschen behoeften beantwoordt, -brengt het ernstig gevaar met zich, dat de waarheid pasklaar -gemaakt wordt voor de menschelijke natuur. De stelling, dat de -waarheid echt menschelijk is omdat ze goddelijk is, slaat zoo -licht in het tegendeel om, dat ze slechts goddelijk is omdat ze -menschelijk is. De prediking naar den mond in plaats van naar -het hart van Jeruzalem is ook op christelijke kansels niet ongewoon. -Vervolgens is de ervaring, in welke het bewijs voor de -waarheid der religie gezocht wordt, een zeer zwevend begrip. -Wat is er dan toch in eene historische religie, dat werkelijk -inhoud van ervaring kan zijn? Ervaren worden eenige religieus-ethische -aandoeningen van schuld, berouw, vergiffenis, dankbaarheid, -vreugde, enz. Maar al het andere, dat in eene historische -religie voorkomt, valt buiten de ervaring. Voor geen enkel der -twaalf geloofsartikelen kan het: ik geloof door het: ik ervaar -vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en aarde, dat -Christus is Gods eengeboren Zoon, ontvangen van den H. Geest, -geboren uit Maria, enz., enz., is uitteraard voor geen ervaring -vatbaar. Op den grondslag der religieus-ethische ervaring kan -<span class="pagenum" id="Page_460">[460]</span> -nimmer de waarheid van het historische Christendom worden -gebouwd. Gevolg van deze verheffing van de ervaring tot principium -cognoscendi is dan ook alleen, dat de inhoud van geloof -en dogmatiek hoe langer hoe meer van al het historische wordt -losgemaakt en tot het zoogenaamd religieus-ethische beperkt wordt. -Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de reeds -meermalen te vergeefs beproefde scheiding tusschen idee en feit -in het Christendom. De vrucht kan echter niet langer geplukt -worden, als de boom wordt omgehouwen; en het frissche, heldere -water stroomt niet meer, wanneer de bron wordt gestopt.</p> - -<p class="sep2">7. In plaats van in de bevrediging van hart en geweten, -hebben anderen in zoogenaamde Werthurtheile den inhoud en -het bewijs der christelijke religie gezocht. Toch is dit slechts een -andere naam voor dezelfde zaak. Indien daarmede nu niets anders -bedoeld werd, dan dat een dogma altijd eene religieus-ethische -waarde bevatten moest, zou niemand tegen deze Werthurtheile -eenig bezwaar kunnen inbrengen. In elk dogma moet men gelijk -vroeger reeds gezegd werd, het hart der religie hooren slaan. -Maar in de theologie van Ritschl kregen deze Werthurtheile eene -geheele andere beteekenis. Van al het metaphysische losgemaakt, -werden ze de grondslag en de inhoud der dogmatiek. En dat is -onmogelijk. Religie sluit de overtuiging in van de realiteit van haar -object. Religieuse en ethische waardeering onderstelt de waarheid -van den persoon of de zaak, op welke zij betrekking heeft. Werthurtheile -zijn daarom van Seinsurtheile afhankelijk; zij staan -en vallen met deze. Indien de waardeering van een voorwerp niet -in zijne realiteit is gegrond, wordt zij niets dan eene inbeelding, -eene schepping der phantasie of eene ideaalvorming in den zin -van Lange en Pierson. Het gaat daarom niet aan, om te zeggen: -laten de feiten zoo of anders zijn, de waardeering beslist; want -met de feiten verandert ook deze. Indien Israels volk en godsdienst -zich zoo ontwikkeld heeft, als de nieuwere kritiek het -voorstelt, moet de waardeering van het Oude Testament principieel -worden gewijzigd. Eene moderne historiebeschouwing en -eene orthodoxe waardeering passen slecht bij elkaar. Indien Christus -niet waarachtig God is, dan kan hij ook voor den Christen -niet de waarde van God hebben. En zoo is het met alle dogmata. -Religieuse waardeering staat met de objectieve waarheid in het -<span class="pagenum" id="Page_461">[461]</span> -nauwste verband. Er zouden heel wat nevelen verdwijnen, als -naar Biedermann’s wensch het Modestichwort: Werthurtheile -gebannen werd. Cf. ook Scheibe, Die Bedeutung der Werthurtheile -für das relig. Erkennen, Halle 1893. O. Ritschl, Ueber -Werthurtheile, Freiburg Mohr 1895. Langzamerhand wint de -overtuiging veld, dat religieus-ethische ervaring en waardeering, -van hoe groot gewicht ook, toch niet de waarheid van haar object -kunnen waarborgen noch ook de maatstaf kunnen zijn voor den -inhoud der dogmatiek. Ook psychologisch is deze voorstelling -niet te rechtvaardigen. Want de beslissing over de realiteit der -dingen komt niet toe aan wil of gevoel, aan hart of geweten, -maar aan het bewustzijn. Eerst als de realiteit van een ding voor -het bewustzijn vaststaat, kunnen de andere vermogens der ziel -daarmede werkzaam worden. Het wenschen, gevoelen, ervaren, -verbeelden sluit in geenen deele in de realiteit van hunne objecten. -De weg tot het hart ligt gebaand door het hoofd.</p> - -<p>Toch hebben velen, ofschoon de zwakheid inziende van het -ervarings- en waardeeringsbewijs, er nog iets van trachten te redden -door middel van de postulaatstheorie van Kant. Men geeft dan -wel toe, dat de zedelijke natuur des menschen niet mag doen -besluiten tot de realiteit van allerlei godsdienstige voorstellingen -of ook tot de waarheid der christelijke religie; maar toch wordt -aan haar het recht ontleend, om het werkelijk bestaan te postuleeren -van al datgene, wat met die zedelijke natuur noodwendig -samenhangt, en zonder hetwelk zij ondermijnd en vernietigd wordt. -Maar waarin dit bestaat, kan niemand aangeven; de gevoelens -loopen verre uiteen. Wie kan ook in het afgetrokkene bepalen, -wat met de zedelijke natuur des menschen onmiddellijk en rechtstreeks -gegeven is? Bij ieder is die zedelijke natuur verschillend -naar gelang van de omgeving, waarin zij gevormd is. Elk postuleert -juist zooveel, als waaraan hij voor zijne religie genoeg heeft. -Kant leidde uit de practische rede datgene af, wat den inhoud -uitmaakte van zijne moralische Vernunftreligion, het bestaan van -God, vrijheid en onsterfelijkheid. Fichte had genoeg aan de zedelijke -wereldorde. En Rauwenhoff beweert, dat het geloof in onszelf -noodwendig postuleert het geloof aan eene zoodanige gesteldheid -van de wereld, dat de wet van het plichtbesef daarin heerschen -kan, Wijsb. v. d. godsd. bl. 343. Waarin deze gesteldheid bestaat, -wordt ons niet nader gezegd. De zedelijke wereldorde, door -<span class="pagenum" id="Page_462">[462]</span> -Rauwenhoff gepostuleerd, is niets anders dan het goede in ons, -bl. 536 v. Maar daarmede komen we geen stap verder. Want -deze macht van het goede is ook thans reeds in den mensch -aanwezig en valt geheel saam met die zedelijke natuur, op welke -juist het postulaat was gebouwd. Of het postulaat nog iets meer -insluit, bijv. dat het goede triumfeeren zal, dat eens alle menschen -het zullen kunnen en willen volbrengen, daarover wordt het -zwijgen bewaard. Rauwenhoff verwacht dezen triumf van het -goede, maar op welken grond, zegt hij niet. Indien echter de -tegenwoordige gesteldheid der wereld bestaanbaar is met de -heerschappij der zedewet in ons, waarom zou zij het dan ook niet -kunnen zijn in de toekomst? Wat recht geeft de zedelijke natuur -van den mensch, om aan het eind de volkomen zegepraal van -het goede, de harmonie van deugd en geluk, de overeenstemming -van natuurlijke en zedelijke wereldorde te eischen? Bij Rauwenhoff -is de postulaatstheorie daarmee geeindigd, dat zij tot het -punt van uitgang is teruggekeerd; zij gaf aan het eind niet meer -dan zij reeds bevatte in het begin. Maar afgezien van hare povere -resultaten, rijst de vraag, of de grondslag betrouwbaar is, waarop -het postulaat wordt gebouwd? Voor den modernen godsdienstwijsgeer -is dit niet boven alle bedenking verheven. In de religie -wil hij van eene oorspronkelijke religieuse natuur des menschen -niet weten. Dat ware met eene wetenschappelijke verklaring in -strijd. De religie moet afgeleid worden uit factoren, die elk op -zichzelf nog niet religieus zijn. Maar toegekomen aan de zedelijke -natuur van den mensch, schijnt hij den eisch zijner wetenschappelijke -verklaring geheel te vergeten. Zonder zich te bekommeren -om de bezwaren, van de zijde der materialistische wetenschap -ingebracht, gaat hij van de zedelijke natuur des menschen -als van eene vaststaande, onveranderlijke, oorspronkelijke eigenschap -uit en bouwt daarop de realiteit eener zedelijke wereldorde of -zelfs van eene geheele metaphysische wereld. Het recht daartoe -had ten minste moeten aangetoond zijn. Indien dit onderzoek -vooraf ware ingesteld, zou misschien gebleken zijn, dat de zedelijke -natuur van den mensch zelve reeds de religie onderstelt. In -erkenntnisstheoretischen zin moge men evenals bij het moreel -bewijs voor het bestaan van God uit het zedelijke opklimmen -tot het religieuse; logisch en reëel gaat toch de religie aan het -ethische vooraf. Er is geen moraal zonder metaphysica. De idee -<span class="pagenum" id="Page_463">[463]</span> -van plicht involveert die van eene absolute macht, die bindt in -de conscientie. Over Rauwenhoff’s Wijsb. v. d. godsd. wordt litt. -opgegeven door Kuenen in zijn Levensbericht van R., Maatsch. -v. Ned. Lett. 1889 bl. 126, en daarbij de Bussy, Gids Oct. -1889. Cannegieter, De godsdienst uit plichtsbesef enz. Leiden 1890.</p> - -<p class="sep2">8. Een laatste bezwaar tegen de bovengenoemde richting bestaat -daarin, dat zij altijd komen moet tot een zeker dualisme -van gelooven en weten. Sommigen hebben dit zeer kras uitgesproken. -De scholastiek eindigde in de Middeleeuwen bij enkele -theologen met de stelling, dat iets in de theologie waar en in -de philosophie valsch kon zijn. Jacobi beleed een heiden met het -verstand maar een christen met het hart te zijn. Herrmann noemde -de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap eene inbeelding. -De ethische modernen eischten eene volledige scheiding tusschen -wijsbegeerte en godsdienstig leven. De meesten durven echter -zoover niet gaan en zien de onmogelijkheid in, om als wijsgeeren -neen en als godsdienstige menschen ja te zeggen. Zij erkennen, -dat er aan het eind toch samenstemming moet bestaan tusschen -de uitspraken des geloofs en de resultaten der wetenschap. De -wijsbegeerte moge de godsdienstige voorstellingen niet kunnen -rechtvaardigen; zij moet er toch ook niet de onwaarheid van -kunnen aantoonen. Beide, de uitkomsten van het wetenschappelijk -onderzoek en de uitspraken van het godsdienstig geloof moeten -tot één geheel verbonden kunnen worden of althans zonder strijd -en vijandschap naast elkander kunnen bestaan. Deze overeenstemming -aan ’t eind, in de resultaten, tracht men dan daardoor -te verkrijgen, dat men eenerzijds de wetenschap in betrekking -tot het bovenzinlijke en bovennatuurlijke agnostisch maakt, en -aan de andere zijde de uitspraken van het godsdienstig geloof -strikt tot het religieus-ethische beperkt. Maar al tracht men op -die wijze het dualisme in het resultaat te vermijden, feitelijk -blijft men het toch huldigen in het orgaan, waardoor en den -weg of de methode, waarlangs men tot kennis der waarheid komt. -Het hart is op zijn terrein evengoed een orgaan voor de waarheid -als het hoofd. Godsdienstig-zedelijke ervaring waarborgt de realiteit -der onzienlijke dingen even sterk als de zinnelijke waarneming -die der zichtbare wereld. Het geloof met zijn gronden heeft evenveel -recht als de wetenschap met hare bewijzen. Maar het is -<span class="pagenum" id="Page_464">[464]</span> -moeilijk in te zien, hoe men aan het dualisme, dat men bij den -aanvang, in principe aanvaardt, in het eind bij het resultaat ontkomen -kan. Indien hoofd en hart een eigen leven hebben, in -dien zin, dat zij elk een zelfstandig orgaan vormen tot kennis -der waarheid, dan is ook de eenheid van de waarheid, van de -wereld, ja van God zelven, niet meer te handhaven. Gelijk subjectief -de mensch in tweeën uiteenvalt, en eenerzijds een godsdienstloos -wezen is, ingesloten in het natuurverband, en andererzijds -een religieus-ethisch wezen, burger van eene zedelijke wereldorde; -zoo staan objectief wetenschap en religie, erklärbare en -erlebbare Wirklichkeit, de wereld van het zijn en van de waardeering, -de zienlijke en de onzienlijke dingen, de absolute natuurmacht -en de religieuse Godsidee gescheiden naast en straks vijandig -tegenover elkaar.</p> - -<p>Nu ligt er ongetwijfeld in dit dualisme eene zekere waarheid, -die niet miskend worden mag. Er is n.l. behalve eene logische, -ook nog eene zekerheid des geloofs. Maar deze onderscheiding is, -gelijk later blijken zal, eene gansch andere dan de scheiding, -welke door het boven omschreven dualisme wordt voorgesteld. -Deze tweeërlei zekerheid toch deelt noch den mensch noch de -wereld in twee helften, maar maakt in den kring der wetenschap -zelven onderscheid tusschen datgene wat onmiddellijk en wat door -middel van bewijzen tot onze kennis komt. Maar het dualisme, dat -in de nieuwere philosophie tot heerschappij is gekomen, laat al het -geschapene in twee geheel gescheiden kringen uiteenvallen, en is -daardoor in strijd met de eenheid van ’s menschen geest, met de -eenheid der wetenschap en der waarheid, met de eenheid der wereld, -met de eenheid van het goddelijk Wezen zelf. Daarom is het ook -niet in staat, om gelooven en weten met elkander te verzoenen; -veeleer doet het den strijd tusschen beide nog toenemen. Het geloof -immers kan met die scheiding niet tevreden zijn, wijl het al -het historische en metaphysische, waar het altijd in meerdere of -mindere mate mede samenhangt, zich ontnomen ziet, en daarom -of van de wetenschap geheel afhankelijk wordt of in het vage, -mysterieuse gevoel zich terugtrekken moet. En de wetenschap -kan er geen vrede bij hebben, omdat de beslissing over de realiteit -der dingen opgedragen wordt aan eene faculteit, die daartoe ten -eenenmale het recht en de bevoegdheid mist. Beide, geloof en -wetenschap, laten zich niet op die wijze beperken. Zij grijpen -<span class="pagenum" id="Page_465">[465]</span> -ieder oogenblik op elkander in. Het kan ook geen goede eisch -zijn, dat de religieuse mensch ophoude God te dienen, als hij -aan de wetenschap zich wijdt, of de man van wetenschap zijn -denken het zwijgen oplegge, als hij het terrein der religie betreedt, -cf. boven <a href="#Page_29">bl. 29</a>, <a href="#Page_155">155</a> v.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 17. <span class="smcap">Het geloof.</span></h3> - -<p>1. Uit het voorafgaand onderzoek is ons duidelijk geworden, -dat het principium internum der christelijke religie en theologie -niet gelegen kan zijn in het verstand, de rede of het hart van -den psychischen mensch. Noch bewijzen noch redeneeringen noch -ook overeenstemming met ’s menschen behoeften zijn in staat, om -ons te overtuigen van de diviniteit der religieuse waarheid. Op -ieder terrein, en zoo ook in de religie behoort het principium -internum aan het principium externum te beantwoorden; het moet -daarmede van gelijke natuur zijn. Gelijk het licht alleen waar -te nemen is door het oog, zoo kan de goddelijke waarheid alleen -erkend worden door hem, die Gode verwant en zijn beeld is. -Alle bovengenoemde richtingen hebben dit in meerdere of mindere -mate beseft. Zelfs zij, die de waarheid der christelijke religie -verstandelijk wilden bewijzen, oordeelden toch, dat er van ’s menschen -zijde eene zekere zedelijke gesteldheid noodig was, om de -kracht dier bewijzen te gevoelen. Pascal beproefde in het eerste -deel zijner apologie den mensch tot kennis zijner ellende te brengen -en de behoefte bij hem op te wekken naar verlossing en vrede. -Door en na Schleiermacher zijn de meeste theologen tot het -inzicht gekomen, dat de religie van eene eigene natuur is en -daarom ook door een eigen orgaan in den mensch moet worden -gekend. De poging, om dat orgaan te vinden in de rede, het -geweten, het hart, het gevoel was reeds eene schrede op den -goeden weg, en verdiende verre de voorkeur boven het rationalistisch -streven, om de godsdienstige waarheid te betoogen voor -het nuchter verstand. Maar toch was daarmede nog niet genoeg -gedaan. Indien er geen zonde ware, zou de mensch in zichzelf -het vermogen bezitten, om de waarheid van de leugen te onderkennen -even helder als het oog het licht onderscheidt van de -<span class="pagenum" id="Page_466">[466]</span> -duisternis. Maar niemand kan beweren, dat dit het geval is. De -zonde heeft den mensch verduisterd in het verstand en bedorven -in den wil. De onreine van hart kan God niet zien. Daarom is -noodig, dat objectief de waarheid ons zuiver te gemoet trede en -dat subjectief ons oog voor die waarheid worde geopend. De -Schrift gaat hiervan uit. Zij onderwerpt zich niet aan het oordeel -van den natuurlijken mensch; want alleen de geestelijke mensch, -de wedergeborene, kan de dingen des Geestes Gods en van het -koninkrijk der hemelen onderscheiden. Daarom behoudt de Schrift -zelve het recht en de macht zich voor, om den mensch tot erkenning -harer waarheid te brengen. Ze doet dat op geestelijke -wijze, niet door bewijzen en redeneeringen maar in den weg eener -geestelijke ervaring, door de onderwijzing des H. Geestes. Er is -daarom niet alleen eene openbaring Gods in Christus buiten ons, -maar ook eene verlichting des H. Geestes in ons; nadat God -door den Zoon tot ons heeft gesproken, is de H. Geest gekomen -om ons te leiden in de waarheid. God gaf niet alleen eene Schrift, -die de objectieve openbaring volkomen bevat, maar stichtte ook -eene kerk, welke het woord Gods verstaat en als waarheid belijdt. -Het is om die reden ook met het wezen der christelijke religie -in strijd, om haar waarheid te laten afhangen van het onderzoek -en de uitspraak van den zondigen mensch. De dogmaticus heeft -zijn standpunt te nemen niet vóór of buiten, maar midden in het -geloof. De methodische twijfel van Bacon en Cartesius is noch -in de philosophie noch in de theologie op zijne plaats. Twijfel -moge hoogstens aanleiding zijn om de waarheid te gaan zoeken, -het geloof alleen doet ze vinden; geloof is altijd de diepste grond -van den arbeid der wetenschap, Snellen, Bijblad v. d. Herv. -26 Febr. 1895 bl. 5. Voetius trok daarom terecht te velde tegen -de theologia dubitans van Cartesius, Disp. Sel. III 825-870. -A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek 1861 bl. 192 v. -Het is eene verkeerde methode, als de wijsgeer van zijne natuurlijke -zekerheid en de dogmaticus van zijn geloof zich ontdoet, -eer hij met den wetenschappelijken arbeid een aanvang maakt. -Zulk eene methode is niet alleen onpractisch maar laadt op den -man van wetenschap ook den schijn, alsof zijne overtuiging en -zijn geloof werkelijk op die gronden rust, die zijn denken hem -achterna vinden doet. Cartesius vond een vast uitgangspunt in -het cogito ergo sum. Maar niemand zal meenen, dat hij daarmede -<span class="pagenum" id="Page_467">[467]</span> -den laatsten en diepsten grond van het geloof aan zijn -eigen bestaan heeft genoemd. Ook al werd de onjuistheid van -deze thesis hem aangetoond, hij zou toch even vast aan zijn -eigen bestaan blijven gelooven als vóór dien tijd. Evenmin als -de wijsbegeerte de natuurlijke zekerheid ter zijde mag stellen, -kan de dogmaticus zijne positie nemen buiten het geloof, waarin -hij menigmaal al van der jeugd aan is opgevoed. De wetenschap -heeft haar object niet te scheppen, maar te verklaren. De christelijke -theologie heeft daarom een subjectief uitgangspunt. Zij -neemt haar standpunt in de gemeente, die de waarheid Gods -gelooft en belijdt. Een ander standpunt is er niet. Rome zoekt -er wel naar maar kan het niet vinden. De Reformatie heeft ook -het zoeken ernaar nagelaten; zij ging uit van het geloovig subject. -En toen de theologie van het rationalisme en het supranaturalisme -dit standpunt had prijsgegeven, is de nieuwere theologie -door en na Schleiermacher schier in al hare richtingen tot dit -reformatorisch beginsel teruggekeerd. Heel de theologie is ethisch -geworden, in dien zin dat ze ernst heeft gemaakt met de stelling, -dat alleen de wedergeborene het koninkrijk Gods ziet en dat -alleen, wie Gods wil wil doen, erkennen kan of Jezus’ leer uit -God is. Schier alle theologen nemen thans hun standpunt in het -geloovig bewustzijn, in de wedergeboorte, in de religieuse ervaring. -Er is in dit alles eene merkwaardige overeenstemming. De beschuldiging -van subjectivisme tegen dit standpunt is geheel misplaatst. -Er is nergens, in geen enkele wetenschap, een ander -uitgangspunt. Het licht onderstelt het oog, de klank is alleen -waarneembaar voor het oor. Al het objectieve bestaat voor ons -slechts door bemiddeling van het subjectief bewustzijn. Zonder -bewustzijn is de gansche wereld dood voor mij. Eene objectiviteit -te begeeren, die niet subjectief bemiddeld ware, is een onmogelijke -eisch. Tusschen het zijn der dingen en ons eigen zijn blijft altijd -de waarneming instaan. Het subjectieve uitgangspunt heeft dus -de theologie met alle wetenschap, ja met alle verhoudingen, die -er bestaan tusschen mensch en wereld, gemeen. De beschuldiging -van subjectivisme krijgt dan eerst recht van bestaan, wanneer het -subjectief orgaan, dat onmisbaar is tot waarneming van het objectief -bestaande, tot principium der kennis verheven wordt. Het oog -moge onontbeerlijk orgaan wezen voor de waarneming van het -licht, het is er toch niet de bron van. Het is juist de fout van -<span class="pagenum" id="Page_468">[468]</span> -het idealistisch rationalisme, dat het het orgaan met de bron der -kennis vereenzelvigt, boven <a href="#Page_149">bl. 149</a>. Het denken is niet de bron -van het gedachte, de voorstelling niet de oorzaak van het ding, het -ik niet de schepper van het niet-ik; en zoo kan ook het geloof, -de wedergeboorte, de ervaring niet de bron onzer religieuse kennis -en niet het beginsel onzer theologie zijn. Hoezeer de nieuwere -theologie dus terecht haar standpunt neemt in het subject, ze -dwaalt, als zij daarom onder invloed der idealistische wijsbegeerte -de theologie in anthropologie, ecclesiologie, godsdienstwetenschap -verandert. In zooverre heeft Ritschl te recht de bewustzijnstheologie, -die algemeen na Schleiermacher was opgekomen, teruggeroepen -naar de objectieve, historische openbaring in Christus.</p> - -<p class="sep2">2. Meestentijds wordt in de Schrift, althans in het N. Testament, -dit principium internum aangeduid met den naam van -geloof. Ook wedergeboorte, reinheid des harten, liefde tot Gods -wil, de Geest Gods worden in de Schrift als principium internum -voorgesteld, Mt. 5:8; Joh. 3:3, 5, 7:17; 1 Cor. 2:12 enz. -Toch verdient de naam van geloof ter aanduiding van dit principium -de voorkeur. Niet alleen, omdat het geloof in de Schrift -het meest als zoodanig op den voorgrond treedt. Maar vooral -ook, omdat het begrip geloof ons plaatst op het terrein van het -bewustzijn en daarbij den samenhang bewaart met de wijze, waarop -we op ander gebied tot kennis komen. Vroeger zagen we, dat -de menschelijke rede nooit en nergens bron is der kennis. Aangeboren -begrippen zijn er niet. De mensch is physisch en evenzoo -intellectueel geheel afhankelijk van de wereld buiten hem. Alle -kennis komt van buiten. Maar al die kennis is van ’s menschen -zijde bemiddeld door zijn bewustzijn. Niet het gevoel of het hart, -maar het hoofd, het bewustzijn in zijn ganschen omvang (gewaarwording, -besef, waarneming, verstand, rede, geweten) is het subjectieve -orgaan der waarheid. Als de Schrift het geloof nu het -principium internum noemt, dan huldigt ze daarmede dezelfde -opvatting, en erkent dat ook de openbaring Gods alleen tot onze -kennis komen kan door het bewustzijn heen. Niet alsof wedergeboorte, -liefde, reinheid des harten, daarbij niet van de grootste -beteekenis zouden zijn; het tegendeel zal later blijken. Maar -het eigenlijk orgaan, waardoor de openbaring Gods gekend wordt, -is een akte van het bewustzijn, n.l. het geloof. De openbaring -<span class="pagenum" id="Page_469">[469]</span> -Gods is een systeem van woorden en daden Gods, welke buiten -en onafhankelijk van ons bestaan. Hoe zouden deze ooit tot onze -kennis kunnen komen dan door het bewustzijn heen? De openbaring -Gods is evangelie, is belofte, belofte van vergeving en -zaligheid; maar aan eene belofte kan onzerzijds niets dan geloof -beantwoorden. Alleen door geloof wordt eene belofte ons eigendom. -Het geloof is daarom het principium internum cognoscendi van -de openbaring, en alzoo ook van de religie en de theologie, Hartmann, -Religionsphilos. II 65 f.</p> - -<p>Maar ook om nog eene andere reden verdient het de voorkeur, -om het principium internum aan te duiden met den naam van -geloof. Want daardoor wordt de samenhang bewaard van het -religieuse kennen met alle andere kennen van den mensch. Er is -zeker onderscheid, maar allereerst dient toch op de overeenstemming -te worden gelet. Wij komen in religie en theologie op -geen andere wijze tot kennis dan in de andere wetenschappen. -Het geloof is geen nieuw orgaan, dat in den mensch wordt ingeplant, -geen zesde zintuig, geen donum superadditum. Hoezeer -het strijde met den „natuurlijken” mensch, het is toch volkomen -natuurlijk, normaal, menschelijk. De openbaring sluit objectief -en subjectief bij de natuur, de herschepping bij de schepping -zich aan. Gelooven in het algemeen is een zeer gewone weg, om -tot kennis en zekerheid te komen. Wij beginnen op ieder gebied -met gelooven. Onze natuurlijke geneigdheid is te gelooven. Alleen -verworven kennis en ervaring leeren ons ongeloovigheid, Hoekstra, -Bronnen en grondslagen van het godsd. geloof 1864 bl. 383. -Geloof is de grondslag der maatschappij en het fundament der -wetenschap. Alle zekerheid rust ten slotte in geloof. Wel wordt -het woord gelooven ook in eene zwakkere beteekenis gebruikt, -als wij iets niet zeker weten maar toch op voor onszelven voldoende -gronden voor waarschijnlijk houden. Gelooven vormt dan -eene tegenstelling met weten en is aan meenen verwant. Zoo -komt het voor in de uitdrukking: ik weet het niet, maar geloof -het wel. Maar in deze beteekenis gaat het gebruik van het woord -lang niet op. Reeds de etymologie wijst aan, dat er in het geloof -nog eene andere diepere beteekenis schuilt. Het woord geloof is -met loven, verloven, beloven, veroorloven, oorlof, lof, gelofte -afkomstig van denzelfden stam; het is met lieven verwant, en -drukt uit een met heel zijn persoon vertrouwen op, eene liefdevolle -<span class="pagenum" id="Page_470">[470]</span> -overgave en toewijding aan iemand, Kahnis, Luth. Dogm. -2<sup>e</sup> Ausg. I 106. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 82 v. cf. Woordenboek -der Ned. Taal s. v. Ook in andere talen heeft het woord -geloof deze oorspronkelijke beteekenis van toewijding, vertrouwen, -zekerheid, zooals האמין, אמונה; πειθω, πιστις; fido, fides; foi; -faith naast belief enz. Gelooven wordt dan ook dikwerf gebezigd -voor al zulke zekere kennis, welke niet op bewijzen maar op -onmiddellijk, rechtstreeksch inzicht steunt. Plato onderscheidde -ἐπιστημη, διανοια, πιστις en εἰκασια en verstond onder πιστις -de zekerheid aangaande de zinnelijke wereld op grond van de -waarneming, de Rep. VI p. 511, VII p. 534, cf. Zeller, Philos. -der Griechen, 4<sup>e</sup> Aufl. II 591, 593. Siebeck, Gesch. der Psych. -S. 209. Daarom zegt hij Tim. p. 29 c.: ὁ τι γαρ προς γενεσιν -οὐσια, τουτο προς πιστιν ἀληθεια. Aristoteles maakte onderscheid -tusschen kennis, welke langs demonstratieven weg werd -verkregen, en kennis der principia, die uit den νους zelven werd -afgeleid. Nu noemt hij deze laatste wel niet met den naam van -geloof, maar toch zegt hij, Eth. Nicom. VI 3: ὁταν γαρ πως -πιστευῃ και γνωριμοι αὐτῳ ὠσιν αἱ ἀρχαι, ἐπισταται. Toen -daarna in het Christendom het woord geloof zulk eene diepe -religieuse beteekenis kreeg, wezen vele kerkvaders met voorliefde -op de belangrijke plaats, welke het gelooven in leven en wetenschap -inneemt. Clemens Alexandrinus verstaat onder πιστις menigmaal -alle onmiddellijke kennis en zekerheid, en zegt dan, dat er -geen wetenschap is zonder geloof, dat de eerste principia, waaronder -bijv. ook het bestaan Gods, niet bewezen maar geloofd -worden, Strom. II n. 4, 6, cf. Denzinger, Vier Bücher von der -relig. Erk. II 470. Strauss, Glaub. I 301 f. Vooral Augustinus -heeft deze beteekenis van het geloof voor maatschappij en wetenschap -in het licht gesteld. Wie niet gelooft, komt nimmer tot -weten; nisi credideritis, non intelligetis, de trin. 15, 2 en passim. -Het geloof is grondslag en band van heel de menschelijke samenleving. -Als de stelling doorging, quod non video, credere non -debeo, zouden alle banden des bloeds, der vriendschap en der -liefde verbroken worden. Si ergo non credentibus nobis quae videre -non possumus, ipsa humana societas, concordia pereunte, non -stabit; quanto magis fides, quamvis quae non videntur, rebus -est adhibenda divinis? de fide rerum invisibilium cap. 3, cf. -de util. cred. c. 10 sq. Conf. 6, 5, cf. Ritter, Gesch. der christl. -<span class="pagenum" id="Page_471">[471]</span> -Philos. II 252 f. Gangauf Metaph. Psych. des Aug. 1852 S. -52 f. Sedert keeren deze zelfde gedachten bij de christelijke -theologen telkens terug, bijv. in den nieuweren tijd bij Dorner, -Glaub. I 3. Lange, Dogm. I 342 f. Oosterzee, voor Kerk en -Theol. I 94. Kuyper, Encycl. II 71 v. enz. De naam van geloof -is dan gegeven geworden aan de onmiddellijke kennis der principia; -aan het vertrouwen op onszelf, op onze waarneming en -ons denken; aan de erkenning van het objectief bestaan der -buitenwereld; aan het onderling vertrouwen, waarop heel de -menschelijke samenleving is gebouwd; aan al datgene, wat door -intuitie geweten en gedaan wordt. In zulk een geloof zag Schiller -den waarborg van het bestaan dier nieuwe wereld, welke Columbus -zocht: Wär’ sie noch nicht, sie stieg’ jetzt aus den Fluthen empor.</p> - -<p>Niemand, die doordenkt, zal deze diepe beteekenis der πιστις -voor leven, kunst en wetenschap loochenen. Tegenover hen, die -meenen, dat niets voor waar gehouden mag worden, wat niet -zinnelijk waar te nemen of mathematisch te bewijzen is, staat -het boven allen twijfel vast, dat verreweg het meeste en het -belangrijkste, dat wij weten, niet op bewijzen steunt, maar op -onmiddellijke zekerheid. Het gebied dezer laatste is veel grooter -dan dat der demonstratieve zekerheid. En deze laatste is altijd -weer op de eerste gebouwd, en staat en valt met deze. De weg, -om op eene andere wijze dan door mathematische en logische -bewijzen tot kennis en zekerheid te komen, is dus niets vreemds -aan de menschelijke natuur. Geloof in algemeenen, ruimen zin is -een onmisbaar element in de samenleving, en een normale weg -tot wetenschap. Het is niet eerst door de zonde noodzakelijk -geworden; buiten de zonde zou de intuitieve kennis en de onmiddellijke -zekerheid nog breeder plaats hebben ingenomen in -het menschelijk leven. Nog is in die mate ’s menschen oorspronkelijkheid -grooter, als hij niet uit de reflectie maar uit de intuitie -leeft. Als analogieën van het religieuse geloof kunnen alle -bovengenoemde voorbeelden dus uitnemenden dienst bewijzen. Zij -hebben met het godsdienstig geloof dit gemeen, dat de kennis -onmiddellijk, niet door nadenken wordt verkregen, en dat ze in -zekerheid niets onderdoet voor die, welke op bewijzen rust. Zij -houden bovendien het verband vast, dat er bestaat tusschen -den gewonen weg, waarop wij menschen tot kennis komen, en -den weg des geloofs, die op religieus terrein tot zekerheid leidt. -<span class="pagenum" id="Page_472">[472]</span> -Zij toonen, dat gelooven op zichzelf zoo weinig met de menschelijke -natuur en met den eisch der wetenschap in strijd is, dat -er zonder dat van een normaal mensch en eene normale wetenschap -geen sprake kan zijn.</p> - -<p class="sep2">3. Maar om deze overeenstemming mag toch het verschil -niet over het hoofd worden gezien, dat er bestaat tusschen het -geloof als onmiddellijke zekerheid en het geloof in godsdienstigen -zin. In de religie, bepaaldelijk in de christelijke, krijgt πιστις -eene eigene waarde. Ook de Grieken bezigden het woord in religieusen -zin, van het geloof aan de goden, Cremer, Wörterbuch -der neut. Gräcität s. v.; maar ook dan heeft het toch zelf geen -religieuse beteekenis, evenmin als wanneer wij spreken van geloof -aan God, aan de ziel en hare onsterfelijkheid enz. Gelooven is -hier nog het gewone geloof, dat we dagelijks oefenen, maar toegepast -op godsdienstige voorstellingen. In het N. Test. wordt -πιστις echter geheel en al religieus bepaald, in voorwerp, grond -en oorsprong; het duidt zelf eene religieuse verhouding aan van -den mensch tot God. In Hebr. 11:1 worden ἐλπιζομενα, πραγματα -οὐ βλεπομενα het algemeene voorwerp van het christelijk -geloof genoemd. Reeds hierdoor is het geloof in religieusen zin -onderscheiden van de kennis, die we door onmiddellijke zekerheid -bezitten. Het geloof aan de buitenwereld, aan de zintuigen, aan -de denkwetten, enz. berust op eigen inwendige waarneming. Wij -hebben van al deze zaken een onmiddellijk besef. Maar het voorwerp -van het christelijk geloof is onzienlijk en voor geen waarneming -vatbaar. Als iets onmiddellijk door onszelf wordt waargenomen, -is geloof overbodig; het geloof staat tegen aanschouwen -over, Rom. 8:24; 2 Cor. 5:7. Daarmede is niet in strijd, dat -de openbaring toch plaats had in ruimte en tijd, dat de persoon -van Christus aanschouwd en getast kon worden. Want als voorwerp -des geloofs is heel deze openbaring toch niet waarneembaar. -Velen zagen Jezus en geloofden toch niet in Hem; alleen zijne -discipelen aanschouwden in Hem eene δοξα ὡς μονογενους παρα -πατρος, Joh. 1:14. Object van het geloof zijn woorden en daden -alleen sub ratione Dei. Maar in de Schrift krijgt πιστις als -fides salvifica eene nog praegnanter beteekenis; het heeft tot -voorwerp niet allerlei woorden en daden Gods op zichzelf, -maar de genade Gods in Christus, de beloften des evangelies, -<span class="pagenum" id="Page_473">[473]</span> -Mk. 1:15; Joh. 3:16, 17:3; Rom. 3:22; Gal. 2:20, 3:26 -enz. Dit speciale object komt voor het geloof nog onder eene -andere kategorie in aanmerking dan onder die van waar tegenover -valsch. En de algemeene natuur van het geloof wordt er zoo -door gewijzigd, dat het in een vast en zeker weten, in een objectief -voor waar houden niet opgaat, maar ook insluit een hartelijk -vertrouwen op, eene algeheele overgave aan, eene persoonlijke -toeëigening van de beloften Gods, in het evangelie geschonken.</p> - -<p>Vervolgens is het geloof in religieusen zin van de onmiddellijke -zekerheid daarin onderscheiden, dat de laatste op eigen, -maar het eerste op anderer inzicht steunt. Reeds dit is opmerkelijk, -dat het woord geloof voor al die gevallen, waarin kennis op -onmiddellijke waarneming rust, niet algemeen in gebruik is. Het -geloof aan de buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, -aan de prima principia wordt gewoonlijk als onmiddellijk weten -aangeduid. En inderdaad berust deze onmiddellijke kennis evenals -de demonstratieve op eigen waarneming en inzicht. In zoover kan -zij dan ook een weten worden genoemd in onderscheiding van -gelooven. Doch bij de fides salvifica is het een ander geval. Deze -heeft zeer zeker de genade Gods in Christus tot object. Maar -van die genade Gods zouden we niet de minste kennis dragen, -indien zij niet door het getuigenis van anderen tot ons gekomen -ware, indien zij ons niet verzekerd wierd in de H. Schrift. -Tusschen den persoon van Christus en ons geloof komt dus het -getuigenis van de apostelen in te staan. Het woord Gods is -medium gratiae. Wel komt nu die Schrift voor het geloof alleen -als Gods woord in aanmerking, 1 Thess. 2:13. Want het religieus -geloof kan niet rusten dan in eene getuigenis Gods, Joh. -3:33; Rom. 10:14 v.; 1 Joh. 5:9-11. Maar toch is het -geloof aan die Schrift verbonden. Het heeft de genade Gods tot -object maar gelijk ze betuigd wordt in de H. Schrift; of, gelijk -Calvijn Inst. III, 2, 6 het uitdrukt, het heeft tot voorwerp Christum -evangelio suo vestitum. Daarom strekt het geloof als in één akte -èn naar den persoon van Christus èn naar de Schrift zich uit. -Het omhelst Christus als Zaligmaker en de Schrift als Gods -woord. En daarom is ook beide waar: door Christus tot de Schrift -en door de Schrift tot Christus. De Schrift leidt tot Christus -henen en richt ’s menschen gedachten en genegenheden op Hem, -die thans leeft in den hemel. Zelfs zij, die alle notitia en assensus -<span class="pagenum" id="Page_474">[474]</span> -uit de fides salvifica wegnemen en ze geheel en al in fiducia -willen laten opgaan, kunnen er niet buiten, om deze fiducia te -laten ontstaan uit een indruk, door het beeld van Christus op -de ziel gemaakt. Ook het piëtisme is aan uitwendige middelen -gebonden. Het moge die middelen beperken en niets willen weten -van een catechismus of dogmatiek; het tracht toch de kinderen -tot bekeering te leiden door tot hen te spreken van den lieven -Jezus, Pierson, Eene levensbeschouwing bl. 13. Er is ook geen -andere weg tot het hart des menschen dan door zijn hoofd en -zijn bewustzijn heen. Gods Geest alleen kan onmiddellijk werken -in het hart; wij zijn aan de middelen gebonden. De Schrift is -en blijft medium gratiae. Maar omgekeerd werkt het geloof in -Christus ook weer terug op het geloof aan de Schrift; het bindt -en legt ons vast aan die Schrift en doet er ons op vertrouwen -in nood en dood. Onze ziel moge dus aan Christus, den levenden -Heer in de hemelen, onverbreekbaar gebonden zijn door de unio -mystica des H. Geestes; voor ons bewustzijn is Christus, is heel -de wereld der ἐλπιζομενα er slechts door het getuigenis Gods -in zijn woord. En daarom sluit de fides salvifica ook altijd een -kennen in. Wel is deze kennis van het zaligmakend geloof wezenlijk -onderscheiden van de kennis der fides historica. Zelfs als deze -laatste voorafgaat, wordt zij toch later op de fides salvifica nieuw -ingeënt en verandert van karakter. Zij is geen bloot voor waar -houden maar eene vaste en zekere kennis in den zin der H. Schrift. -De bijbelsche idee van kennen is eene gansch andere en veel diepere -dan die van het gewone spraakgebruik. Maar desniettemin is de kennis, -welke de geloovige bezit, niet onmiddellijk en niet door eigen -inzicht verkregen; zij is gebonden aan de H. Schrift; zij rust op -het getuigenis van apostelen en profeten als op het woord Gods.</p> - -<p>Eindelijk is het christelijk geloof van de onmiddellijke zekerheid -nog daardoor onderscheiden, dat het niet vanzelf opkomt -uit de menschelijke natuur. Aan de buitenwereld, aan de principia, -aan de waarneming, aan de denkwetten enz. gelooft ieder -mensch vanzelf, zonder bevel, op grond van eigen inzicht. Maar -alzoo is het niet met het christelijk geloof. Het geloof is niet -aller, 2 Thess. 3:2. Hoezeer het volkomen menschelijk is, -geen donum superadditum, maar de herstelling van den mensch; -toch staat de psychische mensch vijandig tegen het gelooven -over. Want geloof in christelijken zin onderstelt zelfverloochening, -<span class="pagenum" id="Page_475">[475]</span> -kruisiging van eigen gedachten en wil, wantrouwen in onszelf, -en daartegenover vertrouwen op Gods genade in Christus. Daarom, -gelijk de fides salvifica God zelven tot voorwerp heeft en op -zijne getuigenis steunt; zoo heeft het Hem ook tot auteur. Hij -zelf is het, die door den H. Geest den mensch tot het geloof -beweegt en al zijne gedachten gevangen leidt tot de gehoorzaamheid -van Christus, Mt. 16:17; Joh. 6:44; 1 Cor. 12:3; 2 -Cor. 10:5; 1 Thess. 2:13; 2 Thess. 3:2; Ef. 1:15, 16; -Col. 1:13; Phil. 1:29. Daardoor is het christelijk geloof geheel -en al religieus bepaald. Voorwerp, grond en oorsprong -liggen geheel en alleen in God. Door dit religieus karakter is -de fides salvifica wezenlijk onderscheiden van de onmiddellijke -zekerheid, die soms met den naam van geloof wordt bestempeld -en ook van de πιστις, waarvan de Grieken soms spraken in -godsdienstigen zin. Het christelijk geloof is louter religie, religio -subjectiva. Die mensch is waarlijk religieus, die alzoo gelooft; -hij is beeld, kind, erfgenaam Gods.</p> - -<p class="sep2">4. In de christelijke kerk is echter spoedig die opvatting de -heerschende geworden, welke in het geloof zag eene toestemming -des verstands aan de geopenbaarde waarheid. Zeer gewoon is -de omschrijving van het geloof als ἑκουσιος της ψυχης συγκαταθεσις, -als ὑπερ τας λογικας μεθοδους την ψυχην εἰς συγκαταθεσιν -ἑλκουσα, cf. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. Denzinger, Vier -Bücher von der relig. Erk. II 467 f. Kleutgen, Theol. der -Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. IV 246 f. Augustinus geeft dezelfde definitie: -credere est cum assensione cogitare, de praed. sanct. c. 2. -Quid est credere, nisi consentire, verum esse quod dicitur, de -spir. et litt. c. 31. Fides est virtus, qua creduntur, quae non -videntur, Enchir. c. 8. Tract. 40 in Joh. n. 9. de trin. 13, 1. -De scholastieke theologie begon het onderzoek naar de natuur -des geloofs gewoonlijk met de omschrijving in Hebr. 11:1 en -de laatstgenoemde definitie van Augustinus, Lombardus, Sent. 3, -23 e. a. Thomas handelt over het geloof in zijne Summa Theol. -II 2 qu. 1 sq. en zegt, dat het object des geloofs God is en -andere dingen nisi secundum quod habent aliquem ordinem ad -Deum, qu. 1 art. 1. De grond des geloofs ligt alleen daarin, -dat aliquid est a Deo revelatum, ib. en de auteur ervan is God -alleen, ib. qu. 6 art. 1 en 2. Het Vaticanum omschreef het -<span class="pagenum" id="Page_476">[476]</span> -geloof als eene virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et adjuvante -gratia, ab eo revelata vera esse credimus, non propter -intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam -sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis, qui nec falli nec -fallere potest, sess. 3, Const. dogm. de fide cap. 3. Het geloof -is bij Rome een assensus firmus ac certus aan de waarheden der -openbaring op grond van het gezag Gods in Schrift en kerk, -Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1. qu. 4 art. 2. Bellarminus, -de justific. I c. 5, 6. Becanus, Theol. schol. tom. II pars 2 -tract. 1 cap. 1 sq. Perrone, Praelect theol. V 1840 p. 251 sq. -Jansen, Praelect. theol. I 684. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, -IV 205 f. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk. II 426 f.</p> - -<p>In de practijk had deze opvatting van het geloof zeer schadelijke -gevolgen. Vooreerst werd het geloof feitelijk niets -anders dan eene verstandelijke toestemming aan eene de rede -ver te boven gaande, mysterieuse leer, hetzij explicite aan -al hare verschillende of implicite aan sommige noodzakelijke -dogmata. De onderscheiding tusschen dit geloof en de door -de Protestanten aangenomene fides historica is bij deze opvatting -niet mogelijk en werd dan ook door de Roomsche theologie -beslist verworpen. Rome heeft niet anders dan eene fides historica. -Daaruit vloeide verder voort, dat dit geloof, indien -het niets anders was dan eene verstandelijke toestemming, onmogelijk -voldoende ter zaligheid kon zijn. Het moest aangevuld -worden door eene andere deugd in den wil, n.l. de liefde, -en wordt dan fides formata. Het geloof verliest daardoor zijne -centrale plaats in het christelijk leven, het wordt verlaagd tot -ééne der zeven praeparationes voor de gratia infusa der justificatio; -en het zwaartepunt komt geheel te liggen in de liefde, d. i. in -de goede werken. En eindelijk was het moeilijk vol te houden, -dat het geloof in bovengenoemden zin eene vrucht was van de -gratia interna, gelijk Augustinus die verstond. De belijdenis, -dat het geloof eene gave Gods was, werd verzwakt. De assistentie -en inspiratie, waar het Vaticanum van spreekt, wordt dikwerf -in de Roomsche theologie beperkt tot de gave eener algemeene -genade of ook zelfs tot de gave der natuurlijke krachten. Het -gelooven was te verdienstelijker naarmate het meer ’s menschen -eigen vrije daad was en meer bestond in het aannemen van -onbegrijpelijke mysteria fidei, in een sacrificium intellectus.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_477">[477]</span> -De Reformatie heeft deze Roomsche opvatting van het geloof -in alle opzichten gewijzigd. Zij heeft de religieuse natuur van -de πιστις hersteld. Ten eerste maakte zij een principieel onderscheid -tusschen de fides historica en de fides salvifica. Historisch -geloof mocht in sommige gevallen voorafgaan en op zichzelf van -groote waarde zijn; het was en bleef essentieel verschillend van -het zaligmakend geloof. Alle Hervormers waren eenstemmig van -oordeel, dat het zaligmakend geloof, indien niet alleen dan toch -zeker ook, in kennis bestond. Ze hebben geen van allen het -geloof in eene onbewuste aandoening of stemming des gemoeds -laten opgaan. Maar de kennis, die element was van het zaligmakend -geloof, was toch eene gansch andere dan die van het -historisch geloof. Deze laatste mocht later aan de fides salvifica -ten goede komen; zij veranderde daarmede toch zelve van karakter -en ging leven uit een nieuw beginsel. De fides kreeg bij de Hervormers -daarom weer eene eigene, geestelijke, religieuse natuur, -niet gradueel maar essentieel onderscheiden van alle ander geloof -in het leven en de wetenschap, ja zelfs van het historisch geloof. -Natuurlijk kon zulk een geloof dan ook niet voortvloeien uit -hetzelfde beginsel, als waaruit alle andere geloof bij den mensch -opkomt. De Reformatie was eenparig in de belijdenis, dat de fides -salvifica eene gave Gods was. Zij was geen vrucht van de natuurlijke -krachten van den mensch noch ook van de algemeene -genade. Zij was eene vrucht van de bijzondere genade des H. -Geestes, eene werkzaamheid van den nieuwen, wedergeboren -mensch, en daarom ook volkomen genoegzaam tot zaligheid. Bij -Rome neemt het geloof slechts eene praeparatoire plaats in; en -terecht, want het is in den grond niets anders dan historisch -geloof. Maar bij de Hervorming kreeg het wederom de centrale -plaats, welke het bekleedt in het N. Test.; het behoeft niet -aangevuld te worden door de liefde, het is genoegzaam om deel -te krijgen aan alle goederen des heils. Wie alzoo gelooft, staat -niet in het voorportaal maar in het heiligdom der christelijke -waarheid; hij is Christus ingelijfd, al zijne weldaden deelachtig, -een erfgenaam der eeuwige zaligheid. Moeilijk was het echter -bij deze diepe opvatting van de fides salvifica, om hare natuur -juist te omschrijven en in duidelijke woorden weer te geven. De -theologie van de Hervorming heeft er ten allen tijde mede geworsteld. -Ten aanzien van de vraag, waarin de eigenlijke akte -<span class="pagenum" id="Page_478">[478]</span> -van het geloof gelegen is, loopen de antwoorden zeer verre uiteen. -Het is door kennen, toestemmen, vertrouwen, toevluchtnemen, -enz., of door één van deze of door alle te zamen omschreven geworden. -Eerst later kan bij de leer des geloofs dit alles nader worden -onderzocht. Maar zooveel staat vast, dat het geloof in de theologie -der Hervorming geen weten was van eenige leerstellige waarheden, -maar dat het een band der ziel was aan den persoon -van Christus naar de Schriften en aan de Schrift als het woord -van Christus. De fides salvifica was wederom door en door -religieus. Gods genade in Christus was haar voorwerp, de getuigenis -Gods in zijn woord was haar grond, de H. Geest was -haar auteur. Zij was in ieder opzicht religieus bepaald.</p> - -<p class="sep2">5. Dit geloof brengt naar de Schrift een eigen zekerheid -mede. Het is een ὑποστασις en ἐλεγχος van de gehoopte en -ongeziene dingen, Hebr. 11:1; niet omdat het in zichzelf zoo -hecht en vast is, maar wijl het op Gods getuigenis en belofte -steunt, gelijk het vervolg van Hebr. 11 duidelijk leert. Het -maakt de onzienlijke goederen des heils zoo zeker voor ons, ja -veel zekerder, dan eigen inzicht of een wetenschappelijk bewijs -dat ooit zouden vermogen te doen. Daarom is er in de Schrift -sprake van de παρρησια, Hebr. 4:16; πεποιθησις, Ef. 3:12; -πληροφορια, Hebr. 6:11, 12, 10:22 des geloofs; en wordt -er θαρσος, Mt. 9:2; καυχησις, Rom. 5:12; χαρα, 1 Petr. -1:8, enz. aan toegeschreven. Het staat tegenover twijfel, -zorg, vrees, wantrouwen, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, 14:31, -21:21; Mk. 4:40; Luk. 8:25; Joh. 14:1; Rom. 4:20; -Jak. 1:16. Zekerheid is door heel de Schrift heen een kenmerk -des geloofs. Zelfs te midden van de zwaarste aanvechtingen, als -alles tegen is, op hope tegen hope, houdt de geloovige zich -staande als ziende den Onzienlijke, Job 19:25; Ps. 23, 32, 51; -Rom. 4:20, 21, 5:1, 8:38; Hebr. 11, enz. Eer geeft de geloovige -alles prijs, dan dat hij zijn geloof verloochent. Niets is -hem te kostbaar voor zijn geloof, noch zijn geld noch zijn goed, -noch zijn eer noch zijn leven. Het geloof is ἡ νικη ἡ νικησασα -τον κοσμον, 1 Joh. 5:4.</p> - -<p>Deze zekerheid des geloofs was aan de wetenschap onbekend. -Zij deed met het Christendom haar intrede in de wereld, Janet -et Séailles, Histoire de la philosophie, Paris 1887 p. 668. -<span class="pagenum" id="Page_479">[479]</span> -De Grieksche philosophie erkende twee soorten van zekerheid, -ééne, die uit de zinlijke waarneming, en eene andere, welke door -het denken werd verkregen. Gemeenlijk werd de eerste verre -beneden de tweede gesteld; de zinlijke waarneming gaf slechts -δοξα, maar het denken leidde tot ἐπιστημη. Aristoteles onderscheidde -in de laatste wederom tusschen die, welke op bewijzen, -en die, welke op evidentie rustte. Er waren in de wetenschap -dus drie wegen, om tot zekerheid te komen: de waarneming, -de argumentatie en de evidentie. Deze drieërlei zekerheid kreeg -burgerrecht in de wijsbegeerte, met dien verstande, dat de empiristen -de zekerheid voornamelijk zochten in de waarneming en -de rationalisten in het denken. Naast deze wetenschappelijke -zekerheid plaatste het Christendom de zekerheid des geloofs. -Concreet en practisch werd deze zekerheid aan de skeptische -wereld vertoond in de geloovige gemeente, vooral in hare martelaars -en bloedgetuigen. En theoretisch werd zij uitgesproken en -ontwikkeld in de christelijke theologie. Er is in de leer van de -zekerheid des geloofs een belangrijk verschil tusschen Rome en -de Hervorming ten aanzien van de vraag, of de certitudo fidei -ook insluit de certitudo salutis, de volstrekte verzekerdheid van -eigen zaligheid. Van Augustinus af aan is deze certitudo salutis -door de Roomsche kerk en theologie ontkend en bestreden. Rome -beweert, dat volstrekte verzekerdheid der zaligheid slechts het -deel is van enkele geloovigen, die haar door eene bijzondere -openbaring ontvangen hebben, maar volstrekt niet voortvloeit uit de -natuur des geloofs. Gewone geloovigen hebben ten aanzien van -hunne zaligheid slechts eene certitudo moralis, conjecturalis, maar -geen certitudo fidei. Voor deze zekerheid is er in het Roomsche -stelsel geen plaats, wijl zij alleen bestaanbaar is bij de belijdenis -van Gods verkiezende liefde, en de leeken onafhankelijk maken -zou van kerk en priester. Cf. Augustinus, de bono persev. c. 8, -13, 22, de civ. Dei c. 12. Epist, 107, etc. G. J. Vossius, -Historia pelagiana 1655 p. 578 sq. Comment. op Sent. I dist. -17. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de -Justif. I c. 10. III c. 2 sq. Conc. Trid. sess. 6 cap. 9 can. 13, -14, en later bij de leer des geloofs. Wel erkennen echter de -Roomsche godgeleerden de certitudo fidei ten opzichte van de -objectieve waarheden der openbaring. Facilius, zeide Augustinus, -Conf. 7, 10, dubitarem vivere me, quam non esse veritatem, -<span class="pagenum" id="Page_480">[480]</span> -quae per ea, quae facta sunt, intellecta conspicitur. Albertus -Magnus maakte onderscheid tusschen geloof in de philosophie en -in de theologie. Daar is geloof niets anders dan credulitas en geen -weg tot kennis; maar in theologicis fides lumen est, certissimam -faciens adhaesionem et assensum.... et ideo est via et medium -ad scientiam veritatis divinorum, bij Stöckl, Philos. der M. A. -II 365, cf. verder Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 8. Bellarminus, -de Justif. III c. 2. Billuart, Summa S. Thomae VIII -p. 86 sq. Dens, Theol. II 241 sq. Daelman, Theol. I p. 12 sq. -En daarmede stemmen over het algemeen de Protestantsche -theologen overeen. Niemand heeft krasser en sterker deze zekerheid -des geloofs uitgesproken dan Calvijn. Het geloof is bij hem -certa, firma, plena et fixa certitudo, meer certitudo dan apprehensio, -cordis fiducia et securitas, enz. Inst. I, 7, 5; II, 2, 8; -III, 2, 14 v., 14, 8; 24, 4, enz. Zoowel bij Luthersche als -Gereformeerde theologen is het geloof een firmus assensus, eene -certa cognitio, die allen twijfel en alle onzekerheid buitensluit, -Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 299 f. Hase, Hutt. Rediv. -§ 108. Heid. Catech. vr. 21. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 384 f.</p> - -<p class="sep2">6. Door de wetenschap, bepaaldelijk door de wijsbegeerte, -is aan deze geloofszekerheid over het algemeen weinig aandacht -gewijd. Eerst Kant heeft ze in gewijzigden zin opgenomen -en erkend. Kant nam in hoofdzaak drie soorten van zekerheid -aan. De eerste is de empirische, problematische zekerheid, welke -berust op eigen of anderer waarneming en bestaat in een meenen, -in een theoretisch of practisch gelooven. Vervolgens is er eene -logische, wetenschappelijke, apodictische zekerheid, die weer tweeledig -is en of een intuitief, zooals in de mathesis, of, gelijk in -de philosophie, een discursief karakter draagt. Dit zijn dezelfde -soorten van zekerheid, die ook reeds in de grieksche philosophie -werden aangenomen. Maar bij deze ruimt Kant nu ook nog eene -plaats in voor de moreele, assertorische zekerheid. Het bovenzinlijke -en het bovennatuurlijke is n.l. volgens Kant onkenbaar. -God heeft de kennis daarvan met opzet ons onthouden, opdat -wij de bestemming van den mensch niet in het weten zouden -stellen maar in het handelen, in de vervulling zijner zedelijke -roeping. Met het oog op deze ethische bestemming neemt de -mensch de waarheid van sommige stellingen aan, zonder welke -<span class="pagenum" id="Page_481">[481]</span> -hij deze ethische taak niet vervullen kan. Zoo gelooft hij op -practische, psychologische gronden aan het bestaan van God, de -ziel en de onsterfelijkheid. Dit is moreel geloof. De zekerheid, -welke de mensch door dit geloof verkrijgt, is niet theoretisch -van aard, maar practisch, moreel. Zij doet hem zeggen, niet: -ik ben zeker; noch ook: het is moreel zeker; maar: ik ben -moreel zeker. Er is dus drieërlei zekerheid, eene empirische, -logische en moreele, uitgedrukt en weergegeven door de woorden -meenen, weten en gelooven, Kritik der reinen Vernunft, Methodenlehre -II 3, ed. Kirchmann S. 632 f. De wijsbegeerte na -Kant heeft deze leer der zekerheid van Kant wel ten deele overgenomen, -maar er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd. Cf. -Dr. Franz Grung, Das Problem der Gewissheit, Heidelb. 1886.</p> - -<p>Daarentegen heeft Kants leer van de moreele zekerheid op de -theologie grooten invloed geoefend. Toen de autoriteit van Schrift -en kerk was ondermijnd, heeft men in haar het fundament van -religie en theologie gezocht. De bekende tekst Joh. 7:17, door -Kant zelven reeds aangewend, Rel. innerhalb der Gr. usw. ed. -Rosenkranz S. 135, is het uitgangspunt van deze richting geworden. -Inderdaad ligt er in deze moreele zekerheid eene diepe -waarheid, en dankbaar mag erkend, dat Kant haar eene plaats -heeft ingeruimd in zijne philosophie. Van de onzienlijke dingen -hebben we eene gansch andere zekerheid dan van die, welke wij -met onze zintuigen kunnen waarnemen of met ons denken kunnen -bewijzen. Het geloof aan de dingen, die men hoopt en niet ziet, -gaat ook niet om buiten den wil, buiten de zedelijke gesteldheid -en de geestelijke ervaring. Maar toch verdient het geen aanbeveling, -om de geloofszekerheid van de H. Schrift, van de gemeente -en van de christelijke theologie in te wisselen voor de -moreele zekerheid van Kant. Vooreerst is de opmerking niet overbodig, -dat zekerheid altijd een toestand is van het bewustzijn. -De menschelijke geest kan ten aanzien van eene vraag of eene -stelling in een verschillenden toestand verkeeren; hij kan er -tegenover staan in een toestand van onzekerheid, twijfel, vermoeden, -meening, enz. maar ook in een toestand van volstrekte zekerheid. -Zekerheid is de rust van het menschelijk bewustzijn in de gevonden -en erkende waarheid. Het verstand streeft n.l. naar kennis, -naar waarheid. Dat is de aard en de natuur van het verstand; -het ware is zijn goed, zijn rijkdom, de vervulling van zijne behoefte. -<span class="pagenum" id="Page_482">[482]</span> -Wanneer het die waarheid vindt is het daarom bevredigd; -het rust daarin, het voelt zich veilig en zeker. Zekerheid is rust, -vrede, vreugde, zaligheid; in veritate requies. Zekerheid is de -normale toestand van den menschelijken geest, evenals de gezondheid -die van het lichaam. Twijfel, onzekerheid daarentegen is -onrust, onvrede, ellende. Strikt genomen is dus niet de zekerheid -zelve moreel; zij heet alleen zoo, wijl de gronden, waarop de -waarheid bij haar rust, van moreelen aard zijn. Maar vervolgens -zijn de gronden, waarop de wetenschappelijke en de moreele waarheid -rust, niet alzoo als theoretisch en practisch van elkander -te scheiden en tegenover elkander te stellen. Er bestaat in de -werkelijkheid zulk een dualisme niet, als Kant in zijne tweeërlei -zekerheid aanneemt. Subjectief zijn hoofd en hart, en objectief -zijn de zienlijke en onzienlijke dingen niet alzoo in tweeën te -deelen. Het hart oefent ook invloed bij het wetenschappelijk onderzoek. -De πιστις in ruimen zin neemt ook daar eene groote plaats -in. Veel van wat in de wetenschap voor vast en zeker doorgaat, -rust op moreele of immoreele gronden. En omgekeerd is het toch -het bewustzijn, dat ook bij de moreele zekerheid de zedelijke -gronden weegt en beoordeelt, waarop eene of andere stelling als -waar wordt erkend en aangenomen. De wil moge het verstand -tot het aannemen van eene of andere waarheid bewegen; dat -aannemen zelf is toch eene daad des verstands; en het verstand -kan dit alleen doen, wijl het zelf in meerdere of mindere mate -de waarheid erkent en inziet. De geloofszekerheid komt niet tot -stand door theoretische bewijzen maar evenmin door een wilsbesluit. -Eindelijk zijn er vroeger reeds tegen de postulaatstheorie -van Kant verschillende bezwaren ingebracht. Ze kunnen nog vermeerderd -worden met deze vragen: komt het overeen met de -natuur der ware zedelijkheid, die toch ook in ootmoed, nederigheid -enz. bestaat, om op grond van onze zedelijke natuur en -bestemming het bestaan van God en van de onsterfelijkheid te -postuleeren? blijft de moreele zekerheid ook dan nog haar kracht -behouden, als de zedelijke mensch in zonden valt, in aanvechting -en bestrijding verkeert, en door den twijfel heen en weer wordt -geslingerd? zijn zedelijke gronden voldoende, om tegenover de -bestrijding der wetenschap daarop het geloof aan Gods bestaan, -het bewustzijn der vergeving, de hope der zaligheid te bouwen? -Maar al ware de moreele zekerheid ook genoegzaam voor den -<span class="pagenum" id="Page_483">[483]</span> -wijsgeer, zij is onbruikbaar voor den Christen. Want al kon de -Vernunftreligion van Kant op haar als op een vasten grondslag -rusten; zij is niet in staat, om de waarheid der christelijke religie -te dragen.</p> - -<p>Om al deze redenen kan de moreele zekerheid van Kant de -christelijke geloofszekerheid niet vervangen. Ten overvloede -wordt dit nog bewezen door het onderscheid, dat Kant maakt -tusschen meenen, gelooven en weten. Meenen was volgens hem -een voor waar houden op onvoldoende, gelooven op subjectief -voldoende en weten op objectief voldoende gronden, Kritik der -reinen Vern. ed. Kirchmann S. 632 f. Nu is dit onderscheid -juist ten aanzien van het gelooven in het dagelijksch leven en -met betrekking van zulke dingen, die geweten kunnen worden. -Dan is inderdaad gelooven een mindere en zwakkere graad -van het weten. Maar in de religie is geloof de zekerheid zelve. -Juister werd het onderscheid reeds door Augustinus bepaald. -Hij zegt: tria sunt item velut finitima sibimet in animis hominum -distinctione dignissima: intelligere, credere, opinari. Quae si per -se ipsa considerentur, primum semper sine vitio est, secundum -aliquando cum vitio, tertium nunquam sive vitio, de util. cred. -c. 11. Inter credere autem atque opinari hoc distat, quod -aliquando ille, qui credit, sentit se ignorare quod credit, quamvis -de re, quam se ignorare novit, omnino non dubitet, sic enim -firme credit; qui autem opinatur, putat se scire, quod nescit, -de mendac. c. 3. Thomas omschrijft het onderscheid aldus: de -ratione opinionis est quod accipiatur unum cum formidine alterius -oppositi; unde non habet firmam inhaesionem. De ratione vero -scientiae est quod habeat firmam inhaesionem cum visione intellectiva; -habet enim certitudinem procedentem ex intellectu principiorum. -Fides autem medio modo se habet; excedit enim -opinionem in hoc quod habet firmam inhaesionem; deficit vero a -scientia in eo quod non habet visionem, S. Theol. II 1 qu. 67 -art. 3. In gelijken zin gaf Zanchius deze definitie: opinio is -eene cognitio neque certa neque evidens, fides is eene cognitio -certa sed non evidens, scientia is eene cognitio aeque certa ac -evidens, Op. II 196. Gelooven en weten zijn dus niet in zekerheid -onderscheiden. Het geloof brengt eene even sterke zekerheid -mede als het weten. Ja de geloofszekerheid is van beide de -intensief sterkste; zij is schier onwankelbaar en onuitroeibaar. -<span class="pagenum" id="Page_484">[484]</span> -Voor het geloof heeft iemand zijn leven en alles veil. Galilei -zwoer tot driemalen toe zijn geloof af aan het Kopernikaansche -stelsel. Kepler hield zich tegen zijne overtuiging te Graz bezig -met de astrologie om in zijn onderhoud te voorzien; de behoeftige -moeder (astronomie) moest leven van de dwaze dochter -(astrologie). Wie geeft voor eene wetenschappelijke thesis, bijv. -dat de aarde om de zon draait, zijn leven prijs? Maar de -religie kweekt martelaars. De geloofszekerheid gaat in intensieve -kracht de wetenschappelijke zekerheid ver te boven. Bonaventura -maakt echter in de zekerheid terecht onderscheid tusschen de -certitudo adhaesionis en de certitudo speculationis, Sent. III dist. -23 art. 1 qu. 4, cf. Stöckl. Philos. des M. A. II 883. De -eerste is bij de geloofszekerheid grooter dan bij de wetenschappelijke -zekerheid, want dikwerf zijn geen argumenten, geen -vleierijen, geen pijnigingen in staat, om iemand in zijn geloof -aan het wankelen te brengen. Hij klemt met heel zijn ziel aan -het voorwerp des geloofs zich vast. Maar de certitudo speculationis -behoeft wel niet altijd, maar kan soms toch sterker zijn -in de wetenschap dan in het geloof. Het is dezelfde gedachte, -die Augustinus uitsprak: weten is altijd sine vitio, maar gelooven -geschiedt aliquando cum vitio. Het gelooven zelf is geen bewijs -voor de waarheid van het geloofde. Er is groot verschil tusschen -subjectieve verzekerdheid en objectieve waarheid. Alles hangt -bij het geloof van de gronden af, waarop het rust.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 18. <span class="smcap">De grond des geloofs.</span></h3> - -<p>1. Zoodra de christelijke theologie ernstig ging nadenken -over den laatsten en diepsten grond des geloofs, kwam zij tot -de erkentenis, dat geen enkel verstandelijk of historisch bewijs, -voor de waarheid der openbaring aangevoerd, ten slotte daarvoor -gelden kon. De apologeten der 2<sup>e</sup> eeuw hechtten aan die bewijzen -groote waarde, boven <a href="#Page_423">bl. 423</a>, en legden er tegenover -het heidensch naturalisme nadruk op, dat het geloof eene redelijke, -vrije daad was van den mensch, Just. M. Dial. c. 88. -102. 131. Theophilus, ad Autol. II 27. Irenaeus, adv. haer. -IV 37, 5, enz. Maar toch vinden wij ook bij hen reeds het -<span class="pagenum" id="Page_485">[485]</span> -besef, dat al die bewijzen onmachtig zijn, om iemand metterdaad -te bewegen tot het geloof. Daartoe is nog iets anders en meer -van noode, n.l. de goddelijke genade, Just. M. Dial. c. 119. -Apol. 1, 10. 2, 10. Iren. adv. haer. IV 39, 2. Orig. de princ. -I 10, 14, 19. Irenaeus vergelijkt haar bij den dauw en den -regen, die den akker vruchtbaar maakt, ib. III 17, 2, 3. -Maar Augustinus was de eerste, die de noodzakelijkheid der -gratia interna duidelijk inzag en beleed. Hij schrijft elders -groote waarde toe aan de kerk als motief des geloofs; maar -zijne leer van de gratia interna bewijst, dat deze voor hem -niet was de laatste en diepste oorzaak van zijn geloof. Dat was -God alleen. Operatur Deus fidem nostram miro modo agens in -cordibus nostris, ut credamus, de praed. sanct. 2, 6. Immers, -gelooven is altijd vrijwillig, nemo credit nisi volens. En God -buigt daarom door zijne genade den wil en doet ons gelooven -met het verstand, Conf. 13, 1. de div. quaest. 1 qu. 2 n. 21, -de praed. sanct. 19, de dono persev. 16, enz. Ook de latere -theologen hebben groote kracht aan de praeambula fidei en de -motiva credibilitatis toegekend; en onder deze nam de kerk hoe -langer hoe voornamer plaats in. Maar allen geven toe, dat die -motiva de openbaring non evidenter veram maar slechts evidenter -credibilem maken. Zij sluiten redelijken twijfel uit, en toonen -dat het niet onredelijk is, om te gelooven en wel onredelijk, om -het tegendeel aan te nemen, Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art. -5 ad. 2. S. c. Gent. I c. 9. Maar afdoende zijn ze niet. Ja, -Thomas zegt uitdrukkelijk bij gelegenheid dat hij handelt over -de philosophische bewijzen voor de triniteit: qui autem probare -nititur trinitatem personarum naturali ratione, fidei derogat, S. -Theol. I qu. 32 art. 1. Tegenover tegenstanders baten bewijzen -weinig, quia ipsa rationum insufficientia eos magis in suo errore -confirmaret, dum aestimarent nos propter tam debiles rationes -veritati fidei consentire, S. c. Gent. I c. 9. De openbaring moge -door de bewijzen nog zoo geloofwaardig gemaakt worden, ze is -en blijft toch eene geloofswaarheid, Bellarm. de Conc. et Eccl. -IV 3. Ze moet dat bij Rome ook nog om deze reden blijven, -wijl anders de vrijwilligheid en daardoor de verdienstelijkheid -des geloofs te loor zou gaan, Thomas S. Theol. II 2. qu. 2 -art. 9 en 10. Het geloof neemt dus de waarheid aan niet op -grond van eigen inzicht, maar van goddelijke autoriteit. Non -<span class="pagenum" id="Page_486">[486]</span> -enim fides assentit alicui, nisi quia est a Deo revelatum, Thomas, -S. Theol. II 2 qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I c. 9. Becanus, II -2. p. 3-17. Billuart, II 2. Tom. 1 de fide p. 1 sq. Dens, -II 280 sq. Jansen I 701-711. En om die autoriteit Gods -te erkennen, moet er in den mensch eene verandering van den -wil voorafgaan. Gelooven is wel eene daad des verstands, Thomas -S. Theol. II 2. qu. 4 art. 2, maar het onderstelt eene buiging -van den wil door de genade. Het verstand moet tot het geloof -door den wil gedetermineerd worden, S. Theol. II 2 qu. 2 art. -1 ad. 3. De assensus fidei is dus alleen a Deo, interius movente -per gratiam, ib. I qu. 62 art. 2 ad 3. II 1 qu. 109 art. 6. qu. -112 art. 2. II 2 qu. 6 art. 1. Gregorius XVI veroordeelde in -de breve van 26 September 1835 het gevoelen van Hermes, dat -de motiva credibilitatis de eigenlijke grond des geloofs aan de -openbaring waren. En het Vaticaansch Concilie stelde vast in -sess. 3, Const. dogm. de fide cap. 3, dat de motieven de goddelijke -openbaring wel credibilis konden maken, nemo tamen -evangelicae praedicationi consentire potest, sicut oportet ad -salutem consequendam absque illuminatione et inspiratione -Spiritus Sancti.</p> - -<p class="sep2">2. Feitelijk neemt Rome daarmede hetzelfde subjectieve standpunt -in als de kerken der Hervorming. De motieven, hoe sterk -ook, kunnen niet metterdaad bewegen tot het geloof. Het is -Gods Geest alleen, die iemand inwendig vast en zeker overtuigen -kan van de waarheid der goddelijke openbaring. De diepste grond -voor het geloof is ook bij Rome niet de Schrift of de kerk, -maar het lumen interius. Verschillende theologen hebben dit ook -erkend. Duidelijkshalve moge de akte des geloofs voor een oogenblik -in een syllogisme worden ontleed. De maior luidt dan: -God is waarachtig; indien Hij zich openbaart, moet zijne openbaring -in geloof worden aangenomen; de minor heet: deze feiten, -b. v. de kerk, de Schrift zijn openbaringen Gods; en dan volgt -de conclusie: dus moeten deze ook geloofd worden. Over den -major is er geen verschil. Deze staat vast krachtens de idee -Gods en wordt door allen erkend. Niemand ontkent, dat, <span class="esp">indien</span> -God zich openbaart, Hij ook als de waarachtige geloof verdient. -Des te meer komt alles aan op den minor. Het verschil loopt -juist hierover, of en waar God zich geopenbaard heeft. De geloovige -<span class="pagenum" id="Page_487">[487]</span> -Christen zegt: in de Schrift of ook in de kerk. Maar -hoe en waarom worden deze als openbaring Gods erkend? Indien -op grond van bewijzen, van de motiva credibilitatis; dan is die -grond menschelijk, feilbaar, en het geloof niet zuiver religieus -en zeker. De openbaring Gods kan in religieusen zin alleen worden -geloofd op grond van Gods autoriteit. Maar die autoriteit -Gods laat zich alleen hooren, òf buiten mij, in de Schrift of de -kerk, naar wier laatsten geloofsgrond ik juist onderzoek doe; -òf binnen in mij, in de genade die mij tot het geloof beweegt, -in het lumen interius, het testimonium Sp. S. Wie de autoriteit -Gods als laatsten grond des geloofs en dus het geloof in zijn -religieuse natuur handhaven wil, moet een van deze beide standpunten -innemen. Nu zei Canus zonder aarzelen, dat de laatste -grond lag in de genade, die hem inwendig tot het geloof bewoog. -Ik geloof, sprak hij, dat God drieëenig is, wijl God het heeft -geopenbaard; huic autem: Deus revelavit, immediate credo, a -Deo motus per instinctum specialem, Loc. Theol. l. 2 c. 8 ad 4. -Bij Canus lag dus de laatste grond voor zijn geloof objectief in -de getuigenis Gods; maar dat hij deze getuigenis als goddelijk -erkende, was te danken aan de genade, die zijn wil en verstand -tot het gelooven bewoog. Dit gevoelen van Canus werd wel door -enkele andere Roomsche godgeleerden, zooals Arragon, Gonet, -enz. overgenomen; Prof. Hayd, Philos. Jahrbuch von Gutberlet -III 1890 S. 27 sprak zelfs van een onmiddellijk getuigenis Gods -in ons, dat ons de goddelijkheid van Jezus’ persoon en leer -verzekert. Maar er werd toch door velen deze bedenking tegen -ingebracht, dat Canus eigenlijk geen antwoord geeft op de vraag, -op welken grond hij de getuigenis Gods in de Schrift en de -kerk als goddelijk aanneemt. Hij zegt alleen, dat God het hem -alzoo inwendig door zijne genade te gelooven geeft, maar legt -er geen verdere rekenschap van af. Bovendien beval zich dit gevoelen -van Canus ook daarom niet aan, wijl het, gelijk Suarez -reeds opmerkte, zooveel overeenkomst had met en zoo licht verleiden -kon tot de leer van Calvijn over het testimonium Spiritus -Sancti. Daarom waren de Roomsche theologen erop bedacht, om -den laatsten grond des geloofs elders te zoeken dan in het lumen -interius. Suarez was van oordeel, dat niet alleen het voorwerp, -maar ook de grond des geloofs zelf weer eene zaak des geloofs -is. Wij gelooven niet alleen dat de Schrift waar is, wijl God -<span class="pagenum" id="Page_488">[488]</span> -zich daarin heeft geopenbaard; maar ook het feit, dat God zich -daarin heeft geopenbaard, gelooven wij, omdat God zelf het in -de Schrift getuigt. De openbaring is tegelijk het quo en het quod -creditur. Unus enim et idem actus credit Deum et Deo. Gelijk -het oog de kleuren en tevens het licht, waardoor die kleuren -zichtbaar worden, waarneemt; gelijk de rede de afgeleide waarheden -kent en tevens de principia, waardoor ze kenbaar zijn; zoo -ook kent het geloof zoowel de geopenbaarde waarheden, als de -getuigenis, waarop ze rusten, als goddelijk. Zeer vele theologen, -ook in den nieuweren tijd, hebben met dit gevoelen van Suarez -hun instemming betuigd, maar het bevredigde niet allen. De -cirkelredeneering was toch duidelijk: de Schrift wordt geloofd, -wijl ze geopenbaard is, en dat ze geopenbaard is, wordt wederom -geloofd, wijl de Schrift het getuigt. Het leidt ook tot een -progressus in infinitum: ik geloof eene openbaring, omdat eene -andere openbaring het getuigt enz. Wel antwoordt Suarez op -deze bedenking, dat de openbaring om zichzelve moet geloofd -worden; dat God, zich openbarend, ook daarin tegelijk openbaart, -dat <i>Hij</i> het is, die zich openbaart. Maar altijd blijft toch de -vraag nog open, waarom gelooven wij het getuigenis, waarbij -God verklaart, dat Hij het is, die zich heeft geopenbaard. Lugo -leerde daarom, dat het aannemen van het feit, dat God zich in -de Schrift geopenbaard heeft, wel bovennatuurlijk was, maar dat -het toch niet in eigenlijken zin geloof kon worden genoemd. Gelooven -toch is altijd iets voor waar aannemen op grond van een -getuigenis. Indien nu het aannemen van het feit, dat God zich -geopenbaard heeft, een gelooven ware in eigenlijken zin, dan -onderstelde dit wederom een goddelijk getuigenis, en zoo in infinitum. -Lugo nam daarom aan, dat het erkennen van het feit der -openbaring niet rustte op het getuigenis Gods, maar daarop, dat -de geloovige de openbaring zelve met haar wonderen, profetieën -enz. onmiddellijk en rechtstreeks als openbaring inzag, evenals -de rede de waarheid der principia onmiddellijk erkent. De openbaring -kondigt zich zelve door haar inhoud als goddelijk aan, -evenals naar het beeld van Thomas, S. Theol. III qu. 43 art. 1 -een gezant zich door den inhoud zijner boodschap, bv. door geheimen, -die alleen zijn lastgever weten kan, verifieert. Maar deze -voorstelling stuit weder op het bezwaar, dat deze erkenning der -openbaring òf werkelijk onmiddellijk is, in welk geval zij eene -<span class="pagenum" id="Page_489">[489]</span> -nieuwe openbaring wordt in het subject, eene aanschouwing van -het goddelijke, die we hier op aarde, als wandelende in het geloof, -niet deelachtig worden; òf dat ze feitelijk middellijk is, -maar dan ook voortvloeit uit de indicia en criteria der openbaring, -en alzoo wederom komt te rusten op de bewijzen voor -de openbaring, op de motiva credibilitatis. Ook deze oplossing -is dus onbevredigend. Daarom hebben wederom anderen gezegd: -het getuigenis Gods is de laatste grond des geloofs. Op de vraag: -waarom gelooft gij? antwoordt de Christen: omdat God gesproken -heeft. Deus dixit. Een anderen, dieperen grond kan hij in dezen -niet aangeven. Als hem verder wordt gevraagd: maar waarom -gelooft gij, dat God gesproken heeft, bijv. in de Schrift? dan -kan hij alleen nog ten antwoord geven, dat God hem inwendig -alzoo bewerkt, dat hij die Schrift als Gods woord erkent. Maar -daarmede heeft hij ook alles gezegd. Het getuigenis Gods is de -grond, maar de genade, de wil is de oorzaak des geloofs. De -bewijzen mogen motiva credibilitatis zijn, de wil is ten slotte -het motivum credendi. Boven kritiek is ook dit standpunt niet -verheven. Want er kan gevraagd worden en er is ook werkelijk -gevraagd, welken grond het <i>verstand</i> heeft, om de Schrift als -woord Gods aan te nemen. Het antwoord, dat de wil of de genade -het verstand daartoe beweegt, is onvoldoende. De wil kan -het verstand toch niet bewegen, om iets voor waar aan te nemen -zonder grond, waarvan het zelf het geloofwaardige niet inziet. -Het verstand moet immers zelf erkennen, dat iets goddelijk is -en daarom geloof verdient. Anders is het geloof onredelijk en -maakt de geloovige met een sic volo, sic jubeo, stat pro ratione -voluntas van de moeilijkheid zich af. Ook de Roomsche godgeleerden -hebben daarom op de vraag naar den diepsten grond des -geloofs geen allen bevredigend antwoord weten te geven. Zeer -velen onthouden zich eenvoudig van eene beslissing en laten de -keuze tusschen de verschillende bovengenoemde gevoelens vrij. -Genoeg, om te doen zien, dat ook Rome met zijne onfeilbare kerk -en zijn onfeilbaren paus niets vóór heeft boven de kerken der -Hervorming. De diepste grond van het geloof ligt ook bij Rome, -evengoed als bij het Protestantisme, in het subject. Cf. Denzinger, -Vier Bücher von der rel. Erk. II 486-500. Kleutgen, Theol. -der Vorzeit, 2<sup>e</sup> Aufl. IV 473-532. Von Schäzler, Neue Untersuchungen -über das Dogma von der Gnade und das Wesen des -<span class="pagenum" id="Page_490">[490]</span> -Glaubens, Mainz 1867 S. 513-537. Al. Schmid, Untersuchungen -über den letzten Gewissheitsgrund des Offenbarungsglaubens, -München, 1879. Jansen, Praelect. Theol. I 711-724.</p> - -<p class="sep2">3. De Reformatie nam welbewust en vrij haar standpunt in -het religieuse subject, in het geloof van den Christen, in het -getuigenis des H. Geestes. Wel is waar komen er bij Luther, -Zwingli en Melanchton slechts enkele uitspraken voor over het -testimonium Spiritus Sancti, Köstlin, Luthers Theol. I 279, II -254 f. Scholten, L. H. K. I 186 v. Maar Calvijn heeft deze -leer breedvoerig ontwikkeld en haar in verband gebracht niet -alleen met den inhoud maar ook met den vorm en het gezag -der Schrift. Dat de Schrift Gods woord is, zegt Calvijn, staat -niet vast door de kerk, maar stond vast vóór haar besluit, want -de kerk is gegrond op het fundament van apostelen en profeten. -De Schrift brengt haar eigen gezag mede, zij rust in zichzelve, -zij is αὐτοπιστος. Evenals het licht van de duisternis, de witte -van de zwarte kleur, het zoet van het bitter onderscheiden is, -zoo wordt de Schrift door haar eigen waarheid onderkend. Maar -zekerheid bij ons krijgt die Schrift als Gods woord alleen door -het getuigenis des H. Geestes. Bewijzen en redeneeringen zijn -wel veel waard, maar dit getuigenis gaat ze alle in waarde verre -te boven, het is omni ratione praestantius. Gelijk God alleen van -zichzelf getuigen kan in zijn woord, zoo vindt zijn woord niet -eerder geloof in het hart der menschen, dan nadat het door het -inwendig getuigenis des Geestes bezegeld wordt. Dezelfde Geest, -die door den mond der profeten sprak, moet in onze harten -werken en ons overtuigen, dat zij getrouw hebben overgeleverd -hetgeen hun van God bevolen was. De H. Geest is daarom zegel -en bevestiging van het geloof der vromen. Indien we dat getuigenis -in ons hebben, rusten we niet in eenig menschelijk oordeel, -maar stellen ontwijfelbaar vast, alsof we God zelf in haar aanschouwden, -dat de Schrift uit Gods mond door den dienst van -menschen is voortgekomen. Wij onderwerpen ons aan haar ut rei -extra aestimandi aleam positae. Maar dat moet niet zoo worden -verstaan, alsof we ons blindelings onderwierpen aan eene zaak, -die ons onbekend is. Neen, wij zijn ons bewust, dat wij in die -Schrift de onoverwinbare waarheid bezitten en voelen non dubiam -vim numinis illic, vigere ac spirare, waardoor wij, willens en -<span class="pagenum" id="Page_491">[491]</span> -wetens en toch levendig en krachtig tot gehoorzaamheid gedrongen -worden, Inst. I c. 7. Comm. in 2 Tim. 3:16. Calvijn wist in -deze leer van het testimonium Sp. S. geen private openbaring, -maar de ervaring aller geloovigen te beschrijven, Inst. I, 7, 5. -Dit getuigenis des H. G. was bij hem ook niet geïsoleerd van, -maar stond in het nauwste verband met heel de werkzaamheid -des H. G. in het hart der geloovigen; door haar alleen ontstaat -en bestaat de gansche kerk; heel de toepassing des heils is een -werk van den H. Geest; en het getuigen aangaande de Schrift -is maar eene van de vele werkzaamheden des H. G. in de gemeente -der geloovigen. Het testimonium Sp. S. geeft ook geen -nieuwe openbaringen, maar maakt den geloovige vast ten aanzien -van de waarheid Gods, die volledig in de Schrift is vervat; het -maakt dat het geloof eene cognitio certa is en allen twijfel buitensluit. -En het vindt ten slotte zijne analogie in het getuigenis, -dat ons geweten geeft aan de wet Gods, en in de zekerheid, -die we hebben aangaande Gods bestaan. Cf. Klaiber, Die Lehre -der altprot. Dogm. <ins id="cor_47" title="van">von</ins> dem test. Sp. S., Jahrb. f. deutsche -Theol. 1857 S. 1-54. Aug. Benezeh, Théorie de Calvin sur -l’Ecriture Sainte, Paris 1890. Jacq. Pannier, Le témoignage du -Saint-Esprit, Paris 1893. Deze leer van het testim. Sp. S. werd -opgenomen in de Fransche, Nederl. en Westminstersche geloofsbelijdenis -en in Calvijns geest ontwikkeld door Ursinus, Tract. -Theol. p. 12, 13. Zanchius, Op. VIII col. 332 sq. Polanus, Synt. -Theol. I cap. 16. Trigland, Antapologia p. 42 sq. Maccovius, -Loci Comm. p. 28. Alsted, Theol. schol. didact. 1618 p. 10 sq. -29 sq. Maresius, Syst. Theol. I § 33 e. a. Ook buiten de Geref. -theologie vond ze ingang bij de Lutherschen, nog niet bij Chemniz, -Heerbrand enz. maar wel bij Hutter, Hunnius, Gerhard, Loc. -Theol. loc. 1 cap. 3 § 39. Quenstedt, Hollaz, cf. Hase, Hutterus -Rediv. § 37, 45. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6<sup>e</sup> Aufl. S. -31. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 1-54. Dorner, Gesch. -der Prot. Theol. S. 539-549.</p> - -<p>Maar deze leer vond bestrijding van den kant van het Socinianisme, -Fock, der Socinianismus 336 f.; van het Remonstrantisme, -Episcopius, Instit. Theol. Lib. 4 Sect. 1 cap. 5 § 2. Limborch, -Theol. Christ. I c. 4 § 17, en van het Romanisme, Bellarminus, -de verbo Dei IV 4; cf. Pannier, Le témoignage du S. -Esprit p. 140 s. Langzamerhand begon het testimonium internum -<span class="pagenum" id="Page_492">[492]</span> -ook in de Geref. theologie zijne eereplaats te verliezen. Bij Turretinus, -Theol. El. II qu. 6 § 11 sq. en Decas disput. miscell. -p. 30-70, Amyraldus, Syntagma thesium theol. in acad. Salmur. -1665 p. 117-143, Molinaeus, Juge des controverses, chap. 16, -17 e. a. wordt het reeds verzwakt, en vereenzelvigd met zoodanige -verlichting des H. Geestes, waardoor het verstand in staat -wordt gesteld, om de notae en criteria van de goddelijkheid der -H. Schrift op te merken. Het geloof sluit zich niet rechtstreeks -en onmiddellijk meer aan de Schrift aan, maar vloeit uit het -inzicht in de veritatis et divinitatis notae voort. Tusschen de -Schrift en het geloof worden de kenmerken van de waarheid der -Schrift ingeschoven. Eerst nog in dien zin, dat het opmerken en -onderkennen van die criteria aan eene verlichting des verstands -door den H. Geest wordt toegeschreven. Maar het rationalisme -achtte spoedig ook deze onnoodig, droeg het onderzoek van de -waarheid der openbaring op aan de rede, en grondde het gezag -der Schrift op historische bewijzen. Zelfs rechtzinnige theologen -durfden nauwelijks meer spreken van het testimonium internum, -Brakel, Red. godsd. 2:7. Marck, Merch der Godg. 2:6. Als -het getuigenis des H. G. nog ter bevestiging van het gezag der -Schrift ter sprake wordt gebracht, komt het geheel achteraan, -en wordt het in een ervaringsbewijs veranderd, Reinhard, Dogm. -5<sup>te</sup> Aufl. S. 69. Bretschneider, Dogm. 1838 I 283 en de daar -aangeh. litt. Hase, Hutterus Rediv. § 37, noot 4. Vinke, Theol. -Christ. dogm. Comp. p. 21, 22 enz. Michaelis, Dogm. 2<sup>e</sup> Aufl. -Gött. 1784 S. 92, verklaarde, dat hij nooit zulk een getuigenis -des H. G. in zijn hart vernomen had en ook in de Schrift niet -vond. En Strauss, Gl. I 136, beweerde, dat het testimonium Sp. -S. tot fanatisme of tot rationalisme leidde en de Achilleshiel -was van het Protestantsche systeem.</p> - -<p>Verschillende oorzaken hebben er echter toe medegewerkt, om -deze leer van het testimonium internum toch weer eenigermate -in hare eer te herstellen. De kritiek van het rationalisme door -Kant; het bewijs des Geistes und der Kraft, waarop Lessing zich -beriep; de romantiek van Jacobi en Schleiermacher, en de onvruchtbaarheid -der apologetiek hebben de overtuiging doen geboren -worden, dat de rechtvaardiging van de christelijke religie -uitgaan moet van het geloof der gemeente. Religieuse waarheid -moet op andere wijze bewezen worden dan eene stelling uit de -<span class="pagenum" id="Page_493">[493]</span> -mathesis. Aan de openbaring die het principium externum der -religie is, moet een correspondeerend orgaan in den mensch zelf -beantwoorden. Wel verschilt dit alles nog zeer veel van het -testimonium Sp. S., gelijk het door Calvijn ontwikkeld werd. -Dikwerf wordt dit getuigenis door de nieuwere theologen van -heel zijn bovennatuurlijk karakter beroofd. Gewoonlijk wordt het -in verband gebracht niet met den vorm, maar alleen met den -inhoud, en soms alleen met den religieus-ethischen inhoud der -Schrift. Maar evenals de Roomsche, zoo moeten ook de Protestantsche -theologen erkennen, dat de laatste en diepste grond des -geloofs niet buiten ons liggen kan in bewijzen en redeneeringen, -in kerk en traditie, maar alleen gevonden kan worden in den -mensch zelf, in het religieuse subject. En die overtuiging komt -aan de leer van het testimonium Sp. S. ten goede. Een enkele -moge het nog voor de historische bewijzen opnemen en het testimonium -Sp. S. bestrijden, zooals König, Der Glaubensakt des -Christen 1891 S. 92-99. Id. Die letzte Instanz des bibl. Glaubens -1892 S. 23 f. De meeste theologen nemen het weer op in -de dogmatiek, en ruimen er eene grootere of kleinere plaats voor -in, Oosterzee, Jaarb. v. wet. Theol. 1845. Dogm. I 242. Scholten -L. H. K. I 115-233. Twesten I 433-7. Klaiber, Jahrb. f. -d. Theol. 1857. Lange I § 84. Kahnis, Luth. Dogm. I 291. -Philippi, Kirchl. Dogm. 3<sup>e</sup> Aufl. I 135 f. Cremer in Herzog<sup>2</sup> -6, 746. Frank, Syst. der chr. Gewissheit I 139. Id. Dogm. Studiën -38-57. Thomasius, Christi Person u. Werk 3<sup>e</sup> Aufl. II 268 f. -Dorner, Gesammelte Schriften, Berlin 1883 S. 131 f. Lipsius, -Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 614. Hodge, Syst. Theol. III -69. Pannier, Le témoignage du S. Esprit p. 193 s. Kuyper, -Encycl. II 501-511. John de Witt, The testimony of the Holy -Spirit to the Bible, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1895 p. 69-85.</p> - -<p class="sep2">4. Zoowel de Roomsche als de Protestantsche theologie is -bij het onderzoek naar den diepsten grond des geloofs uitgekomen -bij het religieuse subject en moet hare positie nemen in het -geloof der gemeente. Elke andere weg, tot bewijs der religieuse -waarheid ingeslagen, is gebleken eene impasse te zijn. Schijnbaar -is dit eene teleurstelling; en zoo wordt ze ook gevoeld door elk, -die het eigenlijk wezen van openbaring en godsdienst miskent en -ze verandert in eene verstandelijk bewijsbare leer. Maar feitelijk -<span class="pagenum" id="Page_494">[494]</span> -is deze uitkomst voor de theologie eene winst. Want zij bewijst, -dat de theologie tot het inzicht gekomen is van de eigensoortigheid -der religie en dat zij in dezelfde conditie verkeert als alle -andere wetenschappen. Het subjectieve uitgangspunt is toch volstrekt -niet alleen aan de theologie eigen. Al het objectieve is -slechts van uit het subject te benaderen; het Ding an sich is -onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld der klanken -heeft slechts realiteit voor den hoorenden, de wereld der gedachten -alleen voor den denkenden geest. Het is vergeefsche -moeite, aan den blinde het objectief bestaan der kleuren te -willen bewijzen. Alle leven en kennen berust op eene samenstemming -van subject en object. En de mensch is daarom zoo -rijk, wijl hij door de verschillendste en de veelvuldigste relatiën -aan de objectieve wereld verbonden is. Hij is aan de gansche -wereld verwant; physisch, vegetatief, sensitief, intellectueel, -ethisch, religieus staat hij met die wereld in harmonie; hij -is een mikrokosmos. Nu gaat de Schrift ons voor, om al -deze relatiën van den mensch tot de wereld religieus op te -vatten en theïstisch te verklaren. De mensch heeft zich niet -zelf in deze verhouding tot den kosmos gesteld. Hij is van huis -uit op die wereld aangelegd, en deze wederkeerig op hem. Wijl -hij beeld Gods is, is hij ook heer der aarde. En niet alleen is -het God, die deze banden eenmaal tusschen mensch en wereld -gelegd heeft; Hij is het ook, die ze voortdurend van oogenblik -tot oogenblik in stand houdt en werken doet. Het is eenzelfde -Logos, waardoor alle dingen in en buiten den mensch zijn gemaakt. -Hij is vóór alle dingen en deze bestaan nog altijd te -zamen door Hem, Joh. 1:3; Col. 1:15. Nog nader doet de -Schrift ons den Geest van God kennen als principe en auteur -van alle leven in mensch en wereld, Gen. 1:2; Ps. 33:6, 104:30, -139:7; Job 26:13, 33:4, bepaaldelijk ook van het intellectueele, -ethische en religieuse leven, Job 32:8; Jes. 11:2. -Natuurlijk is de werking van dien Geest verschillend, overeenkomstig -de verhoudingen, waarin de mensch tot de wereld staat. -Physisch bestaat ze nog slechts in de aandrift, die mensch en -dier hunne spijze van God doet zoeken, Ps. 104:20-30. Ze -is dan nog gelijk aan het instinct, dat onbewust de handeling -leidt. Maar hooger vorm neemt deze werking van Gods Geest -aan in het intellectueele, ethische en religieuse leven van den -<span class="pagenum" id="Page_495">[495]</span> -mensch. Ze wordt dan tot ratio, conscientia, sensus divinitatis, -welke geen rustende vermogens maar vatbaarheden zijn, die door -inwerking van verwante verschijnselen uit de buitenwereld tot -actie overgaan. En deze actie kan nu den naam van getuigenis -dragen, door den menschelijken geest gegeven aan de correspondeerende -verschijnselen buiten hem. Onze geest doet niets anders -dan altijd door getuigenis geven aan de waarheid, die van buiten -tot ons komt. Hij brengt die waarheid niet denkende en redeneerende -uit zichzelven voort; hij produceert en schept ze niet, -hij reproduceert en denkt ze slechts na. De waarheid bestaat -vóór en onafhankelijk van den menschelijken geest; zij rust in -zichzelve, in den Logos, waarin alles bestand heeft. Van ’s menschen -zijde is alleen noodig, dat hij de waarheid inzie en in -zich opneme; dat hij er zijn getuigenis aan geve en ze denkend -en kennend verzegele. Zoo getuigde Jezus hetgeen hij gezien en -gehoord had, Joh. 3:32; Hij gaf der waarheid getuigenis, Joh. -18:37; en zoo waren de apostelen getuigen van het woord des -levens, dat zij in Christus aanschouwd en getast hadden, Joh. -15:27; 1 Joh. 1:3. Zulk een getuigenis geven aan de waarheid -is voor den menschelijken geest rust, vreugde, zaligheid. -De afstand tusschen ons en de waarheid is dan weggevallen; zij -heeft ons, wij hebben haar gevonden. Er is onmiddellijke aanraking. -Zij maakt ons door zichzelve tot hare getuigen. Alle -waarheid maakt van hem, die haar kent, een getuige, een verkondiger, -een profeet. Ingaande in onzen geest, brengt zij -hare eigene getuigenis mede; zij brengt die zelve in ons voort. -Religieus opgevat, is het de Logos zelf, die door onzen geest -heen aan den Logos in de wereld getuigenis geeft. Het is eenzelfde -Geest, die de waarheid objectief voor ons uitspreidt en -ze subjectief in onzen geest tot zekerheid verheft. Het is zijn -getuigenis, dat in ons bewustzijn gegeven wordt aan de gedachten, -welke God in de schepselen heeft belichaamd. Bovenal in de -religie is dit getuigenis des H. Geestes aan de waarheid duidelijk. -God laat zich niet onbetuigd. Hij openbaart zijne δυναμις en -θειοτης in de schepselen, en geeft zelf daaraan in onzen νους -door zijnen Geest getuigenis. Alle kennen der waarheid is wezenlijk -een getuigenis, dat de geest des menschen aangaande haar -aflegt, en in den diepsten grond een getuigenis van den Geest -Gods aan het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt.</p> - -<p class="sep2"><span class="pagenum" id="Page_496">[496]</span> -5. Dit getuigenis van des menschen geest aan de waarheid -is onderstelling en grondslag, en tevens ook analogie van het -testimonium Spiritus Sancti. Calvijn en anderen wezen reeds op -deze overeenkomst, Instit. II 8, 1. Maresius, Syst. theol. I § 33. -Alsted, Theol. schol. did. p. 31. Maar analogie is geen identiteit. -De christelijke religie heeft tot principium externum niet de -algemeene openbaring Gods in de natuur, maar eene bijzondere -openbaring Gods in Christus. Daarmede moet het principium -internum overeenstemmen. De νους van den psychischen mensch -is onvoldoende, om de dingen des Geestes Gods te onderscheiden. -God kan alleen door God worden gekend. Ὁ ὠν ἐκ του θεου -τα ρηματα του θεου ἀκουει, Joh. 8:47, 3:21, 7:17, 10:3 v., -18:37. Niemand kan over God spreken, dan die uit en door -Hem spreekt. Daarom kan ook alleen diezelfde Geest, die door -profeten en apostelen heeft gesproken, in onze harten aan de -waarheid getuigenis geven en deze daardoor boven allen twijfel -verheffen en tot volstrekte zekerheid brengen. Zulk een getuigenis -des H. Geestes in de harten der geloovigen wordt in de -Schrift zeer duidelijk geleerd. In de objectieve openbaring, d. i. -in den persoon van Christus en in de Schrift als zijn woord, ligt -alles besloten, wat de mensch tot de kennis en den dienst Gods -van noode heeft. De openbaring Gods is in Christus voltooid en -in de Schrift volkomen genoegzaam beschreven. Maar deze openbaring -in Christus en in zijn woord is middel, geen doel. Doel -is de schepping eener nieuwe menschheid, die het beeld Gods -ten volle ontvouwt. Daarom moet heel de openbaring overgeleid -worden uit Christus in de gemeente, uit de Schrift in het bewustzijn; -God zoekt eene woning in den mensch. Dit groote, -goddelijke werk van de toepassing des heils, van de leiding in -alle waarheid is opgedragen aan den Heiligen Geest. Reeds in -de dagen des O. Verbonds was Hij de auteur van alle religieus-ethische -kennis en leven, Ps. 51:13, 143:10; Jes. 63:10. -Maar Israel verkeerde in een staat van onmondigheid en was -onder de verzorging der wet gesteld, Gal. 4:1 v. De H. Geest -was nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt, Joh. -7:39. Daarom zagen de profeten met verlangen uit naar de -dagen des N. Verbonds, waarin allen door den Heere geleerd en -allen door den H. Geest geleid zouden worden, Jer. 31:34; -Ezech. 36:25 v.; Joel 2:28 v. Naar de belofte wordt deze -<span class="pagenum" id="Page_497">[497]</span> -Geest uitgestort op den Pinksterdag. Heel zijne werkzaamheid -wordt door Jezus een getuigen, een verheerlijken van Hemzelven -genoemd, Joh. 15:26, 16:14. De H. Geest is de waarachtige -en de almachtige Getuige voor Christus. Heel de wereld staat -vijandig tegen Christus over, niemand neemt het voor Hem op. -Maar de H. Geest treedt bij die wereld als de paracleet, als de -verdediger van Christus op. Dat doet Hij allereerst in de Schrift; -deze is het getuigenis, de pleitrede des H. Geestes voor Christus, -die Hij uitspreekt en handhaaft al de eeuwen door. Dit testimonium -Spiritus Sancti in S. Scriptura gaat vooraf en ligt ten -grondslag aan het getuigenis, dat de H. Geest aflegt in de harten -der geloovigen. Gelijk de gedachten Gods objectief in de wereld -belichaamd zijn en daaruit door den menschelijken geest worden -afgeleid, zoo is ook het woord der openbaring eerst volkomen -beschreven in de H. Schriftuur, om daarna verzegeld te worden -in onze harten door het getuigenis des H. Geestes. Ook hier -bestaat de werkzaamheid van den geest des menschen in niets -anders dan om getuigenis te geven aan de waarheid, en na te -denken wat God voorgedacht heeft. Het testimonium Sp. S. in -de geloovigen blijkt hier alreede geen nieuwe openbaring of meedeeling -van onbekende waarheden te zijn. Het is wezenlijk onderscheiden -van profetie en inspiratie; het doet alleen de waarheid, -die buiten en onafhankelijk van ons bestaat, als waarheid verstaan -en verzekert en verzegelt ze mitsdien in het menschelijk -bewustzijn. De verhouding van het getuigenis des H. Geestes in -de harten der geloovigen tot de waarheid der openbaring in de -H. Schrift is m. m. geene andere dan die van den menschelijken -geest tot het voorwerp van zijne kennis. Het subject schept de -waarheid niet; het erkent en beaamt ze slechts.</p> - -<p>Maar de analogie strekt zich nog verder uit. De objecten van -het menschelijk weten zijn alle αὐτοπιστα, ze rusten in zichzelve, -hun bestaan kan erkend maar niet bewezen worden. Bewijzen -in strikten zin zijn er alleen mogelijk ten aanzien van -afgeleide stellingen, en bestaan dan daaruit, dat deze tot algemeene -stellingen worden herleid. Bewijzen is: het onbekende -terugleiden tot het bekende, het bijzondere tot het algemeene, -het onzekere tot het vaststaande. Misschien is het nog juister te -zeggen, dat bewijzen bestaat in het herleiden van onzekere en -betwijfelde stellingen tot zulke, die nu eenmaal algemeen als -<span class="pagenum" id="Page_498">[498]</span> -vaststaande worden aangenomen. Want de prima principia, waar -alle bewijzen ten slotte op rusten, zijn zelve voor geen bewijs -vatbaar; zij staan alleen vast door en voor het geloof. Bewijzen -zijn daarom alleen van kracht voor hem, die in deze principia -met ons overeenstemt. Contra principia negantem non est disputandum. -Zoo kan in de moraal het stelen als ongeoorloofd worden -bewezen aan hem, die het gezag der zedewet erkent, maar elk -bewijs is krachteloos tegenover wie dit gezag loochent. De zedewet -zelve is αὐτοπιστος, zij rust in zichzelve, zij is als de zon -die alleen gezien wordt bij haar eigen stralen; zij hangt van -geen bewijs en redeneering af; zij is machtig doordat zij er is, -zichzelve poneert en handhaaft; haar macht bestaat in haar gezag, -in de goddelijke majesteit, waarmede zij haar: gij zult, in -onze conscientie hooren doet. De zedewet zou zichzelve verzwakken, -als zij met ons ging redeneeren en zich onderwierp aan -ons oordeel. Zij treedt kategorisch op, en wil van geen exceptiën, -van geen verontschuldigingen weten. Op de vraag: waarom onderwerpt -gij u aan de zedewet? is er maar één antwoord mogelijk: -omdat zij mij Gods wil openbaart. Maar als dan verder gevraagd -wordt: waarom gelooft gij, dat die zedewet Gods wil is? is er -geen afdoend antwoord meer te geven. Wie dan toch antwoorden -wil, slaat een zijweg in en beroept zich op allerlei notae en -criteria, waarin die goddelijkheid der zedewet zich aan hem kenbaar -maakt. Maar afdoende bewijzen zijn dit niet. En zoo is het -gesteld met alle principia. Zij rusten in zichzelve en staan alleen -vast voor het geloof. Op dezelfde wijze verhoudt het zich in de -theologie. Bewijzen zijn hier alleen mogelijk ten aanzien van de -afgeleide stellingen. De Godheid van Christus kan bewezen worden -aan hem, die het gezag der Schrift erkent. Maar de autoriteit -der Schrift rust in zichzelve en is voor geen bewijs vatbaar. De -H. Schrift is αὐτοπιστος en daarom de laatste grond des geloofs. -Een diepere grond is niet aan te voeren. Op de vraag: waarom -gelooft gij de Schrift? is het eenige antwoord, wijl zij Gods -woord is. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom gelooft gij, -dat de H. Schrift Gods woord is? moet de Christen het antwoord -schuldig blijven. Wel zal hij dan een beroep doen op de -notae en criteria der Schrift, op de majesteit van haar stijl, de -verhevenheid van haar inhoud, de diepte harer gedachten, het -zegenrijke harer vruchten enz.; maar dat zijn toch niet de gronden -<span class="pagenum" id="Page_499">[499]</span> -van zijn geloof, het zijn slechts eigenschappen en kenmerken, -die later door het geloovig denken in de Schrift worden ontdekt, -evenals de bewijzen voor Gods bestaan niet aan het geloof -voorafgaan en dit schragen, maar eruit voortvloeien en erdoor -uitgedacht zijn. Alle bewijzen voor het geloof aan de Schrift, -ontleend aan hare notae en criteria, toonen ten duidelijkste aan, -dat er geen diepere grond kan aangegeven worden. Het Deus -dixit is het primum principium, waartoe alle dogmata, ook dat -aangaande de Schrift, kunnen herleid worden. De band der ziel -aan de Schrift als het woord Gods ligt achter het bewustzijn, -en onder de bewijzen; hij is mystiek van aard, evenals het geloof -aan de principia in de verschillende wetenschappen.</p> - -<p class="sep2">6. Tegen deze voorstelling wordt echter van verschillende -zijden de bedenking ingebracht, dat alzoo het gelooven geheel -willekeurig wordt. In plaats van redenen op te geven, waarom -de Schrift als woord Gods wordt geloofd, antwoordt men, dat -God het alzoo te gelooven geeft. Daarmede kan de Mohammedaan -zijn geloof aan den Koran, en ieder bijgeloovige zijne superstitie -bewijzen. Het sic volo, sic jubeo neemt de plaats in van reden -en bewijs. Cf. bijv. Scholten tegen Saussaye, Leer der Herv. Kerk, -3<sup>e</sup> druk, voorrede. Hiertegen worde echter in de eerste plaats -opgemerkt, dat de geloovige wel is waar geen dieperen grond voor -de openbaring kan aangeven dan haar goddelijke autoriteit, welke -hij door het geloof erkent. Maar daarom heeft hij nog wel wat -in het midden te brengen tegenover den bestrijder dier openbaring. -Het is zoo, afdoende bewijzen heeft hij niet, hij kan den -tegenstander niet bewegen tot het geloof, maar hij heeft ter verdediging -minstens evenveel te zeggen als gene tot aanval. Ook -het ongeloof rust ten slotte niet op bewijzen en redeneeringen -maar wortelt in het hart. Geloovigen en ongeloovigen staan in -dit opzicht volkomen gelijk; beider overtuiging hangt met heel -hun persoonlijkheid saam en wordt eerst aposteriori door bewijs -en redeneering gesteund. En als nu beiden tegen elkander met -deze aposteriorische bewijzen en redeneeringen strijd voeren, verkeeren -de geloovigen in geen ongunstiger conditie dan zij, die -niet gelooven. God is kenbaar genoeg voor degenen die Hem -zoeken, en ook weder verborgen genoeg voor hen, die Hem ontvluchten. -Il y a assez de lumière pour ceux, qui ne désirent -<span class="pagenum" id="Page_500">[500]</span> -que de voir, et assez d’obscurité pour ceux, qui ont une disposition -contraire. Il y a assez de clarté pour éclairer les élus, et assez -d’obscurité pour les humilier. Il y a assez d’obscurité pour aveugler -les réprouvés, et assez de clarté, pour les condamner et les -rendre inexcusables, Pascal, Oeuvres, Paris, Hachette 1869 I 345. -Het staat met religie, theïsme, openbaring en Schrift nog niet zoo -hopeloos, als de wetenschap ons jaren lang heeft willen doen gelooven. -Theodor von Lerber schreef onlangs van de wetenschap niet -geheel ten onrechte: ich habe als Dilettant zu oft neben ihr -gesessen und ihr in die Karten und auf die Finger geschaut, um -noch übermässigen Respekt vor der Dame zu haben. Sie wird mir -auf meinen Grabstein schreiben müssen: er dachte klein von mir -und starb, bij A. Zahn, Socialdemokratie und Theologie, Gütersloh -1895 S. 34. Historische en rationeele bewijzen zullen niemand -bekeeren, maar zijn toch tot verdediging van het geloof even -krachtig, als de argumenten der tegenpartij voor de rechtvaardiging -van haar ongeloof. Voorts is het getuigenis, dat door de -geloovigen aan de christelijke openbaring, aan de Schrift, gegeven -wordt, wel niet algemeen menschelijk, maar toch algemeen christelijk. -De gansche Christenheid is in deze belijdenis eenparig. Het -testimonium Spiritus Sancti is niet het getuigenis van een spiritus -privatus, maar van den éénen en zelfden Geest, die in alle geloovigen -woont. Calvijn verklaarde, dit getuigenis besprekende, niets -te beschrijven dan wat de ervaring was van alle geloovigen, Inst. -I 7, 6. Het is een machtig getuigenis, dat door de kerk aller -eeuwen gegeven wordt aan de Schrift als het woord Gods. Over -geen dogma heerscht er zoo groote eenstemmigheid. Het is een -feit, dat niet met hallucinatie of willekeur op ééne lijn mag -gesteld worden, en dat in elk geval verklaring behoeft. Vervolgens -kan de geloovige zeer zeker geen dieperen grond voor zijn geloof -aanwijzen dan de goddelijke autoriteit der H. Schrift. Maar hij -kan wel nadere verklaring geven aangaande de wijze, waarop -hij tot dit geloof is gekomen. Het is zoo, in den regel wordt -iemand in dat geloof geboren en opgevoed; later ontdekt hij zelf, -dat hij met heel zijne ziel aan de Schrift gebonden ligt, en tracht -dan erover na te denken en van dezen mystieken band zich rekenschap -te geven. Maar meermalen gebeurt het, dat iemand op -lateren leeftijd tot bekeering komt en tot het geloof aan de Schrift. -En ook zij, die van der jeugd aan uit dat geloof hebben geleefd, -<span class="pagenum" id="Page_501">[501]</span> -worden dikwerf geschokt en door de kritiek heen en weer geslingerd; -eerst allengs komen zij tot de vaste verzekerdheid des -geloofs. Welke is nu de ervaring, waardoor het geloof aan de -openbaring voor het eerst gewekt of later hersteld en versterkt -wordt? Zij is natuurlijk verschillend in de verschillende geloovigen; -maar zij is toch altijd van religieus-ethischen, van geestelijken -aard. Wat ons werkelijk gelooven doet is niet het inzicht -van ons verstand noch een besluit van onzen wil; maar het is -eene macht, die boven ons staat, die onzen wil buigt, die ons -verstand verlicht, die zonder dwang en toch krachtdadig onze -gedachten en overleggingen gevangen leidt tot de gehoorzaamheid -van Christus. Dat beleed Augustinus, als hij het geloof -toeschreef aan de gratia interna. Dat erkende Thomas, als hij -zei, dat de assensus fidei was a Deo, interius movente per gratiam. -Dat sprak het Vaticaansche concilie uit, als het getuigde dat -het geloof niet tot stand kwam absque illuminatione et inspiratione -Spiritus Sancti. En dat was de overtuiging van heel de -Reformatie: het geloof is eene gave Gods, eene werking des -H. Geestes. Gelooven is eene daad des verstands, is eene onmiddellijke, -niet door bewijzen bemiddelde, aansluiting van het bewustzijn -aan de openbaring. Maar dat geloof onderstelt eene verandering -in de relatie van den ganschen mensch tot God, het onderstelt -de wedergeboorte, de omzetting van den wil. Nemo credit -nisi volens. Het weten dwingt; niemand kan eene mathematische -stelling ontkennen. Maar gelooven is vrij, het is de daad der -hoogste vrijheid, wijl de daad van de diepste zelfverloochening. -Als God de zaligheid niet aan het weten maar aan het gelooven -verbindt, dan is dat een bewijs, dat Hij niet dwingt en niet -dwingen wil. De brief aan Diognetus, cap. 7 zegt zoo schoon: -βια γαρ οὐ προσεστι τῳ θεῳ. Juist, wijl het geloof geen vrucht -is van wetenschappelijke bewijzen, komt het niet buiten het hart -en den wil des menschen om tot stand. Dat is de waarheid, die -er ligt in de leer van Kant en de Neokantianen aangaande den -moralischen Glauben. Het geloof is geen conclusie van een syllogisme. -Toch is het aan de andere zijde ook geen wilsbesluit, -geen postulaat. Postuleeren doet de verloren zoon niet, als hij -terugkeert naar het vaderhuis. Het geloof is ook geen imperium -voluntatis. Men kan niet gelooven als men wil. De wil kan aan -het bewustzijn niet bevelen, om iets als waarheid aan te nemen, -<span class="pagenum" id="Page_502">[502]</span> -als het zelf hoegenaamd de waarheid er niet van inziet. Gelooven -is geen willekeur, maar het is ook niet blind. Het onderstelt -eene wilsverandering, operari sequitur esse; maar het is eene -vrije, spontane erkenning des verstands van het woord Gods. -Gelijk het oog, de zon ziende, van haar realiteit terstond overtuigd -is, zoo aanschouwt de wedergeborene de waarheid van Gods -openbaring. Voor den wedergeborene is het geloof aan de openbaring -even natuurlijk als voor den zedelijken mensch de erkenning -der zedewet. Het is ingeschapen in de natuur van het geestelijk -leven; het wortelt in de geheimzinnige diepten van het wedergeboren -hart. De geloovige kan dit geloof even weinig prijsgeven -als zichzelven. Ja, zichzelf kan hij verloochenen, zijn leven kan -hij opofferen, maar zijn geloof kan hij niet laten varen. Het -geloof aan de openbaring is bij den Christen één met het geloof -aan zichzelven, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 222. Kuyper, Encycl. -II 77. De Christen zou het geloof aan zichzelf, aan zijn kindschap, -aan de vergeving zijner zonden, aan de waarachtigheid en -de trouwe Gods moeten prijsgeven, om in de openbaring niet -het woord Gods te zien. Het geloof aan de openbaring is één -met het beste dat in hem is; in zijne beste oogenblikken staat -hij het sterkst in dat geloof. Wat er tegen opkome, hij kan niet -anders en mag niet anders. Eindelijk, er komt veel op tegen dit -zijn geloof. Niet alleen van buiten, maar veel meer nog van binnen. -Hoezeer de wil is gebogen en het verstand is verlicht, er blijft -in den geloovige nog veel, dat tegen deze gehoorzaamheid des -geloofs zich verheft. Het geloof is, wijl het een bewijs is van -zaken die men niet ziet, een voortdurende strijd. Zonden van -het hart en dwalingen van het hoofd verzetten zich tegen het -geloof; en ze hebben dikwerf den schijn voor zich. Er blijft een -dualisme in den geloovige, zoolang hij op aarde is; een dualisme -niet van hoofd en hart, maar van σαρξ en πνευμα, van den -παλαιος en den καινος ἀνθρωπος. Het geloof behoudt min of -meer een supranatureel karakter, inzoover het de natuur van den -psychischen mensch te boven gaat. Het is nog niet ten volle -natuurlijk; zoodra het dat wordt, houdt het zelf op en gaat het -over in aanschouwen. Het geloof is juist geloof, wijl het iets -ziet, wat de psychische mensch niet waarneemt. Maar dit dualisme, -hoe pijnlijk ook, dient toch ter andere zijde tot bevestiging van -het geloof. Want als het geloof niet opkomt uit de natuurlijke -<span class="pagenum" id="Page_503">[503]</span> -hebbelijkheden van den mensch, en noch een conclusie van een -syllogisme is noch een besluit van den wil; dan is zijne aanwezigheid -tevens een bewijs voor zijn waarheid. Onze eigen geest -drijft ons niet van nature, om God onzen Vader te noemen en -ons onder zijne kinderen te rekenen. Er is een wezenlijk en ook -gemakkelijk kenbaar verschil tusschen het getuigenis des H. Geestes, -als Hij tot onze ziele zegt: ik ben uw heil, en de verleiding van -Satan als hij spreekt: Vrede, vrede en geen gevaar. Potestne -quis a diabolo impelli, ut Deum in fide Abba, Patrem vocet? -Heidegger, Corpus Theol. loc. 24 § 78. Het christelijk geloof -wijst op het testimonium Spiritus Sancti terug. Of Godgeleerdheid -smale en Wijsbegeerte spott’, God zelf is laatste grond van mijn -geloof in God (Beets).</p> - -<p class="sep2">7. Dit testimonium Spiritus Sancti is door Calvijn en de -Geref. theologen al te eenzijdig betrokken op de autoriteit der -H. Schrift. Het scheen, dat het geen anderen inhoud had dan -de subjectieve verzekering van de Schrift als het woord Gods. -Daardoor kwam dit testimonium op zichzelf te staan; het werd -van het geloofsleven losgemaakt en scheen eene buitengewone -openbaring aan te duiden, waarvan Michaelis zoo eerlijk was te -erkennen, dat hij ze nimmer had ervaren. De Schrift leert echter -gansch anders. In het algemeen wordt de H. Geest door Jezus -beloofd als de Trooster, als de Geest der waarheid, die in de -eerste plaats de apostelen maar dan door hun woord ook alle -geloovigen leidt in de waarheid, bij hen van Christus getuigt en -Hem verheerlijkt, Joh. 14:17, 15:26, 16:14. Daartoe overtuigt -Hij van zonde, Joh. 16:8-11, wederbaart, Joh. 3:3, en -brengt tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3. -En voorts verzekert Hij van het kindschap en van de hemelsche -erfenis, Rom. 8:14 v.; 2 Cor. 1:22, 5:5; Ef. 1:13, 4:30, -doet alle dingen kennen die den geloovigen van God geschonken -zijn, 1 Cor. 2:12; 1 Joh. 2:20, 3:24, 4:6-13, en is in de -gemeente de auteur van alle christelijke deugden en van alle -geestelijke gaven, Gal. 5:22; 1 Cor. 12:8-11. Duidelijk blijkt -uit al deze plaatsen, dat het getuigenis des H. G. van religieus-ethischen -aard is en ten nauwste samenhangt met het eigen -geloofsleven. Het gaat niet buiten het geloof om, het is geen -stem uit den hemel, geen droom of visioen; het is een getuigenis, -<span class="pagenum" id="Page_504">[504]</span> -dat de H. Geest in, met, door onzen eigen geest -heen in het geloof aflegt. Het wordt niet aan ongeloovigen geschonken -maar is het deel alleen der kinderen Gods. Episcopius, -Instit. Theol. IV sect. 1 c. 5 § 2, maakte daarom de bedenking, -dat het testimonium Sp. S. geen grond des geloofs kan zijn, wijl -het er eerst op volgt, Joh. 7:38, 14:17; Hd. 5:32; Gal. 3:2, -4:6. Maar het geloof is zelf van den eersten aanvang af een -werk des H. Geestes, 1 Cor. 12:3 en ontvangt in den Geest -der υἱοθεσια zijn zegel en bevestiging. Het gelooven zelf is een -getuigen des H. Geestes in onze harten en door onzen geest heen. -Er is alleen in zoover onderscheid tusschen den Geest Gods en -onzen geest bij dit getuigenis, als onze geest zich telkens nog daartegen -verzet en voortdurend tot gehoorzaamheid geleid moet worden. -Daarom geeft het getuigenis des H. Geestes geen verzekering -van de objectieve waarheden des heils buiten verband met den -staat van het religieuse subject. Het verzekert die waarheden, -omdat ze in onlosmakelijk verband staan met wedergeboorte en -bekeering, vergeving en kindschap van den geloovige. Het testimonium -Spiritus Sancti is allereerst eene verzekering, dat wij -kinderen Gods zijn. Dat is de centrale waarheid, de kern en het -middelpunt van dit getuigenis. Maar in verband daarmede verzegelt -het ook de objectieve waarheden des heils, de transcendente -en transeunte waarheden, gelijk Frank ze noemde. Echter met -deze nadere bepaling, dat het testimonium Sp. S. ons geen van -deze waarheden openbaart, noch ook ons in staat stelt om ze door -nadenken uit de natuur van ons geestelijk leven af te leiden. De -verlichting des H. Geestes is geen kenbron der christelijke waarheid; -zij doet ons geene materieele waarheden kennen, die aan -den natuurlijken mensch verborgen zijn; zij doet ons dezelfde -zaken alleen anders, dieper, geestelijk verstaan en opvatten. -Paulus zegt uitdrukkelijk, dat de Geest ons doet weten de dingen -die ons objectief door God in Christus geschonken zijn, 1 Cor. 2, -cf. Hoekstra, Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. -geloof 1861 bl. 165 v. 184. De Geest, dien de geloovigen ontvangen, -is de Geest van Christus, die alles uit Christus neemt -en ontvangen wordt uit de prediking des evangelies, Joh. 14:17; -Gal. 3:2, 4:6; 1 Joh. 2:20, 24, 27. Maar de waarheden -zelve zijn van elders uit de Schrift ons bekend; zij worden alleen -subjectief verzegeld door het getuigenis des H. Geestes.</p> - -<p><span class="pagenum" id="Page_505">[505]</span> -Daaruit volgt, dat het eigenlijk object, waaraan de H. Geest -in de harten der geloovigen getuigenis geeft, niets anders is dan -de divinitas der waarheid, in Christus ons geschonken. Historische, -chronologische, geographische data zijn nooit als zoodanig, op -zichzelve, object van het getuigenis des H. Geestes. Zelfs de -feiten des heils zijn niet als nuda facta, inhoud van dat getuigenis. -Geen enkel geloovige wordt door het getuigenis des -H. Geestes in wetenschappelijken zin verzekerd van de bovennatuurlijke -ontvangenis en de opstanding van Christus. Het eenige, -waar het getuigenis des H. Geestes betrekking op heeft, is de -divinitas. Maar dan ook de divinitas van al die waarheden, welke -in de Schrift zijn geopenbaard en door God in Christus ons -geschonken zijn. Het is onjuist, het testimonium Sp. S. alleen te -laten slaan op datgene, wat in engeren zin alleen religieus-ethisch -is. Wel is de divinitas het eenige directe object van dat -getuigenis, maar deze divinitas is niet alleen eene eigenschap -van enkele godsdienstige en zedelijke uitspraken, maar evenzeer -van feiten en daden. Christus zelf is een historisch persoon, de -verlossing is door historische daden tot stand gebracht, en het -testimonium Sp. S. drukt ook op deze historie het merkteeken -der divinitas. Daarom is dit testimonium Sp. S. door Calvijn ook -terecht in verband gebracht met de Schrift als het woord Gods. -Want niet alleen heeft deze Schrift omnium consensu eene rijke -religieus-ethische beteekenis voor het christelijk leven, maar zij -bevat ook eene leer over zichzelve. De H. Geest openbaart aan -den geloovige geen enkele waarheid, evenmin aangaande den -persoon van Christus als aangaande de H. Schrift. De geloovige -kan alleen belijden wat God in Christus hem geschonken heeft. -Maar de Schrift bevat ook eene leer over zichzelve evengoed als -over Christus. En het testimonium Sp. S. ten aanzien van de -H. Schrift bestaat daarin, niet dat de geloovige eene onmiddellijke, -hemelsche aanschouwing ontvangt van de goddelijkheid -der Schrift; noch ook, dat hij middellijk uit de notae en criteria -tot hare goddelijkheid besluit; evenmin dat hij uit de ervaring -van de kracht die van haar uitgaat, tot hare goddelijkheid -opklimt; maar hierin dat hij vrij en spontaan het gezag erkent, -waarmede de H. Schrift allerwege optreedt en dat zij zelve -telkens uitdrukkelijk voor zichzelve vindiceert. Niet de authentie, -noch de canoniciteit, noch zelfs de inspiratie, maar de divinitas -<span class="pagenum" id="Page_506">[506]</span> -der Schrift, hare goddelijke autoriteit is hierbij het eigenlijk -object van het getuigenis des H. Geestes. Het doet den geloovige -zich onderwerpen aan de Schrift en bindt hem in dezelfde mate -en kracht aan deze als aan den persoon van Christus zelven. -Het verzekert hem, dat hij in nood en dood, in leven en sterven -op dat woord Gods zich verlaten en daarmede zelfs zonder vreeze -voor den Rechter van hemel en aarde verschijnen kan. Historische -kritiek der Schrift vindt daarom alleen in zooverre bij de gemeente -tegenstand, als zij afbreuk doet aan deze divinitas der -H. Schrift en daardoor het getuigenis van het kindschap Gods, -de hope der heerlijkheid, de zekerheid der zaligheid ondermijnt. -In zekeren zin schuilt er in dit testimonium Sp. S. eene cirkelredeneering. -De divinitas der Schrift wordt uit dit getuigenis en -de divinitas van dit getuigenis wederom uit de Schrift bewezen. -Alleen komt het testimonium Spiritus Sancti hier in tweeërlei -opzicht voor. De geloovige voelt zich eerst in zijne ziel aan het -woord Gods gebonden en leert dan later uit de H. Schrift verstaan, -dat dat geloof aan de Schrift in zijn hart gewerkt is door -den H. Geest. Nauwkeurig gesproken is het getuigenis des -H. Geestes ook niet de laatste grond van zijn geloof, want de -Schrift is αὐτοπιστος; maar wel het middel, waardoor hij de -goddelijkheid der Schrift erkent. Schrift en getuigenis des H. -Geestes verhouden zich als objectieve waarheid en subjectieve -verzekerdheid, als de prima principia en hunne evidentie, als het -licht en het oog. Eens in hare goddelijkheid erkend, staat de -Schrift voor het geloof der gemeente als woord Gods onomstootelijk -vast, zoodat zij principium en norma is van geloof en van leven.</p> - -<p class="sep2">8. Dit getuigenis des H. Geestes wordt niet daardoor te niet -gedaan, dat het in de geloovigen schijnbaar zoo verschillend is. -Bellarminus bracht er reeds tegen in, dat Luther en Calvijn -ondanks dit testimonium Sp. S. een zeer afwijkend oordeel velden -over den brief van Jakobus. Maar de H. Geest getuigt in het -hart der geloovigen niet alleen aangaande de H. Schrift maar -evenzeer in betrekking tot alle andere waarheden des heils. Er -is geen kerk, die in dezen zin niet een getuigenis, eene verlichting -des H. Geestes aanneemt. En toch wordt daardoor verschil -in de belijdenis der onderscheidene waarheden niet uitgesloten. -Wij gelooven ééne heilige algemeene christelijke kerk, eene gemeenschap -<span class="pagenum" id="Page_507">[507]</span> -der heiligen; alle geloovigen belijden één Heer, één -geloof, één doop, en zijn gedrenkt tot éénen Geest; en toch is -er verdeeldheid en strijd tusschen de kerken onderling en in de -voornaamste artikelen des geloofs. De eenheid der christelijke -kerk ten aanzien van de Schrift is veel grooter dan in eenig -ander dogma; zelfs dat van de triniteit en de Godheid van -Christus niet uitgenomen. Toch doet al dat verschil ons niet -twijfelen aan de eenheid des geloofs en der kennis, aan de -katholiciteit der kerk, aan de leiding des Geestes in alle waarheid; -want verschil zal er blijven, zoolang de kerk onvolmaakt, -het hart verdorven, het inzicht beperkt, het geloof klein en zwak -is. In den enkelen geloovige is het testimonium Spiritus Sancti -niet altijd even sterk en luide; wijl het ten nauwste met het -geloof en het geloofsleven samenhangt, gaat het op en neer en -is aan twijfel en bestrijding onderhevig. Als in den geloovige de -zonde de overhand neemt, wordt de bewustheid zijner vergeving -verduisterd en verliest het getuigenis des H. Geestes aan kracht. -Ons geloof aan de Schrift neemt af en toe met ons vertrouwen -op Christus. De belijdenis van het testimonium Spiritus Sancti -is zoo hoog en ideaal, dat de werkelijkheid van het christelijk -leven er dikwerf verre beneden blijft.</p> - -<p>Daarbij komt, dat de Schrift zeer zeker een boek is ook voor -den enkelen geloovige, maar toch in verband met de kerk aller -eeuwen. De Schrift is aan de gansche kerk geschonken, aan de -geloovigen van alle tijden en plaatsen. De enkele geloovige voedt -zich altijd met een klein gedeelte der Schrift. Er zijn gansche -gedeelten der Schrift, die voor de individueele geloovigen, ja -voor geheele kerken en tijden, een gesloten boek blijven. Maar -de belijdenis der Schrift als Gods woord is eene belijdenis der -gansche kerk, waarmede de enkele geloovige instemt, en die hij -ook voor zijn persoon en naar de mate zijns geloofs steunt en -handhaaft, Hofmann, Weiss. und Erf. I 45 f. Het testimonium -Spiritus Sancti is niet eene particuliere opinie, maar het getuigenis -van de kerk aller eeuwen, van de gansche Christenheid, van -heel de herborene menschheid. Die kerk stond ook eenmaal in al -hare leden, evenals de wereld, vijandig tegenover het woord Gods. -Maar de H. Geest heeft het in en bij haar opgenomen voor de -waarheid van Christus. Hij heeft haar vijandschap gebroken, haar -verstand verlicht, haar wil gebogen; en bewaart haar bij de -<span class="pagenum" id="Page_508">[508]</span> -waarheid van eeuw tot eeuw en van dag tot dag. Heel de belijdenis -der gemeente is een testimonium Spiritus Sancti. Het is -het ja en amen, dat de gemeente uitspreekt op de waarheid Gods. -Het is het: Abba Vader, uw woord is de waarheid, dat uit de -harten aller geloovigen opstijgt. Zoo weinig is het testimonium -Spiritus Sancti de Achilleshiel van het Protestantisme, dat het -veeleer verdient te heeten de hoeksteen der christelijke belijdenis, -de kroon en het zegel van alle christelijke waarheid, de triumf -des H. Geestes in de wereld. Neem het getuigenis des H. Geestes -weg, niet alleen in betrekking tot de Schrift maar tot alle waarheden -des heils, en er is geen kerk meer. Want het getuigenis, -dat de H. Geest aan de Schrift als het woord Gods geeft, is -maar een enkele toon in het lied, dat Hij op de lippen der gemeente -legt; het is maar een klein gedeelte van dat groote, -goddelijke werk, dat aan den H. Geest is opgedragen, om n.l. -de volheid van Christus te doen wonen in zijne gemeente. Maar -alzoo beschouwd, is dit getuigenis des H. Geestes ook tegenover -tegenstanders niet van alle waarde ontbloot. Wanneer het losgemaakt -wordt van heel zijne omgeving en afgesneden wordt van -het geloofsleven, waarin het wortelt, van de gemeenschap der -heiligen, waarin het bloeit, van het geheel der christelijke waarheid -waarmede het samenhangt; zeer zeker, dan verliest het -tegenover bestrijders al zijne kracht, en is het ja van den een -niet sterker dan het neen van den ander. Maar opgevat als getuigenis, -door den H. Geest afgelegd in de harten aller kinderen -Gods aangaande de waarheid, welke daar is in Christus den Heer, -laat het niet na indruk te maken op het gemoed, ook van den hardnekkigsten -bestrijder. Ook dan komt het nog niet op ééne lijn te -staan met eene logische redeneering of een mathematisch bewijs. -Het behoudt eene eigene kracht. Maar ongelukkig ware de wetenschap -eraan toe, als ze alleen rekenen mocht met wat demonstrabel -is. Heeft de conscientie geen macht, omdat de onzedelijke -mensch ieder oogenblik tegen haar getuigenis ingaat? Verdienen -de principia der wetenschap geen geloof, wijl de skepticus ze -weigert te erkennen? Is de H. Schrift machteloos, omdat haar -waarheid niet kan betoogd worden aan den psychischen mensch? -De kracht van al deze zedelijke grootheden is juist daarin gelegen, -dat zij zichzelve niet demonstreeren, maar in hooge majesteit zich -plaatsen voor ieders bewustzijn. Ze zijn machtig door het gezag, -<span class="pagenum" id="Page_509">[509]</span> -waarmede zij optreden. Een vader bewijst zijn gezag aan zijne -kinderen niet maar houdt het staande met droit divin. En zoo -doet de H. Schrift. Zij heeft haar gezag in de gemeente van -Christus gehandhaafd tot op dezen dag; zij heeft alle geloovigen, -en onder hen de grootste geesten en de edelste zielen, doen -buigen voor hare autoriteit. Welke macht ter wereld is met die -der Schrift te vergelijken? Het testimonium Spiritus Sancti is -de zegepraal van de dwaasheid des kruises over de wijsheid der -wereld, de triumf van de gedachten Gods over de overleggingen -des menschen. In dezen zin bezit het getuigenis des H. Geestes -eene uitnemende apologetische waarde. Dit toch is de overwinning, -die de wereld overwint, namelijk ons geloof.</p> - -<hr class="hr12" /> - -<h3>§ 19. <span class="smcap">Geloof en theologie.</span></h3> - -<p>1. De christelijke kerk heeft zich met het geloof niet tevreden -gesteld, maar bijna van den beginne af aan naar kennis der -religieuse waarheid gestreefd en aan eene bijzondere wetenschap, -de theologie, het aanzijn geschonken. Toch kan niet gezegd worden, -dat deze drang naar wetenschap in het geloof als zoodanig -ligt opgesloten. Want het geloof is zekerheid en sluit allen twijfel -uit; het rust in het woord Gods en heeft daaraan genoeg. Nobis -curiositate opus non est post Christum Jesum, nec inquisitione -post evangelium. Cum credimus, nihil desideramus ultra credere, -Tertullianus, de praescr. haer. 8. Die Frömmigkeit ist ihrer selbst -unmittelbar gewiss, Rothe, Theol. Ethik. § 7. Het recht en de -waarde der theologische wetenschap is daarom in de christelijke -kerk meermalen bestreden. Tijdens de monophysitische en monotheletische -twisten was er reeds eene partij der Gnosimachi, die -alle wetenschap voor de Christenen onnoodig achtten. Zij leerden, -dat God van den Christen niets verlangt dan goede werken en -dat het beter was, simplici rudique animo institutum suum -persequi, quam multam curam in cognoscendis decretis atque -sententiis ponere, Johannes Damascenus, de haeresibus, Opera -Omnia, Basileae 1575 p. 585. Tegen het einde der Middeleeuwen -was de afkeer van de theologie algemeen. De scholastiek had -alle vertrouwen verloren. In alle kringen en onder alle secten -<span class="pagenum" id="Page_510">[510]</span> -was er een sterk verlangen naar een meer eenvoudig, practisch -Christendom, Harnack, D. G. III<sup>2</sup> 573. Het humanisme zag met -minachting neer op de scholastiek, Paulsen, Gesch. des gelehrten -Unterrichts, Leipzig 1885 S. 1 f. En sedert heeft de oppositie -tegen de scholastiek in de Roomsche kerk schier nimmer gezwegen. -Bajus, Jansenius, Launoy, vele theologen in de vorige en in -deze eeuw, o. a. Günther, hebben tegen de scholastische theologie -allerlei ernstige beschuldigingen ingebracht, Kleutgen, Theol. der -Vorzeit IV<sup>2</sup> 133 f. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk. -II 566 f.</p> - -<p>De Reformatie nam aanvankelijk hetzelfde standpunt in. Luthers -oordeel over Aristoteles, de scholastiek en de rede is bekend. -Köstlin, Luthers Theol. I 106 f. Melanchton schreef in de eerste -uitgave zijner loci: hoc est Christum cognoscere, beneficia ejus -cognoscere, non quod isti (scholastici) docent, ejus naturas, modos -<ins id="cor_48" title="iucarnationis">incarnationis</ins> intueri, ed. Augusti 1821 p. 9. Zwingli zei, dat -Christen te zijn niet bestond in schwatzen von Christo, sunder -wandeln wie er gewandlet hat, cf. mijne Ethiek van Zwingli bl. -119 v. Calvijn legt evenzoo sterken nadruk op deze practische -zijde des geloofs, Inst. I, 2, 2. I, 5, 9. I, 12, 1. Comm. op Rom. -1:19. Maar velen gingen verder dan de Hervormers en verwierpen -alle theologie. Carlstadt veroordeelde met beroep op Mt. -23:8 alle wetenschappelijke titels en ging leven als een boer -onder de boeren, Herzog<sup>2</sup> 7, 528. De Wederdoopers en de Mennonieten -wilden van eene wetenschappelijke opleiding tot de -bediening des woords niets weten, en gaven het recht tot „vermanen” -aan alle geloovigen. Menno Simons velde over de kerk -en hare dienaren, over studie en geleerdheid menigmaal een zeer -streng oordeel, Alle de Godtgel. Wercken, Amst. 1681 bl. 34 v. -59 v. 260. 270 enz. Eerst later kregen de Mennonietische leeraars -eene wetenschappelijke opleiding, Herzog<sup>2</sup> 9, 575. Sepp, Kerkhist. -Studiën, Leiden 1885 bl. 84, 85. En toen later in de protestantsche -kerken de scholastische behandeling der theologie veld -won, kwam er van allen kant reactie. Calixtus en Coccejus, Spener -en Zinzendorf, Fox en Wesley enz., zij allen werden gedreven -door het verlangen naar meer eenvoud en waarheid in de leer -des geloofs. Daartoe moest men van de leer teruggaan tot het -leven, van de belijdenis tot de Schrift, van de theologie tot de -religie. Zelfs het deisme en het rationalisme waren aan dit streven -<span class="pagenum" id="Page_511">[511]</span> -verwant; het algemeene en gemeenschappelijke zoekend, dat aan -alle godsdiensten en belijdenissen ten grondslag lag, beriepen zij -zich van de christliche Religion op de Religion Christi, van de -statutarische Religion op de Vernunftreligion. Door de agnostische -richting der philosophie, de gevoelstheologie van Schleiermacher, -de historische kritiek der Schrift en andere invloeden is dit streven -nog toegenomen. De afkeer van de dogmatiek is thans algemeen. -Velen zien reikhalzend uit naar een nieuw woord, een -nieuw dogma, verlangen eene religie zonder theologie, een leven -zonder leer, en ijveren voor een practisch, ondogmatisch Christendom -(Dreyer, Egidy, Drummond, Tolstoï enz.). Tot op zekere hoogte -heeft dit streven zijne wetenschappelijke verdediging gevonden in -de school van Ritschl. Zij trad op met den eisch, dat de theologie -geheel en al van de metaphysica moest worden verlost, Ritschl, -Theol. u. Metaph. 1881, cf. ook zijne studiën over de leer van -God, Jahrb. für deutsche Theol. 1865, 1868. Harnack in zijne -Dogmengeschichte, en E. Hatch in zijn werk, The influence of -Greek ideas and usages upon the christ. church, London 1890, -duitsche vertaling van E. Preuschen, Griechenthum und Christ. -Freiburg 1882, cf. ook Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion -1889, pasten dit beginsel toe op de historie der dogmata, en -trachtten aan te toonen, dat de theologie eene vrucht is van het -ter kwader uur gesloten huwelijk tusschen het oorspronkelijk -Christendom en de grieksche philosophie. De beschuldigingen, -door al deze richtingen tegen de theologie, bepaaldelijk tegen de -dogmatiek ingebracht, komen hierop neer, dat zij de zuiverheid -en den eenvoud der christelijke religie vervalscht; de religie -verandert in eene leer, die verstandelijk moet bewezen en aangenomen -worden; het religieuse leven doodt, eene koude dorre -orthodoxie bevordert en de fides implicita noodzakelijk maakt; -en eindelijk ook nog de religie als leer met de wetenschap in -conflict brengt, en de ontwikkelde standen van het christelijk -geloof vervreemdt. Cf. bijv. Kaftan, Glaube und Dogma, 3<sup>e</sup> -Aufl. 1889.</p> - -<p class="sep2">2. Niemand zal ontkennen, dat er ernst en waarheid ligt in -deze klachten over de theologie. Zij is menigmaal haar doel -voorbijgestreefd en in battologie ontaard. Zij heeft al te dikwerf -vergeten, dat ons kennen op aarde een kennen ten deele en een -<span class="pagenum" id="Page_512">[512]</span> -zien in eene duistere rede is. Soms scheen zij van de gedachte -uittegaan, dat ze alle mogelijke vragen beantwoorden en alle -kwesties oplossen kon. Bescheidenheid, teederheid, eenvoud hebben -haar dikwerf ontbroken. Dat was te erger, omdat de theologie -te doen heeft met de diepste problemen en in aanraking komt -met de fijnste roerselen van het menschelijk hart. Meer dan -eenige andere wetenschap past haar de vermaning, μη ὑπερφρονειν -παρ’ ὁ δει φρονειν. Beter een eerlijk non liquet dan -eene gewaagde gissing. Nescire velle, quae Magister optimus -docere non vult, erudita inscitia est. Maar daarmede is toch de -theologie nog niet in beginsel veroordeeld. Immers, indien de -openbaring alleen bestond in meedeeling van leven en de religie -alleen in stemmingen des gemoeds, er zou voor eene eigenlijke -theologie geen plaats zijn. Maar de openbaring is een systeem -van woorden en daden Gods; zij bevat eene wereld van gedachten; -zij heeft haar centrum in de vleeschwording van den Logos. -En de religie is geen gevoel en aandoening alleen, maar zij is -ook geloof, een bewust leven, een dienen Gods met hart en hoofd -te zamen. En daarom kan die openbaring Gods worden ingedacht, -opdat zij te beter inga in het menschelijk bewustzijn. Zelfs kan -het der theologie daarbij niet euvel geduid worden, als zij op -helderheid in het denken, klaarheid in de onderscheiding, nauwkeurigheid -in de uitdrukking zich toelegt. In alle wetenschappen -wordt zulk eene praecisitas nagestreefd en op prijs gesteld; in -de theologie is zij evenzeer op hare plaats. Het gevaar, dat zij -daardoor ontaarden zal in spitsvondigheden en haarkloverijen, -bestaat in de andere wetenschappen bijv. van het recht, van de -letteren evenzeer. Maar niemand zal daarom het recht dier wetenschappen -betwisten. Ook de theologie heeft hare perioden van -bloei en verval; maar het gaat niet aan, haarzelve te veroordeelen -om het misbruik, dat van haar is gemaakt. Abusus non -tollit usum. Vervolgens is ons reeds vroeger gebleken, dat de -scheiding tusschen de christelijke religie ter eener en de metaphysica -enz. ter anderer zijde evenmin zuiver gedacht als practisch -uitvoerbaar is. De historie heeft dit reeds herhaalde malen -bewezen en toont het heden ten dage opnieuw. Om toch zulk -eene scheiding eenigszins mogelijk te maken, zijn alle bovengenoemde -richtingen gedwongen, zich van het evangelie van Christus -eene eenzijdige en onvolledige voorstelling te vormen. Schier -<span class="pagenum" id="Page_513">[513]</span> -nimmer gaan zij terug tot de gansche Schrift, maar altijd tot -een gedeelte; tot het N. Testament alleen, of tot de evangeliën, -of tot de bergrede, of zelfs tot één enkelen tekst. Franciscus -van Assisi bijv. richtte heel zijn leven in naar Mt. 10:9, 10, -Reuter, Gesch. der rel. Aufklärung im M. A. II 184, 186. Paul -Sabatier, Leben des h. Fr. v. A. deutsch von M. L. Berlin 1895 -S. 53. Tolstoi vindt de kern van het evangelie in Mt. 5:38, 39, -Worin besteht mein Glaube, Leipzig, Duncker 1885 S. 12. Drummond -zoekt in de liefde van 1 Cor. 13 het summum bonum. Ritschl -verandert de dogmata in religieus-ethische waardeeringsoordeelen. -Harnack D. G. I<sup>2</sup> 54 komt in de opvatting van het oorspronkelijk -evangelie met Ritschl overeen. En velen vragen thans, waarom de -christelijke kerken toch niet met de bergrede tevreden zijn geweest. -Wat het wezen des Christendoms is, waarin de openbaring of -het woord Gods bestaat, wie de persoon van Christus is, wordt -niet door de apostelen uitgemaakt; ieder stelt het voor zichzelf -naar zijne eigene inzichten vast. Gevolg daarvan is, dat al deze -richtingen niet alleen de kerk, de belijdenis, de theologie maar -ook de apostelen tegen Jezus en tegen het oorspronkelijk evangelie -moeten overstellen. Harnack bijv. D. G. I 53 f. erkent, dat -ook de apostolisch-katholieke leer in het N. Test. het evangelie -van Jezus niet zuiver meer reproduceert. De invloed is er al in -merkbaar van het judaisme, het hellenisme en de grieksch-romeinsche -Religionsphilosophie. Reeds de apostelen, inzonderheid -Paulus en Johannes, hebben het evangelie vervalscht. Ernst von -Bunsen, Die Reconstruction der kirchl. Autorität, Leipzig Brockhaus -1893 betoogt, dat Paulus het evangelie van Jezus heeft -veranderd in eene speculatieve theologie. En als dan een feit -zooals de opstanding van Christus toch niet uit het oorspronkelijk -evangelie kan weggenomen worden, wordt het van zijne religieuse -waarde beroofd, Harnack D. G. I 74. Al verder vloeit uit deze -beschouwing voort, dat de historie van het dogma niet tot haar -recht kan komen. Zij wordt ééne groote aberratie van den menschelijken, -van den christelijken geest. De belofte van den Geest, -die in alle waarheid zou leiden, blijkt ijdel te zijn geweest. De -mogelijkheid zelfs om de waarheid te kennen, wordt aan de kerk -ontnomen, wijl reeds de apostelen haar op een dwaalspoor hebben -geleid. De leer van den logos, van de triniteit, van den -eersten en den tweeden Adam, enz., altemaal dogmata, die de -<span class="pagenum" id="Page_514">[514]</span> -inmenging van de grieksche philosophie moeten bewijzen, wordt -wel niet woordelijk maar toch zakelijk reeds in de Schrift gevonden. -In één woord, de geschiedenis der dogmata is evenals -bij Strauss de geschiedenis hunner kritiek. Niet de kerk heeft de -wereld, maar de wereld heeft de kerk overwonnen. Eindelijk -dreigt bij deze eenzijdige opvatting van het oorspronkelijk evangelie -nog het gevaar, dat men de gemeenschap verliest met de -kerk aller eeuwen en daardoor met den tijd, in welken men -leeft. Dat is het oordeel van alle secten geweest. Afgesneden van -de kerken en de theologie verachtende, hebben ze den invloed -op hare eeuw en den band met de cultuur verloren. Gemeente -en wereld, kerk en school, religie en wetenschap vallen dualistisch -uit elkaar. Daarentegen heeft de theologie de heerlijke -roeping, om deze beide met elkander in verband te houden; om -eenerzijds het christelijk leven te bewaren voor allerlei geestelijke -krankheden van mysticisme en separatisme, en andererzijds -het wetenschappelijk denken van de dwaling en leugen te bevrijden -door de waarheid van Christus. Het recht der theologie -is in het wezen der christelijke religie gegrond. De openbaring -richt zich tot den ganschen mensch, en heeft heel de wereld tot -haar object. Op alle terrein bindt zij den strijd tegen de leugen -aan. Zij biedt stof aan het diepste denken en plant op wetenschappelijk -terrein de kennisse Gods naast en in organisch verband -met die van mensch en wereld. Over de dogmenhistorische -beschouwingen van Harnack en Hatch kunnen geraadpleegd worden -Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. S. 369 f. Kuenen, Theol. -Tijdschr. 1891 bl. 487 v. Van Rhijn, Theol. Studiën 1891 bl. -365 v., 437 v. Dr. W. Schmidt, Der alte Glaube und die Wahrheit -des Christ. Berlin, Wigandt 1894. Henri Bois, Le dogme -grec, Paris, Fischbacher 1892.</p> - -<p class="sep2">3. Al is echter het christelijk dogma niet uit de grieksche -philosophie te verklaren, toch is het niet zonder deze ontstaan. -In de Schrift is er nog geen dogma en geen theologie in eigenlijken -zin. Zoolang de openbaring zelve nog voortging, kon ze -niet het voorwerp worden van wetenschappelijk nadenken. De -inspiratie moest afgeloopen zijn eer de reflectie aan het woord -kon komen. Het spraakgebruik van Mozaische, Paulinische, -Bijbelsche theologie en dogmatiek enz., verdient daarom geen -<span class="pagenum" id="Page_515">[515]</span> -aanbeveling; het woord theologie komt trouwens in de Schrift -ook niet voor en heeft eerst langzamerhand zijne tegenwoordige -beteekenis gekregen, Kuyper, Encycl. II 117 v. Theologie is in -de gemeente van Christus eerst opgekomen, toen de kinderlijke -naïeveteit voorbij en het denkend bewustzijn ontwaakt was. Langzamerhand -kwam de behoefte op om de gedachten der openbaring -in te denken, met het overige weten in verband te brengen en -tegen allerlei aanval te verdedigen. Daartoe had men de philosophie -van noode. De wetenschappelijke theologie is met hare -hulp ontstaan. Maar dat is niet toevallig geschied. De kerk is -niet het slachtoffer van misleiding geweest. De kerkvaders hebben -bij de vorming en ontwikkeling der dogmata een ruim gebruik -van de philosophie gemaakt. Maar zij deden dat met volle bewustheid, -met een helder inzicht in de gevaren die eraan verbonden -waren, met klare rekenschap van de gronden, waarop zij -het deden, en met uitdrukkelijke erkenning van het woord der -apostelen als eenigen regel van geloof en leven. Daarom bedienden -zij zich ook niet van de gansche grieksche philosophie; zij deden -eene keuze; zij gebruikten alleen die philosophie, welke het meest -geschikt was om de waarheid Gods in te denken en te verdedigen; -zij gingen eclectisch te werk en hebben geen enkel wijsgeerig -stelsel, hetzij van Plato of van Aristoteles overgenomen, maar -met behulp van de grieksche philosophie eene eigene, christelijke -philosophie voortgebracht. Voorts gebruikten zij die philosophie -alleen als hulpmiddel. Gelijk Hagar dienstbaar was -aan Sara, gelijk de schatten van Egypte door de Israëlieten -werden aangewend tot versiering van den tabernakel, gelijk de -wijzen uit het Oosten hun geschenken neerlegden aan de voeten -van het kindeke in Bethlehem; zoo was naar het oordeel der -kerkvaders de philosophie ondergeschikt aan de theologie. Er -spreekt uit dit alles duidelijk, dat het gebruik van de philosophie -in de theologie niet op eene vergissing, maar op eene vaste en -klare overtuiging rustte. De kerkvaders wisten wat ze deden. Daardoor -is nu wel niet uitgesloten, dat de invloed der philosophie -op sommige punten hun te sterk is geweest. Maar dan dient -daarbij toch terstond onderscheiden te worden tusschen de theologie -der patres en de dogmata der kerk. De kerk heeft ten allen -tijde gewaakt tegen het misbruik der philosophie; zij heeft niet -alleen het Gnosticisme verworpen maar ook het Origenisme veroordeeld. -<span class="pagenum" id="Page_516">[516]</span> -En het is tot dusver niet gelukt, om de dogmata -materieel uit de philosophie te verklaren; hoe dikwerf het ook -is beproefd, altijd is toch ten slotte de schriftmatigheid der -orthodoxie gerechtvaardigd. Cf. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV -143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II 572 f.</p> - -<p>De Hervorming nam in den beginne eene vijandige houding -aan tegen de scholastiek en de philosophie. Maar zij kwam daarvan -spoedig terug; omdat zij geen secte was of wilde zijn, kon -zij niet buiten eene theologie. Luther en Melanchton zijn daarom -reeds tot het gebruik der philosophie teruggekeerd en hebben -het nut daarvan erkend, cf. Ritter, Gesch. der neuern Philos. I -495 f. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der Philos. III 5<sup>te</sup> Aufl. -1880 S. 17 f. en voor de latere luth. theologen, Hase, Hutterus -Rediv. § 30. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 5. Calvijn nam -van den aanvang af dit hooge standpunt in, Inst. II, 2, 12 sq. -en zag in de philosophie een praeclarum Dei donum, Opera, ed. -Amst. IX B. 50. En zoo oordeelden alle Gereformeerde theologen, -Hyperius, de theologo seu de ratione studii theol. 1556 lib. I. -Zanchius, Opera III 223 sq. VIII 653 sq. Alsted, Praecognita theol. -p. 174 sq. Voetius, Disp. III 741 sq. 751 sq. Owen, Theologumena -p. 509 sq. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 71 sq. Nu -loopt de vraag niet hierover, of de theologie zich van een bepaald -wijsgeerig stelsel bedienen moet. De christelijke theologie -heeft nooit eenig wijsgeerig systeem zonder kritiek overgenomen -en als waarheid geijkt. Noch de philosophie van Plato noch die -van Aristoteles is door eenig theoloog voor de ware gehouden. -Dat nogtans aan deze beide wijsgeerige stelsels de voorkeur gegeven -werd, had zijn oorzaak hierin, dat deze het best zich -leenden, om de waarheid te ontwikkelen en te verdedigen. Er -lag ook de gedachte in, dat de Grieken en Romeinen eene eigenaardige -roeping en gave hadden ontvangen voor het leven der -cultuur. Feitelijk is heel onze beschaving nog heden ten dage op -die van Griekenland en Rome gebouwd. En het Christendom -heeft deze niet vernietigd maar gekerstend en alzoo geheiligd. -Maar toch is niet eene bepaalde philosophie voor de theologie -van noode. Wat zij behoeft is philosophie in het algemeen. M. a. w. -het komt tot geen wetenschappelijke theologie dan door het denken. -Het eigenlijk principium cognoscendi internum der theologie -is dus niet het geloof als zoodanig, maar het geloovig denken, de -<span class="pagenum" id="Page_517">[517]</span> -ratio christiana. Het geloof is zichzelf bewust en zeker. Het rust -in de openbaring. Het sluit een kennen in, maar dat kennen is -geheel en al van practischen aard, een γιγνωσκειν in den zin der -H. Schrift. Theologie komt dus niet uit de geloovigen als zoodanig -op; zij is geen vrucht van de kerk als ecclesia instituta; -zij heeft haar oorsprong niet in het ambt, dat Christus aan zijne -gemeente geschonken heeft. Maar de geloovigen hebben nog een -ander, rijker leven, dan in de ecclesia instituta tot uiting komt. -Zij leven als Christenen ook in gezin, staat, maatschappij en -beoefenen wetenschap en kunst. Nog veel meer gaven dan die -werken door het ambt worden hun geschonken, gaven van kennis -en wijsheid en profetie. Onder hen zijn er ook, die een sterken -drang tot onderzoek en kennis in zich voelen, die gaven hebben -ontvangen, om de waarheid Gods in te denken en in systeem te -brengen. En zoo komt de theologie op in de kerk van Christus; -zij heeft tot subject niet de geinstitueerde kerk maar de kerk -als organisme, als het lichaam van Christus; zij is eene vrucht -van het denken der Christenheid.</p> - -<p class="sep2">4. Geloof en theologie zijn dus inderdaad onderscheiden. -Min of meer was men zich daarvan ook ten allen tijde bewust. -De scherpe tegenstelling, die het Gnosticisme maakte tusschen -πιστις en γνωσις, werd verworpen; en ook de verhouding, door -de Alexandrijnsche school tusschen beide aangenomen, werd niet -in alle opzichten goedgekeurd en gebillijkt, cf. boven <a href="#Page_60">60</a>. Maar -toch werd het onderscheid nadrukkelijk gehandhaafd en tegelijk -het innig verband van beide vastgehouden en erkend. Augustinus -verhief de spreuk: per fidem ad intellectum tot beginsel der -theologie; hij nam tusschenbeide eene verhouding aan als tusschen -ontvangenis en geboorte, werk en loon. Fidei fructus est -intellectus, tract. 22 in Ev. Joh. n. 2. Intellectus merces est -fidei, tract. 29 in Ev. Joh. n. 6. Hij wekt er toe op, ut ea, -quae fidei firmitate jam tenes, etiam rationis luce conspicias. -God veracht de rede niet. Absit namque, ut hoc in nobis Deus -oderit, in quo nos reliquis animantibus excellentiores creavit, -Ep. 120 ad Consent, n. 2-4. En dit was het beginsel en de -grondgedachte van heel de scholastiek. Geloof en theologie waren -onderscheiden als habitus en actus, als theologia infusa en acquisita. -Het geloof is toestemming aan, de theologie is kennis van -<span class="pagenum" id="Page_518">[518]</span> -de geopenbaarde waarheden. Het geloof sluit ook wel eenige -kennis in aangaande God en goddelijke zaken, maar deze kennis -geldt meer de existentia dan de rationes van die waarheden; de -theoloog echter dringt door tot de idee, spoort het verband der -waarheden op en leidt denkend er andere uit af, Liebermann, -Instit. Theol. ed. 8. Moguntiae 1857 cap. 1 § 1. Dat men zich -het onderscheid van religie en theologie bewust was, blijkt ook -nog uit de leer der fides implicita. Als het geloof volgens Rome -bestond in toestemming aan geopenbaarde waarheden, moest -vroeg of laat de vraag wel opkomen, welke en hoevele van die -waarheden men minstens kennen en aannemen moest, om de -zaligheid deelachtig te worden. Die vraag kon oprijzen met het -oog op de Heidenen, met het oog op de geloovigen des O. T. -en ook met het oog op de onkundige en onontwikkelde geloovigen -in de dagen des N. Test. Augustinus had al gezegd: turbam -non intelligendi vivacitas, sed credendi simplicitas tutissimam -facit, c. Epist. fundamenti cap. 4. Maar Lombardus stelde deze -vraag in zijne Sententiae lib. III dist. 25 eerst duidelijk aan de -orde. Sedert werd ze in de theologie breedvoerig behandeld; in -de 17<sup>e</sup> eeuw gaf ze zelfs in Frankrijk aanleiding tot een ernstigen -strijd, die door Innocentius XI niet opgelost maar toch beëindigd -werd. Gewoonlijk wordt de leer van de fides implicita in de -Roomsche theologie op deze wijze voorgedragen. De fides carbonaria -wordt uitdrukkelijk verworpen; alle Roomsche godgeleerden -houden staande, dat er tot het zaligmakend geloof eenige, -zij het ook geringe, kennis behoort; geheel impliciet kan en mag -het geloof dus nooit zijn. Maar die kennis verschilt in de verschillende -bedeelingen der genade. In de dagen des O. T. van -Adam af tot den val van Jeruzalem toe, toen de eigenlijke mysteriën -van het Christendom, zooals de triniteit en de vleeschwording -nog niet waren gepromulgeerd, waren necessitate medii -alleen deze twee artikelen noodig te gelooven, dat God is en dat -Hij een belooner is, Hebr. 11:6. Daarmede wordt niet gezegd, -dat vele geloovigen onder het O. T. geen meerdere en diepere -kennis hadden van de waarheid; Adam bijv. kende ook wel de -triniteit en de vleeschwording, Gen. 1:26, 2:23, 24, 3:15. -Maar de eenvoudige geloovigen konden met die twee artikelen -volstaan. Want implicite geloofden ze dan toch ook aan de eigenlijke -mysteriën van het Christendom, de triniteit en de incarnatie. -<span class="pagenum" id="Page_519">[519]</span> -In de existentie en de eenheid Gods ligt implicite de triniteit, -en daarin dat Hij remunerator is, ligt implicite de vleeschwording -opgesloten. Nu zagen anderen, zooals Wiggers, Daelman enz. dit -laatste nog niet zoo duidelijk in, en zeiden daarom, dat de O. T. -geloovigen vier artikelen hadden aan te nemen, n.l. behalve de -bovengenoemde twee ook nog de onsterfelijkheid der ziel en het -zondebederf (infectio animarum), in welke dan de beide hoofddogmata -des Christendoms implicite waren begrepen. De meest -gewone voorstelling was echter, dat de twee genoemde artikelen -voor de O. T. geloovigen voldoende waren. Maar na den val -van Jeruzalem zijn die twee hoofdwaarheden des Christendoms -duidelijk geopenbaard en bekend gemaakt; en nu is het dus -necessitate medii noodzakelijk voor ieder die zalig wil worden, -dat hij aanneme deze vier artikelen: Deus, isque remunerator, -sanctissima trinitas, mediator. Anderen voegen er nog andere -artikelen aan toe, zooals Deus Creator, Dei gratia ad salutem -necessaria, immortalitas; en sommigen noemen zelfs de aanneming -der 12 artikelen, quoad substantiam, noodzakelijk. Maar de voorstanders -van de vier artikelen drukken toch het meest gewone -gevoelen uit. Heel deze leer van de fides implicita wordt dan -gesteund met een beroep op Job 1:14: de runderen, d. i. de -ontwikkelde geloovigen, waren ploegende, en de ezelinnen, d. i. -de eenvoudige leeken, weidende aan hunne zijde. Deze exegese -komt al voor bij Gregorius M. Moral. lib. II cap. 25 en wordt -dan door Lombardus, Thomas, Bellarminus enz. overgenomen. Cf. -Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 -art. 5-8. Bellarminus, de Justific. I cap. 7. Billuart, Summa -S. Thomae sive Cursus Theol. VII p. 46 sq. Daelman, Theol. -seu Observ. theol. in Summam D. Thomae IV p. 44 sq. Dens, -Theologia in usum semin. II 278 sq. M. Becanus, Theol. Scholastica, -Tom. II Pars II tract. 1 p. 22 sq. Jansen, Praelect. -Theol. I 699 sq. Albr. Ritschl, Fides implicita, Bonn 1890. -De kwestie zelve, die aan deze leer der fides implicita ten grondslag -ligt, is ernstig en belangrijk genoeg; zij betreft toch niets -minder dan het wezen van het Christendom zelf, de beteekenis -van Israel, de mogelijkheid van progressie der openbaring bij het -absoluut karakter der waarheid. Maar de intellectualistische opvatting -van het geloof leidde er toe, om deze kwestie zuiver -quantitatief op te lossen; het aannemen van vier geloofsartikelen -<span class="pagenum" id="Page_520">[520]</span> -maakt den Christen; in de praktijk bleek de legende van de -fides carbonaria maar al te veel waarheid te bevatten. In elk -geval echter bewijst de leer van de fides implicita duidelijk, -dat de Roomsche theologen tusschen geloof en theologie in inhoud -en omvang onderscheid maken.</p> - -<p class="sep2">5. Ook de Reformatie bleef zich van dit verschil bewust. -Luthersche en Gereformeerde theologen namen de onderscheiding -over van habitus en actus der theologie, van theologia infusa -en acquisita. De eerste is het deel van alle geloovigen; in beginsel -kennen zij totam theologiam, hebben zij de ware en zuivere -kennisse Gods. Maar als acquisita is ze alleen het deel van hen, -die de kennisse Gods wetenschappelijk beoefenen. Dan toch is ze -eene notitia conclusionum ex principiis theologicis per discursum -theologicum collectarum, et certo ordine dispositarum, atque -animo impressarum diuturno labore ac exercitio, Alsted, Methodus -sacrosanctae theologiae 1623 p. 117, 126, 175. Owen, -Theologoumena p. 465 sq. Calovius, Isagoge ad S. Theol. p. 17, -18. Wel werden religio en theologia telkens met elkaar verwisseld, -cf. bv. Cloppenburg, Op. I 699. Mastricht, Theor.-pract. -Theol. I cap. 2 § 3, wat te lichter kon geschieden, omdat -theologie en dogmatiek ongeveer hetzelfde waren. Maar ook in -den bloeitijd der orthodoxie ging het onderscheid tusschen geloof -en theologie niet geheel te loor, gelijk door de leer van de articuli -fundamentales et non fundamentales bewezen wordt. De Hervorming -verwierp beslist de Roomsche leer van de fides implicita, -Calv., Inst. III. 2 § 2-6. Chamier, Panstr. Cath. T. III lib. 12 -cap. 5. Polanus, Synt. Theol. p. 592. Maresius, Synt. Theol. -loc. 11 § 29, enz. Cf. Ritschl, Fides implicita S. 56 f. Zij moest -dit wel doen, omdat zij het zaligmakend geloof niet liet bestaan -in het voor waar houden van eenige onbegrepen artikelen, maar -in een persoonlijk vertrouwen op de genade Gods in Christus. -Maar daarvoor kwam nu spoedig in de plaats de onderscheiding -tusschen fundamenteele en niet-fundamenteele artikelen. Calvijn -zeide al, dat men om minder wezenlijke punten niet van de kerk -scheiden moest, Instit. IV, 1 § 12, 13. IV, 2 § 1. Non enim -unius sunt formae omnia verae doctrinae capita. Sunt quaedam -ita necessaria cognitu, ut fixa esse et indubitata omnibus oporteat -ceu propria religionis placita, qualia sunt: unum esse Deum, -<span class="pagenum" id="Page_521">[521]</span> -Christum Deum esse ac Dei filium, in Dei misericordia salutem -nobis consistere et similia. Sunt alia, quae inter ecclesias controversa, -fidei tamen unitatem non dirimant, IV cap. 1 § 12. -De in de beschrijving des geloofs gebezigde juxtapositie van eene -zekere kennis, waardoor ik het al voor waarachtig houde wat -God in zijn woord heeft geopenbaard en van een vertrouwen, dat -mij al mijne zonden om Christus’ wil vergeven zijn, kon aanleiding -geven, om het zwaartepunt of in de fides generalis of in -de fides specialis te zoeken. Het groote aantal van kerken, die -successief uit de Reformatie voortkwamen en in verschillende -artikelen van elkander afweken, bevorderde de onderscheiding -tusschen wezenlijke en bijkomstige elementen in de openbaring. -Het allengs opkomende syncretisme en indifferentisme, dat van -het bijzondere tot het gemeenschappelijke terugging, maakte aanwijzing -noodzakelijk van wat tot de fundamenten der christelijke -religie behoorde. Zoo ontstond de leer van de articuli fundamentales. -Nic. Hunnius schijnt de uitdrukking het eerst gebruikt -te hebben in zijne Διασκεψις de fundamentali dissensu doctrinae -Lutheranae et Calvinianae 1626. Quenstedt sprak van articuli -primarii et secundarii. Anderen volgden, beide in de Luthersche -en in de Gereformeerde kerken, cf. Voetius, Disp. Sel. II 511-538. -H. Alting, Theol. probl. nova I 9. Spanheim fil., Opera -III col. 1289 sq. Heidegger, Theol. I § 51 sq. Turret. Theol. -El. I qu. 14. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 481 sq. Witsius, -Exercit. in Symb. II § 2. Bretschneider, System. Entw. aller in -der Dogm. vork. Begriffe, 4<sup>te</sup> Aufl. 1841 S. 103 f. Tholuck, -Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs 1852 S. 252 f. De -orthodoxie was natuurlijk niet geneigd, om de articuli fundamentales -tot een klein getal te beperken; maar toch is het streven -merkbaar, om deze artikelen centraal op te vatten en ze te -groepeeren rondom den persoon van Christus. De Roomschen -verwierpen echter deze onderscheiding, al had ze schijnbaar nog -zooveel overeenkomst met de fides implicita. Ze brachten de -Geref. en Luth. godgeleerden in geen geringe verlegenheid. Ze -vraagden, waar God in zijn woord tusschen wezenlijke en bijkomstige -waarheden onderscheid had gemaakt; waar men het recht -aan ontleende, om in de goddelijke openbaring het fundamenteele -van het niet-fundamenteele te scheiden; welke waarheden dan tot -de fundamenteele moesten gerekend worden; wie dat bepalen -<span class="pagenum" id="Page_522">[522]</span> -moest; en hoe op zulk standpunt het rationalisme en het indifferentisme -was te vermijden? Het geloof heeft toch, naar ze -beweerden, niet alleen tot object de divina misericordia, Conc. -Trid. sess. VI can. 12, maar omnia quae Deus revelavit, Bellarminus, -de Justif. I c. 8. Volgens de Jezuiten op het religiegesprek -te Regensburg 1601 was het ook een articulus fidei, -quod canis Tobiae caudam moverit. Cf. Denzinger, Vier Bücher -usw. II 277 f. Heinrich, Dogm. II 658 f. Jansen, Prael. Theol. -I 449 sq. Lamennais, Essai sur l’indifférence I ch. 6, 7, enz. -Tegenover al deze bedenkingen beriepen de Protestantsche theologen -zich wel op de Schrift, Mt. 16:16; 1 Cor. 2:2, 3:11 v.; -Ef. 2:20; Gal. 6:14; 1 Petr. 2:6, enz. en maakten ze wel -allerlei onderscheidingen, Spanheim. t. a. p. col. 1308 sq. Maar -zij ontveinsden zich de moeilijkheden niet; ze waren bevreesd -om in excessu en in defectu te dwalen; en zij eindigden met de -verklaring, dat zij het minimum van kennis niet konden bepalen, -waarmede een oprecht geloof gepaard moest gaan, Voetius, Disp. -II 537, 781. Spanheim t. a. p. col. 1291. Witsius, Exerc. in -Symb. II § 2 en 15. Hoornbeek, Conf. Socin. I p. 209. De -orthodoxie liep uit op rationalisme ter eener en piëtisme ter -anderer zijde. Leer en leven vielen hoe langer hoe verder uit -elkaar. Hoofd en hart streden om den voorrang. Theologie en -religie kwamen tegenover elkander te staan. Wij zijn de tegenstelling -nog niet te boven. Jaren lang is er geroepen: godsdienst -is geen leer maar leven; het komt er niet op aan, wat ge gelooft, -maar alleen hoe ge leeft. Langzamerhand echter gaan de -oogen ook voor de eenzijdigheid van deze richting open en wordt -de waarde der godsdienstige voorstellingen voor het religieuse -leven beter erkend, cf. bijv. Dr. Bruining in verschillende geschriften, -Gids Juni 1884. Moderne mystiek 1885. Het bestaan -van God 1892. Theol. Tijdschr. Nov. 1894.</p> - -<p class="sep2">6. Bij het onderzoek naar de verhouding van geloof en theologie -dient de vraag zuiver te worden gesteld. Zij luidt niet, -welke waarheden iemand minstens kennen en voor waar houden -moet, om zalig te worden. Die vraag zij aan Rome overgelaten; -en de Roomsche theologie make uit, of daartoe twee of vier of -meer artikelen van noode zijn. De Protestantsche theologie heeft -in de leer van de articuli fundamentales wel den schijn op zich -<span class="pagenum" id="Page_523">[523]</span> -geladen, alsof zij een dergelijken weg bewandelen wilde. Maar zij -is geëindigd met de erkentenis, dat zij de grootte van Gods -barmhartigheid niet wist en daarom de mate van kennis niet -bepalen kon, die noodzakelijk eigen is aan een oprecht geloof. -En bovendien is er tusschen de leer der fides implicita en die -der articuli fundamentales, bij alle schijnbare overeenstemming, -een belangrijk verschil. Bij Rome werd die leer ontwikkeld met -het oog op de eenvoudige leeken, de asinae van Job 1:14. Maar -in de theologie der Reformatie had ze haar oorsprong in het feit, -dat er verschillende kerken naast elkaar optraden met eene op -vele punten onderling afwijkende belijdenis; ze was dus eigenlijk -een onderzoek naar het wezen des Christendoms. Bij Rome is het -geloof toestemming aan allerlei geopenbaarde waarheden, die -artikelsgewijze kunnen opgeteld worden en in den loop der tijden -in aantal zijn toegenomen. Maar de Reformatie vatte het geloof -op als fides specialis, met een bijzonder centraal object, de genade -Gods in Christus; hier was eene optelsom van artikelen, -wier kennis en toestemming ter zaligheid noodig was, niet mogelijk -meer. Het geloof is eene persoonlijke verhouding des menschen -tot Christus; het is organisch en heeft de additie, de quantiteit -afgelegd. Rome moest daarom een minimum bepalen, zonder -hetwelk van geen zaligheid sprake kan zijn; bij de Reformatie -is het geloof een vertrouwen op de genade Gods en dus voor -geen berekening meer vatbaar. Ieder geloovige zoo in het O. als -in het N. Test. bezit in kiem diezelfde kennis, welke in de theologie -dieper en breeder ontwikkeld wordt. Van dit standpunt -uit is ook de verhouding van geloof en theologie nader in het -licht te stellen.</p> - -<p>Allereerst is er tusschen beide eene sterke overeenkomst. Zij -hebben het principium: het woord Gods, het voorwerp: de kennisse -Gods, het doel: de eere Gods met elkander gemeen. Ook -de theologie als wetenschap staat op den grondslag des geloofs. -De plaats, die in de andere wetenschappen toekomt aan de waarneming, -wordt hier ingenomen door het geloof. Het geloof verschaft -aan de theologie de stof voor het denken. In de mundane -wetenschap heet het: sensus praecedit intellectum, nihil est in -intellectu quod non prius fuerit in sensu; in de theologie is de -leuze: fides praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod -non prius fuerit in fide, Rothe, Theol. Ethik § 267 II S. 180 -<span class="pagenum" id="Page_524">[524]</span> -noot. Leibniz vergeleek daarom la foi met l’expérience, Discours -sur la conformité de la foi avec la raison, ch. 1. Begriffe ohne -Anschauungen sind leer, zeide Kant; en zoo heeft ook de theologie -geen inhoud dan uit en door het geloof. Zoodra zij het -geloof laat varen, houdt zij zelve als theologie op te bestaan. -En ook komt zij door het denken dit standpunt des geloofs nimmer -te boven. Op allerlei wijze is dit wel beproefd, maar het -is ijdel gebleken. Het geloof is het begin en ook het einde der -theologie; zij brengt het nooit tot een weten in eigenlijken zin, -d. i. tot een kennen op grond van eigen waarneming en inzicht. -Daardoor wordt de theologie niet van haar vrijheid beroofd. -Het geloof legt en handhaaft eenvoudig die relatie, welke er op -dit gebied tusschen subject en object behoort te bestaan. Het -plaatst den theoloog niet buiten en tegenover en boven, maar -onder en in de waarheid, welke hij te onderzoeken heeft. Het -doet niets anders, dan de theologie binden aan haar eigen object, -op geen andere wijze als elke andere wetenschap gebonden is en -blijft aan de waarneming en door haar in relatie staat met haar -object. De theologie is even vrij en even afhankelijk als iedere -andere wetenschap. Zij is vrij van alle banden, die strijden met -hare natuur; maar zij is geheel en al bepaald door het voorwerp, -dat zij zoekt te kennen, en dit heeft zij met alle wetenschappen -gemeen. Naarmate zij zich strenger bindt aan haar -object, loopt zij te minder gevaar om te ontaarden in dorre -scholastiek en ijdele rhetoriek. Door het geloof blijft de theologie -eene wetenschap der religie, eene Theologie der Thatsachen, die -niet over begrippen maar over zaken denkt en niet in ijle abstracties -zich verliest maar met beide voeten staat in die wereld -der realiteiten, welke de Schrift ons openbaart, Vilmar, Die -Theologie der Thatsachen wider die Theologie der Rhetorik, -4<sup>e</sup> Aufl. 1876.</p> - -<p>Maar aan de andere zijde is er tusschen geloof en theologie -een aanmerkelijk verschil. In vroeger tijd konden beide licht -met elkander verwisseld worden, omdat theologie en dogmatiek -met ethiek vrij wel identische begrippen waren. Maar theologie -is thans de naam geworden voor een ganschen cyclus van vakken. -Het onderscheid springt daarom thans een ieder terstond in het -oog. Theologie omvat tegenwoordig eene menigte van wetenschappen, -welke de eenvoudige geloovige zelfs niet bij name -<span class="pagenum" id="Page_525">[525]</span> -kent. Maar al wordt theologie in den ouden zin genomen, toch -blijft het onderscheid groot. Op elk gebied is er verschil tusschen -het gewone, alledaagsche, empirische weten, en het eigenlijke, -hoogere, wetenschappelijk weten. Ieder mensch heeft eenige empirische -kennis van zon, maan, sterren enz., maar deze kennis verschilt -hemelsbreed van de wetenschappelijke kennis van den astronoom. -De eerste kent alleen de facta, deze de rationes. De man -van wetenschap veracht het gewone, empirische weten niet; hij -werpt de natuurlijke zekerheid niet omver; maar hij heeft toch -de roeping om dat gewone weten te verhelderen, uit te breiden -en des noodig ook te zuiveren en te verbeteren. Niet anders is -het in de theologie. Het geloof blijft bij de feiten staan, de theologie -zoekt door te dringen tot de idee. Het geloof heeft genoeg -aan het dat, de theologie vraagt naar het waarom en het hoe. -Het geloof is altijd persoonlijk, het stelt het voorwerp altijd in -betrekking tot den mensch zelf, het heeft rechtstreeksch belang -bij het religieus gehalte der dogmata; de theologie maakt in -zekeren zin het object gegenständlich, zij tracht de waarheid -te bezien gelijk zij objectief in zichzelve bestaat, zij speurt haar -eenheid en haar innerlijk verband na, en zoekt te komen tot een -systeem. Het geloof richt zich op het centrale object, de theologie -breidt het onderzoek naar heel den omtrek van den cirkel uit. -Maar hoe ook verschillend, zij kunnen elkander niet missen. Het -geloof bewaart de theologie voor secularisatie, de theologie bewaart -het geloof voor separatisme. Daarom zijn ook kerk en -school (seminarie, theol. faculteit) wel twee, maar behooren zij -toch in nauw verband te staan. Ook hierdoor wordt aan de vrijheid -en onafhankelijkheid der theologie in niets te kort gedaan. -Elke faculteit beoefent de wetenschap niet alleen om haar zelfs -wil, maar leidt ook mannen op voor verschillende betrekkingen -in de maatschappij. Iedere wetenschap heeft feitelijk te rekenen -met de eischen van het leven. En zoo ook staat de theologie -niet hoog boven, maar midden in het werkelijke leven, in het -leven der gemeente. De wanverhouding, die er thans schier allerwege -tusschen kerk en theologie bestaat, is eene ramp voor beide.</p> - -<p class="sep2">7. Indien de theologie alzoo niet in het geloof als zoodanig -maar in het geloovig denken haar principium internum heeft, -dient de taak der rede in de theologische wetenschap nog nader -<span class="pagenum" id="Page_526">[526]</span> -omschreven te worden. Daarbij moet dan allereerst principieel -die voorstelling worden afgewezen, welke in geloof en rede twee -zelfstandige machten ziet, die met elkaar worstelen op leven en -dood. Op die wijze maakt men eene tegenstelling, die op christelijk -terrein niet thuis behoort. Het geloof is dan altijd supra of -ook zelfs contra rationem. Aan den eenen kant dreigt het rationalisme -en aan de andere zijde het supranaturalisme. Het geloof, -de fides qua creditur, is geen orgaan of vermogen naast en boven -de rede, maar eene gezindheid, eene hebbelijkheid van de rede -zelve. De rede, of wil men liever, het denken is zeker geen bron -der theologie, geen principium quo seu per quod aut ex quo seu -cur credamus, Voetius, Disp. I p. 3; bron is de rede voor geen -enkele wetenschap of hoogstens alleen voor de formeele wetenschappen, -logika en mathesis. Maar de rede is toch subjectum -fidei recipiens, fidei capax; het geloof is een akte van het bewustzijn, -van het menschelijk bewustzijn; een dier is niet tot -gelooven in staat. En voorts is het geloof geen dwang, maar -eene vrije daad van den mensch. De Christen gelooft niet op -bevel, uit vreeze, door geweld. Gelooven is de natuurlijke habitus -van zijn verstand geworden. Natuurlijk niet in dien zin, alsof er -niet telkens veel in zijne ziel tegen dat gelooven zich verzet. -Maar toch wel zoo, dat hij, ofschoon dikwerf doende wat hij niet -wil, toch een vermaak heeft in de wet Gods naar den inwendigen -mensch. Gelooven is de natuurlijke ademtocht van het kind Gods. -Zijne onderwerping aan het woord Gods is geen slavernij maar -vrijheid. Het geloof is in dezen zin geen sacrificium intellectus -maar sanitas mentis. Het geloof ontslaat den Christen daarom -niet van onderzoek en nadenken; eerder spoort het hem daartoe -aan. De natuur wordt door de wedergeboorte niet vernietigd maar -hersteld.</p> - -<p>Vooraf heeft daarom de geloovige, die aan de theologie zich -wijden wil, zijn denken te praepareeren voor de taak die hem -wacht. Er is geen ingang in den tempel der theologie dan door -de facultas artium heen. Philosophische, historische en linguistische -propraedeuse is voor den beoefenaar der godgeleerde wetenschap -onmisbaar. De philosophie, zeide Clemens Alexandrinus, -προκατασκευαζει την ὁδον τῃ βασιλικωτατῃ διδασκαλιᾳ. Keizer -Julianus wist wat hij deed, als hij de heidensche wetenschap -aan de Christenen ontnam; hij vreesde, met zijne eigene wapenen -<span class="pagenum" id="Page_527">[527]</span> -verslagen te worden. Dit alzoo gepraepareerde en geoefende denken -heeft dan in de theologie in hoofdzaak eene drievoudige taak. -Allereerst verleent het zijn dienst bij de vinding der stof. De -Schrift is het beginsel der theologie. Maar die Schrift is geen -wetboek; zij is een organisch geheel. De stof voor de theologie, -bepaaldelijk voor de dogmatiek, ligt door heel de Schrift heen -verspreid. Gelijk het goud uit de mijn, zoo moet de waarheid -des geloofs met inspanning aller geestelijke kracht uit de Schrift -worden opgedolven. Met eenige loca probantia is niets gedaan. -Niet op enkele losse teksten maar op de Schrift in haar geheel -moet het dogma worden gebouwd; het moet organisch opkomen -uit de principia, die er allerwege in de Schrift voor aanwezig -zijn. De leer van God, van den mensch, van de zonde, van -Christus enz. is immers niet slechts in enkele uitspraken te -vinden, maar is verspreid door heel de Schrift heen en is niet -enkel in sommige bewijsplaatsen maar ook in allerlei beelden en -gelijkenissen, ceremoniën en geschiedenissen vervat. Er mag geen -deel der Schrift verwaarloosd worden. De gansche Schrift bewijze -het gansche systeem, Hofmann, Der Schriftbeweis, 2<sup>e</sup> Aufl. I S. -1-32. Ook in de theologie dient het separatisme vermeden te -worden. Het is een kenmerk van vele secten, dat zij uitgaan van -een klein gedeelte der Schrift en haar overigens geheel verwaarloozen. -Het ergst en meest verspreid is de verwerping of veronachtzaming -van het Oude Testament. Het Marcionitisme is -telkens in de christelijke kerk teruggekeerd en speelt ook in de -nieuwere theologie eene groote rol, cf. Diestel, Gesch. des Alten -Test. in der christl. Kirche, Jena 1869. H. Schmidt, Der Marcionitismus -in der neueren Theologie, Neue Jahrb. f. deutsche -Theol. 1893, en later bij de leer der verbonden. Al dit willekeurig -gebruik der H. Schrift leidt tot eenzijdigheid en dwaling -in de theologie en tot krankheid in het religieuse leven. Het -volle rijke beeld der waarheid komt dan niet aan het licht. De -persoon en het werk des Vaders of des Zoons of des H. Geestes -worden miskend. Aan Christus wordt te kort gedaan in zijn -profetisch, of in zijn priesterlijk, of in zijn koninklijk ambt. De -christelijke religie boet haar katholiek karakter in. Hoofd, hart -en hand des Christens worden niet harmonisch door de waarheid -gevormd en geleid. Eerst de volle, gansche Schrift bewaart voor -al deze eenzijdigheden. Maar daarom heeft ook het denken bij -<span class="pagenum" id="Page_528">[528]</span> -deze opsporing van de theologische stof eene belangrijke taak. -Vervolgens heeft de theoloog deze alzoo verkregen stof ook denkend -te bearbeiden. De dogmata staan niet totidem verbis, κατα -ρητον maar κατα διανοιαν in de Schrift; zij zijn conclusiones -fidei. De leer van de triniteit, van de twee naturen van Christus, -van de voldoening, van de sacramenten enz. is niet op ééne -enkele uitspraak der Schrift gebaseerd, maar is opgebouwd uit -vele gegevens, die door heel de Schrift heen verspreid liggen. -Dogmata zijn de korte samenvatting in onze taal van alwat de -Schrift over de desbetreffende onderwerpen leert. De Roomsche -en Protestantsche godgeleerden hebben daarom tegenover allerlei -richtingen, die bij de letterlijke uitdrukkingen der Schrift wilden -blijven staan, het recht van de dogmatische terminologie verdedigd. -Zij deden dat, niet omdat zij minder, maar omdat zij -meer en beter Schriftuurlijk wilden zijn dan deze. Dan juist -kwam naar hunne gedachte de Schrift tot haar volle eere, als -niet één enkele tekst letterlijk werd aangehaald maar als de -gansche waarheid, in vele teksten begrepen, saamgevat en in het -dogma weergegeven werd. De theologie is daarom niet slechts -eene noëtische, maar ook eene dianoëtische, geen apprehensieve -maar eene discursieve wetenschap. Zij denkt na, vergelijkt, beoordeelt, -vat samen, leidt andere waarheden uit de verkregene -af, enz. Ook Jezus en de apostelen deden alzoo, Mt. 22:32, -44 v.; Joh. 10:34 v.; Hd. 15:9 v., 18:28; 1 Cor. 15, enz.; -en kerkvaders, scholastici, Roomsche en Protestantsche godgeleerden -hebben dat voorbeeld gevolgd. God heeft ons niet geroepen -om letterlijk na te zeggen maar om na te denken, wat -Hij in zijne openbaring ons voorgedacht heeft. En eindelijk heeft -het denken in de theologie nog tot taak, om alle waarheid saam -te vatten in één systeem. Een systeem is het hoogste, wat in de -wetenschap te begeeren valt. Ook de theologie rust niet, voordat -zij de eenheid heeft ontdekt, die in de openbaring verscholen ligt. -Zij mag dat systeem niet van buiten opdringen, en de waarheid -niet persen in een wijsgeerig stelsel, dat aan haar wezen vreemd -is. Maar zij zoekt toch zoolang, totdat in het menschelijk bewustzijn -het systeem zich afspiegele, dat in het object zelf aanwezig -is. In dit alles gaat de theologie evenals andere wetenschappen -te werk. Zij arbeidt op dezelfde manier. Zij is evenals -deze gebonden aan haar object. Zij is bij het denken onderworpen -<span class="pagenum" id="Page_529">[529]</span> -aan de wetten, die voor dat denken gelden; straffeloos kan ook -zij niet zondigen tegen de logika, Alsted, Praecognita 186. Het -hoogste is ook voor haar de eenheid der waarheid, het systeem -der kennisse Gods. Hoezeer de theologie dan ook van de andere -wetenschappen verschille, in beginsel, voorwerp en doel; zij komt -formeel met haar overeen en mag terecht op den naam van -wetenschap aanspraak maken. En wijl de openbaring niet met de -menschelijke rede strijdt per se, maar alleen per accidens corruptionis -et pravae dispositionis, daarom kan de theologie zelfs -in zekeren zin naturalis en rationalis heeten, Voetius, Disp. I 3. -De christelijke religie is eene λογικη λατρεια, Rom. 12:1. De -litteratuur over het gebruik der rede en der philosophie in de -theologie is verbazend rijk. Zie voor de kerkvaders Kleutgen, -Theol. der Vorzeit IV 143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II -574 f., en voorts Voetius, Disp. Sel. I p. 1-11. Turretinus, -Theol. El. loc. 1 qu. 8-13. Witsius, Misc. Sacra II 584 sq. -en verdere litt. bij M. Vitringa’s uitgave van C. Vitringa, Doctrina -christ. relig. I p. 32-34.</p> - -<p class="sep2">8. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen -brengt zij het niet. Tusschen weten, kennen en begrijpen is een -groot onderscheid. Wel worden deze woorden dikwerf door elkander -gebruikt; maar er is toch een duidelijk aanwijsbaar verschil. -Weten geldt de existentie, het dat; kennen de qualiteit, het wat; -begrijpen de innerlijke mogelijkheid, het hoe van een ding. Begrijpen -doen we zeer weinig, eigenlijk alleen datgene, wat geheel -in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen. Eene -machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze -werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit -verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen, -wat, zooals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is. -Dikwerf houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt. -Wat vanzelf sprak, blijkt gansch ongewoon en wonderlijk te zijn. -Hoe verder eene wetenschap doordringt in haar object, naar die -mate nadert zij het mysterie. Al ontmoette zij geen ander op -haren weg, dan zou zij toch ten slotte altijd stuiten op het -mysterie des zijns. Waar echter het begrijpen ophoudt, blijft er -toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zoo is het ook -in de theologie. In de openbaring is het μυστηριον εὐσεβειας -<span class="pagenum" id="Page_530">[530]</span> -ons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het -treedt ons als eene realiteit in de geschiedenis en in het eigen -leven te gemoet; maar wij doorgronden het niet. In dezen zin -heeft de christelijke theologie het altijd met mysteriën te doen, -die zij wel kennen en bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden -kan.</p> - -<p>Dikwerf is echter het mysterie in de christelijke theologie in -gansch anderen zin verstaan. Het woord μυστηριον, van μυστης, -μυω, zich sluiten, dichtgaan, van oogen, lippen, wonden; is in -het gewoon grieksch de naam voor de religieus-politieke geheimleer -die in sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace -enz. alleen aan de ingewijden meegedeeld en voor alle anderen -verborgen werd, Foucart, des associations religieuses chez les -Grecs, Paris 1873. Edwin Hatch, Griechentum u. Christenthum, -deutsch v. Preuschen 1892 S. 210 f. Gustav Anrich, Das antike -Mysteriënwesen in seinem Einfluss auf das Christ. Göttingen 1894. -In het N. Test. heeft het woord altijd religieuse beteekenis en -duidt eene zaak aan van het koninkrijk Gods, welke of van wege -den duisteren, raadselachtigen vorm, waarin ze wordt voorgedragen, -Mt. 13:11; Mk. 4:11; Luk. 8:10; Op. 1:20, 17:5, 7, -of ook van wege haar inhoud verborgen is. Vooral heet zoo het -universeele, ook de Heidenen omvattende raadbesluit Gods aangaande -de verlossing in Christus, Rom. 16:25; Ef. 1:9, 3:3, -6:19; Col. 1:26, 27, 2:2, 4:3, benevens de wijze, waarop -dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25; 1 Cor. 15:51; 2 Thess. 2 -vs. 7; Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zoo, niet omdat -het nu nog verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was. -Thans is het juist door het evangelie van Christus openbaar -gemaakt; wordt het door de apostelen als οἰκονομοι μυστηριων -θεου verkondigd, Rom. 16:25, 26; Col. 1:26; 1 Cor. 2:14; -Mt. 13:11; 1 Cor. 4:1; en treedt het ook voortaan in de -historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess. -2:7. Het N. T. μυστηριον duidt dus geen voor het denkend -verstand onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar -eene zaak, die eerst bij God verborgen was, daarna in het evangelie -is bekend gemaakt en nu door de geloovigen wordt verstaan, -Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Maar het kerkelijke -spraakgebruik verstond er al spoedig eene zaak onder, -die onbegrijpelijk was en ook het verstand van den geloovige -<span class="pagenum" id="Page_531">[531]</span> -verre te boven ging, zooals de vleeschwording, de unio mystica, -de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door de rede -niet konden bewezen worden, Suicerus, Thes. Eccles. s. v. Ook -zoo bleef er nog een groot onderscheid tusschen het heidensch -en het christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan eene -geheimleer, die voor oningewijden verborgen moest gehouden -worden; maar in de christ. kerk heeft er nooit eene eigenlijke -disciplina arcana bestaan, al werd er ook eene zekere orde betracht -in de meedeeling der waarheid. Zezschwitz, art. Arkandisciplin -in Herzog<sup>2</sup>. Hatch, Griechenthum u. Christ. 217 f. Kattenbusch, -Vergleichende Konfessionskunde I 393 f. Suicerus, Thes. -Eccl. s. v. δογμα. Maar toch waren de dogmata onbegrepen en -onbegrijpelijke waarheden des geloofs, wel niet contra maar toch -hoog supra rationem, Thomas, S. Theol. I qu. 32. art. I S. c. -Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo I 3. II 6. Heinrich -II 772 f. Denzinger, Vier Bücher v. d. rel. Erk. II 80-150. -Kleutgen, Theol. der Vorzeit V 164 f. In de veroordeeling van -Erigena, Raimundus Lullus, Hermes, Günther, Frohschammer -sprak Rome hare afkeuring uit over iedere poging, om de mysteriën -des geloofs uit de rede te bewijzen. En het Conc. Vatic. -sprak uit: divina mysteria suapte natura intellectum creatum sic -excedunt, ut etiam revelatione tradita et fide suscepta, ipsius -tamen fidei velamine contecta et quadam quasi caligine obvoluta -maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur a Domino; -per fidem enim ambulamus, et non per speciem, sess. 3 cap. 4. -De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter der -openbaring maar bracht toch feitelijk eene groote verandering aan. -Bij Rome zijn de mysteriën in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk, -omdat ze behooren tot eene andere, hoogere, bovennatuurlijke -orde, die het verstand van den mensch als zoodanig verre -overtreft. Het moet daarom allen nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid -der mysteriën en deze in bescherming nemen en handhaven. -Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf een bewijs voor de -waarheid te zijn. Credibile est, quia ineptum est.... Certum, -quia impossibile, Tertull. de carne Chr. 5. Maar de Reformatie -verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke -orde door die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het -mysterie niet daarin, dat het voor den mensch op zichzelf, maar -voor het verstand van den psychischen mensch onbegrijpelijk was, -<span class="pagenum" id="Page_532">[532]</span> -Calv. Inst. II, 2, 20. Voetius, Disp. I 3. Zonder twijfel is deze -opvatting veel meer met het N. Testamentisch spraakgebruik in -overeenstemming. Nergens staat daar het abstract-bovennatuurlijke -en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke van het mysterie op den -voorgrond. Maar terwijl het eene dwaasheid is in de oogen van -den natuurlijken mensch, hoe wijs hij ook zij; het wordt geopenbaard -aan de geloovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in -zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17; Rom. 11:33; 1 Cor. 1:30. -Natuurlijk wil de Schrift nu daarmede ook niet te kennen -geven, dat de geloovige die mysteriën in wetenschappelijken zin -begrijpt en verstaat. Wij wandelen immers door geloof, kennen -ten deele en zien door een spiegel in eene duistere rede, Rom. -11:34; 1 Cor. 13:12; 2 Cor. 5:7. Maar de geloovige kent -die mysteriën toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis -meer; hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Het komt -daarom niet in hem op, dat ze zijne rede te boven gaan, dat zij -supra rationem zijn; hij voelt ze niet als een drukkenden last -maar als eene bevrijding voor zijn denken. Zijn geloof gaat in -bewondering over, zijne kennis eindigt in aanbidding, en zijne -belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van dien aard is ook -de kennisse Gods, welke in de theologie wordt beoogd. Zij is geen -weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter en -heerlijker, zij is eene kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh. -17:3. Cf. over de μυστηρια, behalve de reeds genoemde litt., -ook nog Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. -Begriffe I 168. J. Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843. -Scholten, L. H. K. I 223. Oosterzee, Dogm. I 168. Philippi -Comm. op Rom. 11:25. Gretillat, Exposé de théol. syst. I 182 -s. II 183.</p> - -<hr class="hr16" /> - -<div class="npage"> - - <div class="boxnt" id="noot"> - -<p class="noind sansrf">Opmerkingen van de bewerker.</p> - -<p>Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe afbeelding -te geven van de originele versie. In het origineel wordt æ bijna -overal als ae weergegeven, en œ overal als oe. Deze schrijfwijze -is hier gehandhaafd.</p> - -<p>Inconsequente spelling als van deïsme/deisme enz. is gehandhaafd.</p> - -<p>Hier en daar zijn echter spatiëring of punctuatie stilzwijgend -gecorrigeerd. Zelfstandige naamwoorden in het Duits zijn waar -nodig stilzwijgend van een hoofdletter voorzien.</p> - -<p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn -als volgt gecorrigeerd.</p> - -<p class="noind sansrf">Correcties.</p> - -<ul class="lsoff"> -<li><a href="#cor_1">Pag. 5</a>: het woord „worden” ingevoegd (Er moet daarom onderscheiden worden tusschen).</li> -<li><a href="#cor_2">Pag. 7</a>: „phychologisch” vervangen door „psychologisch” (als historisch en psychologisch verschijnsel).</li> -<li><a href="#cor_3">Pag. 31</a>: „geplitst” vervangen door „gesplitst” (zich vertakt en gesplitst heeft).</li> -<li><a href="#cor_4">Pag. 32</a>: „πιστεας” vervangen door „πιστεως” (Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως).</li> -<li><a href="#cor_5">Pag. 35</a>: „Chtistus” vervangen door „Christus” (de persoon en het werk van Christus).</li> -<li><a href="#cor_6">Pag. 54</a>: „Jahrb.” vervangen door „Jahrh.” (Gesch. der 3 ersten Jahrh.).</li> -<li><a href="#cor_7">Voetnoot 1</a>: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque).</li> -<li><a href="#cor_8">Pag. 75</a>: „den den” vervangen door „den” (die den mensch dit doel doen bereiken).</li> -<li><a href="#cor_9">Pag. 78</a>: „Erankrijk” vervangen door „Frankrijk” (Fridolinus -en Columbanus † 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië).</li> -<li><a href="#cor_10">Pag. 81</a>: „nn” vervangen door „nu” (Daarbij kwam nu in de tweede plaats).</li> -<li><a href="#cor_11">Pag. 83</a>: „thologie” vervangen door „theologie” (aan de theologie eene eereplaats verzekerd).</li> -<li><a href="#cor_12">Pag. 92</a>: „6e” vervangen door „de” (Maar daarmede was de strijd niet uit).</li> -<li><a href="#cor_13">Pag. 96</a>: „objects” vervangen door „objets” (les premiers objets des connaissances morales).</li> -<li><a href="#cor_14">Pag. 102</a>: „objective” vervangen door „objectieve” (over alle objectieve waarheid).</li> -<li><a href="#cor_15">Pag. 103</a>: „Vernumft” vervangen door „Vernunft” (innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft).</li> -<li><a href="#cor_16">Pag. 122</a>: „Sanmur” vervangen door „Saumur” (In Frankrijk werd de akademie van Saumur).</li> -<li><a href="#cor_17">Pag. 127</a>: „anjourdhui” vervangen door „aujourd’hui” (qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens).</li> -<li><a href="#cor_18">Pag. 132</a>: „eightteenth” vervangen door „eighteenth” (the evangelical reaction of the eighteenth century).</li> -<li><a href="#cor_19">Pag. 133</a>: „Archbischop” vervangen door „Archbishop” (hij was de Archbishop of the Slums).</li> -<li><a href="#cor_20">Pag. 138</a>: „Systematie” vervangen door „Systematic” (Systematic Theology -London).</li> -<li><a href="#cor_21">Pag. 153</a>: „Stof” vervangen door „Stoff” (L. Büchner, Kraft und Stoff).</li> -<li><a href="#cor_22">Pag. 158</a>: „auschaulichen” vervangen door „anschaulichen” (wurzelt auf der anschaulichen Welt).</li> -<li><a href="#cor_23">Pag. 162</a>: „Vorstelling” vervangen door „Vorstellung” (φαντασια, φαντασμα, species sensibilis, -perception, Vorstellung).</li> -<li><a href="#cor_24">Pag. 167</a>: „and” vervangen door „und” (Nominalismus und Realismus in der neuesten -deutschen Philosophie).</li> -<li><a href="#cor_25">Pag. 208</a>: „contract” vervangen door „contrat” (de aanhangers van het contrat social).</li> -<li><a href="#cor_26">Pag. 221</a>: „veroordeelf” vervangen door „veroordeelt” (en veroordeelt zoowel het traditionalisme).</li> -<li><a href="#cor_27">Pag. 240</a>: „unbewust” vervangen door „unbewusst” (Das unbewusst Weissagende).</li> -<li><a href="#cor_28">Pag. 259</a>: „‏אֹותוֹת‎” vervangen door „‏אוֹת‎” (Vooral worden ze ook genoemd ‏אוֹת‎ Ex. 3:12).</li> -<li><a href="#cor_29">Pag. 278</a>: „uniomis” vervangen door „unionis” (niet reconciliationis maar unionis).</li> -<li><a href="#cor_30">Pag. 278</a>: „tegenver” vervangen door „tegenover” (De openbaring staat niet tegenover de natuur).</li> -<li><a href="#cor_31">Pag. 309</a>: „sec.” vervangen door „saec.” (patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872).</li> -<li><a href="#cor_32">Pag. 313</a>: „3<sup>9</sup>” vervangen door „3<sup>o</sup>” (3<sup>o</sup> liber aliquis).</li> -<li><a href="#cor_33">Pag. 313</a>: „El.” vervangen door „Ed.” (Ed. du Pin, Dissert. préliminaire).</li> -<li><a href="#cor_34">Pag. 325</a>: „zijn” vervangen door „zij” (zij gaan er van uit).</li> -<li><a href="#cor_35">Pag. 328</a>: „reede” vervangen door „reeds” (legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan).</li> -<li><a href="#cor_36">Pag. 333</a>: „bij” vervangen door „by” (The modes of quotation used by the evangelical writers).</li> -<li><a href="#cor_37">Pag. 339</a>: „Δογος” vervangen door „Λογος” (Λογος ἐνσαρκος).</li> -<li><a href="#cor_38">Pag. 343</a>: „4te” vervangen door „4<sup>th</sup>” (4<sup>th</sup> ed. London 1854).</li> -<li><a href="#cor_39">Pag. 343</a>: „heroen” vervangen door „heroën” (heeft daarom op de heroën of genieën gewezen).</li> -<li><a href="#cor_40">Pag. 389</a>: „comtemplatie” vervangen door „contemplatie” (dat der contemplatie en visio Dei).</li> -<li><a href="#cor_41">Pag. 400</a>: „continna” vervangen door „continua” (a Sp. S<sup>o</sup>. dictatas et continua successione).</li> -<li><a href="#cor_42">Pag. 404</a>: „Oevres” vervangen door „Oeuvres” (Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre).</li> -<li><a href="#cor_43">Pag. 409</a>: „andieritis” vervangen door „audieritis” (quidquid inde audieritis, hoc vobis bene sapiat).</li> -<li><a href="#cor_44">Pag. 426</a>: „praepatorii” vervangen door „praeparatorii” (de mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft).</li> -<li><a href="#cor_45">Pag. 432</a>: „toepepast” vervangen door „toegepast” (op de dogmatiek toegepast).</li> -<li><a href="#cor_46">Pag. 444</a>: „chritienne” vervangen door „chrétienne” (De la certitude chrétienne).</li> -<li><a href="#cor_47">Pag. 491</a>: „van” vervangen door „von” (Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp. S.).</li> -<li><a href="#cor_48">Pag. 510</a>: „iucarnationis” vervangen door „incarnationis” (modos incarnationis intueri).</li> -</ul> - - </div> - -</div> - -<hr class="full" /> - - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Gereformeerde dogmatiek, by H. Bavinck - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK *** - -***** This file should be named 51052-h.htm or 51052-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/0/5/51052/ - -Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Hans Pieterse and -the Online Distributed Proofreading Team at -http://www.pgdp.net. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/51052-h/images/cover.jpg b/old/51052-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 7679dff..0000000 --- a/old/51052-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/51052-h/images/img-01.jpg b/old/51052-h/images/img-01.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e1561bd..0000000 --- a/old/51052-h/images/img-01.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/51052-h/images/streep-1.jpg b/old/51052-h/images/streep-1.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a682a87..0000000 --- a/old/51052-h/images/streep-1.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/51052-h/images/streep-2.jpg b/old/51052-h/images/streep-2.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2f25798..0000000 --- a/old/51052-h/images/streep-2.jpg +++ /dev/null |
